|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/3202 |
2.7.2025 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De weg naar het volgende meerjarig financieel kader
(COM(2025) 46 final)
(C/2025/3202)
Rapporteurs: Elena-Alexandra CALISTRU
Konstantinos DIAMANTOUROS
Stefano PALMIERI
|
Adviseurs |
Samuel CORNELLA (voor de rapporteur) |
|
|
|
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 5.3.2025 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
15.4.2025 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
30.4.2025 |
|
Zitting nr. |
596 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
202/4/5 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) onderstreept het strategisch belang van het volgende meerjarig financieel kader (MFK), aangezien de komende onderhandelingen over de langetermijnbegroting van de EU voor de periode na 2027 zullen plaatsvinden op een cruciaal moment, met een ongekende samenloop van crises, waardoor acute spanningen ontstaan tussen de strategische doelstellingen van de EU en de omvang en toewijzing van haar begroting. |
|
1.2. |
Het EESC wijst erop dat het MFK sterk en ambitieus moet blijven en deelt de mening van Enrico Letta dat zonder een uniform financieel kader dat de stroom van investeringen naar duurzame en innovatieve sectoren van de reële economie stimuleert, de ambities voor een groene, digitale en rechtvaardige transitie onhaalbaar zijn. Hiervoor zijn niet alleen stapsgewijze aanpassingen nodig, maar ook een fundamentele herconceptualisering van de EU-begroting als een investeringsinstrument dat in staat is de prioriteiten ervan te verwezenlijken en Europese collectieve goederen te leveren. |
|
1.3. |
Om al deze redenen vindt het EESC dat het niveau van het volgende MFK — als percentage van het bni — in reële termen niet mag dalen, maar juist aanzienlijk moet stijgen om de toenemende uitdagingen op EU-niveau het hoofd te kunnen bieden. Bovendien moeten de huidige regels voor de aanpassing aan toekomstige inflatiedruk worden herzien. |
|
1.4. |
Het EESC dringt daarom aan op een aanzienlijke verhoging van het MFK in reële termen om het hoofd te bieden aan de enorme uitdagingen waar de EU voor staat. Daarnaast moet ook het mechanisme voor aanpassing van het MFK aan de inflatie, dat de jaarlijkse verhoging van de bijdragen aan de begroting traditioneel beperkt tot 2 %, veranderen om de reële koopkracht van het MFK te behouden. |
|
1.5. |
Het EESC stelt voor om de huidige regels te vereenvoudigen en lijn te brengen in de vele naast elkaar bestaande programma’s met overlappende doelstellingen, die veel bureaucratie met zich meebrengen voor overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven en het moeilijk maken om op te schalen en doelgerichte prioriteiten te verwezenlijken, zoals in het Draghi-verslag wordt gesteld. Organisaties die projecten op lokaal niveau uitvoeren, moeten op een efficiëntere manier gebruik kunnen maken van financiële middelen. |
|
1.6. |
De financiering moet worden gericht op grotere programma’s met een grotere ontwikkelingsimpact, en de investeringen moeten ook bijdragen aan de integratie van perifere, insulaire en ultraperifere regio’s in pan-Europese industriële waardeketens. Tegelijkertijd mogen het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en het Fonds voor een rechtvaardige transitie niet worden verwaarloosd, maar moeten ze juist worden versterkt en gestroomlijnd om het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten uit te voeren. |
|
1.7. |
Het EESC stelt voor om geleidelijk over te stappen van het huidige overheersende model waarbij financiering en uitgaven strikt aan elkaar worden gekoppeld, naar een nieuw model dat gebaseerd is op de verwachte prestaties en impact van programma’s. Het Comité dringt daarom aan op een algehele herziening van de administratieve procedures, waarbij de nadruk moet liggen op echte vereenvoudiging in plaats van louter consolidatie van de bestaande regels, en waarbij een adequaat gebruik van middelen moet worden gewaarborgd. |
|
1.8. |
Het EESC pleit ervoor de aanpak van het Europees defensiebeleid binnen het MFK te herzien, gezien de conclusies van de Europese Raad over de Europese defensie van 6 maart 2025. Na de Russische invasie van Oekraïne en de toenemende terughoudendheid van de VS om de veiligheid van Europa te garanderen, is het van cruciaal belang om de investeringen in defensie op te voeren en na te denken over een echte gemeenschappelijke Europese defensie, onder meer via nieuwe financieringsinstrumenten waarmee het niveau van technologische ontwikkeling in de militaire sector kan worden verhoogd. |
|
1.9. |
Tegelijkertijd acht het EESC het van belang dat in het nieuwe MFK ten volle rekening wordt gehouden met Europese collectieve goederen en de rol die zij kunnen spelen in de toekomst van de EU en haar sociale cohesie. Het is belangrijk dat de EU een actieve rol speelt bij de productie en instandhouding van Europese collectieve goederen, zodat schaalvoordelen, positieve externe effecten en Europese meerwaarde worden gerealiseerd. |
|
1.10. |
Het Innovatiefonds, dat wordt gefinancierd met inkomsten uit het emissiehandelssysteem (ETS), heeft gezorgd voor de broodnodige financiering om de industriële productie in de EU te helpen decarboniseren. Op oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het Innovatiefonds wordt massaal gereageerd, met een enorm verschil tussen vraag en aanbod. Het EESC dringt er daarom op aan dat het Innovatiefonds met meer middelen wordt gefinancierd, aangezien slechts een zeer klein percentage van de inkomsten uit het ETS daadwerkelijk naar het Innovatiefonds gaat. |
|
1.11. |
Het EESC pleit voor de opname van een cofinancieringselement in het volgende MFK voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang om de industriële ontwikkeling in de hele EU voor alle lidstaten te bevorderen. Daarnaast is het EESC van mening dat er meer middelen moeten worden uitgetrokken voor onderzoek en ontwikkeling (Horizon Europa) en voor vervoers- en energieverbindingen (TEN-T en TEN-E). |
|
1.12. |
Het EESC erkent dat tijdens de pandemie de gemeenschappelijke Europese uitgifte van schuldpapier met succes is geïntroduceerd als innovatief instrument en opnieuw zou kunnen worden ingezet om het duurzame concurrentievermogen en de veerkracht van de eengemaakte markt in de toekomst te financieren. Het Comité merkt op dat gebieden van duidelijk gemeenschappelijk Europees belang, zoals gezondheidsbeveiliging, defensievermogens en kritieke grensoverschrijdende infrastructuur, occasioneel financieringsoplossingen vereisen die de collectieve leningscapaciteit van de EU optimaliseren. Dergelijke mechanismen moeten van geval per geval worden bekeken, met passende waarborgen, governancekaders en een duidelijke focus op investeringen met aantoonbare Europese meerwaarde die via conventionele financieringskanalen niet efficiënt kunnen worden gerealiseerd. |
|
1.13. |
Het EESC benadrukt hoe belangrijk het is voor zowel burgers als boeren in de EU dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid binnen het nieuwe MFK naar behoren wordt ondersteund, zodat voedselzekerheid en -kwaliteit worden gewaarborgd en mensen kunnen leven van hun landbouwinkomen. |
|
1.14. |
Gezien de noodzaak om te investeren in waterweerbaarheid in alle sectoren van de samenleving dringt het Comité er bij de EU op aan water aan te merken als strategische prioriteit in het volgende MFK. Er moet een fonds voor een blauwe transitie worden opgezet als centraal toegangspunt voor investeringen van de EU in water, waarbij overheidsinvesteringen worden gecombineerd met innovatieve financiering. |
|
1.15. |
Het EESC onderstreept dat voor een succesvolle uitvoering van het volgende MFK een fundamenteel andere benadering van prestaties en verantwoordingsplicht nodig is, die voortbouwt op de lessen die zijn getrokken uit zowel traditionele programma’s als uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit. De ervaring van de afgelopen jaren heeft geleerd dat op prestaties gebaseerde financiering weliswaar nieuwe mogelijkheden biedt, maar gepaard moet gaan met voldoende bestuurlijke capaciteit en zinvolle betrokkenheid van belanghebbenden. |
|
1.16. |
Het EESC is van mening dat bij het vaststellen van prioriteiten voor het volgende MFK een “mainstreamingaanpak” essentieel is, aangezien de systematische opname van horizontale prioriteiten ten goede komt aan sociale transformatie. Het volgende MFK moet een verbintenis bevatten om een minimumdeel van de begroting te reserveren voor horizontale doelstellingen (zoals concurrentievermogen, klimaatverandering, behoud van biodiversiteit, waterweerbaarheid, gendergelijkheid, jeugd en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s)). Bij het beoordelen hiervan moet worden gekeken naar langetermijnresultaten en effecten op de samenleving. Hiervoor is beter toezicht nodig. |
|
1.17. |
Tot slot dringt het EESC erop aan dat in het volgende MFK de rol van de EU als hoedster van democratische waarden wordt versterkt door middel van een geconsolideerd “schild voor de democratie” met drie pijlers: i) meer financiering voor maatschappelijke organisaties, die de rechtsstaat, de mensenrechten en sociale bescherming bevorderen, via een gestroomlijnde toegang tot het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” (CERV), het ESF+ en Creatief Europa; ii) specifieke steun voor onafhankelijke media, waakhondorganisaties en burgerinitiatieven, met name als reactie op de afnemende mondiale financiering op dit gebied; en iii) uitbreiding van deze middelen tot zowel lidstaten als kandidaat-lidstaten, met toereikende financieringsniveaus. |
|
1.18. |
Het EESC benadrukt dat uitvoering moet worden gegeven aan het omvangrijke pakket eigen middelen van de volgende generatie, dat in 2021 is gepresenteerd en in 2023 door de Europese Commissie is aangepast, en schaart zich achter het verzoek van de Commissie aan de Raad om “de werkzaamheden met betrekking tot de nieuwe eigen middelen met spoed te hervatten, in overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 2020 en de Verklaring van Boedapest over de nieuwe deal voor het Europees concurrentievermogen”. Het EESC vindt ook dat eigen middelen het concurrentievermogen niet mogen ondermijnen. |
2. Achtergrond en context
|
2.1. |
Op 11 februari publiceerde de Commissie de mededeling “De weg naar het volgende meerjarig financieel kader”, waarin de beleidsuitdagingen voor het volgende MFK worden belicht en “een eenvoudigere, meer gerichte begroting met meer impact” wordt aangekondigd. In de mededeling wordt ook aandacht besteed aan mogelijke manieren om de nieuwe begroting te financieren en wordt uiteengezet welke de volgende stappen zijn in de aanloop naar de voorstelling van het volgende MFK, in juli 2025. |
|
2.2. |
Bij de voorstelling van haar jaarlijks werkprogramma riep de Commissie ook op tot een nieuwe langetermijnbegroting die “beter op de prioriteiten en doelstellingen van de EU [zal] worden afgestemd en op flexibele wijze [zal] worden ingezet waar EU-optreden het meest nodig is. Het zal eenvoudiger werken, doeltreffender zijn en beter gebruikmaken van onze begroting om meer nationale, particuliere en institutionele financiering aan te trekken.” |
|
2.3. |
In dit advies zal het EESC namens het bedrijfsleven, de werknemers en het maatschappelijk middenveld van de EU opmerkingen en suggesties formuleren over enkele van de meest relevante en strategische kwesties in verband met het volgende MFK. |
3. De noodzaak van een sterk MFK op een cruciaal moment
|
3.1. |
Het EESC onderstreept het strategisch belang van het volgende MFK, aangezien de komende onderhandelingen over de langetermijnbegroting van de EU voor de periode na 2027 zullen plaatsvinden op een cruciaal moment waarin er sprake is van een groeiend spanningsveld tussen de strategische doelstellingen van de EU en de omvang en toewijzing van haar begroting. |
|
3.2. |
Bovendien wordt de EU, naast de enorme uitdagingen in verband met een rechtvaardige groene en digitale transitie en geopolitieke spanningen, geconfronteerd met extra druk op de EU-financiering, samen met de noodzaak om de schuld af te lossen die is uitgegeven in het kader van NextGenerationEU (NGEU). |
|
3.3. |
Om de huidige crises aan te gaan moeten adequate economische middelen worden gevonden die momenteel niet aanwezig zijn in een onbeduidend MFK dat onveranderlijk “één komma zoveel” van het bni van de 27 lidstaten bedraagt en waar een steriele en kortzichtige logica van een “wat krijg ik ervoor terug” overheerst. |
|
3.4. |
Het EESC wijst er daarom op dat het MFK sterk en ambitieus moet blijven en deelt de mening van Enrico Letta dat zonder een uniform financieel kader dat de stroom van investeringen naar duurzame en innovatieve sectoren van de reële economie stimuleert, de ambities voor een groene, digitale en rechtvaardige transitie onhaalbaar zijn (1). |
|
3.5. |
Het EESC is van mening dat het volgende MFK aanzienlijk in reële omvang moet toenemen om de enorme uitdagingen waar de EU voor staat aan te pakken, rekening houdend met nieuwe prioriteiten en met het feit dat het komende MFK ook moet voorzien in de terugbetaling van NGEU-leningen. Om al deze redenen vindt het EESC dat het niveau van het volgende MFK — als percentage van het bni — in reële termen niet mag dalen, maar juist aanzienlijk moet stijgen om de toenemende uitdagingen op EU-niveau het hoofd te kunnen bieden. Ook moeten de huidige regels voor de aanpassing aan toekomstige inflatiedruk worden herzien. |
|
3.6. |
Het huidige deel van de EU-begroting dat bestemd is voor het cohesiebeleid mag in het volgende MFK niet worden verlaagd maar moet juist worden verhoogd, aangezien het cohesiebeleid van de EU, en met name het Europees Sociaal Fonds Plus, van vitaal belang is gebleken voor het investeren in mensen, het scheppen van banen en het versterken van het Europese model voor de sociale markteconomie. |
|
3.7. |
Waar het gaat om concrete manieren om het nieuwe MFK te financieren, benadrukt het EESC dat terdege rekening moet worden gehouden met het omvangrijke pakket eigen middelen van de volgende generatie, dat in 2021 voor het eerst is gepresenteerd en in 2023 is aangepast door de Europese Commissie, die de Raad heeft verzocht “de werkzaamheden met betrekking tot de nieuwe eigen middelen met spoed te hervatten, in overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 2020 en de Verklaring van Boedapest over de nieuwe deal voor het Europese concurrentievermogen” (2). Het EESC vindt ook dat eigen middelen het concurrentievermogen niet mogen ondermijnen. |
4. Algemene opmerkingen
4.1. Een meer gericht en eenvoudiger MFK
|
4.1.1. |
Het EESC is voorstander van een verdere vereenvoudiging van de huidige regels, overeenkomstig het algemene streven van de Commissie naar vereenvoudiging, en stelt vast dat er momenteel te veel programma’s zijn met overlappende doelstellingen. Dit brengt veel bureaucratie met zich mee voor overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven, waardoor het voor hen moeilijk wordt op te schalen en doelgerichte prioriteiten te verwezenlijken. Zoals in het Draghi-verslag (3) staat, is de EU-begroting versnipperd over bijna vijftig uitgavenprogramma’s, waardoor er niet voldoende EU-middelen beschikbaar zijn voor grote pan-Europese projecten. |
|
4.1.2. |
Het EESC merkt op dat eerdere pogingen om de administratieve processen voor bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden te vereenvoudigen geen concrete resultaten hebben opgeleverd. Vereenvoudiging betekent niet dat bestaande regels in één document worden samengebracht, maar wel dat de richtsnoeren, controlesystemen en lasten voor begunstigden worden vereenvoudigd en dat er tegelijkertijd wordt gezorgd voor passende checks-and-balances om fraude en misbruik voor alle begunstigden te voorkomen. |
|
4.1.3. |
Er moet meer aandacht worden besteed aan grotere programma’s met een grotere ontwikkelingsvoetafdruk, zonder afbreuk te doen aan kleinere programma’s zoals Erasmus+ die bijzonder doeltreffend zijn om actoren uit het maatschappelijk middenveld op lokaal niveau te bereiken. De investeringen moeten ook bijdragen aan de integratie van perifere, insulaire en ultraperifere regio’s in pan-Europese industriële waardeketens. |
|
4.1.4. |
Tegelijkertijd mogen het ESF en het Fonds voor een rechtvaardige transitie niet worden verwaarloosd, maar moeten ze in het volgende MFK als op zichzelf staande instrumenten met meer middelen worden gehandhaafd, vooral gezien de ophanden zijnde ingrijpende veranderingen die tot toenemende ongelijkheid zullen leiden en invloed zullen hebben op de kosten van levensonderhoud, met name wat energie en huisvesting betreft, waarvan met name de kwetsbaarste delen van de bevolking, zoals mensen met een handicap, de dupe zullen zijn. In dit verband moet ook aandacht worden besteed aan opleidingsmogelijkheden voor werknemers in krimpsectoren om het tekort aan geschoolde werknemers in opkomende branches zoveel mogelijk tegen te gaan. |
|
4.1.5. |
In dit verband stelt het EESC voor om geleidelijk over te stappen van het huidige overheersende model waarbij financiering en uitgaven strikt aan elkaar worden gekoppeld, naar een nieuw model dat gebaseerd is op de verwachte prestaties en impact van programma’s. Bij deze transitie moet de behoefte aan voorspelbaarheid zorgvuldig worden afgewogen tegen het streven naar resultaten. Het EESC benadrukt dat in deze kaders rekening moet worden gehouden met de noodzaak om specifieke instrumenten te ontwikkelen ten gunste van kmo’s en kleine midcaps, zodat zij niet worden uitgesloten door al te ingewikkelde vereisten. |
|
4.1.6. |
Om het concurrentievermogen te vergroten en een rechtvaardige groene transitie en sociale rechtvaardigheid te waarborgen, moet de EU-begroting flexibeler en eenvoudiger worden, maar dat mag de voorspelbaarheid niet in gevaar brengen. Het MFK, de opzet van de fondsen en de staatssteunregels moeten daarom goed op elkaar worden afgestemd om zekerheid en de algehele consistentie van het systeem te waarborgen. |
|
4.1.7. |
Het EESC dringt daarom aan op een algehele herziening van de administratieve procedures, waarbij de nadruk moet liggen op echte vereenvoudiging in plaats van louter consolidatie van de bestaande regels, en waarbij een adequaat gebruik van middelen moet worden gewaarborgd. Deze herziening moet waar mogelijk geharmoniseerde uitvoeringsregels voor alle fondsen, gestandaardiseerde gegevensvereisten en geïntegreerde IT-systemen omvatten die de lasten voor de begunstigden verlichten en tegelijkertijd passende controle en transparantie voor de belastingbetalers waarborgen. |
|
4.1.8. |
Het EESC merkt op dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit weliswaar een innovatieve aanpak van op prestaties gebaseerde financiering heeft geïntroduceerd, maar dat de uitvoering ervan grote beperkingen aan het licht heeft gebracht. Het Comité merkt op dat op mijlpalen gebaseerde uitbetaling er vaak toe leidt dat de nadruk meer ligt op naleving van procedures dan op wezenlijke veranderingen. |
4.2. Cohesiebeleid nog steeds de kern van de EU en haar MFK
|
4.2.1. |
Zoals Jacques Delors al zei: “als Europees beleid de cohesie in gevaar brengt en sociale normen opoffert, heeft het Europese project geen kans om de steun van de Europese burgers te winnen” (4). |
|
4.2.2. |
In dit verband herhaalt het EESC dat het cohesiebeleid een hoeksteen van de missie van de EU en van het MFK is en moet blijven, waarbij een evenwicht moet worden gevonden tussen de noodzaak van sociale, economische en territoriale convergentie enerzijds en concurrentievermogen en een eerlijke verdeling van inkomen en welvaart tussen en binnen regio’s en lidstaten anderzijds. Met dit in gedachten wijst het EESC ook op de sleutelrol die sociale ondernemingen spelen bij de versterking van de territoriale en sociale samenhang, de verbetering van het regionale concurrentievermogen en de bevordering van inclusieve en duurzame economische ontwikkeling. |
|
4.2.3. |
Het EESC acht het van cruciaal belang dat het cohesiebeleid centraal blijft staan in het MFK, omdat het ertoe bijdraagt dat de voordelen van de interne markt volledig worden verdeeld over alle burgers en de verschillende regio’s van de EU (de zogenaamde vrijheid van de burger om te blijven op een zelfgekozen plaats). Om echte cohesie in de hele EU te waarborgen, wordt duidelijk dat diensten van algemeen economisch belang (DAEB) (5) een directe rol moeten spelen bij het waarborgen van de vrijheid om te blijven, zoals aangegeven in het Letta-verslag. |
|
4.2.4. |
Het EESC is van mening dat het regionale bbp per hoofd van de bevolking het belangrijkste criterium moet blijven voor de indeling in regionale categorieën en pleit voor een grotere betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld om beter rekening te houden met de prioriteiten en behoeften van de particuliere sector, terwijl ook afstemming op de nationale begrotingen en begrotingsconsolidatie moeten worden gewaarborgd. Het Comité waarschuwt echter met klem voor centralisering en benadrukt dat bij een betere monitoring van de prestaties het subsidiariteitsbeginsel moet worden geëerbiedigd en de regio’s hun primaire rol bij de uitvoering moeten behouden. |
|
4.2.5. |
Gezien de noodzaak om het algehele concurrentievermogen van de EU te vergroten, dringt het EESC er ook op aan om na te denken over de territoriale dimensie van het concurrentievermogen, zoals uitvoerig beschreven in de vorig jaar door de Europese Commissie gepubliceerde EU-indicator voor het regionale concurrentievermogen 2.0 (6). Deze indicator is gericht op de noodzaak om het concurrentievermogen van de EU op territoriaal niveau te analyseren, hetgeen essentieel zal zijn voor de uitvoering van veel van de acties die in de verslagen van Letta en Draghi worden voorgesteld en voor de financiering ervan in het kader van het MFK. |
5. Specifieke opmerkingen
5.1. Het MFK en defensie
|
5.1.1. |
In het licht van de recente geopolitieke ontwikkelingen benadrukt het EESC hoe belangrijk het is om met het volgende MFK een echte Europese defensiestrategie uit te voeren, onder meer via nieuwe financieringsinstrumenten waarmee het niveau van technologische ontwikkeling in de militaire sector kan worden verhoogd |
|
5.1.2. |
In haar werkprogramma wijst de Commissie er terecht op dat “nu de EU en haar lidstaten geconfronteerd worden met multidimensionale, complexe en grensoverschrijdende dreigingen en crises, het dringend zaak [is] de crisis- en defensieparaatheid van Europa te versterken.” Om een grotere strategische autonomie te bereiken is een gecoördineerde aanpak nodig die een brug slaat tussen de Europese defensie en het EU-beleid op het gebied van buitenlandse zaken, handel en industrie, onderzoek en innovatie, volledige interoperabiliteit tussen de lidstaten en gezamenlijke of gecoördineerde defensieaankopen. |
|
5.1.3. |
Het nieuwe MFK zou ook moeten voorzien in de financiering van defensie en paraatheid, waarbij het tweeledige karakter van veel kritieke technologieën wordt erkend. Het Comité pleit voor een geïntegreerde aanpak die: i) de vraag op EU-niveau beter bundelt en coördineert om schaalvoordelen te vergroten, onder meer door gezamenlijke aanbestedingen; ii) onmiddellijk uitvoering geeft aan de strategie voor de Europese defensie-industrie; iii) snel het programma voor de Europese defensie-industrie goedkeurt; iv) synergieën creëert tussen civiel en militair onderzoek en innovatie; v) zorgt voor erkenning en steun voor de rol van het maatschappelijk middenveld in de “strategie voor een paraatheidsunie”. |
|
5.1.4. |
Het EESC benadrukt dat investeringen in defensie vergezeld moeten gaan van robuuste toezichtmechanismen en transparante verslaglegging, zodat er verantwoording wordt afgelegd en tegelijkertijd legitieme veiligheidsbelangen worden beschermd. Het Comité dringt erop aan dat de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op gestructureerde wijze worden betrokken bij het toezicht op de sociaal-economische gevolgen van investeringen in defensie. |
5.2. Het MFK en collectieve goederen
|
5.2.1. |
Het EESC acht het van belang dat er in het nieuwe MFK ten volle rekening wordt gehouden met Europese collectieve goederen en de rol die zij kunnen spelen in de toekomst van de EU en haar sociale cohesie. Investeren in defensie en veiligheid, veerkracht en paraatheid is in het licht van de geopolitieke situatie belangrijker geworden, maar het is ook belangrijk dat de EU een actieve rol speelt bij de productie en instandhouding van Europese collectieve goederen. Op die manier kunnen schaalvoordelen, positieve externe effecten en Europese meerwaarde worden gerealiseerd. |
|
5.2.2. |
Het meerjarig financieel kader voor 2028-2034 moet daarom specifieke middelen bevatten die gericht zijn op het waarborgen van adequate investeringen in Europese collectieve goederen. Het EESC hoopt dan ook dat de EU dankzij de kwantitatieve toewijzingen in het volgende MFK strategische prioriteiten kan nastreven op gebieden als onderwijs, vervoer, volksgezondheid, sociale vooruitgang, strategische autonomie, milieubescherming en klimaatverandering. |
|
5.2.3. |
Gezien de positieve resultaten tijdens de COVID-19-crisis moet een EU-instrument worden gelanceerd dat vergelijkbaar is met SURE om eventuele schokken op te vangen, om bij- en omscholing te ondersteunen en om de digitale en de groene transitie zowel sociaal duurzaam als rechtvaardig te maken. |
|
5.2.4. |
Het volgende MFK moet ook zorgen voor een doeltreffende uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten alsmede voor gelijkheid van alle mensen, door gelijke rechten en kansen voor iedereen te waarborgen, zoals gevraagd in de conclusies van de Europese Raad van 21 juli 2020. Mits strategisch ingezet, kan een sterker Europees Sociaal Fonds de mensenrechten handhaven, de sociale cohesie versterken, een beter opgeleide beroepsbevolking tot stand brengen, de economische duurzaamheid op de lange termijn verbeteren en de productiviteit en innovatie stimuleren — en aldus zorgen voor bloeiende regio’s en het mondiale concurrentievermogen van Europa vergroten. |
5.3. Innovatie en onderzoek, industriële samenwerking en netwerken
|
5.3.1. |
Het EESC wijst erop dat energie-intensieve industrieën in de EU te maken hebben met een permanent kostenverschil ten opzichte van hun internationale concurrenten vanwege de hoge energieprijzen en het klimaatbeleid van de EU (emissiehandelssysteem (ETS)). Het Innovatiefonds, dat wordt gefinancierd met inkomsten uit het ETS, heeft gezorgd voor de broodnodige financiering om de industriële productie in de EU te helpen decarboniseren. Op oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het Innovatiefonds wordt massaal gereageerd, met een enorm verschil tussen vraag en aanbod (7). |
|
5.3.2. |
Het EESC dringt erop aan dat het Innovatiefonds met meer middelen wordt gefinancierd, aangezien slechts een zeer klein percentage van de inkomsten uit het ETS daadwerkelijk naar het Innovatiefonds gaat. Er zijn twee manieren om het budget in de toekomst te verhogen: i) de lidstaten wijzen een hoger percentage van dergelijke inkomsten aan het Innovatiefonds toe; ii) in het MFK wordt een specifiek budget voor activiteiten in het kader van het Innovatiefonds opgenomen. |
|
5.3.3. |
In de opdrachtbrief aan commissaris Piotr Serafin verklaarde de voorzitter van de Europese Commissie dat het volgende MFK een Europees Fonds voor concurrentievermogen moet omvatten met een investeringscapaciteit die strategische sectoren ondersteunt die cruciaal zijn voor het concurrentievermogen van de EU, met inbegrip van onderzoek en innovatie, en belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang. In dit verband benadrukt het EESC nogmaals het belang van nieuwe eigen middelen die het concurrentievermogen evenwel niet ondermijnen. |
|
5.3.4. |
Het EESC erkent dat tijdens de pandemie de gemeenschappelijke Europese uitgifte van schuldpapier met succes is geïntroduceerd als innovatief instrument en opnieuw zou kunnen worden ingezet om het duurzame concurrentievermogen en de veerkracht van de eengemaakte markt te financieren (8). |
|
5.3.5. |
Het EESC wijst erop dat in het Draghi-verslag het stimuleren van particuliere en overheidsinvesteringen wordt genoemd als een van de belangrijkste instrumenten om het concurrentievermogen van de EU een impuls te geven. Het volgende MFK heeft dan ook een sterk fonds voor concurrentievermogen nodig om investeringen in de groene en de digitale transitie aan te trekken door de waardeketens van de EU en de open strategische autonomie van Europa te versterken en alle soorten ondernemingen in de EU te ondersteunen, van grote concerns tot kmo’s en sociale ondernemingen. Een dergelijk fonds moet gebaseerd zijn op nieuwe overheidsmiddelen, waarbij het eenvoudigweg herschikken van bestaande programma’s moet worden vermeden. |
|
5.3.6. |
Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI’s) zijn essentieel om de industriële ontwikkeling van de EU te ondersteunen. |
|
5.3.7. |
Tot nu toe was de financiering van IPCEI’s echter uitsluitend afhankelijk van nationale financiering, waardoor discrepanties ontstonden en de integratie van veel landen en regio’s in de industriële waardeketens van de EU werd belemmerd. De EU-instellingen moeten daarom strategische prioriteiten vaststellen en overeenstemming bereiken over een gestandaardiseerde cofinancieringsformule voor nieuwe IPCEI’s, in ieder geval vanaf 2028, om zo een meer gelijkwaardige en evenwichtige deelname van bedrijven in de hele EU mogelijk te maken. |
|
5.3.8. |
Het budget voor Horizon Europa moet in het volgende MFK worden verhoogd, aangezien de EU haar doelstelling om 3 % van haar bbp aan onderzoek en ontwikkeling te besteden nog steeds niet heeft bereikt en door haar belangrijkste concurrenten is ingehaald. |
|
5.3.9. |
Tot slot moeten in het volgende MFK meer middelen worden vrijgemaakt voor de voltooiing van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V) en het trans-Europees energienetwerk (TEN-E) om te zorgen voor een coherente en multimodale vervoersinfrastructuur van hoge kwaliteit en betere interconnecties van energienetwerken in de hele EU. |
5.4. Mainstreaming in het volgende MFK
|
5.4.1. |
Mainstreaming is een manier om ervoor te zorgen dat de belangrijkste beleidsprioriteiten terdege aandacht krijgen en in alle sectorale beleidsterreinen worden geïntegreerd. Het doel is te focussen op sociale transformaties op de lange termijn en dergelijke prioriteiten in alle stadia van het begrotingsbeleidsproces te integreren. Mainstreaming heeft momenteel betrekking op maatregelen inzake klimaatverandering, behoud van biodiversiteit, waterweerbaarheid, gendergelijkheid en de SDG’s. Het volgende MFK moet een verbintenis bevatten om een minimumdeel van de begroting te reserveren voor horizontale doelstellingen. Dit moet ook het concurrentievermogen, democratie en Europese waarden omvatten. |
|
5.4.2. |
Monitoring is een essentieel instrument om het succes van mainstreaming te verifiëren, maar er moet zorgvuldig mee worden omgegaan, vooral wanneer de vooruitgang traag of gefragmenteerd is of wanneer de beoogde veranderingen eerder kwalitatief dan kwantitatief meetbaar zijn, en er behoefte is aan kwalitatieve indicatoren. |
5.5. Het MFK en het volgende gemeenschappelijk landbouwbeleid
|
5.5.1. |
Het EESC benadrukt hoe belangrijk het is voor zowel burgers als boeren in de EU dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid binnen het nieuwe MFK naar behoren wordt ondersteund, zodat voedselzekerheid en -kwaliteit worden gewaarborgd en mensen kunnen leven van hun landbouwinkomen. |
|
5.5.2. |
30 % van de EU-bevolking woont in plattelandsgebieden, maar toch krijgen ze vaak minder aandacht dan stedelijke gebieden, terwijl ze een cruciale rol spelen in de groene en de digitale transitie van de EU en het zorgen voor voedselzekerheid en sociale cohesie. Het volgende MFK moet er daarom voor zorgen dat plattelandsgebieden voldoende financiering krijgen om ongelijkheid te voorkomen en economische cohesie te ondersteunen (9). |
5.6. Waterweerbaarheid als strategische financieringsprioriteit voor Europa
|
5.6.1. |
Gezien de noodzaak om te investeren in waterweerbaarheid in alle sectoren van de samenleving dringt het Comité er bij de EU op aan water aan te merken als strategische prioriteit in het volgende MFK. |
|
5.6.2. |
Er moet een fonds voor een blauwe transitie worden opgezet als centraal toegangspunt voor investeringen van de EU in water, waarbij overheidsinvesteringen worden gecombineerd met innovatieve financiering. |
5.7. Transparantie en democratische verantwoording
|
5.7.1. |
Het EESC onderstreept dat voor een succesvolle uitvoering van het volgende MFK een fundamenteel andere benadering van prestaties en verantwoordingsplicht nodig is, die voortbouwt op de lessen die zijn getrokken uit zowel traditionele programma’s als de herstel- en veerkrachtfaciliteit. De ervaring van de afgelopen jaren heeft geleerd dat op prestaties gebaseerde financiering weliswaar nieuwe mogelijkheden biedt, maar gepaard moet gaan met voldoende bestuurlijke capaciteit en zinvolle betrokkenheid van belanghebbenden. |
|
5.7.2. |
Het EESC benadrukt daarom dat zinvolle participatie van het maatschappelijk middenveld, sociale partners en het bedrijfsleven verder moet gaan dan raadpleging. Hun deelname moet gestructureerd zijn en ze moeten vanaf de eerste planningsfasen tot aan de uitvoering en monitoring over passende middelen kunnen beschikken. Deze betrokkenheid is niet louter procedureel, maar essentieel om ervoor te zorgen dat de financiering daadwerkelijk tegemoetkomt aan de reële economische en sociale behoeften ter plaatse. |
|
5.7.3. |
Het EESC pleit voor de ontwikkeling van geavanceerdere effectbeoordelingsmethoden waarmee de complexe effecten van EU-financiering adequaat in kaart kunnen worden gebracht. Dit betekent dat verder moet worden gekeken dan traditionele indicatoren en dat zowel kwalitatieve als kwantitatieve metingen van langetermijneffecten moeten worden ingevoerd, waarbij er wel voor moet worden gezorgd dat de vereisten voor gegevensverzameling en verslaglegging evenredig en hanteerbaar blijven voor de begunstigden. |
|
5.7.4. |
Het Comité benadrukt dat de uitvoering van het volgende MFK moet worden ondersteund door robuuste governancemechanismen die strategische sturing combineren met operationele efficiëntie. Daartoe behoort versterkte coördinatie tussen EU-instellingen, nationale autoriteiten en regionale organen, geschraagd door adequate technische bijstand en maatregelen voor capaciteitsopbouw. |
|
5.7.5. |
Het EESC benadrukt dat doeltreffende monitoring- en evaluatiesystemen essentiële onderdelen van het nieuwe MFK moeten zijn en geen bijkomstigheden. Deze systemen moeten het mogelijk maken om voortdurend te leren en bij te sturen, terwijl de transparantie van de uitvoering gewaarborgd blijft. Het Comité onderstreept dat bij dergelijke kaders een zorgvuldig evenwicht moet worden gevonden tussen uitvoerig toezicht en praktische haalbaarheid. |
|
5.7.6. |
Het Comité onderstreept dat transparantie een tweeledig doel moet dienen: zorgen voor gedegen toezicht en tegelijkertijd de concrete impact van EU-financiering op burgers aantonen. Dit betekent dat er verder moet worden gegaan van formele verslaglegging, ten behoeve van realtime, toegankelijke informatie over uitvoering en resultaten. Het EESC benadrukt dat dergelijke transparantie essentieel is om het vertrouwen van de burgers te behouden en eurosceptische narratieven tegen te gaan. |
|
5.7.7. |
De sociale partners en maatschappelijke organisaties moeten een duidelijk omschreven rol hebben bij het toezicht en de controle. Het EESC dringt erop aan dat hun participatie naar behoren wordt ondersteund door middel van technische bijstand en toegang tot uitgebreide gegevens en monitoringsystemen. Het benadrukt echter dat strengere transparantievereisten niet mogen leiden tot extra administratieve lasten die een doeltreffende uitvoering in de weg kunnen staan. |
|
5.7.8. |
Om deze zinvolle participatie, waar relevant, voort te zetten moet in het volgende MFK beter gebruik worden gemaakt van de EU-jongerentoets bij het opstellen en uitvoeren van toekomstige financieringsprogramma’s, zodat de stem van maatschappelijke jongerenorganisaties wordt gehoord en bij het opstellen van het MFK ook aan jongeren en toekomstige generaties wordt gedacht. |
|
5.7.9. |
Het EESC onderstreept de cruciale rol van maatschappelijke organisaties bij de bescherming en bevordering van de Europese waarden op het gebied van rechtsstaat, democratie, mensenrechten en sociale bescherming. Om deze essentiële pijler van de Europese democratie te versterken, dringt het Comité aan op een aanzienlijke verhoging van de financiering via programma’s als CERV, het ESF+, het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), Erasmus+ en Creatief Europa, met specifieke toewijzingsdoelstellingen en gestroomlijnde toegangsmechanismen voor kleinere organisaties die op lokaal niveau werken. |
|
5.7.10. |
In het licht van de wereldwijd afnemende steun voor democratische instellingen dringt het EESC er bij de EU op aan om haar rol als hoedster van democratische waarden aanzienlijk uit te breiden door een solide financieringskader te creëren voor onafhankelijke media, waakhondorganisaties en burgerinitiatieven. Het Comité staat achter het voorgestelde initiatief “schild voor de democratie” en beveelt aan om hiervoor voldoende middelen uit te trekken, zodat de waarden van de EU doeltreffend kunnen worden beschermd en maatschappelijke organisaties een centrale rol kunnen spelen. |
Brussel, 30 april 2025.
De voorzitter
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Verslag van Enrico Letta, Much more than a market, april 2024.
(2) Zie ook PB C 194 van 12.5.2022, blz. 7.
(3) Mario Draghi, The future of European competitiveness , 2024.
(4) Verslag van Enrico Letta, Much more than a market, blz. 101.
(5) Zie artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en Protocol 26 dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie is gehecht.
(6) Dijkstra, L., Papadimitriou, E., Cabeza Martinez, B., de Dominicis, L., Kovacic, M., 2023, EU Regional Competitiveness Index 2.0 , editie 2022 (herzien mei 2023), Working Papers 1/2023, Europese Commissie - Regionaal en stedelijk beleid.
(7) In 2023 ontving het Innovatiefonds 337 aanvragen voor een bedrag van meer dan 24 miljard EUR, zes keer meer dan gereserveerde budget van 4 miljard EUR.
(8) Advies van het EESC over het herstelplan voor Europa en het meerjarig financieel kader 2021-2027 ( PB C 364 van 28.10.2020, blz. 124) en over nieuwe toekomstbestendige regels voor economische governance (PB C, C/2023/880, 8.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/880/oj).
(9) In het advies van het EESC over bevordering van duurzame en veerkrachtige voedselsystemen in tijden van toenemende crises (PB C, C/2025/117, 10.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/117/oj) staat: “Het EESC betreurt het besluit van de EU om de huidige EFMZVA-begroting voor de periode 2025-2027 met 105 miljoen EUR te verlagen en dringt aan op meer middelen voor de volgende financiële periode. Om ervoor te zorgen dat de instrumenten voor prijsondersteuning en crisisbeheersing goed werken moet de landbouwreserve (vastgesteld op 450 miljoen EUR per jaar) tot een veel hoger niveau worden opgekrikt en een meerjarig karakter krijgen.” Zie ook het EESC-advies “Zorgen voor duurzame voedselproductie en een eerlijk inkomen voor Europese landbouwers in het licht van markt-, milieu- en klimaatuitdagingen” (PB C, C/2025/2016, 30.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/2016/oj), en het EESC-advies “Grotere betrokkenheid van de lidstaten, de regio’s en het maatschappelijk middenveld bij de uitvoering van de langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU” (PB C, C/2024/4055, 12.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4055/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3202/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)