|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/1373 |
5.3.2025 |
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE
betreffende de uitlegging en uitvoering van bepaalde wettelijke bepalingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu, de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage
(C/2025/1373)
In het in maart 2018 goedgekeurde actieplan “Duurzame groei financieren” (1) heeft de Commissie zich verbonden tot het opzetten van een duidelijk EU-classificatiesysteem – of EU-taxonomie – voor duurzame economische activiteiten om een gemeenschappelijke taal te creëren voor alle actoren in het financiële stelsel. De verordening tot vaststelling van een kader ter bevordering van duurzaam beleggen (“de taxonomieverordening”) (2) heeft i) een uniform EU-classificatiesysteem van ecologisch duurzame economische activiteiten tot stand gebracht, en ii) transparantievereisten vastgelegd voor bepaalde niet-financiële en financiële ondernemingen met betrekking tot die activiteiten.
In juni 2021 heeft de Commissie de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (3) vastgesteld, om een lijst op te stellen van technische screeningcriteria (“TSC’s”) voor bepaalde economische activiteiten die geacht worden substantieel bij te dragen aan de doelstellingen van klimaatmitigatie en klimaatadaptatie – zonder ernstige afbreuk te doen aan andere milieudoelstellingen. De gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat is bekendgemaakt in het EU-Publicatieblad en is sinds 1 januari 2022 van kracht. Deze handeling is op 9 maart 2022 voor het eerst gewijzigd bij de aanvullende gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (4).
In juni 2023 heeft de Commissie de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu (5) vastgesteld, waarin de technische screeningcriteria zijn vastgesteld voor economische activiteiten die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de vier overige milieudoelstellingen in het kader van de taxonomieverordening (duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene biologische rijkdommen; transitie naar een circulaire economie; preventie en bestrijding van verontreiniging, en bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen) – zonder ernstige afbreuk te doen aan andere milieudoelstellingen. Bovendien is bij wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage (6) rekening gehouden met de vier niet-klimaatgerelateerde milieudoelstellingen bij de rapportage door ondernemingen. De Commissie heeft ook de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (7) gewijzigd door meer economische activiteiten toe te voegen voor de doelstellingen van klimaatmitigatie en klimaatadaptatie.
Na toetsing door het Europees Parlement en de Raad zijn de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu, de wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage en van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat op 21 november 2023 in het EU-Publicatieblad bekendgemaakt. Zij zijn op 1 januari 2024 in werking getreden.
Deze mededeling bevat technische verduidelijkingen naar aanleiding van veelgestelde vragen (“FAQ’s)” over de TSC’s die zijn vastgesteld in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (met inbegrip van de wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) en de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu, alsook de rapportageverplichtingen voor de niet-klimaatgerelateerde milieudoelstellingen die zijn vastgelegd in de wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage (8).
Doordat in deze mededeling de klemtoon ligt op technische vragen over de criteria en activiteiten uit de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en op aanvullende vragen die zijn ontvangen met betrekking tot activiteiten die zijn opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat, vormt zij een aanvulling op de eerdere mededelingen van de Commissie die tot dusver zijn gepubliceerd over de EU-taxonomie en de daarbij behorende gedelegeerde handelingen, namelijk:
|
— |
Mededeling van de Commissie over de uitlegging van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde rapportagehandeling wat betreft de rapportage van in aanmerking komende economische activiteiten en activa (2022/C 385/01) (9); |
|
— |
Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (tweede mededeling van de Commissie) (10); |
|
— |
Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening klimaat tot vaststelling van technische screeningcriteria voor economische activiteiten die substantieel bijdragen tot de mitigatie van of adaptatie aan klimaatverandering en die geen ernstige afbreuk doen aan andere milieudoelstellingen (11); |
|
— |
Mededeling van de Commissie over de interpretatie en toepassing van een aantal wettelijke bepalingen van de EU-taxonomieverordening en verbanden met de verordening informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector (2023/C 211/01) (12); |
|
— |
Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (derde mededeling van de Commissie) (13). |
Het doel van deze mededeling is de daadwerkelijke toepassing van deze handelingen te vergemakkelijken. Deze mededeling gaat niet in op de vele vragen en voorstellen met betrekking tot de motivering en bewijzen voor de keuze van criteria. Wat deze kwesties betreft, wijst de Commissie erop dat de effectbeoordeling bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (14), alsook het werkdocument van de diensten van de Commissie (15) bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en de wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat nadere toelichtingen bevatten over de ontwikkeling van deze handelingen, met name over de redenering en het evenwicht tussen de vereisten van de taxonomieverordening voor het vaststellen van de TSC’s.
De Commissie kan deze veelgestelde vragen waar nodig bijwerken.
Het doel van deze mededeling is stakeholders te helpen om op een kosteneffectieve wijze aan de wettelijke vereisten te voldoen en ervoor te zorgen dat de gerapporteerde informatie vergelijkbaar en nuttig is voor het opschalen van duurzame financiering.
Een prioriteit is het om het taxonomieraamwerk gemakkelijker hanteerbaar te maken voor zowel financiële als niet-financiële ondernemingen. Zoals uiteengezet in de mededeling “Een kader voor duurzame financiering dat in de praktijk werkt”, onderdeel van het pakket voor duurzame financiering van juni 2023 (16), en zoals aanbevolen in de verklaring van de Eurogroep van maart 2024 (17), streeft de Commissie ernaar de rapportage te vergemakkelijken en de kosten voor ondernemingen te verlagen door:
|
— |
de inspanningen op te voeren om gebruikers van de taxonomie te ondersteunen bij de uitlegging en naleving van de TSC’s zoals uiteengezet in de gedelegeerde EU-taxonomiehandelingen, en om digitale oplossingen voor rapportage te onderzoeken; |
|
— |
te werken aan mogelijke aanpassingen om de bruikbaarheid van bepaalde technische screeningcriteria te verbeteren (met inbegrip van de DNSH-criteria); |
|
— |
via het instrument voor technische ondersteuning (18) ondersteuning op maat te verlenen aan de bevoegde nationale autoriteiten, onder meer met betrekking tot de uitvoering van de technische screeningcriteria van de taxonomie en de vermindering van de regeldruk. |
De antwoorden op de veelgestelde vragen in deze mededeling verduidelijken de bestaande bepalingen in de toepasselijke wetgeving. De rechten en verplichtingen uit die wetgeving worden daarmee geenszins uitgebreid, noch krijgen de betrokken ondernemingen of bevoegde autoriteiten extra eisen opgelegd. Deze veelgestelde vragen zijn alleen bedoeld om financiële en niet-financiële ondernemingen te helpen de betrokken wettelijke bepalingen uit te voeren. Alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om het Unierecht bindend uit te leggen. De zienswijzen in deze mededeling lopen niet vooruit op het standpunt dat een Commissie voor de EU-rechter en de nationale rechter kan innemen.
Inhoudsopgave
| Relevante begrippen en lijst van toepasselijke wetgeving | 5 |
|
AFDELING I |
Algemene vragen | 10 |
|
AFDELING II |
Vragen over de doelstelling klimaatmitigatie (bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) | 13 |
| Fabricage | 13 |
| Energie | 17 |
| Vervoer | 19 |
| Bouw en vastgoed | 28 |
| Informatie en communicatie | 33 |
|
AFDELING III |
Vragen over de doelstelling klimaatadaptatie (bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) | 34 |
| Energie | 34 |
| Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering | 34 |
| Vervoer | 35 |
| Rampenrisicobeheer | 35 |
|
AFDELING IV |
Vragen over de doelstelling van water en mariene hulpbronnen (bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) | 36 |
| Algemeen | 36 |
| Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering | 36 |
|
AFDELING V |
Vragen over de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie (bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) | 36 |
| Fabricage | 36 |
| Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering | 39 |
| Bouw- en vastgoedactiviteiten | 42 |
| Informatie en communicatie | 45 |
| Diensten | 46 |
|
AFDELING VI |
Vragen over de doelstelling van preventie en bestrijding van verontreiniging (bijlage III bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) | 47 |
| Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering | 47 |
|
AFDELING VII |
Vragen over de doelstelling van biodiversiteit en ecosystemen (bijlage IV bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) | 49 |
| Activiteiten op het gebied van milieubescherming en -herstel | 49 |
| Accommodatieactiviteiten | 50 |
|
AFDELING VIII |
Vragen over de generieke DNSH-criteria | 51 |
| Generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie | 51 |
| Generieke DNSH-criteria voor de preventie en bestrijding van verontreiniging | 53 |
| Generieke DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen | 57 |
|
AFDELING IX |
Vragen over de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage | 59 |
RELEVANTE BEGRIPPEN EN LIJST VAN TOEPASSELIJKE WETGEVING
|
Begrip/instrument |
Toelichting/verwijzing |
|
Jaarrekeningrichtlijn |
Richtlijn 2013/34/EU (19) |
|
ARC |
Certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid |
|
BBT |
Beste beschikbare technieken |
|
BREF |
Referentiedocument over de beste beschikbare technieken |
|
B2B |
Business-to-business |
|
CapEx |
Kapitaaluitgaven |
|
CapEx-KPI |
Kritische prestatie-indicator met betrekking tot de kapitaaluitgaven als bedoeld in afdeling 1.1.2 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
Mededeling C(2024) 1995 van de Commissie |
Mededeling van de Commissie, Leidende criteria en beginselen voor het begrip “essentiële toepassing” in EU-regelgeving inzake chemische stoffen (20) |
|
Verordening (EU) 2023/1464 |
Verordening (EU) 2023/1464 van de Commissie wat betreft formaldehyde en formaldehydebronnen (21) |
|
HvJ-EU |
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
CLP-verordening |
Verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (22) |
|
C&L-inventaris |
Inventaris van indelingen en etiketteringen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (23) |
|
BvL |
Bewijs van luchtwaardigheid |
|
CORSIA |
Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation |
|
CPR |
Verordening bouwproducten (24) |
|
KRKB |
Klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling |
|
CSDDD |
Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (25) |
|
CSRD |
Richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (26) |
|
Richtlijn 2004/35/EG |
Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (27) |
|
Richtlijn 2009/125/EG |
Richtlijn 2009/125/EG betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (28) |
|
Richtlijn (EU) 2016/797 |
Richtlijn (EU) 2016/797 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (29) |
|
Gedelegeerde handeling rapportage |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie (30) |
|
DNSH |
Het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” |
|
DWT |
Ton draagvermogen |
|
EAF |
Elektrische vlamboogoven |
|
ECHA |
Europees Agentschap voor chemische stoffen |
|
EEDI |
Energy Efficiency Design Index |
|
EEXI |
Energy Efficiency Existing Ship Index |
|
MEB |
Milieueffectbeoordeling |
|
MEB-richtlijn |
Richtlijn 2011/92/EU (31) |
|
Faciliterende activiteiten |
Economische activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de taxonomieverordening |
|
Richtlijn energieprestatie van gebouwen 2018 (EPBD) |
Richtlijn (EU) 2018/844 (32) |
|
Richtlijn energieprestatie van gebouwen 2024 (EPBD) |
Richtlijn (EU) 2024/1275 (33) |
|
EPC |
Energieprestatiecertificaat |
|
EPREL |
Europees productregister voor energie-etikettering |
|
ERS |
Elektrisch wegsysteem |
|
ESDAC |
European Soil Data Centre |
|
ESRS |
Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportage als vastgelegd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772 van de Commissie (34) |
|
EU-ETS |
EU-emissiehandelssysteem |
|
EU-taxonomie |
Een uniform EU-classificatiesysteem voor ecologisch duurzame economische activiteiten als vastgesteld bij de taxonomieverordening en de bijbehorende gedelegeerde handelingen (35) |
|
Generieke DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen |
De generieke DNSH-criteria zoals opgenomen in aanhangsel D van de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en aanhangsel D van de bijlagen I, II en III bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu |
|
Generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie |
Generieke DNSH-criteria zoals opgenomen in aanhangsel A van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en aanhangsel A van de bijlagen I, II, III en IV bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu |
|
BKG-emissies |
Broeikasgasemissies |
|
GRR |
Globale vervangingsratio |
|
Habitatrichtlijn |
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (36) |
|
HVAC |
Verwarming, ventilatie en airconditioning |
|
IAEA |
Internationale Organisatie voor Atoomenergie |
|
ICAO |
Internationale Burgerluchtvaartorganisatie |
|
IED |
Richtlijn industriële emissies (37) |
|
Verordening portaal industriële emissies |
(Verordening (EU) 2024/1244) (38) |
|
Innovatiefonds |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/856 van de Commissie (39) |
|
IUCN |
International Union for Conservation of Nature and Natural Resources |
|
Kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) |
Kritische prestatie-indicatoren die ondernemingen gebruiken, als bedoeld in de betrokken bijlage bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
LCA |
Levenscyclusanalyse |
|
Moderniseringsfonds |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1001 van de Commissie (40) |
|
NACE |
Statistische nomenclatuur van economische activiteiten in de Europese Gemeenschap |
|
NFRD |
Richtlijn niet-financiële rapportage (41) |
|
BENG |
Bijna-energieneutrale gebouwen |
|
OEM |
Fabrikant van originele uitrusting |
|
OpEx |
Operationele uitgaven |
|
OpEx-KPI |
Kritische prestatie-indicator voor operationele uitgaven als bedoeld in afdeling 1.1.3 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
PED |
Primaire energievraag |
|
POP-verordening |
Verordening persistente organische verontreinigende stoffen (42) |
|
RAC |
Comité risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor chemische stoffen |
|
REACH-verordening |
Verordening (EG) nr. 1907/2006 (43) |
|
ReFuelEU Luchtvaart-verordening |
Verordening (EU) 2023/2405 (44) |
|
Richtlijn hernieuwbare energie |
Richtlijn (EU) 2023/2413 (45) |
|
RO |
Omgekeerde osmose |
|
RoHS-richtlijn |
Richtlijn 2011/65/EU (46) |
|
RRF |
Herstel- en veerkrachtfaciliteit (47) |
|
SAF |
Duurzame vliegtuigbrandstof |
|
SEAC |
Committee for Socio-economic Analysis van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) |
|
SFDR |
Verordening betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (48) |
|
Sociaal Klimaatfonds |
Verordening (EU) 2023/955 (49) |
|
Gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie (50) |
|
Aanvullende gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie (51) |
|
Gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2486 van de Commissie (52) |
|
Op de taxonomie afgestemde economische activiteit |
Een economische activiteit zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 2), van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
Voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteit |
Een economische activiteit zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 5), van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
Niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten |
Een economische activiteit zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 6), van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
Taxonomieverordening |
Verordening (EU) 2020/852 (53) |
|
Technische screeningcriteria (TSC’s) |
Technische screeningcriteria als vastgesteld in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu |
|
Derde mededeling van de Commissie |
Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (54) |
|
Omzet-KPI |
Kritische prestatie-indicator met betrekking tot de omzet als bedoeld in afdeling 1.1.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage |
|
Kaderrichtlijn afvalstoffen |
Richtlijn 2008/98/EG (55) |
|
Kaderrichtlijn waterbeleid |
Richtlijn 2000/60/EG (56) |
|
AEEA-richtlijn |
Richtlijn 2012/19/EU (57) |
AFDELING I ALGEMENE VRAGEN
1. Hoe moet artikel 18 van de taxonomieverordening (minimumgaranties) worden uitgelegd in het licht van de actualisering van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van juni 2023?
Krachtens artikel 18, lid 1, van de taxonomieverordening moeten ondernemingen waarvan de economische activiteiten als op de taxonomie afgestemd moeten worden beschouwd, procedures hebben toegepast om de afstemming te waarborgen op normen voor verantwoord ondernemen als bedoeld in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (“UNGP’s”).
Tenzij anders vermeld, zijn de algemene verwijzingen naar de OESO-richtsnoeren en de UNGP’s in artikel 18 van de taxonomieverordening dynamisch, wat betekent dat wanneer die handelingen worden gewijzigd, de verwijzing wordt opgevat als een verwijzing naar de gewijzigde versie van die handelingen. Voor ondernemingen die, na de datum van toepassing, binnen het toepassingsgebied vallen van de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD), en voor alle andere ondernemingen die vrijwillig aan de bepalingen ervan voldoen, moet volledige naleving van de CSDDD normaal gesproken neerkomen op naleving van de betrokken normen in de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen of de UNGP’s.
Zie, voor verdere houvast over de toepassing van minimumgaranties in het kader van de EU-taxonomieverordening, de mededeling van de Commissie over de interpretatie en toepassing van een aantal wettelijke bepalingen van de EU-taxonomieverordening en verbanden met de verordening betreffende informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector (SFDR) (58).
2. Wat is het verband tussen de DNSH-criteria in de EU-taxonomie en de manier waarop het DNSH-beginsel wordt toegepast in het kader van overheidsfondsen, zoals de herstel- en veerkrachtfaciliteit (59) en InvestEU (60) ?
De rol van het DNSH-beginsel verschilt bij de EU-taxonomie van die bij andere instrumenten voor publieke financiering, zoals de herstel- en veerkrachtfaciliteit of InvestEU.
De EU-taxonomie is een transparantie-instrument voor private financiering dat een classificatie van ecologisch duurzame activiteiten vaststelt met het oog op het bevorderen van ecologisch duurzame investeringen. Krachtens artikel 3 van de taxonomieverordening moeten economische activiteiten, om als “ecologisch duurzaam” te worden beschouwd:
|
— |
“substantieel bijdragen” tot een van de zes milieudoelstellingen; |
|
— |
“geen ernstige afbreuk doen” (DNSH) aan een van de andere milieudoelstellingen; |
|
— |
plaatsvinden met inachtneming van de in artikel 18 van de taxonomieverordening vastgestelde minimumgaranties; en |
|
— |
voldoen aan de technische screeningcriteria. |
De algemene DNSH-vereisten in het kader van de taxonomieverordening zijn uiteengezet in artikel 17. De specifieke DNSH-criteria voor elke economische activiteit worden verder ingevuld in de gedelegeerde EU-taxonomieverordeningen.
Tegelijkertijd is het DNSH-beginsel van toepassing op een toenemend aantal overheidsfondsen die gericht zijn op de Europese Economische Ruimte, waaronder de herstel- en veerkrachtfaciliteit, het moderniseringsfonds, het innovatiefonds en het Sociaal Klimaatfonds. Hoewel de DNSH-criteria die in de gedelegeerde EU-taxonomiehandelingen zijn vastgesteld, een nuttige referentie vormen voor de operationalisering van het DNSH-beginsel, wordt de manier waarop het DNSH-beginsel wordt toegepast in verschillende EU-instrumenten voor overheidsfinanciering, geregeld door de specifieke wetgeving tot vaststelling van die instrumenten – en niet door de EU-taxonomieverordening. Daarnaast financieren de EU-fondsen een breder scala van activiteiten waarmee verschillende beleidsdoelstellingen worden nagestreefd die niet beperkt zijn tot ecologische duurzaamheid (bv. cohesie, digitalisering, modernisering en sociale rechtvaardigheid). In dat verband gaat het er bij het DNSH-beginsel om dat wordt vermeden dat EU-middelen worden toegekend aan activiteiten met aanzienlijke negatieve milieueffecten of die de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van de EU belemmeren.
Deze mededeling van de Commissie heeft geen betrekking op het DNSH-beginsel dat van toepassing is op overheidsfondsen. De EU-fondsen en de staatssteunregels bepalen zelf in hoeverre het DNSH-beginsel van toepassing is.
3. Hoe moeten de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu worden uitgelegd wanneer de TSC’s verwijzen naar specifieke vereisten in de EU-milieuwetgeving, maar niet naar vrijstellingen van die vereisten die anders in de EU-milieuwetgeving zijn toegestaan?
Verwijzingen naar specifieke vereisten in de EU-milieuwetgeving moeten per geval worden beoordeeld, waarbij met name rekening moet worden gehouden met:
|
— |
de vraag of de TSC’s verwijzen naar een specifieke bepaling die de vrijstelling bevat; en |
|
— |
de vraag of vrijstellingen expliciet zijn toegestaan of uitgesloten. |
Wanneer de TSC’s zodanig zijn geformuleerd dat het gebruik van vrijstellingen mogelijk is, zijn deze vrijstellingen van toepassing. Wanneer de formulering het gebruik van vrijstellingen niet toestaat, zijn die vrijstellingen niet van toepassing.
4. In de beschrijvingen van de diensten (afdeling 5 van bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) staat: “De economische activiteit heeft betrekking op producten die zijn vervaardigd door economische activiteiten die zijn ingedeeld onder de NACE-codes [...]”. Hoe moet deze verwijzing worden uitgelegd?
In overweging 6 van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat wordt verduidelijkt dat de verwijzingen naar de NACE-codes als indicatief moeten worden opgevat en niet mogen prevaleren boven de specifieke definitie van de activiteit in de beschrijving.
Daarnaast werd in mededeling 2022/C 385/01 van de Commissie in het antwoord op FAQ 6 verduidelijkt dat de NACE-codes kunnen helpen om voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten te identificeren, maar dat alleen de specifieke beschrijving van de activiteit in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat de precieze reikwijdte van de in de verordening opgenomen activiteiten aangeeft. De NACE-codes waarnaar aan het einde van de beschrijving van de activiteit wordt verwezen (geformuleerd als volgt: “De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan [...]”) hebben een indicatieve functie.
Voor de activiteiten in de dienstensector (afdelingen 5.1 tot en met 5.6 van bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) zijn de verwijzingen naar de NACE-codes opgenomen in de specifieke beschrijving van de activiteit. In dit specifieke geval hebben deze diensten betrekking op producten die zijn vervaardigd door economische activiteiten die onder specifieke NACE-codes zijn ingedeeld. Die verwijzingen naar de NACE-codes zijn niet louter indicatief, omdat zij de specifieke categorieën producten definiëren waarop de diensten betrekking hebben (61). In dit specifieke geval definiëren de verwijzingen naar de NACE-codes de reikwijdte van de voor de taxonomie in aanmerking komende activiteit.
5. Zijn de DNSH-criteria in de gedelegeerde EU-taxonomieverordeningen gedetailleerder dan de vereisten van de Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportage (ESRS)? Kan de ESRS-rapportage (bv. volgens ESRS E3 of ESRS E4) worden gebruikt om aan te tonen dat aan de DNSH-criteria is voldaan?
De naleving van de DNSH-criteria in de gedelegeerde EU-taxonomieverordeningen staat los van de thematische rapportagevereisten die voortvloeien uit de ESRS.
De rapportagevereisten in overeenstemming met de thematische standaarden van de ESRS zijn bedoeld om transparantie te waarborgen met betrekking tot de impact van de onderneming op duurzaamheidsaspecten en met betrekking tot de wijze waarop duurzaamheidsaspecten van invloed zijn op de ontwikkeling, prestaties en positie van de onderneming. De ESRS bevatten rapportagemethoden, maar geen specifieke prestatiedrempels.
In de EU-taxonomie is daarentegen een classificatie van ecologisch duurzame activiteiten vastgesteld. Deze moeten volgens de taxonomieverordening “substantieel bijdragen” tot een van de zes milieudoelstellingen en “geen ernstige afbreuk doen” aan een van de andere milieudoelstellingen. De DNSH-criteria voor elke activiteit zijn vastgelegd in de gedelegeerde EU-taxonomieverordeningen, waarin specifieke kwantitatieve of kwalitatieve drempels zijn vastgesteld waaraan ondernemingen moeten voldoen om de afstemming van die activiteit op de taxonomie aan te tonen. Deze aanpak is gebaseerd op het verstrekken van informatie en transparantie over de milieuprestaties van op de taxonomie afgestemde economische activiteiten.
Alleen een verwijzing naar ESRS-rapportage volstaat derhalve niet om aan te tonen dat aan de DNSH-criteria is voldaan. De data die in de ESRS-rapportage worden gebruikt, zullen echter in veel gevallen nuttig zijn voor de beoordeling van de naleving van de DNSH-criteria (en ook van de criteria voor een substantiële bijdrage).
6. Hoe kunnen exploitanten een vergelijkende levenscyclusanalyse van BKG-emissies uitvoeren in het kader van de EU-taxonomie?
Op grond van de criteria voor een substantiële bijdrage voor verschillende productie- en energieactiviteiten in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (62) moeten exploitanten een vergelijkende levenscyclusanalyse van BKG-emissies uitvoeren.
De systeemgrens en het (de) referentiescenario(’s) voor het uitvoeren van de analyse en de vergelijking moeten worden gedefinieerd (en voldoende gemotiveerd). Referentiescenario’s moeten betrekking hebben op representatieve situaties, producten, processen en/of locaties waar de bestudeerde technologie (en het best presterende alternatief dat op de markt beschikbaar is) geacht wordt te functioneren. Referentiescenario’s kunnen ook gebaseerd zijn op de gemiddelde resultaten van mogelijke alternatieve scenario’s. De potentiële variabiliteit van de resultaten voor bepaalde kritische aannames moet worden onderzocht en beoordeeld aan de hand van een gevoeligheidsanalyse.
7. Wat moet de frequentie van controle door een derde partij zijn? Moet er jaarlijks een controle door een derde partij worden uitgevoerd, met name wanneer de technische screeningcriteria een verificatie door een derde partij van BKG-emissies gedurende de levenscyclus vereisen?
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de borging door een derde partij van de taxonomierapportage (in het kader van de assurancevereisten in de CSRD) en de controle op de naleving van specifieke vereisten zoals uiteengezet in de technische screeningcriteria voor bepaalde activiteiten. De taxonomierapportage is onderworpen aan een jaarlijkse assurance in overeenstemming met de regels inzake assurance van duurzaamheidsrapportage krachtens de CSRD.
Voor de controle door een derde partij van de naleving van specifieke criteria die zijn voorgeschreven in de gedelegeerde EU-taxonomiehandelingen, schrijven de TSC’s voor bepaalde activiteiten een specifieke controlefrequentie voor.
Voor bosbouwactiviteiten of voor “herstel van watergebieden (wetlands)” (zoals uiteengezet in de afdelingen 1.1 tot en met 1.4 en 2.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) eisen de TSC’s bijvoorbeeld een controle binnen twee jaar na het begin van de activiteit en vervolgens om de tien jaar. Voor “gegevensverwerking, hosting en bijbehorende activiteiten” (afdeling 8.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) is ten minste om de drie jaar een controle vereist. Voor “hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” (afdeling 2.1 van bijlage IV bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu) is om de vijf jaar een controle vereist. Voor energieactiviteiten met betrekking tot het gebruik van fossiele gasvormige brandstoffen in de afdelingen 4.29, 4.30 en 4.31 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat schrijven de TSC’s van punt 1), b), van de afdeling “Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering” een jaarlijkse controle voor.
Voor activiteiten waarvoor controle door een derde partij is voorgeschreven zonder dat een specifieke frequentie is vastgesteld, moet die controle regelmatig plaatsvinden, maar niet noodzakelijkerwijs elk jaar. Hoe dan ook, moet er een nieuwe controle door een derde partij plaatsvinden wanneer er wezenlijke wijzigingen zijn in de te controleren informatie. Wat met name de kwantificering van BKG-emissies gedurende de levenscyclus betreft, moet de rapporterende onderneming een levenscyclusanalyse actualiseren wanneer zich wezenlijke veranderingen voordoen in de BKG-emissie-inventaris (met inbegrip van, maar niet beperkt tot, veranderingen in de grenzen, materiaal- en energiestromen van het product, de kwaliteit van de data en de allocatie- of recyclingmethoden) en dergelijke geactualiseerde levenscyclusanalyses vergezeld doen gaan van controle door een onafhankelijke derde partij.
8. Kan een geaccrediteerd intern laboratorium worden beschouwd als een onafhankelijke derde partij met het oog op controle door een derde partij?
Een intern (in-house) laboratorium kan voor de controle door een derde partij niet als een onafhankelijke derde partij worden beschouwd, omdat het deel uitmaakt van de entiteit van de onderneming en derhalve noch onafhankelijk is noch een derde partij is met betrekking tot de vereiste controle. Een entiteit die als derde partij controles uitvoert, mag niet dezelfde zijn als de entiteit die aan een rapporterende entiteit de dienst van het kwantificeren van de BKG-emissies gedurende de levenscyclus heeft verleend.
9. Moet een onderneming jaarlijks een beoordeling uitvoeren van de naleving van de TSC’s met het oog op rapportage? Kan een onderneming bijvoorbeeld vertrouwen op een gecontroleerde beoordeling van de afstemming op de taxonomie in het voorgaande jaar voor dezelfde economische activiteit?
De beoordeling van de afstemming van economische activiteiten op de taxonomie moet jaarlijks worden uitgevoerd met het oog op rapportage.
Zoals vermeld in FAQ 36 van de derde mededeling van de Commissie C/2024/7494 kunnen ondernemingen bij hun beoordeling van de afstemming van hun economische activiteiten op de taxonomie gebruikmaken van geldige bewijsstukken (ook uit voorgaande verslagjaren).
In die geest kan de rapporterende onderneming zich op de beoordeling van de afstemming van die activiteit op de taxonomie van het voorgaande jaar of de voorgaande jaren baseren, indien uit interne monitoring- en compliancesystemen blijkt dat er geen wezenlijke verandering is opgetreden in de milieueffecten van de economische activiteiten (bv. als gevolg van veranderingen in het productieproces, de inkoop van materialen en energie, of de geografische locatie van de activiteit) en indien er geen verandering is in de op die activiteit toepasselijke wettelijke vereisten die van invloed zou zijn op de resultaten van de beoordeling van de afstemming van die activiteit op de taxonomie.
AFDELING II VRAGEN OVER DE DOELSTELLING KLIMAATMITIGATIE (BIJLAGE I BIJ DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING KLIMAAT)
Fabricage
Afdeling 3.5 “Fabricage van energie-efficiënte apparatuur voor gebouwen” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
10. Vallen onderdelen (bv. compressoren of warmtewisselaars) binnen de scope van afdeling 3.5 “Vervaardiging van energie-efficiënte apparatuur voor gebouwen” indien deze onmisbaar zijn voor en een substantiële bijdrage leveren aan de werking van de energie-efficiënte apparatuur?
Het criterium van de substantiële bijdrage in afdeling 3.5 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat bevat een lijst van de producten en de belangrijkste onderdelen ervan die in het kader van deze activiteit een substantiële bijdrage kunnen leveren. Als “belangrijkste onderdelen” worden onderdelen van de in de lijst opgenomen producten aangemerkt waarvan de eigenschappen van cruciaal belang zijn voor het waarborgen van de algehele prestaties van deze producten met betrekking tot hun bijdrage tot klimaatmitigatie. Warmtepompen en stadswarmtewisselaars worden specifiek genoemd. Compressoren die als belangrijke onderdelen kwalificeren, vallen ook onder deze activiteit als zij voldoen aan de TSC’s.
Afdeling 3.9 “Fabricage van ijzer en staal” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
11. Wat is de scope van afdeling 3.9 “Fabricage van ijzer en staal”? Valt de fabricage van naadloze stalen buizen bijvoorbeeld onder deze activiteit, aangezien er geen specifieke criteria voor die stap in het productieproces zijn? Valt de fabricage van speciale legeringen onder deze activiteit?
Het criterium van de substantiële bijdrage in punt b) heeft betrekking op “koolstofstaal uit vlamboogovens of hooggelegeerd staal uit vlamboogovens [...], als gedefinieerd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie”. Daarnaast zijn in punt a) numerieke drempels voor verschillende stappen in het productieproces vastgesteld aan de hand van productbenchmarks in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447. In die bijlage staat: “Voor de toepassing van deze bijlage gelden de bepaling van de betrokken producten en van de betrokken processen en emissies (systeemgrenzen) in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331.”
De economische activiteiten in afdeling 3.9 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat hebben derhalve betrekking op de fabricage of productie van overeenkomstige producten en van processen (systeemgrenzen) als bedoeld in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331. Aangezien de vervaardiging van naadloze stalen buizen of speciale legeringen niet onder bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 valt, vallen die activiteiten niet onder afdeling 3.9.
Indien echter i) de rapporterende onderneming als tussenproducten koolstofstaal uit vlamboogovens of hooggelegeerd staal uit vlamboogovens vervaardigt (zoals gedefinieerd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie) en ii) deze worden gebruikt bij de fabricage van eindproducten (bv. naadloze stalen buizen), kan de intermediaire activiteit worden gerapporteerd onder punt b) van afdeling 1.2.3.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage, met betrekking tot de activiteiten “die worden verricht voor het eigen interne verbruik van niet-financiële ondernemingen”.
De FAQ’s 21 en 29 van de mededeling van de Commissie van 20 oktober 2023 zijn ook relevant voor de taxonomierapportage van ondernemingen die omzet halen uit producten die niet voor de taxonomie in aanmerking komen, terwijl zij gebruikmaken van de output van hun upstream productieprocessen die voortvloeien uit economische activiteiten die wel voor de taxonomie in aanmerking komen.
Afdeling 3.10 “Productie van waterstof” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
12. Heeft de eis inzake BKG-emissies gedurende de levenscyclus waarnaar wordt verwezen in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.10 “Vervaardiging van waterstof” alleen betrekking op waterstof als brandstofwaardeketen of ook op andere vormen van eindgebruik? Als andere vormen van eindgebruik wel onder de richtlijn hernieuwbare energie vallen, maar niet onder de criteria voor een substantiële bijdrage van deze activiteit, hoe moeten de BKG-emissies gedurende de levenscyclus voor andere vormen van eindgebruik dan worden beoordeeld?
De bepalingen van de richtlijn hernieuwbare energie, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185 van de Commissie en van de komende gedelegeerde handeling over koolstofarme brandstoffen zijn gericht op het gebruik van waterstof als brandstof. De criteria van afdeling 3.10 kunnen echter ook worden toegepast wanneer waterstof als chemische grondstof wordt gebruikt. Afdeling 3.10 verwijst duidelijk naar een drempelwaarde (63), die onafhankelijk van het eindgebruik van de molecule als referentie kan worden gebruikt.
Afdeling 3.10 noemt de methode die is gespecificeerd in de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld in het kader van de richtlijn hernieuwbare energie, en de ISO-methode als even geldige opties. Om consistentie en samenhang in de rapportage te waarborgen, moet de voorkeur worden gegeven aan de methode die is gespecificeerd in de gedelegeerde handelingen in het kader van de richtlijn hernieuwbare energie.
Afdeling 3.12 “Productie van soda” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
13. Moet een fabrikant van soda die ook natriumbicarbonaat (dat verwerkte soda is) vervaardigt, voor afdeling 3.12 “Productie van soda” een deel van zijn omzet, CapEx of OpEx toewijzen aan natriumbicarbonaat en opnemen in de voor afdeling 3.12 gerapporteerde KPI’s?
Afdeling 3.12 heeft betrekking op de productie van dinatriumcarbonaat (soda, natriumcarbonaat, koolzuurdinatriumzout). De productie van natriumbicarbonaat is niet opgenomen in de beschrijving van de activiteit en moet daarom worden meegeteld als niet voor de taxonomie in aanmerking komend. Niettemin kan de productie van soda onder punt b) van afdeling 1.2.3.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage worden gerapporteerd voor de activiteiten “die worden verricht voor het eigen interne verbruik van niet-financiële ondernemingen”. De FAQ’s 21 en 29 van de mededeling van de Commissie van 20 oktober 2023 zijn ook relevant voor de taxonomierapportage van ondernemingen die omzet halen uit producten die niet voor de taxonomie in aanmerking komen, terwijl zij gebruikmaken van de output van hun upstream productieprocessen die voortvloeien uit economische activiteiten die wel voor de taxonomie in aanmerking komen.
14. Moet een fabrikant van soda die ook natriumbicarbonaat (dat verwerkte soda is) vervaardigt, voor afdeling 3.12 “Productie van soda”, wanneer in dezelfde faciliteit soda en andere producten (bv. natriumbicarbonaat en calciumchloride) worden vervaardigd, de CapEx en OpEx aan elk van deze producten toewijzen?
Rapporterende ondernemingen moeten een systeem invoeren om de aan de productie van elke afzonderlijke grondstof toegerekende uitgaven objectief toe te wijzen. Rapporterende ondernemingen moeten gebruikmaken van een niet-financiële maatstaf die voorziet in een nauwkeurige toerekening van de CapEx aan een op de taxonomie afgestemde activiteit (zie het antwoord op FAQ 30 van mededeling C/2023/305 van de Commissie). Als één machine/activum wordt gebruikt om twee of meer voor de taxonomie in aanmerking komende producten te produceren, kan de onderneming de uitgaven voor die machine/dat activum niet meer dan één keer meetellen.
15. Moeten de kapitaaluitgaven voor projecten ter verhoging van de energie-efficiëntie van het sodaproductieproces worden toegerekend aan afdeling 3.12 “Productie van soda”, of moeten deze apart worden behandeld en aan afdeling 7.3 “Installatie, onderhoud en reparatie van energie-efficiënte uitrusting” worden toegerekend?
CapEx gericht op het verhogen van de energie-efficiëntie van het productieproces zelf (d.w.z. wanneer het de bedoeling is dat het productieproces, zoals het proces voor soda, voldoet aan de TSC’s), moeten worden gerapporteerd onder de overeenkomstige productieactiviteit: afdeling 3.12 “Productie van soda”. CapEx gericht op het verhogen van de energie-efficiëntie van gebouwen, moeten echter worden gerapporteerd onder afdeling 7.3 “Installatie, onderhoud en reparatie van energie-efficiënte uitrusting”. Dubbeltelling is niet toegestaan.
Afdeling 3.17 “Vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
16. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.17 “Vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm” verwijzen in punt a) naar “kunststof die volledig vervaardigd is door mechanische recycling van kunststofafval”. Wat betekent hier “volledig vervaardigd” kunststof?
Het begrip “volledig vervaardigd” betekent hier dat de kunststof voor 100 % is vervaardigd uit mechanisch gerecycled kunststofafval.
Afdeling 3.18 “Fabricage van auto-onderdelen en mobiliteitsonderdelen” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
17. Moet een auto-onderdeel, om op grond van afdeling 3.18 “Fabricage van auto-onderdelen en mobiliteitsonderdelen” te worden aangemerkt als in aanmerking komend voor de taxonomie, een essentieel onderdeel zijn bij het leveren en verbeteren van de milieuprestaties van een emissievrij voertuig? Of moet het alleen deel uitmaken van een emissievrij voertuig zonder een essentiële rol te spelen bij de verbetering van de milieuprestaties?
Niet alle onderdelen van een emissievrij voertuig zijn automatisch opgenomen in afdeling 3.18 – alleen de onderdelen die van essentieel belang zijn voor de milieuprestaties van het emissievrije voertuig.
Overweging 9 van de wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat bevat verdere houvast over deze kwestie. Zij geeft ter indicatie een lijst van onderdelen die als faciliterend kunnen worden beschouwd.
Overweging 9 luidt als volgt: “Er moeten technische screeningcriteria worden opgenomen voor onderdelen die bepalend zijn voor milieuprestaties. Voor voertuigen gaat het met name om besturingseenheden, transformatoren, elektrische motoren, laadpoorten en opladers, gelijkstroomomzetters, stroomomvormers, alternatoren, besturingseenheden, regeneratieve remsystemen, remmen met weerstandverminderingstechnologieën, thermische beheersystemen, transmissiesystemen, waterstofopslag- en brandstofsystemen, elektronica indien nodig voor de werking van de aandrijflijnen, aandrijfsystemen, de beste soort ophangingssystemen die tot verbeteringen van de energie-efficiëntie leiden, hulpapparatuur voor koolstofarme voertuigen en, als die substantieel energie-efficiënter zijn dan alternatieven, actieve aerodynamische eigenschappen op koolstofarme voertuigen om de luchtweerstand te verminderen, en aanhangrijtuigen met energiebesparende technologieën zoals een combinatie van regeneratief remmen of aerodynamische verbeteringen. Voor het spoor gaat het met name om spooronderdelen, zoals vermeld in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad5.”
Afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
18. Hoe kunnen exploitanten aantonen dat zij voldoen aan het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2, a), van afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering”, die betrekking heeft op “infrastructuur die bestemd is voor het creëren van een directe verbinding of de uitbreiding van een bestaande directe verbinding tussen een onderstation of netwerk en een elektriciteitsproductie-installatie die broeikasgasintensiever is dan 100 g CO2e/kWh, gemeten op basis van de levenscyclus”?
Dit criterium weerspiegelt het criterium in afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit” van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat. De output (producten en diensten) van de activiteit in afdeling 3.20 wordt ingekocht door ondernemingen die elektriciteitsnetten bouwen en exploiteren (d.w.z. de activiteit in afdeling 4.9) en opgenomen in de taxonomiebeoordeling van de uitgaven (CapEx of OpEx) van die ondernemingen. De activiteit in afdeling 3.20 faciliteert de activiteit in afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit” en kan daarom geen betrekking hebben op een activiteit die uitdrukkelijk is uitgesloten door de TSC’s in het kader van de activiteit in afdeling 4.9.
Een rapporterende onderneming die de activiteit uit afdeling 3.20 uitoefent, moet haar due diligence-beoordeling uitvoeren voor haar afnemers die de activiteit uit afdeling 4.9 uitoefenen, om na te gaan of die afnemers de output van de activiteit uit afdeling 3.20 al dan niet gebruiken om een directe verbinding tot stand te brengen, of een bestaande directe verbinding uit te breiden, tussen een onderstation of netwerk en een elektriciteitsproductie-installatie die broeikasgasintensiever is dan 100 g CO2e/kWh (gemeten op basis van de levenscyclus).
19. De criteria voor een substantiële bijdrage in punt b) van afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering” verwijzen naar “de transmissie en distributie van stroomvoerende installatieonderdelen en niet-stroomvoerende installatieonderdelen voor de bedrading van elektrische circuits”. Omvat dit kabels en schakelaars, stekkers en dergelijke, verzamelrails, schakelaars en stopcontacten op laagspanning?
Laagspanningsproducten (met inbegrip van verzamelrails, schakelaars en stopcontacten) vallen onder punt c) van de criteria voor een substantiële bijdrage – en niet onder punt b).
20. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering” verwijzen naar toestellen die “kunnen worden aangesloten”. Omvat dit toestellen die kunnen worden aangesloten om informatie door te leiden naar een hoger controle-/monitoring-/beheersysteem?
Onder “kunnen worden aangesloten” moeten toestellen worden verstaan die op afstand bestuurbaar zijn en/of informatie naar een besturingssysteem kunnen overdragen.
21. Het criterium voor de substantiële bijdrage in punt 1, c), i), van afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering” vermeldt stroomonderbrekers, maar niet expliciet andere laagspanningsbeveiligingsinrichtingen (bv. zekeringen, die een soortgelijke functie hebben als stroomonderbrekers). Worden deze producten ook in afdeling 3.20 in aanmerking genomen?
Zekeringen worden niet vermeld en komen daarom niet voor deze activiteit in aanmerking.
22. Wat wordt er bedoeld met “controlecentra”, zoals vermeld in het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 1, c), i), van afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering”? Is dit beperkt tot geautomatiseerde controlecentra voor het beheer van de elektrische belasting en hun kerncomponenten?
Het gaat om “controlecentra” die de controleerbaarheid van het elektriciteitssysteem vergroten en bijdragen tot het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie of het verbeteren van de energie-efficiëntie.
Energie
Afdeling 4.1 “Elektriciteitsopwekking met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
23. Komen economische activiteiten die slechts betrekking hebben op de beginfasen van projecten op het gebied van hernieuwbare energie vóór de daadwerkelijke “bouw”, in aanmerking op grond van afdeling 4.1 “Elektriciteitsopwekking met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie”?
Afdeling 4.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat heeft betrekking op “[d]e bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie (PV)”. Daarom moeten alleen de activiteiten van de bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking met behulp van PV-technologie als voor de taxonomie in aanmerking komend worden beschouwd. Ondernemingen die nagenoeg alle economische risico’s en voordelen van de bouw, eigendom of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking met behulp van PV-technologie dragen, moeten worden beschouwd als ondernemingen die activiteit 4.1 uitoefenen. Deze activiteit heeft geen betrekking op marktonderzoek of adviesdiensten (bv. het vinden en analyseren van de locatie vóór de feitelijke bouwfase) of projectmanagementdiensten tegen betaling. Bepaalde activiteiten in de vroege projectfasen kunnen echter als in aanmerking komend worden beschouwd in het kader van andere activiteiten (bv. in het kader van afdeling 9.1 “Dicht bij de markt aansluitend(e) onderzoek, ontwikkeling en innovatie”).
Afdeling 4.5 “Elektriciteitsopwekking uit waterkracht” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
24. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 4.5 “Elektriciteitsopwekking uit waterkracht” specificeren dat “[d]e activiteit voldoet aan een van de volgende criteria [...] b) de vermogensdichtheid van de installatie voor elektriciteitsopwekking is hoger dan 5 W/m2 ”. Wat wordt voor de berekening beschouwd als een kunstmatig reservoir? Moet bij de berekening alleen rekening worden gehouden met het wateroppervlak dat grenst aan de dam van het kunstmatige waterreservoir waar de waterkrachtcentrale zich bevindt en met de geïnstalleerde capaciteit van de ondersteunde centrale? Of moeten alle wateroppervlakken van kunstmatige reservoirs stroomopwaarts van een specifieke elektriciteitscentrale langs de gehele loop van de rivier en de geïnstalleerde capaciteit van alle waterkrachtcentrales stroomafwaarts van de wateroppervlakken van kunstmatige reservoirs langs de gehele loop van de rivier worden opgeteld?
De vermogensdichtheid wordt berekend als de verhouding van het geïnstalleerde vermogen (wat een ontwerpparameter is) tot het oppervlak van het reservoir dat water levert aan de waterkrachtcentrale. Het oppervlak van het reservoir is variabel (dit hangt af van het waterpeil); het oppervlak dat moet worden gebruikt om de vermogensdichtheid te berekenen, is dus het oppervlak dat overeenkomt met het geïnstalleerde vermogen (de teller van de verhouding). Dit is over het algemeen het oppervlak van het reservoir wanneer het wordt gevuld op het instelpunt van het ontwerp (de waarde waarbij het gegenereerde vermogen gelijk is aan het geïnstalleerde vermogen).
De reservoirs (d.w.z. het gebied met dergelijke reservoirs) die voor de berekening worden gebruikt, mogen alleen de reservoirs zijn die daadwerkelijk bijdragen (d.w.z. water leveren) aan de waterkrachtcentrale waarop het geïnstalleerde vermogen betrekking heeft. Dit betekent dat niet alle stroomopwaarts gelegen reservoirs in de berekening moeten worden opgenomen, tenzij ze allemaal bijdragen aan die waterkrachtcentrale. Als een waterkrachtcentrale bijvoorbeeld meer reservoirs gebruikt, moeten alle bijdragende reservoirs worden gebruikt, zelfs als ze zich ver van de elektriciteitscentrale bevinden (niet alle waterkrachtcentrales zijn direct stroomafwaarts van de dam gebouwd). Voor elk project moet worden bepaald welke reservoirs bijdragen aan de waterkrachtcentrale. Over het algemeen levert slechts één reservoir water aan een waterkrachtcentrale, maar sommige complexere projecten worden gevoed door meer dan één reservoir.
Een ander complex geval is dat van cascade-reservoirs met waterkrachtcentrales. In dat geval moet, als elk reservoir direct stroomafwaarts een eigen waterkrachtcentrale heeft, voor elke waterkrachtcentrale alleen rekening worden gehouden met het reservoir dat zich direct stroomopwaarts bevindt – en niet met alle reservoirs. Als zich alleen na het meest stroomafwaarts gelegen reservoir een waterkrachtcentrale bevindt, maar alle stroomopwaarts gelegen reservoirs worden gebruikt om water te verzamelen om die waterkrachtcentrale te voeden, worden alle reservoirs meegeteld. Dit is locatiespecifiek.
Een ander geval is dat van een reservoir dat meer dan één waterkrachtcentrale bedient. In dit geval mag bij de berekening van de vermogensdichtheid voor een specifieke waterkrachtcentrale alleen het oppervlak van het reservoir worden gebruikt dat aan die waterkrachtcentrale is toegerekend. Bij wijze van alternatief kan een totale vermogensdichtheid worden berekend waarbij rekening wordt gehouden met het hele oppervlak van het reservoir en alle waterkrachtcentrales die worden bediend, afhankelijk van de specifieke indeling.
Afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
25. Vallen kabellegschepen binnen de scope van afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit”? Zijn dus de criteria voor de kwalificatie ervan als groen niet afhankelijk van hoe groen ze zelf zijn, maar van de vraag in hoeverre het elektriciteitssysteem waarvoor ze worden gebruikt, dat is?
Dit soort schepen wordt meestal gebruikt om onderwater kabels te leggen. Indien het bulkschepen zijn en ze deze diensten verlenen aan derden (d.w.z. geen schepen van een onderneming zelf zijn), kunnen ze binnen de scope van afdeling 6.10 “Goederenvervoer via de zee- en kustvaart, vaartuigen voor havenactiviteiten en ondersteunende activiteiten” vallen.
Afdeling 4.13 “Productie van biogas en biobrandstoffen voor gebruik in het vervoer en van vloeibare biomassa” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
26. Worden investeringen in de toeleveringsketen voor duurzame grondstoffen gezien als in aanmerking komend voor de taxonomie op grond van afdeling 4.13 “Productie van biogas en biobrandstoffen voor gebruik in het vervoer en van vloeibare biomassa”?
De activiteit in afdeling 4.13 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat heeft betrekking op de “productie van biogas en biobrandstoffen voor gebruik in het vervoer en van vloeibare biomassa”. De productie van de grondstoffen (“feedstock”) (bv. landbouw- of bosbiomassa) die worden gebruikt bij de productie van biogas of biobrandstoffen voor gebruik in het vervoer van vloeibare biomassa, valt niet onder deze economische activiteit.
Afdeling 4.14 “Transmissie- en distributienetwerken voor hernieuwbare en koolstofarme gassen” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
27. Valt een “waterstofklare infrastructuur” onder afdeling 4.14 “Transmissie- en distributienetwerken voor hernieuwbare en koolstofarme gassen”, ook al zal de daadwerkelijke realisatie van vervoer van een mengsel van waterstof en fossiel gas nog enkele jaren duren (d.w.z. er is momenteel geen drempelwaarde voor het aandeel waterstof (als percentage) in het mengsel van waterstof en aardgas)?
De term “waterstofklare” infrastructuur is geen term die wordt gebruikt in het wetgevingskader van de EU-taxonomie of in het beleid inzake trans-Europese energienetwerken.
De TSC’s uit punt 1 van de onderafdeling “Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering” in afdeling 4.14 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat bevatten drie categorieën activiteiten:
|
“a) |
de bouw of exploitatie van nieuwe transmissie- en distributienetwerken specifiek voor waterstof of andere koolstofarme gassen; |
|
b) |
de conversie/herbestemming van bestaande aardgasnetwerken naar 100 % waterstof; |
|
c) |
de aanpassing van gastransmissie- en distributienetwerken waardoor de integratie van waterstof en andere koolstofarme gassen in het netwerk mogelijk wordt, daaronder begrepen alle activiteiten in een gastransmissie- of distributienetwerk waardoor meer waterstof of andere koolstofarme gassen in het gassysteem kunnen worden bijgemengd.” Het mengen van waterstof en fossiel gas valt niet onder de punten a) of b). Alleen punt c) heeft betrekking op het retrofitten van infrastructuur voor fossiel gas om “de integratie van waterstof en andere koolstofarme gassen” of het bijmengen van “meer waterstof of andere koolstofarme gassen in het gassysteem” te faciliteren. Punt c) heeft geen betrekking op het functioneren van de transmissie- en/of distributienetten voor het mengen van waterstof en fossiel gas. Ondernemingen die zich bezighouden met de transmissie en/of distributie (met inbegrip van opslag) van fossiel gas, mogen daarom alleen hun investeringen (als bedoeld in punt c)) om hun bestaande infrastructuur te retrofitten om de transmissie en/of distributie van een mengsel van waterstof en fossiel gas te faciliteren, rapporteren als CapEx. Ondernemingen moeten over voldoende bewijsstukken beschikken waaruit blijkt dat hun investeringen in de retrofit van groot belang zijn voor de integratie van waterstof en andere koolstofarme gassen of het kunnen bijmengen van meer waterstof of andere koolstofarme gassen in het gassysteem. |
Afdeling 4.28 “Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
28. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 4.28 “Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties” gebruiken de term “project”. Hoe wordt deze term gedefinieerd? Voor de vereisten inzake nucleaire veiligheid wordt uitsluitend de term “ontwerp” gebruikt, die in documenten van het IAEA wordt gedefinieerd en gebruikt (bv. IAEA Specific Safety Requirements No. SSR-2/1).
Afdeling 4.28 “Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties” omvat de “[a]anpassing van bestaande nucleaire installaties met het oog op de verlenging, waarvoor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uiterlijk in 2040 een vergunning afgeven overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, van de bedrijfstijd van veilige exploitatie van nucleaire installaties die elektriciteit of warmte uit kernenergie produceren (“kerncentrales”)”, oftewel de exploitatie op de lange termijn van een bestaande kerncentrale.
Dit onderwerp wordt behandeld in “IAEA Specific Safety Requirements No. SSR-2/2 (Rev. 1), Safety of Nuclear Power Plants: Commissioning and Operation ”, en met name in Requirement 16: “Programme for long term operation”. Ook de Safety Reports Series, nr. 106 “ Ageing Management and Long Term Operation of Nuclear Power Plants: Data Management, Scope Setting, Plant Programmes and Documentation (2022) ”, en nr. 82 (Rev. 2), “ Ageing Management for Nuclear Power Plants: International Generic Ageing Lessons Learned (IGALL) ” (2024) kunnen relevant zijn in het kader van de exploitatie van kerncentrales op de lange termijn. De aangehaalde bronnen gebruiken naast “design” verschillende termen, met name “plant” en “programme”.
Tegen deze achtergrond kan de term “project” in de technische screeningcriteria worden opgevat als de uitvoering van een programma voor exploitatie op de lange termijn van een bepaalde bestaande nucleaire installatie.
Vervoer
Generieke criteria met betrekking tot de scheepvaart in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
29. Scheepvaartactiviteiten zijn niet opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu. Kunnen scheepvaartactiviteiten nog steeds op de taxonomie afgestemd zijn als exploitanten voldoen aan de TSC’s van de scheepvaartactiviteiten die zijn vastgesteld in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat?
Maritieme activiteiten die voldoen aan de criteria voor een substantiële bijdrage en de DNSH-criteria in de afdelingen 6.7 tot en met 6.12 van de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat, kunnen aantonen dat zij op de taxonomie zijn afgestemd.
30. Hoeveel is 20 procentpunt onder de Energy Efficiency Design Index (EEDI) fase 3, zoals aangegeven in de technische screeningcriteria van de EEDI in afdeling 6.10 “Goederenvervoer via de zee- en kustvaart, vaartuigen voor havenactiviteiten en ondersteunende activiteiten” en in afdeling 6.11 “Personenvervoer via de zee- en kustvaart”? Hoe moet dit worden berekend voor een schip waarop fase 3 van de EEDI van toepassing is?
De 20 procentpunt moet worden toegevoegd aan de procentuele reductiefactoren van de EEDI die op 1 april 2022 in werking zijn getreden, zoals door de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie tijdens haar vijfenzeventigste zitting overeengekomen (64). De toepasselijke procentuele reductiefactor van de EEDI moet worden geselecteerd op basis van het type schip, de afmetingen en de datum van de scheepsbouwovereenkomst (of, indien er geen bouwovereenkomst is, de datum van de kiellegging (65)).
Voor een schip waarop fase 3 van de EEDI van toepassing is, moeten de volgende situaties in aanmerking worden genomen:
|
— |
Tot en met 31 december 2025 moet het schip een bereikte EEDI-waarde behalen die ten minste 10 procentpunt lager ligt dan de toepasselijke reductiefactor van fase 3 van de EEDI. Zo zou een bulkschip met 25 000 ton draagvermogen (DWT) een bereikte EEDI-waarde moeten behalen die ten minste 40 procentpunt onder de EEDI-referentielijn ligt, terwijl een containerschip met 40 000 of meer, maar minder dan 80 000 DWT, een bereikte EEDI-waarde zou moeten behalen die ten minste 45 procentpunt onder de EEDI-referentielijn ligt. |
|
— |
Vanaf 1 januari 2026 moet het schip een bereikte EEDI-waarde behalen die ten minste 20 procentpunt lager ligt dan de toepasselijke reductiefactor van fase 3 van de EEDI. Een bulkschip met 25 000 DWT zou bijvoorbeeld een bereikte EEDI-waarde moeten behalen die ten minste 50 procentpunt onder de EEDI-referentielijn ligt, terwijl een containerschip met 40 000 en meer, maar minder dan 80 000 DWT een bereikte EEDI-waarde zou moeten behalen die ten minste 55 procentpunt onder de EEDI-referentielijn ligt. |
31. In het kader van het aantonen dat maritieme vervoersactiviteiten zijn afgestemd op de taxonomie op basis van de TSC’s in afdeling 6.10 “Goederenvervoer via de zee- en kustvaart, vaartuigen voor havenactiviteiten en ondersteunende activiteiten” en in afdeling 6.11 “Personenvervoer via de zee- en kustvaart”: naar welke gebeurtenis verwijst de datum 1 januari 2026? Gaat het hier om a) de ondertekening van de bouwovereenkomst; b) de kiellegging van het schip; c) de levering van het schip; of d) de datum van de financiële beslissing?
Bij de toepassing van de TSC’s in afdeling 6.10, punt f), en afdeling 6.11, punt e), die betrekking hebben op de broeikasgasprestaties van de vaartuigen die in bedrijf zijn en vanaf 1 januari 2026 van toepassing zijn, moet de exploitant van het vaartuig beoordelen of het vaartuig voldoet aan de limiet (die van toepassing is tijdens de verslagperiode in kwestie) met betrekking tot de jaarlijkse gemiddelde broeikasgasintensiteit van de aan boord van het schip gebruikte energie tijdens die rapportageperiode. Bij de beoordeling van de afstemming op de taxonomie tijdens de rapportageperiode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 moet de exploitant bijvoorbeeld beoordelen of de jaarlijkse gemiddelde broeikasgasintensiteit van de aan boord van het schip gebruikte energie tijdens die rapportageperiode de waarde van 76,4 g CO2e/MJ niet overschrijdt, en deze prestaties door een onafhankelijke derde partij laten verifiëren. Evenzo moet de exploitant bij de beoordeling van de afstemming op de taxonomie tijdens de rapportageperiode van 1 januari 2030 tot en met 31 december 2030 beoordelen of de geverifieerde jaarlijkse gemiddelde broeikasgasintensiteit van de aan boord van het schip gebruikte energie tijdens die rapportageperiode de waarde van 61,1 g CO2e/MJ niet overschrijdt.
Bij de toepassing van de TSC’s in afdeling 6.10, punt e), en afdeling 6.11, punt d), die betrekking hebben op de broeikasgasprestaties van het ontwerp van de vaartuigen, wordt bij de beoordeling van de vraag of de leningen/obligaties die zijn uitgegeven om geld op te halen om een nieuw schip te kunnen (aan)betalen, of de leningen die door de werf zijn aangegaan om de bouw en aanpassing van schepen te financieren, op de taxonomie zijn afgestemd, de toepasselijkheid van de criteria vastgesteld op het moment van ondertekening van de bouwovereenkomst. Zoals bepaald in artikel 7, lid 5, van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage, blijven deze criteria geldig voor de periode van vijf jaar na de datum van toepassing van de gedelegeerde handelingen tot wijziging van die technische screeningcriteria, op voorwaarde dat de aanvankelijk verwachte prestaties worden behaald op het moment dat het schip in gebruik wordt genomen.
32. In afdeling 6.10 “Goederenvervoer via de zee- en kustvaart, vaartuigen voor havenactiviteiten en ondersteunende activiteiten” en afdeling 6.11 “Zee- en kustvaart, personenvervoer” sluit de combinatie van strengere efficiëntiecriteria voor de Energy Efficiency Design Index (EEDI) /de Energy Efficiency Existing Ship Index (EEXI) en de brandstofcriteria een grote verscheidenheid aan (kleinere) vaartuigtypen uit, waarop de EEDI of de EEXI niet van toepassing zijn. Hoe kunnen deze vaartuigen aan de taxonomie voldoen als er momenteel geen technologisch of economisch haalbare emissievrije uitlaatoplossingen zijn (bv. offshoreserviceschepen die lange afstanden afleggen)?
Met deze vraag en dit antwoord wordt FAQ 97 van mededeling C/2023/267 van de Commissie ingetrokken en vervangen.
De TSC’s bieden verschillende opties om schepen op de taxonomie af te stemmen. Hoewel de EEDI (voor nieuwe schepen) en de EEXI (voor bestaande schepen) in beginsel niet bedoeld waren om op alle categorieën vaartuigen (type en afmetingen) te worden toegepast, zijn beide methoden voor de certificering van de energie-efficiëntie de enige internationaal overeengekomen indices voor schepen.
Een schip kan als buiten het toepassingsbereik van de EEDI vallend worden beschouwd indien:
|
— |
het geen deel uitmaakt van de bepalingen inzake scheepstype en scheepsafmetingen van de voorschriften 19 en 22 van hoofdstuk 4 van bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol); |
|
— |
het niet binnen de relevante drempelwaarden ligt voor afmetingen/omvang (DWT of GT) van voorschrift 24 van hoofdstuk 4 van bijlage VI bij Marpol. |
Een schip kan als buiten het toepassingsbereik van de EEXI vallend worden beschouwd indien:
|
— |
het geen deel uitmaakt van de bepalingen inzake scheepstype en scheepsafmetingen van Marpol, bijlage VI, hoofdstuk 4, voorschriften 19 en 23; |
|
— |
het niet binnen de relevante drempelwaarden ligt voor afmetingen/omvang (DWT of GT) van Marpol, bijlage VI, hoofdstuk 4, voorschrift 25. |
Schepen die onder de bovenstaande wettelijke bepalingen vallen, d.w.z. buiten het toepassingsbereik van de EEDI of EEXI, kunnen nog steeds op vrijwillige basis hun bereikte EEDI- of EEXI-waarden (zoals van toepassing op respectievelijk nieuwe en bestaande schepen) bepalen door dezelfde methode toe te passen en de uitkomst laten verifiëren door een erkende derde partij overeenkomstig hoofdstuk 4 van bijlage VI bij Marpol en de desbetreffende handvatten. Wel is het zo dat het voor schepen, ongeacht hun afmetingen, met niet-conventionele voortstuwing (zoals gedefinieerd in voorschrift 2 van bijlage VI bij Marpol) en die geen cruiseschepen en vloeibaar-aardgastankers (LNG-tankers) zijn, bij gebrek aan een overeengekomen berekeningsmethode niet mogelijk is de bereikte EEDI- of EEXI-waarden te bepalen; voor dergelijke gevallen zouden alleen de toepasselijke criteria van de punten 1.a) en 1.b) van de afdelingen 6.10 en 6.11 van bijlage I van toepassing zijn.
Tot slot, en met name voor kleinere schepen met een lager draagvermogen, is het zeer waarschijnlijk dat wordt gekozen voor een volledig elektrische oplossing of een brandstofcelsysteem op waterstof. De toepasselijke criteria voor dergelijke vaartuigen zijn daarom opgenomen in de punten 1.a) en 1.b) van de afdelingen 6.10 en 6.11 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat.
Afdeling 6.15 “Infrastructuur voor koolstofarm wegvervoer en openbaar vervoer” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
33. Vallen het bouwen, moderniseren, onderhouden en exploiteren van autosnelwegen binnen de scope van de activiteit in afdeling 6.15 “Infrastructuur voor koolstofarm wegvervoer en openbaar vervoer”?
De beschrijving van de activiteit omvat drie verschillende categorieën infrastructuur: i) de infrastructuur is bedoeld voor voertuigen zonder CO2-uitlaatemissies, ii) de infrastructuur en de installaties worden gebruikt voor de overslag van goederen, en iii) de infrastructuur bestemd voor openbaar personenvervoer in steden en voorsteden.
Gezien de titel van de activiteit, de beschrijving ervan en de aard van de TSC’s vallen het bouwen, moderniseren, onderhouden en exploiteren van autosnelwegen niet binnen de scope van de activiteit in afdeling 6.15 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat. Met betrekking tot de eerste categorie infrastructuur moeten alleen activiteiten die belangrijk zijn voor en gericht zijn op de exploitatie van voertuigen zonder CO2-uitlaatemissies (d.w.z. oplaadpunten, upgrades van de aansluiting op het elektriciteitsnet, waterstoftankstations of elektrische wegsystemen), worden beschouwd als in aanmerking komend voor de taxonomie wat betreft de doelstelling van klimaatmitigatie. Omzet uit (en/of uitgaven in verband met) een autosnelweg zelf mag (mogen) daarom niet worden beschouwd als in aanmerking komend voor de taxonomie wat betreft de activiteit in afdeling 6.15 in het kader van de doelstelling van klimaatmitigatie.
Dit in tegenstelling tot de activiteit in afdeling 6.15 “Infrastructuur voor wegvervoer en openbaar vervoer” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat, die een andere titel en beschrijving heeft dan de activiteit in afdeling 6.15 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (“Infrastructuur voor koolstofarm wegvervoer en openbaar vervoer”). Met name de beschrijving van de activiteit in afdeling 6.15 van bijlage II heeft onder meer betrekking op “[h]et bouwen, moderniseren, onderhouden en exploiteren van autosnelwegen [...]”. Uitgaven voor de adaptatie van autosnelwegen aan klimaatverandering worden derhalve beschouwd als in aanmerking komend voor de taxonomie in het kader van de doelstelling klimaatadaptatie.
34. Het DNSH-criterium onder het punt “Transitie naar een circulaire economie” in afdeling 6.15 “Infrastructuur voor koolstofarm wegvervoer en openbaar vervoer” bepaalt dat “[m]instens 70 % (naar gewicht) van het niet-gevaarlijke, op de bouwplaats geproduceerde bouw- en sloopafval [...] wordt voorbereid voor hergebruik, recycling en andere vormen van materiaalterugwinning [...]”. Hoe moet een onderneming die onderdelen van de in de infrastructuur gebruikte apparatuur levert, aan deze bepaling voldoen als zij geen zeggenschap heeft over de bouwplaats?
In de beschrijving van de activiteit in afdeling 6.15 staat dat de activiteit “[h]et bouwen, moderniseren, onderhouden en exploiteren van infrastructuur die nodig is voor de werking, zonder CO2-uitlaatemissies, van koolstofvrij wegvervoer, alsook infrastructuur die bedoeld is voor overslag en infrastructuur die nodig is voor de exploitatie van stadsvervoer” omvat.
Een onderneming die onderdelen van de in de infrastructuur gebruikte apparatuur levert, kan daarom niet onder deze afdeling vallen, tenzij haar activiteiten betrekking hebben op het bouwen, moderniseren, onderhouden en exploiteren van infrastructuur die voldoet aan de criteria die in het kader van deze activiteit zijn vastgesteld.
De productie van de in de infrastructuur gebruikte apparatuur moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die op die productieactiviteit van toepassing zijn. De productie van oplaadpunten of apparatuur voor upgrades van de aansluiting op het elektriciteitsnet valt bijvoorbeeld onder de activiteit in afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering”.
De naleving van het hierboven bedoelde DNSH-beginsel moet worden aangetoond door de onderneming die eigenaar is van de infrastructuur en/of deze exploiteert (bij de beoordeling van haar CapEx) en/of de installatiewerkzaamheden uitvoert (bij de beoordeling van haar omzet).
35. Bij verschillende economische activiteiten in de taxonomie is sprake van het opladen van elektrische voertuigen, onder meer in afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering”, afdeling 6.15 “Infrastructuur voor koolstofarm wegvervoer en openbaar vervoer”, afdeling 7.4 “Installatie, onderhoud en reparatie van oplaadstations voor elektrische voertuigen in gebouwen (en parkeerplaatsen verbonden aan gebouwen)” en afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit”. Gezien het feit dat er verschillende bedrijfsmodellen zijn voor het opladen van elektrische voertuigen (thuisladen, opladen op straat of op de plaats van bestemming, wagenparkoplossingen en snellaadstations), op grond van welke afdelingen moeten ondernemingen beoordelen of zij aan de taxonomie voldoen?
De activiteit in afdeling 3.20 heeft betrekking op de productie, de installatie, het onderhoud of de reparatie van oplaadpunten voor elektrische voertuigen en de ondersteuning van elektrische infrastructuur voor de elektrificatie van vervoer die voornamelijk is geïnstalleerd om het opladen van elektrische voertuigen mogelijk te maken. Activiteiten van afdeling 7.4 zijn van deze activiteit uitgesloten.
De installatie van oplaadpunten in gebouwen en op parkeerterreinen, waaronder de meeste privé-oplaadpunten voor elektrische voertuigen, valt onder afdeling 7.4. De in die afdeling vastgestelde criteria zijn geschikt voor dat soort installaties.
De installatie van andere oplaadpunten (bv. openbaar toegankelijke oplaadpunten langs een weg) valt onder afdeling 6.15. De criteria in die afdeling zijn bedoeld voor zowel kleinere als grotere installaties, en verscheidene bevatten de vermelding “indien nodig” of “waar nodig”. Er zullen gevallen zijn – met name voor kleinere installaties, bv. één oplaadpunt in een reeds bebouwd gebied – waarin die criteria niet relevant zijn.
Oplaadpunten kunnen ook deel uitmaken van energieactiviteiten in het kader van afdeling 4.9. Op grond van die afdeling moet uitdrukkelijk worden voldaan aan de TSC’s van afdeling 6.15. (“mits is voldaan aan de in het deel “Vervoer” van deze bijlage genoemde technische screeningcriteria”), om ervoor te zorgen dat dit soort investeringen consequent wordt behandeld als onderdeel van een vervoers- of energieproject.
Algemene vragen over de criteria met betrekking tot de luchtvaart in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
36. Wat zijn de databron en methode voor de berekening van de globale vervangingsratio (GRR) die moeten worden toegepast in de criteria voor een substantiële bijdrage aan de klimaatmitigatie in afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen”, punten b) en c), afdeling 6.18 “Leasing van vliegtuigen”, punten b) en c), en afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”, punten b), c) en d)?
De GRR wordt berekend als het aandeel luchtvaartuigen dat permanent uit gebruik is genomen ten opzichte van luchtvaartuigen die wereldwijd gemiddeld over de afgelopen tien jaar zijn geleverd, aan de hand van geverifieerde data van onafhankelijke dataproviders. De ratio wordt voor elk rapportagejaar herberekend, aangezien de GRR dynamisch is en de onderliggende data elk jaar veranderen.
De GRR stelt de limiet vast voor het aantal luchtvaartuigen dat in een bepaald jaar kan worden vervangen. Het tienjaarsgemiddelde wordt berekend door het totale aantal luchtvaartuigen dat uit gebruik is genomen, te delen door het totale aantal leveringen, op mondiaal niveau, over de periode van tien jaar. De GRR moet worden gebaseerd op luchtvaartuigen die door een fabrikant van originele uitrusting (Original Equipment Manufacturer – OEM) aan de initiële exploitant worden geleverd, en op luchtvaartuigen die permanent uit gebruik zijn genomen (“buiten gebruik gesteld”).
De berekening van de GRR is gebaseerd op conventionele luchtvaartuigen die voor commercieel gebruik zijn ingedeeld. Dit moet een afspiegeling zijn van de soorten luchtvaartuigen die zijn vermeld in de afdelingen 3.21, 6.18 en 6.19 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat.
Luchtvaartuigen die initieel aan commerciële exploitanten worden geleverd en vervolgens via transacties met niet-commerciële exploitanten de commerciële vloot verlaten, worden alleen als buiten gebruik gesteld beschouwd wanneer dergelijke luchtvaartuigen definitief uit gebruik worden genomen – en niet wanneer zij louter worden overgedragen aan niet-commerciële activiteiten. Dit komt omdat de GRR het aandeel vliegtuigen moet weerspiegelen dat daadwerkelijk zijn activiteiten heeft gestaakt.
Om de consistentie en vergelijkbaarheid te bevorderen, streeft de Commissie ernaar de GRR te publiceren met de steun van het EASA, in overeenstemming met overweging 11 van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat.
De GRR voor het rapportagejaar dat eindigt in 2024 bedraagt 48 % (66). Deze ratio werd berekend op basis van de luchtvaartuigen die werden geleverd en uit gebruik werden genomen in de periode van tien jaar lopend van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2023.
Voor de berekening van de bovenstaande GRR hebben de Commissie en het EASA zich gebaseerd op de Cirium-database, een onafhankelijke aanbieder van gespecialiseerde luchtvaartdata, onderdeel van RELX, een FTSE100-bedrijf. Hun product Fleets Analyzer wordt algemeen erkend en gebruikt door de sector om nauwkeurige en onafhankelijke data over de luchtvaartuigvloot en -gebeurtenissen te verkrijgen.
37. Hoe moet de globale vervangingsratio (GRR) worden toegepast in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen”, punten b) en c), afdeling 6.18 “Leasing van vliegtuigen”, punten b) en c), en afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”, punten b), c) en d)?
Toepassing van de GRR op basis van de in aanmerking komende activiteit
Voor afstemming op de EU-taxonomie is vereist dat de fabrikant, leasegever en exploitant van een luchtvaartuig elk voldoen aan hun respectieve criteria voor een substantiële bijdrage en DNSH-criteria die gelden voor hun respectieve, voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten. Bijgevolg kan met betrekking tot een luchtvaartuig dat volgens een leasegever voldoet aan de EU-taxonomievereisten op grond van afdeling 6.18 “Leasing van vliegtuigen” en dat vervolgens aan een luchtvaartmaatschappij wordt verhuurd, die luchtvaartmaatschappij niet automatisch aanvoeren dat het luchtvaartuig voldoet aan de EU-taxonomie. De luchtvaartmaatschappij moet aantonen dat zij voldoet aan de technische screeningcriteria van afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”.
Toepassing van de GRR op basis van het in aanmerking komende luchtvaartuig
De jaarlijks berekende GRR zal in voorkomend geval worden toegepast op luchtvaartuigen die voldoen aan alle respectieve voorwaarden die zijn vastgesteld in de technische screeningcriteria, met inbegrip van de marges vermeld in afdeling 3.21, punt b), van de criteria inzake een substantiële bijdrage en de DNSH-criteria.
Toepassing van de GRR op de leveringen van luchtvaartuigen in afdeling 6.18, punt c), en afdeling 6.19, punten c) en d) (67)
Een van de voorwaarden voor een luchtvaartuig om op grond van afdeling 6.18, punt c), en afdeling 6.19, punten c) en d) aan de EU-taxonomie te voldoen, is dat een luchtvaartuig dat niet voldoet, definitief uit gebruik wordt genomen (“buiten gebruik gesteld”) of uit de vloot wordt gehaald. Het uit de vloot halen van een luchtvaartuig omvat de verkoop van een luchtvaartuig of het aan een leasegever teruggeven van een luchtvaartuig dat door de luchtvaartmaatschappij operationeel werd geleased.
De verkoop van een luchtvaartuig door een exploitant aan een leasemaatschappij kan worden beschouwd als het permanent uit de vloot halen, mits het luchtvaartuig na de verkoop niet door de verkoper wordt geëxploiteerd. Indien het luchtvaartuig opnieuw door de oorspronkelijke verkoper wordt verworven, moet de exploitant bij de levering aantonen dat aan de taxonomiecriteria is voldaan om te kunnen aanvoeren dat het is afgestemd op de taxonomie.
Permanent uit gebruik nemen (buitengebruikstellingen) of uit de vloot halen, moet plaatsvinden binnen zes maanden na de levering van het conforme luchtvaartuig.
Een toezegging om een luchtvaartuig definitief uit gebruik te nemen, maakt het mogelijk een ander luchtvaartuig aan de EU-taxonomie te laten voldoen, mits aan alle overige voorwaarden is voldaan. Met een toezegging om een luchtvaartuig definitief uit de vloot te halen, kan slechts een deel van een ander luchtvaartuig dat gelijkwaardig is aan de GRR, aan de EU-taxonomie voldoen, mits aan alle overige voorwaarden is voldaan.
Toepassing van de GRR op leveringen van luchtvaartuigen vóór de toepassing van de gedelegeerde verordening in afdeling 6.18, punt b), en afdeling 6.19, punten b) en d)
Om te kunnen aanvoeren dat er sprake is van afstemming op de taxonomie voor de afdeling 6.18, punt b), en afdeling 6.19, punt b), zijn leasegevers of vliegtuigexploitanten die vóór 11 december 2023 (d.w.z. de toepassingsdatum van de gedelegeerde verordening) een in aanmerking komend luchtvaartuig hebben ontvangen, verplicht de GRR toe te passen op dat respectieve in aanmerking komende luchtvaartuig in hun vloot (terwijl een niet in aanmerking komend luchtvaartuig is uitgesloten van de toepassing van de GRR).
Toepassing van de GRR op onderdelen en uitrusting van luchtvaartuigen en op het verlenen van daarmee verband houdende diensten
Het aandeel van in aanmerking komende onderdelen en uitrusting van luchtvaartuigen, alsook het verlenen van daarmee verband houdende diensten, dat aan de taxonomie voldoet, wordt beperkt door de vervangingsratio.
38. Wat wordt bedoeld met “uit gebruik nemen van luchtvaartuigen” in het kader van afdeling 6.18 “Leasing van luchtvaartuigen”, punt c), en afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”, punt c)?
Een luchtvaartuig kan als “uit gebruik genomen” worden beschouwd wanneer het uit actieve dienst is genomen met de toezegging dat het na verwijdering uiteindelijk zal worden gesloopt, zonder dat er verdere activiteiten door de oorspronkelijke exploitant of een andere exploitant plaatsvinden.
De verwijdering moet worden gecertificeerd door een afleveringscertificaat of -overeenkomst met de relevante gespecialiseerde ontmantelingsfaciliteit, waarin de toezegging van de vliegtuigexploitant met betrekking tot het uit gebruik nemen van het luchtvaartuig wordt bevestigd. De datum van verwijdering moet de datum zijn van het afleveringscertificaat van het luchtvaartuig of de overeenkomst met de ontmantelingsfaciliteit.
Luchtvaartuigen die als buiten gebruik (“buiten gebruik gesteld”) worden beschouwd, moeten uit het desbetreffende luchtvaartuigregister van de autoriteit voor de burgerluchtvaart (CAA) worden geschrapt en mogen vervolgens niet aan een ander register worden toegevoegd. Tijdens de uitschrijving specificeert de eigenaar van het luchtvaartuig de reden voor de uitschrijving van het luchtvaartuig, wat wordt opgenomen in het register van luchtvaartuigen van de CAA en kan dienen als bewijs voor verificatiedoeleinden. Het is de verantwoordelijkheid van de vliegtuigexploitant of -leasegever om ervoor te zorgen dat het luchtvaartuig wordt uitgeschreven om aan te tonen dat aan de TSC’s wordt voldaan. Dit bewijs kan worden gebruikt in combinatie met het afleveringscertificaat van de ontmantelingsfaciliteit.
Sommige vliegtuigen worden overgeheveld naar niet-commerciële activiteiten voordat ze uiteindelijk buiten gebruik worden gesteld. Dit gebeurt vaak wanneer vliegtuigen de commerciële dienst verlaten en worden gerenoveerd voor niet-commerciële doeleinden, zoals voor brandbestrijding vanuit de lucht of humanitaire missies. In dit geval mogen de luchtvaartuigen niet worden behandeld als uit gebruik genomen wanneer zij de commerciële vloot verlaten.
39. Wat wordt bedoeld met “aan de vloot onttrekken van luchtvaartuigen” in het kader van afdeling 6.18 “Leasing van luchtvaartuigen”, punt c), en afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”, punt c)?
Van “vliegtuigen aan de vloot onttrekken” is er sprake wanneer het luchtvaartuig permanent uit de in gebruik zijnde vloot van de exploitant of leasegever is gehaald zonder dat het opnieuw in die bestaande vloot actief in dienst komt. Dit betekent niet dat het luchtvaartuig niet opnieuw actief kan worden gebruikt in een vergelijkbare of andere commerciële rol, mits het niet langer eigendom is van en wordt geëxploiteerd door dezelfde vliegtuigexploitant of leasegever die aanvoert dat er sprake is van afstemming op de EU-taxonomie doordat dit specifieke luchtvaartuig aan de vloot wordt onttrokken.
Indien een luchtvaartuig een niet-commerciële rol krijgt bij dezelfde exploitant, wordt het nog steeds geacht deel uit te maken van zijn vloot. Het wordt pas als “aan de vloot onttrokken” beschouwd wanneer de exploitant en de eigenaar ervan permanent veranderen.
Indien een exploitant een luchtvaartuig aan zijn vloot onttrekt door het aan een andere exploitant te onderverhuren, maar het luchtvaartuig financieel in de boeken (op de balans) blijft staan, mogen dergelijke luchtvaartuigen niet als aan de vloot onttrokken worden beschouwd.
Indien een luchtvaartuig zou worden verkocht aan een andere luchtvaartmaatschappij, maar binnen dezelfde luchtvaartgroep (68), mag een dergelijk luchtvaartuig niet als aan de vloot onttrokken worden beschouwd.
40. Wat wordt bedoeld met “luchtwaardigheid van luchtvaartuigen” in het kader van afdeling 6.18 “Leasing van luchtvaartuigen”, punt c), en afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”, punt c)?
Volgens afdeling 6.18, punt c), en afdeling 6.19, punt c), moet een niet-conform luchtvaartuig dat aan de vloot wordt onttrokken of uit gebruik wordt genomen, een bewijs van luchtwaardigheid hebben dat dateert van minder dan zes maanden vóór de levering van het conforme luchtvaartuig. Om de luchtwaardigheid van het aan de vloot onttrokken of uit gebruik genomen luchtvaartuig aan te tonen, moet de leasegever of vliegtuigexploitant een geldig bewijs van luchtwaardigheid (BvL) overleggen, afgegeven door het EASA of een gelijkwaardige toezichthoudende instantie, samen met een geldig certificaat van beoordeling van de luchtwaardigheid (ARC) (of gelijkwaardig). Om een geldig BvL te behouden, moet het luchtvaartuig beschikken over een geldig ARC, dat om de twaalf maanden moet worden herzien of verlengd. Als een geldig ARC is vervallen, is het BvL niet langer geldig.
De geldigheid van het BvL moet van minder dan zes maanden vóór de levering van het conforme luchtvaartuig dateren. Deze eis is ingevoerd om luchtvaartuigen uit te sluiten die reeds uit actieve dienst zijn genomen, maar die niet vanwege de naleving van de EU-taxonomie uit gebruik zijn genomen.
Als bijvoorbeeld een conform luchtvaartuig op 31 mei 2024 is geleverd en een niet-conform luchtvaartuig op 30 juni 2024 uit dienst is genomen, moet het ARC van een niet-conform luchtvaartuig ten minste geldig zijn tot 1 december 2023 (d.w.z. minder dan zes maanden vóór 31 mei 2024). Dit betekent in de praktijk dat niet-conforme luchtvaartuigen waarvan de geldigheid van het ARC vóór die datum van 1 december 2023 verloopt, niet in aanmerking komen.
Als het hierboven beschreven proces wordt gevolgd, wordt bevestigd dat het niet-conforme luchtvaartuig voldoet aan de luchtwaardigheidseisen zoals gespecificeerd door de certificeringsinstantie en wordt bewezen dat het luchtvaartuig in de afgelopen twaalf maanden een grondige beoordeling van de luchtwaardigheid heeft ondergaan en aan alle toepasselijke veiligheidsnormen en -voorschriften voldoet.
41. Wat zijn de voorwaarden waaronder fabrikanten een eigen verklaring kunnen afgeven dat het luchtvaartuig voldoet aan de marges voor de grenswaarde “nieuw type” van de ICAO-norm voor CO2-emissies als bedoeld in afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen”, punt b)?
Fabrikanten van luchtvaartuigen moeten op basis van de resultaten van de CO2-emissiecertificering van het luchtvaartuig aantonen dat de meetwaarden van de CO2-emissies van conforme luchtvaartuigen voldoen aan de vereiste marges voor de in afdeling 3.21, punt b), bedoelde grenswaarde “nieuw type” van de ICAO-norm. Gedurende een overgangsperiode tot 11 december 2026 kunnen vliegtuigfabrikanten, als een certificaat inzake de meetwaarden van CO2-emissies waarin de vereiste marge ten opzichte van de grenswaarde “nieuw type” van de ICAO-norm wordt bevestigd, ontbreekt, een eigen verklaring afgeven om naleving aan te tonen. Een dergelijke eigen verklaring moet gebaseerd zijn op de redelijke verwachtingen van vliegtuigfabrikanten ten aanzien van de CO2-prestaties van het luchtvaartuig, die kunnen worden gebaseerd op de tests en procedures die zij tijdens het ontwerp en de ontwikkeling van het luchtvaartuig hebben uitgevoerd. De geldigheid van de eigen verklaring van een fabrikant van originele uitrusting (OEM) is afhankelijk van de voorwaarde dat het luchtvaartuig uiterlijk op 11 december 2026 is gecertificeerd.
Daartoe wordt in het kader van de eigen verklaring aanbevolen dat OEM’s het CO2-certificeringsproces of – voor types luchtvaartuigen waarvoor het EASA niet de verantwoordelijke certificeringsautoriteit is – het EASA-valideringsproces zonder onnodige vertragingen initiëren. Aanbevolen wordt om de voltooiing van CO2-certificeringsactiviteiten te plannen binnen de termijn die is vastgesteld in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat. Vliegtuigfabrikanten kunnen het EASA om hulp vragen bij het initiëren van het CO2-certificeringsproces.
42. Wat is het verband tussen de taxonomierapportage over duurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF) die vereist is voor afdeling 6.18 “Leasing van luchtvaartuigen” en afdeling 6.19 “Vervoer van passagiers en goederen door de lucht”, en de bestaande rapportage- en verificatiemechanismen, met name CORSIA, het EU-ETS en de ReFuelEU Luchtvaart-verordening?
Volgens afdeling 6.18, punten b) en c), en afdeling 6.19, punten d) en e), moeten luchtvaartuigen vanaf een bepaalde datum met een minimumaandeel duurzame luchtvaartbrandstoffen worden geëxploiteerd om aan de taxonomie te voldoen.
Het begrip “duurzame luchtvaartbrandstoffen” (SAF) wordt gedefinieerd in artikel 3, lid 7, van ReFuelEU Luchtvaart-verordening (Verordening (EU) 2023/2405).
In afdeling 6.18, punten b) en c), en afdeling 6.19, punten d) en e), wordt de berekeningsformule voor het vereiste inzake het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen vastgesteld. Dat vereiste wordt berekend als een verhouding van de op vlootniveau aangekochte hoeveelheid duurzame luchtvaartbrandstoffen (uitgedrukt in ton) gedeeld door de totale hoeveelheid luchtvaartbrandstoffen die door het conforme luchtvaartuig wordt gebruikt, vermenigvuldigd met 100.
De berekeningsformule verwijst naar aankoop als proxy voor gebruik, om naleving te vergemakkelijken en marktdeelnemers in staat te stellen de naleving aan te tonen, met facturen ter staving. Alleen duurzame luchtvaartbrandstoffen die zijn aangekocht voor gebruik binnen de eigen vloot van de exploitant, mogen worden meegeteld. Duurzame luchtvaartbrandstoffen die aan een andere exploitant worden doorverkocht, mogen niet in de berekeningen worden opgenomen, aangezien zij niet worden gebruikt in de vlootactiviteiten van de exploitant die beweert aan de eisen te voldoen. Bovendien moet in het geval van een luchtvaartgroep de berekening van de hoeveelheid duurzame luchtvaartbrandstoffen worden beperkt tot de vloot die eigendom is van de enige exploitant (bv. op dochterondernemingsniveau – en niet op groepsniveau).
Wat de rapportage over op de taxonomie afgestemde omzet-KPI’s betreft, mogen exploitanten het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen op vlootniveau niet dubbel tellen. Wanneer een subgroep van conforme luchtvaartuigen voldoet aan de criteria voor het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen, mag alleen de omzet die met de exploitatie van die subgroep van conforme luchtvaartuigen is behaald, als op de taxonomie afgestemd worden beschouwd.
Bij het aantonen van de naleving van het minimumaandeel duurzame luchtvaartbrandstoffen dat aan de conforme luchtvaartuigen is toegewezen, kunnen leasegevers en exploitanten van luchtvaartuigen de hoeveelheid voor de taxonomie in aanmerking komende duurzame luchtvaartbrandstoffen gebruiken die is ingekocht en gebruikt zoals gerapporteerd in de in het kader van het EU-ETS en de ReFuelEU Luchtvaart-verordening vastgestelde monitoring-, rapportage- en verificatiesystemen (MRV-systemen).
De Commissie onderzoekt momenteel ook of het haalbaar is de Union Database for Biofuels (69) uit te breiden tot het verbruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen door vliegtuigexploitanten, wat de traceerbaarheid, de aankoop, de levering en het verbruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen zou kunnen vergemakkelijken.
43. Hoe zullen de marges van de grenswaarde “nieuw type” van de ICAO-norm voor CO2-emissies, waarnaar wordt verwezen in de criteria voor een substantiële bijdrage van afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen”, zich in de loop van de tijd ontwikkelen naarmate de ICAO-norm zich ontwikkelt?
De marges die in de technische screeningcriteria worden toegepast, hebben betrekking op de grenswaarde “nieuw type” zoals gedefinieerd in deel 3 (over CO2-emissies) van de milieubeschermingsnorm van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), opgenomen in bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago (eerste editie). Dit betekent dat de verwijzing statisch is en dat eventuele toekomstige wijzigingen in de ICAO-normen moeten worden weerspiegeld in de wijzigingen van de gedelegeerde handeling.
In overeenstemming met het transitiekarakter van de activiteiten, en om rekening te houden met de marktontwikkeling van luchtvaartuigtechnologieën, moeten de TSC’s voor de fabricage van luchtvaartuigen van toepassing zijn tot 2032, en moeten die TSC’s ruim vóór die datum worden herzien om de naleving van artikel 10, lid 2, van de taxonomieverordening te waarborgen in overeenstemming met de technologische ontwikkelingen. Bij de herziening moet ook rekening worden gehouden met de ontwikkeling van internationale regelgeving (bv. de door de ICAO vastgestelde regelgeving met betrekking tot milieunormen voor luchtvaartuigen).
44. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen”, punten b en c), met uitzondering van het criterium inzake directe CO2-emissies die gelijk zijn aan nul, verwijzen naar het einde van 2032. Het is onduidelijk welke criteria na die datum van toepassing zullen zijn. Kunt u de tijdlijn na 2032 verduidelijken? Komt er een herziening of is het criterium van nuluitstoot van CO2 aan de uitlaat automatisch van toepassing?
In overeenstemming met het transitiekarakter van de activiteiten, en om rekening te houden met de marktontwikkeling van vliegtuigtechnologieën, blijven de TSC’s voor afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen” tot 2032 van toepassing. Tegen die tijd moeten die technische screeningcriteria herzien zijn om ervoor te zorgen dat artikel 10, lid 2, van de taxonomieverordening in overeenstemming is met de technologische ontwikkelingen. Voorts moet het in de TSC’s vastgestelde niveau van gebruik of bijmengen van duurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF) regelmatig worden herzien om rekening te houden met de opkomende SAF-technologieën en de huidige en verwachte toekomstige beschikbaarheid van SAF op de markt.
45. Volgens de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.21 “Fabricage van luchtvaartuigen” moeten luchtvaartuigen van 2028 tot en met eind 2032 gecertificeerd zijn als luchtvaartuigen die vliegen op een mengsel van 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF). Hoe is dit criterium van toepassing als er nog geen officiële certificering is voor 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen (momenteel alleen voor mengsels tot 50 %)?
In 2024 is er nog geen kwaliteitsnorm voor vliegtuigbrandstof die 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen garandeert. Het gebruik van 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen voor commerciële vluchten is daarom momenteel om veiligheidsredenen niet toegestaan. De component duurzame brandstoffen kan voor de meeste trajecten volgens de kwaliteitsnormen voor luchtvaartbrandstoffen (ASTM D7566) (70) met conventionele luchtvaartbrandstoffen worden bijgemengd tot een maximum van 50 %.
Gezien het toegenomen belang van duurzame luchtvaartbrandstoffen en de noodzaak om duurzame luchtvaartbrandstoffen in de toekomst te gebruiken bij een mengverhouding van meer dan 50 %, is de internationale sector in april 2021 bij ASTM International begonnen met een gestandaardiseerde specificatie voor 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen. De definitie van de brandstofnorm vereist dat fabrikanten van originele uitrusting (OEM’s) van casco’s en motoren ervoor zorgen dat de brandstof wereldwijd veilig kan worden gebruikt.
Er is geen overeenstemming over het tijdschema voor de afronding van deze werkzaamheden of over welk ontwikkelingstraject van duurzame luchtvaartbrandstoffen zal worden geselecteerd. Verschillende OEM’s hebben toegezegd om hun vliegtuigen tegen 2030 geschikt te maken voor 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen. Om vooruitgang op dit gebied aan te moedigen, hebben de technische screeningcriteria voor de luchtvaart die in de EU-taxonomie zijn opgenomen, het referentiescenario voor de sector van 2030 vervroegd naar 2028. OEM’s voeren momenteel het nodige onderzoek en de nodige tests uit om de effecten van 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen op vliegtuigactiviteiten en emissies te evalueren. Het waarborgen van de veiligheid bij elke technologische vooruitgang is van het grootste belang in de luchtvaartsector. OEM’s moeten er daarom voor zorgen dat casco’s en straalmotoren volledig compatibel zijn met de toekomstige technische brandstofspecificaties die uitgaan van 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen, zodat vluchten met 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen wereldwijd veilig kunnen worden uitgevoerd. Deze werkzaamheden hangen af van de vooruitgang die nu wordt geboekt met betrekking tot de technische specificatie van 100 % duurzame luchtvaartbrandstoffen in het kader van ASTM International. Hier zijn twee ASTM-taskforces mee bezig: de eerste taskforce werkt aan de uitbreiding van de bestaande kwaliteitsnorm voor vliegtuigen met een straalmotor (jetfuel), ASTM D7566 ( “Standard Specification for Aviation Turbine Fuel Containing Synthesized Hydrocarbons” ), om 100 % duurzame drop-in SAF mogelijk te maken; en de tweede onderzoekt de mogelijkheid van een volledig nieuwe norm voor jetfuel voor 100 % duurzame niet-drop-in SAF zonder aromaat of met een laag aromaatgehalte. De sector moet nog beslissen welke kant hij op wil.
Met deze overwegingen in het achterhoofd moet het niveau van het gebruik of het bijmengen van duurzame luchtvaartbrandstoffen in de TSC’s regelmatig worden herzien om rekening te houden met de opkomende technologieën op het gebied van duurzame luchtvaartbrandstoffen en de huidige en verwachte toekomstige beschikbaarheid van duurzame luchtvaartbrandstoffen op de markt.
Bouw en vastgoed
Afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
46. De toepassing van technische screeningcriteria voor activiteiten in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” en afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” roept de vraag op hoe om te gaan met actualiseringen van TSC’s voor activiteiten die meerdere jaren bestrijken. In het antwoord op FAQ 106 in mededeling C/2023/267 van de Commissie (71) wordt verduidelijkt dat bij de vraag welke technische screeningcriteria op een gegeven moment van toepassing zijn, de bouwaanvraag de bepalende factor is. Geldt dit beginsel ook bij het rapporteren van de omzet?
De bouwaanvraag is het beginpunt van toepassing in de tijd van de TSC’s zoals vastgelegd in de afdelingen 7.1 en 7.2. Indien de TSC’s echter tijdens de bouw of renovatie worden gewijzigd, moeten de gewijzigde TSC’s van toepassing zijn op dergelijke gebouwen en renovaties vanaf het moment dat de gewijzigde TSC’s van toepassing worden. Bij het rapporteren van de omzet-KPI moeten rapporterende ondernemingen de activiteit beoordelen op basis van de TSC’s die van toepassing waren op de activiteiten op het moment dat de omzet wordt gegenereerd (zie de antwoorden op de FAQ’s 106 en 152 in mededeling C/2023/267 van de Commissie).
47. Hoe moet het criterium voor een substantiële bijdrage in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” worden geïnterpreteerd met betrekking tot de vraag naar primaire energie? Moet de vraag naar primaire energie ten minste 10 % lager zijn dan de vastgestelde benchmark? Als bijvoorbeeld de drempel voor bijna-energieneutrale gebouwen (BENG) wordt vastgesteld op 100 kWh/m2, betekent de naleving van de technische screeningcriteria dan dat het primaire energieverbruik van het gebouw tussen 0 en 90 kWh/m2 moet liggen?
Als de BENG-drempel wordt vastgesteld op 100 kWh/m2, dan betekent de naleving van de technische screeningcriteria dat het primaire energieverbruik van het gebouw lager moet zijn dan 90 kWh/m2.
48. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2 van afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen”, luidt als volgt: “Voor gebouwen van meer dan 5 000 m2 wordt het gebouw na voltooiing van de bouw op luchtdichtheid en thermische integriteit getest en over alle afwijkingen van de in de ontwerpfase bepaalde prestatieniveaus of defecten in de bouwschil wordt aan beleggers en klanten informatie verschaft.” Naar welk type oppervlakte moet de exploitant in dit criterium verwijzen (nuttige vloeroppervlakte, verwarmde/gekoelde oppervlakte (vloeroppervlakte met temperatuurregeling) of een andere oppervlakte)?
De drempel van 5 000 m2 die in de criteria voor een substantiële bijdrage voor de bouw van nieuwe gebouwen is vastgesteld, heeft betrekking op de nuttige vloeroppervlakte, zoals gedefinieerd in de EPBD. De EPBD is een richtlijn, dus de omzetting ervan wordt overgelaten aan de lidstaten, waar de nationale wetgeving kan verschillen.
De definitie van de nuttige vloeroppervlakte in de nationale wetgeving tot omzetting van de EPBD is relevant voor de specifieke exploitant. Het EPC, dat verplicht is voor alle nieuwe gebouwen, geeft ook de nationale definitie van de nuttige vloeroppervlakte aan.
49. Het criterium voor een substantiële bijdrage in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” eist dat het gebouw het resultaat is van de bouw, wordt getest op luchtdichtheid en thermische integriteit. Wat is de scope van de controle op luchtdichtheid en thermische integriteit? Moet de luchtdichtheid van het hele gebouw worden gecontroleerd? Moet er een blowerdoortest worden uitgevoerd voor het hele gebouw, of volstaat het om alleen kritieke delen van de bouwschil te testen?
Het doel van dit criterium is de kwaliteit van het hele gebouw te waarborgen. Een luchtdichtheidstest bevestigt dat het gebouw na voltooiing van de werkzaamheden als geheel voldoet aan de criteria. Deze test kan indien nodig in delen worden uitgevoerd, maar deze delen moeten het hele gebouw bestrijken.
Als alternatief maakt het criterium ook het toepassen van kwaliteitscontroleprocessen tijdens de bouw mogelijk. Luchtdichtheidstests voor specifieke zones kunnen deel uitmaken van de instrumenten die worden gebruikt om de luchtdichtheid van het totale gebouw te waarborgen. De kwaliteitscontrole moet echter betrekking hebben op het hele gebouw. Zo kan bijvoorbeeld een luchtdichtheidstest worden gebruikt om bepaalde zones of delen van het gebouw (bv. het ventilatiesysteem) te certificeren, terwijl andere aspecten (bv. ramen en deuren) kunnen worden gecontroleerd door middel van kwaliteitscontroleprocessen. Voor het gebouw als geheel is een algemeen kwaliteitscertificaat vereist.
50. Volstaat voor de DNSH-criteria voor de bescherming en het duurzaam gebruik van water en mariene hulpbronnen in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” een bouwvergunning om de naleving van aanhangsel B te documenteren indien het betrokken land Richtlijn 2000/60/EG heeft omgezet?
De criteria in aanhangsel B willen ervoor zorgen dat het stroomgebiedsdistrict waar de bouwactiviteit plaatsvindt, onder een stroomgebiedsbeheersplan valt waarin de belasting van en effecten op waterlichamen zijn vastgesteld en waarin alle maatregelen zijn opgenomen die nodig zijn om verslechtering van de watertoestand te voorkomen en ervoor te zorgen dat een goede watertoestand of een goed waterpotentieel wordt bereikt, overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG.
Concreet betekent de vermelding dat een bouwplaats aan het DNSH-beginsel voor de bescherming en het duurzame gebruik van water en mariene hulpbronnen voldoet, dat er een passende beoordeling is uitgevoerd van alle mogelijk getroffen waterlichamen en dat ervoor is gezorgd dat er geen significante verslechtering van deze waterlichamen wordt veroorzaakt noch dat wordt verhinderd dat deze waterlichamen een goede toestand/goed potentieel bereiken. Als uit de bouwvergunning blijkt dat de risico’s van een significante verslechtering zijn beoordeeld en aangepakt, zou dat voldoende moeten zijn om aan te tonen dat wordt voldaan aan het DNSH-beginsel voor de bescherming en het duurzaam gebruik van water en mariene hulpbronnen.
51. De DNSH-criteria voor de preventie en bestrijding van verontreiniging in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” vermelden dat de “bij de bouw gebruikte bouwcomponenten en -materialen voldoen aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage”. Hoe worden “bouwcomponenten en -materialen” gedefinieerd? Vallen de machines die zijn gebruikt voor de installatie van bouwcomponenten en -materialen (bv. dakvilt) hier ook onder? Moet er rekening worden gehouden met de bekleding van meubels of witgoed? Of geldt dit alleen voor de bouwschil en de kern van het gebouw?
Het begrip “bouwcomponenten en -materialen” moet worden uitgelegd als “bouwproducten”, zoals gedefinieerd in artikel 3 van de herziene verordening bouwproducten (CPR)): “Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) “bouwproduct”: elk gevormd of vormloos fysiek item – met inbegrip van 3D-geprinte producten – dat of een kit die in de handel wordt gebracht, onder meer door levering op de bouwplaats, om blijvend te worden verwerkt in bouwwerken of delen daarvan, met uitzondering van items die eerst in een kit of ander bouwproduct moeten worden geïntegreerd voordat zij blijvend in bouwwerken worden verwerkt.”
Het belangrijkste element in deze definitie is “blijvend”, wat betekent dat het “bedoeld [is] om na voltooiing van het bouw- of renovatieproces deel te blijven uitmaken van het bouwwerk of delen daarvan”. Meubels, stoffering en witgoed (d.w.z. apparaten zoals koelkasten en wasmachines) vallen daar niet onder. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de bouwschil en de kern van een gebouw, omdat bouwproducten (blijvend) kunnen worden geïnstalleerd tijdens zowel werkzaamheden aan de bouwschil als de kern. Machines die worden gebruikt om bouwproducten te installeren, vallen hier niet onder.
52. Wat wordt voor de DNSH-criteria voor de preventie en bestrijding van verontreiniging in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” bedoeld met “die met gebruikers in contact kunnen komen”? Met welke bouwcomponenten en -elementen moet rekening worden gehouden?
In de voetnoot wordt verwezen naar “[v]erven en vernissen, plafondtegels, vloerbedekking, met inbegrip van de bijbehorende kleefstoffen en hechtmiddelen, binnenisolatie en behandelingen van binnenoppervlakken, bijvoorbeeld tegen vocht en schimmel”. In de praktijk betekent dit elk materiaal dat in contact komt met de binnenlucht en dat een van de genoemde stoffen kan uitstoten.
53. De DNSH-criteria voor de preventie en bestrijding van verontreiniging in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” omvatten het vereiste dat “bij de bouw gebruikte bouwcomponenten en -materialen die met gebruikers in contact kunnen komen, [...] minder dan 0,06 mg formaldehyde per m3 materiaal of component uit[stoten], bij testen onder de voorwaarden die in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn vastgesteld”.
Is Verordening (EU) 2023/1464 tot wijziging van bijlage XVII bij de REACH-verordening en tot invoering van een uitstel van de vereisten met betrekking tot formaldehyde van invloed op het taxonomievereiste voor materialen die minder dan 0,06 mg formaldehyde per m3 materiaal of component uitstoten? Is dit vereiste nog nodig om afstemming aan te tonen of is het uitstel in Verordening (EU) 2023/1464 van toepassing?
Het taxonomievereiste tot vaststelling van emissieniveaus van formaldehyde voor bouwcomponenten en -materialen is een onafhankelijk criterium dat niet afhankelijk is van de datum van toepassing van beperkingen voor het gebruik van stoffen uit de REACH-verordening die formaldehyde vrijgeven. Het enige vereiste is dat de tests moeten worden uitgevoerd volgens de in bijlage XVII bij de REACH-verordening gespecificeerde methode.
Het bij Verordening (EU) 2023/1464 ingevoerde uitstel heeft alleen betrekking op de toepassing van de in de REACH-verordening gespecificeerde beperkingen. Dit uitstel heeft geen gevolgen voor de specifieke onafhankelijke taxonomievereisten en vormt geen beletsel voor de toepassing van de in aanhangsel 14 van bijlage XVII bij de REACH-verordening beschreven meting van de lucht in de testruimte.
54. Zijn de DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen in afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” ook van toepassing op het tijdelijke gebouw of de aanhanger die bouwbedrijven hebben neergezet voor de bouw van een nieuw gebouw? Of worden die als onbeduidend of verwaarloosbaar beschouwd omdat zij gewoonlijk ongeveer 5 % van de totale grondoppervlakte uitmaken?
Criteria a, b en c van de DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen hebben alleen betrekking op de nieuwbouw. Ze zijn niet van toepassing op tijdelijke gebouwen of aanhangers. De naleving van bijlage D in de DNSH-criteria gaat echter over zowel de locaties als de activiteiten (d.w.z. ook tijdelijke gebouwen en de bouw). Dit betekent dat een exploitant die een tijdelijk gebouw/aanhanger in de buurt van of in een biodiversiteitsgevoelig gebied wil plaatsen, overeenkomstig aanhangsel D ook moet beoordelen welke milieueffecten dit kan hebben en passende risicobeperkende maatregelen moet nemen.
55. De DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen in afdeling 7.1, punt b), “Bouw van nieuwe gebouwen” vermelden dat “de nieuwbouw niet is gebouwd op een van de volgende gronden: onbebouwd terrein met erkende hoge biodiversiteitswaarde en land dat dient als habitat voor bedreigde soorten (flora en fauna) die op de Europese rode lijst of de rode lijst van de IUCN zijn opgenomen”. Hoe moet het begrip “onbebouwd terrein” worden uitgelegd?
“Onbebouwd terrein met erkende hoge biodiversiteitswaarde” moet worden opgevat als alle greenfields (terreinen waarop voorheen geen stedelijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden) met een hoge waarde in termen van ecosystemen, habitats en soorten. Dit omvat niet alleen gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van zeldzame of bedreigde soorten, maar ook bijvoorbeeld nationaal en internationaal beschermde gebieden en andere gebieden met een hoge biodiversiteit (bv. UNESCO-werelderfgoedlocaties en Key Biodiversity Areas (KBA’s)). De in afdeling 7.1 vermelde DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen verwijzen derhalve afzonderlijk naar “onbebouwd terrein met erkende hoge biodiversiteitswaarde”, enerzijds, en naar de Europese rode lijst of de rode lijst van de IUCN, anderzijds.
Afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
56. Kan de renovatie van een gebouw voor eigen gebruik meetellen voor afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen”?
De EU-taxonomie maakt geen onderscheid tussen de verschillende vormen van gebruik (al dan niet eigen gebruik) van een te renoveren gebouw. De renovatie van een gebouw voor eigen gebruik moet daarom worden meegeteld in afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” (zie ook het antwoord op FAQ 147 in mededeling C/2023/267 van de Commissie).
57. Valt de uitbreiding van een bestaand gebouw onder afdeling 7.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” of onder afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen”? Zijn er bepaalde voorwaarden die van invloed zijn op de scope/de definitie van de activiteit (nieuwbouw versus renovatie)?
De indeling van een uitbreiding van een bestaand gebouw wordt beïnvloed door de grootte (bv. in m2 nuttige vloeroppervlakte) van de uitbreiding. Voor uitbreidingen waarvoor een bouwvergunning vereist is, moeten de nationale bouwvoorschriften worden toegepast om de uitbreiding aan te merken als een activiteit in de zin van afdeling 7.1 of van afdeling 7.2.
58. De voetnoot bij de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” luidt als volgt: “De verbetering van 30 % is het resultaat van een feitelijke daling van de vraag naar primaire energie (waarbij geen rekening wordt gehouden met de vermindering van de nettovraag naar primaire energie ten gevolge van hernieuwbare energiebronnen) en kan worden bereikt door middel van een reeks maatregelen binnen maximaal drie jaar.” Wat moet worden beschouwd als het beginpunt van deze periode: de eerste renovatiewerkzaamheden, de begindatum van de financiering van de renovatiewerkzaamheden of een andere datum?
Het criterium maakt aanpassing aan verschillende situaties mogelijk, maar de toepassing ervan moet consistent zijn. De vergelijking moet bijvoorbeeld worden gemaakt tussen i) het einde van de eerste stap en ii) de tweede (of laatste) stap in de renovatie die leidt tot 30 % energiebesparing. Er mag geen vergelijking worden gemaakt tussen i) het einde van de eerste stap en ii) de beginfasen van de tweede stap.
59. Hoe kan een project in afdeling 7.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” in termen van energiereductie worden geëvalueerd door middel van de gespecificeerde methode om de waarde van de primaire vraag naar energie vóór en na de renovatie van het energieprestatiecertificaat te vergelijken, als de categorie van het gebouw tijdens de renovatie wordt gewijzigd (bv. als een hotel wordt verbouwd tot kantoor)?
In dat geval zou voor vergelijkingsdoeleinden een fictief EPC voor de toestand “vóór renovatie” kunnen worden gebruikt. Dit fictieve EPC “vóór renovatie” zou het gebouw voorstellen alsof het vóór de renovatie een kantoor was.
In het gegeven voorbeeld wordt een hotel verbouwd tot kantoor. Na de renovatie is er een EPC “na renovatie”. Voor de status “vóór renovatie” kan een deskundige een fictief EPC “vóór renovatie” opmaken op basis van de technische elementen van het gebouw toen het een hotel was, waarbij het gebruik ervan wordt aangepast. Dit kan bijvoorbeeld de aanpassing van bepaalde parameters vereisen (bv. bezetting, gebruik van warm water voor huishoudelijk gebruik en openingstijden).
Afdeling 7.6 “Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
60. In FAQ 139 van mededeling C/2023/267 van de Commissie wordt gezegd dat afdeling 7.6 “Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie” betrekking heeft op de installatie-, onderhouds- en reparatieactiviteiten die worden uitgevoerd op ter plaatse geïnstalleerde windturbines als technische bouwsystemen, maar er wordt ook gezegd dat afdeling 4.3 “Elektriciteitsopwekking uit windenergie” de bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking omvat die in alle andere situaties elektriciteit uit windenergie produceren. Is “bouw” het equivalent van “installatie” en is “exploitatie” het equivalent van “onderhoud” en “reparatie”?
Het verschil in de terminologie die in afdelingen 7.6 en 4.3 wordt gebruikt, vloeit voort uit de verschillen in schaal van de projecten die onder deze twee afdelingen vallen. De term “installatie” is een relevante term voor kleinere hernieuwbare energiebronnen die aan een gebouw zijn gekoppeld en die bedoeld zijn om elektriciteit te leveren die hoofdzakelijk door dat gebouw wordt gebruikt (zoals het geval is in afdeling 7.6 “Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie”). De activiteit in afdeling 7.6 betreft niet de productie of exploitatie van de hernieuwbare energiebron.
De term “bouw” heeft betrekking op grootschalige, commerciële, opzichzelfstaande installaties voor hernieuwbare energie, zoals het geval is in afdeling 4.3 “Elektriciteitsopwekking uit windenergie”, waar de elektriciteit bestemd is voor commercieel gebruik of commerciële verkoop.
Evenzo wordt de term “exploitatie” gebruikt voor een grotere installatie voor hernieuwbare energie, waar het beheer doorgaans meer een commerciële activiteit is dan in een individuele bouwcontext. De term “exploitatie” omvat “onderhoud en reparatie”, maar kan ook andere activiteiten in verband met het beheer van windturbines omvatten.
61. Valt de aanschaf van de specifieke “maatregel” als bedoeld in de afdelingen 7.3 “Installatie, onderhoud en reparatie van energie-efficiënte uitrusting” tot en met 7.6 “Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie” binnen de scope van de activiteiten?
Exploitanten moeten boekhoudregels volgen om te bepalen of zij in de afdelingen 7.3 tot en met 7.6 bedoelde uitgaven voor installatie-, onderhouds- en reparatiediensten als CapEx of als OpEx rapporteren.
De uitgaven voor de aanschaf van de respectieve producten en uitrusting, waarop de activiteiten op het gebied van installatie-, onderhouds- en reparatiediensten in de afdelingen 7.3 tot en met 7.6 betrekking hebben, moeten worden beoordeeld aan de hand van de respectieve criteria voor de vervaardiging van die producten en uitrusting:
|
— |
uitgaven voor de aanschaf van energie-efficiëntieapparatuur voor gebouwen of instrumenten en apparaten voor het meten, regelen en controleren van de energieprestaties van gebouwen moeten worden beoordeeld aan de hand van de respectieve criteria in afdeling 3.5 “Fabricage van energie-efficiënte apparatuur voor gebouwen”; |
|
— |
uitgaven voor technologieën op het gebied van hernieuwbare energie moeten worden beoordeeld aan de hand van de respectieve criteria in afdeling 3.1 “Fabricage van technologieën voor hernieuwbare energie”; |
|
— |
uitgaven voor de aanschaf van oplaadpunten voor elektrische voertuigen in gebouwen (en aan gebouwen verbonden parkeerplaatsen) moeten worden beoordeeld aan de hand van de respectieve criteria in afdeling 3.20 “De fabricage, de installatie en het onderhoud van hoog-, middel- en laagspanningsapparatuur voor elektriciteitstransmissie en -distributie die leidt tot, of een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering”. |
Afdeling 7.7 “Verwerving en eigendom van gebouwen” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
62. Hoe moet de “operationele vraag naar primaire energie” worden gedefinieerd, waarvan sprake in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 7.7 “Verwerving en eigendom van gebouwen”? De definitie in het antwoord op FAQ 153 in mededeling C/2023/267 van de Commissie is verwarrend, omdat daarin de juridische definitie van de vraag naar primaire energie wordt aangehaald zonder uit te leggen wat “operationeel” in die context betekent.
“Operationeel” betekent dat het gaat om de fase waarin het gebouw “in gebruik” is (d.w.z. de bouwfase van het gebouw en de resulterende ingebedde energie worden niet in aanmerking genomen).
De richtlijn energieprestatie in gebouwen (EPBD) van 2018 eiste een indicator voor primair energieverbruik, maar dit zou kunnen worden geïnterpreteerd als energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen. Voorlopig kan dit dus eender welke indicator zijn die de lidstaat gebruikt in zijn nationale berekeningsmethode voor energieprestatiecertificaten (EPC’s) en voor de minimumeisen inzake energieprestaties. De EPBD van 2024 maakt duidelijk dat het gaat om het totale primaire energieverbruik (van zowel voor bewoning als niet voor bewoning bestemde gebouwen). Dit zal verplicht worden vanaf de omzettingsdatum van de EPBD van 2024 (voor EPC’s en voor de minimumeisen inzake energieprestaties).
63. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 3 van afdeling 7.7 “Verwerving en eigendom van gebouwen” luidt: “Wanneer het gebouw een groot niet voor bewoning bestemd gebouw is (waarvan de verwarmingssystemen, gecombineerde ruimteverwarmings- en ventilatiesystemen, airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen een nominaal vermogen hebben van meer dan 290 kW), wordt het efficiënt beheerd door middel van monitoring en beoordeling van de energieprestaties.”
|
— |
Wat voor soort vermogen wordt hier bedoeld: het verwarmings-/koelvermogen of het elektrisch vermogen van apparaten? |
|
— |
Wat het verwarmings- en koelvermogen betreft, bepaalde HVAC-apparaten (bv. warmtepompen) kunnen zowel verwarmen als koelen, afhankelijk van hun bedieningswijze. Moet bij de controle of het vermogen meer dan 290 kW bedraagt, worden gerekend met: i) alleen het verwarmingsvermogen; ii) alleen het koelvermogen; of iii) de som van zowel het verwarmings- als het koelvermogen? |
Het nominaal vermogen verwijst naar de output van de warmtegenerator (bv. een ketel of een warmtepomp) in een verwarmingssysteem. Als het ventilatiesysteem een eigen afzonderlijke warmtegenerator heeft, wordt de output toegevoegd aan die van het verwarmingssysteem. Als de totale som meer dan 290 kW bedraagt, is het criterium van toepassing.
Hetzelfde geldt voor koelsystemen, waarbij in plaats daarvan de output van de koelgenerator (bv. een chiller of een warmtepomp) in aanmerking wordt genomen. Als er een aparte koelgenerator is aangesloten op het ventilatiesysteem, moet deze ook worden meegenomen. Als de totale som meer dan 290 kW bedraagt, zijn de criteria van toepassing.
Verwarming en koeling worden afzonderlijk beschouwd. In het geval van een warmtepomp telt het verwarmingsvermogen mee voor de verwarmingslimiet, terwijl het koelvermogen meetelt voor de koelingslimiet van 290 kW.
In alle gevallen is het altijd de verwarmings- of koeloutput die in aanmerking wordt genomen. In het geval van een warmtepomp of een chiller zal bijvoorbeeld rekening moeten worden gehouden met de calorische output (dus niet met de elektrische input).
Informatie en communicatie
Afdeling 8.1 “Gegevensverwerking, hosting en bijbehorende activiteiten” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
64. Heeft afdeling 8.1 “Gegevensverwerking, hosting en bijbehorende activiteiten” alleen betrekking op in-house datacenters of ook op colocatieactiviteiten die worden gehost bij derden (waaronder hyperscalers)?
Dit geldt voor alle soorten datacenters, inclusief colocatie datacenters.
65. Welke relevante praktijken of verwachte praktijken in de EU-gedragscode inzake energie-efficiëntie in datacenters of in CEN-CENELEC-document CLC TR50600-99-1 moeten worden toegepast om te kunnen spreken van afstemming op de criteria voor een substantiële bijdrage van afdeling 8.1 “Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten”?
De relevante praktijken die in het kader van afdeling 8.1 van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat moeten worden toegepast, zijn te vinden in het beoordelingsraamwerk voor datacenters: Assessment Framework for Data Centres in the Context of Activity 8.1 in the Taxonomy Climate Delegated Act | E3P (europa.eu).
Afdeling 8.2 “Gegevensgestuurde oplossingen voor broeikasgasemissiereducties” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
66. Vallen digitale oplossingen waarbij wordt gebruikgemaakt van ruimtedata en/of ruimtediensten onder afdeling 8.2 “Gegevensgestuurde oplossingen voor broeikasgasemissiereducties”?
Digitale en ICT-oplossingen die gebruikmaken van in de ruimte gestationeerde data en diensten, vallen onder deze activiteit.
67. In de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 8.2 “Gegevensgestuurde oplossingen voor broeikasgasemissiereducties” staat dat “[i]ndien al een alternatieve oplossing/technologie op de markt beschikbaar is, [...] de ICT-oplossing aantoonbaar [zorgt] voor aanzienlijke broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus ten opzichte van de best presterende alternatieve oplossing/technologie”. Hoe moet “aanzienlijk” worden gekwantificeerd en hoe moet dit worden vergeleken met de best presterende alternatieve oplossing die op de markt beschikbaar is?
Zoals aangegeven in FAQ 42 van mededeling C/2023/267 van de Commissie, voor een soortgelijke vraag met betrekking tot afdeling 3.6, laat de toepassing van het vereiste enige ruimte voor flexibiliteit. Het criterium voor “aanzienlijke broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus ten opzichte van de best presterende alternatieve oplossing/technologie” impliceert geen gemeenschappelijk prestatieniveau.
Exploitanten van de activiteit moeten verantwoorden of en hoe hun technologie substantiële broeikasgasemissiereducties kan bereiken ten opzichte van andere concurrerende technologieën. Daarbij moeten zij ervoor zorgen dat hun beoordeling strookt met geloofwaardige, beschikbare externe informatiebronnen over het potentieel van de technologie om bij te dragen tot het koolstofvrij maken van de economie. Ondernemingen moeten dit element ook aantonen ten behoeve van de door de TSC’s vereiste controle door een derde partij en (met name onder artikel 8 van de taxonomieverordening vallende ondernemingen) moeten zij alle relevante informatie bekendmaken als onderdeel van hun niet-financiële verklaring. Exploitanten kunnen het prestatieniveau van een digitale oplossing beoordelen met behulp van de Net-Carbon Impact Assessment Methodology.
68. Welke ondernemingen moeten rapporteren op grond van afdeling 8.2 “Gegevensgestuurde oplossingen voor broeikasgasemissiereducties”?
Elke financiële of niet-financiële onderneming die in digitalisering investeert, moet op grond van afdeling 8.2 rapporteren wanneer de ICT-oplossingen waarin zij heeft geïnvesteerd en die zij heeft uitgevoerd, broeikasgasreductie mogelijk maken.
Afdeling 8.2 is gericht op specifieke digitale oplossingen die worden ontwikkeld of uitgevoerd om de BKG-emissies te verminderen. Dergelijke oplossingen kunnen een innovatieve combinatie zijn van digitale netwerken en technologieën en toepassingen zoals 5G, het internet der dingen, artificiële intelligentie (AI) en blockchain.
De rapportage in het kader van deze activiteit wordt voornamelijk uitgevoerd door de ontwikkelaars van deze deel- of totaaloplossingen (bv. exploitanten en aanbieders van ICT-oplossingen), maar de rapportage moet ook aan de gebruikerszijde worden weerspiegeld als groene investering. Zoals de energiesector bijvoorbeeld heeft opgemerkt, is digitalisering de sleutel tot de integratie van energie-efficiëntie in de energiesector. Dit betekent dat elke digitaliseringsoplossing die wordt toegepast om energie-efficiëntie te bevorderen en die gebaseerd is op een van de in afdeling 8.2 genoemde technologieën, of een combinatie daarvan, en andere technologieën die niet specifiek worden vermeld, in afdeling 8.2 moet worden gerapporteerd. Hetzelfde geldt voor elke sector waar digitalisering bijdraagt tot betere milieuprestaties.
AFDELING III VRAGEN OVER DE DOELSTELLING KLIMAATADAPTATIE (BIJLAGE II BIJ DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING KLIMAAT)
Energie
Afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
69. De DNSH-criteria voor klimaatmitigatie in afdeling 4.9 “Transmissie en distributie van elektriciteit” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat bepalen dat “[d]e infrastructuur [...] niet bestemd [is] voor het creëren van een rechtstreekse verbinding, of het uitbreiden van een bestaande rechtstreekse verbinding, met een elektriciteitsproductie-installatie waar de directe broeikasgasemissies hoger liggen dan 270 g CO2e/kWh”. In de criteria voor een substantiële bijdrage aan de klimaatmitigatie van dezelfde activiteit in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat staat echter dat “[i]nfrastructuur die is bestemd voor het creëren van een directe verbinding of de uitbreiding van een bestaande verbinding tussen een onderstation of netwerk en een elektriciteitsproductie-installatie die broeikasgasintensiever is dan 100 g CO2e/kWh, gemeten op basis van de levenscyclus, [niet] voldoet [...]”. Waarom was de verwijzing naar de “verbinding tussen een onderstation of netwerk en een elektriciteitsproductie-installatie” niet opgenomen in de DNSH-criteria?
De verwijzing naar “verbinding tussen een onderstation of netwerk en een elektriciteitsproductie-installatie” is opgenomen in de criteria voor een substantiële bijdrage aan de klimaatmitigatie in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat. Omgekeerd wordt in de DNSH-criteria voor de klimaatmitigatie van dezelfde activiteit in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat geen melding gemaakt van de verbinding met een onderstation.
Bij de vaststelling van de DNSH-criteria heeft de Commissie rekening gehouden met de lopende transitie van transmissie- en distributiesystemen die meetellen bij indirecte aansluitingen op elektriciteitsproductie-installaties waar de directe broeikasgasemissies de drempel overschrijden. Het is mogelijk om aan de DNSH-criteria te voldoen zonder aansluitingen op bepaalde elektriciteitscentrales uit te sluiten, omdat de focus moet liggen op het totale emissieniveau van het systeem. Het ambitieniveau voor een substantiële bijdrage is hoger dan dat van de DNSH-criteria.
De DNSH-criteria voor de exploitatie van bestaande energie-infrastructuur zijn niet zo streng als die voor nieuwe installaties, omdat systeembeheerders afhankelijk zijn van de bestaande infrastructuur en niet van hen kan worden verwacht dat zij bestaande activa afkoppelen. Bij het beoordelen van de vraag of het distributie- en transmissienet voldoet, moet worden gekeken naar de totale energiemix.
Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering
Afdeling 5.13 “Ontzilting” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
70. Hoe moet de waarde van de broeikasgasemissies van de ontziltingsinstallatie per m3 geproduceerd zoet water worden berekend met het oog op de naleving van de DNSH-criteria voor klimaatmitigatie in afdeling 5.13 “Ontzilting”? Moeten de energie-intensiteit van het hele ontziltingsproces en de directe BKG-emissies van de energietoevoercomponent in aanmerking worden genomen? Omvat de broeikasgasintensiteit van de opgewekte elektriciteit de geproduceerde of geleverde energie?
De verhouding van de BKG-emissies van de ontziltingsinstallatie per m3 geproduceerd zoet water wordt berekend als de verhouding van:
|
— |
in de teller: de totale directe BKG-emissies van de gebruikte energie, ongeacht of deze tijdens de rapportageperiode tijdens het gehele ontziltingsproces door de installatie wordt geproduceerd of daaraan geleverd (als bedoeld in de beschrijving van de activiteit); en |
|
— |
in de noemer: het totale volume zoet water (in m3) dat tijdens de rapportageperiode is geproduceerd. |
De teller moet worden berekend door de hoeveelheid energie die tijdens het volledige ontziltingsproces wordt gebruikt, te vermenigvuldigen met de overeenkomstige directe BKG-emissies van de gebruikte energie. Indien de bij de ontziltingsprocessen gebruikte energie afkomstig is van bronnen of oorsprongen met verschillende directe BKG-emissies, moet de berekening voor elke bron of oorsprong van energie worden uitgevoerd (d.w.z. de respectieve hoeveelheden energie die uit elke bron of oorsprong van energie worden gebruikt, moeten worden vermenigvuldigd met de overeenkomstige directe BKG-emissies van de energie uit die bron of oorsprong).
71. Omvat in afdeling 5.13 “Ontzilting” de broeikasgasintensiteit van elektriciteit alleen de elektriciteit die in het energienet wordt gebruikt, of omvat deze ook de elektriciteit die door huishoudens wordt gebruikt?
De intensiteitswaarde van de broeikasgasemissies op het niveau van de installatie wordt berekend voor het energieverbruik van het hele ontziltingsproces, met inbegrip van nevenbehandelingen, pompen en het lozen van het brijnwater. Dit omvat echter niet de energie die wordt gebruikt voor de distributie van het geproduceerde zoet water of de energie die wordt gebruikt door eindgebruikers (met inbegrip van huishoudens).
Vervoer
Afdeling 6.15 “Infrastructuur voor wegvervoer en openbaar vervoer” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
72. Het DNSH-criterium voor klimaatmitigatie in afdeling 6.15 “Infrastructuur voor wegvervoer en openbaar vervoer” is dat “[d]e infrastructuur [...] niet [is] bestemd voor vervoer of opslag van fossiele brandstoffen”. Hoe kunnen leveranciers van apparatuur aan dit criterium voldoen, aangezien zij niet bepalen welk type vervoer en/of opslag door de infrastructuur zal worden gebruikt?
De in afdeling 6.15 beschreven activiteit heeft betrekking op het bouwen, moderniseren, onderhouden en exploiteren van verschillende soorten infrastructuur voor wegvervoer en openbaar vervoer. Dit betekent dat de fabrikanten van apparatuur die voor deze activiteit wordt gebruikt, niet onder deze activiteit vallen.
Rampenrisicobeheer
Afdeling 14.1 “Hulpdiensten” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat
73. De paraatheid voor en de respons op olielekken komen in aanmerking op grond van afdeling 14.1 “Hulpdiensten” (punt e) van de beschrijving van de activiteit). Komt de verkoop van de apparatuur die wordt gebruikt bij het opruimen en voorkomen van lekken in aanmerking voor toepassing van afdeling 14.1?
Zoals uiteengezet in punt 2, d), van de beschrijving, omvat de economische activiteit in afdeling 14.1 “Hulpdiensten” “de aankoop, de opslag, de opwaardering en het onderhoud van het materiaal, inclusief delen van modules als onderdeel van civielebeschermingsbijstand om de onmiddellijke gevolgen van een ramp te mitigeren”.
Dit betekent dat de omzet, CapEx of OpEx van een onderneming die de apparatuur gebruikt om lekken op te ruimen en/of te voorkomen, weliswaar onder afdeling 14.1 valt, maar dat de onderneming die de apparatuur vervaardigt en verkoopt en er inkomsten mee genereert, niet onder deze activiteit valt.
AFDELING IV VRAGEN OVER DE DOELSTELLING VAN WATER EN MARIENE HULPBRONNEN (BIJLAGE I BIJ DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING MILIEU)
Algemeen
74. In hoeverre hebben de activiteiten op het gebied van afvalbeheer ook betrekking op interne activiteiten (bv. scheiding van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen op de locatie voor overdracht)?
De activiteiten op het gebied van afvalbeheer hebben betrekking op interne activiteiten, waaronder de scheiding van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen ter plaatse. Zij hebben geen betrekking op de verwijdering van afvalstoffen.
Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering
Afdeling 2.1 “Distributie van water” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu
75. Wat is het verschil tussen afdeling 2.1 “Distributie van water” in bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en de afdelingen 5.1 “Bouw, uitbreiding en exploitatie van systemen voor winning, behandeling en distributie van water” en 5.2 “Vernieuwing van systemen voor winning, behandeling en distributie van water” in de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat?
Hoewel er overlappingen zijn in de beschrijving van de activiteit, gaat het bij afdeling 2.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu om activiteiten die substantieel bijdragen aan het duurzame gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, terwijl het bij de afdelingen 5.1 en 5.2 van de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat gaat om activiteiten die substantieel bijdragen aan de klimaatmitigatie of -adaptatie. Bijgevolg zijn met name de TSC’s voor een substantiële bijdrage verschillend.
Afdeling 2.1 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu betreft de “[b]ouw, uitbreiding, exploitatie en vernieuwing van systemen voor winning, behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water op basis van de onttrekking van water uit oppervlakte- of grondwaterbronnen”. Dit komt overeen met twee afzonderlijke activiteiten met betrekking tot drinkwatervoorzieningssystemen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat: afdeling 5.1 heeft betrekking op de bouw, exploitatie en uitbreiding van systemen en afdeling 5.2 op de vernieuwing van bestaande drinkwatervoorzieningssystemen.
76. Kan in gevallen waarin alleen apparatuur voor de distributie van water wordt geleverd en het bedrijf niet betrokken is bij de exploitatie van de eenheden, alleen de verkoop van apparatuur zonder exploitatie als in aanmerking komend worden beschouwd op grond van afdeling 2.1 “Distributie van water”?
De activiteit in afdeling 2.1 “Distributie van water” van de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu heeft betrekking op de bouw, uitbreiding, exploitatie en vernieuwing van systemen voor winning, behandeling en distributie van water, met inbegrip van de onttrekking, behandeling en distributie van water. Het is niet van toepassing op de productie van apparatuur voor de distributie van water. Bepaalde soorten apparatuur vallen onder afdeling 1.1 “Vervaardiging, installatie en bijbehorende diensten voor lekkagecontroletechnologieën ter vermindering en voorkoming van lekkage in waterleidingssystemen”.
AFDELING V VRAGEN OVER DE DOELSTELLING VAN DE TRANSITIE NAAR EEN CIRCULAIRE ECONOMIE (BIJLAGE II BIJ DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING MILIEU)
Fabricage
Afdeling 1.1 “Vervaardiging van verpakkingsmateriaal van kunststof” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
77. Komt verpakkingsmateriaal van kunststof van gemengd materiaal (bv. kunststof en karton, zoals Tetra Pak) in aanmerking op grond van afdeling 1.1 “Vervaardiging van verpakkingsmateriaal van kunststof”?
De voorschriften van deze afdeling hebben betrekking op activiteiten die vallen onder de NACE-code C22.22 – en dus op artikelen van kunststof. Onder deze activiteit vallen de volgende illustratieve formaten van verpakkingsmateriaal van kunststof: plastic draagtassen, zakken, containers, dozen, kratten, mandflessen en flessen. Met betrekking tot verpakkingsmateriaal dat uit meerdere materialen bestaat, is de benadering van het hoofdmateriaal van toepassing, wat betekent dat verpakkingsmateriaal van kunststof van gemengd materiaal waarvan het grootste deel (in gewicht) uit kunststof bestaat, onder afdeling 1.1 valt, maar dat verpakkingsmateriaal dat niet voor het grootste deel uit kunststof is vervaardigd (bv. papieren drinkpakken of -bekers), niet onder het toepassingsbereik valt.
78. Vallen alleen de eindproducten onder afdeling 1.1 “Vervaardiging van verpakkingsmateriaal van kunststof”? Of ook de kunststofonderdelen van verpakkingsmateriaal?
De vereisten in afdeling 1.1 van bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu hebben betrekking op de productieactiviteit met NACE-code C22.22. Deze code heeft betrekking op eindproducten of halffabricaten, afhankelijk van de activiteiten die door de ondernemingen worden uitgevoerd. De NACE-subcategorie C22.22.9 heeft bijvoorbeeld betrekking op uitbestede bewerkingen als onderdeel van de vervaardiging van verpakkingsmateriaal van kunststof. In dit geval hebben de vereisten van afdeling 1.1 betrekking op halffabricaten.
Kunststofonderdelen kunnen in aanmerking komen uit hoofde van afdeling 3.17 “Vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm” in de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat.
Afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
79. Welke soorten elektrische en elektronische apparatuur (EEA) komen in aanmerking op grond van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur”? Vallen alle soorten elektrische apparatuur binnen de scope? Kunnen componenten voor apparatuur (bv. kabels) als apparatuur worden beschouwd?
Alle elektrische en elektronische apparatuur (EEA) valt binnen de scope van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu. Een en ander omvat ook componenten zoals kabels of reserveonderdelen. Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur, definieert elektrische en elektronische apparatuur als volgt: “apparaten die afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden om naar behoren te kunnen werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden en bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom”. Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (de AEEA-richtlijn) heeft ook betrekking op componenten die, wanneer ze worden gemonteerd, een stuk EEA in staat stellen naar behoren te werken. Zoals aangegeven in de beschrijving van de activiteit, omvat dit niet de vervaardiging van andere categorieën batterijen dan oplaadbare en niet-oplaadbare draagbare batterijen.
80. Hoe moeten exploitanten rapporteren over de op de taxonomie afgestemde omzet in het kader van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” indien de elektrische en elektronische apparatuur (EEA) niet afzonderlijk wordt gewaardeerd of afzonderlijk wordt verkocht, maar wordt verkocht als onderdeel van een algemene dienst (met inbegrip van software, installatie en andere diensten)? Kunnen de inkomsten van het totale project worden gerapporteerd als op de taxonomie afgestemd?
Wanneer EEA wordt verkocht als onderdeel van een breder project, moet de exploitant beoordelen welke elementen/componenten van het project voldoen aan de TSC’s. Alleen de inkomsten uit elementen die aan deze criteria voldoen, kunnen als op de taxonomie afgestemd worden gerapporteerd.
81. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2.4.1 van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” bepaalt dat “[i]nformatie over de omgang met het product aan het einde van de levensduur [...] voor het publiek beschikbaar [is] gedurende de levensduur van het product”. Om welke informatie gaat het specifiek? Geldt dit ook voor producten die geen consumentenproducten zijn?
Het gaat hier om de informatie die vereist is op grond van Richtlijn 2012/19/EU, waaronder informatie over hoe het product moet worden verwijderd, hoe het product moet worden voorbereid voor hergebruik en hoe het productafval moet worden verwerkt (met inbegrip van recycling). De informatieplicht geldt voor alle producten (ook voor niet voor consumenten bestemde producten).
82. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2.6 van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” omvat vereisten inzake proactieve vervanging van gevaarlijke stoffen. Welk bewijs moet worden overgelegd om de proactieve vervanging van gevaarlijke stoffen aan te tonen?
Wat concreet bewijs voor een proactieve vervanging van gevaarlijke stoffen is, hangt af van de individuele toepassing. Dit betekent dat er geen uitputtende lijst kan worden voorgeschreven. In het algemeen kan het bewijsmateriaal worden samengebracht in technische documentatie, volgens de geldende normen. Onder andere testrapporten fungeren als zinvol bewijs dat gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur zijn vervangen. Het bewijsmateriaal moet het volgende omvatten:
|
— |
informatie over de vervangen stoffen en hun specifieke toepassingen. Als er krachtens Richtlijn 2011/65/EU (“RoHS-richtlijn”) beperkingen gelden voor een stof, maar deze tijdelijk is toegestaan, moet de informatie verwijzen naar de criteria van artikel 5, lid 1, punt a), en beschrijven waarom een vervanging gerechtvaardigd is; |
|
— |
een vervangingsplan dat is opgesteld en voorstellen voor maatregelen omvat om mogelijke alternatieven te ontwikkelen, te verzoeken om de ontwikkeling daarvan en/of om alternatieven toe te passen, alsmede een tijdpad voor dergelijke maatregelen; |
|
— |
een analyse van de alternatieve stof, het alternatieve materiaal of de alternatieve component op basis van een levenscyclusanalyse, met informatie over de mogelijke voorbereiding voor hergebruik of recycling van materialen uit afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, en over de betrokken bepalingen met betrekking tot de geschikte afvalverwerking. Daarnaast moet bij de beoordeling rekening worden gehouden met de veiligheid, beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de alternatieven en, in voorkomend geval, met significante sociaal-economische gevolgen van de vervanging. |
83. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2.6.6 van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” verwijst naar de term “fluorgas”. Komt dit overeen met het chemische element F of met het F2-molecuul?
Fluor als gas is alleen stabiel als het F2-molecuul. Wanneer in de verordening sprake is van fluorgas, gat het dus om F2-moleculen – en niet om het element F.
84. Overeenkomstig artikel 57 van de batterijenverordening kunnen producenten een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid aanwijzen om namens hen aan de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te voldoen. Is dit proces in overeenstemming met de criteria voor een substantiële bijdrage in punt 2.7.2 van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur”?
Voor draagbare batterijen voert de producent in alle lidstaten waar het product in de handel wordt gebracht, systemen voor de terugname en inzameling van afgedankte draagbare batterijen in, inclusief inzamelpunten. Overeenkomstig artikel 57 van de batterijenverordening kan aan deze verplichting ook worden voldaan door een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid aan te wijzen.
85. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2.2.1 van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” verwijst naar de “hoogste bevolkte repareerbaarheidsklasse”. Waarmee komen deze klassen overeen: gewoon niveau A, niveau A-B-C of 8-10 van de 10?
Het doel van dit vereiste is exploitanten ertoe aan te zetten zich te richten op de twee hoogste energieklassen, tenzij deze niet significant bevolkt zijn.
Dit vereiste is alleen van toepassing als overeenkomstig EU-wetgeving een productspecifiek scoresysteem voor reparaties is vastgesteld, zoals dat het geval is voor smartphones en slatetablets krachtens Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1669 van de Commissie (72).
86. Overeenkomstig de richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (de AEEA-richtlijn) moet de informatie over de omgang met producten aan het einde van de levensduur alleen voor consumentenproducten publiek beschikbaar zijn – en niet voor B2B-producten. Is het vereiste van “voor het publiek beschikbaar” als bedoeld in het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2.4.1 van afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” ook van toepassing op B2B-producten?
Volgens de AEEA-richtlijn moeten de inzamelpunten van door particuliere huishoudens afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (EEA) (consumentenproducten) openbaar zijn, zodat consumenten dit soort afval ten minste kosteloos kunnen inleveren. De lidstaten moeten zorgen voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de noodzakelijke inzamelpunten, met name rekening houdende met de bevolkingsdichtheid.
Afval van EEA die waarschijnlijk zowel door particuliere huishoudens als door andere gebruikers dan particuliere huishoudens wordt gebruikt, wordt hoe dan ook als AEEA van particuliere huishoudens aangemerkt. De verplichting om openbare inzamelingspunten te hebben, is derhalve van toepassing.
In het geval van AEEA andere dan AEEA van particuliere huishoudens (B2B-producten) is er echter geen verplichting voor openbare inzamelpunten. Voor afval van B2B-producten moeten de producenten daarvan, of namens hen optredende derden, zorgen voor de inzameling van dat soort afval.
87. Overeenkomstig de REACH-verordening mogen bedrijven stoffen van bijlage XIV blijven gebruiken na een positief autorisatiebesluit van de Commissie. Zijn de toegelaten stoffen ook niet toegestaan in producten die onder afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” vallen?
De bepalingen voor toelating krachtens de REACH-verordening (titel VIII) hebben betrekking op het in de handel brengen of het gebruik van een stof door een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker. Het toevoegen van stoffen aan voorwerpen (producten) valt onder die bepalingen; de aanwezigheid van stoffen in voorwerpen valt buiten dat toepassingsbereik. Het in de handel brengen of het gebruik van een voorwerp dat een stof van bijlage XIV bevat, is derhalve niet onderworpen aan de toelatingsverplichting. In het kader van de beoordeling van de vraag of een economische activiteit is afgestemd op de taxonomie overeenkomstig afdeling 1.2 “Vervaardiging van elektrische en elektronische apparatuur” is het in de handel brengen of het gebruik van een voorwerp dat een stof van bijlage XIV bevat, niet toegestaan voor economische activiteiten die verwijzen naar aanhangsel C, tenzij de exploitanten hebben beoordeeld en gedocumenteerd dat er geen andere geschikte alternatieve stoffen of technologieën op de markt beschikbaar zijn en dat zij onder gecontroleerde omstandigheden worden gebruikt.
Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering
Afdeling 2.3 “Inzameling en vervoer van ongevaarlijk en gevaarlijk afval” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
88. Behoren plastics, metaal en verpakkingsafval voor afdeling 2.3 “Inzameling en vervoer van ongevaarlijk en gevaarlijk afval” niet tot de materialen die afzonderlijk moeten worden ingezameld?
Punt 2, eerste streepje, van de criteria voor een substantiële bijdrage specificeert de afvalstoffen die gescheiden moeten worden ingezameld.
Plastics, metalen en verpakkingsafval behoren tot de overige fracties van afval, als bedoeld in punt 2, tweede streepje. Overeenkomstig punt 2, tweede streepje, kunnen afvalsoorten die niet specifiek in het eerste streepje worden genoemd, worden gemengd, wanneer de kaderrichtlijn afvalstoffen een dergelijke menging toestaat.
Op grond van de kaderrichtlijn afvalstoffen kunnen de lidstaten onder bepaalde voorwaarden afwijken van de verplichting om bepaalde materialen gescheiden in te zamelen. Overeenkomstig deze mogelijke afwijking worden plastics en metalen in sommige lidstaten samen ingezameld. Een dergelijke inzameling van kunststoffen en metalen in een gemengde fractie valt onder de activiteit in afdeling 2.3 “Inzameling en vervoer van ongevaarlijk en gevaarlijk afval”.
89. Zijn de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 2.3 “Inzameling en vervoer van ongevaarlijk en gevaarlijk afval” cumulatief of alternatief?
De criteria voor een substantiële bijdrage zijn cumulatief, omdat zij niet expliciet als alternatieven worden genoemd. Elk punt beschrijft een specifiek aspect van het afvalinzamelingssysteem. Voor stromen gemeentelijk afval moet ook aan punt 3 van de criteria voor een substantiële bijdrage worden voldaan.
90. Staat het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 2, i), van afdeling 2.3 “Inzameling en vervoer van ongevaarlijk en gevaarlijk afval” dat eist dat papier en karton gescheiden worden ingezameld en niet met andere afvalstromen worden gemengd, toe dat daaronder ook inzamelingssystemen vallen waarin papier samen met metaal of kunststof wordt ingezameld?
In afdeling 2.3 van bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu zijn technische screeningcriteria vastgesteld die strenger zijn dan artikel 10 van de kaderrichtlijn afvalstoffen. In punt 2, eerste streepje, van de criteria voor een substantiële bijdrage is bepaald dat papier en karton gescheiden moeten worden ingezameld. Afvalinzamelingssystemen, waarbij papier met andere fracties wordt gemengd, vallen daarom niet binnen het toepassingsgebied.
91. Als afvalmaterialen niet gescheiden worden ingezameld (alles wordt gezamenlijk ingezameld), is dan het model van afvalscheiding op de plaats van levering voldoende om te voldoen aan de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 2.3 “Inzameling en vervoer van ongevaarlijk en gevaarlijk afval”?
In de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 2.3 wordt gespecificeerd dat deze activiteit betrekking heeft op:
|
“1. |
Al het gescheiden ingezamelde en vervoerde afval dat bij de bron wordt gescheiden, is bestemd voor voorbereiding van hergebruik of recycling. |
|
2. |
Bij de bron gescheiden afval bestaande uit i) papier en karton, iv) hout, v) glas, vi) afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), of vii) elk soort gevaarlijk afval wordt gescheiden ingezameld (d.w.z. als één enkele fractie) en niet vermengd met andere afvalstromen.” |
Volgens punt 2, tweede streepje (gemengde inzameling van bij de bron gescheiden niet-gevaarlijk afval, met uitzondering van de in punt 2, eerste streepje, genoemde fracties) kan echter nog steeds aan de criteria voor een substantiële bijdrage van afdeling 2.3 worden voldaan indien aan een van de volgende voorwaarden van artikel 10, lid 3, van de kaderrichtlijn afvalstoffen is voldaan. Deze voorwaarden zijn:
|
“a) |
het inzamelen van bepaalde soorten afval is niet van invloed op het potentieel ervan om overeenkomstig artikel 4 voorbereiding voor hergebruik, recycling of andere behandelingen voor nuttige toepassing te ondergaan en levert een output van die handelingen op waarvan de kwaliteit vergelijkbaar is met die welke door middel van gescheiden inzameling wordt bereikt; |
|
b) |
gescheiden inzameling levert niet de beste milieuresultaten op als de algehele milieueffecten van het beheer van de desbetreffende afvalstromen in aanmerking worden genomen; |
|
c) |
gescheiden inzameling is technisch niet haalbaar wanneer rekening wordt gehouden met goede praktijken op het gebied van afvalinzameling”. |
Concluderend, onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de verplichte gescheiden inzameling bij de bron van de verschillende afvalstromen (niet-gevaarlijk afval en ander afval dan specifiek vermeld in punt 2, eerste streepje), om te voldoen aan de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 2.3. Naleving van punt 1 zou nog steeds vereist zijn (d.w.z. het afval moet bestemd zijn voor voorbereiding voor hergebruik of voor recyclinginrichtingen).
Afdeling 2.6 “Verwijdering van verontreiniging en ontmanteling van afgedankte producten” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
92. De beschrijving in afdeling 2.6 “Verwijdering van verontreiniging en ontmanteling van afgedankte producten” omvat de “bouw, exploitatie en modernisatie van installaties voor het ontmantelen en depollueren van complexe afgedankte producten, roerende goederen en onderdelen daarvan voor materiaalterugwinning of voorbereiding voor hergebruik van componenten”. Betekent dit dat alleen de constructeurs of eigenaren van een scheepswerf in aanmerking komen voor deze activiteit? Of kan een andere partij die betrokken is bij de ontmanteling van een schip ook in aanmerking komen voor deze activiteit? Subsidiair, als zij een team hebben dat op de scheepswerf werkt om de ontmanteling mogelijk te maken, zou dit dan in aanmerking komen voor de activiteit of houdt dit verband met de eigendom van de faciliteit?
Met betrekking tot inrichtingen voor het ontmantelen en depollueren van afgedankte schepen, de scope van de activiteit omvat de bouw, de exploitatie en de modernisatie van installaties/inrichtingen voor het ontmantelen en depollueren van afgedankte schepen.
In punt 3 van de criteria voor een substantiële bijdrage is bepaald dat de inrichting moet zijn opgenomen in de Europese lijst zoals vastgesteld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/2323 van de Commissie, waarin alleen scheepsrecyclinginrichtingen zijn opgenomen. Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1257/2013 wordt onder “scheepsrecyclinginrichting” verstaan “een afgebakend gebied zijnde een werf of inrichting gelegen in een lidstaat of een derde land en dat wordt gebruikt voor het recyclen van schepen”. De activiteit heeft dus betrekking op de bouw, de exploitatie en de modernisering van scheepswerven of inrichtingen voor het ontmantelen en depollueren van afgedankte schepen, maar niet op de activiteiten van aannemers die in dat verband diensten, uitrusting of werken zouden leveren.
93. Hoe moet de ontmanteling van een schip dat wordt ontmanteld en gerecycled, worden gerapporteerd in afdeling 2.6 “Verwijdering van verontreiniging en ontmanteling van afgedankte producten”?
In de overgrote meerderheid van de gevallen zal een scheepseigenaar geen kosten maken voor de ontmanteling van een schip, maar daarop winst maken. Wanneer het ontmantelen en depollueren van afgedankte schepen echter kosten met zich meebrengt voor de scheepseigenaren/-exploitanten, moeten zij bij het beoordelen van de afstemming van hun CapEx of OpEx op de taxonomie hun uitgaven voor het ontmantelen en depollueren van de afgedankte schepen als CapEx of OpEx beschouwen, naargelang het geval. Scheepseigenaren/-exploitanten moeten de desbetreffende boekhoudregels volgen om rekening te houden met hun verplichtingen om hun vaartuigen te ontmantelen en te recyclen.
Voor entiteiten die de IFRS toepassen, moeten bijvoorbeeld op het moment van de bouw van het vaartuig de geschatte kosten van ontmanteling worden opgenomen in de kosten van het activum, overeenkomstig IAS 16 – Materiële vaste activa. Deze kosten moeten daarom voor de taxonomie worden opgenomen in de CapEx-KPI’s, overeenkomstig afdeling 1.1.2 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage, en er moet een ontmantelingsvoorziening (d.w.z. een verplichting) voor een gelijk bedrag worden opgenomen overeenkomstig IAS 37 – Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa. Het opnemen/niet langer opnemen van (of het aanbrengen van wijzigingen in) de ontmantelingsvoorziening (de verplichting) of de afschrijving van de geschatte ontmantelingskosten, worden niet opgenomen in de taxonomie-KPI’s. Op het moment van ontmanteling van het schip moeten de werkelijke ontmantelingskosten ten laste van de ontmantelingsvoorziening (de verplichting) worden gebracht. Indien deze kosten hoger zijn dan het bedrag van de ontmantelingsvoorziening voor dat vaartuig, kunnen de extra kosten als OpEx worden beschouwd. Dubbeltelling moet worden vermeden.
Afdeling 2.7 “Sortering en terugwinning van ongevaarlijke afvalstoffen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
94. Komen afvalverwerkingsinstallaties (bv. een installatie voor de terugwinning/nuttige toepassing van meerdere materialen) die alleen de voorbereiding voor de terugwinning (het sorteerelement) uitvoeren en niet de terugwinning zelf (die plaatsvindt in afvalverwerkingsinstallaties in het buitenland) in aanmerking op grond van afdeling 2.7 “Sortering en terugwinning van ongevaarlijke afvalstoffen”?
Ook installaties die alleen afval sorteren maar niet daadwerkelijk terugwinnen, komen in aanmerking op grond van afdeling 2.7.
Bouw- en vastgoedactiviteiten
Afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
95. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 4 van afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” stelt drempelwaarden vast voor het gebruik van secundaire grondstoffen. Wat is de betekenis van “voor het gecombineerde totaal aan beton, natuursteen of geagglomereerde steen” waarvan sprake bij de drempelwaarden?
Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 4 biedt marktdeelnemers flexibiliteit door bij een materiaalcategorie drempelwaarden voor het gebruik van secundaire grondstoffen vast te stellen als een maximumpercentage van het gebruik van primaire grondstoffen per materiaalcategorie. Hierbij worden verschillende materialen gecombineerd tot één materiaalcategorie (zoals “beton, natuursteen of geagglomereerde steen”) – in plaats van deze drempelwaarden voor elk materiaal afzonderlijk vast te stellen.
De zinsnede “voor het gecombineerde totaal aan” verwijst naar de secundaire grondstoffen die deze materiaalcategorie omvat, evenals alle hergebruikte bouwproducten. Als bij een bouwproject bijvoorbeeld wordt gebruikmaakt van hergebruikte natuurstenen vloerplaten, telt dit mee voor deze materiaaldrempel naast eventuele secundaire grondstoffen die worden gebruikt voor nieuwe producten van beton en geagglomereerde steen.
De drempelwaarden worden berekend door de secundaire grondstof af te trekken van de totale hoeveelheid van elke materiaalcategorie die bij de werkzaamheden wordt gebruikt, gemeten naar massa in kilogram. Zo moet voor de categorie “beton, natuursteen of geagglomereerde steen” ten minste 30 % van de gecombineerde massa beton, natuursteen of geagglomereerde steen die bij de werkzaamheden wordt gebruikt, secundaire grondstoffen (met inbegrip van hergebruikte producten) van die materiaalcategorie zijn.
96. Wat zijn voorbeelden van “hergebruikte bouwproducten” als bedoeld in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen”?
In het algemeen kunnen hergebruikte bouwproducten (met inbegrip van ter plaatse opnieuw bewerkte niet-afvalmaterialen) bijvoorbeeld hergebruikte dakelementen, ramen, deuren, bakstenen, stenen of betonelementen omvatten, mits deze voldoen aan de desbetreffende definities voor gebruikte of geherfabriceerde bouwproducten in artikel 3, punten 20 en 25, van de verordening bouwproducten (CPR).
97. Volstaat het om afval voor hergebruik, recycling en andere vormen van terugwinning van materiaal op de bouwplaats te sorteren om zo aan het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 1 van afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” te voldoen? Of moet worden gedocumenteerd dat het afval is ingezameld en verzonden voor bijvoorbeeld hergebruik of recycling (met vermelding van bv. de ontvanger en de beoogde verwerkingsmethode)?
Om aan het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 1 van afdeling 3.1 te voldoen, volstaat het niet om het niet-gevaarlijke bouw- en sloopafval op de bouwplaats te sorteren. Er is documentatie vereist waaruit blijkt dat ten minste het voor de specifieke activiteit aangegeven aandeel van het niet-gevaarlijke bouw- en sloopafval is voorbereid voor hergebruik of is gerecycled overeenkomstig de definitie in de kaderrichtlijn afvalstoffen. Met andere woorden, er moet voor worden gezorgd dat het niet-gevaarlijke bouw- en sloopafval dat op de bouwplaats wordt geproduceerd, wordt voorbereid voor hergebruik of wordt gerecycled.
Volgens artikel 3, lid 16, van de kaderrichtlijn afvalstoffen wordt onder “voorbereiding voor hergebruik” verstaan “elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is”. Een voorwaarde voor de voorbereiding voor hergebruik van bouwdelen is doorgaans de selectieve ontmanteling van gebouwen of andere structuren.
Volgens artikel 3, punt 17, van de kaderrichtlijn afvalstoffen wordt onder “recycling” verstaan “elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal”.
De exploitant van de activiteit toont aan dat hij voldoet aan de drempel van 90 % die in het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 1 is opgenomen, door te rapporteren over de Level(s)-indicator 2.2 (73) met gebruikmaking van het Level(s) 2- rapportageformaat voor de verschillende afvalstromen. De nodige documenten om aan te tonen dat aan dit criterium voor een substantiële bijdrage wordt voldaan, zijn onder meer de weegbrief voor afval dat naar de afvalrecyclinginrichting wordt gebracht (in kg), ontvangstbewijzen voor het totaal aan afval dat naar verschillende afvalinrichtingen wordt gebracht (in kg) (d.w.z. recycling, opvulling, storten enz.) of schattingen van de totale afvalproductie op basis van een aan de sloop of renovatie voorafgaande audit.
98. Zal het mogelijk zijn de beschikbaarheid van productprestatiedata, zoals vereist op grond van de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen”, te ondersteunen door middel van gedelegeerde handelingen in het kader van de herziene verordening bouwproducten (CPR)?
Met de door de CPR vereiste prestatie- en conformiteitsverklaring wordt de nodige informatie voor producten verstrekt. Gedelegeerde handelingen zijn niet nodig.
99. In het criterium voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” worden exploitanten verplicht om voor het langdurig bewaren van de informatie over het gebouw de informatiebeheersystemen te gebruiken van nationale instrumenten, zoals kadasters of openbare registers. Sommige lidstaten beschikken niet over openbare registers, maar alleen over particuliere registers. Tellen deze ook mee?
Het relevante criterium in afdeling 3.1 wil ervoor te zorgen dat de data beschikbaar zijn voor het publiek – in plaats van de eigendom van de data te wijzigen of de publieke eigendom van de data op te leggen. De term “openbaar register” in punt 5 van de criteria voor een substantiële bijdrage wordt slechts als voorbeeld gebruikt. Voor nationale registers of gelijkwaardige informatiebeheersystemen kunnen bepaalde toegangsbeperkingen gelden (bv. toegang met een gebruikersnaam/wachtwoord) of kan het nodig zijn om een vergoeding te betalen. Ook in deze gevallen kunnen zij nog steeds meetellen voor de verplichting om de informatie over gebouwen op lange termijn te bewaren.
100. Zijn er gedetailleerde richtsnoeren voor selectieve ontmanteling als bedoeld in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen”?
Het protocol en de richtsnoeren inzake bouw- en sloopafval van de EU (74) bevatten handvatten voor audits voorafgaand aan de sloop en renovatie van gebouwen die selectieve ontmanteling ondersteunen, en hebben tot doel het hergebruik, de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van bouw- en sloopafval te bevorderen.
101. Wat wordt bedoeld met de term “opvulling” als bedoeld in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen”?
Het begrip “opvulling” wordt gedefinieerd in artikel 3, punt 17 bis, van de kaderrichtlijn afvalstoffen en betekent elke “handeling voor nuttige toepassing waarbij niet-gevaarlijk afval wordt gebruikt voor het herstel van uitgegraven terreinen of voor civieltechnische toepassingen bij de landschapsaanleg. Afval dat wordt gebruikt voor opvulling moet dienen ter vervanging van niet-afvalmaterialen, geschikt zijn voor de voornoemde doelen en worden beperkt tot de hoeveelheid die strikt noodzakelijk is om deze doelen te bereiken”.
Niet-bindende informatie over opvulling is te vinden in de voorbereidende studie ter ondersteuning van de opstelling van richtsnoeren van de Commissie voor de definitie van opvulling (75).
102. Moet technische apparatuur worden opgenomen in de berekeningen van de levenscyclusbeoordeling (LCA) in bijlage 1, wanneer wordt gekozen voor bekendmaking middels een “nationaal instrument” als bedoeld in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen”? Is het mogelijk om LCA-data (de effecten van het aardopwarmingsvermogen gedurende de levenscyclus) te rapporteren met behulp van een nationaal instrument, zelfs als het niet volledig is afgestemd op het Level(s)-raamwerk?
Om te voldoen aan de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.1 “Bouw van nieuwe gebouwen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu, zijn exploitanten verplicht het aardopwarmingsvermogen van gebouwen gedurende de levenscyclus voor elke fase van de levenscyclus te berekenen en dit op verzoek aan beleggers en cliënten bekend te maken. In de voetnoot bij dit criterium worden drie verschillende manieren beschreven om aan het criterium te voldoen: berekeningen in overeenstemming met het gemeenschappelijke Level(s)-raamwerk van de EU; het gebruik van een nationaal berekeningsinstrument; met behulp van andere berekeningsinstrumenten.
Er wordt gespecificeerd dat andere berekeningsinstrumenten dan nationale instrumenten alleen mogen worden gebruikt als zij voldoen aan de minimumcriteria die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijke Level(s)-raamwerk van de EU (zie de Level(s)-gebruikershandleiding voor indicator 1.2 (76)). Er is echter geen specificatie met betrekking tot het gebruik van een nationaal instrument. Daarom kan een officieel nationaal of regionaal instrument worden gebruikt, zelfs als het afwijkt van het gemeenschappelijke Level(s)-raamwerk van de EU. Bovendien moet de scope van de in de berekening opgenomen elementen voldoen aan de vereisten van een officieel nationaal of regionaal instrument.
Ten slotte, de herziene richtlijn energieprestaties gebouwen maakt de berekening van het aardopwarmingsvermogen gedurende de levenscyclus vanaf 2028 verplicht voor nieuwe gebouwen. Hoewel de berekeningsmethode momenteel wordt beschreven in bijlage III, onder verwijzing naar EN 15978 en het gemeenschappelijke Level(s)-raamwerk van de EU, heeft de richtlijn de Commissie ook gemachtigd om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van bijlage III en tot vaststelling van een EU-raamwerk voor de nationale berekening.
Afdeling 3.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
103. In het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 4 van afdeling 3.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” wordt aangegeven dat “[t]en minste 50 % van het oorspronkelijke gebouw wordt behouden”. Hoe moet 50 % van het oorspronkelijke gebouw worden gedefinieerd?
De berekening is gebaseerd op de bruto externe vloeroppervlakte van het oorspronkelijke gebouw aan de hand van de toepasselijke nationale of regionale meetmethode, dan wel aan de hand van de definitie van “IPMS 1” in de International Property Measurement Standards (IPMS) (77). Op nationaal of regionaal niveau kunnen specifieke handvatten beschikbaar zijn. Indien “IPMS 1” wordt gebruikt, bevat dat document een gedetailleerde toelichting. De bruto vloeroppervlakte van het gerenoveerde deel van het gebouw mag niet meer bedragen dan 50 % van de bruto vloeroppervlakte van het oorspronkelijke gebouw.
104. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 3.2 “Renovatie van bestaande gebouwen” eisen de berekening van het aardopwarmingsvermogen gedurende de levenscyclus. Voor deze berekening moeten exploitanten de EN15978-norm volgen. Welke onderdelen van de norm moeten worden gevolgd?
In het algemeen is de scope van bouwelementen en technische uitrusting zoals die is gedefinieerd in het gemeenschappelijke Level(s)-raamwerk van de EU. Afgezien daarvan legt het criterium geen andere eisen op aan het gebruik van de norm. In sommige lidstaten of derde landen kan een nationaal berekeningsinstrument bestaan voor het bekendmaken van informatie of voor het verkrijgen van bouwvergunningen, maar ook andere berekeningsinstrumenten kunnen worden gebruikt als zij voldoen aan de minimumcriteria die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijke Level(s)-raamwerk van de EU. De EN15978-norm biedt ruimte voor een flexibele interpretatie.
Afdeling 3.5 “Gebruik van beton in de weg- en waterbouw” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
105. Hoe moet de scope van afdeling 3.5 “Gebruik van beton in de weg- en waterbouw” worden gedefinieerd? Moeten alleen de materiaalkosten voor beton worden vermeld of ook de levering en de diensten van het bouwbedrijf, bv. vervoer?
De activiteit in afdeling 3.5 heeft betrekking op het gebruik van beton voor nieuwbouw, verbouwen of onderhoud van civiele kunstwerken. De activiteit heeft derhalve betrekking op alle weg- en waterbouwkundige werken, op voorwaarde dat deze werken voldoen aan de technische screeningcriteria.
Exploitanten die diensten voor het vervoer van cement verlenen, vallen niet onder deze activiteit, maar kunnen de afstemming op de taxonomie rapporteren in het kader van de vrachtvervoersactiviteiten die zijn opgenomen in de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat.
Informatie en communicatie
Afdeling 4.1 “Levering van gegevensgestuurde IT/OT-oplossingen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
106. Afdeling 4.1 “Levering van gegevensgestuurde IT/OT-oplossingen” eist naleving van de richtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA-richtlijn) voor IT, terwijl de vereisten voor AEEA alleen van toepassing kunnen zijn op fysieke producten. Wat is de geadviseerde methode om aan deze specifieke eis te voldoen?
In het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 8, c), van afdeling 4.1 “Levering van gegevensgestuurde IT/OT-oplossingen” is de eis opgenomen dat alle datagedreven IT/OT-oplossingen voldoen aan de criteria voor: “c) voorbereiding voor hergebruik, nuttige toepassing of recycling, of een passende verwerking, waaronder de verwijdering van alle vloeistoffen en een selectieve behandeling, geschiedt overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2012/19/EU”.
In Richtlijn 2012/19/EU (de AEEA-richtlijn) worden alleen eisen gesteld voor de verwerking aan het einde van de levensduur van “elektrische en elektronische apparatuur” of “EEA”, ofwel “apparaten die afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden om naar behoren te werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden en die bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom”. Software voldoet niet aan deze definitie van EEA.
Dit criterium is opgenomen om rekening te houden met de verwerking aan het einde van de levensduur van de hardwareapparatuur die wordt gebruikt om de datagedreven IT/OT-oplossing te bedienen – maar niet de software.
107. Is software (bv. SAP) opgenomen in de scope van de activiteit in afdeling 4.1 “Levering van gegevensgestuurde IT/OT-oplossingen” als de software zou kunnen worden gebruikt voor het leveranciersbeheer?
Zoals aangegeven in de beschrijving van de activiteit, vallen het vervaardigen, ontwikkelen, installeren, uitrollen, onderhouden of repareren van of het verlenen van professionele diensten, inclusief technisch advies voor ontwerp of monitoring van verschillende soorten software en informatietechnologie- of operationele technologiesystemen (IT/OT-systemen) die zijn gebouwd met het oog op monitoring op afstand en voorspelbaar onderhoud, binnen de scope van de activiteit.
108. De DNSH-criteria voor de preventie en bestrijding van verontreiniging in afdeling 4.1 “Levering van gegevensgestuurde IT/OT-oplossingen” vereisen dat “[d]e apparatuur voor het gebruik van de software voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/125/EG voor servers en gegevensopslagproducten”. Hoe kunnen bedrijven die alleen softwareleveranciers zijn, aan deze bepaling voldoen, aangezien zij geen toegang hebben tot dit soort informatie over de hardwareapparatuur?
De scope van de activiteit in afdeling 4.1 omvat zowel IT- als OT-oplossingen, d.w.z. zowel de software- als de hardware-elementen. De technische screeningcriteria waarin eisen worden vastgesteld met betrekking tot hardwareapparatuur voor het bedienen van software, met inbegrip van servers en dataopslagproducten, zijn alleen van toepassing op hardwareapparatuur en niet op software. Dit betekent dat softwareleveranciers die geen controle hebben over de hardwareapparatuur, niet aan dit criterium hoeven te voldoen.
Diensten
Afdeling 5.1 “Reparatie, renovatie en herproductie” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
109. In welke vorm moet het afvalbeheerplan als bedoeld in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 5.1 “Reparatie, renovatie en herproductie” in de praktijk worden opgesteld?
Afvalbeheerplannen als bedoeld in afdeling 5.1 “Reparatie, renovatie en herproductie” moeten voldoen aan de beginselen voor afvalbeheerplannen die zijn uiteengezet in artikel 28 van de gewijzigde kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit omvat een analyse van de huidige situatie op het gebied van afvalbeheer binnen de betrokken entiteit, alsook de maatregelen die moeten worden genomen om voorbereiding voor hergebruik, recycling, andere vormen van nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen milieuvriendelijker te maken en een evaluatie van de wijze hoe het plan de uitvoering van de doelstellingen zal ondersteunen.
In het plan moet ten minste rekening worden gehouden met: i) soort, hoeveelheid en bron van de door de onderneming geproduceerde afvalstoffen en een evaluatie van de ontwikkeling van de afvalstromen in de toekomst; en ii) bestaande verwijderingsinstallaties en installaties voor nuttige toepassing, inclusief speciale regelingen voor afgewerkte olie, gevaarlijke afvalstoffen en afvalstoffen die aanzienlijke hoeveelheden kritieke grondstoffen bevatten. Het plan moet afvalbeheerbeleid omvatten, met inbegrip van maatregelen ter bestrijding en voorkoming van alle vormen van zwerfafvalproductie en voor het opruimen van alle soorten zwerfafval, alsook passende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en doelstellingen.
Afdeling 5.2 “Verkoop van reserveonderdelen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
110. Wat moet krachtens afdeling 5.2 “Verkoop van reserveonderdelen” worden beschouwd als een verbruiksgoed en wat mag niet worden beschouwd als een reserveonderdeel? Wat zijn de functies van het product dat het reserveonderdeel kan herstellen? Vallen hier alleen de primaire functies onder? Of betreft het alle functies van de gekochte producten, met inbegrip van alle accessoires die aanwezig waren op het moment van aankoop (bv. een fietsmand voorop op een stadsfiets)?
Afdeling 5.2 definieert “verbruiksgoederen” in voetnoot 151 als “niet-duurzame grondstoffen die bedoeld zijn om te worden gebruikt, uitgeput of vervangen. Zij kunnen noodzakelijk zijn voor de werking van een consumentenproduct of worden gebruikt bij de vervaardiging, zonder in het eindproduct te worden verwerkt”. Dit in tegenstelling tot “reserveonderdeel”, dat in voetnoot 164 wordt gedefinieerd als “een afzonderlijk onderdeel van een product dat een deel van een product met dezelfde of een soortgelijke functie kan vervangen. Zonder dat onderdeel van het product kan het product niet werken als bedoeld. De functionaliteit van een product wordt hersteld of verbeterd wanneer het onderdeel wordt vervangen door een reserveonderdeel overeenkomstig Richtlijn 2011/65/EU. Reserveonderdelen kunnen tweedehandsonderdelen zijn”.
Bovendien worden in de beschrijving van de activiteit voor de verkoop van reserveonderdelen voorbeelden gegeven van verbruiksgoederen die niet onder de activiteit vallen (bv. printerinkt, tonerpatronen, smeermiddelen voor bewegende onderdelen, en batterijen).
Er is geen officiële lijst van producten die in aanmerking komen als reserveonderdelen. Exploitanten moeten de individuele productbeoordeling uitvoeren op basis van de bovenstaande definities.
Afdeling 5.3 “Voorbereiding voor hergebruik van afgedankte producten en productcomponenten” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
111. Hoe worden de termen “hergebruik” en “einde van de levensduur” gedefinieerd, waarnaar wordt verwezen in de criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 5.3 “Voorbereiding voor hergebruik van afgedankte producten en productcomponenten”?
Volgens de kaderrichtlijn afvalstoffen wordt onder “hergebruik” verstaan “elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld”. Onder “voorbereiding voor hergebruik” wordt verstaan “elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is”.
Belangrijk is ook nog dat onder “afvalstof” wordt verstaan “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. De intentie om zich van het voorwerp te ontdoen, maakt het al tot afval. Dit is belangrijk wanneer het onderscheid tussen hergebruik en voorbereiding voor hergebruik betrekking heeft op een voorwerp dat geen afval is geworden, terwijl de voorbereiding voor hergebruik betrekking heeft op een voorwerp dat wel afval is geworden.
Een voorwerp kan alleen worden hergebruikt als het doel van het voorwerp niet wordt gewijzigd. Als het doel niet wordt gewijzigd, is er sprake van hergebruik.
Wanneer een product aan het einde van de levensduur is, is het afval. Er zijn echter verschillende manieren waarop het voorwerp zijn afvalfase kan beëindigen, bijvoorbeeld door voorbereiding voor hergebruik, als er einde-afvalcriteria van toepassing zijn op het voorwerp en het voorwerp daaraan voldoet.
Afdeling 5.5 “Product-als-een-dienst en andere op circulair gebruik en resultaat gerichte dienstenmodellen” in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
112. Hoe moeten de vereisten in afdeling 5.5 “Product-als-een-dienst en andere op circulair gebruik en resultaat gerichte dienstenmodellen” worden toegepast wanneer een verhuurbedrijf stroomgeneratoren levert voor een bouwplaats? Moet elk verhuurd activum afzonderlijk aan de criteria voldoen of kan een groep activa op de bouwplaats in aanmerking worden genomen als zij samen aan de voorwaarde voldoen? Of hebben de criteria voor de activiteit betrekking op de totale dienst, bijvoorbeeld op het energieverbruik op de locatie van het verhuurbedrijf dat de dienst verleent?
De activiteit in afdeling 5.5 “Product-als-een-dienst en andere op circulair gebruik en resultaat gerichte dienstenmodellen” heeft betrekking op verschillende dienstenmodellen (bv. verhuur of leasing) waarmee de exploitant klanten in staat stelt verschillende producten te gebruiken. Stroomgeneratoren behoren tot de producten die onder deze activiteit vallen. Tenzij anders vermeld, zijn de technische screeningcriteria voor deze activiteit van toepassing op de totale activiteit van de exploitant – en niet op specifieke producten die door de exploitant worden geleverd. De DNSH-vereisten op het gebied van klimaatmitigatie met betrekking tot de directe emissies van de activiteit zijn specifiek van toepassing op situaties waarin de activiteit betrekking heeft op de opwekking ter plaatse van warmte/koude of warmtekrachtkoppeling, met inbegrip van elektriciteit.
113. Kan het leasen van apparatuur voor de bestrijding van olielekkages vallen onder afdeling 5.5 “Product-als-een-dienst en andere op circulair gebruik en resultaat gerichte dienstenmodellen”?
In aanmerking komende economische activiteiten die vallen onder afdeling 5.5 “Product-als-een-dienst en andere op circulair gebruik en resultaat gerichte dienstenmodellen”, omvatten het bieden van toegang tot producten aan klanten door middel van dienstenmodellen zoals leasing. Daarom valt het leasen van apparatuur voor de bestrijding van olielekken aan klanten onder deze activiteit. De leasegever moet de leasekosten, afhankelijk van de boekhoudkundige behandeling van de lease, administratief verwerken als CapEx of OpEx. De onderneming die de apparatuur voor de bestrijding van olielekken leaset van een andere aanbieder (d.w.z. de lessee), valt echter niet onder deze activiteit.
AFDELING VI VRAGEN OVER DE DOELSTELLING VAN PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING (BIJLAGE III BIJ DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING MILIEU)
Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering
Afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden” in bijlage III bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu
114. De activiteit in afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden” omvat in punt d), vii), de term “bodem”. Valt bodemlucht onder de term “bodem”?
In artikel 3, punt 21, van Richtlijn 2010/75/EU (richtlijn industriële emissies) wordt het begrip “bodem” gedefinieerd als “de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen”. Bodemlucht valt dus onder de term “bodem”.
115. Wat is de definitie van “verontreinigd gebied” en “verontreinigende stoffen” als bedoeld in de beschrijving van de activiteit in afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden”?
Voortbouwend op de definitie van “verontreiniging” in de richtlijn industriële emissies, zijn verontreinigende stoffen “stoffen, trillingen, warmte of geluid” die door menselijke activiteiten direct of indirect zijn ingebracht in lucht, water of bodem en “die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten, schade kunnen toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kunnen aantasten of in de weg kunnen staan”. Het “verontreinigde gebied” is het gebied dat gevolgen ondervindt van verontreiniging.
116. Punt b) in de beschrijving van de activiteit in afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden” omvat de “ontsmetting of sanering van verontreinigde industriële installaties of terreinen”. Wat wordt bedoeld met “industriële installaties of terreinen”? Omvat dit ook andere gebieden zoals ontmantelde installaties, militaire terreinen, stortplaatsen (beveiliging/nazorg)? Vallen “brownfieldterreinen” hier ook onder?
Een “terrein” verwijst naar een specifieke geografische locatie waar industriële activiteiten hebben plaatsgevonden (zie de definitie van “locatie” in artikel 3, lid 3, van de verordening portaal voor industriële emissies (78)) en als gevolg daarvan verontreiniging kan hebben plaatsgevonden. Het kan hierbij gaan om grond of bodem die verontreinigd is met gevaarlijke stoffen, verontreiniging van het grondwater of oppervlaktewater, gebieden rond industriële installaties waar verontreiniging naartoe is gemigreerd, of verlaten of inactieve industriële installaties. Bij industriële installaties gaat het daarentegen om de fysieke gebouwen en apparatuur die worden gebruikt voor industriële processen, zoals productie-installaties, raffinaderijen of energiecentrales. Op de locatie gerichte inspanningen voor sanering of ontsmetting hebben betrekking op de omgeving, terwijl op industriële installaties gerichte inspanningen betrekking hebben op de fysieke gebouwen en apparatuur.
De ontsmetting of sanering van industriële installaties of terreinen heeft geen betrekking op de sanering van wettelijke, niet-conforme stortplaatsen en verlaten of illegale stortplaatsen die geen verband houden met de locatie waarop de sanering betrekking heeft, aangezien zij onder een specifieke activiteit in afdeling 2.3 vallen. Hoewel militaire terreinen niet kwalificeren als industriële installaties in de zin van punt b) van de beschrijving van de activiteit, kan de sanering van militaire terreinen onder andere punten vallen.
117. Punt e) in de beschrijving van de activiteit in afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden” wordt verwezen naar “verwijdering van gevaarlijke stoffen, mengsels of producten, zoals asbest of loodhoudende verf”. Wat is de definitie van “gevaarlijke stoffen”?
Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels wordt onder een gevaarlijke stof verstaan een “stof of mengsel waarvoor de criteria voor fysische gevaren, gezondheidsgevaren of milieugevaren van de delen 2 tot en met 5 van bijlage I [bij die verordening] vervuld zijn”.
118. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 1 van afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden” luidt als volgt: “De saneringsactiviteiten worden niet uitgevoerd door de exploitant die de verontreiniging heeft veroorzaakt of door een persoon die namens die exploitant optreedt om te voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2004/35/EG of, voor activiteiten in derde landen, aan milieuaansprakelijkheidsbepalingen die volgens het nationale recht gebaseerd zijn op het beginsel dat de vervuiler betaalt.” Hoe moet dit criterium worden geïnterpreteerd? Verwijst het begrip “exploitant” naar de onderneming die de saneringsactiviteiten uitvoert?
Dit criterium wil ervoor zorgen dat de saneringsactiviteiten op onpartijdige en transparante wijze worden uitgevoerd, met als belangrijkste doel de bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Het in punt 1 vermelde criterium heeft betrekking op de exploitant die de verontreiniging heeft veroorzaakt. De term “exploitant” wordt overeenkomstig artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2004/35/EG gedefinieerd als elke “particuliere of openbare natuurlijke persoon of rechtspersoon die de beroepsactiviteit verricht of regelt, of, als dit in de nationale wetgeving is bepaald, aan wie een doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch functioneren van een dergelijke activiteit is overgedragen, met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor het verrichten van een dergelijke activiteit of de persoon die een dergelijke activiteit laat registreren of er kennisgeving van doet”.
Overeenkomstig het in punt 1 gespecificeerde criterium kunnen saneringsactiviteiten die worden uitgevoerd door de exploitant die de verontreiniging heeft veroorzaakt of door een persoon die namens die exploitant handelt om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2004/35/EG, niet worden geacht een substantiële bijdrage te leveren.
119. Wordt een onafhankelijke onderneming die door de exploitant die de verontreiniging heeft veroorzaakt, is ingeschakeld om de saneringsactiviteit uit te voeren, beschouwd als optredend namens de vervuiler in de zin van afdeling 2.4 “Sanering van verontreinigde terreinen en gebieden”?
Een onafhankelijke onderneming waarmee de exploitanten die de verontreiniging hebben veroorzaakt, een overeenkomst hebben gesloten om de saneringsactiviteit uit te voeren, wordt niet beschouwd als een persoon die namens die exploitant optreedt, tenzij die onderneming de exploitant vertegenwoordigt of specifieke bevoegdheden heeft die door de exploitant zijn gedelegeerd (dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de onderneming een dochteronderneming van de exploitant is). Dit houdt in dat de inkomsten van de onafhankelijke onderneming voor het uitvoeren van de saneringsactiviteit in aanmerking komen voor de taxonomie, terwijl de CapEx of OpEx van die de exploitant die de verontreiniging heeft veroorzaakt, moet maken om die dienst te ontvangen, niet in aanmerking komen.
AFDELING VII VRAGEN OVER DE DOELSTELLING VAN BIODIVERSITEIT EN ECOSYSTEMEN (BIJLAGE IV BIJ DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING MILIEU)
Activiteiten op het gebied van milieubescherming en -herstel
Afdeling 1.1 “Instandhouding, met inbegrip van herstel, van habitats, ecosystemen en soorten” in bijlage IV bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu
120. Kan de activiteit in afdeling 1.1 “Instandhouding, met inbegrip van herstel, van habitats, ecosystemen en soorten” worden uitgevoerd in stedelijke gebieden met een verwaarloosbaar oppervlak aan natuurlijke ruimte? Hoe kan een activiteit die in stedelijke gebieden wordt uitgevoerd, voldoen aan de vereisten van de criteria voor een substantiële bijdrage?
De instandhoudingsactiviteit kan in alle gebieden worden uitgevoerd – ook in stedelijke gebieden. De activiteit kan ook worden uitgevoerd door om het even welk type exploitant, ongeacht diens hoofdwerkterrein.
Aan alle criteria voor een substantiële bijdrage moet worden voldaan. Dit omvat de eis in punt 1.1 van de criteria voor een substantiële bijdrage:
|
“1.1. |
De activiteit levert ten minste een van de volgende bijdragen:
|
Evenzo vereist punt 3.1 van de criteria voor een substantiële bijdrage dat het gebied onder een beheersplan of een gelijkwaardig instrument valt.
In dit verband kan het nuttig zijn contact op te nemen met de bevoegde natuurautoriteiten, die mogelijk een plan voor groene infrastructuur hebben vastgesteld dat, mits het in overeenstemming is met de betrokken TSC’s, onder het voor de instandhoudingsactiviteit vereiste beheersplan kan vallen.
Het kan ook nuttig zijn om contact op te nemen met de bevoegde gemeentelijke autoriteiten om na te gaan of er een plan voor stedelijke vergroening (79) bestaat of dat de stad het Green City Accord (80) heeft ondertekend. Deze documenten kunnen, mits zij in overeenstemming zijn met de vereisten van de TSC’s, onder het beheersplan/gelijkwaardig instrument vallen dat voor de instandhoudingsactiviteit vereist is.
121. Het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 3.1 van afdeling 1.1 “Instandhouding, met inbegrip van herstel, van habitats, ecosystemen en soorten” bevat het vereiste dat het gebied onder een beheersplan of gelijkwaardig instrument valt. Betekent dit dat groene gebieden die eigendom zijn van en worden beheerd door particuliere entiteiten, niet aan dit criterium kunnen voldoen, aangezien overheidsinstanties (d.w.z. natuurbeschermingsautoriteiten) voor dergelijke gebieden geen beheersplannen of gelijkwaardige instrumenten vaststellen?
Een beheersplan of een gelijkwaardig instrument moet worden opgesteld voordat de exploitant de activiteit als op de taxonomie afgestemd kan rapporteren. Er wordt echter niet gespecificeerd dat het beheersplan of een gelijkwaardig instrument door overheidsinstanties moet worden opgesteld. Indien de bevoegde autoriteiten dit soort instrument niet hebben vastgesteld, kan de exploitant van de instandhoudingsactiviteit in beginsel ook een dergelijk plan opstellen. Het plan moet echter alle specifieke informatie bevatten die in het beheersplan en het gelijkwaardige instrument moet worden opgenomen, zoals gespecificeerd in punt 3.1 van de criteria voor een substantiële bijdrage.
Belangrijk daarbij is dat, overeenkomstig de punten 4.1 en 4.2 van de criteria voor een substantiële bijdrage, de nationale autoriteiten of een onafhankelijke externe certificeringsinstantie het beheersplan of een gelijkwaardig instrument verifiëren bij het begin van de instandhoudingsactiviteit of wanneer het beheersplan eindigt of ten minste om de tien jaar.
122. De criteria voor een substantiële bijdrage in afdeling 1.1 “Instandhouding, met inbegrip van herstel, van habitats, ecosystemen en soorten” sluiten uitdrukkelijk het “compenseren” van de effecten van een andere activiteit uit en hebben alleen betrekking op “nettobiodiversiteitswinsten”. Wat is in dit verband de betekenis van het woord “netto”? Betekent dit dat er ook een verlies aan biodiversiteit had kunnen zijn dat moet worden gecompenseerd om als een substantiële bijdrage te worden beschouwd?
Onder “nettobiodiversiteitswinst” wordt verstaan een meetbaar positief effect (“nettowinst”) op de biodiversiteit, vergeleken met wat er vóór de instandhoudings-/herstelactiviteit in het betreffende gebied was. Dit kan worden bereikt door de toestand van een habitat of soort te verbeteren zonder voorafgaand biodiversiteitsverlies als gevolg van een andere activiteit. Bovendien kan de nettobiodiversiteitswinst het gevolg zijn van aanvullende instandhoudings-/herstelmaatregelen die verder gaan dan de compenserende maatregel, zoals uitgelegd in voetnoot 11 bij de activiteit in afdeling 1.1. In dit geval is de nettowinst het creëren van extra biodiversiteit nadat het biodiversiteitsverlies als gevolg van de andere economische activiteit is gecompenseerd tot 100 %, op basis van gelijke criteria.
Accommodatieactiviteiten
Afdeling 2.1 “Hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” in bijlage IV bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu
123. De criteria voor een substantiële bijdrage in punt 1.2 van afdeling 2.1 “Hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” verwijzen naar “de organisatie die belast is met de instandhouding of het herstel van het gebied”. Moet deze organisatie uitsluitend een overheidsinstantie zijn, of kan de rol ook worden vervuld door bijvoorbeeld een ngo?
De organisatie kan elke “organisatie die belast is met de instandhouding of het herstel van het gebied” zijn, met inbegrip van overheidsdiensten, ngo’s, particuliere ondernemingen of andere entiteiten.
124. Punt c) van de beschrijving van de activiteit in afdeling 2.1 “Hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” verwijst naar “appartementen, bungalows, woonruimten en hutten voor bezoekers”. Wat wordt bedoeld met “appartementen voor bezoekers”? Heeft dit betrekking op accommodaties voor verhuur voor de korte termijn? Hoe verschilt dit van “appartementen voor een duurzamer gebruik”?
Onder “appartementen voor bezoekers” wordt verstaan accommodatie die voor kortstondig toerisme wordt verhuurd, terwijl “appartementen voor een duurzamer gebruik” geen kortstondig toeristisch doel dienen en daarom zijn uitgesloten.
125. Waarom is het criterium voor een substantiële bijdrage in punt 3.2 van afdeling 2.1 “Hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” alleen van toepassing op bedrijven met meer dan 50 werknemers die accommodatie bieden, terwijl de verplichting om taxonomierapportage te verschaffen over het algemeen van toepassing is op bedrijven met meer dan 250 werknemers?
De verplichting om een taxonomierapportage te verschaffen is van toepassing op ondernemingen die overeenkomstig de CSRD een duurzaamheidsrapportage moeten verschaffen. Dit geldt met name voor grote of beursgenoteerde bedrijven. De verwijzing naar 50 werknemers in punt 3.2 heeft geen invloed op de reikwijdte van die rapportage. De criteria van punt 3.2 zijn alleen van toepassing op bedrijven met meer dan 50 werknemers om de naleving van de criteria voor een substantiële bijdrage door kleinere ondernemingen te vergemakkelijken.
126. Omvatten de criteria van afdeling 2.1 “Hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” ook de BKG-emissies van de hotelgasten (bv. wanneer zij met het vliegtuig reizen)?
De criteria voor een substantiële bijdrage voor afdeling 2.1 “Hotels, vakantiewoningen, kampeerterreinen en soortgelijke accommodatie” omvatten niet de BKG-emissies van de bezoekers van de accommodaties die deel uitmaken van die activiteit.
AFDELING VIII VRAGEN OVER DE GENERIEKE DNSH-CRITERIA
Generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie
127. Hoe worden “klimaatrisico’s” gedefinieerd? Op welke fase van een project zijn zij van toepassing?
Voor de doelstelling klimaatadaptatie zijn de meest relevante klimaatrisico’s:
|
— |
de fysieke risico’s van de klimaatverandering die leiden tot mogelijke materiële schade of effecten, bijvoorbeeld fysieke schade aan goederen, uitrusting of inventaris, die de bedrijfsactiviteiten kunnen verstoren of aanzienlijke reparatiekosten kunnen veroorzaken; |
|
— |
andere soorten effecten (zoals effecten voor het personeelsbestand, kritieke elementen van upstream- en downstreamwaardeketens, marktparameters enz.) die leiden tot verstoringen van de activiteiten en/of materiële financiële verliezen. |
Zij kunnen ofwel gebeurtenisgestuurd (acuut) zijn of het gevolg zijn van verschuivingen in klimaatpatronen op langere termijn (chronisch). Gebeurtenisgestuurde risico’s houden verband met extreme weersomstandigheden (bv. overstromingen, hittegolven of stormen), terwijl chronische risico’s permanent zijn (bv. stijging van de zeespiegel of kusterosie). De desbetreffende bepalingen (81) omvatten een niet-uitputtende lijst van klimaatgevaren waarmee rekening moet worden gehouden bij de klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling. Andere risico’s kunnen in de toekomst van belang worden.
Fysieke klimaatrisico’s moeten voor alle fasen van het project worden beoordeeld. In de bouwsector moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de fysieke risico’s in de plannings- en ontwerpfase, alsook tijdens de projectlevenscyclus, d.w.z. met betrekking tot zowel het gebruik als de sloop van een gebouw.
128. Moet voor alle terreinen (bv. alle bouwprojecten) een klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling worden uitgevoerd? Of is een generieke analyse, die kan worden omgezet naar andere terreinen, voldoende?
Het doel van een robuuste klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling is het identificeren van materiële fysieke klimaatrisico’s die van invloed zijn op de prestaties van de economische activiteit en van de activa waarvan de economische activiteit (voor haar prestaties en continuïteit) afhankelijk is. Deze beoordeling wordt vervolgens gebruikt om geschikte adaptatieoplossingen te identificeren die worden gepresenteerd als onderdeel van een adaptatieplan.
Volgens de generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie (82) moet een klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling de meest geavanceerde methodologie volgen en rekening houden met de recentst beschikbare data met de hoogste resolutie. De reikwijdte van de beoordeling, de methoden en de data die worden gebruikt om deze doelstelling te bereiken, kunnen variëren.
Om ervoor te zorgen dat de kwetsbaarheidsbeoordeling de risico’s naar behoren weerspiegelt, moet de nodige aandacht worden besteed aan lokale omstandigheden. Dit komt omdat fysieke risico’s en adaptatie locatiespecifiek zijn en voor een groot deel afhankelijk zijn van de locatie en de bestaande kwetsbaarheden. Dit betekent dat voor bouwprojecten op verschillende terreinen een klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling kan worden uitgevoerd voor alle terreinen, zolang deze alle locatiespecifieke risico’s en kwetsbaarheden behandelt. Bij de klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordelingen moet worden nagegaan of alle activa op de locatie in vergelijkbare mate aan hetzelfde risico worden blootgesteld. Zo kunnen vervolgens voor elk activum op de locatie afzonderlijk de beste adaptatieoplossingen worden voorgesteld.
129. De generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie bepalen dat de marktdeelnemer fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptatieoplossingen”) moet toepassen voor bestaande activiteiten en voor nieuwe activiteiten waarbij wordt gebruikgemaakt van bestaande fysieke activa, gedurende een periode van maximaal vijf jaar. Gaat de periode van vijf jaar in wanneer de beoordeling is afgerond of wanneer de adaptatieoplossing wordt vastgesteld?
Adaptatieoplossingen zijn veranderingen in processen, praktijken en structuren van de betreffende economische activiteit, om mogelijke schade in verband met klimaatverandering te mitigeren. Adaptatieoplossingen kunnen fysiek zijn (bv. het bouwen van waterkeringen) of niet-fysiek (bv. het overschakelen op droogtebestendige gewassen of het opnieuw ontwerpen van communicatiesystemen). Het beoordelen van adaptatieoplossingen is een stap in de klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling. De periode van vijf jaar gaat in op de dag waarop de exploitant de klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling van de activiteit heeft afgerond en de adaptatieoplossing voor de activiteit heeft vastgesteld.
130. Hoe wordt de “verwachte levensduur” gedefinieerd? Moet dit worden opgevat als de verwachte levensduur van de onderliggende economische activiteit of van de financiering van de activiteit?
De generieke DNSH-criteria voor de doelstelling klimaatadaptatie bepalen dat fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, moeten worden vastgesteld door middel van een klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling. Bij deze beoordeling wordt nagegaan welke fysieke klimaatrisico’s van invloed kunnen zijn op de prestaties van de economische activiteit tijdens de verwachte levensduur ervan. De fysieke risico’s houden verband met de locatie en het soort activiteit; de verwachte levensduur wordt dus opgevat als de gehele periode waarin de economische activiteit wordt verricht. In de bouwsector omvat de levensduur bijvoorbeeld de planning, het ontwerp, het gebruik en de sloop van een gebouw. Voor activiteiten op lange termijn of voor onbepaalde tijd kan het passend zijn om rekening te houden met een levensduur van nog ten minste dertig jaar.
131. De generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie in aanhangsel A hebben betrekking op “fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptatieoplossingen”) [...] die de belangrijkste vastgestelde fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, verminderen”. Hoe moet de term “verminderen” worden opgevat? Is alles wat fysieke klimaatrisico’s kan verminderen acceptabel? Of kan alleen rekening worden gehouden met oplossingen die het effect zodanig verminderen dat het leidt tot een andere risicobeoordeling (risicosubklasse) van de klimaatrisico- en kwetsbaarheidsbeoordeling (KRKB)?
De generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie vermelden “adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen” in de lijst van stappen om een robuuste KRKB uit te voeren. De term “verminderen” betekent hier dat fysieke klimaatrisico’s die voor de economische activiteit van belang zijn, worden teruggebracht tot het niveau waarop de activiteit kan worden voortgezet zonder aanzienlijke vermijdbare (83) klimaatgerelateerde verstoringen in het heden en gedurende de levensduur van de activiteit.
132. In de generieke DNSH-criteria voor klimaatadaptatie in aanhangsel A staat dat “de marktdeelnemer [...] fysieke en niet-fysieke oplossingen toe[past]”. Moet altijd aan beide voorwaarden worden voldaan voordat een adaptatieoplossing in aanmerking komt (aangezien het woord “en” wordt gebruikt)?
Aanhangsel A verplicht marktdeelnemers adaptatieoplossingen in kaart te brengen die de belangrijkste geconstateerde fysieke klimaatrisico’s verminderen die voor die activiteit van belang zijn. Deze adaptatieoplossingen kunnen fysieke of niet-fysieke oplossingen zijn, afhankelijk van het fysieke klimaatrisico waarmee de exploitant wordt geconfronteerd.
Als voorbeeld van een fysieke adaptatieoplossing (84) kan een exploitant in een gebied dat te kampen heeft met hittegolven, besluiten zijn gebouwen te voorzien van groene daken of groene gevels om de binnentemperatuur laag te houden tijdens warme perioden en om de waterretentie rond de gebouwen te verbeteren door het afstromen van regenwater tot een minimum te beperken.
Daarentegen kan een bedrijf dat actief is in het afvangen en gebruiken van stortgas en zich bevindt in een zone die het risico loopt te worden getroffen door natuurbranden, als een niet-fysieke oplossing bewustmakingscampagnes voeren, om het gedrag dat natuurbranden kan veroorzaken te verminderen (85).
Generieke DNSH-criteria voor de preventie en bestrijding van verontreiniging
133. Aanhangsel C is op 27 juni 2023 gewijzigd. Wat houden deze wijzigingen in?
Aanhangsel C bevat voor de doelstelling van preventie en bestrijding van verontreiniging de generieke DNSH-criteria wat betreft het gebruik en de aanwezigheid van chemische stoffen. Meer in het bijzonder gaat het om de vervaardiging, het gebruik en de aanwezigheid van zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) en andere gevaarlijke stoffen waarnaar in de desbetreffende EU-wetgeving wordt verwezen.
Aanhangsel C is op 27 juni 2023 gewijzigd om onder meer de in de punten f) en g) van dat aanhangsel vastgestelde voorwaarden voor afwijkingen te verduidelijken.
De eerdere afwijking waarbij het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen werd toegestaan op basis van het begrip “essentieel voor de samenleving”, is herzien. In het kader van de herziene afwijking moeten exploitanten beoordelen en documenteren dat er geen andere geschikte alternatieve stoffen of technologieën op de markt zijn en, indien er geen alternatieven zijn, beoordelen en documenteren dat de gevaarlijke stoffen alleen onder gecontroleerde omstandigheden worden gebruikt (86).
Die afwijking heeft betrekking op zowel stoffen die zijn geïdentificeerd als zeer zorgwekkende stoffen overeenkomstig artikel 59, lid 1, van de REACH-verordening (herzien punt f) van aanhangsel C) en stoffen die voldoen aan de criteria van de gevarenklassen of gevarencategorieën van artikel 57 van de REACH-verordening (nieuw lid toegevoegd na punt f) van aanhangsel C). Bij de wijziging is ook een concentratiegrenswaarde van 0,1 gewichtspercent (g/g) ingevoerd voor het gebruik van de stoffen in mengsels en voorwerpen.
De voorwaarden voor de afwijkingen moeten worden beoordeeld en gedocumenteerd, afhankelijk van het gebruik van de betreffende chemische stof(fen).
In aanhangsel C is punt g) geschrapt en vervangen door een nieuw punt dat is toegevoegd na punt f). Het gaat om een afzonderlijk punt, omdat het toepassingsbereik ervan verschilt van dat van de punten a) tot en met f). In tegenstelling tot het nieuwe punt, omvatten de punten a) tot en met f) de situatie van het “gebruik van stoffen”; deze zijn niet beperkt tot de situaties waarin sprake is van “fabricage” of “in de handel brengen”. In het nieuwe lid wordt verduidelijkt dat de economische activiteit niet mag leiden tot de vervaardiging, de aanwezigheid in het eindproduct of de output, of het in de handel brengen van stoffen die voldoen aan de criteria van de in artikel 57 van de REACH-verordening genoemde gevarenklassen of -categorieën, tenzij de exploitanten beoordelen en documenteren dat er geen andere geschikte alternatieve stoffen of technologieën op de markt beschikbaar zijn en dat zij onder gecontroleerde omstandigheden worden gebruikt. Aangezien het nieuwe lid niet verwijst naar het “gebruik van stoffen”, mits het gebruik van een in het nieuwe lid bedoelde stof niet leidt tot de aanwezigheid ervan in het eindproduct of de output, noch tot het in de handel brengen ervan, is het in dat nieuwe lid vastgestelde verbod niet van toepassing op dat gebruik.
134. Welke chemische stoffen vallen onder punt f) van aanhangsel C, zoals gewijzigd op 27 juni 2023?
Punt f) heeft betrekking op stoffen die overeenkomstig artikel 57 van de REACH-verordening als zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) zijn geïdentificeerd overeenkomstig de procedure van artikel 59, leden 2 tot en met 10, van de REACH-verordening. Deze stoffen zijn te vinden in de kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen die wordt beheerd door het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).
135. Welke chemische stoffen vallen onder het laatste lid van aanhangsel C, toegevoegd na punt f), zoals gewijzigd op 27 juni 2023?
Het nieuwe lid dat na punt f) wordt toegevoegd, heeft betrekking op stoffen die voldoen aan de criteria van de verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening) voor een van de in artikel 57 van de REACH-verordening vermelde gevarenklassen of -categorieën. De inventaris van indelingen en etiketteringen (C&L-inventaris) bevat informatie over de gevarenindelingen van stoffen overeenkomstig de CLP-verordening, met geharmoniseerde indelingen (beoordeeld door de autoriteiten en vastgesteld door de Commissie) en eigen indelingen van ondernemingen (beoordeeld en vastgesteld door de ondernemingen). De gevarenindeling van stoffen die onder het nieuwe punt vallen dat na punt f) is toegevoegd, is derhalve publiek beschikbaar. Fabrikanten en importeurs van gevaarlijke stoffen zijn op grond van de CLP-verordening verplicht hun stoffen zelf te evalueren en deze indeling te rapporteren aan het ECHA, dat deze beschikbaar stelt in de C&L-inventaris. De Commissie erkent dat er voor stoffen zonder geharmoniseerde indeling verschillen kunnen bestaan in de eigen indeling die door verschillende ondernemingen wordt ingediend. Bovendien geldt voor de vermeldingen momenteel geen verificatie of kwaliteitscontrole.
136. Punt f) en het nieuwe punt na punt f) van aanhangsel C voorzien in een vrijstelling op grond waarvan exploitanten die de overeenkomstige stoffen gebruiken, moeten beoordelen en documenteren “dat er geen andere geschikte alternatieve stoffen of technologieën op de markt beschikbaar zijn en dat zij onder gecontroleerde omstandigheden worden gebruikt”. Hoe moeten exploitanten “dat er geen andere geschikte alternatieve stoffen of technologieën op de markt beschikbaar zijn en dat zij onder gecontroleerde omstandigheden worden gebruikt” interpreteren en naleven om aan die vrijstelling te voldoen?
Geen andere geschikte alternatieve stoffen
In het kader van aanhangsel C wordt een alternatieve stof als “geschikt” beschouwd indien aan alle vier de volgende criteria wordt voldaan:
|
— |
de stof is veiliger (d.w.z. het gebruik ervan brengt een lager risico voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich dan het risico van het gebruik van de stof); |
|
— |
de stof is technisch haalbaar (d.w.z. de stof biedt de functionaliteit en het niveau van technische prestaties die nodig zijn voor het gebruik); |
|
— |
de stof is economisch haalbaar voor een marktdeelnemer (d.w.z. het gebruik heeft geen negatieve economische effecten heeft van een omvang die de economische levensvatbaarheid van de activiteiten in verband met het gebruik waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd, in gevaar zou brengen); en |
|
— |
de stof is beschikbaar (d.w.z. een analyse van de alternatieven moet worden uitgevoerd uit oogpunt van de productiecapaciteit voor de alternatieve stoffen en de haalbaarheid van alternatieve technologieën, alsook in het licht van de wettelijke en feitelijke vereisten voor het in het verkeer brengen ervan). |
Het ontbreken van geschikte alternatieve stoffen kan als volgt worden aangetoond:
|
— |
voor stoffen die zijn opgenomen in bijlage XIV bij de REACH-verordening (d.w.z. sommige van de stoffen in aanhangsel C, punt f)) geldt dat, indien een exploitant een autorisatie voor het gebruik van de stof heeft verkregen, die autorisatie het bewijs is van het ontbreken van geschikte alternatieven. Dit betekent dat de exploitant die onder een verleende autorisatie valt, geen verdere beoordeling hoeft uit te voeren met betrekking tot de naleving van het criterium dat er geen alternatieve stoffen zijn. De te verstrekken documentatie moet ten minste het autorisatienummer, het autorisatiebesluit en alle in het autorisatiebesluit vereiste documentatie om de naleving aan te tonen, bevatten. Indien een autorisatieaanvraag vóór de in bijlage XIV vermelde uiterste aanvraagdatum van de stof is ingediend, hoeft de exploitant geen verdere beoordeling uit te voeren in afwachting van het autorisatiebesluit. Totdat een besluit over de autorisatieaanvraag is genomen, kan de exploitant de in de aanvraag ingediende analyse van de alternatieven verstrekken. Indien reeds een advies van het Committee for Socio-economic Analysis (SEAC) is uitgebracht waarin het ontbreken van alternatieven wordt bevestigd, kan dit ook worden ingediend. |
|
— |
Voor toepassingen i) van een in bijlage XIV bij de REACH-verordening opgenomen stof waarvoor geen autorisatie vereist is, of ii) van een stof die is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 59, lid 1, van de REACH-verordening (kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen), of iii) van een stof die voldoet aan de criteria van artikel 57 van de REACH-verordening (zoals geregistreerd in de C&L-inventaris van het ECHA), moeten de mogelijke alternatieven worden beoordeeld en moeten de beoordeling en het resultaat daarvan worden gedocumenteerd. De exploitant:
|
Gebruik onder gecontroleerde omstandigheden
Een stof wordt onder gecontroleerde omstandigheden gebruikt wanneer de risico’s die voortvloeien uit het subjectieve gebruik en de gebruiksvoorwaarden van de exploitant (blootstellingsscenario’s) zodanig zijn beoordeeld en worden beheerd dat er risicobeheersmaatregelen en gebruiksvoorwaarden voorhanden zijn die de blootstelling en emissies van de exploitant tot een minimum beperken. Op basis daarvan moet de exploitant met name risicobeheersmaatregelen treffen om de blootstellingen en emissies van de stof die tijdens de gebruiksfase kan leiden tot ernstige risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu, tot een minimum te beperken. Indien het risico van het gebruik van de stof door de exploitant ook voor veel andere exploitanten geldt en dit risico bijgevolg reeds eerder door een andere instantie (leverancier, autoriteit, concurrent, ...) is beoordeeld en de risicobeheersmaatregelen en operationele voorwaarden dienovereenkomstig zijn vastgesteld, zou de naleving daarvan voldoende kunnen zijn met het oog op de taxonomie. Als het gebruik niet in een bestaande risicobeoordeling is behandeld, moet de exploitant eerst een eigen risicobeoordeling uitvoeren en documenteren.
In het algemeen zijn de bestaande wettelijke voorschriften van de EU en de lidstaten inzake chemische stoffen, producten en afval vastgesteld om de blootstelling van de mens aan de stof en de emissies ervan in het milieu, alsook de risico’s die uit die blootstelling en emissies voortvloeien, te beperken. Indien een exploitant reeds dit soort risicobeoordeling en -beheersmaatregelen heeft uitgevoerd en bijgevolg de emissies en blootstellingen als gevolg van een bepaald gebruik tot een minimum heeft beperkt overeenkomstig de toepasselijke eisen van de EU- en nationale wetgeving inzake de bescherming van werknemers, consumenten, de bevolking als geheel en het milieu, moet die exploitant worden geacht te voldoen aan de voorschriften inzake “gecontroleerde omstandigheden” van aanhangsel C.
Om aan te tonen dat aan de vrijstelling “gecontroleerde omstandigheden” wordt voldaan, moeten exploitanten documentatie verstrekken waaruit blijkt dat zij beschikken over risicobeoordelings- en -beheersprocessen die emissies en blootstellingen aan stoffen, alsook de risico’s die uit deze emissies en blootstellingen voortvloeien, tot een minimum beperken, in overeenstemming met de relevante bestaande wettelijke voorschriften. Indien de exploitant op basis van specifieke wettelijke voorschriften (88) een risicobeoordeling heeft uitgevoerd of op passende wijze heeft gebruikt en het daaruit voortvloeiende risicobeheersproces heeft gevolgd en gedocumenteerd, moet die documentatie als bewijs van naleving worden beschouwd.
Afhankelijk van het specifieke gebruik en de gevaarlijke eigenschappen van de stof zou de exploitant de volgende (niet-uitputtende) lijst van maatregelen kunnen opzetten om aan te tonen dat het vereiste van gebruik onder “gecontroleerde omstandigheden” wordt nageleefd:
|
— |
de opstelling van chemische veiligheidsrapporten en het gebruik van passende risicobeheersmaatregelen overeenkomstig artikel 14 van de REACH-verordening; |
|
— |
de maatregelen genoemd in artikel 5, lid 5, en artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk; |
|
— |
bepalingen overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2010/75/EU betreffende de emissiegrenswaarden en de gelijkwaardige parameters en technische maatregelen die gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken (BBT). Exploitanten kunnen dergelijke maatregelen toepassen als het gebruik van de stof onder een BBT-conclusie of een referentiedocument voor de beste beschikbare technieken (BREF) valt. |
Standaard wordt de vrijstelling van het vereiste van “gecontroleerde omstandigheden” geacht te zijn vervuld indien de exploitant voldoet aan de in artikel 18, lid 4, van de REACH-verordening genoemde maatregelen inzake “strikt gecontroleerde voorwaarden”, en deze documenteert.
Voor een in bijlage XIV bij de REACH-verordening opgenomen stof waarvoor een autorisatie is verleend, wordt naleving van de autorisatievoorwaarden met betrekking tot risicobeheersmaatregelen en naleving van de vereisten van artikel 60, lid 10, van de REACH-verordening voldoende geacht om voor die toegestane toepassingen te voldoen aan het criterium inzake het gebruik onder gecontroleerde omstandigheden.
Dit betekent dat een exploitant aan wie een dergelijke autorisatie is verleend, geen verdere beoordeling van de naleving van het criterium inzake gebruik onder gecontroleerde omstandigheden hoeft uit te voeren. De te verstrekken documentatie bevat ten minste het autorisatienummer, het autorisatiebesluit, het chemisch veiligheidsrapport voor het gebruik ervan overeenkomstig het autorisatiebesluit en documentatie waaruit naleving blijkt, zoals vereist krachtens het autorisatiebesluit en artikel 60, lid 10, van de REACH-verordening.
Indien een autorisatieaanvraag vóór de in bijlage XIV vermelde uiterste aanvraagdatum van de stof is ingediend, kan de exploitant, in afwachting van het autorisatiebesluit, verwijzen naar het bij de autorisatieaanvraag gevoegde chemisch veiligheidsrapport, met inbegrip van de motivering van de toepassing van passende risicobeheersmaatregelen, indien hij die emissies rechtvaardigt en de blootstelling overeenkomstig de eisen van de REACH-verordening tot een minimum wordt beperkt.
Er kan worden gemotiveerd dat de emissies/blootstellingen tot een minimum worden beperkt. Indien er bijvoorbeeld een advies van het Comité risicobeoordeling (RAC) is waarin wordt geconcludeerd dat de blootstelling/emissies tot een minimum worden beperkt, kan ook naar dat advies worden verwezen.
137. In de gedelegeerde EU-taxonomieverordening klimaat en de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu staat dat “[d]e Commissie [...] de uitzonderingen op het verbod op de fabricage, het in de handel brengen of het gebruik van de in punt f) bedoelde stoffen [zal] herzien nadat zij de horizontale beginselen inzake essentieel gebruik van chemische stoffen heeft bekendgemaakt”. De Commissie heeft op 22 april 2024 de mededeling over de “essentiële toepassing van chemische stoffen” gepubliceerd (89) . Welke gevolgen heeft dit voor de toepassing van de afwijking in punt f) van aanhangsel C?
Het begrip “essentieel voor de samenleving” wordt beschreven in mededeling C(2024) 1995 van de Commissie. Het begrip is echter nog niet opgenomen in de wetgeving inzake chemische stoffen waarnaar in aanhangsel C wordt verwezen, noch in de taxonomieverordening zelf. De huidige afwijkingsvoorwaarden waaraan moet worden voldaan, zijn derhalve dat er “geen geschikte alternatieve stoffen” zijn en het gebruik “onder gecontroleerde omstandigheden”, zoals beschreven in FAQ 136 van deze mededeling van de Commissie.
138. Als onderdeel van de wijzigingen van 27 juni 2023 is een concentratiegrenswaarde van 0,1 gewichtspercent (g/g) ingevoerd voor chemische stoffen die onder punt f) van aanhangsel C vallen. Hoe moet de drempel van 0,1 gewichtspercent worden toegepast? Is er een verschil tussen ingevoerde voorwerpen en in de EU vervaardigde voorwerpen?
De drempel van 0,1 % is van toepassing op de concentratie van de stoffen in mengsels en voorwerpen. Er is in dit opzicht geen verschil tussen ingevoerde voorwerpen en in de EU vervaardigde voorwerpen.
Wanneer een product bestaat uit (een samenstel van) verschillende voorwerpen of een combinatie van voorwerpen en mengsels, moet de concentratie van 0,1 % voor elk voorwerp en mengsel afzonderlijk worden bepaald. Merk op dat voorwerpen die in een product zijn geassembleerd, van verschillende materialen kunnen zijn gemaakt.
Generieke DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen
139. Welke karteringsinstrumenten of databasebron moeten worden gebruikt om de nabijheid van gebieden tot biodiversiteitsgevoelige gebieden, zoals het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, te controleren?
De Natura 2000-viewer toont de grenzen van alle Natura 2000-gebieden. Als op een bepaald gebied wordt geklikt, verschijnt het standaarddataformulier, waarin de habitats en soorten worden beschreven die in het gebied worden beschermd.
Zie:
|
— |
|
— |
|
— |
Lijst van Natura 2000-gebieden, met een lijst van de Natura 2000-gebieden in alle lidstaten, met links naar de kaartviewer, standaarddataformulieren en beheersplannen. |
140. Welke afstandscriteria voor biodiversiteitsgevoelige gebieden moeten worden gebruikt?
Het is niet dat zo vanaf een bepaalde afstand de effecten voor Natura 2000-gebieden als niet-significant kunnen worden beschouwd. Een dam in een rivier kan bijvoorbeeld nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden die verder stroomafwaarts liggen, of een mijnbouwproject kan wetlands op enkele kilometers afstand aantasten. Mogelijke negatieve effecten moeten per geval worden beoordeeld in het licht van de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen. Het EU-Hof van Justitie (“HvJ-EU”) heeft in verschillende arresten bevestigd dat artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn van toepassing is op plannen en projecten buiten Natura 2000-gebieden, ongeacht de afstand tot het betrokken gebied (90).
141. Wat betekent het begrip “vereiste” in de zin “Wanneer een milieueffectbeoordeling is uitgevoerd, worden de vereiste mitigerende en compenserende maatregelen ter bescherming van het milieu getroffen”? Verwijst dit naar alle in een MEB aanbevolen maatregelen en de desbetreffende beoordeling, of verwijst dit naar maatregelen die de autoriteiten nodig achtten? Sommige van deze mitigerende en compenserende maatregelen zijn mogelijk ingebouwd in de vergunning uit hoofde van de richtlijn industriële emissies (IED). Zijn dat de enige verplichte maatregelen?
De term “vereist” verwijst naar de maatregelen die worden opgelegd door de autoriteit die, na het uitvoeren van een MEB, een vergunning verleent voor een project, en omvat geen aanbevolen maatregelen.
Wat de passende beoordeling in het kader van de habitatrichtlijn betreft, staan de DNSH-criteria alleen mitigerende maatregelen toe – geen compenserende maatregelen. Wat het voorkomen van schade betreft, wordt in de desbetreffende bepalingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandelingen (91) het volgende bepaald: “Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.”
Mitigerende maatregelen zijn bedoeld om de impact te verminderen of om te voorkomen dat de impact zich überhaupt voordoet. Mitigerende maatregelen kunnen worden voorgesteld door de indiener van het plan of project en/of door de bevoegde nationale autoriteiten worden vereist om de in de passende beoordeling geïdentificeerde mogelijke gevolgen te voorkomen of te reduceren tot een niveau waarop zij geen negatieve gevolgen meer hebben voor de integriteit van het gebied. Bij een passende beoordeling op grond van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet rekening worden gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De vaststelling en beschrijving van mitigerende maatregelen moet, net als de passende beoordeling zelf, gebaseerd zijn op een goed begrip van de betrokken soorten en habitats, in overeenstemming met de habitatrichtlijn. Dit is niet het geval bij een IED-vergunning.
De mitigerende maatregelen worden gewoonlijk voorgesteld door de ontwikkelaar en geanalyseerd door de bevoegde autoriteiten. Indien die autoriteiten van oordeel zijn dat de maatregelen ontoereikend zijn om de integriteit van het gebied te beschermen, zullen zij aanvullende maatregelen eisen.
142. Bij een passende beoordeling in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet rekening worden gehouden met de cumulatieve gevolgen voor habitats en soorten die in de gebieden worden beschermd. Moet de vergunning voor een fabriek die vóór de inwerkingtreding van de richtlijn is goedgekeurd, worden herzien? Hoe moeten de cumulatieve emissies worden beoordeeld, met inbegrip van de emissies van fabrieken die vóór de inwerkingtreding van de richtlijn zijn vergund en gebouwd? Als de vergunning voor een oude fabriek wordt herzien, moet deze dan worden beoordeeld als een nieuw project in het kader van de habitatrichtlijn?
Fabrieken die vóór de aanwijzing van Natura 2000-gebieden op grond van de habitatrichtlijn waren gebouwd, hoefden de gevolgen ervan voor habitattypen en soorten niet te beoordelen op grond van artikel 6, lid 3, van die richtlijn. De huidige exploitatie van deze fabrieken zou moeten voldoen aan artikel 6, lid 2, van die richtlijn vanaf de datum waarop de betrokken gebieden op de lijst van gebieden van communautair belang worden geplaatst. Zo moeten de lidstaten in Natura 2000-gebieden passende maatregelen nemen om verslechtering van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten te voorkomen en om te voorkomen dat de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, aanzienlijk worden verstoord, wat verband kan houden met de exploitatie van deze fabrieken (92).
Het HvJ-EU heeft echter bevestigd dat de bepalingen van artikel 6, leden 2 en 3, van de habitatrichtlijn als een samenhangend geheel moeten worden opgevat (93) en tot doel hebben hetzelfde niveau van bescherming van natuurlijke habitats en habitats van soorten te waarborgen (94).
Wanneer artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn leidt tot een verplichting om de gevolgen van een project voor het betrokken gebied achteraf te evalueren, moet die evaluatie dus aan de vereisten van artikel 6, lid 3, voldoen. In dit geval zou de evaluatie worden beschouwd als een passende beoordeling van een nieuw project in de zin van artikel 6, lid 3, en zou zij moeten worden beoordeeld in combinatie met andere plannen en projecten (voltooid, goedgekeurd maar onvolledig, of voorgesteld). Het project kan alleen worden goedgekeurd als er zekerheid bestaat dat het geen significante negatieve gevolgen zal hebben voor de integriteit van de Natura 2000-gebieden.
Dit betekent dat, indien een lidstaat de exploitatie van een oude fabriek beoordeelt overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, en uit de beoordeling blijkt dat de exploitatie aanzienlijke gevolgen heeft voor de integriteit van het betrokken gebied, gelet op de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen, die lidstaat passende maatregelen moet nemen om dergelijke gevolgen voor de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, te voorkomen of tot een minimum te beperken (bv. door mitigerende maatregelen toe te passen).
143. Gelden milieueffectbeoordelingen alleen voor activiteiten die binnen het toepassingsbereik van de MEB-richtlijn vallen of voor alle activiteiten die onder de EU-taxonomie vallen?
De MEB-richtlijn is van toepassing op de in de bijlagen I en II vermelde activiteiten. Voor de toepassing van de EU-taxonomie is de richtlijn ook van toepassing op activiteiten die niet in deze bijlagen zijn opgenomen, maar waarvoor in de generieke DNSH-criteria voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen in bijlage D bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu wordt verwezen naar de noodzaak van een milieueffectbeoordeling.
AFDELING IX VRAGEN OVER DE GEDELEGEERDE EU-TAXONOMIEHANDELING RAPPORTAGE
144. Wat is het tijdschema voor de rapportage over het in aanmerking komen voor en de afstemming op de taxonomie van economische activiteiten die zijn opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en de wijzigingen van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat?
Artikel 10, leden 6 en 7, van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage bepaalt:
|
— |
van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 moeten niet-financiële ondernemingen alleen het aandeel rapporteren van hun totale omzet, CapEx en OpEx met betrekking tot voor de taxonomie in aanmerking komende en niet voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteiten die zijn opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en de economische activiteiten die bij de wijzigingsverordening aan de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat zijn toegevoegd (95); |
|
— |
vanaf 1 januari 2025 moeten niet-financiële ondernemingen het aandeel rapporteren van hun totale omzet, CapEx en OpEx met betrekking tot op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die onder de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu vallen en economische activiteiten die bij de wijzigingsverordening aan gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat zijn toegevoegd; |
|
— |
van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 moeten niet-financiële ondernemingen alleen het aandeel rapporteren van de bestreken activa van voor de taxonomie in aanmerking komende en niet voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteiten die zijn opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en van de economische activiteiten die bij de wijzigingsverordening aan de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat zijn toegevoegd. Daarnaast moeten financiële ondernemingen de in bijlage XI opgenomen kwalitatieve informatie met betrekking tot die economische activiteiten rapporteren; |
|
— |
vanaf 1 januari 2026 moeten niet-financiële ondernemingen de KPI’s rapporteren wat betreft de afstemming op de taxonomie met betrekking tot de economische activiteiten die onder de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu vallen en de economische activiteiten die bij de wijzigingsverordening aan de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (96) zijn toegevoegd. |
De volgende tabel bevat een tijdschema voor de rapportagevereisten voor niet-financiële en voor financiële ondernemingen. Dit tijdschema geeft het rapportagejaar weer (d.w.z. het jaar waarin de rapportage wordt gepubliceerd) voor boekjaar N waarover de onderneming rapporteert. Zo wordt de rapportage met KPI’s over het boekjaar 2023 in de praktijk gepubliceerd in 2024.
|
Tijdsperiode |
Niet-financiële onderneming die onder de jaarrekeningrichtlijn valt (97) |
Financiële ondernemingen die onder de jaarrekeningrichtlijn vallen |
||||
|
Rapportagejaar/publicatiejaar (voor rapportage over boekjaar N) |
Activiteiten opgenomen in: |
Activiteiten opgenomen in: |
||||
|
Gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (incl. aanvullende gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) |
wijzigingen van juni 2023 van gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat |
Gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu |
Gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat (incl. aanvullende gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat) |
wijzigingen van juni 2023 van gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat |
Gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu |
|
|
Van 1.1.2022 t/m 1.12.2022 |
Komen in aanmerking (m.u.v. activiteiten die onder de aanvullende gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat vallen) |
- |
- |
Komen in aanmerking (m.u.v. activiteiten die onder de aanvullende gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat vallen) |
|
|
|
Van 1.1.2023 t/m 31.12.2023 |
Afstemmings-KPI’s |
|
|
Komen in aanmerking |
|
|
|
Van 1.1.2024 t/m 31.12.2024 |
Afstemmings-KPI’s |
Komen in aanmerking |
Komen in aanmerking |
Afstemmings-KPI’s |
Komen in aanmerking |
Komen in aanmerking |
|
Van 1.1.2025 t/m 31.12.2025 |
Afstemmings-KPI’s |
Afstemmings-KPI’s |
Afstemmings-KPI’s |
Afstemmings-KPI’s |
Komen in aanmerking |
Komen in aanmerking |
|
Vanaf 1.1.2026 |
Afstemmings-KPI’s ook voor andere grote ondernemingen die onder de CSRD vallen |
Afstemmings-KPI’s (98) |
Afstemmings-KPI’s |
Afstemmings-KPI’s |
||
|
Vanaf 1.1.2027 |
Afstemmings-KPI’s ook voor andere beursgenoteerde mkb-bedrijven die onder de CSRD vallen (99) |
|
|
|
||
145. Indien een beursgenoteerd mkb-bedrijf overeenkomstig artikel 19 bis, lid 7, van de jaarrekeningrichtlijn tot 2028 afziet van duurzaamheidsrapportage, moet het dan in zijn bestuursverslag nog informatie verschaffen op grond van artikel 8 van de taxonomieverordening?
Nee. Artikel 8 van de taxonomieverordening is van toepassing op alle ondernemingen die krachtens de artikelen 19 bis en 29 bis van de jaarrekeningrichtlijn een duurzaamheidsverslag moeten opstellen en publiceren. Indien een mkb-bedrijf (met uitzondering van micro-ondernemingen) met verhandelbare effecten die tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, besluit het krachtens artikel 19 bis, lid 7, van de jaarrekeningrichtlijn vereiste duurzaamheidsverslag met rapportage op grond van artikel 8 van de taxonomieverordening, niet in zijn bestuursverslag op te nemen, is het niet verplicht om informatie te verschaffen op grond van artikel 8 van de taxonomieverordening.
146. Moeten ondernemingen die voor het eerst in een bepaald rapportagejaar (N) moeten rapporteren over de taxonomie, ook vergelijkende informatie over het voorgaande boekjaar (N-1) opnemen?
Nee. Ondernemingen die voor het eerst voor een bepaald boekjaar op grond van de taxonomieverordening moeten rapporteren, hoeven die informatie alleen voor dat boekjaar (N) te verschaffen. Ondernemingen hoeven vergelijkende informatie over boekjaar N-1 pas op te nemen vanaf het tweede jaar dat zij rapporteren op grond van de taxonomieverordening. Zoals verduidelijkt in FAQ 3 van mededeling C/2023/305 van de Commissie, vallen grote niet-beursgenoteerde ondernemingen bijvoorbeeld onder de rapportageverplichting op grond van artikel 8 van de taxonomieverordening en de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage voor de boekjaren die op of na 1 januari 2025 aanvangen (met een eerste publicatie in 2026). Die ondernemingen hoeven daarom in 2026 alleen een taxonomierapportage te publiceren die betrekking heeft op het boekjaar 2025; pas in de daaropvolgende rapportagejaren (d.w.z. vanaf 2027) moeten zij ook vergelijkende informatie opnemen. Dit betekent dat die ondernemingen in 2027 op grond van de taxonomieverordening moeten rapporteren met betrekking tot boekjaar 2026 (N) en vergelijkende informatie over boekjaar 2025 (N-1) moeten opnemen.
147. Vanaf wanneer moeten ondernemingen gebruikmaken van de gewijzigde rapportagetemplates die zijn opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu?
In bijlage V bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu worden gewijzigde rapportagetemplates geïntroduceerd voor de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage. Dit moet de taxonomierapportage met betrekking tot alle milieudoelstellingen vergemakkelijken. Die gewijzigde rapportagetemplates vervangen eerdere templates en moeten door ondernemingen worden gebruikt voor de rapportage over de afstemming op de taxonomie in het rapportage-/publicatiejaar vanaf 1 januari 2024 (100). Niet-financiële ondernemingen die geen economische activiteiten verrichten die voor meer dan één milieudoelstelling in aanmerking komen, zijn niet verplicht de aanvullende tabel in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage in te vullen.
148. In hoeverre moeten ondernemingen rapporteren over activiteiten die zijn opgenomen in de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu en de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat wanneer deze niet van wezenlijk belang zijn voor hun bedrijf?
Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de taxonomieverordening zijn ondernemingen die onder de CSRD vallen, verplicht om te rapporteren over het aandeel van hun omzet, CapEx en OpEx dat verband houdt met op de taxonomie afgestemde economische activiteiten. De gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage geeft een nadere specificatie van de inhoud en presentatie van de relevante informatie die moet worden gerapporteerd. Vrijstellingen van de rapportageverplichting zijn niet toegestaan.
Indien relevante ondernemingen door een gebrek aan data of bewijsstukken niet kunnen nagaan of voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten die niet van wezenlijk belang zijn voor hun bedrijf aan de technische screeningcriteria voldoen, moeten zij die activiteiten zonder verdere beoordeling rapporteren als niet op de taxonomie afgestemd. Voor meer details worden ondernemingen verwezen naar FAQ 13 in mededeling C/2023/305 van de Commissie (101).
149. Indien een activiteit op de taxonomie is afgestemd, maar in aanmerking komt om aan meer dan één doelstelling bij te dragen, moet een onderneming dan beoordelen of de activiteit bijdraagt aan alle andere doelstellingen?
Wanneer een activiteit op de taxonomie is afgestemd maar in aanmerking komt om aan meer dan één doelstelling bij te dragen, moet een niet-financiële onderneming voor die andere in aanmerking komende doelstellingen “Y” (ja) of “N” (nee) aangeven in de respectieve rapportagetemplates in bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage. Dit wordt toegelicht in voetnoot b) van die templates. Met andere woorden, de niet-financiële onderneming moet beoordelen of de activiteit al dan niet is afgestemd op elke in aanmerking komende doelstelling en het resultaat dienovereenkomstig rapporteren in de respectieve rapportagetemplate. In FAQ 31 van de (ontwerp) derde mededeling van de Commissie wordt de methode voor financiële ondernemingen voor de berekening van KPI’s per milieudoelstelling verduidelijkt.
150. Hebben CapEx en OpEx als bedoeld in de afdeling 1.1.2.2, punt c), en afdeling 1.1.3.2 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage (“CapEx-type c” en “OpEx-type c”) betrekking op activiteiten die bijdragen tot een milieudoelstelling? Hebben de in die bepalingen bedoelde individuele maatregelen “waarmee de doelactiviteiten koolstofarm kunnen worden of die tot reducties van broeikasgasemissies kunnen leiden” alleen betrekking op CapEx voor de milieudoelstelling klimaatmitigatie?
Wat het eerste deel van de vraag betreft, moeten ondernemingen, afhankelijk van de boekhoudkundige behandeling van de betrokken uitgaven, hun aankopen van output van op de taxonomie afgestemde economische activiteiten identificeren als CapEx- of OpEx-type c, ongeacht de milieudoelstelling(en) waaraan die activiteiten substantieel bijdragen.
Wat het tweede deel van de vraag betreft, hebben de uitgaven voor individuele maatregelen als bedoeld in afdeling 1.1.2.2, punt c), en afdeling 1.1.3.2 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage betrekking op individuele maatregelen als vermeld in de afdelingen 7.3 tot en met 7.6 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat. Dergelijke individuele maatregelen zijn een voorbeeld van CapEx- of OpEx-type c voor activiteiten die substantieel bijdragen aan de doelstelling van klimaatmitigatie. Uitgaven voor dergelijke individuele maatregelen zullen er daarom naar verwachting toe leiden dat de doelactiviteiten koolstofarm worden (bv. uitgaven voor de installatie, het onderhoud of de reparatie van oplaadpunten voor elektrische voertuigen) of tot reducties van broeikasgasemissies leiden (bv. uitgaven voor energie-efficiënte apparatuur).
151. Hoe moeten ondernemingen rapporteren over faciliterende activiteiten die voor meerdere doeleinden kunnen worden gebruikt – en niet alleen om met doelactiviteiten een substantiële bijdrage te kunnen leveren aan een milieudoelstelling?
Overeenkomstig artikel 16 van de taxonomieverordening moet een economische activiteit als substantieel bijdragend aan een of meer milieudoelstellingen worden aangemerkt indien zij andere activiteiten rechtstreeks faciliteert om een substantiële bijdrage te leveren aan een of meer van die doelstellingen. Om te zorgen voor nauwkeurige rapportage, mogen ondernemingen in hun taxonomie-KPI’s alleen het aandeel van hun faciliterende producten of diensten opnemen dat daadwerkelijk wordt gebruikt om andere economische doelactiviteiten rechtstreeks te faciliteren om een substantiële bijdrage te leveren aan een van de milieudoelstellingen.
Met name wat de omzet-KPI betreft, mogen ondernemingen alleen het aandeel van de omzet van de output van de faciliterende activiteit rapporteren als op de taxonomie afgestemd. Dit heeft betrekking op toepassingen die rechtstreeks faciliteren dat doelactiviteiten een substantiële bijdrage leveren aan een milieudoelstelling, zoals gedefinieerd in de TSC’s voor de faciliterende activiteit. Evenzo moeten ondernemingen in hun op de taxonomie afgestemde CapEx- en OpEx-KPI’s het aandeel CapEx en OpEx van de faciliterende activiteit opnemen, waardoor de doelactiviteiten rechtstreeks een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de relevante milieudoelstelling zoals gedefinieerd in de TSC’s voor de faciliterende activiteit.
In overeenstemming met de benadering in het antwoord op FAQ 30 in mededeling C/2023/305 van de Commissie moeten rapporterende entiteiten een niet-financiële maatstaf gebruiken die zorgt voor een nauwkeurige toerekening van de CapEx aan faciliterende toepassingen. Als bijvoorbeeld het activum van de door CapEx gefinancierde faciliterende activiteit wordt gebruikt om i) 100 output-eenheden te produceren die een doelactiviteit faciliteren om een substantiële bijdrage te leveren, en ii) 100 output-eenheden die een andere activiteit niet faciliteren om een substantiële bijdrage te leveren, zou de rapporterende onderneming 50 % van die CapEx als op de taxonomie afgestemd kunnen rapporteren. De methode die wordt gebruikt om CapEx toe te rekenen aan faciliterende toepassingen, moet op verifieerbaar bewijs zijn gebaseerd. De rapporterende onderneming moet ook contextuele informatie verstrekken op grond van afdeling 1.2.3 van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage over:
|
— |
de toerekening van CapEx in verband met een activiteit die meerdere projecten of activiteiten faciliteert; en |
|
— |
de methode die is gebruikt om de CapEx toe te rekenen aan de op de taxonomie afgestemde faciliterende activiteit. |
152. Wat zijn de gevolgen van bedrijfscombinaties die dicht tegen het einde van het jaar plaatsvinden, waarvoor het praktisch niet mogelijk is om de afstemming van verworven activiteiten per jaarultimo te beoordelen, voor de taxonomierapportage in periode N en N+1?
Rapporterende ondernemingen moeten alle beschikbare informatie gebruiken bij de beoordeling van de afstemming van hun activiteiten op de taxonomie, met inbegrip van activiteiten die via bedrijfscombinaties zijn verworven, om nauwkeurige taxonomierapportages te kunnen indienen. Voor activiteiten die tijdens een rapportageperiode via bedrijfscombinaties zijn verworven, moeten ondernemingen die reeds verplicht zijn informatie te verschaffen op grond van de taxonomieverordening, deze activiteiten voor die rapportageperiode opnemen in hun taxonomierapportage op basis van: i) de taxonomiebeoordeling na de verwerving van die verworven activiteiten; en ii) informatie die is verkregen tijdens de due diligence voorafgaand aan de verwerving. Wanneer de verworven activiteiten bijvoorbeeld eerder door een andere onder de NFRD of CSRD vallende onderneming zijn uitgevoerd, kan informatie uit het verleden over de afstemming van de verworven activiteiten op de taxonomie, verkregen via eerdere taxonomierapportages van die onderneming, worden gebruikt als input om de afstemming van de verworven activiteiten op de taxonomie tijdens de huidige rapportageperiode te beoordelen.
Voor activiteiten die via een bedrijfscombinatie zijn verworven en door een rapporterende onderneming als voor de taxonomie in aanmerking komend zijn beoordeeld, is het misschien niet altijd praktisch mogelijk om voldoende informatie te verzamelen over de afstemming van die activiteiten op de taxonomie tijdens de rapportageperiode N (waarin de bedrijfscombinatie plaatsvindt). In dergelijke gevallen moet de rapporterende onderneming: i) de respectieve financiële informatie met betrekking tot de verworven activiteiten (bv. omzet, CapEx en OpEx voor de verworven niet-financiële activiteiten) opnemen in de noemer van haar taxonomie-KPI’s; en ii) deze in de teller van hun taxonomie-KPI’s beschouwen als niet op de taxonomie afgestemd. De rapporterende onderneming moet deze behandeling op transparante wijze rapporteren in de contextuele informatie, evenals het feit dat zij niet in staat was de verworven activa/activiteiten aan het einde van het jaar op afstemming te screenen. In rapportageperiode N+1 moet de rapporterende onderneming: i) het effect van deze behandeling apart houden (102) in de toelichting van de redenen voor eventuele wijzigingen in de KPI’s tussen de rapportageperioden N en N+1 (indien de rapporterende onderneming de KPI’s niet aanpast voor periode N); of ii) de KPI’s aanpassen voor periode N.
153. De aankoop en installatie van windturbines/zonnepanelen voor een huis worden gefinancierd met een banklening. Moet de bank haar financiering van de aankoop van de windturbine/zonnepanelen rapporteren op grond van afdeling 7.6 “Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie” of van afdeling 3.1 “Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie”? Geldt afdeling 7.6 alleen voor de dienst of ook voor het product?
De bank moet een dergelijke blootstelling beoordelen aan de hand van de TSC’s voor de desbetreffende gefinancierde activiteit. Voor de financiering van de installatiedienst moet de bank de afstemming op de technische screeningcriteria in afdeling 7.6 voor de activiteit installatie beoordelen. Voor de financiering van de aankoop van het hernieuwbare-energietechnologieproduct moet de bank de afstemming op de criteria in afdeling 3.1 voor de fabricage van de hernieuwbare-energietechnologie beoordelen. De bank moet de volledige blootstelling rapporteren in de overeenkomstige rijen voor blootstellingen door niet-zakelijk onroerend goed met betrekking tot particulieren en kleine partijen.
154. Omvat de activiteit in rij 6 van template 1 in bijlage XII bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage de exploitatie van verwarmingsketels op fossiel gas (bv. voor de productie van warm water) in gebouwen?
Alleen industriële activiteiten vallen onder de beschrijvingen van activiteiten in template 1 van bijlage XII bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage, die een afspiegeling vormen van analoge industriële activiteiten in de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat. De exploitatie van verwarmingsketels op fossiel gas in gebouwen valt hier dus niet onder.
155. Hoe moeten financiële en niet-financiële ondernemingen de termen “financiert” en “heeft blootstellingen” voor de rapportagetemplates voor fossiel gas en kernenergie interpreteren?
De rapportage over activiteiten op het gebied van fossiel gas en kernenergie in bijlage XII bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage heeft betrekking op KPI’s van niet-financiële en financiële ondernemingen. De termen “financiert” en “heeft blootstellingen” hebben echter betrekking op de taxonomierapportage van financiële ondernemingen. Niet-financiële ondernemingen mogen alleen de activiteiten identificeren en rapporteren die zij “verrichten” (103). De reden hiervoor is dat, in tegenstelling tot de taxonomie-KPI’s van financiële ondernemingen, de “toepasselijke” taxonomie-KPI’s van niet-financiële ondernemingen (omzet, CapEx, OpEx als bedoeld in de templates) geen betrekking hebben op het financieren en hebben van blootstellingen met betrekking tot een andere entiteit, zoals beleggingen in financiële instrumenten die voor kortetermijnhandel worden aangehouden.
(1) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Actieplan: duurzame groei financieren” (COM(2018) 97 final van 8.3.2018: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52018DC0097).
(2) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie van 4 juni 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen (PB L 442 van 9.12.2021, blz. 1).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie van 9 maart 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L 188 van 15.7.2022, blz. 1).
(5) Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2486 van de Commissie van 27 juni 2023 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, aan de transitie naar een circulaire economie, aan de preventie en bestrijding van verontreiniging of aan de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, en om uit te maken of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L, 2023/2486, 21.11.2023).
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie van 6 juli 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van de inhoud en de presentatie van door aan artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU onderworpen ondernemingen te rapporteren informatie betreffende ecologisch duurzame economische activiteiten en door vaststelling van de methode om aan deze rapportageverplichting te voldoen (PB L 443 van 10.12.2021, blz. 9).
(7) Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2485 van de Commissie van 27 juni 2023 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 door vaststelling van aanvullende technische screeningcriteria om de voorwaarden te bepalen waaronder specifieke economische activiteiten kunnen worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die activiteiten niet ernstig afbreuk doen aan een van de andere milieudoelstellingen (PB L, 2023/2485, 21.11.2023, blz. 1).
(8) Verdere praktische handvatten met uitgewerkte voorbeelden over het invullen van de rapportagetemplates kunnen te zijner tijd worden opgenomen onder: https://ec.europa.eu/sustainable-finance-taxonomy/.
(9) Mededeling van de Commissie over de uitlegging van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde rapportagehandeling wat betreft de rapportage van in aanmerking komende economische activiteiten en activa (2022/C 385/01) (PB C 385 van 6.10.2022, blz. 1): https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52022XC1006(01)
(10) Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (tweede mededeling van de Commissie) (C/2023/6747) (PB C, C/2023/305, 20.10.2023): https://eur-lex.europa.eu/eli/C/2023/305/oj.
(11) Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening klimaat tot vaststelling van technische screeningcriteria voor economische activiteiten die substantieel bijdragen tot de mitigatie van of adaptatie aan klimaatverandering en die geen ernstige afbreuk doen aan andere milieudoelstellingen (C/2023/6756) (PB C, C/2023/267, 20.10.2023): https://eur-lex.europa.eu/eli/C/2023/267/oj.
(12) Mededeling van de Commissie over de interpretatie en toepassing van een aantal wettelijke bepalingen van de EU-taxonomieverordening en verbanden met de verordening informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector (2023/C 211/01) (PB C 211 van 16.6.2023, blz. 1): https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ%3AJOC_2023_211_R_0001.
(13) Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (derde mededeling van de Commissie) (C/2024/7494) (PB C, C/2024/6691, 8.11.2024): https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:C_202406691.
(14) Werkdocument van de diensten van de Commissie, Impact assessment report accompanying the document Commission Delegated Regulation (EU) .../... supplementing Regulation (EU) 2020/852 of the European Parliament and of the Council by establishing the technical screening criteria for determining the conditions under which an economic activity qualifies as contributing substantially to climate change mitigation or climate change adaptation and for determining whether that economic activity causes no significant harm to any of the other environmental objectives, SWD(2021) 152 final van 4.6.2021: https://ec.europa.eu/finance/docs/level-2-measures/taxonomy-regulation-delegated-act-2021-2800-impact-assessment_en.pdf.
(15) Werkdocument van de diensten van de Commissie, Accompanying the document COMMISSION DELEGATED REGULATION (EU) …/... supplementing Regulation (EU) 2020/852 of the European Parliament and of the Council by establishing the technical screening criteria for determining the conditions under which an economic activity qualifies as contributing substantially to the sustainable use and protection of water and marine resources, to the transition to a circular economy, to pollution prevention and control or to the protection and restoration of biodiversity and ecosystems and for determining whether that economic activity causes no significant harm to any of the other environmental objectives and amending Delegated Regulation (EU) 2021/2178 as regards specific public disclosures for those economic activities and the COMMISSION DELEGATED REGULATION (EU) .../... amending Delegated Regulation (EU) 2021/2139 by establishing additional technical screening criteria for determining the conditions under which certain economic activities qualify as contributing substantially to climate change mitigation or climate change adaptation and for determining whether those activities cause no significant harm to any of the other environmental objectives, SWD (2023) 239 final van 27.6.2023: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52023SC0239.
(16) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Een kader voor duurzame financiering dat in de praktijk werkt” (COM(2023) 317 final van 13.6.2023): https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52023DC0317.
(17) Statement of the Eurogroup in inclusive format on the future of Capital Markets Union, 11 maart 2024: https://www.consilium.europa.eu/nl/meetings/eurogroup/2024/03/11/.
(18) Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning.
(19) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(20) Mededeling van de Commissie, “Leidende criteria en beginselen voor het begrip “essentiële toepassing” in EU-regelgeving inzake chemische stoffen” (C(2024) 1995 final van 22.4.2024: https://eur-lex.europa.eu/eli/C/2024/2894/oj).
(21) Verordening (EU) 2023/1464 van de Commissie van 14 juli 2023 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft formaldehyde en formaldehydebronnen (PB L 180 van 17.7.2023, blz. 12).
(22) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353, 31.12.2008, blz. 1).
(23) https://echa.europa.eu/information-on-chemicals/cl-inventory-database.
(24) Verordening (EU) 2024/3110 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011 (PB L 2024/3110, 18.12.2024, blz. 1).
(25) Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859 (PB L, 2024/1760, 5.7.2024).
(26) Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 537/2014, Richtlijn 2004/109/EG, Richtlijn 2006/43/EG en Richtlijn 2013/34/EU, met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (PB L 322 van 16.12.2022, blz. 15).
(27) Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56).
(28) Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).
(29) Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44).
(30) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie van 6 juli 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van de inhoud en de presentatie van door aan artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU onderworpen ondernemingen te rapporteren informatie betreffende ecologisch duurzame economische activiteiten en door vaststelling van de methode om aan deze rapportageverplichting te voldoen (PB L 443 van 10.12.2021, blz. 9).
(31) Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
(32) Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).
(33) Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PB L, 2024/1275, 8.5.2024).
(34) Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772 van de Commissie van 31 juli 2023 tot aanvulling van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft standaarden voor duurzaamheidsrapportage (PB L, 2023/2772, 22.12.2023).
(35) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139, als gewijzigd bij Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2022/1214 en (EU) 2023/2485 (“gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat”); Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2486 van 27 juni 2023 (“gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu”); Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van 6 juli 2021, als gewijzigd (“gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage”).
(36) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(37) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(38) Verordening (EU) 2024/1244 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de rapportage van milieugegevens van industriële installaties, tot oprichting van een portaal voor industriële emissies en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 166/2006 (PB L, 2024/1244, 2.5.2024).
(39) Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/856 van de Commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds (PB L 140 van 28.5.2019, blz. 6).
(40) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1001 van de Commissie van 9 juli 2020 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de werking van het moderniseringsfonds ter ondersteuning van investeringen met het oog op de modernisering van de energiesystemen en de verbetering van de energie-efficiëntie in bepaalde lidstaten (PB L 221 van 10.7.2020, blz. 107).
(41) Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1).
(42) Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (herschikking) (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 45).
(43) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie.
(44) Verordening (EU) 2023/2405 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PB L, 2023/2405, 31.10.2023).
(45) Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (PB L, 2023/2413, 31.10.2023).
(46) Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (herschikking) (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88).
(47) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
(48) Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).
(49) Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot oprichting van een sociaal klimaatfonds en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1060 (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 1).
(50) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie van 6 juli 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van de inhoud en de presentatie van door aan artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU onderworpen ondernemingen te rapporteren informatie betreffende ecologisch duurzame economische activiteiten en door vaststelling van de methode om aan deze rapportageverplichting te voldoen (PB L 443 van 10.12.2021, blz. 9).
(51) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie van 9 maart 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L 188 van 15.7.2022, blz. 1).
(52) Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2486 van de Commissie van 27 juni 2023 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, aan de transitie naar een circulaire economie, aan de preventie en bestrijding van verontreiniging of aan de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, en om uit te maken of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L, 2023/2486, 21.11.2023).
(53) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).
(54) Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (derde mededeling van de Commissie) (PB C 2024/6691, 8.11.2024):
(55) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(56) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(57) Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38).
(58) PB C 211 van 16.6.2023, blz. 1.
(59) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
(60) Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30).
(61) In afdeling 5.2 van bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomieverordening milieu staat bijvoorbeeld in de beschrijving van de activiteit met betrekking tot de producten waarop de activiteit betrekking heeft: “De economische activiteit heeft betrekking op reserveonderdelen die worden gebruikt in producten vervaardigd door economische activiteiten die zijn ingedeeld onder de NACE-codes C26 Vervaardiging van informaticaproducten, elektronische en optische producten, C27 Vervaardiging van elektrische apparatuur, C28.22 Vervaardiging van hijs-, hef- en transportwerktuigen, C28.23 Vervaardiging van kantoormachines en -uitrusting (exclusief computers en randapparatuur), C28.24 Vervaardiging van elektrisch handgereedschap en C31 Vervaardiging van meubelen.” Die NACE-codes betreffen de producten waarop de activiteit betrekking heeft – en niet de activiteit zelf. De laatste zin van dezelfde beschrijving van de activiteit bepaalt daarentegen dat “[d]e economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder G46 en G47”. Die NACE-codes hebben betrekking op de economische activiteit (in dit geval verkoop).
(62) Bijvoorbeeld, afdeling 3.6 “Fabricage van andere koolstofarme technologieën”, afdeling 3.13 “Productie van chloor”, afdeling 3.14 “Productie van organische chemische basisproducten”, afdeling 4.5 “Elektriciteitsopwekking uit waterkracht”, afdeling 4.6 “Elektriciteitsopwekking uit geothermische energie” of afdeling 4.7 “Elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen”.
(63) Het vereiste dat de BKG-emissies gedurende de levenscyclus met 73,4 % worden verminderd voor waterstof [wat BKG-emissies gedurende de levenscyclus van minder dan 3 ton CO2e/tH2 als resultaat oplevert] en 70 % voor op waterstof gebaseerde synthetische brandstoffen ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2e/MJ naar analogie van de benadering van artikel 25, lid 2, van en bijlage V bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad.
(64) Zie de resolutie MEPC 324 75 (imo.org).
(65) Zie de resolutie MEPC 332 76 (imo.org).
(66) De details van de berekening van de GRR zijn te vinden op de website van het EASA: [to be added]
(67) De leasegever zorgt ervoor dat onder activiteit 6.18 het vliegtuig in de punten b) of c) vliegt op duurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF), in overeenstemming met de in punt d) en de tweede alinea van afdeling 6.19 van die bijlage gespecificeerde criteria.
(68) Als luchtvaartgroep gelden twee of meer ondernemingen die deel uitmaken van één enkele economische eenheid.
(69) Union Database for Biofuels – Public wiki – Union Database for Biofuels Info-site – EC Public Wiki.
(70) Zie de ICAO-website voor toegestane niveaus van het aandeel duurzame brandstoffen voor elk productietraject van duurzame brandstoffen: Conversion processes (icao.int).
(71) Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening klimaat tot vaststelling van technische screeningcriteria voor economische activiteiten die substantieel bijdragen tot de mitigatie van of adaptatie aan klimaatverandering en die geen ernstige afbreuk doen aan andere milieudoelstellingen
(PB C 267 van 20.10.2023, blz. 1).
(72) Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1669 van de Commissie van 16 juni 2023 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van smartphones en slatecomputers
(73) Zie Level(s) indicator 1.2: Life cycle Global Warming Potential(GWP). User manual: introductory briefing, instructions and guidance (Publication version 1.1) (https://susproc.jrc.ec.europa.eu/product-bureau//sites/default/files/2021-01/UM3_Indicator_2.2_v1.1_40pp.pdf). Voor de rapportage moet de Excel-spreadsheet op de website van de Commissie worden gebruikt: Construction and Demolition Waste (CDW) and materials Excel template: for estimating (Level 2) and recording (Level 3) amounts and types of CDW and their final destinations (version 1.1) (https://susproc.jrc.ec.europa.eu/product-bureau/product-groups/412/documents).
(74) Directoraat-generaal Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Oberender, A., Fruergaard Astrup, T., Frydkjær Witte, S., Camboni, M. e.a., EU Construction & Demolition Waste Management Protocol including guidelines for pre-demolition and pre-renovation audits of construction works – Updated edition 2024, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024 (https://data.europa.eu/doi/10.2873/77980).
(75) Europese Commissie, Directoraat-generaal Milieu, Study to support the preparation of Commission guidelines on the definition of backfilling – Final report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2020 (https://data.europa.eu/doi/10.2779/382166).
(76) Dodd N., Donatello S. & Cordella M. (2021), Level(s) indicator 1.2: Life cycle Global
Warming Potential(GWP). User manual: introductory briefing, instructions and guidance (Publication
version 1.1): (https://susproc.jrc.ec.europa.eu/product-bureau/sites/default/files/2021-01/UM3_Indicator_1.2_v1.1_37pp.pdf).
(77) Zie de website: https://ipmsc.org/.
(78) Verordening (EU) 2024/1244 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de rapportage van milieugegevens van industriële installaties, tot oprichting van een portaal voor industriële emissies en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 166/2006 (PB L, 2024/1244, 2.5.2024).
(79) Om de natuur terug te brengen in de steden en gemeenschapsinitiatieven te belonen, roept de Commissie in haar EU-biodiversiteitsstrategie Europese steden met ten minste 20 000 inwoners op om tegen eind 2021 ambitieuze plannen voor stedelijke vergroening te ontwikkelen. Zie ook: https://environment.ec.europa.eu/topics/urban-environment/urban-nature-platform_en.
(80) Om de vergroening van stedelijke en voorstedelijke gebieden in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie te bevorderen, heeft de Europese Commissie een EU-platform voor stedelijke vergroening opgericht, in het kader van een nieuw Green City Accord met steden en burgemeesters. Zie ook: https://environment.ec.europa.eu/topics/urban-environment/green-city-accord_en.
(81) Aanhangsel A, punt II, van bijlage I, en aanhangsel A van bijlage II, bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat, en aanhangsel A, punt II, van de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu.
(82) Aanhangsel A van bijlage I en aanhangsel A van bijlage II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en aanhangsel A van de bijlagen I, II, III en IV bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu.
(83) De term “vermijdbaar” betekent in dit verband i) dat er oplossingen/technologieën beschikbaar zijn waarmee het specifieke vastgestelde risico in verband met klimaatverandering kan worden geëlimineerd of tot het vereiste niveau kan worden teruggebracht om verstoring te voorkomen; en ii) dat de kosten van het elimineren van het risico of verminderen van het risico tot het vereiste niveau om verstoringen te voorkomen, niet hoger zijn dan de baten (bv. de waarde van de vermeden schade en winstderving, rekening houdende met de ernst en waarschijnlijkheid ervan en met toepassing van het voorzorgsbeginsel). In gevallen waarin het risico op basis van deze factoren als “niet vermijdbaar” wordt beschouwd, moet worden geprobeerd i) het risico en de effecten voor de exploitatie van de activiteit tot het hoogst haalbare niveau te beperken en ii) de hersteltijd te verkorten; en moet het restrisico in aanmerking worden genomen.
(84) De belangrijkste categorieën fysieke oplossingen zijn fysieke infrastructuur en technologische oplossingen, alsook nature-based en ecosysteemgebaseerde benaderingen.
(85) De belangrijkste categorieën niet-fysieke oplossingen zijn governance- en institutionele oplossingen (inclusief het initiëren of aanpassen van praktijken, processen en procesbeheer, plannings-, monitoring- en samenwerkingssystemen en dergelijke), economische en financiële oplossingen (inclusief verzekeringen), evenals benaderingen voor kennis- en gedragsverandering.
(86) Zie FAQ 136 van deze mededeling van de Commissie.
(87) ECHA (2021), Guidance on the preparation of an application for authorisation, https://echa.europa.eu/documents/10162/17235/authorisation_application_en.pdf/8f8fdb30-707b-4b2f-946f-f4405c64cdc7?t=1610451346310.
(88) Het ECHA geeft een overzicht van de toepasselijke EU-wetgeving inzake chemische stoffen in EUCLEF (“EU Chemicals Legislation Finder”). Deze doorzoekbare database geeft voor elke chemische stof een overzicht van de bestaande verplichtingen.
(89) Mededeling van de Commissie, “Leidende criteria en beginselen voor het begrip “essentiële toepassing” in EU-regelgeving inzake chemische stoffen” (C(2024) 1995 final van 22.4.2024: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C_202402894).
(90) Arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006, Commissie/Duitsland, C-98/03, ECLI:EU:C:2006:3, punt 51; arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2007, Commissie/Ierland, C-418/04, ECLI:EU:C:2007:780, punten 232 en 233; arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2017, Commissie/Duitsland, C-142/16, ECLI:EU:C:2017:301, punt 29.
(91) Lid 3 van aanhangsel D van de bijlagen I en II bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling klimaat en de bijlagen I, II en III bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu.
(92) Artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de habitatrichtlijn is ook van toepassing op de krachtens de vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG) aangewezen speciale beschermingszones.
(93) Arrest van het Hof van Justitie van 11 april 2013, Sweetman e.a., C-258/11, ECLI:EU:C:2013:220, punt 32; arrest van het Hof van Justitie van 15 mei 2014, Briels e.a., C-521/12, ECLI:EU:C:2014:330, punt 19.
(94) Arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2016, Grüne Liga Sachsen e.a., C-399/14, ECLI:EU:C:2016:10, punt 54.
(95) De toegevoegde economische activiteiten betreffen de afdelingen 3.18, 3.19, 3.20, 3.21, 6.18, 6.19 en 6.20 van bijlage I en de afdelingen 5.13, 7.8., 8.4, 9.3, 14.1 en 14.2 van bijlage II.
(96) De toegevoegde economische activiteiten betreffen de afdelingen 3.18, 3.19, 3.20, 3.21, 6.18, 6.19 en 6.20 van bijlage I en de afdelingen 5.13, 7.8., 8.4, 9.3, 14.1 en 14.2 van bijlage II.
(97) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(98) Voor kredietinstellingen moeten de KPI’s als bedoeld in de afdelingen 1.2.3 en 1.2.4 van bijlage V bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage (de KPI “Provisies en commissies” (F&C-KPI) en de GAR voor de handelsportefeuille) voor het eerst met ingang van 1 januari 2026 worden gerapporteerd.
(99) Voor beursgenoteerde mkb-bedrijven die niet overeenkomstig artikel 19 bis, lid 7, van de jaarrekeningrichtlijn tot 2028 afzien van de verplichting om duurzaamheidsrapportages te publiceren. Beursgenoteerde mkb-bedrijven die van die verplichting afzien, hoeven evenmin informatie te verschaffen op grond van artikel 8 van de taxonomieverordening. Zie FAQ 145 van deze mededeling.
(100) De datum van toepassing van de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling milieu.
(101) Mededeling van de Commissie over de uitlegging en uitvoering van een aantal wettelijke bepalingen uit de op artikel 8 van de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde verordening rapportage wat betreft de rapportage van voor de taxonomie in aanmerking komende en op de taxonomie afgestemde economische activiteiten en activa (“tweede mededeling van de Commissie”) (C/2023/305) (PB C 305 van 20.10.2023, blz. 1).
(102) In vergelijking met het nulscenario waarin de verworven activiteiten werden beoordeeld als op de taxonomie afgestemd in rapportageperiode N.
(103) In het kader van de geconsolideerde omzet-, CapEx- en OpEx-KPI’s moet dit betrekking hebben op activiteiten die worden verricht door entiteiten die volledig worden geconsolideerd (bv. dochterondernemingen) en joint ventures die administratief worden verwerkt op een pro-ratabasis die overeenstemt met hun aandeel in het eigen vermogen van de joint venture, overeenkomstig afdeling 1.2.3, tweede lid, van bijlage I bij de gedelegeerde EU-taxonomiehandeling rapportage.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1373/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)