|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/1519 |
17.3.2025 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 december 2024 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam en de Raad van State – Nederland) – P (C-244/24), AI, ZY, BG (C-290/24) / Staatssecretaris van Justitie en veiligheid
(Gevoegde zaken C-244/24 en C-290/24 (1) , Kaduna (2) )
(Prejudiciële verwijzing - Asielbeleid - Tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden - Richtlijn 2001/55/EG - Artikelen 4 en 7 - Invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten - Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 - Artikel 2, lid 3 - Mogelijkheid voor een lidstaat om de tijdelijke bescherming toe te passen op ontheemden op wie dat besluit geen betrekking heeft - Tijdstip waarop een lidstaat die tijdelijke bescherming heeft verleend aan dergelijke personen deze bescherming kan beëindigen - Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders - Richtlijn 2008/115/EG - Artikel 6 - Terugkeerbesluit - Tijdstip waarop een lidstaat een terugkeerbesluit kan nemen - Illegaal verblijf)
(C/2025/1519)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam en Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: P (C-244/24), AI, ZY, BG (C-290/24)
Verwerende partij: Staatssecretaris van Justitie en veiligheid
Dictum
|
1) |
De artikelen 4 en 7 van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die tijdelijke bescherming heeft verleend aan andere categorieën personen dan die welke zijn bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, deze categorieën personen de tijdelijke bescherming ontneemt tijdens de duur ervan waartoe de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn heeft besloten. Deze lidstaat kan de tijdelijke bescherming die hij aan die categorieën personen heeft verleend intrekken op een eerdere datum dan die waarop de door de Raad vastgestelde tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, mits deze lidstaat met name geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van richtlijn 2001/55 en de algemene beginselen van het Unierecht eerbiedigt. |
|
2) |
Artikel 6 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat genoemde bescherming binnenkort zal eindigen en dat de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort. |
(1) PB C, C/2024/3899.
(2) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1519/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)