European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2024/3364

14.6.2024

AANBEVELING VAN DE RAAD

van 13 mei 2024

“Europa in beweging” — mogelijkheden voor leermobiliteit voor iedereen

(C/2024/3364)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 165 en 166,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

1.

In de verklaring van Rome van 25 maart 2017 hebben de Europese leiders beloofd toe te werken naar een Unie waar jongeren het best mogelijke onderwijs en de best mogelijke opleiding genieten en op het hele continent kunnen studeren en een baan kunnen vinden.

2.

Leermobiliteit is voor lerenden zeer waardevol gebleken bij het verwerven van de competenties (1) die nodig zijn voor persoonlijke, educatieve en professionele ontwikkeling. Leerervaringen in een ander land vergroten het intercultureel begrip en dragen bij tot een gemeenschappelijke Europese identiteit. Het organiseren van zowel inkomende als uitgaande leermobiliteit vormt ook een sterke motor voor onderwijs- en opleidingsinstellingen en aanbieders van niet-formeel en informeel leren om de kwaliteit van het aanbod aan leermogelijkheden te verbeteren.

3.

Leermobiliteit is belangrijk om de tekorten aan vaardigheden in de EU te helpen aanpakken, met name de tekorten aan de vaardigheden die nodig zijn voor de groene en de digitale transitie en voor de overgang van lerenden naar de arbeidsmarkt. Werkplekleren, met inbegrip van leerperioden in een ander land, helpt vaardigheden te verwerven en vergroot de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt.

4.

Voor het verwezenlijken van de Europese Onderwijsruimte en de doelstellingen van de EU-strategie voor jongeren 2019-2027 is het van essentieel belang dat iedereen leermobiliteitsmogelijkheden heeft. In de mededeling van de Commissie van 30 september 2020 over de totstandbrenging van de Europese Onderwijsruimte tegen 2025 (2) werd een actualisering aangekondigd van het kader voor leermobiliteit (3) en ook de ontwikkeling van het beleidskader voor de leermobiliteit van leerkrachten, zodat meer lerenden en leerkrachten van mobiliteit kunnen profiteren. Deze aanbeveling actualiseert de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011, getiteld “Jeugd in beweging — de leermobiliteit van jongeren bevorderen”, teneinde de bepalingen ervan aan te scherpen, de mogelijkheden voor leermobiliteit — van jongeren tot lerenden van elke leeftijd, pedagogen en personeel — uit te breiden en aandacht te besteden aan nieuwe leerpatronen, met inbegrip van blended leren.

5.

Een van de strategische prioriteiten van de resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021-2030) (4) was om van een leven lang leren en mobiliteit een realiteit te maken voor iedereen. In de resolutie van de Raad over de Europese Onderwijsruimte: een blik op 2025 en daarna (5) werd benadrukt dat het in kaart brengen en wegnemen van de resterende belemmeringen voor leer- en onderwijsmobiliteit, waarbij inclusieve, duurzame en evenwichtige mobiliteit wordt aangemoedigd, van cruciaal belang is voor een volledige verwezenlijking van de Europese Onderwijsruimte.

6.

Uit gegevens die zijn verzameld door het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) blijkt dat landen zich meer moeten inspannen om de mobiliteit van lerenden in beroepsonderwijs en -opleidingen, met name leerlingen, breed te ondersteunen. Uit een analyse van de nationale uitvoeringsplannen (6) in het kader van de aanbeveling van de Raad van 24 november 2020 inzake beroepsonderwijs en -opleidingen voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (7) blijkt dat slechts ongeveer de helft van de lidstaten prioriteit heeft gegeven aan maatregelen ter verbetering van de mobiliteit in beroepsonderwijs en -opleiding.

7.

Uit een analyse (8) van de uitvoering van de aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (9) alsmede uit gegevens van Cedefop (10) blijkt dat de mobiliteit van leerlingen nog steeds onvoldoende ontwikkeld is en dat er meer moet worden gedaan om leerlingen in staat te stellen aan mobiliteitsuitwisselingen deel te nemen.

8.

In de conclusies van de Raad over het verbeteren van de mobiliteit en dan met name de Europese mobiliteit van leerkrachten en opleiders tijdens het initieel onderwijs en de initiële opleiding en tijdens bijscholing (11), wordt ertoe opgeroepen de mobiliteit te bevorderen en uit te breiden, teneinde daarvan een gemeenschappelijk kenmerk van de opleiding en loopbaan van leraren en opleiders te maken.

9.

Uit een analyse van de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren (12) blijkt dat er meer inspanningen nodig zijn om alle jongeren en jeugdwerkers daadwerkelijke toegang tot mobiliteitsmogelijkheden te bieden, waaronder vrijwilligerswerk in het maatschappelijk middenveld. Er moet verder gewerkt worden aan doeltreffende systemen voor de validatie van competenties die zijn verworven via niet-formele en informele leermobiliteit, zoals ook beschreven in de aanbeveling van de Raad van 5 april 2022 betreffende mobiliteit van jonge vrijwilligers in de Europese Unie (13).

10.

Gebrek aan kennis van vreemde talen blijft een obstakel voor het opdoen van leermobiliteitservaringen, het studeren en werken in het buitenland en het ontdekken van de culturele diversiteit van Europa. Tegelijkertijd kunnen lerenden uit andere landen worden aangemoedigd om deel te nemen aan leermobiliteit door het onderwijs en het leren van vreemde talen op een hoger plan te brengen en cursussen aan te bieden in een vreemde taal. Wat dit betreft is het belangrijk om digitale technologieën in te zetten, waaronder artificiële intelligentie (AI).

11.

De Raad heeft gesteld dat het gebrek aan automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties en resultaten van een leerperiode in het buitenland (14) de leermobiliteit in de EU nog altijd belemmert — zie de conclusies van de Raad over verdere stappen om automatische wederzijdse erkenning op het gebied van onderwijs en opleiding te bewerkstelligen (15), dewelke gebaseerd waren op het verslag betreffende de uitvoering van de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (16). Voor het hoger onderwijs hebben de nationale autoriteiten hun begrip van het concept automatische wederzijdse erkenning aanzienlijk verbeterd. Het gebrek aan consistente nationale benaderingen en transparantie weerhouden studenten er echter van om aan mobiliteitsactiviteiten deel te nemen.

12.

Bevordering van leermobiliteit met derde landen kan de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels aantrekkelijker maken voor de rest van de wereld en talent aantrekken naar hun onderwijs- en opleidingsinstellingen. Internationale samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, met inbegrip van leermobiliteit, is van essentieel belang voor de verwezenlijking van de geopolitieke prioriteiten van de EU, met name de Global Gateway, en van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen voor 2030.

13.

Het is van bijzonder belang dat de toegang tot leermobiliteit voor kansarme personen wordt vergroot. Deze doelstelling van inclusie vormt dan ook de kern van het programma Erasmus+ 2021-2027 en het programma Europees Solidariteitskorps. Voorts is cruciaal dat deze doelstelling binnen deze programma’s wordt versterkt en waar mogelijk uitgebreid tot andere regelingen voor leermobiliteit in de hele EU.

14.

In het kader van het initiatief “Europese Universiteiten” wordt gestreefd naar 50 % mobiliteit tussen de deelnemende instellingen. De Europese criteria voor toekenning van een gemeenschappelijk label voor een Europees diploma zouden kunnen helpen mobiliteit onderdeel van de curricula te maken. De criteria worden momenteel uitgetest. Het budget voor Erasmus + voor 2021-2027 is verhoogd en ondersteunt daarmee de doelstelling van de EU om meer studenten aan te moedigen ten minste eenmaal tijdens hun studie deel te nemen aan leermobiliteit. Er wordt daartoe een bredere keuze aan mobiliteitsvormen aangeboden, waaronder intensieve gemengde programma’s en korte gemengde mobiliteit. Het is daarom belangrijk de doelstelling van 20 % leermobiliteit, oorspronkelijk vastgesteld in het kader van het Bolognaproces in 2009, te verhogen. De instrumenten die sindsdien zijn ontwikkeld, vormen samen met de in deze aanbeveling voorgestelde maatregelen de noodzakelijke randvoorwaarden om ten minste 23 % van de afgestudeerden in het hoger onderwijs aan leermobiliteit te laten deelnemen.

15.

Leerpatronen zijn de afgelopen tien jaar geëvolueerd, onder meer als gevolg van de COVID-19-pandemie, die virtueel en blended leren heeft gestimuleerd. De uitbreiding van de leermobiliteitsmogelijkheden tot lerenden, pedagogen en personeel in alle onderwijs- en opleidingssectoren, en tot de sectoren jeugd en sport in formele, niet-formele en informele omgevingen, heeft ook tot de ontwikkeling van flexibele vormen van leermobiliteit geleid.

16.

Evenwichtige mobiliteit van onderzoekers, met name beginnende onderzoekers, moet verder worden ondersteund om hun persoonlijke en professionele ontwikkeling te verbeteren ten behoeve van het concurrentievermogen van het Europese onderzoeks- en innovatiesysteem.

17.

Deze aanbeveling heeft tot doel bij te dragen tot verwezenlijking van de Europese Onderwijsruimte in 2025. De visie op kwaliteit in het onderwijs en het opleidingswezen omvat bevordering van de dubbele vrijheid voor lerenden, pedagogen en personeel, met name voor kansarme personen, om aan mobiliteit deel te nemen, en voor instellingen om zich vrij met elkaar te verenigen in Europa en daarbuiten. Inclusieve en rechtvaardige onderwijs- en opleidingsstelsels moeten hechte samenlevingen ondersteunen, de basis leggen voor actief burgerschap en de inzetbaarheid verbeteren. De aanbeveling nodigt de lidstaten uit om randvoorwaarden te scheppen voor leermobiliteit, belemmeringen weg te nemen en stimulansen te bieden die zijn toegesneden op de specifieke behoeften van lerenden, pedagogen en personeel in verschillende sectoren.

18.

Deze aanbeveling heeft ook tot doel nauwere samenwerking met belangrijke derde landen te vergemakkelijken, in lijn met het initiatief voor talentpartnerschappen, om de EU te promoten als een aantrekkelijke bestemming voor getalenteerde mensen uit derde landen om hier te leren, een opleiding te volgen of te studeren.

19.

In deze aanbeveling wordt herinnerd aan de bestaande synergie en complementariteit tussen de EU-programma’s voor leermobiliteit, zoals Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps, en andere financieringsinstrumenten op EU-, internationaal, nationaal en regionaal niveau, zoals de fondsen van het Europees cohesiebeleid, met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, alsmede het Europees Sociaal Fonds Plus en het bijbehorende initiatief Aim, Learn, Master, Achieve (ALMA).

20.

Deze aanbeveling beoogt ook een impuls te geven aan de leermobiliteit voor leerkrachten en leerlingen door middel van de in de bijlagen vermelde specifieke beleidskaders. Scholen kampen met tekorten aan leerkrachten en leermobiliteit moet het beroep aantrekkelijker maken. Leerkrachten die ervaring hebben met mobiliteit kunnen rolmodellen voor lerenden worden en kunnen bijdragen aan het bevorderen van transnationale en internationale samenwerking. In de conclusies van de Raad over het vergroten van de mobiliteit van leraren en opleiders, met name binnen Europa, tijdens hun initieel onderwijs, initiële opleiding en bijscholingen wordt gewezen op het positieve effect van leermobiliteit in het buitenland op de professionele ontwikkeling van leerkrachten en op onderwijs- en opleidingsstelsels, en worden belemmeringen voor mobiliteit in kaart gebracht. Leerlingen worden ook geconfronteerd met een reeks specifieke belemmeringen in verband met de bijzondere kenmerken van werkplekleren. Hun mobiliteit zal helpen om vaardigheidskloven te dichten, de groene en de digitale transitie te ondersteunen en de inzetbaarheid van met name jongeren te vergroten.

ERKENT HETGEEN VOLGT:

21.

Uitgangspunt voor de toepassing van deze aanbeveling is het begrip “leermobiliteit”, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van Erasmus+: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (17), namelijk het zich fysiek naar een ander land dan het land van verblijf begeven om er te studeren, een opleiding te volgen of niet-formeel of informeel te leren. “Leermobiliteit” in de zin van deze aanbeveling heeft betrekking op alle soorten langlopende en kortlopende leermobiliteit, met inbegrip van individuele en groepsmobiliteit, gemengde mobiliteit (waaronder de virtuele componenten daarvan), studiepuntenmobiliteit en diplomamobiliteit. Het begrip heeft betrekking op lerenden, pedagogen en personeel in alle sectoren van een leven lang leren, met inbegrip van voor- en vroegschoolse educatie en opvang, schoolonderwijs, hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleidingen, volwasseneneducatie, alsmede jongeren (18), jeugdwerkers en sportpersoneel (19), zowel binnen als buiten het toepassingsgebied van het programma Erasmus+. Deze aanbeveling heeft betrekking op zowel mobiliteit binnen de EU als internationale leermobiliteit vanuit de EU;

22.

De sinds de instelling van de Europese Onderwijsruimte versterkte mobiliteit van lerenden, pedagogen en personeel heeft een positief effect op het onderwijs- en opleidingswezen. Diplomamobiliteit in het hoger onderwijs en in het beroepsonderwijs en het beroepsopleidingswezen kan echter uitdagingen met zich meebrengen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels die een aanzienlijke instroom van lerenden of leerlingen te verwerken krijgen, of juist omgekeerd voor landen die met een “braindrain” kampen doordat veel getalenteerde mensen ervoor kiezen om in het buitenland te studeren of een leer-werktraject te volgen en vervolgens daar blijven;

23.

Voor het streefcijfer voor leermobiliteit (20) in het hoger onderwijs omvatten de mobiliteitsacties: uitgaande diplomamobiliteit, uitgaande studiepuntenmobiliteit voor de duur van ten minste drie maanden of voor ten minste 15 ECTS-studiepunten (Europees studiepuntenoverdrachtsysteem) — stages en studiemobiliteit inbegrepen, alsmede kortere uitgaande mobiliteit voor de duur van minder dan drie maanden en voor ten minste drie ECTS-studiepunten. Deze mobiliteitsprogramma’s kunnen volledig fysiek of gemengd zijn, dus zowel met een virtuele als met een fysieke component. Het streefcijfer wordt berekend op masterniveau en betreft afgestudeerden die ten minste eenmaal tijdens hun studie aan leermobiliteit deelnemen. In het licht van bovengenoemde elementen wordt de Commissie in deze aanbeveling verzocht om uiterlijk in 2026 een voorstel te doen voor een geactualiseerde methode ter meting van het aandeel afgestudeerden met een leermobiliteitservaring in het buitenland in het hoger onderwijs.

24.

Om tegemoet te komen aan de oproepen (21) tot een ambitieuzer streefcijfer dan het huidige percentage van 8 % voor leermobiliteit in het buitenland voor lerenden in beroepsonderwijs en -opleiding, wordt in deze aanbeveling voorgesteld de deelnamedoelstelling voor lerenden in beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van leerlingplaatsen, tussen nu en 2030 te verhogen tot ten minste 12 %. De doelstelling voor beroepsonderwijs en -opleidingen (22) is gebaseerd op de indicator in de aanbeveling van de Raad van 24 november 2020 inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht. Dit wordt gemeten als het aandeel mobiele lerenden in een kalenderjaar, als percentage van een cohort afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding in hetzelfde jaar. Het omvat deelnemers aan flexibele mobiliteitsmogelijkheden zoals in het kader van Erasmus+ (bijvoorbeeld kortlopende mobiliteit, groepsmobiliteit, gemengde mobiliteit, mobiliteit in verband met deelname aan vaardigheidswedstrijden), of van andere mobiliteitsprogramma’s;

25.

De Raad herhaalt sterk gehecht te zijn aan inclusieve leermobiliteit en verklaart zijn politieke ambitie om in dit verband een streefcijfer vast te stellen. Daartoe is een methode nodig ter meting van het aandeel kansarme personen onder alle lerenden die van leermobiliteit in het buitenland profiteren. De Raad herhaalt daarom zijn oproep aan de Commissie om op basis van en met het deskundige advies van de Permanente Groep indicatoren en benchmarks, voorstellen voor mogelijke indicatoren of doelstellingen op EU-niveau op het gebied van inclusie en billijkheid (23) uit te werken. Ten teken dat de Raad hier veel aan gelegen is, wordt de lidstaten aanbevolen om er tussen nu en 2027 voor te zorgen dat kansarme personen alles bij elkaar goed zijn voor ten minste 20 % van alle lerenden die van leermobiliteit in het buitenland profiteren. Voor de raming van dit cijfer kan gebruik worden gemaakt van de momenteel in het kader van de programma’s Erasmus+ en Europees Solidariteitskorps beschikbare gegevens. Hoewel deze gegevens verre van alle soorten leermobiliteit in het buitenland dekken, kan op basis daarvan de best mogelijke raming worden gemaakt. Daarnaast wordt de Commissie in deze aanbeveling verzocht om uiterlijk in 2026 een voorstel in te dienen voor een methode ter vergaring van gegevens over het aandeel kansarme personen onder alle lerenden die van leermobiliteit in het buitenland in de onderwijs-, opleidings- en de sectoren jeugd en sport profiteren, waarbij terdege rekening wordt gehouden met mogelijke gevoeligheden ten aanzien van dit soort gegevens en de lidstaten niet met extra administratieve lasten worden opgezadeld. Op basis van dit voorstel kan de Raad een uiterlijk in 2030 te verwezenlijken doelstelling op EU-niveau vaststellen;

26.

Deze aanbeveling laat de resultaten van toekomstige onderhandelingen over financieringsinstrumenten van de Unie in het kader van het volgende meerjarig financieel kader onverlet;

27.

Op grond van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 3 mei 2022, getiteld “Mensen vooropstellen, zorgen voor duurzame en inclusieve groei en het potentieel van de ultraperifere regio’s van de EU ontsluiten” (24) moet de aanbeveling rekening houden met de specifieke situatie van de in dat artikel bedoelde ultraperifere gebieden, teneinde de leermobiliteit van en naar deze regio’s te bevorderen;

28.

Voor de toepassing van deze aanbeveling en in overeenstemming met de uitvoeringsrichtsnoeren voor de inclusie- en diversiteitsstrategie van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps (25) zijn belemmeringen voor leermobiliteit onder meer: handicaps, gezondheidsproblemen, belemmeringen in verband met onderwijs- en opleidingsstelsels, culturele verschillen, sociale belemmeringen (waaronder sociaal-psychologische en gezinsgerelateerde belemmeringen), economische belemmeringen, belemmeringen in verband met discriminatie en geografische belemmeringen,

HEEFT DEZE AANBEVELING VASTGESTELD EN BEVEELT DE LIDSTATEN HET VOLGENDE AAN

in overeenstemming met de kenmerken van de nationale stelsels voor schoolonderwijs, beroepsonderwijs en -opleidingen, hoger onderwijs en volwassenenonderwijs en die van de sectoren jeugd en sport, alsmede met inachtneming van de academische vrijheid van instellingen voor hoger onderwijs en de autonomie van onderwijs- en opleidingsinstellingen,

1.

Helpen zorgen voor naadloos verkeer van alle lerenden, pedagogen en personeel binnen de Europese Onderwijsruimte teneinde de ontwikkeling van hun sleutelcompetenties te ondersteunen, met name de verwerving van kennis, vaardigheden en attitudes die essentieel zijn voor de groene en de digitale transitie, het opbouwen van vertrouwen en begrip tussen onderwijs- en opleidingsstelsels, de sectoren jeugd en sport, en het bevorderen van actief burgerschap;

2.

Werken aan regelingen voor leermobiliteit die inclusief en ecologisch duurzaam zijn, gebruik te maken van digitale technologieën, en gemeenschappelijke EU-waarden te bevorderen (26);

3.

Zich sterker inzetten voor mobiliteit voor iedereen en tussen nu en 2030 te werken aan verwezenlijking van de doelstellingen op EU-niveau door:

a)

in het hoger onderwijs het percentage afgestudeerden met een leermobiliteitservaring in het buitenland ten minste 23 % te doen bedragen;

b)

in beroepsonderwijs en -opleiding het percentage lerenden met een leermobiliteitservaring in het buitenland ten minste 12 % te doen bedragen.

Voornoemde doelstellingen zijn voor de EU als geheel en moeten derhalve worden berekend op het niveau van de EU. Rekening houdend met hun verschillende uitgangsposities en met oog voor de nationale verschillen wordt de lidstaten verzocht afzonderlijk te helpen om die doelstellingen te realiseren.

De voornoemde doelstellingen op EU-niveau kunnen zo nodig door de Raad worden herzien in het licht van:

een voorstel van de Commissie voor een geactualiseerde methode voor gegevensvergaring voor het hoger onderwijs;

de komende evaluatie van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding.

4.

Zich inzetten voor een inclusieve aanpak van leermobiliteit in alle sectoren van onderwijs- en opleiding en in de sectoren jeugd en sport door mogelijkheden voor leermobiliteit toegankelijker te maken voor kansarme personen (27) door:

a)

ernaar te streven om tussen nu en 2027 collectief ervoor te zorgen dat kansarme personen goed zijn voor ten minste 20 % van alle lerenden die van leermobiliteit in het buitenland (28) profiteren;

b)

te overwegen een doelstelling voor het EU-niveau overeen te komen dat uiterlijk in 2030 moet zijn bereikt, en om dat te doen op basis van een in 2026 door de Commissie uit te brengen voorstel voor een gegevensvergaringsmethode ter meting van het aandeel kansarme personen onder alle lerenden die van leermobiliteit in het buitenland profiteren in de onderwijs- en opleidingssector en in de sectoren jeugd en sport.

5.

Zorgen voor samenwerking met belanghebbenden op het gebied van leermobiliteit met het oog op uitvoering van deze aanbeveling.

6.

Systemische mogelijkheden voor leermobiliteit bieden door:

a)

te overwegen leermobiliteit in het buitenland integraal onderdeel te maken van schoolonderwijs, beroepsonderwijs en -opleidingen, leerlingplaatsen, hoger onderwijs en stelsels voor volwasseneneducatie en -opleiding door te werken aan opname van de mogelijkheden voor leermobiliteitsperioden in het buitenland middels flexibele mobiliteitsvensters, keuzevakken en andere mogelijkheden;

b)

onderwijsinstellingen en aanbieders van opleidingen te ondersteunen bij de ontwikkeling en uitvoering van een toenemend aantal grensoverschrijdende gezamenlijke activiteiten, waaronder gezamenlijke programma’s die tot gezamenlijke diploma’s leiden, door optimaal gebruik te maken van Europese initiatieven, met name allianties van Europese Universiteiten, kenniscentra voor beroepsopleiding, nationale teams voor beroepsonderwijs en -opleiding, allianties voor innovatie en Erasmus+ Teacher Academies, alsmede door voort te bouwen op de ervaringen van allianties van Europese Universiteiten die ernaar streven 50 % van de studenten met fysieke, virtuele en gemengde mobiliteitsopties deel te laten nemen aan mobiliteit;

c)

inkomende en uitgaande leermobiliteit in het niet-formele en informele leren, in het jeugdwerk en het vrijwilligerswerk te bevorderen en te integreren als waardevolle en haalbare mobiliteitsopties voor alle lerenden, pedagogen en personeel, onder meer met behulp van bewustmaking, outreach en andere steun aan aanbieders van niet-formeel en informeel leren, lokale en regionale overheden, jeugdwerk en maatschappelijke organisaties;

d)

de toepassing van kwaliteitscriteria voor de voorbereiding, uitvoering en follow-up van leermobiliteitsactiviteiten te ondersteunen, onder meer door voort te bouwen op kwaliteitsnormen die zijn ontwikkeld in het kader van Erasmus+, het programma Europees Solidariteitskorps en andere regelingen voor leermobiliteit, en door zich te richten op de toegankelijkheid en inclusiviteit van die activiteiten;

e)

samenwerking tussen de beheers- en uitvoeringsinstanties van financieringsinstrumenten op EU-, internationaal, nationaal en regionaal niveau, te bevorderen, zodat activiteiten ter ondersteuning en bevordering van leermobiliteit worden gecoördineerd, waarbij overlappingen moeten worden vermeden en het effect van de middelen moet worden gemaximaliseerd.

7.

Het aanleren van talen verbeteren door:

a)

waar mogelijk het taalonderwijs in alle stadia van onderwijs en opleiding, alsmede in de sectoren jeugd en sport te versterken ten bate van meer opties en mogelijkheden voor leermobiliteit;

b)

de toegang tot het onderwijs en het leren van talen, ook voor volwassen lerenden, te stimuleren, teneinde de competenties op het gebied van meertaligheid te verbeteren en burgers in staat te stellen ten volle te profiteren van leermobiliteit en hun arbeidskansen te vergroten.

8.

De betrokkenheid bij leermobiliteitsactiviteiten ondersteunen door:

a)

in alle leerfasen van het onderwijs en opleidingswezen en binnen het niet-formele en het informele leren, het jeugd- en vrijwilligerswerk alsmede binnen sportomgevingen een cultuur van leermobiliteit voor een leven lang leren op te bouwen. Mogelijke maatregelen daartoe omvatten:

i)

de ontwikkeling van uiteenlopende mobiliteitsvormen en -activiteiten;

ii)

de ondersteuning van zowel uitzendende als ontvangende organisaties die over een internationaliseringsstrategie beschikken;

iii)

het aantrekkelijker maken van zowel onderwijs- en opleidingsinstellingen als niet-formele en informele leeromgevingen in de sectoren jeugd en sport, wat betreft het ontvangen en uitzenden van mobiele lerenden;

iv)

aanmoediging van alumninetwerken om leerervaringen te ontwikkelen en te bevorderen.

b)

de samenwerking tussen regionale en lokale autoriteiten, aanbieders van onderwijs en opleidingen, de sectoren jeugd en sport, maatschappelijke organisaties, niet-gouvernementele organisaties en particuliere instanties aan te moedigen teneinde uitgaande leermobiliteit te bevorderen en te ondersteunen, ook voor kansarme personen, en door inkomende deelnemers aan leermobiliteit uit het buitenland een gastvrije omgeving te bieden;

c)

autoriteiten en organisaties die regelingen beheren voor zowel inkomende als uitgaande mobiliteit aan te moedigen de administratieve lasten voor organisaties en deelnemers te verminderen en gedurende de gehele aanvraagprocedure duidelijkheid te verschaffen;

d)

flexibele leermobiliteitsvormen te ondersteunen die deelname van een diversere groep mensen kunnen bevorderen en die kunnen dienen als opstap naar langere mobiliteitsperioden. Het kan daarbij gaan om groepsmobiliteitsactiviteiten, kortlopende mobiliteit en gemengde intensieve programma’s en andere leerervaringen die tot microcredentials kunnen leiden, in overeenstemming met de Europese aanpak van microcredentials voor een leven lang leren en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

e)

waardering te geven voor het werk van pedagogen, personeel en jeugdwerkers die leermobiliteitsprojecten en -activiteiten voorbereiden en uitvoeren door deze in te bedden in hun beroep en door de meerwaarde van personeelsmobiliteit te erkennen.

9.

Informatie verstrekken over mogelijkheden voor leermobiliteit door:

a)

op nationaal, regionaal of lokaal niveau, naargelang het geval, mensen/instanties die leermobiliteit promoten — coördinatoren, contactpunten, ambassadeurs of specifieke informatiecentra voor leermobiliteit — aan te stellen om hun deskundigheid te delen met aanbieders van onderwijs en opleiding, de sectoren jeugd en sport, maatschappelijke organisaties en particuliere instanties, teneinde de betrokkenheid bij activiteiten op het gebied van leermobiliteit te ondersteunen en op nationaal niveau en binnen de EU te netwerken;

b)

lerenden gerichte informatie aan te bieden over mogelijkheden voor leermobiliteit gedurende de hele cyclus van een leven lang leren, waaronder de school-, jeugd- en arbeidscontext, bij aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs, aanbieders van jeugd- en vrijwilligerswerk, instellingen voor hoger onderwijs en werkgevers, door samen te werken met mensen/instanties die leermobiliteit promoten en door informatie over mogelijkheden voor leermobiliteit te integreren in studie- en loopbaanbegeleiding;

c)

de voordelen van een mobiliteitsperiode in het buitenland te promoten en advies, tips en mentorschap te verstrekken, met name aan kansarme lerenden, onder meer door optimaal gebruik te maken van de Erasmus+-app;

d)

ontvangende organisaties aan te moedigen om te zorgen voor een soepele opvang van lerenden, onder meer door ervoor te zorgen dat informatie en relevant materiaal gemakkelijk beschikbaar is;

e)

informatie over mobiliteitsmogelijkheden te verstrekken door het gebruik en de werking van de netwerken Euroguidance en Eurodesk te optimaliseren;

f)

informatie te verstrekken over de levens- en arbeidsomstandigheden in de gastlanden door gebruik te maken van de informatie die beschikbaar is op het Eures-portaal over levens- en arbeidsomstandigheden in alle lidstaten en EVA-landen en het relevante deel van de EU-leerhoek, onder meer door die informatie te koppelen aan nationale portaalsites voor leermobiliteit.

10.

Transparantie en de erkenning van leerresultaten ondersteunen door:

a)

de nodige stappen te zetten voor de automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en van de resultaten van een leerperiode in het buitenland in het hoger onderwijs en substantiële vooruitgang te boeken met de automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van onderwijs en opleidingen op hoger secundair niveau die toegang geven tot het hoger onderwijs en van de resultaten van een leerperiode in het buitenland tijdens onderwijs en opleidingen op hoger secundair niveau, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding, alsook virtueel en gemengd leren, door begeleiding en opleiding te bieden aan aanbieders van onderwijs en opleiding en door te zorgen voor consistentie in de besluitvorming over erkenning;

b)

de beschikbare regelingen en instrumenten die de erkenning van leerresultaten kunnen ondersteunen ten volle benutten, onder meer door consistente nationale benaderingen van automatische wederzijdse erkenning te vergemakkelijken en door ervoor te zorgen dat voor de externe kwaliteitsborging een beroep wordt gedaan op onafhankelijke kwaliteitsborgingsagentschappen die bij het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR) zijn geregistreerd;

c)

onderwijs- en opleidingsinstellingen aan te moedigen, rekening houdend met de regels inzake gegevensbescherming, een register bij te houden van besluiten over de erkenning van leerresultaten, om consistentie en transparantie van de besluitvorming in de loop der tijd en tussen de verschillende organisatiestructuren van de instellingen te waarborgen, teneinde inzicht te krijgen in het concept en de definitie van automatische wederzijdse erkenning;

d)

stappen te zetten naar de volledige erkenning van competenties die zijn verworven door leermobiliteit in niet-formeel en informeel leren, jeugd- en vrijwilligerswerk door het bevorderen van samenwerking op het gebied van validatieregelingen tussen de relevante instanties in de onderwijs- en opleidingssectoren, aanbieders van niet-formeel leren en maatschappelijke organisaties, zodat resultaten van niet-formeel en informeel leren gemakkelijker kunnen worden gebruikt in een formele onderwijs- en opleidingscontext en op de arbeidsmarkt;

e)

aanbieders van onderwijs en opleiding en organisatoren van leermobiliteitsactiviteiten voor jongeren, jeugd- en vrijwilligerswerk te ondersteunen bij het systematisch gebruik van EU-kaders en -instrumenten, waaronder Europass, de meertalige Europese classificatie van vaardigheden, competenties en beroepen, Europese digitale credentials voor leerprestaties, het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren, Europass-mobiliteit en Youthpass en/of nationale kaders ter ondersteuning van identificatie, documentatie, beoordeling en, in voorkomend geval, certificering van door leermobiliteit ontwikkelde competenties;

f)

te bekijken of er stappen kunnen worden gezet in de richting van ratificatie van de mondiale UNESCO-overeenkomst inzake de erkenning van kwalificaties in het hoger onderwijs om vooruitgang te boeken met de eerlijke en transparante erkenning van kwalificaties uit derde landen, gedeeltelijke studies en eerdere leerresultaten; informatie over de procedures voor de erkenning van kwalificaties uit derde landen openbaar te maken;

g)

gebruik te maken van beleidssamenwerking, met name de mondiale beleidsdialoog in het kader van het Bolognaproces en samenwerking tussen erkenningsautoriteiten en kwaliteitsborgingsinstanties, om capaciteiten te ontwikkelen in instellingen voor hoger onderwijs in derde landen en om kwaliteitsborgingsprocessen op elkaar af te stemmen teneinde de leerresultaten van de mobiliteitservaringen van studenten uit derde landen te maximaliseren en met het oog op de volledige erkenning van de mobiliteitsperioden voor het diploma van de student in zijn of haar eigen land.

11.

De overgang naar de arbeidsmarkt en arbeidsmobiliteit ondersteunen door:

a)

de overgang van leermobiliteit naar arbeidsmobiliteit te vergemakkelijken door mobiele lerenden, pedagogen, personeel en jeugdwerkers te helpen toegang te krijgen tot de steun voor werkzoekenden van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en Eures;

b)

lerenden, met inbegrip van pas afgestudeerden, via het programma Erasmus+ te helpen stage te lopen in het buitenland om hun ondernemers-, innovatieve, creatieve en interculturele vaardigheden te ontwikkelen;

c)

relevante organisaties aan te moedigen om stagiairs uit het buitenland te ontvangen, onder meer door middel van bewustmaking en toegankelijke informatie.

12.

Leermobiliteit inclusiever en toegankelijker maken door:

a)

het ontwikkelen van specifieke maatregelen ter ondersteuning van de mobiliteit van kansarme personen in onderwijs- en opleidingsstelsels, alsook in de sectoren jeugd en sport;

b)

belemmeringen om in te spelen op de behoeften van kansarmen weg te nemen vanaf het begin van de ontwikkeling van leeractiviteiten;

c)

de nodige ondersteuning te bieden om leermobiliteit toegankelijk te maken voor kansarme personen, en door steun te verlenen aan organisaties die hen opvangen, bijvoorbeeld door te voorzien in passende financiering op nationaal of regionaal niveau en door synergieën tussen verschillende EU-, internationale, nationale en regionale financieringsinstrumenten te bevorderen;

d)

tijdig toegankelijke en actuele informatie te verstrekken over beschikbare financiering voor leermobiliteit, de timing van betalingen en andere beschikbare steun voor lerenden;

e)

lerenden te ondersteunen door tekorten aan studentenwoningen aan te pakken in samenwerking met de betrokken nationale, regionale en lokale autoriteiten;

f)

in overeenstemming met de EU- en nationale wetgeving te zorgen voor passende bescherming van deelnemers aan leermobiliteit, met inbegrip van leerlingen, stagiairs, jonge onderzoekers, jeugdwerkers en vrijwilligers, met name minderjarigen, op het gebied van verzekering, arbeidsnormen, gezondheids- en veiligheidseisen, belastingen, sociale zekerheid, met inbegrip van toegang tot gezondheidszorg, en, in voorkomend geval, de mogelijkheid om pensioenrechten op te bouwen.

13.

Leermobiliteit ecologisch duurzaam maken door:

a)

in voorkomend geval, van en naar bestemmingen voor leermobiliteit en tijdens mobiliteitsperioden te reizen met duurzamere vervoermiddelen, en advies te verstrekken over duurzaam reizen;

b)

aanbieders van onderwijs en opleiding, de sectoren jeugd en sport en maatschappelijke organisaties die leermobiliteitsactiviteiten organiseren, te helpen om duurzaamheidspraktijken in hun dagelijkse activiteiten te integreren door middel van opleiding, richtsnoeren en uitwisseling van goede praktijken;

c)

aanbieders van onderwijs en opleiding en de sectoren jeugd en sport op organisatorisch niveau te ondersteunen bij hun inspanningen om door reizen in het kader van leermobiliteit veroorzaakte broeikasgasemissies te verminderen.

14.

Gebruik maken van digitale technologieën om leermobiliteit te vergemakkelijken door:

a)

de ontwikkeling en het gebruik van interoperabele IT-systemen op basis van gemeenschappelijke Europese normen aan te moedigen. Die systemen moeten lerenden, pedagogen en personeel in staat stellen leermobiliteitservaringen te beheren en te registreren, met volledige inachtneming van de toepasselijke wetgeving inzake gegevensbescherming, en organisaties in staat stellen om informatie te verstrekken over mobiliteitsmogelijkheden, mobiliteit te beheren, automatische wederzijdse erkenning te ondersteunen en de administratieve lasten te verminderen, door gebruik te maken van de mogelijkheden van het initiatief voor een Europese studentenkaart en de tools van het Europass-platform, waaronder de digitalisering van leercredentials met de infrastructuur van de Europese digitale credentials voor leerprestaties;

b)

bij te dragen aan initiatieven die de mobiliteit van onderzoekers ondersteunen en relevante informatie en ondersteunende diensten verstrekken, waaronder Euraxess (29) en het komende EOR-talentenplatform (30);

c)

ondersteuning te verlenen aan aanbieders van onderwijs en opleiding, de sectoren jeugd en sport en maatschappelijke organisaties, zodat zij, ter aanvulling van fysieke mobiliteit, de nodige nieuwe digitale tools kunnen creëren en gebruiken en/of bestaande digitale tools kunnen gebruiken;

d)

de ontwikkeling van hoogwaardige vormen van gemengde mobiliteit te ondersteunen door de bestaande nationale kaders aan te passen om complementaire innovatieve mobiliteitsvormen die gebruikmaken van digitale technologieën verder te faciliteren;

e)

te onderzoeken hoe AI belemmeringen voor leermobiliteit kan helpen overwinnen.

15.

De waarden van de EU met leermobiliteit bevorderen door:

a)

alle lerenden, pedagogen en personeel aan te moedigen om tijdens hun leermobiliteitsperiode in het buitenland deel te nemen aan het leven van de gastgemeenschappen, onder meer door vrijwilligersactiviteiten;

b)

leermobiliteitservaringen te verrijken met opleidingen op het gebied van intercultureel bewustzijn, burgerparticipatie, digitale en mediageletterdheid en kennis van de EU en haar waarden en grondrechten;

c)

inkomende lerenden, pedagogen en personeel informatie te verstrekken die relevant is voor de lokale context en een welkomstcultuur tot stand te brengen met behulp van mentoren en administratieve ondersteuning;

d)

ervoor te zorgen dat mobiele lerenden, opleiders en personeel maximale academische vrijheid genieten; onderwijs- en opleidingsinstellingen aan te moedigen om een kwaliteitscultuur te ontwikkelen, onder meer door kwaliteitsborging, waarin de beginselen van academische integriteit tijdens mobiliteitsperioden volledig in acht worden genomen.

16.

De EU als leerbestemming promoten door:

a)

nauw samen te werken om de aantrekkelijkheid van de EU te vergroten, gebruik makend van het bestaande scala van nationale en regionale initiatieven, zoals het project “Studie in Europa” in het hoger onderwijs;

b)

leermobiliteit in andere delen van de wereld te vergemakkelijken, met name met landen met een vooruitzicht op toetreding, door nauwere samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en onderwijs- en opleidingsinstellingen in die landen en die in de EU. In dit verband kunnen talentpartnerschappen een kader bieden voor sterkere samenwerkingspartnerschappen met belangrijke derde landen op basis van onderling overeengekomen doelstellingen. Dankzij dergelijke samenwerking kan leermobiliteit indirect helpen om een antwoord te bieden op vaardigheidskloven in derde landen en de EU, bijvoorbeeld door te focussen op vaardigheidskloven in sectoren die met de groene en de digitale transitie te maken hebben, en de inzetbaarheid van lerenden te verbeteren;

c)

het ondersteunen van de tijdige afgifte van visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen aan onderdanen van derde landen die zijn geselecteerd voor een leermogelijkheid in een lidstaat, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/801 (31) of van visa voor kort verblijf, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 810/2009 (32), afhankelijk van de voorgenomen verblijfsduur in de EU.

17.

De uitvoering van deze aanbeveling ondersteunen door:

a)

het aanmoedigen van strategische discussies op Europees, nationaal en regionaal niveau en tussen de lidstaten over mogelijke internationaliserings- en/of mobiliteitsstrategieën of -benaderingen, het delen van goede praktijken en deelname aan activiteiten op het gebied van collegiaal leren, in samenwerking met alle relevante belanghebbenden;

b)

de Commissie vóór eind 2026 in kennis te stellen van bestaande of geplande internationaliserings- en/of mobiliteitsstrategieën of -benaderingen die de uitvoering van deze aanbeveling kunnen ondersteunen in het hoger onderwijs, het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, het schoolonderwijs, het volwassenenonderwijs en de sectoren jeugd en sport, waarbij aandacht wordt besteed aan zowel uitgaande als inkomende leermobiliteit.

VERZOEKT DE COMMISSIE OM:

18.

tussen nu en 2026, in nauwe samenwerking met de lidstaten en op basis van het deskundigenadvies van de Permanente Groep indicatoren en benchmarks, een voorstel te ontwikkelen voor een methode voor gegevensverzameling (als bedoeld in de aanbevelingen 3 en 4) om het volgende te meten:

het percentage afgestudeerden met een leermobiliteitservaring in het buitenland in het hoger onderwijs;

het aandeel kansarmen onder alle lerenden die in het kader van hun onderwijs en opleiding en in de sectoren jeugd en sport profiteren van leermobiliteit in het buitenland;

naar behoren rekening te houden met mogelijke gevoeligheden met betrekking tot gegevens in verband met inclusieve leermobiliteit en aan de lidstaten geen extra administratieve lasten op te leggen; aan de Raad regelmatig verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang (via het Onderwijscomité als bevoegde voorbereidende instantie van de Raad):

19.

de uitwisseling van goede praktijken, de deelname aan activiteiten op het gebied van collegiaal leren en de strategische besprekingen op Europees, nationaal en regionaal niveau en tussen de lidstaten als bedoeld in aanbeveling 17 te ondersteunen;

20.

de uitvoering van deze aanbeveling verder te ondersteunen, voortbouwend op de samenwerking tussen de werkgroepen van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding en in samenwerking met de Permanente Groep indicatoren en benchmarks (SGIB);

21.

de actiegebieden van de bestaande financieringsinstrumenten op EU-, internationaal, nationaal en regionaal niveau in kaart te brengen om het bewustzijn van hun potentiële acties en goede praktijken ter ondersteuning van leermobiliteit te vergroten en een doeltreffende synergetische aanpak bij de relevante belanghebbenden te bevorderen;

22.

samen te werken met de lidstaten, onder meer binnen de Permanente Groep indicatoren en benchmarks, en relevante belanghebbenden om de kwaliteit en beschikbaarheid van gegevens verder te verbeteren en op EU-niveau methoden te ontwikkelen voor gegevensverzameling en -analyse, met inbegrip van enquêtes over leermobiliteit in alle onderwijs- en opleidingssectoren en in de sectoren jeugd en sport, zoals de Europese enquête voor het volgen van afgestudeerden, die ook rekening kunnen houden met inclusiviteit en territoriale diversiteit, met volledige inachtneming van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en zonder extra administratieve lasten op te leggen aan de lidstaten;

23.

het mobiliteitsscorebord te vernieuwen, in nauwe samenwerking met deskundigen uit de lidstaten, om de uitvoering van deze aanbeveling te monitoren en alle onderwijs- en opleidingssectoren en de sectoren jeugd en sport op te nemen in het scorebord;

24.

de participatie van jongeren bij het ontwerp en de uitvoering van strategieën en programma’s voor leermobiliteit op nationaal, regionaal, lokaal en Europees niveau, aan te moedigen en te ondersteunen;

25.

het gebruik van EU-instrumenten ter ondersteuning van de uitvoering van leerperioden in het buitenland verder te ontwikkelen, te bevorderen en te ondersteunen via de programma’s van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps, zoals de netwerken Euroguidance en Eurodesk, het initiatief inzake de Europese studentenpas, onlinetaalondersteuning, het Europees platform voor schoolonderwijs, de Europese Jongerensite, algemene online-opleiding, Youthpass en Europass;

26.

het gebruik van EU-instrumenten ter ondersteuning van de transparantie en validatie van resultaten van leerperioden in het buitenland en van credentials verder te ontwikkelen, te optimaliseren, te bevorderen en te ondersteunen via het Erasmus+-programma, met name Youthpass en het Europass-platform/Europass-Mobility, met inbegrip van semantische interoperabiliteit via het Europees leermodel en de Europese digitale credentials voor leerprestaties;

27.

instellingen voor hoger onderwijs en allianties van instellingen voor hoger onderwijs, zoals de “Europese Universiteiten”, verder te ontwikkelen en te ondersteunen om hen in staat te stellen gezamenlijke programma’s aan te bieden en gezamenlijke diploma’s uit te reiken, in overeenstemming met de EU- en Bologna-instrumenten;

28.

allianties van Europese universiteiten, onder meer via het Erasmus+-programma en beleidsondersteuning, verder te ontwikkelen en te ondersteunen zodat zij hun volledige potentieel kunnen benutten en voor het hoger onderwijs als rolmodel kunnen fungeren door naadloze en geïntegreerde mobiliteit op Europese interuniversitaire campussen te bevorderen, het gebruik van microcredentials te stimuleren en — in nauwe samenwerking met de lidstaten, instellingen voor hoger onderwijs, studentenorganisaties en relevante actoren — de opties en nodige stappen te verkennen voor de invoering van een label voor gezamenlijke Europese diploma’s op basis van gemeenschappelijke en in overleg bepaalde criteria;

29.

vrijwillige EU-initiatieven die de mobiliteit op het gebied van onderwijs en opleiding kunnen vergroten, zoals Erasmus + Teacher Academies en kenniscentra voor beroepsopleiding, verder te ontwikkelen en ondersteunen;

30.

het Erasmus+-programma verder te ondersteunen door samenwerking en wederzijds leren tussen de lidstaten aan te moedigen met het oog op het waarborgen van de automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties en resultaten van leerperioden in het buitenland in alle onderwijs- en opleidingssectoren op alle niveaus, ook voor virtueel en blended leren;

31.

de lidstaten te blijven steunen bij de invoering van een alomvattende aanpak van het onderwijzen en leren van talen, met name door middel van activiteiten op het gebied van intercollegiaal leren, bevordering van initiatieven en evenementen zoals de Europese Dag van de Talen en samenwerking met belanghebbenden en internationale organisaties zoals de OESO en de Raad van Europa, met zijn Europees Centrum voor moderne talen, met het oog op de ontwikkeling van innovatieve tools voor het leren van talen, waaronder digitale en AI-tools;

32.

synergieën en complementariteit te bevorderen tussen de EU-programma’s voor leermobiliteit, zoals Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps, en andere financieringsinstrumenten op EU-, internationaal, nationaal en regionaal niveau, zoals de fondsen voor het cohesiebeleid, met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds Plus, met het ALMA-initiatief (Aim, Learn, Master, Achieve), om het effect van de acties ter bevordering van de mogelijkheden voor leermobiliteit in alle lidstaten te maximaliseren, onder meer door het ondersteunen van de uitvoering van instrumenten en strategieën om de deelname van kansarme personen te vergroten;

33.

lidstaten op hun verzoek te ondersteunen bij hun inspanningen om internationaliserings- en/of mobiliteitsstrategieën of -benaderingen op nationaal niveau en tussen meerdere landen te hervormen en te versterken met behulp van EU-instrumenten, zoals het instrument voor technische ondersteuning en de mogelijkheden van Erasmus+.

34.

tussen nu en 2025 een studie op te stellen over de kansen, uitdagingen en gevolgen van evenwichtige mobiliteit (met inbegrip van studiepunten- en diplomamobiliteit) in de EU, rekening houdend met de verschillende gevolgen van braincirculation.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2024.

Voor de Raad

B. DALLE


(1)  Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1) worden competenties gedefinieerd als een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes.

(2)  COM(2020) 625 final.

(3)  Zie de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 “Jeugd in beweging — de leermobiliteit van jongeren bevorderen” (PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1).

(4)   PB C 66 van 26.2.2021, blz. 1.

(5)   PB C 185 van 26.5.2023, blz. 35.

(6)  Cedefop, Working together towards attractive, inclusive, innovative, agile and flexible VET, Cedefop-achtergrondnota, 2023.

(7)   PB C 417 van 2.12.2020, blz. 1.

(8)  Het Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen in praktijk brengen — Uitvoering van de aanbeveling van de Raad door de lidstaten, SWD (2021) 230 final.

(9)   PB C 153 van 2.5.2018, blz. 1.

(10)  Cedefop, Enablers and disablers of cross-border long-term apprentice mobility: evidence from country- and project-level investigations, Referentieseries van Cedefop nr. 120, Bureau voor publicaties, Luxemburg, 2021.

(11)   PB C 167 van 21.4.2022, blz. 2.

(12)  Werkdocument van de diensten van de Commissie bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren (2019-2021) (SWD(2021) 286 final).

(13)   PB C 157 van 11.4.2022, blz. 1.

(14)  De definities van “automatische wederzijdse erkenning van een kwalificatie” en “automatische wederzijdse erkenning van de resultaten van een leerperiode in het buitenland”, zowel op het niveau van het hoger onderwijs als op het niveau van hoger secundair onderwijs en hogere secundaire opleidingen, zijn opgenomen in de bijlage bij de aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (PB C 444 van 10.12.2018, blz. 1) en zijn volledig van toepassing op deze aanbeveling.

(15)   PB C 185 van 26.5.2023, blz. 44.

(16)  COM(2023) 91 final.

(17)   PB L 189 van 28.5.2021, blz. 1.

(18)  Uitgaande van de verscheidenheid aan mobiliteitsmogelijkheden voor jongeren in het kader van Erasmus + en het Europees Solidariteitskorps, verwijst de “leermobiliteit van de jeugdsector” naar de leermobiliteit van jongeren, jeugdwerkers en vrijwilligers in niet-formele en informele leeromgevingen. Voor de toepassing van deze aanbeveling slaat “leermobiliteit in de jeugdsector” tevens op andere nationale mobiliteitsprogramma’s.

(19)  In het kader van kernactie 1 van de Erasmus+-sportacties wordt “leermobiliteit in de sportsector” gedefinieerd als de mobiliteit van het personeel van sportorganisaties, voornamelijk in breedtesport, die de kans krijgen om hun competenties en kwalificaties te verbeteren en nieuwe vaardigheden te verwerven dankzij verblijf in het buitenland, hetgeen bijdraagt tot de capaciteitsopbouw en ontwikkeling van sportorganisaties. Deze actie ondersteunt de professionele ontwikkeling van coaches en ander personeel (zowel betaald personeel als vrijwilligers) in de breedtesport. Voor de toepassing van deze aanbeveling slaat “leermobiliteit in de sportsector” tevens op andere nationale mobiliteitsprogramma’s.

(20)  De indicator wordt gebaseerd op mobiliteitsgegevens uit de administratieve-gegevensverzameling van UNESCO-OESO/Eurostat (UOE).

(21)  Met inbegrip van de resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over de aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (2020/2767(RSP))

(22)  De indicator wordt gebaseerd op mobiliteitsgegevens afkomstig van Erasmus+-gegevens en gegevens over afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleidingen afkomstig van de UOE-dataverzameling. Indien beschikbaar en uitsluitend indien de verstrekte gegevens vergelijkbaar zijn met Erasmus+-gegevens, kunnen in aanvulling op de Erasmus+-gegevens ook gegevens van de mobiliteitsprogramma’s van de nationale autoriteiten worden gebruikt, bijvoorbeeld ten aanzien van de duur van de mobiliteit. Indien er gegevens van nationale overheden worden gebruikt, moet dat op transparante wijze worden aangegeven.

(23)  Resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021-2030) (PB C 66 van 26.2.2021, blz. 1).

(24)  COM(2022) 198 final.

(25)  Uitvoeringsrichtsnoeren voor de inclusie- en diversiteitsstrategie van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps.

(26)  Zoals bepaald in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(27)  Overeenkomstig Verordening (EU) 2021/817 wordt onder “kansarme personen” verstaan: personen die om economische, sociale, culturele, geografische of gezondheidsredenen, wegens hun migrantenachtergrond, een handicap of onderwijsproblemen, of om enige andere reden, met inbegrip van een reden die aanleiding zou kunnen geven tot discriminatie in de zin van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, kampen met belemmeringen die hen beletten daadwerkelijk toegang tot mogelijkheden voor leermobiliteit te krijgen.

(28)  Er bestaat momenteel geen EU-brede indicator voor inclusieve leermobiliteit, maar het is wel mogelijk het aandeel kansarme personen onder alle lerenden die profiteren van leermobiliteit in het buitenland te ramen, namelijk aan de hand van mobiliteitsgegevens uit de programma’s Erasmus+ en Europees Solidariteitskorps. Hoewel deze gegevens verre van alle soorten leermobiliteit in het buitenland dekken, kan op basis daarvan de best mogelijke raming worden gemaakt.

(29)   “Euraxess — Onderzoekers in beweging” is een centraal aanspreekpunt voor onderzoekers en innovatoren die hun loopbaan en persoonlijke ontwikkeling willen bevorderen door naar een ander land te verhuizen.

(30)  De actie voor EOR-talenten, ondersteund door het programma Horizon Europa, heeft tot doel de interoperabiliteit van loopbanen en de inzetbaarheid van talenten op het gebied van onderzoek en innovatie in alle sectoren te stimuleren.

(31)  Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).

(32)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).


BIJLAGE I

Een beleidskader voor de mobiliteit van leerkrachten

In de mededeling van de Commissie “De Europese Onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen”  (1) van 2020 wordt gesteld dat de Commissie “samen met de lidstaten en belanghebbenden een beleidskader [zal] ontwikkelen om de leermobiliteit van leerkrachten in Europa kwalitatief en kwantitatief te verbeteren op basis van hun reële mobiliteitsbehoeften”.

De resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021–2030) (2) voorziet in specifieke acties ten behoeve van leerkrachten en opleiders, die een prioriteit vormen. In het kader van die acties zal de mogelijkheid worden onderzocht om een beleidskader voor de mobiliteit van leerkrachten te ontwikkelen.

Een dergelijk kader is nodig om een antwoord te bieden op de specifieke uitdagingen voor leerkrachten, die ook worden geanalyseerd in het werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023) 719 final) waarvan dit voorstel vergezeld gaat.

Dit kader schetst een reeks acties die op school-, lokaal, regionaal en systeemniveau kunnen worden uitgevoerd om belemmeringen voor de mobiliteit van leerkrachten in de EU-lidstaten aan te pakken. Het is bedoeld als inspiratiebron voor belanghebbenden die hun eigen strategieën voor de mobiliteit van leerkrachten wensen te ontwikkelen die zijn afgestemd op hun eigen systemen, en als toolbox van ideeën om de mobiliteit van leerkrachten te bevorderen. Het vormt een aanvulling op en verdere uitwerking van de acties die zijn gespecificeerd in de conclusies van de Raad over het vergroten van de mobiliteit van leraren en opleiders, in het bijzonder de Europese mobiliteit, tijdens hun initieel onderwijs, initiële opleiding en bijscholingen (3), en het bevorderen van de waarde van leerkrachten in scholen en gemeenschappen. In de conclusies van de Raad wordt gewezen op het positieve effect van leermobiliteit in het buitenland op de professionele ontwikkeling van leerkrachten en op onderwijs- en opleidingsstelsels, en worden belemmeringen voor mobiliteit in kaart gebracht. In deze bijlage wordt ingezoomd op de noodzaak om deze belemmeringen weg te nemen en een levensvatbaar traject uit te stippelen voor de mobiliteit van leerkrachten, zowel in de initiële lerarenopleiding als tijdens hun bij- en nascholing en afgestemd op de behoeften van de nationale onderwijs- en opleidingsstelsels.

Het onderliggende idee is dat leermobiliteit een integrerend onderdeel moet zijn van de initiële opleiding en de bij- en nascholing van leerkrachten, de aantrekkelijkheid van het beroep van leerkracht kan vergroten en belangrijk is voor de verdere ontwikkeling van scholen en onderwijs- en opleidingsstelsels om te komen tot een Europese Onderwijsruimte.

De Commissie zal de lidstaten ondersteunen bij het invoeren van de noodzakelijke regelingen en maatregelen die in dit document worden toegelicht, met name door de uitwisseling van beste praktijken en intercollegiaal leren. Die maatregelen zullen voortbouwen op de goede praktijken die zijn ontwikkeld in het kader van het Erasmus+-programma, zoals de Erasmus+ Teacher Academies, die tot doel hebben leerkrachten aan het begin van hun loopbaan te ondersteunen en hun professionele ontwikkeling te versterken.

In overeenstemming met het nationale systeem van hun lidstaat kunnen belanghebbenden de hierboven geschetste algemene doelstellingen op school-, regionaal, lokaal en systeemniveau verwezenlijken door:

1.

mobiliteitsmogelijkheden aan te bieden in het kader van de initiële opleiding en de bij- en nascholing van leerkrachten:

a)

initiële opleiding:

bekijken of er inclusieve en genderevenwichtige mobiliteitsmogelijkheden als aanbevolen onderdeel van de leerplannen in de initiële leerkrachtenopleiding kunnen worden opgenomen;

leermobiliteit erkennen als integrerend onderdeel van de initiële leerkrachtenopleiding, met name eventuele onderwijsopdrachten in het buitenland erkennen als gelijkwaardig aan binnenschoolse opleidingen in nationale onderwijs- en opleidingsinstellingen;

waar mogelijk voorzien in tijdsblokken (“mobiliteitsvensters”) in het academisch jaar van elke initiële leerkrachtenopleiding, zodat studenten gemakkelijk aan mobiliteitsperioden kunnen deelnemen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun studie;

in de initiële lerarenopleiding modules of elementen opnemen die gericht zijn op het aanreiken van de vaardigheden en competenties die nodig zijn om leermobiliteitsperioden in het buitenland door te brengen.

b)

bij- en nascholing:

de resultaten van de mobiliteitsperiode van een leraar in het buitenland erkennen als een legitiem en waardevol onderdeel van zijn of haar beroepsactiviteiten;

indien mogelijk, mobiliteitsvensters vastleggen en integreren in het schooljaar, wanneer het uitzenden en ontvangen van leerkrachten en toekomstige leerkrachten passend en gemakkelijk uitvoerbaar is, en waar nodig zorgen voor vervangende leerkrachten;

bilaterale overeenkomsten op nationaal of, in voorkomend geval, regionaal niveau sluiten om oplossingen te faciliteren, met name voor de erkenning en vergelijkbaarheid van verworven vaardigheden en competenties (bijvoorbeeld middels een gemeenschappelijk kwaliteitskader en het gebruik van Europese gestandaardiseerde vaardighedenterminologie);

voor zover een en ander haalbaar is en tot de nationale bevoegdheden behoort, scholen ondersteunen met passende middelen en flexibele procedures wanneer leerkrachten die deelnemen aan mobiliteit tijdelijk moeten worden vervangen.

2.

de samenwerking op lokaal niveau te verbeteren door een strategische aanpak van de mobiliteit van leerkrachten te ontwikkelen en uit te voeren:

a)

de mobiliteit van leerkrachten in de algemene ontwikkeling van scholen integreren;

beleidsmakers, schoolleiders, leerkrachtenopleiders en relevante belanghebbenden aanmoedigen om te bepalen hoe leermobiliteit, met inbegrip van de mobiliteit van leerkrachten — ongeacht didactische expertise of geslacht — in ontwikkelingsstrategieën van scholen kan worden geïntegreerd;

bekijken of er doelstellingen op korte, middellange en lange termijn kunnen worden vastgesteld, zodat leermobiliteit een onderdeel wordt van de algemene strategie voor de ontwikkeling van scholen, met inbegrip van het uitzenden en ontvangen van leerkrachten (met inbegrip van leerkrachten in opleiding en ander schoolpersoneel) en samenwerkingsprojecten met organisaties in het buitenland (ook online);

een progressieve strategie volgen om deze doelstellingen te verwezenlijken, te beginnen met het gebruik van digitale instrumenten en platforms, bilaterale samenwerking en samenwerking met grensoverschrijdende regio’s;

indien mogelijk de samenwerking bevorderen tussen scholen in hetzelfde gebied of dezelfde regio om de vervanging van leerkrachten die deelnemen aan leermobiliteitsprogramma’s te vergemakkelijken;

gebruikmaken van het lokale systeem van organisaties die betrokken zijn bij onderwijs en opleiding om partners in het buitenland te vinden;

netwerken van deelnemende instellingen opzetten tussen lidstaten om een systeem voor de mobiliteit van leerkrachten te ontwikkelen op basis van registers van lokale, regionale en nationale onderwijsautoriteiten, schoolconsortia, de eTwinning-gemeenschap en andere bestaande netwerken;

de mobiliteit van leerkrachten versterken door hun taalvaardigheden te verbeteren, meer gebruik te maken van innovatieve methoden voor het onderwijzen en leren van talen, en meertaligheid in de klas te integreren.

b)

de nodige middelen vrijmaken:

bekijken of specifiek personeel (mobiliteitscoördinatoren) kan worden toegewezen om mobiliteitsprojecten en -activiteiten voor te bereiden en uit te voeren, met inbegrip van mentorschap van mobiele leerkrachten, ondersteuning van ontvangende en uitzendende instellingen en de afhandeling van logistieke en administratieve procedures zoals huisvesting, inkomstenbelasting en sociale zekerheid op het meest geschikte niveau (scholen en lokale onderwijs- en opleidingsautoriteiten);

bekijken of de middelen kunnen worden gebundeld op het niveau van de lokale onderwijs- en opleidingsautoriteiten om het hoofd te bieden aan de administratieve werklast die gepaard gaat met de voorbereiding en het beheer van mobiliteitsprojecten, met name om de scholen die over de minste middelen beschikken in staat te stellen deel te nemen aan leermobiliteitsactiviteiten;

de capaciteit van onderwijs- en opleidingsinstellingen versterken om mobiliteitsactiviteiten van zowel praktiserende als toekomstige leerkrachten te organiseren en er profijt van te trekken, waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van de samenwerking met Erasmus+ Teacher Academies;

het werk van personeel dat mobiliteitsmogelijkheden in de praktijk mogelijk maakt, erkennen;

scholen die actief zijn in mobiliteitsprojecten ondersteunen door hun extra middelen ter beschikking te stellen;

synergieën bevorderen met andere lokale, nationale en EU-fondsen naast Erasmus+, met name het Europees Sociaal Fonds Plus en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling.

3.

de voordelen van leermobiliteit te bevorderen en leermobiliteit met de nodige opleiding te ondersteunen:

beleidsmakers op alle niveaus van het onderwijs- en opleidingsstelsel (met name schoolleiders en andere managers op lokaal en regionaal niveau) bewustmaken van de voordelen van grensoverschrijdende leermobiliteit voor onderwijspersoneel en hun impact op de ontwikkeling van organisaties, onder meer door leerlingen te helpen vreemde talen te leren;

aan schoolleiders opleidingen geven inzake de ontwikkeling van scholen (onder meer via job shadowing in het buitenland), ondersteund door leermobiliteit in het buitenland;

stimulansen creëren voor schoolleiders en het werk van schoolleiders die hun scholen en personeel betrekken bij mobiliteitsprojecten waarderen;

de positieve effecten van dergelijke ervaringen voor leerkrachten en lerenden en voor de ontwikkeling van scholen en schoolonderwijs op lokaal, regionaal en nationaal niveau, waarderen en promoten.


(1)  COM(2020) 625 final.

(2)   PB C 66 van 26.2.2021, blz. 1.

(3)   PB C 167 van 21.4.2022, blz. 2.


BIJLAGE II

Een beleidskader voor de mobiliteit van leerlingen

Leerlingplaatsen (1) zijn sinds 2010 een centraal onderdeel van het Europese beleid inzake beroepsonderwijs en -opleiding. Dit is een eerste keer gesteld in het communiqué van Brugge en in 2020 nog eens herhaald in de Verklaring van Osnabrück en de Aanbeveling van de Raad van 24 november 2020 inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (2). De specifieke beleidsprioriteiten zijn sindsdien geëvolueerd en omvatten nu ook de verwezenlijking van grensoverschrijdende leermobiliteit voor leerlingen. Mobiliteit van leerlingen levert duidelijke voordelen op voor de opleiding en inzetbaarheid van jongeren en lerende volwassenen, voor bedrijven — aangezien de vaardigheden van hun werknemers worden uitgebreid — en voor de samenleving als geheel. Een aantal van de vaardigheden en competenties die grensoverschrijdende mobiliteit kan bieden (bv. taal-, interculturele, organisatorische en andere overdraagbare vaardigheden, of specifieke vaardigheden op een technisch gebied die niet voorhanden zijn in de uitzendende onderneming/instelling) kunnen niet in het thuisland worden aangeleerd. Vanwege een aantal specifieke belemmeringen, zoals de complexiteit van de wettelijke verplichtingen in verband met de administratieve status van leerlingen, hun leeftijd, verschillende nationale leerlingstelsels en leerplannen, en het risico op productiviteitsverlies voor werkgevers, hebben leerlingen echter beperkte toegang tot leermobiliteitservaringen. In deze bijlage worden een aantal acties op nationaal niveau voorgesteld die de mobiliteit van leerlingen op systeem-, individueel en bedrijfsniveau kunnen vergemakkelijken. Zij is bedoeld als inspiratiebron voor belanghebbenden die bereid zijn de mobiliteit van leerlingen uit te breiden, en als instrumentarium om die doelstelling te bereiken. Zij bouwt voort op de bepalingen van de aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen.

De lidstaten wordt aanbevolen diverse maatregelen in overweging te nemen om de mobiliteit van leerlingen in beroepsonderwijs en -opleidingen te ondersteunen op basis van de volgende beginselen:

1.

elementen op systeemniveau om de mobiliteit van leerlingen te vergemakkelijken:

a)

mobiliteit van leerlingen opnemen in een nationale strategie voor de internationalisering van onderwijs en opleiding, indien van toepassing, en in sectorale (economische) strategieën, indien passend. Daarbij kan een stapsgewijze aanpak worden gevolgd die voortbouwt op mobiliteit van korte duur en in grensregio’s of specifieke sectoren, of die regelingen voor collectieve of roulerende mobiliteit van korte duur bevordert;

b)

internationalisering bevorderen door voort te bouwen op de knowhow van de kenniscentra voor beroepsopleiding die aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding in alle lidstaten met elkaar in contact brengen, die samenwerking met een breed scala van belanghebbenden aanmoedigen, en die streven naar de ontwikkeling van hoogwaardige leerplannen en kwalificaties die gericht zijn op sectorale behoeften aan vaardigheden en maatschappelijke uitdagingen. Kenniscentra voor beroepsopleiding werken aan een reeks activiteiten, waaronder het integreren van de mobiliteit van lerenden in leerplannen en het verbeteren van de kansen voor mobiliteit van lerenden in het buitenland en van de kwaliteit van die mobiliteitsprogramma’s. Zij fungeren als aanjagers van excellentie en innovatie en bevorderen een proactieve rol voor beroepsonderwijs en -opleiding in de lokale en regionale economische ontwikkeling;

c)

op lokaal, regionaal en nationaal niveau specifiek personeel (ambassadeurs, contactpunten, mobiliteitscoördinatoren) toewijzen om mobiliteit van leerlingen te promoten en via de verschillende nationale en regionale regelingen te faciliteren. Zij kunnen helpen bij de voorbereiding en uitvoering van mobiliteitsprojecten en -activiteiten, met inbegrip van de begeleiding van leerlingen, de ondersteuning van ontvangende en uitzendende instellingen en de afhandeling van logistieke en administratieve procedures;

d)

een systeem voor mobiliteit van leerlingen bevorderen, onder andere door het opzetten van nieuwe netwerken aan te moedigen of bestaande netwerken tussen werkgevers, aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding, openbare diensten voor arbeidsvoorziening en sociale partners te versterken en gebruik te maken van bestaande initiatieven zoals de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen;

e)

regelingen in verband met leerplannen in overweging nemen om de mobiliteit van leerlingen te vergemakkelijken zonder de voltooiing van hun studie in gevaar te brengen en om de in het buitenland verworven leerresultaten te erkennen (bijvoorbeeld door een specifieke mobiliteitsmodule in de leerplannen op te nemen of, waar nodig en haalbaar, afstandsonderwijs in te voeren);

f)

zorgen voor een gemakkelijke toegang tot informatie over de wettelijke en administratieve vereisten voor mobiliteit van leerlingen in verband met schadeloosstelling en de rechtspositie van leerlingen die aan mobiliteitsprogramma’s deelnemen;

g)

de administratieve lasten van de aanvraagprocedure verminderen en de visum- en verblijfsvergunningsprocedures versnellen voor inkomende leerlingen uit derde landen, indien van toepassing en in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/801 (3);

h)

aanmoediging van bilaterale overeenkomsten over de mobiliteit van leerlingen met andere lidstaten en, indien haalbaar, derde landen (of regio’s, indien van toepassing) teneinde de resterende belemmeringen voor de erkenning en vergelijkbaarheid van verworven vaardigheden en competenties te verkleinen (bv. door middel van een gemeenschappelijk kwaliteitskader dat gericht is op de specifieke nationale problemen in verband met de mobiliteit van leerlingen en de leerlingstelsels in de beide landen);

i)

waar mogelijk, de sociale partners betrekken bij alle fasen van het ontwerp, de uitvoering en de follow-up van mobiliteitsstrategieën en -regelingen voor leerlingen.

2.

steun voor leerlingen:

a)

mobiliteit op inclusieve wijze in praktijk brengen en specifieke ondersteuning bieden aan kansarme personen;

b)

Erasmus+-subsidies aanvullen met extra financiering om de kosten van de mobiliteit van leerlingen te dekken;

c)

pedagogische regelingen en instrumenten bevorderen om de mobiliteit van leerlingen te ondersteunen, bijvoorbeeld door middel van afstandsonderwijs om de verschillen in duale structuur van leren en opleiding weg te nemen;

d)

extra ondersteuning en voorlichting bieden aan leerlingen, onder meer betreffende voorbereidende taalcursussen (ontwikkeling van specifiek materiaal voor het leren van talen voor bepaalde beroepen in de talen van de gastlanden);

e)

begeleidende maatregelen uitwerken voor leerlingen die naar het buitenland gaan, zoals een mentorschaps-/buddysysteem voor de voorbereidende fase, virtuele mobiliteit in de voorbereidende fase (ter aanvulling van de fysieke mobiliteit) en tijdens hun verblijf in het buitenland, en ondersteunen van leerlingen bij hun terugkeer wanneer zij re-integreren in hun werkomgeving en gebruikmaken van hun nieuw verworven vaardigheden en competenties;

f)

kansen bevorderen voor leerlingen in scholen voor beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van de mogelijkheden die Erasmus+ biedt en internationale mobiliteitsregelingen, via een specifiek netwerk van adviseurs en sociale media;

g)

kansen die voor leerlingen op het Eures-onlineportaal worden aangeboden, bevorderen om mobiele lerenden te helpen bij hun overgang naar de arbeidsmarkt.

3.

steun voor bedrijven:

a)

financiële stimulansen overwegen voor werkgevers om hen te compenseren voor de periode waarin leerlingen zich in het buitenland bevinden, en voor leerlingen om hen aan te moedigen terug te keren naar hun uitzendende werkgever (bijvoorbeeld een bonus voor de voltooiing van het programma, loonsubsidie bij indienstneming na afstuderen);

b)

overwegen gerichte bijstand te verlenen aan werkgevers, met name aan kleine en middelgrote ondernemingen, bijvoorbeeld door de oprichting van intermediaire netwerken tussen ontvangende en uitzendende landen te ondersteunen, bij voorkeur op sectorale basis, om bedrijven bij te staan bij organisatorische kwesties en wettelijke vereisten;

c)

het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking tussen openbare diensten die voor beroepsopleiding en leerlingplaatsen zorgen en tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA’s) en werkgevers door maatregelen te onderzoeken om leerlingen in sectoren die met de dubbele transitie te maken krijgen, mogelijkheden voor beroepsopleiding in het buitenland te bieden; ondersteunen van grensoverschrijdende samenwerking tussen die openbare diensten of ODA’s en werkgeversorganisaties om tekorten aan vaardigheden in groene en digitale beroepen aan te pakken door middel van programma’s voor leerlingplaatsen, en grensoverschrijdende regionale partnerschappen tussen die openbare diensten of ODA’s als uitgangspunt hanteren;

d)

de mogelijkheden die Erasmus+ biedt en de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen bij bedrijven promoten en daarbij de voordelen van het ontvangen en uitzenden van leerlingen die deelnemen aan mobiliteitsprogramma’s benadrukken.


(1)  Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (PB C 153 van 2.5.2018, blz. 1) worden onder leerlingplaatsen formele regelingen voor beroepsonderwijs en -opleiding verstaan:

a)

waarin leren in onderwijs- en opleidingsinstellingen wordt gecombineerd met substantieel werkplekleren in bedrijven en op andere werkplekken,

b)

die leiden tot nationaal erkende kwalificaties,

c)

die gebaseerd zijn op een overeenkomst waarin de rechten en plichten van de leerling, de werkgever en, in voorkomend geval, de onderwijs- en opleidingsinstelling worden omschreven, en

d)

waarin de leerling wordt betaald of anderszins een vergoeding krijgt voor de component werk.

(2)   PB C 417 van 2.12.2020, blz. 1.

(3)  Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/3364/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)