European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie C


C/2024/1997

18.3.2024

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 januari 2024 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Agentsia “Patna infrastruktura” / Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa “Transport” 2007-2013 i direktor na direktsia “Koordinatsia na programi i proekti” v Ministerstvo na transporta (RUO)

[Zaak C-471/22 (1), Agentsia “Patna infrastruktura” (Europese financiering van wegeninfrastructuur)]

(Prejudiciële verwijzing - Cohesiefonds van de Europese Unie - Verordening (EG) nr. 1083/2006 - Artikelen 99 en 101 - Financiële correcties in verband met geconstateerde onregelmatigheden - Verordening (EU) 2021/1060 - Artikel 104 - Financiële correcties door de Commissie - Besluit van de Commissie tot gedeeltelijke intrekking van een bijdrage uit dit fonds - Geldigheid - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 41 - Recht op behoorlijk bestuur - Artikel 47, eerste alinea - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte)

(C/2024/1997)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Agentsia “Patna infrastruktura”

Verwerende partij: Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa “Transport” 2007-2013 i direktor na direktsia “Koordinatsia na programi i proekti” v Ministerstvo na transporta (RUO)

Dictum

1)

Het gezamenlijke onderzoek van de eerste en de tweede vraag heeft geen aanwijzingen opgeleverd die de geldigheid kunnen aantasten van besluit С(2021) 5739 final van de Commissie van 27 juli 2021 tot gedeeltelijke intrekking van de bijdrage van het Cohesiefonds aan het operationele programma “Vervoer” 2007-2013 in het kader van de doelstelling “Convergentie” in Bulgarije.

2)

Artikel 98, lid 2, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999, gelezen in samenhang met de algemene Unierechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur, eerbiediging van de rechten van verdediging en wapengelijkheid (equality of arms),

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer de Commissie in een op grond van artikel 99 van deze verordening genomen besluit een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 7, van die verordening vaststelt en bijgevolg een financiële correctie toepast ten aanzien van een lidstaat, de bevoegde nationale autoriteiten in beginsel moeten overgaan tot terugvordering van de onverschuldigd ontvangen bedragen door een financiële correctie toe te passen op de begunstigde van de middelen na afloop van een autonome administratieve procedure waarin deze begunstigde zijn opmerkingen naar behoren en daadwerkelijk kenbaar heeft kunnen maken.

3)

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

moet aldus worden uitgelegd dat

het er niet aan in de weg staat dat een nationale rechterlijke instantie gebonden is aan een definitief besluit van de Commissie waarbij de bijdrage uit een fonds van de Europese Unie wegens een onregelmatigheid geheel of gedeeltelijk nietig is verklaard, wanneer bij die rechterlijke instantie beroep is ingesteld tegen de nationale handeling waarbij ter uitvoering van dat besluit een financiële correctie wordt toegepast op de begunstigde van dat fonds, aangezien zij het Hof om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van dat besluit dient te verzoeken indien zij twijfels heeft over die geldigheid.


(1)   PB C 424, van 7.11.2022.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1997/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)