|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/6106 |
21.10.2024 |
Beroep ingesteld op 27 augustus 2024 – Dryade e.a. / Commissie
(Zaak T-449/24)
(C/2024/6106)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Dryade VZW (Brussel, België), Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging (Fossielfrij NL) (Amsterdam, Nederland), Protect Our Winters Austria - Verein für Klimabildung und nachhaltigen Wintertourismus (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordigers: T. Johnston, Barrister-at-Law en F. Logue, Solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
het besluit dat de Commissie verstuurd heeft bij brief van 17 juni 2024 (“bestreden besluit”) waarbij zij het op 14 januari 2024 krachtens artikel 10 van de Aarhus-verordening ingestelde verzoek tot interne herziening van gedelegeerde verordening (EU) 2023/2485 van de Commissie van 27 juni 2023 tot wijziging van gedelegeerde verordening (EU) 2021/2139 door vaststelling van aanvullende technische screeningcriteria om de voorwaarden te bepalen waaronder specifieke economische activiteiten kunnen worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die activiteiten niet ernstig afbreuk doen aan een van de andere milieudoelstellingen (1) heeft afgewezen, nietig te verklaren, en |
|
— |
de verwerende partij te verwijzen in de procedurekosten van de verzoekende partijen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vijf middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: het bestreden besluit geeft blijk van kennelijk onjuiste rechtsopvattingen over de omvang van de bevoegdheid van de Commissie bij de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid om technische screeningscriteria (“TSC”) vast te stellen (overeenkomstig verordening (EU) 2020/852; de “taxonomieverordening”). (2) De Commissie heeft de term “sluitend wetenschappelijk bewijs” (artikel 19, lid 1) onjuist opgevat, heeft zich vergist met betrekking tot de betekenis en de toepassing van het voorzorgsbeginsel (in de context van de taxonomieverordening), heeft zich vergist door te menen dat zij bevoegd is om de verschillende dwingende eisen van artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening tegen elkaar af te wegen, heeft zich vergist door ervan uit te gaan dat de bestaande Uniewetgeving verenigbaar is met de vereisten van de taxonomieverordening en heeft zich vergist door ervan uit te gaan dat latere wijzigingen van de TSC de vaststelling van minder strenge normen kunnen rechtvaardigen. |
|
2. |
Tweede middel: het bestreden besluit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de omvang van de bevoegdheid van de Commissie waar zij tot de slotsom komt dat het vervangingspercentage – een fundamenteel aspect van de TSC voor luchtvaart – voldeed aan de vereisten van artikel 19, lid 1, onder k), van de taxonomieverordening. Het vervangingspercentage is niet gemakkelijk te gebruiken en is niet van dien aard dat het het toezicht op de naleving vergemakkelijkt. |
|
3. |
Derde middel: het bestreden besluit bevat kennelijke beoordelingsfouten wat betreft de wezenlijke bijdrage tot de beperking van de klimaatverandering, wat betreft de kwalificatie van luchtvaartactiviteiten die voldoen aan de TSC als overgangsactiviteiten, wat betreft de groei van het totale aantal luchtvaartuigen in de wereld, wat betreft de drempels voor duurzame vliegtuigbrandstoffen en wat betreft het niet in aanmerking nemen van de switch naar treinverkeer of niet-CO2-effecten. |
|
4. |
Vierde middel: de Commissie was niet bevoegd om de TSC voor scheepvaart in de gedelegeerde handeling vast te stellen. Door te weigeren de gedelegeerde handeling te herzien en te oordelen dat zij bevoegd was om deze handeling vast te stellen, geeft het bestreden besluit blijk van een aantal kennelijk onjuiste rechtsopvattingen. |
|
5. |
Vijfde middel: de Commissie heeft een kennelijke fout begaan door te oordelen dat er sluitend wetenschappelijk bewijs was ter ondersteuning van de conclusie dat de TSC voor de energie-efficiëntieontwerpindex een wezenlijke bijdrage leveren aan de beperking van de klimaatverandering. Dit is het geval, zelfs wanneer het eigen criterium van de Commissie wordt gehanteerd dat er sprake moet zijn van “...wetenschappelijk bewijs dat niet onovertuigend is of, met andere woorden, wetenschappelijk bewijs waaruit conclusies kunnen worden getrokken”. |
(2) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van verordening (EU) 2019/2088 (PB 2020, L 198, blz. 13).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6106/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)