|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
66e jaargang |
|
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen |
|
|
|
ADVIEZEN |
|
|
|
Europees Economisch en Sociaal Comité |
|
|
|
578e zitting van het EESC — vernieuwingsvergadering, 26.4.2023-27.4.2023 |
|
|
2023/C 228/01 |
||
|
2023/C 228/02 |
||
|
2023/C 228/03 |
||
|
2023/C 228/04 |
||
|
2023/C 228/05 |
||
|
2023/C 228/06 |
||
|
2023/C 228/07 |
||
|
2023/C 228/08 |
||
|
2023/C 228/09 |
||
|
2023/C 228/10 |
||
|
2023/C 228/11 |
|
|
III Voorbereidende handelingen |
|
|
|
Europees Economisch en Sociaal Comité |
|
|
|
578e zitting van het EESC — vernieuwingsvergadering, 26.4.2023-27.4.2023 |
|
|
2023/C 228/12 |
||
|
2023/C 228/13 |
||
|
2023/C 228/14 |
||
|
2023/C 228/15 |
||
|
2023/C 228/16 |
||
|
2023/C 228/17 |
||
|
2023/C 228/18 |
||
|
2023/C 228/19 |
||
|
2023/C 228/20 |
||
|
2023/C 228/21 |
||
|
2023/C 228/22 |
||
|
2023/C 228/23 |
||
|
2023/C 228/24 |
||
|
2023/C 228/25 |
|
NL |
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen
ADVIEZEN
Europees Economisch en Sociaal Comité
578e zitting van het EESC — vernieuwingsvergadering, 26.4.2023-27.4.2023
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/1 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake de aanbevelingen van het EESC voor een stevige hervorming van het Europees Semester
(initiatiefadvies)
(2023/C 228/01)
|
Rapporteurs: |
Gonçalo LOBO XAVIER Javier DOZ ORRIT Luca JAHIER |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
27.10.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 52, lid 2, van het reglement van orde |
|
|
Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
18.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
226/2/6 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Semester heeft ondanks zijn tekortkomingen een belangrijke rol gespeeld bij het coördineren van nationale economische beleidsmaatregelen binnen de EU. Met de procedures van het Europees Semester blijkt het echter niet mogelijk om burgers en nationale politieke, economische en sociale actoren in de lidstaten voldoende bij de desbetreffende processen en aanbevelingen te betrekken. In de meeste lidstaten is de deelname van maatschappelijke organisaties aan het Europees Semester ontoereikend en van lage kwaliteit. De raadpleging over het opstellen van de plannen voor herstel en veerkracht is weliswaar enigszins verbeterd, maar deze verbetering is niet geconsolideerd, en in sommige landen zijn toezeggingen om deze deelname verder te ondersteunen onlangs om politieke redenen teruggedraaid. |
|
1.2. |
De mededeling van de Europese Commissie over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance (1), die de steun van het EESC heeft (2), voorziet in een flexibeler en gedifferentieerder kader voor het begrotingsbeleid, waarvoor onderhandelingen en overeenkomsten tussen de EU-instellingen en de lidstaten nodig zullen zijn. Voor het welslagen daarvan is nationale verantwoordelijkheid ten aanzien van het proces en de aangegane verplichtingen cruciaal. Daartoe is een hervorming van de procedures en tijdschema’s van het Europees Semester noodzakelijk. |
|
1.3. |
Volgens het EESC is eigen inbreng van de lidstaten alleen mogelijk als politieke, economische en sociale actoren concreet en structureel bij het proces van het Europees Semester worden betrokken. De betrokkenheid van sociale partners, maatschappelijke organisaties, nationale parlementen en lokale en regionale overheden zou een van de pijlers van het herziene Europees Semester moeten zijn. De bevoegdheden van het Europees Parlement (EP) zouden zodanig moeten worden uitgebreid dat het bij richtsnoeren voor het economisch beleid en voorstellen van Europese aard meer medebeslissingsrechten heeft. |
|
1.4. |
Het EESC stelt voor dat het Europees Semester wordt hervormd om het transparanter, democratischer en efficiënter te maken en maatschappelijke organisaties er meer bij te betrekken, in het licht van het streven om voor economische groei en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, sociale samenhang en convergentie tussen de lidstaten te zorgen en de groene en de digitale transitie te versnellen. De bestaande indicatorsystemen moeten herzien en aangevuld worden en op elkaar worden afgestemd, zodat de evaluatieprocedures kunnen worden verbeterd. |
|
1.5. |
Het EESC vindt dat de belangrijkste instrumenten van het Europees Semester, met name de landspecifieke aanbevelingen, een periode van drie jaar moeten bestrijken, met jaarlijkse evaluaties en herzieningen. Dit voorstel sluit aan bij de mededeling van de Europese Commissie over een herzien EU-kader voor economische governance en zal de verantwoordelijkheid van de lidstaten en de deelname van het maatschappelijk middenveld bevorderen. |
|
1.6. |
De steekhoudendheid en doeltreffendheid van het Europees Semester kunnen aan de hand van de naleving van de landspecifieke aanbevelingen worden beoordeeld. Daarom is het EESC van mening dat de meest geschikte stimulans erin bestaat de implementatie van het Europees Semester te koppelen aan de EU-begroting en een deel van de middelen daaruit te ontvangen, naar het voorbeeld van de herstel- en veerkrachtfaciliteit. |
|
1.7. |
Het EESC stelt voor om zowel op Europees als op nationaal niveau de sociale partners en maatschappelijke organisaties hierbij te betrekken via een gestructureerde formele raadplegingsprocedure, die zowel de ontwerp- en besluitvormingsfase als de uitvoerings-, toezichts- en evaluatiefase omvat. De procedure moet plaatsvinden in een specifiek orgaan, of in een reeds bestaand orgaan waaraan dergelijke functies rechtens zijn toegewezen. In dit proces moet ook voor bestaande nationale sociaal-economische raden een relevante rol zijn weggelegd. |
|
1.8. |
De beginselen en algemene kenmerken van een gestructureerde en permanente betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de verschillende fasen van het Europees Semester zouden volgens het EESC in een EU-verordening moeten worden vastgelegd, in aanmerking genomen dat het aan de nationale wetgeving is om de procedures en instanties voor deze raadpleging nader te specificeren, en met inachtneming van de criteria van openheid, transparantie en representativiteit. |
|
1.9. |
In deze verordening zouden basiscriteria en -beginselen moeten worden vastgelegd die onder meer betrekking hebben op de volgende punten: tijdschema’s (gekoppeld aan die van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en het Europees Semester), de vorm van de vergaderingen en de tijdige en formele toegang van het publiek tot documentatie, notulen, openbare bekendmaking van voorstellen en reacties van regeringen en een stappenplan voor de uitvoering van overeenkomsten. |
|
1.10. |
Het debat over de begrotingscapaciteit en de eigen middelen van de EU zou moet worden verdiept. Gezien de geopolitieke, economische, sociale en milieu-uitdagingen die de EU de komende jaren moet aangaan, zal er voor financiering van gemeenschappelijke Europese goederen moeten worden gezorgd. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Met dit advies wordt beoogd te stimuleren dat er wordt nagedacht over een stevige hervorming van de procedures van het Europees Semester en dat er ter zake voorstellen worden geformuleerd om de economische governance van de EU transparanter, democratischer en efficiënter te maken en maatschappelijke organisaties er doeltreffender bij te betrekken. |
|
2.2. |
In onze analyse en voorstellen wordt rekening gehouden met de inhoud van de economische governance van de EU, de mededeling van de Commissie over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance, alsook met het EESC-advies over deze mededeling en de EESC-resoluties (uit 2021 en 2022) over het betrekken van maatschappelijke organisaties bij de ontwikkeling en uitvoering van nationale plannen voor herstel en veerkracht (3). |
|
2.3. |
Net zoals we bij het opstellen van bovengenoemde resoluties hebben gedaan, hebben we via de nationale delegaties van de groep Europees Semester (bestaande uit drie leden per land — één per groep) een groot aantal vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties geraadpleegd. Deze raadpleging bestond uit een vragenlijst en zeven landenbezoeken (rondetafelbijeenkomsten). De resultaten van de raadpleging staan in de bijlage (4) en zijn samengevat in paragraaf 5 van het advies. |
3. Achtergrond
|
3.1. |
Na de crisis van 2008 werd het Europees Semester ingevoerd als instrument voor economische governance van de EU. Aanvankelijk was het Europees Semester gericht op de financiële stabiliteit van de lidstaten, maar gaandeweg kwamen er naast het economisch en begrotingsbeleid ook werkgelegenheid en sociale vraagstukken in aan bod. Nu is het een halfjaarlijkse cyclus van coördinatie van het economisch, werkgelegenheids-, sociaal en begrotingsbeleid: de lidstaten stemmen hun begrotingen en economisch beleid af op de doelstellingen en regels die op EU-niveau zijn afgesproken. Sinds de invoering ervan in 2011 is het Europees Semester uitgegroeid tot een solide forum waarin kwesties op begrotings-, economisch en werkgelegenheidsgebied van de EU-landen volgens dit gemeenschappelijke jaarlijkse tijdschema worden besproken. Er was meer coördinatie tussen de lidstaten nodig in het licht van de economische en sociale repercussies van de pandemie in 2020 en de oorlog als gevolg van de ongerechtvaardigde en niet-uitgelokte invasie van Oekraïne door de Russische Federatie. Daarom werd het Semester in 2021 aangepast om rekening te houden met de oprichting van de herstel- en veerkrachtfaciliteit. De uitvoering van de nationale plannen voor herstel en veerkracht stuurt nu hun hervormings- en investeringsagenda voor de komende jaren. Met zijn ruimere werkingssfeer en multilateraal toezicht vormt het Semester een nuttige aanvulling op de uitvoering van de nationale plannen voor herstel en veerkracht. |
|
3.2. |
Volgens artikel 18, lid 4, punt q), van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (5) moet bij de voorbereiding en uitvoering van de nationale plannen voor herstel en veerkracht een samenvatting worden gegeven van het overeenkomstig het nationale rechtskader gevoerde raadplegingsproces en een korte toelichting over de wijze waarop de inbreng van de belanghebbenden in het plan voor herstel en veerkracht terugkomt. Tot deze belanghebbenden behoren lokale en regionale overheden, sociale partners, maatschappelijke organisaties, jongerenorganisaties en andere. Zoals het EESC in zijn resolutie van mei 2022 heeft benadrukt, wordt de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties tot dusverre echter over het algemeen als onbevredigend ervaren, zelfs tegen de achtergrond van het feit dat er tussen landen natuurlijke verschillen in de bestaande raadplegingsprocessen zijn. |
|
3.3. |
De vier belangrijkste doelstellingen van het Europees Semester zijn: (1) voorkomen van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in de EU; (2) zorgen voor gezonde duurzame overheidsfinanciën (stabiliteits- en groeipact); (3) ondersteunen van structurele hervormingen ter bevordering van economische groei, werkgelegenheid en sociaal beleid (Europa 2020, Green Deal, duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, Europese pijler van sociale rechten); en (4) stimuleren van investeringen. Naar aanleiding van de COVID-19-crisis en de goedkeuring van NextGenerationEU is het doel nu ook toezicht te houden op de nationale plannen voor herstel en veerkracht. |
|
3.4. |
In november 2022 heeft de Commissie een mededeling over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance (6) gepubliceerd, waarin zij voorstelt de referentiewaarden van het stabiliteits- en groeipact te handhaven (een tekort van 3 % van het bbp en een schuldquote van 60 % van het bbp) en per land gedifferentieerde en met de regeringen van die landen overeengekomen procedures voor schuldvermindering vast te stellen (met nationale begrotingsplannen voor de middellange termijn). Dit hervormde kader zou eenvoudiger, transparanter en doeltreffender zijn, met meer eigen inbreng van de lidstaten en een betere handhaving. In deze herziene opzet zouden de begrotingsplannen van de lidstaten met de zwaarste schuldenlast worden vastgesteld voor een periode van vier jaar (met een mogelijke verlenging van drie extra jaren), waarbij een specifieke en overeengekomen investerings- en hervormingsagenda wordt gevolgd en jaarlijks wordt toegezien op de naleving ervan. Dit voorstel weerspiegelt de zogenaamde “geest van NextGenerationEU”. In de conclusies van de Ecofin-Raad van 14 maart 2023 (7) zijn er heel wat gebieden waarop de lidstaten elkaars standpunten delen, maar ook gebieden waarop verdere besprekingen over een herzien kader nodig zijn. Zij bieden de politieke leidraad voor het opstellen van de desbetreffende wetgevingsvoorstellen door de Europese Commissie. De Raad merkte met name op dat de lidstaten de sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden systematisch, tijdig en op zinvolle wijze zouden moeten betrekken bij alle fasen van de cyclus van het Europees Semester en van de beleidscyclus, aangezien dit cruciaal is voor het welslagen van de coördinatie en uitvoering van het economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid. Op 23 maart heeft ook de Europese Raad hiermee ingestemd. |
|
3.5. |
Via dit coördinatie-instrument heeft het EESC voortdurend getracht de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij besluiten die voor hen van belang kunnen zijn, te vergroten. Doel hiervan was de democratische legitimiteit en het vertrouwen van het maatschappelijk middenveld in de EU-instellingen te versterken en een doeltreffendere uitvoering van de bovengenoemde nationale plannen en agenda’s te waarborgen. Deze raadpleging werd daarom gehouden om de aanbevelingen van maatschappelijke organisaties in de lidstaten in kaart te brengen en hun rol in deze processen te versterken. Bij de raadpleging werd rekening gehouden met de actuele veranderingen in verband met het Europees Semester (de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, de integratie van het REPowerEU-hoofdstuk en de hervorming van het EU-kader voor economische governance). |
4. De voor deze raadpleging gebruikte methode
|
4.1. |
De voor dit verslag vereiste gegevens en informatie werden tussen december 2022 en maart 2023 verzameld. In totaal zijn 23 nationale bijdragen ontvangen (antwoorden op de vragenlijst en/of georganiseerde rondetafelbijeenkomsten) (8). De raadplegingen vonden plaats op basis van de eigen kennis van de leden en met de betrokkenheid van sociale partners en maatschappelijke organisaties. In sommige landen werden nationale sociaal-economische raden of soortgelijke instanties geraadpleegd, terwijl in andere landen ook overheidsvertegenwoordigers werden gehoord. |
|
4.2. |
Dit advies is tevens gebaseerd op externe bronnen, zoals publicaties van denktanks, vergelijkende onderzoeken en nationale debatten. Daarnaast is de vragenlijst ook toegestuurd aan enkele Europese maatschappelijke organisaties, delen van de EESC-verbindingsgroep en andere vertegenwoordigers van de drie groepen van het EESC. |
5. Opmerkingen over de resultaten van de raadpleging
Deel I: Follow-up van onze eerdere werkzaamheden inzake de nationale plannen voor herstel en veerkracht
5.1. Vraag 1 — Stand van zaken betreffende de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de uitvoering van de plannen voor herstel en veerkracht
Over het algemeen hebben zich geen grote veranderingen voorgedaan. De belangrijkste obstakels zijn het gebrek aan politieke wil bij de regeringen, het ontbreken van een systematische en uniforme aanpak van het toezicht en het gebrek aan permanente en formele procedures en structuren voor informatie en dialoog. De maatschappelijke organisaties stellen voor om een centraal platform inzake het Europees Semester op te richten dat alle nationale informatie bevat, en gestandaardiseerde raadplegings- en toezichtsmechanismen in te stellen met een actievere rol voor de nationale sociaal-economische raden (en soortgelijke instanties).
Deel II: Standpunten van maatschappelijke organisaties over het Europees Semester
Vraag 2 — Raadpleging van maatschappelijke organisaties in het kader van het Europees Semester.
De raadpleging van maatschappelijke organisaties in het kader van het Europees Semester wordt over het algemeen als onvoldoende en/of ondoeltreffend beschouwd, d.w.z. als een formaliteit met een lage mate van acceptatie van door maatschappelijke organisaties gedane voorstellen. De ondervraagde nationale belanghebbenden stellen een welomschreven en regelmatige raadplegingscyclus voor, met een betere toegang tot de documentatie en meer transparantie, publicatie van de resultaten, een tijdschema dat strookt met de cyclus van het Europees Semester, en zichtbaarheid van het proces voor het publiek.
5.2. Vraag 3 — Doeltreffendheid en legitimiteit van het Europees Semester als instrument voor de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid
De meeste vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties beschouwen de rol van het Europees Semester bij de coördinatie van het economisch en werkgelegenheidsbeleid als positief, hoewel de genoemde tekortkomingen een grotere doeltreffendheid en legitimiteit in de weg staan. Zij zijn van mening dat de interactiviteit van het proces wordt belemmerd door de administratieve lasten en het gebrek aan een gestructureerde en uniforme raadplegingsmethode. Ook uiten zij kritiek op het lage tempo waarin de landspecifieke aanbevelingen worden goedgekeurd en op de gebrekkige integratie van de Europese pijler van sociale rechten en de sociale indicatoren in de evaluatiemechanismen. Een meerderheid stelt voor om bij de hervorming van het Europees Semester voorrang te geven aan doelstellingen op middellange en lange termijn.
5.3. Vraag 4 — Landspecifieke aanbevelingen
De meeste respondenten zijn van mening dat de landspecifieke aanbevelingen aansluiten bij de uitdagingen op middellange en lange termijn, maar dat ze te algemeen zijn of op houdbaarheid van de overheidsfinanciën zijn gericht, waarbij kwesties als gezondheid, onderwijs en sociale insluiting niet aan bod komen, en slechts gedeeltelijk de belangen van sociale partners en maatschappelijke organisaties weerspiegelen. Een betere naleving van de landspecifieke aanbevelingen vereist een betere afstemming op de prioriteiten van de overheid en de burgers, transparantere en participatieve toezicht- en evaluatiemechanismen en een doeltreffender systeem van stimulansen en sancties.
5.4. Vraag 5 — Pijlers van het Europees Semester die bij voorrang moeten worden versterkt
Als gevolg van de pandemie hebben structurele hervormingen en groei meer prioriteit gekregen. Structurele hervormingen bevorderen de veerkracht van de economie en vereisen investeringen, de tweede prioriteit van het Europees Semester. Deze investeringen moeten de economische ontwikkeling en de sociale samenhang schragen. De versterking van de sociale dialoog en de deelname van maatschappelijke organisaties aan het Europees Semester moeten via een Europese wetgevingshandeling worden gewaarborgd. De noodzakelijke houdbaarheid van de overheidsfinanciën mag niet ten koste gaan van investeringen die opwaartse economische en sociale convergentie bevorderen.
5.5. Vraag 7 — Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF)
De meeste respondenten pleiten voor een sterker verband tussen de ESIF en de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen en politieke en sociale dialogen en synergieën tussen nationale instanties die belast zijn met het beheer van het Europees Semester en de ESIF om tot een stappenplan voor de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen te komen. Er moet werk worden gemaakt van een betere integratie en convergentie van nationale doelstellingen, beleidsmaatregelen en middelen, een betere koppeling van de fondsen met het Europese beleid en een beter gebruik van de middelen ter ondersteuning van de ontwikkeling van minder begunstigde regio’s.
Deel III: Standpunten van maatschappelijke organisaties over Europese economische governance
5.6. Vraag 6 — Aspecten die meer gewicht moeten krijgen teneinde de uitvoering van de Europese economische governance te verbeteren
Transparantie en verantwoordingsplicht worden gezien als de belangrijkste elementen om de wijze waarop Europese economische governance wordt geïmplementeerd, te verbeteren. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden toegang hebben tot informatie over economische beleidsaanbevelingen en de toepassing ervan, en duidelijke macro-economische indicatoren, drempelwaarden en streefcijfers vast te stellen om het EU-kader voor economische governance en het Europees Semester gedetailleerder, gerichter en tastbaarder te maken. Voorts moeten het Europees Parlement, de nationale parlementen, de sociale partners en de maatschappelijke organisaties een grotere stem in het kapittel krijgen om te bewerkstelligen dat het economisch beleid is afgestemd op de behoeften en zorgen van allerlei verschillende stakeholders.
6. Algemene opmerkingen
De hervorming van het EU-kader voor economische governance
|
6.1. |
Het EESC steunt de voorstellen van de Europese Commissie voor een hervorming van de economische governance (9) en dringt aan op een snelle goedkeuring van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten, zodat deze in werking kunnen treden in 2024, wanneer ook de algemene ontsnappingsclausule van het stabiliteits- en groeipact wordt opgeheven. |
|
6.2. |
De in de mededeling van de Europese Commissie vermelde wijzigingen, met name die waarmee beoogd wordt de overheidsschuld in de lidstaten terug te dringen met inachtneming van de beginselen van differentiatie en flexibiliteit (10), zullen noodzakelijkerwijs veranderingen in de procedures van het Europees Semester met zich meebrengen. Het EESC is van mening dat een grotere betrokkenheid van de nationale politieke, economische en sociale actoren ook een onvermijdelijk gevolg moet zijn om een goede democratische vertegenwoordiging van de samenleving als geheel te waarborgen. Met de uiteenlopende standpunten en belangen, die met name door de sociale partners en maatschappelijke organisaties worden vertegenwoordigd, moet op dit belangrijke terrein van het economisch beleid terdege rekening worden gehouden. De Europese Commissie benadrukt het belang van ownership van de lidstaten. Essentieel in dit verband is dat nationale begrotingsplannen voor de middellange termijn voortbouwen op hetgeen in het kader van de plannen voor herstel en veerkracht is gedaan en dit versterken. Daartoe moet in de plannen een artikel worden opgenomen dat vergelijkbaar is met artikel 18, lid 4, punt q), van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waarbij een verplichting wordt ingevoerd om strenger toe te zien op de wijze waarop de lidstaten maatschappelijke organisaties raadplegen en hun verzoeken in de plannen verwerken. Het is van cruciaal belang dat de sociale partners en de maatschappelijke organisaties hun mening geven over de in deze plannen voorgestelde hervormingen en investeringen en over de uitvoering ervan. |
|
6.3. |
De Europese Commissie heeft onlangs een mededeling met de titel “Een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk” (11) gepubliceerd. Hierin worden de noodzaak om te voldoen aan de doelstellingen van de Green Deal, de uitvoering van het concept van strategische Europese industriële autonomie en maatregelen ter versterking van het concurrentievermogen van de Europese groene industrie met het oog op de gevolgen van de door de Amerikaanse regering gepropageerde Inflation Reduction Act samengebracht. Een van de voorstellen van het industrieel plan voor de Green Deal is de oprichting van een Europees soevereiniteitsfonds, in het kader van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader 2021-2027, om te investeren in de meest innovatieve technologieën op het gebied van de groene en digitale transitie “en aldus de cohesie en de eengemaakte markt te beschermen tegen risico’s als gevolg van de ongelijke beschikbaarheid van staatssteun” (12). |
|
6.4. |
Het politieke en academische debat over de economische governance van de EU omvat kwesties als de opbouw van een permanente centrale EU-begrotingscapaciteit en de vraag hoeveel en welk soort eigen middelen de EU moet hebben. Het is niet de bedoeling om in dit advies op deze kwesties in te gaan. Het is hoog tijd dat de EU-instellingen grondig gaan nadenken over deze kwesties en over modellen voor verdere integratie van het monetair, fiscaalen begrotingsbeleid. We zijn echter van mening dat het EESC namens het grootste deel van het Europees maatschappelijk middenveld spreekt wanneer het stelt dat het vinden van gemeenschappelijke Europese oplossingen en het opbouwen van gemeenschappelijke Europese goederen essentieel is om de geopolitieke, economische, ecologische en sociale uitdagingen waar de EU en haar lidstaten voor staan aan te gaan en om met succes werk te maken van de groene en de digitale transformatie die tot een productiever, concurrerender en ecologisch en sociaal duurzamer economisch model moeten leiden. Om de technologische kloof met de VS en China te dichten en de waardeketens te versterken is volgens het EESC een gemeenschappelijk Europees industriebeleid nodig. De door de Europese instellingen gewenste strategische autonomie, op gebieden variërend van buitenlands en defensiebeleid tot beleid inzake industrie, technologie, handel, gezondheid, vaardigheden en onderzoek en ontwikkeling, vereist gemeenschappelijke Europese oplossingen en gemeenschappelijke Europese goederen. Er is meer nodig dan nationale oplossingen op basis van de begrotingscapaciteit van elke lidstaat, die nadelig zouden kunnen zijn voor de goede werking van een van de beste verwezenlijkingen van de EU: de eengemaakte markt. |
|
6.5. |
Om Europese gemeenschappelijke goederen naar behoren te financieren moet er volgens het EESC eerst moet worden gewerkt aan een juist, efficiënt en doeltreffend gebruik van de bestaande financiële middelen, waarbij alle beschikbare middelen van de publieke en publiek-private investerings- en financieringsinstrumenten waarover de EU beschikt, optimaal moeten worden benut. In dit verband pleit het EESC voor maximale flexibiliteit bij de uitvoering van programma’s en bij de onderlinge synergie en overdracht van middelen, naast de toepassing van strenge evaluatie- en toezichtsystemen. Door de deelname van het maatschappelijk middenveld kan dit proces transparanter en doeltreffender worden gemaakt. |
|
6.6. |
Niettegenstaande het bovenstaande zal de omvang van de investeringsbehoeften, in termen van gemeenschappelijke goederen en steun voor de door de lidstaten te verrichten investeringen, aanvullende financiering vereisen. Daarnaast moeten ook de juiste voorwaarden worden geschapen om de nodige particuliere investeringen veilig te stellen en te zorgen voor het meest geschikte regelgevingskader voor de lange termijn. Dit was het standpunt van het EESC in bovengenoemde resolutie (2022) over de nationale plannen voor herstel en veerkracht, gekoppeld aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Green Deal en de versnelling van de energietransitie. We moeten beseffen dat een noodzakelijke voorwaarde voor vooruitgang in deze richting in de eerste plaats de succesvolle uitvoering van de nationale plannen voor herstel en veerkracht is. |
|
6.7. |
Het EESC is van mening dat voor een goede economische en budgettaire governance de kwestie van het eigeninkomstenstelsel van de EU zo snel mogelijk moet worden opgelost, zodat de in het MFK 2021-2027 en NextGenerationEU aangegeven toezeggingen worden nagekomen en de basis wordt gelegd voor een versterking van de Europese begroting op lange termijn. |
Het Europees Semester en zijn procedures
|
6.8. |
Het Europees Semester heeft ondanks zijn tekortkomingen een belangrijke rol gespeeld bij het coördineren van nationale economische beleidsmaatregelen. De procedures van het Europees Semester leiden er echter niet toe dat de burgers en de nationale politieke, economische en sociale actoren voldoende duidelijk en regelmatig bij de processen en aanbevelingen worden betrokken. Tijdens de Grote Recessie van deze eeuw was het Europees Semester het transmissiekanaal voor duidelijk procyclisch beleid, uiteraard afgeleid van de beginselen van de politieke economie op grond waarvan het werd beheerd. De respons van de Europese instellingen op de COVID-19-crisis was heel anders: de procedures van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit kwamen in de plaats van die van het Europees Semester. Met de positieve prikkel van haar subsidies en leningen heeft de herstel- en veerkrachtfaciliteit via de nationale plannen voor herstel en veerkracht een bepaald model van indicatieve planning voor investeringen en structurele hervormingen vormgegeven. Wanneer de herstel- en veerkrachtfaciliteit afloopt, is het niet mogelijk terug te keren naar het vorige model van het Semester. Vandaar de noodzaak van de door het EESC voorgestelde hervorming. |
|
6.9. |
De aard en intensiteit van de problemen die maatschappelijke organisaties in de werking van het Europees Semester en de herstel- en veerkrachtfaciliteit hebben vastgesteld, verschillen uiteraard van lidstaat tot lidstaat. De meeste geraadpleegden hadden echter vooral kritiek op de volgende aspecten:
|
|
6.10. |
De procedures van de herstel- en veerkrachtfaciliteit hebben de situatie in sommige opzichten verbeterd. Hoewel de tussentijdse evaluatie (13) nog op zich laat wachten, is uit de raadplegingen voor de twee bovengenoemde EESC-resoluties en voor dit advies gebleken dat de vereiste hervormingen in aanzienlijke mate worden nageleefd. Dit houdt ongetwijfeld verband met de positieve prikkel die uitgaat van het ontvangen van middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit. De uitvoering van de investeringen blijft echter achter. Het niveau van deelname van maatschappelijke organisaties is in de beginfase van de uitvoering van de nationale plannen voor herstel en veerkracht verbeterd ten opzichte van het niveau in de voorbereidingsfase en ten opzichte van het gebruikelijke niveau in het Semester. In 2022 trad er echter geen verbetering op en in sommige landen is de situatie er als gevolg van politieke veranderingen zelfs serieus op achteruitgegaan. |
|
6.11. |
Een hervorming van het kader voor economische governance, zoals voorgesteld door de Europese Commissie, vereist duidelijk een aanpassing van het Semester. Het herziene gemeenschappelijke kader voor het begrotingsbeleid zal een flexibeler en gedifferentieerder kader bieden dat onderhandelingen en afspraken tussen de EU-instellingen en de lidstaten omvat. Het zal veranderingen teweegbrengen in de tijdschema’s en procedures van het Semester. Wil het doeltreffend en succesvol blijven, dan zal het de eigen inbreng van de lidstaten in het proces en de aangegane verplichtingen moeten bevorderen, hetgeen alleen kan worden bereikt als de politieke, economische en sociale actoren breder bij het proces worden betrokken. Voor het EESC moet de betrokkenheid van de sociale partners en maatschappelijke organisaties dan ook een van de pijlers van het herziene Semester zijn. Ook de betrokkenheid van nationale parlementen en lokale en regionale overheden is essentieel. |
|
6.12. |
Het EESC heeft reeds gepleit voor een Europese wetgevingshandeling om de betrokkenheid van de sociale partners en maatschappelijke organisaties bij het Semester te regelen. Artikel 18, lid 4, punt q), van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit kan worden gezien als een prototype van de door het EESC bepleite regeling. We stellen voor dat de basisbeginselen en kenmerken van de raadpleging van maatschappelijke organisaties erin worden vastgelegd. Op die manier zouden de nationale tradities en procedures voor maatschappelijke participatie geëerbiedigd worden, terwijl wel zou worden bepaald dat de raadpleging moet plaatsvinden volgens de basisbeginselen en kenmerken die in de Europese verordening zijn vastgelegd. |
|
6.13. |
De Europese Commissie heeft aangekondigd dat zij binnenkort een mededeling over de versterking van de sociale dialoog en een aanbeveling over de rol van de sociale dialoog op nationaal niveau zal publiceren. Mocht dit initiatief uitmonden in wetgeving, dan zou deze volgens het EESC een aanvulling moeten vormen op de door het Comité bepleite regeling. |
7. Voorstellen voor een hervorming van het Europees Semester
|
7.1. |
Het EESC stelt voor het Europees Semester te hervormen om de volgende beginselen, waarden en trends te versterken: transparantie, democratie, betrokkenheid van de sociale partners en maatschappelijke organisaties, efficiëntie in de werking ervan en voor de groei van de economieën en de kwaliteit van de werkgelegenheid, bijdrage aan de sociale cohesie en de convergentie tussen de lidstaten, en voltooiing van de groene en de digitale transitie van de EU-economie. |
|
7.2. |
Daartoe moeten de bestaande indicatorsystemen — op economisch, werkgelegenheids-, sociaal en milieugebied — worden vernieuwd en aangevuld en op elkaar worden afgestemd, zodat de evaluatieprocedures, waarbij ook de sociale partners en de maatschappelijke organisaties moeten worden betrokken, worden versterkt. |
|
7.3. |
Het EESC pleit voor een Europees Semester dat altijd rekening houdt met de sociale dimensie van economische besluiten bij de coördinatie van EU-economieën en het formuleren van voorstellen om hun duurzame groei te stimuleren. De door het semester bevorderde maatregelen moeten prioriteit geven aan zowel innovatievermogen en productiviteitsgroei als de totstandbrenging van rechtvaardige transities in de groene en digitale transformatie van de Europese economie en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten. Dat is het gezonde evenwicht dat “concurrerende duurzaamheid van de EU” wordt genoemd en dat het EESC volledig heeft onderschreven in zijn laatste twee adviezen over de jaarlijkse duurzamegroeianalyse. |
|
7.4. |
Het EESC is van mening dat de belangrijkste instrumenten van het Europees Semester — jaarlijkse strategie voor duurzame groei, nationale hervormingsplannen en landspecifieke aanbevelingen — een looptijd van drie jaar moeten hebben, met jaarlijkse evaluaties en herzieningen. Hierdoor zou ook een betere participatie van politieke, economische en sociale actoren mogelijk worden, de eigen inbreng van de lidstaten worden vergroot en een betere toepassing van deze instrumenten worden bevorderd. |
|
7.5. |
De steekhoudendheid en doeltreffendheid van het Semester kunnen mede worden beoordeeld aan de hand van de naleving van de landspecifieke aanbevelingen in het door het EESC bepleite middellangetermijnperspectief. De in het kader van dit advies gehouden raadpleging heeft met name duidelijk gemaakt hoe er onder maatschappelijke organisaties gedacht wordt over de waarde van sancties bij niet-naleving en over de meest doeltreffende soorten sancties. Het EESC is van mening dat de meest geschikte aanpak erin bestaat stimulansen voor naleving te bieden om de nationale verplichtingen na te komen door deze te koppelen aan de EU-begroting en de ontvangst van bepaalde middelen door de lidstaten, naar het voorbeeld van het model van de herstel- en veerkrachtfaciliteit. Om ervoor te zorgen dat deze verplichtingen evenwichtig zijn en stroken met alle pijlers van economische governance, is het van essentieel belang dat het proces van nationale verantwoordelijkheid democratisch verloopt en dat de politieke en sociale actoren erbij worden betrokken. |
|
7.6. |
Een democratischer Semester betekent dat Europese en nationale democratische politieke instanties bij de procedures en in sommige gevallen bij de besluiten in het kader daarvan worden betrokken. We hebben het dan over het Europees Parlement, nationale parlementen en lokale en regionale politieke instellingen. Het is niet de bedoeling om in dit advies specifieke formules of bevoegdheden voor te stellen. Er zij echter op worden gewezen dat het proces van nationale verantwoordelijkheid voor de aanbevelingen en maatregelen van het Semester, dat zo noodzakelijk is voor de doeltreffendheid ervan, vereist dat deze nationale instellingen een belangrijke rol spelen, zowel bij het opstellen van de plannen en aanbevelingen als bij de evaluatie ervan. Evenzo moeten de bevoegdheden van het EP zodanig worden uitgebreid dat het kan meebeslissen over globale richtsnoeren voor het economisch beleid en voorstellen van Europese aard. |
|
7.7. |
Het EESC stelt voor om de sociale partners en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties erbij te betrekken via een gestructureerde formele raadplegingsprocedure op zowel Europees als nationaal niveau. Er moet participatie zijn bij zowel het opstellen van richtsnoeren, aanbevelingen en maatregelen als in de uitvoerings- en evaluatiefase. Er moet een specifieke, eventueel reeds bestaande instantie zijn die formeel en juridisch belast is met de raadpleging over het Europees Semester en met het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de evaluatie ervan. In veel landen zouden de nationale sociaal-economische raden een belangrijke rol kunnen spelen bij de raadpleging over en de evaluatie van het Semester. Dit is echter iets dat tot de bevoegdheid van de afzonderlijke landen blijft behoren, overeenkomstig de tradities en de wetgeving van elke lidstaat. De afzonderlijke landen beslissen momenteel ook of de sociale partners en de maatschappelijke organisaties via dezelfde procedure en dezelfde instantie of via afzonderlijke processen bij het Europees Semester worden betrokken. |
|
7.8. |
Het EESC is van mening dat de betrokkenheid van de sociale partners en maatschappelijke organisaties bij de verschillende fasen van het Europees Semester moet worden vastgelegd in een EU-verordening waarin de in acht te nemen waarden, beginselen en hoofdkenmerken worden uiteengezet, waarbij het aan de nationale wetgevingen wordt overgelaten om de procedures en de voor de toepassing daarvan verantwoordelijke instanties te specificeren. Volgens het EESC zijn de belangrijkste vereisten voor een doeltreffend formeel raadplegingsproces op nationaal niveau die in een dergelijke verordening moeten worden opgenomen, de volgende:
|
|
7.9. |
Het EESC is van mening dat soortgelijke criteria moeten worden toegepast op de procedures voor de sociale dialoog en de dialoog met het maatschappelijk middenveld en de instanties die deze op Europees niveau schragen. Uiteraard zouden er enkele aanpassingen nodig zijn vanwege verschillen in reikwijdte, inhoud en tijdschema’s. |
Brussel, 27 april 2023.
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) COM(2022) 583 final, Mededeling over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance.
(2) EESC-advies over de Mededeling over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance (PB C 146 van 27.4.2023, blz. 53).
(3) Resolutie van het EESC over het betrekken van maatschappelijke organisaties bij de nationale plannen voor herstel en veerkracht — Wat werkt en wat niet?, aangenomen in februari 2021 (PB C 155 van 30.4.2021, blz. 1) en Resolutie van het EESC over het betrekken van maatschappelijke organisaties bij de nationale plannen voor herstel en veerkracht — Hoe kan het beter?, aangenomen in mei 2022 (PB C 323 van 26.8.2022, blz. 1).
(4) Bijlage bij het initiatiefadvies over de aanbevelingen van het EESC voor een stevige hervorming van het Europees Semester (europa.eu).
(5) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
(6) COM(2022) 583 final.
(7) Europees Semester 2023 — Syntheseverslag van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie (20.3.2023).
(8) AT, BE, BG, CZ, IE, IT, EL, ES, FI, FR, HR, CY, LT, LU, HU, MT, NL, PL, RO, SI, SK, SE en DK.
(9) EESC-advies over de Mededeling over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance (PB C 146 van 27.4.2023, blz. 53).
(10) Het EESC heeft met name in de paragrafen 3.6 en 3.7 van bovengenoemd advies een voorstel voor deze flexibiliteit geformuleerd.
(11) COM(2023) 62 final.
(12) Op 24 januari 2023 meldde vicevoorzitter van de Europese Commissie Margrethe Vestager tijdens de plenaire zitting van het EESC dat van de 677 miljard EUR die de lidstaten sinds het begin van de pandemie aan bedrijven hebben toegewezen, Duitsland 50 % voor zijn rekening nam en Frankrijk 25 %.
(13) Evaluatieverslag van het EESC over de tussentijdse evaluatie van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (goedkeuring gepland voor september 2023).
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/10 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het recht op een gezond milieu in de Europese Unie, met name in de context van de oorlog in Oekraïne
(initiatiefadvies)
(2023/C 228/02)
|
Rapporteur: |
Ozlem YILDIRIM |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
27.10.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 52, lid 2, van het reglement van orde |
|
|
Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
13.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
162/1/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Op 23 juni 2022 is Oekraïne een kandidaat-lidstaat van de EU geworden. Wanneer Oekraïne toetreedt tot de EU, zal het qua oppervlakte de grootste of op een na grootste lidstaat van de EU zijn. Het uitgestrekte grondgebied van Oekraïne is rijk aan diverse ecosystemen. Volgens het secretariaat van het VN-verdrag inzake biologische diversiteit bestrijkt Oekraïne 6 % van het Europese grondgebied, maar herbergt het 35 % van de totale biodiversiteit. |
|
1.2. |
De door de oorlog veroorzaakte milieuschade omvat de aantasting van ecosystemen, lucht- en waterverontreiniging en verontreiniging van akker- en weilanden. Uit verschillende rapporten blijkt dat sinds het begin van de oorlog 200 000 hectare bos door brand is aangetast, 680 000 ton fossiele brandstoffen in vlammen is opgegaan en 180 000 kubieke meter grond door munitie is verontreinigd. Door de oorlog zijn beschermde gebieden aangetast en waterzuiveringsinstallaties vernietigd. Het conflict heeft 100 bosbranden veroorzaakt, waarbij 33 miljoen ton CO2 is vrijgekomen. |
|
1.3. |
De acties van Rusland lijken op ecocide neer te komen, op basis van een door juridische deskundigen voorgestelde en in juni 2021 gepubliceerde definitie. Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft erop aangedrongen dat “ecocide”, zoals gedefinieerd door het panel van onafhankelijke deskundigen voor de wettelijke definitie van ecocide, wordt gecodificeerd als een strafbaar feit krachtens de EU-wetgeving. De erkenning van het misdrijf ecocide in de herziene EU-richtlijn milieucriminaliteit zal leiden tot ontwikkelingen in de wetgeving buiten de EU, met name in het Internationaal Strafhof, wat kan helpen om Rusland een zekere verantwoordingsplicht te geven voor de veroorzaakte ecologische en milieuschade. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC):
|
1.4. |
benadrukt dat een betere milieubescherming, vanuit de eerbiediging van de grondrechten in de EU en daarbuiten, dringend noodzakelijk is. De toestand is verslechterd door de milieuschade die de oorlog in Oekraïne heeft veroorzaakt, met inbegrip van schade aan de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mens, achteruitgang van het ecosysteem, lucht- en waterverontreiniging en vervuiling van akker- en weilanden. Dit vormt een rechtstreekse bedreiging voor de landbouwproductie en brengt de kwetsbaarheid van de mondiale voedselzekerheid aan het licht. |
|
1.5. |
De Russische invasie heeft gevolgen voor het milieu en ook sociale gevolgen. Het EESC wijst op het belang en de noodzaak van steun om die te documenteren, in kaart te brengen en te meten, om wettelijke bescherming van het milieu na te streven, verantwoordingsplicht te waarborgen en de basis te leggen voor een groen en duurzaam herstel na de oorlog en te helpen bij de beoordeling van de financiële behoeften wanneer de middelen voor het groene herstel worden herverdeeld. |
|
1.6. |
Het EESC verzoekt de Commissie en de Raad stappen te ondernemen om de negatieve milieueffecten van de illegale oorlog van Rusland tegen Oekraïne en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten in kaart te brengen. De Commissie en de Raad moeten de inspanningen van het maatschappelijk middenveld steunen om de door Rusland veroorzaakte milieuschade, met inbegrip van milieudelicten, te documenteren en ook steun verlenen aan de rol van het maatschappelijk middenveld bij de wederopbouw van Oekraïne. |
|
1.7. |
Het EESC dringt erop aan dat de EU moet helpen het milieu in Oekraïne te beschermen en de door de oorlog veroorzaakte milieuschade te herstellen. Het EESC blijft erbij dat bij alle wederopbouwinspanningen de internationale IAO-normen en de beginselen van sociale conditionaliteit in acht zullen worden genomen. |
|
1.8. |
De gezondheid van de mens en de kwaliteit van het milieu kunnen niet los van elkaar gezien worden. De gezondheid van ecosystemen, dieren en mensen gaan hand in hand. De EU moet dat recht waarborgen. Aantasting van het milieu is de hoofdoorzaak van gezondheidsproblemen. Geluidsoverlast leidt bijvoorbeeld tot 12 000 doden per jaar. Het verband tussen het milieu en de volksgezondheid is ook bijzonder duidelijk op het vlak van voedselzekerheid. |
|
1.9. |
Het EESC verzoekt de Commissie en de Raad de inspectiemethoden voor levensmiddelen en landbouwproducten die op de interne markt worden gebracht, aan te scherpen. Daarbij moet specifieke aandacht gaan naar het opsporen van milieuvervuiling als gevolg van de oorlog in Oekraïne, met als doel de gezondheid van alle Europese burgers en van ons milieu te waarborgen. |
|
1.10. |
Het recht op een gezond milieu is van vitaal belang voor het sociale en economische welzijn van mensen in Europa en de rest van de wereld. Geschat wordt dat ongeveer 40 % van de banen wereldwijd afhankelijk zijn van een gezond klimaat en ecosysteem. Gezien het internationale rechtskader en deze grimmige realiteit is het niet verrassend dat er tal van EU-wetten zijn aangenomen om ervoor te zorgen dat de EU voldoet aan haar verplichting om het recht op een gezond milieu te eerbiedigen. |
|
1.11. |
Het EESC moedigt alle lidstaten en Europese instellingen aan meer inspanningen te leveren om de doeltreffendheid van de bestaande rechtsinstrumenten te verbeteren, want daar ontbreekt het in de praktijk vaak aan. De talrijke rechtszaken die tegen lidstaten of de Unie zelf zijn aangespannen wegens tekortkomingen op het gebied van schone lucht, klimaat, visserij of water, tonen aan hoezeer de overheid er niet in slaagt dit recht te doen naleven. |
2. Algemene opmerkingen
2.1. Recht op een gezond milieu in de context van de oorlog van Rusland in Oekraïne en de toetreding van Oekraïne tot de EU
|
2.1.1. |
Op 16 maart 2022 heeft het Comité van ministers van de Raad van Europa Rusland met onmiddellijke ingang uit de Raad van Europa gezet (1). Terwijl de EU volop aan het onderhandelen was over haar toetreding tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), was Rusland er dus vanaf 16 september 2022 niet langer door gebonden. Hierdoor werd de reikwijdte van de bescherming van de mensenrechten op het hele Europese continent aanzienlijk beperkt. Op het moment van de invasie, en tot 16 september 2022, was Rusland echter gebonden door het EVRM. Ondanks de terugtrekking van Rusland uit andere internationale organisaties, was en blijft het land onderworpen aan een hele reeks internationale verplichtingen. Deze hebben niet alleen betrekking op de mensenrechten (2), maar ook op het milieu. Het Internationaal Raamverdrag inzake klimaatverandering (3) en het Verdrag inzake biologische diversiteit zijn twee van de verdragen die Rusland in zijn agressie heeft geschonden. |
|
2.1.2. |
Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat de mensenrechten en het milieu in de rest van Europa worden beschermd. Niet alleen in de 27 lidstaten van de EU, waar de bescherming van de mensenrechten zal worden versterkt door de toetreding van de EU tot het EVRM, maar ook in de overige 19 lidstaten van de Raad van Europa, waaronder Oekraïne. |
|
2.1.3. |
Dit is des te belangrijker omdat Oekraïne op 23 juni 2022 een kandidaat-lidstaat van de EU is geworden. Wanneer Oekraïne toetreedt tot de EU, zal het qua oppervlakte de grootste of op een na grootste lidstaat van de EU zijn (4). Het uitgestrekte grondgebied van Oekraïne is rijk aan diverse ecosystemen. Volgens het secretariaat van het VN-verdrag inzake biologische diversiteit (5) bestrijkt Oekraïne 6 % van het Europese grondgebied, maar herbergt het 35 % van de totale biodiversiteit. Ook de landbouwgronden van het land, die van cruciaal belang zijn voor de voedselvoorziening in de wereld, en de uitgebreide infrastructuur voor fossiele brandstoffen, waarvan bepaalde buurlanden bijzonder afhankelijk zijn voor hun energievoorziening, zijn beide het afgelopen jaar onder enorme druk komen te staan. |
|
2.1.4. |
De acties van Rusland lijken op ecocide neer te komen, op basis van een door juridische deskundigen voorgestelde en in juni 2021 gepubliceerde definitie (6). Sinds 2001 omvat het Oekraïense wetboek van strafrecht (7) het misdrijf ecocide. Parallel aan het besluit van het Europees Parlement (8) heeft het EESC erop aangedrongen dat “ecocide”, zoals gedefinieerd door het panel van onafhankelijke deskundigen voor de wettelijke definitie van ecocide, wordt gecodificeerd als een strafbaar feit krachtens de EU-wetgeving (9). De erkenning van het misdrijf ecocide in de herziene EU-richtlijn milieucriminaliteit zal leiden tot ontwikkelingen in de wetgeving buiten de EU, met name in het Internationaal Strafhof, wat kan helpen om Rusland een zekere verantwoordingsplicht te geven voor de veroorzaakte ecologische en milieuschade. |
|
2.1.5. |
Op 19 januari 2023 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een tribunaal voor het misdrijf agressie tegen Oekraïne. Tijdens zijn zitting van februari (10) sprak het EESC zijn steun uit voor deze resolutie. In de tekst van de resolutie wordt tweemaal verwezen naar milieuaangelegenheden. Ten eerste wordt in de resolutie het verband erkend tussen oorlog en langdurige schade aan het natuurlijk milieu en het klimaat. Ten tweede wordt erin opgeroepen tot de instelling van een internationaal register waarin onder meer wijdverbreide en ernstige schade aan het natuurlijke milieu en het klimaat wordt geregistreerd, teneinde de vaststelling van toekomstige herstelbetalingen voor veroorzaakte schade te vergemakkelijken. In dit verband is het cruciaal te benadrukken dat milieuschade als oorlogswapen kan worden gebruikt en dat deze milieudelicten worden vervolgd. |
|
2.1.6. |
De door de oorlog veroorzaakte milieuschade omvat de aantasting van ecosystemen, lucht- en waterverontreiniging en verontreiniging van akker- en weilanden. Zo zouden de lekken in twee Russische gaspijpleidingen in de Oostzee ongekende gevolgen kunnen hebben voor ons klimaat en voor andere aspecten van het milieu (11). Sinds het begin van de oorlog is 200 000 hectare bos door brand aangetast, 680 000 ton fossiele brandstoffen in vlammen opgegaan en 180 000 kubieke meter grond door munitie verontreinigd. Door de oorlog zijn beschermde gebieden aangetast en waterzuiveringsinstallaties vernietigd. Het gevaar is des te groter aangezien Oekraïne met 15 reactoren op één na het land met de meeste kerncentrales in Europa is. Het conflict heeft 100 bosbranden veroorzaakt, waarbij 33 miljoen ton CO2 is vrijgekomen. Russische bombardementen vernietigen de Oekraïense biodiversiteit. Oekraïense deskundigen ramen de door Rusland veroorzaakte milieuschade op 24 miljard EUR. |
|
2.1.7. |
De oorlog in Oekraïne brengt ongekende en blijvende schade toe aan het milieu. Hij schaadt ook de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het welzijn van de Oekraïners en hun nakomelingen. Kwetsbare groepen worden nog harder getroffen. Er moet speciale aandacht worden besteed aan de psychologische gevolgen van de oorlog en aan geestelijke gezondheidsproblemen. De oorlog veroorzaakt lucht-, water- en bodemverontreiniging en ook geluidsoverlast, waar alle slachtoffers nog generaties lang last van zullen hebben. Veel problemen stoppen niet bij de grenzen van Oekraïne en al met al bestaan er ernstige risico’s voor de volksgezondheid. Er is aangetoond is dat aantasting van het milieu, en met name lucht-, bodem- en waterverontreiniging, net als oorlog gevolgen heeft voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van meerdere generaties. Niet alleen de kinderen die nu in Oekraïne wonen of het land ontvlucht zijn, zullen hieronder lijden, maar ook toekomstige generaties. |
|
2.1.8. |
Daarom zijn de inspanningen van Oekraïense jongerenbewegingen en -organisaties om hun generatie een stem te geven zo indrukwekkend. Het is belangrijk dat bij de wederopbouw rekening wordt gehouden met hun ideeën en standpunten. |
|
2.1.9. |
Schade aan ons gemeenschappelijk ecosysteem, zoals bodemaantasting, vormt een directe bedreiging voor de toekomstige landbouwproductie en benadrukt de kwetsbaarheid van de wereldwijde voedselzekerheid. Met name de huidige structuur van de grondstoffenmarkt is niet bevorderlijk voor de “duurzame economie die we nodig hebben” De doelstellingen van duurzame ontwikkeling, klimaatambitie en rechtvaardige transitie die in de VN 2030-agenda en de Green Deal voor Europa zijn vastgelegd, zullen er niet mee worden bereikt en worden zelfs actief tegengewerkt (12). |
|
2.1.10. |
Het maatschappelijk middenveld speelde vóór de oorlog een sleutelrol bij de bescherming van het milieu. De oorlog heeft het vermogen van het maatschappelijk middenveld om op dit gebied op te treden drastisch ingeperkt. Veel milieuactivisten hebben moeten vluchten of dragen bij aan de oorlogsinspanningen. Degenen die nog actief kunnen zijn, concentreren zich nu op het documenteren van de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog voor het milieu (13). Hun betrokkenheid zal cruciaal zijn voor het herstel van het milieu in Oekraïne en om ervoor te zorgen dat Oekraïne de milieuwetgeving van de EU overneemt om toetreding tot de EU mogelijk te maken. |
|
2.1.11. |
Milieubescherming en de invloed van het milieu op het dagelijks leven en de gezondheid blijven belangrijk voor de Oekraïners. Bovendien is volgens een openbare enquête 95,2 % van de respondenten van mening dat natuurherstel belangrijk is voor de naoorlogse wederopbouw van Oekraïne (14). |
|
2.1.12. |
Met de juiste internationale steun kan de vernietiging door Rusland van de infrastructuur van de zware industrie van Oekraïne als een kans aangegrepen worden om het zonne- en windenergiepotentieel te ontsluiten voor een betere en milieuvriendelijkere wederopbouw aan de hand van alternatieve energiebronnen. Dit zou zowel Oekraïners als inwoners van andere landen ten goede komen en de positie van Oekraïne in de onderhandelingen over toetreding tot de EU aanzienlijk versterken. |
|
2.1.13. |
De huidige situatie blijft instabiel. Er is ernstige onzekerheid over de toekomst. Afgezien van de dramatische menselijke en humanitaire catastrofe zullen vragen rijzen over de uiteindelijke kosten van de wederopbouw van Oekraïne en in hoeverre Rusland kan worden aangesproken om deze kosten te dragen. Voor de EU is een belangrijke rol weggelegd. In zijn resolutie over de oorlog in Oekraïne en de economische, sociale en milieugevolgen daarvan (15) benadrukt het EESC dat, naast de gevolgen voor de mens, de milieugevolgen van de oorlog, veroorzaakt door bombardementen, olie- en gaslekken en ongelukken in chemische fabrieken en kerncentrales, zowel voor de Oekraïners als voor de EU en daarbuiten uitermate zorgwekkend zijn. Deze milieueffecten zullen onvermijdelijk langdurige gevolgen hebben voor de volksgezondheid en de ecosystemen. De milieugevolgen van de oorlog vormen een reële bedreiging voor de bevolking. Het kan jaren duren om de vervuiling op te ruimen, waardoor het risico op kanker, ademhalingsziekten en ontwikkelingsachterstand bij kinderen toeneemt, waarschuwen VN-deskundigen (16). Reproductieve gezondheid is een ander zorgwekkend punt. Het EESC benadrukte dat de EU moet helpen het milieu in Oekraïne te beschermen en de door de oorlog veroorzaakte milieuschade te herstellen. Het EESC blijft erbij dat bij alle wederopbouwinspanningen de internationale IAO-normen en de beginselen van sociale conditionaliteit in acht zullen worden genomen. Het EESC heeft voorgesteld dat de EU hierop reageert via programma’s als RescEU en LIFE, in coördinatie met nationale, regionale en lokale mechanismen en in samenwerking met de particuliere sector en met ngo’s. |
|
2.1.14. |
Terwijl de oorlog nog aan de gang is, is het belangrijk dat maatschappelijke organisaties, regeringen en internationale organisaties over de grenzen heen samenwerken om milieuschade van grensoverschrijdende aard in kaart te brengen en te monitoren, teneinde de omvang van de schade en de financiële behoeften te beoordelen, investeringen te stimuleren en middelen te herverdelen ten behoeve van het duurzame en sociale herstel van Oekraïne. Wat het in kaart brengen betreft, steunt het Europees Milieuagentschap (EMA) inspanningen ter verbetering van de capaciteit om informatie te verzamelen over de vooroorlogse toestand van het milieu die als referentie kan worden gebruikt bij monitoringprocessen (17). |
|
2.1.15. |
De Commissie en de Raad moeten de inspanningen van het maatschappelijk middenveld steunen om de door Rusland veroorzaakte milieuschade, met inbegrip van milieudelicten, te documenteren. De EU moet er ook voor zorgen dat bij haar inspanningen ter ondersteuning van de wederopbouw van Oekraïne de rampzalige ecologische en milieueffecten van de oorlog worden voorkomen en beperkt zodat de mensenrechten gewaarborgd kunnen worden. |
|
2.1.16. |
De EU moet er ook voor zorgen dat de economie van Oekraïne en die van de EU niet langer afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en dat bij de wederopbouw wordt afgestapt van de infrastructuur voor fossiele brandstoffen. De inspanningen van de EU moeten er ook voor zorgen dat Oekraïne zijn rol kan spelen in het mondiale voedselsysteem. Met het oog op de toetreding van Oekraïne tot de EU, moet de Unie in staat gesteld worden om haar verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de Overeenkomst van Kunming-Montreal na te komen. De EU moet er ook voor zorgen dat haar sanctiepakketten een positief effect op het milieu hebben. Sommige ngo’s hebben bijvoorbeeld opgeroepen tot sancties die Rusland zouden belemmeren om zijn illegale oorlog voort te zetten en zouden verhinderen dat Rusland nog profiteert van illegale, ongereglementeerde en ongemelde visserij (18). |
2.2. De wettelijke verplichting van de EU om het recht op een gezond milieu te beschermen
|
2.2.1. |
Op 28 juli 2022 heeft de Algemene Vergadering van de VN een baanbrekende resolutie aangenomen waarin het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu als een mensenrecht (19) wordt erkend en landen, internationale organisaties, bedrijven en alle andere belanghebbenden worden opgeroepen hun inspanningen voor een schoon, gezond en duurzaam milieu voor iedereen op te voeren. De 27 EU-lidstaten en de overgrote meerderheid van de andere landen hebben voor de resolutie gestemd. Aansluitend op het informatief rapport van het EESC uit 2021 over “Milieubescherming als voorwaarde voor eerbiediging van de grondrechten” (20) wordt in de resolutie van de VN erkend dat “aantasting van het milieu, klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, woestijnvorming en niet-duurzame ontwikkeling een van de dringendste en ernstigste bedreigingen vormen voor het vermogen van de huidige en toekomstige generaties om daadwerkelijk alle mensenrechten te genieten”. In de resolutie wordt onder meer een oproep gedaan aan internationale organisaties zoals de EU om “de internationale samenwerking en de capaciteitsopbouw te versterken en beste praktijken te blijven uitwisselen om de inspanningen voor een schoon, gezond en duurzaam milieu voor iedereen op te voeren”. |
|
2.2.2. |
Het recht op een gezond milieu erkent het fundamentele verband tussen het milieu en de gezondheid van de mens. De gezondheid van de mens en de kwaliteit van het milieu kunnen niet los van elkaar gezien worden. De gezondheid van ecosystemen, dieren en mensen gaan hand in hand. De EU moet dat recht waarborgen. Aantasting van het milieu is de hoofdoorzaak van gezondheidsproblemen. Zo werden in 2019 307 000 vroegtijdige sterfgevallen toegeschreven aan fijnstof, 40 400 aan stikstofdioxide en 16 800 aan acute ozonverontreiniging (21). Het probleem gaat uiteraard verder dan de luchtkwaliteit. Geluidsoverlast leidt bijvoorbeeld tot 12 000 doden per jaar (22). Het verband tussen het milieu en de volksgezondheid is ook bijzonder duidelijk op het vlak van voedselzekerheid. |
|
2.2.3. |
De rechtsorde van de EU loopt wereldwijd voorop bij de erkenning van het recht op een gezond milieu op supranationaal niveau. Verdragsbepalingen (artikel 37 van het Handvest van de grondrechten en artikel 11 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) staan naast diverse andere bepalingen, met name artikel 3, lid 3, en artikel 21, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 191 van het VWEU (23) en diverse andere bepalingen van het Handvest (24), die samen neerkomen op de erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu. Krachtens artikel 51, lid 1, van het Handvest zijn de instellingen van de EU te allen tijde aan deze verplichting onderworpen, en zijn de lidstaten verplicht deze te eerbiedigen bij de uitvoering van EU-wetgeving (25). Het Europees Parlement heeft gevraagd “het recht op een gezond milieu in het Handvest te erkennen” en dat de EU “het initiatief moet nemen om een vergelijkbaar recht op internationaal niveau te laten erkennen” (26). |
|
2.2.4. |
Krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest van de grondrechten moet de EU ook de bepalingen van het Verdrag naleven wanneer de bepalingen van het Handvest overeenstemmen met de bepalingen van het EVRM. Met name via het recht op eerbiediging van het privé, familie- en gezinsleven en van de woning (artikel 7 van het Handvest, artikel 8 van het EVRM) heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens reeds het recht op een veilig en gezond milieu erkend (27). Dit houdt niet alleen negatieve verplichtingen in (geen inbreuk maken op het recht op een gezond milieu), maar ook positieve verplichtingen om maatregelen te nemen, bijvoorbeeld met betrekking tot de luchtkwaliteit, om ervoor te zorgen dat dit recht wordt geëerbiedigd (28). Deze verplichtingen zullen nog beter afdwingbaar worden zodra de EU toetreedt tot het EVRM, zoals vereist is op grond van artikel 6, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Na het Europees Parlement heeft de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa aangedrongen op een protocol bij het EVRM waarin het “recht op een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu” uitdrukkelijk zou worden erkend (29). Dit zou leiden tot een afdwingbaar recht in de 27 EU-lidstaten en in de 19 derde landen die ook lid zijn van de Raad van Europa. |
|
2.2.5. |
Ook wordt algemeen erkend dat de EU een zeer grote invloed heeft op de milieuregelgeving op wereldniveau. De vele onderdelen van de EU-wetgeving die van invloed zijn op het recht op een gezond milieu — met name de regulering van giftige stoffen in het kader van de REACH-verordening (30) — zijn typische voorbeelden van het “Brussel-effect” (31), waarbij EU-regels wereldwijde normen worden. |
|
2.2.6. |
Het recht op een gezond milieu is van vitaal belang voor het sociale en economische welzijn van mensen in Europa en de rest van de wereld. Geschat wordt dat ongeveer 40 % van de banen wereldwijd afhankelijk zijn van een gezond klimaat en ecosysteem (32). Gezien het internationale rechtskader en deze grimmige realiteit is het niet verrassend dat er tal van EU-wetten zijn aangenomen om ervoor te zorgen dat de EU voldoet aan haar verplichting om het recht op een gezond milieu te eerbiedigen. De EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit (Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad (33)) is hiervan een goed voorbeeld. Advocaat-generaal Kokott oordeelde dat “de regels inzake luchtkwaliteit bijgevolg concreet gestalte geven aan de verplichtingen van de Unie om bescherming te bieden, voortvloeiend uit het fundamentele recht op leven krachtens artikel 2, lid 1, van het Handvest en het hoge niveau van milieubescherming dat wordt vereist op grond van artikel 3, lid 3, VEU, artikel 37 van het Handvest en artikel 191, lid 2, VWEU” (34). Met het oog op een optimale bescherming van de menselijke gezondheid beveelt het EESC aan om de luchtkwaliteitsnormen van de EU uiterlijk in 2030 volledig af te stemmen op de geactualiseerde mondiale richtsnoeren inzake luchtkwaliteit van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
|
2.2.7. |
In de milieuactieprogramma’s van de EU — zoals vereist op grond van artikel 192, lid 3, VWEU — wordt steeds meer erkend dat een gezond milieu een recht is. Het 8e milieuactieprogramma erkent uitdrukkelijk dat “vooruitgang boeken met de erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu, zoals uiteengezet in resolutie 48/13 van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, een faciliterende voorwaarde is voor de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP” (35). |
|
2.2.8. |
In de praktijk ontbreekt het echter vaak aan doeltreffendheid (36). Het EESC moedigt dan ook alle lidstaten en Europese instellingen aan meer inspanningen te leveren om de doeltreffendheid van de bestaande rechtsinstrumenten te verbeteren. De talrijke rechtszaken die tegen lidstaten of de Unie zelf zijn aangespannen wegens tekortkomingen op het gebied van schone lucht, klimaat, visserij of water, tonen aan hoezeer de overheid er niet in slaagt dit recht te doen naleven. |
|
2.2.9. |
Tegen de achtergrond van de oorlog van Rusland tegen Oekraïne en de toekomstige toetreding van Oekraïne tot de EU is het belangrijker dan ooit dat de EU en haar lidstaten het recht op een gezond milieu handhaven. Dit betekent dat milieubescherming dezelfde prioriteit moet krijgen als andere rechtsgebieden, zoals mededinging of gegevensbescherming, waarvoor de EU zowel in theorie als in de praktijk een wereldwijd voorbeeld stelt. |
|
2.2.10. |
Op die manier krijgt de EU de kans om het intergenerationele karakter van het recht op een gezond milieu te erkennen. |
|
2.2.11. |
Het is niet verwonderlijk dat vooral jongerenbewegingen oproepen tot milieubescherming. Door de negatieve gevolgen van de achteruitgang van het milieu voor de reproductieve gezondheid wordt het voortbestaan van toekomstige generaties bedreigd. De EU moet het voorbeeld volgen van lidstaten die instellingen hebben opgericht om de belangen van toekomstige generaties te beschermen. Een dergelijke instelling op EU-niveau zou ertoe bijdragen dat toekomstige generaties kunnen profiteren van de sociale en economische voordelen van de huidige maatregelen ter bescherming van het milieu. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Cm/Del/Dec(2022) 1431/2.3, Gevolgen van de agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne.
(2) Zie bijvoorbeeld artikel 11, lid 2, punt b) van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.
(3) Zie bijvoorbeeld artikel 3, lid 5: “De Partijen dienen samen te werken ter bevordering van een ondersteunend en open internationaal economisch stelsel dat leidt tot een duurzame economische groei en ontwikkeling van alle Partijen”.
(4) Geen enkele lidstaat is groter. Van de huidige kandidaat-lidstaten is alleen Turkije groter.
(5) Verdrag inzake biologische diversiteit: Nationale biodiversiteitsstrategie en actieplan.
(6) “Onwettige of opzettelijke handelingen die worden begaan in het volle besef dat er een aanzienlijke kans bestaat dat deze handelingen het milieu ernstige en grootschalige of langdurige schade toebrengen”, Stop Ecocide Foundation.
(7) Wetboek van strafrecht van Oekraïne.
(8) Besluit van 29 maart 2023.
(9) Advies van het EESC over verbetering van de milieubescherming door middel van het strafrecht (PB C 290 van 29.7.2022, blz. 143).
(10) Resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Oekraïne, één jaar na de Russische invasie — De kijk van het Europees maatschappelijk middenveld (PB C 146 van 27.4.2023, blz. 1).
(11) Nord Stream: Russian gas pipe leaks could have an “unprecedented” environmental impact | Euronews.
(12) EESC-advies over de voedselprijzencrisis: de rol van speculatie en concrete voorstellen voor actie naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne (PB C 100 van 16.3.2023, blz. 51).
(13) Zie bijvoorbeeld het werk van EcoAction: Crimes against the environment after one month of Russia's war against Ukraine — Ecoaction.
(14) How does the war change Ukrainians: public opinion poll about the war, the environment, post-war reconstruction and EU accession, Centrum voor bronnen en analyse “Samenleving en milieu”, 2023.
(15) PB C 290 van 29.7.2022, blz. 1.
(16) OESO, juli 2022, Conséquences environnementales de la guerre en Ukraine et perspectives pour une reconstruction verte (oecd.org).
(17) ENI Gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS).
(18) Agence Europe, Europe Daily Bulletin nr. 13014, “Thirteen NGOs call for inclusion of Russian fishing vessels in upcoming EU sanctions against Putin’s regime”, 6 september 2022.
(19) Resolutie (A/76/L.75) — UN Digital Library.
(20) Informatief rapport van het EESC over Milieubescherming als voorwaarde voor eerbiediging van de grondrechten.
(21) Europees Milieuagentschap: “Air Quality in Europe 2021: Health impacts of air pollution in Europe”, 15 november 2021.
(22) Europees Milieuagentschap, “Health risks caused by environmental noise in Europe”, 14 december 2020.
(23) In dit artikel worden de doelstellingen van het milieubeleid van de EU uiteengezet.
(24) Met name artikel 2 (recht op leven), artikel 3 (recht op menselijke integriteit), artikel 35 (waarborging van een hoog niveau van menselijke gezondheid bij de bepaling en uitvoering van het beleid en het optreden van de EU) en artikel 38 (consumentenbescherming).
(25) “De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten”.
(26) P9_TA(2021)0277, EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen, par. 143.
(27) Irmina Kotiuk, Adam Weiss en Ugo Taddei in de Journal of Human Rights and the Environment, vol. 13, bijzondere uitgave, september 2022.
(28) Over positieve verplichtingen uit hoofde van artikel 8 van het EVRM (en dus artikel 7 van het Handvest), zie bijv. Fadeyeva tegen Rusland, verzoekschrift nr. 55723/00, arrest van 9 juni 2005.
(29) Resolutie 2396 (2021), “Anchoring the right to a healthy environment: need for enhanced action by the Council of Europe.”
(30) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(31) Anu Bradford, “The Brussels Effect: How the European Union Rules the World”, Oxford University Press, 2020.
(32) IAO: World Employment and Social Outlook 2018 — Greening with jobs, 2018.
(33) Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).
(34) Zaak C-723/17, Craeynest tegen Brussels Hoofdstedelijk Gewest, punt. 53. 53.
(35) Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22).
(36) Advies van het EESC over de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving op het gebied van luchtkwaliteit, water en afvalstoffen, (PB C 110 van 22.3.2019, blz. 33).
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/17 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake verdere versterking van het digitale concurrentievermogen van de EU
(verkennend advies)
(2023/C 228/03)
|
Rapporteur: |
Gonçalo LOBO XAVIER |
|
Corapporteur: |
Philip VON BROCKDORFF |
|
Raadpleging |
voorzitterschap van de Europese Raad, 14.11.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
145/0/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is er ten stelligste van overtuigd dat het digitale concurrentievermogen van vitaal belang is voor het algemene concurrentievermogen van de EU en moet worden gezien als een essentieel onderdeel van de EU-agenda voor het concurrentievermogen, zoals het al in eerdere adviezen heeft beklemtoond. Wil de EU het hoofd boven water kunnen houden in een context van mondiale concurrentie, dan moet haar concurrentievermogen aanzienlijk worden verbeterd. Het EESC heeft in dit verband aangedrongen op de invoering van een concurrentievermogenstest die in overeenstemming is met het beleid en de doelstellingen van de EU en moet worden geïntegreerd in de EU-beleids- en wetgevingsprocessen. De test moet een uitgebreide effectbeoordeling van nieuwe initiatieven inzake het concurrentievermogen omvatten en ervoor zorgen dat er bij de besluitvorming voldoende oog is voor diverse aspecten van het concurrentievermogen. Met een dergelijke aanpak en duidelijke boodschappen zou het gemakkelijker zijn om de burgers bij een en ander te betrekken en hen te motiveren om de algemene doelstellingen te verwezenlijken. |
|
1.2. |
Het EESC onderschrijft het standpunt dat de EU moet zorgen voor een gunstig ondernemingsklimaat, waarbij moet worden uitgegaan van een brede strategie die verschillende beleidsterreinen samenbrengt en op elkaar afstemt en waarbij de klemtoon wordt gelegd op het concurrentievermogen, de sociale dimensie en de impact van het bedrijfsleven op het welzijn van de burgers. Het is zaak het door digitalisering aangestuurde concurrentievermogen te stimuleren door de voorwaarden te verbeteren voor enerzijds de ontwikkeling en levering van digitale oplossingen door EU-ondernemingen, en anderzijds de invoering en het gebruik van digitale oplossingen in het hele bedrijfsleven van de EU, met als meest relevante voorbeelden de sectoren productie, vervoer en logistiek, de detailhandel, de landbouw en de bouwsector. |
|
1.3. |
De Europese burgers moeten worden betrokken bij de strategie voor het digitale concurrentievermogen en hun ongerustheid ten aanzien van een van de belangrijkste kwesties op het gebied van digitalisering en gegevensverzameling, te weten cyberbeveiliging, moet worden weggenomen. Het EESC is van mening dat de EU zich moet inzetten voor een Europese data-economie door de beschikbaarheid, toegankelijkheid en overdracht van gegevens te verbeteren, en tegelijkertijd te zorgen voor passende gegevensbescherming. Daartoe is een meer strategische aanpak geboden om belanghebbenden in staat te stellen gegevens veilig te verzamelen, op te slaan, te bundelen, te delen en te analyseren. Het is van cruciaal belang om vaart te zetten achter initiatieven voor sectorspecifieke pan-Europese dataruimten, om zo een betere analyse en een beter gebruik van gegevens ten behoeve van de Europese samenleving, de EU en het concurrentievermogen van haar bedrijven mogelijk te maken. Dankzij dergelijke dataruimten zouden nieuwe schaalbare industriële innovators en start-ups kunnen worden opgericht of ondersteund. Een goed functionerende eengemaakte markt voor data is ook van cruciaal belang omdat zij intrinsiek verbonden is met de eengemaakte markt voor goederen, diensten, kapitaal en personen, alsook met de energie- en vervoerssystemen. |
|
1.4. |
Het EESC ziet investeringen in een alomvattende, doeltreffende en veilige digitale infrastructuur als de noodzakelijke basis voor verdere digitale ontwikkeling. Dat wordt duidelijk als we kijken naar andere delen van de wereld die wereldwijd een voortrekkersrol spelen op bepaalde gebieden. Naast digitale netwerken, datacentra, computercapaciteit enz. moet ook aandacht uitgaan naar de toegang tot koolstofarme energie en de kritieke grondstoffen die nodig zijn voor digitale producten en systemen. |
|
1.5. |
Wil de EU het voortouw kunnen nemen op kritieke gebieden zoals cyberbeveiliging, dan moet zij dus enerzijds inzetten op het bevorderen en ondersteunen van cyberbeveiliging, maar anderzijds ook het concurrentievermogen van haar bedrijven stimuleren. Het EESC wijst er in dit verband op dat de EU-certificering marktgestuurd moet blijven en gebaseerd moet zijn op bestaande internationale normen. De EU moet de beveiligingsniveaus verhogen door bestaande nationale certificeringsregelingen te “europeaniseren” om te zorgen voor een geharmoniseerde markt tussen de lidstaten, alvorens nieuwe potentiële regelingen in het kader van de cyberbeveiligingsverordening op te stellen. Ook moet zij zorgen voor een samenhangend en geharmoniseerd wetgevingskader op EU-niveau en inconsistenties in de EU-wetgeving vermijden (bv. het risico dat bepaalde vereisten niet stroken met de bepalingen inzake cyberbeveiliging in de verticale wetgeving van het nieuwe wetgevingskader (NWK)). |
|
1.6. |
Voor het EESC is het duidelijk dat excellentie op het gebied van sleuteltechnologieën een aanzienlijke toename vereist van zowel publieke als particuliere investeringen in onderzoek en innovatie, en dat daarnaast ook moet worden ingezet op de ontwikkeling van O & O&I-infrastructuur van wereldklasse, het aantrekken van talent en het creëren van ecosystemen op basis van samenwerking tussen bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen. Hoewel het belangrijk is de invoering van AI, kwantumtechnologie en andere geavanceerde technologieën te bevorderen, moet ook worden erkend dat zelfs de invoering van elementaire digitale technologieën voor veel kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) al een grote uitdaging kan zijn. De EU en de lidstaten moeten gerichte inspanningen leveren om de digitalisering van kmo’s te ondersteunen en te vergemakkelijken. Dit houdt in dat kmo’s worden betrokken bij innovatiehubs, dataruimten en bedrijfsecosystemen. Ook moeten kmo’s beter worden voorgelicht over de mogelijkheden van digitalisering, de bestaande steun voor de ontwikkeling van vaardigheden en de beschikbare technische expertise en richtsnoeren in verband met de desbetreffende regelgeving. |
|
1.7. |
Het EESC wil er ook hier weer op wijzen dat de burgers een van de grootste troeven van Europa zijn, en dat zij de dynamiek van de economische en sociale ontwikkeling kunnen bepalen. De lidstaten moeten resoluut investeren in onderwijs en opleiding, met inbegrip van een leven lang leren, zodat kan worden voldaan aan de huidige en toekomstige behoeften in verband met de ontwikkeling en de toepassing van digitale instrumenten en oplossingen. Ook moet de EU grensoverschrijdende mobiliteit van arbeid en talent aanmoedigen en vergemakkelijken, zowel binnen de EU als in samenwerking met derde landen. Het EESC is er voorstander van om mensen in de “gouden leeftijd” bij dit proces te betrekken. |
|
1.8. |
Het regelgevingskader moet bijdragen aan het digitale concurrentievermogen; daartoe moet de EU erop toezien dat de regelgeving doelmatig is, innovatie en investeringen stimuleert en voor gelijke voorwaarden en gelijke behandeling op de eengemaakte markt zorgt. Daarnaast moet de EU samenwerken met gelijkgezinde landen om de gemeenschappelijke internationale regels en normen aan te scherpen. Niet alleen moet worden vastgehouden aan hoge normen, er moet ook op worden toegezien dat regelgeving steeds de digitalisering en het concurrentievermogen van bedrijven ten goede komt. Ook de overheidssector moet zijn eigen activiteiten en diensten digitaliseren, met inbegrip van de administratieve procedures. Digitalisering kan helpen bij het aanpakken van een aantal dringende kwesties, zoals het versnellen van de vergunningsprocedures voor investeringen en andere zakelijke activiteiten. |
|
1.9. |
Het EESC onderschrijft de visie dat toegang tot financiering, of het nu gaat om durfkapitaal, overheidsfinanciering of andere financieringsbronnen, eveneens een voorwaarde is voor een succesvolle en efficiënte digitale transformatie. Wat het meerjarig financieel kader betreft, moet de financiering voor het programma Digitaal Europa worden verhoogd om onder meer de rol, de zichtbaarheid en de toegankelijkheid van digitale-innovatiehubs te versterken. Daar valt veel voor te zeggen, aangezien digitale bedrijven gemiddeld tweeënhalf keer sneller groeien dan niet-digitale bedrijven. Het moge duidelijk zijn dat het EESC niet pleit voor een aparte investeringslijn voor “digitale transformatie”: het pleit voor een gecombineerde en redelijke strategie voor de financiering van digitalisering om een gunstig klimaat te scheppen voor alle partijen die betrokken zijn bij het innovatie-ecosysteem. |
|
1.10. |
Het EESC wijst erop dat een slimme en gecombineerde strategie op het gebied van vaardigheden nodig is, net als op tal van andere economische en maatschappelijke gebieden (industrie, gezondheid, detailhandel enz.). Veel sectoren zijn al bezig met de voorbereiding van grootschalige projecten voor de om- en bijscholing van hun werknemers op basis van digitalisering en de groene transitie. Er moet een gecoördineerd programma voor vaardigheden worden opgezet waarmee de huidige en toekomstige arbeidskrachten de desbetreffende uitdagingen het hoofd kunnen bieden. Topprioriteit van de lidstaten moet zijn om hiervoor voldoende middelen uit te trekken, en zich met name te richten op de ondersteuning van kmo’s die nog steeds kampen met de gevolgen van de COVID-19-crisis en de oorlog in Oekraïne. |
|
1.11. |
In dit verband zijn ambitieuze en uitdagende kernprestatie-indicatoren van fundamenteel belang om het digitale concurrentievermogen van de EU te stimuleren en te meten. De huidige indicatoren (op basis van de index van de digitale economie en samenleving, DESI) en de doelstellingen van het digitaal kompas moeten worden beoordeeld en aangevuld vanuit het oogpunt van het digitale concurrentievermogen, zodat niet alleen een beeld wordt verkregen van de katalysatoren van digitale ontwikkeling maar ook van de voordelen ervan, zoals nieuwe digitale producten en hun aandeel in de markt, efficiëntere productieprocessen en het bijbehorende effect op de productiviteit, en de uitrol van digitale oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen (bv. gezondheid en klimaat). De monitoring van de indicatoren moet betrekking hebben op de vooruitgang die in de loop der tijd in de EU en haar lidstaten is geboekt; ook moet de vergelijking worden gemaakt met internationale concurrenten. Voorts is het belangrijk dat burgers worden gemotiveerd door hen beter op de hoogte te houden en nauwer bij het proces te betrekken. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
Dit advies is het antwoord op het verzoek van het Zweedse voorzitterschap van de Raad aan het EESC om een verkennend advies op te stellen over het concurrentievermogen van de EU, en borduurt voort op het EESC advies over een concurrentievermogenstest (INT/1000) (1), dat werd uitgebracht op verzoek van het Tsjechische voorzitterschap. Het Zweedse voorzitterschap van de Raad heeft het EESC verzocht zich te buigen over de vraag hoe de EU haar digitale concurrentievermogen verder kan versterken en hoe ze met name bedrijven in staat kan stellen van de digitalisering te profiteren. Bedoeling is de nadruk te leggen op het concurrentievermogen van de EU in de context van de digitale transitie naar een model voor duurzamere economische groei. Er zal aandacht worden besteed aan de (beleids)maatregelen die nodig zijn om het digitale concurrentievermogen van de EU verder te versterken en met name om bedrijven en werknemers in staat te stellen te profiteren van de digitalisering. |
|
2.2. |
Er zij op gewezen dat het EESC in zijn advies INT/1000 heeft erkend dat de eengemaakte markt en het EU-groeimodel voor de sociale markteconomie in grote mate hebben bijgedragen tot de ondersteuning van economische groei en sociaal welzijn in de hele EU. Die basis speelt een belangrijke rol in alle voorstellen ter versterking van het digitale concurrentievermogen, iets dat in dit specifieke geval niet anders zal zijn. |
|
2.3. |
Daarnaast mag niet worden vergeten dat de concurrentiepositie van Europa ten opzichte van zijn belangrijkste concurrenten de afgelopen jaren is verslechterd, zoals blijkt uit belangrijke economische indicatoren inzake concurrentievermogen en productiviteitsgroei. Digitalisering is echter een gebied waarop de EU heel wat vooruitgang heeft geboekt, en kan leiden tot verbetering van het concurrentievermogen, de rentabiliteit van bedrijven en de arbeidsomstandigheden van de werknemers. Er is een toekomstgericht perspectief voor de middellange termijn nodig om de koers voor het verdere verloop van de digitale transitie uit te zetten. |
3. Digitalisering in het kader van de agenda voor het concurrentievermogen
|
3.1. |
Het EESC heeft de Commissie verzocht de agenda voor het concurrentievermogen uit te roepen tot prioriteit, met als voornaamste doel het concurrentievermogen van de EU te versterken. De initiatieven van de Commissie op het gebied van digitalisering zijn stuk voor stuk gericht op het vergemakkelijken van de digitale transitie in alle EU-economieën en -samenlevingen. Voor een succesvolle transitie is echter een resolute en niet-aflatende inzet van de lidstaten vereist. Met de nationale maatregelen voor herstel en veerkracht geven de lidstaten al blijk van hun toewijding, maar het EESC wijst erop dat hun inspanningen op het vlak van digitalisering qua tempo en intensiteit misschien niet altijd gelijklopen, wat echter van cruciaal belang is willen we de EU concurrerender maken. |
|
3.2. |
De EU moet meer dan ooit voortbouwen op de eengemaakte markt, maar evenzeer van belang is dat zij zich richt op de toegang tot buitenlandse markten, investeringen en de toegang tot financiering, belastingstelsels, onderzoek en innovatie, vaardigheden en versterking van de arbeidsmarkt, alsook micro- en kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s) en de dubbele transitie; ook dient rekening te worden gehouden met een duurzaam financieel kader, waarbij concurrentievermogen in overeenstemming is met sociale en ecologische doelstellingen (2). De digitale transitie is bij dit alles cruciaal, aangezien zij aan de basis ligt van innovatie, de verbetering van het concurrentievermogen en de ontwikkeling van de arbeidsmarkt, en tegelijkertijd betere arbeidsomstandigheden mogelijk maakt in de context van een sociale markteconomie. |
|
3.3. |
Dankzij digitalisering wordt het mogelijk om het potentieel van de eengemaakte markt volledig te benutten. Hoewel de eengemaakte markt de afgelopen 30 jaar tal van sociale en economische voordelen heeft opgeleverd, is het EESC van mening dat er veel meer kan worden bereikt en dat de digitalisering een enorm verschil zal maken voor bedrijven, werknemers en burgers van alle leeftijden en sociale achtergronden, op voorwaarde dat een en ander succesvol verloopt en dat alle lidstaten vergelijkbare inspanningen leveren qua intensiteit en integratie. |
|
3.4. |
Ook is het EESC van mening dat beleidsondersteuning voor een ondernemende kenniseconomie die talent kan vasthouden en aantrekken en betere arbeidsomstandigheden kan bieden, van cruciaal belang is om het concurrentievermogen van Europa te versterken. Dat is wat het EESC verstaat onder een volledige digitale transitie in het bedrijfsleven. Voor het EESC staat het vast dat de EU moet zorgen voor een gunstig ondernemingsklimaat, waarbij moet worden uitgegaan van een brede strategie die verschillende beleidsterreinen samenbrengt en op elkaar afstemt. |
|
3.5. |
Het is een feit dat in het verleden al tal van initiatieven en beleidsmaatregelen ter verbetering van het concurrentievermogen zijn uitgevoerd, ongetwijfeld met goede bedoelingen. In de praktijk blijkt echter dat de EU momenteel achterloopt op de VS en China wat productiviteit betreft. Tegen deze achtergrond biedt digitalisering een kans om in te lopen op zowel de VS als China en daarbij een model voor duurzame economische groei te volgen dat gericht is op het economische én het sociale welzijn van de EU-burgers. |
4. Beleid ter ondersteuning van digitalisering in het kader van de agenda voor het concurrentievermogen
|
4.1. |
Het EESC heeft er in verschillende adviezen op gewezen dat de digitale transitie verdere en gerichtere investeringen in de ontwikkeling van digitale vaardigheden vereist. Ook vanuit economisch oogpunt valt er veel te zeggen voor meer investeringen in menselijke hulpbronnen en met name in het verband tussen de ontwikkeling van vaardigheden en productiviteit en indirect ook het concurrentievermogen. Het hele scala aan digitale vaardigheden moet worden ontwikkeld om innovatie op de werkplek te ondersteunen. Innovatie op de werkplek moet met name gericht zijn op de organisatie van het werk en de manier waarop vaardigheden worden benut en ontwikkeld op de werkplek, en niet alleen op het aanbod van werknemers. Arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden zijn net zo belangrijk als investeringen in nieuwe technologie of apparatuur. Het EESC pleit er daarom voor dat bedrijven en de publieke sector nagaan welke soorten beleidsmaatregelen en vormen van arbeidsorganisatie succesvol zijn gebleken en tot meer innovatie hebben geleid dankzij investeringen in vaardigheden. Andere bedrijven zouden zich dan kunnen spiegelen aan deze succesverhalen. |
|
4.2. |
Het EESC heeft in eerdere adviezen ook aanbevolen om te investeren in de infrastructuur die nodig is om de digitalisering in de hele EU te ondersteunen. Dat is immers waar de herstel- en veerkrachtplannen voor bedoeld zijn. Een punt van zorg is wel dat deze investeringen grotendeels naar de publieke sector dreigen te gaan. Het EESC erkent dat de omslag naar gedigitaliseerde overheidsdiensten in bijvoorbeeld het rechtswezen tot meer efficiëntie leidt en zo indirect ook het concurrentievermogen versterkt. Afgezien daarvan hebben ondernemingen ook een relatief hoog investeringsniveau nodig, en zonder financiële steun zal het voor bedrijven, ongeacht hun omvang maar met name voor kmo’s, moeilijk zijn om de financiële lasten te dragen die gepaard gaan met de digitalisering van hun werkprocessen en hun personeelsinvesteringen. |
|
4.3. |
Het EESC pleit ervoor om de door overheidsinstanties in de EU aangeboden financieringsmogelijkheden voor digitalisering te herzien. Regelingen voor het verlenen van financiële steun aan ondernemingen op het gebied van digitalisering zijn over het algemeen projectgebaseerd; om steun te ontvangen moet een formele aanvraag worden ingediend en het project mag pas van start gaan na de goedkeuring ervan. Niet alleen gaan dergelijke regelingen gepaard met de gebruikelijke administratieve procedures voorafgaand aan de toekenning van de steun, die voor sommige bedrijven een last kunnen vormen (hoewel deze in de loop der tijd worden gestroomlijnd), de huidige processen leiden doorgaans ook tot vertraging bij de start van projecten en initiatieven voor de digitalisering van bedrijven. |
|
4.4. |
Dit kan een onhaalbare kaart zijn voor bedrijven die onmiddellijke resultaten nodig hebben om van start te gaan met het commercialiseringsproces om hun producten/diensten/processen te verbeteren, zodat zij hun concurrentievoordeel kunnen behouden, zich op nieuwe markten kunnen richten, de kosten kunnen verlagen of eenvoudigweg aan de behoeften van de klant kunnen voldoen. Dergelijke projectgerichte regelingen kunnen particuliere ondernemingen er dus van weerhouden financiering aan te vragen. Het EESC is daarom voorstander van een nieuwe, zij het complementaire, financieringsvorm op basis van digitale activiteiten en niet alleen op basis van projecten. In het kader van deze aanpak zouden bedrijven belastingkredieten of contante betalingen krijgen op basis van hun jaarlijkse gerapporteerde uitgaven voor digitale activiteiten, waarbij de subsidiabele uitgaven vooraf worden vastgesteld om duidelijkheid te verschaffen. De subsidiabele kosten omvatten alle uitgaven voor opleiding en ontwikkeling van het personeel op het gebied van digitalisering. |
|
4.5. |
Het EESC erkent de capaciteit van de EU op het gebied van digitalisering, waarbij zowel op het gebied van wetgeving als op technologisch gebied doorbraken zijn gerealiseerd, maar is van mening dat zowel nationale als buitenlandse directe investeringen, met name ter ondersteuning van onderzoek en innovatie op het gebied van digitalisering, van cruciaal belang blijven. Dit zal volgens ons ook de concurrentiepositie van de EU op de wereldmarkt ten goede komen. Het streven naar strategische autonomie bij de productie van halfgeleiders is een goede zaak, en het EESC wijst erop dat de EU het zich niet kan veroorloven om te worden geconfronteerd met tekorten die de Europese industrie zouden kunnen ontwrichten. Halfgeleiders vormen de kern van het EU-industriebeleid dat gericht is op strategische autonomie op digitaal gebied. Hoewel deze risico’s moeten worden beperkt, waarschuwt het EESC voor een protectionistische aanpak die onderzoekspartnerschappen met digitale-technologiebedrijven wereldwijd op de helling dreigt te zetten. |
|
4.6. |
Duurzame economische groei die gebaseerd is op een succesvolle digitale transitie is essentieel voor de welvaart van de EU. Een en ander is ook in overeenstemming met de EU-doelstelling van een zeer concurrerende sociale markteconomie, die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang alsook een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Dit doel kan alleen worden bereikt door de productiviteitsgroei in alle sectoren van de economie te verhogen. Het EESC is van mening dat digitalisering een sleutelrol speelt en kan blijven spelen bij de verwezenlijking van bovengenoemde economische en sociale doelstellingen. Daarnaast merkt het op dat de productiviteitsgroei in de verwerkende industrie het hoogst lag in technologische sectoren, wat bevestigt dat digitalisering zowel de winst voor ondernemingen als het reële inkomen van werknemers kan doen toenemen. Bovendien is digitalisering van essentieel belang willen we de groene transitie in een stroomversnelling brengen. Om zo veel mogelijk voordeel te behalen moet de EU dus inzetten op zowel de groene als de digitale transitie. |
|
4.7. |
Om een echt digitaal concurrentievermogen in de economie en de samenleving tot stand te brengen, is een slimme en gecombineerde strategie op het gebied van vaardigheden nodig. Verschillende sectoren zijn al bezig met de voorbereiding van grootschalige projecten voor de om- en bijscholing van hun werknemers op basis van digitalisering en de groene transitie. De ontwikkeling van een gecoördineerd programma voor vaardigheden waarmee de huidige en toekomstige arbeidskrachten de hiermee gepaard gaande uitdagingen het hoofd kunnen bieden, moet worden uitgeroepen tot prioriteit. |
5. Concurrentievermogenstest en evaluatie van digitaliseringsprogramma’s
|
5.1. |
Het digitale concurrentievermogen is van vitaal belang voor het algemene concurrentievermogen van de EU en moet worden gezien als een essentieel onderdeel van de EU-agenda voor het concurrentievermogen. Wil de EU het hoofd boven water kunnen houden in een context van felle mondiale concurrentie, dan moet haar concurrentievermogen aanzienlijk worden verbeterd. Het EESC heeft in dit verband ook aangedrongen op de invoering van een concurrentievermogenstest die in overeenstemming is met het beleid en de doelstellingen van de EU en die moet worden geïntegreerd in de beleids- en wetgevingsprocessen van de EU. Daarnaast zijn degelijke bestuursstructuren nodig om ervoor te zorgen dat ook echt werk wordt gemaakt van de concurrentievermogenstest en de agenda voor het concurrentievermogen. |
|
5.2. |
Het EESC neemt kennis van de huidige richtsnoeren en de toolbox voor betere regelgeving, maar wijst erop dat er, zoals reeds opgemerkt door de Raad voor regelgevingstoetsing, nog veel ruimte voor verbetering is, zeker wat betreft de uitvoering van de maatregelen die nodig zijn om het concurrentievermogen te versterken. |
|
5.3. |
Tot slot dringt het EESC aan op een doeltreffend gebruik van de financiële middelen voor innovatie- en O & O-activiteiten in verband met het digitaliseringsproces. Van fundamenteel belang in dit verband is ook de evaluatie van de impact en de uitvoering van de bestaande programma’s die mogelijk zijn ontwikkeld om de voorwaarden voor digitalisering te scheppen. De prioritering van de toegang tot financiering, zowel wat particuliere als publieke investeringen betreft, zou bij de Europese burgers en met name het maatschappelijk middenveld in goede aarde kunnen vallen. |
Brussel, 27 april 2023.
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/22 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over 30 jaar eengemaakte markt — Verdere verbetering van het functioneren van de eengemaakte markt
(verkennend advies)
(2023/C 228/04)
|
Rapporteur: |
Felipe MEDINA MARTÍN |
|
Corapporteur: |
Angelo PAGLIARA |
|
Raadpleging |
Voorzitterschap van de Europese Raad, 14.11.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
137/1/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat de eengemaakte markt nog steeds een van de grootste politieke en economische successen van de Europese integratie is, waarvan zowel burgers als bedrijven de vruchten hebben geplukt. Zij moet worden gezien als een dynamisch proces dat voortdurend wordt verbeterd en zich steeds aanpast aan nieuwe behoeften. Ondanks de vele verworvenheden van de eengemaakte markt de afgelopen 30 jaar blijven een kritische blik en verdere verbeteringen nodig; daarbij gaat het niet alleen om de doelstellingen, maar ook om nieuwe uitdagingen zoals de COVID-19-pandemie, de energiecrisis en de Russische invasie van Oekraïne. Het EESC wil een bijdrage leveren aan de versterking van de eengemaakte markt en stelt daartoe de volgende maatregelen voor. |
|
1.2. |
Het EESC hoopt dat het “programma voor de eengemaakte markt 2021-2027”, dat tot doel heeft de werking van de eengemaakte markt en het concurrentievermogen en de duurzaamheid van bedrijven te verbeteren, vergezeld zal gaan van degelijke controle- en beschermingsmechanismen met betrekking tot de kwaliteit van de werkomgeving, een gelijk speelveld voor alle bedrijven, burgerrechten en consumentenbescherming. Tegelijkertijd dringt het EESC erop aan dat al het nodige wordt gedaan om een einde te maken aan alle vormen van sociale en fiscale dumping, teneinde eerlijke concurrentie en een goede werking van de eengemaakte markt te waarborgen en verstoringen in welke vorm dan ook te voorkomen. |
|
1.3. |
De huidige geopolitieke uitdagingen zullen van invloed zijn op de werking van de eengemaakte markt, de voorzieningssystemen en de veerkracht van de Europese economie. Het EESC is ingenomen met het streven om de kritieke afhankelijkheid van derde landen te verminderen en verzoekt de Europese Commissie al het nodige te doen om het Europese industriebeleid te actualiseren door de eengemaakte markt en de voordelen voor consumenten, werknemers en bedrijven in stand te houden en te versterken. |
|
1.4. |
De recente crises hebben aangetoond dat de eengemaakte markt er op de eerste plaats op gericht moet zijn de levensstandaard en arbeidsomstandigheden te verbeteren door groei en eerlijke mededinging te bevorderen en een vanuit bedrijfs- en sociaal oogpunt gunstig klimaat te creëren. Het EESC beschouwt het vrije verkeer van personen en werknemers als een van de hoekstenen van de eengemaakte markt en dringt daarom aan op snellere erkenning van kwalificaties en diploma’s tussen de lidstaten. Ook moet bijzondere aandacht uitgaan naar ontslagen werknemers. |
|
1.5. |
Europese bedrijven krijgen te maken met problemen die het gevolg zijn van tekortkomingen van de eengemaakte markt, wat ernstige gevolgen heeft voor het concurrentievermogen en de duurzaamheid. Ondanks enorme inspanningen voor de uitvoering van voorschriften inzake de eengemaakte markt blijft de regeldruk grotendeels afkomstig van nationaal niveau. Daartoe moeten de EU-instellingen, met inachtneming van hun hogere normen, streven naar volledige harmonisatie en moeten de lidstaten de mogelijke gevolgen van hun aanvullingen voor de integriteit en de goede werking van de markt voor ogen houden. Voorts moeten zij, indien mogelijk, maatregelen vermijden die tot aanzienlijke verstoring en versnippering zouden kunnen leiden en zou het EESC graag zien dat de EU-instellingen proactiever en sneller met wetgeving komen om zo de harmonisatie te bevorderen. Het is van cruciaal belang om nationale initiatieven die de eengemaakte markt en de gemeenschappelijke regels op de helling dreigen te zetten, zo veel mogelijk te beteugelen. In dit verband wijst het EESC erop dat het TRIS-mechanisme (informatiesysteem betreffende technische voorschriften) moet worden versterkt om de voorwaarden te scheppen voor een echte eengemaakte markt — in plaats van 27 verschillende markten. |
|
1.6. |
Er moet resoluut worden ingezet op de verbetering van de kwaliteit van de wetgeving in Europa en de lidstaten. Om Europese wetgevingsinitiatieven transparanter te maken en de doelstellingen te verbeteren moeten al in de eerste fase een verplichte voorafgaande effectbeoordeling en een openbare raadpleging worden gehouden. Zo ook moeten de agenda voor betere regelgeving en het Refit-programma gericht zijn op meer openheid en integratie van de markten voor goederen en diensten om de voordelen voor de burgers en de Europese economie te maximaliseren; daarnaast moet nagegaan worden of overbodige wetgeving bestaat en moet met name aandacht worden besteed aan de gebieden waar harmonisatie noodzakelijk is, terwijl tegelijk de bestaande regels inzake sociale bescherming worden aangescherpt. |
|
1.7. |
Er moet meer aandacht uitgaan naar uitvoering, vereenvoudiging en handhaving, met name wat de lidstaten betreft. Het EESC roept hen op om de gemeenschappelijke voorschriften strikt toe te passen en te handhaven en verdere nationale regelgeving te vermijden indien deze niet nodig is (1). |
|
1.8. |
De Europese Commissie zou alle regelgeving moeten beoordelen op haar bijdrage aan het concurrentievermogen van bedrijven en het welzijn van de burgers, en moeten nagaan welke belemmeringen systematisch zouden moeten worden weggenomen. |
|
1.9. |
De bestaande juridische instrumenten waarover de Europese Unie beschikt om haar eengemaakte markt te beschermen, zijn toereikend en stroken met de behoeften: de TRIS-procedure, de wederzijdse erkenning van wetgeving, SOLVIT, het 28e regime, de klachtenprocedure, CEN-Cenelec, normen enz. Hoewel deze instrumenten van vitaal belang zijn voor de bescherming van de eengemaakte markt wordt hun potentieel niet altijd benut; zij zouden nog efficiënter kunnen zijn en beter kunnen worden ingezet. |
|
1.10. |
De eengemaakte markt staat voor tal van nieuwe uitdagingen, maar het EESC meent dat prioriteit moet worden gegeven aan de bevordering van de open strategische autonomie van de EU op het gebied van voorziening en handel, in de energiesector, in de sector kritieke grondstoffen en, meer in het algemeen, waar het gaat om leiderschap op het gebied van innovatie, digitalisering en geavanceerd onderzoek. Het EESC pleit ervoor de samenwerking en overeenkomsten met gelijkgestemde landen te versterken. |
|
1.11. |
Wat goederen en diensten aangaat, erkent het EESC de positieve gevolgen van gezamenlijke aankopen in verschillende sectoren, zoals gas en de detailhandel. Dit soort Europese allianties heeft tal van concurrentiebevorderende effecten en duidelijke voordelen voor de consument, en moet dan ook de ondubbelzinnige steun van de EU-instellingen krijgen. |
|
1.12. |
De problemen waar de eengemaakte markt mee te maken krijgt als gevolg van de digitale transitie moeten worden aangepakt via sociale dialoog en EU-leiderschap; dit houdt ook in dat gedeelde wetgeving wordt toegepast om de meest kwetsbaren te beschermen en dat ervoor wordt gezorgd dat de nagestreefde efficiëntie de sociale, economische en territoriale cohesie en de politieke stabiliteit niet ondermijnt. |
|
1.13. |
De eengemaakte markt is niet perfect en moet voortdurend worden aangepast aan de veranderende omstandigheden, zodat zij ook in tijden van crisis blijft functioneren; ook moeten de met de eengemaakte markt gepaard gaande vrijheden actief worden bevorderd (de pandemie heeft aangetoond dat vrij verkeer niet als vanzelfsprekend kan worden beschouwd). Het jubileum zou dan ook moeten worden aangegrepen om dit beleid opnieuw op de Europese agenda te zetten en verbeteringen voor te stellen voor de nabije toekomst. |
|
1.14. |
Het EESC vreest dat de versoepeling van de staatssteunregels in reactie op de Inflation Reduction Act (IRA) de asymmetrieën tussen de lidstaten nog zal vergroten, waardoor de veerkracht van de eengemaakte markt op losse schroeven zou komen te staan. De beste manier om het Europese industriebeleid en investeringen in groene technologieën een nieuwe impuls te geven, is de oprichting van een Europees Soevereiniteitsfonds. |
|
1.15. |
De eengemaakte markt heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het voorkomen van protectionisme en het ontwikkelen van een gelijk speelveld binnen de EU. Het EESC is in dit verband van mening dat grondig moet worden nagedacht over de criteria voor de toekenning van staatssteun en de gevolgen, het nut en de veerkracht daarvan. Bepaalde economische sectoren hebben nooit toegang gekregen tot dit soort steun, die bovendien ongelijk verdeeld is tussen de verschillende lidstaten, wat leidt tot verschillen in concurrentievermogen binnen de EU. |
2. Inleiding
|
2.1. |
In 2023 is het 30 jaar geleden dat de eengemaakte markt, een van de grootste politieke, economische en sociale successen in de geschiedenis van de Europese integratie, het licht zag. Dit jubileum moet echter worden aangegrepen om de filosofie achter de eengemaakte markt fundamenteel aan te passen en af te stemmen op de huidige uitdagingen. De eerste stap op weg naar een eengemaakte markt werd in 1986 gezet met de Europese Akte, waarmee de grondslag werd gelegd voor de goedkeuring van gemeenschappelijke — in plaats van nationale — voorschriften op tal van gebieden, via de vaststelling van honderden strategische wetgevingsmaatregelen en de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. |
|
2.2. |
Niemand zal vandaag nog in twijfel trekken dat de eengemaakte markt positieve maar ook negatieve gevolgen heeft. De eengemaakte markt kan worden beschouwd als een essentieel onderdeel van het Europese model dat het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de hele Europese Unie mogelijk heeft gemaakt en zo bedrijven, instellingen en burgers in de meeste gevallen het leven gemakkelijker heeft gemaakt. |
|
2.3. |
De eengemaakte markt fungeert als hefboom voor economische, sociale én politieke vooruitgang, en heeft zo het integratieproces in een stroomversnelling gebracht. Het vrije verkeer van personen, dat te danken is aan de eengemaakte markt, heeft zijn stempel gedrukt op het leven van verschillende generaties Europeanen, die via programma’s zoals Erasmus al vanaf zeer jonge leeftijd het gevoel hebben deel uit te maken van Europa, de kans krijgen tal van mensen zoals zijzelf uit verschillende lidstaten te leren kennen en begrijpen, en een gemeenschappelijke Europese levenswijze delen. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
De pandemie heeft duidelijk gemaakt dat de EU behoefte heeft aan een nieuw economisch en bedrijfsmodel. De recente crises, de huidige geopolitieke spanningen, de uitdagingen van de groene en de digitale transitie en de recente goedkeuring van de IRA in de VS laten zien dat de tijd gekomen is om de eengemaakte markt te actualiseren en een nieuwe impuls te geven, waarbij steeds voor ogen moet worden gehouden dat deze markt een instrument is ten dienste van de Europeanen, en geen doel op zich. |
|
3.2. |
Met het voortschrijden van de Europese integratie is ook de eengemaakte markt geëvolueerd. Terwijl de eengemaakte markt aanvankelijk gericht was op het wegnemen van niet-tarifaire belemmeringen en maatregelen met een vergelijkbaar effect op de intracommunautaire handel in goederen, alsook op de harmonisatie van wetgeving (de Europese eengemaakte markt), is het toepassingsgebied vervolgens uitgebreid tot nieuwe gebieden zoals diensten en de digitale economie, om te voldoen aan de politieke ambities en behoeften. |
|
3.3. |
Al deze successen zijn te danken aan de enorme inspanningen van alle belanghebbenden, overheden en economische en sociale actoren. De afgelopen jaren echter leek de eengemaakte markt niet langer een politieke prioriteit te zijn, en de openstelling en integratie van de goederen- en dienstenmarkten is van de agenda verdwenen. Eerste probleem in dit verband is het gebrek aan inzet van de lidstaten in de afgelopen jaren. De Raad heeft herhaaldelijk verklaard de eengemaakte markt te willen verbeteren en versterken, maar zijn conclusies zijn zelden omgezet in nationaal beleid. Het EESC roept de Raad en de lidstaten dan ook op in dit verband verdere actie te ondernemen. |
|
3.4. |
De eengemaakte markt moet helpen Europese bedrijven concurrerender te maken op de wereldmarkten. Het feit dat het om een voortdurend evoluerend proces gaat is een zwak punt en een risico, maar voordeel is wel dat de markt ook een nieuwe rol op zich kan nemen, zoals zorgen voor veerkracht. Deze nieuwe taak komt bovenop de traditionele taken, die niet mogen worden verwaarloosd en niet als vanzelfsprekend mogen worden beschouwd. |
|
3.5. |
Het EESC verzoekt de Commissie en de Raad alle nodige maatregelen te nemen om het Europese industriebeleid en het Europese bedrijfsleven te helpen de doelstellingen van de groene en de digitale transitie te verwezenlijken, door gebruik te maken van de bestaande EU-instrumenten en indien nodig gevolg te geven aan het voorstel om een Europees Soevereiniteitsfonds op te zetten. Wel herinnert het de lidstaten en de Commissie eraan dat het pas zin heeft nieuwe instrumenten in het leven te roepen als de vele bestaande financieringsprogramma’s en -instrumenten ten volle worden benut. Het verzoekt de Europese Commissie om te worden betrokken bij de discussies over staatssteunregels. |
|
3.6. |
Het EESC is het ermee eens (2) dat de EU behoefte heeft aan een robuust en ambitieus digitaal beleid, zodat de mogelijkheden die de digitale innovatie biedt kunnen worden benut om de EU concurrerender te maken. Het EESC wijst erop dat een daadwerkelijk eengemaakte markt en eenvoudige, grensoverschrijdende wetgeving tal van sectoren in staat zal stellen om in te spelen op de vraag van de consument en te concurreren in een wereldwijd competitieve, meer digitale omgeving. |
|
3.7. |
De digitalisering van de eengemaakte markt kan leiden tot verdere groei en meer welzijn voor Europese burgers en bedrijven. De Europese Commissie zou dan ook al het mogelijke moeten doen om de investeringen die erop gericht zijn de bestaande digitale kloof tussen de Europese regio’s te dichten, op te voeren. Het is van cruciaal belang voor de lidstaten dat meer wordt geïnvesteerd in onderwijs en opleiding om de digitale eengemaakte markt te ontwikkelen en efficiënter te maken. Doel moet zijn ervoor te zorgen dat er voldoende geschoolde werknemers en innovatieve bedrijven zijn, en een einde te maken aan onzekere arbeidsomstandigheden zodat er kwaliteitsbanen komen. |
|
3.8. |
De Europese Commissie zou zich moeten buigen over de risico’s in verband met de productie, de verspreiding en de opslag van persoonsgegevens en gevoelige gegevens die voortkomen uit digitaliseringsprocessen; daarnaast dient ook de nodige aandacht uit te gaan naar de risico’s in verband met het gebruik en de controle ervan. Tegelijkertijd verzoekt het EESC de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om deze risico’s te voorkomen en bij de uitwerking van het regelgevingskader uit te gaan van de conclusies van de lopende onderhandelingen over de overeenkomst van de Raad van Europa inzake kunstmatige intelligentie, mensenrechten, democratie en de rechtsstaat (3). Het is zaak om persoonsgegevens, werknemers en consumenten te beschermen, maar tegelijk moet het vertrouwelijke gebruik van gegevens mogelijk worden gemaakt, zodat de voordelen van nieuwe technologieën kunnen worden benut. |
|
3.9. |
Het is van cruciaal belang om vaart te zetten achter de digitalisering en initiatieven voor sectorspecifieke pan-Europese dataruimten, om zo een betere analyse en een beter gebruik van gegevens ten behoeve van de Europese samenleving, de EU en het concurrentievermogen van haar bedrijven mogelijk te maken. Dankzij dergelijke dataruimten zouden nieuwe schaalbare industriële innovators en start-ups kunnen worden opgericht of ondersteund. Een goed functionerende eengemaakte markt voor data is ook van cruciaal belang omdat zij intrinsiek verbonden is met de eengemaakte markt voor goederen, diensten, kapitaal en personen, alsook met de energie- en vervoerssystemen. |
4. De eengemaakte markt voor goederen en diensten
|
4.1. |
Het is zaak de tekortkomingen van de eengemaakte markt te analyseren en maatregelen te treffen om de situatie recht te trekken; zo moeten met name onnodige regelgeving en administratieve lasten worden weggenomen teneinde het concurrentievermogen en de duurzaamheid van Europese bedrijven te bevorderen, terwijl tegelijk de bestaande regels inzake sociale bescherming moeten worden gehandhaafd en aangescherpt. |
|
4.2. |
Het EESC wijst op de problemen die de lidstaten kunnen veroorzaken wanneer zij vooruitlopen op de goedkeuring van gemeenschappelijke maatregelen op Europees niveau, en de manier waarop zij trachten hun stempel te drukken op de gemeenschappelijke oplossingen die de Europese wetgeving aanreikt. In sommige gevallen is dit te wijten aan het feit dat de Europese Commissie geen maatregelen heeft voorgesteld, maar het gebeurt ook dat de lidstaten vooruitlopen op het Europese voorstel (voorbeelden zijn de oorsprongsetikettering van vleesproducten, de etikettering van levensmiddelen op de voorzijde van de verpakking, het Ierse voorstel inzake gezondheidswaarschuwingen voor alcoholische dranken enz.), met als gevolg dat het harmonisatieproces en het vrije verkeer van goederen worden belemmerd. Het EESC verzoekt de Europese Commissie dan ook met klem om waar nodig sneller regelgevingsvoorstellen te doen, om te voorkomen dat een wildgroei aan nationale regelgeving de interne markt versnippert. |
|
4.3. |
De informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij waarvan de lidstaten gebruik kunnen maken is vastgesteld in Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (4). Zo wordt bepaald dat een lidstaat kan worden verplicht om de vaststelling van een ontwerpverordening met 12 tot 18 maanden uit te stellen als er een EU-initiatief in de pijplijn zit dat door die nationale bepalingen in het gedrang zou kunnen komen, of als het gaat om een herziening. In de praktijk echter wordt niet vastgehouden aan dit prerogatief van de Europese Commissie en zijn het uiteindelijk de lidstaten die bepalen hoe de Europese wetgeving eruit komt te zien. |
|
4.4. |
Solvit is een ander instrument dat is ontworpen om maatregelen die in strijd zijn met de eengemaakte markt tegen te houden of terug te draaien. Dit is een procedure die wordt toegepast in gevallen waarin een overheidsinstantie van een andere lidstaat de Europese wetgeving niet correct uitvoert, waardoor burgers en bedrijven hun rechten op de eengemaakte markt niet volledig kunnen uitoefenen. Het gaat om een bemiddelingssysteem tussen nationale overheden, waarbij in de praktijk meer wordt gerekend op de vasthoudendheid van de overheden dan op hun juridische slagkracht. Het EESC is dan ook van mening dat dit systeem maar in beperkte mate kan helpen bij het rechtzetten van bepaalde situaties en moet worden verbeterd. |
|
4.5. |
Een ander instrument is de klachtenprocedure bij de Europese Commissie, die in de ogen van het EESC weliswaar flexibel en transparant en dus doeltreffend is, maar ook krachtige politieke steun vergt; bovendien zou de procedure doeltreffender en doelmatiger moeten worden. |
|
4.6. |
In 2018 is een strategie voor de openstelling en ontwikkeling van de verschillende Europese sectoren goedgekeurd. Toch zijn er nog problemen, onder meer op het vlak van discriminatie, en brengen niet alle lidstaten de Europese Commissie daarvan op de hoogte, zoals zij op grond van artikel 15, lid 7, van de dienstenrichtlijn zouden moeten doen. |
|
4.7. |
Het EESC wijst erop dat bijvoorbeeld de dienstensector en de detail- en de groothandel sterk versnipperd zijn, maar zich op Europees niveau hebben kunnen verenigen en sterker zijn geworden. De detail- en de groothandel handelen naar de geest van de eengemaakte markt en zijn overtuigd van de onmiskenbare voordelen ervan; zo slagen zij erin dankzij inkoopallianties en de eengemaakte markt de Europese consumenten elke dag weer beter van dienst te zijn. Wel is voor de detail- en de groothandel nog heel wat werk aan de winkel op het gebied van harmonisatie en effectieve tenuitvoerlegging van de vrijheid van vestiging; de strategie “Een Europese detailhandel die past bij de 21e eeuw” is namelijk nog steeds niet volledig ten uitvoer gelegd. Daarnaast is steun voor inkoopallianties in de detailhandel nodig als middel om het welzijn van de consument te verbeteren, aangezien hierdoor de concurrentie op Europees niveau kan worden bevorderd. |
5. De eengemaakte markt voor werknemers
|
5.1. |
Tot de uitdagingen voor de eengemaakte markt behoren de transformatie op het vlak van werk en de daarmee gepaard gaande veranderingen in de betrekkingen tussen de partijen en de risico’s in verband met flexibiliteit (uren, locatie en diensten), met name voor platformwerkers en, meer in het algemeen, digitale beroepen en “slimme” werknemers. |
|
5.2. |
Recente crises hebben aangetoond dat de eengemaakte markt van de EU er op de eerste plaats op gericht moet zijn de levensstandaard en arbeidsomstandigheden te verbeteren, en tegelijk groei en eerlijke mededinging te bevorderen en een vanuit bedrijfs- en sociaal oogpunt gunstig klimaat te creëren. Alle vooruitgang ten spijt loopt 21,7 % van de Europese bevolking nog steeds het risico op armoede of sociale uitsluiting (Eurostat, 2021). |
|
5.3. |
Het EESC beschouwt het vrije verkeer van personen en werknemers als een van de hoekstenen van de eengemaakte markt en dringt daarom aan op snellere erkenning van kwalificaties en diploma’s tussen de lidstaten. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar een eerlijke behandeling van gedetacheerde werknemers wat betreft salarissen en arbeidsvoorwaarden. |
|
5.4. |
Tijdens de pandemie is gebleken dat het vrije verkeer van gezondheidswerkers de convergentie ten goede kwam en de EU in staat stelde zichzelf beter te beschermen. Toch is voor veel beroepen (bijvoorbeeld in de juridische en de onderwijssector) ook vandaag nog onduidelijk hoe ver die vrijheid reikt. Het EESC (5) pleit voor een herziening van de steunmaatregelen op het vlak van werkgelegenheid en vaardigheden en voor investeringen in de vaardigheden van toekomstige werknemers door het verbeteren van beroepsonderwijs en -opleiding en individuele leerrekeningen, om zo bedrijven te ondersteunen. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar groene banen. |
|
5.5. |
Digitale infrastructuur is van cruciaal belang voor een succesvolle toepassing van de voordelen van de eengemaakte markt in alle Europese gebieden en regio’s, met name de gebieden die achterblijven bij het gemiddelde. De achterstand op het gebied van infrastructuur vergroot de ongelijkheid en verkleint de kansen van mensen en bedrijven. De Europese Commissie zou dan ook al het mogelijke moeten doen om de investeringen die erop gericht zijn de bestaande digitale kloof in de EU te dichten, op te voeren. Ondernemingen, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), verdienen extra aandacht. |
6. De te volgen koers Toekomstige uitdagingen voor de eengemaakte markt
|
6.1. |
De EU-instellingen moeten de eengemaakte markt verder versterken om het potentieel ervan voor groei, banen en een betere toekomstige samenleving ten volle te benutten. |
|
6.2. |
De EU-instellingen moeten streven naar een volledige harmonisatie van het EU-recht waar mogelijk en passend, om onnodige versnippering van de eengemaakte markt, bijvoorbeeld op het gebied van belastingen, te voorkomen; daarbij moet steeds worden ingezet op strengere normen. De eengemaakte markt krijgt te maken met verschillende uitdagingen: zo moet de harmonisatie van de nationale belastingsstelsels worden voortgezet, moet worden getracht dumping te voorkomen en moet worden ingezet op loonconvergentie op middellange termijn; voorts moet de strijd worden aangebonden tegen sociale dumping en/of oneerlijke mededinging, met name in verband met het aantrekken van investeringen, de vestigingsplaats van ondernemingen en het in dienst nemen van werknemers. |
|
6.3. |
Handhaving is cruciaal om van uitvoering en vereenvoudiging de prioriteit en het leidende beginsel van de eengemaakte markt te maken. De EU-instellingen moeten ervoor zorgen dat de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen overeind blijft in een sterk gepolitiseerde Europese omgeving. Als nationale wetgevers — met gebruikmaking van hun beoordelingsmarge — besluiten om op nationaal niveau vereisten toe te voegen, moeten zij dit op transparante wijze doen, de Commissie en andere nationale autoriteiten hiervan in kennis stellen en hun redenen toelichten, overeenkomstig hun toezegging in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven. Bovendien moeten sancties binnen de EU met elkaar in overeenstemming zijn. |
|
6.4. |
Kwaliteit van de wetgeving betekent betere wetgeving. Tijdens de voorbereidende fase moet een concurrentievermogenstest worden uitgevoerd als onderdeel van de beleidsvorming, moet de modellering van effectbeoordelingen worden verbeterd en moet de manier waarop regelgeving van invloed is op de cumulatieve bureaucratische lasten van ondernemingen, met name kmo’s, grondiger worden bekeken. |
|
6.5. |
Onnodige nationale belemmeringen slechten: de Europese Commissie en de lidstaten moeten beoordelen of de nationale technische voorschriften nog steeds geschikt zijn voor het beoogde doel en of zij toekomstbestendig en evenredig zijn en het vrije verkeer van goederen en diensten kunnen verbeteren. |
|
6.6. |
De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor een gelijk speelveld voor alle marktdeelnemers, gebaseerd op een sterk rechtskader dat ervoor zorgt dat alle producten en diensten die op de EU-markt worden verkocht, EU-conform en veilig zijn, zodat het vertrouwen van de consumenten overeind blijft en hun veiligheid verzekerd is, overeenkomstig de nieuwe verordening betreffende de veiligheid van producten en diensten, die ook betrekking heeft op digitale producten en diensten. |
|
6.7. |
De EU-instellingen moeten protectionisme en discriminatie van de lidstaten doeltreffend aanpakken zodat de belangen van de consument zowel bij beleidsbeslissingen van de EU als van de lidstaten in gelijke mate worden behartigd. |
|
6.8. |
De beschikbare instrumenten om bedrijven en consumenten toegang te geven tot informatie over kennisgeving (éénloketsysteem voor kennisgevingen) moeten worden verbeterd en de procedures moeten bruikbaarder en flexibeler worden, bijvoorbeeld door het netwerk voor klachten van consumenten in verband met grensoverschrijdende transacties te versterken. Het EESC pleit voor het opzetten van netwerken van laagdrempelige regelingen voor geschillenbeslechting; consumenten zouden namelijk meer vertrouwen krijgen in de eengemaakte markt als zij vlot verhaal kunnen zoeken bij bedrijven die in andere lidstaten zijn gevestigd. |
|
6.9. |
Een eengemaakte markt voor overheidsopdrachten: op dit gebied gelden nationale beperkingen voor bedrijven in een andere lidstaat die de normale werking van de eengemaakte markt kunnen verstoren; de EU-instellingen moeten resoluut inzetten op voltooiing van het regelgevingskader dat bijdraagt tot de sociale vooruitgang van de burgers (6). |
|
6.10. |
De Europese Commissie, de lidstaten en andere belanghebbenden moeten samenwerken om duurzame gemeenschappen tot stand te brengen. De klimaatcrisis is een bedreiging maar houdt ook kansen in: de eengemaakte markt moet snel worden aangepast aan de gewijzigde prioriteiten in het kader van de Green Deal. Het gebruik van emissievrije technologieën moet worden bevorderd en de opleiding van werknemers moet snel worden aangepast. Groene investeringen zouden de opstap kunnen zijn naar een lange periode van groei op de eengemaakte markt en tegelijkertijd een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 28.
(2) PB C 152 van 6.4.2022, blz. 1.
(3) Besluit (EU) 2022/2349 van de Raad van 21 november 2022 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen namens de Europese Unie over een verdrag van de Raad van Europa inzake artificiële intelligentie, mensenrechten, democratie en de rechtsstaat (PB L 311 van 2.12.2022, blz. 138).
(4) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/28 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over onzeker werk en geestelijke gezondheid
(verkennend advies op verzoek van het Spaanse voorzitterschap)
(2023/C 228/05)
|
Rapporteur: |
José Antonio MORENO DÍAZ |
|
Verzoek van het Spaanse voorzitterschap van de Raad |
Brief, 27.7.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
(verkennend advies) |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
158/73/12 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
In de resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 wordt onzeker werk omschreven als “vormen van werk die niet aan de Europese en nationale normen, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk, voldoen en/of onvoldoende middelen opleveren om fatsoenlijk van te kunnen leven, of ontoereikende sociale bescherming bieden”. |
|
1.2. |
Werk kan de geestelijke gezondheid helpen beschermen, maar kan ook bijdragen tot de ontwikkeling van ziekten. Daarom beschouwt de WHO het als een sociale gezondheidsfactor. |
|
1.3. |
Er is solide wetenschappelijk bewijs dat werkonzekerheid risico’s inhoudt voor de geestelijke gezondheid van werknemers. Bijvoorbeeld: hoe groter de baanonzekerheid, hoe groter de kans op depressie, angsten en zelfmoord. Door hoge eisen en een gebrek aan controle neemt de kans toe dat iemand zich ziek meldt omdat bij hem of haar een geestelijke stoornis is vastgesteld. Ook is er door de combinatie van deze twee risico’s een grotere kans op depressieve stoornissen. |
|
1.4. |
Vormen van onzeker werk zijn onder meer: onvrijwillige deeltijdarbeid; lage lonen waarmee niet in de basisbehoeften valt te voorzien; nulurencontracten, oproepovereenkomsten of tijdelijke contracten om in structurele behoeften te voorzien; voortdurende onzekerheid over de duur van het dienstverband, de werktijden, het loon, de taken enz.; gebrek aan autonomie en mogelijkheden tot loopbaanontwikkeling en buitensporige eisen die leiden tot lange of zwaardere werkdagen en spanningen tussen werk en gezin. Zulke vormen van werk zijn zelden een vrijwillige keuze van werknemers, hoewel er werknemers zijn die er zelf voor kiezen. |
|
1.5. |
Werknemers met uitvoerende taken, vrouwen, jongeren en migranten krijgen vaker te maken met onzekere vormen van werk. Dit versterkt de sociale ongelijkheden; ook het risico op discriminaties en de sociale risico’s op het gebied van de geestelijke gezondheid nemen toe. |
|
1.6. |
Conform Richtlijn 89/391/EEG van de Raad (1) betreffende veiligheid en gezondheid op het werk, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Sociaal Handvest, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten en het bijbehorende actieplan mogen noch het behalen of vergroten van bedrijfswinsten noch het verlagen van de arbeidskosten of het garanderen van flexibiliteit ten gunste van de werkgevers ten koste gaan van de gezondheid en veiligheid op het werk. |
|
1.7. |
Onzeker werk staat haaks op de verwezenlijking van de SDG’s in de EU. |
|
1.8. |
Ter bestrijding van onzeker werk en de daarmee gepaard gaande geestelijke gezondheidsproblemen acht het EESC het noodzakelijk dat de Europese en nationale wetgeving inzake hoogwaardige, gezonde arbeidvoorwaarden, die een waardig leven mogelijk maken, wordt toegepast en gehandhaafd. |
|
1.9. |
Daartoe is het volgens het EESC absoluut noodzakelijk dat het toezicht en de controle op de naleving van deze wetgeving worden opgevoerd, maar de bevoegde overheidsinstantie moet eerst over voldoende middelen beschikken (volgens de IAO-ratio’s) en er moet ook worden gezorgd voor passende boeten bij niet-naleving. |
|
1.10. |
Ook zouden bedrijven en organisaties die de naleving van deze wetgeving niet garanderen, verhinderd moeten worden mee te dingen naar openbare aanbestedingen en geen overheidssteun meer mogen ontvangen, in overeenstemming met de huidige richtlijnen inzake overheidsopdrachten. |
|
1.11. |
Het EESC neemt kennis van de mededeling over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 (COM(2021) 323 final). Verder stelt het EESC voor om specifieke EU-wetgeving vast te stellen voor de preventie van psychosociale risico’s en de richtlijn inzake veiligheid en gezondheid op het werk (89/391/EEG) verder te ontwikkelen en te actualiseren, zodat psychosociale risico’s op het werk bij de bron worden aangepakt en veranderingen worden aangebracht in de opzet, het beheer en de organisatie van het werk. Dit strookt namelijk met het wetenschappelijk bewezen inzicht dat specifieke nationale wetgeving op dit gebied het meest effectief is als het aankomt op preventieve maatregelen en vermindering van blootstelling aan dit soort risico’s. Door middel van een richtlijn zouden alle EU-landen de vruchten hiervan plukken. |
|
1.12. |
Het EESC benadrukt dat de bestrijding van vastgestelde werkgerelateerde psychosociale risico’s bij de bron, door middel van organisatorische maatregelen die de arbeidsomstandigheden anders inrichten, een stap is om de geestelijke gezondheid op het werk te bevorderen. Dit sluit ook aan bij de aanpak die de WHO en de IAO in hun richtsnoeren en beleidsnota van september 2022 hebben geschetst (2). |
|
1.13. |
Het EESC neemt kennis van en steunt de lopende onderhandelingen over het voorstel van 2021 voor een richtlijn betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk. Ook stelt het voor een passende aanpak te ontwikkelen om het gebruik van artificiële intelligentie op de werkplek zodanig te beheren dat arbeidsgerelateerde risico’s en de ondermijning van andere arbeidsrechten worden voorkomen. |
|
1.14. |
Tot slot pleit het EESC voor de ontwikkeling van een industriebeleid op Europees en nationaal niveau dat erop gericht is hoogwaardige banen te creëren die gezonde arbeidsomstandigheden waarborgen en het concurrentievermogen verbeteren. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
De Spaanse regering beschouwt het als een prioriteit van haar voorzitterschap van de Raad in 2023 om “aandacht te besteden aan het effect van werkonzekerheid op de geestelijke gezondheid”, aangezien de aanpak hiervan dringend noodzakelijk is “om tot een nieuw arbeidsbeleid te komen dat de weg baant naar gezondere, mensgerichte en inclusievere arbeidsmarkten waarin fatsoenlijk werk centraal staat” (3). Vandaar haar verzoek aan het EESC om hierover een verkennend advies op te stellen. |
|
2.2. |
Werkonzekerheid is onverenigbaar met de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen 2030 van de VN, en dan met name met SDG 8 “eerlijk werk en economische groei”, maar ook met SDG 3 “goede gezondheid en welzijn” en SDG 5 “gendergelijkheid” (4). Volgens de WHO (5) is “fatsoenlijk werk bevorderlijk voor de geestelijke gezondheid en vormen slechte werkomgevingen — gekenmerkt door discriminatie en ongelijkheid, buitensporige werkdruk, weinig controle over werkregelingen en werkonzekerheid — een risico voor de geestelijke gezondheid”. |
|
2.3. |
In de resolutie van het Europees Parlement over arbeidsomstandigheden en onzeker werk wordt onzeker werk (6) omschreven als “vormen van werk die niet aan de Europese en nationale normen, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk, voldoen en/of onvoldoende middelen opleveren om fatsoenlijk van te kunnen leven, of ontoereikende sociale bescherming bieden”. |
|
2.4. |
Volgens de EU-OSHA-thesaurus gaat het bij precair werk om een “slecht betaalde, onzekere en onbeschermde baan waarmee niet in het levensonderhoud van een gezin kan worden voorzien” (7). In het internationale netwerk van deskundigen op het gebied van onzeker werk (PWR) wordt onzeker werk gedefinieerd als “een multidimensionaal fenomeen dat onder meer maar niet uitsluitend betrekking heeft op werkonzekerheid, ontoereikend inkomen en een gebrek aan rechten en bescherming in de arbeidsverhoudingen, waar zowel informele als formele werknemers mee te maken kunnen krijgen” (8). Zoals Eurofound opmerkt, bestaat er geen universele definitie voor onzeker werk, maar er wordt algemeen erkend dat er iets aan moet worden gedaan om fatsoenlijke en gezonde arbeidsomstandigheden te waarborgen, in overeenstemming met de IAO-agenda voor waardig werk (9). |
|
2.5. |
Op grond van deze concepten kunnen bepaalde vormen van werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden die banen van een slechte kwaliteit opleveren als onzeker worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn: onvrijwillig deeltijdwerk, lange werkdagen of de eis om voortdurend beschikbaar te zijn, lage of onzekere lonen, misbruik van tijdelijke contracten, nulurencontracten of oproepovereenkomsten, werk zonder contract en werk zonder preventieve maatregelen. |
|
2.6. |
Onzeker werk kan het volgende inhouden: verlenging en intensivering van de werkdag; gebrek aan autonomie en mogelijkheid tot loopbaanontwikkeling, onvoorspelbare en onmogelijke werktijden die leiden tot spanningen tussen werk en gezin; te weinig arbeidsuren en lonen waarmee niet in de basisbehoeften kan worden voorzien; voortdurende onzekerheid over de duur van het dienstverband en de arbeidsvoorwaarden (werktijden, loon, taken enz.); moeilijk uit te oefenen arbeidsrechten, waaronder collectieve actie, wat zijn weerslag heeft op de onderhandelingspositie; grotere vatbaarheid voor misbruik, discriminatie en intimidatie; onvermogen om, hoewel men werk heeft, een waardig leven te leiden (“working poor”). |
|
2.7. |
Onzeker werk kan consequenties hebben voor verschillende aspecten van het dagelijks leven, waaronder de gezondheid. Volgens EU-OSHA is “uit studies gebleken dat onzeker werk een negatief effect heeft op de gezondheid en veiligheid op het werk en dat de morbiditeit/mortaliteit toeneemt naarmate het werk instabieler is” (10). |
|
2.8. |
Enkele specifieke voorbeelden op basis van hoogwaardig wetenschappelijk bewijs waarin werknemers die zijn blootgesteld aan bepaalde risicofactoren zijn vergeleken met hen die er niet aan zijn blootgesteld (longitudinale studies of grote databanken waarmee toeval kan worden uitgesloten en andere oorzaken op en buiten het werk geïsoleerd kunnen worden) zijn dat de hoge mate van gepercipieerde baanonzekerheid die kenmerkend is voor onzeker werk de kans op depressie met 61 %, de kans op angstgevoelens met 77 % (11) en de kans op zelfmoord met 51 % (12) verhoogt. Ook blijkt dat hoge werkdruk de kans op ziekteverlof als gevolg van een gediagnosticeerde psychische stoornis met 23 % verhoogt, dat een gebrek aan controle deze kans met 25 % (13) verhoogt en dat de combinatie van deze twee factoren de kans op depressie met 77 % verhoogt. Ook lange werkdagen verhogen de kans op depressie met 14 % (14). |
|
2.9. |
Als de blootstelling aan psychosociale risico’s op het werk in de EU zou worden uitgebannen, zou het aantal gevallen van depressie met 17 à 35 % dalen en het aantal hart- en vaatziekten met 5 à 11 % (15). |
|
2.10. |
Onzekere arbeidsvormen en arbeidsomstandigheden zijn zelden een vrijwillige keuze. Uit onderzoek blijkt consequent dat werknemers in uitvoerende functies, vrouwen, jongeren en migranten vaker met onzeker werk te maken krijgen (16). Dit versterkt sociale ongelijkheden op het gebied van klasse, sekse, leeftijd, nationaliteit en etniciteit, waardoor zich meer gevallen van intersectionele discriminatie kunnen voordoen, bestaande ongelijkheden op gezondheidsgebied alleen maar groter worden en de sociale risico’s op het gebied van de geestelijke gezondheid toenemen. Hoewel deze vormen van werk vaak niet de voorkeur genieten, zijn er werknemers die voor deze vormen van werk kiezen. |
|
2.11. |
De prevalentie van onzeker werk loopt ook uiteen van lidstaat tot lidstaat (17) en van sector tot sector. Onzeker werk komt vaker voor bij activiteiten die een uitbreiding zijn van huishoudelijk werk en zorg (schoonmaak, medisch-sociaal werk, horeca, veiligheid, thuisbezorging enz.) (18). De COVID-19-pandemie heeft deze trend alleen maar versterkt. Onzeker werk komt echter in alle sectoren voor, inclusief de publieke sector, en in alle landen. |
|
2.12. |
Conform Richtlijn 89/391/EEG betreffende veiligheid en gezondheid op het werk, is de werkgever verplicht de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te waarborgen in alle aspecten die verband houden met het werk. Volgens artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft iedere werknemer recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden. Bovendien heeft elke werknemer onder meer recht op een beperking van de maximale arbeidstijd, op dagelijkse en wekelijkse rusttijden en op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Dit komt verder tot uiting in het Europees Sociaal Handvest, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten en het bijbehorende actieplan. Noch het behalen of vergroten van bedrijfswinsten, noch het verlagen van de arbeidskosten of het garanderen van flexibiliteit ten gunste van de werkgevers mogen ten koste gaan van de gezondheid en veiligheid van werknemers. |
|
2.13. |
Er moet worden opgemerkt dat de openbare gezondheidszorgstelsels een belangrijke rol spelen wat de geestelijke gezondheid in het algemeen betreft. Zonder snelle/noodzakelijke veranderingen en aanpassingen in de openbare gezondheidszorgstelsels en de beschikbaarheid van psychologische en psychiatrische hulp voor noodgevallen, op afstand en tijdens therapeutische behandelingen, zullen we de geestelijke gezondheid van werknemers maar ook van de Europese burgers in het algemeen niet naar behoren kunnen aanpakken. |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
De ongelijke machtsverhouding tussen kapitaal en arbeid is een risicofactor voor onzeker werk. Die wanverhouding dient te worden rechtgetrokken, zowel met wetgeving als door middel van de sociale dialoog en vakbondsacties. Aldus moet een kader worden gevormd waarbinnen mannelijke en vrouwelijke werknemers beschermd worden en gunstige economische omstandigheden in stand blijven, zodat oneerlijke concurrentie wordt voorkomen. |
|
3.2. |
Dat de wetgeving inzake de rechten van werknemers en hun vertegenwoordigers beter moet worden nageleefd en verder moet worden ontwikkeld, blijkt wel uit het feit dat — in de EU — de drie belangrijkste redenen voor werkgevers om de gezondheid en veiligheid op het werk aan te pakken, als volgt luiden: de wetgeving naleven (89,2 %), voldoen aan de eisen van werknemers en hun vertegenwoordigers (81,8 %) en sancties door de bevoegde arbeidsautoriteit vermijden(79,4 %) (19). |
|
3.3. |
Een ander voorbeeld van hoe wetgeving goede diensten kan bewijzen bij het terugdringen van contractuele werkonzekerheid is te zien in Spanje: dankzij de onlangs goedgekeurde arbeidshervorming, die het resultaat is van sociaal overleg, is het abnormaal hoge percentage tijdelijke banen op de Spaanse arbeidsmarkt afgenomen. |
4. Voorstellen
|
4.1. |
Het EESC stelt vast dat er sterke aanwijzingen zijn dat onzeker werk de kans op geestelijke gezondheidsproblemen vergroot. Op grond van de aanbevelingen van wetenschappers op het gebied van de gezondheid op het werk, volksgezondheid en arbeidsepidemiologie, evenals van internationale instellingen die zich bezighouden met de geestelijke gezondheid op het werk, en rekening houdend met de rechten die zijn vastgelegd in Richtlijn 89/391/EEG inzake preventie aan de bron van beroepsrisico’s, wordt bij alle hier voorgestelde maatregelen bewust gekozen voor een aanpak die erop gericht is de omvang van risico’s verbonden met onzeker werk in te dammen teneinde verslechtering van de geestelijke gezondheid te voorkomen. Aangezien de risicofactoren die van invloed kunnen zijn op de geestelijke gezondheid sterk verschillen per sector en zelfs tussen verschillende werkplekken binnen dezelfde sector, worden de beste oplossingen meestal gevonden via sociaal overleg op sectoraal of bedrijfsniveau, waardoor een gerichte aanpak mogelijk is, rekening houdend met alle rechtskaders. |
|
4.2. |
Het EESC merkt op dat de Commissie in haar strategisch kader voor gezondheid en veiligheid op het werk (2021-2027) (20) heeft aangegeven dat zij onder meer:
|
4.3. Zorgen voor de tenuitvoerlegging van bestaande Europese en nationale wetgeving die hoogwaardige werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden voorschrijft
|
4.3.1. |
Het EESC merkt op dat de bestaande Europese richtlijnen inzake arbeidsvoorwaarden, vertegenwoordiging en medezeggenschap betrekking hebben op rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden in verband met de organisatie van de arbeidstijd (2003/88/EG (21)), het combineren van werk en gezin ((EU) 2019/1158 (22)), een adequaat minimumloon ((EU) 2022/2041 (23)), non-discriminatie (2006/54/EG (24); 2000/78/EG (25); 2000/43/EG (26)), voorspelbare en transparante arbeidsvoorwaarden ((EU) 2019/1152 (27)), preventie van beroepsrisico’s en gezondheid en veiligheid op het werk (89/391/EEG en de specifieke ontwikkelingen hiervan), en voorlichting en raadpleging van werknemers en hun vertegenwoordigers (2009/38/EG (28), 2003/72/EG (29), 2002/14/EG (30)). Daarnaast worden de vrijheden van vereniging, collectieve onderhandelingen, demonstratie en staking gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Een volledige uitvoering van deze wetgeving zou de werknemers waardig werk garanderen, de onzekerheid verminderen en de geestelijke gezondheid bevorderen. |
|
4.3.2. |
Het EESC merkt echter er op dat de uitvoering, handhaving en naleving van deze wetgeving inzake arbeidsvoorwaarden, die als een noodzakelijk minimum zijn vastgesteld, en de toepassing van de bestaande wetgeving voor verbetering vatbaar zijn. |
|
4.4. |
Daarom stelt het EESC voor: |
|
4.4.1. |
het toezicht op en de handhaving van de bestaande arbeidswetgeving die onder deze richtlijnen valt op te voeren, zodat deze ook daadwerkelijk wordt toegepast. Daartoe moeten de lidstaten de bevoegde arbeidsautoriteiten van voldoende personele middelen voorzien, overeenkomstig de door de IAO aanbevolen ratio’s (31); |
|
4.4.2. |
passende financiële sancties op te leggen voor inbreuken op deze richtlijnen; |
|
4.4.3. |
bedrijven de toegang te ontzeggen tot openbare aanbestedingen en tot Europese, nationale, lokale of elke andere vorm van overheidssteun wanneer zij deze richtlijnen niet naleven, overeenkomstig de huidige richtlijnen inzake overheidsopdrachten; |
|
4.4.4. |
ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (SLIC) biedt voor EU-coördinatie bij het toezicht op de handhaving van de in punt 4.3.1 bedoelde wetgeving. |
|
4.4.5. |
Het EESC steunt de lopende onderhandelingen over het voorstel van 2021 voor een richtlijn betreffende de verbetering van de arbeidsomstandigheden bij platformwerk en neemt kennis van de lopende onderhandelingen over het standpunt van de Raad en de amendementen die de Commissie werkgelegenheid van het Europees Parlement in december 2022 heeft voorgesteld. Ook stelt het EESC voor om passende maatregelen te nemen om het gebruik van artificiële intelligentie op het werk te reguleren zodat wordt voorkomen dat de gezondheid en andere arbeidsrechten worden aangetast. |
4.5. Focussen op de preventie van psychosociale risico’s op het werk
|
4.5.1. |
Het EESC neemt kennis van de mededeling over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 (COM(2021) 323 final). Verder stelt het EESC voor om specifieke EU-wetgeving vast te stellen voor de preventie van psychosociale risico’s en daartoe de richtlijn inzake veiligheid en gezondheid op het werk (89/391/EEG) verder te ontwikkelen en te actualiseren, zodat psychosociale risico’s op het werk bij de bron worden aangepakt en veranderingen worden aangebracht in de opzet, het beheer en de organisatie van het werk. Dit strookt namelijk met het wetenschappelijk bewezen inzicht dat specifieke wetgeving op dit gebied het meest effectief is als het aankomt op preventieve maatregelen en vermindering van blootstelling aan dit soort risico’s (32). |
|
4.5.2. |
Bovendien benadrukt het EESC dat het recht op een veilige en gezonde werkomgeving tijdens de 110e Internationale Arbeidsconferentie van de IAO in juni 2022 is opgenomen in het kader van de fundamentele beginselen en rechten op het werk van de IAO, en dat de bestrijding van werkgerelateerde psychosociale risico’s bij de bron, door middel van organisatorische maatregelen die de arbeidsomstandigheden anders inrichten, een onmisbare stap is om de geestelijke gezondheid op het werk te bevorderen. Dit sluit ook aan bij de aanpak die de WHO en de IAO zijn overeengekomen in hun richtsnoeren en beleidsnota met praktische strategieën vanaf september 2022 (33). Naast preventie van psychosociale risico’s bevelen deze organisaties als tweede stap aan de geestelijke gezondheid op het werk te verbeteren, te beschermen en te bevorderen, met name door middel van opleiding en initiatieven die de kennis over geestelijke gezondheid verbeteren. De derde stap bestaat erin werknemers met geestelijke gezondheidsproblemen te ondersteunen bij hun volledige en billijke deelname aan het werk door middel van redelijke aanpassingsmaatregelen en programma’s voor terugkeer naar het werk. Tot slot bevelen beide organisaties aan een gunstig klimaat te creëren met horizontale maatregelen om de geestelijke gezondheid op het werk te verbeteren door middel van leiderschap, investeringen, rechten, integratie, participatie, wetenschappelijke gegevens en naleving van de relevante wetgeving. |
|
4.5.3. |
Het EESC benadrukt dat, zoals ook wordt gesteld in de kaderovereenkomst van de Europese sociale partners inzake stress, alle werkgevers krachtens Kaderrichtlijn 89/391/EEG wettelijk verplicht zijn de veiligheid en gezondheid van werknemers op het werk te beschermen. Deze verplichting geldt ook voor problemen in verband met werkgerelateerde stress, voor zover zij een risico voor de gezondheid en de veiligheid inhouden. |
|
4.5.4. |
In dit verband stelt het EESC voor om in deze richtlijn de primaire preventie van werkgerelateerde psychosociale risico’s uit te werken vanuit een organisatorische en collectieve invalshoek. Daartoe moeten regels vastgesteld worden voor: |
|
4.5.4.1. |
kwaliteitseisen voor de gebruikte beoordelingsmethoden (gevalideerd met gezondheidsgegevens die wetenschappelijk bewezen psychosociale risico’s in kaart brengen, een beeld geven van ongelijkheden enz.); |
|
4.5.4.2. |
waar nodig, de vaststelling, planning en uitvoering van preventieve maatregelen om deze risico’s weg te nemen of tot een minimum te beperken door: 1) in te spelen op de resultaten van de psychosociale risico-evaluatie; 2) de als schadelijk bevonden arbeidsomstandigheden bij de bron aan te pakken met organisatorische ingrepen, om te voorkomen dat preventieve maatregelen alleen op opleiding en rehabilitatie gericht zijn; |
|
4.5.4.3. |
de verplichting van de werkgever om de beroepsrisico’s te verminderen door passende maatregelen te nemen om vastgestelde werkgerelateerde psychosociale risico’s aan te pakken en de arbeidsomstandigheden anders in te richten, onder meer door: verbetering van de technologie en de productieprocessen voor goederen en diensten, en uitbreiding van het personeelsbestand om de werkdruk te verlagen; het waarborgen van werktijden die verenigbaar zijn met zorg in gezinsverband; het bevorderen van participatieve en coöperatieve werkmethoden zodat werknemers inspraak hebben in de manier waarop hun werk wordt uitgevoerd, en van functionele steun onder collega’s en door leidinggevenden; de vaststelling van billijke procedures voor aanwerving, toewijzing van taken, opleiding en promoties om de kwaliteit van het leiderschap te verbeteren; het uitwerken van verrijkende taken waarbij vaardigheden en kennis kunnen worden toegepast en nieuwe vaardigheden en kennis kunnen worden aangeleerd; bevorderen van stabiliteit in werk en arbeidsvoorwaarden en van voorspelbare veranderingen, die beredeneerd en redelijk moeten zijn, om baanonzekerheid te voorkomen; en een passend loon om een waardig leven mogelijk te maken, overeenkomstig het toepasselijke recht, de sociale dialoog en de collectieve overeenkomsten. Al deze maatregelen zouden onzeker werk helpen indammen en de geestelijke gezondheid helpen beschermen; |
|
4.5.4.4. |
de verplichting om terdege rekening te houden met het preventieve doel van de evaluatie, om een efficiënt beheer van deze risico’s te bevorderen en nieuwe beoordelingen om louter bureaucratische redenen te voorkomen; |
|
4.5.4.5. |
de waarborg dat al deze maatregelen om psychosociale risico’s al aan de bron te voorkomen — vanaf het opzetten van de beoordeling tot organisatorische veranderingen en het meten hoe doeltreffend deze zijn om risico’s te verminderen — staan of vallen met de participatie van werknemers en hun vertegenwoordigers op de werkplek of op bedrijfsniveau overeenkomstig de toepasselijke regels inzake de informatie en de raadpleging van werknemers en/of hun vertegenwoordigers. Daartoe moet, in overeenstemming met de bestaande nationale voorschriften, het bestaan en de werking van de desbetreffende organen worden gewaarborgd wanneer de nationale wetgeving en/of collectieve overeenkomsten daarin voorzien: comités voor gezondheid en veiligheid op het werk, met preventie belaste gedelegeerden, ondernemingsraden enz. En onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van de werknemers en de werkgever moeten gewaarborgd worden conform de toepasselijke wetgeving en collectieve overeenkomsten. |
4.6. Een industriebeleid dat het scheppen van hoogwaardige banen bevordert
|
4.6.1. |
Het industriebeleid van de afzonderlijke landen is een van de factoren die een invloed heeft op het vermogen van bedrijven om hoogwaardige, gekwalificeerde banen te creëren. Het EESC stelt daarom voor dat men bij het uitstippelen van het industriebeleid op Europees niveau de doelstelling voor ogen zou moeten houden om hoogwaardige en gekwalificeerde banen te creëren die gezonde arbeidsomstandigheden waarborgen en het concurrentievermogen verbeteren. Dit zou onder meer gebaseerd kunnen worden op: |
|
4.6.1.1. |
een veel actievere samenwerking tussen overheidsinstanties, waaronder agentschappen voor economische ontwikkeling, die erop gericht is te zorgen voor de nodige infrastructuur en actieve werkgelegenheidsmaatregelen die zijn afgestemd op de specifieke behoeften van industrieën met het grootste potentieel om lokaal hoogwaardige werkgelegenheid te scheppen, waarbij de begunstigde ondernemingen bij wijze van tegenprestatie een minimumaantal van zulke banen moeten creëren; |
|
4.6.1.2. |
het toespitsen van O & O-investeringen op productiviteitsverhogende en arbeidsvriendelijke technologieën om hun waardescheppend vermogen op synergetische wijze te vergroten; |
|
4.6.1.3. |
de opname van criteria voor de preventie van beroepsrisico’s en de bescherming van de gezondheid van de werknemers bij het uitstippelen van industriebeleid; |
|
4.6.1.4. |
de opname in internationale handelsovereenkomsten van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling die de arbeidsrechten waarborgen. |
|
4.7. |
Het EESC stelt voor om in het gehele leerplan voor verplicht onderwijs en beroepsopleiding in elk land lessen op te nemen over de individuele en collectieve arbeidsrechten en over ondernemersvaardigheden, om toekomstige werknemers en werkgevers de nodige kennis op dit gebied bij te brengen. |
|
4.8. |
Op basis van de resultaten van enquêtes en gegevens van Eurofound, EU-OSHA en Eurostat stelt het EESC voor om regelmatig de meest voorkomende vormen van onzeker werk, de context waarin deze ontstaan (landen, sectoren enz.) en de zwaarst getroffen groepen (werknemers met uitvoerende taken, vrouwen, jongeren enz.) in kaart te brengen en de verdere ontwikkeling van een en ander in het oog te houden. |
|
4.9. |
Er zou meer onderzoek moeten komen naar de kwaliteit van werk en geestelijke gezondheid. Daarbij zouden in de eerste plaats de informatiesystemen en de epidemiologische monitoring op dit gebied verbeterd moeten worden. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1).
(2) https://www.ilo.org/global/about-the-ilo/newsroom/news/WCMS_856821/lang--en/index.htm
(3) Tweede vicevoorzitterschap van de regering, ministerie van Arbeid en Sociale Economie: verzoek om een verkennend advies.
(4) VN, Algemene Vergadering, zeventigste zitting (2015) Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development. Resolutie aangenomen door de Algemene Vergadering op 25 september 2015.
(5) https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/mental-health-at-work
(6) https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/TA-8-2017-0290_NL.html
(7) https://osha.europa.eu/nl/tools-and-resources/eu-osha-thesaurus/term/62001d
(8) https://doi.org/10.1186/s13643-021-01728-z
(9) https://www.eurofound.europa.eu/nl/node/91840
(10) EU-OSHA (2013) Priorities for occupational safety and health research in Europe: 2013-2020. Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie. 10.2802/25457.
(11) Niedhammer, I., Bertrais, S., & Witt, K. (2021). Psychosocial work exposures and health outcomes: a meta-review of 72 literature reviews with meta-analysis. Scandinavian Journal of Work, Environment & Health, 47(7), 489-508.
(12) Blomqvist, S., Virtanen, M., LaMontagne, A. D., & Magnusson Hanson, L. L. (2022). Perceived job insecurity and risk of suicide and suicide attempts: a study of men and women in the Swedish working population. Scandinavian Journal of Work, Environment & Health, 48(4), 293-301.
(13) Duchaine, CS et al. (2020). Psychosocial stressors at work and the risk of sickness absence due to a diagnosed mental disorder: a systematic review and meta-analysis. JAMA psychiatry, 77(8), 842-851.
(14) Niedhammer, Bertrais, Witt (2021), (zie hierboven).
(15) Niedhammer I et al. (2022). Update of the fractions of cardiovascular diseases and mental disorders attributable to psychosocial work factors in Europe. International Archives of Occupational and Environmental Health, 95(1), 233-247.
(16) https://oshwiki.osha.europa.eu/en/themes/precarious-work-definitions-workers-affected-and-osh-consequences
(17) Matilla-Santander N et al. (2019). Measuring precarious employment in Europe 8 years into the global crisis. J Public Health (Oxf), 41(2):259-267.
(18) Eurofound (2021). Working conditions and sustainable work: An analysis using the job quality framework. Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie.
(19) https://visualisation.osha.europa.eu/esener/nl/survey/datavisualisation/2019
(20) Mededeling over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027. Gezondheid en veiligheid op het werk in een veranderende arbeidswereld (COM(2021) 323 final).
(21) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9).
(22) Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79).
(23) Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33).
(24) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
(25) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(26) Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
(27) Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 105).
(28) Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).
(29) Richtlijn 2003/72/EG van de Raad van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 25).
(30) Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap — Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de vertegenwoordiging van de werknemers (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).
(31) https://www.ilo.org/global/topics/labour-administration-inspection/resources-library/publications/WCMS_844151/lang--en/index.htm, § 4.1.8
(32) Jain, A. et al (2022), The impact of national legislation on psychosocial risks on organisational action plans, psychosocial working conditions, and employee work-related stress in Europe. Social Science & Medicine 302.
(33) https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_protect/---protrav/---safework/documents/publication/wcms_856976.pdf
BIJLAGE
De volgende wijzigingsvoorstellen, die minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen kregen, werden tijdens de beraadslagingen verworpen (artikel 60, lid 2, van het reglement van orde):
WIJZIGINGSVOORSTEL 1
Ingediend door:
BLIJLEVENS René
DANISMAN Mira-Maria
MINCHEVA Mariya
PILAWSKI Lech
POTTIER Jean-Michel
VADÁSZ Borbála
SOC/745
Onzeker werk en geestelijke gezondheid
Par. 2.7
Nieuwe paragraaf invoegen
Plaats: na huidige paragraaf 2.6
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
||||||||
|
|
In zijn resolutie van 2017 (12) stelt het EP dat het onder “onzeker werk” vormen van werk verstaat die niet aan de geldende normen voldoen. Die definitie verwijst echter ook naar werk dat “onvoldoende middelen oplevert om fatsoenlijk van te kunnen leven, of ontoereikende sociale bescherming biedt”. Volgens Eurofound bestaat er in Europa geen algemeen aanvaarde definitie voor onzeker werk, terwijl de noodzaak om dit complexe fenomeen aan te pakken algemeen wordt erkend. Volgens de WHO kunnen risico’s voor de geestelijke gezondheid (ook psychosociale risico’s genoemd) op het werk verband houden met onder meer de inhoud van de baan of het werkschema, specifieke kenmerken van de werkplek en mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling. De WHO geeft ook aan dat psychosociale risico’s weliswaar in alle sectoren voorkomen, maar dat sommige werknemers meer kans lopen om eraan te worden blootgesteld dan andere, vanwege wat zij doen of waar en hoe zij dat doen (13) . In de autonome overeenkomst van de sociale partners op EU-niveau over stress wordt gesteld dat werkgerelateerde stress kan worden veroorzaakt door verschillende factoren zoals de inhoud van het werk, de organisatie van het werk, de werkomgeving, slechte communicatie enz. (14) Bij de beoordeling van het verband tussen onzeker werk en risico’s voor de geestelijke gezondheid moet daarom rekening worden gehouden met het ontbreken van een algemeen aanvaarde definitie in Europa. Bovendien moet bij een dergelijke beoordeling rekening worden gehouden met het volgende:
|
Stemuitslag:
|
Voor: |
81 |
|
Tegen: |
127 |
|
Stemonthoudingen: |
13 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 3
Ingediend door:
BLIJLEVENS René
DANISMAN Mira-Maria
MINCHEVA Mariya
PILAWSKI Lech
POTTIER Jean-Michel
VADÁSZ Borbála
SOC/745
Onzeker werk en geestelijke gezondheid
Paragraaf 4.5.1
Nieuwe paragraaf invoegen
Plaats: na huidige paragraaf 4.5
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
|
Het bevorderen van geestelijke gezondheid en welzijn is in het belang van de hele samenleving. In het beroepsleven is de bevordering van geestelijke gezondheid belangrijk omdat geestelijke gezondheidsproblemen kunnen leiden tot een lagere arbeidsproductiviteit, lagere arbeidsprestaties en een hoger ziekteverzuim, en omdat een goede geestelijke gezondheid in verband wordt gebracht met een betere motivatie en productiviteit. Het EESC steunt de aanpak van de Commissie (29) om, samen met de lidstaten en de sociale partners, een niet-wetgevend initiatief op EU-niveau voor te bereiden met betrekking tot geestelijke gezondheid op het werk, waarin nieuwe kwesties in verband met de geestelijke gezondheid van werknemers worden geëvalueerd. Het EESC staat ook achter het streven van de Commissie om psychosociale en ergonomische risico’s deel te laten uitmaken van de campagne voor gezonde werkplekken. Het EESC is van oordeel dat op EU- en nationaal niveau alsook op de werkplek nadere aandacht moet worden besteed aan adequate beleidsmaatregelen en/of acties om, waar passend, de primaire preventie van werkgerelateerde psychosociale risico’s uit te werken vanuit een organisatorische en collectieve invalshoek. Het is echter niet nodig om op EU-niveau specifieke wetgeving voor de preventie van psychosociale risico’s voor te stellen. Hetgeen in de paragrafen 1.11, 4.5.1, 4.5.4 en 4.5.4.3 van dit advies wordt gesteld, is in tegenspraak met of doet onvoldoende recht aan deze overweging. |
Stemuitslag:
|
Voor: |
91 |
|
Tegen: |
127 |
|
Stemonthoudingen: |
18 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 4
Ingediend door:
BLIJLEVENS René
DANISMAN Mira-Maria
MINCHEVA Mariya
PILAWSKI Lech
POTTIER Jean-Michel
VADÁSZ Borbála
SOC/745
Onzeker werk en geestelijke gezondheid
Paragraaf 4.6.1
Nieuwe paragraaf invoegen
Plaats: na huidige paragraaf 4.6
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
|
Gezien de drastisch gewijzigde bedrijfsomstandigheden is het zaak dat de Europese Unie zo snel mogelijk een alomvattend en actueel, op innovatie en excellentie gebaseerd industriebeleid formuleert. Bedrijven zullen werkgelegenheid en hoogwaardige banen scheppen wanneer er een gunstig regelgevings- en investeringsklimaat is en wanneer zij winstgevend zijn. Dit betekent dat banen niet via het industriebeleid kunnen worden gepland. Ook is het niet houdbaar of redelijk om van ondernemingen die profiteren van infrastructuur of van een actief arbeidsmarktbeleid te verlangen dat zij een minimumaantal banen creëren. Voorts bestaat het industriebeleid naast het toepasselijke EU- en nationale regelgevingskader inzake gezondheid en veiligheid op het werk, maar voorziet het industriebeleid zelf niet in de criteria voor de preventie van beroepsrisico’s. Tot slot hebben bedrijven ook geschoolde arbeidskrachten nodig; momenteel hebben zij echter te kampen met tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden. Daarom moeten er doeltreffende systemen voor een leven lang leren komen en moet er beter worden geanticipeerd op toekomstige behoeften aan vaardigheden. Hetgeen in de paragrafen 4.6.1.1 en 4.6.1.3 van dit advies wordt gesteld, is in tegenspraak met of doet onvoldoende recht aan deze overwegingen. |
Stemuitslag:
|
Voor: |
89 |
|
Tegen: |
139 |
|
Stemonthoudingen: |
9 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 5
Ingediend door:
BLIJLEVENS René
DANISMAN Mira-Maria
MINCHEVA Mariya
PILAWSKI Lech
POTTIER Jean-Michel
VADÁSZ Borbála
SOC/745
Onzeker werk en geestelijke gezondheid
Paragraaf 1.3
Nieuwe paragraaf invoegen
Plaats: na huidige paragraaf 1.2
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
||||||||
|
|
Zo wordt in de autonome overeenkomst van de sociale partners op EU-niveau over stress gesteld dat werkgerelateerde stress kan worden veroorzaakt door verschillende factoren zoals de inhoud van het werk, de organisatie van het werk, de werkomgeving, slechte communicatie enz (1) . Bij de beoordeling van het verband tussen onzeker werk en risico’s voor de geestelijke gezondheid moet rekening worden gehouden met het ontbreken van een algemeen aanvaarde definitie van onzeker werk in Europa. Bovendien moet bij een dergelijke beoordeling rekening worden gehouden met het volgende:
|
Stemuitslag:
|
Voor: |
83 |
|
Tegen: |
139 |
|
Stemonthoudingen: |
15 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 6
Ingediend door:
BLIJLEVENS René
DANISMAN Mira-Maria
MINCHEVA Mariya
PILAWSKI Lech
POTTIER Jean-Michel
VADÁSZ Borbála
SOC/745
Onzeker werk en geestelijke gezondheid
Par. 1.4
Nieuwe paragraaf invoegen
Plaats: na huidige paragraaf 1.3 (zie wijzigingsvoorstel 5)
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
|
Het EESC steunt de aanpak van de Commissie (3) om, samen met de lidstaten en de sociale partners, een niet-wetgevend initiatief op EU-niveau voor te bereiden met betrekking tot geestelijke gezondheid op het werk, waarin nieuwe kwesties in verband met de geestelijke gezondheid van werknemers worden geëvalueerd. Het EESC is van oordeel dat op EU- en nationaal niveau alsook op de werkplek nadere aandacht moet worden besteed aan adequate beleidsmaatregelen en/of acties om, waar passend, de primaire preventie van werkgerelateerde psychosociale risico’s uit te werken vanuit een organisatorische en collectieve invalshoek. Het is echter niet nodig om op EU-niveau specifieke wetgeving voor de preventie van psychosociale risico’s voor te stellen. Hetgeen in de paragrafen 1.11, 4.5.1, 4.5.4 en 4.5.4.3 van dit advies wordt gesteld, is in tegenspraak met of doet onvoldoende recht aan deze overweging. |
Stemuitslag:
|
Voor: |
91 |
|
Tegen: |
141 |
|
Stemonthoudingen: |
11 |
(12) Aangenomen teksten — Arbeidsomstandigheden en onzeker werk — dinsdag 4 juli 2017 (europa.eu).
(13) https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/mental-health-at-work
(14) Zie https://resourcecentre.etuc.org/agreement/framework-agreement-work-related-stress and https://www.businesseurope.eu/sites/buseur/files/media/imported/2005-00679-EN.pdf
(15) De hier gebruikte nummering verwijst naar de nummering van de paragrafen in het advies van de afdeling SOC zoals dat aan de voltallige vergadering is voorgelegd en is opgenomen in het ledenportaal voor de EESC-zitting van 26 en 27 april (de eventuele goedkeuring van deze of andere wijzigingsvoorstellen kan leiden tot een gewijzigde nummering).
(16) Zie https://resourcecentre.etuc.org/agreement/framework-agreement-work-related-stress and https://www.businesseurope.eu/sites/buseur/files/media/imported/2005-00679-EN.pdf
(29) COM(2021) 323 final.
(1) Zie https://resourcecentre.etuc.org/agreement/framework-agreement-work-related-stress and https://www.businesseurope.eu/sites/buseur/files/media/imported/2005-00679-EN.pdf
(2) De hier gebruikte nummering verwijst naar de nummering van de paragrafen in het advies van de afdeling SOC zoals dat aan de voltallige vergadering is voorgelegd en is opgenomen in het ledenportaal voor de EESC-zitting van 26 en 27 april (de eventuele goedkeuring van deze of andere wijzigingsvoorstellen kan leiden tot een gewijzigde nummering).
(3) Mededeling over een Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 — Gezondheid en veiligheid op het werk in een veranderende arbeidswereld, COM(2021) 323 final.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/43 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over democratie op het werk
(verkennend advies op verzoek van het Spaanse voorzitterschap van de Raad)
(2023/C 228/06)
|
Rapporteur: |
Reiner HOFFMANN |
|
Corapporteur: |
Krzysztof BALON |
|
Raadpleging door het Spaanse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie |
Brief van 27.7.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedgekeurd door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
175/69/13 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Gedurende tientallen jaren heeft zich in Europese rechtshandelingen een solide systeem van werknemersparticipatie op het werk ontwikkeld, met als basis de wetgeving en praktijken van de lidstaten en de fundamentele vrijheden van de EU. Een democratische arbeidswereld is een bouwsteen voor de verdere ontwikkeling van het Europese sociale model in een duurzame en concurrerende omgeving. |
|
1.2. |
De afgelopen crises hebben aangetoond dat burgerrechten en werknemersrechten die actief worden uitgeoefend elkaar versterken. De sociale cohesie wordt versterkt, de democratische structuur van onze samenlevingen is stabieler en de samenleving is minder kwetsbaar voor populisme en autoritarisme. |
|
1.3. |
Mechanismen en rechtsinstrumenten die in dienst staan van de democratie op het werk maken bedrijven veerkrachtiger, economisch succesvoller en tegelijkertijd beter toegerust om voor werkgelegenheid en fatsoenlijk werk te zorgen. Democratie op het werk moet als uitgangspunt alle werknemers en soorten werk omvatten, alsook alle werkplekken, ongeacht of het om particuliere, publieke of sociale arbeidsplaatsen gaat, ongeacht de omvang, sector of andere organisatorische aspecten. Er moet rekening worden gehouden met de situatie van kmo’s. Uit empirisch bewijs blijkt dat de stem van werknemers de flexibiliteit en manoeuvreerruimte biedt die op het werk nodig is om zich aan te passen aan structurele veranderingen. |
|
1.4. |
De snel veranderende arbeidswereld biedt ook een kans voor meer democratie. Het publiek moet zich beter bewust worden van werknemersparticipatie en de sociale dialoog, en om dat mogelijk te maken moeten deze zaken, ook over de grenzen heen, worden versterkt. Een betrouwbaar Europees juridisch kader dat als richtsnoer fungeert voor nationale informatie-, raadplegings- en participatiesystemen en deze effectiever maakt, en ondersteund wordt door actieprogramma’s met een betrouwbare terugkoppeling naar het nationale niveau, is hiervoor absoluut noodzakelijk. |
|
1.5. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de recente mededeling van de Europese Commissie over de versterking van de sociale dialoog als basis voor meer democratie op het werk. De sociale dialoog gedijt bij een levendige cultuur van vertrouwen die gebaseerd is op de specifieke rol van de sociale partners, terwijl de maatschappelijke dialoog, die als een afzonderlijk proces wordt erkend, organisaties van het maatschappelijk middenveld betrekt bij een breder scala aan onderwerpen en transformatieprocessen gestalte geeft. Er moet echter worden onderkend dat de arbeidsmarkt ingrijpend is veranderd. Veel werknemers zijn bijvoorbeeld in dienst zijn bij kleine en micro-ondernemingen, terwijl in de Europese Unie ook ongeveer 13,6 miljoen (1) werknemers werkzaam zijn in entiteiten van de sociale economie In de institutionele sociale dialoog moet volledig rekening worden gehouden met al deze werknemers en hun werkgevers. |
|
1.6. |
Europese ondernemingsraden leveren al decennialang een positieve bijdrage aan de economische, sociale en ecologische langetermijndoelstellingen van ondernemingen. Om hun potentieel en doeltreffendheid te vergroten, moeten hun participatierechten en middelen aanzienlijk worden verbeterd. Ontduiking of schending van de medezeggenschapsrechten van de Europese Ondernemingsraad (EOR) moet bijvoorbeeld doeltreffend worden bestraft en de toegang tot de rechter moet worden vergemakkelijkt. In dit verband is het EESC ingenomen met de recente resolutie van het Europees Parlement over de herziening van de EOR-richtlijn en roept het de Commissie op spoedig juridische maatregelen te nemen. |
|
1.7. |
In aanvulling op de democratie op het werk op basis van de wetgeving of de sociale dialoog bestaan er andere succesvolle vormen van democratische participatie van werknemers die springlevend zijn in de sociale economie, en dan vooral in coöperaties. |
|
1.8. |
Technologische innovaties hebben geleid tot nieuwe bedrijfsmodellen in de platformeconomie, die vaak hand in hand gaan met onzekere banen, met name voor beginnende en migrerende werknemers. Van toegang tot collectieve belangenvertegenwoordiging is meestal geen sprake, of er wordt te weinig gebruik van gemaakt. Het EESC vindt het zinvol dat de huidige ontwerprichtlijn inzake platformwerk tot doel heeft schijnzelfstandigheid te voorkomen, waarbij het met name gaat om de definitie van werkgevers en werknemers en de omkering van de bewijslast. Dit zou het ook gemakkelijker moeten maken om werknemers een stem te geven in de platformeconomie wanneer aan passende criteria voor arbeidsstatus is voldaan. Het EESC neemt nota van de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van het EU-mededingingsrecht op collectieve overeenkomsten met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van zelfstandigen zonder werknemers. Het EESC zou graag zien dat het Spaanse voorzitterschap van de Raad bij de goedkeuring van de richtlijn vooral dit aspect benadrukt, en ook dat het zich buigt over de potentiële toegang van deze werknemers tot collectieve dekking in overeenstemming met de richtlijn betreffende minimumlonen. |
|
1.9. |
De zeer snelle ontwikkeling van artificiële intelligentie (AI) is een ongekende uitdaging voor de democratische normen in de wereld van het werk. Algoritmisch gegevensbeheer heeft enorme gevolgen voor de organisatie van het werk, de arbeidsomstandigheden en de gegevensbeveiliging. De Europese sociale partners zijn het erover eens dat het van cruciaal belang is dat bij de invoering van digitale technologie tijdig overleg wordt gevoerd met de werknemers en hun vertegenwoordigers, in de context van de stelsels van arbeidsverhoudingen (met name de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen), zodat vertrouwen in het proces kan worden opgebouwd. Het is zaak om de rechten van werknemers op het gebied van gegevensbescherming zo te versterken dat hun collectieve rechten worden gewaarborgd. Daarbij moeten vakbonden adequate digitale toegang krijgen tot bedrijven en hun werknemers, zodat een doeltreffende sociale dialoog over AI-toepassingen op de werkplek tot stand gebracht en bevorderd wordt. |
|
1.10. |
Verantwoord ondernemingsbestuur houdt in dat ervoor wordt gezorgd dat de mensen- en werknemersrechten alsook de milieudoelstellingen in de hele toeleveringsketen worden nageleefd. Werkgevers moeten laten zien dat zij passende zorgvuldigheid als een verplicht onderdeel van het risicobeheer door de raad van bestuur beschouwen. Het wereldwijd creëren van fatsoenlijk werk moet een doel van duurzaam ondernemingsbestuur worden Het EESC pleit er daarom voor om de noodzaak van duurzame corporate governance in het Europese rechtskader vast te leggen. Werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede het maatschappelijk middenveld (milieuorganisaties, mensenrechten- en consumentenorganisaties), moeten daarin systematisch participeren. |
|
1.11. |
Helaas wordt werknemersparticipatie op bestuursniveau van ondernemingen niet gezien als een essentieel onderdeel van duurzaam ondernemingsbestuur. Daarom steunt het EESC passende maatregelen om een geharmoniseerd kader voor de medezeggenschap van werknemers in bestuursorganen tot stand te brengen waarin rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de lidstaten, en om te voorkomen dat het Europese vennootschapsrecht leidt tot vermijding of uitholling van de medezeggenschap in ondernemingen in de lidstaten. |
|
1.12. |
Meer democratie in de wereld van het werk is niet alleen afhankelijk van de noodzakelijke en passende rechtsgrondslagen, maar ook van een op kennis gebaseerde samenwerking van alle actoren, vooral tegen de achtergrond van de uitdaging van de ecologische en digitale transformatie. Niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die regionaal of lokaal werkzaam zijn op het gebied van voorlichting, onderwijs en empowerment, alsmede wetenschappelijke instellingen en deskundigen uit de vrije beroepen, kunnen deze samenwerking in overleg met de sociale partners en lokale overheden ook ondersteunen door middel van gerichte maatregelen die aan de plaatselijke omstandigheden zijn aangepast. Zulke activiteiten moeten ook door middel van de Europese structuurfondsen worden ondersteund. |
|
1.13. |
De educatieve rol van participatie op de werkplek zou de democratische praktijk in bredere politieke en maatschappelijke zin kunnen ondersteunen. Wat dit betreft, is het van cruciaal belang om jongeren bewust te maken van en voor te lichten over democratie op het werk, zelfs al voordat zij aan het werk gaan. Net als de sociale partners kunnen maatschappelijke organisaties die werkzaam zijn op het gebied van onderwijs een aanvullende rol spelen, en daarvoor moeten zij ondersteuning krijgen. |
2. Democratie op het werk: sociaal-politieke relevantie in Europa
|
2.1. |
Exogene crises en transformatieve uitdagingen zijn inmiddels permanent aanwezig. De EU-instellingen en de lidstaten moeten voortdurend doeltreffende oplossingsmechanismen ontwikkelen waarin economische doelmatigheid wordt gecombineerd met sociale, politieke en milieudoelstellingen. |
|
2.2. |
Er zijn talrijke normatieve en empirische redenen voor meer democratie in de wereld van het werk (2). Het EESC pleit daarom al geruime tijd voor een uitgebalanceerde invoering van het concept “democratie op het werk” en de belangrijkste onderdelen daarvan, zoals een levendige sociale dialoog, een eerlijk evenwicht tussen rechten en verantwoordelijkheden op de werkplek. Hiertoe behoort ook de bevordering van een cultuur van vertrouwen en samenwerking tussen werkgevers en werknemers, met inbegrip van werknemersparticipatie. Deze componenten moeten worden ondersteund door een wettelijk kader, een sociale dialoog op alle niveaus en goede bedrijfspraktijken. |
|
2.3. |
Democratie op het werk draagt niet alleen bij tot een veerkrachtige democratie, maar is ook een sleutel tot duurzaam economisch concurrentievermogen en welvaart. Mede dankzij participatie op de werkplek worden burgers onderwezen en opgeleid in democratische praktijken, waarden en politieke cultuur. Wie op het werk voelt dat hij of zij meetelt en inspraak heeft in de besluitvorming, neemt dat mee in de samenleving en staat ook positiever tegenover democratie. |
|
2.4. |
Het EESC heeft altijd benadrukt dat een solide Europees kader en goede praktijken voor werknemersparticipatie (workers’ voice) (3) als basis voor een op vertrouwen gebaseerde dialoog tussen management en werknemers op alle niveaus (grensoverschrijdend, nationaal, lokaal) deel uitmaken van het fundamentele rechtskader van de Europese democratie en een belangrijke wegwijzer zijn voor een concurrerende, sociale markteconomie. Een en ander moet voor alle werknemers en alle soorten werk op alle werkplekken gelden, of het nu om particuliere, publieke of sociale arbeidsplaatsen gaat en ongeacht de omvang, sector of andere organisatorische aspecten. |
|
2.5. |
Dankzij een politieke consensus tussen regeringen, sociale partners en maatschappelijke organisaties is de workers’ voice de afgelopen decennia in tal van Europese wetsteksten verankerd (4). Deze efficiënte hulpbron moet met het oog op economisch succes en sociale cohesie in Europa in alle landen en bedrijven als een waardevolle component volledig geïmplementeerd en verder versterkt en verbeterd worden, ook waar er lacunes in de wetgeving of in de uitvoering zijn, en verder worden ontwikkeld naargelang van de veranderingen in het werk. In het licht hiervan roept het EESC de lidstaten op om op nationaal niveau de stand van zaken te evalueren en initiatieven te ontwikkelen voor degelijke informatie- en raadplegingskaders. |
|
2.6. |
De workers’ voice in de EU-landen wordt gekenmerkt door een veelvoud aan instellingen, soms “functionele equivalenten” door verschillen tussen de stelsels van arbeidsverhoudingen, zoals sterke informatie-, raadplegings- en onderhandelingsrechten op het werk en in het bedrijf, deelname van werknemers aan bestuursorganen, collectieve overeenkomsten op bedrijfs-, sectoraal en sectoroverschrijdend niveau en/of bindende resultaten van de sociale dialoog, alsook bedrijfsculturen en het vermogen om veranderingen in goede banen te leiden. |
|
2.7. |
Het verzoek van het aanstaande Spaanse voorzitterschap om een verkennend EESC-advies past in een opmerkelijke trend waarbij “meer democratie op het werk” door EU-instellingen en regeringen in EU-landen steeds vaker wordt geformuleerd als beleidsdoelstelling voor de “toekomst van Europa”. Dit blijkt uit het volgende:
|
|
2.8. |
In dat verband is het EESC van mening dat een betrouwbare en effectieve workers’ voice een essentiële voorwaarde kan zijn voor een “duurzame” en economisch succesvolle corporate governance op de interne markt. |
|
2.9. |
Het EESC geeft graag antwoord op de vragen van het Spaanse voorzitterschap, namelijk:
|
|
2.10. |
Daarnaast presenteert het EESC in dit advies overwegingen over andere vormen van democratie in de wereld van het werk. |
|
2.11. |
Het EESC is ingenomen met de resolutie over fatsoenlijk werk en de sociale en solidaire economie die de IAO op de Internationale Arbeidsconferentie van juni 2022 heeft aangenomen en waarin wordt gewezen op de fundamentele rol van organisaties van de sociale economie bij het “op waarde schatten van de bijdrage van de sociale en solidaire economie aan fatsoenlijk werk, inclusieve en duurzame economieën, sociale rechtvaardigheid, duurzame ontwikkeling en verbetering van de levensstandaard voor iedereen”, alsook met de resolutie van de Verenigde Naties van 18 april 2023 over de bevordering van de sociale en solidaire economie voor duurzame ontwikkeling (9). Uit deze belangrijke resoluties blijkt dat de organisaties van de sociale economie met hun significante bijdrage aan meer democratie en participatie in de economie en op de arbeidsmarkt een belangrijke rol spelen voor de ontwikkeling van de democratie op het werk. Met dit feit moet rekening worden gehouden, zodat de organisaties van de sociale economie ook op Europees niveau bij de institutionele sociale dialoog worden betrokken. |
3. Standpunten van het EESC over democratie op het werk
|
3.1. |
Het EESC is van mening dat de sociale betrokkenheid van alle belanghebbenden, met name ook de workers’ voice, als een belangrijke steunpilaar van het bedrijfsleven en de economie moet worden erkend en dient te worden bevorderd als een voorwaarde om bedrijven “socialer” en voor hun omgeving duurzamer en concurrerender te maken. |
|
3.2. |
In tal van adviezen die met grote meerderheid zijn goedgekeurd heeft het EESC reeds gewezen op de voordelen van instrumenten voor verplichte betrokkenheid van werknemers op nationaal en Europees niveau, waarbij het heeft benadrukt dat:
|
|
3.3. |
Het is van groot belang dat werknemers bij innovatie op de werkplek worden betrokken. Initiatieven van de sociale partners om de productiviteit en het welzijn van werknemers op het werk te verhogen dienen in een ruimere Europese context te worden bevorderd. Het EESC is ingenomen met de initiatieven en onderzoeken van Eurofound (17) en het Europees netwerk voor innovatie op de werkplek en stelt voor dat de EU actie onderneemt om in de context van participatieve benaderingen de dialoog tussen de sociale partners en andere belanghebbenden op elk niveau te bevorderen. |
|
3.4. |
Het EESC is er bovendien van overtuigd dat duurzaam ondernemen vereist dat de verschillende belanghebbenden in ondernemingen samenwerken bij het zoeken naar een duurzaam bedrijfsperspectief, economisch concurrentievermogen, ecologische duurzaamheid en sociaal evenwicht. Vandaar het pleidooi van het EESC voor een model van corporate governance waarin het creëren van waarde op de lange termijn, door te kijken naar de langetermijnbelangen van de onderneming en haar stakeholders, tot de taken van het bestuur behoort (18). |
|
3.5. |
In het debat over de verdere ontwikkeling van een Europees rechtskader voor duurzaam ondernemingsbestuur (sustainable corporate governance) moeten de resoluties, adviezen en verslagen die reeds in het EESC en het Europees Parlement zijn aangenomen, en andere relevante bronnen zoals overeenkomsten met sociale partners, aan de orde komen. De Commissie zou dan ook moeten overwegen om in haar verdere werkprogramma’s een kader op te nemen dat als referentie dient voor een duurzamere en meer democratische corporate governance en dat werknemers en hun vertegenwoordigers uiteindelijk op alle niveaus een adequate stem geeft in het toezicht op en de leiding van ondernemingen. |
|
3.6. |
In het debat over de verdere ontwikkeling van een Europees rechtskader voor duurzaam ondernemingsbestuur (sustainable corporate governance) moeten de resoluties, adviezen en verslagen die reeds in het EESC en het Europees Parlement zijn aangenomen, en andere relevante bronnen zoals overeenkomsten met sociale partners, aan de orde komen. |
|
3.7. |
Bestaande competenties, wetenschappelijke en industriële infrastructuur en de activering van sociaal-economische culturen moeten het uitgangspunt vormen voor Europese steun voor democratische participatie bij het vormgeven van een toekomstgerichte transformatie. Op die manier kunnen lokale economieën met succes worden gekoppeld aan het mondiale concurrentievermogen van producten en diensten. |
4. Bijzondere opmerkingen over de democratische ontwikkeling van de wereld van het werk
4.1. De bestaande normen inzake werknemersparticipatie waarborgen en versterken
|
4.1.1. |
De bevordering van de democratie in de wereld van het werk moet verder gaan dan medezeggenschapsrechten op ondernemingsniveau en ook sectorale en sectoroverschrijdende systemen voor collectieve onderhandelingen en vertegenwoordiging omvatten, alsmede de sociale dialoog op alle niveaus en de dialoog met het maatschappelijk middenveld. |
|
4.1.2. |
Het EESC heeft zich gebogen over de vraag of het huidige rechtskader van de EU geëvalueerd moet worden en hoe het effectief in nationaal recht moet worden omgezet. Hiertoe hoort ook het streven om reeds bestaande bepalingen dienovereenkomstig te verbeteren. |
|
4.1.3. |
Zo heeft het EESC zich gebogen over de noodzaak van een geharmoniseerd kader op EU-niveau voor de medezeggenschap van werknemers in bestuursorganen over de strategische keuzes van ondernemingen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de lidstaten en op ondernemingsniveau (19).
|
|
4.1.4. |
Het EESC heeft zich ook gebogen over de noodzaak om de bepalingen inzake de verplichte medezeggenschap van werknemers in de EU-wetgeving te consolideren op basis van al vastgestelde normen, en om de definities van informatie, raadpleging en medezeggenschap te harmoniseren (21). |
|
4.1.5. |
Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs bevestigd dat reeds bestaande onderdelen van de participatie van werknemers op het niveau van de vennootschap, zoals de samenstelling van raden van bestuur. Ook bij de omzetting van vennootschappen in een Europese rechtsvorm, zoals een Europese vennootschap (SE), in acht moeten worden genomen (22). De EU-wetgeving moet ervoor zorgen dat dit element in de wetgeving van de EU-lidstaten op een functioneel vergelijkbare manier wordt geregeld. Dit zou voor alle betrokken partijen een betrouwbare en rechtszekere basis om te handelen creëren. |
|
4.1.6. |
Ter vergroting van de doeltreffendheid van de Europese ondernemingsraden heeft het EESC zich al gebogen over verbeteringen, met name wat betreft de medezeggenschapsrechten, de terbeschikkingstelling van de nodige middelen, de versterking van de handhavingsmaatregelen, de verduidelijking van de definities om ontwijking te voorkomen, alsmede doeltreffende sancties tegen ondernemingen die de desbetreffende bepalingen overtreden (23). |
|
4.1.7. |
Deze eisen komen ook tot uiting in de recente resolutie van het Europees Parlement over de richtlijn inzake Europese ondernemingsraden, waarin de Commissie wordt opgeroepen een voorstel in te dienen voor een herziening van de EOR-richtlijn teneinde de doelstellingen, definities en procedures ervan te verduidelijken en het recht van werknemersvertegenwoordigers en vakbonden op informatie en raadpleging, met name tijdens herstructureringsprocessen, kracht bij te zetten (24). Het EESC beschouwt de eisen van het Parlement dat de EOR-richtlijn verbeterd moet worden als zinvol. Het roept de Commissie op om tijdig wettelijke maatregelen te nemen en daarbij de nadruk te leggen op maatregelen die de effectieve handhaving van Europese rechten in de ondernemingspraktijk bevorderen. |
4.2. Vereisten voor medezeggenschap in de platformeconomie
|
4.2.1. |
De platformeconomie biedt kansen, uitdagingen en risico’s in verband met werk, in combinatie met onzekerheid en ongelijkheid (25), en kan een risico zijn voor de democratie op het werk. Dit geldt met name voor de mogelijkheden tot collectieve vertegenwoordiging en de bescherming van collectieve rechten (26), die tot dusver zijn voorbehouden aan personen die rechtstreeks in dienst zijn genomen. Werknemers in de platformeconomie — grotendeels jonge werknemers aan het begin van hun carrière en migrerende werknemers — staan vaak voor grotere uitdagingen dan anderen als het gaat om arbeidsomstandigheden en beloning, en daarom moeten als aan adequate criteria is voldaan ook aan hen werknemersrechten worden toegekend en moet hun stem deel uitmaken van de workers’ voice. |
|
4.2.2. |
Het EESC vindt het zinvol dat de huidige ontwerprichtlijn inzake platformwerk tot doel heeft schijnzelfstandigheid te voorkomen. Een en ander zou de bewijslast verschuiven van werknemers naar de platforms en platformwerkers bescherming bieden op grond van het arbeids- en sociaal recht, met inbegrip van vertegenwoordigingsrechten en betere toegang tot de rechter. Het EESC neemt nota van de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van het EU-mededingingsrecht op collectieve overeenkomsten met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van zelfstandigen zonder werknemers. |
|
4.2.3. |
Het EESC wijst er eens te meer op dat met name coöperaties kunnen zorgen voor democratie op het werk bij digitale platforms (27). Bovendien steunt het EESC het standpunt van het Europees Parlement dat coöperaties een belangrijk instrument kunnen zijn voor de bottom-uporganisatie van platformwerk (28). |
|
4.2.4. |
Aangezien jongeren met een kwetsbare achtergrond 55 % van de platformwerkers uitmaken, is het van cruciaal belang dat zij op het werk worden voorgelicht over democratie nog voordat zij aan de slag gaan, zodat zij hun rechten kunnen uitoefenen en zich tegen discriminatie kunnen verweren. Net als de sociale partners kunnen maatschappelijke organisaties die werkzaam zijn op het gebied van onderwijs een belangrijke rol spelen, en projecten in die richting moeten ondersteuning krijgen. |
|
4.2.5. |
Het EESC zal bepaalde aspecten van de workers’ voice in de platformeconomie in het oog houden en aandacht besteden aan de specifieke situatie van zelfstandige platformwerkers en de mate waarin zij gedekt worden door collectieve onderhandelingen. |
4.3. De workers’ voice bij het gebruik van artificiële intelligentie (AI) en gegevensbescherming op het werk
|
4.3.1. |
Aangezien AI aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de grondrechten, non-discriminatie en arbeidsomstandigheden, moeten er solide afdwingbare regels om werknemers tegen negatieve gevolgen te beschermen aan het gebruik ervan ten grondslag liggen. AI brengt ook nieuwe uitdagingen met zich mee voor de democratische normen op het werk. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer en handhaving van de desbetreffende wetgeving moeten centraal staan. Bovendien moeten het toezicht op, de traceerbaarheid van en de controle op de bij de werkzaamheden gebruikte AI-algoritmen worden gewaarborgd. Hier rijst bijvoorbeeld de vraag, op welke wijze de toegang van de betrokkenen tot informatie moet worden vormgegeven om inzicht te krijgen in de werking en de gevolgen van het algoritme voor de organisatie van het werk en de arbeidsomstandigheden (29). |
|
4.3.2. |
De sociale partners moeten worden betrokken bij alle stadia van invoering en gebruik van AI. In de kaderovereenkomst van de Europese sociale partners inzake digitalisering van juni 2020 wordt onder meer uitdrukkelijk gewezen op de noodzaak van een goede anticipatie en tijdige betrokkenheid van werknemers en hun vertegenwoordigers op strategisch niveau (30). |
|
4.3.3. |
Big data is een essentieel onderdeel van AI. Daarom moeten AI-systemen ook voldoen aan de beginselen van de Europese verordening gegevensbescherming (AVG). Artikel 88 van de AVG legt werkgevers bijzondere verplichtingen op om werknemersgegevens te beschermen. Volgens het EESC moet worden nagegaan of de bestaande bepalingen, gelet op de dynamische ontwikkelingen en de toenemende complexiteit van de gegevensverwerking, niet moeten worden verbeterd om de noodzakelijke beschermingsrechten te versterken. |
|
4.3.4. |
Vakbonden zouden adequate digitale toegang moeten krijgen tot bedrijven en hun werknemers, zodat een doeltreffende sociale dialoog over AI-toepassingen op de werkplek tot stand gebracht en bevorderd wordt. Er moet voor worden gezorgd dat de AVG in de praktijk niet wordt gebruikt als een belemmering voor de legitieme uitoefening van collectieve werknemersrechten. Misbruik moet worden voorkomen door passende sancties (31). |
|
4.3.5. |
Naast de reeds goedgekeurde adviezen zal het EESC zijn standpunt over de impact van AI op de arbeidswereld verder uitwerken en zich daarbij ook richten op de workers’ voice. |
4.4. Participatie in de passende zorgvuldigheid van ondernemingen in de gehele toeleveringsketen
|
4.4.1. |
De Europese Green Deal als duurzame groeistrategie voor de EU betekent dat niet alleen economisch succes, maar ook sociale en ecologische doelstellingen essentiële doelen zijn voor ondernemingen. Daarom moet in gemeenschappelijke regels die ervoor zorgen dat ondernemingen en hun eigenaren zich aan “goede corporate governance” houden, op evenwichtige wijze plaats worden ingeruimd voor de rol van alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de workers’ voice. |
|
4.4.2. |
Naleving van mensen- en werknemersrechten alsmede ecologische doelstellingen in de toeleveringsketen zijn belangrijke elementen van duurzaam ondernemingsbestuur. Wereldwijd “goed werk” creëren moet een erkende doelstelling worden voor ondernemingsbeslissingen (32). Het EESC heeft daarom al erkend dat er op EU-niveau behoefte is aan een uniform rechtskader voor bedrijven (33). Toeleveringsketens moeten een groter deel van het risicobeheer uitmaken, mede in het kader van de eerbiediging van de mensenrechten. Het is dan ook logisch dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij de raad van bestuur komt te liggen. |
|
4.4.3. |
Niet alleen werknemers met hun vakbonden en vertegenwoordigende organen, maar ook de belangen van het maatschappelijk middenveld, zoals milieu- en mensenrechtenorganisaties en consumentenorganisaties, kunnen een doorslaggevende rol spelen bij het toezicht op passende zorgvuldigheid. Daarom is het EESC ingenomen met de voorgestelde invoering van mechanismen om de naleving van zorgvuldigheidsverplichtingen door ondernemingen te beoordelen en er toezicht op te houden. Het constateert echter met bezorgdheid dat hierbij niet is voorzien in een dialoog tussen de sociale partners. |
|
4.4.4. |
Het EESC heeft al een bindend rechtskader voorgesteld voor passende zorgvuldigheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij de workers’ voice een belangrijke rol moet spelen (34). Het roept de Commissie op om, als onderdeel van het lopende besluitvormingsproces, in de voorgestelde wetstekst bepalingen op te nemen voor de verplichte en daadwerkelijke deelname van werknemers en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld aan het proces van de zorgvuldigheidsplicht, al naargelang hun desbetreffende belangen. |
4.5. Verdere overwegingen over democratie in de wereld van het werk en directe vormen van participatie
|
4.5.1. |
De participatieve managementbenadering is ook van belang op gebieden met zwak ontwikkelde vormen van werknemersvertegenwoordiging, zoals start-ups, freelancebedrijven en tal van kmo’s. Deze aanpak speelt nu al een belangrijke rol in ondernemingen van de sociale economie, met name in economisch actieve ngo’s en coöperaties. Het EESC zal de uitwisseling van ervaringen met beste praktijken op dit gebied bevorderen, in het bijzonder met betrekking tot de interactie tussen enerzijds de statutaire participatie van werknemers en hun participatie in vakbonden en anderzijds vormen van directe participatie als onderdeel van participatief management. |
|
4.5.2. |
In aanvulling op de democratie op het werk op basis van de wetgeving en/of de sociale dialoog bestaan er andere succesvolle vormen van democratische participatie van werknemers die springlevend zijn in de sociale economie, en dan vooral in coöperaties. |
|
4.5.3. |
Om de regionale structuurverandering in de zin van een “green and social deal” vorm te geven, rijst de vraag op welke wijze vormen van democratie op het werk kunnen worden gekoppeld aan vormen van participerende democratie buiten het werk, met de inbreng van maatschappelijke organisaties zoals milieu- en sociale organisaties in de regionale en lokale context. |
|
4.5.4. |
Voor de succesvolle omzetting van diverse vormen van democratie in de wereld van het werk is ook een op kennis gebaseerde samenwerking van alle stakeholders vereist. Organisaties van het maatschappelijk middenveld die regionaal of lokaal werkzaam zijn op het gebied van voorlichting, onderwijs en empowerment kunnen deze samenwerking in overleg met de sociale partners en lokale overheden ondersteunen door middel van gerichte maatregelen die aan de plaatselijke omstandigheden zijn aangepast. In dit verband kunnen deze organisaties, waaronder consumenten- en mensenrechtenorganisaties, in sommige lidstaten een aanvullende rol spelen om werknemers mondiger te maken en werkgevers aan te zetten tot sociaal verantwoord ondernemen. Zulke activiteiten moeten ook door middel van de Europese structuurfondsen worden ondersteund. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Commission presents Action Plan to boost the social economy and create jobs — 9.12.2021.
(2) Benchmarking Working Europe 2019, hoofdstuk 4.
(3) Rekening houdend met de verschillende vormen en processen van betrokkenheid van werknemers en hun vertegenwoordigers in de lidstaten, wordt in dit advies waar nodig de overkoepelende term “workers’ voice” gebruikt.
(4) Mede dankzij de sociale partners is het afgeleide recht uitgebreid met een corpus van bijna veertig richtlijnen, die een breed wettelijk kader vormen voor informatie, raadpleging en medezeggenschap van werknemers; ETUI — Facts & Figures.
(5) Verklaring van Porto over sociaal engagement 2021.
(6) Rapport A9-0331/2021 van het Europees Parlement.
(7) Resolutie P9_TA(2023)0028 van het Europees Parlement.
(8) Voorstel voor een aanbeveling van de Raad over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (COM(2023) 38 final, blz. 14).
(9) In deze resolutie staat het volgende: “erkenning van de bijdrage van de sociale en solidaire economie aan fatsoenlijk werk en inclusieve en duurzame economieën, aan de bevordering van internationale arbeidsnormen, met inbegrip van de grondrechten op het werk, aan de verbetering van de levensstandaard voor iedereen en aan sociale innovatie, onder meer op het gebied van omscholing en bijscholing”.
(10) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77.
(11) PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14.
(12) PB C 159 van 10.5.2019, blz. 1, paragraaf 1.1.
(13) Resolutie van het EESC over het Europees Jaar van de Jeugd, goedgekeurd op 8.12.2021, punten 2.13 en 2.14 (PB C 100 van 16.3.2023, blz. 1).
(14) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77, paragraaf 1.4, en PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14, paragraaf 5.5.2.
(15) PB C 286 van 16.7.2021, blz. 13, paragraaf 1.6.
(16) PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, paragraaf 2.6.
(17) Europese bedrijvenenquête 2019.
(18) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77, paragraaf 4.1; PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, paragraaf 1.11; PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14, paragraaf 5.1; PB C 106 van 31.3.2020, blz. 1.
(19) PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, paragrafen 1.14 en 3; PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14; PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35, paragrafen 4.2.2 en 4.4.2.
(20) Rapport A9-0331/2021 van het Europees Parlement.
(21) Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28) en Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29) moeten hierbij als ijkpunt dienen; zie PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35, paragrafen 1.6 en 4.4.2.
(22) Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 oktober 2022, C-677/20 (SAP), en van 18 juli 2017, C-566/15 (TUI).
(23) PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14, paragraaf 1.10.
(24) Resolutie P9_TA(2023)0028 van het Europees Parlement.
(25) The platform economy and the disruption of the employment relationship.
(26) PB C 290 van 29.7.2022, blz. 95.
(27) PB C 152 van 6.4.2022, blz. 38.
(28) EP-verslag: Verslag richtlijn platformwerk, overweging 39 bis (nieuw).
(29) Labour in the age of AI: why regulation is needed to protect workers.
(30) Overeenkomst van de Europese sociale partners over digitalisering.
(31) ECA-studie (2021), Data Protection Law and the Exercise of Collective Labour Rights.
(32) PB C 486 van 21.12.2022, blz. 149, paragrafen 1.8 en 1.9.
(33) PB C 486 van 21.12.2022, blz. 149, paragraaf 1.11.
(34) PB C 443 van 22.11.2022, blz. 81, paragraaf 1.7, en PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, paragraaf 3.10.
BIJLAGE
De volgende wijzigingsvoorstellen, die minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen kregen, werden tijdens de beraadslagingen verworpen (artikel 74, lid 3, van het reglement van orde):
WIJZIGINGSVOORSTEL 3
SOC/746
Democratie op het werk
Paragraaf 4.1.3
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
||||||||
|
Zo heeft het EESC zich gebogen over de noodzaak van een geharmoniseerd kader op EU-niveau voor de medezeggenschap van werknemers in bestuursorganen over de strategische keuzes van ondernemingen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de lidstaten en op ondernemingsniveau (1).
|
Zo heeft het EESC zich gebogen over de noodzaak van een geharmoniseerd kader op EU-niveau voor de medezeggenschap van werknemers in bestuursorganen over de strategische keuzes van ondernemingen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de lidstaten en op ondernemingsniveau (1).
|
Motivering
Aangezien de medezeggenschap in ondernemingen ongeacht de vorm ervan altijd gebaseerd is op nationale wetgeving of praktijken, zou het Europese vennootschapsrecht op zich geen gevolgen moeten hebben voor medezeggenschapsregelingen. Er is hoe dan ook geen nieuwe EU-regelgeving nodig om mogelijke problemen op te lossen.
Stemuitslag
|
Vóór: |
98 |
|
Tegen: |
130 |
|
Onthoudingen: |
20 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 4
SOC/746
Democratie op het werk
Paragraaf 4.1.5
Paragraaf schrappen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs bevestigd dat reeds bestaande onderdelen van de participatie van werknemers op het niveau van de vennootschap, zoals de samenstelling van raden van bestuur. ook bij de omzetting van vennootschappen in een Europese rechtsvorm, zoals een Europese vennootschap (SE), in acht moeten worden genomen (1) . De EU-wetgeving moet ervoor zorgen dat dit element in de wetgeving van de EU-lidstaten op een functioneel vergelijkbare manier wordt geregeld. Dit zou voor alle betrokken partijen een betrouwbare en rechtszekere basis om te handelen creëren. |
|
Motivering
Deze kwestie is in de studiegroep niet naar behoren behandeld, aangezien het om zeer complexe juridische materie gaat met een aantal landspecifieke aspecten. Wat dat betreft, is het niet aan het EESC om conclusies te trekken uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU.
Stemuitslag
|
Vóór: |
100 |
|
Tegen: |
136 |
|
Onthoudingen: |
15 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 5
SOC/746
Democratie op het werk
Paragraaf 4.1.7
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Deze eisen komen ook tot uiting in de recente resolutie van het Europees Parlement over de richtlijn inzake Europese ondernemingsraden, waarin de Commissie wordt opgeroepen een voorstel in te dienen voor een herziening van de EOR-richtlijn teneinde de doelstellingen, definities en procedures ervan te verduidelijken en het recht van werknemersvertegenwoordigers en vakbonden op informatie en raadpleging, met name tijdens herstructureringsprocessen, kracht bij te zetten (1). Het EESC beschouwt de eisen van het Parlement dat de EOR-richtlijn verbeterd moet worden als zinvol . Het roept de Commissie op om tijdig wettelijke maatregelen te nemen en daarbij de nadruk te leggen op maatregelen die de effectieve handhaving van Europese rechten in de ondernemingspraktijk bevorderen. |
Deze eisen komen ook tot uiting in de recente resolutie van het Europees Parlement over de richtlijn inzake Europese ondernemingsraden, waarin de Commissie wordt opgeroepen een voorstel in te dienen voor een herziening van de EOR-richtlijn teneinde de doelstellingen, definities en procedures ervan te verduidelijken en het recht van werknemersvertegenwoordigers en vakbonden op informatie en raadpleging, met name tijdens herstructureringsprocessen, kracht bij te zetten (1). Het EESC neemt kennis van de eisen van het Parlement dat de EOR-richtlijn verbeterd moet worden. Het roept de Commissie op om tijdig maatregelen te nemen en daarbij de nadruk te leggen op maatregelen die de effectieve handhaving van Europese rechten in de ondernemingspraktijk bevorderen. Het EESC neemt er ook nota van dat de Commissie op 11 april de eerste fase van de raadpleging van de Europese sociale partners over een mogelijke herziening van de EOR-richtlijn heeft opgestart om een beeld te krijgen van hoe de Europese sociale partners aankijken tegen de noodzaak en de algemene oriëntatie van mogelijke EU-maatregelen ter verbetering van de EOR-richtlijn. De raadpleging loopt zes weken (2) . |
Motivering
De meningen over de steun voor en het nut van de resolutie van het Europees Parlement lopen duidelijk uiteen. Daarom zou, bij wijze van compromis, kunnen worden geschreven dat kennis wordt genomen van de resolutie van het EP. Ook zou vermeld moeten worden van dat de Commissie op 11 april de eerste fase van de raadpleging van de Europese sociale partners over een mogelijke herziening van de EOR-richtlijn heeft opgestart om een beeld te krijgen van hoe de Europese sociale partners aankijken tegen de noodzaak en de algemene oriëntatie van mogelijke EU-maatregelen ter verbetering van de EOR-richtlijn. De raadpleging loopt zes weken.
Stemuitslag
|
Vóór: |
86 |
|
Tegen: |
139 |
|
Onthoudingen: |
18 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 6
SOC/746
Democratie op het werk
Paragraaf 4.4.4
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Het EESC heeft al een bindend rechtskader voorgesteld voor passende zorgvuldigheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij de workers’ voice een belangrijke rol moet spelen (1). Het roept de Commissie op om, als onderdeel van het lopende besluitvormingsproces, in de voorgestelde wetstekst bepalingen op te nemen voor de verplichte en daadwerkelijke deelname van werknemers en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld aan het proces van de zorgvuldigheidsplicht, al naargelang hun desbetreffende belangen. |
Het EESC heeft al een bindend rechtskader voorgesteld voor passende zorgvuldigheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij de workers’ voice een belangrijke rol zal spelen (1). |
Motivering
Het wijzigingsvoorstel doet meer recht aan het doel van de adviezen van het EESC met betrekking tot duurzame zorgvuldigheid in het bedrijfsleven.
Omdat het voorstel van de Commissie inzake passende zorgvuldigheid zich nog in het wetgevingsproces bevindt, hebben reacties van het EESC geen nut. Wat de inhoud van de zin betreft kan het verzoek om wettelijke bepalingen inzake verplichte deelneming niet worden gesteund, omdat dit de verantwoordelijkheden van het management en de eigenaren van het bedrijf zou ondermijnen.
Stemuitslag
|
Vóór: |
89 |
|
Tegen: |
148 |
|
Onthoudingen: |
11 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 1
SOC/746
Democratie op het werk
Paragraaf 1.6
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Europese ondernemingsraden leveren al decennialang een positieve bijdrage aan de economische, sociale en ecologische langetermijndoelstellingen van ondernemingen. Om hun potentieel en doeltreffendheid te vergroten moeten hun participatierechten en middelen aanzienlijk worden verbeterd. Ontduiking of schending van de medezeggenschapsrechten van de Europese ondernemingsraad (EOR) moet bijvoorbeeld doeltreffend worden bestraft en de toegang tot de rechter moet worden vergemakkelijkt . In dit verband is het EESC ingenomen met de recente resolutie van het Europees Parlement over de herziening van de EOR-richtlijn en roept het de Commissie op spoedig juridische maatregelen te nemen; |
Europese ondernemingsraden leveren al decennialang een positieve bijdrage aan de economische, sociale en ecologische langetermijndoelstellingen van ondernemingen. Om hun potentieel en doeltreffendheid te vergroten, moeten goede handhaving en begeleiding op basis van praktische instrumenten zoals benchmarking met beste praktijken nog meer bevorderd worden. In dit verband neemt het EESC kennis van de recente resolutie van het Europees Parlement over de herziening van de EOR-richtlijn en roept het de Commissie op spoedig passende maatregelen te nemen om de correcte handhaving van de richtlijn te bevorderen . Het EESC neemt er ook nota van dat de Commissie op 11 april de eerste fase van de raadpleging van de Europese sociale partners over een mogelijke herziening van de EOR-richtlijn heeft opgestart om een beeld te krijgen van hoe de Europese sociale partners aankijken tegen de noodzaak en de algemene oriëntatie van mogelijke EU-maatregelen ter verbetering van de EOR-richtlijn. De raadpleging loopt zes weken (1) . |
Motivering
De richtlijn Europese ondernemingsraden, zoals herschikt in 2009, dient het beoogde doel en er is geen behoefte aan een langdurige en omslachtige juridische herziening. In plaats daarvan zou de handhaving van de richtlijn in een geest van goede samenwerking kunnen worden versterkt door gezamenlijke inspanningen van de sociale partners, zoals de ontwikkeling van een praktijkcode. Ook zou vermeld moeten worden van dat de Commissie op 11 april de eerste fase van de raadpleging van de Europese sociale partners over een mogelijke herziening van de EOR-richtlijn heeft opgestart om een beeld te krijgen van hoe de Europese sociale partners aankijken tegen de noodzaak en de algemene oriëntatie van mogelijke EU-maatregelen ter verbetering van de EOR-richtlijn. De raadpleging loopt zes weken.
Stemuitslag: houdt verband met wijzigingsvoorstel 5.
WIJZIGINGSVOORSTEL 2
SOC/746
Democratie op het werk
Paragraaf 1.11
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Helaas wordt werknemersparticipatie op bestuursniveau van ondernemingen niet gezien als een essentieel onderdeel van duurzaam ondernemingsbestuur. Daarom steunt het EESC passende maatregelen om een geharmoniseerd kader voor de medezeggenschap van werknemers in bestuursorganen tot stand te brengen waarin rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de lidstaten , en om te voorkomen dat het Europese vennootschapsrecht leidt tot vermijding of uitholling van de medezeggenschap in ondernemingen in de lidstaten . |
Helaas wordt werknemersparticipatie op bestuursniveau van ondernemingen niet gezien als een essentieel onderdeel van duurzaam ondernemingsbestuur. Daarom steunt het EESC passende maatregelen om de medezeggenschap van werknemers in bestuursorganen te steunen , met inachtneming van de verschillen tussen de lidstaten. |
Motivering
Op EU-niveau is er een alomvattend rechtskader voor het informeren en raadplegen van werknemers, maar de systemen voor medezeggenschap van werknemers zijn gebaseerd op nationale rechtskaders en diepgewortelde tradities. EU-regelgeving zou nationale ontwikkelingen ondermijnen en verstikken en in botsing komen met de nationale vennootschapsrechtstelsels. Regelgeving is hier niet de beste manier om vooruitgang te boeken. Wel kan gedacht worden aan de uitwisseling van goede praktijken en andere manieren om informatie te verspreiden.
Aangezien de medezeggenschap in ondernemingen ongeacht de vorm ervan altijd gebaseerd is op nationale wetgeving of praktijken, zou het Europese vennootschapsrecht op zich geen gevolgen moeten hebben voor medezeggenschapsregelingen. Er is hoe dan ook geen nieuwe EU-regelgeving nodig om mogelijke problemen op te lossen.
Stemuitslag: houdt verband met wijzigingsvoorstel 3.
(1) PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, par. 1.14 en par. 3, PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14, PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35, par. 4.2.2 en par. 4.4.2.
(2) Rapport A9-0331/2021 van het Europees Parlement
(1) PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, par. 1.14 en par. 3, PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14, PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35, par. 4.2.2 en par. 4.4.2.
(2) Rapport A9-0331/2021 van het Europees Parlement.
(1) Arrest van het HvJ-EU van 18 oktober 2022, C-677/20 (SAP), arrest van het HvJ-EU van 18 juli 2017, C-566/15 (TUI).
(1) Resolutie P9_TA(2023)0028 van het Europees Parlement
(1) Resolutie P9_TA(2023)0028 van het Europees Parlement.
(2) Eerste fase van de raadpleging van de sociale partners (europa.eu).
(1) PB C 443 van 22.11.2022, blz. 81, par. 1.7 en PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, par. 3.10.
(1) PB C 443 van 22.11.2022, blz. 81, par. 1.7 en PB C 341 van 24.8.2021, blz. 23, par. 3.10.
(1) Eerste fase van de raadpleging van de sociale partners (europa.eu).
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/58 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de procedure voor sociale onevenwichtigheden
(verkennend advies op verzoek van het Spaanse voorzitterschap)
(2023/C 228/07)
|
Rapporteur: |
Justyna Kalina OCHĘDZAN |
|
Verzoek van het Spaanse voorzitterschap van de Raad |
Brief, 27.7.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
234/7/5 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat de EU en de lidstaten zich op een economisch, sociaal en ecologisch duurzame manier moeten ontwikkelen om op deze drie gebieden tot opwaartse convergentie te komen, met een hoge mate van eerbiediging van de mensenrechten. De gelijktijdige ontwikkeling van deze gebieden brengt een aantal uitdagingen met zich mee. |
|
1.2. |
In het licht van de vele huidige crises en het feit dat zich ook in de toekomst nog nieuwe crises kunnen voordoen, meent het EESC dat het EU-instrumentarium voor sociale governance opnieuw moet worden bezien om opwaartse sociale convergentie te bewerkstelligen en ongelijkheden te verminderen. |
|
1.3. |
De vele crises en de langetermijneffecten ervan vormen een bedreiging voor de opwaartse sociale convergentie in de EU, en de budgettaire en macro-economische governance en milieugovernance zijn meer ontwikkeld en beter gecoördineerd dan de sociale governance. De procedure voor sociale onevenwichtigheden (SIP) is een kans om de nationale inspanningen op het vlak van opwaartse sociale convergentie beter te coördineren. Daarnaast zou de procedure ook moeten leiden tot een beter gebruik van de huidige EU-governancestructuur. |
|
1.4. |
Het EESC beveelt aan de SIP in te voeren en verder te ontwikkelen als onderdeel van het geïntegreerde beleidscoördinatiesysteem van de EU en de lidstaten in het kader van het Europees Semester. De SIP moet een aanvulling vormen op bestaande monitoringprocessen en -instrumenten en een duidelijke meerwaarde bieden waar het gaat om het bevorderen van opwaartse sociale convergentie. |
|
1.5. |
De beste manier om de SIP in te voeren is via een stapsgewijze aanpak die waar mogelijk voortborduurt op en geïntegreerd is in bestaande procedures en systemen voor de monitoring van sociale resultaten op basis van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) en het bijbehorende actieplan. |
|
1.6. |
Het EESC stelt voor sociale onevenwichtigheden te definiëren als de kritieke situaties die door middel van het sociale scorebord worden vastgesteld en duidelijke afwijkingen zijn van het traject naar de verwezenlijking van de doelstellingen van het bij de EPSR behorende actieplan. De kwaliteit van de methode voor het meten van sociale resultaten moet worden verbeterd, zodat er ten volle rekening kan worden gehouden met de beginselen van de EPSR en met meerjarige trends. |
|
1.7. |
Het EESC pleit ervoor de SIP in alle fasen van het Europees Semester te integreren. De Commissie en de Raad moeten gebruikmaken van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, de landverslagen en diepgaande ad-hocevaluaties om de sociale onevenwichtigheden in kaart te brengen en aan te pakken. In de landspecifieke aanbevelingen zou in een apart punt in de preambule en in de aanbevelingen zelf moeten worden ingegaan op de sociale onevenwichtigheden die in het landverslag beschreven zijn. De aanbevelingen zouden de lidstaten ertoe moeten aanzetten specifieke hervormingen door te voeren die volgens de analyse van de Commissie en de beoordelingen van lidstaten, nationale sociale partners en maatschappelijke organisaties de situatie op de als kritiek aangemerkte gebieden naar alle waarschijnlijkheid zouden verbeteren. Na overleg met de sociale partners en maatschappelijke organisaties zou de betrokken lidstaat dan vervolgens de nodige initiatieven en hervormingen moeten voorstellen om de in kaart gebrachte kritieke situaties te verbeteren. Het plan daartoe zou ook een beoordeling kunnen bevatten van de samenhang tussen de initiatieven en het macro-economische en begrotingsbeleid van de betrokken lidstaat, zodat de economische, de sociale en de budgettaire dimensie met elkaar in evenwicht zijn. |
|
1.8. |
De Europese Commissie en de lidstaten moeten overwegen de bestaande regels voor de toewijzing van middelen uit fondsen (onder meer de ESIF en de herstel- en veerkrachtfaciliteit) flexibeler te maken zodat zij snel kunnen worden aangepast aan de maatschappelijke uitdagingen van het moment en kunnen worden afgestemd op de kritieke situaties die onder meer bij de toepassing van de SIP zijn vastgesteld. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Dit advies is een reactie op het verzoek van het Spaanse voorzitterschap om een verkennend advies van het EESC over de procedure voor sociale onevenwichtigheden (SIP). De taak van het EESC bestaat erin de volgende vragen te beantwoorden: i) Wat is volgens het EESC de beste manier om de SIP te ontwikkelen als een specifiek mechanisme voor het opsporen en monitoren van de toenemende sociale ongelijkheden in de EU? ii) Wat is de beste manier om de SIP in te passen in de huidige institutionele structuur en het schema van het Europees Semester en tegelijkertijd de administratieve lasten als gevolg van de eventuele invoering ervan te beperken? iii) Op welke manier kan de Europese pijler van sociale rechten worden gekoppeld aan het monitoringsysteem dat voortvloeit uit de oprichting van de SIP? iv) Hoe kan het huidige proces van economische governance worden gebruikt om de samenhang en harmonie tussen de macro-economische en sociale aspecten van het Europees Semester te versterken? |
|
2.2. |
Om tot een rechtvaardige groene en digitale transitie te komen en de negatieve gevolgen van de COVID-19-pandemie te beperken, moeten de EU en haar lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de oorzaken van sociale ongelijkheden en streven naar een evenwicht tussen economische en sociale ontwikkeling, hetgeen sociale inclusie bevordert, op basis van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) (1). |
|
2.3. |
Tijdens de sociale top van Porto in mei 2021 hebben België en Spanje voorgesteld, voortbouwend op de benadering van macro-economische onevenwichtigheden in het waarschuwingsmechanismeverslag, om het herziene sociale scorebord uit te breiden met een waarschuwingsmechanisme dat vervolgacties en besprekingen op Commissie- en ministerieel niveau op gang kan brengen (2). |
|
2.4. |
De discussie ter versterking van de sociale dimensie van het Europees Semester door de invoering van een procedure voor sociale onevenwichtigheden (SIP) is in de Raad Epsco in oktober en december 2021 voortgezet, en het Franse voorzitterschap nam de SIP op in de debatten en de agenda voor de eerste helft van 2022. De conclusies van al deze besprekingen kwamen aan bod tijdens de vergadering van de Raad Epsco in juni 2022. |
|
2.5. |
In het kader van de uitvoering van de EPSR hebben de EU en de lidstaten overeenstemming bereikt over een EPSR-actieplan met drie hoofddoelstellingen en secundaire doelstellingen. Elke lidstaat heeft in dit verband ook zijn eigen doelstellingen vastgesteld. Daarnaast wordt de uitvoering van de EPSR in de lidstaten gemonitord volgens de methode van het sociale scorebord (3) met sleutel- en secundaire indicatoren. Op basis van deze monitoring wordt de positie van de lidstaten ten opzichte van het gemiddelde bepaald op de gebieden waarop de indicatoren betrekking hebben. Zo kan worden vastgesteld op welke gebieden van de EPSR in specifieke landen actie moet worden ondernomen (sociaal kritieke situaties). |
|
2.6. |
Het Europees Semester (4) is het proces van de coördinatie van het beleid van de EU en de lidstaten ten aanzien van instrumenten om economische, sociale en milieudoelstellingen te verwezenlijken. In het Semester wordt ook rekening gehouden met de EPSR, het plan voor de uitvoering ervan en de monitoring van de sociale resultaten. |
3. Naar opwaartse sociale convergentie
|
3.1. |
Gezien de vele huidige crises, de dreiging van toekomstige crises en de economische en sociale onevenwichtigheden meent het EESC dat het EU-instrumentarium voor sociale governance opnieuw moet worden bezien om opwaartse sociale convergentie te bewerkstelligen en ongelijkheden te verminderen (5). 37 % van de Europeanen was het in 2022 (volledig) oneens met de stelling dat mensen in hun land krijgen wat ze verdienen, terwijl maar 35 % zich daarin kon vinden (6). |
|
3.2. |
Volgens het EESC vormt de gelijktijdige verwezenlijking van economische, sociale en milieudoelstellingen binnen een context van alomvattende opwaartse convergentie een grote uitdaging. De afgelopen jaren zijn er procedures ontwikkeld voor budgettaire en macro-economische governance alsmede voor milieugovernance om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, en is er voor coördinatie tussen die procedures gezorgd. Maar de sociale dimensie van de EU-governance blijft achter als het gaat om de ontwikkeling van deze gebieden en de coördinatie daartussen. |
|
3.3. |
In tijden van crises op het gebied van energie, migratie en klimaat, in het licht van de oorlog en in de periode na COVID-19 heeft Europa een sterk economisch en sociaal leiderschap nodig, zowel in de EU als op het niveau van de lidstaten. Het EESC beveelt derhalve aan de SIP in te voeren als monitoring- en coördinatiemechanisme. Dat zou bijdragen tot een betere verwezenlijking van sociale en economische doelstellingen en zou tegelijk de sociale convergentie in de hele EU bevorderen. |
|
3.4. |
De Europese Commissie en de lidstaten moeten overwegen de bestaande regels voor de toewijzing van middelen uit fondsen (onder meer de ESIF en de herstel- en veerkrachtfaciliteit) flexibeler te maken zodat zij snel kunnen worden aangepast aan de maatschappelijke uitdagingen van het moment en kunnen worden afgestemd op de kritieke situaties die onder meer bij de toepassing van de SIP zijn vastgesteld. COVID-19, de oorlog in Oekraïne, de kosten van levensonderhoud die de pan uitrijzen en de klimaat- en migratiecrisis vragen allemaal om betere nationale en waar passend EU-maatregelen om de langetermijneffecten van crises en nieuwe vormen van uitsluiting aan te pakken. 93 % van de Europeanen maakt zich op dit moment met name zorgen over de stijgende kosten van levensonderhoud, terwijl 82 % vooral wakker ligt van armoede en sociale uitsluiting (7). Uit een andere Eurobarometer-enquête blijkt dat 78 % van de Europeanen van mening is dat de totale overheidsuitgaven voor de belangrijkste sociale beleidsmaatregelen moeten worden opgetrokken (8). |
4. Antwoorden op de vragen van het Spaanse voorzitterschap
|
4.1. |
Het EESC stelt voor sociale onevenwichtigheden te definiëren als de kritieke situaties die door middel van het sociale scorebord worden vastgesteld en duidelijke afwijkingen zijn van het traject naar de verwezenlijking van de doelstellingen van het bij de EPSR behorende actieplan. De kwaliteit van de methode voor het meten van sociale resultaten moet worden verbeterd, zodat er ten volle rekening kan worden gehouden met de beginselen van de EPSR en met meerjarige trends. Voor het meten van de vooruitgang die met de verwezenlijking van de doelstellingen van het EPSR-actieplan wordt geboekt, zouden alleen betrouwbare en vergelijkbare indicatoren in aanmerking mogen worden genomen. |
|
4.2. |
Het EESC beveelt aan de SIP in te voeren en verder te ontwikkelen als onderdeel van het geïntegreerde beleidscoördinatiesysteem van de EU en de lidstaten in het kader van het Europees Semester. De SIP moet een aanvulling vormen op bestaande monitoringprocessen en -instrumenten en een duidelijke meerwaarde bieden waar het gaat om het bevorderen van opwaartse sociale convergentie. Tegelijkertijd moeten onnodige administratieve lasten worden vermeden om te zorgen voor engagement en een gevoel van verantwoordelijkheid in de lidstaten. |
|
4.3. |
Met de SIP wordt een betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten beoogd bij het bereiken van opwaartse sociale convergentie overeenkomstig de EPSR-beginselen. Het EESC gaat ervan uit dat dit al gedeeltelijk wordt bewerkstelligd in het kader van het EPSR-actieplan en de doelstellingen daarvan voor 2030, en in het kader van de monitoring van de sociale resultaten. Wel vreest het dat de verwezenlijking van deze doelstellingen zal worden belemmerd door het gebrek aan sociale investeringen en hervormingen in de lidstaten waar de sociale situatie volgens het sociale scorebord kritiek is. Zulke situaties brengen de verwezenlijking van de doelstellingen van het EPSR-actieplan en van opwaartse sociale convergentie in gevaar en moeten derhalve in de SIP bijzondere aandacht krijgen. |
|
4.4. |
Het EESC is van mening dat aan de SIP hetzelfde belang zou moeten worden toegekend als aan het SGP of de PMO. Met behulp van de SIP kunnen de reeds bereikte resultaten op het gebied van sociale governance verder worden verbeterd door doeltreffender gebruik te maken van bestaande processen en manieren om sociale convergentie te meten en, waar nodig, nieuwe te ontwikkelen. De PMO en de SIP moeten worden gecoördineerd en mogen elkaar niet overlappen. |
|
4.5. |
Het EESC wijst erop dat de bevoegdheden van de EU en de lidstaten om sociaal beleid op het gebied van werk, onderwijs, gezondheid en sociale bescherming, terreinen die onder de EPSR vallen, vorm te geven, verschillen. De belangrijkste bevoegdheden en verantwoordelijkheden liggen hier bij de lidstaten, dat wil zeggen de nationale regeringen en de lokale en regionale overheden, alsmede bij diverse belanghebbenden zoals vakbonden, werkgeversorganisaties en maatschappelijke organisaties. Resultaat van deze verdeling van bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten is dat de EU in het kader van het cohesiebeleid en haar sociale prioriteiten tal van initiatieven neemt op het vlak van coördinatie, regelgeving en financiering. |
|
4.6. |
Volgens het EESC staat de huidige wettelijke situatie in de EU invoering van de SIP niet in de weg. Op grond daarvan heeft de EU belangrijke sociale taken, die zij kan vervullen door middel van verklaringen (EPSR en actieplan), aanbevelingen, financiële instrumenten (sociale conditionaliteit en sociale prioriteiten van het cohesiebeleid) en coördinatie-instrumenten (het Europees Semester en de monitoring van de sociale resultaten op basis van de EPSR). Hierbij wordt rekening gehouden met de specifieke bevoegdheden op de verschillende niveaus en met de rol van de diverse belanghebbenden, dat wil zeggen werkgeversorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties. De SIP kan beleidsmakers ondersteunen bij hun streven om opwaartse sociale convergentie tot stand te brengen en de ongelijkheid terug te dringen. Daarbij moeten de sociale aspecten die door de lidstaten en de verschillende belanghebbenden gezamenlijk als relevant zijn bestempeld, in aanmerking worden genomen. |
|
4.7. |
Indien de SIP goed wordt gekoppeld aan bestaande mechanismen, zoals het Europees Semester en met name het sociale scorebord, kan ermee worden voortgebouwd op al behaalde successen, dat wil zeggen het EPSR-actieplan en de monitoring van de sociale resultaten op basis van de EPSR. |
|
4.8. |
Gelet op bovenstaande meent het EESC dat het wijzigen van de door de Europese Commissie gehanteerde uitgangspunten voor het opstellen van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, de landverslagen en de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester de eerste stap in de ontwikkeling van de SIP zou moeten zijn. |
|
4.9. |
Het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid en de landverslagen zouden een apart subhoofdstuk moeten krijgen over de sociale onevenwichtigheden die de opwaartse sociale convergentie in gevaar brengen, met vermelding van de gebieden die bij de monitoring via het sociale scorebord als kritiek zijn aangemerkt. Dit zal dus alleen gelden voor de lidstaten waar dergelijke gebieden zijn vastgesteld. |
|
4.10. |
Het EESC pleit ervoor de SIP in alle fasen van het Europees Semester te integreren. De Commissie en de Raad moeten gebruikmaken van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, de landverslagen en diepgaande ad-hocevaluaties om de sociale onevenwichtigheden in kaart te brengen en aan te pakken. |
|
4.11. |
In de landspecifieke aanbevelingen zou in een apart punt in de preambule en in de aanbevelingen zelf moeten worden ingegaan op de sociale onevenwichtigheden die in het landverslag beschreven zijn. De aanbevelingen zouden de lidstaten ertoe moeten aanzetten specifieke hervormingen door te voeren die volgens de analyse van de Commissie en de beoordelingen van lidstaten, nationale sociale partners en maatschappelijke organisaties de situatie op de als kritiek aangemerkte gebieden naar alle waarschijnlijkheid zouden verbeteren. Na overleg met de sociale partners en maatschappelijke organisaties zou de betrokken lidstaat dan vervolgens de nodige initiatieven en hervormingen moeten voorstellen om de in kaart gebrachte kritieke situaties te verbeteren. Het plan daartoe zou ook een beoordeling kunnen bevatten van de samenhang tussen de initiatieven en het macro-economische en begrotingsbeleid van de betrokken lidstaat, zodat de economische, de sociale en de budgettaire dimensie met elkaar in evenwicht zijn. |
|
4.12. |
De EU moet gebruikmaken van nieuwe en beter gefinancierde instrumenten om de burgers van de lidstaten rechtstreeks op de hoogte te brengen van de SIP en de aanbevelingen van het Semester, om de transparantie te vergroten en invloed uit te oefenen op de situatie in de lidstaten. |
|
4.13. |
Om neerwaartse convergentie te voorkomen, zouden landen waartegen een buitensporigtekortprocedure loopt, een plan voor hervormingen en investeringen moeten aannemen op de gebieden die als kritiek zijn aangemerkt. De lidstaten in kwestie zouden in een dergelijke situatie het recht moeten hebben om in overleg met de Commissie opnieuw te onderhandelen over de bestedingsplannen voor andere fondsen, waaronder eventueel de herstel- en veerkrachtfaciliteit. |
|
4.14. |
Deze eerste stap in de ontwikkeling van de SIP, zoals hierboven voorgesteld, brengt voor zowel de EU als de lidstaten de minst mogelijke lasten met zich mee in termen van extra analytisch en administratief werk. Er worden geen bijkomende rapportagevereisten voor alle lidstaten voorgesteld, noch worden er nieuwe monitoring- en rapportageprocedures aan de reeds bestaande toegevoegd. |
|
4.15. |
Het huidige monitoringsysteem van het sociale scorebord dat voor de EPSR is ontwikkeld, is reeds operationeel en is gebaseerd op een complexe methode voor de interpretatie van een grote reeks indicatoren. Die komen overeen met de belangrijkste gebieden van de EPSR. Ook de vooruitgang die wordt geboekt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het EPSR-actieplan wordt gemonitord. De SIP moet worden geïntegreerd in het bestaande proces van het Europees Semester, en er moet gebruik worden gemaakt van bestaande indicatoren (sociaal scorebord). |
|
4.16. |
Als de volgende stap in de invoering van de SIP moeten de reikwijdte van de metingen en de indicatoren worden uitgewerkt overeenkomstig de definitie van sociale onevenwichtigheden die in het kader van de opwaartse sociale convergentie is vastgesteld. |
|
4.17. |
De toekomstige analyses en raadplegingen over de SIP moeten antwoorden verschaffen op de vraag in hoeverre de monitoringindicatoren van het sociale scorebord overeenstemmen met alle beginselen van de EPSR en in hoeverre, en op welke wijze, de als kritiek aangemerkte gebieden de opwaartse sociale convergentie kunnen belemmeren. |
|
4.18. |
De algemene toestand van de lidstaten, met inbegrip van de economische dimensie, heeft een fundamentele invloed op de omvang en de dynamiek van de sociale problemen waarmee hun inwoners te kampen hebben en dus ook op de opwaartse sociale convergentie. Als goede sociale resultaten goede economische prestaties vereisen, zijn de coördinatiemechanismen die deze laatste waarborgen (het SGP en de PMO) van cruciaal belang voor de eerste. In de eerste stap die het EESC voorstelt in de ontwikkeling van de SIP wordt rekening gehouden met deze logica, die ten grondslag ligt aan de budgettaire en macro-economische governance in de EU. |
5. Uitdagingen en prioriteiten voor de ontwikkeling van de SIP
|
5.1. |
De verdere ontwikkeling van de SIP als onderdeel van het geïntegreerde beleidscoördinatiesysteem van de EU en de lidstaten in het kader van het Europees Semester, maar ook van andere EU-instrumenten, moet door Commissie, Raad, lidstaten, sociale partners en maatschappelijke organisaties diepgaand worden geanalyseerd en besproken, met als doel de SIP tegelijk met de hervorming van de budgettaire en macro-economische governance in te voeren (9). |
|
5.2. |
De politieke, administratieve en economische haalbaarheid van de invoering en ontwikkeling van de SIP moet nader worden onderzocht. Daarbij moet erop worden gelet dat procedures elkaar niet overlappen, dat de bureaucratie tot een minimum wordt beperkt en dat sociale partners en maatschappelijke organisaties daadwerkelijk bij dit proces worden betrokken. |
|
5.3. |
Het EESC benadrukt dat de rol van de Raad Epsco in de SIP moet worden versterkt om de politieke ondersteuning van de resultaten kracht bij te zetten, bijvoorbeeld door in een laatste fase conclusies van de Raad over de SIP aan te nemen. |
|
5.4. |
Het EESC wijst erop dat het voor de invoering van de SIP van cruciaal belang is om specifieke praktische conclusies te trekken uit de monitoring van de sociale resultaten en de mate waarin de sociale doelstellingen van de EU in de lidstaten zijn verwezenlijkt.
|
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) PB C 286 van 16.7.2021, blz. 13.
(2) Belgisch-Spaans non-paper voor de sociale top van Porto.
(3) Eurostat: https://ec.europa.eu/eurostat/web/european-pillar-of-social-rights/overview
(4) EESC-advies over het Europees Semester en cohesiebeleid — Naar een nieuwe Europese strategie voor de periode na 2020 (PB C 353 van 18.10.2019, blz. 39).
(5) PB C 14 van 15.1.2020, blz. 1.
(6) Eurobarometer, 2023, Fairness, Inequality and Inter-Generational Mobility (Eurobarometer 2023, Rechtvaardigheid, ongelijkheid en intergenerationele mobiliteit).
(7) EP Autumn 2022 Survey (voorjaarsenquête 2022 van het Europees Parlement).
(8) Eurobarometer, 2023, Fairness, Inequality and Inter-Generational Mobility (Eurobarometer 2023, Rechtvaardigheid, ongelijkheid en intergenerationele mobiliteit).
(9) EESC-advies over de Europese pijler van sociale rechten (PB C 125 van 21.4.2017, blz. 10).
(10) EESC-advies over het Europees Semester en cohesiebeleid — Naar een nieuwe Europese strategie voor de periode na 2020 (PB C 353 van 18.10.2019, blz. 39).
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/64 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de ontwikkeling van competenties en vaardigheden in het kader van de groene en de digitale transitie
(verkennend advies op verzoek van het Zweedse voorzitterschap)
(2023/C 228/08)
|
Rapporteur: |
María del Carmen BARRERA CHAMORRO |
|
Corapporteur: |
Justyna Kalina OCHĘDZAN |
|
Verzoek van het Zweedse voorzitterschap van de Raad |
Brief d.d. 14.11.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
149/0/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) stelt vast dat de digitale transitie tot toenemende ongelijkheid op de arbeidsmarkt leidt. Het aantal middengekwalificeerde en gemiddeld betaalde banen neemt af door automatisering, en het aantal laaggekwalificeerde en laagbetaalde banen neemt toe. Er wordt ook een toename verwacht van het aantal hooggekwalificeerde en hoogbetaalde banen, waardoor de vraag naar hooggekwalificeerd personeel zal toenemen (1). Daarnaast worden de tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in allerlei sectoren steeds groter. Doeltreffende toegang tot opleiding is cruciaal om bedrijven en werknemers te helpen deze uitdaging het hoofd te bieden en is ook van fundamenteel belang om ongelijkheid op de arbeidsmarkt als gevolg van de digitale transitie te helpen voorkomen. |
|
1.2. |
Het EESC benadrukt dat bij de transities moet worden vermeden dat er ontslagen vallen of maatregelen worden genomen met drastische gevolgen voor de arbeidsmarkt, en dringt er bij de Europese Commissie en de lidstaten op aan systemen in te voeren waarmee interne in plaats van externe transities worden gestimuleerd, zodat de voorkeur uitgaat naar transities waarbij bedrijven hun werknemers de vereiste vaardigheden bijbrengen en voorkomen dat werknemers die niet over de desbetreffende vaardigheden beschikken, worden ontslagen. |
|
1.3. |
Onderwijs is een mensenrecht van elk individu gedurende het hele leven. Overeenkomstig de Europese pijler van sociale rechten roept het EESC de lidstaten daarom op om rechten inzake een leven lang leren in te voeren (rekening houdend met de nationale stelsels van arbeidsverhoudingen en met onderwijs- en opleidingspraktijken), die alle burgers mogelijkheden tot leren en persoonlijke en professionele ontwikkeling bieden, waarbij dit het belangrijkste leidende beginsel van het onderwijs- en opleidingsbeleid wordt. |
|
1.4. |
Het EESC zou graag zien dat de toegang tot volwaardige kwalificatie met het oog op de uitdagingen van de digitale en de groene transitie werkelijk een recht wordt voor iedereen, op basis van gevalideerde en gecertificeerde opleidingen op het gebied van digitale en groene vaardigheden gekoppeld aan milieubewustzijn. Daartoe moeten opleidingen met het oog op de verwerving van vaardigheden worden gekoppeld aan betaald opleidingsverlof, rekening houdend met de nationale wetgeving en overeenkomsten. |
|
1.5. |
De initiatieven die de Europese Commissie tot dusver op het gebied van digitale en groene vaardigheden heeft ontplooid, zijn volgens het EESC ontoereikend, en de sociale partners zijn er nauwelijks bij betrokken. Het EESC dringt er daarom op aan dat in het EU-actieplan voor digitaal onderwijs 2021-2027 doeltreffende strategieën worden opgenomen voor betere opleidingen en voor het aanpassen van de vaardigheden van werknemers en werklozen in alle sectoren, ongeacht de bedrijfsomvang. De sociale partners moeten hierbij worden betrokken. Op nationaal niveau moeten de nationale sociale partners de Europese kaderovereenkomst inzake digitalisering blijven uitvoeren (2). Het EESC benadrukt de rol van collectieve onderhandelingen als instrument voor het vormgeven en aanpassen van opleidingsprogramma’s. |
|
1.6. |
Het EESC dringt erop aan dat opleidingen op het gebied van digitale en groene vaardigheden en competenties door de bevoegde autoriteiten worden gecertificeerd en niet alleen gevalideerd. |
|
1.7. |
Het EESC zou graag zien dat de Commissie tegen 2030 een jaarlijkse indicator ontwikkelt voor het aantal volwassenen en werknemers, met name jongeren, dat een opleiding in groene vaardigheden, milieubewustzijn en milieuverantwoordelijkheid volgt, rekening houdend met eenvoudige instrumenten op maat van kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
1.8. |
Het aanpassen van bestaande leerprogramma’s aan de vaardigheden die nodig zijn in het kader van de digitale en de groene transitie, zou bevorderd en vergemakkelijkt moeten worden. |
|
1.9. |
Het EESC acht het van essentieel belang dat er strategisch toezicht komt op het vermogen om te anticiperen op toekomstige opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt en de samenlevingen van de lidstaten, zodat groene en digitale kloven worden voorkomen en het concurrentievermogen van de EU wordt versterkt. |
|
1.10. |
Het EESC merkt op dat er grote verschillen zijn op het gebied van digitale basisvaardigheden, met name in het nadeel van kansarme groepen en een groot aantal volwassenen, in het bijzonder ouderen. De digitale kloof is een feit, en daarom moet er bij de programmering van digitale vaardigheden meer aandacht worden besteed aan opleidingen voor ouderen en andere kansarme groepen — waarbij opleidingen waar nodig op hun behoeften worden afgestemd — om ervoor te zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten bij de digitale en de groene transitie. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de deelname van vrouwen aan dergelijke opleidingen, gezien de genderkloof wat betreft de toegang tot opleidingen om zich aan de digitale en de groene transitie aan te passen. |
|
1.11. |
Ter wille van een rechtvaardige transitie moet iedereen in staat worden gesteld om zijn of haar digitale basisvaardigheden in verband met dagelijkse taken te verbeteren, en inzicht te krijgen in cyberveiligheid, digitale communicatie, gegevensbeveiliging, bescherming van persoonsgegevens, privacy op het internet, en de gevaren van desinformatie. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het huidige tijdperk wordt gekenmerkt door veranderingen en transities. Opeenvolgende crises vallen samen met grote uitdagingen voor bedrijven, werknemers en burgers, zoals de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt als gevolg van de digitale en de groene transitie. Tegelijkertijd doen nieuwe beroepen hun intrede die verband houden met de digitale en de groene transitie. Bestaande banen evolueren en nieuwe banen worden gecreëerd. Werknemers moeten worden uitgerust met de instrumenten om deze veranderingen het hoofd te bieden en in goede banen te leiden, terwijl ervoor gezorgd moet worden dat bedrijven productief en concurrerend kunnen blijven. |
|
2.2. |
De uitdagingen doen zich voor op alle niveaus en in alle stadia van het beroepsleven, bij jongeren en volwassenen, bij laag-, midden- en hooggeschoolden. Zo hebben aspiranten voor sommige van oudsher laaggekwalificeerde banen thans een zekere digitale scholing nodig om zelfs maar te solliciteren. Bovendien worden vooral vrouwen hierdoor getroffen, aangezien de digitale kloof tussen mannen en vrouwen nog steeds groter wordt. Waar vroeger een mondeling contact kon volstaan, wordt de toegang tot een baan vandaag de dag vaak uitsluitend via het internet en specifieke digitale platforms verkregen. De hele bevolking moet met andere woorden digitale basisvaardigheden krijgen aangereikt. |
|
2.3. |
Een van de gevolgen van de COVID-19-crisis is de toename van de ongelijkheid op de arbeidsmarkt, met name door de opmars van telewerken (3). Zo zijn er beroepen, die doorgaans worden geassocieerd met laaggeschoold en laagbetaald werk, waarbij telewerken geen optie is. Daarentegen is er bij bepaalde hoger gekwalificeerde beroepen, die doorgaans ook beter betaald worden, vaak wel de mogelijkheid om te telewerken. Denke men maar aan kantoorbanen. Vandaar dat telewerk de mogelijkheid moet omvatten om digitale en milieuvaardigheden te verwerven, zodat de ongelijkheden niet groter worden en ook degenen die niet kunnen telewerken, toegang krijgen tot opleidingen met het oog op het verwerven van dergelijke vaardigheden. |
|
2.4. |
Het EESC wijst op een toenemende onevenwichtigheid op de arbeidsmarkt, die met name verband houdt met de zogenaamde digitale kloof. Dit verschijnsel wordt gekenmerkt door een afname van het aantal middengekwalificeerde en gemiddeld betaalde banen als gevolg van de automatisering, en een toename van het aantal laaggekwalificeerde en laagbetaalde banen en het aantal hooggekwalificeerde en hoogbetaalde banen. Het EESC benadrukt dat de toenemende ongelijkheid de instandhouding van onze welvaartsstaat in gevaar brengt. |
|
2.5. |
Het EESC merkt op dat Europa wordt geconfronteerd met een grote demografische uitdaging en een krimpende bevolking in de werkende leeftijd. De aanzienlijke tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in alle geledingen van de economie en op de verschillende vaardighedenniveaus worden hierdoor nog nijpender. Er zijn met andere woorden mensen op alle vaardighedenniveaus nodig om de tekorten het hoofd te bieden. Daartoe moet de om- en bijscholing van werknemers worden gegarandeerd, en moet de deelname van inactieven en werklozen aan de arbeidsmarkt met flankerend beleid worden gestimuleerd. In dit verband moet ook worden nagedacht over de aanpak van het migratiebeleid. |
|
2.6. |
Het EESC benadrukt dat bij de transities moet worden vermeden dat er ontslagen vallen of maatregelen worden genomen met drastische gevolgen voor de arbeidsmarkt. Er moet een systeem tot stand worden gebracht waarmee interne in plaats van externe transities worden gestimuleerd, d.w.z. transities waarbij ondernemingen hun werknemers de nodige vaardigheden bijbrengen en voorkomen dat werknemers die niet over de desbetreffende vaardigheden beschikken, worden ontslagen, wat met name moeilijk is voor kleine en middelgrote ondernemingen, die met het oog op de transitie passende financiële steun van de lidstaten nodig hebben. |
|
2.7. |
Het EESC wijst erop dat de arbeidsmarkt met de uitbreiding van telewerken mondiaal flexibeler wordt. In dit verband dient te worden opgemerkt dat het voor Europese bedrijven onmogelijk is om de concurrentieslag aan te gaan via de arbeidskosten, aangezien arbeid buiten de EU goedkoper is gelet op de lagere kosten van levensonderhoud en de zwakkere munt. De enige mogelijkheid is dan ook om te investeren in meer en betere vaardigheden en competenties bij de Europese arbeidsbevolking en zo de concurrentiestrijd aan te gaan. |
|
2.8. |
Het is belangrijk dat werknemers met verschillende soorten arbeidsovereenkomsten toegang hebben tot opleidingen om hen te helpen hun vaardigheden en inzetbaarheid op peil te houden in het licht van deze nieuwe realiteit op de arbeidsmarkt. |
|
2.9. |
Het EESC merkt op dat de tijd tussen de opkomst van een nieuwe vaardigheid en de intensieve vraag ernaar op de arbeidsmarkt steeds korter wordt. Dit vereist een sterk aanpassingsvermogen, een proactief optreden en een vermindering van de administratieve rompslomp bij de toegang tot opleidingen in publieke opleidingscentra. Ook moeten onderwijs- en opleidingscurricula op adequate en doeltreffende wijze worden geactualiseerd om in te spelen op nieuwe en opkomende vaardigheidsbehoeften, alsmede om tegemoet te komen aan de noodzaak van nauwere samenwerking tussen overheden, sociale partners, aanbieders van onderwijs en opleidingen en het maatschappelijk middenveld. |
|
2.10. |
Het EESC stelt vast dat, als gevolg van het grote aantal banen met routinematige en niet-complexe werkzaamheden op de Europese arbeidsmarkten, 55 % van de volwassen werknemers in de EU hun vaardigheden niet volledig benutten op het werk en dat 28 % een hoger kwalificatieniveau heeft dan nodig is voor de functie in kwestie. Er zij op gewezen dat deze “verspilling” van menselijk kapitaal leidt tot aanzienlijk loonverlies en minder welzijn bij werkenden. In Cedefop-verslagen wordt benadrukt dat aanwervingsproblemen of vaardigheidsmismatches onder meer het gevolg kunnen zijn van de lage kwaliteit van sommige banen (4). |
|
2.11. |
Bij de digitale transformatie van de economie bestaat de uitdaging er niet alleen in dat de digitale basisvaardigheden van alle werknemers moeten worden vergroot, maar ook dat bestaande vaardigheden moeten worden “gedigitaliseerd”, en dat meer geavanceerde digitale vaardigheden moeten kunnen worden verworven. Er moet worden ingezet op het aanpassen van klassieke vaardigheden aan een digitale omgeving. Het concept “digitalisering van vaardigheden” is horizontaal van aard en verwijst naar het vermogen om digitale aspecten te integreren in bepaalde vaardigheden. Dit vereist niet alleen voldoende algemene digitale kennis en vaardigheden, maar ook concrete beroepsvaardigheden. |
|
2.12. |
Ook de groene transitie zorgt voor grote uitdagingen voor de arbeidsmarkt en voor de vaardigheden die nodig zijn. Hele sectoren zullen anders gaan functioneren als gevolg van de noodzakelijke decarbonisatie en de aanpassing van bedrijfsmodellen aan de duurzaamheidsbehoeften in verband met de Europese Green Deal (5). Het Europees Parlement onderstreept in zijn resolutie over de Europese Green Deal dat in de industriële strategie aandacht moet worden besteed aan de gevolgen voor de werknemers, alsmede aan opleiding, omscholing en bijscholing. Deze gevolgen moeten samen met de sociale partners worden geanalyseerd en altijd met het oog op anticipatie, om ongewenste effecten op de werkgelegenheid en de economie te voorkomen. |
|
2.13. |
De digitale en de groene transitie vormen een “revolutie” die wat de impact ervan betreft vergelijkbaar is met de industriële revolutie aan het begin van de 20e eeuw. Alle beroepen en organisaties worden of zullen worden beïnvloed door de digitalisering en door de maatregelen die absoluut moeten worden genomen om de productie van de industrie, de ambachtelijke sector, de landbouw, de handel en de dienstensector zo schoon mogelijk te maken. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan kmo’s en micro-ondernemingen, die zowel personele als financiële ondersteuning en begeleiding moeten krijgen. |
|
2.14. |
Voor een rechtvaardige groene transitie in alle betrokken industriële sectoren zijn opleiding en onderwijs in groene vaardigheden nodig. Hierbij staat men met name voor de volgende drie uitdagingen:
|
|
2.15. |
Voor een rechtvaardige overgang moet iedereen, overeenkomstig de Europese pijler van sociale rechten, gelijke toegang worden gegarandeerd — binnen en buiten de werkplek — tot kwaliteitsopleidingen en een leven lang leren met betrekking tot digitale en groene technologieën voor huidige en toekomstige beroepen. In overeenstemming met de nationale en sectorale praktijken in de lidstaten moet doeltreffende steun worden verleend aan werknemers om hun opleidingsniveau in deze vaardigheden te verbeteren (combineren van gezins- en beroepsleven, opleidingsverlof enz.) en moeten bedrijven daartoe financiële steun krijgen. |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Door de digitale en de groene transitie veranderen bestaande banen en worden nieuwe banen gecreëerd. Kwaliteitsvolle banen en eerlijke arbeids- en loonvoorwaarden zijn een voorwaarde voor een rechtvaardige transitie die digitalisering en decarbonisatie op lange termijn mogelijk maakt in combinatie met duurzame economische, productiviteits- en innovatiegroei. Vaardigheden zijn ook bevorderlijk voor het concurrentievermogen van bedrijven. Dat besef moet bedrijven ertoe aansporen bijscholingsinitiatieven op te zetten en hun werknemers daadwerkelijk toegang te bieden tot opleidingen. De enige manier om deze doelstellingen te bereiken is door een leven lang nieuwe digitale en groene vaardigheden aan te leren. |
|
3.2. |
Professionele ontwikkeling voor alle leeftijden speelt een essentiële rol bij het waarborgen van een rechtvaardige digitale en groene transitie. In dit verband dringt het EESC erop aan dat in het EU-actieplan voor digitaal onderwijs 2021-2027 en in de voorstellen voor aanbevelingen van de Raad inzake digitale vaardigheden en digitale opleidingen doeltreffende strategieën worden opgenomen voor betere opleidingen en voor het aanpassen van de vaardigheden van werknemers en werklozen in alle sectoren, ongeacht de bedrijfsomvang. Opleidingen in digitale vaardigheden moeten worden afgestemd op de behoeften van elk beroep en elke sector, met inachtneming van het evenwicht tussen werk en privéleven. |
|
3.3. |
Het aanleren van nieuwe vaardigheden en het aanpassen van vaardigheden aan nieuwe digitale en groene vereisten is een gedeelde verantwoordelijkheid van de hele samenleving. De Europese Commissie merkt in dit verband op dat 90 % van de opleidingen op de werkplek door bedrijven wordt gefinancierd (6). Nationale staten, maatschappelijke organisaties en bedrijven moeten, via hun sectorale verenigingen en ook individueel, strategieën voor digitalisering en vergroening uitwerken die de verbetering van vaardigheden ondersteunen. Goede voorbeelden van nationale financieringsmechanismen en opleidingsstrategieën die te vinden zijn in collectieve arbeidsovereenkomsten, moeten grondig worden geanalyseerd en als goede praktijken worden gedeeld (7). |
|
3.4. |
Het EESC is ingenomen met de Europese kaderovereenkomst inzake digitalisering tussen het EVV, BusinessEurope, SGI Europe en SMEUnited (8). Daarin staat: “Wanneer een werkgever een werknemer verzoekt deel te nemen aan een functiegerelateerde opleiding die rechtstreeks verband houdt met de digitale transformatie van het bedrijf, wordt de opleiding betaald door de werkgever of in overeenstemming met de collectieve overeenkomst of de nationale praktijk. De opleiding kan binnen of buiten de onderneming plaatsvinden, op een voor de werkgever en de werknemer passend en onderling overeengekomen tijdstip, indien mogelijk tijdens de werkuren. Als de opleiding buiten de werkuren plaatsvindt, moet worden voorzien in passende compensatie.” Het EESC dringt erop aan dat deze beginselen in aanmerking worden genomen bij de ontwikkeling van het actieplan voor digitaal onderwijs 2021-2027. |
|
3.5. |
Ter wille van een rechtvaardige transitie moet iedereen in staat worden gesteld om zijn of haar digitale basisvaardigheden in verband met dagelijkse taken te verbeteren, en inzicht te krijgen in cyberveiligheid, digitale communicatie, gegevensbeveiliging, bescherming van persoonsgegevens, privacy op het internet, en de gevaren van desinformatie. In dit verband dringt het EESC erop aan dat opleidingen op het gebied van digitale vaardigheden en competenties door de bevoegde autoriteiten worden erkend en gecertificeerd. |
|
3.6. |
Het EESC onderschrijft de aanbeveling van de Raad betreffende leren voor ecologische duurzaamheid (9) waar het aankomt op microcredentials op digitaal gebied, maar wijst erop dat deze een aanvulling moeten vormen op volwaardige diploma’s. Voorts wijst het EESC erop dat de kwaliteit van deze microcredentials moet worden gewaarborgd en gecertificeerd, en niet alleen gevalideerd, zodat zij ook een belangrijke rol kunnen spelen bij de validatie van formeel en niet-formeel leren. |
|
3.7. |
Om een rechtvaardige transitie te waarborgen, moeten opleidingen op het gebied van vaardigheden gekoppeld worden aan betaald opleidingsverlof, in overeenstemming met de nationale wetgeving en overeenkomsten. Dit moet werknemers in staat stellen aan loopbaanontwikkelingsprogramma’s en -cursussen in verband met nieuwe groene en digitale banen deel te nemen en tegelijkertijd een evenwicht met hun privéleven te behouden. |
|
3.8. |
Met betrekking tot het door de Europese Commissie geformuleerde Europees competentiekader voor duurzaamheid (10) om bij te dragen tot de ontwikkeling en beoordeling van kennis, vaardigheden en attitudes ten aanzien van klimaatverandering en duurzame ontwikkeling, roept het EESC de Commissie op concrete oplossingen aan te reiken om ervoor te zorgen dat werkzoekenden en werknemers daadwerkelijk toegang hebben tot inclusieve beroepsopleidingen van goede kwaliteit die hen helpen de vaardigheden te verwerven die voor de groene en de digitale transitie nodig zijn. In dit verband dringt het EESC erop aan de doeltreffendheid en de kwaliteit van opleidingen te versterken om te zorgen voor hoogwaardige, inclusieve en billijke opleidingen voor iedereen. |
|
3.9. |
Het EESC zou graag zien dat de Commissie tegen 2030 een jaarlijkse indicator ontwikkelt voor het aantal volwassenen en werknemers, met name jongeren, dat een opleiding in groene vaardigheden, milieubewustzijn en milieuverantwoordelijkheid volgt, rekening houdend met eenvoudige instrumenten op maat van kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
3.10. |
De huidige opleidingsprogramma’s moeten worden aangepast aan de nieuwe uitdagingen. Het aanpassen van bestaande leerprogramma’s aan de vaardigheden die nodig zijn in het kader van de groene transitie, zou bevorderd en vergemakkelijkt moeten worden, en docenten zouden in deze materie moeten worden opgeleid. Opleidingen over milieuverantwoordelijkheid en klimaatbewustzijn moeten deel uitmaken van beroepsopleidingen. De evaluatie en certificering van opleidingen is van cruciaal belang. Het EESC verzoekt de Europese Commissie de lidstaten aan te moedigen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat werkzoekenden en werkenden toegang hebben tot hoogwaardige, geëvalueerde en gecertificeerde opleidingen. |
|
3.11. |
Er moet worden gezorgd voor informatie over en een goede zichtbaarheid voor alle sectoren. Er zouden goede praktijken kunnen worden vastgesteld op basis van wat in Europa en in sommige EU-landen reeds bestaat op het gebied van informatie of waarnemingscentra inzake banen en vaardigheden, teneinde toekomstige behoeften in te schatten, het bewustzijn te vergroten en werknemers en bedrijven te betrekken bij een gezamenlijke denkoefening over toekomstige actiemogelijkheden en het aantrekken van nieuw talent. |
|
3.12. |
Het EESC acht het van essentieel belang dat er strategisch toezicht op vaardigheidsbehoeften komt teneinde op toekomstige opleidingsbehoeften vanuit de arbeidsmarkt en de samenlevingen van de lidstaten te anticiperen, groene en digitale kloven te voorkomen en het concurrentievermogen van de EU te versterken. De sociale partners, het maatschappelijk middelveld en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening moeten een prominente rol spelen bij de analyse en diagnose van de vraag. Zij moeten de behoeften aan vaardigheden helpen voorspellen en goed op de hoogte zijn van de mate waarin het opleidingsaanbod aansluit op de vraag naar vaardigheden vanuit het bedrijfsleven en de arbeidsmarkt, mede rekening houdend met trends, ook op lokaal en regionaal niveau. |
4. Digitale en groene vaardigheden en competenties
|
4.1. |
Het EESC stelt voor om duurzame ontwikkeling te integreren in beleid en programma’s op het gebied van onderwijs en opleiding, zoals de Europese onderwijsruimte en het actieplan voor digitaal onderwijs, in overeenstemming met onder meer punt 4.7 van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen. Dit betekent dat onderwijs en opleiding op het gebied van duurzame ontwikkeling moeten worden opgenomen in Erasmus+, ESF+ en Horizon Europa en dat synergieën tussen deze programma’s moeten worden gecreëerd. |
|
4.2. |
Het EESC benadrukt dat investeren in mensen en het verruimen van de toegang tot mogelijkheden inzake een leven lang leren even belangrijk is als investeren in digitale, groene en duurzame technologieën. |
|
4.3. |
Het EESC roept de beleidsmakers op om docenten en opvoeders beter te ondersteunen bij de invoering van digitale, groene en duurzame technologieën in leeromgevingen, door te investeren in hun initiële en permanente professionele ontwikkeling en in hun digitale en groene vaardigheden en competenties. |
|
4.4. |
Het EESC pleit voor investeringen in onpartijdig longitudinaal en interdisciplinair onderzoek naar de verschillende aspecten van digitale technologieën in het onderwijs, waarbij onderwijswetenschappen, pedagogie, psychologie, sociologie, neurowetenschappen, techniek en computerwetenschappen aan elkaar worden gekoppeld om verder te onderzoeken hoe de geest van kinderen zich in de digitale wereld ontwikkelt. |
|
4.5. |
Het EESC pleit voor een totaalaanpak van digitale strategieën, zodat de ontwikkeling van basisvaardigheden een hoeksteen van sociale cohesie wordt. |
|
4.6. |
Het EESC is ingenomen met het Europees Jaar van de Vaardigheden en vestigt de aandacht op de ruimere benadering van de ontwikkeling van digitale en groene vaardigheden. Het dichten van de kloof op het gebied van digitale basisvaardigheden is echter van cruciaal belang: op dit moment beschikt slechts 54 % van de Europeanen over digitale basisvaardigheden, terwijl de doelstelling in het kader van Europa’s digitale decennium luidt dat in 2030 80 % van de Europeanen minstens over digitale basisvaardigheden beschikt. Het EESC wijst erop dat de ontwikkeling van vaardigheden moet worden ondersteund om tegemoet te komen aan de behoeften in verband met de uitrol van nieuwe technologieën, zoals de analyse van big data, artificiële intelligentie en cyberbeveiliging. |
|
4.7. |
Volgens het EESC is de ontwikkeling van digitaal burgerschap onder alle lerenden een voorwaarde om actief aan de samenleving te kunnen deelnemen. In de groene en digitale transitie moet bijzondere aandacht worden besteed aan de genderkloof ten nadele van vrouwen bij de toegang tot opleidingen. Het kan niet zo zijn dat een meerderheid van de bevolking wordt veronachtzaamd door het ontbreken van een genderbenadering Daartoe moet het Europees kader voor digitale vaardigheden (DigComp 2.0) beter worden gepromoot om ervoor te zorgen dat het door verschillende aanbieders van onderwijs en opleidingen en belanghebbenden op dat gebied wordt aanvaard, zodat de bredere reeks vaardigheden wordt bevorderd die nodig zijn om een digitale burger te worden. |
|
4.8. |
Het EESC merkt op dat lacunes in de toegang tot digitale middelen en de ontwikkeling van digitale vaardigheden verband houden met de sociaal-economische omgeving. Regionale en sociaal-economische kloven moeten worden gedicht met gerichte steun voor de meest kansarme groepen en aandacht voor plattelandsgebieden. |
|
4.9. |
Het EESC dringt aan op de bevordering van interoperabiliteitsbeginselen en open protocollen in de gebruikte digitale instrumenten, teneinde een meer democratische digitale leeromgeving alsmede alternatieve digitale instrumenten voor de gevestigde, traditionele instrumenten te bevorderen, zodat de cocreatie van leerprocessen en inhoud mogelijk wordt. |
|
4.10. |
De ontwikkeling van digitale vaardigheden moet worden gemonitord via het Europees Semester en de faciliteit voor herstel en veerkracht, om ervoor te zorgen dat financiering die wordt gebruikt om lacunes in de digitale infrastructuur te dichten, altijd wordt geschraagd door een passend leerbeleid dat digitale vaardigheden stimuleert. |
|
4.11. |
Het EESC wijst op de moeilijkheden die maatschappelijke organisaties en ook kleine en middelgrote ondernemingen bij de aanpassing aan de digitale transitie ondervinden doordat zij daarvoor onvoldoende middelen of niet de juiste opleiding hebben. Meer financieringsmogelijkheden, gelegenheden om te leren onder gelijken en de uitwisseling van digitale hulpmiddelen in de sector moeten worden bevorderd, gezien de rol die maatschappelijke organisaties vervullen bij het faciliteren of aanbieden van onderwijs en opleiding voor iedereen. Daarnaast moet worden bevorderd dat er gratis software beschikbaar is, en ook de democratische cocreatie van onlineruimten en de beschikbaarheid van alternatieve digitale hulpmiddelen moet worden gestimuleerd, zodat de digitale wereld voor iedereen toegankelijk wordt. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) https://www.cedefop.europa.eu/en/news/more-employment-higher-skills-demand
(2) https://www.businesseurope.eu/sites/buseur/files/media/reports_and_studies/2020-06-22_agreement_on_digitalisation_-_with_signatures.pdf
(3) https://www.businessinsider.com/service-industry-work-from-home-remote-madrid-london-paris-berlin-2021-2?r=US&IR=T
(4) https://www.cedefop.europa.eu/files/3092_en.pdf
(5) Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal.
(6) Adult Learning Statistical Report: https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=8337&furtherPubs=yes
(7) Bijvoorbeeld de financiering van “Scuola Edile” in de bouwsector in Italië via de collectieve overeenkomst voor de sector, of “Fondi Interprofessionali”, specifieke fondsen voor de financiering van opleidingsactiviteiten in kleine en middelgrote ondernemingen, waarover de sociale partners in collectieve overeenkomsten afspraken hebben gemaakt.
(8) http://erc-online.eu/wp-content/uploads/2020/07/Final-22-06-20-with-signatures_Agreement-on-Digitalisation-2020.pdf
(9) https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9242-2022-INIT/nl/pdf
(10) https://joint-research-centre.ec.europa.eu/greencomp-european-sustainability-competence-framework_en
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/71 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Europese gehandicaptenkaart
(Verkennend advies op verzoek van de Europese Commissie)
(2023/C 228/09)
|
Rapporteur: |
Ioannis VARDAKASTANIS |
|
Adviesaanvraag |
Verkennend advies op verzoek van de Commissie, 20.1.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 11 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
135/02/03 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het vlaggenschipinitiatief van de Europese Commissie voor de invoering van een Europese gehandicaptenkaart waarmee de wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus van kaarthouders wordt vereenvoudigd en zij hun recht van vrij verkeer en verblijf in de hele EU kunnen uitoefenen. De Europese gehandicaptenkaart is een oude wens van en een topprioriteit voor de gehandicaptenbeweging. Het komt immers nog steeds voor dat handicaps niet worden erkend en het recht van vrij verkeer daardoor wordt beperkt. |
|
1.2. |
Het EESC benadrukt dat handicaps niet wederzijds worden erkend, waardoor er onvoldoende steunmaatregelen beschikbaar zijn voor personen met een handicap en hun het recht om naar andere EU-landen te reizen en/of te verhuizen wordt ontzegd. |
|
1.3. |
Het EESC begrijpt dat de verbetering van dit vrije verkeer van personen met een handicap als gevolg van de wederzijdse erkenning van handicaps zou bijdragen aan de totstandkoming van een gemeenschappelijke Europese identiteit en meer samenhang voor personen met een handicap, waardoor dienstverleners zich bewust worden van het gebrek aan toegankelijkheid en de toegang op lange termijn wordt verbeterd. Zij zullen daar tegelijkertijd profijt van hebben doordat het aantal bezoekers toeneemt. |
|
1.4. |
De Europese gehandicaptenkaart zal ook de samenwerking tussen verschillende nationale autoriteiten en overheidsinstanties versterken om het bewustzijn over gehandicaptenvraagstukken te vergroten. Daardoor zullen bepaalde personen met een onzichtbare handicap gemakkelijker toegang krijgen tot voordelen en diensten zonder dat zij hun handicap hoeven uit te leggen. Dankzij de kaart zal het ook gemakkelijker worden diensten te verlenen aan personen met een handicap uit lidstaten die geen nationale gehandicaptenkaart hebben. Zij krijgen dan een document dat zij ook op nationaal niveau als bewijs van handicap kunnen gebruiken. |
|
1.5. |
Het EESC benadrukt dat het belangrijk is om de invoering van de Europese gehandicaptenkaart aan te vullen met zowel Europese als nationale maatregelen ter verbetering van de algemene toegankelijkheid van de bebouwde omgeving, vervoer, diensten en goederen, overeenkomstig de Richtlijnen (EU) 2019/882 (1) en (EU) 2016/2102 (2) van het Europees Parlement en de Raad, de verordeningen inzake de toegankelijkheid van het vervoer (3) en de bijbehorende toegankelijkheidsnormen. |
|
1.6. |
Het EESC is verheugd dat de Commissie een wetgevingsinitiatief voor de Europese gehandicaptenkaart voorstelt en dringt erop aan dat de Commissie een verordening voorstelt, aangezien dat een geschikter instrument is om ervoor te zorgen dat de kaart op soepele wijze wordt toegepast en om verschillen in de uitvoering op nationaal niveau te voorkomen. |
|
1.7. |
Het EESC acht het van belang dat de Europese gehandicaptenkaart betrekking heeft op de toegang tot alle vormen van diensten, voordelen en kortingen die reeds op nationaal niveau worden toegekend en die worden aanvaard door alle diensten die preferentiële voorwaarden of aanpassingen voor personen met een handicap bieden, ongeacht of deze door openbare of particuliere entiteiten worden verstrekt. |
|
1.8. |
Het EESC beveelt aan dat de Europese gehandicaptenkaart voorziet in de mogelijkheid om tijdelijk toegang te verlenen tot uitkeringen in het kader van sociaal overheidsbeleid en/of nationale socialezekerheidsstelsels wanneer een persoon met een handicap naar een lidstaat is verhuisd om te studeren of te werken, ten minste gedurende het hele proces waarin de handicap opnieuw wordt beoordeeld en gecertificeerd. |
|
1.9. |
Hoewel de erkenning van handicaps via de Europese gehandicaptenkaart niet betekent dat de modellen voor de beoordeling van handicaps in de lidstaten worden gelijkgetrokken, worden de lidstaten er wel toe verplicht de huidige, hoofdzakelijk op een medische benadering gebaseerde stelsels te verbeteren en meer in overeenstemming te brengen met de modellen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. |
|
1.10. |
Volgens het EESC moet de kaart fysiek zijn en digitale mogelijkheden hebben, volledig toegankelijk zijn, een gestandaardiseerd ID-formaat hebben en informatie bevatten over de persoonlijke bijstand en/of begeleider van de eigenaar van de kaart. |
|
1.11. |
Het EESC stelt voor dat de wetgeving inzake de Europese gehandicaptenkaart voorziet in een volledig toegankelijke website op EU-niveau, met een gemakkelijk leesbare versie en beschikbaarheid van gebarentaal, in alle EU-talen, met praktische informatie over elk land. In dit verband zouden er in de hele EU en op nationaal niveau bewustmakingscampagnes in alle EU-talen moeten worden opgezet ten behoeve van het grote publiek, potentiële kaartgebruikers en dienstverleners. |
|
1.12. |
Het EESC steunt, naast het voorstel voor een Europese gehandicaptenkaart, het voorstel om nieuwe wetgeving voor de Europese parkeerkaart te ontwikkelen. Het verzoekt de Commissie er echter rekening mee te houden dat het hoe dan ook twee aparte kaarten moeten blijven. |
|
1.13. |
Het EESC wijst erop dat de EU-instellingen bij de ontwikkeling, uitvoering en daaropvolgende beoordeling van de Europese gehandicaptenkaart nauw moeten blijven samenwerken met personen met een handicap evenals nationale, regionale en lokale vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap. |
|
1.14. |
Het EESC begrijpt dat de Europese gehandicaptenkaart volledig in overeenstemming is met de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) (4) en de persoonsgegevens van de gebruiker beschermt. Het verzoekt de Commissie om bij het ontwerp en het gebruik van de Europese gehandicaptenkaart door middel van de voorgestelde wetgeving een hoog niveau van bescherming van deze gegevens te waarborgen en veiligheidsmaatregelen en maatregelen tegen vervalsing te nemen. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het EESC wijst erop dat de status van burger van de EU, zoals vastgelegd in artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het recht inhoudt om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven (5). Voor personen met een handicap wordt dit recht beschermd door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), dat door de Europese Unie en de 27 lidstaten is bekrachtigd, in artikel 18, waarin de vrijheid van verkeer, de vrijheid om hun woonplaats en nationaliteit te kiezen, op voet van gelijkheid met anderen worden vastgesteld. Aangezien een handicap bestaat uit een reeks beperkingen die in wisselwerking met diverse belemmeringen de volledige en effectieve participatie in de samenleving op voet van gelijkheid met anderen kunnen belemmeren (6), is het de verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel, met name door middel van nationaal en Europees overheidsbeleid, om de verwezenlijking van dit recht te beschermen en daadwerkelijk mogelijk te maken. |
|
2.2. |
In dit kader zijn steun, bijstand, toegankelijkheidsmaatregelen, specifieke diensten, redelijke aanpassingen, positieve acties en andere uitkeringsvormen voor personen met een handicap de instrumenten waarmee het gelijke genot van hun rechten wordt verwezenlijkt en belemmeringen worden weggenomen. Het feit dat handicaps niet worden erkend, waardoor de beschikbaarheid van deze steunmaatregelen wordt belemmerd, houdt dus in dat de 87 miljoen personen met een handicap die in de EU wonen, rechtstreeks het recht wordt ontzegd om naar andere EU-landen te reizen en/of te verhuizen. |
|
2.3. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een wetgevingsinitiatief voor de Europese gehandicaptenkaart en dringt er met klem op aan dat de Europese gehandicaptenkaart wordt ingevoerd door middel van een verordening, die in alle lidstaten snel, doeltreffend en op homogene wijze van toepassing is. Een verordening is een geschikter instrument om ervoor te zorgen dat de kaart op soepele wijze wordt toegepast en om verschillen in de uitvoering op nationaal niveau te voorkomen. De wetgeving kan niet het karakter van een aanbeveling hebben, omdat de kaart dan niet universeel en homogeen toepasbaar zou zijn. In het geval van een richtlijn zou er een hoog risico zijn dat de voor de omzetting benodigde tijd onbepaald is, met mogelijke situaties tot gevolg waarin Europese gehandicaptenkaarten in sommige lidstaten een actieve status hebben, maar andere EU-landen geen goede wetgeving hebben om de voordelen ervan toe te passen. Een verordening zou daarentegen in alle lidstaten onmiddellijk effect sorteren. |
|
2.4. |
De Europese gehandicaptenkaart, die het voor personen met een handicap gemakkelijker maakt zich vrij in de EU te bewegen, zou dus werken als en de kenmerken hebben van een Europees gehandicaptenpaspoort, dat de identificatie van en vervolgens de toegang tot alle rechtmatige diensten en uitkeringen mogelijk maakt. |
|
2.5. |
Volgens het EESC heeft het proefproject dat tussen 2016 en 2019 in acht lidstaten van start is gegaan, de haalbaarheid van de kaart en de mogelijkheden ervan voor de gebruikers aangetoond, alsook hoe daarmee de mobiliteit wordt vergemakkelijkt door toegang te verlenen tot gunstige voorwaarden voor bepaalde diensten die reeds beschikbaar zijn voor personen met een handicap uit de gastlidstaat. |
|
2.6. |
In de beoordeling van het in 2021 ontwikkelde proefproject (7) werd deze doeltreffendheid gedetailleerd beschreven. Zo werd door het gebruik van de kaart de deelname van personen met een handicap aan de sectoren cultuur en vrije tijd gestimuleerd, nam de grensoverschrijdende mobiliteit toe en zijn de toeristische ervaringen in het buitenland voor veel gebruikers verbeterd. |
|
2.7. |
Uit de beoordeling bleek echter ook dat de gebruikers vroegen om meer ambitie aan de dag te leggen en het toepassingsgebied uit te breiden tot meer sectoren, waaronder de vervoerssector, die maar in beperkte mate werd bestreken. Ook werden bewustmakingscampagnes zeer noodzakelijk geacht, zodat potentiële gebruikers de nieuwe mogelijkheden beter begrijpen en dienstverleners de kaart en de daarmee gepaard gaande kortingen en diensten erkennen. |
|
2.8. |
In het beoordelingsverslag worden de mogelijkheden, maar ook de verzoeken van personen met een handicap en de mogelijke lacunes die de Europese gehandicaptenkaart aan het licht kan brengen indien de door de kaart bestreken sectoren beperkt zijn, duidelijk aangegeven. Het EESC acht het dan ook van belang dat de gebruikers van de Europese gehandicaptenkaart toegang krijgen tot alle vormen van diensten, uitkeringen en kortingen die op nationaal niveau reeds worden toegekend en die worden aanvaard door alle diensten die preferentiële voorwaarden of aanpassingen voor personen met een handicap bieden, ongeacht of deze door openbare of particuliere entiteiten worden verstrekt. Het is van mening dat in de wetgeving geen beperkte lijst van sectoren moet worden opgenomen, maar dat deze op alle diensten van de interne markt van de EU van toepassing moet zijn, aangezien een opsomming veel uitzonderingen zou inhouden, waardoor de meeste van de huidige belemmeringen zouden blijven bestaan en de doeltreffendheid ervan zou worden beperkt. |
|
2.9. |
Het EESC begrijpt dat de Europese gehandicaptenkaart, wat betreft de dekking van de uitkeringen in het kader van sociaal overheidsbeleid en/of nationale socialezekerheidsstelsels, zoals directe economische steun, persoonlijke bijstand, steun voor studenten of werkgerelateerde voordelen voor ondernemingen bij het in dienst nemen van werknemers met een handicap, moet voorzien in de mogelijkheid om tijdelijk dergelijke diensten toe te kennen wanneer een persoon met een handicap naar een lidstaat is verhuisd om te studeren of te werken, ten minste gedurende het hele proces waarin de handicap opnieuw wordt beoordeeld en gecertificeerd. Dit betekent dat personen met een handicap die naar een andere lidstaat verhuizen voor een baan of om te studeren (bv. het Erasmus+-programma), toegang zullen hebben tot alle steun die nodig is om op voet van gelijkheid te werken of te studeren. |
|
2.10. |
Het EESC benadrukt dat de Europese gehandicaptenkaart volledig in overeenstemming is met de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de persoonsgegevens van de gebruiker beschermt, aangezien het gebruik van dit document om toegang te krijgen tot diensten en uitkeringen de persoon vrijwaart van de verplichting om persoonsgegevens te tonen en mede te delen, met name de beoordeling van de handicap en persoonlijke gezondheidsinformatie. |
|
2.11. |
Het voorstel voor een Europese gehandicaptenkaart moet de invoering van een handhavings- en monitoringsysteem omvatten om de vlotte en doeltreffende uitvoering ervan te waarborgen, samen met een structuur om klachten en verzoeken van gebruikers te kanaliseren en te beheren. |
|
2.12. |
Het EESC begrijpt dat de erkenning van handicaps via de Europese gehandicaptenkaart niet betekent dat de modellen voor de beoordeling van handicaps in de lidstaten homogeen zijn. Niettemin worden de lidstaten ertoe verplicht de huidige, hoofdzakelijk op een medische benadering gebaseerde stelsels te verbeteren en meer in overeenstemming te brengen met de modellen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Volgens het recente onderzoek van het Europees Parlement “Disability assessment, mutual recognition and the EU Disability Card” bestaat er een sterke consensus over de noodzaak van een betere toepassing van gemeenschappelijke beginselen en meer harmonisatie inzake de beoordeling van handicaps, definities van handicaps en wederzijdse erkenning. Ook wordt ingezien dat de bestaande beoordelingssystemen meer gericht zijn op individuele kenmerken dan op omgevingskenmerken, en sterk leunen op medische kennis over of tests bij personen die niet goed functioneren naar maatschappelijke maatstaven, in plaats van een meer holistische benadering die rekening houdt met de feitelijke levenssituatie van personen (8). |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Wat het formaat betreft, is het EESC voorstander van een fysieke kaart met digitale mogelijkheden — een QR-code en/of een elektronische chip die gekoppeld is aan de gegevens van de beoordeling van handicaps zou bijvoorbeeld een positieve toevoeging zijn. Deze fysieke kaart moet volledig toegankelijk zijn, met een opschrift in braille en een gestandaardiseerd ID-formaat. |
|
3.2. |
Voor het project van de Europese gehandicaptenkaart moet er ook een website op EU-niveau komen waarop voor elk land praktische details te vinden zijn, zoals informatie over waar de kaart kan worden verkregen, en hoe deze werkt. De EU-website zou in elke taal beschikbaar moeten zijn en toegankelijk moeten zijn op het hoogste niveau van conformiteit (AAA) van de richtsnoeren inzake toegankelijkheid van webinhoud (9), in een gemakkelijk leesbaar format en met beschikbaarheid van gebarentaal, net als de nationale websites en de volledige procedure voor het verkrijgen van de kaart. |
|
3.3. |
De Europese gehandicaptenkaart moet ook informatie bevatten over de persoonlijke bijstand en/of begeleiders van de eigenaar van de kaart, zodat zij in voorkomend geval ook in aanmerking komen voor de voordelen en steun. Deze informatie kan worden weergegeven met een concreet symbool of een vermelding op de fysieke kaart. |
|
3.4. |
Het EESC is van mening dat het gebruik van de Europese gehandicaptenkaart vrijwillig moet zijn en dat in de wet moet worden vastgelegd dat elke persoon met een handicap zelf kan beslissen of hij/zij de kaart wil aanvragen en dat het nooit een verplichting mag zijn om een dergelijke kaart te bezitten om een handicap aan te tonen. |
|
3.5. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan een financieringsinstrument in het leven te roepen om de Europese gehandicaptenkaart en de desbetreffende website in alle EU-lidstaten in te voeren. Daarna moet worden gezorgd voor verdere financiering voor het drukken en uitgeven van de kaart, personeel, communicatie en onderhoud van de website en bijbehorende instrumenten zoals eventuele mobiele applicaties. Dat zou kunnen worden bewerkstelligd door de voortzetting van het EU-financieringsinstrument en/of nationale financieringsstromen. |
|
3.6. |
Communicatie en bewustmaking over de Europese gehandicaptenkaart zijn van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat alle potentiële begunstigden en dienstverleners worden bereikt. De invoering van de kaart moet gepaard gaan met EU-brede en nationale bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, zodat mogelijke kaartgebruikers een aanvraag indienen en dienstverleners zich aansluiten bij de regeling, waardoor het potentieel ervan ten volle kan worden benut. Deze campagnes moeten zijn opgesteld in alle EU-talen, in een gemakkelijk leesbaar format en in gebarentaal, om de toegankelijkheid voor iedereen te waarborgen. Bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om personen met een handicap te bereiken die moeilijker toegang hebben tot informatie over het bestaan en de voordelen van de kaart en de procedures voor het verkrijgen ervan, zoals personen met een psychosociale of verstandelijke handicap en personen met een beperkt vangnet, zoals vluchtelingen met een handicap. Om Oekraïense vluchtelingen met een handicap beter te bereiken, moet de communicatie ook in het Oekraïens worden opgesteld. Deze campagnes moeten worden gevolgd door regelmatige communicatie om kaarthouders en het grote publiek op de hoogte te houden van nieuwe toevoegingen aan de kaart en de voordelen van de kaart in het algemeen, zodat dit EU-project goed zichtbaar is. |
|
3.7. |
Het EESC benadrukt dat de EU-instellingen nauw moeten blijven samenwerken met personen met een handicap en met Europese, nationale, regionale en lokale vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap. Het project moet worden uitgevoerd met volledige betrokkenheid van personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties. Dit moet zowel op beleidsniveau gebeuren, voor de ontwikkeling van de kaart, als op uitvoerend niveau, voor de invoering en verspreiding van de kaart en de communicatie erover. De Commissie moet jaarlijks uitwisselingen over uitdagingen, vorderingen en goede praktijken organiseren tussen de lidstaten, waarbij ook personen met een handicap en de hun vertegenwoordigende organisaties moeten worden betrokken, teneinde het toepassingsgebied en het gebruik van de kaart mettertijd te verbeteren. |
|
3.8. |
De invoering van de Europese gehandicaptenkaart moet een proces van gegevensverzameling omvatten voor geanonimiseerde informatie over begunstigden, uitgesplitst naar geslacht en leeftijd. |
4. Europese parkeerkaart
|
4.1. |
Het EESC begrijpt dat het belangrijk is de wetgeving ter harmonisering van de kenmerken en de werking van de Europese parkeerkaart te actualiseren. De verschillende formaten van de kaart die op nationaal, regionaal of zelfs lokaal niveau worden toegepast, brengen nog steeds belemmeringen en storingen voor de gebruikers met zich mee. Toch is het gebruik ervan voor veel personen met een handicap van het grootste belang, vooral omdat het vaak de enige oplossing is om toegang te krijgen tot bepaalde stedelijke gebieden. Het openbaar vervoer is immers vaak geen alternatief vanwege de gebrekkige toegankelijkheid. |
|
4.2. |
Het EESC is van mening dat het formaat, de kenmerken en de afgifteprocedure van de Europese parkeerkaart moeten worden geharmoniseerd. Dit moet gebeuren in een voor de lidstaten bindende vorm en duidelijk worden medegedeeld aan de gebruikers van de kaart. Ook moeten de controles op frauduleus gebruik van de kaart en illegaal gebruik van gehandicaptenparkeerplaatsen worden verscherpt, en moeten er strengere veiligheidsmaatregelen en maatregelen tegen vervalsing worden genomen. De boeten tegen misbruik en vervalsing moeten ten slotte hoger en doeltreffender worden. De bewustmakingscampagne om het illegale gebruik van gereserveerde parkeerplaatsen tegen te gaan moet ook gericht zijn op het grote publiek. |
|
4.3. |
In de wetgeving inzake de Europese parkeerkaart moeten de voorwaarden voor het verkrijgen van de kaart en de afgifteprocedure verder worden geharmoniseerd, in een voor de lidstaten bindende vorm, en duidelijk worden medegedeeld aan de gebruikers van de kaart. Daarnaast kan de uitwisseling van goede praktijken tussen de nationale autoriteiten worden vergemakkelijkt door hiervoor een werkgroep van de Commissie op te richten die de ontwikkeling van ideeën op EU-niveau mogelijk maakt. |
|
4.4. |
Bij de ontwikkeling van nieuwe wetgeving voor de Europese parkeerkaart en het voorstel voor een Europese gehandicaptenkaart moet er rekening mee worden gehouden dat het hoe dan ook twee aparte kaarten moeten blijven. Niet alle personen met een handicap die potentieel houder van een gehandicaptenkaart zijn, besturen ook een voertuig en om praktische redenen moet de parkeerkaart in het geparkeerde voertuig blijven, terwijl de Europese gehandicaptenkaart door de gebruiker moet worden gedragen. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70).
(2) Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(3) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1; PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1; PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1; PB L 123 van 17.5.2003, blz. 18; PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14; PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110; PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1; PB L 42 van 13.2.2002, blz. 1.
(4) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(5) PB C 115 van 9.5.2008, blz. 47 (artikel 20, lid 2, punt a)).
(6) Verenigde Naties. (2006). Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Treaty Series, vol. 2515, 3.
(7) Europese Commissie. 2021. Study assessing the implementation of the pilot action on the EU Disability Card. Final Report: https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=8407&furtherPubs=yes
(8) Europees Parlement, Disability assessment, mutual recognition and the EU Disability Card. Progress and opportunities. Beleidsondersteunende afdeling Rechten van de Burger en Constitutionele Zaken, directoraat-generaal Intern Beleid, PE 739.397 — november 2022.
(9) Richtsnoeren inzake toegankelijkheid van webinhoud (WCAG) 2.0: http://www.w3.org/TR/WCAG20/
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/76 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het initiatief inzake virtuele werelden, zoals de metaverse
(verkennend advies, aangevraagd door de Europese Commissie)
(2023/C 228/10)
|
Rapporteur: |
Martin BÖHME |
|
Corapporteur: |
Hervé JEANNIN |
|
Raadpleging |
20.1.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
Verkennend advies |
|
Bevoegde afdeling |
Adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI) |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
153/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ervan overtuigd dat de metaverse en de ontwikkeling van virtuele werelden waarschijnlijk een drastische impact zullen hebben op de manier waarop we samenleven. De metaverse is een op een hoge mate van interconnectie berustend digitaal universum (virtuele ruimte) dat internet, avatars en softwareagenten gebruikt en samenbindt om een nieuwe fysieke en virtuele wereld te creëren. Dit heeft gevolgen voor het ondernemingsklimaat, de arbeidsvoorwaarden en de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. Deze veranderingen brengen zowel kansen als risico’s met zich mee waaraan de samenleving het hoofd moet bieden. Er is nog altijd behoefte aan een groter draagvlak voor de toepassing van deze nieuwe technologieën, die alle soorten werkenden meer veiligheid opleveren. |
|
1.2. |
Het EESC acht het belangrijk ervoor te zorgen dat de volgende generatie internet open en verbonden is. De metaverse is gebouwd op een fundament van onderling verbonden virtuele werelden, die worden gecreëerd met behulp van verschillende technologieën zoals 3D-modelleringssoftware, Web 3.0, augmented/virtual/extended reality, artificiële intelligentie/machinaal leren en gedistribueerde rekenkracht. Organisaties kunnen voor ogen hebben hoe deze technologieën hun bedrijfsmodellen kunnen verbeteren, maar stuiten ook op cruciale vragen: hoe moeten markttrends beoordeeld worden, hoe moet capaciteit aangetrokken worden, hoe moet betrokkenheid gemeten worden en hoe moeten bedrijven worden aangepast om concurrerend te blijven? Kansen en uitdagingen worden nader toegelicht in de paragrafen 3.2 en 3.3, en in paragraaf 3.10 worden enkele specifieke voorbeelden uit de industrie gegeven. Er moet voortdurend worden nagegaan of de huidige wetgeving volstaat voor de regulering van virtuele werelden. Het EESC wijst op het standpunt dat het Europees Parlement onlangs heeft ingenomen en benadrukt dat het belangrijk is om de arbeidsrechtelijke status van werkenden in virtuele werelden correct vast te stellen en ervoor te zorgen dat zij, afhankelijk van hun feitelijke arbeidssituatie, ofwel als werknemers ofwel als zelfstandigen beschouwd worden. |
|
1.3. |
De wetgever moet goed nadenken over de ontwikkeling van de metaverse, zodat een veilige omgeving tot stand wordt gebracht. Belanghebbende partijen moeten met elkaar blijven samenwerken om te waarborgen dat de samenleving de vruchten plukt van de metaverse. Virtuele werelden zoals de metaverse brengen echter ook risico’s met zich mee, met name voor kinderen en kwetsbare groepen. Platformexploitanten moeten strikte controlemechanismen invoeren om schadelijke inhoud te filteren en te verwijderen alsook waarborgen om intimidatie en misbruik te voorkomen. |
|
1.4. |
De metaverse kan ook gevolgen hebben op het vlak van arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid. Er moet zorg voor worden gedragen dat adequate maatregelen worden genomen opdat voldoende informatie beschikbaar is over deze kwesties, ook via sociaal overleg en collectieve onderhandelingen, teneinde de veiligheid van werkenden te waarborgen en toegang te bieden tot scholing ter verbetering van competenties en vaardigheden. De EU moet garanderen dat bestaande wetgeving die in de reële wereld van toepassing is, ook in de virtuele wereld wordt nageleefd en dat, waar nodig, passende maatregelen worden genomen om te voorzien in specifieke behoeften aan regulering van de metaverse. |
|
1.5. |
Bedrijven zijn momenteel volgens het EESC vooral actief in de metaverse om hun operationele activiteiten te optimaliseren, gegevens te verzamelen en hun prestaties te verbeteren. Daarbij blijken digitale tweelingen goed van pas te komen. Bedrijven nemen hun toevlucht tot de metaverse om openstaande problemen op te lossen, producten sneller en goedkoper te vervaardigen, de kwaliteit te verbeteren, risico’s te verminderen en de efficiëntie op te voeren. |
|
1.6. |
De metaverse kan telewerken naar een nieuw niveau tillen, de behoefte aan fysiek reizen verminderen en de koolstofemissies terugdringen en zou daarmee wellicht een positieve uitwerking op het milieu en de klimaatverandering hebben. Bovendien kan de metaverse worden gebruikt om duurzame praktijken, zoals systemen voor hernieuwbare energie en slimme steden, te simuleren en te testen voordat ze in de fysieke wereld worden toegepast. Anderzijds moet ook rekening worden gehouden met het energieverbruik en de koolstofvoetafdruk van de technologie achter de metaverse. Met de uitbreiding van virtuele werelden zal ook de wereldwijde vraag naar energie verder groeien, en zal er dus ook een grotere behoefte aan het opwekken van groene energie ontstaan. |
|
1.7. |
Het is noodzakelijk dat kwesties in verband met de belastingheffing op activiteiten in de metaverse nu al aan de orde worden gesteld. Fiscale kwesties in de metaverse zijn lastig: mogelijk zijn de traditionele belastingmodellen niet geschikt en zijn er nieuwe benaderingen nodig om tot een eerlijke en doeltreffende belastinginning te komen. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
De volgende generatie internet zal open zijn, met onderling verbonden netwerken, en fungeren als digitale aanjager van handel en samenleving. De technologieën die in de metaverse gebruikt worden — augmented reality (AR), virtual reality (VR), extended reality (XR) en digitale tweelingen — kunnen gebruikers nieuwe immersieve manieren bieden om toegang te krijgen tot producten en diensten en zo betrokkenheid, sociale interacties, samenwerking en ervaringen sneller naar een hoger niveau tillen. |
|
2.2. |
Dit biedt organisaties de kans om te bedenken hoe de volgende generatie internet hun producten en diensten ten goede kan komen. Wat is bijvoorbeeld de impact van de metaverse op de handel, hoe kunnen opleidingen worden verbeterd met AR, hoe kunnen 3D-modellering en digitale tweelingen doeltreffend worden gebruikt en hoe kan VR worden toegepast in de entertainmentwereld? De opkomst van nieuwe virtuele werelden zoals de metaverse roept echter ook prangende vragen op die de dringende aandacht van organisaties vereisen. Ten eerste moeten organisaties bedenken waar hun kansen liggen en inzicht in de markt, de behoeften van klanten en trends krijgen, willen ze concurrerend blijven. Ten tweede hebben ze doeltreffende processen nodig om capaciteit aan te trekken, o.a. door middel van partnerschappen en uitbesteding. Ten derde is het van essentieel belang dat ze de impact van betrokkenheid en ervaringen meten om hun prestaties en de klanttevredenheid voortdurend te verbeteren. Tot slot moeten organisaties hun bedrijfsmodellen aanpassen aan nieuwe technologieën, markten en klantverwachtingen om te voorkomen dat ze door de concurrentie worden ingehaald. |
|
2.3. |
Het is de vraag hoe de virtuele en de fysieke wereld dusdanig met elkaar in evenwicht gebracht kunnen worden dat een verantwoorde constructie van de metaverse gewaarborgd is. Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat de metaverse consumenten een veilige omgeving biedt die aansluit bij de “open” visie van de volgende generatie internet. Consumenten moeten worden voorbereid op het gebruik van de metaverse en ermee leren omgaan; in het geval van kinderen en tieners moet dit bij voorkeur reeds op school gebeuren. Cruciaal is ook dat wordt nagegaan of de technologische ontwikkelingen snel genoeg kunnen gaan om de metaverse van onze verbeelding te bouwen. Gezien deze kwesties is het zaak dat de belanghebbenden, waaronder het bedrijfsleven, beleidsmakers, sociale partners en netwerken van maatschappelijke organisaties, met elkaar blijven overleggen en samenwerken om ervoor te zorgen dat de samenleving als geheel de vruchten plukt van de ontwikkeling van de metaverse. |
|
2.4. |
De metaverse kan risico’s met zich meebrengen, met name voor kinderen en kwetsbare groepen zoals mensen met een handicap en minderheden. Omdat de metaverse een virtuele wereld is, is het gemakkelijker voor daders om anoniem te blijven en ongestraft andere gebruikers met boosaardige en schadelijke boodschappen te confronteren. Dit kan leiden tot cyberpesten. In de metaverse kan potentieel schadelijke of ongepaste inhoud voorkomen die ongeschikt is voor kinderen. Het is belangrijk dat platformexploitanten strikte controlemechanismen invoeren om dergelijke inhoud te filteren en te verwijderen. Een ander mogelijk probleem is dat mensen inactiever kunnen worden als ze intensief gebruik gaan maken van de metaverse. Het is de politieke taak en verantwoordelijkheid van de EU om wettelijke veiligheidseisen voor virtuele werelden vast te stellen en daarop toezicht uit te oefenen. |
|
2.5. |
Het EESC benadrukt dat virtuele werelden gevolgen op het vlak van arbeidsomstandigheden alsook gezondheid en veiligheid kunnen hebben. Er moet voortdurend worden nagegaan of de huidige wetgeving volstaat voor de regulering van virtuele werelden. Het EESC wijst op het standpunt (1) dat het Europees Parlement onlangs heeft ingenomen en benadrukt dat het belangrijk is om de arbeidsrechtelijke status van werkenden in virtuele werelden correct vast te stellen en ervoor te zorgen dat zij, afhankelijk van hun feitelijke arbeidssituatie, ofwel als werknemers ofwel als zelfstandigen beschouwd worden. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat passende maatregelen worden ingevoerd om de veiligheid van werkenden te waarborgen, en dat dezelfde normen gelden als in de echte wereld. Sociaal overleg en collectieve onderhandelingen zijn in dat verband essentieel. Het is ook zaak dat werkenden naar behoren opgeleid en geïnformeerd worden, opdat ze goed en veilig kunnen werken in virtuele werelden. Een leven lang leren is meer dan nodig. Competentiescreening is gedurende de hele loopbaan essentieel om in opleidingsbehoeften (bij- en omscholing) te kunnen voorzien. Ook hier heeft het sociaal overleg tot opgave een collectieve benadering te bieden om elke individuele werkende toegang te verschaffen tot competentiescreening en tot de opleiding die nodig is om competenties en vaardigheden te verbeteren en bij te dragen tot het opbouwen van Europese autonomie op het gebied van virtuele werelden. |
|
2.6. |
Het EESC is van mening dat virtuele werelden zoals de metaverse gevolgen zullen hebben voor het milieu en het verbruik van hulpbronnen. Ze kunnen namelijk gepaard gaan met een hoog energieverbruik, zeker wanneer ze worden gehost op high-performance servers. Dit kan leiden tot een grotere vraag naar elektriciteit en dus tot een grotere koolstofvoetafdruk. Daar staat tegenover dat virtuele werelden mogelijk een alternatief bieden voor reële ervaringen en interacties. Dit kan juist een positief effect hebben op het verbruik van hulpbronnen, vooral als mensen daardoor minder reizen en minder fysieke producten gebruiken. Regelgeving is volgens het EESC noodzakelijk om ervoor te zorgen dat marktdeelnemers in de virtuele wereld maatregelen nemen om het energie- en hulpbronnenverbruik terug te dringen. Daarbij valt o.a. te denken aan het inzetten van hernieuwbare energie zoals zonne- of windenergie, het optimaliseren van servers en hardware om het energieverbruik te verminderen, en het bevorderen van recycling en hergebruik van hardware en apparatuur. |
|
2.7. |
Het EESC is van mening dat de regels en governance van virtuele werelden geïnspireerd moeten zijn op Europese waarden en een filosofie waarin de mens centraal staat. Daarom moet Europa een leidende positie innemen bij de ontwikkeling van de metaverse. Het is de taak van de EU-regelgevingsinstantie om, voor zover mogelijk, op internationaal niveau tot een goed evenwicht te komen ten aanzien van de interoperabiliteit van standaarden, die in samenwerking met alle belanghebbenden, waaronder de sociale partners, vastgesteld moeten worden. Wat de neveneffecten van de metaverse betreft, moet extra aandacht uitgaan naar de sociale dimensie en met name naar jongeren. Ook moeten we geografische onevenwichtigheden en ongelijkheden als gevolg van verschillen in digitale infrastructuur binnen Europa voorkomen. |
|
2.8. |
De belastingheffing op ondernemingen in de metaverse houdt een complexe uitdaging in, aangezien de traditionele concepten van geografische grenzen en fysieke locaties niet langer volstaan. Voor het vaststellen van belastbare inkomsten, het aanslaan van digitale activa en het afbakenen van bedrijfsonderdelen is een aanpassing van de heffingsgrondslag vereist. Ook de invoering van passende regelgevingsmechanismen om eerlijke belastingpraktijken te waarborgen, is van essentieel belang. |
3. Specifieke opmerkingen
3.1. De bouwstenen van de metaverse
|
3.1.1. |
Technisch gezien is de metaverse gebouwd op een fundament van onderling verbonden virtuele werelden, waarbij elke wereld een afzonderlijke omgeving of ervaring kan vertegenwoordigen. Om interactie en communicatie tussen gebruikers in de metaverse mogelijk te maken wordt gebruikgemaakt van diverse protocollen en standaarden, zoals het “Open Metaverse Interoperability Protocol” (OMI), dat een naadloze interactie tussen verschillende virtuele werelden mogelijk maakt. Andere technische componenten zijn bijv. netwerkprotocollen, gebruikersidentiteitssystemen en algoritmen op basis van artificiële intelligentie. De technologische component van de metaverse bestaat uit vier bouwstenen: 1) inhoud en ervaringen; 2) platforms (zoals game engines); 3) infrastructuur en hardware (waaronder apparatuur en netwerken), en 4) enablers (zoals betalingsmechanismen en beveiliging). Deze bouwstenen bestaan op hun beurt uit tien essentiële lagen, waarop alle metaverse-ervaringen uiteindelijk gebaseerd zijn. |
|
3.1.2. |
Ten slotte kent de metaverse ook economische en commerciële elementen, zoals virtuele valuta, marktplaatsen en systemen voor het kopen en verkopen van virtuele goederen en diensten. Deze elementen zijn ontworpen om de handel en de uitwisseling van waarde binnen de metaverse te vergemakkelijken en kunnen berusten op blockchain- en andere decentrale technologieën om transparantie en veiligheid te waarborgen. |
3.2. Kansen
|
3.2.1. |
Het EESC merkt op dat de toekomst van de metaverse meerdere dimensies omvat, waaronder de consumentgerichte metaverse, de zakelijke metaverse en de industriële metaverse: i) de consumentgerichte metaverse dient als recreatieruimte waar mensen samen VR-games kunnen spelen en sociale interacties kunnen aangaan; ii) de zakelijke metaverse biedt ondernemingen een platform om samen met klanten ontwerpen te maken, en iii) de industriële metaverse fungeert als portaal voor de vervaardiging van producten. |
|
3.2.2. |
De industriële metaverse houdt grote kansen in voor Europese bedrijven die hun activiteiten willen optimaliseren, gegevens willen verzamelen en hun prestaties willen verbeteren. Daarbij blijken digitale tweelingen goed van pas te komen, bijvoorbeeld door te kunnen ontwerpen zonder fysieke prototypes. |
|
3.2.3. |
Iedereen kan zijn of haar fysieke ervaringen en interacties naadloos voorzien van een virtuele en multimodale dimensie, waardoor oneindig veel mogelijkheden ontstaan. De metaverse leent zich bij uitstek als hefboom voor werving, inwerking en opleiding zonder risico’s; ze kan collaboratieve en immersieve telewerkomgevingen bieden om het toekomstige talent aan te trekken dat binnen de industrie verder ontwikkeld zal moeten worden. |
3.3. Uitdagingen
|
3.3.1. |
Volgens het EESC moet er nog meer draagvlak komen voor de toepassing van deze nieuwe technologieën. Een grootschalige uitrol van dit nieuwe internet voor consumenten en burgers staat of valt ook met het bereiken van de maturiteit die vereist is gezien de combinatie van talrijke technologieën, de ontwikkeling van infrastructuur, rekenkracht en communicatienetwerken. |
|
3.3.2. |
De metaverse gaat gepaard met urgente uitdagingen waarmee bedrijven, hun werknemers, onafhankelijke ontwikkelaars en makers van inhoud, alsook overheden en consumenten over de hele linie geconfronteerd zullen worden. Het grootste gedeelte van de beroepsbevolking zal omgeschoold moeten worden om van de metaverse te kunnen profiteren in plaats van ertegen op te boksen. Steden en landen zullen zich als metaverse-hub op de kaart moeten zetten en zullen zich niet kunnen onttrekken aan de wereldwijde concurrentiestrijd om talent en investeringen aan te trekken en werkenden vast aan zich te binden. Middels sociaal overleg en collectieve onderhandelingen moeten werkenden wier werkomgeving verandert alle kansen krijgen. |
|
3.3.3. |
Op maatschappelijk niveau zal een breed scala aan belanghebbenden een routekaart in de richting van een ethische, veilige en inclusieve metaverse-ervaring moeten opstellen. Ook kunnen richtsnoeren geboden zijn met betrekking tot kwesties als beveiliging, ethiek en naleving van de regelgeving, fysieke gezondheid en veiligheid, duurzaamheid, billijkheid en rechtvaardigheid. Ook de vereisten inzake gegevensbescherming en de implementatie van de algemene verordening gegevensbescherming van de EU in de metaverse brengen specifieke uitdagingen met zich mee. Er moet worden onderzocht in hoeverre de bestaande vereisten nog toereikend zijn. |
|
3.3.4. |
Overwegingen met betrekking tot de toewijzing van virtuele ruimte in de metaverse zijn van groot belang omdat daarmee wordt bepaald wie toegang heeft tot bepaalde gebieden en inhoud en wie niet. De grote platformexploitanten zoals Facebook, Google en Microsoft zullen een belangrijke rol spelen bij de vormgeving van de metaverse, aangezien ze reeds sterk aanwezig zijn in de virtuele wereld en over de nodige middelen beschikken om de infrastructuur te verschaffen. Het is belangrijk dat deze bedrijven transparante en eerlijke regels hanteren voor toegang tot de virtuele ruimte opdat een open en diverse virtuele wereld tot stand wordt gebracht. Daarnaast moeten ook kleinere marktspelers mogelijkheden krijgen om waarde te creëren via de virtuele ruimte. |
|
3.3.5. |
Gebruikers maken steeds meer melding van aanstootgevend en ongewenst gedrag, waaronder intimidatie van gebruikers, seksualisering van avatar-interacties, gegevensexploitatie en ongereguleerd gokken, gevallen van pesten, vertoning van expliciete seksuele inhoud, racisme, dreiging met geweld, en grooming (CCDH, 2022). Daarnaast zijn verslaving aan gesimuleerde realiteit, privacykwesties en problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid belangrijke punten van zorg onder gebruikers over de hele wereld (Statista 2020). |
|
3.4. |
Talent: het bouwen van zakelijke metaverses vergt speciale vaardigheden. Wellicht hebben we ook nieuwe rollen nodig, zoals ontwikkelaars van componenten, aanbieders van infrastructuur, ontwikkelaars van diensten en virtuele gastheren of gastvrouwen. Europa moet zich inzetten om weer een gastvrije gemeenschap voor onderzoekers en ingenieurs te worden en hun opvolgers op te leiden. Bij- en omscholing van de huidige beroepsbevolking, in samenwerking met universiteiten en andere onderwijsinstellingen, moet een prioriteit worden. |
|
3.5. |
Instrumenten: bij de ontwikkeling van de metaverse bestaat een enorme behoefte aan instrumenten die inhoud voor multidimensionale werelden kunnen creëren en programmering kunnen inbedden in objecten. Deze instrumenten zullen een essentiële rol spelen bij het creëren en verspreiden van inhoud en diensten in de metaverse. Bovendien zullen deze instrumenten toegankelijk moeten zijn voor een breed scala aan makers en gebruikers, van hobbyisten tot professionele ontwerpers. |
|
3.6. |
Ecosystemen en modellen: mogelijk zijn nieuwe markten en platforms nodig om “live objects” zoals NFT’s of volledige metaverses te kunnen verkrijgen. Deze items kunnen als producten of diensten worden aangeboden, maar wel moeten de prijsstellings-, eigendoms- en bedrijfsmodellen nog worden bepaald. Ter wille van de consistentie zullen standaarden vastgesteld moeten worden om het proces te sturen. |
|
3.7. |
Het EESC benadrukt dat het van cruciaal belang is na te denken over nieuwe mechanismen voor deling en licentieverlening waarmee inhoud en diensten gecreëerd en verspreid kunnen worden, terwijl tegelijkertijd de bescherming van intellectuele en industriële eigendom en de privacy en veiligheid van gebruikers gewaarborgd worden. Bij het ontwerp van de metaverse moeten handelsmerken, auteursrechten en andere licenties en vormen van intellectuele en industriële eigendom geëerbiedigd worden. |
|
3.8. |
Vanuit technologisch en maatschappelijk oogpunt is standaardisatie een van de belangrijkste uitdagingen bij de grootschalige uitrol van de metaverse. Op het vlak van cyberbeveiliging, opslag en bescherming van persoonsgegevens, bescherming van natuurlijke personen en bestrijding van cyberstalking, cybercriminaliteit en desinformatie moeten tal van protocollen, standaarden en regels worden vastgesteld. De Europese Unie moet krachtdadig optreden om te voorkomen dat deze door andere regio’s worden bepaald. Zij moet daarom deelnemen aan de internationale consortia die belast zijn met de ontwikkeling ervan. |
|
3.9. |
De game-industrie heeft vooropgelopen met het opzetten van onlinegemeenschappen, waar veel mensen, met name kinderen en jongeren, voor het eerst in contact komen met virtuele werelden. Het EESC pleit er daarom voor dat juist deze sector ter verantwoording wordt geroepen en wordt betrokken bij de ontwikkeling van consumentenbeschermingsnormen. |
3.10. Bedrijven in de virtuele wereld: voorbeelden uit de praktijk
|
3.10.1. |
Autofabrikant Renault maakte in november 2022 bekend dat het bedrijf verwacht dankzij zijn aanwezigheid in de industriële metaverse 780 miljoen EUR op verschillende stadia van zijn productiecyclus te gaan besparen. Tegen 2025 zou het nog eens 320 miljoen EUR aan besparingen kunnen realiseren. Daarnaast zou het 260 miljoen EUR kunnen besparen op voorraden, de leveringstermijnen van voertuigen met 60 % kunnen verkorten en de koolstofvoetafdruk van de productie-installaties kunnen halveren. |
|
3.10.2. |
In de gezondheidszorg maakt Pfizer bij het opleiden van medewerkers gebruik van VR-oplossingen om de naleving van de protocollen voor klinische proeven te verbeteren. Medewerkers worden opgeleid door hen onder te dompelen in een virtueel laboratorium waar ze veilig interacties kunnen aangaan en kunnen experimenteren in omstandigheden die nauw aansluiten bij de werkelijkheid. Pfizer maakt al gebruik van soortgelijke technologieën om zijn medewerkers op productielocaties op te leiden. Zowel onderzoeks- als productiemedewerkers die deze immersieve opleidingssessies hebben afgerond, houden zich veel beter aan de strikte protocollen en voorschriften van de sector. Naast dit voorbeeld kan de metaverse ingrijpende veranderingen in de toegang tot gezondheidszorg en in de kwaliteit van de zorg teweegbrengen door te helpen tekorten in de zorg weg te werken, met name in rurale en afgelegen gebieden. |
|
3.10.3. |
Wat de lucht- en ruimtevaartsector betreft, maken Airbus en Boeing al gebruik van het concept van digitale tweelingen, het fundament van de industriële metaverse, als toekomstig platform om een 3D-replica van hun nieuwe vliegtuig- en productiesystemen te maken ter ondersteuning van engineering- en simulatieactiviteiten. |
|
3.10.4. |
In de financiële sector geven meerdere banken en verzekeringsmaatschappijen de ervaring van en interactie met hun klanten een extra dimensie met behulp van immersieve en metaverse-oplossingen. Zo heeft AXA een virtueel stuk grond op een Web 3.0-platform gekocht om de interactie met nieuwe klantengroepen aan te gaan. Op termijn zal het daar een virtueel agentschap opzetten. Allianz maakt gebruik van augmented reality om de consument bewuster te maken. |
|
3.10.5. |
Het lijkt erop dat de meest recente initiatieven in verband met de metaverse en Web 3.0 te zien zijn in de sector consumptiegoederen, detailhandel en distributie. Die initiatieven variëren van virtuele 3D-winkels en immersief social shopping tot avatars, branding en marketing, ontsluiting van nieuwe gemeenschappen en nieuwe klantenbindingsprogramma’s op basis van NFT’s en Web 3.0-technologieën. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) https://www.europarl.europa.eu/news/nl/press-room/20221212IPR64513/digital-workers-better-working-conditions-and-protection-of-rights
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/81 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de transitie naar een duurzaam vervoerssysteem voor de lange termijn
(verkennend advies op verzoek van het Zweedse voorzitterschap)
(2023/C 228/11)
|
Rapporteur: |
Stefan BACK |
|
Corapporteur: |
Mateusz SZYMAŃSKI |
|
Raadpleging |
Zweeds voorzitterschap van de Raad, 14.11.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
14.12.2022 |
|
Bevoegde afdeling |
Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij |
|
Goedkeuring door de afdeling |
12.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
159/0/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
De transitie naar een duurzaam vervoerssysteem op lange termijn moet zodanig worden uitgevoerd dat burgers en bedrijven — inclusief de industrie en de vervoerssector — instemmen met zowel de doelstelling van 90 % emissiereductie in de vervoersector tegen 2050 als met de middelen die worden gebruikt om die doelstelling te bereiken. |
|
1.2. |
Om dit voor elkaar te krijgen, moet de transitie zodanig worden uitgevoerd dat burgers en bedrijven deze in financieel, sociaal en praktisch opzicht aanvaardbaar achten en derhalve bereid zijn deze actief te ondersteunen. Anders is er een gerede kans dat de plannen niet alleen mislukken, maar dat er in het ergste geval ook nog sociale onrust ontstaat. |
|
1.3. |
Om de transitie te doen slagen moet naar onze mening aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
|
|
1.4. |
Terwijl er algemene overeenstemming lijkt te bestaan over de doelstelling voor 2050 lijkt er minder consensus te heersen over de manieren en middelen die tot dusver zijn voorzien om die doelstelling te bereiken. Dit geldt bijvoorbeeld voor het zware vervoer, waar de elektrificatiemogelijkheden zeer beperkt blijken te zijn en de beschikbaarheid van alternatieve brandstoffen onvoldoende. |
|
1.5. |
Bij gebruik van hernieuwbare energie in het vervoer moet rekening worden gehouden met de verschillende soorten hernieuwbare energie en de verschillende bronnen daarvan, teneinde onafhankelijk te zijn van de gekozen leveranciers en landen. Er moet ook rekening worden gehouden met de afhankelijkheid van grondstoffen en onderdelen die bij de productie van elektrische auto’s worden gebruikt. |
|
1.6. |
De ontwikkeling van multimodaliteit is van essentieel belang om elke vervoerswijze ten volle te benutten, met inbegrip van de nieuwe emissievrije vervoerswijzen. Digitalisering, optimalisering van de capaciteit en coördinatie zullen ertoe bijdragen dat het vervoer een coherent systeem wordt. |
|
1.7. |
Vervoersinfrastructuur, en met name infrastructuur voor de distributie van alternatieve brandstoffen, investeringen en een efficiënt gebruik van de infrastructuur zijn een voorwaarde voor veranderingen in het vervoer, ook wat betreft de toegankelijkheid van het vervoer, het gebruik van schone brandstoffen, de integratie van vervoerswijzen, de toepassing van innovaties en nieuwe vervoerswijzen. Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) benadrukt de kwestie van de samenhang tussen het tijdschema voor de invoering van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en waterstof en de termijnen voor de uitvoering van het TEN-V-netwerk, en het stilzwijgen van de EU-wetgeving over plattelandsgebieden die niet onder het TEN-V vallen. |
|
1.8. |
Om de verschillende landen in staat te stellen het vervoer duurzaam te ontwikkelen, moet rekening worden gehouden met hun specifieke kenmerken en voorkeuren. |
|
1.9. |
De duurzame ontwikkeling van het vervoer, zoals uiteengezet in EU-documenten, kan door externe factoren in gevaar worden gebracht, maar de beoogde veranderingen moeten worden aangemoedigd om ervoor te zorgen dat de resultaten op een aanvaardbare manier kunnen worden bereikt. |
|
1.10. |
Sociaal duurzaam vervoer moet toegankelijk, inclusief en betaalbaar zijn om het probleem van mobiliteitsarmoede te voorkomen. Het EESC meent dat het openbaar vervoer een sleutelrol heeft in het transformatieproces. Het inclusieve karakter ervan maakt het mogelijk zowel milieudoelstellingen als sociale doelstellingen te verwezenlijken. |
|
1.11. |
Zonder werknemersparticipatie, die momenteel in de sector te wensen overlaat, zal de transformatie niet slagen. Daarom is het belangrijk dat de vervoersector naam maakt met hoogwaardige banen, hetgeen werken in de vervoersector aantrekkelijker zou maken. Sociale dialoog en collectieve onderhandelingen zijn in dit verband van cruciaal belang. |
|
1.12. |
Het EESC benadrukt het belang van breed overleg met alle betrokkenen en van bewustmaking in alle fasen van de transitie. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
Het Zweedse voorzitterschap heeft gevraagd om een verkennend advies over de transitie naar een duurzaam vervoerssysteem op lange termijn. |
Het advies moet worden bezien tegen de achtergrond van de ambitieuze doelstellingen van de Green Deal (een vermindering met 90 % van de CO2-emissies van het vervoer tegen 2050 en met 55 % tegen 2030), die worden uitgevoerd via het “Fit for 55”-pakket. Een en ander zal ook de veiligheid ten goede komen.
|
2.2. |
Zoals is overeengekomen, moet tegen 2030 een vermindering van de CO2-uitstoot met 55 % voor auto’s en met 50 % voor bestelwagens worden bereikt en met 100 % voor nieuwe auto’s en bestelwagens tegen 2035. De Commissie is van plan voertuigen met CO2-neutrale brandstoffen na 2035 toe te staan en het sociale en economische effect van de overeenkomst in 2026 te beoordelen.
Andere belangrijke voorstellen die relevant zijn voor het vervoersgedeelte van het “Fit for 55”-pakket waarover trialoogovereenkomsten zijn bereikt, betreffen de handel in emissierechten voor onder meer het wegvervoer, de luchtvaart en het maritiem vervoer, en een herziening van de richtlijn inzake hernieuwbare brandstoffen en de verordening inzake infrastructuur voor de distributie van hernieuwbare brandstoffen (AFIR). |
|
2.3. |
In december 2021 is een voorstel voor een herziening van de verordening met richtsnoeren voor het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) ingediend, dat gericht is op een snellere en efficiëntere aanleg van het netwerk en op het bevorderen van duurzaamheid, alsook een mededeling over stedelijke mobiliteit en een voorstel over IT-communicatie. Tijdens de Raad Vervoer in december 2022 hebben de EU-ministers overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijke aanpak van het TEN-T-voorstel. |
|
2.4. |
Het werkprogramma van de Commissie voor 2023 omvat een vergroeningspakket voor het goederenvervoer, met herzieningen van de richtlijn inzake gewichten en afmetingen voor zware voertuigen en de richtlijn inzake gecombineerd vervoer. |
|
2.5. |
In maart 2023 heeft de Commissie een mededeling gepubliceerd over een Europese waterstofbank, gericht op financiering. |
|
2.6. |
Voor 2023 is een mededeling over een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte voor mobiliteit gepland. |
|
2.7. |
De afspraken die in de lopende trialogen over het “Fit for 55”-pakket zijn gemaakt, kunnen een doorslaggevend effect hebben op de mogelijkheden om de voor 2050 vastgestelde doelstellingen van de Green Deal te behalen. Dit geldt ook voor de bovengenoemde voorstellen die voor 2023 zijn gepland en waarvan het lot in handen ligt van de medewetgevers. Het vinden van een efficiënte manier om de overgangsperiode te beheren, zowel wat de technische en systeemontwikkeling als wat de sociale aspecten betreft, is bijzonder belangrijk voor succes. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Vervoer omvat een groot aantal kwesties, waarvan vele specifiek zijn voor elke vervoerswijze. Essentiële elementen om de transitie van het vervoer door te voeren en, in voorkomend geval, te bespoedigen zijn in wezen: emissiereductie, ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, digitalisering, verbeterde efficiëntie en alternatieve vervoermiddelen in de stedelijke mobiliteit. Deze elementen en de beschikbaarheid van adequate infrastructuur voor brandstoffen lijken voor alle vervoerswijzen en voor zowel het goederen- als het personenvervoer te gelden. Het is belangrijk dat voldoende (particuliere of overheids-) middelen worden uitgetrokken voor onderzoek en ontwikkeling van emissievrije en emissiearme voertuigen, hernieuwbare brandstoffen en digitale oplossingen voor het vervoer. |
|
3.2. |
Het is belangrijk dat alle relevante wetgeving zo veel mogelijk in overeenstemming is met de doelstellingen van de groene transitie en emissiereductie bevordert, maar op een manier die de sociale belangen van de werknemers niet schaadt. |
|
3.3. |
Het is van belang de nodige aandacht te besteden aan de belangrijke sociale gevolgen van de transformatie van het vervoer, zowel voor de werknemers als voor de gebruikers, en ervoor te zorgen dat negatieve gevolgen voor de werknemers worden vermeden, terwijl de beschikbaarheid en betaalbaarheid van het vervoer voor de gebruikers, alsmede efficiënte en redelijk geprijsde logistieke ketens worden gewaarborgd. Adequate oplossingen voor deze kwesties zijn belangrijk voor de aanvaarding van de transitie door de werknemers, het grote publiek en het bedrijfsleven. |
|
3.4. |
Gezien het zeer hoge ambitieniveau, en rekening houdend met het feit dat de vraag naar vervoer naar verwachting zal stijgen en tegen 2050 meer dan twee keer zo groot zal zijn als nu, wordt een goed en geloofwaardig beheer van de transitie essentieel, waarbij het ook van belang is dat de uitvoeringsmaatregelen haalbaar zijn en als haalbaar worden gezien, en dat de juiste signalen de markt opgaan. |
|
3.5. |
Geloofwaardigheid zal ook essentieel zijn om mensen bereid te vinden hun gewoonten en levensstijl zodanig aan te passen dat de transitie wordt bevorderd, zoals de bereidheid om te investeren in voertuigen met nieuwe aandrijfsystemen, de voorkeur voor autodelen, een toegenomen gebruik van collectief vervoer, een toegenomen gebruik van actieve mobiliteitsmiddelen zoals fietsen of lopen, met name in steden, de bereidheid van goederenvervoersbedrijven om informatie uit te wisselen om de mogelijkheden voor een efficiënt gebruik van middelen door capaciteitsverdeling te verbeteren. |
|
3.6. |
Bewustmaking is belangrijk, evenals de follow-up van dergelijke activiteiten om het effect ervan te waarborgen. Maatschappelijke organisaties en relevante stakeholders zijn in dit verband belangrijk. |
|
3.7. |
De verstedelijking en de ontwikkeling van de elektronische handel zullen leiden tot een verandering van de vervoersbehoeften en -patronen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het bovengenoemde TEN-T-voorstel en de mededeling over stedelijke mobiliteit. Stedelijke gebieden bieden een goede context voor het bevorderen van actieve en groene mobiliteitswijzen en groene oplossingen voor goederenvervoer. |
|
3.8. |
In een EU van 27 lidstaten waar elementen zoals natuur, demografie, bevolkingsdichtheid, algemene levensomstandigheden en het kostenniveau van bedrijven aanzienlijk verschillen, kan het om praktische en haalbaarheidsredenen nodig zijn te aanvaarden dat een uniforme aanpak niet noodzakelijkerwijs geschikt is voor iedereen en dat het nodig kan zijn flexibel te zijn en verschillende oplossingen te aanvaarden, voor zover deze in de praktijk de werking van de interne markt niet verstoren. Voorbeelden hiervan zijn de totale omvang van vervoerscombinaties of de mate waarin bosbouwproducten mogen worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen en het aandeel van biobrandstoffen in het totale aanbod van hernieuwbare energie voor vervoer. |
|
3.9. |
Technologische neutraliteit moet een overkoepelend beginsel zijn bij het bedenken en uitvoeren van oplossingen op EU- en nationaal niveau, zodat rekening kan worden gehouden met nationale specifieke kenmerken. |
|
3.10. |
De afgelopen jaren is Europa blootgesteld aan crisissituaties die de werking van het vervoerssysteem beïnvloeden, zoals de COVID-19-pandemie, die het personenvervoer heeft getroffen en een uitdaging vormde voor de werking van de goederenvervoersverbindingen. De oorlog in Oekraïne en de daaruit voortvloeiende sancties hebben aanzienlijke gevolgen gehad voor de beschikbaarheid en de prijs van energie, ook wat vervoersbrandstoffen betreft. Het valt niet uit te sluiten dat de energieproblemen en de prijsstelling gevolgen hebben voor de mogelijkheden om hernieuwbare brandstoffen te ontwikkelen en tegelijkertijd omstandigheden creëren die bijvoorbeeld de ontwikkeling van collectief vervoer bevorderen. |
|
3.11. |
Dit benadrukt hoe belangrijk het is om te voorkomen dat we voor een bepaalde energiebron afhankelijk worden van één enkele leverancier. |
CO2-vereisten — hernieuwbare brandstoffen/aandrijvingsmiddelen — beschikbaarheid en opties
|
3.12. |
De Europese Commissie concentreert zich op elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en groene waterstof als belangrijkste energiebronnen. In het recente akkoord over de richtlijn hernieuwbare energie wordt voor 2030 een totaal minimumaandeel van 42,5 % hernieuwbare energie vastgesteld, waarvan 29 % voor vervoer, inclusief een bindend, gecombineerde subdoelstelling van 5,5 % voor geavanceerde biobrandstoffen/hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong met een minimumvereiste van 1 %. Deze vraag stelt de wijzigingen op het landgebruik en bosbouw aan de orde, alsook de LULUCF-verordening, die het gebruik van bosproducten voor de productie van biobrandstoffen en van biomassa-afval in de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie voor de productie van brandstoffen beperkt. Dit is een belangrijk onderdeel van een algemene oplossing voor de energievoorziening, net als de mogelijkheden voor geothermische energie en nieuwe luchtvaartbrandstoffen. |
|
3.13. |
Het komende voorstel voor CO2-emissiebeperkingen voor zware bedrijfsvoertuigen stelt de mogelijke beperkingen van elektrische aandrijving aan de orde, met name voor vervoer over lange afstand, alsmede de kwestie van de toereikendheid van het aanbod van alternatieve brandstoffen voor dergelijke voertuigen en hun totale kosten van eigendom. Tegen die achtergrond heeft de autosector gevraagd naar een alternatieve mogelijkheid voor het ontwikkelen van koolstofarme/emissiearme fossiele brandstoffen als middel om de uitstoot terug te dringen zonder dat wagenparken hoeven te worden vernieuwd en zonder dat daarvoor een speciale infrastructuur nodig is. Een gecombineerde strategie op basis van beide pijlers biedt waarschijnlijk een optimale manier om het doel te bereiken. Deze strategie maakt de snelle ontwikkeling mogelijk van emissiearme en emissievrije brandstoffen, met inbegrip van verschillende soorten waterstof en de inherente mogelijkheden van emissiereductie in die vervoerssegmenten waar elektrificatie momenteel geen optie is. |
|
3.14. |
Het EESC beveelt ook een uitgebreidere methode voor de beoordeling van de CO2-uitstoot van voertuigen aan, namelijk de vervanging van de huidige “tank-to-wheel”-methode door een “well-to-wheel”-methode, die een betere basis vormt voor de beoordeling van de CO2-uitstoot. |
|
3.15. |
Een belangrijk punt is de beschikbaarheid van infrastructuur voor de distributie van hernieuwbare energiebronnen en waterstof, wat essentieel is voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in het vervoer, ook met de grote capaciteit die nodig is voor zware bedrijfsvoertuigen In het trialoogakkoord over AFIR worden onder meer doelstellingen vastgesteld voor de uitrol voor auto’s, bestelwagens en zware bedrijfsvoertuigen voor het kernnet en het uitgebreide TEN-V, vanaf 2025, voor waterstof vanaf 2030. De dekking voor zware bedrijfsvoertuigen zal in 2030 voltooid zijn. Dit kan leiden tot problemen in de samenhang, aangezien het TEN-V-kernnet in 2040, en het algehele net in 2050 voltooid zal zijn. De beschikbaarheid in plattelandsgebieden die niet onder het TEN-V vallen, kan ook problemen opleveren. Hoe dan ook maakt de veelvuldige vertraging op het gebied van de uitvoering van infrastructuurprojecten het noodzakelijk ervoor te zorgen dat investeringen een prioriteit zijn en dat er efficiënt toezicht wordt gehouden. |
Efficiëntie als middel tot transitie
|
3.16. |
Efficiëntie maakt het vervoer duurzamer en kan worden bereikt door een beter laadvermogen, een betere infrastructuur waardoor het vervoer sneller verloopt of een betere terminalinfrastructuur waardoor het laden/lossen of de verandering van vervoerswijze sneller verloopt. Nieuwe technologieën en nieuwe manieren om vervoermiddelen te gebruiken, bijvoorbeeld autodelen, kunnen met name de verkeersvolumes in de steden terugdringen. Mogelijkheden om gebruik te maken van voorzieningen die de efficiëntie verbeteren, mogen niet afhankelijk worden gesteld van bijvoorbeeld de milieukwaliteit van een voertuig, aangezien dat de reikwijdte van de desbetreffende verbeterde duurzaamheid zou beperken. |
|
3.17. |
Dit betekent bijvoorbeeld dat het verbeterde laadvermogen als gevolg van het toelaten van grotere en zwaardere voertuigen en/of vervoerscombinaties niet afhankelijk mag worden gesteld van de milieukwaliteit van een voertuig, zoals nulemissie, noch van een specifiek gebruik. |
|
3.18. |
Het is echter even belangrijk dat emissiearme en emissievrije voertuigen, vliegtuigen of schepen een gelijk speelveld krijgen door er zo veel mogelijk voor te zorgen dat de technische voorschriften garanderen dat zij hetzelfde laadvermogen hebben als andere voertuigen, schepen en vliegtuigen. Het stimuleren van het gebruik van niet-fossiele brandstoffen vergt ambitieuze doelstellingen om investeerders zekerheid te bieden. |
|
3.19. |
Digitalisering is een ander belangrijk middel om de efficiëntie te verbeteren. De uitwisseling van informatie tussen bedrijven kan bijdragen tot een verbeterde efficiëntie, alsook de integratie van vervoermiddelen en coördinatie van activiteiten mogelijk maken en zo de duurzaamheid verbeteren. |
Multimodaliteit en transitie
|
3.20. |
Een essentieel onderdeel van de Green Deal is de verbetering van de duurzaamheid van alle vervoerswijzen, die elk als onderdeel van een systeem kunnen worden beschouwd. Daarom moet het doel zijn efficiënte en naadloze multimodaliteit te bevorderen waarbij elke vervoerswijze optimaal kan presteren, met een verbeterde totale duurzaamheid als resultaat. Digitalisering, optimalisering van de capaciteit en coördinatie zullen ertoe bijdragen dat vervoerswijzen een coherent systeem vormen. De toegang tot netwerken moet voor alle vervoerswijzen gelijk zijn en multimodaliteit moet worden bevorderd. Elke vervoerswijze moet gelijk worden behandeld en profiteren van modernisering om de efficiëntie te verbeteren en bij te dragen tot decarbonisatie en een duurzamere en veerkrachtigere vervoersector. |
Overkoepelende aanpak
|
3.21. |
Om de duurzaamheid te verbeteren moet de basisaanpak erin bestaan optimaal gebruik te maken van oplossingen die beschikbaar zijn en werken. Er moeten zeker middelen worden besteed aan de ontwikkeling van nieuwe en innovatieve oplossingen, op een technologisch neutrale manier. Net zo belangrijk is het om het gebruik van reeds beschikbare opties niet te belemmeren. De transitie van het vervoer moet geloofwaardig en realistisch zijn, èn meetbare resultaten opleveren. |
|
3.22. |
De oplossingen waaraan wordt gewerkt, moeten dus maatschappelijk geloofwaardig en aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat er concrete en gecoördineerde plannen moeten worden gemaakt en dat er een sociale dialoog tussen de betrokken partijen moet plaatsvinden over de vraag hoe de beroepsbevolking in staat kan worden gesteld zich aan de nieuwe bekwaamheidseisen aan te passen en tijdelijke werkloosheid te voorkomen. |
|
3.23. |
Het is belangrijk dat oplossingen financieel geloofwaardig zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat de kosten van het gebruik van emissiearme of emissievrije brandstoffen financieel draaglijk moeten zijn voor de consument en dat commerciële exploitanten een aanvaardbaar winstniveau moeten kunnen realiseren. Rechtstreekse financiële steun is een soort oplossing die moet worden vermeden. Een betere oplossing is het toekennen van belastingvermindering aan consumenten of bedrijven die investeren in duurzame oplossingen. |
|
3.24. |
Er zij gewezen op de rol van het systeem van overheidsopdrachten als middel om bij overheidsinvesteringen duurzame doelstellingen te bevorderen. De mogelijkheid om naleving van het arbeidsrecht als specifieke eis in te voeren, moet worden bevorderd. De medefinanciering van het vervoer door de EU moet worden afgestemd op het nationale beleid en de nationale planning, voor zover die verenigbaar zijn met het EU-kader. |
|
3.25. |
Veiligheid en beveiliging zijn essentieel voor elk duurzaam vervoerssysteem. Zij hebben gevolgen voor alle vervoergebruikers en dienstverleners. Daarom moeten de normen voor alle vervoerswijzen voortdurend worden verbeterd. |
Deelname en overleg
|
3.26. |
Voor een succesvolle groene transitie is het van belang consensus te bereiken via sociale dialoog en breed overleg met alle belanghebbenden en het grote publiek. Deze aanpak zal helpen bij het vaststellen van de problemen, het vinden van voor alle betrokkenen aanvaardbare oplossingen en het creëren van vertrouwen in en algemene steun voor de geplande maatregelen. De aanpak moet worden beschouwd als een onmisbare voorwaarde om het complexe proces van hervorming van de vervoersector tot een goed einde te brengen en de transparantie van de wetgevingsprocedures en de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren. |
|
3.27. |
Het EESC benadrukt dat het maatschappelijk middenveld nauw betrokken moet blijven bij initiatieven ter bevordering van duurzaam vervoer en stelt voor de samenwerking met alle belanghebbenden vroegtijdig en nog verder te ontwikkelen. |
4. Specifieke opmerkingen
Sociale aspecten — toegankelijkheid van het vervoer
|
4.1. |
Sociaal duurzaam vervoer moet toegankelijk, inclusief, veilig en betaalbaar zijn om mobiliteitsarmoede te voorkomen. Het moet tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van verschillende groepen, bijvoorbeeld vrouwen. Toegankelijkheid betekent onder meer een adequate ruimtelijke ordening, ook wat betreft de interface tussen agglomeraties en omliggende rurale gebieden en met de nodige aandacht voor specifieke oplossingen voor ouderen en personen met beperkte mobiliteit (rolpaden, bergspoorwegen enz.). Het aanbod van ecologisch vervoer voor stadstoerisme moet worden verbeterd. Het EESC benadrukt dat duurzame stedelijke mobiliteitsplanning moet worden bevorderd en ontwikkeld. |
|
4.2. |
Het EESC bepleit bijzondere aandacht voor vrouwelijke gebruikers om ervoor te zorgen dat het vervoer bijdraagt tot gendergelijkheid, onder meer door de nadruk te leggen op veiligheid in het openbaar vervoer. |
|
4.3. |
Er moet steun zijn voor gedeeld en actief vervoer, met name in steden; ook moeten groene vervoerswijzen worden gestimuleerd met behulp van intelligente vervoerssystemen, mobiliteit als dienstenconcept en verbetering van de verkeersveiligheid. Er moet rekening worden gehouden met aspecten van de levenskwaliteit, zoals de noodzaak om geluidsoverlast te verminderen. |
|
4.4. |
Het EESC meent dat het openbaar vervoer een sleutelrol heeft in het transformatieproces. Het inclusieve karakter ervan maakt het mogelijk zowel milieudoelstellingen als sociale doelstellingen te verwezenlijken. Het kan worden aangevuld met micromobiliteitsoplossingen. |
|
4.5. |
De prijzen van het openbaar vervoer moeten betaalbaar en billijk zijn en mogen niet leiden tot inkrimping van verbindingen of van het personeelsbestand, met inachtneming van alle belanghebbenden. Als openbare dienst mag het openbaar vervoer niet uitsluitend zijn gebaseerd op rentabiliteit, noch mag het leiden tot uitsluiting op vervoersgebied. Dit impliceert een sociaal gerechtvaardigde noodzaak om ook onrendabele verbindingen in stand te houden om de sociale cohesie te handhaven, bijvoorbeeld door middel van openbaredienstverplichtingen. Dit kan de inzet van voertuigen met een verbrandingsmotor vereisen om een passend dienstverleningsniveau te handhaven. |
Sociale aspecten — de beroepsbevolking
|
4.6. |
Een groot probleem van de vervoersector is het tekort aan personele middelen. Dit kan een probleem vormen voor de ontwikkeling van de sector en voor de geplande groene transitie. In dit verband wordt de aandacht gevestigd op het belang van het waarborgen van bevredigende arbeidsomstandigheden, billijk loon en billijke arbeidsvoorwaarden in de sector, ook voor platformwerkers. Hoewel arbeidsverhoudingen een nationale bevoegdheid blijven, is er niettemin reden om de aandacht te vestigen op de mogelijkheden van collectieve onderhandelingen om op nationaal en transnationaal niveau overeenstemming te bereiken over aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden in de vervoersector, waaronder lonen en gezondheid en veiligheid op het werk. |
|
4.7. |
Nieuwe technologieën kunnen in dit verband nieuwe mogelijkheden bieden. Er zij gewezen op het belang van opleiding en een leven lang leren, met name als middel om de beroepsbevolking in staat te stellen te blijven voldoen aan de nieuwe bekwaamheidseisen als gevolg van de groene transitie en de digitalisering van de sector. |
|
4.8. |
Maatregelen zoals die welke in paragrafen 4.3 en 4.5 zijn uiteengezet, zullen het imago van de vervoersector verbeteren en jongeren en vrouwen warm maken voor een carrière in deze branche. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
III Voorbereidende handelingen
Europees Economisch en Sociaal Comité
578e zitting van het EESC — vernieuwingsvergadering, 26.4.2023-27.4.2023
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/87 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie
(COM(2023) 38 final — 2023/0012 (NLE))
en over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie: het volledige potentieel van de sociale dialoog benutten om de transities in goede banen te leiden
(COM(2023) 40 final)
(2023/C 228/12)
|
Rapporteur: |
Pekka RISTELÄ |
|
Corapporteur: |
Mariya MINCHEVA |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 8.3.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
179/52/17 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de mededeling van de Commissie over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (“de mededeling”) en met het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (“de aanbeveling”). |
|
1.2. |
De sociale dialoog op nationaal en Europees niveau speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid dat een opwaartse convergentie van de leef- en werkomstandigheden in de EU-lidstaten bevordert. Het EESC sluit zich volledig aan bij het standpunt dat de sociale dialoog een nuttig instrument kan zijn om de economische en sociale veerkracht, het concurrentievermogen en de duurzame en inclusieve groei te stimuleren. |
|
1.3. |
De positieve resultaten van de sociale dialoog mogen echter niet als vanzelfsprekend worden beschouwd, aangezien de sociale dialoog niet simpelweg een knop is waar je aan kunt draaien. De Commissie moet succesvolle nationale, regionale en sectorale modellen onderzoeken en nagaan waarom deze succesvol zijn geworden. |
|
1.4. |
Het EESC is het met de mededeling eens dat zowel op nationaal als op Europees niveau meer moet worden gedaan om de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen te verbeteren. Maar hoewel in dit verband in de aanbeveling belangrijke maatregelen ter verbetering van de dekkingsgraad zijn opgesomd, wordt aan een zeer relevant punt uit de mededeling voorbijgegaan, namelijk het belang van sectorale collectieve overeenkomsten. |
|
1.5. |
Het EESC is verheugd dat de aanbeveling tot doel heeft de tripartiete sociale dialoog op zowel Europees als nationaal niveau te verbeteren en wijst erop dat de tripartiete dimensie van de sociale dialoog in sommige lidstaten eerder formeel dan constructief is. Volgens het EESC zou de invoering van een doeltreffend gemeenschappelijk kader voor de betrokkenheid van de sociale partners op nationaal niveau bijdragen tot vruchtbaar en kwalitatief hoogstaand overleg met de nationale sociale partners. De lidstaten zouden verplicht moeten worden de resultaten van het overleg met de sociale partners in hun nationale hervormings- en investeringsprogramma’s op te nemen. Als er geen sprake is van constructieve betrokkenheid, moet de Commissie maatregelen nemen. |
|
1.6. |
Het EESC is bezorgd over het gebrek aan duidelijkheid over de tenuitvoerlegging van overeenkomsten tussen de sociale partners door middel van richtlijnen van de Raad. Zonder duidelijkheid, transparantie en voorspelbaarheid dreigt de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Europese Commissie op dit gebied het onbedoelde gevolg te hebben dat de sociale partners ontmoedigd worden om over dergelijke overeenkomsten te onderhandelen. Het EESC herhaalt zijn oproep aan de Commissie om deze kwestie met de sociale partners te bespreken. |
|
1.7. |
Zoals in de aanbeveling wordt gesteld, moet de specifieke rol van de organisaties van sociale partners in de structuren en processen van de sociale dialoog ten volle worden erkend en geëerbiedigd. Tegelijk moet worden erkend dat de civiele dialoog, waarbij een groter aantal belanghebbenden over een breder scala aan onderwerpen betrokken is, een afzonderlijk proces is. Dit onderscheid moet ook worden gemaakt in de steun voor capaciteitsopbouw voor de sociale partners en het maatschappelijk middenveld in ruimere zin. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Commissie over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (“de mededeling”) en met het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (“de aanbeveling”). |
|
2.2. |
Zoals opgemerkt in het EESC-advies SOC/644 (1), speelt de sociale dialoog op nationaal en Europees niveau een belangrijke rol bij het vormgeven van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid dat een opwaartse convergentie van de leef- en werkomstandigheden in de EU-lidstaten bevordert, en bij het reageren op de uitdagingen waarmee Europa in de arbeidswereld wordt geconfronteerd. |
|
2.3. |
In de mededeling erkent de Commissie dat de sociale partners de situatie op sociaal en werkgelegenheidsvlak “in de praktijk” het beste kennen en op een rijke ervaring kunnen bogen. Hun inbreng kan het juiste evenwicht vinden tussen de belangen van werknemers en werkgevers en de aanvaardbaarheid en doeltreffendheid van beleid en wetgeving verbeteren. De Commissie wijst er terecht op dat de sociale partners in vergelijking met andere belanghebbenden een unieke rol hebben. |
|
2.4. |
Zoals in de aanbeveling wordt gesteld, moet de specifieke rol van de organisaties van sociale partners in de structuren en processen van de sociale dialoog ten volle worden erkend en geëerbiedigd. Tegelijk moet worden erkend dat de civiele dialoog, waarbij een groter aantal belanghebbenden over een breder scala aan onderwerpen betrokken is, een afzonderlijk proces is. |
|
2.5. |
Het EESC heeft er eerder op gewezen (2) dat een van de belangrijkste functies van de sociale dialoog, en met name van collectieve onderhandelingen, erin bestaat het ondernemingsklimaat vorm te helpen geven en veranderingen in het arbeidsleven te helpen aanpakken door middel van informatieverstrekking, anticipatie, participatie en facilitering, om wederzijds vertrouwen op te bouwen tussen sociale partners op alle niveaus. |
|
2.6. |
Het EESC sluit zich volledig aan bij het standpunt dat de sociale dialoog een nuttig instrument kan zijn om de economische en sociale veerkracht, het concurrentievermogen en de duurzame en inclusieve groei te stimuleren. De positieve resultaten van de sociale dialoog mogen echter niet als vanzelfsprekend worden beschouwd, aangezien de sociale dialoog niet simpelweg kan worden gezien als een instrument dat kan worden gebruikt. De Commissie moet succesvolle nationale, regionale en sectorale modellen onderzoeken en nagaan waarom deze succesvol zijn geworden. In landen waar de sociale dialoog zwak is, kunnen de uitwisseling van kennis en collegiale toetsing tussen de lidstaten de toestand helpen verbeteren. |
|
2.7. |
Om de sociale partners nog meer te ondersteunen bij het aangaan van de sociale dialoog, het verbeteren van de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen en bij de uitvoering van sociale akkoorden, zowel op Europees als op nationaal niveau, is het belangrijk dat de sociale partners in landen waar de sociale dialoog momenteel zwakker is, extra steun krijgen om hun capaciteit op te bouwen. Dit geldt met name voor het Europees Sociaal Fonds (ESF)+, waarbij het van belang is een onderscheid te maken tussen de steun voor capaciteitsopbouw van de sociale partners en steun voor het maatschappelijk middenveld in het algemeen. Dit onderscheid zou moeten worden opgenomen in de ESF+-verordening en in de verordening gemeenschappelijke bepalingen voor de volgende financiële periode. Tegelijkertijd moeten er betere financiële oplossingen worden gevonden voor maatschappelijke organisaties. |
|
2.8. |
Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, heeft de sociale dialoog een cruciale rol gespeeld bij het uitwerken en uitvoeren van maatregelen om de gevolgen van de pandemie voor de arbeidswereld te verzachten. De sociale partners leveren ook een belangrijke bijdrage aan het opvangen van de ingrijpende gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, door de integratie van ontheemden uit Oekraïne en andere vluchtelingen en migranten op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. De sociale partners spelen ook een essentiële rol bij het vinden van duurzame oplossingen om de lonen en collectieve overeenkomsten aan te passen aan de explosief stijgende kosten van levensonderhoud en de hoge inflatie. |
|
2.9. |
Wil de sociale dialoog doeltreffend zijn, dan moeten volgens het EESC (3) de volgende elementen aanwezig zijn:
Het EESC waardeert het dat al deze elementen in het initiatief van de Commissie terug te vinden zijn. |
|
2.10. |
Tegelijkertijd zijn er in de hele EU nog steeds landen waar de sociale dialoog zwak is en in een negatief klimaat functioneert. Soms biedt het rechtskader de sociale partners geen ruimte om te onderhandelen. Dit verzwakt de positie van de sociale partners en maakt het hen ook moeilijker om collectieve onderhandelingen te voeren en nieuwe leden aan te trekken. In lidstaten die nog geen lange traditie van sociale dialoog hebben, is het van essentieel belang dat er open, transparante en vooraf vastgestelde objectieve criteria zijn om te bepalen of de organisaties van sociale partners representatief zijn. Die criteria worden in onderling overleg vastgesteld, waarbij buitensporige administratieve lasten worden vermeden. Bovendien moet de grote verscheidenheid aan bestaande nationale praktijken, met inbegrip van wederzijdse erkenning tussen organisaties van sociale partners, worden gerespecteerd. |
|
2.11. |
Het EESC is het met de mededeling eens dat zowel op nationaal als op Europees niveau meer moet worden gedaan om de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen te verbeteren (4). Het is in dit verband verheugd dat in de aanbeveling wordt verwezen naar de verschillende middelen om dit te bereiken: institutionele of juridische belemmeringen voor de sociale dialoog en voor collectieve onderhandelingen over nieuwe vormen van werk of atypische banen wegnemen; de onderhandelingspartijen de vrijheid geven om te beslissen over de kwesties waarover moet worden onderhandeld; ervoor zorgen dat de sociale partners het eens worden over de mogelijkheid om af te wijken van collectieve overeenkomsten en dat deze mogelijkheid wordt beperkt wat betreft de voorwaarden waaronder zij kan worden toegepast; een systeem voor de handhaving van collectieve overeenkomsten waarborgen en toepassen. |
|
2.12. |
Hoewel deze belangrijke maatregelen ter verbetering van de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen in de aanbeveling zijn opgesomd, wordt aan een zeer relevant punt uit de mededeling voorbijgegaan, namelijk het belang van sectorale collectieve overeenkomsten. In de mededeling wordt opgemerkt dat het percentage werknemers dat onder collectieve onderhandelingen valt alleen hoog (meer dan 50 %) is in landen waar ten minste één vorm van sectorale onderhandelingen bestaat. Dit blijkt ook uit de recente richtlijn betreffende toereikende minimumlonen (Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad (5)), waarin staat dat de lidstaten de opbouw en versterking van de capaciteit van de sociale partners om deel te nemen aan collectieve onderhandelingen over loonvorming, met name op sectoraal of bedrijfstakoverkoepelend niveau, moeten aanmoedigen. |
|
2.13. |
Tegelijkertijd is het van belang het vrijwillige karakter van collectieve onderhandelingen te behouden en een passend klimaat te scheppen dat het proces voor beide partijen aantrekkelijk en gunstig maakt. Het proces moet zo inclusief mogelijk zijn. Er moeten ook doeltreffende systemen voor geschillenbeslechting voorhanden zijn. Met medewerking van de sociale partners moeten de lidstaten mechanismen ontwikkelen om te controleren of de collectieve overeenkomsten worden nageleefd. |
|
2.14. |
Het EESC is verheugd dat de aanbeveling tot doel heeft de tripartiete sociale dialoog op zowel Europees als nationaal niveau te verbeteren en wijst er onder meer op dat het belangrijk is dat er tijdens het beleidsvormingsproces voldoende tijd voor overleg wordt uitgetrokken, dat er een passend institutioneel kader is en een zekere toegang tot de informatie die nodig is om aan de sociale dialoog deel te nemen. |
|
2.15. |
In sommige lidstaten is de tripartiete dimensie van de sociale dialoog eerder formeel dan constructief. Met een goede uitvoering en monitoring kan de aanbeveling een belangrijke stap voorwaarts betekenen om deze situatie te verbeteren. Het zou met name van belang zijn de tripartiete dialoog op Europees niveau over werkgelegenheid en sociale bescherming te bevorderen, bijvoorbeeld door de oprichting van tripartiete adviescomités over deze kwesties te overwegen. |
|
2.16. |
In eerdere adviezen heeft het EESC bijvoorbeeld aanbevolen om de sociale partners naar behoren te betrekken bij de uitwerking en uitvoering van de nationale herstelplannen en om de samenwerking tussen de sociale partners en de Europese Commissie te verbeteren met het oog op een coherent gebruik van de Europese middelen (6). Een betere betrokkenheid van andere maatschappelijke organisaties moet ook verzekerd worden. |
|
2.17. |
Het EESC is het met de Commissie eens dat de Europese overeenkomsten inzake sociale dialoog een van de belangrijkste resultaten van de sociale dialoog in de EU zijn. Het EESC neemt ook nota van de oproep van de Commissie aan de Europese sociale partners om meer onderhandelingen te voeren en overeenkomsten te sluiten, maar benadrukt dat de sociale partners zelf moeten beslissen of en over welke onderwerpen zij onderhandelingen aangaan. Dat is een fundamenteel aspect van hun autonomie. |
|
2.18. |
Het EESC is ook bezorgd over het gebrek aan duidelijkheid over de tenuitvoerlegging van overeenkomsten tussen de sociale partners door middel van richtlijnen van de Raad. Zonder een duidelijker procedure dreigt de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Europese Commissie op dit gebied, mogelijk gemaakt door recente uitspraken van het Europees Hof van Justitie (7), het onbedoelde gevolg te hebben dat de sociale partners ontmoedigd worden om over dergelijke overeenkomsten te onderhandelen. |
|
2.19. |
Daarom verzoekt het EESC de Commissie nogmaals om deze kwestie met de sociale partners te bespreken, met inachtneming van hun autonomie en volgens de procedure van artikel 155 VWEU. Het EESC herhaalt ook zijn verzoek aan de Commissie om duidelijke en transparante criteria vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van de sectorale overeenkomsten tussen de sociale partners (8). |
3. Specifieke opmerkingen
3.1. Specifieke opmerkingen over de mededeling
|
3.1.1. |
In de mededeling stelt de Commissie haar diensten ter beschikking van de onderhandelende sociale partners voor bijstand en juridisch advies, met name over aangelegenheden die een negatief effect kunnen hebben op de uitvoering van een overeenkomst door middel van EU-wetgeving. Het is daarbij cruciaal dat de sociale partners afspreken of zij dergelijk advies en bijstand in het kader van hun onderhandelingen nodig hebben. |
|
3.1.2. |
De Commissie verwijst ook naar de praktijk, bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-928/19 P, om onder meer te beoordelen of het opportuun is om de door onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomst tussen de sociale partners door middel van EU-wetgeving uit te voeren. De Commissie merkt op dat in dit verband een effectbeoordeling kan worden uitgevoerd. De Commissie zal de respectieve sociale partners binnen drie maanden in kennis stellen van haar voorlopige overwegingen en eventueel van de vraag of een effectbeoordeling zal worden uitgevoerd. |
|
3.1.3. |
Het EESC erkent het nut van de steun en het advies van de Commissie en haar toezegging om haar beoordelingen binnen een bepaalde termijn uit te voeren, maar deze maatregelen volstaan niet om het proces de nodige duidelijkheid, transparantie en voorspelbaarheid te geven die de onderhandelingspartners nodig hebben. |
|
3.1.4. |
Het EESC onderstreept het belang van een adequaat ondersteunend kader voor de sectorale sociale dialoog en neemt nota van de open brief van de Europese sectorale sociale partners (9). Er moet ernstig rekening worden gehouden met de bezorgdheid van de sectorale organisaties over de financiering en organisatie van de sectorale comités voor de sociale dialoog. |
|
3.1.5. |
Wat de bevordering van de Europese tripartiete sociale dialoog betreft, is het EESC ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij in elk van haar diensten een coördinator voor de sociale dialoog zal aanstellen. De aanwezigheid van dergelijke coördinatoren in de directoraten-generaal van de Commissie en in de relevante diensten kan de bewustwording vergroten en de kwaliteit van de sociale dialoog verbeteren, zodat de Commissie de vruchten kan plukken van een goed functionerende tripartiete dialoog voor de Europese beleidsvorming. |
|
3.1.6. |
In het kader van het Europees Semester voor de coördinatie van het economisch en werkgelegenheidsbeleid is het EESC verheugd dat de Commissie erkent dat een constructieve en tijdige betrokkenheid van de sociale partners op Europees en nationaal niveau een belangrijke rol speelt bij het doeltreffend uitstippelen en uitvoeren van hervormingen en investeringen. Hoewel er op EU-niveau regelmatig gestructureerde dialogen met de sociale partners worden georganiseerd op belangrijke momenten in de Europees Semester-cyclus, hebben de regeringen op nationaal niveau te vaak nagelaten hen bij de dialoog te betrekken, waardoor de doeltreffendheid van de dialoog grotendeels afhangt van de goede wil van de regeringen en niet van vaste praktijken of regels. |
|
3.1.7. |
Het EESC is het ermee eens dat de bevordering van de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen ook belangrijk is voor de lopende uitbreidingsonderhandelingen en is ingenomen met de steun van de Commissie aan projecten ter verbetering van de sociale dialoog in kandidaat-lidstaten of potentiële kandidaat-lidstaten. Hetzelfde geldt voor het Europees nabuurschapsbeleid en de Global Gateway-partnerschappen van de EU, waarbij de EU zich terecht inzet voor de handhaving van hoge normen op het gebied van mensen-, sociale en werknemersrechten. |
3.2. Bijzondere opmerkingen over de aanbeveling
|
3.2.1. |
Het EESC is verheugd dat de rol en de autonomie van vakbonden en werkgeversorganisaties bij collectieve onderhandelingen in de aanbeveling worden geëerbiedigd. Het EESC acht het belangrijk te verduidelijken dat het in overweging 12 genoemde begrip werknemersorganisaties wordt geïnterpreteerd in overeenstemming met de jurisprudentie van de toezichthoudende organen van de IAO (met name Verdragen nr. 98 en nr. 154), en dat het woord “in het algemeen” uit overweging 12 wordt geschrapt. Voorts zou het wenselijk zijn in overweging 13 een verwijzing naar IAO-verdrag nr. 98 op te nemen, naast de verwijzing naar Verdrag nr. 135. |
|
3.2.2. |
Het EESC is verheugd dat de lidstaten worden opgeroepen om de sociale partners systematisch, op constructieve wijze en tijdig te betrekken bij het uitstippelen en uitvoeren van het beleid, zeker als het gaat om maatregelen betreffende het Europees Semester en de herstel- en veerkrachtfaciliteit. Volgens het EESC zou de invoering op nationaal niveau van een doeltreffend gemeenschappelijk kader voor de betrokkenheid van de sociale partners en de maatschappelijke organisaties bijdragen tot vruchtbaar en kwalitatief hoogstaand overleg. |
|
3.2.3. |
Wat het Europees Semester betreft, zouden de lidstaten verplicht moeten worden de resultaten van het overleg met de sociale partners en hun standpunt/input in hun nationale hervormings- en investeringsprogramma’s op te nemen. Dit geldt in voorkomend geval ook voor het ESF+ en andere cohesiefondsen en met volledige inachtneming van het partnerschapsbeginsel. In alle gevallen is het van essentieel belang dat de sociale partners daadwerkelijk bij het proces worden betrokken en dat dit niet beperkt blijft tot een aanvinkoefening. Als er geen sprake is van constructieve betrokkenheid of als de sociale dialoog op nationaal niveau wordt ondermijnd, moet de Commissie maatregelen nemen. Zo zouden ontwerpplannen/partnerschapsovereenkomsten kunnen worden opgeschort in afwachting van hun goedkeuring. |
|
3.2.4. |
In de overwegingen van de aanbeveling wordt erkend dat de EU-richtlijnen inzake overheidsopdrachten (10) de lidstaten verplichten het recht om zich te organiseren en collectief te onderhandelen eerbiedigen. Het EESC is van mening dat dit nauw verband houdt met de doelstelling om de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen te vergroten en moet worden opgenomen in de concrete aanbevelingen aan de lidstaten. |
|
3.2.5. |
In de aanbeveling wordt opgemerkt dat het vermogen van de nationale sociale partners om op nationaal niveau autonome overeenkomsten tussen sociale partners op EU-niveau uit te voeren, in sommige lidstaten moet worden versterkt. Het EESC is van mening dat meer steun in dit verband (onder meer via het ESF+) nuttig zou zijn om de resultaten van de Europese sociale dialoog op nationaal niveau te promoten en het uitvoeringsproces in de praktijk te verbeteren. |
|
3.2.6. |
Het EESC is ingenomen met de speciale aandacht voor de beschikbare nationale en Europese middelen om de sociale partners te ondersteunen. Het ESF+ is een waardevol instrument om de sociale partners (met inbegrip van die welke kleine, middelgrote en micro-ondernemingen vertegenwoordigen) beter in staat te stellen een tripartiete en bipartiete sociale dialoog te voeren, maar ook om gezamenlijke acties van de sociale partners te ondersteunen bij het anticiperen op, het veranderen van en het aanpakken van de gevolgen voor de werkgelegenheid en de sociale gevolgen van de uitdagingen die voortvloeien uit verschillende sociaal-economische ontwikkelingen, zoals de digitale en de groene transitie, om maar een voorbeeld te noemen. Dit moet duidelijk worden benadrukt als onderdeel van specifieke ondersteuning bij capaciteitsopbouw voor de sociale partners in het kader van het ESF+. |
|
3.2.7. |
Aangezien de Commissie de civiele dialoog met een bredere groep belanghebbenden terecht erkent als een afzonderlijk proces, moet zij dezelfde aanpak hanteren voor de ESF+-steun. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de begrotingslijnen voor sociale partners en die voor de maatschappelijke organisaties, zodat de specifieke rol van elk van de actoren beter kan worden omschreven en de resultaten beter kunnen worden gecontroleerd. Bovendien is een duidelijke reeks (door de Commissie goedgekeurde) criteria nodig voor de toetsing van staatssteun, aangezien dit in sommige lidstaten een probleem lijkt te zijn. De nationale overheden moeten deze criteria toepassen wanneer zij oordelen of de projectactiviteiten van de sociale partners verenigbaar zijn met de staatssteunregels. Bij de ontwikkeling van die criteria moet rekening worden gehouden met de bijzondere rol van de sociale partners, teneinde hun grotere deelname aan en effectieve bijdrage tot de sociale dialoog op verschillende niveaus (internationaal, Europees, nationaal, regionaal, sectoraal) te vergemakkelijken. Voor maatschappelijke organisaties moeten soortgelijke regels worden ontwikkeld. |
|
3.2.8. |
Het EESC acht het belangrijk dat de aanbeveling duidelijke en doeltreffende regelingen inzake monitoring bevat. De lidstaten wordt aanbevolen om binnen 18 maanden na de bekendmaking van de aanbeveling een lijst van uit te voeren maatregelen in te dienen, die in overleg met de sociale partners is opgesteld. De Commissie van haar kant is van plan gezamenlijk overeengekomen indicatoren op te stellen om samen met het Comité voor de werkgelegenheid en met de relevante sociale partners controle uit te oefenen op de uitvoering van deze aanbeveling. De sociale partners moeten een leidende rol spelen bij de ontwikkeling van deze indicatoren. |
|
3.2.9. |
Het EESC is ingenomen met de bepaling in de aanbeveling dat dit toezicht de sociale partners onder meer in staat moet stellen situaties op te sporen waarin zij zijn uitgesloten of onvoldoende zijn betrokken bij het overleg op nationaal niveau over Europees en nationaal beleid. Volgens het EESC is het ook belangrijk om een vervolgprocedure uit te werken die erop gericht is de situatie te verbeteren. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Advies van het EESC over de sociale dialoog als pijler van economische duurzaamheid en veerkracht (PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14).
(2) Advies van het EESC over sociale dialoog voor innovatie in de digitale economie (PB C 159 van 10.5.2019, blz. 1).
(3) Advies van het EESC over de sociale dialoog als pijler van economische duurzaamheid en veerkracht (PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14).
(4) Advies van het EESC over de sociale dialoog als pijler van economische duurzaamheid en veerkracht (PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14).
(5) Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33).
(6) Advies van het EESC over de sociale dialoog als pijler van economische duurzaamheid en veerkracht (PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14) en over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB C 517 van 22.12.2021, blz. 97).
(7) Arrest van het Gerecht van 24 oktober 2019, T-310/18, en arrest van het Hof van Justitie (Grote Kamer) van 2 september 2021, C-928/19 P.
(8) Advies van het EESC over de sociale dialoog als pijler van economische duurzaamheid en veerkracht (PB C 10 van 11.1.2021, blz. 14).
(9) Open brief van de Europese sectorale sociale partners — EuroCommerce.
(10) Richtlijnen 2014/24/EU (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65), 2014/25/EU (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243) en 2014/23/EU (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
BIJLAGE
De volgende wijzigingsvoorstellen, die minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen kregen, werden tijdens de beraadslagingen verworpen (artikel 74, lid 3, van het reglement van orde):
WIJZIGINGSVOORSTEL 1
SOC/764
Versterking van de sociale dialoog
Paragraaf 2.3
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
In de mededeling erkent de Commissie dat de sociale partners de situatie op sociaal en werkgelegenheidsvlak “in de praktijk” het beste kennen en op een rijke ervaring kunnen bogen. Hun inbreng kan het juiste evenwicht vinden tussen de belangen van werknemers en werkgevers en de aanvaardbaarheid en doeltreffendheid van beleid en wetgeving verbeteren. De Commissie wijst er terecht op dat de sociale partners in vergelijking met andere belanghebbenden een unieke rol hebben. |
In de mededeling erkent de Commissie dat de inbreng van de sociale partners het juiste evenwicht kan vinden tussen de belangen van werknemers en werkgevers en de aanvaardbaarheid en doeltreffendheid van beleid en wetgeving kan verbeteren. De Commissie wijst er terecht op dat de sociale partners in vergelijking met andere belanghebbenden een unieke rol hebben. Het EESC onderstreept echter de waarde van samenwerking en gedachtewisseling tussen deelnemers aan zowel de sociale als de civiele dialoog. Veel maatschappelijke organisaties beschikken ook over unieke ervaring en specifieke kennis vanuit de praktijk. Deze kennis kan buiten de civiele dialoog worden aangewend. Er moet worden gewezen op de praktijken in sommige lidstaten, waar de sociale partners de vertegenwoordigers van bepaalde maatschappelijke organisaties uitnodigen voor bijeenkomsten in het kader van de sociale dialoog om naar hen te luisteren en te profiteren van hun kennis, deskundigheid en ervaring. |
Motivering
In veel sociale situaties is de kennis van maatschappelijke organisaties “in de praktijk” veel uitgebreider, zoals bijvoorbeeld bij de bestrijding van armoede, de steun voor mensen met een handicap of voor andere kwetsbare groepen, de integratie van migranten, de rechten van etnische minderheden en de hulp aan kinderen die met sociale uitsluiting worden bedreigd. Dit gegeven moet in het verkennende advies worden opgenomen, om niet de verkeerde indruk te wekken dat alleen de sociale partners op de hoogte zijn van de sociale situatie “in de praktijk”. In sommige lidstaten zijn de sociale partners hiervan op de hoogte en erkennen en begrijpen ze die expertise ook. Zij nodigen vertegenwoordigers van specifieke maatschappelijke organisaties uit om de actoren in de tripartiete dialoogstructuren te ontmoeten, teneinde hun kennis te verdiepen en hun ervaring te verrijken.
Stemuitslag
|
Vóór: |
83 |
|
Tegen: |
153 |
|
Onthoudingen: |
9 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 2
SOC/764
Versterking van de sociale dialoog
Paragraaf 2.4
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Zoals in de aanbeveling wordt gesteld, moet de specifieke rol van de organisaties van sociale partners in de structuren en processen van de sociale dialoog ten volle worden erkend en geëerbiedigd. Tegelijk moet worden erkend dat de civiele dialoog, waarbij een groter aantal belanghebbenden over een breder scala aan onderwerpen betrokken is, een afzonderlijk proces is. |
Zoals in de aanbeveling wordt gesteld, moet de specifieke rol van de organisaties van sociale partners in de structuren en processen van de sociale dialoog ten volle worden erkend en geëerbiedigd. Tegelijk moet worden erkend dat de civiele dialoog, waarbij een groter aantal belanghebbenden over een breder scala aan onderwerpen betrokken is, een afzonderlijk proces is. Het EESC benadrukt dat de deelnemers aan de sociale en civiele dialoog moeten samenwerken en van gedachten moeten wisselen, aangezien de belangrijkste vertegenwoordigers van de belangen van veel sociale groepen niet de sociale partners, maar andere maatschappelijke organisaties zijn. Daarom is het noodzakelijk om situaties te vermijden waarin de sociale partners akkoorden sluiten zonder rekening te houden met de standpunten en argumenten van andere maatschappelijke organisaties, die de Europese burgers vertegenwoordigen en een grote impact op hun leven hebben. |
Motivering
Het doel van dit wijzigingsvoorstel is te onderstrepen dat bij het voeren van de sociale dialoog rekening moet worden gehouden met de belangen van andere groepen die niet noemenswaardig door de sociale partners worden bediend en die meestal door andere maatschappelijke organisaties worden vertegenwoordigd.
Stemuitslag
|
Vóór: |
79 |
|
Tegen: |
157 |
|
Onthoudingen: |
7 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 3
SOC/764
Versterking van de sociale dialoog
Paragraaf 3.1.5
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Wat de bevordering van de Europese tripartiete sociale dialoog betreft, is het EESC ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij in elk van haar diensten een coördinator voor de sociale dialoog zal aanstellen. De aanwezigheid van dergelijke coördinatoren in de directoraten-generaal van de Commissie en in de relevante diensten kan de bewustwording vergroten en de kwaliteit van de sociale dialoog verbeteren, zodat de Commissie de vruchten kan plukken van een goed functionerende tripartiete dialoog voor de Europese beleidsvorming. |
Wat de bevordering van de Europese tripartiete sociale dialoog betreft, is het EESC ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij in elk van haar diensten een coördinator voor de sociale dialoog zal aanstellen. De aanwezigheid van dergelijke coördinatoren in de directoraten-generaal van de Commissie en in de relevante diensten kan de bewustwording vergroten en de kwaliteit van de sociale dialoog verbeteren, zodat de Commissie de vruchten kan plukken van een goed functionerende tripartiete dialoog voor de Europese beleidsvorming. Tegelijkertijd benadrukt het EESC dat in elk directoraat-generaal van de Europese Commissie soortgelijke coördinatoren moeten worden aangesteld om de Europese civiele dialoog te bevorderen. Beide dialogen zouden parallel door de Commissie moeten worden versterkt, zonder dat zij daarbij een van beide bevoordeelt. |
Motivering
De Europese Commissie stelt nu voor in elk directoraat-generaal en in andere diensten van de Commissie een specifieke coördinator voor de sociale dialoog aan te stellen. De personele middelen voor de versterking van de sociale dialoog zijn zeer substantieel, aangezien er alleen al dertig DG’s en nog veel andere diensten zijn. De aanstelling van een speciale coördinator voor de sociale dialoog, althans in sommige van de DG’s, roept twijfels op, aangezien dit hoofdzakelijk de werkterreinen zijn van andere maatschappelijke organisaties dan de sociale partners. Voorbeelden hiervan zijn milieu, klimaat, landbouw en plattelandsontwikkeling, onderwijs, jeugd, sport en cultuur, justitie en consumenten. Gelijktijdige acties ter ondersteuning van de civiele dialoog zijn noodzakelijk. Er is geen reden voor de Europese Commissie om zich specifiek met slechts één soort dialoog bezig te houden en voor de versterking ervan veel personeel, mogelijk meer dan vijftig werknemers, in te zetten.
Stemuitslag
|
Vóór: |
78 |
|
Tegen: |
156 |
|
Onthoudingen: |
7 |
WIJZIGINGSVOORSTEL 4
SOC/764
Versterking van de sociale dialoog
Paragraaf 1.7
Als volgt wijzigen
|
Afdelingsadvies |
Wijzigingsvoorstel |
|
Zoals in de aanbeveling wordt gesteld, moet de specifieke rol van de organisaties van sociale partners in de structuren en processen van de sociale dialoog ten volle worden erkend en geëerbiedigd. Tegelijk moet worden erkend dat de civiele dialoog, waarbij een groter aantal belanghebbenden over een breder scala aan onderwerpen betrokken is, een afzonderlijk proces is. Dit onderscheid moet ook worden gemaakt in de steun voor capaciteitsopbouw voor de sociale partners en het maatschappelijk middenveld in ruimere zin. |
Zoals in de aanbeveling wordt gesteld, moet de specifieke rol van de organisaties van sociale partners in de structuren en processen van de sociale dialoog ten volle worden erkend en geëerbiedigd. Tegelijk moet worden erkend dat de civiele dialoog, waarbij een groter aantal belanghebbenden over een breder scala aan onderwerpen betrokken is, een afzonderlijk proces is. Dit onderscheid moet ook worden gemaakt in de steun voor capaciteitsopbouw voor de sociale partners en het maatschappelijk middenveld in ruimere zin. Tegelijkertijd onderstreept het EESC de waarde van samenwerking en gedachtewisseling tussen deelnemers aan zowel de sociale als de civiele dialoog. Veel maatschappelijke organisaties beschikken ook over unieke ervaring en specifieke kennis vanuit de praktijk. Deze kennis kan buiten de civiele dialoog worden aangewend. |
Motivering
Om recht te doen aan het leeuwendeel van de tekst.
Stemuitslag
|
Vóór: |
83 |
|
Tegen: |
153 |
|
Onthoudingen: |
9 |
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/97 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzameling en de doorgifte van vooraf te verstrekken passagiersgegevens (API) met het oog op het versterken en vergemakkelijken van de controles aan de buitengrenzen, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/817 en Verordening (EU) 2018/1726, en tot intrekking van Richtlijn 2004/82/EG van de Raad
(COM(2022) 729 final)
en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzameling en de doorgifte van vooraf te verstrekken passagiersgegevens met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit, en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/818
(COM(2022) 731 final)
(2023/C 228/13)
|
Rapporteur: |
Tymoteusz Adam ZYCH |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 8.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 77, lid 2, punt d), en artikel 79, lid 2, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
137/0/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de voorstellen van de Europese Commissie inzake vooraf te verstrekken passagiersgegevens (1). Het is namelijk noodzakelijk dat vooraf te verstrekken passagiersgegevens (API-gegevens) en persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) op doeltreffende wijze worden verzameld en doorgegeven ten behoeve van het grensbeheer en de bestrijding van illegale immigratie, alsook om veiligheidsredenen, waaronder de noodzaak om terrorisme en ernstige criminaliteit te voorkomen en te bestrijden. |
|
1.2. |
Het EESC is ervan overtuigd dat zolang de API- en PNR-gegevens onder de huidige richtlijnen (API-richtlijn (2) en PNR-richtlijn (3)) blijven vallen, er ongewenste verschillen zullen ontstaan bij de uitvoering ervan op nationaal niveau. |
|
1.3. |
De verordeningen zijn noodzakelijk om de uitvoering van deze richtlijnen te harmoniseren en de efficiëntie van de verzameling en de doorgifte van API- en PNR-gegevens te vergroten. Zij zullen namelijk de verschillen als gevolg van de verschillende praktijken van de lidstaten wegnemen, de rechtszekerheid vergroten, passagiersstromen versnellen en de administratieve problemen voor luchtvaartmaatschappijen terugdringen. |
|
1.4. |
Het Comité benadrukt het belang van het Handvest van de grondrechten (het Handvest) bij de toepassing van de voorgestelde verordening. De rechten van kwetsbare groepen, met name van personen met een handicap, moeten zorgvuldig in aanmerking worden genomen. |
|
1.5. |
Een belangrijk argument voor de goedkeuring van de voorstellen is het feit dat de huidige API- en PNR-richtlijnen onder vuur liggen omdat zij niet voldoen aan de huidige normen inzake gegevensbescherming. |
|
1.6. |
Het EESC erkent dat de door eu-LISA gegenereerde kosten in verband met het ontwerpen, het ontwikkelen, het hosten en het technisch beheren van de router ten laste moeten komen van de algemene begroting van de EU, alsook de kosten die de lidstaten moeten maken in verband met hun aansluiting op en integratie met de router. |
|
1.7. |
Het EESC wijst er evenwel op dat de voorgestelde verordeningen aanzienlijke juridische wijzigingen inhouden, naast de ingrijpende technische wijzigingen van het vigerende systeem. Daarom vergen de nieuwe API- en PNR-kaders voortdurend en grondig toezicht, zowel door de lidstaten, de Europese Commissie, de luchtvaartmaatschappijen en de bevoegde autoriteiten, als door eu-LISA, met name wat de persoonsgegevens betreft. Er is dan ook grote behoefte aan een voorlichtingscampagne over de nieuwe wetgeving en aan opleidingen voor luchtvaartmaatschappijen. Ook wordt voorgesteld vaker audits uit te voeren en aanvullende procedures te overwegen voor de monitoring van de werking van de nieuwe kaders voor het verzamelen en doorgeven van API- en PNR-gegevens. |
|
1.8. |
Het EESC is zich ervan bewust dat het toepassingsgebied van de voorstellen niet alle passagiers die de EU binnenkomen omvat. Gelet op het evenredigheidsbeginsel en het specifieke karakter van het luchtvervoer lijkt een beperking van de voorstellen tot de luchtvaart in dit stadium evenwel gerechtvaardigd. Voorgesteld wordt dat de Commissie, wanneer de verordeningen aan een effectbeoordeling achteraf worden onderworpen, nagaat of het toepassingsgebied moet worden uitgebreid tot andere vervoerswijzen, met name het zeevervoer. |
|
1.9. |
Bovendien begrijpt het EESC de bezorgdheid over de praktische toepassing van de bepalingen die in de voorstellen staan. Er zou meer duidelijkheid moeten komen over de sancties voor particuliere exploitanten in de luchtvaartsector. Aangezien het in de praktijk onmogelijk is ervoor te zorgen dat de API-gegevens volledig nauwkeurig zijn, wordt ook voorgesteld te overwegen op EU-niveau een “tolerantiedrempel” in te voeren voor fouten bij het verzamelen en doorgeven van de gegevens, en duidelijk te maken dat sancties worden opgelegd aan luchtvaartmaatschappijen die niet meewerken, of alleen worden opgelegd indien het minimaal aanvaardbare kwaliteitsniveau voor API-gegevens (zoals gedefinieerd op EU-niveau) niet wordt gehaald. |
2. Inleiding
|
2.1. |
In dit advies ligt de nadruk vooral op de voorgestelde verordening betreffende de verzameling en de doorgifte van API-gegevens voor grensbeheer (4) en wordt, in paragraaf 7 hieronder, kort ingegaan op het tweede voorstel voor een verordening betreffende de verzameling en de doorgifte van API-gegevens in verband met ernstige criminaliteit en terroristische misdrijven (5), dat van toepassing is op PNR-gegevens vanwege geplande wijzigingen in de API-gegevens. |
|
2.2. |
De voorgestelde verordeningen zijn uitsluitend van toepassing op luchtvervoer; ander vervoer, bijvoorbeeld over zee of over land, valt er niet onder. De voorstellen zijn van toepassing op zowel charter- als zakenvluchten. |
|
2.3. |
Bij de voorgestelde verordeningen wordt de bestaande API-richtlijn ingetrokken. Eenmaal aangenomen maken zij deel uit van het Schengenacquis. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC erkent dat, gezien de toegenomen populariteit van vliegreizen, de bestaande systemen voor passagiersdiensten onvoldoende doeltreffend zijn en moeten worden verbeterd, met name om voor een vlotte passagiersstroom te zorgen. In 2019 meldde de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie ICAO dat 4,5 miljard passagiers op geregelde diensten door de lucht reisden, met jaarlijks meer dan een half miljard passagiers die de EU binnenkomen of verlaten. De COVID-19-pandemie en de Russische invasie van Oekraïne hebben geen verandering in deze situatie gebracht, reden waarom gezocht moet worden naar innovatieve oplossingen om het proces van grenscontroles te versnellen en te verbeteren. Ondanks de ineenstorting van het luchtverkeer in 2020-2021 als gevolg van de pandemie volgt het luchtvervoer wel weer een opgaande lijn. |
|
3.2. |
Anderzijds is het EESC zich ervan bewust dat — ongeacht de efficiëntie van de controles en de snelheid van de dienstverlening aan luchtpassagiers — doeltreffende instrumenten nodig zijn om het verschijnsel illegale immigratie tegen te gaan en de EU-grenzen te beveiligen. |
|
3.3. |
Volgens het EESC kan het gebruik van systemen voor automatische gegevensverzameling aanzienlijke voordelen opleveren, zoals een grotere efficiëntie, technologische ontwikkeling, kwaliteitsverbetering en een snellere gegevensverzameling. |
|
3.4. |
Zoals elke innovatieve technologie brengt de automatisering van de verzameling en de doorgifte van gegevens ook risico’s en complexe beleidsuitdagingen met zich mee op gebieden als beveiliging, veiligheid en monitoring, sociaal-economische aspecten, ethiek en privacy, en betrouwbaarheid. |
|
3.5. |
API-gegevens bestaan uit een combinatie van identiteitsgegevens uit de reisdocumenten van de passagiers en vluchtgegevens die bij het inchecken worden verzameld en vervolgens aan de grensautoriteiten van het land van bestemming worden doorgegeven. API-informatie omvat biografische gegevens van de passagier, idealiter afkomstig uit de machineleesbare zone van hun reisdocumenten, alsook informatie over hun vlucht. |
|
3.6. |
Het systeem voor het verzamelen en doorgeven van API-gegevens berust op de levering van API-gegevens aan de bevoegde autoriteiten vóór aankomst van een vlucht, zodat deze autoriteiten de reizigers vooraf overeenkomstig de toepasselijke wetgeving kunnen screenen aan de hand van risicoprofielen, observatielijsten en databanken. |
|
3.7. |
Het EESC is zich ervan bewust dat de huidige richtlijn luchtvaartmaatschappijen verplicht om op verzoek API-gegevens aan de grensautoriteiten van het land van bestemming over te dragen voordat een vlucht vertrekt; de richtlijn verplicht de lidstaten echter niet om API-gegevens op te vragen bij luchtvaartmaatschappijen. Bijgevolg handelen de autoriteiten van de lidstaten inconsequent: sommige verzoeken om API-gegevens, andere niet. Volgens de toelichting worden naar schatting voor 65 % van de inkomende vluchten API-gegevens verzameld. In de praktijk is het dan ook gemakkelijk om controles te omzeilen. Het probleem is bovendien dat, zoals blijkt uit de evaluatie van de API-richtlijn door de Commissie (6), zelfs wanneer lidstaten API-gegevens opvragen, hun nationale autoriteiten deze niet altijd consistent gebruiken. |
|
3.8. |
Het EESC is zich bewust van de tekortkomingen van het huidige, bij de richtlijn ingestelde systeem. Zoals blijkt uit de evaluatie, leidt het gebrek aan standaardisering en harmonisatie tot een vermindering van de voordelen van de verwerking van API-gegevens, tot een last voor de belanghebbenden en tot een zekere mate van rechtsonzekerheid. |
|
3.9. |
Het gebruik van systemen voor automatische gegevensverzameling zou ook een gevaar kunnen inhouden voor werknemers in de luchtvaartsector. Voor deze werknemers moeten opleidingen worden georganiseerd, omdat op die manier de mogelijke problemen bij de tenuitvoerlegging van de voorgestelde verordeningen zouden kunnen worden aangepakt. |
|
3.10. |
Het EESC wijst er evenwel op dat de voorgestelde verordening inzake grensbeheer geen negatieve gevolgen zou mogen hebben voor het werkgelegenheidsniveau en de situatie van de werknemers, maar slechts zou moeten leiden tot een grotere doeltreffendheid en betrouwbaarheid van de methoden voor het verzamelen en doorgeven van gegevens, die reeds met behulp van geautomatiseerde procedures worden toegepast. |
4. De nieuwe API-verordening moet de grenscontroles verbeteren en vergemakkelijken
|
4.1. |
De ervaringen met de toepassing en evaluatie van de vigerende richtlijn hebben talrijke tekortkomingen van het huidige systeem aan het licht gebracht, waaronder inefficiëntie, kostenintensiviteit en formele en administratieve moeilijkheden voor vervoerders. Bovendien zijn sommige bepalingen van de richtlijn onduidelijk, leiden zij tot twijfels bij de interpretatie en tot discrepanties bij de toepassing ervan in de lidstaten, en zijn zij in strijd met andere bepalingen van het EU-recht. |
|
4.2. |
De belangrijkste tekortkomingen van de huidige richtlijn moeten worden vermeld:
|
|
4.3. |
Een belangrijk argument voor de goedkeuring van de voorgestelde verordening is ook het feit dat de richtlijn onder vuur ligt omdat zij niet voldoet aan de huidige beschermingsnormen. In de eerste plaats doet de richtlijn de volgende twijfels rijzen:
|
|
4.4. |
Om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen — teneinde de voorafgaande controles aan de betrokken buitengrenzen aan de hand van hoogwaardige en volledige API-gegevens te versterken en de reizigersstroom te vergemakkelijken — voorziet de voorgestelde verordening in de invoering van een centrale API-router. |
5. Toepassingsgebied en niveau van de verordening
|
5.1. |
Gezien bovenstaande bevindingen zal een uniform systeem op EU-niveau voor alle lidstaten onder meer kunnen leiden tot de ontwikkeling van een enkel contactpunt, d.w.z. dat het proces voor het verzamelen en het doorgeven van alle van vervoerders afkomstige gegevens aan de bevoegde autoriteiten wordt gecentraliseerd. Met een uniform systeem kan de kwaliteit van de verkregen gegevens worden verbeterd en kan het hele proces volledig worden geautomatiseerd, waardoor de kosten voor overheidsinstanties, vervoerders en de reizigers zelf dalen. |
|
5.2. |
Met de voorgestelde verordening wordt beoogd de procedure voor het verzamelen en doorgeven van API-gegevens gelijk te trekken en te vereenvoudigen, hetgeen niet alleen gunstig is voor de autoriteiten van de lidstaten, maar vooral ook voor de luchtvaartindustrie. Dat neemt echter niet weg dat zij verplicht zullen zijn voor alle vluchten naar de EU API-gegevens te verzamelen en door te geven. Niettemin zal de voorgestelde verordening leiden tot rechtszekerheid en voorspelbaarheid en bijgevolg ook tot een betere naleving door de luchtvaartmaatschappijen. |
|
5.3. |
Het EESC is van mening dat, teneinde te garanderen wat met de API-richtlijn wordt beoogd, de doelstellingen van de richtlijn beter gediend zijn met de voorgestelde verordening. Het is onwaarschijnlijk dat zonder ingrijpen van de EU de voordelen van de invoering van API-systemen door de uitvoerende landen zouden zijn verwezenlijkt. Kortom, de voorgestelde verordening is gebaseerd op de overtuiging dat de richtlijn aan doeltreffendheid en samenhang inboet omdat de uitvoering ervan niet geharmoniseerd verloopt. |
|
5.4. |
Het EESC wijst er tevens op dat de richtlijn moet worden gewijzigd omdat de tijd sinds de inwerkingtreding ervan niet heeft stilgestaan, waarbij met name de ontwikkeling die de informatietechnologie sinds 2004 heeft doorgemaakt moet worden genoemd. Volgens de voorgestelde verordening zal het nieuwe systeem volledig compatibel zijn met de reeds in gebruik zijnde oplossingen, te weten het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS), het Eurodac-systeem, het inreis-uitreissysteem (EES), het Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en het gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (Ecris-TCN). |
6. De efficiëntie van de voorgestelde oplossingen
|
6.1. |
Het EESC is voorstander van oplossingen waarmee doeltreffende controles aan de buitengrenzen en een coherente aanpak in het gehele Schengengebied worden gewaarborgd, ook wat betreft de mogelijkheid om reizigers vooraf te controleren aan de hand van API-gegevens. |
|
6.2. |
Ondanks de algemene steun voor de voorgestelde verordening maakt het EESC zich echter zorgen over de risico’s van misbruik in verband met de centralisatie van het proces voor het verzamelen en doorgeven van API-gegevens, waaronder met name persoonsgegevens. Deze vrees wordt ook gerechtvaardigd door het feit dat de router via welke de gegevens zullen worden doorgegeven zich nog in de planningsfase bevindt — de taak voor het ontwerp, de bouw, de ontwikkeling, het beheer en het technisch onderhoud ervan is gedelegeerd aan het eu-LISA-agentschap. |
|
6.3. |
Het EESC erkent dat de goedkeuring van de voorgestelde verordening gevolgen zal hebben voor de begroting en de personeelsbehoeften van eu-LISA en de bevoegde grensautoriteiten van de lidstaten. De extra kosten omvatten naar schatting 45 miljoen EUR (33 miljoen EUR in het kader van het huidige MFK) voor het opzetten van de router en 9 miljoen EUR per jaar vanaf 2029 voor het technisch beheer ervan, en ongeveer 27 miljoen EUR voor de lidstaten — en dit zal ten laste komen van de EU-begroting. |
|
6.4. |
Het EESC is ermee ingenomen dat de API-gegevens (omschreven in artikel 4, leden 2 en 3, van het voorstel) nauwkeurig en uitvoerig zijn gespecificeerd om de controles aan de buitengrenzen te versterken en te vergemakkelijken. |
|
6.5. |
Het EESC benadrukt dat de Commissie op grond van de voorgestelde verordening de mogelijkheid heeft om tal van gedetailleerde, met name technische, kwesties te verduidelijken door middel van gedelegeerde handelingen die later worden vastgesteld. Derhalve hangt de uiteindelijke beoordeling van de voorgestelde verordening af van de gedetailleerde bepalingen die in de toekomst worden vastgesteld, alsook van de kwaliteit van de gekozen technische oplossingen. |
|
6.6. |
Bijgevolg is het EESC verplicht de aandacht te vestigen op beveiligingsproblemen in verband met gegevensbescherming. Volgens het EESC moet een doeltreffende gegevensbescherming in de eerste plaats worden gezien tegen de achtergrond van de bescherming van de grondrechten, met name het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Hieronder valt ook het recht op informatie over het verkrijgen, opslaan en verwerken van persoonsgegevens. Derhalve staat het EESC volledig achter een nieuwe verplichting om regelmatig audits inzake de bescherming van persoonsgegevens uit te voeren. Tegelijkertijd stelt het EESC voor te overwegen of de bevoegde nationale gegevensbeschermingsautoriteiten ervoor moeten zorgen dat de verwerking van API-gegevens die persoonsgegevens zijn, vaker dan eens in de vier jaar wordt gecontroleerd. |
|
6.7. |
Om optimale prestaties van de router te waarborgen, moet worden gezorgd voor samenwerking tussen eu-LISA, de lidstaten en de luchtvaartmaatschappijen. De verplichting van eu-LISA om een opleiding aan degenen die geïnteresseerd zijn in het technische gebruik van de router te verstrekken, is dan ook een positieve stap. |
|
6.8. |
Op basis van het evenredigheidsbeginsel en het streven naar maximale bescherming van persoonsgegevens is het EESC er voorstander van om gegevens als nationaliteit, geslacht en geboortedatum van de statistische verplichting uit te sluiten. |
7. Het belang van de PNR-Verordening (de tweede voorgestelde verordening)
|
7.1. |
Het EESC beschouwt de tweede van de voorgestelde verordeningen als een noodzakelijke en samenhangende wijziging van het systeem voor het verzamelen en doorgeven van PNR-gegevens in verband met de hervorming van de API-gegevens. |
|
7.2. |
De eenmaking van het systeem door de goedkeuring van beide verordeningen op EU-niveau en de instelling van een door eu-LISA beheerde router zal ook leiden tot meer veiligheid dankzij een doeltreffender identificatieproces voor hoogrisicoreizigers. Bovendien kan daardoor het reispatroon van verdachte personen beter in kaart worden gebracht. |
8. De kosten van de verordeningen
|
8.1. |
Het EESC concludeert dat de goedkeuring van de voorgestelde verordeningen kosten die ten laste komen van de EU-begroting, kosten voor de lidstaten en ook investeringsbehoeften voor de luchtvaartindustrie met zich mee zal brengen (volgens de effectbeoordeling geraamd op ongeveer 75 miljoen EUR), maar dat per saldo de baten groter zullen zijn dan de kosten, omdat die kosten zullen worden gecompenseerd door de gerationaliseerde en gecentraliseerde aanpak van de doorgifte van gegevens aan de bevoegde nationale autoriteiten. |
|
8.2. |
De voorgestelde verordeningen leiden tot een vermindering van de exploitatiekosten en ook van de sancties die gewoonlijk worden opgelegd als gevolg van slechte of ontbrekende reisgegevens. Bovendien zal na de inwerkingtreding van de verordeningen de bewaking van grensovergangen en het werk van de luchthavendiensten en de nationale grensautoriteiten worden verbeterd. Ook zal de verordening helpen de veiligheid te vergroten en illegale immigratie tegen te gaan. Gelet op al het voorgaande acht het EESC de voorgestelde verordeningen gerechtvaardigd in het licht van de positieve kosten-batenanalyse, zoals vermeld in de effectbeoordeling van de Commissie. |
9. Specifieke opmerkingen
|
9.1. |
Het EESC benadrukt het belang van het Handvest bij de toepassing van de voorgestelde verordening, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap. De jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en de context van lopende zaken moeten hierbij in aanmerking worden genomen. |
|
9.2. |
De jurisprudentie van het HvJ-EU is van bijzonder belang voor de nieuwe regels inzake het verzamelen en doorgeven van PNR-gegevens binnen het voorgestelde institutionele kader, met name het arrest in zaak C-817/19. Het EESC stelt ook voor om in de terminologie van beide voorstellen rekening te houden met de vaste jurisprudentie van het HvJ-EU. |
|
9.3. |
Zoals in paragraaf 1.6 is uiteengezet, hebben de verordeningen volgens het EESC momenteel het juiste toepassingsgebied. Voorgesteld wordt echter dat de Commissie, wanneer de verordeningen aan een effectbeoordeling achteraf worden onderworpen, nagaat of het toepassingsgebied moet worden uitgebreid tot andere vervoerswijzen, met name het zeevervoer. Bij een dergelijke beoordeling moet rekening worden gehouden met factoren zoals het specifieke karakter van elke vervoerswijze, de administratieve lasten voor de vervoerders en de efficiëntie en effectiviteit van de beveiliging van de EU-grenzen. |
|
9.4. |
Zoals al is opgemerkt in paragraaf 1.7, stelt het EESC voor om meer duidelijkheid te scheppen over sancties voor particuliere exploitanten in de luchtvaartsector, om een “tolerantiedrempel” op EU-niveau te overwegen voor fouten bij het verzamelen en doorgeven van gegevens, en om sancties alleen onder bepaalde voorwaarden op te leggen. |
|
9.5. |
De inwerkingtreding van de voorgestelde verordeningen zou gepaard moeten gaan met een brede voorlichtingscampagne. Op die manier kunnen de doelstellingen ervan beter onder de aandacht van het publiek worden gebracht en is er minder kans op onvoorziene omstandigheden bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe bepalingen. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Er zijn twee voorstellen: a) voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzameling en de doorgifte van vooraf te verstrekken passagiersgegevens (API) met het oog op het versterken en vergemakkelijken van de controles aan de buitengrenzen, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/817 en Verordening (EU) 2018/1726, en tot intrekking van Richtlijn 2004/82/EG van de Raad, en b) voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzameling en de doorgifte van vooraf te verstrekken passagiersgegevens met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit, en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/818.
(2) Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 24).
(3) Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132).
(4) COM(2022) 729 final.
(5) COM(2022) 731 final.
(6) Werkdocument van de diensten van de Commissie over de evaluatie van Richtlijn 2004/82/EG van de Raad betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (API-richtlijn), SWD(2020) 174 final van 8.9.2020.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/103 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, met betrekking tot hun emissies en de duurzaamheid van batterijen (Euro 7) en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009
(COM(2022) 586 final — 2022/0365(COD))
(2023/C 228/14)
|
Rapporteur: |
Bruno CHOIX |
|
Corapporteur: |
Guido NELISSEN |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 15.12.2022 Raad van de Europese Unie, 21.12.2022 |
|
Rechtsgrond |
Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Adviescommissie Industriële Reconversie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
27.3.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
140/1/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
De automobielindustrie is momenteel bezig met de grootste transformatie in haar geschiedenis, namelijk het koolstofvrij maken en digitaliseren van het wegvervoer. Dit nieuwe paradigma zal ingrijpende gevolgen hebben voor de structuur van de industrie en voor de hoeveelheid arbeidsplaatsen en de kwaliteit daarvan. Gezien de omvang van de transitie pleit het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) voor een alomvattend industriebeleid waarin de drie dimensies van duurzame ontwikkeling — de economische, de sociale en de milieudimensie — geïntegreerd zijn. De werkgelegenheidsdimensie moet worden aangepakt door grotere inspanningen te leveren op het gebied van beroepsopleiding, bij- en omscholing van de beroepsbevolking, regionale/lokale economische reconversieprogramma’s en professionele herindeling. Dit moet worden ondersteund door een goed functionerende sociale dialoog en het streven naar het behoud/creëren van fatsoenlijke banen in de sector. |
|
1.2. |
Het EESC steunt de invoering van Euro 7-emissienormen als een belangrijk element om de doelstellingen van de EU inzake luchtkwaliteit te verwezenlijken. Tegelijkertijd zal de EU hierdoor de industriële koploper kunnen blijven op het gebied van schone voertuigtechnologieën. |
|
1.3. |
Het EESC is ingenomen met de vele verbeteringen die in het voorstel voor een verordening zijn aangebracht: de preventie van manipulatie, het gebruik van digitale technologieën, de vermindering van de complexiteit, de opname van elektrische voertuigen en niet-uitlaatemissies. |
|
1.4. |
Om verschillende redenen pleit het EESC voor een “realistische” en “kosteneffectieve” aanpak bij de vaststelling van nieuwe emissienormen: |
|
1.4.1. |
naleving van het evenredigheidsbeginsel: aangezien verbrandingsmotoren vanaf 2035 waarschijnlijk een verouderde technologie zullen worden, zullen de budgetten die nodig zijn om aan de nieuwe normen te voldoen, niet langer beschikbaar zijn om rechtstreeks in schone aandrijflijnen te investeren; |
|
1.4.2. |
individuele automobiliteit moet betaalbaar blijven om “mobiliteitsarmoede” te voorkomen (alternatieve vervoersmogelijkheden zijn buiten stedelijke agglomeraties onvoldoende voorhanden); |
|
1.4.3. |
te hoge kosten van Euro 7-emissienormen dreigen contraproductief te zijn omdat de consumenten de vervanging van hun auto zullen uitstellen en met hun meer vervuilende voertuig zullen blijven rijden. Op die manier blijven de potentiële gezondheidsvoordelen van Euro 7-emissienormen beperkt. |
|
1.5. |
Daarom is het belangrijk dat alle elementen van de nieuwe verordening gebaseerd zijn op een wetenschappelijke kosten-batenanalyse. In dit verband is het essentieel dat alle belanghebbenden op dezelfde manier begrijpen hoe de kosten van de nieuwe normen worden berekend. |
|
1.6. |
Volgens het EESC zou het bieden van stimulansen aan de consumenten de vernieuwing van het wagenpark versnellen en aanzienlijke gezondheidsvoordelen opleveren, aangezien de vervanging van voertuigen Euro 1-5/I-V door Euro 6/VI-voertuigen de NOx-uitstoot met 80 % zou verminderen. |
|
1.7. |
Het EESC pleit voor een snelle goedkeuring van de verordening en een minimumtermijn van twee jaar voor auto’s/bedrijfsvoertuigen en drie jaar voor bussen en vrachtwagens om de technische en economische haalbaarheid van de voorgestelde verordening te waarborgen. |
2. Achtergrond van het voorstel
|
2.1. |
De automobielindustrie is goed voor circa 10 % van de industriële toegevoegde waarde van de EU en biedt 13 miljoen Europeanen werk, wat neerkomt op bijna 7 % van de beroepsbevolking van de EU. |
|
2.2. |
Na een gestage groei gedurende meer dan een eeuw kampt de sector sinds 2018 met een recessie en een crisis in zijn bedrijfsmodel. Door de aanhoudende crisissituaties zijn de vooruitzichten op een herstel van de wereldwijde autoproductie, vooral in Europa, verder gedaald. |
|
2.3. |
Tegelijkertijd moet de automobielindustrie de grootste transformatie sinds de uitvinding van de auto doorvoeren: de elektrificatie van de aandrijflijn en de digitalisering van het voertuig. |
|
2.4. |
In het licht van deze structurele omschakeling moet de automobielindustrie nu zware investeringen doen die haar bedrijfsmodel onder druk zetten. Dit wordt gefinancierd door besparingen op investeringen in conventionele technologieën (waaronder verbrandingsmotoren) en door een verlaging van de productiekosten. |
|
2.5. |
De invoering van vermogenselektronica en digitale technologie opent bovendien de deur voor nieuwe concurrenten en veroorzaakt een verschuiving in de sector, waardoor de positie van gevestigde toeleveranciers wordt verzwakt. Dit zal ook grote gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid. |
|
2.6. |
Kwantitatief gezien is er een daling van de werkgelegenheid in deze industriesector, als gevolg van de capaciteitsvermindering en de vereenvoudiging van de nieuwe aandrijfsystemen. Maar op kwalitatief vlak is er een sterke ontwikkeling in de aard van de werkgelegenheid. Zo vereisen de elektrificatie en digitalisering meer knowhow op nieuwe expertisegebieden binnen de automobielsector. |
|
2.7. |
Deze werkgelegenheidsontwikkelingen zien we ook in de autodienstensector. De nieuwe aandrijfsystemen vergen immers minder onderhoud en vragen om nieuwe vaardigheden. |
|
2.8. |
Tegen deze achtergrond heeft de Europese Commissie op 10 november 2022, na herhaaldelijk uitstel, een voorstel gepubliceerd voor nieuwe Euro 7-emissienormen voor auto’s, bedrijfsvoertuigen, vrachtwagens en bussen. |
|
2.9. |
Het voorstel voor nieuwe Euro 7-emissienormen maakt deel uit van een veel breder pakket EU-beleidsmaatregelen om vervoersgerelateerde luchtverontreiniging aan te pakken. De EU-regels op het gebied van luchtkwaliteit, periodieke technische controles, CO2-emissies, brandstofkwaliteit, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, schone voertuigen en het Eurovignet komen voort uit de noodzaak om de aanzienlijke bijdrage van het vervoer aan de luchtverontreiniging terug te dringen. Zij vullen elkaar aan en dragen samen bij tot het bereiken van de doelstellingen van de Europese Green Deal op het gebied van klimaat en het tot nul terugdringen van verontreiniging en tot de verschuiving naar duurzame mobiliteit. |
|
2.10. |
De nieuwe Euro 7-normen zullen waarschijnlijk de laatste zijn voor auto’s met een verbrandingsmotor, aangezien in het kader van het programma “Fit for 55” van 2021 is beslist om de auto-industrie versneld koolstofvrij te maken. Dat heeft geleid tot een akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad (op 27 oktober 2022) om de CO2-uitstoot van auto’s tegen 2030 met 55 % te verminderen en de verkoop van nieuwe auto’s met een verbrandingsmotor (inclusief hybriden) vanaf 2035 te verbieden. |
3. Inhoud van het voorstel
De belangrijkste wijzigingen die in de verordening worden voorgesteld:
|
— |
de emissiegrenswaarden voor diesel- en benzineauto’s en diesel- en benzinevrachtwagens worden aangescherpt (hoewel de NOx-grenswaarden voor auto’s onveranderd blijven); |
|
— |
de testvoorwaarden voor het meten van emissies onder reële rijomstandigheden worden uitgebreid, terwijl de conformiteitsfactoren worden geschrapt; |
|
— |
er wordt meer nadruk gelegd op kortere ritten. De afstand voor de berekening van het budget inzake emissies bij koude start wordt teruggebracht van 16 tot 10 km; |
|
— |
de niet-uitlaatemissies van remdeeltjes en van microplastics afkomstig van banden worden gemeten en gereguleerd; |
|
— |
de duurzaamheidseisen worden aangescherpt: 200 000 km of tien jaar voor auto’s en bedrijfsvoertuigen en 875 000 km zonder tijdslimiet voor vrachtwagens en bussen; |
|
— |
invoering van continue emissiecontrole door middel van on-board monitoring. Sensoren zullen gedurende de gehele levensduur van een voertuig de werkelijke emissies meten; |
|
— |
om de levensduur van de batterijen te beoordelen, zal worden nagegaan hoe hun capaciteit zich ontwikkelt naarmate het aantal afgelegde kilometers toeneemt; |
|
— |
strengere regels zullen ervoor zorgen dat voertuigen niet worden gemanipuleerd; |
|
— |
er worden emissiegrenswaarden vastgesteld voor voorheen niet-gereguleerde verontreinigende stoffen: ammoniak voor auto’s, formaldehyde voor vrachtwagens. Voor het eerst worden grenswaarden vastgesteld voor de emissies die worden veroorzaakt door verdamping tijdens het tanken. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Hoewel het aantal vroegtijdige sterfgevallen als gevolg van blootstelling aan luchtverontreinigende stoffen in de EU-27 in 2019 met 33 % is gedaald ten opzichte van 2005, blijven ambitieuzere grenswaarden noodzakelijk. In dit verband is het wegvervoer verantwoordelijk voor 37 % van de totale NOx-uitstoot. Geschat wordt dat fijnstof en stikstofoxiden afkomstig van het wegvervoer elk jaar verantwoordelijk zijn voor meer dan 70 000 vroegtijdige sterfgevallen in de EU-27. |
|
4.2. |
De Commissie heeft bij de ontwikkeling van nieuwe wetgeving voor een “realistische” aanpak gekozen. Auto’s met een verbrandingsmotor zullen betaalbaar blijven, ook al zal de aanscherping van de emissienormen voor diesels de afname van het aanbod van zulke voertuigen waarschijnlijk versnellen. Verder mag niet worden vergeten dat de nieuwe CO2-normen ook de aankoopprijs van voertuigen zullen beïnvloeden. |
|
4.3. |
Hoewel de Euro 7-norm minder ambitieus is dan velen hadden verwacht wat de vastgestelde emissiewaarden betreft, is de norm toch een ingrijpende herziening waarbij een aantal zwakke punten van de Euro 6-norm zijn aangepakt, zoals het risico van manipulatie, de complexiteit van de regelgeving, de veroudering van voertuigen en de emissies onder reële omstandigheden. Ook is gekozen voor een veel bredere aanpak door elektrische voertuigen en niet-uitlaatemissies op te nemen. |
|
4.4. |
De regelgevingsdruk van de opeenvolgende Euro-emissienormen heeft geleid tot innovatie in de ontwikkeling van emissiebeheersings- en aandrijflijnsystemen en heeft ertoe bijgedragen dat de EU een leidende rol speelt in de sector. Daarom is het belangrijk dat de EU-normen voor blijven lopen op de normen die momenteel op de belangrijkste markten worden ontwikkeld. Als de EU het voortouw neemt bij de integratie van digitale en schone technologieën is dat een belangrijke troef om toegang te krijgen tot internationale markten. In dit verband moeten ook ambitieuzere normen worden overwogen, zoals de duurzaamheidseisen die in de VS gelden (240 000 km of 15 jaar). |
|
4.5. |
Door de consument stimulansen aan te bieden, zo meent het EESC, zou het wagenpark sneller kunnen vernieuwen. Dat zou een duidelijke impact hebben op de luchtkwaliteit en de vermindering van de uitstoot. Vervanging van het oude wagenpark door de meest recente, Euro 6-conforme voertuigen, in combinatie met de voortgaande elektrificatie, zou leiden tot een aanzienlijke vermindering (80 %) van de NOx-uitstoot van het wegvervoer tegen 2035. |
|
4.6. |
Het EESC dringt aan op een degelijke en wetenschappelijk onderbouwde kosten-batenanalyse van elk van de nieuwe elementen die moeten worden gereguleerd. Dit zal duidelijk maken in hoeverre deze vereisten afzonderlijk kunnen bijdragen tot een kosteneffectieve emissiereductie. In dit verband is het belangrijk dat alle belanghebbenden de analyse van de extra kosten die de invoering van de Euro 7-norm met zich meebrengen op dezelfde manier interpreteren. |
|
4.7. |
Het EESC is ervan overtuigd dat individuele automobiliteit voor iedereen toegankelijk en betaalbaar moet blijven, met name voor degenen die geen toegang hebben tot goed openbaar vervoer (of andere mobiliteitsoplossingen). Daarom roept het EESC de automobielindustrie op om instapmodellen te blijven aanbieden die voor iedereen betaalbaar zijn. Aangezien de autoprijzen veel sneller stijgen dan de koopkracht en deelmobiliteitsdiensten nog geen goed alternatief zijn, is het volgens het EESC hoog tijd om het probleem van “mobiliteitsarmoede” serieus aan te pakken. |
|
4.8. |
In het algemeen is het EESC van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen de drie dimensies van duurzame ontwikkeling. Als de Europese autofabrikanten niet alleen in de overstap naar elektrische voertuigen moeten investeren, maar ook in het herontwerpen van verbrandingsmotoren, kunnen zij een concurrentienadeel ondervinden ten opzichte van fabrikanten die alleen elektrische voertuigen produceren of van buitenlandse autofabrikanten die niet aan dezelfde verplichtingen zijn onderworpen. Bovendien moet worden voorkomen dat te hoge prijzen voor Euro 7-conforme auto’s ertoe leiden dat de consumenten de vervanging van hun meer vervuilende auto uitstellen. Dit zou de potentiële voordelen van de Euro 7-norm aanzienlijk verminderen en een industriële herstructurering veroorzaken als gevolg van de instorting van de verkoop. |
|
4.9. |
Gezien de omvang van de transformatie pleit het EESC voor een coherent industriebeleid dat een antwoord biedt op de drievoudige uitdaging waar de automobielindustrie voor staat:
|
5. Specifieke opmerkingen
|
5.1. |
De Commissie legt in haar voorstel twee data vast voor de toepassing van de verordening: juli 2025 voor lichte voertuigen en juli 2027 voor zware voertuigen. In beide gevallen moeten de lidstaten vanaf deze data weigeren voertuigen te registreren die niet aan de Euro 7-normen voldoen.
De keuze van deze data, met name die voor lichte voertuigen, roept vragen op. |
|
5.1.1. |
De voorgestelde datum van juli 2025 lijkt weinig realistisch. Zo zullen de fabrikanten hun productie enkele maanden voor deze datum moeten aanpassen om te voorkomen dat zij voorraden Euro 6-voertuigen produceren die niet meer geregistreerd kunnen worden. Het duurt meestal meer dan een jaar voor een hele voorraad voertuigen is goedgekeurd. De typegoedkeuringen zouden dus begin 2024 van start moeten gaan, d.w.z. onmiddellijk na de aanneming van de Euro 7-verordening en mogelijk vóór de bekendmaking van de uitvoeringsbepalingen.
De voorgestelde datum van juli 2027 voor zware voertuigen lijkt geschikter. Er moet echter rekening worden gehouden met de tijd die nodig is voor de ontwikkeling van innovatieve technische oplossingen, zoals een elektrisch verwarmde katalysator, die nodig zijn om de voorgestelde emissiegrenswaarden te halen. Het EESC is daarom van mening dat een snelle goedkeuring van de verordening en een minimumtermijn van twee jaar voor auto’s/bedrijfsvoertuigen en drie jaar voor vrachtwagens noodzakelijk zijn om de technische en economische haalbaarheid van de voorgestelde verordening te waarborgen. |
|
5.2. |
Met betrekking tot lichte voertuigen wordt voorgesteld de verschillende emissiegrenswaarden voor bedrijfsvoertuigen, die afhankelijk zijn van hun massa, te vervangen door uniforme waarden die gelden voor alle bedrijfsvoertuigen waarvan het vermogen per gewichtseenheid niet meer dan 35 kW/t bedraagt. Dit streven naar vereenvoudiging is lovenswaardig, maar zal waarschijnlijk grote gevolgen hebben voor de activiteit van de sector lichte bedrijfsvoertuigen, met name voor die van omgebouwde voertuigen, vooral omdat voor de toepassing van de verordening op respectievelijk lichte en zware voertuigen een verschillende datum wordt overwogen. In dit verband pleit het EESC voor afwijkingen en flexibiliteit bij de toepassing, bijvoorbeeld bij de ombouw van een licht bedrijfsvoertuig van categorie N1 (massa minder dan 3 500 kg) tot een minibus van categorie M2 (massa minder dan 5 000 kg). |
|
5.3. |
In het kader van de digitale ambities van de Green Deal stelt de Commissie voor in zowel lichte als zware voertuigen een innovatief boorddiagnosesysteem (OBM of “On Board Monitoring”) te installeren, dat de verontreinigende emissies van het voertuig continu registreert, met als doel:
|
|
5.4. |
De door de Commissie voorgestelde grenswaarden voor lichte voertuigen kunnen weinig ambitieus lijken, omdat zij in beginsel overeenkomen met een harmonisatie op basis van de laagste waarde die in de Euro 6-verordening voor benzine- en dieselmotoren is vastgesteld. Er zij echter gewezen op het volgende:
|
|
5.5. |
Aangezien microplastics afkomstig van banden een van de belangrijkste bronnen van oceaanverontreiniging zijn en er nog geen grenswaarden zijn vastgesteld bij gebrek aan een VN-procedure, moet een dergelijke procedure dringend worden ontwikkeld. |
|
5.6. |
Het EESC vraagt zich af of er normen moeten komen voor ammoniakemissies van auto’s. Aangezien de vervoerssector minder dan 1 % van de Europese ammoniakuitstoot voor zijn rekening neemt, lijken de kosten van deze maatregel niet in verhouding te staan tot de baten. Het EESC vraagt zich ook af of het wenselijk is om voertuigen een systeem op te leggen om de verdampingsemissies bij het tanken te beperken, aangezien Europa al een afzuigsysteem bij de brandstofpomp heeft ingevoerd. |
|
5.7. |
Voor zware voertuigen wijken de door de Commissie voorgestelde grenswaarden aanzienlijk af van die van de Euro 6-verordening. Zo moeten de grenswaarden voor NOx-emissies en het deeltjesaantal met 80 % en de grenswaarde voor koolmonoxide met 95 % worden verlaagd. Voorts stelt de Commissie voor de grenswaarden voor CH4 (methaan) en N2O (distikstofoxide) afzonderlijk te regelen vanwege het daarmee samenhangende broeikaseffect, met een bijzonder lage grenswaarde voor distikstofoxide. Uiteraard zullen deze veranderingen aanzienlijke investeringen vergen. Hiermee moet rekening worden gehouden bij toekomstige besprekingen over het CO2-traject van zware voertuigen (1). |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) COM(2023) 88 final.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/108 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan
(COM(2022) 732 final — 2022/0426(COD))
en over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Vierde verslag over de vorderingen die zijn gemaakt op het gebied van de bestrijding van mensenhandel
(COM(2022) 736 final)
(2023/C 228/15)
|
Rapporteur: |
José Antonio MORENO DÍAZ |
|
Corapporteur: |
Pietro Vittorio BARBIERI |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 8.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
125/01/01 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Mensenhandel is een uiterst verwerpelijk misdrijf en een grove schending van de grondrechten van mensen. In de EU-strategie voor de veiligheidsunie uit 2020 wordt gewezen op de rol van de georganiseerde misdaad bij mensenhandel en op de enorme prijs van mensenhandel uit menselijk oogpunt. |
|
1.2. |
In 2011 werd Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan goedgekeurd. In 2021 presenteerde de Europese Commissie de EU-strategie voor de bestrijding van mensenhandel 2021-2025, waarin reeds werd aangegeven dat de uitvoering van de richtlijn moest worden geëvalueerd en, op basis van de resultaten daarvan, verbeterd. |
|
1.3. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het vierde voortgangsverslag waarin wordt toegelicht hoe de desbetreffende verschijnselen zich ontwikkelen, alsook met het voorstel tot wijziging van de richtlijn ter bestrijding van mensenhandel. Doel van de richtlijn is mensenhandel te voorkomen en te bestrijden en de slachtoffers ervan te beschermen. In dit verband voorziet het onderhavige voorstel in drie actiegebieden: i) de strafbaarstelling van, het onderzoek naar en de vervolging van mensenhandel, met inbegrip van de omschrijving van strafbare feiten, straffen en sancties; ii) bijstand aan en ondersteuning en bescherming van slachtoffers van mensenhandel, en iii) voorkoming van mensenhandel. |
|
1.4. |
Het EESC is ingenomen met de verruiming van de definitie van verschillende vormen van uitbuiting. De Commissie stelt terecht dat het bij de opgesomde vormen van uitbuiting gaat om een niet-uitputtende lijst; uitbuiting neemt helaas voortdurend nieuwe gedaanten aan. Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan de problematiek van mensenhandel en uitbuiting met eenzelfde alomvattende blik te benaderen. |
|
1.5. |
Het EESC vindt dat het genderperspectief in de inhoud en bij de uitvoering van de richtlijn moet worden versterkt, aangezien verreweg de meeste slachtoffers vrouwen en meisjes zijn. Ook moet aandacht worden besteed aan situaties van kwetsbaarheid die werving en uitbuiting door criminele netwerken en anderen kunnen vergemakkelijken. Daarnaast is meer aandacht nodig voor andere kwetsbare groepen, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en personen zonder papieren of met een onzekere verblijfsstatus. |
|
1.6. |
Het EESC is ingenomen met de expliciete verwijzing naar de onlinedimensie van mensenhandel. Het gebruik van nieuwe technologieën heeft misdrijven die verband houden met mensenhandel in de hand gewerkt doordat ze de toegang tot en de uitbuiting van slachtoffers mogelijk maken en vergemakkelijken, en het moeilijker maken om de opbrengsten ervan op te sporen. |
|
1.7. |
Het EESC steunt de ontwikkeling van een beter sanctiesysteem door de Commissie. Omdat uit de evaluatie is gebleken dat de meeste lidstaten de facultatieve sanctiemaatregelen niet volledig hebben omgezet, wordt met het nieuwe verplichte systeem — dat onderscheid maakt tussen gronddelicten en gekwalificeerde delicten — de bestrijding van mensenhandel kracht bijgezet. |
|
1.8. |
Het EESC is ook ingenomen met het feit dat rechtspersonen sancties kunnen krijgen opgelegd zoals uitsluiting van door de overheid verleende steun of subsidies, tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen en tijdelijke of permanente verboden op het uitoefenen van commerciële activiteiten. Het Comité wijst op de mogelijkheid om het bewuste gebruik van op uitbuiting berustende diensten te koppelen aan de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, zodat ook bedrijven die profiteren van verschillende vormen van uitbuiting ter verantwoording kunnen worden geroepen. |
|
1.9. |
Het EESC is van mening dat in de richtlijn meer aandacht moet worden besteed aan de slachtoffers van mensenhandel, en herinnert eraan dat de lidstaten verplicht zijn om deze mensen bijstand te verlenen, hen te beschermen en hun sociale integratie zo veel mogelijk te waarborgen. Niet alleen mogen slachtoffers van mensenhandel niet worden bestraft, de richtlijn moet ook de mechanismen en instrumenten voor het bijstaan en ondersteunen van slachtoffers versterken, met name in het geval van kwetsbare groepen. |
|
1.10. |
Het EESC verzoekt de Commissie in haar voorstel aan te dringen op naleving van Richtlijn 2004/81/EG van de Raad (2) betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie. |
|
1.11. |
Het EESC wijst nogmaals op het belang van een daadkrachtigere preventie van mensenhandel, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het terugdringen van de vraag naar alle vormen van uitbuiting. In het verslag wordt aangegeven dat de vraag naar goedkope arbeid en prostitutie blijft toenemen, ook al gaan die vaak gepaard met mensenhandel. |
|
1.12. |
Het EESC is het ermee eens dat er behoefte is aan betere gegevensverzameling, en dat ook de instrumenten voor het vaststellen van strafbare feiten moeten worden verbeterd. In het verslag wordt erop gewezen dat het geen twijfel lijdt dat een substantieel aantal gevallen niet wordt gemeld. Dit moet worden gecorrigeerd en aangepakt in coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten en met de Europese instellingen. |
|
1.13. |
Het EESC is van mening dat de presentatie van dit voorstel voor een herziene richtlijn moet worden aangegrepen om het bewustzijn te vergroten en beter te communiceren dat de strijd tegen mensenhandel moet worden opgevoerd. De schending van rechten als gevolg van verschillende vormen van uitbuiting vergt een alomvattende en veelzijdige aanpak; in dit kader is voor de burgers een cruciale rol weggelegd bij maatregelen om de straffeloosheid en de normalisering van deze vormen van misbruik te bestrijden. |
|
1.14. |
Het EESC wijst erop dat onder meer de volgende factoren van invloed zijn op mensenhandel: “feminisering van armoede”; ongelijke toegang tot studiemogelijkheden en middelen voor mannen en vrouwen; ongelijkheden op medisch en gezondheidsgebied; de wereldwijde toename van gendergerelateerd geweld, en, algemener, de sociale ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. |
|
1.15. |
Het is noodzakelijk dat de lidstaten nationale verdere verwijzingsmechanismen ontwikkelen en dat maatschappelijke organisaties in het kader daarvan worden betrokken bij het opsporen van slachtoffers en het bieden van steun. Er zou nog in een extra instrument voor alle lidstaten kunnen worden voorzien: een onafhankelijk controle- en waarborgorgaan met een nationale rapporteur die toeziet op de doeltreffendheid van de door de lidstaten in de strijd tegen mensenhandel genomen maatregelen, onderzoek verricht en contacten onderhoudt met publieke en particuliere belanghebbenden die zich op verschillende niveaus met het verschijnsel bezighouden. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Mensenhandel is in 2000 door de Verenigde Naties internationaal als volgt gedefinieerd:
|
|
2.2. |
Mensenhandel is een uiterst verwerpelijk misdrijf en een grove schending van de grondrechten van mensen. In de EU-strategie voor de veiligheidsunie uit 2020 wordt gewezen op de rol van de georganiseerde misdaad bij mensenhandel en op de enorme prijs van mensenhandel uit menselijk oogpunt. |
|
2.3. |
In 2011 werd Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan goedgekeurd (de richtlijn ter bestrijding van mensenhandel). De goedkeuring van deze richtlijn was een belangrijke stap in de harmonisatie van de regels tussen de lidstaten. In 2021 presenteerde de Europese Commissie de EU-strategie voor de bestrijding van mensenhandel 2021-2025, waarin reeds werd aangegeven dat de uitvoering van de richtlijn moest worden geëvalueerd en, op basis van de resultaten daarvan, verbeterd. |
|
2.4. |
De door de Commissie uitgevoerde evaluatie bestrijkt de periode vanaf de uiterste datum voor de omzetting van de richtlijn (april 2013 tot maart 2022) en heeft als grondslag op Europees niveau verzamelde gegevens en kwalitatieve informatie uit gesprekken met deskundigen en gespecialiseerde instanties. |
|
2.5. |
Uit de interne evaluatie van de Commissie blijkt dat het werkelijke aantal slachtoffers moeilijk precies vast te stellen is: tussen 2013 en 2022 zijn 55 314 slachtoffers vastgesteld, wat als een onderschatting wordt beschouwd. Seksuele uitbuiting blijft de meest voorkomende vorm van uitbuiting bij mensenhandel (55,7 % van de in 2021 gemelde gevallen), terwijl arbeidsuitbuiting steeds prominenter wordt, met name in sectoren als de landbouw, de bouw en de zorg. Minderjarigen maken 21 % van de slachtoffers van mensenhandel uit; vrouwen en meisjes 75 %. |
|
2.6. |
Uit de evaluatie en het verslag blijkt ook dat het aantal vervolgingen en veroordelingen zeer laag is, wat kan bijdragen tot een cultuur van straffeloosheid onder mensenhandelaars. Sociale media hebben nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor criminele netwerken die actief zijn in de EU en waarvan de meeste betrokken zijn bij mensenhandel. De oorlog in Oekraïne kan ook leiden tot een toename van mensensmokkel en -handel. Mensenhandel blijft een vorm van criminaliteit met kleine risico’s en grote winsten. |
|
2.7. |
Met de richtlijn is een gemeenschappelijk wetgevingskader voor de bestrijding van mensenhandel vastgesteld; tegelijkertijd wordt erop gewezen dat er maar moeilijk vooruitgang wordt geboekt met de bestrijding van bepaalde vormen van uitbuiting die niet onder de definitie van mensenhandel of grensoverschrijdende criminaliteit vallen. In de richtlijn worden ook gebieden aangewezen waarop het onderzoek naar en de vervolging van mensenhandelaars beter kan, en wordt benadrukt dat de politiële en justitiële capaciteit voor financiële onderzoeken in verband met mensenhandel moeten worden verbeterd. |
|
2.8. |
Hoewel de richtlijn ook gericht is op bescherming tegen mensenhandel, is uit de evaluatie gebleken dat er ruimte is voor verbetering, onder meer op punten zoals de toepassing van de beginselen van niet-vervolging en niet-strafbaarstelling van slachtoffers; de bescherming van slachtoffers tijdens het onderzoek en de gerechtelijke procedure, en het bieden van adequate bijstand die aansluit op de kenmerken en behoeften van de slachtoffers, met name in het geval van kinderen en kwetsbare groepen. Zwakke gegevensverzameling en -verwerking wordt ook als een probleem aangemerkt. |
|
2.9. |
In de evaluatie wordt het belang van de richtlijn als keerpunt in de strijd tegen mensenhandel in de EU erkend. Tegelijkertijd wordt erop gewezen dat het zaak is instrumenten te ontwikkelen ter verbetering van het toezicht op, de preventie van, het onderzoek naar en de vervolging van mensenhandel en mensenhandelaars, en ter verbetering van de bijstand aan slachtoffers. |
|
2.10. |
Het door de Commissie ingediende voorstel strekt tot wijziging van de richtlijn. Het voorstel voorziet in een aantal maatregelen om de preventie en bestrijding van mensenhandel in de EU te verbeteren en om de slachtoffers beter te beschermen. |
3. De richtlijn ter bestrijding van mensenhandel
|
3.1. |
Doel van de richtlijn ter bestrijding van mensenhandel is mensenhandel te voorkomen en te bestrijden en de slachtoffers ervan te beschermen. In dit verband voorziet het onderhavige voorstel in drie actiegebieden: i) de strafbaarstelling van, het onderzoek naar en de vervolging van mensenhandel, met inbegrip van de omschrijving van strafbare feiten, straffen en sancties; ii) bijstand aan en ondersteuning en bescherming van slachtoffers van mensenhandel, en iii) voorkoming van mensenhandel. |
|
3.2. |
Het EESC is ingenomen met het onderhavige voorstel tot wijziging van de richtlijn, en onderschrijft dat de bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers verder moeten worden verbeterd. Mensenhandel is inderdaad een steeds grotere bedreiging is geworden, in een context die complexer is dan in 2011. |
|
3.3. |
Het EESC is ingenomen met de verruiming van de definitie van verschillende vormen van uitbuiting, en vindt het een goede zaak dat in het verslag naar deze verschillende vormen wordt verwezen. Hoewel seksuele uitbuiting nog steeds de meest voorkomende vorm van uitbuiting bij mensenhandel is, gevolgd door arbeidsuitbuiting, bestrijkt de richtlijn ook andere vormen van uitbuiting (uitbuiting met het oog op bedelarij, criminele activiteiten en organenhandel); een aantal daarvan zijn de voorbije jaren toegenomen. Tegelijkertijd zijn andere vormen van uitbuiting opgedoken die niet in die richtlijn waren opgenomen, maar die ook als vormen van mensenhandel moeten worden beschouwd, zoals gedwongen huwelijken, draagmoederschap en illegale adopties. Het EESC zou graag zien dat er een verwijzing wordt opgenomen naar “arbeidsgerelateerde uitbuiting”, zoals weergegeven in de EU-richtlijn inzake sancties tegen werkgevers. Het EESC is van oordeel dat er behoefte is aan meer oriëntering van de Commissie wat betreft de definitie van al deze verschillende mogelijke vormen van uitbuiting, ten behoeve van een meer uniforme toepassing door de lidstaten. |
|
3.4. |
De Commissie stelt terecht dat het bij de opgesomde vormen van uitbuiting gaat om een niet-uitputtende lijst; uitbuiting neemt helaas voortdurend nieuwe gedaanten aan. Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan de problematiek van mensenhandel en uitbuiting met eenzelfde alomvattende blik te benaderen. |
|
3.5. |
Het EESC vindt dat het genderperspectief in de inhoud en bij de uitvoering van de richtlijn moet worden versterkt, aangezien verreweg de meeste slachtoffers vrouwen en meisjes zijn. Ook moet aandacht worden besteed aan specifieke kwetsbare groepen, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en personen zonder papieren of met een onzekere verblijfsstatus, alsook aan situaties van kwetsbaarheid die werving en uitbuiting door criminele netwerken kunnen vergemakkelijken. Het EESC wijst erop dat onder meer de volgende factoren van invloed zijn op mensenhandel: “feminisering van armoede”; ongelijke toegang tot studiemogelijkheden en middelen voor mannen en vrouwen; ongelijkheden op medisch en gezondheidsgebied; de wereldwijde toename van gendergerelateerd geweld, en, algemener, de sociale ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. |
|
3.6. |
Het EESC is ingenomen met de expliciete verwijzing naar de onlinedimensie van mensenhandel. Het gebruik van nieuwe technologieën heeft misdrijven die verband houden met mensenhandel in de hand gewerkt doordat ze de toegang tot en de uitbuiting van slachtoffers mogelijk maken en vergemakkelijken, en het moeilijker maken om de opbrengsten ervan op te sporen. Sociale media hebben de werving en uitbuiting van slachtoffers vergemakkelijkt en nieuwe vormen van misbruik van uitgebuite slachtoffers mogelijk gemaakt, zoals de verspreiding van beelden, video’s enz. |
|
3.7. |
Het EESC steunt de ontwikkeling van een beter sanctiesysteem door de Commissie. Omdat uit de evaluatie is gebleken dat de meeste lidstaten de facultatieve sanctiemaatregelen niet volledig hebben omgezet, wordt met het nieuwe verplichte systeem — dat onderscheid maakt tussen gronddelicten en gekwalificeerde delicten — de bestrijding van mensenhandel kracht bijgezet. |
|
3.8. |
Het EESC is ook ingenomen met het feit dat rechtspersonen sancties kunnen krijgen opgelegd zoals uitsluiting van door de overheid verleende steun of subsidies, tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen en tijdelijke of permanente verboden op het uitoefenen van commerciële activiteiten. Het Comité wijst op de mogelijkheid om het bewuste gebruik van op uitbuiting berustende diensten te koppelen aan de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, zodat ook bedrijven die profiteren van verschillende vormen van uitbuiting ter verantwoording kunnen worden geroepen. Ervaringen met gevallen van arbeidsuitbuiting zouden hiervoor als referentie kunnen dienen. |
|
3.9. |
De voorgestelde wijziging waarbij het gebruikmaken van op uitbuiting berustende diensten of activiteiten — in de wetenschap dat de betrokkene het slachtoffer is van mensenhandel (er is sprake van “knowing use”, “bewust gebruik”) — als strafbaar feit wordt aangemerkt, waarbij het de lidstaten bovendien vrijstaat om harder op te treden, ziet het EESC als een stap vooruit. Het EESC acht het van belang dat de lidstaten meer steun krijgen bij het in praktijk brengen hiervan en dringt erop aan dat, in het uitvoeringsverslag dat de Commissie aan het Parlement en de Raad moet voorleggen, het effect op zowel de preventie als de vervolging van mensenhandel wordt geëvalueerd om zich ervan te vergewissen dat er geen schadelijke gevolgen zijn opgetreden voor slachtoffers of kwetsbare groepen, en dat er hierdoor vooruitgang is geboekt met de bestrijding van de “cultuur van straffeloosheid” die dergelijke misdrijven omgeeft. |
|
3.10. |
Het EESC vindt het een goede zaak dat de Commissie het regelgevings- en sanctiekader aanpast aan de onlinewereld. In dit verband is het bijzonder positief dat de richtlijn de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen omvat, in overeenstemming met de regelgevingskaders die de Europese Unie in dit verband heeft vastgesteld. Van daders ingevorderde activa gebruikt kunnen worden voor de schadeloosstelling van slachtoffers, en slachtoffers moeten voorrang krijgen in de rangorde van schuldeisers. |
|
3.11. |
Het is een goede zaak dat de Commissie benadrukt dat de samenwerking tussen de verschillende lidstaten op het gebied van mensenhandel moet worden verbeterd. Grensoverschrijdende samenwerking is van cruciaal belang en kan worden verbeterd door informatie uit te wisselen en gezamenlijke acties op te zetten, alsook door in opleidingen te voorzien voor beroepsbeoefenaars die slachtoffers in een grensoverschrijdende context bijstaan (met name politiediensten). |
|
3.12. |
Het is noodzakelijk dat de lidstaten verdere nationale verwijzingsmechanismen ontwikkelen en dat maatschappelijke organisaties in het kader daarvan worden betrokken bij het opsporen van slachtoffers en het bieden van steun. Het EESC is van mening dat de Commissie de lidstaten moet ondersteunen bij de ontwikkeling of versterking van deze instrumenten, die op Europees niveau kunnen worden gecoördineerd om de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van mensenhandel te verbeteren. Vooruitgang bij het creëren van een Europees verwijzingsinstrument is noodzakelijk om de harmonisatie van de bijstand aan slachtoffers en de ontwikkeling van systemen voor slachtofferhulp te verbeteren. Er zou nog in een extra instrument voor alle lidstaten kunnen worden voorzien: een onafhankelijk controle- en waarborgorgaan met een nationale rapporteur die toeziet op de doeltreffendheid van de door de lidstaten in de strijd tegen mensenhandel genomen maatregelen, onderzoek verricht en contacten onderhoudt met publieke en particuliere belanghebbenden die zich op verschillende niveaus met het verschijnsel bezighouden. |
|
3.13. |
Het EESC is van mening dat in de richtlijn meer aandacht moet worden besteed aan de slachtoffers van mensenhandel, en herinnert eraan dat de lidstaten verplicht zijn om deze mensen bijstand te verlenen, hen te beschermen en hun sociale integratie zo veel mogelijk te waarborgen. Niet alleen mogen slachtoffers van mensenhandel niet worden bestraft, de richtlijn moet ook de mechanismen en instrumenten voor het bijstaan en ondersteunen van slachtoffers versterken, met name in het geval van kwetsbare groepen zoals minderjarigen, minderheden, vluchtelingen en migranten zonder papieren. Ook de instrumenten voor de schadeloossteling van slachtoffers en voor preventie moeten worden onderzocht en verder worden versterkt, met inbegrip van veilige meldings- en klachtenprocedures en compensatiefondsen. |
|
3.14. |
Integratie in het land van bestemming wordt bereikt door slachtoffers van mensenhandel te laten deelnemen aan op maat gesneden steun-, voorlichtings-, opleidings- en op empowerment gerichte initiatieven door middel van: opvang in specifieke beschermde structuren; verplichte afgifte van een verblijfstitel als conditio sine qua non om uit de mensenhandel te geraken; bijstand, informatie en preventie op gezondheidsgebied; psychologische ondersteuning en culturele bemiddeling; sociale en juridische informatie en ondersteuning; taal- en alfabetiseringscursussen; beoordeling van vaardigheden en competenties; beroepsbegeleiding en -opleiding; integratie op de arbeidsmarkt. |
|
3.15. |
De richtlijn gaat niet in op wetswijzigingen betreffende de bescherming van de rechten van slachtoffers of betreffende bijstand aan/de ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel. Op dit punt is er nog veel ruimte voor verbetering. Het EESC herinnert eraan dat Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten onder meer ingaat op de specifieke behoeften van bepaalde categorieën slachtoffers van mensenhandel, seksueel misbruik, seksuele uitbuiting en kinderpornografie. |
|
3.16. |
Het EESC verzoekt de Commissie in haar voorstel tot wijziging van de richtlijn aan te dringen op naleving van Richtlijn 2004/81/EG. |
|
3.17. |
De medewerking van het slachtoffer moet worden opgevat als de wens om mee te doen aan een individueel project van sociale integratie en tot beëindiging van de situatie van uitbuiting. Een verblijfstitel dient niet te worden voorbehouden aan diegenen die besluiten mee te werken met het gerecht, omdat de alternatieven voor mensenhandel — waarbij toegang wordt verkregen tot lokale en regionale diensten voor opleiding en empowerment — sowieso een verblijfstitel vereisen. |
|
3.18. |
Slachtoffers van mensenhandel zijn terughoudend om tegen hun daders te getuigen. Zij leven vaak in een staat van permanente chantage, en door te getuigen brengen zij hun leven en dat van hun familie in gevaar. In dit verband zij eraan herinnerd dat instemming van een slachtoffer van mensenhandel met uitbuiting irrelevant is (artikel 3, punt b, VN-protocol inzake mensenhandel, 2000). |
|
3.19. |
Het EESC roept de Commissie ook op om vooruitgang te boeken met de uitvoering van de aanbevelingen in haar publicatie “De EU-rechten van slachtoffers van mensenhandel” (4), zodat de lidstaten slachtoffers van mensenhandel altijd een verblijfstitel toekennen wanneer zij:
Het EESC verzoekt de lidstaten ook meer gebruik te maken van de mogelijkheid om slachtoffers om humanitaire of persoonlijke redenen een verblijfsvergunning aan te bieden, zelfs wanneer niet aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan. |
|
3.20. |
Het EESC wijst nogmaals op het belang van een daadkrachtigere preventie van mensenhandel, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het terugdringen van de vraag naar alle vormen van uitbuiting. De vraag naar goedkope arbeid en prostitutie blijft toenemen, ook al gaan die vaak gepaard met mensenhandel. |
|
3.21. |
Het EESC is van mening dat de talrijke activiteiten ter verbetering van de voorlichting en bewustmaking over deze kwesties moeten worden versterkt, onder meer door het verkennen van nieuwe communicatiemiddelen, opleidingen, educatieve programma’s en bewustmakingscampagnes om de strijd tegen mensenhandel in alle lidstaten op te voeren. |
|
3.22. |
Het EESC is het ermee eens dat er behoefte is aan betere gegevensverzameling, en dat ook de instrumenten voor het vaststellen van strafbare feiten moeten worden verbeterd. Het lijdt geen twijfel dat een substantieel aantal gevallen niet wordt gemeld. Dit moet worden gecorrigeerd en aangepakt in coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten en met de Europese instellingen. Het voorgestelde jaarlijks statistisch verslag over mensenhandel kan helpen om betere gegevens te verkrijgen, doeltreffender op te treden en het publiek bewuster te maken van deze misdrijven. |
|
3.23. |
Ook is het een goede zaak dat het voorstel erin voorziet dat de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad jaarlijks een verslag indient waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen en welk effect die maatregelen sorteren. |
|
3.24. |
Het EESC is van mening dat de presentatie van het onderhavige voorstel tot herziening van de richtlijn moet worden aangegrepen om het bewustzijn te vergroten en beter te communiceren dat de strijd tegen mensenhandel moet worden opgevoerd. De schending van rechten als gevolg van verschillende vormen van uitbuiting vergt een alomvattende en veelzijdige aanpak; in dit kader is voor de burgers een cruciale rol weggelegd bij maatregelen om de straffeloosheid en de normalisering van deze vormen van misbruik te bestrijden. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).
(2) Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19).
(3) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ ((PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57).
(4) De EU-rechten van slachtoffers van mensenhandel.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/114 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakking en verpakkingsafval, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en Richtlijn (EU) 2019/904 en tot intrekking van Richtlijn 94/62/EG
(COM(2022) 677 final — 2022/0396 (COD))
(2023/C 228/16)
|
Rapporteur: |
István KOMORÓCZKI |
|
Corapporteur: |
Panagiotis GKOFAS |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 13.3.2023 Raad, 8.3.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
13.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
153/0/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
De hoeveelheid afval afkomstig van verpakkingen neemt in de wereld nog steeds toe en berokkent onze gezondheid, levens, economieën en de planeet grote schade als er niet goed mee wordt omgegaan. Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is dan ook ingenomen met dit initiatief en zou graag zien dat de Europese Commissie kwesties in verband met verpakking, verpakkingsafval en verpakkingsbeleid op gecoördineerde wijze aanpakt en de regels in de hele EU harmoniseert. |
|
1.2. |
Empirisch onderbouwde beleidsmaatregelen zijn nodig om het beste milieuresultaat te waarborgen. De uitdagingen op het gebied van klimaatverandering bieden Europa een kans om een duurzame en toekomstgerichte industriële basis tot stand te brengen. Het EESC raadt aan om alle komende beleidsinitiatieven te baseren op wetenschappelijk bewijs en op een gedegen inzicht in de werkelijke gevolgen ervan voor het milieu. Het is strategisch gezien nuttig om het gebruik van de levenscyclusbeoordelingsmethode, als instrument om de milieueffecten van producten gedurende hun gehele levenscyclus te evalueren, te ondersteunen. |
|
1.3. |
Het EESC steunt de huidige inspanningen om tot minder verpakkingsafval te komen, aangezien het zeer negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Helaas echter bevat het voorstel geen grondige analyse van de verwachte effecten op het milieu, de menselijke gezondheid en de marktdeelnemers. Verpakkingen zijn belangrijk om de veiligheid, de gezondheid en de kwaliteit van levensmiddelen te waarborgen. Vanuit dit oogpunt moet met de nieuwe verordening zowel milieubescherming als de veiligheid van de consument worden aangepakt. |
|
1.4. |
Hergebruik en navulling zijn vanuit het oogpunt van klimaatverandering en milieu lang niet de beste keuzes. Hierbij moet materiaal namelijk over langere afstanden vervoerd worden dan wanneer het plaatselijk ingezameld en gerecycled wordt, en de extra logistiek zal een negatief effect hebben. Het reinigen van navulbare flessen of herbruikbaar tafelgerei verhoogt het energieverbruik, de emissies en het waterverbruik. Het EESC betreurt nogmaals het ontbreken van een degelijke effectbeoordeling op dit gebied. |
|
1.5. |
De economische gevolgen zullen duidelijk afhangen van de exacte formulering van de beoogde gedelegeerde handelingen, die pas (uiterlijk) vijf jaar na de goedkeuring van de verordening moeten worden vastgesteld. Alleen al het feit dat pas na de goedkeuring van de voorgestelde verordening bekend zal zijn hoe de regels er concreet zullen uitzien, leidt tot enorme onzekerheid voor bedrijven en kan de investerings- en innovatiecyclus ernstig in gevaar brengen. |
|
1.6. |
Alle relevante stakeholders, zoals de partners in de sociale dialoog, marktdeelnemers, werknemers, consumenten, consumentenorganisaties, milieuorganisaties en het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie, moeten volgens het EESC bij de implementatie van de nieuwe verordening worden betrokken. Het omzetten van de bijgewerkte verordening in nationale wetgevingen mag er niet toe leiden dat kleine en middelgrote ondernemingen onnodige administratieve of operationele lasten worden opgelegd. In dit verband is het belangrijk om passende deadlines voor de uitvoering en inwerkingtreding vast te stellen. Met de verordening wordt de rol van recycling die in het pakket betreffende de circulaire economie is vastgelegd, vervangen door artikel 26, dat rechtstreeks van toepassing is op alle marktdeelnemers, of dit nu ecologisch efficiënt is of niet. Bovendien is er sprake van een gedwongen beperking van het gebruik van verpakkingen, ongeacht of dit tot een gevaar voor de gezondheid of tot aantasting van het milieu leidt. |
|
1.7. |
Wat “recycling op grote schaal” betreft, zou het percentage op grote schaal gerecycled verpakkingsafval (in de EU-lidstaten ingezamelde, gescheiden en gerecyclede verpakkingen) volgens het EESC moeten worden verhoogd. De desbetreffende processen zouden niet 75 %, maar 90 % van de EU-bevolking en tegen 2030 tegelijkertijd minstens twee derde van de EU-lidstaten moeten bestrijken om tot effectieve implementatie te komen. Het EESC is er ook voorstander van dat er prestatieklassen voor recyclebaarheid worden ingevoerd en dat verpakkingen van klasse E (de slechtst presterende) in 2030 zijn uitgefaseerd. |
|
1.8. |
Naar het oordeel van het EESC zouden verplichte streefcijfers voor gerecycled materiaal alleen overwogen en toegepast mogen worden in geval van specifieke verpakkingsmaterialen, wanneer de invoering ervan kan resulteren in een groter gebruik van recyclaat (bv. kunststoffen). Wat betreft stalen verpakkingen zouden verplichte streefcijfers inzake het gehalte gerecycled materiaal negatief uitwerken en tot een ontwrichting van de markt voor schroot kunnen leiden. In de criteria voor de recyclebaarheid van verpakkingen moet daarnaast ook oog zijn voor de vereisten inzake “ontwerp voor recycling”, gescheiden inzameling, doeltreffende sortering en het vermogen van het materiaal om meerdere keren gerecycled te worden. Voorts moeten streefcijfers die in de verordening worden vastgelegd om tot afvalvermindering te komen, per materiaal worden bepaald (materiaalspecifieke doelstellingen), rekening houdend met hun bijzondere kenmerken en recyclingpercentages. |
|
1.9. |
Het EESC plaatst ook vraagtekens bij het nut van een standaard streefcijfer van 15 % voor verpakkingsafvalvermindering, want dit heeft discriminerende gevolgen voor consumenten uit landen waar per hoofd van de bevolking relatief weinig verpakkingsafval wordt geproduceerd. Uit statistische cijfers blijkt dat in landen met een hogere consumptie soms wel drie keer zoveel verpakkingsafval wordt geproduceerd als in landen met een lagere consumptie. En toch wordt zonder onderscheid van alle landen verwacht dat ze de hoeveelheid verpakkingsafval per consument met 15 % verminderen. In plaats daarvan zou het streefcijfer moeten worden berekend op basis van het aantal inwoners, de economische bedrijvigheid, de industriële productie en het inkomen van de inwoners. |
|
1.10. |
Het EESC pleit voor de toepassing en handhaving van beschermings- en ondersteuningsregelingen (publieksvoorlichting, opleidingen, collectieve onderhandelingen, compensatieregelingen, overplaatsing naar andere bedrijfstakken) voor werknemers in industrieën die in transitie zijn en weldra de gevolgen zullen ondervinden van de implementatie van de herziene verordening. |
|
1.11. |
Het EESC moedigt de lidstaten aan strategieën te lanceren om hun reparatie-industrieën en -werkplaatsen te ontwikkelen, door stimulansen voor investeringen in reparatiemachines te bieden, de prijs van reserveonderdelen te verlagen en synergieën tussen sectoren tot stand te brengen. |
|
1.12. |
De verpakkingsindustrie ontwikkelt zich snel en biedt werk aan een groot aantal mensen. Het is dan ook absoluut noodzakelijk dat er in de lidstaten, zowel op centraal als op lokaal overheidsniveau, effectbeoordelingen worden uitgevoerd en dat er regelmatig en nauwgezet toezicht wordt gehouden op de nieuwe verordeningen. Effectbeoordelingen zijn namelijk van essentieel belang zijn om inzicht te krijgen in de gevolgen voor de economische levensvatbaarheid, de werkgelegenheid en de milieuduurzaamheid. |
|
1.13. |
De Europese Commissie wordt verzocht een gedifferentieerd, op maat gemaakt kader vast te stellen voor het evalueren, monitoren en vergelijken van verpakkingsstrategieën voor verschillende producten. Om de hoeveelheid verpakkingsafval te verminderen, moet de werkelijke behoefte aan verpakking regelmatig worden geëvalueerd en moeten betere oplossingen worden onderzocht. Wat de goed functionerende nationale statiegeldregelingen betreft, is het belangrijk manieren te vinden om de nieuwe EU-streepjescodes en de bestaande nationale streepjescodes naast elkaar te kunnen laten functioneren. |
|
1.14. |
Consumenten moeten bij de zaak worden betrokken en gestimuleerd worden om verpakkingsmateriaal optimaal te hergebruiken, te retourneren of te recyclen, via positieve en negatieve compensatiemechanismen. In het statiegeldsysteem en bij maatregelen inzake hergebruik en navulling zal er voor consumenten een belangrijke rol zijn weggelegd. Het EESC pleit voor bewustmakings- en voorlichtingscampagnes om consumenten in staat te stellen hun rol beter te beseffen en te begrijpen. |
|
1.15. |
Het EESC verzoekt de Raad en het Europees Parlement om nauw met lokale en regionale overheden en marktdeelnemers samen te werken bij het vinden van de beste manieren om het etiketteringssysteem in de praktijk te brengen. |
|
1.16. |
De recylingmogelijkheden hangen af van de hoeveelheid afval en de kwaliteit ervan. Het EESC verzoekt de lidstaten om in de planningsfase de economische en milieugevolgen van de noodzakelijke afvalbeheeractiviteiten te evalueren. |
|
1.17. |
Wat de wetgevingsbeginselen betreft, combineert de verordening voorschriften die rechtstreeks van invloed zijn op individuele marktdeelnemers met een richtlijn die kaderdoelstellingen tot de lidstaten richt. Het zou dan ook beter zijn om over te gaan tot een opsplitsing in twee wetgevingshandelingen. In de eerste plaats een richtlijn waarin de doelen worden vastgelegd die de lidstaten op het gebied van het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval moeten halen. In de tweede plaats een verordening met basisvereisten voor verpakkingen en voorschriften inzake recyclebaarheid en etikettering. |
|
1.18. |
Wat afvalvermindering betreft, beveelt het EESC aan om de herziening van de richtlijn verpakking en verpakkingsafval gepaard te laten gaan met een herziening van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG van de Raad (1)), teneinde de hoeveelheid gestort afval te reduceren. |
2. Context en grondslagen
De noodzaak om de impact van verpakkingen op het milieu voortdurend in aanmerking te nemen
|
2.1. |
Wereldwijd worden de meeste verpakkingen eenmalig gebruikt en weggegooid of gerecycled in plaats van hergebruikt. Milieuautoriteiten in grote industrielanden schatten dat bijna de helft van al het gemeentelijke vaste afval bestaat uit voedsel en materialen die worden gebruikt in voedselverpakkingen (2). |
|
2.2. |
Door de verspilling van waardevolle hulpbronnen en de vervuiling die dit consumptie- en verwijderingssysteem veroorzaakt, lopen onze gezondheid, het milieu, de duurzaamheid en het wereldklimaat ernstig gevaar. |
|
2.3. |
Daarom is het van essentieel belang dat de Europese Commissie regelmatig met alle relevante stakeholders toezicht houdt op verpakkingsafval en de inzameling, het beheer en het hergebruik ervan. |
|
2.4. |
Industrieën in transitie, alsook werknemers en kleine ondernemers in sommige onderzochte sectoren zullen naar verwachting ernstige moeilijkheden ondervinden en inkomsten of banen verliezen als gevolg van een daling van de totale omzet door het substitutie-effect. Sociale beschermingsregelingen en omscholingsinitiatieven zouden dit effect kunnen beperken. |
|
2.5. |
Evenzo kunnen sommige regio’s die afhankelijk zijn van bepaalde verpakkingstechnologieën en industriële productie op korte termijn te maken krijgen met banenverlies en het wegtrekken van zowel hoog- als laaggeschoolde werknemers. Maatwerkbeleid op lokaal niveau is absoluut noodzakelijk om braindrain en de leegloop van landelijke en industriegebieden te voorkomen. |
|
2.6. |
Om in de gaten te houden welk effect de implementatie van wetgeving heeft, moet er een permanent beoordelingsmechanisme komen waarmee het mogelijk wordt de resultaten van elk land te evalueren, beste praktijken uit te wisselen en herzieningen van parameters voor te stellen. Er moet rekening worden gehouden met mogelijke verbeteringen van de technologische capaciteit van industriesectoren om specifieke materialen te hergebruiken en te recyclen (bv. biologisch afbreekbare kunststoffen), met bijzondere aandacht voor de volksgezondheid en langetermijneffecten op het milieu. |
Door de Europese Commissie ondersteunde instrumenten om kwesties op het gebied van verpakkingen en verpakkingsmaterialen aan te pakken
|
2.7. |
In de ontwerpverordening van de Commissie wordt uiteengezet hoe digitalisering en duurzaamheid een sleutelrol spelen bij het verminderen van verpakkingen en verpakkingsafval. Beide aspecten moeten op elkaar afgestemd worden, want ze zijn essentieel om de Green Deal-doelstellingen te verwezenlijken en om Europa veerkrachtiger, welvarender en duurzamer te maken. |
Natuurlijke hulpbronnen en energiebronnen voor verpakkingen — aandachtspunten en oplossingen
|
2.8. |
Verpakkingsmaterialen worden in belangrijke mate gebruikt voor moderne voedselverpakkingen die ertoe bijdragen om voedselproducten betrouwbaar, hygiënisch, houdbaar en veilig te maken. De meeste voedselverpakkingen zijn echter nog steeds voor eenmalig gebruik en kunnen, als ze niet adequaat ingezameld worden en naar behoren gescheiden worden van elementen van ander materiaal, niet volledig gerecycled worden, omdat ze besmeurd zijn met voedsel, te klein zijn of uit meerdere lagen bestaan. |
|
2.9. |
Voor elk type verpakking zijn talrijke hulpbronnen nodig, waaronder energie, water, chemicaliën, aardolie, mineralen, hout en textiel. Bovendien leidt de productie ervan vaak tot afvalwater en slib met schadelijke chemische stoffen, en tot emissies van broeikasgassen, zware metalen en deeltjes in de lucht. |
|
2.10. |
Voor de vervaardiging van moderne voedselverpakkingen worden verschillende kunstmatige en synthetische materialen gebruikt, waaronder keramiek, glas, metaal, papier, karton, was, hout en in toenemende mate kunststoffen. De meeste van deze verpakkingen zijn gemaakt van glas, hard plastic, papier en karton. Sommige nieuwere kunststoffen worden gemaakt van maïs en andere plantaardige materialen, maar de meeste kunststoffen worden nog steeds gemaakt van aardolie en bevatten additieven zoals polymeren. |
|
2.11. |
Het is van cruciaal belang dat de Europese Commissie in het voorstel een verplicht gehalte aan biogebaseerd materiaal van minstens 60 % voor composteerbare verpakkingen vastlegt. Karton is vaak bekleed met kunststof die niet zichtbaar is, en veel verschillende soorten verpakkingen hebben een etiket met tekst waarvoor printerinkt is gebruikt. |
|
2.12. |
Door het toegenomen gebruik van verschillende soorten verpakkingen, in combinatie met de lage hergebruik- en recyclingpercentages, kan het lastiger worden om in de EU een koolstofarme circulaire economie tot stand te brengen. |
|
2.13. |
Volgens het EESC vormen composteerbare verpakkingen die veilig in contact kunnen komen met voedsel, de meest geschikte oplossing en zijn zij essentieel om ervoor te zorgen dat meer afval biologisch afbreekbaar is. Ook zouden composteerbare verpakkingen de hoeveelheid niet biologisch afbreekbare kunststof, die anders de compost vervuilt, verminderen. |
3. Kunststofverpakkingen
|
3.1. |
De VN heeft de plasticvervuiling van de oceanen, die vooral te wijten is aan de hoeveelheid plastic voedselverpakkingen die in rivieren terechtkomt, aangemerkt als een planetaire ramp (3). Die vervuiling is voor alle aquatische soorten zorgwekkend. |
|
3.2. |
Lidstaten zullen een nieuwe, op de circulaire economie gebaseerde aanpak van kunststoffen moeten overwegen. Zij kunnen de ontwikkeling van circulaire verpakkingsmogelijkheden stimuleren door voor andere materialen of specifieke polymeermaterialen te kiezen, teneinde een veel hogere mate van recyclebaarheid te bereiken. Kunnen kunststoffen niet gerecycled worden, dan moeten ze worden gebruikt voor het produceren van biobrandstoffen. |
4. Permanente materialen, recyclingdata en vraagstukken in verband met streefcijfers voor navulling van flessen voor alcoholhoudende dranken
|
4.1. |
Voedselverpakkingsmaterialen hebben verschillende kenmerken en eigenschappen, die hun recyclebaarheid beïnvloeden. Materialen zoals aluminium, glas en staal worden beschouwd als “permanente materialen”, omdat zij tijdens hun levensduur minimale degradatie vertonen en eindeloos gerecycled kunnen worden zonder verlies van kwaliteit of inherente materiaaleigenschappen. |
|
4.2. |
Met de groeiende aandacht voor de circulaire economie is ook de belangstelling voor permanente materialen aanzienlijk toegenomen. Deze materialen moeten in toekomstige wetgeving de erkenning krijgen die ze verdienen, en het toekomstige beleid moet de recycling ervan doeltreffend ondersteunen. |
|
4.3. |
Verpakkingen op basis van vezels en andere natuurlijke materialen kunnen groei ondersteunen die is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Zij worden gemaakt van hernieuwbare materialen en zijn tegelijkertijd duurzaam, aantrekkelijk, recyclebaar en biologisch afbreekbaar. Uit recente studies is gebleken dat vezelverpakkingen meer dan 25 keer kunnen worden gerecycled, hetgeen aantoont dat zij een essentieel onderdeel vormen van de circulaire economie. |
|
4.4. |
In 2020 werd in de EU gemiddeld 76 % van het glazen verpakkingsmateriaal gerecycled (4), waarbij er in sommige lidstaten nog enige ruimte was voor verbetering van de inzamelingssystemen en de sortering. In 2017 waren de desbetreffende percentages 95 % in Zweden, 88,4 % in Duitsland, 78 % in Italië en 61 % in Frankrijk (5). |
|
4.5. |
Het voorstel bevat verplichte streefcijfers voor hergebruik en navulling van flessen voor alcoholhoudende dranken. Belangrijke marktdeelnemers zijn echter stellig van mening dat deze streefcijfers flinke uitdagingen met zich kunnen meebrengen waar het gaat om zowel het aanbod als de volksgezondheidsrisico’s, aangezien flessen door consumenten vaak ook voor andere praktische doeleinden worden gebruikt. Dit verplichte hergebruik kan problemen veroorzaken; zo kunnen er door de ontwikkeling van ziektekiemen en bacteriën besmettingen optreden. |
5. Water- en bodemverontreiniging door voedselverpakkingen
|
5.1. |
Wanneer verpakkingen, met name kunststofverpakkingen, op stortplaatsen terechtkomen, leidt dat niet alleen tot onaanvaardbaar zware bodem- en milieuverontreiniging, maar betekent dat ook dat chemische stoffen uit de materialen, zoals inkt en kleurstoffen van etiketten, weglekken in het grondwater en de bodem. |
|
5.2. |
Vooral kunststofafval komt vaak in de meest afgelegen gebieden van de wereld terecht en brengt het leven van mensen en vogels en het mariene leven in gevaar. De plasticvervuiling in de oceanen is zo erg geworden dat er volgens het hoofd oceaanzaken van de VN sprake is van een planetaire crisis. |
|
5.3. |
Dat de oceanen verontreinigd worden is maar een van de negatieve effecten van plastic op het ecosysteem. Een derde van al het kunststofafval komt terecht in waterwegen of in de bodem, aldus een studie. Elders is erop gewezen dat de verontreiniging door microplastics in de bodem wereldwijd in volume 4 tot 23 keer erger is dan de verontreiniging door microplastics in onze oceanen. |
|
5.4. |
Microplastics in de bodem zullen het gedrag van bodemdieren (zoals aardwormen) negatief beïnvloeden en daardoor tot het verspreiden van ziekten leiden en andere schadelijke gevolgen met zich meebrengen. Microplastics zijn ook aangetroffen in pasgeboren baby’s. Daarbij komt dat uiteenvallende plastics op het land en in waterwegen schadelijke stoffen zoals pesticiden (bv. DDT) absorberen. |
6. Lucht- en oceaanverontreiniging door voedselverpakkingen
|
6.1. |
Voedselverpakkingsafval dat niet gecomposteerd of gerecycled kan worden, belandt vaak op stortplaatsen, waar het luchtemissies veroorzaakt, onder meer van broeikasgassen. Op stortplaatsen komen methaan, ammoniak en waterstofsulfide vrij. Verbrandingsovens leiden dan weer tot het vrijkomen van kwik, lood, waterstofchloride, zwaveldioxide, distikstofoxide, zwevende deeltjes en dioxines, de gevaarlijkste verbindingen. |
|
6.2. |
De meeste koffiebekers en koffiebekerdeksels, koffiepads, piepschuimverpakkingen, plastic flessen en doppen, plastic wikkels, sixpackhouders en plastic boodschappenzakken zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Maar als ze niet worden gerecycled, klonteren ze samen in onze waterwegen, waar dieren ze voor voedsel aanzien of erin verstrikt raken. |
|
6.3. |
Al het plastic dat ronddrijft in de oceanen is ongelooflijk schadelijk voor dieren. Volgens Ocean Conservancy (6) is er plastic aangetroffen in 59 % van de zeevogels zoals albatrossen en pelikanen, in 100 % van de zeeschildpaddensoorten en in meer dan een kwart van de vis die op markten voor visserijproducten steekproefsgewijs is onderzocht. |
|
6.4. |
De oceanen bevatten gigantische hoeveelheden plastic, bestaande uit biljoenen verschillende deeltjes, die door de stromingen worden meegevoerd. Slechts ongeveer 5 % van die plasticmassa is zichtbaar aan het oppervlak; de rest drijft daaronder of is neergeslagen op de oceaanbodem. |
|
6.5. |
Het EESC acht het van cruciaal belang dat de organische recycling van voedselafval en van composteerbaar voedselverpakkingsafval wordt gestimuleerd, ook al omdat de gescheiden inzameling van voedselafval met het oog op organische recycling vanaf 31 december 2023 verplicht zal zijn. Reststoffen van de veeteelt, zoals mest en drijfmest, kunnen gebruikt worden om organische meststoffen, biogas of biomethaan te produceren. |
7. Algemene opmerkingen
|
7.1. |
Het EESC steunt het streven van de Europese Commissie om de vereisten voor verpakkingen en verpakkingsafval te herzien, teneinde de hoeveelheid, de omvang en het gewicht van verpakkingen op de eengemaakte markt van de EU te beperken, de productie van nutteloos verpakkingsafval te voorkomen, hoogwaardige recycling te ondersteunen en de recyclebaarheid en het hergebruik van verpakkingen te vergroten. |
|
7.2. |
Elke herziening van de wetgeving inzake verpakking en verpakkingsafval moet volledig aansluiten bij de overkoepelende doelstellingen van de Green Deal van de EU (klimaatneutraliteit, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en milieubescherming) en moet stroken met aanverwante wetgeving, zoals het actieplan voor de circulaire economie, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de richtlijn kunststoffen voor eenmalig gebruik, de richtlijn ecologisch ontwerp en de EU-wetgeving inzake materiaal dat met levensmiddelen in contact komt. |
|
7.3. |
Het EESC benadrukt dat er voor de recyclebaarheid van verpakkingen strenge criteria nodig zijn. Verpakkingen moeten als recyclebaar worden beschouwd als ze meerdere malen kunnen worden gerecycled in een permanente materiaalkringloop, en niet alleen als aan de ontwerpcriteria is voldaan en de materialen gescheiden worden ingezameld en zonder verontreiniging worden gesorteerd. |
|
7.4. |
In het Commissievoorstel is sprake van criteria voor het percentage verpakkingen dat op grote schaal moet worden gerecycled. Het EESC vindt dat er ter aanvulling hierop een kwantitatieve eis moet komen die betrekking heeft op een voldoende aantal EU-lidstaten. |
|
7.5. |
Het EESC steunt de invoering van de prestatieklassen voor recyclebaarheid, gebaseerd op de “ontwerp voor recycling”-criteria voor verpakkingscategorieën. Het EESC is voorstander van harmonisatie voor alle materialen en hoopt dat verpakkingen met een prestatieklasse E in 2030 zijn uitgefaseerd. |
|
7.6. |
In 2020 bedroeg het gemiddelde recyclingpercentage in de hele EU 85,5 % voor stalen verpakkingen, 74 % voor glazen verpakkingen en 82 % voor papieren verpakkingen. De kringlopen voor deze materialen zijn relatief doeltreffend. De vaststelling van een streefcijfer inzake het gehalte gerecycled materiaal voor bijvoorbeeld stalen verpakkingen zou echter kunnen leiden tot destabilisering en versnippering van de markt voor secundaire grondstoffen/schroot, en zou voor het milieu negatief kunnen uitpakken. Verplichte streefcijfers voor gerecycled materiaal zouden alleen mogen gelden voor specifieke verpakkingsgroepen en -materialen, wanneer de invoering ervan kan resulteren in marktverbeteringen en een groter gebruik van recyclaat (bv. kunststoffen). |
|
7.7. |
Het EESC wijst erop dat bij de beoordeling van het potentieel voor afvalvermindering rekening moet worden gehouden met de marktaandelen van de verschillende verpakkingsmaterialen in de totale hoeveelheid verpakkingsafval van de lidstaten. Om voor een gelijk speelveld te zorgen en te voorkomen dat bepaalde verpakkingsmaterialen onnodig worden vervangen door alternatieven met een geringe recyclebaarheid, moeten er voor elk verpakkingsmateriaal (kunststof, papier, ferrometalen, aluminium enz.) reductiestreefcijfers worden vastgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van de recyclingpercentages in de loop der tijd. |
|
7.8. |
De EU-lidstaten moeten doeltreffend worden gestimuleerd om nieuwe investeringen in infrastructuur en recyclingtechnologieën, alsook in onderzoek en ontwikkeling, te ondersteunen. |
|
7.9. |
Het EESC vindt dat de herziening van de richtlijn verpakking en verpakkingsafval ook gepaard moet gaan met een herziening van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen, teneinde het storten van verpakkingsafval te beperken. Terugdringing van de hoeveelheid afval die op stortplaatsen terechtkomt, zou aansluiten bij het EU-streven naar recycling en afvalvermindering. |
|
7.10. |
De herziene verordening moet het beginsel van materiaalneutraliteit eerbiedigen en toepassen en het derhalve mogelijk maken dat er gekozen wordt voor een verpakkingsmateriaal op basis van zijn geschiktheid voor een bepaald gebruik, zijn technische en structurele kenmerken en zijn milieuprofiel in algemene zin. |
8. Specifieke opmerkingen
|
8.1. |
Naast de voorgestelde wetgeving, onder meer inzake etikettering, communicatie, inzameling, sortering en herbruikbaarheid, vindt het EESC dat de lidstaten zouden moeten nadenken over de invoering van beperkingen op de productie van verpakkingsmateriaal, wellicht aangevuld met fiscale instrumenten, om de deadlines van de Green Deal te halen. |
|
8.2. |
Het EESC stelt voor dat de EU en de lidstaten met alle beschikbare middelen de recyclebaarheid en het hergebruik van verpakkingen ondersteunen, hetzij door het gebruik van recyclebare of hernieuwbare alternatieve materialen te stimuleren, hetzij door het gebruik van moeilijk te recyclen verpakkingsmaterialen te ontmoedigen. |
|
8.3. |
Marktdeelnemers in deze belangrijke sector, die een grote verantwoordelijkheid dragen voor de werknemers en hun banen, zouden in het transitieproces financieel gesteund moeten worden door de lidstaten. |
|
8.4. |
Nationaal en internationaal zijn er duidelijke beleidsmaatregelen nodig om afvalproducenten van wie het afval naar andere lidstaten wordt vervoerd, te identificeren. |
|
8.5. |
De lidstaten moeten stakeholders aanmoedigen nieuwe ideeën voor verpakking en adequate etikettering te ontwikkelen om de doelstellingen van de Green Deal te halen en fraude met betrekking tot oorspronkelijke Europese producten te voorkomen. |
|
8.6. |
De rol van de gemeenten bij afvalinzameling en afvalbeheer moet duidelijk worden omschreven om een veelheid aan verschillende procedures en infrastructuurvoorzieningen voor het beheer van afval te voorkomen. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
(2) https://foodprint.org/issues/the-environmental-impact-of-food-packaging/
(3) https://www.newscientist.com/article/mg25333710-100-pollution-is-the-forgotten-global-crisis-and-we-need-to-tackle-it-now/
(4) https://www.statista.com/statistics/1258851/glass-recycling-rate-in-europe/
(5) https://feve.org/glass_recycling_stats_2018/
(6) https://oceanconservancy.org/about/
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/121 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels
(COM(2022) 748 final — 2022/0432 (COD))
(2023/C 228/17)
|
Rapporteur: |
John COMER |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 13.2.2023 Raad, 10.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
13.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
145/0/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) onderstreept de volgende punten:
|
1.1. |
De EU kan wel voorstellen dat het wereldwijd geharmoniseerde systeem van de VN (UN GHS) wordt bijgewerkt aan de hand van de herziene verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van chemische stoffen (de zgn. CLP-verordening), maar er is geen garantie dat het EU-voorstel door alle partijen zal worden aanvaard. Het tijdelijk afwijken van de regels zou een langetermijnprobleem kunnen worden. De nieuwe voorstellen inzake het van buiten de EU online verkopen van producten lijken vrijwel onmogelijk te implementeren, tenzij ze door het UN GHS zijn goedgekeurd. |
|
1.2. |
Het is van vitaal belang dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) over voldoende middelen, deskundigheid en personeel beschikt om de herziene verordening ten uitvoer te leggen. Toevoeging van nieuwe gevarenklassen zal met name betekenen dat het ECHA en de lidstaten meer middelen zullen moeten inzetten om de toegenomen werklast specifiek aan te pakken. |
|
1.3. |
Er is helaas geen specifieke bepaling om de consument te waarschuwen wanneer de chemische bestanddelen in een merkproduct worden gewijzigd maar de merknaam dezelfde blijft. Consumenten die een vertrouwd merk gebruiken, zullen het niet controleren, tenzij er een speciale waarschuwing op het etiket staat. Fabrikanten van huishoudelijke detergentia veranderen vaak de ingrediënten, bijvoorbeeld door andere enzymen en oplosmiddelen toe te voegen. De consument moet worden gewaarschuwd wanneer de samenstelling van een product is gewijzigd. |
|
1.4. |
Op grond van het toezichtskader van de Commissie voor de uitvoering van de herziene CLP-verordening moet zorgvuldig worden nagegaan wat het effect is op essentiële waardeketens die met chemicaliën werken, zodat deze geen negatieve gevolgen ondervinden. De Europese Raad voor de chemische industrie (Cefic) wijst erop dat de voorgestelde wijzigingen van de CLP-verordening en de GRA (generieke aanpak van risicobeheer) gevolgen kunnen hebben voor wel 12 000 stoffen. Hierdoor zijn veel producten waarop consumenten en professionele gebruikers vertrouwen, mogelijk niet langer op de markt verkrijgbaar. |
|
1.5. |
Bijzondere aandacht moet uitgaan naar het welzijn van personen die in de chemische industrie werkzaam zijn. Gezondheid en veiligheid moeten altijd vooropstaan. Werknemers in de chemische industrie moeten een intensieve opleiding krijgen zodat zij goed op de hoogte zijn van alle chemische stoffen waarmee ze tijdens hun werk in aanraking komen. Alle apparatuur moet goed worden onderhouden. Volgens gegevens van het systeem voor het rapporteren van zware ongevallen (eMars) vinden er jaarlijks gemiddeld meer dan dertig arbeidsongevallen plaats in de 12 000 geregistreerde industriebedrijven in de EU die risico lopen op zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. |
|
1.6. |
De voorzorgsbenadering is belangrijk om de gezondheid en het milieu te beschermen door gebruik te maken van bestaande gegevens over structureel verwante chemische stoffen, waardoor een voorzorgsbesluit kan worden genomen voordat een risico volledig wetenschappelijk aantoonbaar is. |
|
1.7. |
In het verslag van het Europees Milieubureau (EEB) (juli 2022) over de wetgeving inzake chemische stoffen werden drie belangrijke knelpunten in het regelgevingsproces voor chemische stoffen vastgesteld:
|
2. Het Commissievoorstel
|
2.1. |
De Commissie stelt een herziening voor van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1) betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (de CLP-verordening). |
Doel van de CLP-verordening is een hoog niveau van gezondheids- en milieubescherming tot stand te brengen. Zij maakt ook het vrije verkeer van chemische stoffen, mengsels en voorwerpen mogelijk. Krachtens de CLP-verordening zijn fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers van chemische stoffen en mengsels verplicht om gevaarlijke chemische stoffen te etiketteren en te verpakken alvorens deze in de handel brengen. Met de CLP-verordening zijn juridisch bindende regels voor de identificatie en indeling van gevaren vastgelegd. Deze verordening bevat gemeenschappelijke etiketteringsvoorschriften om consumenten en werknemers adequaat te informeren over het gebruik van gevaarlijke producten.
|
2.2. |
Naar het oordeel van de Commissie is de EU erin geslaagd een doeltreffende eengemaakte markt voor chemische stoffen tot stand te brengen. |
De Commissie is van mening dat er behoefte is aan een herziening van de CLP-verordening, omdat deze enkele zwakke punten en juridische leemten vertoont. De voorstellen omvatten de invoering van nieuwe gevarenklassen voor hormoonontregelaars en andere gevaarlijke chemische stoffen (op basis van een gedelegeerde handeling), specifieke regels voor chemische stoffen in navulbare verpakkingen, betere communicatie, ook online, door duidelijkere en beter leesbare etikettering, de mogelijkheid voor de Commissie om indelingsvoorstellen te ontwikkelen, en verbeterde en snellere processen.
|
2.3. |
De EU zet zich in voor de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzame-ontwikkelingsdoelen (SDG’s). De Commissie is van mening dat deze herziening van de CLP-verordening zal bijdragen aan verschillende SDG’s, zoals die welke erop gericht zijn om een goede gezondheid en welzijn, duurzame consumptie- en productiepatronen en schoon water en sanitaire voorzieningen te waarborgen. Voor de Commissie is deze herziening ook een belangrijk resultaat van de duurzaamheidsstrategie inzake chemische stoffen (een onderdeel van de Green Deal). |
|
2.4. |
De Commissie stelt dat er behoefte is aan een betere identificatie en indeling van gevaarlijke chemische stoffen vanwege de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu. Procedurele inefficiënties en tekortkomingen bij de communicatie over gevaarlijke chemische stoffen moeten worden aangepakt. De inventaris van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) bevat een groot aantal foutieve of verouderde indelingen van stoffen. Daar zijn vele redenen voor. Zo is verzuimd om indelingen te herzien en bij te werken, en zijn er wijzigingen in de geharmoniseerde indeling van samenstellende stoffen. Een ander mogelijk probleem is de opstelling van onnauwkeurige “veiligheidsinformatiebladen”. De informatie in een veiligheidsinformatieblad kan aanzienlijke downstreameffecten hebben, vooral als deze onjuist is. Bovendien kunnen stoffen die eerst als ongevaarlijk zijn gedefinieerd, in het licht van verder onderzoek als gevaarlijk worden bestempeld. Boorzuur werd bijvoorbeeld ooit als ongevaarlijk ingedeeld. Later werd het ingedeeld als zeer gevaarlijk (giftig voor de voortplanting). Bijgevolg waren nieuwe veiligheidsinformatiebladen vereist. |
|
2.5. |
Als onderdeel van het pakket tot herziening van de CLP-verordening stelt de Commissie een gedelegeerde handeling voor om stoffen en mengsels met hormoonontregelende (ED), persistente, bioaccumulerende en toxische (PBT), zeer persistente en zeer bioaccumulerende (vPvB), persistente, mobiele en toxische (PMT), of zeer persistente en zeer mobiele (vPvM) eigenschappen in te delen in nieuwe vastgestelde gevarenklassen. |
|
2.6. |
Bedoeling van de herziening is ook om de Commissie in staat te stellen meer geharmoniseerde indelingsdossiers te initiëren en te financieren. |
|
2.7. |
Er wordt voorgesteld de methode voor de indeling van stoffen door bedrijven te verbeteren, met inbegrip van een verplichting om afwijkende aangemelde indelingen in de ECHA-inventaris te motiveren en een bepaling dat meldingen van indelingen binnen een bepaalde termijn moeten worden bijgewerkt. |
|
2.8. |
De voorstellen die de verschillende spelers voornemens zijn bij het Agentschap in te dienen, zullen transparanter en voorspelbaarder zijn, omdat de indieners het Agentschap van hun voornemens in kennis moeten stellen. |
|
2.9. |
In de herziening wordt voorgesteld de communicatie over gevaarlijke chemische stoffen te verbeteren:
|
|
2.10. |
Het herzieningsvoorstel heeft ook betrekking op lacunes en onduidelijkheden in de wetgeving inzake onlineverkoop en meldingen aan gifcentra. |
|
2.11. |
Bij onlineverkoop zal een leverancier ervoor moeten zorgen dat stoffen of mengsels die in de EU in de handel worden gebracht, voldoen aan de voorschriften van de CLP-verordening, ook bij onlineverkoop van buiten de EU. |
|
2.12. |
De bepalingen inzake meldingen aan gifcentra zullen worden verduidelijkt. Alle betrokken spelers zullen gifcentra in de hele EU van alle relevante informatie in kennis moeten stellen. |
|
2.13. |
Ook op het gebied van reclame wordt een belangrijke wijziging voorgesteld. Er komt een verplichting om ervoor te zorgen dat reclame voor gevaarlijke stoffen en mengsels alle informatie bevat die voor de veiligheid en de bescherming van het milieu essentieel is. Gevarenklassen, gevarenaanduidingen en pictogrammen moeten in de reclame worden opgenomen. |
|
2.14. |
Onder de voornaamste acties uit de strategie voor chemische stoffen die de Commissie met dit voorstel wil aanpakken, is een juridisch bindende identificatie van de gevaren van hormoonontregelaars (op basis van de definitie van de WHO), die uitgaat van reeds voor pesticiden en biociden ontwikkelde criteria en die op alle wetgeving wordt toegepast. De nieuwe gevarenklassen en criteria zijn bedoeld om milieutoxiciteit, persistentie, mobiliteit en bioaccumulatie volledig aan te pakken. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
De gerichte herziening die wordt voorgesteld om de CLP-verordening doeltreffend en efficiënt te laten werken, wordt door het EESC toegejuicht. |
|
3.2. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde gedelegeerde handeling om nieuwe gevarenklassen vast te stellen voor hormoonontregelaars, alsook voor stoffen en producten die niet in het milieu afbreekbaar zijn en zich kunnen ophopen in levende organismen of dreigen terecht te komen in het watersysteem, met inbegrip van het drinkwater. |
|
3.3. |
Een belangrijke tekortkoming van de huidige CLP-verordening is dat veel chemische stoffen die in de EU online worden verkocht, niet aan de wettelijke CLP-eisen voldoen. Dit vormt een risico voor de volksgezondheid en het milieu. Het EESC vindt het een goede zaak dat met het voorstel wordt geprobeerd om dit probleem aan te pakken. |
|
3.4. |
Onduidelijk is wel hoe voor handhaving van de volgens het voorstel gewijzigde reclameregels zal worden gezorgd. Zal zowel de entiteit die een advertentie in strijd met de regels publiceert als de verkoper van het product die de advertentie heeft geplaatst, sancties opgelegd krijgen? |
|
3.5. |
In een non-paper uit mei 2022 beweert het EBB dat “bedrijven routinematig onvolledige of gebrekkige gegevens over de gevaarlijke effecten van hun chemische stoffen indienen, maar toch toegang krijgen tot de markt (voorbijgaand aan het beginsel “zonder gegevens geen handel”). Bijgevolg wordt de regelgeving sterk belemmerd door de slechte kwaliteit van de registratiedossiers van bedrijven.” |
|
3.6. |
In een gezamenlijke brief aan de Commissie van 27 februari 2023 stellen het EEB en verschillende ngo’s dat “de hervormingen van de regelgevingssystemen Reach en CLP een belangrijke kans bieden om de huidige onbetwistbare gegevenslacunes aan te pakken en meer vaart te zetten achter de regelgeving inzake schadelijke chemische stoffen. Met deze brief willen we aangeven dat we zeer bezorgd zijn over deze gegevenslacunes, die een doeltreffende identificatie en beheersing van de risico’s van de meest zorgwekkende chemische stoffen belemmeren.” |
|
3.7. |
De herzieningen van Reach en CLP vullen elkaar aan. Zo zullen de nieuwe informatievereisten in het kader van een herziene Reach-verordening informatie verschaffen over de intrinsieke eigenschappen van stoffen waardoor deze kunnen worden ingedeeld in de nieuwe gevarenklassen van de herziene CLP-verordening. |
|
3.8. |
Om geen inbreuk te maken op het mededingingsrecht heeft het ECHA bedrijven geadviseerd de nodige voorzichtigheid te betrachten bij de uitwisseling van informatie en deze te beperken tot wat strikt noodzakelijk is om dure dubbele tests te vermijden. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Het EEB heeft op 11 juli 2022 een verslag over de wetgeving inzake chemische stoffen gepubliceerd, waarin drie belangrijke knelpunten in het regelgevingsproces voor chemische stoffen worden vastgesteld:
|
|
4.2. |
Het EEB heeft naar voren gebracht dat er bindende besluitvormingstermijnen moeten komen, nieuwe sancties voor organisaties die niet alle nodige gegevens verstrekken, en dat in de regelgeving voor chemische stoffen een voorzorgsbenadering moet worden gehanteerd. |
|
4.3. |
Met de herziening wordt voorgesteld dat er bepaalde deadlines komen voor het bijwerken van etiketten na een wijziging van de indeling en dat de termijn van zes maanden ook geldt wanneer een nieuwe gevarenklasse een aanvulling is op een bestaande gevarenklasse. Bij verschillen tussen recentere en verouderde indelingen moeten informatieverstrekkers worden verplicht hun meldingen binnen zes maanden na een wijziging van de indeling bij te werken. |
|
4.4. |
Het ECHA stelt in zijn verslag van juni 2022 dat gevaren moeten worden bevestigd voordat risicobeheersmaatregelen kunnen worden gestart en dat vaak eerst meer gegevens nodig zijn, en dat bedrijven hun registraties daarom proactief moeten bijwerken met actuele informatie. |
|
4.5. |
Actuele informatie is voor het welslagen van dit proces van cruciaal belang. In het belang van de volksgezondheid en het milieu moeten alle spelers dan ook aan dit proces meedoen. Er moeten sancties worden opgelegd wanneer duidelijk blijkt dat er sprake is van onnodige vertraging of wanneer ontoereikende gegevens worden ingediend. |
|
4.6. |
Het ECHA zal zijn personeelsbestand moeten uitbreiden wil het deze voorgestelde nieuwe verordening doeltreffend kunnen implementeren. Bovendien beschikken veel lidstaten over weinig middelen, waardoor zij minder goed in staat zijn om dossiers in te dienen. |
|
4.7. |
De handhaving van de CLP-verordening is een zaak van de nationale autoriteiten. Daaronder valt ook dat moet worden gecontroleerd of de stof (vooraf) is geregistreerd en of de veiligheidsinformatiebladen juist zijn. Het ECHA heeft geen handhavingsverantwoordelijkheden. Het biedt echter wel een forum voor de uitwisseling van informatie over handhaving tussen de lidstaten. |
|
4.8. |
De Commissie ontwikkelt momenteel een kader om toezicht te houden op de werking van de herziene verordening. Het is van vitaal belang dat in het monitoringproces ook wordt gekeken naar het effect op waardeketens die afhankelijk zijn van chemische stoffen en naar het algemene effect op de eengemaakte markt voor chemische stoffen. |
|
4.9. |
Volgens de nieuwe bepalingen voor onlineverkoop moet er een in de EU gevestigde leverancier zijn die ervoor zorgt dat de chemische stof aan de voorschriften van de verordening voldoet. Dit geldt ook voor onlineverkoop van buiten de EU naar de EU. Dit voorstel moet voorkomen dat de consument de jure en de facto een importeur van buiten de EU wordt. Er wordt echter niet duidelijk voorgesteld hoe dit met succes zijn beslag kan krijgen. Het lijkt immers vrijwel onmogelijk om een dergelijke regeling ten uitvoer te leggen zolang de herziene CLP-verordening niet is afgestemd op het wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen van de VN (UN GHS). |
|
4.10. |
Fabrikanten die de bestanddelen van een merkproduct wijzigen zonder de merknaam te veranderen, moeten worden verplicht een speciale waarschuwing op het etiket aan te brengen zodat de consument op de hoogte is van de chemische veranderingen in het product. |
|
4.11. |
Volgens de Europese Raad voor de chemische industrie (Cefic) (2) zullen de wijzigingen in de CLP-verordening gevolgen hebben voor alle waardeketens en is het zeer belangrijk dat de Commissie zorgvuldig nagaat of en hoe strategische en essentiële waardeketens negatief beïnvloed kunnen worden door de CLP-hervorming. |
|
4.12. |
Is er een onzeker, maar vermoedelijk risico op schade, dan moet er op grond van het voorzorgsbeginsel actie worden ondernomen om het risico van een chemische stof te beperken. Er dient dus te worden opgetreden voordat het risico wetenschappelijk volledig is aangetoond. |
|
4.13. |
De veiligheid van mensen die in de chemische industrie werken is van het grootste belang. De veiligheid op de werkplek moet regelmatig worden geëvalueerd, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat alle gezondheids- en veiligheidsprotocollen volledig en correct worden nageleefd. |
|
4.14. |
De onjuiste omgang met chemische stoffen en het ontbreken van adequate risicobeoordelingen zijn ernstige problemen waaraan aandacht moet worden besteed op de werkplek. Werknemers in de chemische industrie moeten een intensieve opleiding krijgen zodat zij goed op de hoogte zijn van alle chemische stoffen waarmee ze tijdens hun werk in aanraking komen. Het is van essentieel belang dat alle apparatuur in chemische fabrieken naar behoren wordt onderhouden om werknemers te beschermen tegen letsel of overlijden als gevolg van defecte apparatuur. Volgens gegevens van het systeem voor het rapporteren van zware ongevallen (eMars) vinden er jaarlijks gemiddeld meer dan dertig arbeidsongevallen plaats in de 12 000 geregistreerde industriebedrijven in de EU die risico lopen op zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Deze gegevens omvatten geen ongevallen in gevaarlijke installaties die niet onder de Seveso-richtlijn vallen. Pijpleidingen en vervoer zijn eveneens uitgesloten. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(2) www.cefic.org
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/126 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Naar een sterke en duurzame algensector in de EU
(COM(2022) 592 final)
(2023/C 228/18)
|
Rapporteur: |
Zsolt KÜKEDI |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 8.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Juridische grondslag |
Artikel 52, lid 2, van het reglement van orde |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
13.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
147/0/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de mededeling van de Commissie waarin beoogd wordt “een sterke en duurzame algensector in de EU” tot stand te brengen. Algen kunnen op tal van manieren helpen de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen en de snel groeiende wereldbevolking duurzaam te voeden en van energie te voorzien. |
|
1.2. |
De meningen over algen zijn verdeeld onder de Europese bevolking. Met name in gebieden die aan verontreinigde wateren grenzen, is de algenbloei een punt van zorg. Tegelijkertijd worden algen ook gezien als mogelijke oplossing voor de problemen van tal van landen, mede dankzij Europese innovatie. Het EESC merkt op dat in het kader van de totstandbrenging van een algensector vertrouwen in de producten moet worden gecreëerd en meer aandacht moet worden besteed aan de veiligheid ervan. |
|
1.3. |
Het EESC stelt vast dat in de mededeling onvoldoende wordt beklemtoond dat het mogelijk is om in zoet water gekweekte algen als voedselbron te gebruiken. Bovendien zijn in zoet water gekweekte algen meer dan een voedselbron; zij kunnen ook worden gekweekt in eutroof zoet water, afvalwater van thermale baden en ander afvalwater, en dan worden gebruikt voor milieu- of energiedoeleinden. Deze enorme maar onderbenutte hulpbron moet dan ook voor de ontwikkeling van Europa, en met name de plattelandsgebieden van de EU, worden ingezet. |
|
1.4. |
Macroalgen in mariene kustwateren kunnen extra inkomsten opleveren voor visserijondernemingen. Door hun extractie neemt eutrofiëring af en kunnen waardevolle ecosysteemproducten en -diensten worden gegenereerd, waaronder het voorzien in nieuwe habitats voor bepaalde soorten. In komende beleidsdocumenten zou aandacht moeten worden besteed aan de sector macroalgen uit zoet water, die net aan een opmars is begonnen. |
|
1.5. |
In de Unie is continuteelt van microalgen voornamelijk denkbaar in een gesloten reactor, waarvoor een enorm kapitaal nodig is. Wel is deze vorm van teelt zeer productief en betrouwbaar, en van voorspelbare kwaliteit. De teelt van microalgen is ook mogelijk in zoet water en meren in Zuid-Europa. |
|
1.6. |
Voor sommige lidstaten zonder kustlijn (zoals Hongarije, Tsjechië en Slowakije) is de productie van microalgen vrijwel de enige optie. Tegelijkertijd beschikken sommige van deze landen over een hoog niveau van wetenschappelijke en technologische kennis die bij de totstandbrenging van een Europese algensector kan worden benut. |
|
1.7. |
Macro- en microalgen moeten verschillend worden behandeld, aangezien zij uiteenlopende mogelijkheden bieden en verschillende kenmerken, effecten en regelgevingsbehoeften hebben. De Commissie heeft in haar mededeling oog voor zowel macroalgen als microalgen, maar het EESC zou graag zien dat wordt nagegaan hoe de kweek van algen in zoet water ten goede zou kunnen komen aan bepaalde lidstaten (namelijk die zonder kustlijn). Het EESC pleit voor een meer evenwichtige en geïntegreerde benadering van verwante sectoren, een duidelijk onderscheid tussen de bevoegdheden van de EU en die van de lidstaten en mogelijke bescherming van de eengemaakte markt tegen goedkope importproducten. |
|
1.8. |
De voedselvoorziening in de Unie levert nog geen problemen op, in tegenstelling tot de beschikbaarheid en de prijs van energie (zowel wat betreft productie als qua invoer), meststoffen en ingrediënten voor diervoeders, de toename van organisch afval en de afname van beschikbaar bouwland. Technologieën die deze dringende problemen wereldwijd kunnen oplossen — zoals de productie en exploitatie van algen — zijn het absoluut waard te worden ondersteund. |
|
1.9. |
De Commissie verwijst in haar mededeling naar het enorme economische potentieel van algen, maar de teelt ervan heeft een nog groter theoretisch potentieel en kan dus aan een toenemende vraag voldoen. Europese middelen mogen echter alleen worden gebruikt voor levensvatbare en duurzame economische oplossingen. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook specifiek aandacht te besteden aan de economische efficiëntie van de algenproductie, alsook aan de ecologische en de sociale dimensie. |
|
1.10. |
Nu de algenindustrie in ontwikkeling is moet met het oog op de acceptatie door de samenleving en de markt worden ingezet op meer kennis en bewustmaking van deze nieuwe sector. Het EESC verzoekt de Europese Commissie daarom hieraan extra aandacht te besteden door middel van representatieve enquêtes, landspecifieke actieplannen en de betrokkenheid en zelfs de oprichting van sectorale organisaties. |
|
1.11. |
Het EESC beveelt de Europese Commissie, de betrokken lidstaten en de algenindustrie aan de volgende voorstellen in verband met de totstandbrenging van een algensector in overweging te nemen:
|
|
1.12. |
Het EESC roept de Europese instellingen op de waterproblematiek prioriteit te geven en een “Europese Blue Deal” te ontwikkelen teneinde de watervoorraden te beschermen, er beter gebruik van te maken en de daarmee samenhangende uitdagingen adequaat aan te pakken. In dit verband is de totstandbrenging van een algensector in de EU een belangrijke stap. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Op 15 november 2022 heeft de Europese Commissie haar voorstel “Naar een sterke en duurzame algensector in de EU” gepubliceerd (1), waarin nieuwe en duurzame manieren worden voorgesteld om de snel groeiende wereldbevolking te voeden en van duurzame energie te voorzien. De Commissie beklemtoont dat we het potentieel van algen als hernieuwbare hulpbron in Europa moeten benutten om de bevoorradingszekerheid van grondstoffen en energie te waarborgen. |
|
2.2. |
De mededeling van de Europese Commissie is logisch en sluit aan bij de reeks documenten die tot dusver over dit onderwerp zijn gepubliceerd, waarin het aanzienlijke economische potentieel en de sociale en milieuvoordelen van grootschalige teelt van micro- en macroalgen in de EU worden erkend. Er worden 23 acties genoemd die gericht zijn op het verbeteren van het governancekader en de wetgeving, het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor de exploitatie van algen, het vergroten van het maatschappelijk bewustzijn en de aanvaarding door consumenten van algen en producten op basis van algen in de EU, en het wegwerken van lacunes op het gebied van kennis, onderzoek en technologie. |
|
2.3. |
In het Europees beleid, zoals de Europese Green Deal (2), of de “van boer tot bord”-strategie (3), wordt gewezen op het potentieel van geteeld (zee-)wier en andere producten op basis van algen als bron van eiwitten voor levensmiddelen en diervoeders met een lage koolstofvoetafdruk. In de mededeling “Strategische richtsnoeren voor een duurzamere en concurrerendere EU-aquacultuur voor de periode 2021 tot en met 2030 (4)” wordt gewezen op de noodzaak om de teelt van algen — zowel macroalgen (zeewier) als microalgen — te bevorderen als een manier om bij te dragen aan de verwezenlijking van verschillende doelstellingen van de Europese Green Deal. In de mededeling over Duurzame koolstofcycli (5) wordt het potentieel van algen voor de blauwe koolstofeconomie onderkend. In de mededeling over een duurzame blauwe economie (6) wordt ook verwezen naar het potentieel van algen voor een duurzaam voedselsysteem en de wereldwijde voedselzekerheid. |
|
2.4. |
Algen zijn niet alleen een milieuvriendelijke (en dus “groene”) grondstof, maar de systemische exploitatie ervan is in overeenstemming met het grondbeginsel van maximale afvalbeperking dat ten grondslag ligt aan de blauwe economie, waardoor het zowel een “blauw” als een “groen” product kan zijn. |
|
2.5. |
Algenteelt biedt een toegevoegde waarde voor bijna alle onderdelen van de Europese Green Deal:
De intensivering van de algenproductie biedt de volgende concrete mogelijkheden (7):
|
|
2.6. |
De Commissie heeft in haar mededeling aangekondigd te kijken “naar het potentieel van algen in de EU en […] een coherente aanpak [uit te stippelen], met gerichte acties, om de opschaling van de regeneratieve teelt en productie van algen in de hele EU te ondersteunen en de markten voor food- en non-foodtoepassingen van algen te ontwikkelen en te mainstreamen”. |
|
2.7. |
“Regeneratieve teelt en productie van algen” kan niet alleen zonne-energie en voedingsstoffen in plantaardige biomassa omzetten en het herstel van ecosystemen ondersteunen, maar “zeewierteelt kan waardevolle ecosysteemgoederen en -diensten opleveren, onder meer door nieuwe habitats te creëren voor vis en mobiele ongewervelde soorten”. |
|
2.8. |
Zeeën en oceanen vormen een enorme maar te weinig benutte hulpbron, “die momenteel slechts tot 2 % van het menselijke voedsel produceren, hoewel ze meer dan 70 % van het aardoppervlak beslaan”. Tegelijkertijd heeft de exploitatie van aquatische milieus niet alleen betrekking op zeeën en oceanen, maar ook op eutroof zoet water (het kan hierbij gaan om rivieren, meren of door de mens gebouwde waterreservoirs, irrigatiekanalen enz.), gebruikt thermaal water en afvalwater. |
|
2.9. |
Algen zouden het door de Russisch-Oekraïense oorlog veroorzaakte probleem van de beschikbaarheid van meststoffen, ingrediënten voor diervoeders en energie doeltreffend en duurzaam kunnen verhelpen (8). |
|
2.10. |
Het groeipotentieel van de vraag naar algen is enorm (9): terwijl de Europese vraag naar zeewier in 2019 ongeveer 270 000 ton bedroeg, kan deze tegen 2030 stijgen tot 8 miljoen ton en een waarde van 9 miljard EUR bereiken. Een dergelijke toename kan ongeveer 85 000 banen opleveren, jaarlijks duizenden tonnen fosfor en stikstof uit de Europese zeeën verwijderen, de CO2-emissies met 5,4 miljoen ton per jaar verminderen en de druk op het land verlichten. Het EESC stelt vast dat de algenteelt een nog groter theoretisch potentieel heeft dan de huidige vraag en dus aan de groeiende vraag kan voldoen. |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Over het algemeen heeft de gemiddelde Europeaan, net als het bedrijfsleven, een negatief beeld van algen: de beelden die opkomen zijn die van een strand dat overspoeld wordt door zeewier of een zoetwatermeer dat van kleur verandert door algenbloei. Toch zijn algen unieke en nuttige organismen vanwege hun fysieke structuur en levenswijze. |
|
3.2. |
De term “algen” verwijst eigenlijk naar een groep van zo’n 72 500 soorten (10) aquatische fotosynthetische organismen. 20 % van de soorten zijn macroalgen, d.w.z. grote meercellige algen die gewoonlijk in zee voorkomen, terwijl de rest microalgen zijn die ook efficiënt kunstmatig kunnen worden geteeld en veelzijdiger in gebruik zijn, maar waarvan de productie duurder is. In het initiatief wordt in de juiste mate aandacht besteed aan zowel macro- als microalgen, aangezien momenteel wereldwijd 36 miljoen ton macroalgen en 0,05 miljoen ton microalgen worden geproduceerd. |
|
3.3. |
De mededeling biedt ambitieuze doch realistische perspectieven voor de Europese algensector. De algensector, met al zijn mogelijkheden en beperkingen, wordt in grote mate nauwkeurig geanalyseerd, het programma is coherent en de maatregelen lijken over het algemeen concreet en relevant voor de ontwikkeling van de Europese algensector in de nabije toekomst. Er zijn echter enkele elementen die nadere toelichting en uitleg behoeven. Wat de uitvoering betreft, moet worden gezorgd voor samenhang met andere sectoren, zoals de traditionele agrovoedingsindustrie en de zeevoedselsectoren (visserij en dierlijke aquacultuur). |
|
3.4. |
Momenteel staat de algenproductie volledig los van andere landbouwproductiesectoren. Het is echter van belang de algenproductie niet als een volledig afzonderlijke sector te beschouwen, maar deze te integreren in de bestaande waardeketens voor landbouwproducten en levensmiddelen, diervoeders en industriële en energiegrondstoffen. Het EESC benadrukt dat de algenproductie en aanverwante activiteiten in het kader van een gemeenschappelijke regeling moeten worden gereguleerd, met name wat betreft de volgende aspecten:
|
|
3.5. |
Aangezien dit een nieuwe en onderontwikkelde sector is, moet bijzondere aandacht worden besteed aan het stimuleren van de ontwikkeling ervan en het op gang brengen van een normalisatieproces. Dit zou gepaard kunnen gaan met de ontwikkeling van een geïntegreerde strategie voor vis, schaal- en schelpdieren en andere producten van de zee die activiteiten omvat zoals visserij, exploitatie van wilde organismen en dierlijke aquacultuur, en die naast de voedingssector ook de kwestie van de biobrandstoffen op basis van algen zou aanpakken. De zeewierteelt kan ook een alternatieve activiteit zijn voor vissers die geconfronteerd worden met een afname van de productie van andere grondstoffen en stijgende kosten, en die zich wellicht genoodzaakt zien hun traditionele activiteiten te heroriënteren. Deze geïntegreerde benadering is nauwelijks terug te vinden in de betrokken mededeling. |
|
3.6. |
Veel van de maatregelen in de mededeling zijn vooral gericht op de zeewierteelt. Deze benadering is begrijpelijk gezien de huidige productiecijfers van macro- en microalgen en het feit dat de productie van microalgen in Europa momenteel onderontwikkeld is, maar de ontwikkelingsdoelstelling moet betrekking hebben op alle soorten algen. Zeewier kan worden geteeld in landen met een kustlijn en eilanden, meestal onder natuurlijke omstandigheden, afhankelijk van de soort en het gebruik ervan. Daarnaast is ook de teelt van microalgen, die meestal op het land plaatsvindt, van groot belang, vooral voor de productie van eiwitten en lipiden, en deze mag dan ook niet worden vergeten. Het gaat hierbij met name om micro- en macroalgen in zoet water en teelt met behulp van afvalwater, die een veelbelovende bron van biomassa vormen voor gebruik als biologische grondstof, en waarmee de economische structuur van afgelegen en ontvolkte gebieden kan worden gediversifieerd; dit past in de langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU (11). |
|
3.7. |
Tot de belangrijkste bekende belemmeringen voor de productie, met name van macroalgen, zowel op zee als op land, behoren de versnipperde wetgeving en de grote verschillen, niet alleen tussen de lidstaten maar ook tussen de regio’s binnen een land, of zelfs het volledig ontbreken van regelgeving voor algen, aangezien vergunningsmodellen doorgaans zijn ontworpen voor waterdieren (vissen, schaal- en schelpdieren enz.). Meestal worden algen niet genoemd in formulieren die voor de vergunningsprocedure worden gebruikt, zodat het zelfs niet mogelijk is een vergunning voor algenteelt aan te vragen. Het EESC beveelt aan om een volledige pan-Europese inventaris op te stellen van alle wetgeving en administratieve procedures die van toepassing zijn op elke fase van de algenteelt en op elk van de toepassingsgebieden (levensmiddelen, diervoeders, biobrandstoffen, cosmetica, farmaceutische producten enz.) en deze te gebruiken als voorbeeld voor de lidstaten in het kader van de ontwikkeling van goede administratieve praktijken, en teneinde een gelijk speelveld voor het handelsverkeer in en buiten de Unie tot stand te brengen. |
|
3.8. |
Voor de ontwikkeling van een echte Europese algensector is het essentieel dat algensoorten of -groepen in de catalogus van voedermiddelen van de EU worden opgenomen. Veel van de momenteel erkende soorten zijn afkomstig uit derde landen (met name Azië), hetgeen een belemmering kan vormen, met name voor kleinere bedrijven en investeerders die nauw verwante of soortgelijke Europese soorten willen kweken. Bovendien moeten de delen van de catalogus van voedermiddelen die betrekking hebben op algen worden herzien en moeten nieuwe soorten of families worden opgenomen. |
|
3.9. |
Gezien de sterke maatschappelijke terughoudendheid ten aanzien van algen — die ongegrond is en te wijten is aan een gebrek aan kennis — moeten kennis en bewustmaking van deze nieuwe sector, alsmede de integratie en systematisering ervan, op alle administratieve niveaus worden bevorderd en in de voorgestelde maatregelen tot uiting komen. Hierbij kunnen de volgende stappen worden overwogen:
|
|
3.10. |
Aangezien de algenindustrie een nieuwe sector is voor Europa, zijn er aanzienlijke lacunes op het gebied van technische vaardigheden, technologie en innovatie. Er zijn op grote schaal kennishiaten vastgesteld, die moeten worden aangepakt door middel van een ambitieus programma voor de financiering van onderzoek op de korte en middellange termijn. In dit verband is zowel fundamenteel (strategisch) als toegepast onderzoek essentieel, op alle niveaus van de algenteelt:
|
|
3.11. |
Aangezien in Europa een hoge kwaliteit (soortenrijkdom) en hoge opbrengsten van algen alleen kunnen worden bereikt in gesloten of halfgesloten systemen — waarvoor eigen teeltmateriaal is vereist waarvan de productie niet rendabel is in industriële systemen —, is het noodzakelijk een voldoende aantal banken voor algenteeltmateriaal op te zetten, de exploitatie ervan te financieren en ervoor te zorgen dat grondstoffen tegen redelijke prijzen beschikbaar zijn voor algenproducenten en O & O-projecten. |
|
3.12. |
De algensector biedt een groot werkgelegenheidspotentieel; wel moet erop worden toegezien dat werknemers goed betaald worden en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden krijgen. De algensector zou bijzonder gebaat zijn bij het ontwikkelen van de vaardigheden die nodig zijn voor de verwezenlijking van de Europese Blue Deal; investeringen in opleiding zijn belangrijk. Kleine en middelgrote ondernemingen zouden onbelemmerd toegang moeten krijgen tot de algensector. Het EESC is ingenomen met de totstandbrenging van productieketens voor zeewier die oneerlijke praktijken voorkomen. |
|
3.13. |
De verbetering van het ondernemingsklimaat is essentieel voor de efficiënte groei van de algensector. De economische aspecten van de productie en de potentiële toepassingen en de vraag hoe deze kunnen worden verbeterd, moeten zorgvuldig worden bestudeerd. Zo is maatregel 7 gericht op het bevorderen van de vervanging van diervoeders waarin vis is verwerkt door voeders op basis van algen (in de aquacultuur). In visvoer kunnen bijna alle ingrediënten op basis van vis gemakkelijk worden vervangen door ingrediënten op basis van algen (eiwitten, vetzuren enz.), maar de productie ervan is veel duurder dan die van vis- of sojaproducten met vergelijkbare kenmerken. Aangezien diervoeder een van de belangrijkste productiekosten is voor viskwekers, wier winstmarges doorgaans laag zijn, zijn voeders op basis van algen economisch gezien gewoon niet rendabel. Derhalve moeten maatregelen worden genomen om de productiekosten van ingrediënten op basis van algen te verlagen, waarbij moet worden voorkomen dat voor algen strengere controle- en normalisatie-eisen gelden dan voor andere landbouwproducten. Alle producenten van (bestanddelen van) levensmiddelen moeten gelijk worden behandeld teneinde een gelijk speelveld op de markt te waarborgen. Indien bewezen wordt dat ingrediënten op basis van algen duurzamer zijn, zou het gebruik ervan onderworpen kunnen worden aan een milieucertificering (milieukeur), hetgeen de consument ertoe kan brengen een hogere prijs te aanvaarden voor een milieuvriendelijker product. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Naar een sterke en duurzame algensector in de EU, COM(2022) 592 final, 15 november 2022.
(2) De Europese Green Deal, COM(2019) 640 final, 11 december 2019.
(3) Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem, COM(2020) 381 final, 20 mei 2020.
(4) Strategische richtsnoeren voor een duurzamere en concurrerendere EU-aquacultuur voor de periode 2021 tot en met 2030, COM(2021) 236 final, 12 mei 2021.
(5) Duurzame koolstofcycli, COM(2021) 800 final, 15 december 2021.
(6) De blauwe economie van de EU transformeren voor een duurzame toekomst, COM(2021) 240 final, 17 mei 2021.
(7) Referentie en verdere mogelijkheden: Babich et al., Algae: Study of Edible and Biologically Active Fractions, Their Properties and Applications, Plants 2022, 11(6), 780; https://doi.org/10.3390/plants11060780, en Poonam Sharma, Nivedita Sharma (2017), Industrial and Biotechnological Applications of Algae: A Review, Journal of Advances in Plant Biology — 1(1):01-25. DOI 10.14302/issn.2638-4469.japb-17-1534, https://openaccesspub.org/article/530/japb-17-1534.pdf.
(8) Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 juni 2022.
(9) Ramingen afkomstig van een studie door de coalitie Seaweed for Europe, getiteld Hidden Champion of the Ocean: Seaweed as a Growth Engine for a Sustainable European Future (Verborgen kampioen van de oceaan: zeewier als groeimotor voor een duurzame Europese toekomst).
(10) In zijn studie “How many species of algae are there?” (Hoeveel soorten algen zijn er?), schat Michael D. Guiry het aantal algensoorten op 1 miljoen, maar volgens de taxonomische onlinedatabank AlgaeBase gaat het om 72 500 soorten. Zie Guiry (2012), https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/27011267/, DOI: 10.1111/j.1529-8817.2012.01222.x.
(11) COM(2021) 345 Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU — Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040 en PB C 290 van 29.7.2022, blz.137.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/132 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — EU-beleidskader inzake biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen
(COM(2022) 682 final)
(2023/C 228/19)
|
Rapporteur: |
András EDELÉNYI |
|
Corapporteur: |
Alessandro MOSTACCIO |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 8.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
13.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
134/0/4 |
1. Conclusies en aanbevelingen
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC):
|
1.1. |
verwelkomt de tijdige mededeling van de Commissie over het EU-beleidskader inzake biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen, aangezien deze sector kansen biedt om een stap dichter bij onze doelen op het gebied van duurzaamheid en circulariteit te komen. Mits goed gereguleerd, kan bioplastic een instrument zijn voor “vergroening” (lager verbruik van fossiele brandstoffen, minder plasticvervuiling, meer gescheiden afvalinzameling). |
|
1.2. |
Gelukkig is Europa een pionier op het gebied van de ontwikkeling van bioplastic en biologisch afbreekbare kunststoffen en heeft de EU in de periode 2007-2020 meer dan 130 onderzoeksprojecten gefinancierd voor een bedrag van 1 miljard EUR (1). De Europese Unie is de tweede grootste producent van bioplastic ter wereld en zou haar mondiale positie moeten versterken door zich te concentreren op producten met de hoogste toegevoegde waarde, d.w.z. producten die biogebaseerd, biologisch afbreekbaar en composteerbaar zijn (in Azië worden vooral composteerbare maar niet-hernieuwbare producten vervaardigd). |
|
1.3. |
Als het op basis van het nieuwe regelgevingskader mogelijk wordt om voor industriële toepassingen te kiezen die de grootste toegevoegde waarde voor het milieu hebben en als er over alle nieuwe producten die op de markt worden gebracht duidelijk en waarheidsgetrouw wordt gecommuniceerd zodat consumenten ertoe worden aangezet om actief deel te nemen aan de transitie naar een circulaire economie, dan worden er volgens het EESC maximale milieuvoordelen behaald waardoor de lat in de wereldwijde concurrentie hoger kan worden gelegd. |
|
1.4. |
Het EESC moedigt de Commissie aan om conclusies te trekken op basis van een analyse waarbij de voordelen van biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen worden vergeleken met die van kunststoffen op basis van fossiele hulpbronnen. Sommige al te voorzichtige, niet op een vergelijkende analyse gebaseerde aanbevelingen bieden mogelijk onvoldoende houvast voor onderzoek, innovatie en initiële investeringen. Dit kan de vooruitgang belemmeren en het concurrentievermogen van de EU schaden. |
|
1.5. |
Het EESC pleit voor een systematische evaluatie van alle maatregelen die direct en indirect van invloed zijn op het wetgevingsklimaat en de normatieve omgeving, in overeenstemming met de meest recente wetenschappelijke bevindingen. Dit kan de verwarring verminderen en gebruikers beschermen. |
|
1.6. |
Bij het beoordelen van materialen, producten en processen, inclusief circulariteits- en duurzaamheidsaspecten, moet worden uitgegaan van het cascaderingsbeginsel, dat kan worden toegepast op grondstoffen-, biomassa- en voedselketens, alsook op de prioritering van recyclingprocessen. Bij de uitvoering van de richtlijn hernieuwbare energie (RED III) zal de volgorde waarin hergebruik/recycling van materiaal (hernieuwbaar materiaal) voorrang krijgt boven hergebruik voor energiedoeleinden (hernieuwbare energie) verder worden vastgesteld. |
|
1.7. |
De levenscyclusanalyse (LCA) is een uitstekend instrument om bepaalde duurzaamheidsaspecten van producten te beoordelen en zo geplande of lopende onderzoeks-, innovatie- en investeringsactiviteiten te helpen sturen. Er zijn echter nog fors meer inspanningen nodig om de tekortkomingen van de thans gebruikte methoden te verhelpen en de onzekerheid weg te nemen die gepaard gaat met het feit dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met het bonus-effect van biogene koolstof (2) en met de impact op het natuurlijk kapitaal. |
|
1.8. |
De meeste actuele kosten- en prijsberekeningsmodellen houden geen rekening met het effect — in termen van daaruit voortvloeiende uitgaven en baten — van componenten die opnieuw, in gerecyclede vorm, terechtkomen in de productiekringloop. Met een realistische regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (EPR), gebaseerd op de LCA en afgestemd op de specifieke behoeften, kan de slechte prijscompetitiviteit van biopolymeerproducten worden verholpen en verbeterd. |
|
1.9. |
Door in het kader van “Europa met toegevoegde waarde” (3) actie te ondernemen op een select aantal terreinen, kunnen de knelpunten die de noodzakelijke snelle vooruitgang verhinderen, opgespoord en uit de weg geruimd worden. Dit is met name relevant voor gegevens, monitoring en overleg en voor de ondersteuning van onderzoek en innovatie. |
|
1.10. |
Het EESC zou graag zien dat de Commissie doorgaat met de cyclische toetsing van belangrijke ontwikkelingen in het biopolymeerecosysteem. De ingebouwde methoden en instrumenten voor openbare raadpleging zijn een goede manier om alle belanghebbenden erbij te betrekken; dat geldt met name voor het maatschappelijk middenveld, dat zijn stem kan laten horen via de verschillende representatieve organisaties. |
|
1.11. |
De lidstaten moeten worden aangemoedigd om een minimumgehalte aan kunststof van biologische oorsprong verplicht te stellen voor zowel biogebaseerde als composteerbare kunststoffen. Voorgesteld wordt om vaste standaarden en normen te hanteren voor alle displaymateriaal (voor promotiedoeleinden, branding enz.). Met het oog op certificering moet bij het meten van het gehalte aan biogene koolstof de C14-methode (op basis van radioactieve koolstof) worden gebruikt. De massabalansmethode kan aanvaardbaar zijn om het biomassagehalte van complexere, meervoudig gerecyclede producten of tussenproducten uit te drukken, maar de consument moet hiervan wel op de hoogte worden gebracht. |
|
1.12. |
Het EESC neemt nota van het verbod op kunststoffen voor eenmalig gebruik, maar stelt voor de werkingssfeer en de formulering ervan nader te verduidelijken. In de regeling moet ook rekening worden gehouden met bepaalde kunststofproducten en -toepassingen die inherent voor eenmalig gebruik en niet-inleverbaar zijn, d.w.z. dat ze niet hergebruikt of mechanisch gerecycled kunnen worden. In die gevallen moet voorrang worden gegeven aan het gebruik van biogebaseerde kunststoffen en/of biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen (BDCP). |
|
1.13. |
Mechanische (“short-loop”) recycling is vaak nuttig vanwege de relatieve eenvoud ervan, maar heeft ook nadelen, zoals downcycling door het gebruik van een mix van stoffen, beperkingen qua dikte, recyclingrendement en energieverbruik. Uit een complexe duurzaamheidsvergelijking zou kunnen blijken dat het beter is om biogebaseerde polymeren of verschillende recyclingtrajecten (d.w.z. organische en/of chemische) te gebruiken. In dat geval kan het gebruik van kunststoffen die zowel biogebaseerd als composteerbaar zijn de verstandigste keuze zijn. Technieken voor het scheiden van dunne folies moeten nog worden ontwikkeld. |
|
1.14. |
Volgens de EU-normen gecertificeerde biologisch afbreekbare kunststoffen bieden mogelijkheden om verontreiniging door de ophoping van micro- en nanoplastic afval tegen te gaan en dus ook de schade te beperken die door niet biologisch afbreekbare kunststoffen wordt veroorzaakt. Momenteel zijn er maar enkele, zij het zeer belangrijke, toepassingen beschikbaar voor gecontroleerde biologische afbraak in specifieke natuurlijke milieus. Verdere inspanningen zijn nodig om systemische methoden te ontwikkelen waarbij materiaaleigenschappen en omstandigheden gecombineerd worden teneinde gebruik te kunnen maken van mogelijkheden voor biologische afbraak in de bodem en in andere specifieke milieus. |
|
1.15. |
Met behulp van industriële compostering en het gebruik van composteerbaar plastic kan nog een wereld worden gewonnen op het vlak van inzameling en benutting van voedselafval. Hierdoor kan niet alleen koolstof worden teruggegeven aan de bodem, maar wordt het ook mogelijk om voedselafval en verpakkingen (of ander composteerbaar materiaal) tezamen te verwijderen en te recyclen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd en geholpen bij het verplicht stellen van de gescheiden inzameling van organisch afval vanaf 2024. Met het oog hierop moet nu al een begin worden gemaakt met de ontwikkeling van composteerbare kunststoffen (bijvoorbeeld voor zakken en ander materiaal dat in contact komt met voedsel), alsook met het treffen van infrastructurele en organisatorische voorbereidingen en het opzetten van bewustmakingscampagnes. |
|
1.16. |
Het gamma aan toepassingen van composteerbare kunststoffen mag niet beperkt blijven tot die welke in het Commissievoorstel over verpakking en verpakkingsafval worden vermeld. Uit ervaringen en goede praktijken blijkt dat composteerbare kunststoffen voor allerlei doeleinden kunnen worden gebruikt, vooral in verband met voedselcontactmaterialen, gesloten kringlopen en dunne folies. |
2. Achtergrond van het advies, glossarium en stand van zaken in de sector
2.1. Definities van hernieuwbare kunststoffen:
|
— |
“biologische kunststoffen” is een generieke verzamelnaam die niet mag worden gebruikt bij het op de markt brengen van kunststoffen of voor toepassingen, omdat hij verkeerd en/of misleidend kan worden gebruikt of negatieve associaties kan oproepen. Hier staat de term voor “biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen”; |
|
— |
biogebaseerde kunststoffen (kunststoffen op plantaardige basis, bbp): kunststoffen op basis van hernieuwbare, niet-fossiele grondstoffen (4). Biogebaseerde kunststoffen kunnen al dan niet biologisch afbreekbaar zijn. Drop-in biogebaseerde kunststoffen zijn chemisch identiek aan hun op fossiele brandstoffen gebaseerde tegenhangers. Gedeeltelijk uit biogebaseerd materiaal vervaardigde kunststoffen (“bio-attributed plastics”) kunnen worden gedefinieerd als kunststoffen met een bepaald gehalte aan biogebaseerd materiaal; |
|
— |
biologisch afbreekbare kunststoffen (BDP): kunststoffen die aan het eind van hun functionele leven kunnen worden afgebroken door micro-organismen, waarbij water, biomassa, minerale zouten en kooldioxide (CO2) (of methaan, in geval van anaërobe vergisting) worden geproduceerd. Zij kunnen worden gemaakt van zowel biogebaseerde als fossiele grondstoffen; |
|
— |
composteerbare kunststoffen (CP): een subgroep biologisch afbreekbare kunststoffen (met als gezamenlijk acroniem “BDCP”) waarvoor geldt dat het proces van biologische afbraak onder gecontroleerde omstandigheden met behulp van micro-organismen plaatsvindt en waarbij als er zuurstof aanwezig is gestabiliseerde organische residuen, water en CO2 worden geproduceerd en als er geen zuurstof aanwezig is methaan; beide eindgassen kunnen ingezameld worden. Gestandaardiseerde, streng gecontroleerde compostering vindt plaats in composteerinstallaties (installaties voor organische recycling) overeenkomstig de vereisten van de norm EN 13432 (5), waarmee ook het gebruik van biovriendelijke toevoegingsmiddelen verzekerd is. Thuiscompostering is niet onderworpen aan dergelijke strenge voorwaarden en kan dus geen vooraf bepaald eindproduct opleveren; |
|
— |
de gunstigste combinatie is natuurlijk een kunststof die zowel biogebaseerd als biologisch afbreekbaar en ook nog eens composteerbaar is, zoals het op grote schaal gebruikte polymelkzuur (PLA). |
2.2. De kunststofsector
Wereldproductie van kunststoffen/biologische kunststoffen
Wereldproductie van kunststoffen en biologische kunststoffen — Gegevens over 2021-2022 (6)
|
Jaar |
Fossiele kunststoffen [Mt] |
Biologische kunststoffen [Mt] |
BP [%] |
Bbp [Mt; (%)] |
BDCP [Mt; (%)] |
|
2021 |
367 |
1,80 |
0,49 |
0,74 ; (41,2 ) |
1,05 ; (58,7 ) |
|
2022 (*1) |
390 |
2,22 |
0,57 |
1,07 ; (48,2 ) |
1,14 ; (51,3 ) |
|
Gebaseerd op: European Bioplastics, Facts and Figures: https://www.european-bioplastics.org/market/ |
|||||
Biologische kunststoffen vertegenwoordigen momenteel ca. 1 % van de totale kunststofproductie in de wereld.
Verwacht wordt echter dat de productie ervan zal stijgen van 1,8 miljoen ton tot 6,2 miljoen ton in 2027.
2.2.1.
Azië (met name China) is de belangrijkste productiehub voor biologische kunststoffen (41,4 % in 2022), gevolgd door de EU (26,5 %) en de VS (18,9 %).
Het aandeel van Azië zal in 2027 naar verwachting gegroeid zijn tot 63 %, terwijl het aandeel van de EU aanzienlijk zal dalen als steunmaatregelen uitblijven.
2.2.2.
In de EU is de vraag naar biologische kunststoffen gestegen van 210 000 ton in 2019 tot ongeveer 320 000 ton in 2021 (7). Het percentage van de jaarlijkse groei was ruim 23 %. De Europese vraag komt overeen met ongeveer 18 % van de wereldproductie van biologische kunststoffen. Waar het gaat om de handelsbalans met het buitenland en technische innovatie, loopt Europa voorop.
Het is van cruciaal belang dat consumenten zich meer bewust worden van het onderscheid tussen kunststoffen op basis van fossiele brandstoffen en een optimaal gebruik van biologische kunststoffen.
2.3. Milieu-uitdagingen in verband met kunststoffen
2.3.1.
In vergelijking met andere waardeketens zoals energie, chemische stoffen en sommige andere materialen is de uitstoot van broeikasgassen door de kunststoffenwaardeketen beperkt. De totale broeikasgasemissies van de kunststoffenwaardeketen in de EU werden in 2018 geraamd op 208 miljoen ton kooldioxide-equivalent (CO2-eq). De meerderheid daarvan (63 %) wordt veroorzaakt door de productie van polymeren van kunststof. De omzetting van deze polymeren in producten is goed voor 22 % van de emissies en nog eens 15 % ervan ontstaat bij de verwerking van kunststofafval aan het einde van de levensduur, voornamelijk als gevolg van verbranding (8).
2.3.2.
Naast de impact van kunststoffen op het klimaat moet ook worden gewezen op het recyclingpercentage van kunststoffen, dat nog steeds te laag is. Dit heeft ook gevolgen voor het milieu en het natuurlijk kapitaal van de wereld (de voetafdruk) doordat de eindige voorraad natuurlijke hulpbronnen wordt opgebruikt en de ecosystemen in de wereld, zoals bodem, land, lucht, water, levende organismen, en uiteindelijk de gezondheid en het welzijn van de mens, worden geschaad. Een specifiek probleem is de ophoping van microplastic deeltjes in zoet en zeewater.
2.3.3.
De waardeketen van biologische kunststoffen kan ertoe bijdragen om de CO2-uitstoot dankzij biogene of vastgelegde CO2 te verminderen, maar dan moet het gebruik ervan wel aanzienlijk toenemen en moet afval van biogebaseerde kunststoffen niet verbrand, maar gerecycled worden. Als kunststoffen worden gemaakt uit biomassa en/of als ervoor gezorgd wordt dat kunststofproducten in bepaalde milieus biologisch afbreekbaar zijn, dan heeft dat ten opzichte van conventionele kunststoffen een aantal voordelen, maar deze moeten wel erkend en in aanmerking genomen worden. Berekeningen in het kader van een scenario (Eionet-rapport — ETC/WMGE 2021/3) waarbij alle fossiele kunststoffen in de EU door biogebaseerde kunststoffen werden vervangen, resulteerden in een totale jaarlijkse broeikasgassenuitstoot van 146 miljoen ton CO2-eq voor biogebaseerde kunststoffen, d.w.z. 30 % minder dan de uitstoot van de waardeketen op fossiele basis (208 miljoen ton CO2-eq) (9).
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Alle biologische kunststoffen beschikken over een groot potentieel om de koolstofcyclus duurzamer en evenwichtiger te maken en te houden. Zo dragen ze bij tot klimaatneutraliteit en tot de instandhouding van het natuurlijk kapitaal. Er zijn echter twee hoofdgroepen biologische kunststoffen, die apart moeten worden behandeld. Ten eerste de biogebaseerde kunststoffen, van plantaardige oorsprong, die de transitie van een op fossiele grondstoffen gebaseerde naar een op biomassa gebaseerde kunststoffeneconomie kunnen helpen realiseren. Ten tweede de biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen, die unieke voordelen hebben voor het omgaan met afgedankte producten en voor het bereiken van de doelstellingen van de Green Deal (bv. vermindering van voedselverspilling, duurzame productie en consumptie). |
Verstandig is dat er gebruik wordt gemaakt van kunststoffen die zowel biogebaseerd als composteerbaar zijn om de nettobroeikasgasbalans te verminderen met de hoeveelheid CO2 die uit het milieu wordt gehaald.
|
3.2. |
In haar mededeling presenteert de Europese Commissie een diepgaande en uitgebreide analyse van biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen aan de hand van de beschikbare gegevens. Het EESC is echter van mening dat de conclusies en aanbevelingen op bepaalde punten veel te voorzichtig zijn geformuleerd, waardoor innovatie en investeringen op bepaalde belangrijke gebieden dreigen te worden ontmoedigd. Er zou een vergelijkende analyse moeten worden gemaakt waarbij biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen worden vergeleken met traditionele, op basis van fossiele hulpbronnen gemaakte kunststoffen, al is het een-op-een vervangen van kunststoffen door biologische kunststoffen sowieso geen haalbare kaart. |
|
3.3. |
Duurzame materialen en producten en het gebruik ervan worden over het algemeen, d.w.z. in 80 tot 90 % van de gevallen, vrij positief beoordeeld in opiniepeilingen en genieten een redelijk groot maatschappelijk draagvlak. 25 % van de respondenten zou bereid zijn om een duurzaamheidsbonus van 20 % te betalen boven op de prijs van vergelijkbare producten die gemaakt zijn van kunststoffen op basis van fossiele hulpbronnen en 4 % wil 50 % meer betalen voor duurzame biopolymeerproducten. |
|
3.4. |
Voordat er een realistisch strategisch beleidskader kan worden opgezet en gehanteerd, moeten:
|
|
3.5. |
In het hele beleidskader moet een systeem van hiërarchische prioritering, oftewel cascadering, worden gehanteerd, met inbegrip van de vermindering van kunststoffen aan en voorafgaand aan de bron. Dit systeem moet in de gehele waardeketen worden gebezigd en moet gebaseerd zijn op de beginselen van behoud, hergebruik, recycling en terugwinning, zodat componenten in de kringloop worden gehouden. Het is zaak de hele koolstofvoorraad, -stroom en -cyclus zo veel mogelijk onder controle te houden: niet alleen de geconcentreerde koolstof in grondstoffen (steenkool, olie, gas), maar ook de koolstof die geproduceerd, verwerkt, afgevangen (als CO2), ingezameld (als afval) en gerecycled wordt en de gedispergeerde koolstof in gebruikte producten, in de bodem en in de lucht. Recyclingopties zijn onder meer optimaal duurzame (mechanische) “short-loop recycling”, (fysisch-chemische en/of chemische) “mid-loop recycling” en (biochemische) “full-loop recycling”, afhankelijk van hoe de verschillende stoffen terug in de “loop”, de kringloop, kunnen worden gebracht. |
|
3.6. |
Dit brengt een groot aantal nieuwe uitdagingen met zich mee op het vlak van ecodesigntechnieken. Behalve met traditionele aspecten als functionaliteit, haalbaarheid en uiterlijk moeten ecodesigntechnici nu ook rekening houden met factoren als de herkomst van grondstoffen, duurzaamheid, verwachte levensduur, circulariteit en geoptimaliseerde duurzaamheid. |
|
3.7. |
Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar een duurzame herkomst van grondstoffen: voor een marktaandeel van 1 % hebben biogebaseerde kunststoffen 0,02 % van de landbouwgrond nodig. Als alle fossiele kunststoffen zouden worden vervangen door biogebaseerde kunststoffen — iets wat in theorie mogelijk is, maar niet realistisch — dan zou daarvoor 4-5 % van het landbouwareaal nodig zijn. Twee derde van de grondstoffen wordt momenteel verkregen uit voedselgewassen (suiker, zetmeelgewassen, oliegewassen) en een derde uit niet-eetbare bronnen (hout, ricinusolie). Ondanks het geringe landgebruik zal worden gestreefd naar verdere cascadering van voedsel en biomassa, d.w.z. dat de focus wordt verlegd van gewassen/voedsel naar bijproducten (bijv. stro, houtafval) en recycleerbaar afval (organisch houtweefsel, koolwaterstof- en koolhydraatafval), die prioritair als grondstof worden gebruikt en pas in tweede instantie voor energiedoeleinden. Hetzelfde geldt voor nieuwe initiatieven op het gebied van grondstofwinning, bijv. uit algenafval. |
|
3.8. |
De productietechnologie is al grotendeels aanwezig en waar het gaat om transformatie kan gebruikgemaakt worden van de technologie voor fossiele kunststoffen. In de circulaire keten moeten echter extra schakels worden toegevoegd aan beide uiteinden van de lijn: productie van grondstoffen en bioraffinage, alsook inzameling en verwerking van afval, gevolgd door recycling of terugwinning. Zo wordt rekening gehouden met de meer gediversifieerde materiaalstromen. Waar nodig en haalbaar, moet gebruik worden gemaakt van gecentraliseerde processen voor het afvangen van CO2 . |
|
3.9. |
Materiaalonderzoek en -techniek moeten gericht zijn op uitbreiding van het toepassingsgebied van nieuwe biopolymeren of mengsels met nieuwe combinaties van fysische, chemische, functionele en afbreekbaarheidseigenschappen, zowel wat de stoffelijke kenmerken als de omgevingsfactoren betreft. |
|
3.10. |
Naar de werkgelegenheidsaspecten is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Tegen 2030 zullen er naar schatting nog eens 175 000 tot 215 000banen bijkomen (voetnoot 16). Nieuwe technologieën vereisen nieuwe vaardigheden, met name op het gebied van de verwerking van grondstoffen, recycling en ecodesign. In deze behoeften moet worden voorzien door ontwikkelings- en investeringsplannen, alsook door programma’s voor onderwijs, opleiding, omscholing en bijscholing. Ook nu de arbeidssatisfactie toeneemt en banen in deze sector positiever worden beoordeeld, moet er onverminderd aandacht worden besteed aan fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. |
|
3.11. |
De meeste gangbare kosten- en prijsberekeningsmodellen gaan tegenwoordig uit van een traditionele of lineaire “van-wieg-tot-poort”-benadering. In deze vergelijking zijn biopolymeren in het nadeel vanwege de hoge materiaalkosten, de meer gefragmenteerde toegang tot grondstoffen, de kleinschaligere serieproductie en de leercurve. Met een “van-wieg-tot-wieg”-concept, waarin de kosten van duurzaam hergebruik worden geïnternaliseerd, kan dit er totaal anders uit komen te zien. Goed toegepaste modulaire methoden voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (EPR) kunnen hierbij soelaas bieden. |
|
3.12. |
Om de ecologische voetafdruk van gebruikte goederen en materialen te beoordelen, worden levenscyclusanalyses (LCA) gebruikt. Er zijn al aanzienlijke inspanningen geleverd om deze voetafdruk te bepalen en te kwantificeren (in termen van netto broeikasgasemissies in CO2-equivalent). Toch is er meer ervaring, onderzoek en modellering nodig om de huidige methoden voor het meten van de milieuvoetafdruk van een product verder te ontwikkelen, aangezien deze methoden ontoereikend zijn voor het vaststellen van het bonuseffect van biogene koolstof en voor het kwantificeren van de impact op veranderingen in het landgebruik en de lastig in te schatten effecten op het natuurlijk kapitaal. Een realistische en aanvaarde levenscyclusanalyse is een eerste vereiste voor een geloofwaardig modulair EPR-systeem. Screening en prognoses op basis van levenscyclusanalyses kunnen de risico’s beperken door onderzoek en innovatie en investeringsbeslissingen in een vroeg stadium te sturen. |
|
3.13. |
Aangezien de praktijken en wetgeving van de lidstaten sterk uiteenlopen, moet een “Europa met toegevoegde waarde” (10) gericht zijn op het bieden van ondersteuning op punten als gegevensverzameling en transparantie, het vaststellen en verbreiden van goede praktijken, het monitoren van de wetenschappelijke, economische, financiële en sociale vooruitgang, en het in kaart brengen en verwijderen of oplossen van knelpunten, teneinde het concurrentievermogen van de EU op dit gebied redelijk op peil te houden. |
4. Specifieke opmerkingen
4.1. Inleiding
|
4.1.1. |
In sommige gevallen is mechanische recycling niet haalbaar omdat de verpakking verontreinigd is met voedselresten of omdat het niet mogelijk en/of praktisch is om kleine en/of dunne verpakkingen mechanisch te recyclen. In dergelijke gevallen zijn composteerbare kunststoffen een goede oplossing, omdat voedselafval en -verpakking dan samen kunnen worden verwijderd en gerecycled. |
4.2. Biogebaseerde kunststoffen
|
4.2.1. |
Het beleidskader moet voorzien in een verplicht minimumgehalte aan biogebaseerd en gerecycled materiaal voor biogebaseerde kunststoffen, te hanteren zodra het voorstel van de Europese Commissie betreffende verpakking en verpakkingsafval van 30 november 2022 wordt aangenomen. Dit gehalte aan biogebaseerde kunststof kan het minimumgehalte aan gerecycled materiaal vervangen of aanvullen. Om redenen van voedselveiligheid moet nieuw of chemisch gerecycled materiaal worden gebruikt voor toepassingen die met levensmiddelen in contact komen (bestek, bekers, bakjes, verpakkingsfolie); alleen petflessen en -bakjes mogen mechanisch worden gerecycled en opnieuw worden verwerkt tot kunststoffen die rechtstreeks in aanraking komen met voedsel. |
|
4.2.2. |
Er bestaan al certificeringsregelingen voor biogebaseerd materiaal, zoals het “OK biobased”-certificaat van TÜV Austria (11) of de DIN CERTCO-certificering voor biogebaseerde producten (12). Er zijn ook specifieke Europese en internationale normen (13), waaronder door derden gecertificeerde benaderingen op basis van de massabalans. Bovendien hebben sommige lidstaten verplichte gehaltes vastgesteld voor zowel gerecycled als biogebaseerd materiaal. Met het oog op certificering moet het biogene koolstofgehalte worden bepaald aan de hand van de C14-methode (op basis van radioactieve koolstof). Voor meerdere keren gerecyclede, niet-homogene producten en kunststoffen met biogebaseerde bestanddelen kan ook de “mass content”-methode aanvaardbaar zijn. |
|
4.2.3. |
Dankzij methoden die gebaseerd zijn op bewaking van de toeleveringsketen (“chain-of-custody methods”), kunnen biogebaseerde grondstoffen worden gebruikt in tussenproducten of in producten waarbij scheiding, gezien de complexiteit van de waardeketens of het schaalniveau, nog niet mogelijk is (14). |
|
4.2.4. |
Volgens het beleidskader is de LCA-methode voor kunststoffen (15) van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, die voortbouwt op de methode voor de milieuvoetafdruk van een product (PEF-methode, waarbij PEF staat voor “Product Environmental Footprint”), de meest geharmoniseerde methode die momenteel beschikbaar is. De PEF-methode schiet tekort waar het gaat om het correct bepalen van het gehalte aan biogene koolstof (en druist soms in tegen sommige algemeen aanvaarde methoden (16) die rekening houden met de voorafgaande opname van biogene koolstof in biogebaseerde producten en kunststoffen) en veranderingen in landgebruik. |
4.3. Biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen
De eigenschappen “biologisch afbreekbaar” en “composteerbaar” zijn geen negatieve aspecten die tot meer zwerfafval leiden. Er zijn geen bewijzen, studies of testresultaten waaruit blijkt dat biologische afbreekbaarheid een negatieve invloed kan hebben op zwerfafval en dit risico kan worden uitgesloten met een etiketteringssysteem zoals dat reeds in Italië is ingevoerd. Wat wordt weggegooid, mag niet in het milieu terechtkomen: alle materialen moeten worden ingezameld, gesorteerd en gerecycled.
4.3.1.
De biologische afbreekbaarheid van kunststoffen in het milieu is geen instrument voor afvalbeheer. Integendeel, overeenkomstig Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad (17) en norm EN 13432 moeten composteerbare kunststoffen samen met voedselafval of met veemest en drijfmest organisch worden gerecycled in composteerinstallaties om compost te produceren die als organische meststof kan worden gebruikt voor bodembehandeling en bodemverbetering. Het doel is deze stoffen te gebruiken wanneer er aantoonbare duurzaamheidsvoordelen zijn, zoals in voedselcontactmateriaal. Een dergelijk gebruik van composteerbare kunststoffen kan zowel bijdragen tot een grootschaligere inzameling van organisch afval als tot een geringere verontreiniging van organisch afval door traditionele kunststoffen.
|
4.3.1.1. |
Er moet verder diepgaand onderzoek worden verricht naar systemisch geoptimaliseerde materialen en omstandigheden voor gecontroleerde biologische afbraak in specifieke natuurlijke milieus. Goede voorbeelden daarvan zijn in water afbreekbaar gips of in de bodem afbreekbare polymeercoatings van meststoffen met een langzame of gecontroleerde afgifte. Er moet echter meer worden gedaan om afbraakmogelijkheden verder te ontwikkelen, want afbraak kan een grote bijdrage leveren aan het voorkomen en beperken van verontreiniging door ophoping van micro- en nanoplastic. |
|
4.3.1.2. |
Zoals in de mededeling van de Europese Commissie wordt erkend, spelen biologisch afbreekbare kunststoffen een belangrijke rol in de landbouw. In deze sector zijn biologisch afbreekbare kunststoffen een goed alternatief, omdat ze worden afgebroken in de bodem zonder dat er microplastics ontstaan. Ze voorkomen ook de bodemerosie die zich anders zou voordoen bij het gebruik van zeer dunne (< 25 μm) traditionele plastic mulchfolies. |
4.3.2.
|
4.3.2.1. |
Het EESC benadrukt de sleutelrol van composteerbare kunststoffen in zeer specifieke verpakkingen die met levensmiddelen in contact komen en in niet-verpakkingsmateriaal, zoals onder meer de door de Commissie genoemde toepassingen (groente- en fruitstickers, theezakjes en koffiepads, alsook zeer lichte plastic draagtassen). Daarom moeten andere belangrijke composteerbare verpakkingen en niet-verpakkingsmaterialen, zoals bestek, bekers, bakjes en folie (ook in gesloten kringlopen) worden gepromoot en niet worden verboden op grond van artikel 22 in combinatie met bijlage V van het voorstel betreffende verpakking en verpakkingsafval. Dit strookt niet met het feit dat bioafval vanaf 31 december 2023 in alle EU-landen (18) bij de bron gescheiden moet worden ingezameld of gerecycled; composteerbare kunststoffen spelen een sleutelrol in het bereiken van een grotere afvang van bioafval en minder verontreiniging van compost door niet-afbreekbare kunststoffen.
Aangezien er al enkele composteerbare en biogebaseerde kunststoffen op de markt zijn, is de beste optie wellicht om een wettelijk vastgesteld minimumgehalte aan biogebaseerd materiaal te eisen voor composteerbare kunststoffen, zoals in sommige landen al wordt gedaan (Italië en Frankrijk). |
|
4.3.2.2. |
Bij de herziening van de meststoffenrichtlijn is gebleken dat de balans duidelijk zoek is in de Europese bemestingspatronen: het doorgaans overmatige gebruik van synthetische stikstof, fosfor en potassium kan leiden tot eutrofiëring van water, terwijl een gebrek aan organische meststoffen, zoals mest, compost gemaakt van afval, slib enz., het koolstofgehalte van de bodem kan doen afnemen. |
|
4.3.2.3. |
In de mededeling van de Europese Commissie wordt het probleem van kruisbesmetting aangevoerd als argument om het gebruik van composteerbare kunststoffen te beperken. Kruisbesmetting treedt echter niet alleen op bij composteerbare kunststoffen, maar ook bij andere materialen (denk aan de aanwezigheid van metalen in kunststofstromen en van niet-composteerbare kunststoffen in bioafval). Er is ook sprake van kruisbesmetting in kunststofstromen, omdat de verschillende polymeren moeten worden gescheiden voordat ze in een recyclingproces terechtkomen, om downcycling te voorkomen. In de praktijk is de kruisbesmetting van kunststofstromen door bioplastics niet bewezen: uit Italiaanse gegevens blijkt dat de aanwezigheid van composteerbare kunststoffen in kunststofstromen minder dan 1 % bedraagt. Dat komt doordat sommige producten alleen van composteerbare kunststoffen kunnen worden gemaakt (plastic zakken voor eenmalig gebruik, bestek, borden) en doordat er een duidelijk etiketteringssysteem bestaat voor zowel composteerbare als traditionele kunststoffen, waardoor consumenten ze van elkaar kunnen onderscheiden en ze in de juiste recyclingbak kunnen gooien (composteerbare kunststoffen bij het bioafval en niet-composteerbare kunststoffen bij het plastic afval). Daarom is er geen kruisbesmetting en geen verwarring bij de consument in landen met een adequaat afvalbeheersysteem voor composteerbare kunststoffen (19). Die landen kunnen met hun wetgeving, afvalbeheer en etikettering een schoolvoorbeeld zijn op het gebied van bioplastics.
De EN 13432-norm kan geüpdatet worden, maar in de mededeling van de Europese Commissie wordt niet erkend dat composteerinstallaties die volgens de best beschikbare praktijken en technieken werken, met name de juiste composteertijden, in staat zijn om composteerbare kunststoffen en voedselafval volledig te verwerken en biologisch af te breken, zoals blijkt uit de interviews die Biorepack heeft afgenomen in composteerinstallaties (20). Het ligt niet aan de bioplastics of aan de EN 13432-norm als composteerbedrijven, met name in EU-lidstaten met minder efficiënte systemen voor het omgaan met voedselafval, niet de juiste composteerprocessen en -tijden hanteren. Die composteerbedrijven moeten eenvoudigweg worden gemoderniseerd. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Gemeenschappelijke Onderneming “Een circulair biogebaseerd Europa”.
(2) Biogene koolstofabsorptie (vastlegging) uit het milieu moet worden afgetrokken van de koolstofemissies in milieuvoetafdrukberekeningen en komt dus “op de creditzijde” van het klimaateffect te staan.
(3) De terreinen waarop de EU als geheel toegevoegde waarde kan creëren versus de afzonderlijke lidstaten die zonder coördinatie en gemeenschappelijke middelen afzonderlijk optreden.
(4) De familie biogebaseerde kunststoffen kan ook kunststoffen omvatten die gedeeltelijk uit biologisch materiaal zijn vervaardigd, dus kunststoffen met een bepaald gehalte aan biogebaseerd materiaal (biogebaseerde inhoud kan worden bepaald aan de hand van de gebruikte grondstoffen).
(5) PB L 190 van 12.7.2001, blz. 21.
(*1) Voorlopige balans.
(6) Bron: World plastics production 2020, Plastics Europe, 2021. European Bioplastics, Facts and Figures (https://www.european-bioplastics.org/market/)
(7) Plastic Consult, Bioplastics in Europe, Market update, 23.9.2022.
(8) Eionet Report — ETC/WMGE 2021/3.
(9) Eionet Report — ETC/WMGE 2021/3.
(10) Dit is het omgekeerde van het concept “de kosten van een niet-verenigd Europa” en verwijst naar de voordelen van synergie ten opzichte van individueel handelen.
(11) https://www.tuv-at.be/green-marks
(12) https://www.dincertco.de
(13) CEN/TS 16640; ASTM D6866.
(14) Bij complexe en lange industriële processen waarin meerdere grondstoffen worden gebruikt, zou een fysieke scheiding (tussen fossiel en bio of tussen “vers” en gerecycled) niet-duurzame investeringen vergen. Met chain-of-custodymethoden wordt het mogelijk om in de gehele waardeketen te zorgen voor een betrouwbare en transparante verantwoording en voor duidelijke en ondubbelzinnige etikettering en claims met betrekking tot de inhoud van een product.
(15) https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC125046
(16) ISO 22526-1, 2 en 3, EN 16760, ISO, EN 15804, ISO 14067.
(17) Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10).
(18) Artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG.
(19) Zie de EPR-regelingen voor composteerbare kunststoffen van Biorepack in Italië: https://eng.biorepack.org/
(20) https://eng.biorepack.org/communication/news/composting-plants-talk.kl
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/141 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke regels met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht
(COM(2023) 122 final — 2023/0064 (COD))
(2023/C 228/20)
|
Algemeen rapporteur: |
Jack O’CONNOR |
|
Raadpleging |
Raad, 9.3.2023 Europees Parlement, 13.3.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Externe Betrekkingen |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
154/0/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) onderschrijft dat een verordening het passende instrument is om uitvoering te geven aan de gezamenlijk overeengekomen oplossingen, en is ermee ingenomen dat de Europese Commissie tijdig een verordeningsvoorstel heeft voorgelegd. |
|
1.2. |
Het EESC is het ermee eens dat:
|
|
1.3. |
Het EESC pleit ervoor de voorgestelde verordening spoedig goed te keuren en te gaan uitvoeren om voor een ononderbroken levering van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in Noord-Ierland te zorgen, de vooruitzichten op uitvoering van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland te verbeteren en bij te dragen aan de bescherming van het Goede Vrijdagakkoord (akkoord van Belfast). |
|
1.4. |
Op grond van de artikelen 9 en 10 van het verordeningsvoorstel kan de Commissie de nieuwe regels opschorten indien het VK zijn verplichtingen niet nakomt. Het EESC vindt ook dat een dergelijke bepaling noodzakelijk is, maar benadrukt het belang van overleg met het VK (genoemd in artikel 9, lid 3) en van raadpleging van de door elke lidstaat aangewezen deskundigen (artikel 10, lid 4) voordat tot opschorting van de regels wordt overgegaan. |
|
1.5. |
Het EESC dringt erop aan de voornaamste belanghebbenden voortdurend te raadplegen om te helpen zorgen voor een tijdige uitvoering en om eventuele toekomstige risico’s voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de voorgestelde verordening te monitoren. In dit verband zouden ook de Europese instellingen regelmatig moeten worden geïnformeerd over de vooruitgang die met de uitvoering wordt geboekt vóór januari 2025. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
De voorgestelde verordening houdt verband met de tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk (VK) gemaakte afspraken in het Windsor-kader. |
|
2.2. |
Het verordeningsvoorstel vloeit voort uit een uitgebreide reeks door de EU en het VK overeengekomen oplossingen om de problemen aan te pakken die in de toelichting bij het voorstel worden genoemd. Het gaat om de vaststelling van specifieke regels met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (1). Deze regels zijn bedoeld als nadere specificering van de bepalingen van bijlage 2 bij het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (hierna “het protocol”), die de activiteiten in de sector geneesmiddelen regelen. |
|
2.3. |
De voorgestelde verordening beoogt de praktische problemen aan te pakken die aan het licht kwamen na de inwerkingtreding van het protocol op 1 januari 2021. Die problemen bleven zelfs na afloop van de in het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK vastgestelde overgangsperiode bestaan, met name ten aanzien van het aanbod in Noord-Ierland van in Groot-Brittannië geproduceerde geneesmiddelen, als gevolg van de complexe nieuwe regelgeving. Om de ononderbroken levering van geneesmiddelen te waarborgen vanuit Groot-Brittannië naar Noord-Ierland, heeft de EU op 12 april 2022 Richtlijn (EU) 2022/642 van het Europees Parlement en de Raad (2) vastgesteld, die voorziet in afwijkingen van bepaalde verplichtingen met betrekking tot bepaalde geneesmiddelen voor menselijk gebruik die in het VK met betrekking tot Noord-Ierland worden aangeboden. |
|
2.4. |
In feite konden fabrikanten in het VK dankzij deze afwijkingen het testen van partijen en taken op het gebied van regelgeving in andere delen van het VK dan Noord-Ierland houden. De afwijkingen vergemakkelijkten ook de levering van nieuwe geneesmiddelen omdat ze het voor de bevoegde autoriteiten in het VK mogelijk maakten om voor een beperkte periode toestemming te verlenen voor zulke leveringen aan patiënten in Noord-Ierland ook al waren de desbetreffende geneesmiddelen in de EU nog niet goedgekeurd. |
|
2.5. |
Maar de ervaring leerde dat deze oplossingen tot een aantal praktische problemen leidden. Zo zou het vereiste om te zorgen voor verschillende verpakkingen en bijsluiters voor Groot-Brittannië en Noord-Ierland een aanzienlijke economische last betekenen voor de fabrikanten in verhouding tot de kleine omvang van de Noord-Ierse markt. Ook waren er zorgen over het feit dat het naast elkaar bestaan van mogelijk uiteenlopende vergunningen voor het in de handel brengen van hetzelfde geneesmiddel voor Groot-Brittannië en Noord-Ierland zou leiden tot rechtsonzekerheid over de toepasselijke regels voor geneesmiddelen. Andere problemen betroffen de complexiteit van de voorschriften voor de export en herinvoering van geneesmiddelen, door de Commissie vastgelegd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/315 van de Commissie (3), die voorziet in een uitzondering van drie jaar voor groothandelaars. |
|
2.6. |
De oplossingen die de EU en het VK vervolgens zijn overeengekomen zijn bedoeld om al deze problemen op een bestendige wijze te regelen. Ze voorzien in het volgende:
|
|
2.7. |
Met het voorstel wordt beoogd om deze reeks oplossingen in wetgeving te gieten. |
|
2.8. |
Het EESC onderschrijft dat een verordening het passende instrument is om uitvoering te geven aan de gezamenlijk overeengekomen oplossingen, en is ermee ingenomen dat de Europese Commissie tijdig een verordeningsvoorstel heeft voorgelegd. |
|
2.9. |
Het EESC is het ermee eens dat:
|
|
2.10. |
Aan de discussies met het VK die uitmondden in de goedkeuring van de eerste reeks gezamenlijke oplossingen in april 2022, is een uitgebreide raadpleging van brancheorganisaties en andere belanghebbenden voorafgegaan en de hier behandelde tweede reeks oplossingen vormt slechts een antwoord op enkele bijkomende kwesties die in de tussentijd aan het licht kwamen. Daarom beaamt het EESC dat voorafgaand aan de goedkeuring van het voorstel geen openbare raadpleging hoeft te worden gehouden. Het dringt er echter wel op aan de voornaamste belanghebbenden voortdurend te blijven raadplegen om te helpen zorgen voor een tijdige uitvoering en om eventuele toekomstige risico’s voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de voorgestelde verordening te monitoren. In dit verband zouden ook de Europese instellingen regelmatig moeten worden geïnformeerd over de vooruitgang die met de uitvoering wordt geboekt vóór januari 2025. |
|
2.11. |
Het EESC pleit ervoor de voorgestelde verordening spoedig goed te keuren en te gaan uitvoeren om voor een ononderbroken levering van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in Noord-Ierland te zorgen, de vooruitzichten op uitvoering van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland te verbeteren en bij te dragen aan de bescherming van het Goede Vrijdagakkoord (Akkoord van Belfast). |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(2) Richtlijn (EU) 2022/642 van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2022 tot wijziging van Richtlijnen 2001/20/EG en 2001/83/EG wat betreft afwijkingen van bepaalde verplichtingen met betrekking tot bepaalde geneesmiddelen voor menselijk gebruik die in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland en in Cyprus, Ierland en Malta verkrijgbaar worden gesteld (PB L 118 van 20.4.2022, blz. 4).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/315 van de Commissie van 17 december 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 wat betreft de uitzondering op de verplichting voor groothandelaars om het uniek identificatiekenmerk van geneesmiddelen die naar het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd te deactiveren (PB L 55 van 28.2.2022, blz. 33).
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/144 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke regels voor de binnenkomst in Noord-Ierland vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk van bepaalde zendingen detailhandelsgoederen, voor opplant bestemde planten, pootaardappelen, machines en bepaalde voertuigen die voor landbouw- of bosbouwdoeleinden zijn geëxploiteerd, alsook voor het niet-commerciële verkeer van bepaalde gezelschapsdieren naar Noord-Ierland
(COM(2023) 124 final — 2023/0062 (COD))
(2023/C 228/21)
|
Algemeen rapporteur: |
Klaas Johan OSINGA |
|
Raadpleging |
Raad, 10.3.2023 Europees Parlement, 13.3.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 43, lid 2, artikel 114, artikel 168, lid 4, punt b), en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Externe Betrekkingen |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
147/0/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het Windsor-kader (1) en ziet dit als bewijs dat wanneer het Verenigd Koninkrijk (VK) en de Europese Unie (EU) in goed vertrouwen samen gaan zitten om gezamenlijke oplossingen te vinden, hun bilaterale relatie concrete resultaten kan opleveren voor het maatschappelijk middenveld in zowel de EU als het VK. |
|
1.2. |
Het EESC kan zich vinden in de door de Europese Commissie voorgestelde verordening (2) ter regulering van de binnenkomst en het in de handel brengen in Noord-Ierland van bepaalde landbouwgoederen — waaronder voor opplant bestemde planten, machines en voertuigen voor land- of bosbouwdoeleinden en pootaardappelen — en het niet-commerciële verkeer naar Noord-Ierland vanuit andere delen van het VK (ofwel Groot-Brittannië) van als huisdier gehouden honden, katten en fretten. |
|
1.3. |
Het EESC is zich bewust van de urgentie en technische aard van de voorgestelde verordening en de kwesties die daarmee moeten worden geregeld. Het erkent dat aanzienlijke inspanningen zijn geleverd om een evenwicht te vinden tussen vereenvoudiging van procedures, waarborging van de integriteit van de interne markt van de EU en bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van dieren en planten. |
|
1.4. |
De deadline voor de verplichte markering van voorverpakte detailhandelsgoederen die vanuit Groot-Brittannië Noord-Ierland binnenkomen, zou problemen kunnen opleveren voor sommige bedrijven in het VK, met name wanneer die over minder technische en financiële mogelijkheden beschikken, zoals kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
1.5. |
Ook maakt het EESC zich zorgen dat er niet tijdig één enkele dataset zal zijn ontwikkeld met behulp waarvan bedrijven in Groot-Brittannië aan de sanitaire en fytosanitaire vereisten en douanevoorschriften kunnen voldoen wanneer ze aan klanten in Noord-Ierland leveren. Als de voorgestelde deadline om wat voor reden dan ook niet wordt gehaald, kan dit leiden tot meer overeenstemmingscontroles dan waarin de verordening voorziet. |
|
1.6. |
Het EESC dringt bij de Commissie aan op meer helderheid over en oplossingen voor de gebieden waarop de sanitaire en fytosanitaire normen in het VK en de EU duidelijker uiteenlopen, met bijzondere aandacht voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in Noord-Ierland. Als de onzekerheid daarover blijft aanhouden, zou dit de landbouwers in Noord-Ierland discrimineren. |
|
1.7. |
Er bestaat nog steeds een aantal vragen omtrent het verkeer van levende dieren en plantaardig materiaal vanuit en naar Noord-Ierland vanuit zowel Groot-Brittannië als de EU. Het EESC roept de Commissie op zo snel mogelijk met antwoorden te komen omdat de exploitanten duidelijkheid nodig hebben. |
|
1.8. |
De gevolgen van het in oktober 2023 in te voeren “Border Target Operating Model”, waarvan het VK een ontwerpversie heeft gepubliceerd en dat nieuwe regels behelst voor de invoer in Groot-Brittannië, onder meer met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire controles, zullen wellicht tot nog meer onzekerheid leiden, wat koste wat het kost moet worden voorkomen. Er bestaat al onzekerheid vanwege de uitvoering van de “EU Retained Law Bill”. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
De voorgestelde verordening bevat specifieke regels voor de binnenkomst in Noord-Ierland vanuit Groot-Brittannië van bepaalde zendingen detailhandelsgoederen voor het in de handel brengen in Noord-Ierland, alsmede van bepaalde zendingen voor opplant bestemde planten, machines en voertuigen die voor land- of bosbouwdoeleinden zijn geëxploiteerd, en pootaardappelen voor het in de handel brengen en het gebruik in Noord-Ierland. |
|
2.2. |
De verordening bevat ook specifieke regels met betrekking tot het niet-commerciële verkeer naar Noord-Ierland vanuit andere delen van het VK van als huisdier gehouden honden, katten en fretten. Verder behelst de verordening bepalingen met betrekking tot de opschorting van de toepassing van de erin opgenomen specifieke regels. |
|
2.3. |
In overeenstemming met het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK is een aantal wetgevingshandelingen van de EU betreffende sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing op en in het VK met betrekking tot Noord-Ierland na het einde van de in het terugtrekkingsakkoord vastgestelde overgangsperiode. |
|
2.4. |
Bijgevolg valt de binnenkomst in Noord-Ierland vanuit Groot-Brittannië van bepaalde zendingen producten van dierlijke of plantaardige oorsprong, waaronder diervoeder, voor opplant bestemde planten, machines en voertuigen voor land- of bosbouwdoeleinden en pootaardappelen binnen het toepassingsgebied van voornoemde handelingen en is die binnenkomst onderworpen aan officiële controle- en certificeringsvoorschriften of verboden. Hetzelfde geldt voor het niet-commerciële verkeer van bepaalde gezelschapsdieren. |
|
2.5. |
Het VK en bepaalde in het VK gevestigde belanghebbenden hebben hun ernstige bezorgdheid geuit over het feit dat het terugtrekkingsakkoord een onevenredig hoge administratieve last met zich meebrengt voor de binnenkomst in Noord-Ierland vanuit Groot-Brittannië van bepaalde goederen waarvoor sanitaire en fytosanitaire maatregelen gelden, wanneer de goederen bestemd zijn voor eindverbruikers in Noord-Ierland. Dat zou de plaats van Noord-Ierland op de interne markt van het VK ondermijnen. |
|
2.6. |
Op basis hiervan hebben de Europese Commissie en het VK overeenstemming bereikt over een uitgebreide reeks gezamenlijke oplossingen voor de dagelijkse problemen van alle gemeenschappen in Noord-Ierland, waarmee de integriteit van zowel de interne markt van de EU als die van het VK worden beschermd. Deze oplossingen omvatten:
|
|
2.7. |
Deze oplossingen zouden in alle gevallen zorgen voor passende bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van dieren en planten alsmede waarborgen bieden voor de integriteit van de interne markt van de EU. |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Wat de etikettering van detailhandelsgoederen betreft, is in artikel 4, lid 1, punt a), van het verordeningsvoorstel bepaald dat voorverpakte detailhandelsgoederen die vanuit Groot-Brittannië Noord-Ierland binnenkomen om daar te worden geconsumeerd, voorzien moeten zijn van de markering “Not for EU”, zoals nader beschreven in artikel 6. |
|
3.2. |
Op grond van artikel 6, lid 1, punt a), is die markering vanaf 1 oktober 2023 verplicht. Deze eis zou echter sommige bedrijven in Groot-Brittannië die aan klanten in Noord-Ierland leveren, in moeilijkheden kunnen brengen. Vooral kleine en middelgrote ondernemingen beschikken wellicht niet over de benodigde technische en financiële middelen om de deadline te halen, of zien zich genoodzaakt investeringen te doen die niet in verhouding staan tot de omvang van hun activiteiten. |
|
3.3. |
De korte deadline zou ook kunnen leiden tot problemen met betrekking tot gegevensbeheer. Bedrijven in de rest van het VK zullen vergelijkbare datasets nodig hebben om aan de sanitaire en fytosanitaire vereisten en douanevoorschriften te kunnen voldoen wanneer ze aan klanten in Noord-Ierland leveren. Eén enkele dataset zou daarom zeer nuttig zijn, niet alleen voor de bedrijven, maar ook voor de monitoring van de naleving van deze vereisten en voorschriften. Het zou lastig kunnen zijn om zo’n dataset vóór 1 oktober 2023 te realiseren. |
|
3.4. |
Als artikel 6, lid 1, punt a), vanaf 1 oktober 2023 niet kan worden toegepast, zou de frequentie van de overeenstemmingscontroles waaraan zendingen vanuit Groot-Brittannië naar Noord-Ierland worden onderworpen, tijdelijk hoger kunnen liggen dan de in artikel 4, lid 3, vermelde frequenties. Ook is onduidelijk hoe uit de EU afkomstige verpakte detailhandelsgoederen in de praktijk een etiket met “Not for EU” zouden kunnen krijgen in distributiecentra van supermarkten die zowel aan Noord-Ierland als Ierland leveren. |
|
3.5. |
Een ander potentieel probleem betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in Noord-Ierland. Hier blijken duidelijk de gevolgen van de wetgevingsverschillen tussen de EU en het VK. In Noord-Ierland worden de meeste gewasbeschermingsmiddelen gebruikt voor grasland. Die middelen zijn thans afkomstig uit zowel de EU als Groot-Brittannië. De maximumresidugehalten zijn voor elk gewasbeschermingsmiddel anders en lopen soms tussen het VK en de EU uiteen. Dit brengt landbouwers in Noord-Ierland in een lastig parket en het zou daarom nuttig zijn als het systeem wordt herzien. |
|
3.6. |
Een factor van betekenis zijn verder de gevolgen van het “Border Target Operating Model” (TOM), waarvan het VK op 5 april 2023 een ontwerpversie heeft gepubliceerd en dat nieuwe regels behelst voor de invoer in Groot-Brittannië, onder meer met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire controles. Het TOM zal eind oktober 2023 worden ingevoerd en vergroot nog de onzekerheid die voor exploitanten al zal ontstaan door de “EU Retained Law Bill”, welke er wellicht toe zal leiden dat duizenden EU-wetten eind 2023 automatisch worden geschrapt. |
|
3.7. |
Weliswaar heeft de EU haar “gedelegeerde verordening” gewijzigd, waardoor runderen en schapen die het EU-regelgevingsgebied (en dus Noord-Ierland) verlaten binnen 15 dagen mogen terugkeren, maar in de praktijk blijft dit nog steeds lastig voor Noord-Ierse rundveehouders. |
|
3.8. |
Veemarkten in Groot-Brittannië dienen door het “Animal and Plant Health Agency” (APHA) erkende exportcentra te zijn, waarbij alle dieren die deze centra gebruiken dezelfde gezondheidsstatus moeten hebben. Dankzij de Schotse status “Official Tuberculosis Free” (OTF) hoeven die dieren niet te worden getest op tuberculose voorafgaand aan verkopen of tentoonstellingen in Groot-Brittannië, maar deze vrijstelling geldt niet voor Engelse en Welshe fokdieren. Omdat er binnen Groot-Brittannië weinig of geen vraag is naar door het APHA erkende exportcentra, heeft momenteel alleen het centrum in Carlisle die erkenning. Dat is daarom de enige veemarkt waar Noord-Ierse runderen kunnen worden verkocht waarbij de gedelegeerde verordening van de EU van toepassing is. Dit betekent dat als dieren uit Noord-Ierland te koop worden aangeboden op een niet door het APHA erkende veemarkt en niet worden verkocht, ze zes maanden in Groot-Brittannië moeten blijven voordat ze naar Noord-Ierland kunnen terugkeren, wat financieel ondoenbaar is. |
|
3.9. |
Het is tot nu toe onduidelijk hoe het opnieuw oormerken van vee dat vanuit de rest van het VK naar Noord-Ierland wordt verplaatst, in zijn werk zou moeten gaan. Op dit moment dienen runderen die Noord-Ierland vanuit Groot-Brittannië binnenkomen, naast hun twee VK-oormerken een extra Brits exportoormerk te hebben. Binnen twintig dagen na binnenkomst van de dieren in Noord-Ierland moeten ze ook twee Noord-Ierse oormerken krijgen. Als er geen oormerken worden verwijderd, is deze procedure zeer onpraktisch en zou bovendien gevolgen kunnen hebben voor het dierenwelzijn. |
|
3.10. |
Het wetgevingskader staat het verkeer van teeltmateriaal, zoals pootaardappelen, naar Noord-Ierland vanuit de rest van het VK en ook vanuit de EU toe. Daardoor zal de handel tussen met name Schotland en Noord-Ierland, die zich vóór de Brexit gedurende vele jaren heeft ontwikkeld, verder kunnen gaan. |
|
3.11. |
De in het voorstel voorziene documenten en controles in verband met dit verkeer van pootaardappelen zullen voor de betrokken bedrijven waarschijnlijk geen problemen opleveren. De gewassen van deze Noord-Ierse pootaardappelen kunnen worden verkocht aan telers op de interne markt en in Groot-Brittannië. Het verkeer van consumptieaardappelen van de interne markt naar Noord-Ierland voor verdere verwerking en verkoop in de rest van het VK is toegestaan. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/fs_23_1272
(2) COM(2023) 124 final.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/148 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese statistieken over bevolking en huisvesting, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013
(COM(2023) 31 final — 2023/0008 (COD))
(2023/C 228/22)
|
Raadpleging |
Raad van de Europese Unie, 15.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 338, lid 1, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
142/0/1 |
Aangezien het Comité instemt met de inhoud van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese statistieken over bevolking en huisvesting, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013 en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 26 en 27 april 2023 gehouden 578e zitting (vergadering van 27 april 2023) met 142 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 1 onthouding, besloten om hierover een positief advies uit te brengen.
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/149 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk
(COM(2022) 701 final — 2022/0407 (CNS)
en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft de voor het digitale tijdperk noodzakelijke regelingen voor administratieve samenwerking op het gebied van de btw
(COM(2022) 703 final — 2022/0409 (CNS))
(2023/C 228/23)
|
Rapporteur: |
Philip VON BROCKDORFF |
|
Corapporteur: |
Krister ANDERSSON |
|
Raadpleging |
Raad van de Europese Unie, 10.2.20232 en 13.2.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
18.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
145/0/0 |
1. Samenvatting en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de dertig jaar oude regels inzake belasting over de toegevoegde waarde (btw) te actualiseren, zodat de interne markt beter en minder versnipperd kan functioneren en kan worden aangepast aan het digitale tijdperk. |
|
1.2. |
Het voorstel moet volgens het EESC in de eerste plaats gericht zijn op een btw-stelsel dat beter is afgestemd op de huidige ontwikkelingen van de digitale economie en dat de werking van de interne markt verbetert. Bovendien moet het voorstel de belastinginning doeltreffend en tijdig maken, waardoor de btw-fraude en bijgevolg de btw-kloof worden teruggedrongen. |
|
1.3. |
Om ten volle van de interne markt te kunnen profiteren, hebben bedrijven een uniforme toepassing van de btw-regels in de hele EU nodig. Dit is uitsluitend mogelijk met maatregelen op EU-niveau, waarbij bureaucratische rompslomp, discrepanties en mazen in de geldende btw-regels worden voorkomen. Het EESC moedigt de Commissie aan te blijven werken aan de tenuitvoerlegging en benadrukt het belang van toelichtingen of soortgelijke richtsnoeren om uniformiteit te waarborgen. |
|
1.4. |
Het is verheugend dat de voorgestelde regels voor digitale platforms en hun rol bij het helpen innen van btw stroken met eerdere initiatieven van de Commissie op het gebied van de digitale economie. |
|
1.5. |
Het EESC waardeert het dat de binnenlandse verleggingsregeling van toepassing zal zijn op zowel geleverde goederen als verleende diensten. Opgemerkt zij dat goederen en diensten in de huidige regeling in het intracommunautaire handelsverkeer verschillend worden behandeld. Helaas maakt het alomvattende voorstel van de Commissie geen gebruik van de mogelijkheid om de btw-behandeling van goederen en diensten op elkaar af te stemmen. Dit zou de administratieve lasten voor bedrijven, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), hebben verminderd. |
|
1.6. |
Volgens het EESC lijkt het voorgestelde tijdschema voor het melden van intracommunautaire leveringen van goederen en diensten binnen twee dagen onredelijk kort. Te vrezen valt dat de termijn van twee dagen voor elektronische facturen en verslaglegging een belemmering voor de intracommunautaire handel zal vormen, vooral omdat veel kmo’s nu al problemen hebben met de veel langere termijn binnen het huidige regelgevingskader. |
|
1.7. |
De Commissie oppert in het voorstel de mogelijkheid om periodieke facturen uit te reiken, te schrappen. Volgens het EESC moeten periodieke facturen niet worden afgeschaft omdat dit in veel sectoren tot problemen zou leiden. Het gebruik van zulke facturen moet voor binnenlandse transacties altijd worden toegestaan. Voor intracommunautaire transacties zou overwogen kunnen worden om het gebruik van periodieke facturen te beperken, bijvoorbeeld door een limiet van zeven dagen te hanteren. |
|
1.8. |
De Commissie moet blijven streven naar een zo spoedig mogelijke opname van btw-aftrek in het éénloketsysteem (One Stop Shop — OSS) en naar tijdige terugbetaling van de btw. |
|
1.9. |
Het EESC vreest dat de flinke uitvoeringskosten van de maatregelen in het uitgebreide btw-pakket tot hogere prijzen voor de consument kunnen leiden. |
|
1.10. |
Terecht stelt de Commissie dat de intracommunautaire dimensie van btw-fraude EU-ingrijpen vereist, op basis van een correcte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. |
|
1.11. |
Het EESC wijst erop dat de verzamelde en tussen belastingautoriteiten uitgewisselde gegevens zowel persoonsgegevens als gevoelige bedrijfsgegevens kunnen omvatten. Deze gegevens moeten worden beschermd en zeer zorgvuldig worden behandeld ter wille van de integriteit van consumenten en bedrijven. |
2. Inleiding en achtergrondinformatie
|
2.1. |
Op 8 december 2022 heeft de Commissie een pakket maatregelen (1) voor de modernisering van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in de EU gepubliceerd, met als tweeledig doel het btw-stelsel aan het digitale tijdperk aan te passen en fraudebestendiger te maken en zo de huidige btw-kloof (geraamd op circa 93 miljard EUR) te verkleinen (2). |
|
2.2. |
Meer bepaald bestaat het pakket uit drie wetgevingsmaatregelen: i) een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk (3); ii) een voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (4) wat betreft de voor het digitale tijdperk noodzakelijke regelingen voor administratieve samenwerking op het gebied van de btw; iii) een voorstel voor een uitvoeringsverordening van de Raad tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft de informatievereisten voor bepaalde btw-regelingen (5). |
|
2.3. |
Het wetgevingspakket streeft drie hoofddoelstellingen na: i) modernisering van de btw-rapportageverplichtingen door de invoering van digitale rapportageverplichtingen; ii) aanpak van de btw-uitdagingen van de zogenaamde “platformeconomie”, door verduidelijking van de toepasselijke regels om gelijke behandeling van marktdeelnemers te garanderen en door de platformen een grotere rol te geven bij de inning van de btw, en iii) voorkoming van de noodzaak van diverse btw-registraties in de hele EU door de invoering van één btw-registratie. |
|
2.4. |
Om de lidstaten snel informatie te verstrekken, zal er een verplicht systeem komen waarbij de intracommunautaire transacties per stuk gemeld moeten worden. Het wordt aan de lidstaten overgelaten om te beslissen of zij een dergelijk meldingssysteem voor binnenlandse transacties invoeren. Elektronische facturering zal een cruciale rol spelen in het nieuwe rapportagesysteem en het standaardsysteem worden voor de uitgifte van facturen en de basis voor digitale rapportage. |
|
2.5. |
Alle belastingplichtigen mogen gegevens van elektronische facturen die aan de Europese norm voldoen, rapporteren. De lidstaten kunnen bepalen dat de doorzending van de gegevens van elektronische facturen in een ander formaat gebeurt, mits zij ook het gebruik van de Europese norm toestaan. De door de lidstaten toegestane gegevensformaten moeten interoperabel zijn met de Europese norm voor intracommunautaire transacties. |
|
2.6. |
In de sectoren kortetermijnverhuur van accommodatie en personenvervoer van de platformeconomie zal een “gelijkgestelde leverancier”-regeling worden ingevoerd (waarbij de platforms de btw over de onderliggende levering voldoen wanneer de leverancier geen btw in rekening brengt). |
|
2.7. |
De invoering van het éénloketsysteem en het éénloketsysteem voor invoer (IOSS) is een succes gebleken en vermindert de complexiteit. Sommige leveringen van goederen en diensten vallen echter niet onder de vereenvoudigingsregeling van het éénloketsysteem. Er zal worden gestreefd naar een uitbreiding van het toepassingsgebied van het huidige OSS om ervoor te zorgen dat de noodzaak van meerdere btw-registraties in de hele EU verder afneemt. Bovendien zal het IOSS verplicht worden gesteld voor platforms om de invoer van e-handelsgoederen verder te vereenvoudigen en fraudebestendiger te maken. |
|
2.8. |
Volgens de effectbeoordeling (6) bieden de drie voorstellen het beste evenwicht tussen alle beschikbare regelgevingsopties ten aanzien van doeltreffendheid, evenredigheid en subsidiariteit. Volgens de effectbeoordeling zullen de uitgevoerde maatregelen tussen 2023 en 2032 naar verwachting 172 miljard tot 214 miljard EUR aan nettovoordelen opleveren, waaronder 51 miljard EUR aan besparingen (41,4 miljard EUR uit btw-rapportage; 0,5 miljard EUR uit stroomlijning en verduidelijking in de platformeconomie, en 8,7 miljard EUR uit het schrappen van btw-registratieverplichtingen). |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de dertig jaar oude btw-regels te actualiseren, zodat de interne markt beter en minder versnipperd kan functioneren en kan worden aangepast aan het digitale tijdperk. Het is een langverwachte stap in het btw-actieplan dat de Commissie de afgelopen jaren heeft uitgevoerd. Het EESC beschouwt dit voorstel ook als een belangrijk besluit ter ondersteuning van de eengemaakte markt door middel van nauwere samenwerking en uniformiteit tussen belastingautoriteiten. |
|
3.2. |
Het voorstel moet volgens het EESC in de eerste plaats gericht zijn op een btw-stelsel dat beter is afgestemd op de huidige ontwikkelingen van de digitale economie en dat de werking van de interne markt verbetert. Bovendien moet het voorstel de belastinginning doeltreffend en tijdig maken, waardoor de btw-fraude wordt teruggedrongen en er een gelijk speelveld ontstaat. |
|
3.3. |
Terecht stelt de Commissie dat de intracommunautaire dimensie van btw-fraude EU-ingrijpen vereist, op basis van een correcte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. De huidige btw-kloof toont aan dat nationale instrumenten niet volstaan om grensoverschrijdende fraude aan te pakken. |
|
3.4. |
Geharmoniseerde regels voor btw-rapportage zullen de betere werking en een sterkere consolidatie van de eengemaakte markt ten goede komen. Versnippering en verschillende rapportageregelingen in de verschillende lidstaten leiden tot administratieve lasten voor bedrijven en kunnen een belemmering vormen voor grensoverschrijdende verkoop op de eengemaakte markt. Het EESC stelt vast dat de lidstaten hun eigen rapportageregelingen hebben uitgewerkt en dat het bestaan van verschillende soorten regelingen de interne markt minder doeltreffend laat werken. Om deze versnippering tegen te gaan, wordt een gemeenschappelijke aanpak toegejuicht. Het EESC acht het van belang dat de nieuwe rapportageverplichting leidt tot afschaffing van de btw-lijsten. |
|
3.5. |
Om ten volle van de interne markt te kunnen profiteren, hebben bedrijven behoefte aan een uniforme toepassing van de btw-regels in de hele EU, in plaats van te moeten voldoen aan een verschillende uitvoering van gemeenschappelijke regels op nationaal niveau. Dit is uitsluitend mogelijk met maatregelen op EU-niveau, waarbij bureaucratische rompslomp, discrepanties en mazen in de geldende btw-regels worden voorkomen. Het EESC moedigt de Commissie aan te blijven werken aan de uniforme tenuitvoerlegging en benadrukt het belang van toelichtingen of soortgelijke richtsnoeren om uniformiteit te waarborgen. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC herinnert eraan dat bedrijven, en met name kmo’s, aanzienlijke kosten zullen dragen als gevolg van de extra administratieve lasten die voortvloeien uit de invoering van de digitale registratieverplichtingen. Hoewel dergelijke kosten onvermijdelijk zijn om het huidige systeem effectief te moderniseren, moeten de nalevingskosten voor het bedrijfsleven zo laag mogelijk zijn en tijdens de uitvoeringsfase voortdurend worden gecontroleerd. |
|
4.2. |
Het EESC tekent voorts aan dat de geraamde uitvoeringskosten voor bedrijven in de hele EU zeer aanzienlijk zullen zijn (7). Het EESC waarschuwt dat de extra kosten, met name voor bedrijven, ertoe kunnen leiden dat consumenten hogere prijzen betalen, blijkens een studie die aantoont dat er in tal van bedrijven een verband bestaat tussen (over)regulering en prijzen (8). |
|
4.3. |
Ook al hebben de rapportageverplichtingen voor intracommunautaire transacties alleen betrekking op B2B-transacties, de verzamelde en tussen de belastingautoriteiten uitgewisselde gegevens kunnen persoonsgegevens omvatten, en deze gegevens zullen gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard. De verzamelde gegevens zullen waarschijnlijk ook gevoelige bedrijfsgegevens omvatten die ook moeten worden beschermd. In dit verband onderstreept het EESC het beginsel van gegevensminimalisatie en de noodzaak om dergelijke gegevens volwaardig te beschermen. Dit moet in de loop der tijd worden gewaarborgd en gemonitord. |
|
4.4. |
Het EESC stelt met genoegen vast dat de voorgestelde regels voor digitale platforms en hun rol bij het helpen innen van btw stroken met eerdere initiatieven van de Commissie op het gebied van de digitale economie, met inbegrip van het voorstel voor een richtlijn ter verbetering van de omstandigheden van mensen die via digitale arbeidsplatformen werken. Verder tekent het EESC aan dat consumenten zullen profiteren van een verplicht IOSS, aangezien het voor hen gemakkelijker zal worden om goederen via platforms te kopen. Tegelijkertijd zal de btw-inning op deze aankopen worden verbeterd. |
|
4.5. |
Opgemerkt zij dat goederen en diensten in de huidige regeling in het intracommunautaire handelsverkeer verschillend worden behandeld en dat de verleggingsregeling alleen voor diensten geldt. Helaas maakt het alomvattende voorstel van de Commissie geen gebruik van de mogelijkheid om de btw-behandeling van goederen en diensten op elkaar af te stemmen. Een dergelijke aanpassing van de regels zou deze in overeenstemming hebben gebracht met de huidige economische realiteit, waarin klanten doorgaans oplossingspakketten kopen in plaats van louter goederen of diensten. Een dergelijke wijziging zou de administratieve lasten hebben verminderd voor bedrijven, met name kmo’s, die momenteel alleen vanwege de btw-regels een onderscheid moeten maken tussen afzonderlijke componenten van samengestelde leveringen. |
|
4.6. |
Het EESC steunt de algemene doelstelling van de Commissie om platforms in het regelgevingskader voor de btw een grotere rol toe te kennen. De voorstellen kunnen worden gezien als een doeltreffende aanpak van concurrentievervalsing. Daarmee zijn de zorgen die aan de voorstellen voor een digitaledienstenbelasting ten grondslag liggen, adequaat en voldoende weggenomen. |
|
4.7. |
Het EESC is ingenomen met de bredere toepassing van het OSS. Dit zal leiden tot minder buitenlandse btw-registraties voor bedrijven, waardoor de naleving minder zwaar en goedkoper wordt, met name voor kmo’s. |
|
4.8. |
De voorgestelde realtime-rapportage is gebaseerd op elektronische facturering. Het EESC is ingenomen met het gebruik van digitalisering op belastinggebied, maar wil erop wijzen dat het niveau van elektronische facturering per lidstaat sterk verschilt. Daarom kan het voor de Commissie van belang zijn na te gaan welke technische steun in de verschillende lidstaten eventueel nodig is, en te onderzoeken of die steun aan bedrijven kan worden geleverd door de Commissie en de lidstaten. Voorts vindt het EESC dat de Commissie duidelijker moet zijn over de Europese norm voor elektronische facturering en over het feit dat deze in de loop der tijd zal evolueren. De Commissie zou de Europese norm zo snel mogelijk bekend moeten maken, zodat bedrijven zich op de veranderingen kunnen voorbereiden. |
|
4.9. |
Er zij op gewezen dat het voorstel de informatievereisten voor facturen uitbreidt, aangezien het internationale bankrekeningnummer (IBAN) of het equivalent daarvan en de datum van betaling beide moeten worden vermeld. De uitbreiding van de factureringsvereisten kan voor bedrijven tot onzekerheid en hogere administratiekosten leiden. Voorts merkt het EESC op dat het gebruikelijk is dat bedrijven diverse IBAN-nummers op een factuur hebben en dat er dus meer duidelijkheid moet komen over wat er moet worden vermeld. De Commissie wordt aangeraden om na te gaan of de belastingdiensten deze informatie kunnen gebruiken om de inning van de btw te waarborgen. Als de informatie niet kan worden gebruikt bij de inning en controle van de btw, is dit voor bedrijven niet meer dan een extra last. |
|
4.10. |
Volgens het EESC lijkt het voorgestelde tijdschema voor het melden van intracommunautaire leveringen van goederen en diensten binnen twee dagen onredelijk kort. Te vrezen valt verder dat de termijn van twee dagen de toegang tot de interne markt zou kunnen bemoeilijken, vooral omdat veel kmo’s nu al problemen hebben met de veel langere termijn binnen het huidige regelgevingskader. |
|
4.11. |
De termijn van twee dagen is wellicht bijzonder omslachtig voor de afnemer. De termijn moet daarom aanzienlijk worden verlengd, ook rekening houdend met de omvang van de betrokken bedrijven en eventueel met specifieke vrijstellingen voor de kleinste ondernemingen. Voorts merkt het EESC op dat striktere termijnen vaak leiden tot meer fouten en correcties met terugwerkende kracht, die in de lidstaten opnieuw verschillend worden bestraft. Het EESC moedigt de Commissie daarom aan de lidstaten te adviseren over het beperken van de sancties en de rentepercentages, vooral in de eerste jaren na de goedkeuring. |
|
4.12. |
De Commissie oppert in het voorstel de mogelijkheid om periodieke facturen uit te reiken, te schrappen. Volgens het EESC kan dit voor het functioneren van bepaalde sectoren zeer moeilijk zijn; het spoort de Commissie en de Raad aan de voordelen van het afschaffen van de mogelijkheid nader te bestuderen en af te wegen tegen de kosten en problemen die voor verschillende sectoren uit deze afschaffing voortvloeien. Het gebruik van zulke facturen moet voor binnenlandse transacties altijd worden toegestaan. Voor intracommunautaire transacties zou overwogen kunnen worden om het gebruik van periodieke facturen te beperken, bijvoorbeeld door een limiet van zeven dagen te hanteren. |
|
4.13. |
Aftrek van voorbelasting is een essentieel onderdeel van een goed functionerend btw-stelsel en onderscheidt de btw van de belasting op goederen en diensten (GST) of andere indirecte belastingen. Het EESC begrijpt dat de situatie in de lidstaten het de Commissie niet mogelijk heeft gemaakt voor te stellen dat het OSS ook de aftrek van voorbelasting omvat. Desondanks wordt de Commissie aangeraden haar werkzaamheden op dit gebied voort te zetten. Ook als de btw-aftrek niet onmiddellijk in het OSS kan worden opgenomen, moedigt het EESC de Commissie aan om te bezien of de btw sneller terugbetaald kan worden aan bedrijven die zich aan de regels houden via OSS. Een snellere teruggave van btw zou de werking van de interne markt ten goede komen. Voorts moedigt het EESC de Commissie aan om, als langetermijndoelstelling, ernaar te blijven streven de btw-aftrek in de toekomst in het éénloketsysteem onder te brengen. |
|
4.14. |
Het EESC vreest dat de hoge uitvoeringskosten van de maatregelen in het uitgebreide btw-pakket tot hogere prijzen voor de consument kunnen leiden. Het is daarom van groot belang de complexiteit en de administratieve kosten voor bedrijven zo veel mogelijk te beperken door te zorgen voor een uniform rapportagesysteem en een uniforme toepassing van de regels in alle lidstaten. |
|
4.15. |
Het EESC is ook bezorgd over de door de Commissie voorgestelde termijnen. Voorgesteld wordt dat de belangrijkste wijzigingen in 2028 in werking treden, maar bepaalde onderdelen van het voorstel zouden al in 2024 van kracht moeten worden. Het EESC herinnert de Commissie eraan dat er voldoende tijd nodig is om een correcte uitvoering te waarborgen. Het EESC raadt de Commissie dan ook aan om het tijdschema te verlengen door het zodanig te wijzigen dat ten minste een jaar wordt uitgetrokken voor de uitvoering ervan nadat de Raad overeenstemming heeft bereikt over het voorstel. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Wetgevingspakket btw in het digitale tijdperk, 8.12.2022.
(2) Er zij echter op gewezen dat de btw-kloof van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschilt.
(3) COM(2022) 701 final.
(4) PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1.
(5) COM(2022) 704 final.
(6) SWD(2022) 393 final.
(7) De uitvoeringskosten voor bedrijven worden geraamd op 11,3 miljard EUR, terwijl de uitvoeringskosten voor de belastingautoriteiten worden geschat op 2,2 miljard EUR.
(8) Regulations could be increasing consumer prices.
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/154 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/413 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen
(COM (2023)126 final)
(2023/C 228/24)
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 16.3.2023 Raad van de Europese Unie, 23.3.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikelen 91, lid 1, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
133/0/0 |
Aangezien het Comité volledig met het voorstel instemt en er geen commentaar op heeft, heeft het besloten hierover een positief advies uit te brengen.
Brussel, 27 april 2023.
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
|
29.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/155 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het werkdocument van de diensten van de Commissie — Evaluatie van de staatssteunregels voor sociale en gezondheidsdiensten van algemeen economisch belang (DAEB) en van de verordening inzake de-minimissteun voor DAEB
(SWD(2022) 388 final)
(2023/C 228/25)
|
Rapporteur: |
Giuseppe GUERINI |
|
Corapporteur: |
Paulo BARROS VALE |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 8.3.2023 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.4.2023 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2023 |
|
Zitting nr. |
578 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
138/0/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) merkt op dat de sociale en gezondheidsdiensten in de hele EU moeten worden versterkt, gezien de voortschrijdende vergrijzing van de bevolking en het toenemende aantal gehandicapten en kansarmen dat passende bijstand nodig heeft. Deze situatie leidt tot een toename van de vraag naar langdurige zorg en steun, waarvoor aanzienlijke investeringen nodig zijn van de overheid, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, om sociale innovatie te verwezenlijken en een adequaat antwoord op de huidige uitdagingen te bevorderen. |
|
1.2. |
Het EESC is van mening dat de inspanningen om te zorgen voor adequate sociale en gezondheidsdiensten moeten worden ondersteund met passende financiële middelen, via adequate overheidsinvesteringen, en met staatssteun die specifiek op dergelijke sectoren is gericht. De huidige staatssteunregels, die in 2012 zijn goedgekeurd, moeten daarom worden aangepast om eerlijke concurrentie en de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang te waarborgen. Dit gezegd zijnde, merkt het EESC op dat het in 2012 goedgekeurde DAEB-staatssteunpakket het vorige rechtskader, dat dateert van 2005, al een stuk eenvoudiger en voorspelbaarder heeft gemaakt. |
|
1.3. |
In aansluiting op een eerder advies (1) herhaalt het EESC dat het huidige plafond voor de-minimissteun voor de DAEB-sector, dat in Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie (2) is vastgelegd op 500 000 EUR over drie boekjaren, zeker zou moeten worden verhoogd, met name voor sociale en gezondheidsdiensten, gelet op de vroegere en toekomstige gevolgen van de inflatie alsook op de bijzondere rol die deze diensten spelen voor de zwakste bevolkingsgroepen en de sociale samenhang. |
|
1.4. |
Het EESC beveelt dan ook aan het de-minimisplafond voor sociale en gezondheidsdiensten aanzienlijk te verhogen, nog hoger dan het plafond dat onlangs werd beoogd in het voorstel tot wijziging van het horizontale de-minimisplafond van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie (3), om ten volle rekening te houden met de toenemende strategische rol van sociale en gezondheidsdiensten in de hele EU. |
|
1.5. |
Ook beveelt het EESC aan om, naast de wijziging van de maximale de-minimisdrempels, enkele verduidelijkingen aan te brengen met betrekking tot: i) een uitgebreidere definitie van “sociale huisvesting”; ii) een betere definitie van het begrip “redelijke winstmarge”, waarbij ondernemingen van de sociale economie waarvan de economische marges verband houden met een sociaal doel afzonderlijk worden bekeken, en iii) het begrip “marktfalen”. |
|
1.6. |
Wat het begrip “redelijke winstmarge” betreft, merkt het EESC op dat het nuttig zou zijn dat de Commissie criteria en indicatoren vaststelt waarmee de winstmarge die aan de marktdeelnemers moet worden toegestaan, kan worden gecorreleerd aan hun vermogen om doelstellingen van algemeen belang na te streven en aldus positieve sociale effecten te creëren. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
In het werkdocument van de diensten van de Commissie “Evaluation of the State subsidy rules for health and social services of general economic interest and of the SGEI de minimis Regulation” (Evaluatie van de staatssteunregels voor sociale en gezondheidsdiensten van algemeen economisch belang (DAEB) en van de verordening inzake de-minimissteun voor DAEB) worden de resultaten samengevat van de evaluatie van het Almunia-pakket, dat sinds 2012 van kracht is. |
|
2.2. |
De belangrijkste doelstellingen van het pakket van 2012 op het gebied van sociale en gezondheidsdiensten waren: i) vereenvoudiging van de verenigbaarheidscriteria, en ii) het verminderen van de administratieve lasten voor lidstaten die compensatie willen verlenen aan ondernemingen die belast zijn met het verrichten van DAEB aan kwetsbare bevolkingsgroepen tegen billijke en betaalbare voorwaarden. |
|
2.3. |
De evaluatie van de Commissie is dan ook bedoeld om vast te stellen in hoeverre de regels die van toepassing zijn op sociale en gezondheidsdiensten hun doelstellingen hebben bereikt en of zij in het huidige sociale en economische scenario nog steeds geschikt zijn. |
|
2.4. |
Meer in het bijzonder wordt in de evaluatie van de Commissie gekeken naar de doeltreffendheid, efficiëntie, samenhang en Europese toegevoegde waarde van de regels inzake DAEB zoals die de afgelopen tien jaar zijn toegepast op sociale en gezondheidsdiensten. Hierbij ligt de nadruk op de concrete problemen waarmee de lidstaten tot nu toe werden geconfronteerd bij de uitvoering van de regels inzake DAEB. De evaluatie is ook bedoeld om na te gaan hoe de verordening inzake de-minimissteun voor DAEB ten uitvoer is gelegd. |
|
2.5. |
Uit de analyse van de Commissie blijkt dat het DAEB-pakket van 2012 vrij doeltreffend is geweest op het vlak van verduidelijking en vereenvoudiging. Zo werd het DAEB-pakket van 2005 vereenvoudigd door een specifieke de-minimisverordening voor DAEB in te voeren. Ook werden bepaalde basisbegrippen die relevant zijn voor de toepassing van DAEB-regels verduidelijkt en verfijnd. |
|
2.6. |
Uit de evaluatie blijkt echter dat er nog ruimte voor verbetering is. Zo zouden met name bepaalde sleutelbegrippen moeten worden verduidelijkt die verband houden met het toepassingsgebied van zowel artikel 107 VWEU als het specifieke rechtskader voor DAEB, te weten: i) economische/niet-economische activiteit; ii) invloed op het handelsverkeer; iii) redelijke winst; iv) marktfalen, en v) sociale huisvesting. In de evaluatie wordt ook gewezen op de mogelijkheid om het huidige DAEB-de-minimisplafond te verhogen en op de brede consensus hierover onder belanghebbenden. |
|
2.7. |
Wat de efficiëntie betreft, blijkt uit de evaluatie dat de verordening inzake de-minimissteun voor DAEB en de wijziging van het DAEB-besluit in 2012 ertoe hebben geleid dat de administratieve lasten voor overheidsinstanties zijn verminderd, hoewel deze nog verder kunnen worden teruggedrongen. Uit andere verzamelde gegevens blijkt dat de kosten in verband met de toepassing van de DAEB-regels nog steeds te hoog zijn. |
|
2.8. |
Wat de samenhang betreft, blijkt uit de evaluatie dat de staatssteunregels van het DAEB-pakket van 2012 intern coherent zijn en kunnen zorgen voor een betere taakverdeling tussen de lidstaten en de Commissie, wat een Europese toegevoegde waarde oplevert, die grotendeels wordt erkend door zowel publieke als private belanghebbenden. |
|
2.9. |
De algemene consensus is dat het DAEB-pakket van 2012 erin is geslaagd een stabiel juridisch kader voor de lidstaten te waarborgen en geschikt is om aan de behoeften binnen de EU te voldoen. De gevolgen en onzekerheden als gevolg van zowel de COVID-19-crisis als de Russische invasie van Oekraïne konden echter nog niet volledig worden geëvalueerd, en in de toekomst kunnen nog enkele verdere verbeteringen nodig zijn. |
|
2.10. |
De stelsels voor sociale en gezondheidsbescherming in de hele EU moeten in de eerste plaats worden gewaarborgd en ondersteund door adequate overheidsinvesteringen, in combinatie met een groeiende rol voor particuliere marktdeelnemers en entiteiten van de sociale economie. Alle publieke of private actoren die betrokken zijn bij de levering van sociale en gezondheidsdiensten moeten zich houden aan passende normen en criteria waarmee concurrentie en doelstellingen van algemeen belang met elkaar kunnen worden verzoend. |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is ingenomen met de uitgebreide raadpleging en evaluatie die de Commissie heeft uitgevoerd om de impact en de huidige effecten van de staatssteunregels van 2012 voor DAEB te beoordelen, met name wat betreft sociale en gezondheidsdiensten. |
|
3.2. |
Het EESC is verheugd dat de Commissie rekening heeft gehouden met zijn initiatiefadvies “Staatssteunregels die van toepassing zijn op sociale en gezondheidsdiensten van algemeen economisch belang in een post-pandemisch scenario. Gedachten en voorstellen naar aanleiding van de evaluatie van het wetgevingspakket van 2012 door de Commissie” (4) en met de werkzaamheden van het Comité van de Regio’s over hetzelfde onderwerp. |
|
3.3. |
Het EESC is ingenomen met de openbare raadpleging die de Commissie tussen 31 juli 2019 en 4 december 2019 heeft gehouden en met het deskundigenonderzoek dat tussen juni 2020 en mei 2021 is uitgevoerd. Dergelijke raadplegingen hebben geholpen om het evaluatieproces transparanter en democratischer te maken, ondanks de zeer technische aard van het onderzochte onderwerp. |
|
3.4. |
Het EESC wil er nogmaals op wijzen dat het pakket van 2012 tot vaststelling van regels inzake staatssteun voor DAEB zeker nuttig is geweest om de oude regels, die dateerden van 2005, te actualiseren en vereenvoudigen. De regelgevingsaanpak van dit pakket moet dan ook in de toekomst worden gehandhaafd, maar sommige zaken moeten worden bijgewerkt en er moet worden gestreefd naar een verdere vereenvoudiging, meer duidelijkheid en een grotere rechtszekerheid. |
|
3.5. |
Het EESC is van mening dat de uitbreiding van de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting voor bepaalde sociale diensten, die is ingevoerd bij Besluit 2012/21/EU van de Commissie (5) die de Commissie in haar werkdocument heeft geëvalueerd, de verlening van diensten van sociale en gezondheidsdiensten van algemeen economisch belang op nationaal niveau heeft vergemakkelijkt. Hierdoor zijn de administratieve lasten voor de overheid namelijk verminderd, en het heeft gezorgd voor meer juridische voorspelbaarheid en flexibiliteit voor ondernemingen. Deze uitbreiding toont aan dat de Commissie sociale en gezondheidsdiensten beschouwt als een subcategorie met autonome kenmerken binnen de bredere context van DAEB. |
|
3.6. |
Het EESC is van mening dat de definitie van “sociale huisvesting” enigszins zou kunnen worden verruimd. De huidige definitie luidt als volgt: “Ondernemingen die met de verrichting van sociale diensten zijn belast, waaronder sociale huisvesting voor achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen welke, door solvabiliteitsbeperkingen, geen huisvesting tegen marktvoorwaarden kunnen vinden, [dienen] voor de in dit besluit vastgestelde vrijstelling van de aanmeldingsverplichting in aanmerking te kunnen komen.” Het zou dan ook belangrijk zijn om in de definitie ook andere ernstige, naar behoren controleerbare situaties op te nemen van personen die in strikte zin niet tot “achterstandsgroepen” of “sociaal kansarme groepen” behoren en niet technisch “insolvent” zijn of met “solvabiliteitsbeperkingen” kampen, zoals kwetsbare personen, waaronder vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld, alsook ouderen. Bovendien is toegang tot huisvesting een essentiële voorwaarde voor sociale inclusie, en zou de situatie van jongeren in Europa een overheidsinvesteringsbeleid in voor hen bestemde huisvesting rechtvaardigen. |
|
3.7. |
Het EESC herhaalt zijn verzoek om verdere verduidelijking van het begrip “redelijke winstmarge” voor de winst die verleners van DAEB mogen ontvangen naast de compensatie van de gemaakte kosten voor het leveren van de dienst. In dit verband deelt het EESC het standpunt van het Comité van de Regio’s dat de lokale en regionale overheden onvoldoende toegerust zijn om de referentiepunten voor een redelijke winst te bepalen. Naast een verdere verduidelijking van het begrip “redelijke winstmarge” zou de Commissie in dit verband aanvullende richtsnoeren kunnen verstrekken ten behoeve van overheidsinstanties. Het EESC benadrukt hoe belangrijk het is dat lokale en regionale overheden de desbetreffende regels duidelijk en gemakkelijk kunnen kennen en toepassen. Om vast te stellen wat als een redelijke winstmarge kan worden beschouwd, moet een evaluatie worden gemaakt van de concrete bijdrage van ondernemingen die sociale en gezondheidsdiensten verlenen aan de verwezenlijking van het algemeen belang. |
|
3.8. |
Zoals de Commissie in haar evaluatie benadrukt, wordt de situatie nog verergerd door het feit dat bepaalde lidstaten hebben aangegeven dat zij DAEB-verleners niet in staat stellen een redelijke winst te behalen als onderdeel van de compensatie, vanwege de complexiteit van het begrip “redelijke winst”. |
|
3.9. |
Het EESC is van mening dat in de definitie van “redelijke winstmarge” een onderscheid moet worden gemaakt ten gunste van ondernemingen van de sociale economie, die verplicht zijn de economische marges te herinvesteren in hun eigen statutaire activiteiten, waardoor een heilzaam economisch effect wordt gecreëerd dat moet worden aangemoedigd en ondersteund. |
|
3.10. |
Het EESC onderstreept dat bij de toekomstige aanpassing van de regels van het DAEB-pakket uit 2012 rekening moet worden gehouden met de meest recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie over het begrip “economische activiteit”. Sommige activiteiten in verband met sociale en gezondheidsdiensten zijn wellicht niet van economische aard. Ingeval een onderneming zowel economische als niet-economische activiteiten verricht, is een gescheiden en duidelijke boekhouding een zeer nuttig instrument om transparantie te waarborgen en kruissubsidiëring te voorkomen. |
|
3.11. |
Het EESC wijst er nogmaals op dat veel gezondheidsdiensten en zo goed als alle sociale diensten binnen de afzonderlijke lidstaten een regionale, provinciale of zelfs gemeentelijke dimensie hebben. Dit betekent dat de mobiliteit van gebruikers tussen regio’s of provincies binnen een bepaald land zeer beperkt is, laat staan dat dit een geloofwaardig effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten kan hebben. |
|
3.12. |
De diensten van de Commissie merken in hun evaluatie op dat het a priori moeilijk is om een effect op het handelsverkeer voor alle sociale en gezondheidsdiensten uit te sluiten en dat het relatief geringe steunbedrag of de relatief bescheiden omvang van de begunstigde onderneming niet per se betekent dat het handelsverkeer tussen lidstaten niet kan worden beïnvloed. Hoewel het standpunt van de Commissie begrijpelijk is en in de lijn ligt van de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, wijst het EESC erop dat concurrentie en interstatelijke investeringen kunnen worden gewaarborgd door een stabiele financiering van sociale en gezondheidsdiensten op lokaal niveau mogelijk te maken en er tegelijkertijd voor te zorgen dat ondernemingen die vanuit een andere lidstaat een bepaalde markt willen betreden op niet-discriminerende basis in aanmerking kunnen komen voor overheidssubsidies. |
|
3.13. |
Veel van de geraadpleegde belanghebbenden waren van mening dat de verduidelijking van het begrip “marktfalen” in het pakket van 2012 de naleving van de DAEB-regels voor sociale en gezondheidsdiensten ten minste gedeeltelijk heeft vergemakkelijkt. In dit verband wil het EESC erop wijzen dat er niet alleen sprake is van marktfalen wanneer een bepaalde dienst niet door de markt wordt geleverd, maar ook en vooral wanneer de markt niet in staat is te zorgen voor voldoende kwaliteit en eerlijke toegang tot betaalbare diensten voor iedereen, met nadelige gevolgen voor de sociale cohesie en gelijke kansen. |
|
3.14. |
Het EESC steunt het standpunt van de meeste door de Commissie geraadpleegde belanghebbenden, die van mening zijn dat het in Verordening (EU) nr. 360/2012 vastgestelde plafond van 500 000 EUR niet voldoet aan de huidige financieringsbehoeften voor het verlenen van een DAEB, aangezien het de-minimisplafond in veel gevallen gemakkelijk lijkt te worden bereikt en het gemiddelde bedrag aan staatssteun sinds 2012 aanzienlijk is gestegen. Deze drempel moet nog verder worden verhoogd voor entiteiten die overeenkomstig hun statuten en de wet verplicht zijn de opbrengsten te herinvesteren in overeenstemming met de sociale doelstelling die zij nastreven, zoals het geval is voor sociale ondernemingen (6). |
|
3.15. |
In dit verband benadrukt het EESC de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de sociale en gezondheidsdiensten maar ook de gevolgen van de inflatie, die de afgelopen drie jaar enorm is toegenomen. Hieruit volgt dat een verhoging van het de-minimisplafond, mogelijk zelfs hoger dan het onlangs voorgestelde plafond, en een aanpassing van Verordening (EU) nr. 1407/2013 gerechtvaardigd zouden zijn gezien de strategische rol van de sociale en gezondheidsdiensten in de gehele Unie en dus serieus moeten worden overwogen, ook al zou het gewone plafond van Verordening (EU) nr. 1407/2013 nog van kracht blijven. |
|
3.16. |
Het EESC merkt op dat de verhoging van de de-minimisdrempel, die momenteel is vastgesteld op 500 000 EUR over drie boekjaren, rechtszekerheid zou bieden aan dienstverleners, maar ook aan lokale overheden en autoriteiten die sociale en medische infrastructuur willen ondersteunen. De toegang tot zorg is in veel lidstaten zorgwekkend slecht en de Commissie moet de inspanningen van de lidstaten die hierin willen investeren, ondersteunen. |
|
3.17. |
Net als in zijn advies “Een actieplan voor de sociale economie” (7) wijst het EESC op het belang van de sociale economie voor sociale en gezondheidsdiensten, die moeten worden ondersteund door de voorwaarden voor toegang tot en de omvang van staatssteun voor entiteiten van de sociale economie te verduidelijken, met name wat betreft DAEB. |
|
3.18. |
Het EESC wijst erop dat de gevolgen van de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voor het DAEB-pakket van 2012 niet grondig zijn geanalyseerd in het werkdocument van de Commissie, maar waar relevant in aanmerking zijn genomen. In dit verband moet worden opgemerkt dat zowel de COVID-19-pandemie als de invasie van Oekraïne de rol van sociale en gezondheidsdiensten nog relevanter en belangrijker hebben gemaakt dan in het verleden (8) en de activiteiten en het functioneren van de actoren die bij de verlening van dergelijke diensten betrokken zijn, negatief hebben beïnvloed. Er is dan ook des te meer behoefte aan een rechtskader dat een stabiele, doeltreffende en vereenvoudigde overheidsfinanciering van sociale en gezondheidsdiensten kan waarborgen. |
|
3.19. |
Tot slot merkt het EESC op dat de Europese Commissie onlangs is begonnen met het uitwerken van een flexibeler en doeltreffender rechtskader voor de financiering van de groene transitie, om het EU-beleid aan te passen aan de door de Verenigde Staten van Amerika aangenomen wet ter vermindering van de inflatie (Inflation Reduction Act). Het internationale concurrentievermogen van de EU is zeker een goede reden om het huidige rechtskader inzake staatssteun aan te passen. Evenzo zou een aanpassing en een adequate vereenvoudiging van de huidige regels inzake sociale en gezondheidsdiensten gerechtvaardigd zijn en zeker bijdragen tot een betere dienstverlening aan de burgers, mede gezien de toenemende behoefte aan bijstand zoals wordt gesignaleerd in de documenten over de Europese zorgstrategie voor zorgverleners en zorgontvangers (9). |
|
3.20. |
Tot slot herhaalt het EESC nog maar eens dat er zorgvuldig moet worden toegezien op het gebruik van staatssteun voor sociale en gezondheidsdiensten, om onregelmatigheden of misbruik door marktdeelnemers die in dergelijke kritieke sectoren actief zijn, te voorkomen. |
Brussel, 27 april 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) PB C 429 van 11.12.2020, blz. 131.
(2) Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L 114 van 26.4.2012, blz. 8).
(3) Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1).
(4) PB C 323 van 26.8.2022, blz. 8.
(5) Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).
(6) PB C 429 van 11.12.2020, blz. 131.
(7) PB C 323 van 26.8.2022, blz. 38.
(8) Dit blijkt ook uit de stijging van de nationale uitgaven voor sociale en gezondheidsdiensten in de afgelopen jaren, zoals wordt benadrukt in de evaluatie van de Commissie.
(9) https://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=en&catId=89&furtherNews=yes&newsId=10382#navItem-relatedDocuments