Beroep ingesteld op 10 februari 2025 – Europees Openbaar Ministerie / Rekenkamer
(Zaak T-99/25)
(C/2025/2403)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Europees Openbaar Ministerie (EOM) (vertegenwoordigers: L. De Matteis en E. Farhat, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Rekenkamer (ERK)
Conclusies
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
|
—
|
over te gaan tot nietigverklaring van het op 9 december 2024 aan het EOM meegedeelde besluit van de Europese Rekenkamer betreffende het verzoek van het EOM van 26 september 2024 tot opheffing van de vertrouwelijkheid van EU-ambtenaren om te worden gehoord als getuigen in het kader van het door het EOM ingestelde strafrechtelijke onderzoek.
|
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
|
1.
|
Eerste middel: misbruik van bevoegdheid met betrekking tot artikel 19 van het Statuut. In het bestreden besluit baseert de ERK zich uitsluitend op andere redenen dan de noodzaak om de belangen van de Unie te beschermen en heeft zij dus misbruik gemaakt van haar bevoegdheid.
|
|
2.
|
Tweede middel: schending van artikel 13, lid 2, VEU.
|
—
|
Het bestreden besluit is geen op zichzelf staand feit, maar is veeleer het resultaat van een reeks besluiten van de ERK, die allemaal tot doel hadden om te verhinderen dat het EOM zijn taak uit hoofde van de Verdragen (artikel 86 VWEU) die erin bestaat strafbare feiten te onderzoeken die de financiële belangen van de Unie schaden, kon uitoefenen.
|
|
—
|
De afwijzing van het verzoek op grond van artikel 19 van het Statuut en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid voor het EOM om zijn taak voort te zetten om “al het ter zake dienende bewijs [te onderzoeken], ongeacht of het bezwarend dan wel ontlastend is”, vormen dan ook een onrechtmatige inmenging in de krachtens de Verdragen aan het EOM toegekende bevoegdheden, en dus een schending van de verplichting tot loyale samenwerking.
|
|
|
3.
|
Derde middel: schending van de verplichting tot eerbiediging van de vertrouwelijkheid van strafrechtelijke onderzoeken.
|
—
|
Bij de verzending van een verzoek om toestemming om de vertrouwelijkheid op te heffen met het oog op het horen van een getuige, verstrekt de verzoekende partij de betrokken instelling van de Unie de informatie die zij nodig heeft om na te gaan of de belangen van de Unie niet ernstig worden geschaad.
|
|
—
|
Deze controle verleent de betrokken instelling evenwel geen onbeperkt recht van toegang tot de informatie in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek. Het EOM valt inderdaad onder de vertrouwelijkheid van onderzoeken, zoals vermeld in artikel 108 van de EOM-verordening.
|
|
—
|
Door herhaaldelijk te verzoeken om directe of indirecte toegang tot informatie waarover het EOM beschikt in het kader van het lopende strafrechtelijke onderzoek - met name door te verzoeken om vergaderingen op technisch niveau te organiseren met ambtenaren die niet bevoegd zijn om kennis te nemen van het strafrechtelijk onderzoek - heeft de ERK de grenzen van haar mandaat overschreden en is zij de krachtens het Unierecht op haar rustende verplichtingen, in het bijzonder de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van strafrechtelijke onderzoeken, niet nagekomen.
|
|
|
4.
|
Vierde middel: schending van de onafhankelijkheid van het EOM bij het voeren van strafrechtelijke onderzoeken.
|
—
|
Het voeren van strafrechtelijke onderzoeken is een zuiver juridisch prerogatief, dat bij uitsluiting toekomt aan het EOM en de bevoegde nationale autoriteiten met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie.
|
|
—
|
Op grond van de procedure van artikel 19 van het Statuut kan de instelling waarbij het verzoek is ingediend, geen aanspraak maken op een toetsingsrecht voor het voeren van strafrechtelijke onderzoeken.
|
|
—
|
De ERK betoogt dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een strafbaar feit. De ERK heeft haar eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van het EOM en heeft ook geweigerd haar goedkeuring te verlenen op grond dat zij van mening was dat de zaak zonder gevolg moest worden afgesloten.
|
|
—
|
In dit verband heeft de ERK voortdurend getracht het onderzoek te beïnvloeden door haar eventuele medewerking voor te stellen en te koppelen aan de voorafgaande organisatie van “vergaderingen” met de centrale diensten van het EOM.
|
|
|
5.
|
Vijfde middel: onjuiste toepassing van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten.
|
—
|
De immuniteit waarin het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten voorziet, geldt niet voor getuigen die geen bijzondere immuniteit genieten op grond van het Unierecht. Overeenkomstig artikel 19 van het Statuut moet vooraf alleen toestemming worden verleend om hen te horen.
|
|
—
|
De personen op wie het verzoek tot vaststelling van een terechtzitting betrekking heeft, zijn niet de personen waarvoor het EOM een verzoek tot opheffing van hun immuniteit had ingediend. Er is dus geen sprake van een tegenstrijdigheid in de benadering van het EOM en deze doet geen afbreuk aan de immuniteit die andere belanghebbenden in de procedure genieten.
|
|