European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2025/269

20.1.2025

Beroep ingesteld op 4 november 2024 – Modul University Vienna / Commissie en HaDEA

(Zaak T-570/24)

(C/2025/269)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Modul University Vienna GmbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordigers: V. Łuszcz en G. Illés, advocaten)

Verwerende partijen: Europese Commissie, Uitvoerend Agentschap voor Gezondheid en Digitaal beleid

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht:

het door HaDEA op 23 augustus 2024 via e-mail aan de Research and Knowledge Transfer Support Manager van verzoekster verzonden besluit van HaDEA en de Commissie tot toepassing op verzoekster van artikel 2, lid 2, van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022  (1), nietig te verklaren;

krachtens artikel 277 VWEU vast te stellen dat artikel 2, lid 2, van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad onwettig en niet-toepasselijk is voor zover dit besluit verzoekster betreft;

subsidiair aan de vordering onder het eerste streepje, het door HaDEA op 23 augustus 2024 via e-mail aan de Research and Knowledge Transfer Support Manager van verzoekster verzonden besluit van HaDEA en de Commissie tot toepassing op verzoekster van artikel 2, lid 2, van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad nietig te verklaren voor wat het project DEPLOYTOUR betreft;

subsidiair aan de vordering onder het tweede streepje, krachtens artikel 277 VWEU vast te stellen dat artikel 2, lid 2, van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad onwettig en niet-toepasselijk is voor zover dit besluit verzoekster betreft

HaDEA en de Commissie en elke interveniërende partij die tegen het onderhavige beroep opkomt, te verwijzen in de kosten;

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster acht middelen aan.

1.

Eerste middel: onwettigheid van een document van de Commissie waarvan de datum onbekend is en dat op de website Funding and Tenders Portal als document FAQ 22172 is gepubliceerd, met als opschrift “What are the entities maintained by public interest trusts concerned by the Council Implementing Decision 2022/2506?” (“Op welke entiteiten van een trust van openbaar belang is uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van toepassing?”) (hierna: “document “FAQ 22172”). Verzoekster stelt dat document FAQ 22172 ofwel een onbestaande handeling, ofwel een onwettige handeling is, en beroept zich daarvoor op schending van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, schending van verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 (hierna: “conditionaliteitsverordening”) (2), en schending van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad. Verzoekster stelt eveneens dat het bestreden besluit onwettig is omdat het op het onwettige document FAQ 22172 is gebaseerd.

2.

Tweede middel: Mathias Corvinus Collegium Alapítvány en verzoekster zijn geen “overheidsdienst” in de zin van artikel 2, onder b), van de conditionaliteitsverordening. Verzoekster voert schending aan van de conditionaliteitsverordening en verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 (hierna: Financieel Reglement”) (3), van wezenlijke vormvoorschriften, de rechten van de verdediging en de motiveringsplicht, en zij beroept zich tevens op onbevoegdheid. Ook werpt zij excepties van onwettigheid op tegen uitvoeringsbesluit 2022/2506 van de Raad en tegen document FAQ 22172.

3.

Derde middel: exceptie van onwettigheid van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad. Verzoekster betoogt dat de Commissie en de Raad niet het bewijs hebben geleverd van de relevantie van de schending van de beginselen van de rechtsstaat (rule of law), noch van een substantieel verband tussen deze schending en een ernstig risico voor ondermijning van het goede financiële beheer van de EU-begroting of aantasting van de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Zij beroept zich ook op beoordelingsfouten en schending van de conditionaliteitsverordening, de motiveringsplicht en wezenlijke vormvoorschriften, alsmede op onbevoegdheid.

4.

Vierde middel: exceptie van onwettigheid van uitvoeringsbesluit 2022/2506. Verzoekster stelt dat de Commissie en de Raad er niet in zijn geslaagd de evenredigheid van de maatregel aan te tonen. Zij hebben kennelijke beoordelingsfouten gemaakt en inbreuken gepleegd op de conditionaliteitsverordening, het evenredigheidsbeginsel, de motiveringsplicht, de artikelen 14 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Financieel Reglement. Verzoekster betoogt ook dat HaDEA en de Commissie al deze regels in het bestreden besluit eveneens hebben geschonden.

5.

Vijfde middel: schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel. Verzoekster werpt ook een exceptie van onwettigheid van uitvoeringsbesluit 2022/2506 van de Raad op.

6.

Zesde middel: schending van het recht om actief te zijn op een niet-verstoorde markt (artikelen 16, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met de artikelen 101, 102 en 107 VWEU). Verzoekster werpt ook een exceptie van onwettigheid van uitvoeringsbesluit 2022/2506 van de Raad op.

7.

Zevende middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van wezenlijke vormvoorschriften. De verzoekende partij werpt ook een exceptie van onwettigheid van uitvoeringsbesluit 2022/2506 van de Raad op.

8.

Het achtste middel: schending door het bestreden besluit van het betwiste document FAQ, de litigieuze bepaling (4), verordening 58/2003 van de Raad (5), uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie (6), besluit C(2021) 9343 van de Commissie van 14 december 2021 (7), verordening (EG) nr. 139/2004 van 20 januari 2004 van de Raad (8) en richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 (9), doordat er volgens verzoekster in dit verband sprake was van onbevoegdheid.


(1)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 inzake maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije (PB 2022, L 325, blz. 94).

(2)  Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (PB 2020, L 433, blz. 1).

(3)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).

(4)  In het beroepsverzoekschrift gedefinieerd als artikel 2, lid 2, van uitvoeringsbesluit 2022/2506 van de Raad.

(5)  Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU (PB 2021, L 50, blz. 9).

(7)  Besluit C(2021) 9343 van de Commissie van 14 december 2021 tot wijziging van besluit C(2021) 948 tot delegatie van bevoegdheden aan het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitale technologieën met het oog op de uitvoering van taken in verband met de uitvoering van programma’s van de Unie op het gebied van EU4gezondheid, interne markt, onderzoek en innovatie, Digitaal Europa, Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen - Digitaal, waaronder met name de uitvoering van in de algemene begroting van de Unie opgenomen kredieten.

(8)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (“EG-concentratieverordening”) (PB 2004, L 24, blz. 1).

(9)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/269/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)