European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2024/4977

19.8.2024

Beroep ingesteld op 5 juli 2024 – UniCredit en UniCredit Bank / Commissie

(Zaak T-336/24)

(C/2024/4977)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: UniCredit SpA (Turijn, Italië), UniCredit Bank GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: I. Vandenborre, T. Selwyn Sharpe en I. Stamati, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoeksters vorderen nietigverklaring van besluit C(2024) 3287 final van de Commissie van 8 mei 2024 (hierna “besluit”) betreffende het bezwaar tegen de vrijgave van informatie door bekendmaking, dat UniCredit S.p.A en UniCredit Bank AG hebben ingediend op grond van artikel 8 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (AT.40324 – Europese staatsobligaties).

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.

1.

Eerste middel. In het besluit is het recht onjuist toegepast doordat de argumenten van UniCredit ter onderbouwing van haar aanspraken op vertrouwelijkheid met betrekking tot elke informatiecategorie zijn afgewezen. Het besluit is voorts ontoereikend gemotiveerd doordat het vertrouwelijkheidsverzoek van UniCredit hierin slechts summier en algemeen is behandeld en onvoldoende redenen zijn gegeven waarom de specifieke claims van UniCredit in hun geheel zijn afgewezen.

2.

Tweede middel. In het besluit is het recht onjuist toegepast doordat de rechtspraak van het Hof onjuist is toegepast bij de beoordeling dat de vertrouwelijke informatie van UniCredit niet onder geheimhoudingsplicht valt. Voorts is het recht in het besluit onjuist toegepast doordat hierin is vastgesteld dat het belang dat de adressanten van een inbreukbesluit erbij hebben dat hun inbreukmakende gedraging niet aan het publiek bekend wordt gemaakt geen bijzondere bescherming verdient wat betreft informatie die wordt beschermd door het beroepsgeheim en die niet relevant is voor de vaststelling van de inbreuk. In het besluit is evenmin aangetoond waarom het openbaar belang bij de vrijgave van vertrouwelijke informatie zwaarder moet wegen dan het rechtmatig bedrijfsbelang van UniCredit bij de bescherming van haar vertrouwelijke informatie.

3.

Derde middel. In het besluit is het recht onjuist toegepast en het rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld geschonden door een onjuiste toepassing van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de vraag of de constateringen betreffende een inbreuk die niet in het dispositief van het besluit worden vermeld, in beginsel vertrouwelijk zijn. Het besluit maakt dit fundamentele recht op onrechtvaardige wijze ontoegankelijk voor UniCredit wat betreft informatie die buiten de temporele werkingssfeer van het inbreukbesluit valt en het product betreft waarop dat besluit betrekking heeft, en zinspeelt op een ruimere aansprakelijkheid van UniCredit, op de loutere grond dat zij geadresseerde is van een ander, beperkter inbreukbesluit.

4.

Vierde middel. Het besluit bevat een fout wegens een verwijzing naar de vertrouwelijkheidsaanspraken van andere partijen die geen verband hebben met de aanspraken van UniCredit, alsmede onjuiste verwijzingen naar overwegingen, waardoor UniCredit de aard van de argumenten van de Commissie niet volledig kan begrijpen.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4977/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)