|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/4211 |
24.7.2024 |
P9_TA(2023)0408
Ongelijkheid verminderen en sociale integratie bevorderen in tijden van crisis voor kinderen en de gezinnen waarin zij leven
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2023 over het verminderen van ongelijkheid en het bevorderen van sociale integratie in tijden van crisis voor kinderen en de gezinnen waarin zij leven (2023/2066(INI))
(C/2024/4211)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 14, 24, 32 en 33, |
|
— |
gezien de Europese pijler van sociale rechten en het bijbehorende actieplan (1), met zijn kerndoelen voor 2030 en het sociaal scorebord van de EU, |
|
— |
gezien de Verklaring van Porto van 8 mei 2021 en de hernieuwde toezeggingen op het Sociaal Forum van Porto 2023, |
|
— |
gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die in september 2015 in New York is aangenomen, |
|
— |
gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK), dat werd aangenomen op 20 november 1989 in New York, |
|
— |
gezien het VN-Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, dat werd aangenomen op 16 december 1966 in New York, |
|
— |
gezien het Europees Sociaal Handvest dat in 1961 in Turijn werd aangenomen, |
|
— |
gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat werd aangenomen op 13 december 2006 in New York, |
|
— |
gezien de resolutie van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 18 december 2019, |
|
— |
gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (2), |
|
— |
gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (3), |
|
— |
gezien de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2019 betreffende stelsels voor kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang (4), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 7 september 2022 over de Europese zorgstrategie (COM(2022)0440), de aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 over voor- en vroegschoolse educatie en opvang: de doelstellingen van Barcelona voor 2030 (5) en de aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 over toegang tot betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg (6), |
|
— |
gezien het rapport van het Unicef-onderzoekscentrum uit 2014 getiteld “Children of the Recession: The impact of the economic crisis on child well-being in rich countries”, |
|
— |
gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede (7), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen (8), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 29 april 2021 over de Europese kindergarantie (9), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 7 april 2022 over de EU-bescherming van kinderen en jongeren die vanwege de oorlog in Oekraïne op de vlucht zijn (10), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 5 juli 2022, getiteld “Naar gemeenschappelijke Europese maatregelen op het gebied van zorg” (11), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 5 oktober 2022 over de reactie van de EU op de stijgende energieprijzen in Europa (12), |
|
— |
gezien het Eurydice-verslag (2019) “Key data on early childhood education and care in Europe”, |
|
— |
gezien het verslag van Unicef (2020) “Innocenti Report Card 16. Worlds of Influence – Understanding what shapes child well-being in rich countries”, |
|
— |
gezien het jaarverslag van Unicef (2021) “Protecting child rights in a time of crises”, |
|
— |
gezien het jaarverslag van Unicef (2021) “Where do rich countries stand on childcare?”, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 24 maart 2021 getiteld “EU-strategie voor de rechten van het kind” (COM(2021)0142), |
|
— |
gezien het eindverslag van de Commissie van maart 2020 getiteld “Feasibility Study for a Child Guarantee”, |
|
— |
gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie (13), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2023 betreffende een alomvattende aanpak van geestelijke gezondheid (COM(2023)0298), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 7 oktober 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma” (COM(2020)0620), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Unie van gelijkheid: Strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101), |
|
— |
gezien de aanbeveling van de Raad van 30 januari 2023 over een toereikend minimuminkomen met het oog op actieve inclusie (14), |
|
— |
gezien het verslag van Eurochild (2022) “(In)visible children – Eurochild 2022 report on children in need across Europe”, |
|
— |
gezien het verslag van Save the Children (2023) “Guaranteeing Children’s Future – How COVID-19, cost-of-living and climate crises affect children in poverty and what governments in Europe need to do”, |
|
— |
gezien het verslag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en Unicef van 2021 getiteld “Child Labour: Global estimates 2020, trends and the road forward”, |
|
— |
gezien het verslag van de IAO en Unicef van 2023 getiteld “More than a billion reasons: The urgent need to build universal social protection for children”, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 11 mei 2022 getiteld “Een digitaal decennium voor kinderen en jongeren: de nieuwe Europese strategie voor een beter internet voor kinderen (BIK+)” (COM(2022)0212), |
|
— |
gezien artikel 54 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het advies van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0360/2023), |
|
A. |
overwegende dat de kwaliteit van de omgeving waar kinderen worden geboren en van hun leefruimten een beslissende invloed heeft op de kwaliteit van hun leven, hun gelijke kansen om gezond op te groeien, hun algehele ontwikkeling en de benutting van hun potentieel; overwegende dat in de First 1 000 Days-campagne van Unicef wordt gesteld dat het brein van een kind zich in de eerste levensjaren in een ongekend tempo ontwikkelt en een unieke kans biedt voor de fysieke, geestelijke, cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van het kind; overwegende ieder kind uniek is dat de bijzondere eigenschappen, het ontwikkelingstempo, de interessegebieden en behoeften van elk kind moeten worden geëerbiedigd; overwegende dat het belang van het kind het leidende beginsel moet zijn in alle acties waar kinderen gevolgen van ondervinden, zoals bepaald in het VRK; |
|
B. |
overwegende dat de blootstelling aan misbruik en verwaarlozing schadelijk is voor de ontwikkeling van een kind; overwegende dat ongelijkheid die op zeer jonge leeftijd is vastgesteld, de kansen, het welzijn en de gezondheid van kinderen negatief beïnvloedt; overwegende dat een dergelijke ongelijkheid op volwassen leeftijd een leven lang kan doorwerken en kinderen ervan kan weerhouden volledig tot ontplooiing te komen; overwegende dat het voorkomen van ongelijkheid de beste beleidsoptie is om ongelijkheid op lange termijn te verminderen; |
|
C. |
overwegende dat een gebrek aan toegankelijke, kwaliteitsvolle, op kinderen gerichte diensten en aan steun voor gezinnen het risico op kinderarmoede en sociale uitsluiting vergroot; overwegende dat gezinnen meerdere en onderling afhankelijke uitdagingen ondervinden die een dienst of organisatie niet alleen kan oplossen, zodat de continuïteit van diensten en een goede coördinatie tussen diensten van essentieel belang zijn om de overgangen voor kinderen voor te bereiden en te vergemakkelijken; |
|
D. |
overwegende dat in 2022 meer dan 19,995 miljoen kinderen (24,7 % of één op de vier kinderen) het risico liepen op armoede en sociale uitsluiting in de EU; overwegende dat, ondanks de verschillen, geen enkele lidstaat vrij is van kinderarmoede en sociale uitsluiting; overwegende dat dit risico in sommige lidstaten meer dan 30 % bedraagt; overwegende dat uit recente cijfers blijkt dat deze indicator in de afgelopen vier jaar is gestegen; overwegende dat liefdadigheidsorganisaties nog in 2022 een toename van het aantal verzoeken om steun van sociale diensten optekenden (15); |
|
E. |
overwegende dat in 2022 het percentage kinderen (jonger dan 18 jaar) in de EU dat het risico liep op armoede of sociale uitsluiting % hoger was dan dat van volwassenen, met 21,6; overwegende dat kinderen in 2022 in 18 van de 27 EU-lidstaten een groter risico liepen op armoede of sociale uitsluiting dan volwassenen; overwegende dat in 2022 meer dan een vijfde (22,4 %) van de EU-bevolking die deel uitmaakte van een huishouden met afhankelijke kinderen risico op armoede of sociale uitsluiting liep; overwegende dat in 2022 61,9 % van de kinderen met laagopgeleide ouders het risico liep op armoede en sociale uitsluiting, tegenover 10,2 % van de kinderen met hoogopgeleide ouders (16); |
|
F. |
overwegende dat kinderarmoede een multidimensionaal verschijnsel is dat voortvloeit uit gezinsarmoede, en dat bijgevolg gezinnen met een laag inkomen en een lagere opleiding, eenoudergezinnen – die meestal uit vrouwen en hun kinderen bestaan –, grote achtergestelde gezinnen, gezinnen in minder ontwikkelde regio’s, gezinnen met leden uit verschillende etnische minderheden en gezinnen met kinderen of ouders met een handicap, een groter risico op armoede en sociale uitsluiting lopen en een grotere kans op overdracht van armoede over meerdere generaties hebben; overwegende dat de herverdeling van rijkdom (via lonen en sociale overdrachten) een beslissende invloed heeft op sociale ongelijkheid, het risico op armoede en sociale uitsluiting, en bijgevolg op het risico op kinderarmoede; overwegende dat dit verschijnsel een multidimensionaal antwoord met een combinatie van algemene en gerichte maatregelen vereist om te voorkomen dat ongelijkheden elkaar wederzijds versterken; overwegende dat die antwoorden noodzakelijkerwijs gepaard moeten gaan met banencreatie, hoogwaardige, vaste banen moeten waarborgen en de sociale rechten, antidiscriminatiemaatregelen en gezins- en kinderbijslag moeten garanderen en versterken; overwegende dat de nationale kinderbijslag een essentiële maatregel is om behoeftige gezinnen te helpen en universele toegang tot hoogwaardige en betaalbare openbare diensten te garanderen; |
|
G. |
overwegende dat in 2022 16,8 % van de EU-bevolking in overvolle huishoudens woonde en 9,3 % niet in staat was hun huis voldoende te verwarmen; overwegende dat 8,3 % van de bevolking in de EU 40 % of meer van het besteedbare huishoudinkomen uitgaf aan huisvesting; |
|
H. |
overwegende dat in 2022 56 % van de mensen die deel uitmaakten van een eenoudergezin met afhankelijke kinderen in de EU niet in staat was onverwachte financiële uitgaven te dekken; overwegende dat eenoudergezinnen, met name eenoudergezinnen met alleenstaande moeders, meer risico hebben om in armoede te belanden of sociaal uitgesloten te worden (42,1 % tegenover 29,6 % in gezinseenheden met twee volwassenen en ten minste drie kinderen (17)); overwegende dat dit te wijten is aan de vervrouwelijking van de armoede, het feit dat vrouwen vaker dan mannen te maken hebben met onzekere arbeidsverhoudingen, slecht betaald werk en deeltijdwerk en dat de meeste zorgtaken op hun neerkomen, en aan de loonkloof tussen mannen en vrouwen; overwegende dat het verschil in de arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen in gezinnen zonder kinderen 1 % bedraagt; overwegende dat dit percentage 21 % bedraagt voor wie een kind heeft dat jonger is dan zes jaar, en stijgt tot 37 % voor wie drie kinderen heeft (18); |
|
I. |
overwegende dat kinderen die in armoede opgroeien of met sociale uitsluiting te maken krijgen, minder kans hebben om op school goed te presteren, een goede gezondheid te genieten en later in hun leven hun volledig potentieel te verwezenlijken; overwegende dat sociale investeringen in de eerste levensjaren van kinderen een aanzienlijk sociaal-economisch rendement opleveren, bijdragen aan het doorbreken van de cyclus van intergenerationele armoede en als zodanig niet als kosten mogen worden beschouwd; overwegende dat de economische impact van kinderarmoede en sociaal-economische nadelen, alsmede de gevolgen daarvan voor werkende volwassenen, jaarlijks worden geschat op 3,4 % van het bruto binnenlands product van de EU-landen; |
|
J. |
overwegende dat armoede en sociale uitsluiting verband houden met de migratie-, minderheids- of gehandicaptenstatus van kinderen en hun ouders; overwegende dat minderjarige migranten oververtegenwoordigd zijn in de groep die risico op armoede loopt; overwegende dat het niet hebben van een nationaliteit of identiteitsdocumenten het voor staatloze kinderen moeilijk maakt om toegang te krijgen tot enkele van de meest fundamentele rechten, zoals geboorteregistratie, onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid en huisvesting, en hen blootstelt aan een groter risico op misbruik en uitbuiting; overwegende dat in april 2023 bijna 4 miljoen niet-EU-burgers als gevolg van de Russische invasie Oekraïne waren ontvlucht naar een EU-lidstaat; |
|
K. |
overwegende dat bijna 83 % van de Roma-kinderen (19) in de EU in huishoudens woont die een risico op armoede lopen; overwegende dat een op de vijf Roma-kinderen in 2021 in een huishouden woonde zonder leidingwater in huis; overwegende dat het percentage Roma-kinderen dat te maken heeft met ernstige materiële deprivatie aanzienlijk hoger ligt dan het aandeel kwetsbare kinderen in de algemene bevolking; overwegende dat in 2022 zes op de tien Roma-kinderen geen toegang hadden tot hoogwaardige voor- en vroegschoolse diensten en dat vier op de tien Roma-gezinnen met kinderen jonger dan zes jaar geen subsidie of soortgelijke steun ontvingen; |
|
L. |
overwegende dat de gevolgen van de COVID-19-pandemie, de stijgende kosten van levensonderhoud en de oorlog in Oekraïne ertoe hebben geleid dat de economische en sociale kwetsbaarheden van kinderen en gezinnen met kinderen, met name de huishoudens met een laag en middeninkomen die het zwaarst zijn getroffen door de pandemie en eerdere crises, zijn verergerd; overwegende dat de huidige wereldwijde sociale en economische volatiliteit alsook de risico’s van de klimaatverandering de kans op het ontstaan van nieuwe crises vergroten; overwegende dat de anticyclische antwoorden op de recente crises een effectievere aanpak van armoede en sociale uitsluiting zijn gebleken dan de tijdens de crisis van 2008-2013 bepleite budgettaire consolidatiemaatregelen op basis van bezuinigingen; |
|
M. |
overwegende dat de COVID-19-pandemie de problemen van kinderen heeft verergerd als gevolg van de verstoring van het dagelijks leven en van de sociale contacten, de sluiting van scholen, de verminderde capaciteit om bescherming te bieden tegen huiselijk geweld, misbruik en verwaarlozing tijdens de lockdowns en de verstoring van sociale basisdiensten; overwegende dat kinderen in kwetsbare situaties, vaker door deze problemen werden getroffen, daar zij vaker niet beschikten over apparatuur, een internetverbinding laat staan elektriciteit om online-onderwijs te volgen en soms hun enige dagelijkse warme maaltijd of hun toegang tot verwarming verloren; |
|
N. |
overwegende dat het in 2021 aangenomen actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten beoogt het aantal kinderen dat het risico loopt op armoede en sociale uitsluiting tegen 2030 met ten minste 5 miljoen te verminderen; overwegende dat de lidstaten nationale streefdoelen voor armoedebestrijding hebben vastgesteld; overwegende dat het bereiken van dit doel zou betekenen dat tegen dan ongeveer 15 miljoen kinderen in de EU het risico lopen op armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat dit aantal, indien passende maatregelen uitblijven, naar verwachting verder zal toenemen met de opkomst van nieuwe complexe en onderling verweven sociale crises; |
|
O. |
overwegende dat de uitbanning van kinderarmoede een onmisbare stap is voor de totstandbrenging van een rechtvaardig, gelijkwaardig en sociaal Europa voor de huidige en toekomstige generaties; overwegende dat sociaal-economische status nooit een belemmering mag vormen voor de toegang van kinderen tot essentiële diensten; overwegende dat meer steun nodig is om ervoor te zorgen dat kinderen en gezinnen toegang hebben tot essentiële diensten; |
|
P. |
overwegende dat EU-financiering investeringen op nationaal niveau mogelijk maakt om kinderarmoede te bestrijden en sociale integratie te bevorderen; overwegende dat naast het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) ook andere bronnen direct of indirect kunnen worden gebruikt om programma’s te financieren die op allerlei manieren van invloed zijn op het leven van kinderen en de gezinnen waarin zij leven; |
|
Q. |
overwegende dat alle kinderen, ouders, gezinnen en verzorgers moeten worden beschermd tegen discriminatie, zoals discriminatie op grond van geslacht, taal, seksuele en/of genderidentiteit, godsdienst of levensovertuiging, politieke of ideologische overtuigingen, nationale, raciale, etnische of sociale afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, sociaal-economische situatie, handicap en overige speciale behoeften, leeftijd of andere status; |
|
R. |
overwegende dat gezinnen steeds diverser zijn samengesteld; overwegende dat beleid inzake kinderbijslag en gezinsbeleid niet altijd een weerspiegeling zijn van en niet voldoende zijn aangepast aan de diversiteit en de leefomstandigheden van het gezin (zoals gezinnen met ongehuwde ouders, kinderen van gescheiden ouders die in twee huishoudens wonen of kinderen die in een gemengd groot gezin wonen, pleeggezinnen, regenbooggezinnen), hetgeen ten koste gaat van de levensstandaard van gezinnen, de toegang tot socialezekerheidsprogramma’s en -uitkeringen, en hun veerkracht bij crises; overwegende dat de EU en de lidstaten de bescherming van gezinnen op juridisch, economisch en sociaal vlak moet waarborgen; |
|
S. |
overwegende dat de Raad op 14 juni 2021 de aanbeveling over een Europese kindergarantie heeft aangenomen om ervoor te zorgen dat behoeftige kinderen toegang hebben tot essentiële diensten, bijvoorbeeld gratis voor- en vroegschoolse educatie en opvang, gratis onderwijs (met inbegrip van extra activiteiten op scholen en ten minste één gezonde maaltijd per schooldag), gratis gezondheidszorg, gezonde voeding en adequate huisvesting; overwegende dat dit instrument een kans biedt om armoede en ongelijkheid te verminderen en de sociale integratie van kinderen te bevorderen; overwegende dat uit hoofde van de Europese kindergarantie kinderen in kwetsbare situaties als prioriteit moeten worden aangemerkt (20); overwegende dat alle lidstaten, om blijk te geven van hun inzet voor een geïntegreerd beleid om de vicieuze cirkel van armoede te doorbreken, een passend bedrag van hun ESF+-middelen moeten toewijzen aan de uitvoering van de nationale plannen in het kader van de kindergarantie; overwegende dat in oktober 2023 drie lidstaten hun nationale actieplannen nog steeds niet hadden ingediend; |
|
T. |
overwegende dat alle kinderen op grond van het VRK, dat door alle lidstaten werd ondertekend, het recht moeten krijgen op onderwijs, gezondheidsdiensten, huisvesting en bescherming, het recht om deel te nemen aan besluitvorming die hen aanbelangt, het recht op ontspanning en vrije tijd, op een evenwichtig voedingspatroon, en om te worden verzorgd binnen een gezinsomgeving; |
|
U. |
overwegende dat de Raad de aanbeveling betreffende de herziening van de Barcelona-doelstellingen voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang heeft aangenomen en heeft voorgesteld het recht op voor- en vroegschoolse educatie en opvang in de wet te verankeren; |
|
V. |
overwegende dat in de EU in 2022 slechts 35,7 % (21) van de kinderen jonger dan drie jaar toegang had tot een formeel stelsel voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang, terwijl dit cijfer oploopt tot 88 % voor kinderen tussen drie jaar en de minimumleeftijd om naar de basisschool te gaan; overwegende dat slechts zeven EU-lidstaten een plaats in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang garanderen voor elk kind vanaf de leeftijd van zes maanden; overwegende dat verschillende lidstaten pas vanaf de leeftijd van drie jaar een gefinancierde plaats in de kinderopvang garanderen; overwegende dat de beschikbaarheid van gratis voor- en vroegschoolse educatie en opvang aanzienlijk toeneemt op de leeftijd van drie jaar en dat deze trend zich voor elk leeftijdsjaar daarna voortzet en bijna universeel wordt in heel Europa in het laatste jaar voordat verplicht primair onderwijs begint (22); overwegende dat de meeste gezinnen in Europa een bijdrage moeten betalen om gebruik te maken van voor- en vroegschoolse educatie- en opvangdiensten voor kinderen jonger dan drie jaar; overwegende dat gezinnen uit sociaal-economisch achtergestelde milieus, eenoudergezinnen en gezinnen uit minder ontwikkelde regio’s en gebieden gebrekkige toegang hebben tot deze diensten – vaak door een combinatie van schaarse beschikbaarheid en hoge kosten, verborgen kosten en eigen bijdragen –, en dat de kinderen in kwestie hierdoor een hoger risico lopen op vroege sociale uitsluiting; overwegende dat zelfs in landen met gemiddeld veel voorzieningen voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang, de deelname daaraan van kinderen die het risico lopen op armoede en sociale uitsluiting wordt belemmerd door een gebrek aan kinderopvangvoorzieningen; |
|
W. |
overwegende dat voor- en vroegschoolse educatie en opvang een beslissende invloed heeft op de gezondheid en de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen; overwegende dat werkende ouders die geen toegang hebben tot kinderopvang, zich vaak genoodzaakt zien een beroep te doen op informele, soms niet-gecertificeerde kinderopvang; overwegende dat hoogwaardige inclusieve voor- en vroegschoolse educatie en opvang deze kinderen gelijke onderwijskansen biedt en de integratie van de ouders, met name de moeders, op de arbeidsmarkt vergemakkelijkt; overwegende dat inclusief onderwijs tegemoetkomt aan de grote verscheidenheid onder alle leerlingen door de participatie te versterken met betrekking tot leeropbrengsten, culturele interacties en gemeenschapszin; overwegende dat dergelijke diensten over voldoende financiële en personele middelen moeten beschikken om kinderen met specifieke problemen te identificeren en te ondersteunen; |
|
X. |
overwegende dat de onkosten voor onderwijs, in het bijzonder voor schoolmateriaal en vervoer, in de meeste landen grotendeels worden gedragen door de gezinnen en een van de belangrijkste redenen zijn waarom leerlingen vroegtijdig de school verlaten; overwegende dat het gemiddelde percentage voortijdige schoolverlaters in de EU 10 % bedraagt (23), maar dat dit cijfer voor specifieke groepen, zoals kinderen uit de Roma-gemeenschap en kinderen met een handicap, hoger ligt; |
|
Y. |
overwegende dat in 2021 3,6 % van de kinderen in de EU jonger dan 16 jaar onvervulde medische behoeften had en 4,4 % van de kinderen een handicap had (24); overwegende dat, zelfs in landen waar het recht op gezondheid is vastgelegd in de wet, ongelijkheden blijven bestaan en vele gezinnen vaak geen of geen tijdige toegang hebben tot passende gezondheidszorg en nauwelijks toegang hebben tot essentiële gezondheidsdiensten, zoals consulten bij huisartsen en verpleegkundigen, geestelijke en psychosociale hulp en tandartszorg, met name als gevolg van ontoereikende openbare dienstverlening; overwegende dat kinderen die worden geboren in een situatie van armoede en sociale uitsluiting, vaker gezondheidsproblemen hebben dan andere kinderen; overwegende dat de verschillen in de EU tussen stedelijke en plattelandsgebieden en meer ontwikkelde en minder ontwikkelde regio’s met betrekking tot de toegang tot hoogwaardige gezondheidsdiensten en -voorzieningen toenemen (25); |
|
Z. |
overwegende dat seksuele gezondheid van fundamenteel belang is voor de algehele gezondheid en het welzijn van personen, koppels en gezinnen; overwegende dat verschillende lidstaten proberen de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten verder te beperken door middel van uiterst restrictieve wetten die de gezondheid van vrouwen tijdens de zwangerschap en de bevalling in gevaar brengen, evenals de gezondheid van kinderen; |
|
AA. |
overwegende dat vaccinatie het belangrijkste instrument is om ernstige, besmettelijke en soms dodelijke ziekten te voorkomen; overwegende dat de vaccinatiegraad met betrekking tot mazelen – een indicator van de algemene vaccinatieprogramma’s voor kinderen – in 14 van de 35 OESO-landen is gedaald (26); |
|
AB. |
overwegende dat het geestelijk welzijn van kinderen van cruciaal belang is, aangezien het hen in staat stelt mijlpalen in hun ontwikkeling te bereiken, manieren te leren om met problemen om te gaan en sociale en emotionele vaardigheden te verwerven; overwegende dat ongunstige ervaringen in de kindertijd, discriminatie, ontoereikende toegang tot diensten en instabiele omgevingen enkele van de belangrijkste oorzaken zijn van geestelijke gezondheidsproblemen die zich in de vroege kinderjaren ontwikkelen; overwegende dat verstrekkende crises zoals de COVID-19-pandemie de geestelijke gezondheid en het welzijn van hele generaties kinderen in gevaar hebben gebracht; overwegende dat de prevalentie van geestelijkegezondheidsproblemen driemaal hoger is bij kinderen uit gezinnen met een laag inkomen (27); |
|
AC. |
overwegende dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukt dat borstvoeding een van de meest doeltreffende manieren is om de gezondheid en overlevingskansen van kinderen op de lange termijn te waarborgen en aanbeveelt om zuigelingen de eerste zes maanden van hun leven uitsluitend borstvoeding te geven; overwegende dat wereldwijd evenwel slechts twee op de vijf zuigelingen borstvoeding krijgen (28); |
|
AD. |
overwegende dat kinderen met een handicap en kinderen van ouders met een handicap nog steeds te maken hebben met discriminatie en schending van hun rechten door hardnekkige belemmeringen op alle gebieden van het leven, namelijk ontoereikende toegang tot kinderopvang, tot voeding die past bij hun behoeften, tot mogelijkheden om deel te nemen aan inclusieve onderwijsactiviteiten, gebrek aan inclusie in standaardscholen, aan toegang tot gezondheidszorg en ruimten die niet adequaat inspelen op hun mobiliteits- en psychosociale behoeften; overwegende dat deze belemmeringen en het gebrek aan toegankelijke hoogwaardige zorg en ondersteunende diensten voor personen met een handicap en andere personen die zorg en ondersteuning nodig hebben, bijzonder duidelijk zijn in tijden van crisis, hetgeen leidt tot extra lasten voor mantelzorgers, van wie de meerderheid vrouwen zijn; |
|
AE. |
overwegende dat armoede een belangrijke risicofactor is voor de toegang tot alternatieve zorg, aangezien dit de kwetsbaarheid van kinderen en gezinnen met kinderen vergroot en kan leiden tot een situatie waarin ouders niet langer adequate zorg voor de kinderen kunnen bieden; overwegende dat nog altijd naar schatting 345 000 kinderen in de EU in instellingen wonen (29) en dat in 2021 758 018 kinderen in alternatieve zorg verbleven (30); overwegende dat maatregelen ter bescherming van kinderen, waaronder de-institutionalisering, ook van essentieel belang zijn voor kinderen om hun rechten te verwezenlijken en volledig tot ontplooiing te komen; overwegende dat instellingen gekwalificeerd personeel nodig hebben om gekwalificeerde onderwijskansen te bieden en misbruik en uitbuiting van kinderen aan te pakken; |
|
AF. |
benadrukt dat alle kinderen recht hebben op bescherming tegen misbruik, geweld en verwaarlozing; overwegende dat onderzoek uitwijst dat het risico op misbruik, geweld en verwaarlozing toeneemt wanneer gezinnen financieel onder druk staan en adequate sociale voorzieningen ontberen; |
|
AG. |
overwegende dat in Europa een op de vijf kinderen te maken krijgt met een vorm van misbruik of seksueel geweld, en dat het meeste misbruik plaatsvindt in het gezin en/of in een zorginstelling; overwegende dat kinderen ongeveer een kwart van de slachtoffers van mensenhandel in de EU vertegenwoordigen, en dat het daarbij meestal gaat om meisjes die worden ontvoerd met het oog op seksuele uitbuiting (31); |
|
AH. |
overwegende dat geweld en pesten door leeftijdsgenoten ernstige problemen zijn, met name op scholen, en relaties en de geestelijke gezondheid van kinderen en jongeren schaadt; overwegende dat 23 % van de leerlingen ten minste eenmaal per maand te maken heeft met intimidatie op school (32); |
|
AI. |
overwegende dat de risico’s van alomtegenwoordige digitale technologieën voor de gezondheid en het welzijn van kinderen en de gezinnen waarin zij leven niet mogen worden onderschat; overwegende dat kinderen het recht hebben te worden beschermd tegen de marketing- en reclamepraktijken van commerciële exploitanten, ook in digitale ruimten; overwegende dat de huidige onlineproducten en -diensten zodanig zijn opgezet dat kinderen van jongs af aan worden blootgesteld aan verslavende online-inhoud; overwegende dat het kinderen aan de basisvaardigheden en kennis ontbreekt om op een veilige en vertrouwde manier informatie te verwerken; overwegende dat dit gevolgen heeft voor de geestelijke gezondheid van kinderen, zoals slaaptekort, angst, depressie, aandachtsproblemen en uiteindelijk de ontwikkeling van de hersenen op de lange termijn; overwegende dat kinderen door toenemend internetgebruik een groter risico kunnen lopen op onlineschade, zoals seksuele uitbuiting, cyberstalking en cyberpesten; overwegende dat een derde van de meisjes en 20 % van de jongens het afgelopen jaar één keer per maand op storende inhoud is gestuit; overwegende dat 15 % van de LHBTQI+-respondenten in de leeftijd van 15 tot en met 17 jaar te maken heeft gehad met cyberpesten vanwege hun seksuele gerichtheid of geslacht (33); |
|
AJ. |
overwegende dat slechts één op de vier kinderen van mening is dat hun rechten in het algemeen door de samenleving worden geëerbiedigd (34); overwegende dat kinderen moeite hebben om toegang te krijgen tot de rechter, omdat de opzet van gerechtelijke procedures niet is afgestemd op hun behoeften; |
|
AK. |
overwegende dat 3,6 miljoen kinderen op het Europese continent werken (35), voornamelijk in de landbouw en de bouwsector; overwegende dat het van essentieel belang is maatregelen te nemen om kinderarbeid in de Europese Unie uit te bannen en nieuwe gevallen van kinderarbeid te voorkomen, met name in het kader van crises; |
|
AL. |
overwegende dat milieuproblemen zoals vervuiling, bodemverontreiniging en onveilig drinkwater een bedreiging vormen voor de gezondheid van alle kinderen en een onevenredig grote impact hebben op kinderen die in armoede en kwetsbare omstandigheden leven; overwegende dat het recht op een veilige en schone omgeving voor kinderen en het recht op een toekomst zonder milieuverontreiniging en bescherming tegen de negatieve gevolgen van de klimaatverandering kunnen worden versterkt door de uitvoering van de huidige EU-milieuwetgeving in de lidstaten te verbeteren op een wijze waarin rekening wordt gehouden met de belangen van het kind; |
|
AM. |
overwegende dat spelen de natuurlijke en meest effectieve manier is voor kinderen om te leren over zichzelf en hun sociale en natuurlijke omgeving en zich op een symbolische manier uit te drukken; overwegende dat dit een essentieel fundament vormt voor hun cognitieve en emotionele ontwikkeling, functionele autonomie, leefgewoonten, interactie met anderen en conflicthantering; overwegende dat de deelname van kinderen aan de samenleving, het culturele leven, recreatie, vrijetijdsbesteding en sport direct bijdraagt aan hun welzijn en hen helpt te gedijen; |
|
AN. |
overwegende dat financiële beperkingen de deelname van kinderen uit kansarme gezinnen aan niet-formeel onderwijs en buitenschoolse activiteiten belemmeren, waardoor de sociale ongelijkheid op jonge leeftijd worden vergroot; |
Investeren in het verminderen van ongelijkheid
|
1. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten significant meer en op duurzame en adequate wijze te investeren in beleid dat direct en indirect van invloed is op het leven van kinderen, door te zorgen voor universele, inclusieve en betaalbare hoogwaardige openbare diensten, zoals zorg, voor- en vroegschoolse educatie en opvang, onderwijs, gezondheidszorg, sociale diensten, water en sanitaire voorzieningen, alsook universele toegang tot fatsoenlijke huisvesting, energie, vervoer, voedsel, culturele en vrijetijdsactiviteiten en gemakkelijke en vrije toegang tot groene ruimten, aangevuld met effectieve gerichte oplossingen, met name voor de meest kwetsbaren; |
|
2. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten om op elk niveau de mechanismen te versterken die ervoor zorgen dat kinderen, gezinnen, verzorgers en maatschappelijke organisaties op een zinvolle, veilige en inclusieve manier bijdragen tot de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van dit beleid; wijst op het belang van een multisectorale aanpak waarbij alle relevante belanghebbenden samenwerken om een geïntegreerde strategie te ontwikkelen om ongelijkheid in de kindertijd aan te pakken door middel van de verlening van diensten voor kinderbescherming en gezinszorg, waarvoor in de eerste plaats structurele investeringen en doeltreffende overheidsuitgaven met EU- en nationale middelen vereist zijn; |
|
3. |
benadrukt dat beleid voor sociale integratie de algehele ontwikkeling van kinderen mogelijk moet maken alsook de verwezenlijking van het potentieel van elk kind wat betreft hun lichamelijke gezondheid en welzijn, sociale vaardigheden, emotionele ontwikkeling, communicatieve vaardigheden, algemene kennis en cognitieve en taalontwikkeling; |
|
4. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten de creatie van kwaliteitsbanen met een overeenkomst voor onbepaalde duur en innovatieve arbeidsregelingen met sterke arbeidsrechten te bevorderen, op basis van fatsoenlijke en eerlijke lonen en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden die de toegang tot sociale bescherming, bescherming op het werk en bescherming van de gezondheid garanderen, en robuuste collectieve onderhandelingen als cruciaal mechanisme om de rechten van werknemers te vertegenwoordigen en te verdedigen; is van mening dat deze maatregelen ook nodig zijn om beroepen in de zorg- en de sociale sector aantrekkelijker te maken en het huidige tekort aan arbeidskrachten op te vangen; benadrukt het belang van het garanderen van een evenwicht tussen werk en privéleven door onder meer zwangerschaps-, vaderschaps-, zorg- en ouderschapsverlof, en van flexibele arbeidstijdregelingen voor ouders en verzorgers, waaronder bijvoorbeeld de mogelijkheid van arbeidstijdverkorting; |
|
5. |
benadrukt dat de ontwrichting van het onderwijs tijdens de COVID-19-crisis de ongelijkheid op het gebied van leren heeft vergroot; verzoekt de lidstaten extra kortetermijnleerprogramma’s op te zetten, zoals zomerscholen of tutoring, om bestaande onderwijskloven te verkleinen, die met name gericht zijn op kinderen uit kwetsbare huishoudens; verzoekt de lidstaten digitale vaardigheden op te nemen in de onderwijsprogramma’s van alle onderwijsinstellingen en te voorzien in de nodige opleiding en uitrusting voor leerkrachten en leerlingen; verzoekt de lidstaten de rechten en bescherming van kinderen in tijden van crisis te waarborgen, met name de voortdurende toegang tot basisdiensten; moedigt de lidstaten aan de doeltreffendheid van tijdens eerdere crises genomen maatregelen te beoordelen teneinde een reeks maatregelen voor te bereiden die kunnen worden geactiveerd in geval van en worden toegesneden en gericht op nieuwe crises, aangezien sommige tijdens de pandemie genomen maatregelen (zoals thuiswerken, online onderwijs en sociale zorg/adviesverlening), hoewel die destijds noodzakelijk waren, een negatief effect hebben gehad op de bevordering van de sociale integratie van kinderen en de gezinnen waarin zij leven; |
|
6. |
erkent de cruciale rol van gezins- en kindertoeslagen, met name voor kwetsbare huishoudens, als onderdeel van eerlijke en inclusieve socialebeschermingsstelsels, die moeten worden afgestemd op de verscheidenheid aan gezinssamenstellingen en tijdige toegang moeten bieden tot sociale bescherming en adequate ondersteuning voor iedereen, ook voor minderjarige vluchtelingen en migranten en de gezinnen waarin zij leven, in overeenstemming met de praktijken van de lidstaten; verzoekt de lidstaten meer ruchtbaarheid te geven aan het recht op sociale uitkeringen, de administratieve procedures te vereenvoudigen en de toegang ertoe te vergemakkelijken, teneinde de lage bestedingsgraad aan te pakken en stigmatisering en stereotypen over armoede te bestrijden; |
|
7. |
verzoekt de begrotingsautoriteiten van de EU gebruik te maken van de komende tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 om de toewijzingen van het ESF+, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, het Fonds voor asiel, migratie en integratie, InvestEU, alsook de herstel- en veerkrachtfaciliteit te versterken en beter te benutten om het structuurbeleid en de sociale steun voor kinderen en gezinnen te versterken waarbij rekening wordt gehouden met het multisectorale karakter van armoede; herinnert aan zijn herhaalde oproepen tot een dringende verhoging van de financiering van de kindergarantie met een specifieke begroting van ten minste 20 miljard EUR voor de periode 2021-2027; dringt erop aan dat deze specifieke begroting deel uitmaakt van het herziene MFK en het versterkte ESF+; verzoekt de Commissie om zoveel mogelijk middelen beschikbaar te stellen – en de lidstaten om volledig gebruik te maken van alle beschikbare middelen – met het oog op een doeltreffende uitvoering van de kindergarantie, met inbegrip van het ESF+, React-EU en de herstel- en veerkrachtfaciliteit; benadrukt dat deze fondsen op transparante wijze moeten worden gebruikt en dat het maatschappelijk middenveld en relevante belanghebbenden moeten worden betrokken bij de planning, uitvoering en evaluatie; herinnert eraan dat de lidstaten ten minste 5 % van hun ESF+-middelen moeten toewijzen aan gerichte acties en structurele hervormingen ter bestrijding van kinderarmoede; wijst erop dat deze drempel slechts een minimum is en dat de lidstaten worden aangemoedigd een groter deel van het ESF+ te gebruiken om kinderarmoede te bestrijden; |
|
8. |
benadrukt dat de nodige ruimte voor belangrijke sociale investeringen om de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten en de verwezenlijking van de doelstellingen voor de vermindering van kinderarmoede ten uitvoer te leggen, altijd moet worden gewaarborgd in de geplande aanpassingen aan de begroting van de lidstaten; |
|
9. |
wijst erop dat EU-fondsen complex zijn wat het beheer ervan betreft, waardoor ze niet toegankelijk zijn voor organisaties die over beperktere technische middelen beschikken; beklemtoont dat soepelere, vereenvoudigde beheerprocedures en investeringen in technische bijstand dicht bij de plek waar dit nodig is, mensen en organisaties kunnen helpen versterken die kinderen en jongeren ondersteunen; onderstreept dat het medefinancieringspercentage voor steun aan de meest behoeftigen uit hoofde van de ESF+-verordening (36) 90 % is, waardoor deze financiering toegankelijker zou moeten worden voor programma’s en acties die bedoeld zijn om deze bevolkingsgroepen uit de armoede te helpen ontsnappen; |
|
10. |
benadrukt dat universeel en op de lange termijn gericht beleid een betere bescherming biedt tegen de vele factoren van armoede en sociale uitsluiting, door te zorgen voor structurele maatregelen die, indien nodig, kunnen worden aangevuld met onmiddellijke, eenmalige of tijdelijke gerichte steun, om de veerkracht en autonomie van gezinnen te versterken en tegemoet te komen aan de behoeften van hun kinderen; |
|
11. |
verzoekt de lidstaten meer aandacht te besteden aan het realiseren van de universele toegang tot openbare diensten in afgelegen regio’s om de verschillen tussen de regio’s qua ontwikkelingsniveau te verkleinen en alle kinderen gelijke toegang te bieden tot onderwijs, infrastructuur en gezondheidszorg van hoge kwaliteit; |
|
12. |
verzoekt de lidstaten wetgeving uit te werken die de moeder-, vader- en ouderschapsrechten beschermt en versterkt, onder andere door het combineren van werk en gezin en een gelijkere verdeling van zorg en huishoudelijk werk te vergemakkelijken, de terugkeer naar de arbeidsmarkt van vrouwen na zwangerschap en zwangerschapsverlof te waarborgen, en te zorgen voor voldoende tijd voor borstvoeding na de terugkeer naar het werk; verzoekt de lidstaten structureel te investeren in laagdrempelige medische voorzieningen om de kwaliteit van de pre- en postnatale zorg te verbeteren; benadrukt dat het versterken van deze wetgeving een belangrijke impuls kan geven aan de strijd tegen gendergerelateerde discriminatie en loondiscriminatie; |
|
13. |
is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de erkenning van ouderschap tussen de lidstaten; verzoekt de Raad het voorstel spoedig goed te keuren; herinnert eraan dat de versnippering van ouderschapsrechten in de hele EU een economische, juridische en emotionele last vormt voor kinderen en gezinnen met kinderen, en in strijd is met het beginsel van het “belang van het kind”; |
|
14. |
verzoekt de lidstaten om adviesstructuren op te zetten om gezinnen te ondersteunen en ervoor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot de rechter; verzoekt de Commissie en de lidstaten gezinsgerichte beleidslijnen en maatregelen voor de kindertijd te bevorderen, waarbij aandacht wordt besteed aan de behoeften en wensen van gezinnen, als een manier om de cohesie in de samenleving te vergroten; |
|
15. |
wijst erop dat voor de bestrijding van kinderarmoede en sociale uitsluiting een levenscyclusbenadering moet worden gevolgd die bijdraagt tot het doorbreken van de intergenerationele cyclus van armoederisico’s, die de verschillende behoeften van peuters en kleuters, kinderen in de basisschoolleeftijd en jongeren weerspiegelt, door gelijktijdig het aantal deprivaties dat elk kind ervaart te meten, waardoor duidelijk wordt welke kinderen het meest behoeftig zijn, waarbij niet alleen de inkomensarmoede wordt gemeten, maar ook de multidimensionale deprivaties; verzoekt de lidstaten kinderen te identificeren die een groter risico lopen op armoede en sociale uitsluiting als gevolg van de crisis inzake de kosten van levensonderhoud, met inbegrip van kinderen in zeer kwetsbare situaties, om ervoor te zorgen dat zij kosteloze en doeltreffende toegang hebben tot hoogwaardige basisvoorzieningen, zoals voor- en vroegschoolse educatie en opvang, onderwijs en schoolactiviteiten, gezondheidszorg en ten minste één gezonde maaltijd per schooldag, alsmede tot gezonde voeding en adequate huisvesting; verzoekt de Commissie onverwijld een ambitieuze geïntegreerde EU-armoedebestrijdingsstrategie op te stellen; |
|
16. |
verzoekt de Commissie om in het kader van de jaarlijkse cycli van het Europees Semester voor de coördinatie van het economisch en sociaal beleid aanbevelingen te doen voor hervormingen ter bevordering van de sociale integratie en de vermindering van ongelijkheden door de openbare diensten te versterken en de sociale partners op Europees, nationaal en regionaal niveau te betrekken bij de opstelling en uitvoering van nationale hervormingsprogramma’s, landverslagen en landspecifieke aanbevelingen; roept ertoe op de ontwikkeling van de indicatoren voor kinderarmoede te monitoren in het kader van het Europees Semester, om alle lidstaten adequate informatie te kunnen bieden om dit probleem aan te pakken; benadrukt bovendien dat bezuinigingen op de openbare dienstverlening de sociale en arbeidsrechten in sommige lidstaten hebben ondermijnd; verzoekt de lidstaten meer te investeren in de beschikbaarheid en toegankelijkheid van professionele zorgdiensten als middel om de lasten voor mantelzorgers te verminderen en te zorgen voor minimumkwaliteitsnormen in de zorg; is van mening dat de internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake de rechten van het kind niet worden nagekomen wanneer onvoldoende wordt geïnvesteerd in beleid ten aanzien van kinderen; |
|
17. |
betreurt de geringe ambitie die spreekt uit de streefcijfers voor het terugdringen van de kinderarmoede in het kader van het actieplan van de Europese pijler van sociale rechten en merkt op dat het hiermee niet zal lukken om alle kwetsbare kinderen uit de armoede te halen; benadrukt dat er gezien de gevolgen van COVID-19, de oorlog in Oekraïne en de crisis rond de kosten van levensonderhoud nog ambitieuzere doelen nodig zijn; betreurt dat slechts 19 lidstaten nationale streefdoelen voor het bestrijden van kinderarmoede voor 2030 hebben vastgesteld; verzoekt de lidstaten ambitieuze doelen te stellen om de kinderarmoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen; |
|
18. |
benadrukt dat er een sociaal convergentiekader moet worden ingevoerd in het Europees Semester om sociale onevenwichtigheden op te sporen en te corrigeren en tegelijkertijd het beleid met betrekking tot kinderen te beoordelen en te zorgen voor de doeltreffende uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, met inbegrip van een scorebordsysteem; dringt erop aan dat het resultaat van het kader voor sociale convergentie terugkomt in de landspecifieke aanbevelingen; |
Solide overheidsbeleid om ongelijkheid te verminderen
|
19. |
benadrukt, gezien de moeilijkheden bij de toegang tot voor- en vroegschoolse educatie en opvang in de hele Unie, dat meer moet worden geïnvesteerd in inclusieve en hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie- en opvangdiensten, zonder daarbij kinderen tot drie jaar en kinderen uit economisch en sociaal achtergestelde gezinnen uit het oog te verliezen, waarbij vanaf het begin van het onderwijsproces universele openbare voorzieningen worden gecreëerd of versterkt en een gelijk speelveld en gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen worden gewaarborgd; benadrukt dat er voldoende kinderopvang moet zijn die overal in de EU gelijkelijk toegankelijk is; betreurt dat de Raad het voorstel van de Commissie om ervoor te zorgen dat ten minste 50 % van de kinderen jonger dan drie jaar kan deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie en opvang, heeft afgezwakt tot 45 %; |
|
20. |
benadrukt dat de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie- en opvangdiensten moet worden verbeterd door te voorzien in passende financiële en personele middelen en een passende pedagogische opleiding van personeel met kennis van de psychologie en de chronobiologie van kinderen, opdat kinderen zich in de volle breedte kunnen ontwikkelen; benadrukt dat de lidstaten, om deze verbetering mogelijk te maken, fatsoenlijke salarissen en carrièremogelijkheden moeten waarborgen voor deze medewerkers; |
|
21. |
verzoekt de lidstaten de toegang tot voor- en vroegschoolse educatie en opvang te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door ouders te informeren over beschikbare plaatsen of kwetsbare gezinnen bij administratieve procedures bij te staan, en deze diensten af te stemmen op de realiteit van de arbeidsmarkt; herinnert aan de plicht van de lidstaten om de universele toegang tot openbare kinderopvang te waarborgen; merkt op dat wanneer deze toegang ontoereikend is, particuliere, thuis aangeboden en coöperatieve voorzieningen een aanvulling moeten kunnen vormen op de openbare voor- en vroegschoolse educatie- en opvangdiensten, op voorwaarde dat zij integraal voldoen aan dezelfde kwaliteitsnormen voor de algehele ontwikkeling van kinderen; |
|
22. |
verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle kinderen op iedere leeftijd toegang hebben tot zowel formeel als niet-formeel, openbaar, inclusief en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, met inbegrip van buitenschoolse activiteiten, waarbij hun emotionele, sociale, cognitieve en fysieke ontwikkeling wordt bevorderd; verzoekt de lidstaten om passende verhoudingen tussen het aantal leerkrachten en het aantal leerlingen vast te stellen, uitgaande van de behoeften, om de veiligheid en het welzijn van kinderen te waarborgen en de impact van de onderwijsstelsels zo groot mogelijk te maken als het gaat om het streven naar gelijke kansen en het doorbreken van uitsluitingscycli; |
|
23. |
benadrukt het belang van investeringen in openbaar en gratis onderwijs dat een geïndividualiseerde benadering garandeert voor kinderen die tot kwetsbaardere sociale groepen behoren; beklemtoont dat bij de ontwikkeling van die benadering moet worden samengewerkt tussen leerkrachten, maatschappelijk werkers en onderwijsdeskundigen, gezinnen en gemeenschappen; verzoekt de Commissie en de lidstaten schoolsegregatie te bestrijden en beleid, strategieën en instrumenten ter bevordering van inclusief onderwijs te ontwikkelen; merkt op dat het in een zeer beperkt aantal specifieke situaties, bijvoorbeeld in geval van ernstige handicaps, nodig kan zijn om kinderen gespecialiseerde klassen of scholen aan te bieden, maar benadrukt dat dit een laatste redmiddel moet zijn vanwege het risico op discriminatie en uitsluiting dat daarmee gepaard gaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten specifiek te zorgen voor toegang tot inclusief en hoogwaardig onderwijs voor alle personen met een handicap teneinde de problemen die zij ondervinden, aan te pakken; |
|
24. |
wijst op de ervaring van sommige lidstaten, die ervoor zorgen dat schoolboeken en lesmateriaal, evenals schoolvervoer en gezonde maaltijden, educatieve en culturele excursies en begeleiding, gratis zijn; beveelt aan dit systeem uit te breiden tot alle lidstaten met het oog op gelijke toegang tot onderwijs en als belangrijke steun voor de meest kwetsbare gezinnen; verzoekt de lidstaten om beste praktijken over deze ervaringen en programma’s uit te wisselen; beveelt aan dat de lidstaten gratis gezonde schoolmaaltijden verstrekken aan ten minste de in een kwetsbare situatie verkerende kinderen, zonder stigmatisering en directe of indirecte discriminatie; benadrukt dat behoeftige kinderen ook het equivalent van een gratis maaltijd moeten krijgen op de dagen dat ze niet naar school gaan; |
|
25. |
verzoekt de lidstaten om universele toegang tot betaalbare en hoogwaardige openbare maternale, postnatale en pediatrische zorg te waarborgen, met inbegrip van primaire preventie, immunisatieprogramma’s en eerstelijnszorg, toegang tot diagnose, behandeling en revalidatie en toegang tot zeer uiteenlopende medische en therapeutische specialistische behandelingen, waarbij het recht van vrouwen op seksuele en reproductieve gezondheid moet worden gewaarborgd, evenals hulp en thuisbezoeken voor moeders voor en na de geboorte, toegang tot een huisarts, verpleegkundige, tandarts, diëtist, logopedist, oogarts, gezinsbegeleider, psycholoog en andere specialisten in geestelijke gezondheid, ongeacht de etnische, sociale of administratieve status van de ouders; onderstreept het belang van de vaccinatie van kinderen en wijst op de noodzaak om de bronnen van desinformatie daarover aan te pakken; is bezorgd over het aanhoudende tekort aan geneesmiddelen voor kinderen en verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor voldoende productie en opslag van belangrijke geneesmiddelen voor pediatrische eerstelijnszorg; |
|
26. |
verzoekt de lidstaten partnerschappen tussen onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten op te zetten ter vergemakkelijking van de toegang tot zorg en steun voor kinderen die dit nodig hebben, bijvoorbeeld door het direct op school aanbieden van systematische gehoor- en oogonderzoeken voor kinderen; verzoekt de lidstaten de uitwisseling van informatie tussen de verschillende sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten over de ontwikkelingsbehoeften van kinderen te vergemakkelijken, met voorafgaande toestemming van de ouders en met inachtneming van het recht op privacy van kinderen en de gezinnen waarin zij leven en het belang van het kind; |
|
27. |
verzoekt de lidstaten naar behoren nationale strategieën op te zetten, te financieren en uit te voeren om ervoor te zorgen dat kinderen en de gezinnen waarin zij leven toegang hebben tot gezonde en betaalbare voeding; herinnert eraan dat aanhoudende beperkte toegang tot verse, betaalbare en gezonde voeding tot gezondheidsproblemen leidt, met name voor huishoudens met een lager inkomen en kwetsbare mensen die in slecht verbonden en slecht bediende gebieden wonen; dringt er bij de lidstaten op aan gezonde voeding in hun volksgezondheidsstrategieën op te nemen door een gevarieerd voedingspatroon en in voorkomend geval voedingssupplementen aan te bevelen om kinderen te beschermen tegen de negatieve effecten van slechte voeding of ondervoeding; roept op tot acties die de beschikbaarheid van gezonde en betaalbare voeding vergroten en tegelijkertijd de consumptie van dikmakende voedingsmiddelen en dranken met een hoog suikergehalte voor kinderen en jongeren ontmoedigen; |
|
28. |
verzoekt de lidstaten te zorgen voor een vlotte en sterkere samenwerking met en adequate financiële steun aan specifieke non-gouvernementele organisaties die voedselhulp bieden, en de samenwerking met relevante structuren in de publieke of private sector te versterken teneinde de economische gevolgen van de huidige crisis efficiënter aan te pakken en getroffen gezinnen beter te ondersteunen; wijst erop dat dringend aandacht moet worden besteed aan de huidige voedselhulpcrisis waarmee zowel relevante structuren als economisch kwetsbare gezinnen en hun kinderen te maken krijgen; verzoekt de lidstaten om via het EU-programma voor wederzijds leren, kennis en ervaringen uit te wisselen over het ondersteunen van de werkgelegenheid van ouders; |
|
29. |
is van mening dat in de strategie inzake geestelijke gezondheid van de Commissie en de nationale actieplannen onvoldoende rekening is gehouden met de psychologische problemen die uit armoede en sociale uitsluiting voortkomen; verzoekt de lidstaten gezinnen in kwetsbare situaties te ondersteunen door middel van individuele en op maat gesneden sociale diensten en geestelijke gezondheidszorg en psychosociale ondersteuning; |
|
30. |
neemt nota van de mededeling van de Commissie van 11 mei 2022 getiteld “Een digitaal decennium voor kinderen en jongeren: de nieuwe Europese strategie voor een beter internet voor kinderen” en roept op tot een overkoepelend beleid ter bescherming van de geestelijke gezondheid van kinderen tegen overmatige blootstelling aan en overmatige consumptie van online-inhoud; |
|
31. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten borstvoeding actief te bevorderen, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO; |
|
32. |
is ingenomen met de strategie voor de rechten van personen met een handicap 2021-2030 als een concrete manier om ervoor te zorgen dat personen met een handicap gelijke rechten genieten en ten volle kunnen deelnemen aan de samenleving; wijst erop dat bij het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van EU-beleid en -initiatieven naar behoren rekening moet worden gehouden met handicaps, en met name de belemmeringen en uitdagingen waar kinderen mee te maken hebben; verzoekt de Commissie om sneller te komen met haar voorstel voor een kader voor excellente sociale diensten voor personen met een handicap (37) en ervoor te zorgen dat dit kader ook de toegang van kinderen met een handicap en kinderen met ouders met een handicap tot excellente sociale diensten verbetert; benadrukt dat zorgbehoevende kinderen en kinderen met een handicap en/of cognitieve stoornis specifieke en gerichte maatregelen nodig hebben, vooral tijdens crises, alsook speciale onderwijs- en zorgdiensten om ongelijkheid en gebrekkige sociale integratie tegen te gaan; |
|
33. |
verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen ter ondersteuning van ouders met een handicap en ouders van kinderen met een handicap, en te zorgen voor toegankelijke informatie over de steun die voor hen beschikbaar is; erkent de voordelen van gezinsgerichte voor- en vroegschoolse maatregelen en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze te integreren in alle relevante beleidsterreinen, zoals beleid ter bescherming van de rechten van kinderen en personen met een handicap, en de uitwisseling van informatie en beste praktijken hierover te bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten het aspect handicap te integreren en personen met een handicap en hun representatieve organisaties op zinvolle wijze te raadplegen bij het plannen van acties om een adequate levensstandaard en sociale bescherming van personen met een handicap te waarborgen, met name in tijden van crisis en transitie; |
|
34. |
verzoekt de lidstaten de doeltreffendheid van de sociale dienstverlening en bescherming te vergroten, onder meer door tekorten aan werknemers aan te pakken en te investeren in hun professionele ontwikkeling door bijscholingsmogelijkheden te bieden, en te zorgen voor passende lonen en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden; |
|
35. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten zoveel mogelijk gebruik te maken van de Europese kindergarantie als sociale respons die bijdraagt aan de sociale integratie en inclusie van kinderen en gezinnen die in armoede leven en met sociale uitsluiting worden geconfronteerd, met name voor bepaalde doelgroepen en in de meest afgelegen gebieden; benadrukt dat de beschikbare middelen duidelijk ontoereikend zijn om de bestaande structurele problemen aan te pakken, die zijn verergerd door het cumulatieve effect van opeenvolgende crises en het gebrek aan openbare investeringen; verzoekt de Commissie en de lidstaten investeringen op te voeren en de stelsels voor kinderbescherming en sociale bijstand te versterken, zodat de kindergarantie snel kan worden uitgevoerd in de context van nieuwe crises en het groeiende aantal kinderen in nood (38); |
|
36. |
herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten die hun nationale actieplan in het kader van de Europese kindergarantie nog niet hebben bekendgemaakt, om dat te doen, zodat behoeftige kinderen er onverwijld van kunnen profiteren; verzoekt de lidstaten hun nationale actieplannen regelmatig te evalueren en te actualiseren, hun politieke toezegging na te komen met uitgebreide en ambitieuze maatregelen, en monitoring- en evaluatieregelingen op te zetten, door duidelijke, sectoroverstijgende en vergelijkbare meetmethoden vast te stellen, te investeren in efficiënte en doeltreffendere gegevensverzameling, specifiekere doelstellingen vast te stellen en rekening te houden met de doelstellingen van de kindergarantie; verzoekt de lidstaten te zorgen voor samenhang en synergieën tussen de Europese kindergarantie als armoedebestrijdingsstrategie en de versterkte jongerengarantie als actief arbeidsmarktbeleid, om de hele periode van geboorte tot volwassenheid te bestrijken. |
|
37. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale bijstand voor werkloze ouders en werkende ouders in armoede te verhogen, met name door middel van een gewaarborgd minimuminkomen; verzoekt de Commissie om, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, een kaderrichtlijn inzake minimuminkomens voor te stellen waarin gemeenschappelijke minimumnormen en methodologieën worden vastgesteld om toegankelijke, faciliterende en adequate minimuminkomensregelingen te waarborgen; |
|
38. |
wijst op het recht op fatsoenlijke, betaalbare, inclusieve, energie-efficiënte en kwaliteitsvolle huisvesting die tegemoetkomt aan de behoeften van kinderen en de gezinnen waarin zij leven, en hun welzijn, privacy en levenskwaliteit waarborgt; betreurt het huisvestingsbeleid in verschillende lidstaten waarbij gezinnen de stad worden uitgejaagd, de sociale cohesie wordt verstoord en primaire ondersteuningsnetwerken worden verzwakt, waardoor de uitsluiting van kinderen toeneemt; verzoekt de lidstaten een volkshuisvestingsbeleid te bevorderen waarmee vastgoedspeculatie wordt aangepakt, te investeren in sociale en duurzame huisvesting en het recht daarop te waarborgen; verzoekt de Commissie een ambitieus plan te ontwikkelen om tegemoet te komen aan de huisvestingsbehoeften van alle EU-burgers, de ontwikkeling van sociale huisvesting te ondersteunen en tegelijkertijd huisvestingssubsidies toegankelijker te maken en dakloosheid tegen 2030 uit te bannen aan de hand van preventieve strategieën waarin huisvesting centraal staat; herinnert eraan dat het verslechterende woningbestand, dat gevolgen heeft voor de energie-efficiëntie, en de stijgende energieprijzen kinderen en de gezinnen waarin zij leven kwetsbaar maken; |
|
39. |
verzoekt de lidstaten de effecten van de inflatie en de stijgende kosten van levensonderhoud voor de verschillende sociaal-economische groepen te beoordelen teneinde gerichte maatregelen voor de meest kwetsbare huishoudens uit te werken, met name wat betreft voedsel, energie, vervoer, internetverbinding en andere essentiële goederen, volgens een kind- en genderbewuste aanpak, om de gevolgen van de stijging van de kosten van levensonderhoud voor kinderen en de gezinnen waarin zij leven te beperken en financieel tegen te gaan; verzoekt de lidstaten gerichte maatregelen te ontwikkelen om deze gevolgen aan te pakken en de correctie van de sociale uitkeringen en lonen vanwege de inflatie te vergemakkelijken; |
Discriminatie en sociale uitsluiting aanpakken
|
40. |
veroordeelt alle vormen van geweld, misbruik, uitbuiting en verwaarlozing, waaronder online, van kinderen, evenals geweld tegen vrouwen, huiselijk en gendergerelateerd geweld; verzoekt de lidstaten geïntegreerde preventie- en beschermingssystemen voor kinderen en andere slachtoffers te ontwikkelen, te versterken en uit te voeren met het oog op de uitbanning van geweld misbruik, uitbuiting en verwaarlozing; benadrukt dat deze systemen moeten worden ontwikkeld in samenwerking met alle relevante overheidsdiensten (waaronder scholen en gezondheidsinstellingen), om snel in actie te kunnen komen om kinderen te beschermen, hen weerbaarder te maken en op te komen voor hun belang; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan geweld onder kinderen, met inbegrip van cybergeweld en -pesten, en beste praktijken op dat gebied uit te wisselen, teneinde efficiënte antwoorden te ontwikkelen om te voorkomen dat kinderen er negatieve gevolgen van ondervinden; |
|
41. |
veroordeelt alle vormen van discriminatie; benadrukt dat discriminatie een directe weerslag heeft op kinderen en de gezinnen waarin zij leven door hun toegang tot de arbeidsmarkt, huisvesting en essentiële diensten te bemoeilijken; verzoekt de Commissie en de lidstaten het publiek bewuster te maken om een einde te maken aan stigmatisering, stereotypering en sociale uitsluiting van kwetsbare kinderen en gezinnen, zodat mensen begrijpen dat gezinnen mogelijk geen controle hebben over de omstandigheden die hen kwetsbaar maken; |
|
42. |
betreurt het feit dat de armoedecyclus in Roma-gezinnen er vaak toe leidt dat Roma-kinderen oververtegenwoordigd zijn in socialebeschermingsinstellingen in vergelijking met niet-Roma-kinderen; benadrukt dat Roma-kinderen en de gezinnen waarin zij leven vaak de eersten zijn die in tijden van crisis worden benadeeld; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van de kindergarantie bijzondere aandacht te besteden aan de unieke uitdagingen waarmee Roma-kinderen worden geconfronteerd, die vaak te maken hebben met extreme armoede, uitsluiting en discriminatie op alle gebieden van het leven; verzoekt de lidstaten bij de uitvoering van het strategisch EU-kader voor integratie van de Roma prioriteit te geven aan doeltreffende maatregelen en specifieke acties ter verbetering van de status van het gezin en de levensomstandigheden, de gezondheid en het welzijn van kinderen, voor- en vroegschoolse educatie en het bevorderen van responsief ouderschap; |
|
43. |
benadrukt dat moet worden geïnvesteerd in steun en begeleiding voor minderjarige vluchtelingen en migranten, met name niet-begeleide minderjarigen en staatloze kinderen en de gezinnen waarin zij leven, en dat moet worden gezorgd voor voldoende en gekwalificeerde verzorgers, hoogwaardige opvangfaciliteiten en gastvrije gemeenschappen, om ongelijkheden te verminderen en de sociale integratie van de kinderen en de gezinnen waarin zij leven te bevorderen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat alle beleidsmaatregelen en besluiten in kwestie worden afgestemd op de EU-strategie voor de rechten van het kind; beveelt aan dat bij het integratieproces voor niet-begeleide minderjarigen en jonge asielzoekers de plaatsing in een instelling tot een minimum wordt beperkt; |
|
44. |
beveelt aan dat de lidstaten proactief sociaal beleid ontwikkelen om de onderliggende oorzaken die ertoe leiden dat kinderen in instellingen worden geplaatst, aan te pakken en erop toe te zien dat kinderen niet in een instelling belanden wegens armoede en uitsluiting; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat kinderen en jongeren slechts als laatste redmiddel in een instelling worden opgenomen, en te investeren alternatieve zorg voor kinderen en jongeren om de overgang van institutionele zorg naar gezins- en gemeenschapsgebaseerde zorg te begeleiden, met volledige inachtneming van de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en andere fundamentele mensenrechteninstrumenten; |
|
45. |
verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de problemen rond kinderarbeid in Europa en de mogelijke impact op kinderarbeid als gevolg van bezuinigingen op het gebied van onderwijs en opleiding, alsook in sociaal beleid en steun aan gezinnen, te evalueren; is in dit verband ingenomen met de aanbevelingen (39) om een einde te maken aan de onderliggende oorzaken van kinderarbeid; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat arbeidsinspecties over voldoende middelen beschikken om gegevens te verzamelen, toezicht te houden op kinderarbeid en preventieve en corrigerende maatregelen uit te voeren; |
|
46. |
verzoekt de lidstaten en de Commissie actief mee te werken aan de bestrijding van kinderhandel voor alle mogelijke vormen van uitbuiting, inclusief arbeid, gedwongen huwelijken, illegale adoptie, illegale activiteiten en seksuele uitbuiting; |
Het recht van ieder kind op een schone, gezonde en duurzame omgeving, deelname en spel
|
47. |
benadrukt dat milieuverontreiniging en klimaatverandering onevenredige gevolgen hebben voor lagere inkomensgroepen, die bijgevolg te maken hebben met een hogere incidentie van gezondheidsproblemen, een lagere levensverwachting en minder kansen op een goed leven voor kinderen; benadrukt hoe belangrijk het is de woon-, zorg- en onderwijsvoorzieningen aan te passen aan klimaatgerelateerde noodsituaties en om dit probleem op een kindgerichte wijze aan te pakken, onder meer door deze voorzieningen te betrekken bij gerelateerde activiteiten en de verwerving van vaardigheden die nodig zijn voor de klimaattransitie; verzoekt de lidstaten het bovenstaande in aanmerking te nemen bij de opstelling van hun plannen inzake klimaatadaptatie en -mitigatie, door specifieke oplossingen voor kinderen en jongeren op te nemen, ervoor te zorgen dat het recht op een veilige en schone omgeving wordt geëerbiedigd en de jongere generaties bewust te maken; |
|
48. |
benadrukt dat alle kinderen recht hebben op cultuur, sport en ontspanning en op toegang tot vrije ruimte en een gezonde omgeving, zoals verankerd in het VRK; verzoekt de lidstaten passende buitenschoolse en vrijetijdsactiviteiten te bevorderen zodat alle kinderen, ongeacht hun sociaal-economische achtergrond en gezinssituatie, na schooltijd en tijdens de vakantie op fysiek en mentaal vlak kunnen worden gestimuleerd; moedigt de lidstaten aan gebruik te maken van de beschikbare Europese middelen om gelijke deelname van kinderen uit kansarme huishoudens aan buitenschoolse en vrijetijdsactiviteiten te bevorderen; verzoekt de lidstaten beleidsmaatregelen vast te stellen aan de hand waarvan ouders hun kinderen gedurende hun hele kindertijd en met name tijdens de vroege kinderjaren buiten de kinderopvang kunnen ondersteunen; |
|
49. |
benadrukt het belang van een versterkte EU-strategie inzake sport die de deelname van kinderen en jongeren aan sport en lichamelijke opvoeding aanmoedigt, ongeacht hun sociaal-economische achtergrond, alsook aan buitenactiviteiten, ongeacht hun leeftijd en conditie; wijst op de centrale rol van sport bij het verbeteren van de veerkracht van de gezondheid van kinderen en de preventie van chronische ziekten; wijst er nogmaals op dat teamsport een belangrijke factor is voor sociale integratie; |
|
50. |
beveelt aan dat de Commissie en de lidstaten richtsnoeren ontwikkelen ter ondersteuning van de participatie van kinderen in het beleidsvormingsproces, door mechanismen in te voeren die de participatie van kinderen in besluitvorming die van invloed is op hun leven bevorderen, en kinderen in staat te stellen en aan te moedigen om geïnformeerde standpunten kenbaar te maken, waarbij wordt gewaarborgd dat die standpunten tot uiting komen in de belangrijkste besluiten die hen aangaan; |
|
51. |
beveelt de Commissie en de lidstaten aan om in hun beleid voor kinderen of in beleid dat een impact heeft op kinderen, de nadruk te leggen op het recht op spelen en recreatieve activiteiten als een structureel aspect van de algehele ontwikkeling van kinderen door infrastructuur en programma’s op te zetten die het belang van dat recht weerspiegelen;
° ° ° |
|
52. |
verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
(1) COM(2021)0102.
(2) PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.
(3) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.
(4) PB C 189 van 5.6.2019, blz. 4.
(5) PB C 484 van 20.12.2022, blz. 1.
(6) PB C 476 van 15.12.2022, blz. 1.
(7) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 19.
(8) PB C 456 van 10.11.2021, blz. 145.
(9) PB C 506 van 15.12.2021, blz. 94.
(10) PB C 434 van 15.11.2022, blz. 50.
(11) PB C 47 van 7.2.2023, blz. 30.
(12) PB C 132 van 14.4.2023, blz. 65.
(13) PB L 223 van 22.6.2021, blz. 14.
(14) PB C 41 van 3.2.2023, blz. 1.
(15) Eurodiaconia en Caritas Europa, Survey on energy poverty/cost-of-living crisis, 2022.
(16) Eurostat, “ 1 in 4 children in the EU at risk of poverty or social exclusion”, 28 oktober 2021.
(17) Eurostat, “ 1 in 4 children in the EU at risk of poverty or social exclusion ”, 28 oktober 2021.
(18) Eurofound, “Living and Working Conditions in Europe 2021”, blz. 73.
(19) In overeenstemming met het Strategisch EU-kader voor de Roma 2020-2030 verwijst de overkoepelende term “Roma” naar een breed scala aan verschillende mensen van Roma-afkomst, zoals Roma, Sinti, Kale, Romanichels en Boyash/Rudari. overwegende dat ook andere groepen tot de Roma behoren, zoals Ashkali, Balkan-Egyptenaren, Jenische, Dom, Lom, Rom en Abdal, alsook rondtrekkende groepen, waaronder etnische Travellers of de met de administratieve term “gens du voyage” aangeduide bevolkingsgroepen, en mensen die zich identificeren als Zigeuners, Tsiganes of Tziganes, waarbij al deze groepen hun eigen kenmerken hebben; Deze definitie heeft betrekking op het gehele verslag.
(20) Wanneer in dit verslag de uitdrukking “kinderen in kwetsbare situaties” of “kinderen uit kansarme milieus/huishoudens” wordt gebruikt, heeft dat betrekking op de definitie in de kindergarantie, die de volgende groepen omvat: dakloze kinderen of kinderen die met ernstige woningnood kampen; kinderen met een handicap; kinderen met geestelijke gezondheidsproblemen; kinderen met een migratieachtergrond, of die tot een etnische minderheid behoren, in het bijzonder Roma; kinderen in alternatieve zorg, met name in een instelling; kinderen in kwetsbare gezinnen.
In dit verslag heeft deze definitie ook betrekking op LHBTIQ+ kinderen.
(21) Eurostat, “ Children in formal childcare or education by age group and duration – % over the population of each age group – EU-SILC survey ”, 29.9.2023; de gegevens komen overeen met de som van het percentage kinderen jonger dan drie jaar die 1 tot 29 uur per week formele kinderopvang krijgen plus het percentage kinderen die meer dan 30 uur per week formele kinderopvang krijgen.
(22) Europese Commissie, Eurydice-verslag “ Key Data on Early Childhood Education and Care in Europe ”, 2019.
(23) Eurostat, “ Early leavers from education and training ”, 2023.
(24) Eurostat, 2023, “ Health statistics – children ”.
(25) Eurostat, 2022, “ Urban-rural Europe – quality of life in rural areas ”;
OESO iLibrary, “Delivering Quality Education and Health Care to All: Preparing Regions for Demographic Change – Chapter 4. Delivering quality health services in rural communities”, 5.3.2021.
(26) Unicef, 2020, “Innocenti Report Card 16. Worlds of Influence – Understanding What Shapes Child Well-being in Rich Countries”, blz. 4.
(27) Save the Children Europe, 2023, “ Guaranteeing Children’s Future: How COVID-19, cost-of-living and climate crises affect children in poverty and what governments in Europe need to do ”.
(28) Unicef, 2020, “ Breastfeeding practices worldwide ”.
(29) Lerch, V en Severinsson, A.N., 2019, “Feasibility Study for a Child Guarantee: Target Group Discussion Paper on Children in Alternative Care”.
(30) Unicef en Eurochild, november 2021, “Children in alternative care: Comparable statistics to monitor progress on deinstitutionalisation across the European Union”.
(31) Europese Commissie, EU-strategie voor de rechten van het kind, 24 maart 2021.
(32) OECD, “PISA 2018 Results: What School Life Means for Students’ Lives”; gemiddelde van de OESO-landen.
(33) Europese Commissie, 2021: EU-strategie voor de rechten van het kind, blz. 18.
(34) Europese Commissie, 2021: EU-strategie voor de rechten van het kind, blz. 4.
(35) Dit is de som van de cijfers met betrekking tot Noord-, Zuid-, West- en Oost-Europa: Internationale Arbeidsorganisatie, 2021, “ Child labour statistical profile: Europa en Centraal-Azië ”.
(36) Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21).
(37) Europese Commissie, mei 2022, “ Check progress on the Strategy for the Rights of Persons with Disabilities ”.
(38) Save the Children Europe, 2023, “ Guaranteeing Children’s Future: How COVID-19, cost-of-living and climate crises affect children in poverty and what governments in Europe need to do ”.
(39) IAO en Unicef, 2021, “Child Labour: Global estimates 2020, trends and the road forward”.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4211/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)