|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/154 |
13.1.2025 |
Hogere voorziening ingesteld op 31 oktober 2024 door de Conserve Italia – Consorzio Italiano fra cooperative agricole Soc. coop. agr. en Conserves France SA tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 4 september 2024 in zaak T-59/22, Conserve Italia en Conserves France / Commissie
(Zaak C-762/24 P)
(C/2025/154)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwiranten: Conserve Italia - Consorzio Italiano fra cooperative agricole Soc. coop. agr., Conserves France SA (vertegenwoordigers: M. Petite, advocaat, L. Di Via, M. Bazzini, A. Oliva, E. Belli, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwiranten verzoeken het Hof:
|
— |
de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren; |
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen; |
|
— |
dientengevolge, het bedrag van de geldboete te verlagen en alle andere maatregelen te treffen die het Hof passend acht; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Eerste middel : ontoereikende en onlogische motivering met betrekking tot het feit dat de bijzondere kenmerken van de werking van Conserve Italia niet zijn erkend alsook met betrekking tot het criterium dat is gebruikt om de maximaal toelaatbare geldboete vast te stellen – Schending en onjuiste toepassing van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (1)
Rekwiranten komen in de eerste plaats op tegen de ontoereikendheid van de motivering van het bestreden arrest, waarin het Gerecht, door geen rekening te houden met de bijzondere kenmerken van Conserve Italia en in het bijzonder met het beginsel van verticale wederkerigheid zoals toegepast op een coöperatie die meerdere producten vervaardigt, niet alleen niet heeft erkend dat een functionele toepassing van artikel 23, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1/2003 passend was, maar ook niet afdoende heeft gemotiveerd waarom het de argumenten van rekwiranten niet heeft aanvaard.
Het Gerecht heeft zich namelijk ertoe beperkt, tautologisch te verklaren dat, wanneer eenmaal was vastgesteld dat Conserve Italia de hoedanigheid van onderneming had, er geen reden was om af te wijken van een formalistische uitlegging van de bepalingen voor de berekening van het maximumbedrag van de geldboete, dat wil zeggen om niet de totale omzet van Conserve Italia als maatstaf te nemen (bij toepassing van artikel 23, lid 2, tweede alinea, van voornoemd artikel 23, lid 2), maar de omzet met betrekking tot de producten waarop de inbreuk betrekking had (bij toepassing van artikel 23, lid 2, derde alinea).
Aldus heeft het Gerecht geoordeeld dat alle door rekwiranten aangevoerde argumenten bij voorbaat moesten worden verworpen, omdat zij eenvoudig niet bruikbaar waren. Rekwiranten betogen integendeel dat de bijzondere kenmerken van een structuur als die van Conserve Italia de werking ervan duidelijk onderscheiden van die van andere vormen van economische organisatie, hetgeen door de rechtspraak van het Hof wordt erkend.
Voorts stellen rekwiranten dat het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en meer bepaald artikel 23, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1/2003 schendt doordat het Gerecht, zonder de werkwijze van Conserve Italia te onderzoeken of te begrijpen, ten onrechte heeft geoordeeld dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling, terwijl aan al deze voorwaarden cumulatief is voldaan. De betrokken gedragingen betreffen namelijk de activiteiten van een aantal van de met Conserve Italia verbonden landbouwondernemingen, die via Conserve Italia actief zijn op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft (namelijk de markt voor groentenconserven).
Om een geldboete vast te stellen die evenredig is aan de ernst van de inbreuk en de economische macht van de betrokken marktdeelnemers, dringen rekwiranten er bijgevolg op aan dat enkel rekening wordt gehouden met de omzet die Conserve Italia met de bij de gedraging betrokken landbouwproducten heeft behaald, overeenkomstig een functionele toepassing van artikel 23, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1/2003.
Tweede middel : schending en onjuiste toepassing van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met betrekking tot de vaststelling van de geldboete
Met hun tweede middel komen rekwiranten op tegen het feit dat het Gerecht in zijn arrest de toepassing van artikel 23, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1/2003 heeft uitgesloten op grond dat volgens deze bepaling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden rekening moet worden gehouden met de omzet van de bij de vereniging aangesloten ondernemingen, wanneer dit noodzakelijk is om de afschrikkende werking van een eventueel opgelegde geldboete te vrijwaren.
Daarbij heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten, te schenden en onjuist toe te passen wat de vaststelling van het bedrag van de geldboete betreft.
De ratio van artikel 23, lid 2, derde alinea, kan (en mag) immers niet worden verward met het belang van het opleggen van schadeveroorzakende sancties, aangezien de bepaling bedoeld is om de volledige doeltreffendheid van het sanctiestelsel te waarborgen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de geldboete evenredig is en de nodige afschrikkende werking heeft, in overeenstemming met de regel van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten, die nu algemeen van toepassing is op in kartelzaken opgelegde geldboeten.
Rekwiranten betogen dan ook dat, indien het Gerecht naar behoren rekening had gehouden met de coöperatieve structuur van Conserve Italia en het beginsel van verticale wederkerigheid dat haar werking beheerst, het terecht tot de conclusie zou zijn gekomen dat de door rekwiranten aangevoerde functionele toepassing van artikel 23, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1/2003 passend is om hun een geldboete op te leggen waarvan het bedrag billijk en evenredig is.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/154/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)