European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie C


C/2023/995

17.11.2023

Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 22 september 2023

inzake een procedure op grond van artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 54 van de EER-overeenkomst

(ZAAK AT.37990 - Intel)

(Kennisgeving geschied onder C(2023) 5914 final)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(C/2023/995)

Op 22 september 2023 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 54 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad  (1) publiceert de Commissie hierbij de naam van de partij en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdend met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Op 22 september 2023 heeft de Commissie een besluit vastgesteld betreffende één enkele voortgezette inbreuk op artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“het Verdrag”) en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”).

(2)

Het besluit is gericht aan Intel Corporation (“Intel”). De inbreuk bestond uit onrechtmatige betalingen van Intel aan drie computerfabrikanten (HP, Acer en Lenovo) om het op de markt brengen van specifieke producten met de x86 central processing units (“CPU’s”) van de belangrijkste concurrent stop te zetten of te vertragen en de verkoopkanalen voor deze producten te beperken (zogenoemde “onverbloemde concurrentiebeperkingen”). Deze beperkingen vonden plaats tussen november 2002 en december 2006.

(3)

Dit besluit betreft het gedeeltelijk opnieuw opleggen van een geldboete aan Intel nadat de oorspronkelijke beschikking van 13 mei 2009 in 2022 door het Gerecht gedeeltelijk nietig was verklaard.

2.   PROCEDURE

(4)

Op 13 mei 2009 heeft de Commissie een beschikking vastgesteld waarbij aan Intel Corporation (“Intel”) een geldboete werd opgelegd wegens misbruik van haar machtspositie op de markt voor x86 CPU’s, waardoor inbreuk werd gemaakt op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-overeenkomst (“de beschikking van 2009”). In de beschikking van 2009 werd vastgesteld dat Intel zich schuldig had gemaakt aan één enkele voortgezette inbreuk door een strategie toe te passen die erop gericht was de markt voor x86 CPU’s voor concurrenten af te schermen, en dat deze strategie bestond uit twee soorten gedragingen ten aanzien van haar klanten (original equipment manufacturers of “OEM’s”): toekenning van voorwaardelijke kortingen en de onverbloemde concurrentiebeperkingen. Voor deze inbreuk heeft de Commissie op grond van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 aan Intel een geldboete van 1 060 000 000 EUR opgelegd.

(5)

Intel heeft tegen de beschikking van 2009 beroep ingesteld bij het Gerecht, dat bij arrest van 12 juni 2014 in zaak T-286/09 het beroep in zijn geheel heeft verworpen. Intel heeft tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld bij het Hof van Justitie, dat de zaak op 6 september 2017 heeft terugverwezen naar het Gerecht om na te gaan of de voorwaardelijke kortingen de mededinging kunnen beperken, gelet op de feitelijke en economische bewijzen.

(6)

Op 26 januari 2022 heeft het Gerecht arrest gewezen in zaak T-286/09 RENV, waarin het de vaststelling in de beschikking van 2009 van een inbreuk met betrekking tot de voorwaardelijke kortingen nietig verklaarde. Het Gerecht verwierp tegelijkertijd het argument van Intel dat de betalingen aan HP, Acer en Lenovo (de onverbloemde concurrentiebeperkingen) aan dezelfde juridische toets en beginselen moeten worden onderworpen als de kortingen en bevestigde derhalve de enkele voortgezette inbreuk voor zover deze bestond uit de onverbloemde concurrentiebeperkingen. Aangezien het Gerecht niet in staat was het bedrag van de geldboete voor enkel de onverbloemde concurrentiebeperkingen vast te stellen, heeft het de volledige geldboete nietig verklaard.

(7)

Bij brief van 2 mei 2023 heeft de Commissie Intel op de hoogte gebracht van haar voornemen om overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 van de Raad een nieuw besluit tot het opleggen van een geldboete aan Intel vast te stellen wegens het plegen van één enkele voortgezette inbreuk bestaande uit de onverbloemde concurrentiebeperkingen zoals uiteengezet in de beschikking van 2009 en bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Commissie heeft Intel ook in kennis gesteld van de methode die zij voornemens was toe te passen voor de berekening van de geldboete. Intel heeft de brief op 26 juni 2023 beantwoord.

(8)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft op 21 september 2023 een gunstig advies uitgebracht. Op 22 september 2023 heeft de raadadviseur-auditeur zijn eindverslag in deze zaak ingediend.

(9)

Dit besluit tot oplegging van een geldboete op grond van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 heeft tot doel de situatie te verhelpen waarin de vaststelling door de Commissie van een inbreuk met betrekking tot de onverbloemde concurrentiebeperkingen van kracht blijft en in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl de geldboete voor die inbreuk nietig is verklaard.

3.   GELDBOETEN

(10)

Voor de berekening van de geldboete baseert de Commissie zich op de beoordeling van de feiten die in de beschikking van 2009 zijn vastgesteld en in de gerechtelijke procedures zijn bevestigd. Het besluit is gericht aan dezelfde rechtspersoon als de beschikking van 2009, namelijk Intel Corporation, en bevat geen nieuwe bezwaren of bewijzen.

(11)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 1773 tot en met 1777 van de beschikking van 2009 komt de voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete in aanmerking genomen waarde van de verkopen overeen met de jaarlijkse waarde van de verkopen van x86 CPU’s die Intel aan in de EER gevestigde ondernemingen heeft gefactureerd.

(12)

Aangezien de onverbloemde concurrentiebeperkingen betrekking hadden op betalingen die afhankelijk waren van het annuleren, beperken of vertragen door de OEM’s van de verkoop van desktops en notebooks op basis van x86 CPU’s van AMD, wordt voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete alleen de waarde van de verkopen met betrekking tot desktops en notebooks in aanmerking genomen. Anders dan het geval was in de beschikking van 2009, baseert de Commissie zich dus niet op de waarde van de verkopen van x86 CPU’s met betrekking tot servers.

(13)

Aangezien de laatste onverbloemde concurrentiebeperking in december 2006 eindigde, houdt de Commissie rekening met de waarde van de verkopen in 2006, overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in de richtsnoeren van de Commissie inzake geldboeten.

(14)

Wat de ernst betreft, wijzen de zwaarte van de inbreuk, de omvang en kenmerken van de markt en de geografische reikwijdte van de inbreuk weliswaar op handhaving van het oorspronkelijke percentage voor de ernst van 5 % in de beschikking van 2009, maar is de Commissie van oordeel dat de onverbloemde concurrentiebeperkingen een beperktere reikwijdte en intensiteit hadden dan de kortingen. Zij hadden betrekking op drie OEM’s en waren gericht op specifieke producten, specifieke productlijnen of specifieke verkoopkanalen, in tegenstelling tot volledige marktsegmenten. Daarom past de Commissie bij de berekening van het basisbedrag van de geldboete een percentage voor de ernst toe van 4 %.

(15)

De onverbloemde concurrentiebeperkingen duurden van november 2002 tot en met december 2006. Aangezien de eerste twee onverbloemde concurrentiebeperkingen eindigden vóór de laatste onverbloemde concurrentiebeperking, wordt de totale duur voor de berekening van de geldboete verminderd met de periode tussen het einde van de eerste twee onverbloemde concurrentiebeperkingen en het begin van de laatste onverbloemde concurrentiebeperking. Dit komt overeen met het aantal jaren tussen november 2002 en mei 2005 en tussen juni 2006 en december 2006.

(16)

In de beschikking van 2009 zijn geen feiten vastgesteld die het bestaan van verzachtende of verzwarende omstandigheden voor Intel zouden rechtvaardigen. De Commissie ziet geen redenen om in dit besluit van dat standpunt af te wijken. Niets wijst erop dat de duur van de procedure onredelijk was, rekening houdend met alle omstandigheden, met inbegrip van het feit dat de procedure tot op heden het resultaat is van een intense reeks administratieve en gerechtelijke procedures.

(17)

De Commissie heeft Intel een geldboete van 376 358 000 EUR opgelegd. Deze boete bedraagt niet meer dan het in artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 vastgestelde plafond van 10 % van de omzet.

(1)   PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1. Verordening als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2004 (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/995/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)