|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/889 |
17.2.2025 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale ordinario di Roma (Italië) op 13 november 2024 – Questore di Roma / AR
(Zaak C-781/24, Vensaro (1) )
(C/2025/889)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale ordinario di Roma
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Questore di Roma
Verwerende partij: AR
Prejudiciële vragen
|
1) |
Staat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32/EU (2), gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (en de artikelen 6 en 13 EVRM), eraan in de weg dat een nationale wetgever, die bevoegd is om de opstelling van lijsten van veilige landen van herkomst toe te staan en de daarbij te hanteren criteria en bronnen te bepalen, een derde land rechtstreeks als veilig land van herkomst aanwijst, ook bij primaire wetgevingshandeling? |
|
2) |
Staat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32/EU, gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (en de artikelen 6 en 13 EVRM), er eveneens aan in de weg dat de wetgever een derde land aanwijst als veilig land van herkomst zonder dat de bronnen ter onderbouwing van die aanwijzing, toegankelijk en verifieerbaar zijn, zodat de asielzoeker zich er niet tegen kan verweren en de rechter de herkomst, de gezaghebbendheid, de betrouwbaarheid, de relevantie, de actualiteit, de volledigheid en de algehele inhoud ervan niet kan controleren en zelf niet kan beoordelen of aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanwijzing is voldaan? |
|
3) |
Moet het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32/EU, gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (en de artikelen 6 en 13 EVRM), aldus worden uitgelegd dat de rechter in het kader van een versnelde grensprocedure [voor personen uit] het als veilig aangewezen land van herkomst in elk geval informatie over het land van herkomst kan gebruiken die hij zelf haalt uit de in artikel 37, lid 3, van de richtlijn bedoelde bronnen en die nuttig is om na te gaan of aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanwijzing is voldaan? |
|
4) |
Staat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32/EU en bijlage I daarbij, gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 van die richtlijn en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (en de artikelen 6 en 13 EVRM), eraan in de weg dat een derde land als “veilig land van herkomst” wordt aangewezen indien er in dat land categorieën personen zijn met betrekking tot wie het land niet voldoet aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanwijzing? |
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(2) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (PB 2013, L 180, blz. 60).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/889/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)