European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie C


C/2024/1897

29.2.2024

Beroep tegen Noorwegen, ingesteld door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op 20 december 2023

(Zaak E-16/23)

(C/2024/1897)

Op 20 december 2023 is bij het EVA-Hof beroep tegen Noorwegen ingesteld door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, vertegenwoordigd door Marte Brathovde, Erlend Møinichen Leonhardsen, Hildur Hjörvar en Melpo-Menie Joséphidès, optredend als gemachtigden van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kunstlaan 19H, 1000 Brussel, België.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA vraagt het EVA-Hof:

1.

Vast te stellen dat Noorwegen, door afdeling 112 (1) (c) van de immigratiewet te handhaven, samen met de relevante richtsnoeren die aldus zijn uitgelegd en toegepast dat kinderen die onderdaan zijn van een EER-land en via hun primaire verzorgers over voldoende bestaansmiddelen beschikken, niet in aanmerking kunnen komen voor het verblijfsrecht op grond van artikel 7, lid 1, punt b), van Richtlijn 2004/38/EG en niet door hun primaire verzorgers kunnen worden begeleid, zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 7, lid 1, punt b), van Richtlijn 2004/38/EG, zoals uitgelegd in het licht van het grondrecht op familie- en gezinsleven niet is nagekomen.

2.

Noorwegen te verwijzen in de kosten van de procedure.

Feiten en argumenten:

Met dit verzoek verzoekt de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (de Autoriteit) het Hof vast te stellen dat Noorwegen, door afdeling 112 (1) (c) van de immigratiewet te handhaven, samen met de relevante richtsnoeren die aldus zijn uitgelegd en toegepast dat kinderen die onderdaan zijn van een EER-land en die via hun primaire verzorgers over voldoende bestaansmiddelen beschikken, niet in aanmerking kunnen komen voor het verblijfsrecht op grond van artikel 7, lid 1, punt b), van Richtlijn 2004/38/EG (de richtlijn) en niet door hun primaire verzorgers kunnen worden begeleid, zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 7, lid 1, punt b), van Richtlijn 2004/38/EG, zoals uitgelegd in het licht van het grondrecht op familie- en gezinsleven, niet is nagekomen.

Bij brief van 9 december 2019 heeft de Autoriteit de Noorse regering meegedeeld dat zij een klacht had ingeleid tegen Noorwegen over de erkenning van het verblijfsrecht van kinderen uit hoofde van het EER-recht in Noorwegen. De zaak werd ingeleid naar aanleiding van een klacht bij de Autoriteit van 15 november 2019. De Autoriteit en de Noorse regering voeren sindsdien een uitgebreide dialoog over deze kwestie.

Op 30 september 2020 heeft de Autoriteit Noorwegen een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij concludeerde dat Noorwegen, door wettelijke bepalingen als de afdelingen 112 (1) (c), 113 (3) en 114 (3) van de immigratiewet te handhaven, samen met de desbetreffende circulaires, die aldus zijn uitgelegd en toegepast dat kinderen die onderdaan zijn van een EER-land en die via hun primaire verzorgers over voldoende bestaansmiddelen beschikken, geen verblijfsrecht kunnen genieten op grond van artikel 7, lid 1, punt b), van de richtlijn en dat stiefkinderen van EER-onderdanen geen verblijfsrecht op grond van artikel 12, lid 3, van Richtlijn 2004/38/EG kunnen behouden, zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 7, lid 1, punt b) en artikel 12, lid 3, van de richtlijn, zoals uitgelegd in het licht van het grondrecht op familie- en gezinsleven en het rechtszekerheidsbeginsel niet was nagekomen.

Bij brief van 30 november 2020 heeft de Noorse regering geantwoord en wees daarbij op onder meer het standpunt van de Commissie van beroep in vreemdelingenzaken dat er verschillen bestaan tussen het EU- en het EER-recht wat betreft het recht van vrij verkeer en verblijf van kinderen die onderdaan zijn van een EER-land.

Op 7 juli 2021 heeft de Autoriteit een met redenen omkleed advies tot Noorwegen gericht, waarin zij haar in de aanmaningsbrief naar voren gebrachte standpunten handhaafde. De Autoriteit heeft Noorwegen verzocht de nodige maatregelen te nemen om uiterlijk op 7 oktober 2021 (de nalevingstermijn) aan het met redenen omkleed advies te voldoen.

De Noorse regering antwoordde bij brief van 6 oktober 2021 dat een onderdaan uit een derde land die de ouder is van een minderjarige Unieburger, geen aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht dat uitsluitend op de richtlijn is gebaseerd, omdat deze personen buiten de personele werkingssfeer van artikel 2, lid 2, van de richtlijn vallen. Noorwegen betoogde dat een dergelijk recht alleen kan worden afgeleid uit artikel 21 VWEU in samenhang met de richtlijn. De Noorse regering concludeerde derhalve dat het bij gebreke van een equivalent aan artikel 21 VWEU in de EER-Overeenkomst onzeker is of een ouder die onderdaan is van een derde land verblijfsrecht kan ontlenen aan de richtlijn en artikel 7, lid 2.

In zijn antwoord op het met redenen omkleed advies heeft Noorwegen de Autoriteit ook in kennis gesteld van de aanneming van circulaire AI-5/2021 op 6 september 2021, waarin het directoraat Immigratie wordt opgedragen te erkennen dat stiefkinderen van EER-onderdanen binnen de werkingssfeer van artikel 12, lid 3, van de richtlijn vallen. Na deze wijzigingen was de Autoriteit van oordeel dat er niet langer sprake was van een inbreuk op artikel 12, lid 3, van de richtlijn.

De Autoriteit stelt dat het verzuim van de Noorse regering om het zelfstandige verblijfsrecht van kinderen uit hoofde van het EER-recht en hun recht op begeleiding door hun primaire verzorgers overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt b), van de richtlijn te erkennen, op de nalevingstermijn nog voortduurde en dient daarom het onderhavige verzoek in bij het Hof.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1897/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)