|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/4234 |
24.7.2024 |
P9_TA(2023)0401
Kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologieproducten (verordening voor een nettonulindustrie)
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 21 november 2023 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologieproducten (verordening voor een nettonulindustrie) (COM(2023)0161 – C9-0062/2023 – 2023/0081(COD)) (1)
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
(C/2024/4234)
Amendement 1
AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT (*1)
op het voorstel van de Commissie
---------------------------------------------------------
2023/0081 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologieproducten (verordening voor een nettonulindustrie)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (3),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(-1) |
De belangrijkste doelstelling van het Europese industriebeleid op middellange termijn bestaat erin de industrie van de Unie in staat te stellen de transities op energie-, klimaat-, milieu- en digitaal gebied uit te voeren, met behoud van haar concurrentievermogen op de wereldmarkt, behoud van hoogwaardige werkgelegenheid in Europa en versterking van haar vermogen om in Europa te innoveren en te produceren, met name op het gebied van schone technologieën; |
|
(1) |
De Unie heeft zich verbonden tot een versnelde decarbonisatie van haar economie en tot een ambitieuze uitrol van hernieuwbare energiebronnen om tegen 2050 tot klimaatneutraliteit of een nettonuluitstoot (emissies na aftrek van verwijderingen) te komen. Die doelstelling vormt de kern van de Europese Green Deal en de geactualiseerde industriestrategie van de EU, en strookt met de verbintenis tot mondiale klimaatactie die de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs (4) is aangegaan. Om de doelstelling van klimaatneutraliteit te bereiken, is in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (5) een bindende klimaatdoelstelling op het niveau van de Unie vastgesteld om de netto broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990. Het voorgestelde “Fit for 55” (6)-pakket heeft tot doel de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 te verwezenlijken en bij dit pakket wordt in dit verband Uniewetgeving herzien en geactualiseerd. |
|
(1 bis) |
Zoals uiteengezet in het industrieel plan voor de Green Deal, moet de Unie maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de industriële transformatie naar nettonul in eigen land kan worden versneld. Deze verordening maakt deel uit van deze maatregelen en beoogt de businesscase voor industriële decarbonisatie in de Unie te verbeteren. |
|
(1 ter) |
In het belang van de strategische autonomie van de Unie is het van het allergrootste belang dat meer het accent wordt gelegd op de circulariteit en lange levensduur van technologieën om de veerkracht van de be- en verwerkende industrie van de Unie te vergroten en tegelijkertijd de milieueffecten ervan te verminderen teneinde een bijdrage te leveren aan haar duurzame concurrentievermogen. |
|
(2) |
De eengemaakte markt biedt een passend klimaat om op de vereiste schaal en het vereiste tempo toegang te bieden tot de technologieën die nodig zijn om de klimaatambitie van de Unie te verwezenlijken, alsook de belofte van de Europese Green Deal om decarbonisatie om te zetten in duurzaam concurrentievermogen . Gezien de complexiteit en het transnationale karakter van nettonultechnologieën zouden ongecoördineerde nationale maatregelen om de toegang tot die technologieën te waarborgen zeer waarschijnlijk de concurrentie verstoren en de eengemaakte markt fragmenteren. Om de werking van de eengemaakte markt te waarborgen, is het derhalve noodzakelijk een gemeenschappelijk rechtskader van de Unie tot stand te brengen om deze centrale opgave gezamenlijk aan te pakken door de veerkracht en de voorzieningszekerheid van de Unie op het gebied van nettonultechnologieën te vergroten. |
|
(2 bis) |
Aanvullende mobilisatie van staatssteun moet gericht en tijdelijk zijn en moet in overeenstemming zijn met de beleidsdoelstellingen van de Unie, zoals de Green Deal en de Europese pijler van sociale rechten. Deze financiering mag niet leiden tot een toename van de verschillen tussen de lidstaten in overeenstemming met het mededingings- en cohesiebeleid van de Unie. |
|
(2 ter) |
Het Internationaal Energieagentschap schat dat de mondiale markt voor belangrijke, massaal geproduceerde schone energietechnologieën tegen 2030 ongeveer 650 miljard USD per jaar zal vertegenwoordigen, hetgeen meer dan drie keer het huidige niveau is. De nettonulindustrie groeit wereldwijd in toenemende mate, en zelfs zodanig dat de vraag soms groter is dan het aanbod. De industrie van de Unie maakt deel uit van een open, exportgerichte, kapitaalintensieve, sociale markteconomie die de burgers van de Unie alleen welvaart kan brengen als zij concurrerend is op en openstaat voor de wereldmarkt. De ambitie van de Unie voor de nettonulindustrie moet op die realiteit worden afgestemd en moet als doel hebben een aanzienlijk mondiaal marktaandeel te verwerven. |
|
(3) |
Wat de externe aspecten betreft, zal de Unie haar inspanningen opvoeren om de krachten te bundelen met open, democratische partners die de Overeenkomst van Parijs onderschrijven . Wat opkomende markten en ontwikkelingslanden betreft, zal de Unie in het kader van haar Global Gateway-strategie streven naar wederzijds voordelige partnerschappen, die bijdragen tot de diversificatie van haar toeleveringsketen van grondstoffen, tot de verwezenlijking van de mondiale klimaatdoelstellingen en tot de inspanningen van de partnerlanden om een dubbele transitie te realiseren, en tot de ontwikkeling van lokale toegevoegde waarde. |
|
(4) |
Om deze verbintenissen na te komen, moet de Unie haar transitie naar een nettonuleconomie versnellen, onder meer door het aandeel schone energie in haar energiemix te verhogen , alsook door de energie-efficiëntie en het aandeel hernieuwbare energiebronnen te vergroten. Hiermee zal worden bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie van het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten voor 2030 van een arbeidsparticipatie van ten minste 78 % en een deelname aan opleidingen door ten minste 60 % van de volwassenen. Dit zal er ook toe bijdragen dat de groene transitie eerlijk en billijk is (7). |
|
(5) |
De hogere energieprijzen na de ongerechtvaardigde en onwettige militaire agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne hebben een sterke impuls gegeven om de uitvoering van de Europese Green Deal te versnellen en de veerkracht van de energie-unie te versterken door de transitie naar schone energie te versnellen en een einde te maken aan elke afhankelijkheid van uit de Russische Federatie aangeleverde fossiele brandstoffen. Het REPowerEU-plan (8) speelt een sleutelrol bij de respons op de beproevingen en de verstoring van de mondiale energiemarkt als gevolg van de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie. Dat plan heeft tot doel de energietransitie in de Europese Unie te versnellen, teneinde het gas- en elektriciteitsverbruik van de Unie te verminderen en investeringen in de uitrol van energie-efficiënte en koolstofarme oplossingen te stimuleren. In dat plan zijn onder meer de doelstellingen vastgesteld om de fotovoltaïsche capaciteit te verdubbelen tegen 2025, en tegen 2030 een fotovoltaïsche capaciteit van 600 GW te installeren; om de uitrol van warmtepompen te verdubbelen; om tegen 2030 10 miljoen ton binnenlandse hernieuwbare waterstof te produceren, en om de productie van biomethaan aanzienlijk te verhogen tot 35 miljard kubieke meter tegen 2030 . In dat plan is ook opgenomen dat, om de REPowerEU-doelstellingen te verwezenlijken, de levering van apparatuur voor koolstofarme energie en van kritieke grondstoffen moet worden gediversifieerd, de afhankelijkheid van sectoren moet worden verminderd, knelpunten in de toeleveringsketen moeten worden weggewerkt en de productiecapaciteit van de Unie voor technologie op het gebied van schone energie moet worden uitgebreid. Als onderdeel van haar inspanningen om het aandeel van hernieuwbare energie in de elektriciteitsopwekking, de industrie, gebouwen en vervoer te verhogen, stelt de Commissie voor de doelstelling in de richtlijn hernieuwbare energie op te trekken tot 45 % tegen 2030 en de doelstelling in de richtlijn energie-efficiëntie tot 13 %. Dit zou de totale opwekkingscapaciteit van hernieuwbare energie tegen 2030 op 1236 GW brengen, in vergelijking met 1067 GW tegen 2030 zoals voorzien in het voorstel van 2021, en zal leiden tot een grotere behoefte aan opslag via batterijen om de fluctuerende niveaus in het elektriciteitsnet te ondervangen. Evenzo zullen beleidsmaatregelen in verband met het koolstofvrij maken van de wegvervoersector, zoals Verordening (EU) 2019/631 (9) en Verordening (EU) 2019/1242 (10) van het Europees Parlement en de Raad , sterke drijvende krachten zijn voor een verdere elektrificatie van de wegvervoersector en zo de vraag naar batterijen doen toenemen. |
|
(6) |
De transitie naar nettonul leidt nu al tot enorme industriële, economische en geopolitieke verschuivingen over de hele wereld, die alleen maar groter zullen worden naarmate de wereldwijde decarbonisatie-inspanningen vorderen. De weg naar een klimaatneutrale, hulpbronnenefficiënte nettonuleconomie vertaalt zich in goede kansen voor de uitbreiding van de nettonulindustrie in de Unie, waarvoor gebruik wordt gemaakt van de kracht van de eengemaakte markt door investeringen in nettonultechnologieën te bevorderen, en de toeleveringsketens daarvan. Dit zijn de technologieën die nodig zijn om de doelstellingen van de nationale energie- en klimaatplannen te verwezenlijken en bij te dragen tot de veerkracht en het concurrentievermogen van de industrie van de Unie , waardoor onze economische sectoren gedecarboniseerd kunnen worden, van energievoorziening tot vervoer, gebouwen en industrie. Een sterke nettonulindustrie binnen de ▌ Unie kan aanzienlijk bijdragen tot de doeltreffende verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, alsook tot de ondersteuning van andere doelstellingen van de Green Deal, zoals hoogwaardige banen en duurzame groei genereren door een industriële basis te creëren die zowel op uitvoer als op binnenlandse voorziening is gericht. |
|
(7) |
Om de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie te halen, moet prioriteit worden gegeven aan energie-efficiëntie. Energie besparen is de goedkoopste, veiligste en schoonste manier om deze doelstellingen te verwezenlijken. “Energie-efficiëntie eerst” is een algemeen beginsel in het energiebeleid van de Unie en is belangrijk bij zowel praktische toepassingen als bij beleids- en investeringsbeslissingen. Daarom is het van essentieel belang de productiecapaciteit van de Unie voor energie-efficiënte technologieën zoals warmtepompen en technologieën voor slimme netwerken, die de EU helpen haar energieverbruik te verminderen en te beheersen, uit te breiden. |
|
(8) |
De decarbonisatiedoelstellingen van de Unie, de energievoorzieningszekerheid, de digitalisering van het energiesysteem en de elektrificatie van de vraag, bijvoorbeeld op het gebied van mobiliteit en de behoefte aan snelle oplaadpunten, vereisen een enorme uitbreiding van de elektriciteitsnetten in de ▌ Unie, zowel op transmissieniveau als op distributieniveau. Op transmissieniveau zijn hoogspanningsgelijkstroomsystemen (HVDC-systemen) nodig om hernieuwbare energiebronnen op zee aan te sluiten; op distributieniveau is het aansluiten van elektriciteitsleveranciers en de omgang met flexibiliteit aan de vraagzijde afhankelijk van investeringen in innovatieve nettechnologieën, zoals slimme oplaadmogelijkheden voor elektrische voertuigen (EVSC), energie-efficiënte gebouwen en automatisering van industrie, en slimme regelaars, slimme-meterinfrastructuur (AMI) en energiebeheersystemen voor woningen (HEMS). Het elektriciteitsnet moet kunnen communiceren met tal van actoren of apparaten op basis van een nauwkeurige waarneembaarheid — m.a.w. op basis van gegevens — om flexibiliteit, slim laden en slimme gebouwen mogelijk te maken, waarbij slimme elektriciteitsnetten en kleinschalige flexibiliteitsdiensten een respons aan de vraagzijde van consumenten en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken. De aansluiting van nettonultechnologieën op het net van de ▌ Unie vereist een aanzienlijke uitbreiding van de productievermogens voor elektriciteitsnetten, bijvoorbeeld wat betreft offshore- en onshore-kabels, verdeelstations en transformatoren. |
|
(8 bis) |
Clustering van industriële activiteiten gericht op industriële symbiose kan de milieueffecten van de activiteiten minimaliseren en zorgen voor efficiëntiewinst voor de industrie. Als zodanig kan clustering aanzienlijk bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening. In dit verband zij het volgende opgemerkt: Deze verordening bevordert de ontwikkeling van nettonulindustrievalleien (valleien). Deze valleien moeten beperkt zijn in geografische en technologische reikwijdte teneinde de industriële symbiose te bevorderen. De lidstaten moeten valleien aanwijzen en elke aanwijzing moet vergezeld gaan van een plan met concrete nationale maatregelen om de aantrekkelijkheid van de vallei als locatie voor productieactiviteiten te vergroten. Valleien moeten met name worden gebruikt als instrument voor de herindustrialisering van regio’s, met name voor steenkoolregio’s in transitie. |
|
(8 ter) |
De lidstaten moeten valleien kunnen aanwijzen en ondersteunen. Bij het aanwijzen van een vallei moet de lidstaat een plan voor de vallei (het plan) opstellen waarin wordt aangegeven welke nettonulproductieactiviteit in de vallei moet worden ondergebracht. De lidstaat moet ook milieueffectbeoordelingen uitvoeren die vereist zijn voor de nettonulproductieactiviteiten die in de vallei zullen plaatsvinden. Dergelijke effectbeoordelingen beperken aanzienlijk de noodzaak voor ondernemingen om deze beoordelingen uit te voeren voor het verkrijgen van vergunningen voor de nettonulproductieactiviteiten die binnen de reikwijdte van de vallei vallen. Het plan moet de resultaten van de milieueffectbeoordelingen bevatten alsook de nationale maatregelen die moeten worden genomen om negatieve milieueffecten te minimaliseren of te beperken. Het plan moet ook concrete nationale maatregelen omvatten om de industriële activiteit in de reikwijdte van de vallei te ondersteunen. Die maatregelen moeten maatregelen omvatten om te investeren in of om aan te zetten tot particuliere investeringen in energie-, digitale en vervoersinfrastructuur, alsook maatregelen om de operationele uitgaven voor de industrie in de vallei te verlagen, zoals contracts for difference voor energieprijzen. Andere te overwegen maatregelen zijn maatregelen ter versterking van de bescherming van intellectuele eigendom, de oprichting van een innovatiehub in de vallei en het aantrekken van start-ups naar de vallei. Om de sector investeringszekerheid te bieden, moet in het plan ook de duur van de steunmaatregelen worden gespecificeerd. |
|
(9) |
Er zijn aanvullende beleidsinspanningen nodig ter ondersteuning van technologieën die commercieel beschikbaar zijn en snel opgeschaald kunnen worden om de klimaatdoelstellingen van de Unie ▌ te ondersteunen, de voorzieningszekerheid wat betreft nettonultechnologieën en de toeleveringsketens daarvan te verbeteren en de algehele veerkracht en het concurrentievermogen van het energiesysteem van de Unie te waarborgen of te versterken. Daartoe behoort toegang tot een veilige en duurzame bron van brandstoffen met voor hun categorie uitstekende prestaties, zoals beschreven in overweging 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie. |
|
(10) |
Om de doelstellingen voor 2030 te verwezenlijken, moet aan een aantal van de strategische nettonulprojecten bijzondere aandacht worden besteed, mede gezien de aanzienlijke bijdrage die zij op het traject naar klimaatneutraliteit tegen 2050 kunnen leveren. Deze projecten spelen een belangrijke rol voor de open strategische autonomie van de Unie en zorgen ervoor dat burgers toegang hebben tot schone en betaalbare energie en een zekere energievoorziening. Gezien die rol moeten voor deze projecten nog snellere vergunningsprocedures worden geregeld, moeten zij binnen het respectieve nationale recht de status van het hoogst mogelijke nationale belang krijgen, en moeten zij aanvullende steun krijgen zodat investeringen kunnen worden aangetrokken. Om als een strategisch project te worden erkend, moet de projectpromotor voldoen aan de toepasselijke verplichtingen op het gebied van sociaal en arbeidsrecht uit hoofde van het Unierecht of het nationale recht. |
|
(10 bis) |
Strategische nettonulprojecten moeten op duurzame wijze worden uitgevoerd, door te vertrouwen op het gebruik van maatschappelijk verantwoorde praktijken, waaronder eerbiediging van de mensenrechten en arbeidsrechten, door op zinvolle wijze samen te werken met plaatselijke gemeenschappen, en door te vertrouwen op transparante bedrijfsvoering met een passend nalevingsbeleid om het risico op negatieve gevolgen voor de goede werking van de overheid, zoals corruptie en omkoping, te voorkomen en te minimaliseren; |
|
(11) |
Om ervoor te zorgen dat het toekomstige energiesysteem van de Unie veerkrachtig is, moet in de hele toeleveringsketen van de desbetreffende technologieën worden opgeschaald, in volledige complementariteit met de verordening kritieke grondstoffen. |
|
(11 bis) |
Sinds 2007 en de mededelingen van de Commissie van 22 november 2007 getiteld “Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-PLAN) - Naar een koolstofarme toekomst” en van 20 oktober 2023 over de herziening van het strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan), stimuleert het strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) de innovatie van de Unie op het gebied van energietechnologieën. Als zodanig heeft het SET-plan aanzienlijk bijgedragen tot een sterke kennisbasis op het gebied van energietechnologieën en is het van essentieel belang geweest voor de afstemming van strategische prioriteiten op het gebied van onderzoek, innovatie en toepassing van schone-energietechnologieën. Om ervoor te zorgen dat de Unie haar doelstellingen inzake volledige koolstofneutraliteit tegen 2050 kan verwezenlijken, moet die kennisbasis worden benut en verder worden verstevigd. Het SET-plan is derhalve een onvervangbaar instrument voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en vormt de ruggengraat van de innovatieagenda van deze verordening. |
|
(12) |
In 2020 heeft de ▌ Commissie een EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem goedgekeurd. Daarin werd een visie uiteengezet over hoe de transitie naar een beter geïntegreerd energiesysteem, een systeem dat klimaatneutraliteit in alle economische sectoren ondersteunt tegen de laagste kosten, kan worden versneld. Integratie van het energiesysteem omvat drie concepten die elkaar aanvullen en versterken. Ten eerste een meer “circulair” energiesysteem, waarin energie-efficiëntie centraal staat. Ten tweede een grotere directe elektrificatie van eindgebruikerssectoren. Ten derde het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen, waaronder waterstof ▌. Bij de integratie van het energiesysteem gaat het bijvoorbeeld om oplossingen voor de volledige integratie in het bredere energiesysteem van alle elektriciteit die door installaties voor hernieuwbare energie wordt opgewekt. Dit betekent bijvoorbeeld dat technische oplossingen moeten worden vastgesteld die het mogelijk maken de door installaties voor hernieuwbare elektriciteit opgewekte overtollige elektriciteit te integreren, onder meer met opslag en door uitbreiding van de planbare fossielvrije energiebronnen in het elektriciteitsnet, in allerlei vormen en sturing aan de vraagzijde. |
|
(12 bis) |
CO2-afvang en -opslag (CCS) is een technologie die zal bijdragen aan het beperken van de klimaatverandering. De techniek bestaat erin dat door industriële installaties uitgestoten kooldioxide (CO2) wordt afgevangen, wordt getransporteerd naar een opslaglocatie en daar wordt geïnjecteerd in een geschikte ondergrondse geologische formatie met het oog op permanente opslag. |
|
(13) |
Bij de ontwikkeling van oplossingen voor koolstofafvang en -opslag voor de industrie spelen grote coördinatieproblemen. Ten eerste, ondanks de steeds sterkere prikkel van CO2-beprijzing in het kader van het EU-emissiehandelssysteem, loopt de industrie bij het investeren in afvang van CO2-emissies en het economisch levensvatbaar maken daarvan een aanzienlijk risico dat zij geen vergunde geologische opslaglocatie kan krijgen. Ten tweede krijgen investeerders bij nieuwe CO2-opslaglocaties nog voordat zij een wettelijke opslagvergunning kunnen aanvragen te maken met aanloopkosten in verband met het vinden, ontwikkelen en evalueren van locaties. Transparantie over de potentiële CO2-opslagcapaciteit in de zin van de geologische geschiktheid van beoogde gebieden en toegang tot geologische gegevens, met name gegevens die bij de exploratie van koolwaterstofproductielocaties zijn gegenereerd, kan marktdeelnemers helpen bij het plannen van investeringen. De lidstaten moeten dergelijke gegevens openbaar toegankelijk maken en regelmatig verslag uitbrengen in de vorm van een toekomstgericht perspectief betreffende de voortgang bij de ontwikkeling van CO2-opslaglocaties en de overeenkomstige behoeften wat betreft de bovengenoemde injectie- en opslagcapaciteit, teneinde de Uniewijde doelstelling voor CO2-injectiecapaciteit gezamenlijk te kunnen bereiken. Ten derde zijn CO2-opslagprojecten alleen economisch haalbaar wanneer er een businesscase is van de volledige waardeketen, met inbegrip van vervoer. Derhalve moeten wettelijke opslagverplichtingen gepaard gaan met doeltreffende Unie- en nationale (beleids)maatregelen om coördinatie en investeringen in de hele waardeketen te waarborgen. |
|
(14) |
Een belangrijk knelpunt voor investeringen in koolstofafvang, die op dit moment steeds economisch haalbaarder worden, is de beschikbaarheid van operationele CO2-opslaglocaties in de Unie , die essentieel zijn voor de stimulansen van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (11). De Unie moet een toekomstgericht aanbod ontwikkelen van locaties voor permanente geologische CO2-opslag waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) een vergunning is verleend, zodat de technologie kan worden opgeschaald en de EU haar toonaangevende productiecapaciteit kan uitbreiden. De doelstelling van de EU om tegen 2030 te beschikken over een jaarlijkse operationele CO2-injectiecapaciteit van 50 miljoen ton, wat overeenkomt met de capaciteit die naar verwachting tegen die tijd nodig zal zijn, stelt de betrokken sectoren in staat hun investeringen af te stemmen op een ▌waardeketen voor CO2-vervoer en opslag van de Unie die op een nettonuluitstoot ingericht is en die bedrijven kunnen gebruiken om hun activiteiten koolstofvrij te maken. Deze eerste aanzet zal ook verdere CO2-opslag tegen 2050 ondersteunen. Volgens de ramingen van de Commissie zou de Unie tegen 2050 tot 550 miljoen ton CO2 per jaar moeten afvangen om de doelstelling van een nettonuluitstoot te halen, onder meer door koolstofverwijderingen. Met deze eerste opslagcapaciteit op industriële schaal zal het minder risicovol worden te investeren in het afvangen van CO2-emissies als belangrijk instrument om klimaatneutraliteit te bereiken. Gezien de verwachte opslagvereisten in 2050 moet de Uniemarkt voor CO2-opslag worden aangevuld met een markt die derde landen in Europa met een groot opslagpotentieel bestrijkt. Wanneer deze verordening in de EER-overeenkomst wordt opgenomen, zal de Unie-doelstelling van een jaarlijkse operationele CO2-injectiecapaciteit ▌dienovereenkomstig worden aangepast. Om ervoor te zorgen dat de doelstelling van de Unie wordt gehaald, moeten de lidstaten de maatregelen treffen die nodig zijn om de uitrol van projecten voor koolstofafvang en -opslag te bevorderen en te stimuleren. Dergelijke maatregelen moeten maatregelen kunnen omvatten om uitstoters te stimuleren emissies af te vangen, alsmede financieringssteun voor investeerders ten behoeve van de benodigde infrastructuur voor het vervoer van CO2 naar de opslaglocatie en directe financiering van CO2-opslagprojecten. |
|
(15) |
CO2-opslaglocaties die bijdragen tot de doelstelling van de Unie voor 2030 aanmerken als projecten voor de productie van nettonultechnologie of strategische nettonulprojecten kan de ontwikkeling van CO2-opslaglocaties versnellen en vergemakkelijken, en op die manier kan de toenemende vraag naar opslaglocaties vanuit de industrie worden opgevangen met de meest kosteneffectieve opvanglocaties. Steeds grotere delen van de gas- en olievelden die tot veilige CO2-opslaglocaties zouden kunnen worden omgevormd, bevinden zich aan het einde van hun productieve levensduur. Daarnaast heeft de olie- en gasindustrie bevestigd vastbesloten te zijn een energietransitie aan te vatten en beschikt zij over de middelen, vaardigheden en kennis die nodig zijn om extra opslaglocaties te verkennen en te ontwikkelen. Om de doelstelling van de Unie van een jaarlijkse operationele CO2-injectiecapaciteit van 50 miljoen ton tegen 2030 te kunnen verwezenlijken, moet de sector de krachten bundelen en zorgen voor koolstofafvang en -opslag als klimaatoplossing, nog voordat die nodig wordt. Om te zorgen voor tijdige, Uniebrede en kosteneffectieve ontwikkeling van CO2-opslaglocaties overeenkomstig de doelstelling van de Unie voor injectiecapaciteit, moeten vergunninghouders voor olie- en gasproductie in de Unie aan deze doelstelling bijdragen naar rato van hun olie- en gasproductiecapaciteit, en tegelijkertijd de flexibiliteit bieden om samen te werken en rekening te houden met bijdragen van derden. Vergunninghouders voor olie- en gasproductie in de Unie moeten binnen hun bevoegdheid alles in het werk stellen om de benodigde investeringen te doen teneinde te voldoen aan hun respectieve bijdrage aan de doelstelling om een jaarlijkse operationele CO2-injectiecapaciteit te verwezenlijken. Deze inspanningen moeten evenwel onderworpen zijn aan objectieve commerciële, financiële, technische, wettelijke en milieubeperkingen waarop deze bedrijven geen invloed kunnen uitoefenen, waardoor afzonderlijke opslagprojecten, redelijke en in commercieel opzicht verstandige inspanningen ten spijt, objectief gezien niet tijdig kunnen worden voltooid om aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen. |
|
(15 bis) |
Er zijn aanvullende beleidsinspanningen nodig om het grensoverschrijdende vervoer van CO2 te ondersteunen, aangezien het Protocol van Londen de uitvoer van CO2 voor permanente geologische opslag onder de zeebodem aanvankelijk verbiedt. Het Protocol van Londen is in 2009 door de verdragsluitende partijen gewijzigd om het grensoverschrijdend vervoer van CO2 voor opslag onder de zeebodem mogelijk te maken, maar de wijziging moet door twee derde van de verdragsluitende partijen worden geratificeerd alvorens in werking te kunnen treden. Het is onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn zal gebeuren. Er zijn aanvullende beleidsinspanningen nodig om de belemmeringen voor de uitrol en de totstandbrenging van een interne markt voor grensoverschrijdend vervoer van CO2 aan te pakken. |
|
(15 ter) |
Aanvullende beleidsinspanningen zijn essentieel om de uitrol van grensoverschrijdende infrastructuurplanning te waarborgen. De toegankelijkheid en connectiviteit van het volledige scala aan regelingen inzake vervoer van CO2 spelen een cruciale rol bij de uitrol van projecten voor CCS en koolstofafvang en -gebruik (CCU). Dergelijke regelingen bestrijken schepen, binnenvaartschepen, treinen en vrachtwagens, alsmede vaste voorzieningen voor aansluiting en aanmeren, voor liquefactie, bufferopslag en omvormers van CO2 met het oog op het verdere vervoer via pijpleidingen en specifieke vervoerswijzen. |
|
(15 quater) |
De Commissie moet erop toezien dat de doelstelling inzake CO2-injectiecapaciteit en -opslag voor de periode na 2030 voortdurend wordt herzien en uitgebreid om tegemoet te komen aan de noodzaak dat de Unie haar klimaatdoelstelling voor 2040 en klimaatneutraliteit tegen 2050 bereikt in combinatie met aanverwante Uniewetgeving. |
|
(15 quinquies) |
Het gebruik van afgevangen CO2 in bepaalde productieprocessen kan ervoor zorgen dat CO2 permanent wordt opgeslagen en/of kan bijdragen tot het verminderen van de afhankelijkheid van de Unie van fossiele brandstoffen. Daarom moeten alle instanties die betrokken zijn bij de waardeketen van CO2-injectieactiviteiten als bedoeld in deze verordening, worden aangemoedigd om na te gaan of het CO2 dat moet worden opgeslagen permanent in nieuwe producten kan worden opgeslagen of de doelstellingen van de Unie om haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, kan ondersteunen. |
|
(16) |
De Unie heeft bijgedragen tot de opbouw van een mondiaal economisch systeem dat gebaseerd is op open , transparante en op regels gebaseerde handel, heeft zich sterk gemaakt voor de eerbiediging en bevordering van normen voor sociale en milieuduurzaamheid en de klimaattransitie, en zet zich ten volle in voor die waarden. De Unie streeft ernaar een gelijk speelveld tot stand te brengen, met name door de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken en productieovercapaciteit, en zo een eerlijk concurrentieklimaat voor de industrie van de Unie te waarborgen, onder meer door middel van industriële partnerschappen voor nettonul, die hoogwaardige banen voor werknemers bieden. |
|
(17) |
De productiecapaciteit voor nettonultechnologie in de Unie moet worden uitgebreid om problemen in verband met de voorzieningszekerheid aan te pakken en bij te dragen tot het ondersteunen van de veerkracht van het energiesysteem van de Unie en de inspanningen voor decarbonisatie en modernisering. De fabrikanten van technologieën voor fotovoltaïsche zonne-energie in de Unie moeten hun concurrentievoordeel vergroten en de vooruitzichten voor de voorzieningszekerheid verbeteren door ernaar te streven tegen 2030 ten minste 30 gigawatt operationele productiecapaciteit voor fotovoltaïsche zonne-energie te bereiken in de gehele waardeketen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Europese alliantie voor de fotovoltaïsche zonne-energiesector, die wordt ondersteund in het kader van de EU-strategie voor zonne-energie (13). Fabrikanten van windenergie- en warmtepomptechnologieën in de Unie moeten hun concurrentievoorsprong dit decennium consolideren en hun huidige marktaandeel handhaven of uitbreiden, in overeenstemming met de prognoses van de Unie voor de uitrol van technologie voor haar energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030. Dit komt neer op een productiecapaciteit binnen de Unie van ten minste 36 GW voor windenergie en van ten minste 31 GW voor warmtepompen in 2030. Fabrikanten van batterijen en elektrolyse-installaties in de Unie moeten hun technologisch leiderschap consolideren en deze markten actief mede vormgeven. Voor batterijtechnologieën zou dit betekenen dat wordt bijgedragen aan de doelstellingen van de Europese alliantie voor batterijen en dat ernaar wordt gestreefd dat bijna 90 % van de jaarlijkse vraag naar batterijen in de Unie zal worden vervuld door de batterijfabrikanten in de Unie, wat neerkomt op een productiecapaciteit van ten minste 550 GWh in de Unie in 2030. Voor producenten van elektrolyse-installaties in de Unie wordt in het REPowerEU-plan uitgegaan van 10 miljoen ton eigen productie van hernieuwbare waterstof en nog eens tot 10 miljoen ton aan invoer van hernieuwbare waterstof tegen 2030. Om ervoor te zorgen dat het technologische leiderschap van de Unie zich vertaalt in commercieel leiderschap, zoals in het kader van de gezamenlijke verklaring van de Commissie over elektrolyse-installaties en de Europese alliantie voor schone waterstof wordt ondersteund, moeten de fabrikanten van elektrolyse-installaties in de Unie hun capaciteit verder vergroten, zodat de totale elektrolysecapaciteit tegen 2030 ten minste 100 GW aan waterstof bereikt. Verder is in het REPowerEU-plan een doelstelling vastgesteld om de productie van duurzaam biomethaan tegen 2030 tot 35 miljard kubieke meter op te voeren. Aangezien de toeleveringsketen voor biomethaan op dit ogenblik overwegend in Europa is gevestigd, levert biomethaan al een bijdrage aan de veerkracht van de Unie, die verder moet worden bevorderd. |
|
(18) |
Gezien deze reeks doelstellingen en rekening houdend met het feit dat de productiecapaciteit van de Unie voor bepaalde elementen van de toeleveringsketen (zoals omvormers en zonnecellen, wafers en ingots voor fotovoltaïsche zonne-energie of kathoden en anoden voor batterijen) zwak is, moet voor de jaarlijkse productiecapaciteit van de Unie worden uitgegaan van het tegen 2030 ▌bereiken van een jaarlijkse productiebenchmark van ten minste 40 % voor de in deze verordening gedefinieerde nettonultechnologieën. Bovendien moet de jaarlijkse productiecapaciteit van de Unie voor nettonultechnologieën ten minste 25 % van de wereldwijde vraag naar de overeenkomstige technologieën dekken. |
|
(19) |
Het vergroten van de productiecapaciteit voor nettonultechnologieën in de ▌Unie zal ▌ de mondiale voorziening van nettonultechnologieën en de overschakeling op schone economische ontwikkeling wereldwijd vergroten . In combinatie met andere maatregelen om het concurrentievermogen van de Unie te versterken, moeten maatregelen om de productiecapaciteit in de Unie te vergroten er ook voor zorgen dat de Unie een dominante rol speelt in strategische delen van de waardeketen, met inbegrip van eindproducten, om het voor de Unie noodzakelijke niveau van voorzieningszekerheid te waarborgen teneinde haar klimaatdoelstellingen te verwezenlijken. |
|
(20) |
Tegelijkertijd zullen nettonultechnologieproducten bijdragen tot de veerkracht van de Unie en een zekere voorziening van schone energie. Een zekere voorziening van schone energie is een voorwaarde voor economische ontwikkeling en voor de openbare orde en veiligheid. Nettonultechnologieproducten zullen ook voordelen opleveren voor andere economische sectoren van groot strategisch belang, zoals landbouw en voedselproductie, door de toegang tot schone energie en apparatuur tegen concurrerende prijzen te waarborgen en aldus op duurzame wijze bij te dragen tot de voedselzekerheid in de EU en tot steeds betere afzetmogelijkheden voor biogebaseerde alternatieven via de circulaire economie. De verwezenlijking van de klimaatambities van de Unie zal zich evenzeer vertalen in zowel economische groei als sociaal welzijn. |
|
(21) |
De productie van nettonultechnologieën is afhankelijk van complexe en wereldwijd onderling verbonden waardeketens. Wil de Unie haar concurrentievermogen behouden en de huidige strategische afhankelijkheid van de invoer van essentiële nettonultechnologieproducten en de bijbehorende toeleveringsketens verminderen, en tegelijkertijd nieuwe afhankelijkheden voorkomen, dan moet zij haar industriële basis ▌ blijven versterken en concurrerender en innovatievriendelijker worden. De Unie moet ervoor zorgen dat de productiecapaciteit zich sneller, eenvoudiger en voorspelbaarder kan ontwikkelen , door de regelgevings- en administratieve lasten voor industriële activiteiten op haar grondgebied te verminderen en een gelijk speelveld met de internationale concurrentie tot stand brengen. De Unie moet er met name naar streven om tegen 2030 de algemene regeldruk voor de industrie met 20 % te verminderen, de regeldruk voor het op de interne markt brengen van een nieuw product met 40 % te verminderen en de administratieve lasten voor kmo’s en start-ups met 40 % te verminderen. Die inspanningen moeten met name worden geleverd binnen het kader voor betere regelgeving en zonder afbreuk te doen aan de milieu- en arbeidsnormen van de Unie. De Commissie moet in haar jaarlijks lastenoverzicht verslag uitbrengen over de vorderingen bij de verwezenlijking van deze doelstellingen. |
|
(21 bis) |
Om de toegang van de Unie tot een veilige en duurzame levering van nettonultechnologieën te waarborgen die nodig is om de veerkracht van de Unie te waarborgen en om haar doelstellingen inzake klimaatneutraliteit te verwezenlijken, moet de interne markt een gunstig klimaat zijn voor innovatie op het gebied van nettonultechnologieën. Innovatie zal een cruciale factor zijn om het concurrentievermogen van de Unie te waarborgen en zo snel mogelijk de doelstellingen inzake een nettonuluitstoot te verwezenlijken. Gezien de snelle ontwikkelingen op het gebied van nettonultechnologieën en de aanzienlijke regelgevingsrichtsnoeren voor de groene transitie, is het voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening van het grootste belang dat de potentiële effecten van wetgeving en beleidsinitiatieven van de Unie op innovatie terdege in aanmerking worden genomen bij de voorbereiding, evaluatie en herziening ervan door toepassing van het innovatiebeginsel zoals uiteengezet in instrument voor betere regelgeving nr. 22 en in de mededeling van de Commissie van 15 mei 2018 getiteld “Een vernieuwde Europese agenda voor onderzoek en innovatie – de kans om de toekomst van Europa vorm te geven”. |
|
(21 ter) |
De vermindering van de regelgevings- en administratieve lasten en de beschikbaarheid van een passend regelgevingskader zijn met name van belang voor kmo’s. Daarom moet de Commissie een kmo-gezant benoemen als adviseur van haar voorzitter. De kmo-gezant moet een mandaat hebben om ervoor te zorgen dat de belangen van kmo’s voldoende worden weerspiegeld in het beleid en de rechtshandelingen van de Unie. Elke nieuwe commissie moet binnen zes maanden na haar eigen benoeming een kmo-gezant kunnen benoemen. |
|
(21 quater) |
De transitietrajecten die naar aanleiding van de geactualiseerde industriële strategie van de EU van 2021 worden ontwikkeld, moeten worden geactualiseerd om de doelstellingen van deze verordening te weerspiegelen en moeten de hefbomen en knelpunten voor de transitie en het mondiale concurrentievermogen van de industrie van de Unie in kaart brengen. |
|
(22) |
Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (14) moeten de lidstaten ▌ in juni 2023 geactualiseerde ontwerpversies van hun nationale energie- en klimaatplannen voor de periode 2021-2030 indienen. Zoals in de richtsnoeren van de Commissie aan de lidstaten voor het actualiseren van de nationale energie- en klimaatplannen voor de periode 2021-2030 is benadrukt (15), moeten in de geactualiseerde plannen de doelstellingen en beleidslijnen van de lidstaten worden beschreven om de opschaling van productieprojecten voor commercieel beschikbare energie-efficiënte en koolstofarme technologieën, apparatuur en belangrijke componenten op hun grondgebied te vergemakkelijken. In die plannen moeten ook de doelstellingen en beleidslijnen van de lidstaten worden beschreven om een dergelijke opschaling tot stand te brengen door middel van diversificatie-inspanningen in derde landen, en om hun industrieën in staat te stellen CO2-emissies af te vangen en permanent op te slaan in geologische opslaglocaties. Die nationale energie- en klimaatplannen moeten de grondslag vormen voor de vaststelling van de behoefte aan nettonultechnologieën. |
|
(23) |
Daarnaast bevat de mededeling over een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk (16) een alomvattende aanpak ter ondersteuning van een opschaling van schone-energietechnologie die steunt op vier pijlers. De eerste pijler heeft tot doel een regelgevingskader tot stand te brengen dat de vergunningverlening voor nieuwe productie- en assemblagelocaties voor nettonultechnologie vereenvoudigt en versnelde trajecten mogelijk maakt, en dat de opschaling van de nettonulindustrie van de Unie vergemakkelijkt. De tweede pijler van het plan is het stimuleren van investeringen in en de financiering van de productie van nettonultechnologie aan de hand van het in maart 2023 aangenomen herziene tijdelijke crisis- en transitiekader en de oprichting van een Europees soevereiniteitsfonds om de ▌voorsprong van de Unie te behouden op het gebied van kritieke en opkomende technologieën die relevant zijn voor de groene en de digitale transitie. De derde pijler heeft betrekking op de ontwikkeling van de vaardigheden die nodig zijn om de transitie tot stand te brengen en het aantal gekwalificeerde werknemers in de sector schone energietechnologie te verhogen. De vierde pijler is gericht op de handel en op de diversificatie van de toeleveringsketen voor kritieke grondstoffen. In dat kader wordt een samenwerkingsverband met betrekking tot kritieke grondstoffen opgericht en wordt samengewerkt met gelijkgestemde partners om de toeleveringsketens collectief te versterken, en wordt ingezet op diversificatie wat betreft leveranciers voor kritieke input. |
|
(24) |
In het kader van de eerste pijler moet de Unie een industriële basis ontwikkelen en in stand houden voor de levering van oplossingen op basis van nettonultechnologie om haar energievoorziening veilig te stellen, en tegelijkertijd haar ambities op het gebied van klimaatneutraliteit waarmaken. Om dat doel te ondersteunen en afhankelijkheden bij de toelevering van nettonultechnologieën te voorkomen die de inspanningen van de Unie op het gebied van broeikasgasemissiereductie zouden vertragen of de energievoorzieningszekerheid in gevaar zouden brengen, worden in deze verordening bepalingen vastgesteld om de vraag naar duurzame en veerkrachtige nettonultechnologieën te stimuleren. |
|
(25) |
Op grond van de Richtlijnen 2014/23/EU (17), 2014/24/EU (18) en 2014/25/EU (19) van het Europees Parlement en de Raad mogen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties die via openbare aanbestedingsprocedures overheidsopdrachten gunnen, zich bij de selectie van de economisch meest voordelige inschrijving, naast prijzen of kosten, reeds op aanvullende criteria baseren. Zulke criteria betreffen bijvoorbeeld de kwaliteit van de inschrijving, met inbegrip van sociale, governance-, milieu- en innovatieve kenmerken. Bij de gunning van opdrachten voor nettonultechnologie via openbare aanbestedingen moeten aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de bijdragen van de inschrijvingen op het gebied van milieu- en sociale duurzaamheid en veerkracht naar behoren beoordelen aan de hand van een reeks criteria met betrekking tot de milieuduurzaamheid, innovatie, systeemintegratie en veerkracht. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties moeten ervoor zorgen dat aanbieders die in andere lidstaten gevestigd zijn in de procedures gelijk worden behandeld als nationale aanbieders en zij moeten waarborgen dat er geen sprake is van discriminatie bij het vaststellen van de criteria. |
|
(26) |
Sociale duurzaamheidscriteria kunnen al worden toegepast in het kader van de bestaande wetgeving, en die kunnen arbeidsomstandigheden en collectief onderhandelen omvatten in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten overeenkomstig artikel 30, lid 3, van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 18, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 36, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU. Aanbestedende diensten moeten erop letten dat de inschrijvingen bijdragen tot sociale duurzaamheid door passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat ondernemers bij de uitvoering van overheidsopdrachten voldoen aan de toepasselijke verplichtingen op het gebied van sociaal- en arbeidsrecht van de Unie en de lidstaten , en in collectieve overeenkomsten of de internationale milieu-, sociale en arbeidsrechtelijke bepalingen zoals die zijn opgenomen in bijlage X bij Richtlijn 2014/23/EU, bijlage X bij Richtlijn 2014/24/EU en bijlage XIV bij Richtlijn 2014/25/EU43 en aantrekkelijke werkgelegenheid bieden. |
|
(27) |
Onverminderd de wetgeving van de Unie die van toepassing is op een specifieke technologie, onder meer in het kader van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten (20) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake batterijen en afgedankte batterijen (21), en tenzij daarin anders is aangegeven, worden aanbestedende diensten en instanties bij de beoordeling van de milieuduurzaamheid van op basis van deze verordening aangekochte nettonuloplossingen aangemoedigd rekening te houden met verschillende elementen die gevolgen hebben voor het klimaat en het milieu. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de duurzaamheid en betrouwbaarheid van de oplossing; het gemak van reparatie en onderhoud; het gemak van upgraden en opknappen; het gemak waarmee recycling plaatsvindt en de kwaliteit ervan; het gebruik van bepaalde stoffen; het verbruik van energie, water en andere hulpbronnen in een of meer stadia van de levenscyclus van het product; het gewicht en het volume van het product en de verpakking ervan; de inbouw van hernieuwbare materialen of gebruikte componenten; de hoeveelheid, kenmerken en beschikbaarheid van de verbruiksgoederen die nodig zijn voor correct gebruik en onderhoud; de milieuvoetafdruk van het product en de milieueffecten ervan gedurende de levenscyclus; de koolstofvoetafdruk van het product; het vrijkomen van microplastics; de emissies in de lucht, het water of de bodem in een of meer levenscyclusfasen van het product; de hoeveelheden afval die wordt gegenereerd; de gebruiksvoorwaarden. In overeenstemming met de cyberbeveiligingsstrategie van de Unie moeten aanbestedende diensten voor inschrijvingen in het kader van deze verordening aanbiedingen afwijzen die niet zijn gecertificeerd in het kader van de desbetreffende regeling voor cyberbeveiligingscertificering. |
|
(28) |
Om in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure een veiligere toelevering te waarborgen door rekening te houden met de noodzaak om de toeleveringsketens van nettonultechnologieën te diversifiëren en voor de toelevering van die technologieën minder vaak afhankelijk te zijn van één enkele bron in de zin van artikel 19, lid 2, en onverminderd de internationale verbintenissen van de Unie, moet de toelevering ten minste als onvoldoende gediversifieerd worden beschouwd wanneer voor meer dan 65 % van de vraag voor een specifieke nettonultechnologie in de Unie wordt voorzien uit één enkele bron. |
|
(29) |
Met het oog op het opzetten van regelingen die ten goede komen aan huishoudens , bedrijven of consumenten en die de aankoop van eindproducten met nettonultechnologie stimuleren, en onverminderd de internationale verbintenissen van de Unie, moet de toelevering als onvoldoende gediversifieerd worden beschouwd wanneer voor meer dan 50 % van de totale vraag in de Unie voor een specifieke nettonultechnologie ▌ wordt voorzien uit één enkele bron. Met het oog op een consistente toepassing moet de Commissie vanaf de datum van toepassing van deze verordening jaarlijks een lijst bekendmaken met de herkomst van de onder deze categorie vallende eindproducten met nettonultechnologie, uitgesplitst naar het aandeel van het aanbod in de Unie dat afkomstig is uit verschillende bronnen, op basis van het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn. |
|
(30) |
Bij Besluit 2014/115/EU van de Raad (22) is met name de wijziging van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (hierna de “GPA-overeenkomst” genoemd), goedgekeurd. De GPA-overeenkomst beoogt de invoering van een multilateraal kader van evenwichtige rechten en verplichtingen met betrekking tot overheidsopdrachten met het oog op de liberalisering en de expansie van de wereldhandel. Voor opdrachten die onder aanhangsel I van de ▌Unie van de GPA-overeenkomst vallen, alsmede onder andere toepasselijke internationale overeenkomsten waardoor de Unie gebonden is, met inbegrip van vrijhandelsovereenkomsten en artikel III:8, punt a), van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 voor de aanschaffing door overheidsinstanties van producten die worden aangekocht niet met het oog op commerciële wederverkoop of het gebruik bij de productie van goederen voor commerciële verkoop, mogen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de voorschriften van artikel 19, lid 2 bis, en artikel 19, lid 4 bis, punt a) , niet toepassen op de bij toeleveringsbronnen behorende ondernemers die de overeenkomsten hebben ondertekend. |
|
(31) |
De toepassing van de bepalingen inzake veerkracht bij openbare aanbestedingen overeenkomstig artikel 19 van deze verordening mag geen afbreuk doen aan de toepassing van Verordening (EU) 2022/1031/EU van het Europees Parlement en de Raad (23) , artikel 25 van Richtlijn 2014/24/EU▌ en artikel 43 en artikel 85 van Richtlijn 2014/25/EU▌, overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie van 2019 (24). Evenzo moeten bepalingen inzake openbare aanbestedingen van toepassing blijven op werkzaamheden, leveringen en diensten die vallen onder artikel 19, met inbegrip van artikel 67, lid 4, van Richtlijn 2014/24/EU en alle uitvoeringsmaatregelen die voortvloeien uit het voorstel voor een verordening betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten en Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad (25). |
|
(32) |
De weging van criteria van openbare aanbestedingsprocedures voor de bijdrage van de inschrijving wat betreft duurzaamheid en veerkracht behelst een minimumdrempel. Binnen deze minimumdrempel staat het de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties vrij om de weging van de afzonderlijke criteria te differentiëren, zonder een ervan volledig terzijde te schuiven. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kunnen altijd een hogere drempel vaststellen voor een of meerdere relevante criteria met betrekking tot de bijdrage inzake duurzaamheid en veerkracht. Gezien het belang van het vergroten van de veerkracht van het energiesysteem van de Unie, moeten de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties voldoende aandacht schenken aan de bijdrage inzake veerkracht. |
|
(33) |
Ter beperking van de administratieve lasten als gevolg van de noodzaak om rekening te houden met criteria met betrekking tot de bijdrage van de aanbesteding wat betreft duurzaamheid en veerkracht, met name voor kleinere overheidsafnemers en voor opdrachten die een lagere waarde vertegenwoordigen en die geen belangrijke gevolgen hebben voor de markt, moet de toepassing van de desbetreffende bepalingen van deze verordening voor overheidsafnemers die geen aankoopcentrale zijn en voor opdrachten met een waarde van minder dan 25 miljoen EUR met twee jaar worden uitgesteld. |
|
(34) |
Voor de toepassing van de bepalingen inzake openbare aanbestedingen overeenkomstig artikel 19 van deze verordening mogen aanbestedende diensten of aanbestedende instanties, wanneer een product onder een krachtens Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad (26) vastgestelde gedelegeerde handeling valt, alleen die producten aankopen die aan de verplichting van artikel 7, lid 2, van die verordening voldoen. |
|
(35) |
Huishoudens , bedrijven en eindgebruikers vormen een essentieel deel van de vraag van de Unie naar eindproducten met nettonultechnologie en overheidssteunregelingen om de aankoop van dergelijke producten door huishoudens te stimuleren, met name voor kwetsbare huishoudens en consumenten en huishoudens en consumenten met een laag en lager middeninkomen, zijn belangrijke instrumenten om de groene transitie te versnellen. In het kader van het in de EU-strategie voor zonne-energie (27) ▌aangekondigde initiatief voor zonnepaneeldaken moeten de lidstaten bijvoorbeeld nationale steunprogramma’s opzetten om de grootschalige uitrol van zonne-energie op daken te ondersteunen. In het REPowerEU-plan riep de Commissie de lidstaten op om ten volle gebruik te maken van ondersteunende maatregelen die de omschakeling op warmtepompen aanmoedigen. Dergelijke steunregelingen die op nationaal niveau door de lidstaten of lokaal door lokale of regionale overheden worden opgezet, moeten ook bijdragen tot het vergroten van de duurzaamheid en veerkracht van de nettonultechnologieën van de Unie . Overheidsinstanties moeten begunstigden bijvoorbeeld een hogere financiële compensatie bieden voor de aankoop van eindproducten met nettonultechnologie die een grotere bijdrage zullen leveren aan de veerkracht in de Unie. Overheidsinstanties moeten ervoor zorgen dat hun regelingen open, transparant en niet-discriminerend zijn, zodat zij bijdragen tot een grotere vraag naar nettonultechnologieproducten in de Unie. Overheidsinstanties moeten daarnaast de aanvullende financiële compensatie voor dergelijke producten beperken om de uitrol van nettonultechnologieën in de Unie niet te vertragen. Om de efficiëntie van dergelijke regelingen te vergroten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat informatie gemakkelijk toegankelijk is voor zowel consumenten als fabrikanten van nettonultechnologie op een gratis website. Gebruikmaking door overheidsinstanties van de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht in het kader van op consumenten of huishoudens gerichte regelingen mag geen afbreuk doen aan de staatssteunregels en de WTO-regels inzake subsidies. |
|
(36) |
Bij het vormgeven van regelingen die ten goede komen aan huishoudens , bedrijven of consumenten en die de aankoop van in artikel 3 van deze verordening vermelde eindproducten met nettonultechnologie stimuleren, moeten lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze instellingen, ervoor zorgen dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nageleefd, onder meer door ervoor te zorgen dat de regelingen verenigbaar zijn met de WTO-bepalingen en niet een omvang bereiken die de belangen van WTO-leden ernstig schaadt. |
|
(37) |
Een platform voor nettonultechnologie in Europa moet ook een belangrijke rol spelen om ervoor te zorgen dat de bijdrage wat betreft duurzaamheid en weerbaarheid door lidstaten en overheidsinstanties in hun praktijken inzake openbare aanbestedingen en veilingen wordt geïntegreerd en de Commissie moet de lidstaten ook bijstaan bij het ontwerpen van op huishoudens, bedrijven en consumenten gerichte regelingen om synergieën tot stand te brengen en beste praktijken uit te wisselen. Het is van belang dat zowel de aanbestedende diensten of de aanbestedende instanties als de producerende ondernemingen duidelijk inzicht hebben in elk van de duurzaamheids- en veerkrachtcriteria. Derhalve moet de Commissie in nauwe samenwerking met het platform voor nettonultechnologie in Europa een uitvoeringshandeling aannemen waarin de criteria om de bijdrage inzake veerkracht en duurzaamheid te beoordelen duidelijk worden omschreven, met bijzondere aandacht voor kmo’s, die een eerlijke kans moeten krijgen om deel te nemen aan de belangrijke markt voor overheidsopdrachten. Samenhang met alle bestaande wetgeving is essentieel. Bovendien moeten de afwijkingen als bedoeld in artikel 19, lid 4, in die uitvoeringshandeling worden verduidelijkt. Daarnaast moet de Commissie in nauwe samenwerking met het platform voor nettonultechnologie in Europa richtsnoeren verstrekken over de manier waarop de duurzaamheids- en veerkrachtcriteria kunnen worden gekoppeld aan toekomstige wetgeving. In die richtsnoeren kunnen bovendien concrete en specifieke voorbeelden en beste praktijken worden verstrekt. Ter wille van de samenhang met alle toekomstige wetgeving, moet de Commissie haar richtsnoeren ten minste om de zes maanden actualiseren. |
|
(38) |
Om ervoor te zorgen dat overheidsopdrachten en veilingen om hernieuwbare energiebronnen in te zetten daadwerkelijk bijdragen tot de veerkracht van de Unie, moeten deze activiteiten voorspelbaar zijn voor de industrie. Om de industrie in staat te stellen zijn productie tijdig aan te passen, moeten aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de markt vooraf informeren over hun geraamde aankoopbehoeften inzake nettonultechnologieproducten. Bij veilingen moet ook tot uiting komen dat de inflatie, in combinatie met de lange aanlooptijd van projecten voor de uitrol van hernieuwbare energie, een aanzienlijk risico voor bedrijven met zich meebrengt, hetgeen bedrijven kan ontmoedigen om inschrijvingen in te dienen. Om zekerheid te bieden over de businesscase van een veilingbod, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle veilingen een inflatie-indexeringsmechanisme omvatten. Voorts moeten de lidstaten in voorkomend geval negatieve biedingen van veilingen uitsluiten, aangezien deze biedingen kunnen leiden tot onverwacht hoge energieprijzen voor afnemers van de uitgerolde productie van hernieuwbare energie. |
|
(39) |
Zoals aangegeven in de op 1 februari 2023 bekendgemaakte mededeling over een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk staat het marktaandeel van de EU-industrie onder sterke druk, omdat subsidies in derde landen het speelveld verstoren . Sommige derde landen voeren steunregelingen in die tot doel hebben industrie voor schone technologie te verankeren en aan te trekken. Dit stelt de Unie voor een competitieve uitdaging om haar eigen industrie in stand te houden en te ontwikkelen. Dit vertaalt zich in de behoefte aan een snelle en ambitieuze reactie van de Unie betreffende de modernisering van haar rechtskader, teneinde door volledig en efficiënt gebruik van alle beschikbare instrumenten, met inbegrip van haar handelsbeschermingsinstrumenten, wereldwijd te kunnen concurreren en de open en eerlijke handel te verdedigen, en door Unienormen voor nettonultechnologieën te bevorderen. |
|
(39 bis) |
Gezien de doelstelling van de Unie om de strategische afhankelijkheid van derde landen voor nettonultechnologieën te verminderen, is het van cruciaal belang dat mechanismen voor overheidssteun, zoals aanbestedingen en veilingen, dergelijke afhankelijkheden niet verergeren. Daarom moeten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (28) en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (29) beperkingen worden vastgesteld voor het aandeel producten in leveringscontracten van derde landen. Voorts moeten Verordening (EU) 2022/1031 en Verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad (30) ten volle worden gebruikt om ervoor te zorgen dat ondernemingen uit de Unie niet te maken krijgen met oneerlijke concurrentie op het gebied van overheidsopdrachten. |
|
(39 ter) |
Om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, is een specifieke bron van overheidsfinanciering nodig om de op grond van deze verordening uitgevoerde projecten te ondersteunen. Die financiering moet ervoor zorgen dat ondernemingen in de hele Unie toegang hebben tot de nodige financiering, ongeacht de begrotingscapaciteiten van de lidstaten waarin het project zal worden ontwikkeld. Het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027, dat in 2020 is overeengekomen, voorziet hierin niet. Het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) voorziet gedeeltelijk in de nodige steun voor projecten in het kader van deze verordening. Hoewel het STEP afhankelijk is van de herprogrammering en versterking van bestaande programma’s ter ondersteuning van strategische investeringen, is het ook een belangrijk element voor het testen van de haalbaarheid en voorbereiding van nieuwe interventies als een stap in de richting van een Europees soevereiniteitsfonds. De evaluatie van het STEP in 2025 zal de relevantie van de ondernomen acties beoordelen en zal als basis dienen voor de beoordeling van de behoefte aan een opschaling van de steun naar strategische sectoren. |
|
(40) |
Toegang tot publieke en particuliere financiering is van cruciaal belang voor het waarborgen van de open strategische autonomie van de Unie en voor het tot stand brengen van een solide en concurrerende productiebasis voor nettonultechnologieën en de bijbehorende toeleveringsketens in de hele Unie. De meeste van de investeringen die nodig zijn om de doelstellingen van de Green Deal te verwezenlijken, zullen afkomstig zijn van particulier kapitaal (31) dat wordt aangetrokken door het groeipotentieel van het nettonulecosysteem. Goed functionerende, diepe en geïntegreerde kapitaalmarkten zullen daarom van essentieel belang zijn om de benodigde middelen voor de groene transitie en projecten voor de productie van nettonultechnologie aan te trekken en naar de juiste projecten te helpen voeren. Snelle vooruitgang in de richting van de kapitaalmarktenunie is dus noodzakelijk om de Unie in staat te stellen haar doelstellingen inzake een nettonuluitstoot te verwezenlijken. De agenda voor duurzame financiering (en gemengde financiering) speelt eveneens een cruciale rol bij het opschalen van investeringen in nettonultechnologieën, en waarborgt het concurrentievermogen van de sector. Zoals aangegeven in het bij deze verordening gevoegde werkdocument bedraagt de investeringsbehoefte ongeveer 92 miljard EUR voor de periode 2023-2030, met een bandbreedte van ongeveer 52 miljard EUR tot ongeveer 119 miljard EUR afhankelijk van uiteenlopende scenario’s, hetgeen zou leiden tot publieke financieringsvereisten ter hoogte van 16-18 miljard EUR. Aangezien bij deze beoordeling slechts vijf specifieke technologieën in aanmerking worden genomen, zal de reële investeringsbehoefte waarschijnlijk aanzienlijk groter zijn. |
|
(41) |
Wanneer particuliere investeringen alleen niet volstaan, kan voor de effectieve uitrol van nettonulproductieprojecten overheidssteun in de vorm van staatssteun nodig zijn. Dergelijke steun moet een stimulerend effect hebben en noodzakelijk, passend en evenredig zijn. De bestaande richtsnoeren inzake staatssteun, die onlangs grondig zijn herzien in overeenstemming met de doelstellingen van de dubbele transitie, bieden ruime mogelijkheden om onder bepaalde voorwaarden investeringen te ondersteunen voor projecten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. De lidstaten kunnen een belangrijke rol spelen bij het vergemakkelijken van de toegang tot financiering voor projecten voor de productie van nettonultechnologieën door marktfalen aan te pakken met gerichte inzet van staatssteun. Het op 9 maart 2023 aangenomen tijdelijke crisis- en transitiekader voor staatssteun moet zorgen voor een gelijk speelveld binnen de interne markt, gericht op de sectoren waar een risico van verplaatsing naar een derde land is vastgesteld, dat ook evenredig is in termen van steunbedragen. Het zou de lidstaten in staat stellen regelingen in te voeren ter ondersteuning van nieuwe investeringen in productiefaciliteiten in welomschreven strategische nettonulsectoren, onder meer via belastingvoordelen. Het toegestane steunbedrag kan worden gemoduleerd met hogere steunintensiteiten en steunplafonds indien de investering plaatsvindt in steungebieden, om bij te dragen tot de doelstelling van convergentie tussen lidstaten en regio’s. Er moeten passende voorwaarden gelden om de concrete risico’s van verlegging van de investering buiten de EER te verifiëren en om na te gaan of er geen risico van verplaatsing binnen de EER bestaat , om versnippering van de interne markt te voorkomen. Om daartoe nationale middelen vrij te maken, kunnen de lidstaten een deel van de inkomsten van het emissiehandelssysteem (ETS) van de Unie gebruiken die de lidstaten in dat geval moeten toewijzen voor klimaatgerelateerde doeleinden. |
|
(41 bis) |
Meerdere financieringsbronnen moeten volledig beschikbaar worden gesteld, zoals ongebruikte bedragen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, specifieke steun uit het Innovatiefonds van de EU, specifieke financieringsregelingen van de Europese Investeringsbank en het zo veel als mogelijk aanwenden van alle MFK-fondsen die nog niet zijn gebruikt. Meer investeringen door de particuliere sector moeten worden gestimuleerd door middel van specifieke overheidsgaranties, met name als het gaat om industriële investeringen in projecten voor de productie van nettonultechnologie, waaronder strategische nettonulprojecten. |
|
(42) |
Verschillende financieringsprogramma’s van de Unie, zoals de herstel- en veerkrachtfaciliteit, InvestEU, de programma’s van het cohesiebeleid, of het innovatiefonds, zijn ook inzetbaar voor de financiering van investeringen in projecten voor de productie van nettonultechnologie. De huidige EU-begroting volstaat niet om de doelstellingen van deze verordening te ondersteunen of om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de lidstaten. De herziening van het MFK 2021-2027 moet derhalve voorzien in een Europese begroting die daarop is berekend. In dit opzicht moet het STEP ook voorzien in extra financiële middelen die deels bestemd zijn voor nettonulproductieprojecten die bijdragen tot de vermindering van strategische afhankelijkheden van de Unie en tot het concurrentievermogen van haar industrie. |
|
(43) |
In het kader van de gewijzigde verordening betreffende de herstel- en veerkrachtfaciliteit (32) werd aan de lidstaten nog eens 20 miljard EUR aan niet-terugvorderbare steun ter beschikking gesteld om de energie-efficiëntie te bevorderen en fossiele brandstoffen te vervangen, onder meer via projecten van de EU met betrekking tot de nettonulindustrie. Zoals vermeld in de richtsnoeren van de Commissie betreffende de REPowerEU-hoofdstukken (33) worden de lidstaten aangemoedigd om in het REPowerEU-hoofdstuk van hun herstel- en veerkrachtplannen maatregelen op te nemen ter ondersteuning van investeringen in de productie van nettonultechnologieën en industriële innovatie, overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (34). |
|
(43 bis) |
Met de stijging van de EU-ETS-prijzen zijn de inkomsten uit het EU-ETS voor de lidstaten aanzienlijk gestegen. Om de decarbonisatie van de industrie van de Unie te bevorderen, moeten de lidstaten aanzienlijk meer nationale inkomsten uit het EU-ETS besteden aan de ondersteuning van de decarbonisatie van de industrie. Zij moeten daarom ten minste 25 % van hun nationale inkomsten uit het EU-ETS gebruiken om de doelstellingen van deze verordening te ondersteunen . |
|
(44) |
InvestEU is het toonaangevende programma van de Unie op het gebied van het stimuleren van investeringen, met name in de groene en de digitale transitie, door financiering en technische bijstand te verlenen, bijvoorbeeld door middel van blendingmechanismen. Een dergelijke aanpak draagt bij tot het aantrekken van extra publiek en particulier kapitaal. Daarnaast worden de lidstaten aangemoedigd om bij te dragen via het lidstaatcompartiment van InvestEU om ondersteuning te bieden voor financiële producten die beschikbaar zijn voor de productie van nettonultechnologie, onverminderd de toepasselijke staatssteunregels. |
|
(45) |
De lidstaten kunnen steun verlenen uit programma’s in het kader van het cohesiebeleid, in overeenstemming met de toepasselijke regels van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (35), om de benutting van strategische nettonulprojecten alsook projecten voor de productie van nettonultechnologie in alle regio’s, met name in minder ontwikkelde regio’s, overgangsregio’s en door het Fonds voor een rechtvaardige transitie bestreken gebieden, aan te moedigen door middel van investeringspakketten voor infrastructuur, productieve investeringen in innovatie, productiecapaciteit in kmo’s, diensten, opleidings- en bijscholingsmaatregelen, met inbegrip van steun voor capaciteitsopbouw bij overheidsinstanties en promotoren. De in de programma’s vastgestelde toepasselijke medefinancieringspercentages kunnen tot 85 % oplopen voor minder ontwikkelde regio’s en tot 60 % of 70 % voor overgangsregio’s, afhankelijk van het desbetreffende fonds en de status van de regio, maar de lidstaten mogen deze plafonds op het niveau van het project overschrijden, waar dat op grond van de staatssteunregels toegestaan is. Het instrument voor technische ondersteuning kan de lidstaten en de regio’s helpen bij het opstellen van groeistrategieën voor een nettonulindustrie, het verbeteren van het ondernemingsklimaat, het beperken van de administratieve formaliteiten en het versnellen van de vergunningverlening. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om de duurzaamheid van ▌nettonulprojecten te bevorderen door deze investeringen in Europese waardeketens te integreren, met name waar op interregionale en grensoverschrijdende samenwerkingsnetwerken kan worden voortgebouwd. De vaststelling van dergelijke maatregelen moet met name worden overwogen met betrekking tot valleien. |
|
(46) |
Het innovatiefonds biedt nog een veelbelovende en kostenefficiënte manier om de opschaling van de productie en toepassing van schone waterstof en andere ▌nettonultechnologieën in Europa te ondersteunen, waardoor de soevereiniteit van Europa op het gebied van cruciale technologieën voor klimaatactie en energiezekerheid wordt versterkt. |
|
(47) |
Een Europees soevereiniteitsfonds zou een structureel antwoord bieden voor de investeringsbehoeften. Het zal bijdragen tot het behoud van een Europese voorsprong op het gebied van kritieke en opkomende technologieën die relevant zijn voor de groene en de digitale transitie, met inbegrip van nettonultechnologieën. Dit structurele instrument bouwt voort op de ervaring met gecoördineerde meerlandenprojecten in het kader van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang en beoogt de toegang van alle lidstaten tot dergelijke projecten te verbeteren en aldus de cohesie en de eengemaakte markt te beschermen tegen risico’s als gevolg van de ongelijke beschikbaarheid van staatssteun. De [STEP-verordening] kan worden beschouwd als een stap in de richting van de oprichting van een Europees soevereiniteitsfonds, dat zou kunnen bijdragen aan de vormgeving en versterking van een Europees industriebeleid door in het MFK na 2027 meer financiering vrij te maken voor de Europese industrie. |
|
(48) |
Om de beperkingen van de huidige versnipperde inspanningen op het gebied van publieke en particuliere investeringen weg te nemen en integratie en rendement op investering te bevorderen, moeten de Commissie en de lidstaten de bestaande financieringsprogramma’s op Unie- en nationaal niveau beter coördineren en synergieën tot stand brengen en zorgen voor een betere coördinatie en samenwerking met de industrie en belangrijke belanghebbenden uit de particuliere sector. Het platform voor nettonultechnologie in Europa heeft een belangrijke rol te spelen bij het opstellen van een alomvattend overzicht van de beschikbare en relevante financieringsmogelijkheden en bij het overleg over en de coördinatie van steun voor de individuele financieringsbehoeften van strategische nettonulprojecten. De projecten die zullen worden besproken, moeten door een lidstaat of door de Commissie worden voorgesteld. |
|
(49) |
Teneinde zo snel mogelijk projecten voor de productie van nettonultechnologie en strategische nettonulprojecten op gang te brengen of uitgebreid te zien worden om bij te dragen tot de toeleveringszekerheid voor nettonultechnologieën in de Unie ▌, is het belangrijk om zekerheid voor de planning en investeringen te creëren door de administratieve lasten voor projectpromotoren tot een minimum te beperken , zonder daarbij afbreuk te doen aan de milieu- en sociale normen van de Unie . Daarom moeten de vergunningverleningsprocessen van de lidstaten voor projecten voor de productie van nettonultechnologie en voor strategische nettonulprojecten worden gestroomlijnd, waarbij wel moet worden gewaarborgd dat die projecten veilig, betrouwbaar en milieuvriendelijk zijn en voldoen aan de milieu-, sociale en veiligheidseisen. In de milieuwetgeving van de Unie zijn gemeenschappelijke voorwaarden voor de vorm en de inhoud van nationale vergunningverleningsprocessen vastgesteld, waarmee een hoog niveau van milieubescherming wordt gewaarborgd. ▌. |
|
(50) |
Tegelijkertijd ondermijnt de onvoorspelbaarheid, complexiteit en soms buitensporig lange duur van nationale vergunningverleningsprocessen de voor de doeltreffende ontwikkeling van projecten voor de productie van nettonultechnologie benodigde investeringszekerheid. Om te zorgen voor en vaart te zetten achter de doeltreffende uitvoering van die projecten, moeten de lidstaten daarom gestroomlijnde en voorspelbare vergunningsprocedures toepassen. Daarnaast moet op nationaal niveau prioriteit worden gegeven aan strategische nettonulprojecten om te zorgen voor een snelle administratieve afhandeling en een dringende behandeling van alle gerechtelijke en geschillenbeslechtingsprocedures in verband met die projecten ▌. Voorts moeten de lidstaten beleidsinnovatie op dit gebied overwegen. Teneinde te waarborgen dat strategische nettonulprojecten met prioriteit kunnen worden behandeld, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde instanties over voldoende materiële en personele middelen beschikken. |
|
(51) |
Gezien de rol van strategische nettonulprojecten bij het waarborgen van de voorzieningszekerheid van de Unie wat betreft nettonultechnologieën en hun bijdrage aan de open strategische autonomie van de Unie en de groene en de digitale transitie, moeten de verantwoordelijke vergunningverlenende instanties deze projecten beschouwen als in het algemeen belang. Op basis van haar beoordeling per geval kan een bevoegde vergunningverlenende instantie concluderen dat het door het project gediende algemeen belang prevaleert boven het algemeen belang dat verband houdt met de bescherming van de natuur en het milieu en dat bijgevolg een vergunning voor het project kan worden verleend, mits aan alle relevante voorwaarden van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (36), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (37) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (38) is voldaan. |
|
(52) |
Om het proces te vereenvoudigen en de efficiëntie en transparantie te vergroten, moet het voor projectpromotoren van projecten voor de productie van nettonultechnologieën , met inbegrip van strategische nettonulprojecten, mogelijk zijn te communiceren met slechts één nationale instantie die verantwoordelijk zal zijn voor de coördinatie van het gehele vergunningverleningsproces en het uitvaardigen van een raambesluit binnen de toepasselijke termijn. Daartoe moeten de lidstaten één ▌bevoegde instantie (aangewezen instantie) aanwijzen of oprichten . De taken van de ▌bevoegde instantie moeten onder dezelfde voorwaarden aan een andere autoriteit kunnen worden gedelegeerd, in overeenstemming met de interne organisatie van een lidstaat. Om tijdens het vergunningsproces een hoog niveau van toezicht en de doeltreffende uitvoering van hun verantwoordelijkheden te waarborgen, moeten de lidstaten hun ▌bevoegde instantie, of elke autoriteit die namens hen optreedt, voorzien van voldoende personeel en middelen. |
|
(52 bis) |
De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de selectie van strategische nettonulprojecten om strategische overwegingen mogelijk te maken, met name wat betreft de uitvoering van de nationale energie- en klimaatplannen. Om er echter voor te zorgen dat de projecten ook het gemeenschappelijk belang van de Unie dienen, met inbegrip van de begrotingsbelangen van de Unie, moet de Commissie de bevoegdheid hebben om bezwaar te maken tegen een besluit van een lidstaat om een project als strategisch project aan te wijzen. Wanneer de Commissie bezwaar maakt tegen een aanwijzing, moet het project op het platform voor nettonultechnologie in Europa worden gebracht. Het platform voor nettonultechnologie in Europa moet het definitieve besluit nemen over de status van het project. |
|
(53) |
Om duidelijkheid over de vergunningsstatus van projecten voor de productie van nettonultechnologie en strategische nettonulprojecten te verschaffen en om de doeltreffendheid van mogelijke onrechtmatige rechtszaken te beperken, zonder afbreuk te doen aan doeltreffende rechterlijke toetsing, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat geschillen met betrekking tot het vergunningverleningsproces tijdig worden opgelost. Daartoe moeten de nationale bevoegde instanties ervoor zorgen dat aanvragers en projectpromotoren toegang hebben tot een eenvoudige geschillenbeslechtingsprocedure en dat die projecten met spoed worden behandeld in alle hen betreffende gerechtelijke en geschillenbeslechtingsprocedures, terwijl tegelijkertijd de eerbiediging van de rechten van verdediging gegarandeerd blijft. |
|
(54) |
Om bedrijven en projectpromotoren rechtstreeks te doen profiteren van de voordelen van de interne markt zonder onnodige extra administratieve lasten, voorziet Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad (39) in algemene regels voor de toegang tot onlineprocedures die relevant zijn voor de werking van de interne markt, ook voor grensoverschrijdende projecten. De informatie die bij de nationale bevoegde instanties moet worden ingediend in het kader van de vergunningverleningsprocessen in het kader van deze verordening, moet worden opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2018/1724 na de wijziging daarvan bij deze verordening, en de desbetreffende procedures zijn opgenomen in bijlage II bij die verordening om ervoor te zorgen dat projectpromotoren kunnen profiteren van procedures die volledig online worden doorlopen en van het technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel. De aangewezen instanties die overeenkomstig deze verordening als centraal aanspreekpunt optreden, worden opgenomen in de lijst van diensten voor ondersteuning en probleemoplossing in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1724. |
|
(55) |
Projecten voor de productie van nettonultechnologie hebben te maken met lange en complexe vergunningsprocedures die 2 tot 7 jaar kunnen duren, afhankelijk van de lidstaat, de technologie en het segment van de waardeketen. Gezien de omvang van de vereiste investeringen – met name voor projecten van gigafabriekomvang, die nodig zijn om de verwachte schaalvoordelen te behalen – zorgen tekortkomingen bij de vergunningverlening voor een extra en vaak schadelijke belemmering voor het vergroten van de productiecapaciteit voor nettonultechnologie in de Unie. Om projectpromotoren en andere investeerders de benodigde zekerheid en duidelijkheid te bieden om de ontwikkeling van projecten voor de productie van nettonultechnologieën te bevorderen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bij het vergunningverleningsproces met betrekking tot dergelijke projecten de vooraf vastgestelde termijnen niet worden overschreden. Voor strategische nettonulprojecten mag de duur van het vergunningverleningsproces niet langer zijn dan negen maanden voor installaties met een jaarlijkse productieoutput van meer dan 1 GW, en zes maanden voor installaties met een jaarlijkse productieoutput van minder dan 1 GW. Voor ▌projecten voor de productie van nettonultechnologie mag de duur van het vergunningverleningsproces niet langer zijn dan twaalf maanden voor installaties met een jaarlijkse productieoutput van meer dan 1 GW, en negen maanden voor installaties met een jaarlijkse productieoutput van minder dan 1 GW. Voor nettonultechnologieën waarvoor het aantal GW niet relevant is, zoals netwerken en technologieën voor ▌CCU ▌of ▌CCU ▌, moeten de bovengrenzen van de bovengenoemde termijnen van toepassing zijn. Voor de uitbreiding van bestaande productielijnen moet elk van de bovengenoemde termijnen worden gehalveerd. |
|
(56) |
Gezien het belang van projecten voor de productie van nettonultechnologie en strategische nettonulprojecten voor de energievoorziening van de Unie moet bovendien een reeks administratieve beperkingen gedeeltelijk worden opgeheven of vereenvoudigd om de uitvoering van die projecten te versnellen. |
|
(57) |
De krachtens het Unierecht vereiste milieubeoordelingen en -vergunningen, onder meer met betrekking tot water, lucht, ecosystemen, habitats, biodiversiteit en vogels, maken integraal deel uit van de vergunningsprocedure voor projecten voor de productie van nettonultechnologie en vormen een essentiële waarborg om ervoor te zorgen dat negatieve milieueffecten worden voorkomen of tot een minimum worden beperkt. Om er echter voor te zorgen dat de vergunningsprocedures voor projecten voor de productie van nettonultechnologieën voorspelbaar zijn en tijdig worden afgerond, moet elk potentieel om de vereiste beoordelingen en vergunningen te stroomlijnen zonder dat het niveau van milieubescherming daardoor wordt verlaagd, worden benut. In dat verband moet ervoor worden gezorgd dat de vereiste beoordelingen worden gebundeld om onnodige overlappingen te voorkomen en van projectpromotoren en verantwoordelijke instanties worden verlangd uitdrukkelijk overeen te komen wat de reikwijdte van de gebundelde beoordeling moet zijn alvorens die beoordeling wordt uitgevoerd, om onnodige follow-up te voorkomen. |
|
(58) |
Conflicten over grondgebruik kunnen belemmeringen vormen bij de uitrol van projecten voor de productie van nettonultechnologieën. Goed opgezette plannen, met inbegrip van bestemmingsplannen en plannen voor ruimtelijke ordening, waarin rekening wordt gehouden met het potentieel voor de uitvoering van projecten voor de productie van nettonultechnologieën, waarvan de potentiële milieueffecten worden beoordeeld, kunnen bijdragen tot het bewaren van het evenwicht tussen collectieve goederen en openbare belangen, het risico op conflicten verminderen en de duurzame uitrol van projecten voor de productie van nettonultechnologieën in de Unie versnellen. De verantwoordelijke nationale, regionale en lokale autoriteiten moeten daarom overwegen om bij de ontwikkeling van dergelijke plannen bepalingen op te nemen met betrekking tot projecten voor de productie van nettonultechnologieën. |
|
(59) |
Ruimtegegevens en -diensten die zijn afgeleid van de in het kader van het ruimtevaartprogramma van de EU, en met name Copernicus, geleverde gegevens, worden voor zover mogelijk gebruikt om informatie te verstrekken met betrekking tot de geologie, biologie, ecologie, sociaal-economische ontwikkeling en de beschikbaarheid van hulpbronnen voor milieubeoordelingen en -vergunningen; dergelijke gegevens en diensten, en met name de capaciteit in het kader van Copernicus voor monitoring en verificatie van antropogene CO2-emissies, zijn van het grootste belang voor de beoordeling van het effect van industriële projecten en het effect van putten van antropogene CO2 op de mondiale concentraties en stromen van broeikasgassen. |
|
(60) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (40) moet de Commissie een of meer Europese normalisatieorganisaties verzoeken Europese normen op te stellen ter ondersteuning van de doelstellingen van deze verordening. |
|
(61) |
Waterstofvalleien met toepassingen voor eindgebruik in de industrie spelen een belangrijke rol bij het koolstofvrij maken van de energie-intensieve industrieën. In REPowerEU is de doelstelling opgenomen om het aantal waterstofvalleien in de Unie te verdubbelen. Om deze doelstelling te verwezenlijken, moeten de lidstaten de vergunningverleningsprocessen versnellen, testomgevingen overwegen en toegang tot financiering tot een prioriteit maken. Om de veerkracht van de nettonulindustrie te vergroten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de waterstofvalleien over de grenzen van de lidstaten heen met elkaar verbonden worden. Industriële installaties die hun eigen energie produceren en een positieve bijdrage kunnen leveren aan de productie van elektriciteit, moeten worden aangemoedigd om als energieproducenten te leveren aan het slimme elektriciteitsnet door de regelgevingsvereisten te vereenvoudigen. |
|
(62) |
Testomgevingen voor nettonultechnologie kunnen een belangrijk instrument zijn om innovatie op het gebied van nettonultechnologieën en leren op regelgevingsgebied te bevorderen. Innovatie moet vooruit worden geholpen door ruimte te bieden voor experimenten, omdat de beschikbare wetenschappelijke resultaten nog in een gecontroleerde reële omgeving moeten worden getest. Er moeten testomgevingen voor nettonultechnologie worden opgezet om innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën gedurende een beperkte periode te kunnen testen in een gecontroleerde omgeving. Er moet daarvoor een evenwicht worden gevonden tussen rechtszekerheid voor deelnemers aan de testomgevingen voor nettonultechnologie en de verwezenlijking van de doelstellingen van het Unierecht. Aangezien testomgevingen voor nettonultechnologie in elk geval moeten voldoen aan de essentiële eisen inzake nettonultechnologie zoals die zijn vastgelegd in het Unierecht en het nationale recht, is het passend te bepalen dat deelnemers die aan de toelatingsvoorwaarden voor testomgevingen voor nettonultechnologie voldoen en die te goeder trouw de richtsnoeren van de bevoegde instanties opvolgen en zich aan de voorwaarden van het met die instanties overeengekomen plan houden, geen administratieve boetes of sancties opgelegd kunnen krijgen. Dit is gerechtvaardigd omdat de bestaande waarborgen in principe zullen zorgen voor de effectieve naleving van de wetgeving van de Unie of de lidstaten inzake de nettonultechnologie waarop in de testomgevingen toezicht wordt gehouden. De Commissie zal in 2023 richtsnoeren voor testomgevingen uitbrengen, zoals aangekondigd in de nieuwe Europese innovatieagenda, om de lidstaten te ondersteunen bij de voorbereiding van de testomgevingen voor nettonultechnologie. Die innovatieve technologieën kunnen uiteindelijk essentieel worden om de doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit te verwezenlijken, de voorzieningszekerheid en de veerkracht van het energiesysteem van de Unie te waarborgen en bijgevolg in het domein van ▌nettonultechnologieën terechtkomen. |
|
(63) |
Er worden een algemene benchmark en indicatieve doelstellingen voor de productie van belangrijke nettonultechnologieproducten in de Europese Unie voorgesteld om het mondiale concurrentievermogen van de industrie van de Unie te verbeteren en de problemen op het gebied van invoerafhankelijkheid en kwetsbaarheid aan te pakken en ervoor te zorgen dat de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie worden verwezenlijkt. |
|
(64) |
Een van de belangrijkste doelstellingen van het industriebeleid van de Unie is de groene en de digitale transitie mogelijk te maken en tegelijkertijd de duurzame groei en het concurrentievermogen van de Unie in stand te houden, hoogwaardige banen te behouden en haar innovatie- en productievermogen te versterken, met name op het gebied van schone technologieën. De opschaling van de industrieën voor nettonultechnologie in Europa en het waarborgen van de open strategische autonomie van de Unie vereisen aanzienlijke extra aantallen gekwalificeerde werknemers, wat significante investeringsbehoeften met zich meebrengt op het gebied van bij- en omscholing, onder meer voor beroepsonderwijs en -opleiding. ▌De energietransitie vraagt meer bepaald om een aanzienlijke toename van het aantal gekwalificeerde werknemers in een flink aantal sectoren, waaronder hernieuwbare energie en energieopslag, nettechnologieën, batterijproductie, alsook slimme of IT-oplossingen voor de optimalisering en het beheer van energiesystemen, en andere technologieën voor de decarbonisatie van de industrie. Volgens studies kan de circulaire economie tegen 2030 alleen al in de Unie bijdragen tot het scheppen van ongeveer 700 000 banen (41) . Het is daarom van het grootste belang om banen in nettonultechnologieën aantrekkelijk en toegankelijk te maken, met name technische loopbanen, onder andere via informatiecampagnes van de Unie ter bevordering van technisch en beroepsonderwijs, maar ook banen die verband houden met de circulaire economie, het beheer van hulpbronnen en industriële transformatie en decarbonisatie in het algemeen. Voorts moet de huidige kloof tussen de vaardigheden van werknemers in de Unie en de behoeften van bedrijven worden aangepakt . Volgens het Europees strategisch plan voor energietechnologie van de Commissie zijn er tegen 2030 alleen al voor de productie in de subsector voor waterstoftechnologieën op basis van brandstofcellen naar schatting 180 000 opgeleide werknemers, technici en ingenieurs nodig (42). In de sector voor fotovoltaïsche zonne-energie zouden alleen al in de productie tot 66 000 banen moeten worden ingevuld. Daarnaast zou het ontbreken van onderwijsprogramma’s waarmee vaardigheden worden gestimuleerd die nodig zijn voor nettonultechnologieën, wat ook leidt tot een schaarste aan geschoolde werknemers en een gebrek aan begrip bij lokale overheden in bepaalde regio’s van de Unie, een belangrijk knelpunt kunnen vormen voor duurzame industriële ontwikkeling. |
|
(65) |
Aangezien een versterking van de productiecapaciteit van belangrijke nettonultechnologieën in de Unie niet mogelijk zal zijn zonder een aanzienlijke gekwalificeerde beroepsbevolking, is het noodzakelijk maatregelen te nemen om de integratie van meer mensen op de arbeidsmarkt te stimuleren en de industrieën en de technische beroepen waarop deze verordening betrekking heeft, aantrekkelijker te maken , met name voor vrouwen aangezien het genderevenwicht in technologisch georiënteerde beroepen nog lang niet is bereikt, en voor jongeren , onder meer door op kwalificaties gebaseerde aanwerving aan te vullen met werkwijzen gericht op vaardigheden. Voorts moeten ook werknemers uit derde landen worden aangesproken, aangezien de Unie slechts een klein deel van de gekwalificeerde migranten aantrekt. Daarnaast is, voor werknemers in teruglopende of overbodig geworden sectoren, specifieke steun bij de overstap naar een nieuwe baan en met het oog op de bevordering van een leven lang leren belangrijk, in overeenstemming met de doelstellingen van de aanbeveling van de Raad inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit. Dit betekent dat moet worden geïnvesteerd in vaardigheden voor iedereen en dat tegelijkertijd een gerichte aanpak van kwetsbare groepen moet worden gevolgd. Hieronder vallen groepen mensen die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET’s), legaal verblijvende migrerende werknemers en mensen die zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt, beperkte toegang hebben tot opleidingsmogelijkheden of een baan hebben die dreigt te verdwijnen of waarvan de inhoud en taken in hoge mate worden gewijzigd door nieuwe technologieën, met name in regio’s die te maken hebben met de gevolgen van de transitie naar de doelstellingen van de Unie voor 2030 overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (43) en artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060. De einddoelstelling moet het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid voor de nettonultechnologieën in de Unie zijn , in overeenstemming met de doelstellingen voor werkgelegenheid en opleiding van de Europese pijler van sociale rechten, met inbegrip van eerlijke en toereikende lonen, verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/2041 (44) van het Europees Parlement en de Raad, toegang tot sociale bescherming, mogelijkheden voor een leven lang leren, goede arbeidsomstandigheden op veilige en gezonde werkplekken en rechten op collectieve onderhandelingen. Bij- en omscholing zijn dan wel belangrijke tools, maar bieden geen garantie op hoogwaardige werkgelegenheid. Een tekort aan arbeidskrachten kan ook het gevolg zijn van lage lonen, onaantrekkelijke banen, slechte arbeidsomstandigheden en een gebrek aan investeringen in beroepsonderwijs en -opleiding. Het aanpakken van deze problemen en het verbeteren van de kwaliteit van banen in sectoren en bedrijven met slechte arbeidsomstandigheden zijn ook belangrijke factoren om werknemers aan te trekken en iets te doen aan de braindrain, die leidt tot toenemende ongelijkheid tussen regio’s, ongelijke ontwikkeling alsook ongelijke capaciteit om innovatie te stimuleren en banen te scheppen. Voortbouwend op en met de opgedane kennis in het kader van bestaande initiatieven zoals het Europees pact voor vaardigheden, activiteiten op EU-niveau op het gebied van informatie over en prognoses betreffende vaardigheden, bijvoorbeeld door het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding , Eurofound en de Europese Arbeidsautoriteit, en de blauwdrukken voor sectorale samenwerking op het gebied van vaardigheden, is het de bedoeling alle actoren te mobiliseren: de instanties van de lidstaten, ook op regionaal en lokaal niveau, aanbieders van onderwijs en opleidingen, waaronder universiteiten, onderzoeksuniversiteiten, hogescholen en universitaire samenwerkingsverbanden, en sociale partners en het bedrijfsleven, ▌kmo’s, start-ups en sociale ondernemingen, om de behoeften aan vaardigheden vast te stellen, onderwijs- en opleidingsprogramma’s te ontwikkelen en deze snel operationeel te krijgen en op grote schaal in te zetten. Strategische nettonulprojecten spelen in dit verband een belangrijke rol. De lidstaten en de Commissie moeten zorgen voor financiële steun om hun impact en bereik te vergroten door de mogelijkheden van de Uniebegroting te benutten via instrumenten zoals het Europees Sociaal Fonds Plus, InvestEU, het Fonds voor een rechtvaardige transitie, Europese fondsen voor regionale ontwikkeling, de herstel- en veerkrachtfaciliteit, het moderniseringsfonds, REPowerEU en het programma voor de eengemaakte markt. |
|
(66) |
Voortbouwend op lokale en regionale initiatieven en op eerdere ervaringen, zoals die van hubs voor de ontwikkeling van vaardigheden, het EU-pact voor vaardigheden en de Europese alliantie voor batterijen, of de Offshore Renewable Energy Alliance, moeten de academies voor nettonultechnologie – een netwerk van relevante deskundigen (hierna “academies” genoemd) – leerinhoud voor onderwijs en opleidingen ontwikkelen en verspreiden zodat die kan worden ingezet om de voor belangrijke waardeketens voor nettonultechnologie benodigde werknemers bij en om te scholen, bijvoorbeeld op het gebied van fotovoltaïsche en thermische zonne-energietechnologieën, oceaanenergie, technologieën voor hernieuwbare waterstof en grondstoffen , en CCU . Het aantal academies en de omvang ervan moet door de Commissie en de lidstaten worden vastgesteld in het kader van het platform voor nettonultechnologie op basis van bestaande en objectieve studies overeenkomstig het beginsel van technologische neutraliteit en op basis van een inventarisatie van de huidige en verwachte behoeften in de nettonulindustrieën, waaronder in regio’s in transitie. Een dergelijke inventarisatie moet informatie opleveren over de huidige en toekomstige tekorten aan vaardigheden in de belangrijkste nettonulindustrieën in de hele Unie, alsook een overzicht van de manier waarop opleidingsmogelijkheden in dergelijke industrieën worden aangeboden. Bij de inventarisatie moet ook de onderliggende oorzaak van tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten worden geanalyseerd, met name in verband met de kwaliteit van het banenaanbod in nettonulindustrieën, bijvoorbeeld door de arbeidsomstandigheden en de werkingssfeer van collectieve onderhandelingen te beoordelen. Bovendien moet de Commissie, op basis van de resultaten van de inventarisatie en bestaande studies en in overleg met het platform voor nettonultechnologie in Europa, een oproep doen tot het indienen van voorstellen om een academie voor een bepaalde technologie op te richten wanneer een kritiek tekort aan vaardigheden met betrekking tot een nettonultechnologie wordt vastgesteld. Er moet startkapitaal van de Unie beschikbaar worden gesteld om de academies op te richten en hun werking mogelijk te maken, met de bedoeling dat ze drie jaar na hun oprichting financieel duurzaam functioneren door financiële bijdragen uit de particuliere sector. Er is een sterke governance nodig om de academies zo snel mogelijk operationeel te maken met het oog op de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s inzake nettonultechnologieën. Hierbij mag geen afbreuk worden gedaan aan de bepalende rol die sociale partners en universiteiten ook kunnen vervullen bij de oprichting van dergelijke academies , zoals in het geval van de alliantie voor batterijen. De rol van internationale en interdisciplinaire universitaire allianties, zoals Transform4Europe, moet in het bijzonder in aanmerking worden genomen om te komen tot meer uniforme en gemeenschappelijke normen voor opleidings- en omscholings- of bijscholingsactiviteiten. In het algemeen krijgt het gebruik van reeds bestaande onderzoeks- en onderwijsinfrastructuren ook prioriteit. |
|
(66 bis) |
Deze academies moeten onder meer tot doel hebben bij te dragen aan de herindustrialisering en decarbonisatie van de Unie en aan haar open strategische autonomie. Daarnaast moeten de academies inspelen op de behoefte aan in de Unie ontwikkelde nettonultechnologieën met hoge sociale en klimaatnormen. De academies moeten uiterlijk op 31 december 2024 zijn opgericht en moeten leerinhoud bieden in zoveel mogelijk talen van de instellingen van de Unie, met als doel een geografisch evenwicht tussen de lidstaten tot stand te brengen. Uiterlijk op 31 december 2025 moeten zij de eerste leerinhoud beginnen te verspreiden onder relevante aanbieders van onderwijs en opleidingen in de lidstaten, zoals universiteiten, onderzoeksuniversiteiten, hogescholen en universitaire samenwerkingsverbanden, ondernemingen die dergelijk onderwijs en dergelijke opleidingen aanbieden, met inbegrip van kmo’s, start-ups en sociale ondernemingen, en sociale partners, en door opleiders op te leiden. De desbetreffende academies moeten ernaar streven binnen drie jaar na hun oprichting elk opleidingen en onderwijs voor 100 000 lerenden mogelijk te maken, met inachtneming van de omvang van de vastgestelde tekorten aan vaardigheden, waardoor het aantal lerenden per academie kan variëren. Met de academies moet een bijdrage worden geleverd aan de beschikbaarheid van vaardigheden die nodig zijn voor nettonultechnologieën, ook in kmo’s. De leerinhoud moet rekening houden met reeds bestaande leerprogramma’s die zijn ontwikkeld in het kader van het lokale pact voor vaardigheden en de centra voor uitmuntend vakmanschap, en moet gericht zijn op alle onderwijs- en kwalificatieniveaus en op alle werknemers, met inbegrip van leerlingen, in de waardeketen in de betrokken sectoren, waarbij alle opeenvolgende industriële fasen in aanmerking worden genomen, van het ontwerp van het product (of de dienst) tot de productiefase, met inbegrip van recycling en hergebruik van materialen, en met aandacht voor alle verschillende beroepen in de waardeketen. Tot die inhoud moeten ook leermodules behoren met relevante informatie over gezondheid en veiligheid op het werk voor elke specifieke technologie, evenals algemene relevante informatie over de rechten en arbeidsomstandigheden van werknemers, waaronder arbeidstijd en het recht van werknemers op informatie en raadpleging. Die inhoud kan, waar nodig, door de aanbieders van onderwijs en opleidingen verder worden aangepast aan de nationale wetgeving, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten en de specifieke territoriale en sectorale kenmerken. De leerinhoud moet ook gericht zijn op werknemers in nationale en lokale overheidsdiensten (met name die welke verantwoordelijk zijn voor vergunningen, effectbeoordelingen en regelgeving voor nieuwe technologieën), om zo bij te dragen aan de capaciteitsopbouw bij nationale overheidsdiensten en aan een vermindering van de verschillen tussen de lidstaten. |
|
(66 ter) |
De lidstaten moeten de door de academies ontwikkelde leerinhoud gebruiken en inzetten in bestaande instrumenten, zoals de versterkte jongerengarantie, die onder meer tot doel heeft NEET-jongeren onderwijs en opleiding te bieden, en in bestaande begeleidingsprogramma’s. Om de transparantie en overdraagbaarheid van vaardigheden en de mobiliteit van werknemers te waarborgen en de lidstaten bij deze inspanningen te ondersteunen, zullen de academies credentials, en bijvoorbeeld ook microcredentials, ontwikkelen en uitrollen die de leerprestaties inzichtelijk maken. Zij moeten worden afgegeven in de vorm van Europese credentials voor leerprestaties en zouden kunnen worden geïntegreerd in de Europass-profielen en, indien van toepassing, worden opgenomen in nationale kwalificatiekaders. De lidstaten moeten ertoe worden aangezet om de door de academies ontwikkelde inhoud te gebruiken voor de ondersteuning van de voortdurende om- en bijscholing en de relevante onderwijs- en opleidingsverstrekkers op hun grondgebied via nationale programma’s evenals via financiering van de Unie, onder meer uit het Europees Sociaal Fonds Plus, de versterkte jongerengarantie, de herstel- en veerkrachtfaciliteit, InvestEU, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, het moderniseringsfonds en het instrument voor technische ondersteuning, en om de integratie van vrouwen te ondersteunen in overeenstemming met de Europese strategie voor gendergelijkheid teneinde genderstereotypen in het onderwijs en op het werk aan te pakken. Het Europees netwerk van diensten voor de arbeidsvoorziening kan een belangrijke rol vervullen door de leerinhoud van de opleidingsprogramma’s die door de academies voor vaardigheden worden aangeboden, te gebruiken bij het aanmaken en verspreiden van Europese beroepsprofielen en door de nationale diensten voor arbeidsvoorziening hierover te informeren. |
|
(66 quater) |
Het platform voor nettonultechnologie in Europa moet helpen de werkzaamheden van de academies aan te sturen door ervoor te zorgen dat hun inhoud gericht is op de vaardigheidstekorten die bij de inventarisatie zijn vastgesteld en door overzicht te bieden. De lidstaten moeten erop toezien dat de aangewezen nationale vertegenwoordiger kan fungeren als tussenpersoon tussen de relevante nationale ministeries en bevoegde autoriteiten van de lidstaten, alsook de nationale sociale partners en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Het platform voor nettonultechnologie in Europa moet informatie verzamelen over de door de verschillende academies geboekte vooruitgang en uiterlijk eind 2026 een overzichtsverslag opstellen over de invoering van de leerprogramma’s, met inbegrip van het aantal lerenden dat baat heeft bij de programma’s van de academies, uitgesplitst naar industriële sector, geslacht, leeftijd en onderwijs- en kwalificatieniveau. |
|
(67) |
Hoewel het bij gebrek aan specifieke bepalingen in het Unierecht met minimumopleidingseisen voor de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep aan de lidstaten is om te beslissen of en hoe een beroep wordt gereglementeerd, mogen nationale regels voor de toegang tot gereglementeerde beroepen geen ongerechtvaardigde of onevenredige belemmering voor de uitoefening van die grondrechten vormen. De bevoegdheid om de toegang tot een beroep te reglementeren moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad ▌. Bij hun beoordeling moeten de lidstaten rekening houden met de nadelige gevolgen die het reglementeren van beroepen zou kunnen hebben op de beschikbaarheid van vaardigheden in de nettonulindustrie en ernaar streven het reglementeren op deze gebieden zoveel mogelijk te beperken. |
|
(68) |
Wanneer de door de ▌academies ▌ontwikkelde leerprogramma’s leiden tot credentials die onder meer nuttig zouden zijn voor personen die toegang willen krijgen tot een gereglementeerd beroep, moeten de lidstaten en werkgevers , om de mobiliteit in beroepen in strategische nettonulindustrieën te vergemakkelijken, deze credentials aanvaarden als voldoende bewijs van de kennis, vaardigheden en competenties waarvoor zij zijn afgegeven. |
|
(68 bis) |
De bijdrage van nettonultechnologieën aan de decarbonisatiedoelstellingen van de Unie kan alleen tot stand komen wanneer die technologieën worden ingezet. Een dergelijke uitrol zal tot op zekere hoogte waarschijnlijk plaatsvinden in particuliere huishoudens, maar de meeste decarbonisatie zal waarschijnlijk het gevolg zijn van het koolstofvrij maken van industriële processen. Om ervoor te zorgen dat in de Unie investeringen voor een dergelijke decarbonisatie plaatsvinden, die essentieel zijn om goede banen en welvaart in de Unie te waarborgen en om de decarbonisatiedoelstellingen van de Unie te verwezenlijken, is het van cruciaal belang dat deze investeringen bijdragen tot een verbetering van het investeringsklimaat voor de industrie in de Unie. |
|
(69) |
Op het niveau van de Unie moet een platform voor nettonultechnologie in Europa worden opgericht, dat zal bestaan uit de lidstaten en het Europees Parlement en wordt voorgezeten door de Commissie. Het platform voor nettonultechnologie in Europa kan de Commissie en de lidstaten adviseren en bijstaan bij specifieke kwesties en een referentie-instantie vormen waarbinnen de Commissie en de lidstaten hun optreden coördineren en de uitwisseling van informatie over kwesties in verband met deze verordening vergemakkelijkt wordt. Het platform voor nettonultechnologie in Europa moet de in de verschillende artikelen van deze verordening beschreven taken verder uitvoeren, met name met betrekking tot vergunningen, met inbegrip van centrale aanspreekpunten, strategische nettonulprojecten, coördinatie van en toegang tot financiering, markttoegang, vaardigheden en testomgevingen voor innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën . Indien nodig moet het platform voor nettonultechnologie in Europa permanente of tijdelijke subgroepen kunnen oprichten en derden kunnen uitnodigen, zoals deskundigen of vertegenwoordigers van nettonulindustrieën. |
|
(70) |
In het kader van het industrieel plan voor de Green Deal kondigde de Commissie al haar voornemen aan om industriële partnerschappen te ontwikkelen met betrekking tot nettonultechnologieën . Samenwerking via dergelijke partnerschappen zal de wereldwijde toepassing van nettonultechnologieën waarschijnlijk bevorderen , ter ondersteuning van wederzijds versterkende partnerschappen tussen de Unie en derde landen, met inbegrip van duurzame investeringen en technische bijstand. Industriële partnerschappen voor nettonul kunnen ook bijdragen tot de diversificatie en veerkracht van de toelevering van nettonultechnologieën en de componenten daarvan in de Unie, de uitwisseling van informatie tussen de Unie en haar partners over de ontwikkeling van nettonultechnologieën verbeteren, de nettonulindustrieën van de Unie ondersteunen bij de toegang tot de wereldwijde markt voor schone energie , en opkomende industrieën op het gebied van schone energietechnologieën in derde landen met duidelijke comparatieve voordelen ondersteunen. De Commissie en de lidstaten moeten de partnerschappen binnen het platform voor nettonultechnologie in Europa coördineren door relevante bestaande partnerschappen en processen te bespreken, zoals groene partnerschappen, energiedialogen en andere vormen van bestaande bilaterale contractuele regelingen, alsook mogelijke synergieën met relevante bilaterale overeenkomsten van de lidstaten met derde landen te onderzoeken. Overeenkomsten met derde landen, waaronder industriële partnerschappen voor nettonul, moeten de kernwaarden en -doelstellingen van de Unie weerspiegelen, met name wat betreft het bevorderen van arbeidsnormen en internationale milieunormen in die landen. Bovendien moeten industriële partnerschappen voor nettonul beogen bij te dragen aan de industriële transformatie in de hele waardeketen van ondernemingen in de Unie en ondernemingen uit derde landen, en tegelijk open markten en eerlijke handel te waarborgen. |
|
(71) |
De Unie moet ernaar streven de internationale handel en investeringen in nettonultechnologieën te diversifiëren door wederzijds versterkende partnerschappen aan te gaan die voortbouwen op de eigen duurzameontwikkelingsplannen van de partners en relevante milieu- en mensenrechtennormen en tegelijk wereldwijd hoge sociale , arbeids- en milieunormen ▌bevorderen . Dit moet gebeuren in nauwe samenwerking en in partnerschap met gelijkgezinde landen door middel van bestaande overeenkomsten of nieuwe strategische akkoorden . Evenzo moet in nauwe samenwerking met partnerlanden op een open en evenwichtige manier, en met inachtneming van de strategische belangen en behoeften van de Unie, sterkere internationale samenwerking worden nagestreefd op het gebied van onderzoek en innovatie om nettonultechnologieën te ontwikkelen en uit te rollen. |
|
(71 bis) |
In haar toespraak over de Staat van de Unie van 2023 kondigde de voorzitter van de Commissie aan dat de concurrentievermogenstoets zal worden uitgevoerd door een onafhankelijke raad. Deze werkzaamheden moeten worden gebaseerd op de lopende werkzaamheden met betrekking tot de regeldruk als gevolg van het Unierecht en het nationale recht en de gevolgen daarvan voor het concurrentievermogen van de industrie van de Unie, met inbegrip van nettonulindustrieën. Om die werkzaamheden te vergemakkelijken, wordt bij deze verordening een Europese wetenschappelijke adviesraad inzake toetsing en regeldruk opgericht. De adviesraad moet wetenschappelijk onderbouwd advies over de gevolgen van de regeldruk in de Unie ontwikkelen, op basis van individuele gevallen. |
|
(72) |
In het geval dat in deze verordening aan de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen, is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de in het interinstitutionele akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 vastgelegde beginselen (45). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden. |
|
(73) |
Voor zover een van de in deze verordening bedoelde maatregelen staatssteun vormt, doen de bepalingen betreffende dergelijke maatregelen geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU . |
|
(74) |
Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar wegens de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Hoofdstuk I
Onderwerp, toepassingsgebied en definities
Artikel 1
Onderwerp
1. Bij deze verordening wordt het kader van maatregelen vastgesteld om te zorgen voor een gecoördineerde aanpak, in de hele Unie, van de innovatie en opschaling van de productiecapaciteit voor nettonultechnologieën en van de componenten, materialen en machines in de toeleveringsketens van die technologieën die onmisbaar zijn voor de productie en werking ervan in de Unie ▌om:
|
a) |
de klimaatdoelstellingen en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie ▌, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2021/1119, te ondersteunen; |
|
b) |
het internationale industriële concurrentievermogen van de Unie te bevorderen om bij te dragen tot het scheppen van hoogwaardige banen; |
|
c) |
de toegang van de Unie tot een zekere en duurzame toeleveringsstroom voor de nettonultechnologieën te verbeteren; |
|
d) |
de open strategische autonomie van de Unie te versterken; |
|
e) |
de veerkracht van de desbetreffende toeleveringsketens van de Unie te waarborgen; en |
|
f) |
de economie en de samenleving van de Unie koolstofvrij te maken. |
2. Met het oog op de in lid 1 bedoelde algemene doelstelling bevat deze verordening maatregelen, om ervoor te zorgen dat:
|
a) |
▌de Unie strategisch minder afhankelijk wordt inzake strategische nettonultechnologieën en de componenten, materialen en machines in de toeleveringsketens van die technologieën die onmisbaar zijn voor de productie en werking ervan, en dat tegen 2030 een productiecapaciteit wordt bereikt die overeenkomt met:
|
|
b) |
het gegarandeerde vrije verkeer van nettonultechnologieën en gerelateerde diensten die op de interne markt worden gebracht, gewaarborgd is. |
3. Indien de Commissie op basis van het in artikel 35 bedoelde verslag concludeert dat de Unie de in de leden 1 en 2 opgenomen doelstellingen waarschijnlijk niet zal verwezenlijken, beoordeelt zij de haalbaarheid en evenredigheid van het voorstellen van maatregelen of het uitoefenen van haar bevoegdheden op het niveau van de Unie om de verwezenlijking van die doelstellingen te waarborgen. De Commissie beoordeelt met name of het mogelijk is om, onder meer door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 33, ter aanvulling van deze verordening gedetailleerdere streefcijfers voor sleuteltechnologieën en -componenten vast te stellen om de verwezenlijking van die doelstellingen te waarborgen. De Commissie raadpleegt het platform voor nettonultechnologie in Europa om te bepalen welke maatregelen of bevoegdheden moeten worden toegepast.
Artikel 2
Toepassingsgebied
Met uitzondering van de artikelen 26 en 27 van deze verordening , die van toepassing zijn op innovatieve nettonultechnologieën, is deze verordening van toepassing op nettonultechnologieën zoals vermeld in artikel 3 bis, lid 1, en op de componenten, materialen en machines in de toeleveringsketens van die technologieën die onmisbaar zijn voor de productie en werking ervan . Grondstoffen, verwerkte materialen en componenten die onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) …/… [voetnoot toevoegen met publicatiegegevens van de verordening kritieke grondstoffen] en onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2023/1781 vallen, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening.
Artikel 3
Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
a) |
“nettonultechnologieën”: de in artikel 3 bis, lid 1, vermelde technologieën ▌; |
|
b) |
“component”: een vervaardigd onderdeel van een eindproduct met nettonultechnologie ▌; |
|
b bis) |
“materialen”: alle grondstoffen of verwerkte materialen die nodig zijn voor de productie van een component van een nettonultechnologie of van het eindproduct; |
|
c) |
“innovatieve nettonultechnologieën”: technologieën ▌die wezenlijke innovatie met zich meebrengen, die momenteel niet op de interne markt beschikbaar zijn en die in ten minste één opzicht beter zijn dan de gangbare vergelijkbare nettonultechnologie, alsook alle technologie die is opgenomen in het in artikel 26 quinquies bedoelde strategisch plan voor energietechnologie; |
|
c bis) |
“andere innovatieve technologieën”: technologieën die de transitie naar een klimaatneutrale, schone economie mogelijk kunnen maken, voor minder strategische afhankelijkheden kunnen zorgen, neerkomen op een wezenlijke innovatie die momenteel niet op de interne markt beschikbaar is, en voldoende geavanceerd zijn om te worden getest in een gecontroleerde omgeving; |
|
c ter) |
“precommerciële innovatieve nettonultechnologieën”: innovatieve nettonultechnologieën die niet in de handel verkrijgbaar zijn maar voldoende geavanceerd zijn om te worden getest in een gecontroleerde omgeving; |
|
c quater) |
“nieuwe commerciële nettonultechnologieën”: nettonultechnologieën die nog niet op grote commerciële schaal verkrijgbaar zijn, een klein marktaandeel hebben, in ten minste één opzicht beter zijn dan de gangbare vergelijkbare technologieën en een duidelijk risico met zich meebrengen indien ze deel zouden uitmaken van een aanbesteding; |
|
c quinquies) |
“precommerciële aanbesteding”: aanbesteding van precommerciële innovatieve nettonultechnologieën waarbij sprake is van een deling van de risico’s en voordelen onder marktvoorwaarden en van een competitieve ontwikkeling in fasen, waarbij er een duidelijke scheiding is tussen de ontwikkelingsactiviteiten van de aanbestede producten en het gebruik van commerciële hoeveelheden eindproducten; |
|
c sexies) |
“overheidsopdrachten voor innovatieve oplossingen”: aanbestedingen waarbij de aanbestedende diensten als initiërende klant fungeren voor commerciële innovatieve nettonultechnologieën en waarbij conformiteitstests kunnen horen; |
|
d) |
“project voor de productie van nettonultechnologie” of “productieproject”: een geplande industriële faciliteit of uitbreiding of herbestemming van een bestaande faciliteit voor de productie van nettonultechnologieën , eindproducten of componenten, materialen of machines in de toeleveringsketens van die technologieën die onmisbaar zijn voor de productie en werking ervan ; |
|
e) |
“strategisch nettonulproject”: een project voor de productie van nettonultechnologie dat is geselecteerd aan de hand van de criteria van artikel 10; |
|
e bis) |
“nettonulindustrievallei” of “vallei”: een specifiek stuk land dat door een lidstaat is aangewezen ter bevordering van de aanleg of uitbreiding van productiefaciliteiten die deel uitmaken van de toeleveringsketen voor de nettonulindustrie; |
|
f) |
“vergunningverleningsproces”: een proces dat alle relevante administratieve vergunningen omvat voor het plannen, opbouwen, uitbreiden en exploiteren van projecten voor de productie van nettonultechnologie, zoals strategische nettonulprojecten, met inbegrip van alle eventueel vereiste vergunningen en milieubeoordelingen in verband met de bouw, chemische stoffen en aansluiting op het net, en dat alle administratieve aanvragen en procedures omvat vanaf de ontvangst van de aanvraag bij de aangewezen instantie tot de kennisgeving van het raambesluit over het resultaat van de procedure door de verantwoordelijke nationale bevoegde instantie of, in voorkomend geval, een verantwoordelijke netbeheerder ; |
|
g) |
“raambesluit”: een door instanties van een lidstaat – met uitsluiting van rechterlijke instanties – genomen besluit of verzameling van besluiten waarin wordt bepaald of een projectpromotor vergunning voor de uitvoering van een project voor de productie van nettonultechnologie krijgt, onverminderd alle besluiten die worden genomen in de context van procedures van administratief beroep; |
|
h) |
“projectpromotor”: een onderneming die of consortium van ondernemingen dat een project voor de productie van nettonultechnologie of een strategisch nettonulproject ontwikkelt; ▌ |
|
i bis) |
“testomgeving voor nettonultechnologie”: een regeling die ondernemingen in staat stelt innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën te testen in een gecontroleerde omgeving onder reële omstandigheden, in het kader van een specifiek plan dat wordt ontwikkeld en gemonitord door een bevoegde instantie; ▌ |
|
k) |
“betrokken instantie”: instantie die volgens het nationaal recht bevoegd is voor de afgifte van vergunningen en toestemmingen betreffende de planning, het ontwerp en de bouw van onroerende activa, met inbegrip van energie-infrastructuur; |
|
l) |
“openbare aanbestedingsprocedure”: een van de volgende procedures:
|
|
m) |
“aanbestedende dienst”, in het kader van aanbestedingsprocedures: een aanbestedende dienst zoals gedefinieerd in artikel 6 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 3 van Richtlijn 2014/25/EU; |
|
n) |
“aanbestedende instantie”, in het kader van aanbestedingsprocedures: een aanbestedende instantie zoals gedefinieerd in artikel 7 van Richtlijn 2014/23/EU en artikel 4 van Richtlijn 2014/25/EU; |
|
o) |
“opdracht”, in het kader van openbare aanbestedingsprocedures: een overheidsopdracht zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 5), van Richtlijn 2014/24/EU, “opdrachten” in de zin van “opdrachten voor werken, leveringen en diensten” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn 2014/25/EU en “concessies” in de zin van artikel 5, punt 1), van Richtlijn 2014/23/EU; |
|
p) |
“veiling”: een mechanisme voor openbare aanbestedingsprocedures dat niet onder de definitie van “concessies” van artikel 5, punt 1), van Richtlijn 2014/23/EU valt; |
|
q) |
“CO2-injectiecapaciteit”: de hoeveelheid CO2 die jaarlijks kan worden geïnjecteerd in een operationele geologische opslaglocatie, waarvoor krachtens Richtlijn 2009/31/EG een vergunning is verleend, met inbegrip van zoutwaterhoudende grondlagen, welke over de middelen beschikt voor het afvangen van CO2 en het transporteren ervan naar de locatie, en met als doel emissies te verminderen of meer koolstofverwijderingen te realiseren, met name voor grote industriële installaties, en die wordt gemeten in ton per jaar; |
|
q bis) |
“CO2-transportnetwerken”: multimodale CO2-transportinfrastructuur, met inbegrip van het netwerk van pijpleidingen, met inbegrip van bijbehorende compressorstations, voor het transport van CO2 naar de opslaglocatie; |
|
r) |
“integratie van het energiesysteem”: oplossingen voor de planning en exploitatie van het energiesysteem in zijn geheel, over meerdere energiedragers, infrastructuren en verbruikssectoren heen, door hun onderlinge banden te versterken, zodat fossielvrije, betrouwbare en hulpbronnenefficiënte energiediensten kunnen worden geleverd tegen zo laag mogelijke kosten voor de samenleving; |
|
s) |
“productiecapaciteit”: de totale outputcapaciteit van de in het kader van een productieproject geproduceerde nettonultechnologieën. Indien het productieproject geen eindproducten produceert, maar specifieke componenten of specifieke machines die primair voor de productie van die producten worden gebruikt, gaat het bij productiecapaciteit om de outputcapaciteit van het eindproduct voor de productie waarvan dergelijke componenten of specifieke machines zouden worden gebruikt. |
Artikel 3 bis
Nettonultechnologieën
1. De nettonultechnologieën die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, zijn:
|
a) |
technologieën die worden gebruikt voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2018/2001; |
|
b) |
kernsplijtings- en kernfusie-energietechnologieën, met inbegrip van kernsplijtstofcyclustechnologieën; |
|
c) |
technologieën voor energieopslag; |
|
d) |
technologieën voor verwijdering, afvang, transport, injectie, opslag en gebruik van koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en distikstofoxide (N2O); |
|
e) |
technologieën voor transportinfrastructuur voor waterstof (H2); |
|
f) |
technologieën voor elektrolyse-installaties en brandstofcellen; |
|
g) |
voortstuwingstechnologieën voor vervoer met behulp van elektriciteit, waterstof (H2), duurzame alternatieve brandstoffen zoals gedefinieerd in Verordening (EU) .../... [PB: verwijzing invoegen naar de verordening duurzame scheepsbrandstoffen (2021/0210(COD))] en wind; |
|
h) |
elektrische oplaadtechnologieën voor vervoer; |
|
i) |
technologieën voor de productie van en tankinfrastructuur voor waterstof (H2), duurzame alternatieve brandstoffen zoals gedefinieerd in Verordening (EU) .../... [PB: verwijzing invoegen naar de ReFuelEU-Luchtvaart-verordening (2021/0205(COD))] en biomethaan (CH4); |
|
j) |
warmtepomptechnologieën; |
|
k) |
technologieën voor energie-efficiëntie; |
|
l) |
technologieën voor de distributie van thermische energie en elektriciteitsnetten; |
|
m) |
technologieën voor energiebeheer; |
|
n) |
technologieën voor industriële processen en elektrificatie met hoge efficiëntie voor energie- en koolstofintensieve industrieën; |
|
o) |
technologieën voor de productie van biomaterialen, met inbegrip van biogebaseerde chemische productietechnologieën; |
|
p) |
recyclingtechnologieën. |
2. Binnen zes maanden na de termijn voor indiening van elk nationaal energie- en klimaatplan overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1999 en binnen zes maanden na de uiterste datum voor de indiening van elke actualisering van de geactualiseerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 14, lid 2, van die verordening, beoordeelt de Commissie de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst van nettonultechnologieën en kan zij overeenkomstig artikel 33 van deze verordening gedelegeerde handelingen tot wijziging van die lijst voorstellen om ervoor te zorgen dat deze de uit de nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten voortvloeiende technologische behoeften weerspiegelt.
Hoofdstuk II
Randvoorwaarden voor de productie van nettonultechnologie
Afdeling I
Stroomlijning van administratieve procedures en vergunningverleningsprocessen
Artikel 4
Centraal aanspreekpunt
1. Uiterlijk op … [drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] wijzen de lidstaten één ▌bevoegde instantie aan , of richten zij deze op (aangewezen instantie). De aangewezen instantie is verantwoordelijk ▌voor het faciliteren en coördineren van het vergunningverleningsproces voor projecten voor de productie van nettonultechnologie ▌en voor het verstrekken van advies over het verminderen van de administratieve lasten overeenkomstig artikel 5.
2. De aangewezen instantie is het enige aanspreekpunt voor de projectpromotor in het vergunningverleningsproces dat leidt tot een raambesluit voor een bepaald project en coördineert de indiening van alle relevante documenten en informatie.
3. De verantwoordelijkheden van de in lid 1 bedoelde aangewezen instantie of de daarmee verband houdende taken kunnen voor een bepaald project worden gedelegeerd aan of uitgevoerd door een andere instantie, op voorwaarde dat:
|
a) |
de aangewezen instantie de projectpromotor van die delegatie in kennis stelt; |
|
b) |
voor elk van de projecten telkens één enkele instantie verantwoordelijk is; |
|
c) |
één enkele instantie de indiening van alle relevante documenten en informatie coördineert. |
4. Projectpromotoren mogen alle documenten die relevant zijn voor het vergunningverleningsproces in elektronische vorm indienen.
5. De aangewezen instantie houdt bij het vergunningverleningsproces voor dit project overeenkomstig dit artikel rekening met al eerder uitgevoerde gefundeerde studies en al eerder verleende vergunningen of toestemmingen, en eist geen duplicaten van studies en vergunningen of toestemmingen, tenzij het Unierecht anders voorschrijft.
6. De aangewezen instantie zorgt ervoor dat aanvragers gemakkelijk toegang hebben tot informatie over en eenvoudige procedures voor de beslechting van geschillen in verband met het vergunningverleningsproces en de afgifte van vergunningen voor het opzetten en uitbreiden van projecten, met inbegrip van, waar van toepassing, alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken nationale instanties en andere bevoegde instanties die voor de verschillende stappen van de vergunningverleningsprocessen, met inbegrip van alle procedurele stappen, verantwoordelijk zijn , over voldoende gekwalificeerd personeel en voldoende financiële, technische en technologische middelen, waaronder middelen voor bij- en omscholing, beschikken om hun taken uit hoofde van deze verordening doeltreffend te kunnen uitvoeren.
8. Binnen het in artikel 28 en 29 bedoelde platform wordt periodiek de toepassing van deze afdeling en de artikelen 12 en 13 besproken en worden beste praktijken betreffende de organisatie van nationale bevoegde instanties en het versnellen van vergunningsprocedures uitgewisseld.
8 bis. De lidstaten overwegen verhoging van de directe steun voor de aangewezen instantie in het kader van de nationale herstel- en veerkrachtplannen. De Commissie verleent technische bijstand aan de aangewezen instantie en de lidstaten om het vergunningverleningsproces uit te voeren.
8 ter. Vóór het begin van het vergunningverleningsproces specificeert en publiceert de aangewezen instantie in detail de vereisten waar de projectpromotor aan moet voldoen, respectievelijk de informatie die hij moet overleggen.
Artikel 5
Online toegankelijkheid van informatie
De lidstaten stellen de volgende informatie over administratieve processen met betrekking tot projecten voor de productie van nettonultechnologie, met inbegrip van strategische nettonulprojecten, online en op gecentraliseerde en gemakkelijk toegankelijke wijze beschikbaar:
|
a) |
het vergunningverleningsproces; |
|
b) |
financiering en diensten in verband met investeringen; |
|
c) |
financieringsmogelijkheden op het niveau van de Unie en de lidstaten; |
|
d) |
bedrijfsondersteunende diensten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de aangifte voor de vennootschapsbelasting, lokale belastingwetgeving en het arbeidsrecht. |
Artikel 5 bis
Versnelde uitvoering
1. De lidstaten en in voorkomend geval de Commissie ondernemen activiteiten om publieke en particuliere investeringen in projecten voor de productie van nettonultechnologie te versnellen en aan te trekken. Dergelijke activiteiten kunnen, onverminderd artikel 107 en artikel 108 VWEU, onder meer bestaan uit het verlenen en coördineren van steun voor projecten voor de productie van nettonultechnologie die moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot financiering. De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de steun binnen zes maanden na de indiening van het verzoek van het project voor de productie van nettonultechnologie aan de projectpromotor wordt verleend.
2. De lidstaten verlenen administratieve en operationele steun aan projecten voor de productie van nettonultechnologie die zich op hun grondgebied bevinden, om de snelle en doeltreffende uitvoering ervan te vergemakkelijken, met bijzondere aandacht voor bij de projecten betrokken kmo’s, onder meer door te voorzien in:
|
a) |
bijstand bij de naleving van de toepasselijke administratieve en rapportageverplichtingen; |
|
b) |
bijstand aan projectpromotoren om het publieke draagvlak voor het project verder te vergroten; |
|
c) |
bijstand aan projectpromotoren tijdens het vergunningverleningsproces, met name voor kmo’s. |
Naast de door de lidstaten verleende steun verleent de Commissie de strategische nettonulprojecten bijstand als bedoeld in het eerste lid.
Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat de relevante administratieve organen over voldoende middelen en personeel beschikken om binnen de toepasselijke termijnen op toekomstige verzoeken te reageren.
3. Uiterlijk op 31 december 2024 stelt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad maatregelen voor om de diverse bronnen van overheidsfinanciering voor projecten voor de productie van nettonultechnologie in de Unie en de lidstaten te coördineren met als doel om de uitrol ervan te versnellen.
Artikel 6
Duur van de vergunningsprocedure
1. Het vergunningverleningsproces voor projecten voor de productie van nettonultechnologie mag niet langer duren dan een van de volgende termijnen:
|
a) |
9 maanden voor de opbouw van projecten voor de productie van nettonultechnologie met een jaarlijkse productiecapaciteit van minder dan 1 GW; |
|
b) |
12 maanden voor de opbouw van projecten voor de productie van nettonultechnologie met een jaarlijkse productiecapaciteit van meer dan 1 GW. |
2. Voor projecten voor de productie van nettonultechnologie waarbij de jaarlijkse productiecapaciteit niet in GW wordt gemeten, mag het vergunningverleningsproces niet langer dan 12 maanden duren.
3. Voor de uitbreiding van de productiecapaciteit in bestaande productiefaciliteiten worden de in de leden 1 en 2 bedoelde termijnen gehalveerd.
4. In uitzonderlijke gevallen, wanneer de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het voorgestelde project dit vereisen, kunnen de bevoegde instanties de in de leden 1 en 2 bedoelde termijnen met maximaal 1 maand verlengen; dit moet per geval worden beoordeeld en moet voor het verstrijken van die termijnen worden bepaald.
Wanneer de bevoegde instanties van oordeel zijn dat het voorgestelde project uitzonderlijke risico’s voor de gezondheid en veiligheid van werknemers of van de bevolking in het algemeen met zich meebrengt, en indien extra tijd nodig is om te bepalen of de passende waarborgen voorhanden zijn, kunnen zij die termijnen met nog eens 6 maanden verlengen; dit moet per geval worden beoordeeld en moet voor het verstrijken van die termijnen worden bepaald.
5. In beide gevallen stelt de aangewezen instantie de projectpromotor schriftelijk in kennis van de redenen voor de verlenging van de termijn en van de datum waarop het raambesluit schriftelijk kan worden verwacht.
6. Uiterlijk één maand na ontvangst van de vergunningsaanvraag bevestigen de bevoegde instanties de geldigheid van de aanvraag of verzoeken zij de projectpromotor om binnen veertien dagen na dat verzoek een volledige aanvraag in te dienen indien de projectpromotor niet alle voor de behandeling van een aanvraag vereiste informatie heeft toegezonden. De datum van de bevestiging van de initiële ontvangst van de aanvraag door de ▌nationale aangewezen instantie geldt als het begin van de vergunningsprocedure.
7. Uiterlijk één maand na de datum van de bevestiging van de geldigheid van de aanvraag stelt de aangewezen instantie, in nauwe samenwerking met de projectpromotor en andere betrokken instanties, een gedetailleerd tijdschema voor het vergunningverleningsproces op. Het tijdschema wordt door de ▌ aangewezen instantie bekendgemaakt op een gratis toegankelijke website.
8. De in dit artikel vastgestelde termijnen laten verplichtingen die voortvloeien uit het Unie- en internationale recht onverlet, evenals administratieve beroepsprocedures en beroepsprocedures bij een rechterlijke instantie.
9. De in dit artikel vastgestelde termijnen voor de vergunningsprocedures laten eventuele kortere termijnen die door de lidstaten worden vastgesteld, onverlet.
9 bis. De aangewezen instantie zorgt ervoor dat het ontbreken van antwoord van de betrokken administratieve instanties binnen de in dit artikel bedoelde termijnen leidt tot de specifieke tussenstappen die als goedgekeurd moeten worden beschouwd, tenzij het beginsel van administratieve stilte in de nationale rechtsorde niet bestaat. Dit lid is ook van toepassing op definitieve besluiten over de uitkomst van het proces. Wanneer er op basis van stilzwijgende goedkeuring een definitief besluit wordt genomen over het resultaat van het proces, wordt er binnen een week na de inwerkingtreding van de stilzwijgende goedkeuring een uitdrukkelijke kennisgeving hiervan aan de projectpromotor toegezonden. Alle besluiten, met inbegrip van kennisgevingen van stilzwijgende goedkeuring, worden openbaar gemaakt.
9 ter. In overeenstemming met deze verordening stelt de Commissie richtsnoeren vast voor het bepalen van een reeks vergunningverleningsvereisten waar de lidstaten ten minste aan moeten voldoen met betrekking tot projecten voor de productie van nettonultechnologie, ter vereenvoudiging van - enerzijds - het voorbereidende werk dat promotoren van productieprojecten moeten doen en - anderzijds - de beoordeling van verzoeken door instanties.
Artikel 7
Milieubeoordelingen en -vergunningen
1. Wanneer een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 9 van Richtlijn 2011/92/EU, verzoekt de betrokken projectpromotor de in artikel 4 bedoelde bevoegde instantie om advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die richtlijn in het milieueffectbeoordelingsrapport moet worden opgenomen. De nationale bevoegde instantie zorgt ervoor dat het in de eerste alinea bedoelde advies zo spoedig mogelijk en zonder uitzondering binnen een termijn van ten hoogste twintig dagen na de datum waarop de projectpromotor zijn verzoek heeft ingediend, wordt uitgebracht, gesteld dat bij het verzoek alle vereiste documenten zijn ingediend . De bevoegde instanties verstrekken de projectpromotor meteen na de indiening van het verzoek een lijst met de vereiste documenten, trachten het proces te stroomlijnen en begeleiden de projectpromotor hierbij.
2. Wanneer de verplichting om een beoordeling van de milieueffecten uit te voeren gelijktijdig voortvloeit uit meerdere richtlijnen uit de lijst van Richtlijn 2011/92/EU, Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (46), Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (47), Richtlijn 2010/75/EU en Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad (48), voorziet de nationale bevoegde instantie in gecoördineerde of gezamenlijke procedures die aan de voorschriften van die Uniewetgeving voldoen.
In het kader van de in de eerste alinea bedoelde gecoördineerde procedure coördineert de nationale bevoegde instantie de verschillende door de toepasselijke wetgeving van de Unie vereiste afzonderlijke beoordelingen van de milieueffecten van een bepaald project.
In het kader van de in de eerste alinea bedoelde gezamenlijke procedure voorziet de nationale bevoegde instantie in één enkele beoordeling van de milieueffecten van een bepaald project, zoals door de toepasselijke wetgeving van de Unie vereist.
De toepassing van de gezamenlijke of de gecoördineerde procedure mag de inhoud van de milieueffectbeoordeling niet negatief beïnvloeden.
3. De nationale bevoegde instantie zorgt ervoor dat de betrokken instanties binnen tachtig dagen na ontvangst van alle overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 van Richtlijn 2011/92/EU verzamelde informatie , de controle van de kwaliteit ervan en na afloop van het in de artikelen 6 en 7 van die richtlijn bedoelde overleg een gemotiveerde conclusie over de milieueffectbeoordeling uitbrengen als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt g), iv), van die richtlijn.
3 bis. In uitzonderlijke gevallen waarin dat gezien de aard, complexiteit, locatie of omvang van het voorgestelde project nodig is, kan de in artikel 8, lid 1, bedoelde nationale bevoegde instantie de in lid 3 van dit artikel vermelde termijnen vóór afloop ervan en per geval met maximaal dertig dagen verlengen. In dat geval stelt de in artikel 8, lid 1, bedoelde nationale bevoegde instantie de projectontwikkelaar schriftelijk in kennis van de redenen die ten grondslag liggen aan de verlenging en van de datum waarop de gemotiveerde conclusie wordt verwacht.
4. De termijnen waarbinnen het betrokken publiek wordt geraadpleegd over het in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU bedoelde milieueffectbeoordelingsrapport bedragen ten hoogste tachtig en minstens veertig dagen. In gevallen die onder artikel 6, lid 4, tweede alinea, vallen, kan deze termijn per geval tot maximaal 90 dagen worden verlengd. In dat geval stelt de nationale bevoegde instantie de projectpromotor schriftelijk in kennis van de redenen die ten grondslag liggen aan de verlenging. De openbare raadpleging begint zodra het door de projectpromotor ingediende dossier door de bevoegde administratieve instantie als volledig wordt beschouwd, wordt gelijktijdig met de beoordeling van het projectverzoek door de nationale bevoegde instantie gehouden en voldoet aan de vereisten inzake raadpleging van het betrokken publiek als bedoeld in Richtlijn 2011/92/EU, en de resultaten ervan worden ter beschikking gesteld van de bevoegde instantie.
4 bis. Indien een project negatieve gevolgen heeft voor een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied, valt de milieubeoordeling onder de in Richtlijn 92/43/EEG genoemde voorwaarden.
4 ter. De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale bevoegde instanties en andere instanties overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU passend zijn uitgerust om zich aan de in dit artikel bedoelde verplichtingen te houden.
Artikel 8
Planning
1. Bij het opstellen van plannen, met inbegrip van bestemmingsplannen en plannen voor ruimtelijke ordening, nemen de nationale, regionale en lokale autoriteiten waar passend in die plannen bepalingen op voor de ontwikkeling van projecten voor de productie van nettonultechnologie, met inbegrip van strategische nettonulprojecten , alle nodige infrastructuur en nettonulindustrievalleien . Er wordt prioriteit gegeven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, industrieterreinen, brownfieldterreinen en, waar passend, greenfieldterreinen die niet bruikbaar zijn voor de land- en bosbouw. Om de ontwikkeling van projecten voor de productie van nettonultechnologie te vergemakkelijken, zorgen de lidstaten ervoor dat alle relevante gegevens inzake ruimtelijke ordening online beschikbaar zijn overeenkomstig artikel 5.
2. Indien plannen met bepalingen voor de ontwikkeling van productieprojecten voor nettonultechnologie, met inbegrip van strategische nettonulprojecten en de daarvoor benodigde infrastructuur , onderworpen zijn aan een beoordeling uit hoofde van Richtlijn 2001/42/EG en artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG, worden die beoordelingen gecombineerd. Indien van belang wordt in die gecombineerde beoordeling ook aandacht besteed aan de gevolgen voor mogelijk getroffen waterlichamen en wordt nagegaan of specifieke projecten in het kader van het plan zouden kunnen verhinderen dat een waterlichaam een goede toestand of goed potentieel bereikt, of een achteruitgang van de toestand of van het potentieel als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG kunnen veroorzaken, of het bereiken van een goede toestand of een goed potentieel zouden kunnen belemmeren. Indien van belang moeten de lidstaten de effecten van bestaande en toekomstige activiteiten op het mariene milieu, met inbegrip van de wisselwerking tussen land en zee, als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2014/89/EU, beoordelen, en dan worden deze effecten ook in de gecombineerde beoordeling opgenomen. Het feit dat beoordelingen overeenkomstig dit lid worden gecombineerd, mag geen invloed hebben op de inhoud of kwaliteit ervan. De gecombineerde beoordeling wordt zo uitgevoerd dat dit niet leidt tot verlenging van de in deze verordening bedoelde termijnen.
Artikel 9
Toepasselijkheid van VN/ECE-verdragen
1. De bepalingen van deze verordening doen geen afbreuk aan de verplichtingen uit hoofde van ▌het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, en uit hoofde van het VN/ECE-Verdrag betreffende milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend te Espoo op 25 februari 1991.
2. Alle op grond van deze afdeling en de artikelen 12 , 13 , 14 en 21 vastgestelde besluiten worden op een eenvoudig te begrijpen wijze openbaar toegankelijk gemaakt en alle besluiten omtrent een project zijn op een en dezelfde locatie terug te vinden .
Afdeling II
Strategische nettonulprojecten
Artikel 10
Selectiecriteria
1. De lidstaten erkennen projecten voor de productie van nettonultechnologie als strategische nettonulprojecten , die rekening houden met de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, wanneer zij overeenstemmen met een in de bijlage vermelde en zich in de Unie bevindende technologie die bijdraagt tot de verwezenlijking van de in artikel 1 van deze verordening opgenomen doelstellingen, en die aan ten minste een van de volgende criteria voldoen:
|
a) |
het project ▌draagt bij tot de technologische en industriële veerkracht van de ▌Unie door :
|
|
b) |
het project ▌draagt bij tot het concurrentievermogen in de Unie en op de wereldmarkten en tot het scheppen van hoogwaardige banen door te voorzien in innovatie met betrekking tot het productieproces van nettonultechnologieën, of van componenten of materialen in de toeleveringsketen van die technologieën die nog onvoldoende aanwezig zijn of die nog niet worden vervaardigd in de Unie, of door de productie van de beste beschikbare nettonultechnologie te waarborgen, met inbegrip van de beste beschikbare componenten of materialen in hun toeleveringsketen, alsook door:
|
|
c) |
het project draagt bij tot de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie door het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” na te leven en door:
|
1 bis. Uiterlijk ... [drie maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling overeenkomstig de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure richtsnoeren vast ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de in dit artikel genoemde criteria. Die richtsnoeren omvatten ten minste specifiek advies betreffende de criteria die moeten worden gebruikt om te beoordelen:
|
a) |
of een onderdeel of machine primair wordt gebruikt voor de productie van een nettonultechnologie; |
|
b) |
of de aanvullende productiecapaciteit betrekking heeft op een nieuwe technologie of de beste beschikbare technologie; |
|
c) |
of de aanvullende productiecapaciteit als aanzienlijk kan worden beschouwd. |
2. De lidstaten erkennen de volgende strategische CO2-projecten als strategische nettonulprojecten:
|
a) |
CO2-afvangprojecten en CO2-infrastructuurprojecten die nodig zijn voor het vervoer van afgevangen CO2 naar Co2-opslaglocaties2-opslaglocaties en die:
|
|
b) |
CO2-opslagprojecten:
|
3. Projecten voor de productie van een van de in artikel 3 bis, lid 1, vermelde nettonultechnologieën en die zich bevinden in “minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s” en door het Fonds voor een rechtvaardige transitie bestreken gebieden en die in aanmerking komen voor steun in het kader van het cohesiebeleid, worden op verzoek van de projectpromotor door de lidstaten erkend als nettonulprojecten uit hoofde van artikel 11, lid 3, zonder dat de projectpromotor een formele aanvraag uit hoofde van artikel 11, lid 2, hoeft in te dienen.
4. Een zich in de Unie bevindend project voor de productie van nettonultechnologie dat bijdraagt tot de verwezenlijking van de in artikel 1, lid 1, opgenomen doelstellingen en dat ofwel uit het ETS-innovatiefonds wordt ondersteund, ofwel deel uitmaakt van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, Europese waterstofvalleien, of van de waterstofbank, wordt, wanneer die fondsen investeringen in productiecapaciteit voor een in artikel 3 bis, lid 1, vermelde technologie ondersteunen, op verzoek van de projectpromotor door de lidstaten erkend als strategisch nettonulproject uit hoofde van artikel 11, lid 3, zonder dat de projectpromotor een formele aanvraag uit hoofde van artikel 11, lid 2, hoeft in te dienen.
Artikel 11
Aanvraag en erkenning
1. Aanvragen voor de erkenning van projecten voor de productie van nettonultechnologie als strategische nettonulprojecten worden door de projectpromotor bij de betrokken lidstaat ingediend.
2. De in lid 1 bedoelde aanvraag moet alle volgende elementen omvatten:
|
a) |
relevante bewijsstukken met betrekking tot de naleving van de criteria van artikel 10, lid 1 of lid 2; |
|
b) |
een bedrijfsplan waarin de financiële levensvatbaarheid van het project wordt beoordeeld en dat moet stroken met de doelstelling om hoogwaardige werkgelegenheid te scheppen. |
3. Lidstaten beoordelen de in lid 1 bedoelde aanvraag binnen een maand en aan de hand van een eerlijk en transparant proces. Het uit dit proces voortvloeiende besluit wordt toegelicht en meegedeeld aan de initiatiefnemer, het platform en het Europees Parlement. De afwezigheid van een besluit van lidstaten binnen die termijn geldt als erkenning van het project.
3 bis. Uiterlijk ... [zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert elke lidstaat een lijst waarin wordt vastgesteld op welke van de in artikel 3 bis, lid 1, genoemde nettonultechnologieën de bepalingen met betrekking tot krachtens dit artikel in de betrokken lidstaat erkende strategische projecten van toepassing kunnen zijn.
4. De Commissie kan een advies uitbrengen over de erkende projecten. Als de aanvraag door een lidstaat wordt afgewezen, heeft de aanvrager het recht de aanvraag in te dienen bij de Commissie, die de aanvraag binnen 20 werkdagen beoordeelt.
5. Indien de Commissie na haar beoordeling overeenkomstig lid 4 de afwijzing van de aanvraag door de lidstaat bevestigt, stelt zij de aanvrager per brief in kennis van haar conclusie. Wanneer de Commissie tot een ander oordeel komt dan de lidstaat, wordt het project in kwestie besproken binnen het platform ▌ en beslist dit platform over de status ervan .
6. Indien de Commissie of een lidstaat tot de bevinding komt dat een strategisch nettonulproject ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan of dat het niet langer voldoet aan de criteria van artikel 10 ▌,of indien de erkenning ervan gebaseerd was op een aanvraag met onjuiste informatie, stelt deze de betrokken projectpromotor daarvan in kennis. Na de projectpromotor te hebben gehoord, kan de lidstaat het besluit tot toekenning van de status van strategisch nettonulproject intrekken.
7. Projecten die niet langer als strategisch nettonulproject worden erkend, verliezen alle met die status verbonden rechten uit hoofde van deze verordening.
8. De Commissie begint en onderhoudt een openbaar register van strategische nettonulprojecten.
Artikel 12
Prioritaire status van strategische nettonulprojecten
1. Projectpromotoren en alle instanties die volgens het nationale recht bevoegd zijn voor de afgifte van verschillende vergunningen en toestemmingen betreffende de planning, het ontwerp en de bouw van onroerende activa, met inbegrip van energie-infrastructuur, zorgen ervoor dat deze processen voor strategische nettonulprojecten zo snel mogelijk en in overeenstemming met het Unierecht en het nationale recht worden afgehandeld.
2. Onverminderd de verplichtingen waarin het Unierecht voorziet, kennen de lidstaten aan strategische nettonulprojecten de hoogst mogelijke status van nationaal belang toe, indien het nationale recht een dergelijke status erkent, en worden zij als zodanig behandeld in de vergunningverleningsprocessen, met inbegrip van die met betrekking tot milieubeoordelingen en, indien het nationale recht daarin voorziet, die met betrekking tot ruimtelijke ordening.
3. Strategische nettonulprojecten worden geacht bij te dragen tot de voorzieningszekerheid wat betreft strategische nettonultechnologieën in de Unie en derhalve in het algemeen belang te zijn. Met betrekking tot de milieueffecten waarop de artikelen 6, lid 4, en 16, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/147/EG betrekking hebben, worden strategische nettonulprojecten in de Unie beschouwd als projecten van algemeen belang en kunnen zij als zijnde van groot openbaar belang worden beschouwd, mits aan alle voorwaarden van die richtlijnen is voldaan.
4. Alle procedures voor geschillenbeslechting, beroepsprocedures, bezwaarschriften en rechtsmiddelen in verband met strategische nettonulprojecten voor een nationale rechterlijke instantie, gerecht of kamer, met inbegrip van bemiddeling of arbitrage, indien het nationale recht daarin voorziet, worden met spoed behandeld, indien en voor zover het nationale recht in dergelijke spoedprocedures voorziet en de normaal toepasselijke rechten van de verdediging voor individuen of lokale gemeenschappen worden geëerbiedigd; projectpromotoren van strategische nettonulprojecten nemen indien van toepassing aan dergelijke spoedprocedures deel.
Artikel 13
Duur van het vergunningverleningsproces voor strategische nettonulprojecten
1. Het vergunningverleningsproces voor strategische nettonulprojecten mag niet langer duren dan een van de volgende termijnen:
|
a) |
6 maanden voor de opbouw van strategische nettonulprojecten met een jaarlijkse productiecapaciteit van minder dan 1 GW; |
|
b) |
9 maanden voor de opbouw van strategische nettonulprojecten met een jaarlijkse productiecapaciteit van meer dan 1 GW; |
|
c) |
18 maanden voor alle benodigde vergunningen voor de exploitatie van een opslaglocatie overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG. |
2. Voor strategische nettonulprojecten waarbij de jaarlijkse productiecapaciteit niet in GW wordt gemeten, mag het vergunningverleningsproces niet langer dan 9 maanden duren.
3. Voor de uitbreiding van de productiecapaciteit in bestaande productiefaciliteiten worden de in de leden 1 en 2 bedoelde termijnen gehalveerd.
4. De nationale bevoegde instanties zorgen ervoor dat het uitblijven van een antwoord van de betrokken administratieve instanties binnen de in dit artikel bedoelde toepasselijke termijnen leidt tot de specifieke tussentijdse stappen die als goedkeuring moeten worden beschouwd, behalve wanneer het specifieke project onderworpen is aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad of Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 2008/98/EG, Richtlijn 2009/147/EG, Richtlijn 2010/75/EU, 2011/92/EU of Richtlijn 2012/18/EU of er vastgesteld moet worden of een dergelijke milieueffectbeoordeling nodig is en de desbetreffende beoordelingen nog niet zijn uitgevoerd, of wanneer het beginsel van stilzwijgende goedkeuring of administratieve stilte in het nationale rechtsstelsel niet bestaat. Deze bepaling is niet van toepassing op definitieve besluiten over de uitkomst van het proces, die expliciet moeten zijn. Alle besluiten worden openbaar toegankelijk gemaakt.
4 bis. Indien het beginsel van stilzwijgende goedkeuring of administratieve stilte niet bestaat in de nationale rechtsorde en in het geval van een milieueffectbeoordeling overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 2008/98/EG, Richtlijn 2009/147/EG, Richtlijn 2010/75/EU, 2011/92/EU of Richtlijn 2012/18/EU of om te bepalen of een dergelijke milieueffectbeoordeling noodzakelijk is, leidt het uitblijven van een antwoord van de betrokken administratieve instanties binnen de in dit artikel bedoelde toepasselijke termijnen tot doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. De opbrengsten van de sanctie worden toegewezen aan het project waarop de vertraging betrekking heeft en komen overeen met de gemiste economische waarde als gevolg van de vertraging.
Artikel 13 bis
Nettonulindustrievalleien
1. Teneinde de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, duidt elke lidstaat geografische gebieden aan als nettonulindustrievalleien (“valleien”).
2. De doelstellingen van de valleien zijn:
|
a) |
het creëren van clusters van industriële nettonulactiviteiten die tot efficiëntiewinst voor alle betrokken industriële actoren leiden; |
|
b) |
het vergroten van de aantrekkelijkheid van de Unie als vestigingsplaats voor productieactiviteiten; |
|
c) |
het verder stroomlijnen van de administratieve procedures voor het opzetten van nettonulproductiecapaciteit, naast de in andere hoofdstukken van deze verordening vastgestelde stroomlijning. |
3. Bij het aanwijzen van gebieden voor nettonulindustrievalleien houden de lidstaten rekening met:
|
a) |
het feit dat de gebieden geschikt moeten zijn voor meervoudig gebruik, met het oog op de uitbreiding, herindustrialisering of ontwikkeling van Europese industriële clusters; |
|
b) |
de beschikbaarheid van relevante transport- en netwerkinfrastructuur, opslag- en andere flexibiliteitsinstrumenten of het potentieel om dergelijke netwerkinfrastructuur en opslag tot stand te brengen; |
|
c) |
de rechtvaardige transitie en de doelstellingen daarvan, met name met betrekking tot kolenregio's in transitie; |
|
d) |
alle geplande of reeds bestaande projectpijpleidingen en -plannen; |
|
e) |
het potentieel om onderwijs en opleiding te organiseren met betrekking tot vaardigheden in verband met nettonultechnologieproducten; |
|
f) |
het potentieel om op potentiële productielocaties hoogwaardige banen en werkgelegenheid voor plaatselijke werknemers te creëren; |
|
g) |
de noodzaak om gebieden te kiezen waar de uitvoering of uitbreiding van een specifieke soort (of specifieke soorten) projecten voor de productie van nettonultechnologieproducten niet resulteert (resulteren) in ernstige milieugevolgen. |
4. Teneinde de gevolgen voor het milieu van de uitvoering of uitbreiding van een specifieke soort (of specifieke soorten) projecten voor de productie van nettonultechnologieproducten in valleien tot een minimum te beperken:
|
a) |
geven de lidstaten voorrang aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, industriële locaties, brownfields en, indien passend, greenfields die niet bruikbaar zijn voor landbouw; |
|
b) |
ontwikkelen de lidstaten in uitzonderlijke omstandigheden valleien in gebieden waar in het kader van de nationale herstelplannen uit hoofde van de verordening natuurherstel herstelmaatregelen worden getroffen, of in Natura 2000-gebieden. |
Artikel 13 ter
Aanwijzing van valleien
1. Een besluit van een lidstaat om een vallei aan te wijzen, gaat vergezeld van een plan (“plan”) met daarin:
|
a) |
de specifieke nettonulproductieactiviteiten die in de vallei worden ondergebracht; |
|
b) |
concrete nationale maatregelen om de aantrekkelijkheid van de vallei als vestigingsplaats voor productieactiviteiten te vergroten; |
|
c) |
de resultaten van de milieubeoordeling en de maatregelen die de lidstaat zal nemen om de negatieve milieueffecten als bedoeld in lid 2 te beperken. |
2. In het kader van het besluitvormingsproces voor de aanwijzing van een vallei en alvorens een plan of plannen voor de aanwijzing van valleien vast te stellen, voeren de lidstaten een milieubeoordeling uit overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde beoordelingen voor de specifieke productieactiviteiten van nettonultechnologieën waaraan de nettonulindustrievallei is gewijd. Deze beoordelingen moeten betrekking hebben op alle technologieën en aanverwante productieactiviteiten waaraan de vallei zal worden gewijd.
Op basis van de resultaten van de beoordelingen voorzien de lidstaten voor elk type project in duidelijke parameters voor de projectuitvoering met evenredige regels en maatregelen om de negatieve milieueffecten ervan aan te pakken.
Alle milieubeoordelingsvereisten en verzachtende maatregelen met betrekking tot een vergunning voor nieuwe of uitgebreide productiecapaciteit die in overeenstemming zijn met de vereisten van het plan en de toepasselijke wetgeving, worden geacht te zijn vervuld middels een overeenkomstig dit lid uitgevoerde milieubeoordeling, en profiteren van een versnelde procedure en validatie.
3. De lidstaten verstrekken een advies, zoals bepaald in artikel 7, lid 1, alsmede een gedetailleerd tijdschema voor de vergunningsprocedure als bedoeld in artikel 6, lid 7, voor alle in de vallei geplande activiteiten. Het advies bevat ook een gedetailleerde beschrijving van alle gegevens, informatie of analyses die de lidstaat bij de uitvoering van de in lid 2 bedoelde beoordeling heeft verzameld en waarop de aanvrager zich kan verlaten, alsook, indien van toepassing, een beschrijving van de aanvullende informatie, gegevens of analyses die de aanvrager nog moet verstrekken. Overeenkomstig artikel 5 worden alle door de lidstaat verzamelde gegevens, informatie en analyses online toegankelijk gemaakt voor aanvragers.
4. Besluiten tot aanduiding van een vallei overeenkomstig artikel 13 bis, lid 1, en overeenkomstig dit artikel, bevatten een aanvraagdatum en een vervaldatum. De lidstaten kunnen dergelijke besluiten verlengen. De Commissie maakt deze besluiten openbaar.
5. Projecten voor de productie van nettonultechnologieën in valleien worden geacht bij te dragen tot de voorzieningszekerheid wat betreft nettonultechnologieën in de Unie en derhalve in het algemeen belang te zijn. Met betrekking tot de milieueffecten waarop de artikelen 6, lid 4, en 16, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/147/EG betrekking hebben, worden projecten voor de productie van nettonultechnologieën in valleien beschouwd als projecten van algemeen belang en kunnen zij als zijnde van groot openbaar belang worden beschouwd, mits aan alle voorwaarden van die richtlijnen is voldaan.
6. De in lid 1, punt b bedoelde nationale maatregelen omvatten ten minste de volgende economische en administratieve steunregelingen:
|
a) |
waarborging van de snelle administratieve oprichting van de vallei; |
|
b) |
ontwikkeling van de noodzakelijke infrastructuur in de vallei; |
|
c) |
ondersteuning van particuliere investeringen in de vallei; |
|
d) |
waarborging van adequate om- en bijscholing van de lokale beroepsbevolking. |
7. Overheidsinvesteringen die zijn gericht op het oprichten van valleien, het uitrusten van valleien met geschikte infrastructuur, het omzetten van brownfieldterreinen en het ontwikkelen van de geschiktheid van het lokale vaardighedenaanbod, kunnen profiteren van tot wel 10 % hogere medefinancieringspercentages uit hoofde van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Sociaal Fonds Plus, als de vallei is gevestigd in minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s of in door het Fonds voor een rechtvaardige transitie bestreken gebieden.
▌
Artikel 15
Coördinatie van de financiering
1. Binnen het bij artikel 28 opgerichte platform voor nettonultechnologie in Europa worden de financiële behoeften en knelpunten van strategische nettonulprojecten beoordeeld en eventuele beste praktijken verzameld , met name met het doel grensoverschrijdende toeleveringsketens van de EU te ontwikkelen, in belangrijke mate op basis van regelmatige uitwisselingen met en aanbevelingen van de deskundigengroep voor de nettonulindustrie en de relevante industriële allianties.
2. Het platform voor nettonultechnologie in Europa biedt op verzoek van de promotor van het strategische nettonulproject de mogelijkheid van besprekingen en advies over de wijze waarop de financiering voor het project kan worden rondgekregen, verstrekt en coördineert steun voor het voltooien van het project, met name om te voldoen aan de criteria van artikel 19, lid 2, rekening houdend met de reeds toegezegde financiering, waarbij ten minste de volgende elementen worden overwogen:
|
a) |
aanvullende particuliere financieringsbronnen; |
|
b) |
steun met middelen van de Europese Investeringsbank Groep of andere internationale financiële instellingen, waaronder de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling; |
|
c) |
bestaande instrumenten en programma’s van de lidstaten, ook van nationale stimuleringsbanken en -instellingen; |
|
d) |
relevante subsidie- en financieringsprogramma’s van de Unie , ook via STEP . |
2 bis. Uiterlijk op ... [drie maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de twee jaar doet het platform voor nettonultechnologie in Europa aanbevelingen aan de Commissie betreffende het waarborgen van voldoende financiering, onder meer via de begroting van de Unie, om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.
Artikel 15 bis
Financiering van nettonultechnologieën
1. Onverminderd Richtlijn 2003/87/EG brengen de lidstaten jaarlijks verslag uit over het percentage van de nationale opbrengsten uit de veiling van emissierechten, in overeenstemming met de activiteiten die zijn toegestaan op grond van artikel 10, lid 3, van die richtlijn, dat wordt gebruikt ter ondersteuning van de doelstellingen van deze verordening. Hierbij is het de bedoeling om een percentage van ten minste 25 % te bereiken.
2. Overeenkomstig artikel 2 van [de STEP-verordening] worden overeenkomstig artikel 10, lid 1, punten a) of b), van deze verordening geselecteerde strategische nettonulprojecten erkend als projecten die de STEP-doelstellingen verwezenlijken, en komen zij derhalve in aanmerking voor het soevereiniteitszegel uit hoofde van artikel 4 van die verordening en voor het ontvangen van middelen overeenkomstig artikel 9 van die verordening.
Hoofdstuk III
CO2-injectiecapaciteit
Artikel 16
EU-doelstelling voor CO2-injectiecapaciteit
1. Tegen 2030 wordt een jaarlijkse injectiecapaciteit van ten minste 50 miljoen ton CO2 bereikt in niet met tertiaire winning van koolwaterstoffen gecombineerde opslaglocaties, dat wil zeggen geologische opslaglocaties die uit hoofde van Richtlijn 2009/31/EG zijn toegestaan, met inbegrip van uitgeputte olie- en gasvelden en zoute watervoerende lagen , op het grondgebied van de Unie, haar exclusieve economische zones of op het continentaal plat in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee ▌.
2. De in alinea 1 bedoelde opslaglocaties worden ontworpen om gedurende ten minste vijf jaar te functioneren.
3. Indien toepasselijk stelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2026 aan het Europees Parlement en de Raad eisen voor de jaarlijkse CO2-injectiecapaciteit voor 2035, 2040 en 2050 voor, rekening houdend met de behoeften van de lidstaten in de hele Unie.
4. Uiterlijk ... [twee jaar vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de twee jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de vooruitgang die is bereikt met betrekking tot de doelstelling van de Unie inzake jaarlijkse injectiecapaciteit, en over de marktsituatie betreffende injectiecapaciteit. Het verslag bevat een overzicht van de geografische spreiding van opslaglocaties in de Unie.
5. Het in lid 4 bedoelde verslag bevat een beoordeling van de CO2-opslag- en injectiecapaciteit, waarbij met name gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 17, lid 2, en artikel 18, lid 6, verzamelde informatie, die:
|
a) |
een gedetailleerde analyse verstrekt van de geografische en temporele toereikendheid van de bestaande en geplande CO2-opslaglocaties en de CO2-afvangprojecten voor CO2-emissies van industriële installaties in de Unie; |
|
b) |
de voornaamste infrastructuur in kaart brengt die nodig is voor vervoer en de opslag van CO2-emissies afkomstig van industriële installaties in de Unie; |
|
c) |
specifieke mogelijkheden voor CO2-gebruik identificeert met als doel bij te dragen tot de permanente opslag van CO2, wat kan leiden tot een lagere nood aan CO2-opslag of tot een daling van de afhankelijkheid van de Unie van fossiele brandstoffen. |
6. Indien uit het in lid 4 bedoelde verslag blijkt dat de vraag naar CO2-injectiecapaciteit aanzienlijk hoger of lager is dan in de in de leden 1 en 3 vastgestelde capaciteitsdoelstellingen tot uiting komt, stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast om de capaciteitsdoelstellingen af te stemmen op de vraag.
7. Indien uit het in lid 4 van dit artikel bedoelde verslag blijkt dat de markt onvoldoende ontwikkeld is om een toereikende injectiecapaciteit te bieden, kan de Commissie de in artikel 18 bedoelde bijdragen aanpassen en er tegelijkertijd voor zorgen dat de betrokken entiteiten voldoende tijd hebben om hun bedrijfsplannen aan te passen aan de nieuw gedefinieerde verplichtingen.
8. De Unie kan haar buurlanden betrekken bij haar inspanningen in het kader van dit hoofdstuk door de bepalingen van dit hoofdstuk op te nemen in overeenkomsten met deze landen of door nieuwe overeenkomsten op te stellen waarin de bepalingen van dit hoofdstuk worden opgenomen. Bij de opname van deze bepalingen in bestaande overeenkomsten of bij de vaststelling van nieuwe overeenkomsten wordt ervoor gezorgd dat alle milieu-, veiligheids- en beveiligingsnormen en -eisen van de Unie die van toepassing zijn op projecten in het kader van dit hoofdstuk, in het derde land worden nageleefd. In de overeenkomst wordt ook een aanvullende evenredige injectiedoelstelling voor het derde land vastgesteld, alsook, overeenkomstig artikel 18, een evenredige bijdrage voor de betrokken entiteiten in het derde land.
Artikel 17
Transparantie van gegevens over de CO2-opslagcapaciteit
1. Uiterlijk ... [ 3 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] zorgen de lidstaten ervoor dat:
|
a) |
gegevens over gebieden op hun grondgebied waar CO2-opslaglocaties kunnen worden toegestaan, openbaar toegankelijk gemaakt worden; |
|
b) |
entiteiten die over een vergunning in de zin van artikel 1, punt 3, van Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad (49) op hun grondgebied beschikken, ertoe worden verplicht om op geen grondslag vormende basis alle ruwe geologische gegevens over productielocaties die buiten gebruik zijn gesteld of waarvan de ontmanteling aan de bevoegde instantie is gemeld , alsook voorlopige economische beoordelingen van de respectieve kosten om CO2-injectie op elke locatie mogelijk te make n, openbaar toegankelijk te maken, waaronder gegevens over:
|
|
c) |
Voor de toepassing van punt a) omvatten de gegevens ten minste de informatie die wordt gevraagd in de mededeling van de Commissie over richtsnoeren voor de lidstaten voor de actualisering van de nationale energie- en klimaatplannen voor 2021-2030 en latere actualiseringen ervan . |
2. Uiterlijk op ... [ zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening], en vervolgens elk jaar, dient elke lidstaat bij de Commissie een verslag in , dat openbaar toegankelijk wordt gemaakt, met:
|
a) |
een inventarisatie van de lopende projecten voor het afvangen van CO2 op zijn grondgebied of in samenwerking met andere lidstaten en een raming van de overeenkomstige behoefte aan injectie- en opslagcapaciteit en voor het vervoer van CO2 ; |
|
b) |
een inventarisatie van de lopende projecten voor de opslag en het vervoer van CO2 op zijn grondgebied, met inbegrip van de status van vergunning uit hoofde van Richtlijn 2009/31/EG, verwachte data voor het definitieve investeringsbesluit (FID) en de inbedrijfstelling; |
|
c) |
de nationale steunmaatregelen die zijn vastgesteld en de maatregelen die kunnen worden vastgesteld om de in punt a) en b) bedoelde projecten te stimuleren; |
|
c bis) |
de nationale strategie en streefcijfers voor de afvang van CO2 tegen 2030, en indien toepasselijk overeenkomstig artikel 16, lid 3, tegen 2035, 2040 en 2050; |
|
c ter) |
de regelingen, met inbegrip van bilaterale overeenkomsten die zijn gesloten om het grensoverschrijdende transport van CO2 te vergemakkelijken, om ervoor te zorgen dat entiteiten die CO2 afvangen toegang hebben tot een veilig en niet-discriminerend middel voor het transport van CO2; |
|
c quater) |
lopende projecten voor het vervoer van CO2 en een raming van de capaciteit van vereiste toekomstige projecten voor het vervoer van CO2 om de overeenkomstige afvang- en opslagcapaciteit op elkaar af te stemmen. |
2 bis. Indien uit het in lid 2 bedoelde verslag blijkt dat op hun grondgebied zich geen lopende projecten voor de opslag van CO2 bevinden, brengen de lidstaten verslag uit over plannen om het koolstofvrij maken van industriële sectoren met onvermijdelijke CO2-emissies te vergemakkelijken. Dit moet grensoverschrijdend vervoer van CO2 naar opslaglocaties in andere lidstaten omvatten, alsook projecten voor het gebruik van CO2.
Artikel 17 bis
Infrastructuur voor het vervoer van CO2
1. Om de verwezenlijking van de in artikel 16 genoemde doelstelling te vergemakkelijken, investeren de Unie en haar lidstaten samen met de begunstigde ondernemingen in de benodigde CO2-vervoersinfrastructuur, met inbegrip van grensoverschrijdende infrastructuur.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat potentiële gebruikers van opslaglocaties toegang krijgen tot de CO2-vervoersnetwerken en tot opslaglocaties met het oog op de geologische opslag van geproduceerd en afgevangen CO2.
3. Om de milieueffecten van het vervoer van CO2 tot een minimum te beperken, streven de Unie, haar lidstaten en alle andere betrokken actoren ernaar de behoefte aan CO2-vervoer tot een minimum te beperken.
4. De lidstaten kunnen entiteiten vormen, of steun verlenen voor de oprichting ervan, die tot doel hebben CO2-vervoersnetwerken tot stand te brengen, met inbegrip van de aanleg van infrastructuur of het ter beschikking stellen van schepen of andere vervoermiddelen. De oprichting van dergelijke entiteiten wordt ten minste om de twee jaar herzien.
5. Uiterlijk op ... [zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] stellen de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijke strategie op voor de financiering van de in lid 1 bedoelde infrastructuur.
Artikel 18
Bijdrage van olie- en gasproducenten met een vergunning
1. Elke entiteit die in de Unie ruwe aardolie, aardolieproducten of aardgas verkoopt , levert een individuele en verplichte bijdrage aan de in artikel 16 vastgestelde EU-doelstelling voor beschikbare CO2-injectiecapaciteit. Die individuele bijdragen worden pro rata berekend op basis van het aandeel van elke entiteit in de verkoop van ruwe aardolie , aardolieproducten en aardgas in de Unie van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023, en bestaan uit CO2-injectiecapaciteit in een opslaglocatie waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG betreffende de geologische opslag van kooldioxide een vergunning is verleend en die tegen 2030 beschikbaar is voor de markt.
1 bis. De in lid 1 genoemde entiteiten kunnen hun individuele bijdrage aan de EU-doelstelling voor beschikbare CO2-injectiecapaciteit leveren door injectiecapaciteit beschikbaar te stellen in opslaglocaties in die landen waarvan sprake is in artikel 16, lid 8.
1 ter. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om uitstoters beter in staat te stellen en te stimuleren om emissies af te vangen, investeerders aan te zetten tot de financiering van de nodige infrastructuur om CO2 naar de opslaglocatie te vervoeren, en waar nodig directe financiering te bieden voor CO2-opslagprojecten.
1 quater. Indien CO2 wordt afgevangen en vervoerd in een lidstaat en vervoerd naar en opgeslagen in andere lidstaten, stemmen de lidstaten de in lid 1 ter bedoelde maatregelen op elkaar af. De Europese Commissie waarborgt en faciliteert deze coördinatie door middel van de oprichting van regionale CCS-groepen.
2. Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening stellen de lidstaten de in lid 1 bedoelde entiteiten en hun volumes voor de verkoop van ruwe aardolie en aardgas in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023 vast en delen ze deze mee aan de ▌Commissie.
3. Na ontvangst van de overeenkomstig artikel 17, lid 2, van deze verordening ingediende verslagen specificeert de Commissie, na raadpleging van de lidstaten en belanghebbenden, het aandeel van de bijdrage aan de CO2-injectiecapaciteit van de Unie tegen 2030 voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten.
4. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de verordening dienen de in lid 1 bedoelde entiteiten bij de Commissie een plan in waarin wordt uiteengezet hoe zij voornemens zijn hun bijdrage te leveren aan het bereiken van doelstelling van de Unie voor 2030 wat betreft de CO2-injectiecapaciteit. In die plannen:
|
a) |
wordt de bijdrage van de entiteit bevestigd, die wordt uitgedrukt in het beoogde volume nieuwe CO2-opslag- en injectiecapaciteit dat tegen 2030 in gebruik zal zijn genomen; |
|
b) |
worden de middelen en mijlpalen voor het bereiken van het beoogde volume gespecificeerd. |
5. Om tot hun beoogde volumes van beschikbare injectiecapaciteit te komen, kunnen de in lid 1 bedoelde entiteiten:
|
a) |
alleen of in samenwerking CO2-opslagprojecten ontwikkelen of daarin investeren ; |
|
b) |
overeenkomsten sluiten met andere in lid 1 bedoelde entiteiten , waarbij rekening wordt gehouden met de algemene doelstelling om de regionale opslagcapaciteit in de hele EU te vergroten ; |
|
c) |
ten behoeve van het leveren van hun bijdrage overeenkomsten sluiten met derden die opslag-, afvang- en vervoerprojecten ontwikkelen of daarin investeren. |
6. Uiterlijk op ... [ twee jaar vanaf de inwerkingtreding van de verordening], en vervolgens elk jaar, dienen de in lid 1 bedoelde entiteiten bij de bevoegde instantie van de lidstaten en de Commissie een verslag over hun vooruitgang bij het leveren van hun bijdrage in. Overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG bevat dat verslag bijzonderheden over de nieuw in gebruik genomen opslagcapaciteit, de benutte capaciteit, en een overzicht van de economische haalbaarheid van de geplande injectiecapaciteit en aanbevelingen aan de lidstaten met betrekking tot aanvullende maatregelen die nodig zijn om de CO2-injectiedoelstelling te bereiken. De Commissie maakt deze verslagen openbaar.
6 bis. De Commissie beoordeelt of de in lid 1 bedoelde entiteiten voldoen aan de vereisten van dit hoofdstuk. Bij deze beoordeling houdt de Commissie rekening met de ontwikkeling van modaliteiten voor het vervoeren van CO2 naar de injectielocaties en met de ontwikkeling van koolstofafvangactiviteiten om de vraag naar CO2-injectie te produceren. Indien de infrastructuur- of de afvangactiviteiten, of beide, die nodig zijn om een specifiek injectieproject operationeel te maken, ontbreken, waardoor een specifieke entiteit haar verplichtingen krachtens dit artikel niet nakomt, kan de Commissie de injectieverplichting van een specifieke entiteit voor een bepaald jaar verlagen. Elke verlaging wordt binnen vijf jaar teruggevorderd.
7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen wat betreft:
|
a) |
de mate waarin en manier waarop de overeenkomsten tussen de in lid 1 bedoelde entiteiten en investeringen in opslagcapaciteit die in het bezit is van derden kunnen worden gebruikt om aan de individuele bijdragen uit hoofde van lid 5, punten b) en c) te voldoen; |
|
b) |
de inhoud van de verslagen zoals bedoeld in lid 6; |
|
b bis) |
de afschrikkende en evenredige sancties en boetes die kunnen worden toegepast op in lid 1 genoemde entiteiten die niet aan de voorschriften van deze verordening voldoen. |
7 bis. Om bij te dragen aan de doelstelling van de Unie wat betreft de CO2-injectiecapaciteit, hebben de in lid 1 bedoelde entiteiten het recht om de CO2-injectiecapaciteit mee te rekenen die overeenkomt met de projectaandelen van een andere bij een opslagproject betrokken aandeelhouder, indien die aandeelhouder niet onder het toepassingsgebied van lid 1 valt.
Artikel 18 bis
Regelgevingskader voor de markt voor afgevangen CO2
1. Uiterlijk op ... (zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de verordening] publiceert de Commissie richtsnoeren waarin de maximumgehalten aan CO2-zuiverheid en sporenelementen binnen de stroom worden vermeld die moeten worden gespecificeerd door een entiteit die een CO2-opslagproject wil laten bevestigen als bijdragend aan de doelstelling van de injectiecapaciteit van de Unie.
2. Uiterlijk op ... [twee jaar vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] voert de Commissie, overeenkomstig lid 2, een beoordeling uit en doet zij indien toepasselijk een wetgevingsvoorstel tot vaststelling van een regelgevingskader voor een Uniemarkt voor de afvang, het transport, de opslag en het gebruik van CO2, tot aanvulling van de regels van Richtlijn 2009/31/EG, houdende regels inzake:
|
a) |
open, eerlijke en niet-discriminerende toegang tot en de veiligheid van het netwerk voor CO2-opslag en -vervoer; |
|
b) |
open, eerlijke en niet-discriminerende toegang tot de afvang van CO2 met het oog op gebruik of opslag; |
|
c) |
de werking en onderlinge verbinding tussen het netwerk voor CO2-vervoer en andere infrastructuur in de Unie; |
|
d) |
economische stimulansen, financiering en mechanismen voor financiële bijstand; |
|
e) |
specifieke normen voor CO2-opslag en -vervoer; |
|
f) |
milieunormen; |
|
g) |
garanties voor de oorsprong van CO2; |
|
h) |
handhavingsmechanismen. |
2 bis. Alvorens een wetgevingsvoorstel als bedoeld in lid 2 vast te stellen, beoordeelt de Commissie of:
|
a) |
de werking van de CO2-markt voldoende toegang waarborgt tot injectiecapaciteit voor onvermijdelijke CO2-emissies; |
|
b) |
de verplichtingen van artikel 18, lid 1, op doeltreffende wijze de ontwikkeling van de CO2-opslagmarkt in de Unie bevorderen. |
Indien uit de beoordeling overeenkomstig dit lid blijkt dat de markt zich niet ontwikkelt in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening, kan de Commissie besluiten regels op te nemen om te voorzien in prioritaire toegang tot injectiecapaciteit voor onvermijdelijke emissies, en deze verordening aan te passen door wijziging van de verplichtingen van artikel 18, lid 1.
De Commissie zorgt ervoor dat alle sectoren met onvermijdelijke emissies afkomstig van industriële processen voldoende toegang hebben tot de CO2-injectiecapaciteit. Wanneer uit haar beoordelingen blijkt dat de markt zich niet in overeenstemming met deze doelstelling ontwikkelt, werkt de Commissie regels uit om de CO2-injectiecapaciteit prioritair toegankelijk te maken voor onvermijdelijke emissies afkomstig van industriële processen.
Om de beoordeling uit hoofde van dit lid te vergemakkelijken, stelt de Commissie een lijst op van sectoren met onvermijdelijke emissies afkomstig van grootschalige industriële installaties waarvoor geen directe emissiereductieopties beschikbaar zijn nadat de beste beschikbare technieken zijn toegepast, op basis van een duidelijke methodologie, met inbegrip van wetenschappelijk bewijs, de huidige stand van de techniek van relevante technologieën, de economische haalbaarheid en passende maatregelen voor emissievermindering aan de vraagzijde.
Hoofdstuk IV
Markttoegang
Artikel 19
Bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht in openbare aanbestedingsprocedures
1. Onverminderd de overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (GPA), de andere internationale overeenkomsten waartoe de Unie zich verbonden heeft, en de toepasselijke sectorale wetgeving, in het bijzonder Verordeningen (EU) 2022/1031 en (EU) 2022/2560, baseren aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de gunning van opdrachten voor de aankoop of het gebruik van de in artikel 3 van deze verordening opgenomen nettonultechnologie , en voor innovatieve nettonultechnologie of andere innovatieve technologie, in het bijzonder in het kader van precommerciële aanbestedingen en overheidsopdrachten voor innovatieve commerciële oplossingen, op een openbare aanbestedingsprocedure voor de economisch voordeligste inschrijving, met inbegrip van de beste prijs-kwaliteitsverhouding, die ten minste de bijdrage wat betreft milieu- en sociale duurzaamheid en veerkracht van de inschrijving omvat, in overeenstemming met de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU of 2014/25/EU. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties zorgen ervoor dat de aanbestedingsprocedure open, niet-discriminerend en transparant is, en eerlijke mededinging tussen alle in aanmerking komende leveranciers mogelijk maakt.
Wanneer een nettonultechnologie niet het hoofdvoorwerp van de opdracht vormt maar slechts een deel ervan uitmaakt, en wanneer de geraamde waarde van het desbetreffende deel van de opdracht hoger is dan de in Richtlijn 2014/23/EU, 2014/24/EU of 2014/25/EU vastgestelde drempelwaarden, nemen aanbestedende diensten of aanbestedende instanties een van de volgende maatregelen:
|
a) |
zij scheiden het onderdeel nettonultechnologie in een of meer specifieke percelen; |
|
b) |
zij stellen een afzonderlijk contract of afzonderlijke contracten op voor het onderdeel nettonultechnologie; of |
|
c) |
zij verplichten de hoofdaannemer tot concurrerende onderaanneming voor de levering van de respectieve nettonultechnologieproducten, met toepassing van Richtlijn 2014/23/EU, 2014/24/EU of 2014/25/EU, naargelang het geval, en dit artikel. |
2. De bijdrage wat betreft milieu- en sociale duurzaamheid ▌is gebaseerd op de volgende cumulatieve criteria, die objectief, transparant en niet-discriminerend zijn:
|
a) |
een milieuduurzaamheid die verder gaat dan de in de toepasselijke wetgeving opgenomen minimumvereisten; |
|
b) |
als er een innovatieve oplossing moet worden ontwikkeld, het effect en de kwaliteit van het uitvoeringsplan, met inbegrip van risicobeheersmaatregelen; |
|
c) |
indien van toepassing, de bijdrage van de inschrijving aan de integratie van het energiesysteem; |
|
d) |
de bijdrage van de inschrijving aan fatsoenlijke lonen en arbeidsomstandigheden, in voorkomend geval met inbegrip van het aanbieden van leerlingplaatsen, alsook welomschreven doelstellingen op het gebied van scholing, omscholing en bijscholing, ter vergroting van de aantrekkelijkheid van werkgelegenheid in nettonulindustriesectoren . |
2 bis. De bijdrage wat betreft veerkracht is gebaseerd op de volgende cumulatieve criteria, die objectief, transparant en niet-discriminerend zijn:
|
a) |
indien van toepassing, de bijdrage van de inschrijving aan de energiezekerheid van de Unie; |
|
b) |
de bijdrage van de inschrijving aan de veerkracht van de Unie, rekening houdend met de toeleveringszekerheid door inachtneming van het aandeel van de producten dat afkomstig is van één enkele toeleveringsbron, zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013. De toelevering wordt als onvoldoende gediversifieerd beschouwd wanneer voor meer dan 50 % van de totale vraag in de Europese Unie voor een specifieke nettonultechnologie, of voor de componenten die hoofdzakelijk voor de productie van die technologieën worden gebruikt, wordt voorzien uit één enkele bron, op basis van het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn; |
|
c) |
in voorkomend geval, de bijdrage aan innovatie door het aanbieden van geheel nieuwe oplossingen of het verbeteren van vergelijkbare geavanceerde oplossingen. |
3. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kennen de bijdrage ▌wat betreft duurzaamheid en veerkracht een wegingsfactor toe van ten minste 30 % van de gunningscriteria voor het onderdeel nettonultechnologie van een inschrijving, op evenwichtige wijze rekening houdend met zowel de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht .
Voor de toepassing van de in lid 2 bis van dit artikel bedoelde criteria maken de aanbestedende diensten of aanbestedende instanties gebruik van de laatste gegevens die zijn opgenomen op de in artikel 22, lid 2, bedoelde lijst. De oorsprong van goederen wordt bepaald overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013.
4. In afwijking van lid 3 van dit artikel is de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie niet verplicht de overeenkomst te baseren op de overwegingen in verband met de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht van strategische nettonultechnologieën, indien die toepassing die dienst of instantie er duidelijk toe zou verplichten apparatuur aan te schaffen tegen onevenredige kosten. Kostenverschillen worden alleen berekend voor de kosten van de uitrusting, met uitzondering van aanverwante diensten, en mogen door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties als onevenredig worden beschouwd wanneer zij meer dan 30 % bedragen, in vergelijking met een inschrijving zonder bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om abnormaal lage inschrijvingen uit te sluiten overeenkomstig artikel 69 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 84 van Richtlijn 2014/25/EU, onverminderd andere gunnings- en uitsluitingscriteria in overeenstemming met de EU-wetgeving , en onverminderd het recht van aanbestedende diensten om technische specificaties op te stellen overeenkomstig artikel 42 van Richtlijn 2014/24/EU om ervoor te zorgen dat de toepassing van lid 3 van dit artikel niet leidt tot de aanschaf van incompatibele uitrusting die enkel tegen een onredelijk hoge prijs compatibel kan worden gemaakt met de bestaande uitrusting.
Het platform voor nettonultechnologie in Europa kan aanbevelingen doen aan de aanbestedende diensten en instanties in de hele Unie met betrekking tot passende hogere drempels voor het bepalen van onevenredige kosten in het licht van de marktomstandigheden voor specifieke nettonultechnologieën.
De lidstaten kunnen de totale voor openbare aanbestedingsprocedures bestemde budgetten, evenals de bijbehorende maximale biedingsniveaus bijstellen teneinde ruimte te bieden voor de toepassing van niet-prijsgerelateerde criteria.
4 bis. Aanbestedende diensten passen voor aanbestedingsprocedures uit hoofde van dit artikel de volgende prekwalificatievoorwaarden toe:
|
a) |
niet meer dan 50 % van het onderdeel nettonultechnologie van de inschrijving, gemeten als de financiële waarde van de uitrusting zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013, is afkomstig uit derde landen die de GPA niet hebben ondertekend; |
|
b) |
alle uitrusting die in het kader van het onderdeel nettonultechnologie van de inschrijving wordt geleverd, zijn gecertificeerd op het gebied van cyberbeveiliging, voor zover er voor de uitrusting een communautair of nationaal certificeringskader inzake cyberbeveiliging bestaat; |
|
c) |
de marktdeelnemers die het onderdeel nettonultechnologie van de inschrijving leveren, vallen niet onder een IIO-maatregel zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2022/1031, met name de artikelen 6 en 8 hiervan. |
Indien de toepassing van die prekwalificatievoorwaarden in een aanbestedingsprocedure geen geschikte inschrijvingen oplevert, kan de aanbestedende dienst de procedure opnieuw starten zonder toepassing van de in de punten a) en c) van dit lid genoemde prekwalificatievoorwaarden.
4 ter. De lidstaten discrimineren leveranciers of nettonulproducten uit een andere lidstaat niet en behandelen deze niet zonder rechtvaardiging op een verschillende wijze op grond van de duurzaamheids- en veerkrachtcriteria.
Artikel 20
Veilingen voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen
1. Onverminderd artikel 4 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (50) en de artikelen 107 en 108 VWEU , en onverminderd de internationale verbintenissen van de Unie, met inbegrip van de GPA-overeenkomst en andere internationale overeenkomsten waartoe de Unie zich verbonden heeft, beoordelen lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze instellingen, bij het opstellen van de criteria voor het rangschikken van biedingen in het kader van veilingen, die tot doel hebben de productie of het verbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de zin van artikel 19, leden 2 en 2 bis , van Richtlijn (EU) 2018/2001 te ondersteunen, de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht zoals bedoeld in artikel 19, lid 2, van deze verordening. Dit belet deze entiteiten niet om gebruik te maken van andere niet-prijsgerelateerde criteria.
2. Aan de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht wordt een wegingsfactor toegekend van tussen 35 % en 50 % van de gunningscriteria, op evenwichtige wijze rekening houdend met de bijdrage inzake duurzaamheid en veerkracht en onverminderd de mogelijkheid om een hogere wegingsfactor toe te kennen aan de criteria in artikel 19, lid 2, punt a) en b), indien van toepassing op grond van Uniewetgeving, en aan eventuele beperkingen voor niet-prijsgerelateerde criteria die in het kader van de staatssteunregels zijn vastgesteld. Bij het selecteren, opstellen en uitvoeren van de concrete niet-prijsgerelateerde criteria als onderdeel van de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht, moeten de kenmerken die specifiek zijn voor de technologie, in acht worden genomen en op doeltreffende wijze worden toegepast.
3. De lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze instellingen zijn niet verplicht de overwegingen in verband met de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht van strategische nettonultechnologieën toe te passen, indien die toepassing die entiteiten ertoe zou verplichten apparatuur aan te schaffen tegen onevenredige kosten ▌. Kostenverschillen van meer dan 10 % kunnen door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties als onevenredig worden beschouwd wanneer de kosten van de door de overheidssector voor het project geboden steun meer dan 15 % hoger zouden zijn dan bij een procedure zonder duurzaamheids- en veerkrachtbijdragen. Dit lid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de aanbestedende diensten om overeenkomstig artikel 42 van Richtlijn 2014/24/EU technische specificaties vast te stellen met als doel te garanderen dat de toepassing van dit lid niet leidt tot de aanschaf van incompatibele uitrusting die enkel tegen een onredelijk hoge prijs compatibel kan worden gemaakt met de bestaande uitrusting.
De lidstaten kunnen de totale voor veilingen voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen bestemde budgetten, evenals de bijbehorende maximale biedingsniveaus bijstellen teneinde ruimte te bieden voor de toepassing van niet-prijsgerelateerde criteria.
De lidstaten zorgen ervoor dat veilingen een inflatie-indexeringsmechanisme omvatten. Negatieve biedingen worden in voorkomend geval uitgesloten van veilingen.
3 bis. De diensten passen voor veilingen uit hoofde van dit artikel de volgende prekwalificatievoorwaarden toe:
|
a) |
niet meer dan 50 % van het onderdeel nettonultechnologie van de inschrijving, gemeten als de financiële waarde van de uitrusting zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013, is afkomstig uit derde landen die de GPA niet hebben ondertekend; |
|
b) |
alle uitrusting die in het kader van het onderdeel nettonultechnologie van de inschrijving wordt geleverd, zijn gecertificeerd op het gebied van cyberbeveiliging, voor zover er voor de uitrusting een Europees of nationaal certificeringskader inzake cyberbeveiliging bestaat; |
|
c) |
de marktdeelnemers die het onderdeel nettonultechnologie van de inschrijving leveren, vallen niet onder een IIO-maatregel zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2022/1031, met name de artikelen 6 en 8 hiervan. |
Indien de toepassing van die prekwalificatievoorwaarden in een veiling geen geschikte biedingen oplevert, kan de aanbestedende dienst de veiling opnieuw starten zonder toepassing van de in de punten a) en c) van dit lid genoemde prekwalificatievoorwaarden.
Artikel 20 bis
Begeleiding van de Commissie
1. Uiterlijk ... [zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening], verstrekt de Commissie duidelijke richtsnoeren inzake de concrete uitvoering van artikel 19 in combinatie met artikel 20, door het volgende te verstrekken:
|
a) |
een catalogus met concrete, technologiespecifieke potentiële niet-prijsgerelateerde criteria voor veilingen voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen niet-prijsgerelateerde criteria die geschikt zijn voor concurrerende biedprocedures en niet-prijsgerelateerde criteria die geschikt zijn als prekwalificatievereisten in het kader van veilingen voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen; |
|
b) |
een methodologie voor het beoordelen van de bijdrage van een inschrijving aan de in artikel 19, lid 2, punten a) en d), bedoelde duurzaamheid en veerkracht; |
|
c) |
een methodologie voor het beoordelen de in artikel 20, lid 3, bedoelde kostenverschillen. |
2. De Commissie evalueert de bijdrage van de niet-prijsgerelateerde criteria van deze verordening die gericht zijn op het bieden van een stimulans voor de innovatie die nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2050 te realiseren, en brengt hierover uiterlijk ... [twee jaar vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] verslag uit bij het Europees Parlement. Indien nodig past de Commissie de bijdrage van niet-prijsgerelateerde criteria aan teneinde de productie in de EU te bevorderen, hoge milieu- en duurzaamheidsnormen te waarborgen, waardeketens in heel de Unie te ontwikkelen en het concurrentievermogen van Europese bedrijven op mondiaal niveau te versterken.
Artikel 20 ter
Precommerciële aanbestedingen en overheidsopdrachten voor innovatieve commerciële oplossingen
1. De lidstaten streven in het kader van de uitvoering van hun nationale energie- en klimaatplannen naar het gebruik van precommerciële aanbestedingen voor precommerciële innovatieve nettonultechnologieën en overheidsopdrachten voor commerciële innovatieve nettonultechnologieën. Precommerciële aanbestedingen en overheidsopdrachten kunnen worden aangevuld met financiering op EU-niveau in het kader van bestaande Unieprogramma’s voor gezamenlijke precommerciële aanbestedingen of overheidsopdrachten door lidstaten.
2. In de nationale energie- en klimaatplannen, de geactualiseerde versies daarvan en de voortgangsverslagen daarover worden de timing en de doelstellingen van de precommerciële aanbestedingen en de overheidsopdrachten voor innovatie uiteengezet. Het platform voor nettonultechnologie in Europa stelt aanbevelingen op over het ontwerp van precommerciële aanbestedingen of overheidsopdrachten.
Artikel 21
Andere vormen van overheidsinterventie
1. Onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU en artikel 4 van Richtlijn 2018/2001 /EG (51) en in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie, zorgen lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze instellingen wanneer zij besluiten tot het opzetten van regelingen die ten goede komen aan huishoudens , bedrijven of consumenten en die de aankoop van in artikel 3 bis, lid 1, van deze verordening vermelde eindproducten met nettonultechnologie stimuleren, voor een regeling die dusdanig wordt vormgegeven dat de aankoop door de begunstigden van eindproducten met nettonultechnologie die een grote bijdrage leveren wat betreft duurzaamheid en veerkracht als bedoeld in artikel 19, lid 2, van deze verordening wordt gestimuleerd door middel van evenredige aanvullende financiële compensatie.
2. De aanvullende financiële compensatie die door de instanties overeenkomstig lid 1 wordt toegekend als gevolg van de toepassing van de in artikel 19, lid 2, in de punten b), c) en d), en artikel 19, lid 2 bis, bedoelde criteria, mag niet meer bedragen dan 5 % van de kosten van het eindproduct met nettonultechnologie voor de consument, met uitzondering van regelingen die gericht zijn op burgers die leven in energiearmoede, waarvoor het maximum 15 % bedraagt .
3. Bij het vormgeven en toepassen van een regeling onder lid 1, baseert de instantie zich op een open, niet-discriminerend en transparant proces om de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht van de op de markt beschikbare producten te beoordelen. Voor elk eindproduct met nettonultechnologie kan te allen tijde een aanvraag voor toegang tot die regeling worden ingediend. De instantie specificeert een minimumscore voor producten die voor de aanvullende financiële compensatie in het kader van de steunregeling in aanmerking komen.
4. De lidstaten maken voor elk relevant nettonultechnologieproduct op één gratis toegankelijke website alle informatie met betrekking tot regelingen overeenkomstig artikel 21, lid 1, openbaar.
Artikel 22
Coördinatie van initiatieven inzake markttoegang
1. Uiterlijk ... [twaalf maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie volgens de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure een uitvoeringshandeling vast waarin duidelijk de criteria worden omschreven voor beoordeling van de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht van beschikbare producten die in aanmerking komen voor de vormen van overheidsinterventie van de artikelen 19, 20 en 21 , naar het voorbeeld van soortgelijke bepalingen in bestaande rechtshandelingen, en waarin de criteria worden vastgesteld voor afwijkingen zoals bepaald in artikel 19, lid 4 . De Commissie houdt rekening met de specifieke context van kmo’s.
1 bis. In geval van een conflict tussen de verschillende gunnings- en duurzaamheidscriteria die op grond van andere rechtshandelingen van de Unie zijn vastgesteld, verstrekt de Commissie richtsnoeren over de manier waarop deze bepalingen naast elkaar bestaan. De Commissie evalueert en, indien nodig, actualiseert haar richtsnoeren om de zes maanden.
2. De Commissie stelt een lijst beschikbaar met alle in artikel 3 vermelde eindproducten met nettonultechnologie, die is uitgesplitst naar het aandeel van het aanbod in de Unie dat afkomstig is uit verschillende derde landen op basis van het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, en werkt deze informatie regelmatig bij. De Commissie en het platform voor nettonultechnologie in Europa raadplegen hiertoe belangenorganisaties uit de sector en industriële actoren.
3. Binnen het platform voor nettonultechnologie in Europa worden de door de lidstaten ter uitvoering van de artikelen 19 en 21 getroffen maatregelen besproken en worden beste praktijken uitgewisseld, onder meer met betrekking tot ervaringen met het gebruik van criteria om bij openbare aanbestedingen de bijdrage wat betreft duurzaamheid en veerkracht te beoordelen, of ervaring met regelingen om de aankoop van eindproducten met nettonultechnologie te stimuleren.
Hoofdstuk V
Verbetering van vaardigheden voor hoogwaardige werkgelegenheid
Artikel 23
Europese academies voor nettonultechnologie
1. Op basis van een inventarisatie als bedoeld in artikel 23 bis ondersteunt de Commissie , onder meer door het verstrekken van startfinanciering, de oprichting van Europese academies voor nettonultechnologie als een netwerk van deskundigen op het gebied van nettonultechnologieën , die tot doel hebben:
|
a) |
leerprogramma’s, leerinhoud en leer- en opleidingsmateriaal te ontwikkelen voor opleidingen en onderwijs betreffende het ontwikkelen, produceren, installeren, in bedrijf stellen, gebruiken, onderhouden en recyclen van nettonultechnologieën, en de bijbehorende grondstoffen die bij de inventarisatie in kaart zijn gebracht; en ter ondersteuning van de capaciteiten van de in hoofdstuk II bedoelde overheidsinstanties die voor de afgifte van vergunningen verantwoordelijk zijn en van de in hoofdstuk IV bedoelde aanbestedende diensten; |
|
a bis) |
ervoor te zorgen dat de ontwikkelde leerprogramma’s de verwerving en versterking van transversale competenties vergemakkelijken, bovenop vaardigheden die specifiek zijn voor een bepaalde technologie of een bepaalde sector, teneinde de aanpassing van de ene bedrijfstak aan de andere te vergemakkelijken, zodat lerenden mobiel kunnen zijn en zich kunnen aanpassen aan de voortdurend veranderende situatie op de arbeidsmarkt en daarbuiten; |
|
a ter) |
te garanderen dat de leerprogramma’s relevante en toegankelijke actuele informatie en training over gezondheids- en veiligheidskwesties bevatten, evenals relevante informatie over de rechten en arbeidsomstandigheden van werknemers; |
|
a quater) |
te streven naar de opleiding en scholing van 100 000 lerenden per academie binnen drie jaar na hun oprichting, door het stimuleren van een leven lang professioneel leren en bij- of omscholing, onder andere door middel van stages, mentorprogramma’s en opleidingsprogramma’s van korte en lange duur; |
|
b) |
het gebruik van de leerprogramma’s en leermaterialen mogelijk te maken en te bevorderen bij aanbieders van onderwijs en opleidingen in de lidstaten, zoals universiteiten, onderzoeksuniversiteiten, hogescholen en universitaire allianties, ondernemingen die dergelijk onderwijs en dergelijke opleidingen aanbieden, met inbegrip van kmo’s, start-ups en sociale ondernemingen, sociale partners, en door opleiders op te leiden ; |
|
b bis) |
mechanismen te ontwikkelen om de kwaliteit te waarborgen van de opleiding die wordt aangeboden door aanbieders van onderwijs en opleiding in de lidstaten en, in voorkomend geval, in landen die geassocieerd zijn met onderzoeks- en innovatieprogramma’s van de Unie, zoals Horizon Europa en Digitaal Europa, op basis van leerprogramma’s, inhoud en materiaal van de Europese academies voor nettonultechnologie; |
|
b ter) |
bij te dragen tot de langetermijndoelstelling om de Unie tegelijkertijd te herindustrialiseren en koolstofvrij te maken, alsook bij te dragen tot haar open strategische autonomie en tegemoet te komen aan de behoefte aan in de Unie ontwikkelde nettonultechnologieën en aan geschoolde werknemers; |
|
c) |
credentials, en bijvoorbeeld ook microcredentials, te ontwikkelen en uit te rollen om de erkenning van de verworven vaardigheden en de overdraagbaarheid ervan naar een andere baan en een andere sector te bevorderen en de grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers te faciliteren , en om de afstemming tussen vaardigheden en relevante hoogwaardige banen te bevorderen door middel van instrumenten zoals het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (Eures) en Euraxess. |
2. De Europese academies voor nettonultechnologie bestrijden genderstereotypen en bevorderen gelijke toegang tot leerinhouden voor iedereen, waarbij zij bijzondere aandacht besteden aan de noodzaak om meer vrouwen en meer jongeren , met name degene die geen onderwijs of opleiding volgen en geen werk hebben (NEET's), ouderen, werknemers in beroepen die dreigen te verdwijnen of waarvan de inhoud en taken sterk veranderen door nieuwe technologieën, en mensen die werken in regio’s in transitie, te activeren. De Europese academies voor nettonultechnologie bevorderen diversiteit en inclusiviteit van mensen met een handicap, migranten en mensen in kwetsbare situaties .
Artikel 23 bis
Oprichting en governance van de Europese academies voor nettonultechnologie
Door middel van een inventarisatie worden de tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in cruciale industriële sectoren en nettonulindustrieën in kaart gebracht uitgaande van de behoeften van de industriële transformatie en decarbonisatie, en wordt de toegang tot opleidingsmogelijkheden rond dergelijke technologieën op nationaal niveau beoordeeld.
Bij de inventarisatie worden de hoofdoorzaken van dergelijke tekorten geanalyseerd, met name die welke verband houden met de kwaliteit van het werkaanbod, om zo te beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn om meer werknemers van alle kwalificatieniveaus in bepaalde industrieën aan te trekken.
Indien op basis van de inventarisatie een kritiek niveau van vaardigheidstekorten in een strategische nettonultechnologie wordt vastgesteld, doet de Commissie een oproep tot het indienen van voorstellen voor de oprichting van Europese academies voor nettonultechnologie.
De leden van de academies voor nettonultechnologie omvatten verschillende actoren, zoals industrieën waar het gebruik van nettonultechnologieën cruciaal is in hun waardeketens, aanbieders van onderwijs en opleidingen, de sociale partners en ondernemingen, met inbegrip van kmo’s. Bij de samenstelling van het lidmaatschap wordt waar mogelijk gestreefd naar een geografisch evenwicht tussen de lidstaten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de door de Europese academies voor nettonultechnologie ontwikkelde leerinhoud beschikbaar is in verschillende talen, zodat de leerprogramma’s toegankelijk zijn voor een zo groot mogelijk aantal lerenden, met name uit de meest kwetsbare groepen.
Tussen 1 januari 2024 en 31 december 2027 wordt voor de oprichting en werking van de Europese academies voor nettonultechnologie een bedrag van minstens 102 miljoen EUR in lopende prijzen beschikbaar gesteld. De lidstaten maken gebruik van relevante fondsen van de Unie, met name het ESF+, voor een doeltreffende inzet van de leerinhoud van de academies, en verstrekken de Commissie informatie over de hoeveelheid EU-middelen die zijn toegewezen om dat doel te bereiken.
Drie jaar na hun oprichting worden de Europese academies voor nettonulindustrie financieel duurzaam door financiële bijdragen uit de particuliere sector.
Het uit hoofde van artikel 28, lid 1, opgerichte platform voor nettonultechnologie in Europa monitort de werkzaamheden van de Europese academies voor nettonultechnologie en brengt uiterlijk op 31 december 2026 een verslag uit over de uitrol van hun leerprogramma’s.
Onmiddellijk na de inwerkingtreding start de Commissie het inventarisatieproces en doet zij een eerste oproep tot het indienen van voorstellen voor de oprichting van Europese academies voor nettonultechnologie, die baat kunnen hebben bij de bestaande werkzaamheden en projecten van relevante actoren en lidstaten.
Uiterlijk op [31 december 2024] worden Europese academies voor nettonultechnologie opgericht.
Uiterlijk op [31 december 2025] beginnen de Europese academies voor nettonultechnologie met het verstrekken en verspreiden van initiële leerinhoud. In de uitrolfase van de leerinhoud wordt bijzondere aandacht besteed aan regio’s die een industriële transformatie ondergaan, kritieke tekorten aan vaardigheden hebben of met een hoog werkloosheidspercentage kampen, met name onder jongeren.
Artikel 24
Gereglementeerde beroepen in nettonulindustrieën en erkenning van beroepskwalificaties
1. Uiterlijk op 31 december 2024, en vervolgens om de twee jaar, bepalen de lidstaten of de door de Europese academies voor nettonultechnologie ontwikkelde leerprogramma’s gelijkwaardig zijn aan de specifieke kwalificaties die de ontvangende lidstaat vereist om toegang te krijgen tot gereglementeerde activiteiten in het kader van een beroep dat van bijzonder belang is voor de nettonulindustrie om tegelijkertijd te herindustrialiseren en koolstofvrij te maken, teneinde de vereiste kwalificaties, die zowel technische als academische kwalificaties omvatten, op elkaar af te stemmen . De lidstaten zorgen ervoor dat de resultaten van de beoordelingen openbaar en gemakkelijk online toegankelijk worden gemaakt. Indien de leerprogramma’s niet gelijkwaardig worden geacht aan de kwalificaties die door de ontvangende lidstaat worden vereist om toegang te krijgen tot gereglementeerde activiteiten, licht die lidstaat de verschillen toe aan de Commissie en geeft hij aan hoe de gelijkwaardigheid kan worden bereikt.
2. Lidstaten die concluderen dat er sprake is van gelijkwaardigheid zoals dat in de eerste alinea van dit artikel is beschreven, zorgen, in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk, voor de erkenning van credentials die door aanbieders van onderwijs en opleidingen worden afgegeven op basis van de door de academies ontwikkelde leerprogramma’s, in het kader van titel III, hoofdstuk I, van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (52) wanneer een houder van een dergelijke credential toegang vraagt tot een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2005/36/EG, dat van bijzonder belang is voor de nettonulsector, door de credential te aanvaarden als voldoende onderbouwing voor en gelijkwaardig aan een opleidingstitel.
3. Wanneer de toegang tot een beroep dat van bijzonder belang is voor de nettonulindustrie gereglementeerd is in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2005/36/EG, streven de lidstaten ernaar een voor de uitoefening van dit specifieke beroep vereist gemeenschappelijk geheel van minimumkennis, vaardigheden en competenties te ontwikkelen, met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijk opleidingskader als bedoeld in artikel 49 bis, lid 1, van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad, teneinde automatische erkenning van kwalificaties mogelijk te maken. Het platform voor nettonultechnologie in Europa kan ook voorstellen als bedoeld in artikel 49 bis, lid 3, van Richtlijn 2005/36/EG voorleggen.
Artikel 25
Het platform voor nettonultechnologie in Europa en de rol van vaardigheden
Het in artikel 28 bedoelde platform voor nettonultechnologie in Europa ondersteunt de beschikbaarheid en toepassing van vaardigheden voor nettonultechnologieën en bij de in de hoofdstukken II en IV bedoelde bevoegde instanties en aanbestedende diensten , waarbij wordt voortgebouwd op bestaande structuren binnen het nationale onderwijs- en beroepsopleidingssysteem , door:
|
1) |
de Commissie bij te staan bij het beoordelen, voortdurend monitoren en voorspellen van de vraag naar en het aanbod van arbeidskrachten met de benodigde vaardigheden op het gebied van nettonultechnologieën en de beschikbaarheid en benutting van overeenkomstige onderwijs- en opleidingsmogelijkheden, en waar passend input te geven voor de activiteiten van de Europese academies voor nettonultechnologie; |
|
2) |
de activiteiten van de Europese academies voor nettonultechnologie te volgen en, op basis van de door de lidstaten en nationale instanties overeenkomstig artikel 31, lid 2, verstrekte gegevens, informatie te verzamelen over hoeveel mensen baat hebben gehad bij de door de academies ontwikkelde leerprogramma’s , en uitgesplitste gegevens te verstrekken per industriële sector, gender, leeftijd, en onderwijs- en kwalificatieniveaus, synergieën te bevorderen met andere initiatieven en projecten op het gebied van vaardigheden op nationaal en Unieniveau, en toezicht te houden teneinde een gevarieerde beroepsbevolking aan te trekken, onder meer door middel van gerichte communicatiecampagnes ; |
|
3) |
belanghebbenden, waaronder de industrie , ondernemingen, waaronder kmo’s, start-ups en sociale ondernemingen , de sociale partners en aanbieders van onderwijs en opleidingen, zoals universiteiten, onderzoeksuniversiteiten, hogescholen en universitaire samenwerkingsverbanden, te helpen mobiliseren voor de uitrol van de leerprogramma’s die door de Europese academies voor nettonultechnologie worden ontwikkeld; |
|
4) |
bij te dragen tot de acceptatie en erkenning van credentials van de Europese academies voor nettonultechnologie in de lidstaten om de erkenning van vaardigheden en de afstemming van vaardigheden op banen te bevorderen, onder meer door geldigheid en aanvaarding van de credentials overal op de arbeidsmarkt van de Unie te bevorderen en door de nadruk te leggen op langdurige opleidingsprogramma’s en bezoldigde leer-werktrajecten ; |
|
4 bis) |
toe te zien op de naleving van de acceptatie en erkenning van credentials en bij te dragen aan het vinden van oplossingen in geval van niet-erkenning; |
|
5) |
de ontwikkeling te ondersteunen van Europese beroepsprofielen, bestaande uit een gemeenschappelijk geheel van kennis, vaardigheden en competenties voor belangrijke beroepen op het gebied van nettonultechnologieën, waarbij onder meer wordt voortgebouwd op de leerprogramma’s die door de Europese academies voor nettonultechnologie worden ontwikkeld, en, waar zinvol, gebruik wordt gemaakt van de terminologie van de Europese classificatie van vaardigheden, competenties, kwalificaties en beroepen (ESCO) om de transparantie en mobiliteit tussen banen en over de grenzen van de interne markt heen te bevorderen; |
|
6) |
loopbaanvooruitzichten en hoogwaardige arbeidsomstandigheden , met inbegrip van eerlijke en toereikende lonen, in banen in de nettonultechnologiesector te bevorderen, alsook de aantrekkingskracht van technisch onderwijs, de integratie van jongeren, vrouwen, senioren en mensen uit kansarme milieus op de arbeidsmarkt voor nettonultechnologie te vergroten, en gekwalificeerde werknemers uit derde landen aan te trekken door middel van instrumenten zoals de Europese blauwe kaart, en op die manier een diversere beroepsbevolking tot stand te brengen; |
|
6 bis) |
arbeidsmobiliteit in de hele Unie aan te moedigen en te ondersteunen, en vacatures te publiceren via het Eures-netwerk; |
|
7) |
nauwere coördinatie en uitwisseling van beste praktijken en knowhow tussen de lidstaten en binnen de particuliere sector om de beschikbaarheid van vaardigheden op het gebied van nettonultechnologieën te verbeteren, onder meer door bij te dragen aan beleid van de Unie en de lidstaten op het gebied van het aantrekken van nieuw talent uit derde landen en van alle onderwijsniveaus . |
Hoofdstuk VI
Innovatie
Artikel 26
Testomgevingen voor nettonultechnologie
-1. Uiterlijk ... [drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] wijzen de lidstaten één nationale bevoegde instantie aan, of richten deze op, die verantwoordelijk is voor de testomgevingen voor nettonultechnologie. Deze instantie is het centrale aanspreekpunt voor alle groepen van organisaties die willen verzoeken om het opzetten van een testomgeving voor nettonultechnologie overeenkomstig dit artikel.
1. De lidstaten kunnen , in voorkomend geval samen met regionale en lokale autoriteiten en met andere lidstaten, op eigen initiatief testomgevingen voor nettonultechnologie opzetten, die het mogelijk maken innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën te ontwikkelen, te testen en te valideren in een gecontroleerde omgeving onder reële omstandigheden en gedurende een beperkte periode, alvorens zij in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, zodat het leren op regelgevingsgebied en het potentieel voor opschaling en bredere toepassing worden verbeterd. De lidstaten richten in nauwe samenwerking met de sector, onderzoeksinstellingen en, in voorkomend geval, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld testomgevingen voor nettonultechnologie op, overeenkomstig lid 1, op het verzoek van elk bedrijf dat innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën ontwikkelt en voldoet aan de in lid 4, punt a), bedoelde toelatings- en selectiecriteria en dat door de bevoegde instanties is geselecteerd na de in lid 4, punt b), bedoelde selectieprocedure.
2. De modaliteiten en de voorwaarden voor de inrichting en werking van de testomgevingen voor nettonultechnologie in het kader van deze verordening worden vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. De modaliteiten en voorwaarden zijn, voor zover mogelijk, gericht op flexibiliteit voor de nationale bevoegde instanties om hun testomgevingen voor nettonultechnologie naar eigen invulling op te zetten en te gebruiken, innovatie en leren op regelgevingsgebied te bevorderen en met name rekening te houden met de bijzondere omstandigheden en capaciteiten van deelnemende kmo’s en van start-ups. De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen bevatten gemeenschappelijke kernbeginselen met betrekking tot de volgende punten:
|
a) |
geschiktheid en selectie voor deelname aan de testomgevingen voor nettonultechnologie; |
|
b) |
procedures voor het aanvragen van toelating tot, de deelname aan, monitoring van, het verlaten van en de beëindiging van de testomgevingen voor nettonultechnologie, met inbegrip van het plan voor die testomgeving en het eindverslag; |
|
c) |
de voorwaarden die van toepassing zijn op de deelnemers. |
3. Deelname aan de testomgevingen voor nettonultechnologie doet geen afbreuk aan de toezichts- en corrigerende bevoegdheden van de autoriteiten die toezicht houden op de testomgeving. Het testen, ontwikkelen en valideren van innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën vindt plaats onder direct toezicht en directe begeleiding van de bevoegde instanties. De bevoegde instanties oefenen hun toezichtbevoegdheden op flexibele wijze uit binnen de grenzen van de desbetreffende wetgeving, door bestaande regelgevingspraktijken aan te passen en gebruik te maken van hun discretionaire bevoegdheden bij de uitvoering en handhaving van wettelijke bepalingen voor een specifieke testomgeving voor nettonultechnologie, met als doel belemmeringen weg te nemen, de regeldruk te verlichten, onzekerheid over de regelgeving te verminderen en innovatie op het gebied van nettonultechnologieën te ondersteunen.
4. Indien dit relevant is voor de verwezenlijking van de doelstelling van dit artikel, overwegen de bevoegde instanties afwijkingen of vrijstellingen toe te staan voor zover dit op grond van het toepasselijke Unierecht of nationale recht mogelijk is. De bevoegde instanties zorgen ervoor dat het plan voor de testomgeving waarborgt dat de belangrijkste doelstellingen en essentiële eisen van de EU- en nationale wetgeving worden nageleefd. De bevoegde instanties zorgen ervoor dat alle significante risico’s voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu die bij de ontwikkeling en het testen van innovatieve nettonultechnologieën en andere innovatieve technologieën aan het licht zijn gekomen, openbaar bekend worden gemaakt en dat de ontwikkelings- en testprocedure onmiddellijk wordt opgeschort totdat dat risico is beperkt. Wanneer de bevoegde instanties van oordeel zijn dat het voorgestelde project uitzonderlijke risico’s voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, de bevolking in het algemeen of het milieu met zich meebrengt, met name omdat het gaat om tests, ontwikkeling of validering waarbij bijzonder giftige stoffen betrokken zijn, keuren zij het plan voor de testomgeving pas goed wanneer zij ervan overtuigd zijn dat passende waarborgen zijn ingesteld die in verhouding staan tot het vastgestelde uitzonderlijke risico.
5. De instanties mogen met betrekking tot de nettonultechnologie die in de testomgeving wordt bestudeerd geen administratieve boetes of andere sancties voor inbreuken op de toepasselijke wetgeving van de Unie of de lidstaten opleggen aan deelnemers die het overeenkomstig dit artikel vastgestelde en in lid 2 genoemde plan voor de testomgeving en de voorwaarden voor hun deelname daaraan naleven en te goeder trouw de richtsnoeren van de instanties opvolgen.
6. Deelnemers aan de testomgeving voor innovatieve nettonultechnologieën blijven aansprakelijk overeenkomstig toepasselijke aansprakelijkheidswetgeving van de Unie en de lidstaten voor aan derden toegebrachte schade als gevolg van tests die zich in de testomgeving plaatsvinden.
7. De duur van de testomgeving voor nettonultechnologie kan met instemming van de nationale bevoegde instantie volgens dezelfde procedure worden verlengd.
8. De testomgevingen voor nettonultechnologie worden zo vormgegeven en uitgevoerd dat zij, waar relevant, de grensoverschrijdende samenwerking tussen de nationale bevoegde instanties vergemakkelijken. De lidstaten die testomgevingen voor nettonultechnologie hebben opgezet, gebruiken het platform voor nettonultechnologie in Europa om de activiteiten daarvan te coördineren en samen te werken met het oog op het delen van relevante informatie. Zij brengen jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de resultaten van de tests in testomgevingen, met inbegrip van goede praktijken, geleerde lessen en aanbevelingen over het opzetten van die testomgevingen, en voor zover relevant, over de toepassing van deze verordening en andere Uniewetgeving binnen de testomgeving op een op die testomgeving afgestemde wijze.
Artikel 26 bis
Innovatie ter bevordering van het concurrentievermogen en de decarbonisatie
De maatregelen in deze afdeling hebben tot doel de innovatie op het gebied van energietechnologieën binnen de Unie te versnellen, teneinde de uitrol van die technologieën te versnellen om de inspanningen van de Unie op het gebied van decarbonisatie te bevorderen en het mondiale concurrentievermogen van de nettonulindustrie van de Unie te vergroten, teneinde de open strategische autonomie van de Unie veilig te stellen door de uitvoer van die technologieën alsmede de interne voorziening te vergroten.
Artikel 26 ter
Innovatiebeginsel
Onverminderd haar bevoegdheden uit hoofde van de Verdragen en in overeenstemming met haar richtsnoeren voor betere regelgeving van 3 november 2021 past de Commissie het innovatiebeginsel toe, zoals beschreven in instrument voor betere regelgeving #22 en in de mededeling van de Commissie van 15 mei 2018 getiteld “Een vernieuwde Europese agenda voor onderzoek en innovatie – de kans om de toekomst van Europa vorm te geven”, bij de opstelling van nieuwe rechtshandelingen van de Unie en bij de evaluatie en herziening van bestaande rechtshandelingen van de Unie, teneinde ervoor te zorgen dat het regelgevingskader voor de interne markt innovatie bevordert en ondersteunt.
Artikel 26 quater
Raad voor het SET-plan
1. Met het oog op de vaststelling en uitvoering van het in artikel 26 quinquies bedoelde SET-plan richt de Commissie een raad voor het SET-plan op. De raad voor het SET-plan is verantwoordelijk voor de strategische koers en de algemene besluiten met betrekking tot het SET-plan en de uitvoering daarvan, waaronder het besluit over de op te nemen technologieën.
2. De raad voor het SET-plan is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie. De raad wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. De industrie en de onderzoekswereld worden structureel en permanent bij de activiteiten van de raad betrokken.
3. Elke lidstaat wijst een vertegenwoordiger op hoog niveau in de raad voor het SET-plan aan. Indien dit relevant is voor de functie en de deskundigheid, kan een lidstaat meer dan één vertegenwoordiger hebben met betrekking tot verschillende taken in verband met de werkzaamheden van de raad voor het SET-plan. Elk lid van de raad voor het SET-plan heeft een plaatsvervanger.
4. De raad voor het SET-plan stelt zijn reglement van orde vast bij gewone meerderheid van zijn leden, op basis van een voorstel van de Commissie.
5. De raad voor het SET-plan komt op gezette tijden bijeen om ervoor te zorgen dat hij zijn taken, zoals gespecificeerd in deze verordening, doeltreffend uitvoert. Indien nodig komt de raad voor het SET-plan bijeen op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie of van een gewone meerderheid van zijn leden.
6. De Commissie staat de raad voor het SET-plan bij door middel van een uitvoerend secretariaat, dat technische en logistieke ondersteuning biedt.
7. De raad voor het SET-plan kan permanente of tijdelijke subgroepen oprichten die zich bezighouden met specifieke kwesties en taken.
8. De raad voor het SET-plan nodigt vertegenwoordigers van het Europees Parlement uit om als waarnemers deel te nemen aan zijn vergaderingen, met inbegrip van de vergaderingen van de in lid 7 bedoelde permanente of tijdelijke subgroepen.
9. Indien passend kan de raad voor het SET-plan of de Commissie deskundigen en andere derden uitnodigen om vergaderingen van de raad en subgroepen bij te wonen of schriftelijke bijdragen te leveren.
10. De raad voor het SET-plan treft de nodige maatregelen om te waarborgen dat vertrouwelijke en commercieel gevoelige informatie veilig wordt behandeld en verwerkt.
11. De raad voor het SET-plan stelt alles in het werk om tot een consensus te komen.
Artikel 26 quinquies
Strategisch plan voor energietechnologie
1. Uiterlijk op ... [drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de in artikel 26 quater bedoelde raad voor het SET-plan een strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) vast. Het doel van het SET-plan is te zorgen voor een focus op en coördinatie tussen verschillende financieringsregelingen en -bronnen op Unie-, nationaal en subnationaal niveau en de ontwikkeling te ondersteunen van klimaatneutrale energietechnologieën, en te zorgen voor strategische afstemming op prioriteiten voor onderzoek, innovatie en toepassing van schone-energietechnologieën.
2. In het SET-plan worden de energietechnologieën geïdentificeerd die van strategisch belang zijn voor de Unie, rekening houdend met hun bijdrage aan de doelstellingen van de Unie inzake klimaatneutraliteit en aan het industriële concurrentievermogen van de Unie, en waarvoor onderzoeks- en innovatieactiviteiten nodig zijn om de maturiteit te bereiken die nodig is voor een volledige inzet op grote schaal.
3. De in artikel 26 quater bedoelde raad voor het SET-plan is verantwoordelijk voor de uitvoering van het SET-plan. Voor de uitvoering van het SET-plan stelt de Commissie de lijst van in het SET-plan geïdentificeerde technologieën vast door middel van een uitvoeringshandeling volgens de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.
4. Onder het gezag van de raad voor het SET-plan en met een grote betrokkenheid van de relevante sectoren, met inbegrip van de onderzoekssector, worden onderzoeks- en innovatieagenda’s ontwikkeld voor elk van de in het SET-plan geïdentificeerde energietechnologieën. Deze agenda’s vormen de basis voor de coördinatie tussen de Unie en de lidstaten met betrekking tot de financiering van de in de agenda geïdentificeerde activiteiten en met betrekking tot de voor die technologieën benodigde technologische infrastructuur. Deze agenda’s worden door de raad voor het SET-plan bekrachtigd.
5. De Commissie brengt regelmatig bij de Raad en het Europees Parlement verslag uit over de vooruitgang die met het SET-plan wordt geboekt. Het SET-plan wordt binnen 18 maanden na elke verkiezing voor het Europees Parlement geëvalueerd en zo nodig herzien.
Artikel 27
Maatregelen voor kmo’s en start-ups
1. De lidstaten:
|
a) |
bieden kmo’s prioritaire toegang tot de testomgevingen voor innovatieve nettonultechnologieën, voor zover die aan de in artikel 26 vastgestelde voorwaarden voor toelating voldoen; |
|
b) |
organiseren bewustmakingsactiviteiten over de deelname aan testomgevingen door kmo’s ; |
|
c) |
zetten indien passend een speciaal communicatiekanaal op om contact te onderhouden met kmo’s om richtsnoeren te verstrekken en vragen over de uitvoering van artikel 26 te beantwoorden. |
2. De lidstaten houden rekening met de specifieke belangen en behoeften van kmo’s en verlenen passende administratieve ondersteuning om ze in staat te stellen deel te nemen aan testomgevingen. Onverminderd de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU moeten de lidstaten kmo’s informeren over de voor hun activiteiten in de testomgevingen beschikbare financiële steun.
2 bis. Dit artikel is van toepassing op start-ups.
Hoofdstuk VII
Governance
Artikel 28
Oprichting en taken van het platform voor nettonultechnologie in Europa
1. Het platform voor nettonultechnologie in Europa (“het platform”) wordt hierbij opgericht.
2. Het platform voert de in deze verordening vastgestelde taken uit.
3. Het platform kan de Commissie en de lidstaten adviseren en bijstaan met betrekking tot hun acties om de in ▌deze verordening bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, waarbij rekening wordt gehouden met de uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1999 (53) ingediende nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten.
4. De Commissie en de lidstaten coördineren binnen het platform ▌en stemmen ook af met relevante derde landen om de wereldwijde toepassing van nettonultechnologieën te helpen bevorderen , samen te werken aan de ontwikkeling van innovatieve nettonultechnologieën en de rol van de industriële capaciteiten van de Unie bij het effenen van de weg voor de wereldwijde transitie naar schone energie te ondersteunen, in overeenstemming met de algemene doelstellingen van deze verordening die voortvloeien uit artikel 1 van deze verordening. Het platform ▌:
|
a) |
bespreekt met de Commissie en de lidstaten hoe de samenwerking , de knowhow en het delen van technologie in de nettonulwaardeketen tussen de Unie en derde landen kunnen worden verbeterd en bevorderd, en doet de Commissie en de lidstaten waar nodig hiervoor aanbevelingen ; |
|
a bis) |
bespreekt met de Commissie hoe ervoor kan worden gezorgd dat deze verordening aansluit bij en afgestemd is op andere EU-initiatieven of tijdelijke regelingen die onder het industrieel plan voor de Green Deal vallen, en doet de Commissie waar nodig hiervoor aanbevelingen; |
|
a ter) |
monitort de vooruitgang in de waardeketens voor nettonultechnologie, volgt technologische en industriële veranderingen en brengt strategische waardeketens in kaart die in de toekomst kunnen opkomen; |
|
a quater) |
monitort de tijdige aanmelding van staatssteun door de lidstaten en de goedkeuring daarvan door de Commissie; |
|
a quinquies) |
monitort verzoeken om toegang tot subsidies uit EU-fondsen en -programma’s voor doeleinden die verband houden met deze verordening en doet waar nodig aanbevelingen om de procedure te coördineren, versnellen en vergemakkelijken; |
|
a sexies) |
beoordeelt de investerings- en financieringsbehoeften, verstrekt richtsnoeren voor de ontwikkeling van vaardigheden en bespreekt beste praktijken met betrekking tot de uitvoering van hoofdstuk II, afdeling I, en de artikelen 12 en 13, en het versnellen van de termijnen voor het verlenen van vergunningen; |
|
b) |
bespreekt met de Commissie hoe niet-tarifaire handelsbelemmeringen kunnen worden aangepakt, bijvoorbeeld door wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen of door af te spreken om uitvoerbeperkingen te vermijden , en doet de Commissie waar nodig hiervoor aanbevelingen ; |
|
c) |
doet de Commissie aanbevelingen met betrekking tot de derde landen die prioriteit moeten krijgen bij het sluiten van industriële partnerschappen voor nettonul, waarbij het volgende wordt meegewogen:
|
|
c bis) |
evalueert handelsbeschermingsinstrumenten waarmee eventuele maatregelen van derde landen kunnen worden tegengegaan die de in artikel 1 vastgestelde doelstellingen in gevaar kunnen brengen; |
5. De lidstaten ondersteunen de Commissie bij de uitvoering van de in het industriële partnerschap voor nettonul vastgestelde maatregelen betreffende samenwerking. Industriële partnerschappen voor nettonul hebben tot doel de handel tussen de deelnemers te vergemakkelijken, onder meer door de nodige investeringen binnen de Unie en in derde landen te bevorderen, de veerkracht en duurzaamheid van de ondersteunende waardeketens te vergroten en een gelijk speelveld te verzekeren.
5 bis. Het platform beoordeelt regelmatig en ten minste eenmaal per jaar het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrieën die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen en beveelt maatregelen aan om het concurrentievermogen te verbeteren.
5 ter. Uiterlijk ... [drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en nadien om de drie maanden verstrekt de Commissie het platform, alsmede de adviesgroep voor de nettonulindustrie en de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake toetsing en regeldruk een verslag over de uitvoering van een concurrentievermogenstoets. In het verslag wordt uiteengezet welke wetgevingsvoorstellen zijn ingediend in de drie maanden waarop het verslag betrekking heeft, hoe de concurrentievermogenstoets is toegepast bij het opstellen van die voorstellen en welke wijzigingen in die voorstellen zijn aangebracht om ervoor te zorgen dat zij geen onnodige schade toebrengen aan het concurrentievermogen van de Unie. Ten minste tweemaal per jaar, op basis van de input van de adviesgroep voor de nettonulindustrie, bespreekt het platform de uitvoering van de concurrentievermogenstoets.
5 quater. Het platform overlegt regelmatig met het forum op hoog niveau voor normalisatie om het gebruik van normalisatie te bespreken ter ondersteuning van de ontwikkeling van nettonultechnologieën in Europa.
Artikel 29
Structuur en werking van het platform voor nettonultechnologie in Europa
1. Het platform is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten , de Commissie en het Europees Parlement . Het platform wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.
2. Elke lidstaat en het Europees Parlement benoemen een vertegenwoordiger op hoog niveau voor het platform. Indien dit relevant is voor de functie en de deskundigheid, kunnen de lidstaten en het Europees Parlement meer dan één vertegenwoordiger hebben met betrekking tot verschillende taken in verband met de werkzaamheden van het platform. Elk lid van het platform heeft een plaatsvervanger.
3. Het platform stelt zijn reglement van orde vast bij gewone meerderheid van zijn leden, op basis van een voorstel van de Commissie.
4. Het platform komt op gezette tijden bijeen om ervoor te zorgen dat het zijn taken, zoals gespecificeerd in deze verordening, doeltreffend uitvoert. Indien nodig komt het platform bijeen op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie of van een gewone meerderheid van zijn leden.
5. De Commissie staat het platform bij door middel van een uitvoerend secretariaat, dat technische en logistieke ondersteuning biedt.
6. Het platform kan permanente of tijdelijke subgroepen oprichten die zich bezighouden met specifieke vragen en taken.
Het platform richt ten minste de volgende permanente subgroepen op:
|
a) |
een subgroep om de financiële behoeften en knelpunten van strategische nettonulprojecten en potentiële beste praktijken te bespreken, met name om grensoverschrijdende toeleveringsketens in de Unie te ontwikkelen, en om de financiering voor strategische nettonulprojecten te coördineren; |
|
b) |
een subgroep om de uitvoering van de bepalingen uit hoofde van de artikelen 6, 7 en 8 te bespreken; |
|
c) |
een subgroep om de in artikel 28 bedoelde industriële partnerschappen voor nettonul te bespreken en te coördineren, waarbij wordt gezorgd voor samenwerking met andere relevante coördinatiefora; |
|
d) |
een subgroep om te zorgen voor een goede uitvoering van de Europese academies voor nettonultechnologie overeenkomstig hoofdstuk V; |
|
e) |
een speciale subgroep voor testomgevingen voor nettonultechnologie zoals bedoeld in artikel 26, om de mogelijke overloopeffecten hiervan in heel de Unie te maximaliseren door grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen en het risico van markt- en concurrentieverstoring te beperken; |
6 bis. Het platform komt ten minste eenmaal per jaar bijeen met de in artikel 26 quater bedoelde raad voor het SET-plan om de strategische afstemming van de uitvoering van deze verordening op het SET-plan te bespreken.
▌
7 bis. Het platform richt een adviesgroep voor de nettonulindustrie op. De adviesgroep voor de nettonulindustrie bestaat uit vertegenwoordigers van industriële sectoren die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Ten minste een derde van de leden van de adviesgroep is afkomstig van of vertegenwoordigt kmo’s. De adviesgroep voor de nettonulindustrie doet op eigen initiatief of op verzoek van het platform aanbevelingen aan het platform. De adviesgroep voor de nettonulindustrie faciliteert de interactie tussen het platform en overleg- of adviesorganen die in het kader van het industriebeleid van de Unie zijn opgericht.
8. Indien passend nodigt het platform of de Commissie deskundigen die de industrie, het maatschappelijk middenveld, de academische wereld, vakbonden en andere derden vertegenwoordigen, uit om vergaderingen van het platform en subgroepen bij te wonen of schriftelijke bijdragen te leveren.
9. Het platform neemt de nodige maatregelen om de veilige behandeling en verwerking van vertrouwelijke en commercieel gevoelige informatie te waarborgen.
10. Het platform stelt alles in het werk om tot consensus te komen.
11. Het platform coördineert en werkt samen met bestaande industriële allianties en nodigt deze uit om zijn vergaderingen, waaronder die van de in lid 6 van dit artikel bedoelde permanente of tijdelijke subgroepen, bij te wonen om verslag uit te brengen over de status van en aanbevelingen te doen met betrekking tot de in lid 1 bepaalde doelstellingen .
Artikel 29 bis
Europese wetenschappelijke adviesraad inzake toetsing en regeldruk
1. Hierbij wordt een Europese wetenschappelijke adviesraad inzake toetsing en regeldruk opgericht (“wetenschappelijke adviesraad”).
2. De wetenschappelijke adviesraad bestaat uit 15 vooraanstaande wetenschappelijke deskundigen uit een breed scala aan relevante disciplines. De leden van de wetenschappelijke adviesraad moeten voldoen aan de criteria van lid 4.
3. Niet meer dan twee leden van de wetenschappelijke adviesraad mogen de nationaliteit van eenzelfde lidstaat bezitten. De onafhankelijkheid van de leden van de wetenschappelijke adviesraad moet boven iedere twijfel verheven zijn.
4. De leden van de wetenschappelijke adviesraad worden benoemd voor een termijn van vier jaar, die eenmaal kan worden verlengd na een open, eerlijke en transparante selectieprocedure. De selectie van leden berust op de volgende criteria:
|
a) |
wetenschappelijke excellentie; |
|
b) |
ervaring met het verrichten van wetenschappelijke beoordelingen en met het verlenen van wetenschappelijk advies op de expertisegebieden; |
|
c) |
deskundigheid op het gebied van openbaar bestuur of andere gebieden die van belang zijn voor de taken van de raad; |
|
d) |
beroepservaring in een interdisciplinaire omgeving in een internationale context. |
5. De leden van de wetenschappelijke adviesraad worden op persoonlijke titel benoemd en geven hun standpunten volledig onafhankelijk van de lidstaten en de instellingen van de Unie. De wetenschappelijke adviesraad kiest zijn voorzitter uit zijn leden voor een periode van vier jaar en stelt zijn reglement van orde vast.
6. De wetenschappelijke adviesraad ondersteunt de werkzaamheden van de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten, en vervult zijn taken op onafhankelijke wijze door schriftelijke adviezen uit te brengen over:
|
a) |
de regelgevingseffecten en regeldruk van bestaande Uniewetgeving; |
|
b) |
de regelgevingseffecten en regeldruk van bestaande gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; alsmede |
|
c) |
de bestaande wetgeving van de lidstaten tot omzetting van de richtlijnen van de Unie. |
7. De wetenschappelijke adviesraad stelt zijn jaarlijks werkprogramma zelfstandig vast, na raadpleging van de Commissie. De voorzitter van de wetenschappelijke adviesraad informeert de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten over de inhoud en uitvoering van zijn jaarlijks programma. De wetenschappelijke adviesraad kan op verzoek van het Europees Parlement, een individueel lid van de Commissie of individuele lidstaten of op een met redenen omkleed verzoek van een belanghebbende advies uitbrengen over de regelgevingseffecten en regeldruk van wetgeving van de Unie die zich in de ontwerp- of in de besluitvormingsfase bevindt.
8. De in lid 5 bedoelde schriftelijke adviezen worden gedeeld met het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten, en worden openbaar gemaakt.
9. De Commissie verzorgt het secretariaat van de wetenschappelijke adviesraad.
Artikel 30
Koppeling met de nationale energie- en klimaatplannen
De lidstaten verstrekken gedetailleerde informatie over de maatregelen die zij voornemens zijn te nemen ter uitvoering van de doelstelling van deze verordening in hun nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan, die worden ingediend overeenkomstig de artikelen 3, 9 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999, met name wat betreft de dimensie “onderzoek, innovatie en concurrentievermogen” van de energie-unie, en bij de indiening van hun tweejaarlijkse voortgangsverslagen overeenkomstig artikel 17 van die verordening. Met name identificeren de lidstaten maatregelen ter bevordering van onderzoek, ontwikkeling en innovatie om de doelstellingen van deze verordening te realiseren.
Hoofdstuk VIII
Monitoring
Artikel 31
Monitoring
1. De Commissie monitort doorlopend:
|
a) |
de vooruitgang van de Unie met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde doelstellingen van de Unie, en het daarmee samenhangende effect van deze verordening; |
|
b) |
de vorderingen bij het bereiken van de in artikel 16 genoemde EU-doelstelling voor CO2-injectiecapaciteit. |
|
b bis) |
de toereikendheid van de administratieve capaciteit van de lidstaten om hun verplichtingen in het kader van deze verordening na te komen. |
2. De lidstaten en de nationale instanties die zij daarvoor aanwijzen, verzamelen en verstrekken de krachtens lid 1, punten a) en b), vereiste gegevens en andere bewijsstukken. Meer specifiek verzamelen zij en brengen zij jaarlijks bij de Commissie verslag uit over gegevens met betrekking tot:
|
a) |
ontwikkelingen op het gebied van nettonultechnologie en markttendensen, met inbegrip van gemiddelde investeringskosten en productiekosten, en marktprijzen voor de respectieve nettonultechnologieën; |
|
b) |
de productiecapaciteit voor nettonultechnologie en aanverwante activiteiten, met inbegrip van gegevens over werkgelegenheid en vaardigheden en de vooruitgang bij de verwezenlijking van de in overweging 13 genoemde doelstellingen voor 2030; |
|
c) |
de waarde en het volume van de invoer in de Unie en de uitvoer naar landen buiten de Unie van nettonultechnologieën; |
|
c bis) |
het aantal kmo’s dat deelneemt aan projecten voor de productie van nettonultechnologie; |
|
d) |
de gemiddelde duur van de vergunningsprocedures uit hoofde van deze verordening; |
|
e) |
de soorten en aantallen vergunningen die in de afgelopen 12 maanden op nationaal niveau zijn verleend; |
|
f) |
het aantal vergunningverleningsprocessen dat in de afgelopen 12 maanden is voltooid, vastgelopen of geannuleerd en, in geval van onderbreking of annulering, de soorten belemmeringen die zich hebben voorgedaan; |
|
g) |
het aantal testomgevingen dat in de afgelopen 12 maanden is opgezet; |
|
h) |
de hoeveelheid CO2 die permanent ondergronds wordt opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG; |
3. De gegevens omvatten ten minste de informatie die wordt gevraagd in de mededeling van de Commissie over richtsnoeren voor de lidstaten voor de actualisering van de nationale energie- en klimaatplannen voor 2021-2030.
4. Het eerste verslag wordt door elke lidstaat uiterlijk eind mei van het jaar volgend op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aan de Commissie toegezonden. De volgende verslagen worden uiterlijk eind mei van elk daaropvolgende jaar toegezonden.
5. De lidstaten geven daarnaast de overeenkomstig lid 2 van dit artikel verkregen gegevens door aan de nationale bureaus voor de statistiek en aan Eurostat met het oog op de samenstelling en publicatie van statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (54). De lidstaten wijzen de nationale instantie aan die verantwoordelijk is voor de toezending aan de nationale bureaus voor de statistiek en Eurostat van de gegevens.
6. Op basis van de overeenkomstig lid 2 van dit artikel ingediende verslagen monitort de Commissie de vooruitgang van de Unie als bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel en publiceert zij jaarlijks aanbevelingen in dat verband als onderdeel van de jaarverslagen over het concurrentievermogen van schone-energietechnologieën, overeenkomstig artikel 35, lid 2, punt m), van Verordening (EU) 2018/1999.
7. Op basis van de overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2009/31/EG ingediende aanvragen voor ontwerp-vergunning en de overeenkomstig de artikelen 17, lid 2, en artikel 18, leden 4 en 6, van deze verordening ingediende verslagen monitort de Commissie de vooruitgang bij het bereiken van de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde EU-doelstelling voor CO2-injectiecapaciteit en brengt zij hierover jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Hiertoe zet de Commissie een publiek toegankelijke databank op met alle beschikbare gegevens over CO2-opslag in de Unie, om een beter beeld te krijgen van de opslaglocaties voor CO2 en de voortgang te monitoren bij de verwezenlijking van de in artikel 16 vastgestelde algemene doelstelling.
7 bis. Op basis van de in artikel 16, alinea 2, en artikel 18, lid 4, bedoelde verslagen die door de in artikel 18, lid 1, bedoelde entiteiten worden ingediend, beoordeelt de Commissie uiterlijk op 31 januari 2025 de doeltreffendheid van deze verordening en doet hiervan een verslag toekomen aan het Europees Parlement en de Raad, indien nodig vergezeld van een herzieningsvoorstel.
Hoofdstuk IX
Slotbepalingen
▌
Artikel 33
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 1, lid 3, artikel 3, lid 2, en artikel 18, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van [de datum van toepassing]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 3, artikel 3, lid 2, en artikel 18, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 1, lid 3, artikel 3, lid 2, of artikel 18, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 34
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 4 van toepassing.
Artikel 35
Evaluatie
1. Voor ... [drie jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening] en vervolgens om de drie jaar stelt de Commissie een evaluatie van deze verordening op en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
2. Bij de evaluatie wordt beoordeeld of de doelstellingen van deze verordening, zoals vastgesteld in artikel 1, zijn verwezenlijkt en wat het effect ervan is op zakelijke gebruikers, met name kmo’s, en eindgebruikers, en op de doelstellingen van de Europese Green Deal.
3. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de resultaten van het in artikel 31 omschreven monitoringproces.
4. De bevoegde instanties van de lidstaten verstrekken de Commissie alle hun ter beschikking staande informatie die de Commissie nodig kan hebben voor het opstellen van het in lid 1 bedoelde verslag.
Artikel 36
Verwerking van vertrouwelijke informatie
1. Informatie die bij de uitvoering van deze verordening wordt verkregen, wordt alleen gebruikt voor de toepassing van deze verordening en is beschermd door de toepasselijke Unie- en nationale wetgeving.
2. De lidstaten en de Commissie waarborgen de bescherming van handels- en bedrijfsgeheimen en andere gevoelige, vertrouwelijke en gerubriceerde informatie die bij de toepassing van deze verordening is verkregen en opgesteld, met inbegrip van aanbevelingen en te nemen maatregelen, overeenkomstig het Unierecht en het toepasselijke nationale recht.
3. De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat op grond van deze verordening verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie geen lagere rubriceringsgraad krijgt of gederubriceerd wordt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller.
4. Indien een lidstaat van oordeel is dat de openbaarmaking van geaggregeerde informatie in het kader van artikel 18 zijn nationale veiligheidsbelangen echter in gevaar kan brengen, kan hij door middel van een onderbouwde kennisgeving bezwaar maken tegen de openbaarmaking van die informatie door de Commissie.
5. De Commissie en de nationale instanties, hun ambtenaren, werknemers en andere personen die onder hun toezicht werken, waarborgen de vertrouwelijkheid van de informatie die zij bij de uitvoering van hun taken en activiteiten verkrijgen. Deze verplichting geldt ook voor alle vertegenwoordigers van de lidstaten, waarnemers, deskundigen en andere deelnemers die overeenkomstig artikel 29 vergaderingen van het platform bijwonen.
Artikel 37
Wijziging van Verordening (EU) 2018/1724
Verordening (EU) 2018/1724 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In bijlage I wordt in de eerste kolom een nieuwe rij “R. Projecten voor de productie van nettonultechnologie:” toegevoegd. |
|
2) |
In bijlage I worden in de tweede kolom, in de rij “R. Projecten voor de productie van nettonultechnologie:”, de volgende punten toegevoegd:
|
|
3) |
In bijlage II wordt in de eerste kolom een nieuwe rij “Projecten voor de productie van nettonultechnologie:” toegevoegd. |
|
4) |
In bijlage II worden in de tweede kolom, in de rij “Projecten voor de productie van nettonultechnologie”, de volgende punten toegevoegd: “Procedures voor alle relevante administratieve vergunningen voor het plannen, opbouwen, uitbreiden en exploiteren van projecten voor de productie van nettonultechnologie, met inbegrip van alle vergunningen en milieubeoordelingen die in verband met de bouw, chemische stoffen en aansluiting op het net vereist zijn, en die alle administratieve aanvragen en procedures omvatten”. |
|
5) |
In bijlage II wordt in de derde kolom, in de rij “R. Projecten voor de productie van nettonultechnologie”, het volgende punt toegevoegd: “Alle outputs met betrekking tot de procedures, van de erkenning van de geldigheid van de aanvraag tot de kennisgeving van het raambesluit over het resultaat van de procedure door de verantwoordelijke nationale bevoegde instantie”. |
|
6) |
Aan bijlage III wordt het volgende punt toegevoegd:
|
Artikel 38
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op … [de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie].
Zij is van toepassing met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding]. Tot ... [2 jaar na de datum van toepassing van deze verordening] is artikel 19, lid 2, punten a), b) en c), alleen van toepassing op opdrachten die worden gesloten door aankoopcentrales als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 16), van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 2, lid 1, punt 12), van Richtlijn 2014/25/EU, en op opdrachten met een waarde gelijk aan of hoger dan 25 miljoen EUR.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
Voor de Raad
De voorzitter
(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0343/2023).
(*1) Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool aangegeven.
(2) PB C 349 van 29.9.2023, blz. 179.
(3) PB C, C/2023/254, van 26.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/254/oj
(4) Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 29.10.2016, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(6) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's “Fit for 55”: het EU-klimaatstreefdoel voor 2030 bereiken op weg naar klimaatneutraliteit, COM(2021)0550 van 14.7.2021.
(7) Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit als onderdeel van het “Fit for 55”-pakket.
(8) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “REPowerEU-plan”, COM(2022)0230 van 18.5.2022.
(9) Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13).
(10) Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 202).
(11) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
(12) Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114).
(13) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: EU-strategie voor zonne-energie, SWD(2022)0148 van 18.5.2022.
(14) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(15) Mededeling van de Commissie betreffende richtsnoeren aan de lidstaten voor het actualiseren van de nationale energie- en klimaatplannen voor de periode 2021-2030, 2022/C 495/02 (PB C 495 van 29.12.2022, blz. 24).
(16) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk, COM(2023)0062 van 1.2.2023.
(17) Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
(18) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(19) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(20) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten en tot intrekking van Richtlijn 2009/125/EG, COM(2022)0142 van 30.3.2022.
(21) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020, COM(2020)0798 van 10.12.2020.
(22) Besluit 2014/115/EU van de Raad van 2 december 2013 betreffende de sluiting van het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (PB L 68 van 7.3.2014, blz. 1).
(23) Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2022 over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit derde landen tot de aanbestedings- en concessiemarkten van de Unie en procedures ter ondersteuning van onderhandelingen over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie tot de aanbestedings- en concessiemarkten van derde landen (Instrument voor internationale overheidsopdrachten – IIO) (PB L 173 van 30.6.2022, blz. 1).
(24) Mededeling van de Commissie: Richtsnoeren voor de deelname van inschrijvers en goederen uit derde landen aan de aanbestedingsmarkt van de EU, Brussel, 24.7.2019, C(2019)5494.
(25) Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1).
(26) Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).
(27) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: EU-strategie voor zonne-energie, COM(2022)0221 van 18.5.2022.
(28) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(29) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (Voor de EER relevante tekst) (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(30) Verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (PB L 330 van 23.12.2022, blz. 1).
(31) Commission Staff Working Document Identifying Europe's recovery needs Accompanying the document Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions - Europe's moment: Repair and Prepare for the Next Generation, SWD(2020)0098, Identifying Europe's recovery needs, 27.5.2020.
(32) Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1755 en Richtlijn 2003/87/EG (PB L 63 van 28.2.2023, blz. 1).
(33) Mededeling van de Commissie: Richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen in het kader van REPowerEU 2023/C 80/01, (PB C 80 van 3.3.2023, blz. 1).
(34) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
(35) Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159).
(36) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(37) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(38) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(39) Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1).
(40) Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).
(41) Resolutie van het Europees Parlement van 10 februari 2021 over het nieuwe actieplan voor de circulaire economie (2020/2077(INI)) (PB C 465 van 17.11.2021, blz. 11).
(42) Europese Commissie, directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, “The strategic energy technology (SET) plan”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2019, https://data.europa.eu/doi/10.2777/04888
(43) Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1).
(44) Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie ( PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33).
(45) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(46) Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
(47) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(48) Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1).
(49) Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3).
(50) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(51) Richtlijn 2018/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(52) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(53) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(54) Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4234/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)