|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/2997 |
7.5.2024 |
Mededeling van de Commissie
Richtsnoeren voor de interpretatie van de richtlijn betreffende een universele oplader
(Voor de EER relevante tekst)
(C/2024/2997)
Inhoudsopgave
| Afkortingen en termen | 2 |
| Belangrijke verklaring | 2 |
| Inleiding en samenvatting | 3 |
| Inleiding | 4 |
| Samenvatting van de nieuwe bepalingen | 3 |
| Toepassingsgebied en toepasselijkheid | 3 |
| Geharmoniseerde laadpoort | 3 |
| Geharmoniseerde oplaadtechnologie | 4 |
| De verkoop van opladers loskoppelen van de verkoop van elektronische apparaten (“ontvlechting”) | 4 |
| Betere informatie voor eindgebruikers/consumenten | 4 |
| Toepassingsgebied | 5 |
| Laadpoort | 9 |
| Oplaadprotocollen | 9 |
| Ontvlechting van de oplader | 11 |
| Informatie voor consumenten | 12 |
| Toepassing, naleving en uitvoering | 13 |
Afkortingen en termen
In het kader van dit document:
|
— |
verwijst “richtlijn betreffende een universele oplader” naar Richtlijn (EU) 2022/2380 (1); |
|
— |
verwijst “richtlijn radioapparatuur” naar Richtlijn 2014/53/EU (2) betreffende radioapparatuur; |
|
— |
verwijst “bijlage I bis” naar bijlage I bis bij de richtlijn radioapparatuur, die in de richtlijn radioapparatuur is opgenomen bij de richtlijn betreffende een universele oplader, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie (3); |
|
— |
moeten “verplichtingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd”, “regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd”, “bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd” of “wijzigingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd” worden begrepen als verplichtingen, regels, bepalingen of wijzigingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie, zijn ingevoerd; |
|
— |
verwijst “radioapparatuur die onderworpen is aan de regels inzake de universele oplader” naar radioapparatuur die: a) behoort tot de in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen radioapparatuur; b) is uitgerust met een verwijderbare of ingebouwde oplaadbare batterij, en c) via kabel kan worden opgeladen; |
|
— |
verwijst de “universele oplaadoplossing” of de “geharmoniseerde oplaadoplossing” naar de geharmoniseerde laadpoort (USB-C) en de geharmoniseerde oplaadtechnologie (USB-C-stroomvoorzieningsopties tot 15 W en USB PD van meer dan 15 W). |
Belangrijke verklaring
Dit document is bedoeld als leidraad, eerst in de vorm van een samenvatting en vervolgens in de vorm van vragen en antwoorden, over de nieuwe bepalingen die zijn ingevoerd bij de richtlijn betreffende een universele oplader, waarbij de richtlijn radioapparatuur wordt gewijzigd, waardoor wordt bijgedragen tot een beter begrip van die bepalingen en tot een meer uniforme en coherente toepassing ervan.
Dit document is gericht tot de lidstaten en anderen die van deze bepalingen op de hoogte moeten worden gebracht (bv. handels- en consumentenverenigingen, normalisatie-instellingen, fabrikanten, importeurs, distributeurs, conformiteitsbeoordelingsinstanties en vakbonden). Het is gebaseerd op een raadpleging van de belanghebbende partijen. Het geeft echter niet noodzakelijkerwijs volledig de standpunten van alle betrokken belanghebbenden weer.
Het document is niet wettelijk bindend. Het is louter bedoeld als leidraad — alleen de in dit document aangehaalde teksten van de handelingen van de Unie hebben juridisch bindende werking. Sommige bepalingen van de handelingen van de Unie worden mogelijk niet volledig of niet nauwkeurig beschreven in richtsnoeren.
De bindende interpretatie van EU-wetgeving is de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU). Dit document doet dus geen afbreuk aan de uitlegging die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dezelfde bepalingen geeft. De zienswijzen in dit document kunnen niet vooruitlopen op de standpunten die de Europese Commissie bij het Hof van Justitie zou kunnen innemen. Noch de Commissie, noch enige persoon die optreedt namens de Commissie is verantwoordelijk voor het eventuele gebruik van de volgende informatie.
Dit document weerspiegelt de wetgeving ten tijde van de opstelling van dit document en de aangeboden richtsnoeren kunnen later worden gewijzigd.
Ten slotte wordt erop gewezen dat dit document niet noodzakelijkerwijs alomvattend en volledig is. Slechts bepaalde kwesties zijn hierin opgenomen waar het wenselijk werd geacht toelichtingen te geven en het document biedt alleen verduidelijkingen over de bepalingen van de richtlijn radioapparatuur die bij de richtlijn betreffende een universele oplader zijn ingevoerd.
Inleiding en samenvatting
Inleiding
Het doel van dit document is, onder voorbehoud van de voorgaande belangrijke verklaring, richtsnoeren te geven over bepaalde aangelegenheden en procedures die vallen onder de richtlijn betreffende een universele oplader, tot wijziging van de richtlijn radioapparatuur.
De regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, zijn van toepassing op specifieke categorieën radioapparatuur die zijn opgenomen in deel I van bijlage I bis.
Dit document bevat informatie die afkomstig is van de uitwisseling van informatie met de relevante nationale autoriteiten en belanghebbenden na de vaststelling van de richtlijn betreffende een universele oplader (met name raadpleging van de leden van de deskundigengroep radioapparatuur van de Commissie (4)).
De richtlijn betreffende een universele oplader is op 28 december 2022 in werking getreden en wordt toegepast met ingang van de in artikel 2 genoemde data (nadere bijzonderheden zijn te vinden in punt Scope and applicability). Ten tijde van de vaststelling van dit document was bijlage I bis eenmaal, op 27 juni 2023, gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie. Bij deze gedelegeerde verordening zijn de verwijzingen naar de technische specificaties voor opladen via kabel van bijlage I bis bijgewerkt.
Dit document is uitsluitend gericht op de regels van de richtlijn radioapparatuur die zijn ingevoerd bij de richtlijn betreffende een universele oplader. Het is niet de bedoeling andere regels van de richtlijn radioapparatuur, de regels van het nieuwe wetgevingskader (het NWK) of de relevante richtsnoeren, de gids over de richtlijn radioapparatuur (5) of de Blauwe Gids (6) toe te lichten.
Dit document vormt derhalve een aanvulling op de gids over de richtlijn radioapparatuur en moet waar nodig worden gelezen in samenhang met de Blauwe Gids en de gids over de richtlijn radioapparatuur. Radioapparatuur die onder de richtlijn radioapparatuur valt, komt alleen in aanmerking voor het vrije verkeer op de EU-markt als het product voldoet aan alle toepasselijke wetgeving van de Unie, die niet noodzakelijk in dit document wordt vermeld.
Samenvatting van de nieuwe bepalingen
Toepassingsgebied en toepasselijkheid
De regels van de richtlijn betreffende een universele oplader zijn met ingang van 28 december 2024 van toepassing op draagbare mobiele telefoons, tablets, digitale camera’s, koptelefoons, headsets, draagbare videospelconsoles, draagbare luidsprekers, e-readers, toetsenborden, muizen, draagbare navigatiesystemen en oortelefoontjes. Deze regels zijn vanaf 28 april 2026 van toepassing op laptops.
Deze categorieën radioapparatuur zijn opgenomen in bijlage I bis en de regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, zijn hierop van toepassing vanaf de hierboven vermelde data indien de betrokken radioapparatuur via kabel kan worden opgeladen.
Geharmoniseerde laadpoort
De richtlijn radioapparatuur schrijft voor dat de categorieën radioapparatuur waarvoor de regels met betrekking tot de universele oplader gelden, moeten worden uitgerust met de geharmoniseerde laadpoort (USB-C-laadpoort). Het gebruik van andere laadpoorten is niet verboden zolang de binnen het toepassingsgebied vallende radioapparatuur ook is uitgerust met de USB-C-laadpoort zoals beschreven in norm EN IEC 62680-1-3 (als vermeld in bijlage I bis). De norm specificeert ook de verschillende opties voor USB-stroomvoorziening die beschikbaar zijn voor radioapparatuur met een USB-C-laadpoort.
De bepaling inzake geharmoniseerde laadpoorten is bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerd als nieuwe essentiële eis in artikel 3, lid 4, van de richtlijn radioapparatuur. De conformiteitsbeoordelingsprocedure voor dat voorschrift is beschreven in artikel 17, lid 2, van de richtlijn radioapparatuur (7).
Geharmoniseerde oplaadtechnologie
Voor “standaardladen” moet de in deel I van bijlage I bis vermelde radioapparatuur, indien deze via kabel kan worden opgeladen bij een spanning tot 5 volt, een stroomsterkte tot 3 ampère of een vermogen tot 15 watt, voorzien zijn van de USB-stroomvoorzieningsopties als gespecificeerd in norm EN IEC 62680-1-3 (als vermeld in bijlage I bis).
Voor “snelladen” moet de in deel I van bijlage I bis vermelde radioapparatuur, indien deze kan worden opgeladen via kabel bij een spanning van meer dan 5 volt, een stroomsterkte van meer dan 3 ampère of een vermogen van meer dan 15 watt: a) de USB Power Delivery (USB PD) omvatten, zoals beschreven in norm EN IEC 62680-1-2 (als vermeld in bijlage I bis), en b) de volledige functionaliteit van de genoemde USB PD mogelijk maken als deze een aanvullend oplaadprotocol bevat.
Deze eis is bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerd als een nieuwe essentiële eis in artikel 3, lid 4, van de richtlijn radioapparatuur. De conformiteitsbeoordelingsprocedure voor die eis is beschreven in artikel 17, lid 2, van de richtlijn radioapparatuur (8).
De verkoop van opladers loskoppelen van de verkoop van elektronische apparaten (“ontvlechting”)
Wanneer een marktdeelnemer consumenten en andere eindgebruikers de mogelijkheid biedt om de onder de overeenkomst vallende radioapparatuur samen met een oplader (externe stroomvoorziening) aan te schaffen, moet de marktdeelnemer de consumenten en andere eindgebruikers ook de mogelijkheid bieden om deze radioapparatuur zonder oplader aan te schaffen.
Consumenten zullen een nieuw elektronisch apparaat zonder een nieuwe oplader kunnen kopen.
Betere informatie voor eindgebruikers/consumenten
Marktdeelnemers moeten ervoor zorgen dat de informatie over het al dan niet opnemen van een oplader bij de onder de overeenkomst vallende radioapparatuur in een grafische vorm wordt weergegeven met behulp van een gebruiksvriendelijk en gemakkelijk toegankelijk pictogram (9). Beide pictogramversies zijn in hoge resolutie te vinden op:
|
— |
|
— |
Bovendien moet informatie over de specificaties met betrekking tot de oplaadmogelijkheden en de compatibele opladers beschikbaar zijn in de instructies bij de radioapparatuur (10). Deze informatie moet informatie bevatten over het vermogen dat het apparaat nodig heeft, en of het geharmoniseerd snelladen ondersteunt. Deze informatie moet ook in grafische vorm worden weergegeven met behulp van een gebruiksvriendelijk en gemakkelijk toegankelijk etiket (11). Het sjabloon van het etiket is in hoge resolutie te vinden op:
|
— |
https://single-market-economy.ec.europa.eu/sites/default/files/2023-01/Label_final_nodim.png. |
Dit zal consumenten helpen om te weten of hun huidige oplader voldoet aan de specificaties van hun nieuwe apparaat en/of om een compatibele oplader te kiezen.
Toepassingsgebied
1. Is in de richtlijn radioapparatuur de universele oplader gedefinieerd?
De richtlijn radioapparatuur bevat op zich geen definitie van de universele oplader. De richtlijn voorziet in eisen voor de harmonisatie van het opladen via kabel voor bepaalde categorieën of klassen radioapparatuur. Door te eisen dat dergelijke apparatuur met geharmoniseerde opladers opgeladen kan worden, vereist de richtlijn indirect ook dat de opladers interoperabel zijn.
Aanvullende eisen op het gebied van de universele oplader zijn gepland in het kader van een andere wetgevingshandeling (namelijk Verordening (EU) 2019/1782 tot vaststelling van eisen inzake ecologisch ontwerp voor externe stroomvoorzieningen). De herziene versie van deze verordening (12) zal naar verwachting begin 2025 in werking treden. De belangrijkste voorgestelde opties zijn:
|
— |
de consument informeren door de vermelding “universele laders” met een overeenkomstig logo en pictogram; |
|
— |
voorkomen dat niet-conforme laders worden verkocht bij apparaten waarop de richtlijn radioapparatuur van toepassing is; |
|
— |
de voordelen van interoperabiliteit opschalen door het toepassingsgebied van “universele laders” uit te breiden tot andere apparatuur dan apparatuur waarop de richtlijn radioapparatuur van toepassing is. |
2. Zijn de verplichtingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, van toepassing op alle elektronische apparaten die behoren tot de in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen?
De verplichtingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, zijn alleen van toepassing op radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader. Radioapparatuur is gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van de richtlijn radioapparatuur. In die bepaling wordt “radioapparatuur” omschreven als elektrisch of elektronisch product dat doelbewust radiogolven uitzendt en/of ontvangt ten behoeve van radiocommunicatie en/of radiodeterminatie, of elektrisch of elektronisch product dat moet worden aangevuld met een accessoire, zoals een antenne, om doelbewust radiogolven te kunnen uitzenden en/of ontvangen ten behoeve van radiocommunicatie en/of radiodeterminatie. De termen “radiogolven”, “radiocommunicatie” en “radiodeterminatie” worden ook gedefinieerd in artikel 2 van de richtlijn radioapparatuur.
3. Wordt radioapparatuur die behoort tot een categorie of klasse radioapparatuur die is opgenomen in bijlage I bis en die oplaadt via een oplader, laaddoos of laadstation uitgesloten van toepassing van de geharmoniseerde oplaadoplossing?
Nee. Alle radioapparatuur behorende tot een in deel I van bijlage I bis vermelde categorie of klasse radioapparatuur die via kabel kan worden opgeladen, moet de geharmoniseerde oplaadoplossing bevatten. Zoals echter wordt verduidelijkt in overweging 14 van de richtlijn betreffende een universele oplader, mogen alleen oortelefoontjes samen met hun oplaadcase of -doos in aanmerking worden genomen:
“Wat oortelefoontjes betreft, behoort de specifieke oplaadcase of -doos tot de betrokken radioapparatuur, aangezien oortelefoontjes vanwege hun specifieke grootte en vorm zelden of nooit los van hun oplaadcase of -doos worden beschouwd. De oplaadcase of -doos voor dat specifieke type radioapparatuur wordt niet als onderdeel van de oplader beschouwd.”
4. Zijn de bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur ingevoerde regels alleen van toepassing op oplaadbare apparatuur?
Ja. De regels betreffende een universele oplader zijn van toepassing op radioapparatuur die: a) behoort tot de in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen radioapparatuur; b) is uitgerust met een verwijderbare of ingebouwde oplaadbare batterij, en c) via kabel kan worden opgeladen.
5. Valt radioapparatuur met niet-oplaadbare batterijen (AA-type) onder de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
Nee. Zie het antwoord op vraag 4.
6. Valt radioapparatuur met een verwijderbare batterij die alleen afzonderlijk van de radioapparatuur (in een batterijlader) kan worden opgeladen, onder de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
Nee. Dergelijke radioapparatuur valt niet onder de definitie van “radioapparatuur die via kabel kan worden opgeladen”. Een dergelijk product is “soortgelijk” aan een product dat wordt aangedreven door niet-oplaadbare batterijen (AA-type). Een dergelijk product valt niet onder de regels van de richtlijn radioapparatuur die bij de richtlijn betreffende een universele oplader zijn ingevoerd als het over een poort beschikt die uitsluitend wordt gebruikt om stroom te voorzien. Met andere woorden, het is niet onderworpen aan deze regels wanneer die poort niet kan worden gebruikt om de radioapparatuur (opnieuw) op te laden.
Indien de verwijderbare batterij echter kan worden opgeladen (via de USB-C-poort) terwijl deze in of op in bijlage I bis vermelde radioapparatuur wordt geplaatst, is die radioapparatuur onderworpen aan de regels van de richtlijn betreffende een universele oplader, ook al kan de batterij afzonderlijk van de radioapparatuur worden opgeladen.
7. Vallen apparaten met een beperkte batterijcapaciteit onder de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
Ja. De regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, zijn gericht op radioapparatuur met een verwijderbare of ingebouwde oplaadbare batterij (zie overweging 14 van de richtlijn betreffende een universele oplader) die a) via kabel kan worden opgeladen, en b) is opgenomen in deel I van bijlage I bis. De aanwezigheid van een batterij maakt van het apparaat een oplaadbaar apparaat en de capaciteit van de batterij is irrelevant (zelfs al gaat deze slechts 1 uur mee). Het is immers ook gebruikelijk dat gebruikers van dergelijke radioapparatuur hun apparaat gebruiken op andere plaatsen die niet dicht bij een oplader liggen (bv. in het geval van draagbare navigatiesystemen om routes te checken, updates uit te voeren enz.).
8. Worden supercondensatoren als batterijen beschouwd?
Nee, supercondensatoren zijn geen batterijen. Supercondensatoren zijn geschikt voor toepassingen met talrijke zeer snelle laad- en ontladingscycli, wat niet het geval is voor de in deel I van bijlage I bis vermelde radioapparatuur.
9. Wat is de definitie van “draagbaar”?
Alle apparaten die behoren tot de in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen radioapparatuur, met een verwijderbare of ingebouwde oplaadbare batterij die via kabel kan worden opgeladen en die voor, tijdens of na het gebruik kunnen worden vervoerd. Daartoe wordt voor bepaalde in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen radioapparatuur het woord “draagbaar” (“portable” of “handheld”) gebruikt.
10. Valt radioapparatuur met interne stroomvoorziening onder de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
Nee. In artikel 3, lid 4, van de richtlijn radioapparatuur en in bijlage I bis bij de richtlijn radioapparatuur wordt specifiek verwezen naar interoperabiliteit tussen radioapparatuur en de bijbehorende opladers. In dit verband wordt in overweging 2 van de richtlijn betreffende een universele oplader het volgende verduidelijkt: “opladers” zijn “de externe stroomvoorziening van laders” . Radioapparatuur met interne stroomvoorzieningen die rechtstreeks met alternatieve stroom (AC) van het elektriciteitsnet wordt gevoed, valt derhalve niet onder de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd.
11. Hoe kan een fabrikant er zeker van zijn dat zijn product onder een van de in bijlage I bis genoemde categorieën of klassen radioapparatuur valt? Wordt de productcategorie gedefinieerd door het hoofdzakelijke gebruik van de radioapparatuur?
In punt 2.8 van de Blauwe Gids staat dat de wetgeving van de Unie van toepassing is wanneer producten die op de markt worden aangeboden of in gebruik worden genomen, worden gebruikt voor het beoogde gebruik. In hetzelfde punt wordt ook verduidelijkt wat de term “beoogd gebruik” is en hoe markttoezichtautoriteiten het gebruik van het product moeten overwegen om de conformiteit ervan te controleren.
Om te bepalen of een product tot een in bijlage I bis vermelde klasse of categorie radioapparatuur behoort, moeten de bovenstaande elementen van de Blauwe Gids derhalve in aanmerking worden genomen. Aangezien fabrikanten informatie verstrekken over het gebruik van een product, moet deze informatie duidelijk en correct het doel en het gebruik van het product weergeven.
De primaire bestemming van een product is echter relevant voor het bepalen van de exacte categorie of klasse waartoe een product behoort, in de zin van bijlage I bis, indien dat product ondersteunende toepassingen (functies) heeft.
Een smartphone met een digitale camera valt bijvoorbeeld onder de categorie “1.1. draagbare mobiele telefoons” en niet onder de categorie “1.3. digitale camera’s”. Het hoofdzakelijke gebruik ervan bestaat erin als smartphone te worden gebruikt (als smartphone is het product onderworpen aan de regels van de richtlijn betreffende een universele oplader, die vanaf 28 december 2024 van toepassing zijn).
Om te bepalen of een product tot een in bijlage I bis vermelde klasse of categorie behoort, mag het beoogde gebruik van een product bovendien niet worden verward met het in de handel brengen van een product voor specifieke doeleinden (bijvoorbeeld producten voor medische doeleinden) of bepaalde categorieën consumenten (bijvoorbeeld speelgoed).
Zo valt een smartphone met een speelgoedachtig design, die dus alleen bestemd is voor kinderen, onder de categorie “1.1. draagbare mobiele telefoons”. De categorisering wordt dus niet beïnvloed door het feit dat de smartphone in kwestie alleen voor kinderen is bestemd.
De Commissie erkent echter dat het in sommige gevallen moeilijk kan zijn om te bepalen of een product onder een bepaalde categorie van deel I van bijlage I bis valt. In dergelijke gevallen moet de beoordeling of een bepaald product onder een bepaalde in deel I van bijlage I bis vermelde categorie valt, worden gebaseerd op concrete feitelijke elementen. Aangezien de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten de bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerde regels op nationaal niveau zullen toepassen, moeten marktdeelnemers bij twijfel over de indeling van hun producten contact opnemen met hun markttoezichtautoriteiten voor advies.
12. Valt een apparaat dat behoort tot een van de categorieën of klassen radioapparatuur die onder bijlage I bis vallen, onder de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, wanneer het een onderdeel is van een systeem bestaande uit meerdere samenwerkende elementen radioapparatuur en andere apparatuur die niet in deel I van bijlage I bis is opgenomen?
Wanneer specifieke radioapparatuur die deel uitmaakt van een systeem, uitsluitend bedoeld is om binnen dat systeem te werken en niet op zichzelf kan functioneren, moet het hele systeem als zodanig als een categorie of klasse radioapparatuur worden beschouwd. Dat systeem zou de bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerde bepalingen van de richtlijn radioapparatuur dus alleen hoeven toe te passen indien het onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader.
13. Zijn bepaalde specifieke producten die uitsluitend voor commercieel/industrieel gebruik zijn ontworpen, vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
Nee. De richtlijn radioapparatuur voorziet niet in een dergelijke vrijstelling. Overweging 14 van de richtlijn betreffende een universele oplader verduidelijkt echter een aantal aspecten voor bepaalde klassen of categorieën radioapparatuur waarop de regels inzake “universele opladers” van toepassing zijn.
In overweging 14 is bepaald: “Van digitale camera’s die uitsluitend zijn ontworpen voor de audiovisuele sector of voor de sector beveiliging en bewaking, mag niet worden verlangd dat ze zijn voorzien van de geharmoniseerde oplaadoplossing” .
14. Moet radioapparatuur die onder andere wetgeving valt, voldoen aan de bepalingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
Ja. Een apparaat dat onder andere wetgeving valt, moet voldoen aan de verplichtingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd en moet de gemeenschappelijke universele oplaadoplossing integreren indien het a) onder de definitie van radioapparatuur van de richtlijn radioapparatuur valt; b) niet behoort tot een van de categorieën die zijn uitgesloten van het toepassingsgebied als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn; c) behoort tot de in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen radioapparatuur; d) is uitgerust met een verwijderbare of ingebouwde oplaadbare batterij, en e) via kabel kan worden opgeladen.
15. Kan radioapparatuur die alleen draadloos kan worden opgeladen op de markt worden aangeboden zonder de geharmoniseerde oplaadoplossing te bevatten?
Ja. Aangezien dergelijke radioapparatuur niet via kabel kan worden opgeladen, hoeft de geharmoniseerde oplossing (via kabel) niet te worden opgenomen.
De Commissie zal de harmonisatie van draadloos opladen bevorderen om toekomstige versnippering van de interne markt en negatieve gevolgen voor de consument en het milieu te voorkomen. De Commissie zal toezicht houden op de ontwikkeling van alle soorten draadloze oplaadtechnologieën (niet alleen inductieve), met name marktontwikkelingen, marktpenetratie, marktversnippering, technologische prestaties, interoperabiliteit, energie-efficiëntie en oplaadprestaties.
Zoals vermeld in overweging 13 van de richtlijn betreffende een universele oplader “moet de Commissie maatregelen nemen om die oplossingen te bevorderen en te harmoniseren teneinde toekomstige versnippering van de interne markt te voorkomen” .
16. Zijn laptops en andere radioapparatuur die meer dan 240 W laadvermogen nodig heeft, vrijgesteld van de regels betreffende de universele oplader?
Nee, zij zijn niet vrijgesteld. Radioapparatuur die onder de regels betreffende de universele oplader valt, moet de geharmoniseerde oplaadoplossing bevatten.
De Commissie heeft (in Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie) de verwijzingen naar de normen in bijlage I bis in overeenstemming met de meest recente versie van de Europese normen bijgewerkt. Als gevolg van de bij deze gedelegeerde verordening ingevoerde wijzigingen moet radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader de geharmoniseerde oplaadoplossing bevatten voor het maximale laadvermogen of tot 240 W indien het maximale laadvermogen meer dan 240 W bedraagt (in tegenstelling tot 100 W in de vorige versies van de desbetreffende normen).
De Commissie zal de technische specificaties in bijlage I bis blijven actualiseren om rekening te houden met de wetenschappelijke en technologische vooruitgang of de marktontwikkelingen, mits die ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de gemeenschappelijke oplaadoplossing.
17. Moet radioapparatuur een USB-PD bevatten als tijdens het laadproces de spanning, de stroomsterkte of het vermogen iets hoger zijn dan de drempelwaarden (> 5 V, > 3 A of > 15 W) die de integratie van USB PD slechts voor korte perioden vereisen?
Nee. Indien de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 5 V, of de nominale stroomsterkte lager is dan of gelijk is aan 3 A, of het nominale vermogen lager is dan of gelijk is aan 15 W, hoeft de radioapparatuur in kwestie geen USB PD te bevatten en moeten de USB-stroomvoorzieningsopties worden toegepast die zijn gespecificeerd in de USB-C-norm (EN IEC 62680-1-3, als vermeld in bijlage Ia).
18. Valt radioapparatuur die geen wisselstroom (AC) gebruikt vanuit elektrische aansluitpunten om op te laden onder de nieuwe regels van de richtlijn radioapparatuur die zijn ingevoerd bij de richtlijn betreffende een universele oplader?
Ja. Alle in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen radioapparatuur gebruiken gelijkstroom (DC) om op te laden. Deze stroom wordt gewoonlijk omgeschakeld van alternatieve stroom (wisselstroom) via een oplader (een externe stroomvoorziening). Er zijn echter gevallen waarin de radioapparatuur rechtstreeks (zonder externe stroomvoorziening) met gelijkstroom kan worden opgeladen (bv. in een auto). USB-C wordt algemeen toegepast als de standaard laadpoort in veel systemen (gebouwen, luchthavens, vliegtuigen, treinen, auto’s enz.) en deze systemen dienen als externe stroomvoorziening en directe stroom naar de radioapparatuur.
19. Vallen draadloze DECT-telefoons en “push-to-talk”-telefoons onder de nieuwe regels van de richtlijn radioapparatuur die bij de richtlijn betreffende een universele oplader zijn ingevoerd?
Indien de radioapparatuur niet tot de in deel I van bijlage I bis vermelde categorieën of klassen producten behoort of niet via kabel kan worden opgeladen, hoeft de geharmoniseerde oplaadoplossing niet te worden opgenomen.
Mobiele telefoons verbinden zich via een radiofrequentie met het netwerk, zijn effectief mobiel en kunnen overal worden gebruikt (waar de service provider dekking biedt).
DECT-telefoons verbinden zich met het netwerk via de basis en via een vaste landlijn en werken alleen in de nabijheid van de vaste basis. Zij kunnen dus niet als mobiele telefoons worden beschouwd.
“Push-to-talk”-apparaten die geen verbinding maken met het cellulaire netwerk en die met radiofrequenties met elkaar communiceren, worden niet als mobiele telefoons beschouwd.
“Push-to-talk over cellular”-apparaten vallen echter wel onder de categorie “mobiele telefoon”. “Push-to-talk over cellular” is immers een optie waarbij een mobiele telefoon verbinding maakt met een cellulair netwerk dat abonnees in staat stelt hun telefoon te gebruiken als “push-to-talk”-apparaten met een onbeperkt bereik.
Laadpoort
20. Zijn naast een USB-C-poort speciale laadpoorten toegestaan?
Ja. De richtlijn radioapparatuur schrijft alleen voor dat radioapparatuur waarop de regels inzake universele opladers van toepassing zijn, moet zijn uitgerust met de USB-C-poort. Het gebruik van andere poorten is daarom niet verboden zolang de desbetreffende radioapparatuur ook is uitgerust met een geharmoniseerde (USB-C-)laadpoort.
21. Kunnen USB-C-poorten met zes pinnen worden gebruikt voor het opladen?
Nee. Alleen USB-C-poorten die zijn gespecificeerd in norm EN IEC 62680-1-3 (waarnaar wordt verwezen in bijlage I bis) mogen worden gebruikt (12, 16 en 24 pinnen).
22. Kan radioapparatuur, wat het opladen betreft, worden uitgerust met slechts een eigen laadpoort en worden verkocht met een adapter die de eigen laadpoort omzet in een USB-C-poort?
Nee. Radioapparatuur mag echter worden uitgerust met een eigen oplossing, mits die radioapparatuur ook is uitgerust met een geharmoniseerde (USB-C-)laadpoort zoals beschreven in norm EN IEC 62680-1-3 (als vermeld in bijlage I bis). Zie ook het antwoord op vraag 33.
Oplaadprotocollen
23. Welke oplaadopties (USB-opties voor stroomvoorziening) moet de radioapparatuur ondersteunen?
Voor radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader met een maximaal laadvermogen van 15 W of minder, wordt de stroomvoorziening geharmoniseerd door de integratie van de USB-C-poort. De opties voor de stroomvoorziening die beschikbaar zijn voor USB-C-poorten die door die radioapparatuur moeten worden ondersteund, zijn opgenomen in norm EN IEC 62680-1-3 (als vermeld in bijlage Ia). Deze opties zijn USB 2.0, USB 3.2, USB 4, USB BC 1.2, USB type-C Current 1.5 A, USB type-C Current 3.0 A en USB PD.
Voor radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader, met een maximaal laadvermogen van meer dan 15 W, zal harmonisatie van het snelladen helpen voorkomen dat producenten van radioapparatuur de oplaadsnelheid op ongerechtvaardigde wijze beperken en ervoor zorgen dat de laadsnelheid gelijk is bij het gebruik van een compatibele oplader. Die radioapparatuur moet ten minste USB PD-stroomvoorziening ondersteunen en de volledige USB PD-functionaliteit moet worden gewaarborgd en mag niet worden belemmerd door een aanvullend (eigen) oplaadprotocol.
24. Zijn eigen oplaadprotocollen toegestaan naast USB PD?
Ja. Het doel is innovatie aan te moedigen en het voortgezette gebruik van andere oplaadprotocollen mogelijk te maken. Bijkomende eigen oplaadprotocollen mogen het maximale vermogen dat kan worden bereikt met het oplaadprotocol van de USB PD en de geharmoniseerde oplaadhardware (poort, chips enz.) die in de radioapparatuur is geïntegreerd, echter niet belemmeren, hinderen of beperken.
25. Kan radioapparatuur de oplaadprestaties beperken van een oplader die niet van hetzelfde merk is, maar wel voldoet aan de normen waarnaar wordt verwezen?
Nee. Het doel van de bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerde wijzigingen in de richtlijn radioapparatuur is het gebruiksgemak voor de consument te vergroten en de interoperabiliteit tussen apparaten en opladers te waarborgen, ongeacht hun merk.
26. Mag radioapparatuur een hoger laadvermogen (bv. 40 W) ondersteunen bij het gebruik van een eigen oplaadprotocol dan bij het gebruik van USB PD (bv. 30 W)?
De richtlijn radioapparatuur (cf. deel I, punt 3.2, van bijlage I bis) zorgt voor interoperabiliteit met verschillende oplaadprotocollen. Daartoe moet radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele lader “aan de eis voldoen dat ieder extra oplaadprotocol geen afbreuk doet aan de volledige werking van de in punt 3.1 genoemde USB Power Delivery, ongeacht de oplader die wordt gebruikt” .
De formulering “de volledige werking van de [...] USB Power Delivery” betekent dat radioapparatuur bij gebruik van het USB PD-opladingsprotocol het passende onderhandelde vermogen moet hebben voor de geharmoniseerde oplaadhardware die in de radioapparatuur is geïntegreerd (ongeacht het merk van de gebruikte compatibele oplader). Aanvullende eigen oplaadprotocollen, waarmee de oplaadmogelijkheden worden gemaximaliseerd naast de USB PD-specificaties van dezelfde geharmoniseerde oplaadhardware, zijn toegestaan. Zoals in het antwoord op vraag 24 is aangegeven, mag een aanvullend oplaadprotocol echter niet het vermogen belemmeren, hinderen of beperken waaraan de radioapparatuur kan worden opgeladen met behulp van het USB PD-oplaadprotocol (tot het maximumvermogen als gespecificeerd in EN IEC 62680-1-2, zoals vermeld in bijlage I bis) met dezelfde geharmoniseerde oplaadapparatuur die in de radioapparatuur is geïntegreerd.
Deze bepaling zorgt er specifiek voor dat het opladen via USB PD niet wordt belemmerd door, of ten koste gaat van, een bijkomend eigen oplaadprotocol.
Dit beginsel is ook van toepassing op apparaten met een vermogensniveau lager dan of gelijk aan 15 W.
27. Mag radioapparatuur aan meer dan 240 W opladen bij gebruik van een bijkomend oplaadprotocol?
Ja. Indien de eigen oplaadoplossing van de radioapparatuur meer dan 240 W (bv. 300 W) vereist, moet de betrokken radioapparatuur ook USB PD tot 240 W ondersteunen.
De Commissie heeft bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie de verwijzingen naar de normen in bijlage I bis in overeenstemming met de meest recente versie van de Europese normen bijgewerkt. De bijgewerkte versie van de normen zal van toepassing zijn vanaf de datum van toepassing van de relevante regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, d.w.z. vanaf 28 december 2024 voor draagbare mobiele telefoons, tablets, digitale camera’s, koptelefoons, headsets, draagbare videospelconsoles, draagbare luidsprekers, e-readers, toetsenborden, muizen, draagbare navigatiesystemen en oortelefoontjes, en vanaf 28 april 2026 voor laptops. Dit betekent dat vanaf die data radioapparatuur die is opgenomen in bijlage I bis en via kabel kan worden opgeladen bij een vermogen van meer dan 240 W, de geharmoniseerde oplaadoplossing van maximaal 240 W moet bevatten.
De Commissie zal de technische specificaties in bijlage I bis blijven actualiseren teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke en technologische vooruitgang of marktontwikkelingen, mits deze in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de universele oplaadoplossing.
28. Is een laadstroom van meer dan 5 A toegestaan wanneer gebruik wordt gemaakt van een bijkomend oplaadprotocol?
Ja. Er is een bovengrens voor de laadstroom (5 A) in de USB PD-norm (EN IEC 62680-1-2, als referentie in bijlage I bis) en de USB-C-norm (EN IEC 62680-1-3, als vermeld in bijlage I bis). Als er echter geen overeenkomstige oplaadvoorschriften voor bijkomende oplaadprotocollen zijn, mag een laadstroom van meer dan 5 A worden gebruikt, mits de geharmoniseerde oplaadoplossing daardoor niet wordt beperkt of gehinderd. Dit betekent echter niet dat de verduidelijking van de andere gerelateerde vragen in dit deel van de richtsnoeren niet in acht moet worden genomen.
29. Moet radioapparatuur de mogelijkheid bieden om in alle werkingsmodi (uitgeschakeld, stand-by, licht gebruik, normaal gebruik en intensief gebruik) op te laden?
De richtlijn radioapparatuur bepaalt niet hoe de radioapparatuur moet functioneren om de werking van de radioapparatuur tijdens het opladen in stand te houden.
Overweging 6 van de richtlijn betreffende een universele oplader bevat alleen verduidelijkingen met betrekking tot het “minimum- en maximumvermogen” dat vereist is om de radioapparatuur op te laden. Er wordt gesteld: “Het minimumvermogen is gelijk aan de som van het vermogen dat de radioapparatuur nodig heeft om in werking te blijven en het minimumvermogen dat de batterij van de radioapparatuur nodig heeft om het opladen te starten. Het maximumvermogen is gelijk aan de som van het vermogen dat de radioapparatuur nodig heeft om in werking te blijven en het vermogen dat nodig is om de maximale oplaadsnelheid te bereiken.”.
Radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader moet er echter voor zorgen dat geen van de toegestane oplaadmodi de conformiteit ervan met de richtlijn radioapparatuur (met inbegrip van de regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd) verstoort of beperkt.
Radioapparatuur met een maximaal laadvermogen tot 240 W is normaal gesproken in staat om met de geharmoniseerde oplaadoplossing op te laden en te blijven functioneren in alle werkingsmodi (uitgeschakeld, stand-by, licht gebruik, normaal gebruik en intensief gebruik).
Het is mogelijk dat sommige van de werkingsmodi van de radioapparatuur bij een maximum laadvermogen van meer dan 240 W het opladen van de radioapparatuur met het geharmoniseerde oplaadprotocol onmogelijk maken omdat zij te intensief zijn; in dat geval moet ervoor worden gezorgd dat de conformiteit van dergelijke radioapparatuur niet in het gedrang komt.
30. Voldoet radioapparatuur die via USB-C en USB PD wordt opgeladen maar de gegevenssnelheid op een andere manier beperkt, met inbegrip van onderdelen die al dan niet in de USB-C-norm worden genoemd, aan de nieuwe oplaadregels?
De richtlijn betreffende een universele oplader bevat geen regels voor de overdracht van gegevens. In de richtlijn worden de regels van de universele oplaadoplossing ingevoerd, waardoor consumenten hun apparaten met dezelfde snelheid kunnen opladen met eender welke USB-C-oplader, ongeacht het merk van het apparaat. De richtlijn radioapparatuur verleent de Commissie in artikel 3, lid 3, punt a), de bevoegdheid om, indien nodig, te bepalen welke categorieën of klassen radioapparatuur zo geconstrueerd moeten zijn dat zij onderling functioneren met accessoires.
Ontvlechting van de oplader
31. Kan radioapparatuur samen met de oplader in de doos worden verkocht?
Ja, zolang de consument ook de keuze heeft om dezelfde radioapparatuur zonder oplader in de doos te kopen.
Volgens de nieuwe regels van de richtlijn radioapparatuur die bij de richtlijn betreffende een universele oplader zijn ingevoerd, is de fabrikant niet verplicht ervoor te zorgen dat bepaalde aanvullende kenmerken (bv. specifieke kleur) van de radioapparatuur die zonder oplader wordt aangeboden, dezelfde zijn.
32. Moet de oplader die los van de radioapparatuur aan de consument wordt aangeboden, identiek zijn aan de in de doos verkochte oplader?
Nee. Zolang een compatibele oplader wordt aangeboden, hoeft deze niet van dezelfde kleur, hetzelfde model, hetzelfde type of hetzelfde merk te zijn als bij de opladers die in de doos samen met de radioapparatuur worden verkocht.
33. Als radioapparatuur naast het USB-C-aansluitpunt een andere laadpoort (d.w.z. geen USB-C) heeft (bv. voor een cilinderplug), zijn dan de eisen van artikel 3 bis van de richtlijn radioapparatuur met betrekking tot de levering van radioapparatuur zonder oplader van toepassing op de alternatieve oplader?
Ja. Het doel is het gebruik van opladers die compatibel zijn met de universele oplaadoplossing aan te moedigen.
Krachtens artikel 3 bis, punt 2, van de richtlijn radioapparatuur moeten marktdeelnemers informatie verstrekken over de vraag of een oplader al dan niet is inbegrepen bij de radioapparatuur die onder de regels betreffende de universele oplader valt. Er wordt ook naar een pictogram verwezen (zie deel III, punt 1, van bijlage I bis). Het pictogram bestaat in twee formaten: het formaat in punt 1.1 dat moet worden gebruikt wanneer een oplader bij de radioapparatuur is inbegrepen, en het formaat in punt 1.2 dat moet worden gebruikt wanneer een oplader niet bij de radioapparatuur is inbegrepen. Het formaat van het pictogram dat aangeeft dat een oplader is inbegrepen (gespecificeerd in punt 1.1), moet zelfs worden gebruikt (verstrekt) wanneer radioapparatuur wordt aangeboden met een oplader die niet compatibel is met de geharmoniseerde oplader (als een oplader alleen via een adapter kan werken, wordt deze niet als een compatibele oplader beschouwd). Wanneer de radioapparatuur wordt aangeboden met twee opladers, waarvan er een compatibel is en, de andere niet, kan slechts één pictogram in het in punt 1.1 gespecificeerde formaat worden verstrekt.
Indien een oplader bij de radioapparatuur is inbegrepen, moet de op grond van artikel 10, lid 8, derde alinea, van de richtlijn radioapparatuur vereiste informatie aangeven of de oplader die bij de radioapparatuur is ingebouwd, al dan niet compatibel is met de geharmoniseerde oplader. Voor elke oplader die bij de radioapparatuur is inbegrepen, moet dezelfde informatie worden verstrekt indien de radioapparatuur twee opladers bevat.
34. Gelden de vereisten van artikel 3 bis van de richtlijn radioapparatuur ook voor de oplaadkabel?
Nee. Indien de oplader over een afneembare laadkabel beschikt, kan het in het belang van de eindgebruiker zijn dat de fabrikant bij de radioapparatuur een passende laadkabel levert. Dit is een besluit voor de fabrikant die, wat de lader met kabel betreft, rekening moet houden met andere toepasselijke EU-wetgeving, zoals de laagspanningsrichtlijn (Richtlijn 2014/35/EU (13)), die tot doel heeft ervoor te zorgen dat elektrisch materiaal binnen het toepassingsgebied ervan een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van personen, huisdieren en eigendom biedt.
35. Houdt de ontvlechtingsverplichting in dat wanneer radioapparatuur zonder oplader te koop wordt aangeboden, er geen verplichting bestaat om hetzelfde model radioapparatuur ook met een oplader aan te bieden?
Ja.
36. Houdt de eis inzake ontvlechting van de oplader in dat de consument altijd de mogelijkheid moet hebben om een product zonder oplader te kopen?
Ja.
Informatie voor consumenten
37. Hoe moeten fabrikanten consumenten informeren over de oplaadmogelijkheden (bv. min.-max. laadvermogen, oplaadprotocol) van radioapparatuur bij het gebruik van een bijkomend oplaadprotocol?
Fabrikanten zijn niet verplicht informatie te verstrekken over door eigendomsrechten beschermde oplaadoplossingen. Fabrikanten kunnen hun eigen visuele element en relevante beschrijvingen gebruiken voor elke aanvullende oplaadoplossing die de radioapparatuur integreert, los van het in deel IV van bijlage I bis gedefinieerde etiket, dat alleen informatie over de geharmoniseerde oplaadoplossing moet verstrekken.
38. Welke maatregelen kan de Commissie nemen om verwarring en verkeerde interpretaties bij consumenten van de oplaadmogelijkheden van de radioapparatuur in vergelijking met de oplaadmogelijkheden van hun oplader (externe stroomvoorziening) tegen te gaan?
De Commissie is bevoegd eventuele problemen die voortvloeien uit de vereisten inzake visuele informatie aan te pakken door het pictogram of het etiket als bedoeld in respectievelijk deel III en deel IV van bijlage I bis te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen, indien nodig.
39. Zijn laptops vrijgesteld van de verplichting om het pictogram en het etiket als bedoeld in deel III en deel IV van bijlage I bis bij de richtlijn radioapparatuur op de verpakking te vermelden?
Nee. Op alle categorieën of klassen radioapparatuur waarvoor de regels inzake de universele oplader gelden, moeten het pictogram en het etiket op de verpakking zijn aangebracht. Het pictogram dat de aan- of afwezigheid van een oplader bij de radioapparatuur aangeeft, is gedefinieerd in artikel 3 bis, punt 2, van de richtlijn radioapparatuur. Het etiket met informatie over specificaties met betrekking tot de oplaadmogelijkheden en de compatibele opladers is gedefinieerd in artikel 10, lid 8, van dezelfde richtlijn.
Volgens de regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, kan informatie over specificaties met betrekking tot oplaadmogelijkheden en compatibele opladers (deel II van bijlage I bis) ook beschikbaar worden gesteld door middel van QR-codes of soortgelijke elektronische oplossingen.
Toepassing, naleving en uitvoering
40. Wat moeten marktdeelnemers doen met eerdere modellen van radioapparatuur waarin de universele oplader niet is verwerkt?
Fabrikanten genieten een overgangsperiode van 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn betreffende een universele oplader om de nieuwe regels op hun producten toe te passen.
|
— |
Datum van inwerkingtreding: 28 december 2022 |
|
— |
Datum van toepassing: 28 december 2024 voor draagbare mobiele telefoons, tablets, digitale camera’s, koptelefoons, headsets, draagbare videospelconsoles, draagbare luidsprekers, e-readers, toetsenborden, muizen, draagbare navigatiesystemen, oortelefoontjes: 28 april 2026 voor laptops. Noot: deze categorieën radioapparatuur zijn opgenomen in deel I van bijlage I bis en de regels voor de universele oplader zijn vanaf de hierboven vermelde data van toepassing indien de radioapparatuur via kabel kan worden opgeladen. |
Wat bestaande producten betreft, zullen de nieuwe regels van toepassing zijn op alle hulpmiddelen die eerst in de EU in de handel worden gebracht, op of na de inwerkingtreding ervan (zie hierboven), ongeacht of zij van een model zijn dat reeds in de handel is gebracht. In de richtlijn radioapparatuur wordt het begrip “model”, dat een commerciële term is, niet erkend.
Dit belet niet dat bestaande voorraden apparatuur die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regels in de EU in de handel zijn gebracht, legaal worden verkocht na de inwerkingtreding van de nieuwe regels. De Blauwe Gids bevat verdere gedetailleerde richtsnoeren ter zake, met name in punt 2. Zie ook het antwoord op vraag 43.
41. Zijn de regels van toepassing op producten die buiten de EU worden verkocht?
De richtlijn radioapparatuur stelt een regelgevingskader vast voor het in de handel brengen van radioapparatuur in de EU. De regels en eisen van de richtlijn radioapparatuur zijn alleen van toepassing op het grondgebied van de EU-lidstaten en hebben geen extraterritoriale toepassing.
De EU-regels verplichten fabrikanten niet om de geharmoniseerde oplaadoplossing toe te passen op al hun productlijnen die zij wereldwijd verkopen, maar alleen op producten die op de EU-markt worden verkocht. Daarom beletten de EU-regels fabrikanten niet producten aan te bieden die verschillende oplossingen voor het opladen in verschillende regio’s wereldwijd omvatten. Het besluit om te kiezen voor verschillende oplossingen voor het opladen van producten die in verschillende regio’s in de wereld worden verkocht, dan wel om eerder te kiezen voor de geharmoniseerde oplaadoplossingen van de EU voor alle producten die wereldwijd worden verkocht, ligt dus volledig in handen van de fabrikanten.
De regels betreffende de universele oplader kunnen in de toekomst van toepassing zijn in landen, zoals de EER-EVA-staten (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen), overeenkomstig de bepalingen van een desbetreffende overeenkomst.
42. Zullen niet-USB-kabels en -opladers moeten worden weggegooid?
De richtlijn betreffende een universele oplader schrijft niet voor dat radioapparatuur, kabels of opladers die door consumenten worden gebruikt of reeds in de EU in de handel zijn gebracht en die niet zijn uitgerust met de geharmoniseerde oplaadoplossing, moeten worden verwijderd. De regels zijn alleen van toepassing op radioapparatuur die op of na de datum van toepassing van de universele oplader in de EU in de handel wordt gebracht. In de richtlijn radioapparatuur wordt “in de handel brengen” gedefinieerd als “het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van radioapparatuur” , waarbij echter wordt opgemerkt dat het begrip “aanbieden” betrekking heeft op elk afzonderlijk product en niet op een soort product, en of het nu als een afzonderlijke eenheid of in serie is vervaardigd (zie ook punt 2 van de Blauwe Gids, waarin de termen “het in de handel brengen” en “het op de markt aanbieden” worden verduidelijkt). De nieuwe regels zullen uiteraard in de loop der tijd enige aanpassing aan de bestaande praktijken vergen, maar er worden positieve effecten verwacht, omdat de versnippering van de markt op het gebied van laadpoorten in het bijzonder en oplaadtechnologie in het algemeen op dit moment de consument stoort en onnodig elektronisch afval oplevert.
43. Hoe zullen fabrikanten aantonen dat zij voldoen aan de essentiële eisen van de universele oplader?
Naleving van de toepasselijke essentiële eisen van de richtlijn radioapparatuur is een voorwaarde voor het in de EU in de handel brengen van producten die binnen het toepassingsgebied ervan vallen.
Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de richtlijn radioapparatuur moeten fabrikanten aantonen dat hun radioapparatuur voldoet aan de essentiële eisen van artikel 3, leden 1 en 4, van de richtlijn radioapparatuur, door middel van een van de volgende conformiteitsbeoordelingsprocedures:
|
(a) |
interne productiecontrole zoals beschreven in bijlage II; |
|
(b) |
EU-typeonderzoek gevolgd door de conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole, zoals beschreven in bijlage III; |
|
(c) |
conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging zoals beschreven in bijlage IV. |
De essentiële eisen voor de universele oplader zijn vastgesteld in artikel 3, lid 4, van de richtlijn radioapparatuur.
Noot: Voor de andere essentiële eisen van de richtlijn radioapparatuur, d.w.z. die van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn radioapparatuur, zijn de conformiteitsbeoordelingsprocedures vastgesteld in artikel 17, leden 2 en 3, van de richtlijn radioapparatuur.
44. Wie zal ervoor zorgen dat niet-conforme producten niet op de EU-markt terechtkomen?
De lidstaten zijn belast met het organiseren en uitvoeren van markttoezicht, dat ervoor moet zorgen dat producten die onder specifieke geharmoniseerde wetgeving vallen en die de gezondheid of veiligheid van gebruikers in gevaar kunnen brengen of niet voldoen aan de voorschriften van productspecifieke wetgeving, uit de handel worden genomen, worden verboden of beperkt in hun toegang tot de EU-markt.
Wat markttoezicht betreft, is de richtlijn radioapparatuur van toepassing samen met Verordening (EU) 2019/1020 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten.
45. Met welke sancties zal een fabrikant worden geconfronteerd als zijn product niet voldoet aan de regels die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd?
De richtlijn betreffende een universele oplader voorziet niet in sancties in geval van niet-naleving van de nieuw ingevoerde vereisten. De richtlijn radioapparatuur, die momenteel wordt gewijzigd, bevat al handhavingsregels (de vrijwaringsprocedure) en mogelijke sancties voor marktdeelnemers die niet aan de toepasselijke eisen voldoen. De specifieke handhavingsmaatregelen worden met name beschreven in het daaraan gewijde hoofdstuk V van de richtlijn radioapparatuur. De nationale markttoezichtautoriteiten, die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de regels, kunnen een reeks corrigerende en/of beperkende maatregelen nemen met betrekking tot non-conforme producten, waaronder het uit de handel nemen of terugroepen van niet-conforme radioapparatuur.
Bovendien verplicht artikel 46 van de richtlijn radioapparatuur de lidstaten om in hun respectieve nationale wetgeving regels vast te stellen inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken door marktdeelnemers op de regels van de richtlijn radioapparatuur. De bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerde regels maken integraal deel uit van de richtlijn radioapparatuur, dus sancties zullen ook van toepassing zijn op inbreuken door marktdeelnemers op de regels van de richtlijn betreffende een universele oplader.
De sancties (met inbegrip van de mogelijke financiële sancties) voor de niet-naleving van de nieuwe regels, die bij de richtlijn betreffende een universele oplader zullen worden ingevoerd, zijn derhalve te vinden in de respectieve nationale rechtsinstrumenten tot omzetting van de richtlijn radioapparatuur. Deze nationale omzettingsmaatregelen zijn te vinden onder de rubriek “Nationale omzettingsmaatregelen per lidstaat” op de volgende openbaar toegankelijke webpagina: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/NIM/?uri=CELEX%3A32014L0053.
46. Vereisen de normen waarnaar wordt verwezen in bijlage I bis bij de richtlijn radioapparatuur dat alle normen waarnaar wordt verwezen, worden nageleefd of dat slechts bepaalde onderdelen worden nageleefd?
Volgens de bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerde regels moet radioapparatuur die onderworpen is aan de regels betreffende de universele oplader de USB-poort en het oplaadprotocol van de USB PD, zoals beschreven in de respectieve normen, bevatten. In bijlage I bis wordt niet verwezen naar vrijstellingen van de toepassing van specifieke delen/secties van de normen. De normen moeten derhalve in hun geheel in aanmerking worden genomen (voor zover de delen/secties van de normen betrekking hebben op die eisen) om de naleving van die eisen te waarborgen. Bepaalde andere aspecten worden geregeld door andere bepalingen van de richtlijn radioapparatuur (bv. veiligheidsaspecten zijn geregeld in artikel 3, lid 1, punt a), van de richtlijn radioapparatuur en aspecten van elektromagnetische compatibiliteit zijn geregeld in artikel 3, lid 1, punt b), van de richtlijn radioapparatuur).
Wanneer in de in bijlage I bis bedoelde normen verschillende alternatieve oplossingen worden gespecificeerd, mag de keuze van de geschikte oplossing de conformiteit met de specificaties van bijlage I bis niet in gevaar brengen.
47. Hoe zullen de verwijzingen naar de normen in bijlage I bis worden bijgewerkt wanneer nieuwe edities door de internationale of de Europese normalisatieorganisatie worden gepubliceerd?
De richtlijn radioapparatuur verleent de Commissie de bevoegdheid om bijlage I bis te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen. Deze wijzigingen, die ruim van tevoren in overleg met de relevante deskundigen en belanghebbenden zijn opgesteld, zullen het mogelijk maken de wetenschappelijke en technologische vooruitgang of de marktontwikkelingen nauw te weerspiegelen. De eerste gedelegeerde handeling (Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie tot bijwerking van de referenties van de in bijlage I bis genoemde normen) is op 11 september 2023 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. De overgangsperioden zullen geval per geval worden geanalyseerd. Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie voorziet bijvoorbeeld niet in een overgangsperiode. De verordening zal echter de facto van toepassing zijn vanaf de datum van toepassing van de regels van bijlage I bis, waarvoor reeds in de richtlijn betreffende een universele oplader zelf een passende overgangsperiode was vastgesteld.
48. Mag radioapparatuur die reeds nieuwe edities van normen uitvoert waarnaar nog niet in bijlage I bis wordt verwezen, in de EU in de handel worden gebracht voordat een gedelegeerde handeling tot actualisering van die verwijzingen wordt bekendgemaakt?
De naleving van de essentiële eisen moet worden aangetoond. De fabrikant kan nieuwe normen toepassen die nog niet in bijlage I bis zijn vermeld, mits het product voldoet aan de normen waarvan de verwijzingen wettelijk bindend zijn in het kader van de richtlijn radioapparatuur (waarnaar wordt verwezen in bijlage I bis) en indien uit de technische documentatie blijkt dat de naleving van die normen is gewaarborgd.
49. Moet in de EU-conformiteitsverklaring naar de in bijlage I bis gespecificeerde normen worden verwezen?
Nee, dat is niet verplicht. De normen waarnaar in bijlage I bis wordt verwezen, zijn geen vrijwillige geharmoniseerde normen/technische specificaties voor conformiteitsbeoordeling. Gezien de structuur van de EU-conformiteitsverklaring (punt 6 van bijlage VI bij de richtlijn radioapparatuur heeft geen betrekking op verplichte essentiële eisen of verplichte specificaties), is het niet verplicht om in de EU-conformiteitsverklaring naar deze normen te verwijzen.
Fabrikanten van radioapparatuur die in deel I van bijlage I bis bij de richtlijn radioapparatuur is opgenomen, moeten in de technische documentatie van het product echter aantonen dat aan deze eisen is voldaan. De richtlijn radioapparatuur bevat conformiteitsbeoordelingsprocedures in artikel 17, die ook van toepassing zijn op de nieuwe essentiële eisen met betrekking tot de universele oplader die bij de richtlijn betreffende een universele oplader aan de richtlijn radioapparatuur zijn toegevoegd.
50. Is een fabrikant, aangezien de normen waarnaar wordt verwezen geen geharmoniseerde normen zijn die in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, verplicht een beroep te doen op een aangemelde instantie om de naleving van de richtlijn betreffende een universele oplader aan te tonen?
Nee. Een beroep op een aangemelde instantie is niet verplicht. Zie artikel 3, lid 4, en artikel 17, lid 2, van de richtlijn radioapparatuur en het antwoord op vraag 43.
51. Wat doen de bij de richtlijn betreffende een universele oplader ingevoerde wijzigingen aan de richtlijn radioapparatuur om de verkoop/aankoop/aanwending van onveilige kabels en opladers te voorkomen?
Producten die niet aan de toepasselijke EU-wetgeving voldoen, zijn niet toegestaan op de EU-markt.
De richtlijn radioapparatuur bevat duidelijke en ondubbelzinnige bepalingen om de veiligheid van de radioapparatuur die binnen het toepassingsgebied ervan valt, te waarborgen. Bovendien wordt de veiligheid van opladers met kabel geregeld door de laagspanningsrichtlijn. De wijzigingen die bij de richtlijn betreffende een universele oplader in de richtlijn radioapparatuur zijn ingevoerd, zijn bedoeld om het gebruik aan te moedigen van kabels en opladers die daarmee verenigbaar zijn, ongeacht of zij door de fabrikant van de radioapparatuur of door een andere fabrikant worden geproduceerd. Dit helpt de kosten voor de consument te verlagen en de concurrentie te vergroten. Bovendien is het de taak van de nationale markttoezichtautoriteiten om ervoor te zorgen dat niet-conforme (onveilige) producten niet op de EU-markt worden gebracht.
(1) Richtlijn (EU) 2022/2380 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot wijziging van Richtlijn 2014/53/EU betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur (PB L 315 van 7.12.2022, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2380/oj).
(2) Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/53/oj).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1717 van de Commissie van 27 juni 2023 tot wijziging van Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische specificaties inzake de laadpoorten en oplaadcommunicatieprotocollen voor alle categorieën of klassen radioapparatuur die via kabel kunnen worden opgeladen (PB L 223 van 11.9.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2023/1717/oj).
(4) Deskundigengroep radioapparatuur van de Commissie (E03587).
(5) Gids voor Richtlijn 2014/53/EU betreffende radioapparatuur, versie van 19 december 2018 (https://ec.europa.eu/docsroom/documents/33162).
(6) Mededeling van de Commissie “De Blauwe Gids van 2022: richtlijnen voor de uitvoering van de productvoorschriften van de EU” (PB C 247 van 29.6.2022, blz. 1).
(7) De fabrikant kan kiezen uit de volgende conformiteitsbeoordelingsprocedures: a) interne productiecontrole als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn radioapparatuur; b) EU-typeonderzoek gevolgd door de conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole, zoals beschreven in bijlage III van de richtlijn radioapparatuur; c) conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging zoals beschreven in bijlage IV bij de richtlijn radioapparatuur.
(8) De fabrikant kan kiezen uit de volgende conformiteitsbeoordelingsprocedures: a) interne productiecontrole als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn radioapparatuur; b) EU-typeonderzoek gevolgd door de conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole, zoals beschreven in bijlage III van de richtlijn radioapparatuur; c) conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging zoals beschreven in bijlage IV bij de richtlijn radioapparatuur.
(9) Het pictogram wordt op de verpakking afgedrukt of als sticker op de verpakking aangebracht. Bij de beschikbaarstelling van de radioapparatuur aan consumenten of andere eindgebruikers is het pictogram goed zichtbaar en goed leesbaar en bij verkoop op afstand, bevindt het zich dicht bij de prijsaanduiding.
(10) Deze informatie moet worden opgenomen in de instructies, die op papier moeten worden gedrukt. Deze informatie kan ook beschikbaar worden gesteld door middel van QR-codes of soortgelijke elektronische toepassingen.
(11) Een dergelijk etiket moet: a) in de gebruiksaanwijzing gedrukt zijn, en b) op de verpakking gedrukt zijn of als sticker op de verpakking aangebracht zijn. Indien er geen verpakking is, wordt de sticker met het etiket op de radioapparatuur aangebracht. Bij radioapparatuur die aan consumenten en andere eindgebruikers beschikbaar wordt gesteld, wordt het etiket zo aangebracht dat het goed zichtbaar en goed leesbaar is en, bij verkoop op afstand, zich dicht bij de prijsaanduiding bevindt. Indien dat door de omvang of de aard van de radioapparatuur niet anders kan, kan het etiket als afzonderlijk document bij de radioapparatuur worden afgedrukt.
(12) https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/13351-Externe-stroomvoorzieningen-eisen-inzake-ecologisch-ontwerp-en-informatie-herziening-_nl.
(13) Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 357, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/35/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2997/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)