|
Publicatieblad |
NL Serie C |
|
C/2023/1060 |
15.12.2023 |
P9_TA(2023)0132
Gezamenlijk visserijbeheer in de EU
Resolutie van het Europees Parlement van 9 mei 2023 over gezamenlijk visserijbeheer in de EU en de bijdrage van de visserijsector aan de tenuitvoerlegging van beheersmaatregelen (2022/2003(INI))
(C/2023/1060)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, |
|
— |
gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 25 juli 2001 met de titel “Europese governance — Een witboek” (COM(2001)0428), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640), |
|
— |
gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), |
|
— |
gezien Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (2), |
|
— |
gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende natuurherstel (COM(2022)0304), |
|
— |
gezien het “Guidebook for evaluating fisheries co-management effectiveness” van de VN Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), |
|
— |
gezien artikel 54 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0119/2023), |
|
A. |
overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) ervoor moet zorgen dat visserijactiviteiten bijdragen tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid op lange termijn, en een hogere productiviteit en een redelijke levensstandaard voor de visserijsector in de hand moet werken; |
|
B. |
overwegende dat doelstelling 14 van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN tot doel heeft de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen in stand te houden en duurzaam te gebruiken; overwegende dat dit onder meer inhoudt dat kleinschalige ambachtelijke vissers toegang moeten krijgen tot mariene hulpbronnen en markten; |
|
C. |
overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid het volgende wordt gesteld: “Belangrijk is dat bij het beheer van het gemeenschappelijk visserijbeleid volgens de beginselen van goed bestuur gehandeld wordt”; overwegende dat deze beginselen nader worden uitgewerkt in de verordening, met name in artikel 3, waarin de nadruk wordt gelegd op besluitvorming op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies, waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op de rol van de adviesraad, brede betrokkenheid van belanghebbenden en een langetermijnperspectief; |
|
D. |
overwegende dat gezamenlijk beheer alleen werkt als het subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen; overwegende dat de Europese Unie bij het mogelijk maken van gezamenlijk beheer een faciliterende rol kan spelen; |
|
E. |
overwegende dat de Europese Green Deal en de biodiversiteitsstrategie voor 2030 specifieke verbintenissen en acties omvatten, waaronder de oprichting van een breder netwerk van beschermde gebieden op land en op zee in de hele EU, door de uitbreiding van Natura 2000-gebieden; overwegende dat in de voorgestelde verordening inzake natuurherstel wordt voorgesteld om tegen 2030 juridisch bindende doelstellingen voor natuurherstel toe te passen op alle lidstaten voor ten minste 20 % van de land- en mariene gebieden van de EU, waarmee uiteindelijk alle ecosystemen worden bestreken die tegen 2050 moeten worden hersteld; |
|
F. |
overwegende dat er in de lidstaten talrijke gevallen van succesvolle tenuitvoerlegging van gezamenlijk visserijbeheer te vinden zijn, onder andere in Spanje (Galicië, Catalonië en Andalusië), Portugal (Algarve en Peniche-Nazaré), Zweden (Kosterhavets), Nederland, Italië (Torre Guaceto), Frankrijk (Île de Sein en het CoGeCo-project) en Kroatië (Telašćica en Lastovo); |
|
G. |
overwegende dat er ook tal van succesverhalen zijn in kandidaatlanden, zoals Turkije (het SMAP III-project van de EU, dat in 2009 in de Golf van Gökova is afgerond, en het daaropvolgende project SAD-Rubicon), en in derde landen, zoals Senegal, met het medebeheer van octopus en groene kreeften, alsmede in landen in Azië, zoals Bangladesh, Cambodja, de Filipijnen en Sri Lanka; |
|
H. |
overwegende dat de ultraperifere gebieden een enorme bijdrage leveren aan de maritieme dimensie van de EU, omdat zij uitgebreide exclusieve economische zones hebben die meer dan de helft van de exclusieve economische zone van de EU uitmaken (3); |
|
I. |
overwegende dat bijna 80 % van de biodiversiteit van de EU momenteel te vinden is in de ultraperifere gebieden en landen en gebieden overzee (4); |
|
J. |
overwegende dat rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de kleinschalige visserij in sommige Europese regio’s, met name in de ultraperifere gebieden, in die zin dat er gebruik wordt gemaakt van selectief vistuig, waardoor de milieu-impact kleiner is; overwegende dat de sector van belang is om de werkgelegenheid in kustgebieden te garanderen en een redelijke levensstandaard voor lokale gemeenschappen te waarborgen (5); |
|
K. |
overwegende dat zowel op Europees als op nationaal niveau een algemeen beginsel van gezamenlijk visserijbeheer mogelijk moet worden gemaakt; |
|
L. |
overwegende dat bepaalde lidstaten en regio’s over een juridisch kader voor gezamenlijk beheer beschikken; overwegende dat er tot op heden echter geen wetgeving op Europees niveau bestaat en dat slechts enkele instrumenten de uitvoering van mechanismen voor gezamenlijk beheer vergemakkelijken, ook al wordt in veel EU-lidstaten medebeheer gebruikt voor het beheer van bepaalde visserijtakken, waarbij regels worden toegepast die perfect aansluiten bij het huidige GVB; |
|
M. |
overwegende dat het traditionele beheer in sommige gevallen uiteenlopende succespercentages heeft gehad met betrekking tot de verbetering van de visbestanden en het behoud van de werkgelegenheid; |
|
N. |
overwegende dat het visserijbeheer niet los kan worden gezien van andere aspecten die verband houden met het mariene milieu en kustgemeenschappen, waaronder economische, culturele en sociale aspecten zoals bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarin de doelstelling van het GVB worden vastgelegd; |
|
O. |
overwegende dat het moeilijk is om gegevens en informatie over het mariene milieu en de visserij te verkrijgen en te verzamelen; overwegende dat het voor alle publieke en particuliere onderzoeksinstellingen op Europees niveau belangrijk is dat de visserijsector zelf door de rechtstreekse betrokkenheid van de vissers aan deze werkzaamheden deelneemt, zoals bepaald in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid; |
|
P. |
overwegende dat in alle bovengenoemde gevallen van gezamenlijk beheer de verandering in de rol van de visser, van iemand die regeltjes moet naleven naar een actief visserijbeheerder die de vastgelegde regelgeving naleeft, van essentieel belang is voor het welslagen van de genomen initiatieven, aangezien hij zal bijdragen aan een beter begrip ervan, ze gaat verdedigen en toepassen en in zijn visserijmethoden een ecosysteemgerichte aanpak leert hanteren, in het besef van de gevolgen van zijn activiteit voor de ecosystemen; overwegende dat de rol van de visser als “beschermer van de zee” in dit verband onderstreept wordt, zowel wat betreft zijn bijdrage aan gerichte beleidsvorming als wat betreft zijn bijdrage aan zaken zoals het aanpakken van zwerfvuil op zee en het opruimen van plastic op zee; |
|
Q. |
overwegende dat de visserijsector, met name de kleinschalige, ambachtelijke visserij, een belangrijke functie vervult voor het monitoren van het mariene milieu en de visbestanden, en bijzonder relevante en nuttige gegevens kan levert ten behoeve van de besluitvorming; |
|
R. |
overwegende dat wetenschappelijke werkzaamheden, in het kader waarvan regelmatig actuele gegevens worden geproduceerd, nodig zijn om advies te verstrekken over de maatregelen die moeten worden genomen om een verantwoord gebruik van de gemeenschappelijke hulpbronnen te waarborgen, zoals bepaald in de artikelen 26 en 27 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid; |
|
S. |
overwegende dat een in de loop van de tijd productief en duurzaam systeem biologisch verantwoord en evenwichtig moet zijn om een evenwicht tussen de soorten te waarborgen, zodat de bestanden nu en in de toekomst in stand kunnen worden gehouden; overwegende dat voor dit doel gebruik moet worden gemaakt van het beste bestaande systeem voor het beheer van de middelen, aangepast aan elk geval, en dat het succes van de systemen voor gezamenlijk beheer in de bovengenoemde gevallen is aangetoond; |
|
T. |
overwegende dat in 2017 naar schatting minstens 9 miljoen mensen activiteiten hebben ontplooid op het gebied van de recreatieve zeevisserij in Europa en dat de sector recreatieve zeevisserij goed was voor bijna 100 000 voltijdequivalent-banen, met een totaal jaarlijks economisch effect van 10,5 miljard EUR; overwegende dat recreatieve vissers gebruikmaken van de zee en haar rijkdommen; overwegende dat de recreatieve visserij economische kansen biedt aan kustgemeenschappen; |
|
U. |
overwegende dat in het Witboek over de governance van de Europese Unie wordt gesteld dat het beleid niet meer van bovenaf mag worden afgekondigd, dat de legitimiteit van de EU staat of valt met burgerparticipatie, dat de werking van de Unie transparanter moet worden, aangezien participatie vereist dat mensen kunnen deelnemen aan het openbaar debat en dat het hiervoor nodig is dat het publiek actiever op de hoogte wordt gesteld van Europese onderwerpen; overwegende dat in het witboek ook wordt voorgesteld samenwerkingsverbanden van lagere overheden bij de beleidsvorming te betrekken en meer flexibiliteit te bieden bij de uitvoering van bepaalde EU-beleidsmaatregelen met belangrijke gevolgen voor lagere overheden; overwegende dat in het hervormde GVB het concept regionalisering werd geïntroduceerd en voorzien werd in de oprichting van meerdere adviesraden voor de raadpleging van belanghebbenden; |
|
V. |
overwegende dat in artikel 9, lid 10, van Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee reeds te lezen staat: “In overeenstemming met de beginselen van goed bestuur als vastgesteld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, kunnen de lidstaten regelingen voor participatief management op lokaal niveau stimuleren om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken”, waarbij gezamenlijk beheer een vorm van participatief beheer is; |
|
W. |
overwegende dat gezamenlijk beheer, als participatief model en vorm van medeverantwoordelijkheid, transparanter en proactiever en even democratisch is, helpt om van elkaar te leren voor het beheer van gemeenschappelijke rijkdommen en bijdraagt tot een cultuur van verantwoordelijkheid, doordat het betrouwbare netwerken oplevert, conflicten helpt verminderen en de weerstand wegneemt om innovaties in het visserijbeheer in te voeren; |
|
X. |
overwegende dat visserijorganisaties zoals “cofradias”, “comités des pêches” of “prud’homies de pêcheurs” een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling en uitvoering van systemen voor gezamenlijk beheer; overwegende dat “cofradías” reeds lang bestaande organisaties zijn die producenten in sommige lidstaten vertegenwoordigen, en dat hun maatschappelijke rol bij de instandhouding van kustgemeenschappen van fundamenteel belang is; overwegende dat zij desondanks nog niet zijn erkend als entiteiten die in aanmerking komen voor steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA); |
|
Y. |
overwegende dat vissers, als belangrijkste belanghebbenden, en producentenorganisaties bij de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van het GVB op het gebied van voedselzekerheid, maximale duurzame opbrengst, quotabeheer, afzet en technische instandhoudingsmaatregelen een centrale rol spelen; overwegende dat zij bovendien een goed voorbeeld zijn van gezamenlijk beheer binnen de EU, omdat zij beheersmaatregelen vaststellen op basis van gezamenlijke resoluties, visserijactiviteiten organiseren in overeenstemming met de marktvereisten en samenwerken met diverse belanghebbenden om maatregelen van gezamenlijk beheer op lokaal niveau te realiseren; |
|
Z. |
overwegende dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen en de achterstand wat betreft de inclusie van vrouwen op het gebied van visserijbeheer in de weg staan aan duurzaamheid en ontwikkeling; |
Bijdrage van gezamenlijk beheer aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid
|
1. |
wijst erop dat systemen voor gezamenlijk visserijbeheer niet alleen op de verdelingscriteria van het GVB berusten, collectieve kennis omvatten en betrekking hebben op alle actoren die profiteren van een collectieve hulpbron, maar ook berusten op de beheersbeginselen van het GVB en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de artikelen 2 en 3 van Verordening (EU) nr. 1380/2013; |
|
2. |
is van mening dat er in alle geanalyseerde gevallen van gezamenlijk beheer sprake is van een duidelijk potentieel voor verbetering van de milieuduurzaamheid van de hulpbronnen, waarbij de economische en sociale voordelen van de activiteit behouden blijven doordat de sociale en economische actoren rechtstreeks betrokken zijn bij de besluitvorming over het gezamenlijke beheer; merkt op dat deze systemen voor gezamenlijk beheer beter bestand zijn gebleken tegen mogelijke schokken zoals de COVID-19-pandemie en leiden tot minder conflicten en een vlottere besluitvorming over visserijbeheer, wat de democratisering, de transparantie, het vertrouwen en de naleving van de regelgeving ten goede komt; |
|
3. |
wijst erop dat is gebleken dat gezamenlijk beheer bevorderlijk is voor consensuele besluitvorming tussen de overheid, relevante belanghebbenden en onderzoeksorganisaties, die altijd moeten handelen in overeenstemming met de beginselen van het GVB en andere relevante wetgeving en in alle gevallen de voorzorgsbenadering moeten toepassen om ervoor te zorgen dat de bestanden volledig duurzaam worden geëxploiteerd op basis van de maximale duurzame opbrengst van de doelsoorten; benadrukt dat deze vormen van beheer en besluitvorming in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de tenuitvoerlegging van succesvolle instandhoudingsmaatregelen, waaronder beschermde mariene gebieden en andere doeltreffende gebiedsgerichte instandhoudingsmaatregelen; |
|
4. |
wijst erop dat de systemen voor gezamenlijk beheer ook moeten worden toegepast in verband met de recreatieve visserij, met inbegrip van zowel gebruikers als economische actoren die bijdragen tot het genereren van sociaaleconomische voordelen voor gemeenschappen; merkt op dat het toepassen van gezamenlijk beheer in het kader van het GVB er ook voor kan zorgen dat de recreatieve visserij binnen dit beleid serieuzer wordt genomen en dat het beheer ervan verbetert; |
|
5. |
benadrukt dat systemen voor gezamenlijk beheer op visserijgebaseerd zijn, maar ook grensoverschrijdende situaties en uiteenlopende geografische gebieden kunnen bestrijken, waarbij rekening wordt gehouden met de omgeving waarin die systemen worden toegepast, en dat bij dat beheer daarom een alomvattende aanpak wordt gehanteerd; merkt in dit verband op dat regelingen inzake gezamenlijk beheer ook kunnen voorzien in mechanismen inzake quota-ruil; |
|
6. |
merkt op dat er een breed scala is aan mogelijke regelingen voor gezamenlijk beheer, met uiteenlopende partnerschapsregelingen en verschillende gradaties van machtsdeling; |
|
7. |
wijst erop dat aangezien bij systemen voor gezamenlijk beheer rechtstreeks onderzoeksorganisaties betrokken zijn, een betere verzameling van wetenschappelijke gegevens gewaarborgd is; benadrukt dat dit systeem gegevens en kennis oplevert die anders moeilijk te verkrijgen zijn, gezien de nauwe betrekkingen tussen alle betrokken partijen (de overheid, de sector en wetenschappers — de zogenaamde “triple helix”), waardoor zij beter in staat zijn deze informatie te gebruiken om snel en doeltreffend te reageren op problemen die van invloed kunnen zijn op de visserij; wijst in dit kader op de belangrijke rol die EU-middelen kunnen spelen bij de financiering van onderzoek en gegevensverzameling en dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van EU-financiering op nationaal niveau ook wordt voorzien in andere financieringsmogelijkheden; |
|
8. |
benadrukt dat gezamenlijk beheer ook bijdraagt tot het scheppen van de voorwaarden om de visserijsector economisch levensvatbaar en concurrerend te maken, een passende levensstandaard te waarborgen voor degenen die afhankelijk zijn van visserijactiviteiten, en ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de belangen van zowel consumenten als producenten; |
|
9. |
benadrukt dat producentenorganisaties, “cofradías” en andere organisaties zoals “comités des pêches” kunnen en moeten worden gebruikt als belangrijke aanjagers van gezamenlijk beheer; benadrukt dat de fundamentele rol van dergelijke organisaties binnen het visserijbeheer moet worden erkend en versterkt, en dat zij in aanmerking moeten kunnen komen voor steunverlening uit het EFMZVA; |
|
10. |
benadrukt dat gezamenlijk beheer bijdraagt tot de uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijpraktijken aangezien wanpraktijken gemakkelijker op te sporen, te begrijpen en te bestrijden zijn doordat de sector en overheden bij het beheer betrokken zijn, onder meer dankzij de toepassing van passende en doeltreffende controlemaatregelen en -praktijken; |
|
11. |
wijst op de cruciale rol die de ultraperifere gebieden spelen bij de bestrijding van zowel illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij als verontreiniging van de oceanen, gezien hun verspreiding en hun bevoorrechte ligging in de Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan; merkt op dat deze gebieden meer capaciteit moeten krijgen voor handhavings- en controleprogramma’s; |
|
12. |
benadrukt dat het belangrijk is artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid volledig uit te voeren ter ondersteuning van modellen voor gezamenlijk visserijbeheer, op grond waarvan de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden gebruik moeten maken van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard; overwegende dat die criteria onder meer betrekking kunnen hebben op de gevolgen van de visserij voor het milieu, de naleving in het verleden, de bijdrage aan de lokale economie en vangstniveaus uit het verleden; |
|
13. |
wijst erop dat gezamenlijk beheer een nuttig instrument kan zijn om de verzameling van milieugegevens te verbeteren en ervoor te zorgen dat de beheersmaatregelen afgestemd worden op de specifieke kenmerken van de afzonderlijke takken binnen de visserij, wat leidt tot een grotere acceptatie en naleving van die maatregelen door vissers; benadrukt dat gezamenlijk beheer toegepast moet worden om de beschikbaarheid van gegevens te verbeteren en op efficiëntere wijze maatregelen te kunnen inzetten om de gevolgen voor kwetsbare soorten tot een minimum te beperken; |
|
14. |
benadrukt dat bij benaderingen van gezamenlijk beheer de stem van alle belanghebbenden moet worden gehoord, ook die van vakbondsvertegenwoordigers van onderdanen van derde landen die in de EU-visserij werkzaam zijn, en dat dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de arbeidsomstandigheden en de arbeidsrechten; |
|
15. |
wijst erop dat er van gevallen van toepassing van gezamenlijk beheer in de EU en in de wereld geen uniforme beoordeling bestaat waarbij de belangrijkste factoren van dit systeem worden vastgesteld; verzoekt de Commissie de voorbeelden van gezamenlijk visserijbeheer in de Unie te beoordelen om beste praktijken vast te stellen, met name inzake de wijze waarop de betrokken belanghebbenden op doeltreffende wijze bij het besluitvormingsproces kunnen worden betrokken, en om de geleidelijke tenuitvoerlegging van deze methode van beheer op andere visserijtakken en in de regionale visserijorganen te ondersteunen; |
Belangrijkste belemmeringen voor gezamenlijk beheer in de Unie en mogelijke oplossingen
|
16. |
benadrukt dat het ontbreken van specifieke EU-wetgeving en -instrumenten ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging van systemen voor gezamenlijk visserijbeheer genoemd wordt als belemmering voor sommige lidstaten om deze manier van visserijbeheer toe te passen, aangezien dergelijke wetgeving en instrumenten uitsluitend afhangen van de concrete inzet van de bevoegde autoriteiten; benadrukt dat het van belang is in alle nieuwe EU-wetgeving te voorzien in flexibiliteit, zodat de huidige praktijken en tradities kunnen worden gehandhaafd en nieuwe instrumenten worden aangereikt, zoals de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten en de betrokken belanghebbenden, hetgeen een belangrijke stap is in de richting van uitbreiding van het gebruik van systemen voor gezamenlijk beheer; |
|
17. |
benadrukt dat er onvoldoende geschikte instrumenten zijn, zoals fora, voor het uitwisselen en ontwikkelen van modellen voor gezamenlijk beheer en regelgevende maatregelen die de uitvoering ervan kunnen vergemakkelijken; wijst erop dat het hierdoor moeilijker wordt om passende modellen in de verschillende lidstaten toe te passen, ondanks de mogelijke belangstelling van de sector en overheden om op een bepaald terrein toepassing te geven aan dergelijke modellen; |
|
18. |
verzoekt de Commissie om de vaststelling van een niet-bindend vrijwillig regelgevingskader inzake gezamenlijk visserijbeheer, dat de nodige flexibiliteit moet bieden om de huidige praktijken en tradities in stand te houden, naast een beoordeling van de wijze waarop deze praktijken kunnen worden aangemoedigd en vergemakkelijkt, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en voortbouwend op bestaande succesvolle voorbeelden in de lidstaten en derde landen; |
|
19. |
Verzoekt de Commissie bij het voorstellen van de jaarlijkse verordeningen inzake totaal toegestane vangsten en quota rekening te houden met de lidstaten met ultraperifere gebieden, en met name met de soorten die voor elk van deze regio’s van cruciaal belang zijn; wijst erop dat elk regelgevingskader een beter beheer van de vangstquota tussen de lidstaten en hun ultraperifere gebieden moet bevorderen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk van die gebieden; benadrukt in het licht van het belang van de visserijsector in de ultraperifere gebieden dat de lidstaten tijdig informatie moeten verstrekken over de ontwikkelingen met betrekking tot het quotumverbruik, zodat de ultraperifere gebieden hun visserijsector hierover op de hoogte kunnen houden en hun vloten beter kunnen beheren; |
|
20. |
benadrukt dat er met het oog op de verbetering van de systemen voor gezamenlijk beheer bovendien behoefte is aan duidelijke regels om alle specifieke aspecten voor een goed functionerend gezamenlijk beheer te vergemakkelijken, zoals de oprichting van comités voor gezamenlijk beheer, en om de uitvoering van maatregelen te versnellen, aangezien er zorgen zijn dat het wetgevingskader in sommige regio’s momenteel onvoldoende duidelijk is, wat betekent dat de oprichting en uitvoering een proces van lange adem is, terwijl er op korte tot middellange termijn oplossingen nodig zijn; |
|
21. |
wijst erop dat het gebrek aan duidelijke langetermijninstrumenten en juridische bepalingen de succesvolle voltooiing van projecten voor gezamenlijk visserijbeheer in gevaar zou kunnen brengen, omdat hiervoor processen op middellange en lange termijn en leiderschap nodig zijn, en dat het daarom van essentieel belang is dat Europa zich voor dit systeem inzet; |
|
22. |
benadrukt dat adviesraden een specifieke rol spelen wat betreft het waarborgen van de betrokkenheid van belanghebbenden bij het besluitvormingsproces van de EU; spoort de Commissie aan de dialoog met de adviesraden voort te zetten en ervoor te zorgen dat er passende feedback wordt gegeven met betrekking tot hun aanbevelingen; verzoekt de Commissie te overwegen jaarlijks verslag uit te brengen over de wijze waarop rekening is gehouden met de aanbevelingen van de adviesraden; benadrukt het belang van de deelname van alle belanghebbenden aan adviesraden en hun bijdrage aan de respectieve aanbevelingen; |
|
23. |
wijst op het belang van de werkzaamheden van de adviesraden voor het besluitvormingsproces in het kader van het visserijbeheer; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer deel te nemen aan vergaderingen van de adviesraad en beter te communiceren over de waarde van hun advies; is van mening dat de rol van de adviesraden verder moet worden ontwikkeld; |
|
24. |
merkt op dat vissers in de kleinschalige visserij vaak niet over de middelen en mogelijkheden beschikken waarover de industriële visserij beschikt om met succes te participeren in het wetgevingsproces, wat in het verleden heeft geleid tot grote ongelijkheid in het nationale visserijbeleid; |
|
25. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten om binnen de regels van het EFMZVA de toepassing van modellen voor gezamenlijk visserijbeheer te bevorderen door ze voldoende te financieren, teneinde de operationele uitgaven van dergelijke structuren te dekken; |
|
26. |
benadrukt dat voor een succesvol visserijbeheer ook producentenorganisaties een belangrijke rol spelen, omdat zij een bottom-up benadering hanteren waarbij de nadruk ligt op participatie van de gemeenschap en op activiteiten van de vissers zelf; |
|
27. |
merkt op dat de ontwikkeling van een EU-kader voor gezamenlijk beheer binnen het huidige gemeenschappelijk visserijbeleid mogelijk is, maar momenteel nog afwezig is; |
Invoering van gezamenlijk visserijbeheer in het kader van de toekomstige herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid
|
28. |
beveelt aan dat bij eventuele toekomstige hervormingen van het GVB passende aandacht wordt besteed aan gezamenlijk beheer, dat door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) wordt omschreven als “een partnerschapsregeling waarin de gemeenschap van plaatselijke gebruikers van de hulpbronnen (vissers) en de regering, met de nodige steun en hulp van andere belanghebbenden (booteigenaren, vishandelaren, visverwerkers, botenbouwers, zakenlieden, enz.) en externe actoren (niet-gouvernementele organisaties, academische en onderzoeksinstellingen), de verantwoordelijkheid en het gezag voor het beheer van de visserij delen”; wijst erop dat hierbij het subsidiariteitsbeginsel in acht moet worden genomen, zodat de verschillende reeds bestaande beheersmodellen niet worden verstoord, en dat de relevante belanghebbenden, zoals vissers, autoriteiten en wetenschappers, afdoende moeten worden geraadpleegd en worden betrokken bij het besluitvormingsproces; |
|
29. |
roept de lidstaten op de ontwikkeling van systemen voor gezamenlijk visserijbeheer te ondersteunen door onverwijld nationale en wettelijke kaders in te voeren, voortbouwend op de beste praktijken die in andere lidstaten zijn vastgesteld en met de steun van de Commissie; |
|
30. |
merkt op dat het visserijbeheer in veel landen in de wereld voornamelijk gebaseerd is op een top-downbenadering van de staat, gericht is op visserij op industriële of grote schaal, economische efficiëntie en ecologische duurzaamheid; is van mening dat deze aanpak niet altijd geschikt is gezien de verschillen tussen regio’s en de specifieke kenmerken van vlootonderdelen zoals kleinschalige visserij, die veel profijt zou hebben van de betrokkenheid van de visserijgemeenschap bij de instrumenten voor visserijbeheer, en meent dat dit wereldwijd evenmin de beste benadering van semi-industriële en industriële visserij is geweest; |
|
31. |
benadrukt dat het van cruciaal belang is om wetenschappelijk onderzoek in de mariene sociale wetenschappen als leidraad te nemen voor de ontwikkeling van inclusievere en rechtvaardiger benaderingen en praktijken op het gebied van visserijbeheer; |
|
32. |
benadrukt dat de keuze van het soort instrument dat voor het beheer van de visbestanden wordt gebruikt, in hoge mate afhankelijk is van regeringen, hoewel uit ervaringen wereldwijd blijkt dat partnerschap tussen de overheid, de industrie en vissers, in welke vorm dan ook, het beheer versterkt en voor de betreffende gebieden goede milieu- en sociaal-economische resultaten oplevert; benadrukt dat in het verslag “Our Common Future” van de Wereldcommissie voor milieu en ontwikkelen van 1987, algemeen bekend als het Brundtland-rapport, reeds werd geconcludeerd dat gemeenschappen, met het oog op duurzame ontwikkeling en dus ook duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, meer toegang moeten hebben tot en in grotere mate deel moeten nemen aan het besluitvormingsproces dat van invloed is op gezamenlijke hulpbronnen, en hierbij meer verantwoordelijkheid moeten dragen, altijd in samenwerking met de bevoegde overheden en organisaties; wijst er in dit verband op dat toepassing gegeven moet worden aan het subsidiariteitsbeginsel om ervoor te zorgen dat besluiten op het juiste bestuurlijke niveau genomen worden, en dat ervoor gezorgd moet worden dat de relevante belanghebbenden naar behoren bij de besluitvorming betrokken worden; |
|
33. |
herhaalt dat er al sprake is van gezamenlijk visserijbeheer, dat in veel van de bekende gevallen succesvol is gebleken; merkt op dat deze gevallen van gezamenlijk visserijbeheer gebaseerd zijn op verschillende rechtskaders, zowel op lokaal niveau, zoals in Galicië, Catalonië en Andalusië in Spanje, als op staatsniveau, zoals in Portugal, Italië, Frankrijk, Zweden, Kroatië en Nederland; benadrukt dat het gebrek aan ervaringen en goede voorbeelden op Europees niveau verhindert dat dit systeem in andere regio’s en landen wordt toegepast; |
|
34. |
benadrukt dat er ook grensoverschrijdende instrumenten voor gezamenlijk beheer moeten worden ontwikkeld voor bepaalde regio’s, met de steun en deelname van de Commissie; wijst in dit verband op het voorbeeld van de regeling die Frankrijk, het VK en de Kanaaleilanden hebben getroffen voor het beheer van de visserij in de regio, dat na Brexit meer gecentraliseerd is; herhaalt zijn verzoek aan de in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk opgerichte Partnerschapsraad om andere regelingen voor samenwerking in de wateren van het Britse Kroonbezit te overwegen; benadrukt in dit verband dat de eerdere regelingen in het kader van het verdrag betreffende de baai van Granville de basis zouden kunnen vormen voor toekomstige aanpassingen van de regels door de Partnerschapsraad; |
|
35. |
betreurt dat belanghebbenden niet in voldoende mate betrokken worden bij de samenwerking met derde landen op het gebied van visserijbeheer, of het nu gaat om de toewijzing van quota, totaal toegestane vangsten of technische maatregelen; dringt er bij de Commissie op aan haar rol als vertegenwoordiger van de EU in de betrekkingen met derde landen te gebruiken om in grensoverschrijdende situaties met derde landen modellen voor versterkt participatief beheer en gezamenlijk beheer voor te stellen; |
|
36. |
benadrukt dat, wat de Europese Unie betreft, gezamenlijk beheer of soortgelijke concepten zoals co-governance of participatief beheer genoemd worden in de preambules van verschillende rechtsinstrumenten van de EU, maar dat er op dit gebied geen volledig ontwikkelde bepalingen zijn; merkt op dat er een diepgaander debat nodig is met het oog op de ontwikkeling van specifieke maatregelen die nodig zijn voor de invoering van dit visserijbeheerssysteem, om gebruik te kunnen maken van de voordelen die gezamenlijk beheer in verschillende regio’s en in verschillende gevallen reeds heeft opgeleverd; |
|
37. |
benadrukt dat de Europese Unie de tenuitvoerlegging van medebeheer zou kunnen faciliteren; benadrukt dat de maatregelen van de EU op het gebied van gezamenlijk beheer gericht moeten zijn op het ontplooien van initiatieven op lokaal, regionaal en nationaal niveau en op de uitwisseling van beste praktijken; |
|
38. |
benadrukt dat het succes van gezamenlijk beheer wordt bepaald door het bestaan van participatieve structuren en een multidisciplinair comité met een minimumaantal belanghebbenden die alle partijen vertegenwoordigen die bij het beheer van een visserijtak betrokken zijn, en waarbij rechtvaardigheid, een adequate vertegenwoordiging en milieubelangen voorop staan en gemarginaliseerde gemeenschappen betrokken worden; |
|
39. |
benadrukt dat gezamenlijk visserijbeheer, zoals blijkt uit de onderzochte voorbeelden, veerkrachtiger en flexibeler is dan veel andere visserijbeheersystemen en in veel gevallen heeft geleid tot meer sociale cohesie, meer rechtvaardigheid, betere bestanden en meer winstgevendheid; |
|
40. |
benadrukt dat gezamenlijk beheer het mogelijk maakt beter rekening te houden met de kennis en empirische gegevens die de vissers uit hun omgeving verzamelen, en dat de ontwikkeling van participatieve wetenschappen in dit verband de overdracht van deze gegevens en van empirische kennis mogelijk moet maken om het wetenschappelijk onderzoek te ondersteunen; spoort de Commissie aan aanbestedingen uit te schrijven om deze empirische kennis beter in het wetenschappelijk onderzoek op alle niveaus te integreren; |
|
41. |
onderstreept dat visserijbeheer ook op Europees niveau moet zorgen voor een verbetering van de dialoog tussen de Commissie en de visserijsector, bijvoorbeeld door meer te investeren in de adviesraden, teneinde zo goed mogelijk gebruik te maken van het advies dat zij bieden op Europees niveau en om het visserijbeheer doeltreffender te maken; |
|
42. |
roept de Commissie en de lidstaten op om, met het oog op gelijke concurrentievoorwaarden in de EU-visserij, te zorgen voor adequate steun voor alle organisaties die met visserij te maken hebben, in het bijzonder kleinschalige vissers, kleinschalige producentenorganisaties en coöperaties die betrokken zijn bij processen voor gezamenlijk beheer; |
|
43. |
wijst op de noodzaak om het Verdrag van Aarhus inzake de toegang tot informatie, de inspraak van het publiek bij besluitvorming en de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden volledig uit te voeren; wijst erop dat dit verdrag de internationale verplichting schept om de bevolkingsgroepen die worden getroffen door de besluiten die in het besluitvormingsproces moeten worden genomen, te betrekken bij dat proces; |
|
44. |
benadrukt dat de ondersteuning van kustvloten en het behoud van kustecosystemen tot de prioriteiten van het GVB behoren; acht het in dit verband noodzakelijk dat het visserijbeheer zoveel mogelijk op lokaal niveau plaatsvindt; merkt op dat artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, waarin beperkingen zijn vastgesteld voor het beginsel van “toegang tot de wateren”, niet langer volstaat om deze vloten in stand te houden; is van mening dat gezamenlijk beheer de norm moet zijn voor het visserijbeheer in kustgebieden; |
o
o o
|
45. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) PB L 172 van 26.6.2019, blz. 1.
(3) Mededeling van de Commissie van 3 mei 2022 getiteld “Mensen vooropstellen, zorgen voor duurzame en inclusieve groei en het potentieel van de ultraperifere regio’s van de EU ontsluiten” (COM(2022)0198).
(4) Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: De natuur terug in ons leven brengen (PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25).
(5) Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over innovatie en diversificatie van de ambachtelijke kustvisserij in de regio’s die afhankelijk zijn van de visserij (PB C 58 van 15.2.2018, blz. 82).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1060/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)