European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie C


C/2024/2110

11.3.2024

Bekendmaking van een aanvraag tot registratie van een naam overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

(C/2024/2110)

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) binnen drie maanden na de datum van deze bekendmaking bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag.

ENIG DOCUMENT

“ISTARSKI MED/ISTRSKI MED”

EU-nr.: PDO-HR+SI-2833 — 14.3.2022

BOB (X) BGA ( )

1.   Naam/Namen (van de BOB of de BGA)

“Istarski med/Istrski med”

2.   Lidstaten of derde land

Republiek Kroatië en republiek Slovenië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 1.4. Andere producten van dierlijke oorsprong (eieren, honing, diverse zuivelproducten met uitzondering van boter enz.).

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

“Istarski med/Istrski med” is honing die door de bijensoort Apis mellifera wordt geproduceerd uit de nectar van drachtplanten of uit afscheidingsproducten van levende plantendelen of uitscheidingsproducten van plantensapzuigende insecten op de levende plantendelen. Deze grondstoffen worden door de bijen verzameld, verwerkt door vermenging met eigen specifieke stoffen, gedeponeerd, gedehydreerd, en in de honingraten opgeslagen en achtergelaten om te rijpen.

Fysisch-chemische kenmerken:

Watergehalte ≤ 18,6 %;

diastatische activiteit ≥ 10, met uitzondering van acaciahoning, waarvan de diastatische activiteit ≥ 3 is op de schaal van Schade;

gehalte aan hydroxymethylfurfural (HMF) ≤ 15,0 mg/kg.

Melissopalinologische kenmerken:

Het pollenspectrum van “Istarski med/Istrski med” moet de vegetatie van het in punt 4 omschreven gebied weerspiegelen. Afhankelijk van het soort honing maken pollen van nectarplanten van de volgende families een groot deel uit van het spectrum: Fabaceae, Sapindaceae, Rhamnaceae, Cornaceae, Brassicaceae, Loranthaceae, Malvaceae, Liliaceae, Lamiaceae, Fagaceae, Rosaceae, Apiaceae, Salicaceae, Adoxaceae, Ericaceae, Asteraceae, Oleaceae, Araliaceae, Ranunculaceae, Asphodelaceae, Anacardiaceae. Er mogen ook kleine hoeveelheden pollen van nectarplanten van onder andere de volgende families aanwezig zijn: Aquifoliaceae, Boraginaceae, Amaryllidaceae, Asparagaceae, Scrophulariaceae, Urticaceae, Campanulaceae, Fumariaceae.

Ook mag er een laag percentage pollen van niet-nectarplanten van onder andere de volgende families aanwezig zijn in “Istarski med/Istrski med”: Quercus spp., Fraxinus spp., Helianthemum spp., Papaver spp., Plantago spp., Betula spp., Alnus spp., Carex spp., Pinus spp., Cistus spp., Poaceae en Pinaceae, Fragaria vesca, Cupressus sempervirens, Olea europaea, Filipendula ulmaria, Vitis vinifera, Corylus avellana.

Fysisch-chemische kenmerken:

Soort honing

Elektrisch geleidingsvermogen

Acaciahoning

≤ 0,25 mS/cm

Saliehoning

0,20-0,55 mS/cm

Kastanjehoning

≥ 0,8 mS/cm

Bloemenhoning

≤ 0,8 mS/cm

Bladhoning

≥ 0,8 mS/cm

Winterbonenkruidhoning

≤ 0,8 mS/cm

Lindehoning

0,5-1,1 mS/cm

Melissopalinologische kenmerken:

 

Beschrijving

Acaciahoning

De honing moet pollen van de valse acacia (Robinia pseudoacacia L.) bevatten en daarnaast mogen er pollen van de volgende planten in voorkomen: Rosaceae, Fabaceae, Cornus sanguinea, Prunus spp., Poaceae, Salix spp., Fragaria vesca, Quercus spp., Fraxinus spp., Lotus spp., Ligustrum vulgare, Helianthemum spp.

Er mogen sporen van pollen van de volgende planten in voorkomen: Cornus mas, Aesculus hippocastanum, Apiaceae, Loranthus europaeus, Acer spp., Pinus spp., Plantago spp. Filipendula ulmaria, Castanea sativa, Lamiaceae, Brassicaceae, Asparagus spp., Tilia spp., Taraxacum officinale, Phacelia tanacetifolia, Paliurus spina christi, Olea europea, Asteraceae (het geslacht Solidago).

Saliehoning

De honing moet ten minste 15 % pollen van salie (Salvia officinalis L.) bevatten.

Daarnaast mogen er pollen van de volgende planten in voorkomen: Rosaceae, Robinia pseudoacacia, Quercus spp., Prunus spp., Paliurus spina christi, Olea europea, Ligustrum vulgare.

Er mogen sporen van pollen van de volgende planten in voorkomen: Poaceae, Pistacia spp., Lamiaceae, Filipendula ulmaria, Cornus sanguinea.

Kastanjehoning

De honing moet ten minste 85 % pollen van de tamme kastanje (Castanea sativa Mill.) bevatten.

Er mogen sporen van pollen van de volgende planten in voorkomen: Paliurus spina christi, Fabaceae, Rosaceae, Pistacia spp., Prunus spp., Salix spp.

Bloemenhoning

De honing mag variabele percentages pollen van de volgende planten bevatten: Fabaceae, Rosaceae, Quercus spp., Prunus spp., Poaceae, Paliurus spina christi, Acer spp., fungal spores, Salix spp., Apiaceae, Robinia pseudoacacia, Fraxinus spp., Fragaria vesca, Cornus sanguinea, Lotus spp., Lamiaceae, Castanea sativa, Aesculus hippocastanum.

Bladhoning

De verhouding tussen het aantal honingdauwelementen (schimmelsporen, delen van schimmeldraden, groene algen) en de pollenkorrels van nectarplanten moet ten minste 1,5 bedragen, met variabele percentages pollen van de volgende planten: Fabaceae, Castanea sativa, Rosaceae, Salix spp., Paliurus spina christi, Robinia pseudoacacia, Cornus sanguinea, Prunus spp., Lotus spp., Poaceae, Quercus spp., Olea europea, Fraxinus spp., Filipendula ulmaria, Fragaria vesca, Asteraceae (het geslacht Solidago), Apiaceae, Tilia spp., Taraxacum officinale, Pinus spp., Loranthus europaeus, Liliaceae, Ligustrum vulgare, Lamiaceae, Helianthemum spp., Cornus mas, Brassicaceae, Asteraceae (het geslacht Taraxacum), Acer spp.

Winterbonenkruidhoning

De honing moet ten minste 20 % pollen van winterbonenkruid (Satureja montana L.) bevatten.

Daarnaast mogen er pollen van de volgende planten in voorkomen: Hedera helix, Satureja montana, Fabaceae, Tilia spp., Rosaceae.

Er mogen sporen van pollen van de volgende planten in voorkomen: Castanea sativa, Echium vulgare, Filipendula ulmaria, Liliaceae, Poaceae, Asteraceae (het geslacht Solidago), Asteraceae (het geslacht Taraxacum), Centaurea jacea, Fragaria vesca.

Lindehoning

De honing moet ten minste 25 % pollen van linde (Tilia sp.) bevatten.

Daarnaast mogen er pollen van de volgende planten in voorkomen: Rosaceae, Quercus spp., Poaceae, Paliurus spina christi, Fabaceae, Castanea sativa, Fraxinus spp., Asteraceae (het geslacht Solidago).

Er mogen sporen van pollen van de volgende planten in voorkomen: Vitis vinifera, Trifolium spp., Sambucus nigra, Ranunculus spp., Phacelia tanacetifolia, Liliaceae, Helichrysum italicum, Helianthus annuus, Centaurea spp., Centaurea jacea, Carex spp., Asteraceae, Apiaceae.

Organoleptische eigenschappen:

 

Kleur

Geur

Smaak

Acaciahoning

heldergeel tot geel, bijna kleurloos

mild, onbewerkte honingraat, verse was en acaciabloesem

zoet tot zeer zoet, van korte duur

Saliehoning

roodbruin, oranjerood, geelrood, amberkleurig, met een groenachtige tint

hout, aangenaam

licht prikkelend, aanhoudend, zoet, licht bitter

Kastanjehoning

roodbruin

matig intens tot intens, kastanjebloesem

intens, bitter tot zeer bitter, aanhoudend

matig zoet tot zoet

Bloemenhoning

geel tot donker amberkleurig

aangenaam, bloemig, gestoofd fruit, weidebloemen, was en suiker

kan scherp zijn

zoet tot zeer zoet, licht zurig tot zuur, aanhoudend

Bladhoning

helderbruin tot donkerroodbruin

hout en karamel, intens

licht prikkelend, hout of karamel, matig zoet

Winterbonenkruidhoning

amberrood

gedroogd fruit

zoet, aanhoudend en licht zurig

Lindehoning

geel tot amberkleurig

uitgesproken, verfrissend, lindebloesem, menthol, citroenschil en hout

matig zoet, licht zurig, licht tot matig bitter, verfrissend, aanhoudend

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

Alle fasen van het productieproces, van de bijenteelt in het drachtgebied tot de extractie, moeten plaatsvinden in het geografische gebied.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het verpakken van “Istarski med/Istrski med” vindt uitsluitend plaats binnen het in punt 4 genoemde geografische gebied, voornamelijk om de traceerbaarheid en dus de originaliteit en de specifieke kenmerken van het product te waarborgen. Dit helpt de kans op vervalsing van het product door vermenging met soortgelijke producten tot een minimum te beperken. Die kans is groter wanneer het verpakken buiten het afgebakende geografische gebied plaatsvindt.

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Wanneer het product in voorverpakte vorm in de handel wordt gebracht, moet de naam “Istarski med” of “Istrski med” worden vermeld in letters die groter zijn dan die van eventuele andere namen op de voorverpakking. In de etikettering moet ook een stempel met een oplopend identificatienummer en het gemeenschappelijke symbool (logo) voorkomen.

Alle gebruikers van de beschermde oorsprongsbenaming “Istarski med/Istrski med” die het product overeenkomstig dit productdossier in de handel brengen, hebben het recht het stempel onder dezelfde voorwaarden te gebruiken.

Het gemeenschappelijke symbool is een druppel honing die is ingekleurd met afwisselend grijze en zwarte horizontale strepen, met erachter een gele zeshoek die een gestileerde honingraat voorstelt. Onder de zeshoek staat in hoofdletters “ISTARSKI MED” in de Kroatische variant (figuur 1) en “ISTRSKI MED” in de Sloveense variant (figuur 2).

Figuur 1

Image 1

Figuur 2

Image 2

4.   Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied

Het productiegebied van “Istarski med/Istrski med” in Kroatië bestaat uit het schiereiland Istrië en de bijbehorende eilanden in de provincie Istrië, gevolgd door de gemeenten Opatija, Lovran, Mošćenička Draga en Matulji, de eilanden Cres en Lošinj en de kleinere eilanden Unije, Ilovik, Susak en Vele Srakane, en een aantal onbewoonde eilandjes. In Slovenië omvat het productiegebied Sloveens Istrië, een gebied dat bestaat uit de gemeenten Koper, Izola, Piran en Ankaran.

In Slovenië vallen de grenzen van het productiegebied samen met de noordelijke grens van de gemeenten Ankaran en Koper, die loopt van de grensovergang van Lazaret/Lazzaretto aan de Sloveens-Italiaanse grens tot de grens tussen de gemeenten Koper en Sežana naast het natuurpark Dolina Glinščice/Val Rosandra. Het geografische gebied loopt verder langs de grens tussen de gemeenten Koper en Sežana ten zuiden van het dorp Ocizla en ten noorden van het dorp Črnotiče. Dan gaat het verder in zuidelijke richting naar het natuurpark Slavnik en langs de noordoostelijke rand daarvan tot aan de grens met Kroatië.

5.   Verband met het geografische gebied

5.1   Specificiteit van het geografische gebied

Istrië wordt gekenmerkt door een rijke en gevarieerde flora dankzij een aantal gunstige omstandigheden in het gebied. De eerste is de geografische ligging van Istrië, gevolgd door het klimaat, het reliëf, de petrografische basis en de bodem.

Het geografische gebied kent ook bijzondere klimatologische omstandigheden; het klimaat is zeer heterogeen, vooral omdat Istrië als schiereiland aan drie zijden door de zee wordt omgeven, maar ook omdat het zich aan de noordkant van de Adriatische Zee bevindt, op het kruispunt tussen de Middellandse Zeekant en het continentale deel van Eurazië. Afhankelijk van de breedtegraad en de kenmerken van het reliëf is Istrië onderverdeeld in drie klimaatzones. Het centrale en zuidelijke kustgedeelte wordt gekenmerkt door een mediterraan klimaat, terwijl het noordelijke deel en het deel verder landinwaarts een gematigd warm, vochtig klimaat hebben met warme zomers. In het continentale deel in het noorden heerst een submediterraan klimaat.

De verschillende soorten “Istarski med/Istrski med” variëren naargelang van de plantengemeenschappen, die op hun beurt variëren naargelang van de wisselwerking tussen klimaat, bodem en reliëf. In geografisch opzicht bevindt Istrië zich op de scheidslijn tussen de Middellandse Zee en de Dinarische Alpen en de Alpen. Wat de vegetatie betreft, wordt Istrië dus gekenmerkt door de flora van deze gebieden. Er zijn bijgevolg verschillende vegetatiegebieden op het schiereiland Istrië en deze gevarieerde vegetatie vormt een belangrijke basis voor de productie van de verschillende soorten “Istarski med/Istrski med”. Een smalle strook langs de zee vormt een gebied van groenblijvende bossen met steeneiken en struikgewas, een plantenwereld die kenmerkend is voor het Middellandse Zeegebied. De loofbossen met truffeleiken en oosterse haagbeuken zijn de meest voorkomende vorm van bosvegetatie in Istrië, verspreid over het grootste deel van het vasteland van Istrië, vanaf de strook groenblijvende vegetatie tot aan de centrale delen van Istrië. Dit soort vegetatie wordt gedomineerd door truffeleiken of zomereiken, die samen met steeneiken een belangrijke bron van honingdauw vormen. Kastanjebomen zijn te vinden op de hellingen van Učka, boven Lovran, en in het westen van Istrië (Bujština), voornamelijk in de bossen met oosterse haagbeuken en truffeleiken, vanwege de diepe zure bodems die zich op de vroegere rode bodems hebben gevormd. Deze opstanden van tamme kastanjes leveren voldoende nectar, waardoor het afgebakende gebied wordt ingedeeld in een categorie Kroatische regio’s die goed bewaard zijn gebleven en waar uitzonderlijk eenbloemige kastanjehoning kan worden geproduceerd. Met name in de zuidoostelijke delen van Istrië bevindt zich een wijdverbreide gemeenschap van geneeskrachtige salie en vedergras. Deze planten worden als drachtplanten gebruikt en leveren aanzienlijke hoeveelheden nectar op, waarvan de meest gewaardeerde honingsoort die kenmerkend is voor het mediterrane klimaat kan worden geproduceerd: saliehoning. Tegelijkertijd is dit gebied het meest noordelijke punt waar geneeskrachtige salie in zijn oorspronkelijke vorm veel voorkomt. Het gebied met truffeleiken en heidegras is het meest gevarieerde deel van Istrië wat de vegetatie betreft. De meeste opstanden met valse acacia’s bevinden zich in het centrale en noordelijke deel, maar sommige strekken zich verder uit tot het gebied met een mediterraan klimaat, waar ze samen met de mediterrane flora een bron van nectar vormen. Dit heeft, samen met de belangrijkste plantensoorten, gevolgen voor de specificiteit van de acaciahoning.

In een beschrijving van de flora van de archipel van Cres en Lošinj vermeldt Wallnöfer (2008) dat van de 1 130 geregistreerde taxa, er 253 alleen voor Cres en 273 alleen voor Lošinj werden gerapporteerd. In het noordelijke, submediterrane deel van het eiland Cres zijn de belangrijkste rotsvegetaties de drachtgebieden met geneeskrachtige salie en de gemeenschap van zwenkgras en fakkelgras. Het gebied Osoršćice telt ongeveer 700 plantensoorten, goed voor twee derde van de totale flora van Lošinj.

Miloš Furlan (2007) zegt over de kenmerken van de drachtgebieden van de bijen in Sloveens Istrië dat “in het gebied bijna alle typische seizoensgebonden drachtplanten voorkomen, van de vroege voorjaarsplanten tot de belangrijkste valse acacia’s, en tamme kastanjes en najaarsplanten in de najaarsvegetatie, gevolgd door het verschijnen van honingdauw op bomen en de mogelijkheid om zoete stoffen te verzamelen op verschillende rijpe vruchten, zoals vijgen, druiven en dergelijke.”

5.2   Specificiteit van het product

De specificiteit van “Istarski med/Istrski med” is te danken aan de natuurlijke hulpbronnen waarop de productie ervan is gebaseerd. Honing is een zeldzaam voedingsproduct dat vanwege zijn specificiteit (de aanwezigheid van pollenkorrels) een goed beeld geeft van het gebied waar de honing wordt geproduceerd. Door de ligging van Istrië op de grens van twee biogeografische regio’s — de mediterrane en de continentale regio — heeft deze regio een uitzonderlijke flora.

In acaciahoning worden hoge percentages van de volgende plantensoorten aangetroffen: Fraxinus, planten van de familie Rhamnaceae, Salix, Loranthus europaeus, Cotinus coggyria, Prunus f., Vicia, Trifolium pratense gr., Coronilla/Hippocrepis, Chamaerops en Filipendula, terwijl uit verschillende studies blijkt dat het kenmerkende percentage acaciapollen varieert van 7 % tot 60 %. Bij het bepalen van de oorsprong wordt dan ook aandacht besteed aan het identificeren van de specifieke fysische of chemische eigenschappen.

De oorsprong van de monsters acaciahoning werd verder bevestigd door de zeer lage waarden voor het elektrisch geleidingsvermogen (0,11-0,18 mS/cm), aangezien deze waarden kenmerkend zijn voor acaciahoning.

Ook werd geconstateerd dat er geen sprake was van kristallisatie van honing — een eigenschap die gewoonlijk verband houdt met de aanwezigheid van koolzaadnectar. Gezien de bevestigde afwezigheid van koolzaadpollen kan worden geconcludeerd dat dit een specifiek kenmerk is van acaciahoning van het schiereiland Istrië.

Het is bekend dat kastanjehoning een grote hoeveelheid pollen bevat, die altijd meer dan 90 % van de monsters uit Istrië uitmaakt. Daarnaast is het pollenspectrum van kastanjehoning uit Istrië anders dan dat van honing uit buurlanden zoals het Alpengebied van Italië, waar de pollen van plantensoorten van bergvegetatie, zoals planten van de families Ericaceae en Tilia, overheersen.

In bloemenhoningmonsters waren de pollen die in significante hoeveelheden werden aangetroffen, afkomstig van Rubus f., Clematis, Castanea, Brassica f., Umbelliferae/Apiaceae, planten van de familie Rhamnaceae, Trifolium repens gr., Vicia, Melilotus en Coronilla/Hippocrepis. De specificiteit van het pollenspectrum wordt verder ondersteund door de aanwezigheid van pollen van de volgende plantensoorten die gewoonlijk in de regio worden aangetroffen: Ailanthus, Loranthus, Asparagus acutifolius, Aesculus en Cotinus coggyria.

Naast nectarhoning produceren de imkers van Istrië ook bladhoning met specifieke kenmerken. Uit analyses van honingmonsters is gebleken dat de verhouding tussen de honingdauwelementen en de pollenkorrels van nectarplanten varieerde van 2,03 tot 29,3, met een mediaanwaarde van 8,2, wat veel hoger is dan de waarden die vereist zijn om als bladhoning te worden ingedeeld (> 3). Ook door melissopalynologische analyses is bevestigd dat er sprake is van een kenmerkend pollenspectrum waarin ook pollen van niet-nectar-plantensoorten zoals Fraxinus, Quercus, Plantago en Gramineae/Pocaeae aanwezig zijn. Daarnaast omvat het kenmerkende pollenspectrum van nectarplanten planten uit de familie Rhamnaceae en Prunus f., die in 100 % van de monsters aanwezig waren, gevolgd door Castanea, Rubus f., Compositae T, Brassica f., Asparagus acutifolius en Clematis, terwijl Cotinus coggyria en Aesculus in iets lagere percentages werden aangetroffen.

De specificiteit van saliehoning uit Istrië komt tot uitdrukking in de botanische oorsprong ervan en in de grotere aanwezigheid van pollen van Robinia pseudoacacia, Rosaceae, Ligustrum vulgare, Fabaceae, Ericaceae, Acer spp., Lotus spp. en Salix spp. De honing verschilt van saliehoning uit de Noord-Adriatische regio, waar de meeste aangetroffen pollen afkomstig zijn van Rhamnaceae, Acer spp., Castanea sativa, Myosotis spp., Prunus spp. en Rubus spp., terwijl het pollenspectrum in Dalmatië wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van pollen van Paliurus spina christi, Erica arborea, Trifolium pratense, Melilotus spp., Centaurea jacea en Apiaceae.

Op basis van het pollenspectrum dat werd aangetroffen in geanalyseerde monsters van winterbonenkruidhoning, was een groot deel van de pollen afkomstig van Hedera helix, Fabaceae, Tilia spp., Rosaceae, Castanea sativa, Echium vulgare en Liliaceae. Dit verschilt aanzienlijk van honingmonsters uit Spanje, waar pollen van Diplotaxis spp., Onobrychis vicifolia, Centaurea spp., Lavandula latifolia, Thymus spp. en Apiaceae overheersen.

Uit analyses van lindehoningmonsters is gebleken dat een groot deel van de pollen afkomstig is van Rosaceae, Paliurus spina christi, Fabaceae, Castanea sativa, Asteraceae (the genus Solidago), Liliaceae, Centaurea spp. en Asteraceae. Uit een vergelijking van de geïdentificeerde plantensoorten blijkt dat zij verschillen van die welke worden aangetroffen in lindehoning uit Italië, waar het grootste deel van de aangetroffen pollen afkomstig was van Rubus spp., Trifolium repens, Robinia pseudoacacia, Ailanthus altissima, Amorpha spp. en Acer spp., terwijl het pollenspectrum van lindehoning uit Roemenië wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van pollen van Brassica napus, Helianthus annuus, Melilotus spp. en Solidago spp.

Uit deze wetenschappelijke studies en analyses waarin de combinatie van pollen van continentale en mediterrane plantensoorten wordt nagegaan, blijkt dat “Istarski med/Istrski med” verschilt van honing die in andere regio’s wordt geproduceerd. De verhouding tussen de pollen van verschillende plantensoorten draagt ook bij tot de specifieke fysisch-chemische en organoleptische kenmerken (kleur, smaak, geur) van “Istarski med/Istrski med” in vergelijking met dezelfde soorten honing uit andere geografische gebieden. “Istarski med/Istrski med” wordt ook gekenmerkt door zijn frisheid (maximaal gehalte aan hydroxymethylfurfural (HMF) van 15,0 mg/kg) en een watergehalte van maximaal 18,6 %. Om deze eigenschappen te behouden, ondergaat “Istarski med/Istrski med” geen intensieve warmtebehandeling. Zo wordt gewaarborgd dat de eigenschappen die de honing ontleent aan de specifieke flora van het productiegebied, behouden blijven.

5.3   Causaal verband tussen de specificiteit van het geografische gebied en de specificiteit van het product

Istrië is een uniek agro-ecologisch gebied dat zeer gevarieerd is wat reliëf, bodem, geomorfologie en klimaat betreft. De wisselwerking tussen deze factoren resulteert in een typische floristische samenstelling die de basis vormt voor de productie van verschillende soorten honing. De verscheidenheid en rijkdom van deze floristische samenstelling zijn rechtstreeks van invloed op de specificiteit van “Istarski med/Istrski med”, die tot uitdrukking komt in de specifieke smaken en geuren ervan. De combinatie van de percentages pollen in bepaalde soorten honing verleent die honing specifieke organoleptische kenmerken (kleur, geur en smaak) die verschillen van monsters van dezelfde soort honing uit andere geografische gebieden. In de loop der tijd hebben de imkers van Istrië bijgedragen tot de specifieke eigenschappen van de honing door de botanische samenstelling en klimatologische kenmerken van de verschillende microgebieden goed te leren kennen, waardoor zij de fasen van de levenscyclus van bepaalde honingproducerende planten nauwkeuriger kunnen volgen. Door nauwgezet te kijken naar de natuur en het klimaat, kunnen de imkers van Istrië nauwkeurig bepalen waar en wanneer zij hun bijenkasten moeten plaatsen, of wanneer zij moeten beginnen met de extractie van de honing, om het typische karakter en de hoge zuiverheidsgraad van de nectar te bereiken. Deze praktijken dragen bij tot het zeer eenbloemige karakter van de honing. Door de specificiteit van de bodem- en klimatologische omstandigheden in het productiegebied, de jarenlange ervaring van de bijenhouders en de traditie van de productie die dateert van het begin van de vorige eeuw en van generatie op generatie wordt doorgegeven, is “Istarski med/Istrski med” uiteindelijk een herkenbaar product voor de consument.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

https://poljoprivreda.gov.hr/UserDocsImages/dokumenti/hrana/proizvodi_u_postupku_zastite-zoi-zozp-zts/Specifikacija%20Istarski%20med%2026-4-2023.doc

https://www.gov.si/assets/ministrstva/MKGP/PODROCJA/HRANA/SHEME-KAKOVOSTI/CERTIFICIRANI-PROIZVAJALCI-IZBRANA-KAKOVOST/CERTIFICIRANI-PROIZVAJALCI-ZASCITENIH-KMETIJSKIH-PRIDELKOV/Istrski_med_Istarski_med.pdf


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1151/oj.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2110/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)