|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/5734 |
17.10.2024 |
P9_TA(2024)0045
Stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid en toekomstperspectieven
Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2024 over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid en toekomstperspectieven (2021/2169(INI))
(C/2024/5734)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 3, 4, 5, 11, 13, 38, 39, 43 en 349, |
|
— |
gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) (1), |
|
— |
gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (richtlijn maritieme ruimtelijke planning) (2), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (3), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 getiteld “Meer vissen in de zee? Maatregelen ter bevordering van het herstel van de bestanden boven het niveau van de maximale duurzame opbrengst, met inbegrip van gebieden voor herstel van de visbestanden en beschermde mariene gebieden” (4), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 18 mei 2021 over het veiligstellen van de doelstellingen van de aanlandingsverplichting uit hoofde van artikel 15 van het gemeenschappelijk visserijbeleid (5), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen” (6), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 16 september 2021 over “vissers voor de toekomst: de visserijsector aantrekkelijk maken voor een nieuwe generatie werknemers en werkgelegenheid scheppen in kustgemeenschappen” (7), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 20 oktober 2021 over een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem (8), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 5 april 2022 over de toekomst van de visserij in het Kanaal, de Noordzee, de Ierse Zee en de Atlantische Oceaan in het licht van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU (9), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 7 juni 2022 over de tenuitvoerlegging van artikel 17 van de verordening inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (10), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 19 januari 2023 over de situatie van de kleinschalige visserij in de EU en de vooruitzichten voor de toekomst (11), |
|
— |
gezien de Resolutie van de Raad van 3 november 1976 inzake bepaalde externe aspecten van het instellen in de Gemeenschap, met ingang van 1 januari 1977 (12), van een visserijzone van 200 mijl (Resolutie van Den Haag van 1976), en met name bijlage VII, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2007 getiteld “Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie” (COM(2007)0575), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020, getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 21 februari 2023 getiteld “Het gemeenschappelijk visserijbeleid vandaag en morgen: een Visserij- en oceaanpact voor wetenschappelijk onderbouwd, innovatief en inclusief visserijbeheer” (COM(2023)0103), |
|
— |
gezien het rapport van 26 september 2019 van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) van de Commissie, over maatschappelijke gegevens in de EU-visserijsector (STECF 19-03), |
|
— |
gezien het rapport van het WTECV van 10 december 2020 getiteld “Social dimension of the CFP” (Sociale dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid) (STECF 20-14)”, |
|
— |
gezien de studie uit juli 2021 in opdracht van de Commissie visserij, getiteld “Impacts of the COVID-19 pandemic on EU fisheries and aquaculture”, |
|
— |
gezien het rapport van het WTECV van 8 december 2021 getiteld “The 2021 Annual Economic Report on the EU Fishing Fleet (STECF 21-08)”, |
|
— |
gezien document nr. 8/2020 van het directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij van de Commissie van 9 maart 2021 getiteld “The EU fishing fleet 2020: Trends and economic results”, |
|
— |
gezien het rapport van het Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu van de Europese Commissie van 7 oktober 2022 getiteld “Climate change and the common fisheries policy” (13), |
|
— |
gezien het rapport van de Wereldbank uit 2017 getiteld “The Sunken Billions revisited - Progress and challenges in global marine fisheries”, |
|
— |
gezien het advies van de visserijraad van Galicië van 8 februari 2022 over de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid, |
|
— |
gezien artikel 54 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0357/2023), |
|
A. |
overwegende dat het Parlement zijn standpunten over verschillende specifieke aspecten van het GVB reeds kenbaar heeft gemaakt, bouwt dit verslag voort op eerdere verslagen aangaande de sector en biedt het een globale politieke beoordeling van de werking van het GVB en een overdenking met betrekking tot de toekomst, met name door in te gaan op de instandhouding van de mariene biologische rijkdommen van de zee en op het visserijbeheer in het kader van het GVB; |
|
B. |
overwegende dat het GVB, in al haar aspecten en met name via de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, op grond van artikel 39 van het VWEU onder meer de vissersbevolking een redelijke levensstandaard moet verzekeren en de beschikbaarheid van voorraden veilig moet stellen (voedselzekerheid); overwegende dat in artikel 11 VWEU tevens wordt bepaald dat “de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling”; |
|
C. |
overwegende dat met het GVB wordt gepoogd te waarborgen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten op de lange termijn ecologisch duurzaam zijn, en dat deze activiteiten worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen van het beleid, namelijk om voordelen te realiseren op economisch en maatschappelijk gebied en op het gebied van werkgelegenheid; overwegende dat het GVB ook als doelstelling heeft om bij te dragen tot de “beschikbaarheid van voedselvoorraden” en daarnaast om “op het visserijbeheer de ecosysteemgerichte benadering [toe te passen], om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt”, om bij te dragen tot “een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten” en om “de kustvisserij [te stimuleren], met inachtneming van sociaaleconomische aspecten”; |
|
D. |
overwegende dat niet zomaar geconcludeerd kan worden dat het GVB in zijn opzet geslaagd is wanneer geëxploiteerde visbestanden in stand worden gehouden en de milieudoelstellingen in het kader van het GVB worden gehaald; |
|
E. |
overwegende dat het passend is een evenwicht te behouden tussen de drie pijlers van duurzaamheid en gebreken in de sociale dimensie van het GVB aan te pakken; |
|
F. |
overwegende dat het GVB tevens bedoeld is om de Europese markt van duurzame levensmiddelen te voorzien en minder afhankelijk te zijn van de invoer van voedsel; |
|
G. |
overwegende dat voedselzekerheid een van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) is; overwegende dat viseiwitten een buitengewoon strategische waarde hebben en essentieel zijn voor de voedselzekerheid; overwegende dat de visvangst als methode om dierlijke eiwitten te produceren, behoort tot de systemen met de laagste impact; |
|
H. |
overwegende dat de Commissie als strategische doelstelling heeft vastgesteld dat meer voedsel uit de oceanen moet worden geproduceerd; overwegende dat in een verslag uit 2017 van de wetenschapsgroep op hoog niveau, die is ingesteld door toenmalig commissaris Karmenu Vella, wordt aanbevolen om een paradigma inzake verantwoord gekweekt en gevangen voedsel uit de oceaan op te nemen in brede mondiale en EU-beleidsagenda’s op systeemniveau; |
|
I. |
overwegende dat de EU-visserij een strategische sector in de EU is en zorgt voor een aanzienlijk aantal directe en indirecte banen in visserij- en kustgebieden, bijdraagt aan de voedselzekerheid en een duurzame economie in stand houdt doordat werkgelegenheid en de inkomstenbronnen van de bevolking in direct verband staan met de omgeving en met de instandhouding van culturele tradities; |
|
J. |
overwegende dat de visserij zowel op zee als op het land voor werkgelegenheid zorgt; overwegende dat sommige regio’s afhankelijk zijn van lokale aanlandingen om de levensvatbaarheid van veel bedrijven te waarborgen en levendige kustgemeenschappen in stand te houden; |
|
K. |
overwegende dat producenten van aquatische levensmiddelen en aanverwante industrietakken van vitaal belang zijn voor de samenleving en voor de gemeenschappen die hiervan leven; |
|
L. |
overwegende dat de visserij een onmisbare bijdrage levert aan de voedselzekerheid in de EU; |
|
M. |
overwegende dat de doelstellingen van voedselvoorziening door de visserij van de EU en van een eerlijke levensstandaard zwaarder moeten wegen in de besluitvorming; |
|
N. |
overwegende dat een gezonde Europese visserijsector van essentieel belang is om minder afhankelijk te zijn van derde landen, zoals China, in de voedselvoorziening van de EU; |
|
O. |
overwegende dat oceanen, in het kader van internationale onderhandelingen onder auspiciën van de Verenigde Naties, moeten worden erkend als een gemeenschapsgoed van de mensheid; |
|
P. |
overwegende dat de EU de doelstellingen van het GVB op internationaal niveau moet bevorderen door een gelijk speelveld te creëren en samen te werken met derde landen en internationale organisaties om de naleving van internationale normen te verbeteren, waaronder maatregelen voor het bestrijden van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij, op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis; |
|
Q. |
overwegende dat er een beleid voor het beheer van de visbestanden moet worden vastgesteld dat collectieve toegang tot de visbestanden in stand houdt, voornamelijk gebaseerd is op de biologische aspecten van die visbestanden en neerkomt op een systeem voor gedeeld visserijbeheer waarin rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de visbestanden en de respectieve zeegebieden, en waarin de mensen die werkzaam zijn in de sector effectief deelnemen; |
|
R. |
overwegende dat de Commissie in haar mededeling “Het gemeenschappelijk visserijbeleid vandaag en morgen: een Visserij- en oceaanpact voor wetenschappelijk onderbouwd, innovatief en inclusief visserijbeheer” voorstelt om het GVB niet te herzien, maar beter uit te voeren; |
|
S. |
overwegende dat het Europees Parlement en de Raad bij de goedkeuring van opeenvolgende regionale meerjarenplannen vanaf 2016 besloten hebben dat MDO-gerichte visserijsterfteniveaus alleen gebruikt hoeven te worden voor de belangrijkste doelbestanden (MDO - maximale duurzame opbrengst); overwegende dat deze plannen tevens enige noodzakelijke extra flexibiliteit toelaten ten aanzien van deze sterftereferentieniveaus, meer bepaald zodat rekening kan worden gehouden met de wisselwerking tussen visbestanden en visserij (verstikkingssoorteffecten); overwegende dat de wetgever in het meerjarenplan voor het Westelijk Middellandse Zeegebied voorts besloten heeft de uiterste termijn voor de toepassing van MDO-gerichte visserijsterfteniveaus tot 2025 te verlengen; |
|
T. |
overwegende dat het in de praktijk volgens wetenschappers onmogelijk is om de MDO voor alle bestanden tegelijk te halen; |
|
U. |
overwegende dat de gezondheid van de visbestanden niet in alle wateren van de EU gelijk is; |
|
V. |
overwegende dat de maatregelen voor visserijbeheer die in het kader van het GVB zijn vastgesteld, hun vruchten afwerpen, aangezien het aantal visbestanden dat op duurzaam niveau wordt bevist, stijgt, waardoor hogere opbrengsten mogelijk zijn voor bestanden die overbevist werden; |
|
W. |
overwegende dat de EU er niet in is geslaagd tegen 2020 het exploitatiepercentage voor een maximale duurzame opbrengst (MDO) voor alle visbestanden te halen; overwegende dat er echter aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de MDO-doelstelling, met name in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Oostzee, waar in 2020 99 % van de aanlandingen die uitsluitend door de EU worden beheerd en waarvoor wetenschappelijk advies beschikbaar was, op duurzame wijze beheerde bestanden waren; |
|
X. |
overwegende dat de EU zichzelf ertoe verbonden heeft Agenda 2030 van de VN uit te voeren, met inbegrip van SDG 14 (“behoud en duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en maritieme hulpbronnen voor duurzame ontwikkeling”); |
|
Y. |
overwegende dat de GVB-herziening van 2013 tot een belangrijke omslag in decennia van visserijbeheer heeft geleid, aangezien het sindsdien verplicht is om alle vangsten, met name van quotumvrije soorten of ondermaatse vissen, aan boord te houden en aan te landen; overwegende dat dit instrument weliswaar bedoeld was om bij te dragen tot de doelstelling om de teruggooi van ongewenste vangsten in de visserij geleidelijk uit te bannen, maar intussen een doel op zich lijkt te zijn geworden; |
|
Z. |
overwegende dat de gemengde visserij door de aanlandingsverplichting in veel gevallen niet meer winstgevend is, met name omdat vissers onverkoopbare vissen of vissen met lage opbrengst moeten uitsorteren en aan boord bewaren, met meer werk en minder rusttijd en opslagruimte aan boord als gevolg; overwegende dat rechtmatige visserijrechten voor sommige bestanden door de aanlandingsverplichting bovendien onderbenut dreigen te worden, aangezien schepen alle visserijactiviteiten moeten staken zodra hun quota voor één bestand (verstikkingssoort) zijn bereikt; |
|
AA. |
overwegende dat het percentage ongewenste vangsten erg schommelt tussen de verschillende visserijtakken; overwegende dat de toepassing van de flexibiliteitsmogelijkheden waar artikel 15 van de GVB-basisverordening in voorziet, tot talrijke, ingewikkelde, steeds veranderende en oncontroleerbare uitzonderingen op de aanlandingsverplichting heeft geleid; |
|
AB. |
overwegende dat wereldwijd de meest geslaagde beleidsmaatregelen in verband met de vermindering en afschaffing van teruggooi stap voor stap zijn ingevoerd en dat het beleid daarbij verder is ontwikkeld door lessen te trekken uit ervaring; |
|
AC. |
overwegende dat nieuwe technieken met selectief vistuig noodzakelijk zijn voor een duurzame visserij die tevens goede opbrengsten heeft; |
|
AD. |
overwegende dat het GVB en de verordening technische maatregelen hand in hand gaan en dat het daarom nodig is ook deze verordening te herzien, om het verlenen van toestemming voor innovatieve tuigen gemakkelijker te maken; |
|
AE. |
overwegende dat het aantal totaal toegestane vangsten (TAC’s - “total allowable catches”) moet worden aangepast aan het aantal dat nodig om de visserij in zijn geheel te beheren; overwegende dat de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) heeft aangegeven dat een aantal TAC’s uit het EU-systeem kan worden geschrapt zonder dat daarmee het algehele beheer van de visbestanden wordt ondergraven (14); |
|
AF. |
overwegende dat overeenkomstig het beginsel van relatieve stabiliteit, dat voor het eerst is vastgesteld in de basisverordening van het GVB van 1982 en is uitgevoerd middels de TAC’s- en quotaverordening van 1983, een verdeelsleutel voor de toewijzing van de TAC’s per lidstaat wordt vastgesteld op basis van de beginselen van historische vangsttoewijzingen (1973-1978) in de Haagse preferenties van 1976; |
|
AG. |
overwegende dat de relatieve stabiliteit van groot belang is voor de voorspelbaarheid en continuïteit van de visserijvloot in de Europese Unie; |
|
AH. |
overwegende dat de Brexit gevolgen heeft gehad voor de verdeling van vangstrechten in de EU en dat hier sociaaleconomisch gevolgen aan kleven; |
|
AI. |
overwegende dat de EU de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake de strijd tegen klimaatverandering en klimaatneutraliteit tegen 2050 moet verwezenlijken en daarnaast moet voldoen aan de verplichtingen die zij in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is aangegaan, en tegelijkertijd voor banen en duurzame groei moet zorgen zonder dat daarbij de voedselproductie, voedseltoevoer en voedselzekerheid in het gedrang komen; |
|
AJ. |
overwegende dat, hoewel visserij niet de activiteit is die de meeste ongevallen veroorzaakt, vissersvaartuigen van alle zeeschepen het vaakst bij een ongeval betrokken zijn; overwegende dat in 2018 het aantal incidenten waarbij vissersvaartuigen betrokken waren met 40 % is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar; |
|
AK. |
overwegende dat desondanks sprake is van een dalende trend, en dat de overgrote meerderheid van de incidenten wordt veroorzaakt door menselijke fouten (62,4 %), gevolgd door falende systemen/apparatuur (23,2 %); overwegende dat een gebrek aan veiligheidsbewustzijn, een gebrek aan kennis en onjuiste werkmethoden bij personeel aan boord de drie vaakst gemelde factoren zijn die bijdragen tot ongevallen aan boord van vissersvaartuigen die verband houden met menselijk handelen; overwegende dat al deze factoren niet los kunnen worden gezien van de winstgevendheid van de visserijsector, aangezien zonder winstgevendheid niet verder in veilige arbeidsomstandigheden geïnvesteerd kan worden; |
|
AL. |
overwegende dat in de visserijsector wereldwijd jaarlijks 32 000 mensen om het leven komen, bovenop duizenden mensen die het slachtoffer worden van ongevallen; overwegende dat er bovendien, zoals ook door brancheorganisaties is opgemerkt, de afgelopen jaren sprake is van een zorgwekkende toename van beroepsziekten bij degenen die dit veeleisende werk verrichten; |
|
AM. |
overwegende dat vissen een zwaar beroep is en dat wie in deze sector werkzaam is serieuze risico’s loopt op het vlak van gezondheid en veiligheid; overwegende dat de Internationale Arbeidsorganisatie deze risico’s in 2007 in een verdrag heeft erkend en dat de landen die dit verdrag hebben geratificeerd, zijn opgeroepen om voor degenen die in deze sector werkzaam zijn veiligheid en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te waarborgen; erkent dat het welzijn van werknemers aan boord van vissersvaartuigen van essentieel belang is voor de toekomst van de sector; |
|
AN. |
overwegende dat moet worden benadrukt dat maritieme visserijactiviteiten een belangrijke rol spelen bij de verbetering van de levensstandaard van visserijgemeenschappen; |
|
AO. |
overwegende dat het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA) financiële steun biedt aan wie de overgang maakt naar duurzamere visserij, met inbegrip van steun om vissersvaartuigen energie-efficiënter te maken en om nieuw vistuig te ontwikkelen teneinde visserij met een lage impact mogelijk te maken; |
|
AP. |
overwegende dat deze steun echter niet toereikend is; overwegende dat de beperkingen op de vangstcapaciteit en de smalle marges die sommige lidstaten binnen hun nationale maxima hebben, het onmogelijk maken de veiligheid, arbeids- en levensomstandigheden aan boord van vissersvaartuigen te verbeteren; overwegende dat nieuwe koolstofvrije aandrijfsystemen meer ruimte aan boord innemen dan traditionele motoren en brandstoftanks; |
|
AQ. |
overwegende dat in de GVB-basisverordening is bepaald dat de goedkeuring van meerjarenplannen prioriteit heeft; overwegende dat deze benadering ongetwijfeld helpt bij een beter beheer van middelen en de sector een zekere mate van zekerheid biedt; |
|
AR. |
overwegende dat bepaalde bestanden verspreid zijn over zeegebieden die onder verschillende regionale meerjarenplannen vallen, hetgeen betekent dat er voor het hele verspreidingsgebied consistente maatregelen nodig zijn; |
|
AS. |
overwegende dat het GVB nog niet volledig ten uitvoer is gelegd en dat sommige maatregelen ervan, zoals de afbakening van gebieden voor herstel van de visbestanden, nog niet zijn toegepast; |
|
AT. |
overwegende dat regionalisering een unieke kans biedt om micromanagement vanuit Brussel te voorkomen en het besluitvormingsproces aan te passen aan specifieke regionale en lokale kenmerken, traditionele structuren (zoals “cofradías” – Spaanse vissersgilden) en specifieke activiteiten (zoals visserij te voet en schelpdiervisserij); |
|
AU. |
overwegende dat de relevante sectoren vroegtijdig en doeltreffend moeten worden geraadpleegd en bij de beleidsvorming moeten worden betrokken om te zorgen voor goede, werkbare, eerlijke, algemeen aanvaarde en succesvolle wetgeving, en om deze uit te voeren en te handhaven; overwegende dat de adviesraden en het advies dat zij geven cruciaal zijn voor het besluitvormingsproces; |
|
AV. |
overwegende dat de adviesraden het potentieel hebben tot spil te worden in resultaatgericht beheer of gedeeld beheer; |
|
AW. |
overwegende dat de Commissie weliswaar regelmatig analyses achteraf over de economische situatie van de vissersvloten in de EU publiceert, maar dat haar initiatieven voor strategieën of wetgeving met betrekking tot visserijbeheer vaak niet gepaard gaan met een degelijke voorafgaande sociaal-economische beoordeling; |
|
AX. |
overwegende dat wetenschap, de ervaringen van vissers en volledige effectbeoordelingen garant staan voor een objectieve basis voor besluitvorming en dat besluiten op basis daarvan robuuster zijn en gemakkelijker door de betrokken sectoren worden aanvaard; |
|
AY. |
overwegende dat de visserij en aquacultuur weliswaar tamelijk kleine economische sectoren zijn, maar tegelijk van strategisch belang zijn door hun sociaal-economische rol en hun rol wat betreft de voedselzekerheid, zoals gebleken is tijdens de COVID-19-pandemie en tijdens recente internationale geopolitieke ontwikkelingen; |
|
AZ. |
overwegende dat de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 onder meer tot doel heeft de negatieve gevolgen van visserij- en winningsactiviteiten voor gevoelige mariene habitats en soorten, waaronder de zeebodem, te verminderen, teneinde tot een goede milieutoestand te komen; |
|
BA. |
overwegende dat de EU-biodiversiteitsstrategie onder meer tot doel heeft de bijvangst van soorten te beperken tot een zodanig niveau dat ze zich kunnen herstellen en handhaven; |
|
BB. |
overwegende dat in de interne markt zuiver plantaardige producten al worden verhandeld onder de handelsnaam “vis” of als allerlei vissoorten; |
|
BC. |
overwegende dat zowel kleinschalige als ambachtelijke vissers en de schelpdiersector een strategische rol spelen in de voedselbevoorrading en in veel kustgemeenschappen tevens een sociaal-economische factor van belang zijn; |
|
BD. |
overwegende dat de kleinschalige visserij, waaronder de ambachtelijke visserij, specifieke kenmerken en uitdagingen heeft; |
|
BE. |
overwegende dat het GVB en de daaruit voortkomende regelgeving mogelijk onvoldoende zijn toegesneden op de specifieke kenmerken van de kleinschalige en ambachtelijke visserij en er in die gevallen mogelijk niet in slagen met de juiste, voldoende of noodzakelijke antwoorden te komen voor de problemen waarmee deze sectoren momenteel te kampen hebben; |
|
BF. |
overwegende dat professionele maritieme activiteiten, met name visserij, over het algemeen worden beschouwd als erg risicovol en gevaarlijk, waarbij 85 % van de EU-vaartuigen kleinschalige kustvaartuigen (met een totale lengte van minder dan 12 meter) zijn en derhalve worden blootgesteld aan nog grotere risico’s als gevolg van ongunstige weersomstandigheden en vanwege het feit dat ze dicht bij de kust werken; |
|
BG. |
overwegende dat het daarnaast moeilijker is om kleinschalige kustvaartuigen uit te rusten met beschermende ruimten en om er de werkomstandigheden te verbeteren, en dat er ook risico’s kleven aan de vergevorderde ouderdom van een aanzienlijk deel van deze vloot; |
|
BH. |
overwegende dat voorts recente uitdagingen, zoals de Brexit, de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, met name de kleinschalige visserij zwaar hebben getroffen; |
|
BI. |
overwegende dat “kleinschalige kustvisserij” in de EFMZVA-verordening wordt gedefinieerd als visserij die wordt “beoefend door zeevisserij- en binnenvisserijvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gesleept vistuig gebruiken, en door vissers te voet, schelpdiervissers inbegrepen”; overwegende dat dit de enige definitie van kleinschalige kustvisserij in de wetgeving van de EU is; |
|
BJ. |
overwegende dat de bepalende kenmerken van de kleinschalige visserij in diverse lidstaten en internationale fora verder gaan dan de definitie uit de EFMZVA-verordening aangezien nog een reeks aanvullende criteria geldt, waaronder met betrekking tot het toegestane vistuig, de maximale lengte van vaartuigen, het motorvermogen, de maximale duur van een vistocht, op welke afstand tot de haven vaartuigen hun werkzaamheden mogen verrichten, het gebied waar werkzaamheden worden verricht, de maximale toegestane tijd dat een vaartuig onderweg is en criteria met betrekking tot de eigendom van het vaartuig; |
|
BK. |
overwegende dat de Raad verantwoordelijk is voor de vaststelling van vangstmogelijkheden die vervolgens aan de lidstaten worden toegewezen volgens het beginsel van relatieve stabiliteit; overwegende dat de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel verantwoordelijk zijn voor het toewijzen van vangstmogelijkheden aan de verschillende vloten; |
|
BL. |
overwegende dat overeenkomstig artikel 17 van het GVB de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden gebruikmaken van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard en ernaar streven stimulansen te bieden voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruikmaken van minder milieubelastende visserijtechnieken; |
|
BM. |
overwegende dat er grote verschillen kunnen bestaan tussen de sectoren in verschillende landen, waardoor een uniforme benadering niet gewenst is; |
|
BN. |
overwegende dat uit de meest recente beoordeling door het WTECV inzake de sociale dimensie van het GVB blijkt dat slechts 16 van de 23 lidstaten met een zeekust gehoor hebben gegeven aan het verzoek van de Commissie om informatie over de gebruikte toewijzingsmethode; overwegende dat enkele van die antwoorden weinig nuttig waren doordat ze slechts een uitgebreide beschrijving bevatten van de nationale vissersvloot of doordat eenvoudigweg de voorgenomen toewijzingen werden benadrukt zonder daarbij uiteen te zetten welke “transparante en objectieve criteria” waren gebruikt; |
|
BO. |
overwegende dat het Parlement de Commissie en de lidstaten herhaaldelijk heeft verzocht specifieke steunmaatregelen te treffen voor de kleinschalige kustvisserij; |
|
BP. |
overwegende dat het EFMZVA voorziet in financiële steun voor jonge vissers die een nieuwe visserijactiviteit opzetten, terwijl hierop geen garantie volgt dat ze ook vangstmogelijkheden zullen krijgen; |
|
BQ. |
overwegende dat producentenorganisaties een sleutelrol spelen bij de toepassing en handhaving van de doelstellingen van het GVB en de gemeenschappelijke marktordening van de visserij en de aquacultuur; |
|
BR. |
overwegende dat ook andere traditionele structuren, zoals gilden, een fundamentele rol spelen in de voedselsystemen van bepaalde lidstaten, waar zij fungeren als sociaal-economische entiteiten zonder winstoogmerk die de visserijsector, en in het bijzonder de kleinschalige kustvloot en de schelpdiervisserij, vertegenwoordigen, en die zowel taken van medebestuur vervullen ten bate van de zeevisserij en de werknemers in de sector, alsook commerciële functies uitoefenen, zoals het op de markt brengen van producten en het verlenen van diensten op het gebied van advies en beheer; |
|
BS. |
overwegende dat in de publieke perceptie van de visserijsector nog steeds negatieve stereotypen bestaan over de activiteiten van de visserij en het mariene leven, ondanks de inspanningen, successen en de aanhoudende bereidheid van de sector om de visserij verder te verduurzamen; overwegende dat deze negatieve perceptie de consumptiepatronen van aquatische levensmiddelen beïnvloedt en dat banen in de visserijsector van de EU, die toch al grote moeite heeft de nieuwe generatie vissers binnen te halen, minder aantrekkelijk worden; |
|
BT. |
overwegende dat de generatiewissel afhankelijk is van de aantrekkelijkheid van de sector en dat de jongere generaties graag in duurzame en winstgevende sectoren willen werken; |
|
BU. |
overwegende dat de visserij algemeen wordt beschouwd als een risicovol beroep, dat nog wordt verergerd door de zware aard van de werkzaamheden op vissersboten en door de onvoorspelbaarheid van het inkomen; overwegende dat dit belangrijke factoren zijn voor het gebrek aan belangstelling van jongeren voor het beroep, waardoor de generatiewissel in de visserijsector en de toekomst van de visserijsector als geheel in gevaar komen; |
|
BV. |
overwegende dat het verbeteren van de leef- en werkomstandigheden en de veiligheid van vissers een overkoepelende sociale doelstelling is die van essentieel belang is om jongeren aan te trekken en generatiewissel te bewerkstelligen; |
|
BW. |
overwegende dat jongeren die als visser hun eigen bedrijf willen starten, geconfronteerd worden met aanzienlijke belemmeringen; |
|
BX. |
overwegende dat de GVB-instrumenten die bedoeld zijn om beroepen in de visserij en aquacultuur aantrekkelijker te maken, niet volstaan; |
|
BY. |
overwegende dat in het GVB geen melding wordt gemaakt van belangrijke maatschappelijke kwesties zoals klimaatverandering, de Brexit, de Green Deal of de energiecrisis, en dat ook de gevolgen voor de voedselzekerheid van het toenemende aantal beschermde zeegebieden, de uitbreiding van installaties voor hernieuwbare energie op zee en de energietransitie niet aan bod komen; |
|
BZ. |
overwegende dat het merendeel van de lidstaten en de economische partners van de EU in de visserijsector toch regelmatig aangeeft dat de inkomsten uit visserijactiviteiten in sommige segmenten onzeker zijn, hetgeen ertoe bijdraagt dat jongeren geen interesse hebben in de visserij, een ontwikkeling die de laatste jaren steeds meer toeneemt en het nog lastiger maakt activiteiten voort te zetten die te lijden hebben onder het banenverlies in kustgemeenschappen; |
|
CA. |
overwegende dat het merendeel van de lidstaten en de economische partners van de EU in de visserijsector toch regelmatig aangeeft dat jongeren geen interesse hebben in de visserij, een feit dat minstens twee decennia geleden al bekend was en dat in de sector als geheel aanvullende uitdagingen oplevert en de sociale problemen in kustgemeenschappen, zowel op het Europese vasteland als in de overzeese regio’s, verergert; |
|
CB. |
overwegende dat een aanzienlijk aantal mensen dat werkzaam is in de visserijsector vrouw is, van wie het merendeel (vaak informele) activiteiten aan wal uitvoert ter ondersteuning van de activiteiten op zee, met name in het geval van de kleinschalige visserij; overwegende dat de rol van vrouwen, ondanks hun belangrijke bijdrage aan de sector, nog steeds onvoldoende wordt erkend; |
|
CC. |
overwegende dat de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) bijdraagt tot het waarborgen van een gelijk speelveld voor eerlijke concurrentie tussen de EU en bepaalde buitenlandse vloten met lagere sociale en milieunormen die het concurrentievermogen van EU-producenten wanneer zij hun producten op de EU-markt verkopen, kunnen ondermijnen; overwegende dat wetgeving tegen IOO-visserij op zich echter onvoldoende is om een gelijk speelveld te waarborgen; |
|
CD. |
overwegende dat de verdediging en bevordering van het duurzaamheidsmodel van de EU heel goed verenigbaar is met de verdediging van de belangen van de EU-sectoren en er hand in hand mee moet gaan; |
|
CE. |
overwegende dat gemengde vennootschappen met kapitaal van de EU een rol spelen bij de verspreiding van de duurzaamheidswaarden en -doelstellingen van het GVB, en ook een belangrijke rol spelen in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen, en bijdragen tot het verbeteren van de economie, de arbeidsomstandigheden en de voedselzekerheid in de landen waar zij gevestigd zijn; |
|
CF. |
overwegende dat visserij een zeer prominente rol innam in de campagne voor het referendum in 2016 over het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU; |
|
CG. |
overwegende dat verhogingen van autonome tariefcontingenten voor tonijnfilets ten goede zijn gekomen aan de Chinese industrie, die geen informatie over de traceerbaarheid garandeert en die kan rekenen op subsidies; |
|
CH. |
overwegende dat de ultraperifere gebieden met specifieke uitdagingen te kampen hebben die te maken hebben met hun afgelegen ligging, de kenmerken van het terrein, de kleine markten en het klimaat, zoals vermeld in artikel 349 VWEU; overwegende dat in het GVB onvoldoende rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van visserij in de ultraperifere gebieden; |
|
CI. |
overwegende dat ambachtelijke visserij in de ultraperifere gebieden een belangrijke economische levensader, een bron van voedselsoevereiniteit en een traditionele activiteit is die deel uitmaakt van de cultuur van deze gebieden, voor banen op zee en in de verwerkende sector zorgt en bijdraagt aan een dynamische toeristische sector, die een belangrijke economische motor van deze regio’s is; |
|
CJ. |
overwegende dat het, met het oog op het voortbestaan van de visserijsector in de ultraperifere gebieden en in overeenstemming met de beginselen van aparte behandeling voor kleine eilanden en gebieden als bedoeld in SDG 14, op grond van artikel 349 VWEU mogelijk moet zijn steun te verlenen aan de vernieuwing van ambachtelijke vissersvaartuigen in ultraperifere gebieden die al hun vangsten aanlanden in havens in de ultraperifere gebieden en bijdragen aan lokale duurzame ontwikkeling; |
|
CK. |
overwegende dat de indicatoren waarmee wordt vastgesteld of de vangstcapaciteit in evenwicht is met de beschikbare vangstmogelijkheden, niet zijn aangepast aan de kenmerken van de lokale vloten van de ultraperifere gebieden; |
|
CL. |
overwegende dat de bijzondere kenmerken en permanente structurele beperkingen van de ultraperifere gebieden moeten worden erkend en in aanmerking moeten worden genomen; overwegende dat de visserijsector belangrijk is voor de sociaal-economische situatie, de werkgelegenheid en de bevordering van de economische en sociale cohesie in deze gebieden, en dat er potentieel bestaat voor werkgelegenheidsgroei in de duurzame blauwe economie; overwegende dat de ultraperifere gebieden als gevolg van hun geografische ligging in een bevoorrechte positie verkeren voor wat het toezicht op en de controle van kust- en oceaangebieden betreft, en moeten worden betrokken bij de inspanningen van de EU om IOO-visserij te bestrijden; |
|
CM. |
overwegende dat klimaatverandering een groot probleem vormt voor de instandhouding van aquatische hulpbronnen en voor de toekomstige bestaansmiddelen van exploitanten die afhankelijk zijn van de visserij; |
|
CN. |
overwegende dat vissers slachtoffer zijn van de klimaatverandering; |
|
CO. |
overwegende dat klimaatverandering een aanzienlijke rechtstreekse impact heeft op de mariene fauna doordat zeedieren er qua aantal, veelvoud en wat betreft hun migratiepatronen door worden beïnvloed, alsook wat betreft hun voeding, ontwikkeling en voortplanting en op het vlak van de verhoudingen tussen verschillende soorten; overwegende dat deze veranderingen gevolgen hebben voor het GVB en voor het beheer van de wateren van de EU; |
|
CP. |
overwegende dat de weerbaarheid en de goede gezondheid van mariene ecosystemen essentieel zijn voor klimaatregulering en om visbestanden in stand te houden; |
|
CQ. |
overwegende dat het met het oog op de weerbaarheid van kustgemeenschappen en de visserijsector van essentieel belang is blauwe koolstofecosystemen in stand te houden en nieuw leven in te blazen; |
Algemene doelstellingen van het GVB
|
1. |
wijst erop dat het GVB er borg voor moet staan dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch oogpunt op de lange termijn duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid en om bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden; herinnert er voorts aan dat in artikel 39 VWEU is bepaald dat het GVB de beschikbaarheid van voorraden moet waarborgen en de visserij- en aquacultuurgemeenschap een billijke levensstandaard moet bieden; |
|
2. |
betreurt dat bij de tenuitvoerlegging van het GVB sinds 2014 onvoldoende rekening is gehouden met sociaal-economische aspecten, met de voedselvoorziening en met de ecosysteemgerichte benadering, die allemaal nodig zijn om een duurzaam beheer van de bestanden te waarborgen; |
|
3. |
is van mening dat de daaruit voortvloeiende negatieve gevolgen voor de visserijsector zijn verergerd doordat zich nieuwe ongekende uitdagingen hebben voorgedaan die in 2012 – toen het GVB werd ontworpen – niet konden worden voorspeld, zoals de Brexit, de COVID-19-pandemie en de energiecrisis; benadrukt de zware impact van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, die negatieve gevolgen heeft op terreinen zoals de veiligheid op zee en heeft geleid tot een verstoring van de visserijactiviteiten met name in de Zwarte Zee, vanwege afgedreven zeemijnen, en tot een verlies aan biodiversiteit, wat met name te zien is aan de alarmerende toename van de sterfte van walvisachtigen in de Zwarte Zee; |
|
4. |
is ingenomen met de snelle goedkeuring door de EU van maatregelen ter ondersteuning en verlichting van de sector in moeilijke tijden; benadrukt echter dat de cumulatieve effecten van deze situatie ertoe hebben geleid dat voor talrijke vloten de definitieve ondergang nabij is gekomen en dat de rentabiliteit van duizenden bedrijven zodanig is ondermijnd dat hun voortbestaan in gevaar is, met mogelijk verwoestende gevolgen voor de werkgelegenheid en de sociale cohesie in kustgebieden; |
|
5. |
benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het GVB moet worden aangepast aan de uitdaging van de strijd tegen de klimaatverandering, waarbij de EU zich ertoe heeft verbonden uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn; |
|
6. |
is er daarom van overtuigd dat het GVB uitgevoerd moet blijven worden, en waar nodig moet worden hervormd en dienovereenkomstig aangepast; |
|
7. |
onderstreept dat visserijproducten een zeer hoogwaardige bron van eiwitten zijn en een essentieel onderdeel vormen van een gezond voedingspatroon met een koolstofvoetafdruk die over het algemeen kleiner is dan bij op land geproduceerd voedsel; wijst derhalve op de strategische waarde van visserijproducten in de context van de Europese Green Deal en gezien de bijdrage die ze kunnen leveren aan diverse SDG’s, zoals SDG 2 “Geen honger”, SDG 3 “Goede gezondheid en welzijn”, SDG 12 “Verantwoorde consumptie en productie”, SDG 13 “Klimaatactie” en SDG 14 “Onderwaterleven”; |
|
8. |
is van mening dat het GVB alle beleidsdoelstellingen in gelijke mate moet eerbiedigen; benadrukt dat er een evenwicht moet worden bewaard tussen de drie pijlers van duurzaamheid in het GVB; is er daarom voorstander van om de sociaal-economische dimensie en de voedselzekerheidsdimensie van het GVB te versterken, ontbrekende zaken aan te pakken en het ambitieniveau te verhogen, alsook van een volledige toepassing van een ecosysteemgerichte benadering en het bereiken van een gelijk speelveld in de internationale dimensie van het GVB; |
|
9. |
is van mening dat visserijbeleid onder meer tot doel moet hebben de levering van vis aan de bevolking te garanderen – als onderdeel van het waarborgen van voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit – kustgemeenschappen te ontwikkelen, maatschappelijke erkenning voor visserijgerelateerde beroepen te steunen en aan te moedigen, en het scheppen van banen en het verbeteren van de levensomstandigheden van vissers te stimuleren; |
|
10. |
verzoekt de Commissie om met het oog hierop systematisch volledige effectbeoordelingen vooraf en achteraf uit te voeren, met inbegrip van sociaal-economische analyses, voordat enige strategie of wetgeving wordt voorgesteld of beleidsbeslissingen worden genomen, en alle belanghebbenden uit de visserijsector te raadplegen; |
|
11. |
merkt op dat in de GVB-basisverordening weliswaar de ecologische, sociaal-economische en voedselzekerheidsdoelstellingen van het beleid worden benadrukt, maar dat Verordening (EU) 2016/2336 betreffende diepzeebestanden uitsluitend betrekking heeft op milieuaspecten; is van mening dat voortaan in alle verordeningen die ondergeschikt zijn aan de basisverordening volledig rekening moet worden gehouden met sociaal-economische aspecten en voedselzekerheid; |
|
12. |
verzoekt de Commissie en de Raad om in de beleidsvorming meer waarde te hechten aan het belang van de visserij voor de voedselvoorziening middels de levering van hoogwaardige visserijproducten, vooral ook in crises zoals de COVID-19-pandemie, alsook aan de bijdrage van de visserij aan de economische en maatschappelijke structuur en het cultureel, toeristisch en gastronomisch erfgoed van de kust- en eilandgemeenschappen van Europa; |
|
13. |
benadrukt de strategische rol die vissers en producenten in de aquacultuur innemen in de voedselwaardeketen en bij het waarborgen van voedselzekerheid, alsook de rol van vrouwen die werkzaam zijn als bv. visser, scheepskapitein, nettenboeter, hulpkracht aan wal of inpakker, en hun behoefte aan erkenning; |
|
14. |
herinnert eraan dat alle zeeën en oceanen een mondiaal gemeenschappelijk goed zijn en dat de mariene rijkdommen een natuurlijke publieke hulpbron zijn, dat visserijactiviteiten en visserijbeheer afhankelijk zijn van deze rijkdommen en tot ons gemeenschappelijk erfgoed behoren, en dat deze rijkdommen moeten worden beheerd op basis van betrouwbaar wetenschappelijk advies, op een manier die de grootste voordelen op lange termijn voor de gehele samenleving waarborgt; |
|
15. |
is van mening dat, met het oog op coherentie en op de veiligstelling van de voedselzekerheid, het maximumbedrag van de de-minimissteun voor verwerkingsbedrijven van visserij- en aquacultuurproducten moet worden afgestemd op de overeenkomstige regeling die geldt voor bedrijven die landbouwproducten verwerken; is daarom ingenomen met de amendementen die de Commissie in dit verband op de de-minimisregeling heeft aangenomen; |
Maximale duurzame opbrengst (MDO)
|
16. |
herinnert eraan dat het GVB er onder meer op gericht moet zijn “dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren” en dat “het exploitatieniveau voor de MDO (...) voor alle bestanden uiterlijk 2020 [wordt] verwezenlijkt” en uiterlijk in 2025 voor de bestanden die onder het beheersplan voor demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee vallen; benadrukt echter dat voor meersoortenvisserij het beheer van soorten op basis van het MDO-model onmogelijk toepasbaar is, zelfs wanneer er sprake is van wetenschappelijk goed bekende en gedocumenteerde visserij; |
|
17. |
is van mening dat de invoering van MDO als referentiepunt voor visserijbeheer een drijvende kracht is geweest die tot een verbetering van de algemene toestand van de visbestanden heeft geleid; herinnert eraan dat de visserijsector zich in de jaren sinds de toepassing van het GVB aanzienlijke inspanningen heeft getroost om de visserijdruk zodanig te verminderen dat de totale visserijsterftecoëfficiënt (F/FMSY) in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan in 2020 minder dan één bedroeg; |
|
18. |
benadrukt dat het van cruciaal belang is zich te blijven inzetten om de visbestanden sneller boven het MDO-niveau terug te brengen en te houden, met name in de Middellandse Zee waar de F/FMSY nog boven de één ligt, en tegelijkertijd zoveel mogelijk visserijproducten te produceren als op duurzame wijze mogelijk is, teneinde de voedselvoorziening en een positief sociaal en economisch rendement voor vissers en kustbewoners te waarborgen; |
|
19. |
is in dit verband van mening dat de MDO-doelstelling moet worden uitgevoerd in het licht van de realiteit van de praktijk en rekening houdend met de sociaal-economische dimensie en de aspecten evenredigheid en voedselzekerheid zoals vastgelegd in het Verdrag en in de gedragscode van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO); |
|
20. |
is voorts van oordeel dat de MDO-doelstelling onderdeel moet worden van een ecosysteemmodel dat alle factoren omvat die van invloed zijn op de situatie van de visbestanden met inbegrip van interacties tussen soorten, klimaatopwarming en vervuiling, zodat de uitputting van de visbestanden niet uitsluitend aan de visserijsector wordt toegeschreven; |
|
21. |
verzoekt de Commissie om eerst een brede raadpleging van belanghebbenden te houden en dan na te gaan of er doelstellingen inzake visserijbeheer kunnen worden ingevoerd waarmee zowel een optimaal niveau van de visbestanden als een optimale socio-economische prestatie van de visserijvloot worden gewaarborgd; |
|
22. |
verzoekt in dit verband de lidstaten die projecten willen initiëren, met inbegrip van andere soorten beheersmaatregelen zoals de doelstelling van maximale economische opbrengst, indien passend raadplegingen te lanceren om na te gaan waar dergelijke proefprojecten het best kunnen worden uitgevoerd; |
Aanlandingsverplichting en beperking van ongewenste vangsten
|
23. |
herhaalt de standpunten die zijn verwoord in zijn resolutie van 18 mei 2021 over de aanlandingsverplichting; herinnert eraan dat sommige ongewenste vangsten of bijvangsten onvermijdelijk zijn, met name in de gemengde visserij, bijvoorbeeld doordat vis beschadigd of onverkoopbaar is, te klein van formaat of weliswaar geschikt is voor menselijke consumptie maar niet mag worden verkocht; herinnert er voorts aan dat, ondanks de voortdurende inspanningen en samenwerking door alle belanghebbenden, de aanlandingsverplichting niet naar behoren kan worden uitgevoerd als bepaalde tekortkomingen niet worden aangepakt, zoals het gebrek aan opslagcapaciteit aan boord of in de haven, en de inadequate omgang met vrijstellingen; wijst erop dat deze tekortkomingen een correcte tenuitvoerlegging in de weg staan, waardoor onvoldoende gegevens over de bestanden worden verzameld en het moeilijk is een nauwkeurige schatting van de vangsten te doen, hetgeen een belemmering vormt voor het verkrijgen van betrouwbare wetenschappelijke ramingen van de visbestanden; |
|
24. |
benadrukt dat de aanlandingsverplichting geen doel op zich is, maar een instrument om ongewenste vangsten tot een minimum te beperken; benadrukt in dit verband dat de hoeveelheid ongewenste bijvangsten dankzij de grotere selectiviteit die in de afgelopen jaren is bereikt, aanzienlijk is verminderd; benadrukt dat dit het resultaat is van de inspanningen van vissers in samenwerking met wetenschappers, waarbij kennis is toegepast ter ondersteuning van de ontwikkeling van selectievere visserijtechnieken en vistuig; benadrukt daarom dat meer inspanningen gericht moeten zijn op het financieren van de ontwikkeling en de inzet van vistuig dat bijdraagt tot selectiviteit en betere gegevensverzameling; |
|
25. |
herinnert eraan dat het Parlement de Commissie heeft verzocht de uitvoering van de aanlandingsverplichting te beoordelen, waarbij ook de sociaaleconomische effecten van de aanlandingsverplichting moeten worden beoordeeld, en deze beoordeling uit te voeren voor alle visserijsegmenten, ook de kleinschalige visserij; |
|
26. |
is voorts van mening:
|
|
27. |
wijst er nogmaals op dat de doelstelling om ongewenste vangsten tot een minimum te beperken niet alleen met de aanlandingsverplichting behaald kan worden, en hoofdzakelijk moet worden verwezenlijkt met behulp van technische maatregelen en moet worden ondersteund door een betere documentering van vangsten, op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies; verzoekt de Commissie andere alternatieven te onderzoeken om ongewenste vangsten tot een minimum te beperken en ook maatregelen voor te stellen om de aanlandingsverplichting beter te laten functioneren, naast het blijven zoeken naar andere manieren om de aanlandingsverplichting ten uitvoer te leggen en selectiever vistuig te ontwikkelen; |
Instandhoudingsmaatregelen
Vangstmogelijkheden
|
28. |
herinnert eraan dat TAC’s en quota de meest directe manier zijn om de visserijsterfte te beheersen, maar dat het problematisch kan zijn om in de gemengde visserij TAC’s voor één bestand vast te stellen (vanwege het verstikkingseffect); |
|
29. |
benadrukt dat het wetenschappelijk advies voor gemengde visserij moet worden verbeterd, ook in het licht van de gevolgen van de klimaatverandering voor de oceanen, en dat bij de vaststelling van TAC’s rekening moet worden gehouden met de vangstsamenstelling en de verplaatsing van soorten als gevolg van de klimaatverandering; |
|
30. |
benadrukt dat het probleem van verstikkingssoorten bij visserij die wordt beheerd op basis van quota ervoor kan zorgen dat de visserijactiviteiten voor het einde van het seizoen moeten worden stilgelegd, met mogelijk aanzienlijke economische gevolgen voor vissers; verzoekt de Commissie en de lidstaten gebruik te maken van de huidige mogelijkheden binnen het GVB, zoals quotaruil en flexibiliteit met betrekking tot het jaar en tussen soorten, en onderstreept in dit verband dat een goed quotasysteem een zekere mate van flexibiliteit moet omvatten, aangezien dit vissers die extra quota nodig hebben voor een verstikkingssoort en vissers die beschikbare quota hebben in staat zou stellen tot een wederzijds gunstige oplossing te komen; |
|
31. |
verzoekt de Commissie en de Raad te overwegen TAC’s vast te stellen voor langere perioden dan een jaar of een half jaar, met name voor de belangrijkste doelbestanden, altijd op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies, teneinde vissers meer voorspelbaarheid en langetermijnzekerheid te bieden met behoud van het MDO-beginsel; verzoekt de Commissie en de Raad het best beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen over de mogelijkheid om de TAC’s voor bepaalde bestanden te schrappen, en er tegelijkertijd op toe te zien dat het betreffende bestand op korte en middellange termijn binnen biologisch veilige grenzen blijft; |
|
32. |
beklemtoont dat relatieve stabiliteit, welke vier decennia geleden is vastgesteld, algemeen wordt aanvaard als een essentieel instrument om op lange termijn te kunnen zorgen voor voorspelbaarheid en continuïteit bij het delen van visbestanden tussen landen; |
Vlootbeheer
|
33. |
benadrukt dat ondanks de inspanningen op internationaal en EU-niveau om de veiligheidssituatie aan boord van vissersvaartuigen te verbeteren, er nog steeds tekortkomingen bestaan aangezien de internationale verdragen waarin de regels en systemen voor de bescherming van vaartuigen en personen aan boord worden vastgesteld, voornamelijk gelden voor grotere schepen; |
|
34. |
herhaalt dat de arbeids- en leefomstandigheden aan boord niet los kunnen worden gezien van de veiligheidssituatie; is van mening dat goede arbeids- en leefomstandigheden op vaartuigen en de passende modernisering van vaartuigen de veiligheid en de rusttijden voor vissers ten goede komen; is van mening dat deze aspecten directe gevolgen hebben voor de veiligheid aan boord, aangezien een groot percentage van de ongevallen en incidenten op vissersvaartuigen nog steeds verband houdt met menselijke fouten als gevolg van een gebrek aan kennis, opleiding of vermoeidheid; |
|
35. |
dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de grootst mogelijke veiligheid aan boord van vaartuigen te waarborgen, ongeacht hun grootte; moedigt de sector aan om de best mogelijke voorwaarden te scheppen voor veiligheid aan boord; |
|
36. |
wijst – rekening houdend met de huidige mogelijkheden van het EFMZVA ter ondersteuning van de gezondheid, de veiligheid, de arbeidsomstandigheden en de energie-efficiëntie aan boord van vissersvaartuigen – op het feit dat het huidige gebruik van brutotonnage als maatstaf voor het meten van de vangstcapaciteit in de EU een belemmering kan vormen voor de verbetering van de energie-efficiëntie, de veiligheid en het comfort van vaartuigen, aangezien het de mogelijkheden beperkt om vaartuigen te vervangen en te moderniseren of meer ruimte te creëren, ook wanneer dit er niet voor zorgt dat het vaartuig meer kan vissen; benadrukt dat dit op zijn beurt de verbetering op bovengenoemde punten belemmert, terwijl dit uiteindelijk de werkgelegenheid, de ontwikkeling van kustgemeenschappen en de aantrekkelijkheid van de sector, met name voor jongeren en vrouwen, juist zou bevorderen; |
|
37. |
neemt kennis van de mededeling van de Commissie over de energietransitie van de visserij- en aquacultuursector van de EU (15), die erop gericht is ervoor te zorgen dat de visserijsector ertoe bijdraagt dat de EU in 2050 klimaatneutraal wordt en er tegelijkertijd voor zorgt dat de visserij in de EU sociaal, economisch en ecologisch duurzaam is; wijst erop dat deze transitie te maken heeft met een aantal belemmeringen, zoals de huidige definitie en beperkingen van de vangstcapaciteit; herinnert eraan dat waterstof-, ammoniak- of elektrische motoren over het algemeen zwaarder en groter zijn dan gelijkwaardige dieselmotoren en dat de installatie ervan aan boord daarom extra brutotonnage vereist en dat er een gebrek is aan aangepaste technologieën, en wijst op de hoge kosten en het ontbreken van onderzoek en ontwikkeling met een specifieke focus op de visserij- en aquacultuursector; betreurt dat deze belemmeringen in de mededeling van de Commissie niet aan bod komen; |
|
38. |
verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om tegemoet te komen aan de noodzaak om het koolstofvrij maken van de visserijsector te vergemakkelijken, het probleem van verouderde vissersvaartuigen op te lossen en de veiligheid en arbeidsomstandigheden te verbeteren; is van oordeel dat dergelijke maatregelen in voorkomend geval het volgende kunnen omvatten:
|
|
39. |
dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het voor beroepsbeoefenaren uit de sector gemakkelijker te maken om toegang te krijgen tot EFMZVA-middelen; |
|
40. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts onderzoek en ontwikkeling te versnellen, het staatssteunbeleid aan te passen en, in synergie met het EFMZVA, te zorgen voor passende en toereikende financiering, zodat de sector erin slaagt de EU-vloot koolstofvrij te maken binnen de krappe termijn die vereist is in het kader van de Europese Green Deal en andere daarmee verband houdende verplichtingen; |
|
41. |
verzoekt de Commissie tevens om, met het oog op het bereiken van de doelstelling van koolstofneutraliteit, het EFMZVA te herzien overeenkomstig de Overeenkomst inzake visserijsubsidies die is aangenomen op 17 juni 2022 tijdens de 12e Ministeriële Conferentie van de WTO; pleit ervoor de financiering van nieuwe boten goed te keuren binnen de parameters die in de internationale visserijovereenkomsten zijn voorgeschreven; |
|
42. |
dringt voorts aan op de invoering van economische overgangssteun voor alle vlootsegmenten om de decarbonisatie te versnellen; benadrukt dat dergelijke steun ook moet dienen om bestaande schepen te vervangen, aangezien de vloot zeer verouderd is, door efficiëntere, veiligere, technologisch innovatievere en ruimere vaartuigen die de aantrekkelijkheid van en de generatiewissel in de sector helpen bevorderen; |
|
43. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten de EFMZVA-middelen aan te vullen, bijvoorbeeld via het Fonds voor een rechtvaardige transitie, RePower EU en Horizon Europa, om decarbonisatie te vergemakkelijken en onderzoek te financieren teneinde een rechtvaardige groene transitie te bevorderen waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten; |
|
44. |
spoort de Commissie en de lidstaten aan samen te werken om onderzoek te ondersteunen en innovatieve tuigen en nieuwe selectieve visserijtechnieken toe te staan waardoor de CO2-uitstoot en het brandstofverbruik substantieel verlaagd worden; |
Regionale meerjarenplannen
|
45. |
erkent de essentiële rol van meerjarenplannen als belangrijkste kader voor regionaal visserijbeheer op lange termijn dat stoelt op het beste beschikbare wetenschappelijke, technische en economische advies, maar betreurt dat het potentieel ervan nog niet volledig wordt benut; |
|
46. |
verzoekt de Commissie te beoordelen hoe doeltreffend de bestaande meerjarenplannen uitgevoerd worden en zich er op die manier van te vergewissen dat zij adequaat zijn om de doelstellingen van het GVB te bereiken; benadrukt dat deze plannen moeten worden geactualiseerd en verbeterd waar nodig om rekening te houden met sociaal-economische overwegingen en veranderende omstandigheden; |
|
47. |
verzoekt de Commissie om, in samenwerking met andere partners op dit gebied, zoals niet-EU-landen en relevante regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s), na te gaan of meerjarenplannen, vergelijkbaar met die in andere zeebekkens, kunnen worden voorgesteld voor de resterende EU-wateren, met name het oostelijke deel van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, en hoe zij kunnen worden aangevuld en samenwerken met reeds bestaande beheersinstrumenten in deze zeebekkens; |
|
48. |
benadrukt dat er moet worden gezorgd voor synergieën tussen de regionale meerjarenplannen en de uitvoering van het maritieme beleid per waterbekken; |
|
49. |
is van mening dat het absoluut noodzakelijk is dat alle lokale en regionale overheden die bevoegd zijn voor visserijbeheer, alsook de adviesraden die in dit verband een fundamentele rol spelen, volledig worden betrokken bij de vaststelling, ontwikkeling en uitvoering van meerjarenplannen in overeenstemming met het GVB; |
|
50. |
onderstreept dat de visserij de sector is die het sterkst afhankelijk is van gezonde, productieve en veerkrachtige bestanden en mariene ecosystemen en dat deze ecosystemen ook worden aangetast door de vele andere toepassingen van het mariene milieu en door activiteiten die daar plaatsvinden, zoals het vervoer over zee en toerisme, de stedelijke en kustontwikkeling, de exploitatie van grondstoffen en energiebronnen, met inbegrip van diepzeemijnbouw, en dat ze daarnaast ook gevolgen ondervinden van zeeverontreiniging en klimaatverandering; benadrukt daarom dat de uitvoering van de ecosysteemgerichte benadering op regionaal, nationaal en Europees niveau moet worden verbeterd en dat meerjarenplannen en andere beheersinstrumenten hierbij een cruciale rol spelen; |
|
51. |
benadrukt dat er behoefte is aan consistente maatregelen voor visserijbeheer met betrekking tot grensoverschrijdende bestanden die verspreid zijn over regio’s die onder verschillende meerjarenplannen vallen, alsook voor regio’s die niet onder meerjarenplannen vallen; |
Governance
|
52. |
beveelt ten zeerste aan om, gezien het strategische belang van de visserij en de aquacultuur als bron van gezond, eiwitrijk en hoogwaardig voedsel, dit beleid binnen de Commissie de extra strategische erkenning te geven die het verdient en in het personeelsbestand van de verantwoordelijke diensten van de Commissie voldoende deskundigen op het gebied van visserij en aquacultuur op te nemen; |
|
53. |
vraagt om bij de toekomstige samenstelling van het college van commissarissen één commissaris aan te stellen die zich uitsluitend bezighoudt met visserij, aquacultuur en maritieme zaken; |
|
54. |
benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie voldoende gedetailleerde informatie opneemt in haar jaarverslagen als bedoeld in artikel 50 van het GVB, zodat de tenuitvoerlegging van het GVB door de Commissie doeltreffend kan worden gecontroleerd en beoordeeld; verzoekt de Commissie bovendien om bij de herziening van het GVB artikel 49 te wijzigen en een termijn vast te stellen waarbij tien jaar na de evaluatie en vervolgens om de vijf jaar een verslag wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad; |
|
55. |
verzoekt de Commissie om de lidstaten beter te ondersteunen bij de uitvoering en naleving van de doelstellingen van het GVB; onderstreept het belang van transparantie in het kader van het beheer van de visbestanden door de Commissie en de lidstaten; beklemtoont dat transparant beheer van essentieel belang is om een hoog vertrouwensniveau bij de EU-bevolking te bereiken en om de goede reputatie van de EU-visserijsector te behouden; |
|
56. |
stelt de Commissie en de Raad voor om het Europees Parlement de status van waarnemer toe te kennen en op die manier een volwaardige politieke vertegenwoordiging te waarborgen tijdens de jaarlijkse onderhandelingen over vangstmogelijkheden; |
Regionalisering en betrokkenheid van belanghebbenden
|
57. |
benadrukt dat het belangrijk is de regionalisering in het GVB te versterken, zodat regio’s en lokale overheden meer betrokken worden bij de opstelling, ontwikkeling en evaluatie van de nationale operationele programma’s voor de visserij en meer in het algemeen bij het visserijbeheer, en tegelijkertijd ten volle gebruik te maken van de bestaande mogelijkheden in het GVB; |
|
58. |
onderstreept hoe belangrijk het is om rekening te houden met specifieke regionale kenmerken en tegelijkertijd te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak van het visserijbeheer in de hele EU; moedigt de lidstaten aan om, overeenkomstig artikel 18 van de GVB-basisverordening, binnen de regionale groepen nauwer samen te werken met de relevante belanghebbenden, adviesraden en lokale en regionale overheden, teneinde regionale instandhoudingsmaatregelen te ontwerpen door middel van gezamenlijke aanbevelingen die beter zijn afgestemd op de specifieke kenmerken van elk afzonderlijk zeegebied; |
|
59. |
benadrukt de fundamentele rol van adviesraden bij het versterken van de samenwerking tussen belanghebbenden en bij het waarborgen van een gepaste en eerlijke deelname van deze belanghebbenden aan het besluitvormingsproces van de EU; |
|
60. |
benadrukt voorts dat de adviesraden van essentieel belang zijn om de Europese Commissie en de lidstaten ervaring en kennis te verschaffen, om aanbevelingen te doen over aangelegenheden die verband houden met het beheer van de visserij en de sociaal-economische en instandhoudingsaspecten van visserij en aquacultuur, alsook om de problemen van de sector en van andere belanghebbenden toe te lichten en zo de wetgeving te ondersteunen en te verbeteren; |
|
61. |
onderstreept dat adviesraden ook een sleutelrol spelen in het kader van de regionalisering; |
|
62. |
vraagt de Commissie om regionale belanghebbenden en adviesraden meer te betrekken bij haar onderhandelingen en overleg met derde landen, met name het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen; onderstreept dat het de taak is van de Commissie om de onderhandelingen met derde landen zodanig te organiseren dat de belanghebbenden aan beide kanten rechtstreeks met elkaar kunnen interageren en communiceren; |
|
63. |
steunt de samenstelling van de adviesraden, waarbij sociaal-economische actoren de meerderheid uitmaken naast andere belangengroepen die zijn vertegenwoordigd; |
|
64. |
benadrukt het belang van actieve participatie van belanghebbenden in de adviesraden, waar respect, aandacht voor de standpunten van alle groepen belanghebbenden, onpartijdige secretariaten, roulerende voorzitters en externe, regelmatige en onafhankelijke prestatiebeoordelingen de basis vormen voor een goede werksfeer; |
|
65. |
benadrukt dat het belangrijk is de adviesraden bij de werkzaamheden van het Europees Parlement te betrekken en stelt daarom voor om op regelmatige basis gedachtewisselingen te houden tussen de vertegenwoordigers van de adviesraden en de bevoegde commissies van het Parlement; |
|
66. |
betreurt het gebrek aan monitoring en transparantie in verband met de wijze waarop bij de besluitvorming rekening wordt gehouden met het advies van de adviesraden; verzoekt de Commissie een procedure op te stellen om de adviesraden een beter inzicht te geven in de resultaten van hun aanbevelingen, door bijvoorbeeld een jaarverslag te overwegen en door in specifieke voorstellen van de Commissie, zoals in de overwegingen van de desbetreffende wetgevingshandelingen, uitleg te geven over de wijze waarop rekening is gehouden met de aanbevelingen van de adviesraden; |
|
67. |
verzoekt de Commissie stelselmatig en actief deel te nemen aan de vergaderingen van de adviesraden en beter te communiceren over de waarde van hun advies en vraagt de lidstaten om de werking van de adviesraden op passende wijze te ondersteunen; |
|
68. |
is van mening dat gezamenlijk beheer een transparant, proactief en democratisch model van participatie en medeverantwoordelijkheid is, dat is gebaseerd op een bottom-upbenadering en bijdraagt tot een betere kennisdeling voor visserijbeheer binnen een verantwoordelijkheidscultuur, zodat een netwerk van vertrouwen ontstaat, conflicten kunnen worden vermeden en belemmeringen overwonnen bij de tenuitvoerlegging van innovaties en noodzakelijke maatregelen op het gebied van visserijbeheer, alsook bij de totstandbrenging, de uitvoering en het beheer van beschermde mariene gebieden, waar dit zeer succesvol is gebleken; |
|
69. |
is ingenomen met het voorstel dat de Commissie in haar mededeling over het GVB vandaag en morgen heeft aangekondigd, om tussen het voorjaar van 2023 en de zomer van 2024 een participatief verkenningsproject voor de hele EU uit te voeren over “Vissers van de toekomst”, op basis van interviews ter plaatse; |
Wetenschappelijk onderbouwde besluiten en effectbeoordelingen
|
70. |
verzoekt de Commissie al haar politieke en wetgevingsinitiatieven (met inbegrip van uitvoeringshandelingen die beperkingen van de visserij inhouden) te baseren op het beste beschikbare wetenschappelijke, technische en economische advies (met inbegrip van de empirische kennis van vissers), op raadpleging en deelname van de visserijsector en andere relevante belanghebbenden en op voorafgaande effectbeoordelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van innovatieve instrumenten, zoals instrumenten die werden ontwikkeld in het kader van het CabFishMan-project waarbij de gevolgen van de visserij in kustgebieden worden geanalyseerd; |
|
71. |
verzoekt de lidstaten hun personele en materiële middelen verhogen en te zorgen voor voldoende capaciteit voor passende wetenschappelijke onderzoekscampagnes en projecten, zodat zij voldoende kennis hebben over de doelsoorten van instandhoudingsmaatregelen; |
|
72. |
dringt erop aan middelen uit het EFMZVA in te zetten, op basis van wetenschappelijke effectbeoordelingen van specifieke visserijtechnieken, om de vissersvloten van de EU doeltreffend te ondersteunen bij de overgang naar selectievere en minder ingrijpende visserijtechnieken en in het bijzonder vissers bij te staan die het zwaarst door de beperkingen worden getroffen; moedigt de Commissie aan meer in te zetten op het wetenschappelijke concept “pêchécologie” (“visecologie”), dat erop gericht is instandhoudingsmaatregelen en een duurzaam gebruik van de levende rijkdommen van de zee met elkaar in overeenstemming te brengen; |
|
73. |
is van mening dat de adviesraden de mogelijkheid moeten krijgen een bijdrage te leveren aan de verzoeken om advies die de Commissie doet aan de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), teneinde nauwere samenwerking tussen wetenschappers en belanghebbenden te bevorderen; |
|
74. |
verzoekt de Commissie om het Europees Parlement systematisch over deze verzoeken te informeren, en in het bijzonder over de manier waarop de doelstellingen van het GVB ermee worden verwezenlijkt; |
Integratie van visserij in een bredere beleidscontext
|
75. |
benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat visserij en aquacultuur ten opzichte van andere sectoren een eerlijke plaats krijgen in de beleidsvorming en in ruimtelijke ordening; herinnert eraan dat, door middel van de richtlijn inzake maritieme ruimtelijke planning (16), een beter evenwicht moet worden gevonden tussen de verschillende economische activiteiten in het kader van de blauwe economie, teneinde conflicten te verminderen en te voorkomen en synergieën te bevorderen, met name voor infrastructuur voor hernieuwbare mariene energie (17); benadrukt dat hiertoe een brede en inclusieve deelname van alle belanghebbenden vereist is; |
|
76. |
herinnert eraan dat, in overeenstemming met het VWEU, milieubeschermingseisen in het GVB moeten worden geïntegreerd om een duurzame ontwikkeling te bevorderen; |
|
77. |
benadrukt dat het onmogelijk is om het visserijbeheer als een losstaand beleid te beschouwen en vraagt de Commissie om een tenuitvoerlegging van het GVB in het kader van een synergie met al het Europese overheidsbeleid dat verband houdt met de hydrosfeer, rekening houdend met alle uitdagingen in verband met de Europese maritieme gebieden; |
|
78. |
onderstreept dat het GVB in het bijzonder in overeenstemming moet zijn met de EU-milieuwetgeving, met name met het oog op het bereiken van een goede milieutoestand zoals bepaald in de kaderrichtlijn mariene strategie (18), en dat het moet worden uitgevoerd met gelijke inachtneming van de drie pijlers van duurzaamheid; |
|
79. |
benadrukt dat in andere beleidsmaatregelen en strategieën van de EU voldoende rekening moet worden gehouden met het GVB en dat ze ermee in overeenstemming moeten zijn; |
|
80. |
merkt op dat de uitvoering van maatregelen ter verbetering van de omstandigheden van het mariene milieu een holistische aanpak vergt, waarbij wordt gezorgd voor passende ondersteuning van de visserij- en aquacultuursector; |
|
81. |
herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het visserijbeleid van de EU overeenkomstig artikel 13 VWEU ten volle rekening moeten houden met de vereisten op het vlak van dierenwelzijn, met inachtneming van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten; |
|
82. |
roept de Commissie op de wetenschappelijk onderbouwde kennis over het welzijn van waterdieren verder te verdiepen en dit onderzoek in aanmerking te nemen bij toekomstige beleidsontwikkelingen op het gebied van visserij en aquacultuur; benadrukt dat bij alle toekomstige beleidsontwikkelingen ook de praktische haalbaarheid in het visserij- en aquacultuurbeheer in aanmerking moet worden genomen, alsook de potentiële economische en operationele gevolgen voor de marktdeelnemers en hun activiteiten, en dat ook rekening moet worden gehouden met de noodzaak om op internationaal niveau een gelijk speelveld te waarborgen; |
|
83. |
is van mening dat het in de handel brengen van louter plantaardige producten onder de handelsnaam “vis” of van vissoorten de consument tijdens de aankoop in verwarring kan brengen; bevestigt dat de handelsnaam “vis” of van vissoorten op de interne markt voorbehouden moet blijven aan vis- of aquacultuurproducten van dierlijke oorsprong; |
|
84. |
vraagt dat de Commissie het concept “gebied dat sterk afhankelijk is van de visserij” herziet, actualiseert en van regelgevende inhoud voorziet, zodat deze erkenning leidt tot een gedifferentieerde behandeling die erop gericht is in deze gebieden visserijactiviteiten in stand te houden door middel van een verdeling van toegangsrechten van vangstquota; onderschrijft dat in een bijgewerkt concept van “gebied dat sterk afhankelijk is van de visserij” de belangrijkste elementen moeten zijn: productie van hoogwaardige dierlijke eiwitten, bijdrage aan de voedselzekerheid of hoge meerwaarde van de vangsten en andere zeeproducten, alsook het sociale belang van de activiteiten; |
Kleinschalige visserij
|
85. |
merkt op dat sommige aspecten van het GVB wellicht onvoldoende rekening houden met de kleinschalige visserij en dat de vitale sociaal-economische rol van deze sector in veel kustgemeenschappen alsmede zijn strategische rol bij de beschikbaarheid van voedsel moeten worden gewaarborgd; |
|
86. |
is van mening dat in het GVB voldoende rekening moet worden gehouden met de diversiteit en de specifieke kenmerken en problemen van de kleinschalige visserij en de schelpdiersector; |
|
87. |
vestigt de aandacht op de noodzaak van grotere betrokkenheid en deelname van beroepsbeoefenaren uit de kleinschalige visserijsector ten aanzien van beheer, bepaling en uitvoering van visserijbeleid, alsook in het kader van adviesraden; |
|
88. |
is van mening dat een herziening van het GVB een gemeenschappelijke, brede en passende definitie van de kleinschalige, ambachtelijke en kustvisserij moet omvatten; wijst erop dat deze definitie pragmatisch, meetbaar en duidelijk moet zijn; benadrukt voorts dat deze definitie gebaseerd moet zijn op een passende beoordeling, rekening houdend met de specifieke kenmerken en criteria van het kleinschalige segment in plaats van zich uitsluitend te richten op de lengte van de vaartuigen, om op die manier tot een definitie van kleinschalige visserij te komen die beter aansluit bij de realiteit van het segment; |
|
89. |
verzoekt de Commissie om samen met de adviesraden een geharmoniseerde definitie voor te stellen die moet worden opgenomen in een herziening van de GVB-basisverordening, zodat in voorkomend geval de volledige visserijwetgeving van de Unie erin wordt bestreken; is van oordeel dat geen enkele van de hierboven uiteengezette wijzigingen gevolgen mag hebben voor de uitvoering van het EFMZVA gedurende de huidige begrotingsperiode; |
|
90. |
benadrukt de noodzaak van een wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, ook bekend als de “Middellandse Zeeverordening”, waarin regels worden vastgesteld voor de technische kenmerken en het gebruik van vistuigen, en die helaas verouderd is en als zodanig een belemmering vormt voor de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name de doelstellingen die betrekking hebben op de kleinschalige visserij; |
Toewijzing van quota
|
91. |
onderstreept dat de lidstaten overeenkomstig artikel 17 op basis van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard vangstmogelijkheden kunnen toewijzen aan hun visserijvloot; benadrukt dat het aan de lidstaten is om te bepalen welke criteria zij gebruiken bij de toewijzing van vangstmogelijkheden; |
|
92. |
is ingenomen met het feit dat de huidige methoden voor de toewijzing van vangstmogelijkheden, die grotendeels op historische rechten zijn gebaseerd, voor een bepaalde mate van economische stabiliteit in de visserijsector zorgen, waardoor marktdeelnemers wellicht duurzamere technieken kunnen ontwikkelen en toepassen; |
|
93. |
benadrukt dat een gemakkelijk toegankelijk systeem van vangstmogelijkheden met transparante criteria voor de toewijzing ervan en transparantie bij de praktische toepassing ervan een betere controle, een gelijk speelveld, gelijke kansen voor alle belanghebbende partijen en meer voorspelbaarheid, stabiliteit en rechtszekerheid voor vissers mogelijk maakt; |
|
94. |
betreurt het gebrek aan transparantie bij de verdeling van de vangstmogelijkheden in bepaalde lidstaten en dringt erop aan dat de criteria, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving inzake gegevensbescherming, openbaar worden gemaakt; |
|
95. |
is van mening dat de toewijzingsmethoden moeten worden ontwikkeld en toegepast in samenwerking met visserijgemeenschappen, regionale autoriteiten en andere relevante belanghebbenden, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat alle vlootsegmenten, producentenorganisaties (PO’s) en werknemersorganisaties eerlijk vertegenwoordigd zijn, op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, en dat zij gepaard moeten gaan met waarborgen, zoals kennisgevingstermijnen, om vissers in staat te stellen zich aan te passen indien de lidstaten besluiten hun toewijzingsmethode te wijzigen; |
|
96. |
dringt er bij de Raad op aan bij de verdeling van vangstmogelijkheden rekening te houden met de specifieke kenmerken en behoeften van elk vlootsegment, met inbegrip van de kleinschalige visserij; |
|
97. |
herinnert aan de rol van artikel 17 van het GVB als instrument om stimulansen te bieden voor de kleinschalige visserij en visserij met een lage impact en wijst erop dat het aan de lidstaten is om gebruik te maken van de mogelijkheden die in dit artikel geboden worden, zoals stimulansen voor het gebruik van selectiever vistuig of het gebruik van visserijtechnieken met een lager energieverbruik of minder impact op de habitats; |
|
98. |
merkt op dat de Commissie besprekingen tussen de lidstaten en belanghebbenden zal starten met als doel een handleiding op te stellen over de verdeling van de vangstmogelijkheden teneinde de transparantie te verbeteren, duurzame visserijpraktijken in de hele EU te bevorderen en kleinschalige en kustvisserij te ondersteunen; |
Producentenorganisaties en gilden
|
99. |
onderstreept de rol van PO’s bij de bevordering van duurzaamheid, de bijdrage aan de beschikbaarheid van voedsel en de bevordering van groei en werkgelegenheid in de visserij- en aquacultuursector, onder meer door:
|
|
100. |
merkt voorts op dat in veel lidstaten maar relatief weinig kleinschalige vissers lid zijn van PO’s en nog minder kleinschalige vissers hun eigen speciale PO hebben, waardoor zij dit kanaal slechts in beperkte mate kunnen gebruiken om toegang te krijgen tot de vangstquota; spoort daarom de Commissie en de lidstaten aan de oprichting van PO’s voor en door kleinschalige vissers te vergemakkelijken en aan te moedigen; |
|
101. |
benadrukt dat visserijorganisaties, zoals gilden, die in het kader van de gemeenschappelijke marktordening (19) de belangrijkste doelstellingen van een PO nastreven, op gelijke voet met de huidige erkende PO’s in aanmerking moeten komen voor financiële steun; dringt er in dit verband op aan dat de betrokken lidstaten, de Commissie en de gilden gezamenlijk relevante opties en oplossingen in overweging nemen; |
Generatiewissel en de rol van vrouwen
|
102. |
wijst erop dat de GVB-normen tot de strengste ter wereld behoren en een belangrijke bijdrage leveren aan de ecologische, economische en sociale duurzaamheid, en dat, hoewel er nog steeds veel ruimte is voor verbetering, de vooruitgang die in de afgelopen decennia is geboekt alvast laat zien wat er kan worden gedaan om enerzijds bij te dragen tot de duurzaamheid van visbestanden en -habitats en anderzijds de inkomens van vissers en scheepseigenaren te verbeteren; benadrukt dat onder meer het bevorderen van strenge normen met betrekking tot de ecologische, economische en sociale duurzaamheid van de visserijsector een essentiële factor vormt om een nieuwe generatie vissers aan te trekken en voor langdurige economische stabiliteit in de sector te zorgen; |
|
103. |
merkt op dat Europeanen, en met name de jongere generaties, zich steeds meer zorgen maken over de bescherming van het milieu; beklemtoont dat duurzaam visserijbeheer belangrijk is om jonge vissers aan te trekken; pleit er in dit verband voor om visserijactiviteiten met een lage impact te bevorderen; |
|
104. |
verzoekt de Commissie voorts ervoor te zorgen dat een deel van de financiële bijdragen uit de partnerschapovereenkomsten inzake duurzame visserij, waar mogelijk, wordt ingezet voor een betere integratie van jongeren en vrouwen in de visserij- en aquacultuursector, het herstel van het mariene milieu en de verbetering van de kennis over de toestand van het klimaat en het mariene milieu; |
|
105. |
benadrukt dat jongeren niet alleen moeten worden warm gemaakt voor visserijactiviteiten op zee, maar ook voor het beheer van visserijbedrijven en aquacultuur, zodat in de hele sector van de aquatische levensmiddelen een generatiewissel kan worden bewerkstelligd; |
|
106. |
benadrukt het belang van een generatiewissel om de demografische uitdagingen aan te pakken waarmee kust- en omliggende plattelandsgebieden in het bijzonder worden geconfronteerd, en dat een generatiewissel zal helpen om het cultureel erfgoed van deze gebieden te behouden; |
|
107. |
is ingenomen dat het EFMZVA voor de periode 2021-2027 jonge vissers steun en bijstand verleent, wanneer ze voor het eerst een vissersvaartuig aankopen of een visserijbedrijf opzetten; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband de generatiewissel te bevorderen door mensen te ondersteunen die in de visserijsector willen gaan werken en door obstakels weg te nemen zoals het aanpakken van de hoge kosten voor het opstarten van een bedrijf, de inkomensinstabiliteit, de genderongelijkheid en het gebrek aan professionele stabiliteit; |
|
108. |
verzoekt de Commissie nieuwe maatregelen te nemen in samenwerking met de lidstaten en verzoekt de industrie maatregelen te nemen om de inclusie van jongeren en vrouwen op alle niveaus binnen de sector te bevorderen en de generatiewissel beter aan te moedigen, met name door alle banen in de waardeketen van de visserij- en aquacultuursector aantrekkelijker, veiliger en beter betaald te maken; |
|
109. |
benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor adequate informatie en opleiding, met name voor jongeren, om te zorgen voor de uitwisseling van kennis, in het bijzonder over de manier waarop de visserij een bijdrage kan leveren op het vlak van duurzaamheid; is van mening dat dit belangrijk is om hun persoonlijke situatie te waarborgen door bij te dragen tot een inkomensverbetering, en hierdoor ook voor de cohesie van hun lokale gemeenschappen, met name in de meest geïsoleerde kustgebieden met minder werkgelegenheid; |
|
110. |
benadrukt dat bij de generatiewissel rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van de Europese Green Deal en de behoefte om ook in een duurzame blauwe economie de digitale transitie te bewerkstelligen; is echter van mening dat de generatiewissel niet mag leiden tot een botsing tussen generaties en dat bij de vernieuwing vissers van alle leeftijden betrokken moeten zijn, zodat er voor een evenwichtige ecologische en digitale transitie wordt gezorgd waarbij geen van generatie op generatie overgedragen ervaring verloren gaat; dringt voorts aan op meer mobiliteit en werkgelegenheid in de hele EU zonder dat vissers problemen of beperkingen ondervinden met betrekking tot de erkenning van hun vaardigheden en opleiding; |
|
111. |
prijst de belangrijke rol die vrouwen vervullen bij de logistieke en administratieve ondersteuning van vissersvaartuigen en bij de afzet en verwerking van vis; benadrukt echter dat hun rol vaak over het hoofd wordt gezien of nauwelijks zichtbaar is, vooral als visser of scheepskapitein of nog in hun rol in de wetenschap; |
|
112. |
verzoekt de Commissie daarom initiatieven te lanceren om het werk van vrouwen in de visserij te erkennen en hun rol zichtbaarder te maken, door de inclusie van de vrouw te bevorderen op diverse domeinen van de sector, een betere vertegenwoordiging van vrouwen in alle representatieve organisaties en instellingen te ondersteunen, en gelijke beloning voor mannen en vrouwen zeker te stellen; |
|
113. |
herinnert eraan dat in de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 staat dat de desbetreffende EU-fondsen, zoals het EFMZVA, acties ondersteunen ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven van de vrouw en de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, investeringen in zorgfaciliteiten bevorderen, vrouwelijk ondernemerschap ondersteunen en gendersegregatie bestrijden; |
|
114. |
roept de Commissie en de lidstaten op ernaar te streven dat alle programma’s en maatregelen in het kader van het GVB die erop gericht zijn jongeren aan te trekken voor de visserijsector, bijdragen tot het bereiken van gendergelijkheid; |
Externe dimensie van het GVB en oceaangovernance
|
115. |
verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om het GVB te bevorderen als een beleidsmodel voor oceaangovernance, door gebruik te maken van de positie van de EU in ROVB’s, vrijhandelsakkoorden en partnerschapovereenkomsten inzake duurzame visserij, en meer in het algemeen in internationale fora; onderstreept dat dit cruciaal zal zijn om eerlijke mededingingsvoorwaarden te kunnen garanderen voor marktdeelnemers uit de EU en om de belangen van de visserij en aquacultuursector van de EU op wereldwijd niveau te kunnen verdedigen; |
|
116. |
verzoekt de Commissie toezicht te houden op de verdeling van de financiële bijdragen van de EU en ervoor te zorgen dat deze worden toegewezen aan de visserij- en aquacultuursector; |
|
117. |
vraagt om de rol van ROVB’s te versterken en verzoekt de Commissie een algemeen kader voor te stellen voor de onderhandelingsmandaten in geval van deelname aan deze organisaties; verzoekt de Commissie er tevens voor te zorgen dat het Parlement in een zo vroeg mogelijk stadium wordt betrokken bij het opstellen van maatregelen en aanbevelingen voor goedkeuring binnen ROVB’s, op een wijze die de onderhandelingspositie van de EU niet ondermijnt; |
|
118. |
is van mening dat er geen oceaangebied of relevante visbestanden mogen zijn die niet onder de desbetreffende ROVB vallen; verzoekt de Commissie om in internationale fora de oprichting van nieuwe ROVB’s en, waar nodig, de aanpassing van bestaande organisaties te bevorderen, teneinde de bescherming van de visbestanden en het duurzame beheer van de visbestanden te verbeteren, en de duurzame activiteiten van de vloten in deze gebieden te verdedigen; |
|
119. |
wijst erop dat partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij (PODV’s) met niet-EU-landen wederzijdse voordelen opleveren voor zowel de EU als de partnerlanden; benadrukt dat recente PODV’s mensenrechtenclausules bevatten en rekening houden met de behoeften van de lokale bevolking; |
|
120. |
acht het absoluut noodzakelijk dat de Commissie alle aspecten van het internationaal recht volledig eerbiedigt wanneer zij optreedt in het kader van de externe dimensie van het GVB; |
|
121. |
verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de GVB-doelstellingen volledig worden geïntegreerd in het standpunt van de EU in alle internationale milieufora, zoals het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) of de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), waar kwesties in verband met de biologische rijkdommen van de zee worden besproken; |
Invoer en handel, en illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij
|
122. |
is van mening dat ingevoerde aquatische levensmiddelen moeten worden onderworpen aan strenge controle- en certificeringsprocedures om ervoor te zorgen dat zij afkomstig zijn van duurzame visserij en dat zij onderworpen zijn aan hoge gezondheids-, milieu- en sociale normen, die even streng zijn als voor EU-producten; is van mening dat dit moet worden vereist door middel van specifieke clausules in de nieuwe handelsakkoorden waarover de EU onderhandelt; |
|
123. |
wijst erop dat het traceerbaarheidssysteem van verse, ingevroren en verwerkte aquatische levensmiddelen die in de Unie worden ingevoerd, met inbegrip van tonijnzijden die in het kader van de autonome tariefcontingentenregeling worden ingevoerd, van essentieel belang is om aan de verwachtingen van de consument te voldoen door informatie te verstrekken ter verbetering van de voedselveiligheid, controles op de invoer uit derde landen mogelijk te maken en maatregelen te treffen in de bestrijding van IOO-visserij; dringt aan op een meer geharmoniseerde aanpak in de EU voor de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving met betrekking tot IOO-visserij; |
|
124. |
herinnert eraan dat de EU de grootste en aantrekkelijkste invoermarkt voor visserij- en aquacultuurproducten is; dringt erop aan dat deze sterke handelspositie wordt ingezet als pressiemiddel om de belangen van de sectoren in de Unie en van de Europese consument te beschermen door hoge normen te bevorderen, om te voorkomen dat de partners van de EU overeenkomsten of gemaakte afspraken niet nakomen en om bij te dragen aan eerlijke concurrentievoorwaarden op internationaal vlak, in het bijzonder met betrekking tot sociale, economische en milieunormen; |
|
125. |
is ermee ingenomen dat in de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen handelsbepalingen en visserijbepalingen; verzoekt de Commissie en de Raad erop toe te zien dat de onderhandelingen over visserij met het VK en andere kuststaten in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan eveneens gekoppeld worden aan handelskwesties en de toegang tot de interne markt van de EU; |
|
126. |
benadrukt het belang van het nultolerantiebeleid van de EU ten aanzien van IOO-visserij, aangezien het een fenomeen is dat nog steeds voorkomt op internationaal vlak, met voorbeelden die variëren van een gebrek aan transparantie over illegale visserijactiviteiten tot moderne slavernij, zoals in het geval van sommige Chinese vaartuigen, en betreurt dat niet-toegestane visserijproducten nog steeds op een aantal EU-markten worden verkocht; |
|
127. |
wijst erop dat de Commissie en de lidstaten hun inspanningen moeten opvoeren om IOO-visserij tegen te gaan en ervoor moeten zorgen dat de consumptie van visserijproducten in de EU geen stimulans vormt voor IOO-visserij; |
|
128. |
roept de Commissie ertoe op de rol van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) in de bestrijding van IOO-visserij te versterken; |
|
129. |
pleit ervoor om in alle vrijhandelsakkoorden met derde landen een hoofdstuk op te nemen over de bestrijding van IOO-visserij; |
Ultraperifere gebieden
|
130. |
is van mening dat bepaalde aspecten van het GVB onvoldoende tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van de ultraperifere gebieden; verzoekt de Commissie en de betrokken lidstaten deze situatie aan te pakken op basis van artikel 349 VWEU en door middel van een geregionaliseerde aanpak zoals vastgelegd in het GVB, en waar nodig de noodzakelijke aanpassingen door te voeren; |
|
131. |
wijst op de specifieke kenmerken van de visserij- en aquacultuursector in de ultraperifere gebieden; verzoekt de Commissie een programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen (Posei) voor visserij en aquacultuur voor te stellen, vergelijkbaar met dat voor de landbouw; |
|
132. |
benadrukt dat EU- en nationale steun voor de vernieuwing van ambachtelijke vloten van wezenlijk belang is voor deze gebieden; verzoekt de Commissie met name haar richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden (COM(2014)0545) aan te passen aan de kenmerken van de ultraperifere gebieden; |
|
133. |
onderstreept het belang van degelijke studies om de biologische rijkdommen van de zee in alle wateren van de Unie en in de ultraperifere gebieden in het bijzonder te beoordelen; |
|
134. |
benadrukt dat moet worden voorzien in steun voor selectieve visserijmethoden, zoals verankerde visaantrekkende voorzieningen die worden gebruikt door ambachtelijke vloten in de ultraperifere gebieden, op voorwaarde dat dergelijke voorzieningen bijdragen tot duurzame en selectieve visserij; |
|
135. |
benadrukt dat de nodige middelen beschikbaar moeten worden gesteld om de wetenschappelijke kennis over de exclusieve economische zones van de ultraperifere gebieden te verbeteren; |
Klimaatverandering en andere toekomstige uitdagingen
|
136. |
benadrukt dat mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering belangrijke uitdagingen zijn die met het huidige GVB onvoldoende worden aangepakt; |
|
137. |
benadrukt dat de inspanningen van de visserijsector om de bestanden te verduurzamen en in goede staat te houden zodra een goede toestand is bereikt, zinloos zullen zijn als de klimaatverandering niet wordt aangepakt; |
|
138. |
benadrukt met klem dat wetenschappelijk onderzoek meer gericht moet zijn op de wisselwerking tussen milieuveranderingen als gevolg van klimaatverandering en visbestanden, om te voorkomen dat de uitputting van de bestanden uitsluitend aan de visserijsector wordt toegeschreven; |
|
139. |
benadrukt dat vissers en de rest van de waardeketen van visserijproducten niet de oorzaak, maar het slachtoffer van de klimaatverandering zijn; |
|
140. |
is van oordeel dat de aquacultuursector een consistente bijdrage kan leveren aan ecosysteemdiensten voor de samenleving en dat vijveraquacultuur en de kweek van algen en schelpdieren kunnen helpen om de EU-economie koolstofvrij te maken en klimaatverandering te temperen; beklemtoont echter dat de koolstofvastlegging door de kweek van algen en schelpdieren beperkt is, afhankelijk van de productiemethode en de oogsttijd; roept de lidstaten op om, waar passend, efficiënte korte bevoorradingsketens te bevorderen teneinde bij te dragen aan de bestrijding van klimaatverandering; |
|
141. |
wijst erop dat bepaalde aquacultuurpraktijken, zoals de mossel- en oesterkweek en vijverpolycultuur, succesvolle modellen kunnen vormen voor toekomstige systemen met emissiekredieten in het kader van de EU-klimaatwetgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten dit soort groene bedrijven te ondersteunen; |
|
142. |
verzoekt de lidstaten de algenkweek te blijven aanmoedigen en het gebruik en de ontwikkeling van algen als levensmiddel en diervoeder te bevorderen; beklemtoont dat er in de algenkweek onaangeboord potentieel zit om nieuwe banen te scheppen en in ecosysteemdiensten en milieuvriendelijkere levensmiddelen en milieuvriendelijker diervoeder te voorzien; |
|
143. |
verzoekt de Europese Commissie bij de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid rekening te houden met het feit dat de kenmerken van de oceanen (temperatuur, dichtheid, zoutgehalte, zuurstofverzadiging enz.) de afgelopen tien jaar zijn veranderd; |
|
144. |
wijst op de noodzaak van veerkrachtigere ecosystemen door middel van onderling verbonden en doeltreffend beheerde beschermde mariene gebieden, als basis voor veerkrachtige en winstgevende economische visserijsectoren; |
|
145. |
benadrukt dat gediversifieerde visserijzones en doelsoorten voor de visserij het middel zijn om klimaatbestendig te worden; |
|
146. |
moedigt de Commissie en de lidstaten aan meer personele en financiële middelen uit te trekken voor visserijwetenschap in verband met klimaatverandering en het koolstofvrij maken van de vloot, en daarbij de gevolgen van de klimaatverandering voor de toestand en de omstandigheden van de visserij te analyseren; |
|
147. |
dringt aan op nieuwe manieren om in het kader van een nauwe samenwerking tussen wetenschappers en belanghebbenden de gevolgen van de klimaatverandering voor de bestanden te monitoren, teneinde sneller te kunnen reageren en aangepaste beheersinstrumenten te ontwikkelen; |
|
148. |
verzoekt de Commissie instrumenten te ontwerpen en in toereikende financiering te voorzien voor de sectoren die door de klimaatverandering worden getroffen; |
|
149. |
verzoekt de Commissie, teneinde de circulaire economie in de visserijsector te bevorderen, Europese programma’s op te zetten voor de inzameling van zwerfvuil op zee in perioden waarin niet gevist kan worden, voor vissers die daartoe de middelen hebben en als aanvulling op hun inkomen; |
|
150. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten aandacht te besteden en gevolg te geven aan alle bepalingen van het GVB die niet zijn uitgevoerd; |
Recreatievisserij
|
151. |
benadrukt de urgentie en de noodzaak om de gegevensverzameling met betrekking tot de vangsten van de recreatievisserij te verbeteren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om in Verordening (EU) 2017/1004 betreffende de instelling van het Europees kader voor gegevensverzameling (20), alle soorten op te nemen waarvoor TAC’s en quota gelden, naast de soorten die zijn opgenomen in de meerjarige beheersplannen en die waarvoor de aanlandingsverplichting geldt; |
|
152. |
benadrukt de noodzaak om te beschikken over gegevens om de impact van de activiteiten van de recreatievisserij in de EU op het mariene ecosysteem in EU-wateren te beoordelen, met inbegrip van gegevens over de bijvangst, met name van soorten die worden beschermd in het kader van het internationale of EU-recht, gegevens over de gevolgen van de recreatievisserij voor mariene habitats, met inbegrip van kwetsbare mariene gebieden, en gegevens over de gevolgen van de visserij voor voedselketens; |
|
153. |
benadrukt dat recreatievisserij aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de visbestanden; is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij de herziening van de visserijcontroleverordening en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat recreatievisserij plaatsvindt op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van het GVB; |
Aquacultuur
|
154. |
herinnert eraan dat aquacultuur belangrijk is om de voedselzekerheid op lange termijn te waarborgen en bij te dragen aan de toenemende wereldwijde vraag naar aquatische levensmiddelen, alsook dat aquacultuur bijdraagt aan groei en werkgelegenheid voor de burgers van de EU, aan een betere instandhouding van ecosystemen en biodiversiteit en deel uitmaakt van een meer circulair beheer van hulpbronnen; |
|
155. |
benadrukt dat gekweekte visserijproducten, als bron van eiwitten voor consumptie, een lagere koolstofvoetafdruk hebben, minder natuurlijke hulpbronnen nodig hebben dan landdieren en een belangrijke rol spelen bij de opbouw van een duurzaam voedselsysteem; |
|
156. |
ziet in dat de strategische richtsnoeren en de nationale strategische meerjarenplannen belangrijk zijn om een duurzame en veerkrachtige aquacultuur uit te bouwen; |
|
157. |
betreurt dat de Europese aquacultuur sinds 2014 stagneert en dat er beperkte vooruitgang is geboekt bij het verminderen van de administratieve lasten en het integreren van aquacultuur in de ruimtelijke ordening op zee, aan de kust en in het binnenland; |
|
158. |
benadrukt dat de Europese aquacultuur nog lang niet haar volledige capaciteit heeft bereikt en dat de EU sterk afhankelijk is van invoer, aangezien bijna 75 % van alle in de EU geconsumeerde visserijproducten uit derde landen wordt ingevoerd; |
|
159. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten om niet de groei van laagtrofische aquacultuur, maar wel die van aquacultuur met een lage milieu-impact te bevorderen, die niet alleen weekdieren en algen omvat, maar ook zoetwater- en mariene viskwekerijen; benadrukt met name dat het, gezien de omvang van de ingevoerde tonnages (94 % in 2021), belangrijk is vis voor de EU-markt te kweken; |
|
160. |
herinnert eraan dat grote producerende landen buiten de EU de groei van hun viskwekerijsector sterk blijven bevorderen, waarbij de EU hun belangrijkste exportmarkt is; |
|
161. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitvoering van de herziene strategische richtsnoeren en de meerjarige nationale plannen actief te ondersteunen en de duurzaamheid ervan op lange termijn te bevorderen, niet alleen met aandacht voor milieuduurzaamheid, maar ook voor de economische en sociale duurzaamheid van aquacultuur in de EU; |
|
162. |
betreurt dat het huidige handelsbeleid van de EU geen gelijk speelveld waarborgt tussen EU- en niet-EU-producenten, waardoor de aquacultuursector duurzame economische resultaten zou kunnen behalen en in ruil daarvoor zou kunnen bijdragen aan de sociale en economische ontwikkeling van de EU-regio’s; |
|
163. |
herinnert aan het belang van aquacultuur om de voedselzekerheid op lange termijn te waarborgen en bij te dragen aan het voldoen aan de toenemende wereldwijde vraag naar aquatische levensmiddelen, alsook aan de bijdrage van aquacultuur bij het creëren van groei en banen voor de EU-burgers, een betere instandhouding van ecosystemen en biodiversiteit, en aan het belang ervan om deel uit te maken van een meer circulair beheer van hulpbronnen; betreurt dat de Europese aquacultuur sinds 2014 stagneert en dat er beperkte vooruitgang is geboekt bij het verminderen van de administratieve lasten en het integreren van aquacultuur in de ruimtelijke ordening op zee, aan de kust en in het binnenland; benadrukt dat de Europese aquacultuur haar volledige capaciteit nog lang niet heeft bereikt en dat 75 % van de in de EU geconsumeerde visserijproducten wordt gekweekt in faciliteiten buiten de EU; verzoekt de Commissie de uitvoering van de herziene strategische richtsnoeren en nationale plannen actief te ondersteunen en de ecologische, economische en sociale duurzaamheid ervan op lange termijn te bevorderen;
° ° ° |
|
164. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten. |
(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.
(3) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 167.
(4) PB C 456 van 10.11.2021, blz. 129.
(5) PB C 15 van 12.1.2022, blz. 9.
(6) PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.
(7) PB C 117 van 11.3.2022, blz. 67.
(8) PB C 184 van 5.5.2022, blz. 2.
(9) PB C 434 van 15.11.2022, blz. 2.
(10) PB C 493 van 27.12.2022, blz. 62.
(11) PB C 214 van 16.6.2023, blz. 150.
(12) PB C 105 van 7.5.1981, blz. 1.
(13) Europese Commissie, Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu (Cinea), Bastardie, F., Feary, D., Kell, L., et al., Climate change and the common fisheries policy – adaptation and building resilience to the effects of climate change on fisheries and reducing emissions of greenhouse gases from fishing: final report , Publicatiebureau van de Europese Unie, 2022.
(14) ICES (2018). EU request for ICES to provide advice on a revision of the contribution of TACs to fisheries management and stock conservation (Verzoek van de EU om advies van de ICES over een herziening van de bijdrage van TAC’s aan het visserijbeheer en het behoud van bestanden). ICES-advies op bijzonder verzoek. Northeast Atlantic Ecoregions. sr.2018.15. Gepubliceerd 20 september 2018, https://doi.org/10.17895/ices.pub.4531.
(15) COM(2023)0100.
(16) Richtlijn 2014/89/EU van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135).
(17) Volgens het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 5 juli 2023 over “hernieuwbare offshore-energie in de EU”: “De mogelijke negatieve gevolgen van de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie voor de visserijsector moeten beter worden geïdentificeerd en aangepakt.” (https://www.eca.europa.eu/ECAPublications/SR-2023-22/SR-2023-22_NL.pdf, blz. 45).
(18) Richtlijn 2008/56/EG van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(19) Verordening (EU) nr. 1379/2013 van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).
(20) Verordening (EU) 2017/1004 van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad (PB L 157 van 20.6.2017, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5734/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)