European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2025/150

13.1.2025

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunale di Brindisi (Italië) op 11 oktober 2024 – YP / AMCO – Asset Management Company SpA, vertegenwoordigd door IFIS NPL Servicing SpA

(Zaak C-667/24, AMCO)

(C/2025/150)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Brindisi

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: YP

Verwerende partij: AMCO - Asset Management Company SpA, vertegenwoordigd door IFIS NPL Servicing SpA

Prejudiciële vragen

1)

Staan, en zo ja in welke omstandigheden, de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG (1), gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de weg aan een nationale regeling die de executierechter (in het kader van het verzoek tot opschorting en bijgevolg tijdens het summiere gerechtelijk onderzoek, dan wel bij de behandeling van de gegrondheid van het verzet tegen de executie) belet om ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar een in gezag van gewijsde gegane gerechtelijke executoriale titel inhoudelijk te toetsen en vast te stellen dat deze oneerlijk is, ook wanneer het slechts om een incidentele en summiere toetsing gaat, en/of een termijn vast te stellen voor de laattijdige instelling van verzet opdat de rechter die kennis heeft genomen van de zaak, zou vaststellen dat er sprake is van oneerlijkheid?

Dat is het geval wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

tegen het betalingsbevel is verzet ingesteld op andere gronden dan de oneerlijkheid van de bedingen van de borgstellingsovereenkomst en dat verzet is beslecht door middel van een in gezag van gewijsde gegane uitspraak (waarin impliciet wordt gesteld dat er geen oneerlijke contractuele bedingen zijn).

b)

er is geen controle geweest op misbruik in de betalingsbevel- of verzetprocedure.

c)

de verwerende partij is ten tijde van het ontstaan en de uitvaardiging van het betalingsbevel niet rechtstreeks geïnformeerd over de mogelijkheid om zich te beroepen op consumentenbescherming.

2)

Is het in casu voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de nationale regeling, al was het maar volledigheidshalve, van belang dat de consument zich pas na de eerste tijdige instelling van verzet bewust wordt van zijn hoedanigheid en dat die hoedanigheid voordien bij het geldende recht werd uitgesloten (en wel enkel omdat de consument borgsteller is, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt op basis van het objectieve doel van de garantie)?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/150/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)