European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2024/2097

26.3.2024

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting door de kracht van de sociale economie en sociaal-economische innovaties te benutten

(verkennend advies)

(C/2024/2097)

Rapporteur:

Alain COHEUR

Corapporteur:

Ferre WYCKMANS

Raadpleging

Voorzitterschap van de Raad, 10.7.2023

Rechtsgrond

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

20.12.2023

Goedkeuring door de voltallige vergadering

17.1.2024

Zitting nr.

584

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

227/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moeten de vele dimensies van het begrip armoede in aanmerking worden genomen. Armoede is van invloed op de toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, voedsel, mobiliteit, digitale instrumenten, energie, cultuur enz. Een horizontale aanpak van armoede is essentieel om sociale inclusie te waarborgen. Hoewel armoedebestrijding een zaak is van alle economische actoren, toch is het de staat die zijn volledige verantwoordelijkheid op dit gebied moet uitoefenen. De sociale economie, met haar waaier aan activiteiten en haar sociale oogmerk, draagt er op natuurlijke en transversale manier toe bij om armoede tegen te gaan.

1.2.

Om het volledige economische, industriële en maatschappelijke potentieel van de sociale economie te benutten en om te bevorderen dat iedereen meedoet in de samenleving, verzoekt het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) de Europese Commissie haar actieplan voor de sociale economie verder uit te voeren, het in 2025 te evalueren als input voor een nieuw actieplan, de uitvoering van de aanbeveling door de lidstaten actief te begeleiden en de sociale economie en beleid voor sociale innovatie expliciet op te nemen in het volgende werkprogramma van de Commissie.

1.3.

Het EESC pleit voor een sterke plaatsgebonden aanpak waarbij regio’s en gemeenten worden betrokken en ook plaats wordt ingeruimd voor uiteenlopende actoren die in beleid voor de ontwikkeling van de sociale economie een rol spelen. Met stimulansen van de overheid kan ervoor worden gezorgd om lokale ontwikkeling, de verschuiving van productiemiddelen, het scheppen van fatsoenlijke banen die niet kunnen worden verplaatst en de samenwerking tussen economische actoren (bundeling van instrumenten, uitwisseling van beste praktijken) te bevorderen en een stimulerend ecosysteem tot stand te brengen waarin verenigingen, coöperaties, onderlinge maatschappijen, traditionele ondernemingen, bancaire beleggers, maatschappelijke organisaties, sociale partners, academische kringen enz. samenkomen.

1.4.

Het EESC roept de Commissie op om in haar initiatieven op het gebied van sociale innovatie te zorgen voor een transversale en multistakeholderbenadering waarbij uiteenlopende actoren uit zowel het traditionele bedrijfsleven als de sector sociale economie worden betrokken en waarin milieu- en sociale aspecten de nodige aandacht krijgen.

1.5

Het EESC roept de Commissie op om de sociale economie en sociale innovatie op te nemen onder de initiatieven die zij ter ontwikkeling van de actielijnen uit haar prognoseverslag zal ontplooien om de arbeidsmarktparticipatie van met name vrouwen te vergroten. Ook voor andere kwetsbare bevolkingsgroepen blijft vergroting van de arbeidsmarktparticipatie een uitdaging: personen met een handicap, jongeren, en personen uit andere ondervertegenwoordigde of uitgesloten groepen die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen of in extreme armoede leven.

1.6

De uitvoering van een ambitieuze strategie voor de ontwikkeling van de sociale economie maakt het mogelijk om verschillende soorten banen te creëren en aldus armoede te bestrijden, via de ontwikkeling van regelingen voor maatschappelijke en arbeidsmarktintegratie of werkgelegenheidstrajecten door middel van opleiding, en het begeleiden van mensen die plannen hebben om bijvoorbeeld micro-ondernemingen, coöperaties, verenigingen of sociale ondernemingen op te richten.

1.7

Deze gezamenlijk vast te stellen langetermijnstrategie moet gebaseerd zijn op een rechtsgrond en een belastingkader dat past bij het bedrijfsmodel van de sociale economie, een specifiek bestuursapparaat en ambtenaren die goed op de hoogte zijn van de sociale economie en van de specifieke instrumenten.

2.   Algemene opmerkingen

2.1.    Achtergrond

2.1.1.

Met dit advies geeft het EESC gehoor aan het verzoek van het Belgische voorzitterschap van de Raad van de EU om te onderzoeken hoe de sociale economie en sociaal-economische innovaties kunnen helpen om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden.

2.1.2.

Deze adviesaanvraag is ingediend in een tijd die wordt gekenmerkt door complexe maatschappelijke uitdagingen die alleen kunnen worden aangegaan door alle in de samenleving aanwezige hulpbronnen in te zetten. De sociale economie en het maatschappelijk middenveld spelen in onze samenleving een cruciale rol als katalysator voor sociale innovatie.

2.1.3.

Armoedebestrijding gaat alle actoren in onze samenleving aan, waarbij erop zij gewezen dat de activiteiten van de sociale economie zich niet tot sociale acties beperken. Vele actoren van de sociale economie leveren essentiële diensten in verband met extreme situaties (die steeds vaker voorkomen) zoals dakloosheid (ze bieden onderdak en verlenen eerstelijnsdiensten) en extreme armoede (ze geven voedselhulp). Ze bieden ook kansen op werk voor degenen die ver van de arbeidsmarkt staan, waardoor inclusie wordt bevorderd. Tevens pleiten ze voor beleidsmaatregelen om de structurele oorzaken van armoede aan te pakken.

2.1.4.

Uit gegevens van Eurostat (1) blijkt dat er sinds 2014 een daling is van het aantal personen dat minstens een van de volgende drie risico’s op armoede en sociale uitsluiting loopt: kans op armoede, ernstige materiële en sociale deprivatie, en/of leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Toch moet worden vastgesteld dat in 2022 95,3 miljoen mensen in Europa (22 % van de bevolking, oftewel één persoon op de vijf) in armoede leefden. Dit is een abnormaal hoog cijfer in een welvarend Europa.

2.1.5.

Het EESC herinnert eraan dat de Commissie in maart 2021 in haar actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten als algemene doelstelling heeft opgenomen dat het aantal mensen dat in armoede leeft, in 2030 met ten minste 15 miljoen moet zijn verminderd (2).

2.1.6.

Bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moeten de vele dimensies van het begrip armoede in aanmerking worden genomen. Armoede is niet beperkt tot één enkel criterium, maar kent verschillende aspecten en is van invloed op de toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, voedsel, mobiliteit, digitale instrumenten, energie, cultuur enz. Een transversale aanpak van armoede is dan ook essentieel om sociale inclusie voor iedereen te waarborgen.

2.1.7.

Bij het cumulatieve effect van de verschillende vormen van armoede komt nog dat bepaalde bevolkingsgroepen kwetsbaarder zijn voor armoede dan andere. Volgens Eurostat-gegevens van juni 2023 (3) lopen vrouwen, jonge volwassenen, mensen met een laag opleidingsniveau, werklozen en werkende armen (4) gemiddeld meer risico op armoede of sociale uitsluiting. Armoede treft ook vooral kleine kinderen, eenoudergezinnen, personen die worden gediscrimineerd (op grond van handicap, ras, geslacht) en ouderen.

2.1.8.

In maart 2021 is de sociale economie door de Europese Commissie in haar actieplan voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten aangemerkt als sector met potentieel voor de creatie van arbeidsplaatsen. De Commissie wijst er hierin ook op dat sociale innovatie vaak kan helpen om grote maatschappelijke uitdagingen op uiteenlopende gebieden aan te pakken. De Commissie stelt dat de sociale economie over een aanzienlijk onbenut economisch potentieel beschikt en van bijzonder belang is omdat ze zowel sociale als economische waarde creëert.

2.1.9.

Het voorstel voor een richtlijn van 5 september 2023, dat tot doel heeft de grensoverschrijdende activiteiten van verenigingen zonder winstoogmerk te vergemakkelijken (5), is ook een belangrijke stap in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting, aangezien deze structuren vaak actief zijn op deze gebieden. Met deze richtlijn wordt het mogelijk verenigingen te steunen, hen te helpen ten volle gebruik te maken van de rechten die de interne markt biedt, de integratie te bevorderen en ervoor te zorgen dat Europese burgers daadwerkelijk hun fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen.

2.2.    De sociale economie en haar maatschappelijke waarden

2.2.1.

De waarden van participatief en democratisch bestuur binnen de organisaties van de sociale economie komen ook de empowerment van de mensen die er werken ten goede. Een dergelijke actieve participatie kan hen ook stimuleren om meer betrokken te worden bij hun gemeenschap, kan hun sociale inclusie bevorderen en kan hen aldus in staat te stellen hun rol als burgers ten volle te vervullen en bij te dragen tot het welzijn van de bevolking. Door preventief en vroegtijdig op te treden, kan de sociale economie vermijden dat mensen uit bepaalde bevolkingsgroepen in precaire situaties terechtkomen.

2.3.    De internationale dynamiek

2.3.1.

De recente aanbeveling van de Raad (6) is een nieuwe belangrijke stap in de internationale ontwikkeling van de sociale economie sinds de lancering van het actieplan voor de sociale economie. Zo was er eerder de resolutie van de Internationale Arbeidsorganisatie over fatsoenlijk werk en de sociale en solidaire economie (juni 2022) (7), de OESO-aanbeveling inzake de sociale en solidaire economie en sociale innovatie (juni 2022) (8) en de VN-resolutie over de bevordering van de sociale en solidaire economie ten behoeve van duurzame ontwikkeling (april 2023) (9).

2.3.2.

In dit verband is het van groot belang dat de EU prioriteit geeft aan het creëren van de essentiële voorwaarden om de sociale economie onder de 27 lidstaten te promoten en haar in de volle breedte te ontplooien. De sociale economie vervult een cruciale rol bij het scheppen van werkgelegenheidskansen voor onder meer kwetsbare groepen die ver van de arbeidsmarkt af staan, maar omvat ook een breed scala aan economische en industriële activiteiten (energie, voedsel, gezondheidszorg, onderwijs, cultuur, productie, kringloopwinkels en hergebruik, enz.). De sociale economie speelt aldus een voortrekkersrol bij het waarborgen van een eerlijke, duurzame en inclusieve transitie.

2.3.3.

Dit transversale aspect komt ook tot uiting in de systemische en holistische aanpak van de aanbeveling, die de sociale economie koppelt aan verschillende belangrijke strategische beleidsterreinen en -richtsnoeren, zoals de Green Deal, de Unie van gelijkheid, de zorgstrategie, de rechten van het kind, de versterkte jongerengarantie, het “Transitietraject voor de buurt- en sociale economie” enz.

2.3.4.

Om het volledige economische, industriële en maatschappelijke potentieel van de sociale economie te benutten en eenieders sociale inclusie te bevorderen, verzoekt het EESC de Commissie haar actieplan voor de sociale economie verder uit te voeren, ervoor te zorgen dat het in 2025 geëvalueerd wordt, een nieuw actieplan voor de sociale economie op te stellen en de lidstaten actief te helpen bij de tenuitvoerlegging van de aanbeveling.

2.4.    De sociale economie als katalysator voor sociale innovatie

2.4.1.

In de huidige situatie waarin we met meerdere crisis tegelijk te maken hebben, kunnen maatschappelijke uitdagingen alleen worden aangegaan door alle in de samenleving aanwezige hulpbronnen in te zetten binnen een multilevel- en sectoroverschrijdende aanpak. Deze aanpak wordt aangemerkt als sociale innovatie, die in de aanbeveling wordt gedefinieerd als “een activiteit waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name een activiteit die verband houdt met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën met betrekking tot producten, diensten, praktijken en modellen, die tegelijk in sociale behoeften voorziet en nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden tussen openbare, maatschappelijke of particuliere organisaties tot stand brengt en zo de samenleving ten goede komt en haar handelingscapaciteit vergroot.” Sociale innovatie “wordt vaak ingegeven door de sociale economie”, aldus de aanbeveling.

2.4.2.

Centraal bij sociale innovatie staan preventie en vroegtijdig ingrijpen aan de hand van een langetermijnaanpak, in plaats van dat er wordt gefocust op winst op korte termijn. Deze aanpak wordt vaak omschreven als een sociale investering. Dit concept is nauw verbonden met de rechtvaardige transitie en sluit aan bij de Europese pijler van sociale rechten. Door de nadruk te leggen op proactieve maatregelen worden de samenlevingen veerkrachtiger, dalen de sociale kosten op lange termijn en wordt duurzame en inclusieve groei bevorderd. De sociale economie kan een belangrijke drijvende kracht zijn achter transitie omdat zij unieke troeven biedt voor sociale investeringen en innovatie stimuleert om sociale uitdagingen aan te pakken op gebieden waar andere sectoren beperkingen ondervinden.

2.4.3.

Sociale innovatie wordt gedreven door de noodzaak om tegemoet te komen aan onvervulde sociale behoeften, maar is ook een antwoord op de noodzaak om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan en sociaal-economische veranderingen teweeg te brengen. Bij sociale innovatie zijn alle sectoren van de samenleving, de sociale economie, het maatschappelijk middenveld en een groot aantal niet-overheidsactoren en overheden op alle bestuursniveaus betrokken. Het EESC roept de Commissie op om in haar initiatieven op het gebied van sociale innovatie te zorgen voor een transversale en multistakeholderbenadering waarbij uiteenlopende actoren uit zowel het traditionele bedrijfsleven als de sector sociale economie worden betrokken en waarin milieu- en sociale aspecten de nodige aandacht krijgen.

2.4.4.

Het EESC verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat belangrijke instrumenten zoals overheidsopdrachten, structuurfondsen en sociale diensten van algemeen belang worden ingezet om sociale innovatie te ondersteunen.

3.   Specifieke opmerkingen

3.1.    Het lokale en regionale niveau

3.1.1.

In de recente aanbeveling van de Raad wordt ervoor gepleit om in de lidstaten op lokaal of regionaal niveau “ambassadeurs” van de sociale economie te creëren om het ecosysteem te promoten, de toegang tot Europese en nationale financiering te vergemakkelijken en peer-to-peerondersteuning te bieden. Op die manier moet gemeenschappen en lokale ontwikkeling nieuw leven worden ingeblazen. Lokale projecten dragen ertoe bij om arbeidsplaatsen te scheppen, mensen die waren uitgesloten weer te laten meedoen en diensten aan de burgers te verlenen. Zo kunnen ze helpen om de armoedecyclus te doorbreken. In zijn advies INT/1037 benadrukt het EESC het belang van het lokale niveau (10).

3.1.2.

Veel initiatieven van de sociale economie zijn diep verankerd in de gemeenschap ter plaatse. Dit is bevorderlijk voor korte waardeketens die lokale productie en consumptie vergemakkelijken, en draagt op die manier bij tot de groene transitie (korte voedselvoorzieningsketen, energieproductie). Het EESC pleit daarom voor een sterke plaatsgebonden aanpak waarbij regio’s en gemeenten worden betrokken en ook plaats wordt ingeruimd voor uiteenlopende actoren die in beleid voor de ontwikkeling van de sociale economie een rol spelen. Met stimulansen van de overheid kan er aldus voor worden gezorgd om lokale ontwikkeling, de verschuiving van productiemiddelen, het scheppen van banen die niet kunnen worden verplaatst en de samenwerking tussen economische actoren (bundeling van instrumenten, uitwisseling van beste praktijken) te bevorderen en een stimulerend ecosysteem tot stand te brengen waarin verenigingen, coöperaties, ondernemingen met een winstoogmerk, bancaire beleggers, maatschappelijke organisaties, sociale partners, onderlinge maatschappijen, academische kringen enz. samenkomen. De organisaties van de sociale economie dragen zo bij aan een goed presterende economie, op een manier die de activiteiten van traditionele bedrijven aanvult. Ze concurreren niet met hen, maar zijn complementair en springen in een gat in de markt dat veroorzaakt wordt door het feit dat bepaalde segmenten ervan niet rendabel zijn. Zo maken ze het bijvoorbeeld mogelijk mensen te ondersteunen die in extreme armoede leven en anders uit de boot zouden vallen.

3.2.    Samenwerkingsstrategieën

3.2.1.

Om het beleid ter ontwikkeling van de sociale economie en sociale innovatie te doen slagen, is er een visie nodig aan de hand van een tienjarenplan waarbij een strategie wordt vastgesteld die steunt op een aantal duidelijke speerpunten en op betrouwbare statistieken. Deze gezamenlijk vast te stellen strategie moet gebaseerd zijn op:

een rechtsgrond en een belastingkader dat past bij het bedrijfsmodel van de sociale economie;

een specifiek bestuursapparaat en ambtenaren die goed op de hoogte zijn van de sociale economie (en kennis hebben van de bijzondere kenmerken en waarden ervan);

instrumenten voor de oprichting van een bedrijf in de sociale economie:

starterscentra;

adviesbureaus;

financiële begeleiding;

onderwijs- en opleidingstrajecten, met name op het vlak van management;

begrotingsmiddelen om het ecosysteem te organiseren en zichtbaarder te maken;

oproepen tot het indienen van projecten, beurzen voor samenwerking enz.

3.2.2.

De sociale economie is transversaal van aard en moet in al haar diversiteit dan ook worden erkend als een economisch en ondernemingsmodel dat ingang kan vinden in tal van sectoren (integratie, buurtvoorzieningen, levensmiddelen, korte ketens, huisvesting, hergebruik, energie, cultuur, mobiliteit, bank- en verzekeringswezen, gezondheidszorg enz.), wat betekent dat een specifiek bestuursapparaat voor de sociale economie nauw moet kunnen samenwerken met andere administratieve instanties die zich bezighouden met sectorspecifieke bevoegdheden, zodat voor de sociale economie een gelijk speelveld gewaarborgd is ten aanzien van andere bedrijfsmodellen. Het EESC beveelt aan om:

op verschillende territoriale niveaus testruimten voor de sociale economie te creëren;

op regionaal niveau een coördinatiecomité op te richten waarin de verschillende betrokken overheden en belanghebbenden uit het regionale ecosysteem samenkomen;

op stedelijk niveau te overwegen om gemeenteraadsleden deel te laten uitmaken van een “college van de sociale economie”, teneinde de betrokkenheid van lokale gekozen vertegenwoordigers te bevorderen. De oprichting van een dergelijk college zou verplicht kunnen worden gesteld in steden met meer dan 100 000 inwoners. In kleine gemeenten zou een samenwerkingsverband van gemeenten de organisatie op zich kunnen nemen, eventueel met regionale steun.

specifieke nationale programma’s voor sociale innovatie te ontwikkelen en de koppelingen tussen verschillende beleidsterreinen te verbeteren om het samen opzetten van initiatieven en het samen boeken van sociale resultaten te bevorderen.

3.2.3.

In haar meest recente strategische prognoseverslag, dat in juli 2023 is gepubliceerd (11), stelt de Commissie dat de EU de lidstaten moet blijven aanmoedigen om inclusieve, hoogwaardige sociale diensten te ontwikkelen die ervoor zorgen dat mensen meer aan de economie en de samenleving kunnen bijdragen, terwijl zij tegelijkertijd hun potentieel en ambities kunnen verwezenlijken. In dit verband is het ook zaak om het socialebeschermingsbeleid te actualiseren door een duurzame aanpak van sociale investeringen gedurende de hele levensloop in te voeren, arbeidsmarktparticipatie en inclusie te ondersteunen, de sociale bescherming aan te passen aan atypische vormen van werkgelegenheid, en een aanpak te ontwikkelen voor actieve inclusie op de arbeidsmarkt.

3.2.4.

Het EESC roept de Commissie dan ook op om de sociale economie op te nemen onder de initiatieven die zij zal ontplooien ter ontwikkeling van de actielijnen uit haar prognoseverslag, teneinde het onder meer mogelijk te maken om de arbeidsmarktparticipatie van alle bevolkingsgroepen te vergroten, met name vrouwen, personen met een handicap, jongeren, en personen uit ondervertegenwoordigde of uitgesloten groepen die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen of in extreme armoede leven.

3.2.5.

De uitvoering van een ambitieuze strategie voor de ontwikkeling van de sociale economie maakt het mogelijk om verschillende soorten banen te creëren via de ontwikkeling van regelingen voor maatschappelijke en arbeidsmarktintegratie of werkgelegenheidstrajecten door middel van opleiding, en het begeleiden van mensen die plannen hebben om bijvoorbeeld micro-ondernemingen, coöperaties, verenigingen of sociale ondernemingen op te richten. Innovatieve projecten zoals “gebieden zonder langdurig werklozen”, waaraan in verschillende lidstaten (Frankrijk, België, Nederland en Oostenrijk) wordt gewerkt, zijn een ander voorbeeld van initiatieven om fatsoenlijke banen te creëren die ook ten goede komen aan de gebieden waar ze zijn ontwikkeld. Het EESC moedigt de Commissie aan om de opkomst en ontwikkeling van dergelijke initiatieven in goede banen te leiden, onder meer door navolgenswaardige praktijken uit te wisselen en te bevorderen, bijvoorbeeld via het nieuwe platform “Social Economy Gateway” (12).

3.3.    Veerkracht, financiering en evaluatiemiddelen

3.3.1.

Een sterke en ambitieuze strategie voor de uitrol van de sociale economie staat of valt met toegang tot financiële middelen. In haar aanbeveling erkent de EU dat de lidstaten, met inbegrip van de regionale en lokale overheden, de verschillende financieringsmogelijkheden van de EU, waaronder de cohesiebeleidsfondsen en de herstel- en veerkrachtfaciliteit, beter zouden kunnen benutten door specifieke maatregelen te nemen voor de sociale economie (13).

3.3.2.

Deze strategie moet evaluatie- en monitoringinstrumenten omvatten die vanaf het ontwerp ervan op de specifieke kenmerken van de sociale economie zijn afgestemd, teneinde flexibiliteit, aanpasbaarheid en veerkracht te bevorderen. Op die manier moet zo goed mogelijk tegemoet worden gekomen aan de behoeften van de belanghebbenden. Erkend wordt dat entiteiten van de sociale economie over de nodige veerkracht beschikken. In haar verslag inzake strategische prognoses 2020 (“De koers naar een veerkrachtiger Europa”) stelt de Europese Commissie vast dat coöperatieve en non-profitorganisaties hun sociale en economische veerkracht tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis hebben versterkt (14). Zo dragen ze bij aan een goed presterende economie, op een manier die de activiteiten van traditionele bedrijven aanvult. Ze concurreren niet met hen, maar springen in een gat in de markt dat veroorzaakt wordt door het feit dat bepaalde segmenten ervan niet rendabel zijn. Zo ondersteunen ze bijvoorbeeld mensen in extreme armoede die anders uit de boot zouden vallen.

Brussel, 17 januari 2024.

Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Oliver RÖPKE


(1)   “People at risk of poverty or social exclusion in 2022” — Eurostat.

(2)  Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten.

(3)  Living conditions in Europe — poverty and social exclusion — Statistics Explained.

(4)  A/78/175: Report of the Special Rapporteur on extreme poverty and human rights, Olivier De Schutter — The working poor: a human rights approach to wages.

(5)  EUR-Lex — 52023PC0516 — NL — EUR-Lex.

(6)  Aanbeveling van de Raad over de ontwikkeling van voorwaarden voor een kader voor de sociale economie — Politiek akkoord, 29.9.2023.

(7)  IAO — Resolution concerning decent work and the social and solidarity economy.

(8)  Rechtsinstrumenten van de OESO.

(9)  Historic moment for the SSE: At its 66th plenary meeting, the UN General Assembly adopts the resolution “Promoting the Social and Solidarity Economy for Sustainable Development” — UNTFSSE (unsse.org).

(10)  Het EESC benadrukt in zijn advies Pakket sociale economie (PB C /2024/882, 6.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/882/oj) dat het absoluut noodzakelijk is te investeren in de voortdurende verbetering van de samenwerking tussen lokale en gemeentelijke overheden, de publieke sector en organisaties van de sociale economie, aangezien veel activiteiten van organisaties van de sociale economie op het niveau van plaatselijke gemeenschappen plaatsvinden.

(11)  Strategisch prognoseverslag 2023 (europa.eu).

(12)  Social Economy Gateway (europa.eu).

(13)  In zijn advies Pakket sociale economie (PB C /2024/882, 06.02.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/882/oj) breekt het EESC een lans voor maatschappelijk verantwoorde en innovatieve oplossingen op het gebied van overheidsopdrachten, zodat ook ondernemingen van de sociale economie ongehinderd kunnen deelnemen aan de markt. Ook raadt het EESC aan om criteria in te voeren aan de hand waarvan ondernemingen van de sociale economie kunnen worden beloond voor hun sociale impact, alsook criteria inzake territoriale nabijheid.

(14)  Verslag inzake strategische prognoses 2020 (europa.eu): “Coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen en sociale ondernemingen hebben de overheid geholpen om de crisis het hoofd te bieden. Zij hebben aangetoond in staat te zijn een breed scala aan producten en diensten aan te bieden op de interne markt in omstandigheden waarin ondernemingen met winstoogmerk niet in staat zouden zijn geweest voldoende rendement op kapitaal te genereren. Op die manier konden zij miljoenen banen creëren en behouden. Bovendien zijn zij ook een cruciale motor voor sociale innovatie.”


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2097/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)