|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/1450 |
10.3.2025 |
Beroep ingesteld op 22 januari 2025 – CCCME e.a. / Commissie
(Zaak T-37/25)
(C/2025/1450)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products (CCCME) (Peking, China) en 22 andere partijen (vertegenwoordigers: E. Vermulst, J. Cornelis en M. Van Luchene, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
uitvoeringsverordening (EU) 2024/2754 van de Commissie van 29 oktober 2024 tot instelling van een definitief compenserend recht op nieuwe batterijelektrische voertuigen, ontworpen voor het vervoer van personen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (1), nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van artikel 10, lid 8, van verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (2) (hierna: “antisubsidiebasisverordening”) door ambtshalve een onderzoek te openen zonder dat er sprake is van “bijzondere omstandigheden”. |
|
2. |
Tweede middel: schending van artikel 8, leden 1, 2, 4, 5 en 8, artikel 15, leden 1 en 3, artikel 27, leden 1 en 2, en van de antisubsidiebasisverordening, en een kennelijke beoordelingsfout door een niet-objectieve steekproef van Chinese producenten-exporteurs samen te stellen. Meer in het bijzonder betogen de verzoekende partijen:
|
|
3. |
Derde middel: schending van artikel 8, leden 1, 2, 5, 6 en 8 van de antisubsidiebasisverordening, kennelijke beoordelingsfouten en bijgevolg schending van artikel 8, lid 4, van de antisubsidiebasisverordening, door geen objectieve analyse van de dreiging van schade te verrichten op basis van positief bewijsmateriaal. Meer in het bijzonder betogen de verzoekende partijen dat er sprake is van:
|
|
4. |
Vierde middel: schending van artikel 8, leden 1 en 6, van de antisubsidiebasisverordening, een kennelijke beoordelingsfout en bijgevolg schending van artikel 8, lid 8, van de antisubsidiebasisverordening door geen objectieve niet-toerekeningsanalyse op basis van positief bewijsmateriaal te verrichten. Meer in het bijzonder betogen de verzoekende partijen dat de Commissie bij haar niet-toerekeningsanalyse niet naar behoren rekening heeft gehouden met het gebrek aan concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie en met de mededinging binnen de Unie. |
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1450/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)