European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2025/1416

10.3.2025

Hogere voorziening ingesteld op 24 januari 2025 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer – uitgebreid) van 13 november 2024 in zaak T-302/21, Aboca e.a. / Commissie

(Zaak C-48/25 P)

(C/2025/1416)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Delaude, I. Galindo Martín, B. Rous Demiri en F. van Schaik, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Aboca SpA Soc. agr., Coswell SpA en Associação portuguesa de suplementos alimentares (Apard)

Conclusies

Rekwirante verzoekt het Hof:

het arrest van het Gerecht in zaak T-302/21 te vernietigen;

gebruik te maken van de aan het Hof door artikel 61, eerste alinea, tweede zin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie geboden mogelijkheid om de zaak zelf af te doen door het beroep te verwerpen;

subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een onderzoek van de nog niet onderzochte middelen en argumenten; en

de verwerende partijen te verwijzen in de kosten indien het Hof de zaak zelf afdoet, of de beslissing omtrent de kosten van de onderhavige procedure aan te houden indien het Hof de zaak terugverwijst naar het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ten eerste voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door verordening (EU) 2021/468 (1) van 18 maart 2021 tot wijziging van bijlage III bij verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft botanische soorten die hydroxyantraceenderivaten bevatten, uit te leggen op een wijze die niet in overeenstemming is met de bewoordingen, de context en de doelstellingen van de relevante bepalingen en die evenmin geschikt is om de geldigheid en doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen.

Ten tweede betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verordening (EG) nr. 1925/2006 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, voorziet in twee cumulatieve voorwaarden voor het verbieden van de toevoeging aan of het gebruik bij de vervaardiging van levensmiddelen van bepaalde stoffen en preparaten/ingrediënten die deze stoffen bevatten, en bijgevolg door dit juridische criterium toe te passen bij de beoordeling van de geldigheid van verordening (EU) 2021/468. Het Gerecht heeft met name blijk gegeven van een onjuiste opvatting door bij de onjuiste uitlegging van die verordening te oordelen dat het niet volstaat dat de stof schadelijk voor de gezondheid blijkt te zijn.

Ten derde betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn motiveringsplicht niet na te komen en zijn toetsingsbevoegdheden op wetenschappelijk gebied te hebben overschreden met betrekking tot de vraag of hydroxyantraceenderivaten schadelijk zijn voor de gezondheid.


(1)   PB 2021, L 96, blz. 6.

(2)   PB 2006, L 404, blz. 26.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1416/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)