|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
66e jaargang |
|
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2023/C 155/01 |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2023/C 155/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: https://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/2 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 maart 2023 — Les Mousquetaires, ITM Entreprises SAS / Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
(Zaak C-680/20 P) (1)
(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Besluit van de Europese Commissie waarbij een inspectie wordt gelast - Rechtsmiddelen tegen het verloop van de inspectie - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Verordening (EG) nr. 1/2003 - Artikel 19 - Verordening (EG) nr. 773/2004 - Artikel 3 - Vastlegging van gesprekken die de Commissie in het kader van haar onderzoeken heeft gevoerd - Tijdstip waarop het onderzoek van de Commissie een aanvang neemt)
(2023/C 155/02)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirantes: Les Mousquetaires, ITM Entreprises SAS (vertegenwoordigers: M. Blutel, N. Jalabert-Doury en K. Mebarek, avocats)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Berghe, A. Cleenewerck de Crayencour, A. Dawes en I. V. Rogalski, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A.-L. Meyer en M. O. Segnana, gemachtigden)
Dictum
|
1) |
Punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 oktober 2020, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie (T-255/17, EU:T:2020:460), wordt vernietigd voor zover daarin voor het overige het beroep werd afgewezen dat rekwirantes hadden ingesteld tegen besluit C(2017) 1057 final van de Commissie van 9 februari 2017 waarbij Intermarché en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen werden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (AT.40466 — Tute 1) en besluit C(2017) 1361 final van de Commissie van 21 februari 2017 waarbij Les Mousquetaires en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen werden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (AT.40467 — Tute 2). |
|
2) |
Punt 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 oktober 2020, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie (T-255/17, EU:T:2020:460), wordt vernietigd voor zover hierin is beslist over de kosten. |
|
3) |
Besluit C(2017) 1057 final van de Commissie van 9 februari 2017 waarbij Intermarché en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen werden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (AT.40466 — Tute 1) en besluit C(2017) 1361 final van de Commissie van 21 februari 2017 waarbij Les Mousquetaires en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen werden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (AT.40467 — Tute 2), worden nietig verklaard. |
|
4) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van Les Mousquetaires SAS en ITM Entreprises SAS betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening. |
|
5) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/3 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 maart 2023 — Casino, Guichard-Perrachon, Achats Marchandises Casino SAS (AMC) / Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
(Zaak C-690/20 P) (1)
(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Besluit van de Europese Commissie waarbij een inspectie wordt gelast - Rechtsmiddelen tegen het verloop van de inspectie - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Verordening (EG) nr. 1/2003 - Artikel 19 - Verordening (EG) nr. 773/2004 - Artikel 3 - Vastlegging van gesprekken die de Commissie in het kader van haar onderzoeken heeft gevoerd - Tijdstip waarop het onderzoek van de Commissie een aanvang neemt)
(2023/C 155/03)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirantes: Casino, Guichard-Perrachon, Achats Marchandises Casino SAS (AMC) (vertegenwoordigers: G. Aubron, Y. Boubacir, O. de Juvigny, I. Simic en A. Sunderland, avocats)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Berghe, A. Cleenewerck de Crayencour, A. Dawes en I. V. Rogalski, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A.-L. Meyer en M. O. Segnana, gemachtigden)
Dictum
|
1) |
Punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 oktober 2020, Casino, Guichard-Perrachon en AMC/Commissie (T-249/17, EU:T:2020:458), wordt vernietigd. |
|
2) |
Punt 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 oktober 2020, Casino, Guichard-Perrachon en AMC/Commissie (T-249/17, EU:T:2020:458), wordt vernietigd voor zover hierin is beslist over de kosten. |
|
3) |
Besluit C(2017) 1054 final van de Commissie van 9 februari 2017, waarbij Casino en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen werden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (AT.40466 — Tute 1), wordt nietig verklaard. |
|
4) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van Casino, Guichard-Perrachon SA en Achats Marchandises Casino SAS (AMC) betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening. |
|
5) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/4 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 maart 2023 — Intermarché Casino Achats / Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
(Zaak C-693/20 P) (1)
(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Besluit van de Europese Commissie waarbij een inspectie wordt gelast - Rechtsmiddelen tegen het verloop van de inspectie - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Verordening (EG) nr. 1/2003 - Artikel 19 - Verordening (EG) nr. 773/2004 - Artikel 3 - Vastlegging van gesprekken die de Commissie in het kader van haar onderzoeken heeft gevoerd - Tijdstip waarop het onderzoek van de Commissie een aanvang neemt)
(2023/C 155/04)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Intermarché Casino Achats (vertegenwoordigers: F. Abouzeid, S. Eder, J. Jourdan, C. Mussi en Y. Utzschneider, avocats)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Berghe, A. Cleenewerck de Crayencour, A. Dawes en I. V. Rogalski, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A.-L. Meyer en M. O. Segnana, gemachtigden)
Dictum
|
1) |
Punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 oktober 2020, Intermarché Casino Achats/Commissie (T-254/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:459), wordt vernietigd. |
|
2) |
Punt 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 oktober 2020, Intermarché Casino Achats/Commissie (T-254/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:459), wordt vernietigd voor zover hierin is beslist over de kosten. |
|
3) |
Besluit C(2017) 1056 final van de Commissie van 9 februari 2017 waarbij Intermarché Casino Achats en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen werden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (AT.40466 — Tute 1), wordt nietig verklaard. |
|
4) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van Intermarché Casino Achats SARL betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening. |
|
5) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/4 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 28 februari 2023 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk] — Fenix International Limited / Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
(Zaak C-695/20 (1), Fenix International)
(Prejudiciële verwijzing - Uitvoeringsbevoegdheid van de Raad van de Europese Unie - Artikel 291, lid 2, VWEU - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 28 en 397 - Belastingplichtige die in eigen naam maar voor rekening van een ander handelt - Verrichter van diensten langs elektronische weg - Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 - Artikel 9 bis - Vermoeden - Geldigheid)
(2023/C 155/05)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
First-tier Tribunal (Tax Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Fenix International Limited
Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
Dictum
Het onderzoek van de prejudiciële vraag heeft geen enkel element aan het licht gebracht dat afbreuk doet aan de geldigheid van artikel 9 bis, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1042/2013 van de Raad van 7 oktober 2013, in het licht van de artikelen 28 en 397 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017, en artikel 291, lid 2, VWEU.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/5 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Eurocostruzioni Srl / Regione Calabria
(Zaak C-31/21 (1), Eurocostruzioni)
(Prejudiciële verwijzing - Structuurfondsen - Verordening (EG) nr. 1685/2000 - Subsidiabiliteit van de uitgaven - Verplichting tot overlegging van betalingsbewijzen - Vereffende facturen - Boekingsstukken met gelijkwaardige bewijskracht - Bouwwerkzaamheden die rechtstreeks door de eindbegunstigde zijn uitgevoerd)
(2023/C 155/06)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Eurocostruzioni Srl
Verwerende partij: Regione Calabria
Dictum
|
1) |
Punt 2.1 van regel nr. 1 van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1685/2000 van de Commissie van 28 juli 2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004, moet aldus worden uitgelegd dat het de eindbegunstigde van een financiering voor het optrekken van een gebouw die de bouwwerkzaamheden met eigen middelen heeft uitgevoerd, niet toestaat om de verrichte uitgaven te staven door overlegging van andere documenten dan die welke in deze bepaling uitdrukkelijk worden genoemd. |
|
2) |
Punt 2.1 van regel nr. 1 van de bijlage bij verordening nr. 1685/2000, zoals gewijzigd bij verordening nr. 448/2004, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de eindbegunstigde van een financiering voor het optrekken van een gebouw de bouwwerkzaamheden met eigen middelen heeft verricht, een dagboek der werken en een boekhoudregister enkel als “boekingsstukken met vergelijkbare bewijskracht” in de zin van deze bepaling kunnen worden aangemerkt indien deze bescheiden, gelet op de specifieke inhoud ervan en in het licht van de relevante nationale bepalingen, van dien aard zijn dat zij het bewijs opleveren dat de betreffende uitgaven daadwerkelijk zijn verricht aangezien zij een getrouw en nauwkeurig beeld daarvan geven. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/6 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2023 — Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators / Aquind Ltd
(Zaak C-46/21 P) (1)
(Hogere voorziening - Energie - Verordening (EG) nr. 714/2009 - Artikel 17 - Verzoek om een vrijstelling met betrekking tot een nieuwe elektriciteitsinterconnector - Weigeringsbesluit van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) - Verordening (EG) nr. 713/2009 - Artikel 19 - Raad van beroep van ACER - Intensiteit van de toetsing)
(2023/C 155/07)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (vertegenwoordigers: P. Martinet en E. Tremmel, gemachtigden, bijgestaan door B. Creve, advokat)
Andere partij in de procedure: Aquind Ltd (vertegenwoordigers: J. Bille, C. Davis, S. Goldberg en E. White, solicitors)
Dictum
|
1) |
De principale hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Er hoeft geen uitspraak te worden gedaan over de incidentele hogere voorziening. |
|
3) |
Het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) wordt verwezen in zijn eigen kosten van de principale hogere voorziening en in die van Aquind Ltd. |
|
4) |
Het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators en Aquind Ltd dragen hun eigen kosten in verband met de incidentele hogere voorziening. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/6 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa — Letland) — AS “PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings Limited/Finanšu un kapitāla tirgus komisija
(Zaak C-78/21 (1), PrivatBank e.a.)
(Prejudiciële verwijzing - Artikelen 56 en 63 VWEU - Vrij verrichten van diensten - Vrij verkeer van kapitaal - Nationale maatregel op grond waarvan een kredietinstelling zakelijke relaties met niet-staatsburgers moet beëindigen of deze niet langer mag aangaan - Beperking - Artikel 65, lid 1, onder b), VWEU - Rechtvaardiging - Richtlijn (EU) 2015/849 - Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - Evenredigheid)
(2023/C 155/08)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Administratīvā apgabaltiesa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: AS “PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings Limited
Verwerende partij: Finanšu un kapitāla tirgus komisija
Dictum
|
1) |
Financiële leningen en kredieten alsook verrichtingen in rekeningen-courant en depositorekeningen bij financiële instellingen, in het bijzonder kredietinstellingen, vormen kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU. |
|
2) |
Artikel 56, eerste alinea, en artikel 63, lid 1, VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat een administratieve maatregel waarbij de bevoegde autoriteit van een lidstaat, ten eerste, een kredietinstelling verbiedt om zakelijke relaties aan te gaan met natuurlijke personen of rechtspersonen die geen banden hebben met de lidstaat waar deze instelling is gevestigd en van wie de maandelijkse creditomzet een bepaald bedrag overschrijdt, en, ten tweede, die kredietinstelling verplicht om een einde te maken aan dergelijke zakelijke relaties wanneer deze na de vaststelling van die maatregel zijn aangegaan, een beperking vormt van het vrij verrichten van diensten in de zin van die eerste bepaling en een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van die tweede bepaling. |
|
3) |
Artikel 56, eerste alinea, en artikel 63, lid 1, VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een administratieve maatregel waarbij de bevoegde autoriteit van een lidstaat een kredietinstelling verbiedt zakelijke relaties aan te gaan met natuurlijke personen die geen banden hebben met de lidstaat waar deze instelling is gevestigd en wier maandelijkse creditomzet meer dan 15 000 EUR bedraagt, of met rechtspersonen waarvan de economische activiteit geen verband houdt met die lidstaat en waarvan de maandelijkse creditomzet meer dan 50 000 EUR bedraagt, en voorts die instelling verplicht een einde te maken aan dergelijke zakelijke relaties wanneer deze na de vaststelling van die maatregel zijn aangegaan, voor zover deze administratieve maatregel, ten eerste, kan worden gerechtvaardigd door de doelstelling van voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme of door de noodzaak om overtredingen tegen te gaan van de nationale wet- en regelgeving met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen dan wel op grond van de openbare orde in de zin van artikel 65, lid 1, onder b), VWEU; ten tweede, geschikt is om de verwezenlijking van deze doelstellingen te waarborgen; ten derde, niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken, en, ten vierde, niet buitensporig inbreuk maakt op de overeenkomstig de artikelen 56 en 63 VWEU beschermde rechten en belangen van de betrokken kredietinstelling en haar klanten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/7 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 9 maart 2023 — PlasticsEurope / Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), Bondsrepubliek Duitsland, Franse Republiek, ClientEarth
(Zaak C-119/21 P) (1)
(Hogere voorziening - Opstelling van een lijst van autorisatieplichtige stoffen - Verordening (EG) nr. 1907/2006 - Bijlage XIV - Lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV te worden opgenomen - Aanvulling van de vermelding voor de stof bisfenol A in die lijst als “zeer zorgwekkende stof”)
(2023/C 155/09)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: PlasticsEurope (vertegenwoordigers: R. Cana en E. Mullier, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (vertegenwoordigers: W. Broere en A. Hautamäki, gemachtigden, bijgestaan door S. Raes, advocaat), Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Möller en D. Klebs, gemachtigden, vervolgens J. Möller, gemachtigde), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. Bain en T. Stéhelin, gemachtigden), ClientEarth (vertegenwoordiger: P. Kirch, avocat)
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
PlasticsEurope AISBL wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en ClientEarth. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek dragen hun eigen kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/8 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Högsta domstolen — Zweden) — Norra Stockholm Bygg AB / Per Nycander AB
(Zaak C-268/21 (1), Norra Stockholm Bygg)
(Prejudiciële verwijzing - Bescherming van persoonsgegevens - Verordening (EU) 2016/679 - Artikel 6, leden 3 en 4 - Rechtmatigheid van de verwerking - Overlegging van een document dat persoonsgegevens bevat in het kader van een civiele gerechtelijke procedure - Artikel 23, lid 1, onder f) en j) - Bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures - Inning van civielrechtelijke vorderingen - Vereisten waaraan moet worden voldaan - Inaanmerkingneming van het belang van de betrokkenen - Afweging van de in het geding zijnde tegengestelde belangen - Artikel 5 - Minimale persoonsgegevensverwerking - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 7 - Recht op eerbiediging van het privéleven - Artikel 8 - Recht op bescherming van persoonsgegevens - Artikel 47 - Recht op daadwerkelijke rechtsbescherming - Evenredigheidsbeginsel)
(2023/C 155/10)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Högsta domstolen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Norra Stockholm Bygg AB
Verwerende partij: Per Nycander AB
In tegenwoordigheid van: Entral AB
Dictum
|
1) |
Artikel 6, leden 3 en 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in het kader van een civiele gerechtelijke procedure van toepassing is op de overlegging als bewijs van een personeelsregister met persoonsgegevens van derden die hoofdzakelijk met het oog op belastingcontrole zijn verzameld. |
|
2) |
De artikelen 5 en 6 van verordening 2016/679 moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij de beoordeling of de overlegging van een document met persoonsgegevens moet worden gelast, rekening moet houden met de belangen van de betrokkenen en deze belangen moet afwegen in het licht van de omstandigheden van het geval en van het soort procedure, en daarbij de vereisten in acht moet nemen die voortvloeien uit het evenredigheidsbeginsel en in het bijzonder uit het beginsel van minimale gegevensverwerking genoemd in artikel 5, lid 1, onder c), van die verordening. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/9 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — A
[Zaak C-270/21 (1), A (Kleuterleider)]
(Prejudiciële verwijzing - Vrij verkeer van werknemers - Erkenning van beroepskwalificaties in een lidstaat - Richtlijn 2005/36/EG - Recht om het beroep van kleuterleider uit te oefenen - Gereglementeerd beroep - Recht van toegang tot het beroep op basis van een in de lidstaat van oorsprong afgegeven diploma - In een derde land behaalde beroepskwalificatie)
(2023/C 155/11)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: A
In tegenwoordigheid van: Opetushallitus
Dictum
|
1) |
Artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, moet aldus worden uitgelegd dat een beroep waarvoor in de nationale regeling bekwaamheidseisen worden gesteld voor de toegang ertoe en de uitoefening ervan, maar in die regeling aan de werkgevers een discretionaire bevoegdheid wordt gelaten om te beoordelen of aan deze eisen is voldaan, niet als een “gereglementeerd beroep” in de zin van deze bepaling wordt beschouwd. |
|
2) |
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 2005/36, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling niet van toepassing is ingeval de in de ontvangende lidstaat voorgelegde opleidingstitel is behaald op het grondgebied van een andere lidstaat in een tijd waarin die lidstaat niet als onafhankelijke staat, maar als Socialistische Sovjetrepubliek bestond, en deze opleidingstitel door deze lidstaat is gelijkgesteld met een opleidingstitel die daar na de hernieuwde onafhankelijkheid van die lidstaat is afgegeven. Een dergelijke opleidingstitel moet worden geacht te zijn behaald in een lidstaat en niet in een derde land. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/10 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas — Litouwen) — R.J.R. / Registrų centras VĮ
(Zaak C-354/21 (1), Registrų centras)
(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Europese erfrechtverklaring - Verordening (EU) nr. 650/2012 - Artikel 1, lid 2, onder l) - Toepassingsgebied - Artikel 68 - Inhoud van de Europese erfrechtverklaring - Artikel 69, lid 5 - Rechtsgevolgen van de Europese erfrechtverklaring - Onroerend goed uit de nalatenschap dat in een andere lidstaat is gelegen dan die van de erfopvolging - Inschrijving van dat onroerende goed in het vastgoedregister van die lidstaat - Wettelijke voorschriften die naar het recht van die lidstaat gelden voor die inschrijving - Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 - Verplicht karakter van formulier V in bijlage 5 bij deze uitvoeringsverordening)
(2023/C 155/12)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: R.J.R.
Verwerende partij: Registrų centras VĮ
Dictum
Artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/11 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — Sdruzhenie “Za Zemyata — dostap do pravosadie”, “Тhe Green Тank — grazhdansko sdruzhenie s nestopanska tsel” — Helleense Republiek, NS / Izpalnitelen director na Izpalnitelna agentsia po okolna sreda, “TETS Maritsa-iztok 2” EAD
(Zaak C-375/21 (1), Sdruzhenie “Za Zemyata — dostap do pravosadie” e.a.)
(Prejudiciële verwijzing - Milieu - Luchtkwaliteit - Richtlijn 2008/50/EG - Artikelen 13 en 23 - Grenswaarden voor de bescherming van de volksgezondheid - Overschrijding - Luchtkwaliteitsplan - Richtlijn 2010/75/EU - Geïntegreerde preventie en vermindering van verontreiniging - Bijstellen van een vergunning voor het exploiteren van een thermische centrale - Emissiegrenswaarden - Artikel 15, lid 4 - Aanvraag voor een afwijking en vaststelling van minder strenge emissiegrenswaarden - Ernstige verontreiniging - Artikel 18 - Naleving van de milieukwaliteitsnormen - Verplichtingen van de bevoegde autoriteit)
(2023/C 155/13)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Sdruzhenie “Za Zemyata — dostap do pravosadie”, “Тhe Green Тank — grazhdansko sdruzhenie s nestopanska tsel” — Helleense Republiek, NS
Verwerende partijen: Izpalnitelen director na Izpalnitelna agentsia po okolna sreda, “TETS Maritsa-iztok 2” EAD
Dictum
Artikel 15, lid 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) junctis artikel 18 ervan en de artikelen 13 en 23 van richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa
moet aldus worden uitgelegd dat
de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van een aanvraag voor een afwijking als bedoeld in dat artikel 15, lid 4, rekening houdend met alle relevante wetenschappelijke gegevens over milieuverontreiniging, met inbegrip van het cumulatieve effect met andere bronnen van de betreffende verontreinigende stof, en met de maatregelen in het voor de betrokken zone of agglomeratie op grond van artikel 23 van richtlijn 2008/50 vastgestelde luchtkwaliteitsplan, die afwijking moet weigeren wanneer zij kan bijdragen aan een overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen die overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2008/50 zijn vastgesteld of wanneer zij in strijd is met de in dat plan opgenomen maatregelen om de naleving van die normen te waarborgen en de overschrijding zo kort mogelijk te laten duren.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/12 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Bucureşti — Roemenië) — Bursa Română de Mărfuri SA / Autoritatea Naţională de Reglementare în domeniul Energiei (ANRE)
(Zaak C-394/21 (1), Bursa Română de Mărfuri)
(Prejudiciële verwijzing - Interne markt voor elektriciteit - Richtlijn 2009/72/EG - Verordening (EU) 2019/943 - Artikel 1, onder b) en c), en artikel 3 - Beginselen inzake het beheer van elektriciteitsmarkten - Verordening (EU) 2015/1222 - Artikel 5, lid 1 - Benoemde elektriciteitsmarktbeheerder - Nationaal wettelijk monopolie voor day-ahead- en intradayhandelsdiensten - Nationale regeling die voorziet in een monopolie voor de handel in elektriciteit op groothandelsniveau op korte, middellange en lange termijn)
(2023/C 155/14)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Bucureşti
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bursa Română de Mărfuri SA
Verwerende partij: Autoritatea Naţională de Reglementare în domeniul Energiei (ANRE)
in tegenwoordigheid van: Federaţia Europeană a Comercianţilor de Energie
Dictum
Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit, in het bijzonder artikel 1, onder b) en c), artikel 2, punt 40, en artikel 3 van deze verordening, gelezen in samenhang met richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG,
moet aldus worden uitgelegd dat
|
— |
zij zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een nationaal wettelijk monopolie wordt gehandhaafd voor bemiddelingsdiensten op groothandelsniveau inzake aanbiedingen om elektriciteit te verkopen en biedingen om elektriciteit te kopen op de day-ahead- en intradaymarkten, wanneer dit monopolie op het tijdstip van inwerkingtreding van verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer in die lidstaat reeds bestond, ingevolge artikel 5 van deze verordening; |
|
— |
zij zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een nationaal wettelijk monopolie wordt gehandhaafd voor bemiddelingsdiensten op groothandelsniveau inzake aanbiedingen om elektriciteit te verkopen en biedingen om elektriciteit te kopen op de termijnmarkt, waarbij de overeenstemming van een dergelijke regeling met het Unierecht moet worden getoetst aan de relevante bepalingen van het primaire recht van de Unie. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/13 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 2 maart 2023 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie — België) — Strafzaken tegen FU, DRV Intertrans BV (C-410/21), en Verbraeken J. en Zonen BV, PN (C-661/21)
(Gevoegde zaken C-410/21 en C-661/21 (1), DRV Intertrans e.a.)
(Prejudiciële verwijzing - Migrerende werknemers - Sociale zekerheid - Toepasselijke wetgeving - Verordening (EG) nr. 987/2009 - Artikel 5 - A 1-verklaring - Voorlopige intrekking - Dwingende werking - Verklaring die op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen - Verordening (EG) nr. 883/2004 - Artikel 13, lid 1, onder b), i) - Persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten - Toepasselijkheid van de wettelijke regeling van de lidstaat van de zetel - Begrip “zetel” - Onderneming die een communautaire vervoersvergunning heeft verkregen krachtens de verordeningen (EG) nr. 1071/2009 en (EG) nr. 1072/2009 - Invloed - Licentie die op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen)
(2023/C 155/15)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie
Partijen in de strafzaken
FU, DRV Intertrans BV (C-410/21), en Verbraeken J. en Zonen BV, PN (C-661/21)
Dictum
|
1) |
Artikel 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A 1-verklaring bindend is voor de organen en de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht, ook wanneer dat orgaan van afgifte na een verzoek van het bevoegde orgaan van laatstgenoemde lidstaat om die verklaring te herzien en in te trekken, heeft meegedeeld de bindende kracht ervan voorlopig op te schorten totdat het definitief op dat verzoek heeft beslist. In dergelijke omstandigheden kan een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A 1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, desondanks vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg ten behoeve van die strafprocedure buiten beschouwing laten voor zover, ten eerste, een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven, een standpunt heeft ingenomen over de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen, en die verklaring in voorkomend geval nietig heeft verklaard of ingetrokken en, ten tweede, de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd. |
|
2) |
Artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/14 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 2 maart 2023 — Europese Commissie/Republiek Polen
(Zaak C-432/21) (1)
(Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna - Artikel 6, leden 1 tot en met 3, artikel 12, lid 1, onder a) tot en met d), artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 16, lid 1 - Richtlijn 2009/147/EG - Behoud van de vogelstand - Artikel 4, lid 1, artikel 5, onder a), b) en d), en artikel 9, lid 1 - Goed bosbeheer - Bosbeheerplannen - Verdrag van Aarhus - Toegang tot de rechter - Artikel 6, lid 1, onder b), en artikel 9, lid 2 - Onderzoek van de materiële en formele rechtmatigheid van bosbeheerplannen - Beroepsrecht van milieuorganisaties)
(2023/C 155/16)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Brauhoff, G. Gattinara, C. Hermes, en D. Milanowska, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde)
Dictum
|
1) |
Door artikel 14b, lid 3, van de ustawa o lasach (boswet) van 28 september 1991, zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy o ochronie przyrody oraz ustawy o lasach (wet tot wijziging van de natuurbeschermingswet en de boswet) van 16 december 2016, vast te stellen, op grond waarvan bosbeheer dat wordt uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van goed bosbeheer niet in strijd is met de bepalingen inzake het behoud van bijzondere natuurlijke bronnen, formaties en bestanddelen, met name de bepalingen van de artikelen 51 en 52 van de ustawa o ochronie przyrody (wet inzake natuurbescherming) van 16 april 2004, is de Republiek Polen de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, leden 1 en 2, artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 16, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013, alsmede krachtens artikel 4, lid 1, artikel 5, onder a), b) en d), en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17. |
|
2) |
Door niet de wettelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat milieuorganisaties zich tot een gerecht kunnen wenden met een verzoek tot daadwerkelijke toetsing van de materiële en formele rechtmatigheid van bosbeheerplannen in de zin van de boswet, is de Republiek Polen de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, onder b), en artikel 9, lid 2, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, op 25 juni 1998 te Aarhus ondertekend en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005. |
|
3) |
De Republiek Polen wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/15 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Miskolci Törvényszék — Hongarije) — IH/MÁV-START Vasúti Személyszállító Zrt.
(Zaak C-477/21 (1), MÁV-START)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers - Organisatie van de arbeidstijd - Artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Richtlijn 2003/88/EG - Artikelen 3 en 5 - Dagelijkse en wekelijkse rusttijden - Nationale regeling die voorziet in een wekelijkse rusttijd van ten minste 42 uur - Verplichting om een dagelijkse rusttijd toe te kennen - Wijze van toekenning)
(2023/C 155/17)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Miskolci Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: IH
Verwerende partij: MÁV-START Vasúti Személyszállító Zrt.
Dictum
|
1) |
Artikel 5 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, gelezen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde dagelijkse rusttijd geen deel uitmaakt van de in artikel 5 bedoelde wekelijkse rusttijd, maar daaraan wordt toegevoegd. |
|
2) |
De artikelen 3 en 5 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een nationale regeling voorziet in een wekelijkse rusttijd van meer dan 35 achtereenvolgende uren, aan de werknemer naast deze rusttijd ook de door artikel 3 van deze richtlijn gewaarborgde dagelijkse rusttijd moet worden toegekend. |
|
3) |
Artikel 3 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een werknemer aan wie een wekelijkse rusttijd is toegekend, ook recht heeft op een dagelijkse rusttijd die aan die wekelijkse rusttijd voorafgaat. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/16 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — RWE Power Aktiengesellschaft / Hauptzollamt Duisburg
(Zaak C-571/21 (1), RWE Power)
(Prejudiciële verwijzing - Heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Artikel 14, lid 1, onder a) - Artikel 21, lid 3, tweede en derde volzin - Elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit en voor de instandhouding van het vermogen om elektriciteit te produceren - Vrijstelling - Omvang - Exploitatie van dagbouwmijnen - Elektriciteit die wordt gebruikt voor de exploitatie van brandstofbunkers en vervoermiddelen)
(2023/C 155/18)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: RWE Power Aktiengesellschaft
Verwerende partij: Hauptzollamt Duisburg
Dictum
|
1) |
Artikel 14, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, gelezen in samenhang met artikel 21, lid 3, tweede volzin, van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde belastingvrijstelling voor “elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit” niet geldt voor elektriciteit die wordt gebruikt voor de winning van een energieproduct als bruinkool in een dagbouwmijn, wanneer deze elektriciteit niet wordt gebruikt in het kader van een technologisch proces van elektriciteitsproductie, maar voor de vervaardiging van een energieproduct. Deze vrijstelling kan daarentegen wel gelden voor de daaropvolgende omzetting en verwerking van dat energieproduct in elektriciteitscentrales met het oog op de productie van elektriciteit, voor zover deze handelingen onontbeerlijk zijn voor en rechtstreeks bijdragen aan het technologische proces van die productie. |
|
2) |
Artikel 14, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2003/96 moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde belastingvrijstelling voor “elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren” ook kan gelden voor elektriciteit die wordt gebruikt voor de werking van installaties voor de opslag van een energieproduct als bruinkool en voor de werking van vervoermiddelen waarmee dit product kan worden getransporteerd, wanneer deze handelingen plaatsvinden in elektriciteitscentrales en voor zover zij onontbeerlijk zijn voor en rechtstreeks bijdragen aan de instandhouding van het vermogen van het technologische proces van elektriciteitsproductie, omdat die handelingen nodig zijn voor de instandhouding van het vermogen om ononderbroken elektriciteit te produceren. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/17 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Administrativo e Fiscal de Braga — Portugal) — Vapo Atlantic SA / Entidade Nacional para o Setor Energético E.P.E. (ENSE)
(Zaak C-604/21 (1), Vapo Atlantic)
(Prejudiciële verwijzing - Informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij - Richtlijn 98/34/EG - Artikel 1, punt 4 - Begrip “andere eisen” - Artikel 1, punt 11 - Begrip “technisch voorschrift” - Artikel 8, lid 1 - Verplichting van de lidstaten om ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee te delen aan de Europese Commissie - Nationale bepaling die voorziet in de bijmenging van een bepaald percentage biobrandstoffen in brandstoffen voor het wegvervoer - Artikel 10, lid 1, derde streepje - Begrip “in dwingende besluiten van de Unie vervatte vrijwaringsclausules” - Artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2009/30/EG niet daaronder begrepen)
(2023/C 155/19)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Tribunal Administrativo e Fiscal de Braga
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Vapo Atlantic SA
Verwerende partij: Entidade Nacional para o Setor Energético E.P.E. (ENSE)
in tegenwoordigheid van: Fundo Ambiental, Fundo de Eficiência Energética (FEE)
Dictum
|
1) |
Artikel 1, punt 4, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96/EG van de Raad van 20 november 2006, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die een streefcijfer van 10 % vaststelt voor de bijmenging van biobrandstoffen in de door een marktdeelnemer in een bepaald jaar tot verbruik uitgeslagen brandstoffen voor wegvervoer, onder het begrip “andere eis” in de zin van artikel 1, punt 4, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd, valt, en dus een “technisch voorschrift” in de zin van artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd, vormt dat slechts aan particulieren kan worden tegengeworpen indien het ontwerp ervan overeenkomstig artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd, is meegedeeld. |
|
2) |
Artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die strekt tot omzetting van artikel 7 bis, lid 2, van richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van richtlijn 93/12/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, in overeenstemming met de doelstelling van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG, geen integrale omzetting van een Europese norm in de zin van artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd, kan vormen en dus niet kan ontsnappen aan de in die bepaling neergelegde kennisgevingsplicht. |
|
3) |
Artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2009/30 moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling geen in een dwingend besluit van de Unie vervatte vrijwaringsclausule is in de zin van artikel 10, lid 1, derde streepje, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/18 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije — Slovenië) — Nec Plus Ultra Cosmetics AG / Republika Slovenija
(Zaak C-664/21, Nec Plus Ultra Cosmetics AG) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 138, lid 1 - Vrijstellingen met betrekking tot intracommunautaire handelingen - Leveringen van goederen - Beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid - Voldoen aan de materiële voorwaarden - Termijn voor het leveren van de bewijzen)
(2023/C 155/20)
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Vrhovno sodišče Republike Slovenije
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nec Plus Ultra Cosmetics AG
Verwerende partij: Republika Slovenija
Dictum
Artikel 131 en artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die verbiedt om tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft geleid — in het bijzonder na de belastingcontrole maar voor de vaststelling van die aanslag — nieuwe bewijzen aan te voeren en te aanvaarden, die aantonen dat aan de materiële vereisten van artikel 138, lid 1, van deze richtlijn is voldaan, voor zover de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/18 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hovrätt för Nedre Norrland — Zweden) — AI / Åklagarmyndigheten
(Zaak C-666/21 (1), Åklagarmyndigheten)
(Prejudiciële verwijzing - Vervoer over de weg - Verordening (EG) nr. 561/2006 - Werkingssfeer - Artikel 2, lid 1, onder a) - Artikel 3, onder h) - Begrip “wegvervoer van goederen” - Begrip “toegestane maximummassa” - Voertuig dat is toegerust als tijdelijke leefruimte voor privégebruik en goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden - Verordening (EU) nr. 165/2014 - Tachografen - Artikel 23, lid 1 - Verplichting om regelmatig inspecties te laten uitvoeren door erkende werkplaatsen)
(2023/C 155/21)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Hovrätten för Nedre Norrland
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: AI
Verwerende partij: Åklagarmyndigheten
Dictum
Artikel 2, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014, gelezen in samenhang met artikel 3, onder h), van verordening nr. 561/2006, zoals gewijzigd,
moet aldus worden uitgelegd dat
het begrip “wegvervoer van goederen” in de zin van deze eerste bepaling, het wegvervoer omvat dat plaatsvindt met een voertuig waarvan de toegestane maximummassa in de zin van artikel 4, onder m), van verordening nr. 561/2006, zoals gewijzigd, meer dan 7,5 ton bedraagt, en wel ook wanneer dit voertuig is toegerust om behalve als tijdelijke leefruimte voor privégebruik tevens te dienen als goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden, zonder dat in dit verband het laadvermogen van dit voertuig en de categorie waaronder het in het nationale wegenverkeersregister is ingeschreven van belang zijn.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/19 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberlandsgericht Düsseldorf — Duitsland) — Papierfabriek Doetinchem B.V. / Sprick GmbH Bielefelder Papier- und Wellpappenwerk & Co.
(Zaak C-684/21, Papierfabriek Doetinchem) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Intellectuele eigendom - Gemeenschapsmodellen - Verordening (EG) nr. 6/2002 - Artikel 8, lid 1 - Uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend worden bepaald door de technische functie - Beoordelingscriteria - Bestaan van alternatieve modellen - Houder van het recht op een model die tevens beschikt over een groot aantal beschermde alternatieve modellen - Meerkleurigheid van een voortbrengsel die niet blijkt uit de inschrijving van het model in kwestie)
(2023/C 155/22)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandsgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Papierfabriek Doetinchem B.V.
Verwerende partij: Sprick GmbH Bielefelder Papier- und Wellpappenwerk & Co.
Dictum
|
1) |
Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald in de zin van dat lid 1, rekening moet worden gehouden met alle relevante objectieve omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder die welke de keuze voor die kenmerken hebben beïnvloed, met het bestaan van alternatieve modellen waarmee die technische functie kan worden vervuld en met de omstandigheid dat de houder van het recht op het betreffende model tevens de houder van rechten op een groot aantal alternatieve modellen is, waarbij deze laatste omstandigheid evenwel niet beslissend is voor de toepassing van die bepaling. |
|
2) |
Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat bij het onderzoek of de verschijningsvorm van een voortbrengsel uitsluitend wordt bepaald door de technische functie ervan, het feit dat het ontwerp van dat voortbrengsel meerkleurigheid mogelijk maakt niet in aanmerking kan worden genomen wanneer een dergelijke meerkleurigheid niet blijkt uit de inschrijving van het model in kwestie. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/20 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel — België) — Recreatieprojecten Zeeland BV, Casino Admiral Zeeland BV, Supergame BV / Belgische Staat
(Zaak C-695/21 (1), Recreatieprojecten Zeeland e.a.)
(Prejudiciële verwijzing - Vrij verrichten van diensten - Artikel 56 VWEU - Beperkingen van het vrij verrichten van diensten - Kansspelen - Regeling van een lidstaat die in een algemeen reclameverbod voorziet voor kansspelinrichtingen - Van rechtswege geldende uitzondering op dit verbod voor de inrichtingen die beschikken over een door de autoriteiten van die lidstaat afgegeven exploitatievergunning - Geen uitzondering op dit verbod mogelijk voor inrichtingen die zijn gelegen in een andere lidstaat)
(2023/C 155/23)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Recreatieprojecten Zeeland BV, Casino Admiral Zeeland BV, Supergame BV
Verwerende partij: Belgische Staat
Dictum
Artikel 56, eerste alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die exploitanten van een beperkt en gecontroleerd aantal op het grondgebied van die lidstaat gelegen kansspelinrichtingen van rechtswege een uitzondering verleent op het algemene reclameverbod dat voor dergelijke inrichtingen geldt, zonder te voorzien in de mogelijkheid voor exploitanten van in een andere lidstaat gelegen inrichtingen om een uitzondering op dat verbod te verkrijgen voor die doeleinden.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/21 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 9 maart 2023 — Françoise Grossetête / Europees Parlement
(Zaak C-714/21 P) (1)
(Hogere voorziening - Institutioneel recht - Regeling betreffende de kosten en de vergoedingen van de leden van het Europees Parlement - Wijziging van de regeling inzake het vrijwillig aanvullend pensioen - Individueel besluit tot vaststelling van de rechten op het vrijwillig aanvullend pensioen - Exceptie van onwettigheid - Bevoegdheid van het Bureau van het Parlement - Verworven rechten en rechten in wording - Evenredigheid - Gelijke behandeling - Rechtszekerheid)
(2023/C 155/24)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Françoise Grossetête (vertegenwoordigers: E. Arnaldos Orts, abogado, F. Doumont, avocat, J. Martínez Gimeno en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogados)
Andere partij in de procedure: Europees Parlement (vertegenwoordigers: M. Ecker, N. Görlitz et T. Lazian, gemachtigden)
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Françoise Grossetête wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/21 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 9 maart 2023 — Gerardo Galeote (C-715/21 P), Graham Watson (C-716/21 P) / Europees Parlement
(Gevoegde zaken C-715/21 P en C-716/21 P) (1)
(Hogere voorziening - Institutioneel recht - Regeling betreffende de kosten en de vergoedingen van de leden van het Europees Parlement - Wijziging van de regeling inzake het vrijwillig aanvullend pensioen - Individueel besluit tot vaststelling van de rechten op het vrijwillig aanvullend pensioen - Exceptie van onwettigheid - Bevoegdheid van het Bureau van het Parlement - Verworven rechten en rechten in wording - Evenredigheid - Gelijke behandeling - Rechtszekerheid)
(2023/C 155/25)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwiranten: Gerardo Galeote (C-715/21 P), Graham Watson (C-716/21 P) (vertegenwoordigers: E. Arnaldos Orts, abogado, F. Doumont, avocat, J. Martínez Gimeno en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogados)
Andere partij in de procedure: Europees Parlement (vertegenwoordigers: M. Ecker, N. Görlitz en T. Lazian, gemachtigden)
Dictum
|
1) |
De hogere voorzieningen worden afgewezen. |
|
2) |
Gerardo Galeote en Graham Watson worden verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/22 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Wien — Oostenrijk) — Kwizda Pharma GmbH/Landeshauptmann von Wien
(Zaak C-760/21 (1), Kwizda Pharma)
(Prejudiciële verwijzing - Voedselveiligheid - Levensmiddelen - Verordening (EU) nr. 609/2013 - Artikel 2, lid 2, onder g) - Begrip “voeding voor medisch gebruik” - Andere bijzondere behoeften aan nutriënten - Dieetvoeding - Wijziging van het voedingspatroon - Nutriënten - Gebruik onder medisch toezicht - Nutriënten die niet worden geabsorbeerd of gemetaboliseerd in het spijsverteringskanaal - Afbakening ten aanzien van geneesmiddelen - Afbakening ten aanzien van voedingssupplementen)
(2023/C 155/26)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Wien
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kwizda Pharma GmbH
Verwerende partij: Landeshauptmann von Wien
Dictum
|
1) |
Artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, en artikel 2, lid 2, onder g), van verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van richtlijn 92/52/EEG van de Raad, richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie moeten aldus worden uitgelegd dat voor het onderscheid tussen de in die bepalingen gedefinieerde begrippen “geneesmiddel” en “voeding voor medisch gebruik” moet worden beoordeeld — in het licht van de aard en de kenmerken van het betrokken product — of het gaat om een levensmiddel dat bestemd is om aan bijzondere voedingsbehoeften te voldoen, dan wel om een product dat bestemd is om ziekten bij de mens te voorkomen of te genezen, om fysiologische functies te herstellen, verbeteren of wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, of om een medische diagnose te stellen, of dat eventueel als zodanig wordt aangeboden. |
|
2) |
Artikel 2, lid 2, onder g), van verordening nr. 609/2013 moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste, het begrip “dieetvoeding” ziet op door een ziekte, aandoening of kwaal veroorzaakte behoeften waarin de patiënt vanuit voedingsoogpunt absoluut moet voorzien, ten tweede, de indeling als “voeding voor medisch gebruik” niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de bevrediging van de door een ziekte, aandoening of kwaal veroorzaakte “voedingsbehoeften”, en dus het effect van het product, optreedt via of als gevolg van de spijsvertering, en ten derde, het begrip “louter met wijziging van het normale voedingspatroon” zowel situaties omvat waarin het voor de patiënt onmogelijk of gevaarlijk is om zijn voeding te wijzigen, als situaties waarin de patiënt slechts “erg moeilijk” met gewone levensmiddelen aan zijn voedingsbehoeften kan voldoen. |
|
3) |
Artikel 2, lid 2, onder g), van verordening nr. 609/2013 moet aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van deze verordening, die geen definitie bevat van het begrip “nutriënt”, moet worden uitgegaan van de definitie van dit begrip in artikel 2, lid 2, onder s), van verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, richtlijn 90/496/EEG van de Raad, richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie. |
|
4) |
Artikel 2, lid 2, onder g), van verordening nr. 609/2013 moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste, een product “onder medisch toezicht moet worden gebruikt” indien de aanbeveling en de daaropvolgende beoordeling door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg noodzakelijk zijn gelet op de voedingsbehoeften ten gevolge van een bijzondere ziekte, aandoening of kwaal en gelet op de effecten van het product op de voedingsbehoeften van de patiënt en op de patiënt zelf, en dat, ten tweede, het vereiste dat voeding voor medisch gebruik onder medisch toezicht wordt gebruikt, geen voorwaarde is om een product in te delen als voeding voor medisch gebruik. |
|
5) |
Artikel 2 van richtlijn 2002/46 en artikel 2, lid 2, onder g), van verordening nr. 609/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat de in deze bepalingen gedefinieerde begrippen “voedingssupplement” en “voeding voor medisch gebruik” elkaar uitsluiten en dat per geval en in het licht van de kenmerken en de omstandigheden van het gebruik moet worden bepaald of een product onder het ene dan wel het andere begrip valt. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/23 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 2 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Graz — Oostenrijk) — Procedure inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel jegens MS
[Zaak C-16/22 (1), Staatsanwaltschaft Graz (Dienst voor belastingstrafzaken van Düsseldorf)]
(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Justitiële samenwerking in strafzaken - Richtlijn 2014/41/EU - Europees onderzoeksbevel - Artikel 1, lid 1 - Begrip “rechterlijke autoriteit” - Artikel 2, onder c) - Begrip “uitvaardigende autoriteit” - Besluit dat is uitgevaardigd door een belastingdienst zonder validering door een rechter of een officier van justitie - Belastingdienst die de rechten en plichten van het openbaar ministerie uitoefent in het kader van een strafrechtelijk belastingonderzoek)
(2023/C 155/27)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Graz
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: MS
In tegenwoordigheid van: Staatsanwaltschaft Graz, Finanzamt für Steuerstrafsachen und Steuerfahndung Düsseldorf
Dictum
Artikel 1, lid 1, eerste alinea, en artikel 2, onder c), i) van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken
moeten aldus worden uitgelegd dat
|
— |
de belastingdienst van een lidstaat die weliswaar tot de uitvoerende macht van die lidstaat behoort, maar overeenkomstig het nationale recht autonoom strafrechtelijke onderzoeken op belastinggebied verricht in de plaats van het openbaar ministerie en daarbij de aan dat openbaar ministerie verleende rechten en plichten uitoefent, niet kan worden gekwalificeerd als “rechterlijke autoriteit” respectievelijk “uitvaardigende autoriteit” in de zin van deze bepalingen; |
|
— |
een dergelijke dienst daarentegen onder het begrip “uitvaardigende autoriteit” in de zin van artikel 2, onder c), ii), van die richtlijn kan vallen, mits aan de in die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/24 |
Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 7 februari 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rada Úradu pre verejné obstarávanie — Slowakije) — HOREZZA a.s./Úradu pre verejné obstarávanie
(Zaak C-520/22 (1), Horezza)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Artikel 267 VWEU - Begrip “rechterlijke instantie” - Beroepsinstantie van een nationaal orgaan voor de toetsing van procedures inzake overheidsopdrachten - Onafhankelijkheid - Hoedanigheid van derde ten opzichte van de instantie die het besluit heeft genomen waartegen beroep is ingesteld - Kennelijke niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing)
(2023/C 155/28)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Rada Úradu pre verejné obstarávanie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: HOREZZA a.s.
Verwerende partij: Úrad pre verejné obstarávanie
Voorwerp
Het door de Rada Úrad pre verejné obstarávanie (raad van toezicht op overheidsopdrachten, Slowakije) bij beslissing van 3 augustus 2022 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is kennelijk niet-ontvankelijk.
(1) Indieningsdatum: 4.8.2022.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/24 |
Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 7 februari 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rada Úradu pre verejné obstarávanie — Slowakije) — KONŠTRUKTA — Defence a.s./Úrad pre verejné obstarávanie
(Zaak C-521/22 (1), Konštrukta — Defence)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Artikel 267 VWEU - Begrip “rechterlijke instantie” - Beroepsinstantie van een nationaal orgaan voor de toetsing van procedures inzake overheidsopdrachten - Onafhankelijkheid - Hoedanigheid van derde ten opzichte van de instantie die het besluit heeft genomen waartegen beroep is ingesteld - Kennelijke niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing)
(2023/C 155/29)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Rada Úradu pre verejné obstarávanie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: KONŠTRUKTA — Defence a.s.
Verwerende partij: Úrad pre verejné obstarávanie
Dictum
Het door de Rada Úradu pre verejné obstarávanie (raad van toezicht op overheidsopdrachten, Slowakije) bij beslissing van 3 augustus 2022 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is kennelijk niet-ontvankelijk.
(1) Indieningsdatum: 4.8.2022.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/25 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunalul Prahova (Roemenië) op 18 oktober 2022 — SC Bitulpetrolium Serv SRL / Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Prahova — Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Ploieşti
(Zaak C-657/22)
(2023/C 155/30)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Prahova
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SC Bitulpetrolium Serv SRL
Verwerende partij: Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Prahova — Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Ploieşti
Prejudiciële vragen
|
1) |
Zijn nationale bepalingen en praktijken als die welke in casu aan de orde zijn, volgens welke de entrepotregeling vermeend wordt geschonden indien verwarmingsbrandstof (stookolie) buiten douanetoezicht om opnieuw wordt ingeslagen in een belastingentrepot, zodat een accijns tegen het tarief voor brandstofdieselolie kan worden toegepast die 21 keer hoger is dan de accijns voor stookolie, in strijd met het evenredigheidsbeginsel en met artikel 2, lid 3, artikel 5, en artikel 21, lid 1, van richtlijn 2003/96/EG (1)? |
|
2) |
Zijn nationale bepalingen en praktijken als die welke in casu aan de orde zijn, volgens welke btw moet worden geheven over de bijkomende dieselolieaccijnzen die de belastingdienst heeft vastgesteld als straf omdat de belastingplichtige de douanetoezichtregeling niet heeft nageleefd doordat deze niet-verontreinigde energieproducten van het type stookolie waarover reeds accijns was betaald en die waren geweigerd door klanten, opnieuw heeft ingeslagen in het entrepot totdat er een koper was gevonden, in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van btw-neutraliteit en de artikelen 2, 250 en 273 van richtlijn 2006/112/EG (2)? |
(1) Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB 2003, L 283, blz. 51).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006 L 347, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/26 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Nederland) op 14 december 2022 — XX tegen Inspecteur van de Belastingdienst
(Zaak C-782/22)
(2023/C 155/31)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: XX
Verweerder: Inspecteur van de Belastingdienst
Prejudiciële vraag
Verzet artikel 63, lid 1, VWEU zich tegen een wettelijke regeling als de onderhavige, volgens welke dividenduitkeringen door in Nederland gevestigde (beurs)vennootschappen aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, die ter dekking van toekomstige betalingsverplichtingen onder andere in aandelen in die (beurs)vennootschappen heeft belegd, zijn onderworpen aan een bronbelasting naar een tarief van 15 % over het brutobedrag van die dividenduitkeringen, terwijl de belastingdruk op dividenduitkeringen aan een in Nederland gevestigde vennootschap in overigens gelijke omstandigheden nihil zou bedragen, omdat bij de berekening van de belastinggrondslag voor de winstbelasting waaraan die laatstbedoelde vennootschap zou zijn onderworpen rekening wordt gehouden met de kosten die worden opgeroepen door een toename van de toekomstige betalingsverplichtingen van de vennootschap, welke toename vrijwel geheel correspondeert met een (positieve) wijziging in de waarde van de beleggingen, ook al leidt de ontvangst van dividend als zodanig niet tot een wijziging in de waarde van die verplichtingen?
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/26 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 28 december 2022 — G.A./Hauptzollamt Braunschweig
(Zaak C-791/22, Hauptzollamt Braunschweig)
(2023/C 155/32)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: G.A.
Verwerende partij: Hauptzollamt Braunschweig
Prejudiciële vraag
Is een bepaling van een lidstaat waarbij artikel 215, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2913/92 (1) van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de btw bij invoer, in strijd met richtlijn 2006/112/EG (2), in het bijzonder met de artikelen 30 en 60 van deze richtlijn?
(1) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/27 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Palma de Mallorca (Spanje) op 12 januari 2023 — Eventmedia Soluciones SL / Air Europa Líneas Aéreas SAU
(Zaak C-11/23, Eventmedia Soluciones)
(2023/C 155/33)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Mercantil no 1 de Palma de Mallorca
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Eventmedia Soluciones SL
Verwerende partij: Air Europa Líneas Aéreas SAU
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan de opneming in de luchtvervoerovereenkomst van een beding als in casu aan de orde worden beschouwd als een ontoelaatbare uitzondering als bedoeld in artikel 15 van verordening (EG) nr. 261/2004 (1), op grond dat het de verplichtingen van de vervoerder beperkt door de mogelijkheid voor passagiers te beperken om hun recht op compensatie bij annulering van een vlucht te doen gelden door hun vordering over te dragen? |
|
2) |
Kan artikel 7, lid 1, juncto artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat de betaling van compensatie voor de annulering van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een door de verordening opgelegde verplichting is, los van het bestaan van een vervoerovereenkomst met de passagier en de verwijtbare niet-nakoming van de contractuele verplichtingen van de luchtvaartmaatschappij? Subsidiair, voor het geval dat wordt geoordeeld dat het betrokken beding geen ontoelaatbare uitzondering in de zin van artikel 15 van verordening (EG) nr. 261/2004 vormt of dat het recht op compensatie contractueel van aard is, wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: |
|
3) |
Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (2) aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie overeenkomstig artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 een vordering tot compensatie wegens annulering van een vlucht aanhangig is gemaakt, ambtshalve moet toetsen of een beding in de vervoerovereenkomst op grond waarvan de passagier zijn rechten niet kan overdragen oneerlijk is, wanneer de vordering wordt ingesteld door de cessionaris, die — anders dan de cedent — niet de hoedanigheid van consument en gebruiker heeft? |
|
4) |
Indien er ambtshalve moet worden getoetst, kan de plicht om de consument te informeren en navraag te doen of hij zich op het oneerlijke karakter van het beding beroept of met het beding instemt, achterwege blijven gelet op het feit dat hij zijn vordering heeft overgedragen in strijd met het eventueel oneerlijke beding dat de overdracht van de vordering niet toestond? |
(1) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/27 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach (Polen) op 18 januari 2023 — F/Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej
(Zaak C-18/23, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej)
(2023/C 155/34)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: F S.A.
Verwerende partij: Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej
Prejudiciële vraag
Moeten de bepalingen van richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (1), en met name artikel 29, lid 1, ervan, gelezen in samenhang met de artikelen 18, 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat in een nationale regeling vormvereisten als aan de orde in het hoofdgeding worden vastgesteld om een gemeenschappelijk beleggingsfonds dat gevestigd is in een andere Unielidstaat dan de Republiek Polen of in een andere staat van de Europese Economische Ruimte in aanmerking te laten komen voor vrijstelling van de inkomstenbelasting, meer bepaald het vereiste dat het wordt beheerd door een externe entiteit die haar activiteiten uitoefent krachtens een vergunning van de bevoegde autoriteit voor toezicht op de financiële sector van de staat waar deze entiteit gevestigd is?
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/28 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 19 januari 2023 — ND / DR
(Zaak C-21/23, Lindenapotheke)
(2023/C 155/35)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ND
Verwerende partij: DR
Prejudiciële vragen
|
1) |
Staan de bepalingen in hoofdstuk VIII van verordening (EU) 2016/679 (1) in de weg aan nationale regelingen die, naast de bevoegdheden tot optreden van de voor het toezicht op en de handhaving van de verordening bevoegde autoriteiten en de aan de betrokkene geboden rechtsbeschermingsmogelijkheden, aan concurrenten de bevoegdheid verlenen om wegens schendingen van verordening (EU) 2016/679 bij de civiele rechter tegen de inbreukmaker op te komen op grond van het verbod op oneerlijke handelspraktijken? |
|
2) |
Zijn de gegevens die klanten van een apotheek die op een platform voor onlinehandel als verkoper optreedt, invoeren bij de bestelling van geneesmiddelen die weliswaar alleen in apotheken mogen worden verkocht maar niet uitsluitend op recept kunnen worden verkregen (naam van de klant, afleveradres en de informatie die noodzakelijk is voor de individualisering van de bestelde geneesmiddelen die alleen in apotheken mogen worden verkocht), gegevens over gezondheid in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 alsook gegevens die de gezondheid betreffen in de zin van artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46/EG (2)? |
(1) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1).
(2) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/29 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg (Luxemburg) op 23 januari 2023 — FV / Caisse pour l'avenir des enfants
(Zaak C-27/23, Hocinx) (1)
(2023/C 155/36)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: FV
Verwerende partij: Caisse pour l'avenir des enfants
Prejudiciële vragen
Verzetten het beginsel van gelijke behandeling, gewaarborgd door artikel 45 VWEU en door artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, alsmede artikel 67 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en artikel 60 van verordening (EG) nr. 987/2009 (3) van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 (4) betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zich tegen bepalingen van een lidstaat op grond waarvan grensarbeiders geen recht hebben op kinderbijslag — uit hoofde van het feit dat zij in die lidstaat arbeid in loondienst verrichten — voor de kinderen die bij rechterlijke beslissing in hun gezin zijn geplaatst, terwijl de kinderen die bij rechterlijke beslissing in een gezin zijn geplaatst en in die lidstaat wonen, wel recht hebben op deze uitkering die wordt betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die het gezag heeft over het kind en bij wie het kind zijn wettelijke woonplaats en zijn daadwerkelijke en voortdurende verblijfplaats heeft? Maakt het feit dat de grensarbeider voorziet in het onderhoud van dit kind, verschil voor het antwoord op deze vraag.
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(2) Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB 2011, L 141, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009, L 284, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/29 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Korneuburg (Oostenrijk) op 24 januari 2023 — AA AG / VM, AG GmbH
(Zaak C-33/23, Schwarzder (1))
(2023/C 155/37)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesgericht Korneuburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen in hoger beroep: AA AG
Verwerende partijen in hoger beroep: VM, AG GmbH
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet artikel 3, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 (2), gelezen in samenhang met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 21 juni 1999, zoals gewijzigd bij besluit nr. 2/2010 van het Comité Luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland van 26 november 2010 (3), aldus worden uitgelegd dat een uit twee vluchtsegmenten bestaande vlucht die vertrekt vanaf het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat, met een tussenlanding op het grondgebied van een lidstaat en met eindbestemming op het grondgebied van een derde land (waarbij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bovendien een communautaire luchtvaartmaatschappij is), binnen de werkingssfeer van verordening nr. 261/2004 valt? |
|
2. |
Moet artikel 3, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 261/2004, gelezen in samenhang met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 21 juni 1999, zoals gewijzigd bij besluit nr. 2/2010 van het Comité Luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland van 26 november 2010, aldus worden uitgelegd dat een uit twee vluchtsegmenten bestaande vlucht die vertrekt vanaf het grondgebied van een derde land, met een tussenlanding op het grondgebied van een lidstaat en met eindbestemming op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat, waarbij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een communautaire luchtvaartmaatschappij is, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 261/2004 valt? |
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(2) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
(3) Besluit nr. 2/2010 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 26 november 2010 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (PB 2010, L 347, blz. 54).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/30 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Koszalinie (Polen) op 24 januari 2023 — RF / Getin Noble Bank S.A.
(Zaak C-34/23, Getin Noble Bank)
(2023/C 155/38)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Koszalinie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: RF
Verwerende partij: Getin Noble Bank S.A.
Prejudiciële vraag
Heeft het verbod van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 (1), van het Europees Parlement en de Raad alleen betrekking op de mogelijkheid om zekerheidsrechten ten aanzien van een geldvordering af te dwingen bij wijze van executie dan wel ook op de inleiding van om het even welke conservatoire procedure jegens een entiteit in staat van gedwongen afwikkeling?
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/30 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 25 januari 2023 — Agenzia delle Entrate / PR
(Zaak C-37/23, Giocevi (1))
(2023/C 155/39)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Agenzia delle Entrate
Verwerende partij: PR
Prejudiciële vraag
Staan de in de beschikking van 15 juli 2015, Agenzia delle Entrate/Nuova Invincibile srl (C-82/14, EU:C:2015:510), en in het arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië (C-132/06, EU:C:2008:412) geformuleerde beginselen in de weg aan een wettelijke bepaling als die van artikel 33, lid 28, van wet nr. 183 van 2011, volgens welke belastingplichtigen in verband met de aardbeving die op 6 april 2009 de Abruzzen heeft getroffen, recht hebben op teruggaaf van 60 % van de btw die zij in de periode van april 2009 tot en met december 2010 hebben betaald?
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/31 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (België) op 31 januari 2023 — A, B, C, D tegen MS Amlin Insurance SE
(Zaak C-45/23, MS Amlin Insurance)
(2023/C 155/40)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: A, B, C, D
Verweerster: MS Amlin Insurance SE
Prejudiciële vraag
Moet artikel 17, lid 1, van de Richtlijn 2015/2302 (1) van de Raad en het Europees Parlement van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat de daarin verplichte zekerheid ook geldt voor de terugbetaling van alle reeds door of namens reizigers betaalde bedragen wanneer de reiziger de pakketreisovereenkomst beëindigt op grond van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden zoals bedoeld in artikel 12, lid 2 van dezelfde richtlijn en de organisator failliet wordt verklaard nadat de pakketreisovereenkomst op die grond is beëindigd, maar voordat die bedragen aan de reiziger daadwerkelijk zijn terugbetaald waardoor die reiziger een financieel verlies lijdt en bijgevolg een economisch risico draagt ingeval van faillissement van de reisorganisator?
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/31 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Upravno sodišče Republike Slovenije (Slovenië) op 6 februari 2023 — Y.N. / Republika Slovenija
(Zaak C-58/23, Abboudnam (1))
(2023/C 155/41)
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Upravno sodišče Republike Slovenije
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Y.N.
Verwerende partij: Republika Slovenija
Prejudiciële vraag
Moet artikel 46, lid 4, van richtlijn 2013/32/EU (2), gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest (3), aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale procedureregel, zoals artikel 70, lid 1, tweede zin, ZMZ-1, die, voor het instellen van beroep tegen een besluit waarbij de bevoegde autoriteit een verzoek als kennelijk ongegrond afwijst in het kader van een versnelde procedure, voorziet in een vervaltermijn van drie dagen — feest- en vrije dagen inbegrepen — vanaf de kennisgeving van dat besluit, waardoor het mogelijk is dat deze termijn afloopt aan het einde van de eerstvolgende werkdag?
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(2) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (PB 2013, L 180, blz. 60).
(3) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2012, C 326, blz. 391).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/32 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 8 februari 2023 — In de strafzaak tegen S.Z.
(Zaak C-67/23, W. GmbH)
(2023/C 155/42)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: S.Z.
Verwerende partij: W. GmbH
Andere partij in de procedure: Der Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet het begrip “van oorsprong uit Birma/Myanmar” in artikel 2, lid 2, onder a), onder i), van verordening (EG) nr. 194/2008 (1) aldus worden uitgelegd dat geen van de onderstaande bewerkingen van in Myanmar gegroeide teakhouten stammen in een derde land (in casu: Taiwan) tot een wijziging van de oorsprong heeft geleid, zodat het bij het aldus bewerkte teakhout nog steeds om “goederen van oorsprong uit Birma/Myanmar” ging:
|
|
2. |
Moet het begrip “vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd” in artikel 2, lid 2, onder a), onder ii), van verordening (EG) nr. 194/2008 aldus worden uitgelegd dat alleen goederen die rechtstreeks vanuit Myanmar in de Europese Unie zijn ingevoerd, daaronder vallen, zodat goederen die eerst naar een derde land (in casu: Taiwan) zijn overgebracht en van daaruit naar de Europese Unie zijn vervoerd, niet onder de regeling vallen, ongeacht of zij in het derde land een be- of verwerking hebben ondergaan die er oorsprong aan verleent? |
|
3. |
Moet artikel 2, lid 2, onder a), onder i), van verordening (EG) nr. 194/2008 aldus worden uitgelegd dat een door een derde land (in casu: Taiwan) verstrekt certificaat van oorsprong, volgens hetwelk klein gezaagde of op maat gezaagde uit Myanmar afkomstige teakhouten stammen door die bewerking in het derde land de oorsprong van dat land zouden hebben verkregen, niet bindend is voor de beoordeling of het invoerverbod van artikel 2, lid 2, van verordening (EG) nr. 194/2008 is geschonden? |
(1) Verordening (EG) nr. 194/2008 van de Raad van 25 februari 2008 tot verlenging en verscherping van de beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar en tot intrekking van verordening (EG) nr. 817/2006 (PB 2008, L 66, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/33 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék (Hongarije) op 14 februari 2023 — FJ / Agrárminiszter
(Zaak C-79/23, Kaszamás (1))
(2023/C 155/43)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: FJ
Verwerende partij: Agrárminiszter
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan het begrip “proces-verbaal”, zoals gedefinieerd in artikel 35 van verordening nr. 1290/2005 (2) betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, worden toegepast bij de uitlegging en de toepassing van artikel 58, derde alinea, van verordening nr. 1122/2009 (3)? |
|
2) |
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, moet het begrip “proces-verbaal”, zoals gedefinieerd in artikel 35 van verordening nr. 1290/2005, dan aldus worden uitgelegd dat het kalenderjaar waarin het eerste administratief of gerechtelijk proces-verbaal tot stand komt het kalenderjaar is waarin de autoriteit die naar aanleiding van de aanvraag de administratieve procedure heeft ingesteld
|
|
3) |
Is het van invloed op het antwoord op de vorige vraag dat de mogelijkheid tot latere herziening of intrekking van de schriftelijke evaluatie die het proces-verbaal vormt, voortvloeit uit een door de wetgeving gewaarborgd recht van beroep van de betrokkene en niet het gevolg is van ontwikkelingen in de administratieve of de gerechtelijke procedure? |
|
4) |
Indien het kalenderjaar van het proces-verbaal het jaar is waarin de eerste onderzoekshandeling plaatsvindt, moet dan, wanneer deze onderzoekshandeling, zoals in het onderhavige geval de controle ter plaatse, meerdere malen heeft plaatsgevonden, de in artikel 35 van verordening nr. 1290/2005 bedoelde eerste onderzoekshandeling aldus worden uitgelegd dat deze overeenkomt met de door de autoriteit verrichte eerste controle ter plaatse, of met de door de autoriteit verrichte laatste controle ter plaatse, waarbij tevens rekening is gehouden met de door de betrokkene gemaakte opmerkingen en ingediende bewijzen? |
|
5) |
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wijzigt dit dan de hierboven bepaalde inhoud van de feitenvaststelling waarmee bij de toepassing van artikel 58, derde alinea, van verordening nr. 1122/2009 rekening moet worden gehouden? |
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(3) Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB 2009, L 316, blz. 65).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/34 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad (Bulgarije) op 14 februari 2023 — Strafprocedure tegen В.С.
(Zaak C-80/23, Ministerstvo na vatreshnite raboti)
(2023/C 155/44)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski gradski sad
Beschuldigde
B.C.
Prejudiciële vragen
|
1. |
Is voldaan aan het vereiste van toetsing van de “strikte noodzaak” in de zin van artikel 10 van richtlijn 2016/680 (1), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in punt 133 van het arrest [van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti, C-205/21] (2), wanneer die toetsing alleen wordt verricht op basis van de ten aanzien van de betrokkene opgestelde akte van formele beschuldiging en diens schriftelijke weigering om zijn biometrische en genetische gegevens te laten verzamelen, of is het noodzakelijk dat de rechter beschikt over alle stukken van het dossier die hem naar nationaal recht ter beschikking worden gesteld bij een verzoek om machtiging tot uitvoering van onderzoeksmaatregelen die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen, wanneer dat verzoek in het kader van een strafzaak wordt gedaan? |
|
2. |
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan de rechter, nadat het dossier hem ter beschikking is gesteld, in het kader van de toetsing van de “strikte noodzaak” in de zin van artikel 10 juncto artikel 6, onder a), van richtlijn 2016/680 ook beoordelen of er gegronde vermoedens bestaan dat de betrokkene het strafbare feit heeft gepleegd waarvan hij is beschuldigd? |
(1) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89).
(2) EU:C:2023:49.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/34 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven kasatsionen sad (Bulgarije) op 15 februari 2023 — Е.N.I., Y.K.I. / HUK-COBURG-Allgemeine Versicherung AG
(Zaak C-86/23, HUK-COBURG-Allgemeine Versicherung)
(2023/C 155/45)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven kasatsionen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers tot cassatie: Е.N.I., Y.K.I.
Verweerster in cassatie: HUK-COBURG-Allgemeine Versicherung AG
Prejudiciële vraag
Moet artikel 16 van verordening (EG) nr. 864/2007 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening) aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, die voorziet in de toepassing van een fundamenteel beginsel van het recht van de lidstaat, zoals het beginsel van billijkheid, bij de vaststelling van de vergoeding van immateriële schade in gevallen waarin een naaste is overleden ten gevolge van een strafbaar feit kan worden aangemerkt als een bepaling van bijzonder dwingend recht in de zin van dat artikel?
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/35 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Svea Hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (Zweden) op 15 februari 2023 — Parfümerie Akzente GmbH / KTF Organisation AB
(Zaak C-88/23, Parfümerie Akzente)
(2023/C 155/46)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Svea Hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstolen
Partijen in het hoofdgeding
Appellante: Parfümerie Akzente GmbH
Geappelleerde: KTF Organisation AB
Prejudiciële vragen
|
1) |
Dient artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31/EG (1), gezien het recht van de Unie in het algemeen en de doeltreffende uitvoering ervan, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke nationale regels, met inbegrip van nationale regels die uitvoering geven aan richtlijn 2005/29/EG (2), geen toepassing vinden binnen het gecoördineerde gebied indien de dienstverlener gevestigd is in en diensten van de informatiemaatschappij verstrekt vanuit een andere lidstaat, en indien niet is voldaan aan de voorwaarden om een uitzondering toe te passen overeenkomstig de desbetreffende nationale regels ter uitvoering van artikel 3, lid 4, [van richtlijn 2000/31/EG]? |
|
2) |
Omvat het gecoördineerde gebied in de zin van richtlijn 2000/31/EG de reclame op de website van de verkoper voor en de onlineverkoop van een product waarvan wordt beweerd dat de etikettering ervan in strijd is met de vereisten die voor de goederen als zodanig gelden in de lidstaat van de consument die het product aanschaft? |
|
3) |
Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend luidt, zijn dergelijke vereisten die gelden voor de levering en de producten als zodanig, overeenkomstig artikel 2, onder h), ii), van richtlijn 2000/31/EG eveneens uitgesloten van het gecoördineerde gebied, waar de levering van de goederen zelf een noodzakelijk onderdeel vormt van de onlinereclame en -verkoop, of wordt de levering van de goederen zelf geacht een nevenaspect te vormen van de onlinereclame en -verkoop, waarmee het onlosmakelijk is verbonden? |
|
4) |
Welk gewicht heeft, in het licht van de tweede en de derde vraag, het feit dat de vereisten die gelden voor de goederen als zodanig voortvloeien uit nationale bepalingen die sectorspecifieke EU-wetgeving uitvoeren en aanvullen, met inbegrip van artikel 8, lid 2, van richtlijn 75/324/EEG (3) en artikel 19, lid 5, van verordening (EG) nr. 1223/2009 (4), en die inhouden dat de vereisten die gelden voor de goederen moeten worden nageleefd om de goederen in de betrokken lidstaat op de markt te kunnen brengen of aan eindverbruikers te kunnen leveren? |
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (“Richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1).
(2) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (“Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).
(3) Richtlijn van de Raad van 20 mei 1975 inzake onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende aërosols (PB 1975, L 147, blz. 40).
(4) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB 2009, L 342, blz. 59).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/36 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 februari 2023 door PNB Banka AS tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer — uitgebreid) van 7 december 2022 in zaak T-275/19, PNB Banka / ECB
(Zaak C-99/23 P)
(2023/C 155/47)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: PNB Banka AS (vertegenwoordiger: O. Behrends, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Europese Centrale Bank (ECB), Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest vernietigen; |
|
— |
het bij brief van 14 februari 2019 ter kennis gebrachte besluit van de ECB om een inspectie ter plaatse in de bedrijfsruimten van rekwirante te verrichten, nietig verklaren; |
|
— |
de ECB verwijzen in de kosten; |
|
— |
voor zover het Hof van Justitie niet in staat is om ten gronde te beslissen, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht. |
Middel en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante als enig middel aan dat het bestreden arrest procedureel onjuist is omdat het Gerecht de kwestie van de vertegenwoordiging van rekwirante in het kader van de procedure voor het Gerecht niet naar behoren heeft behandeld.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door ervan uit te gaan dat een vraag met betrekking tot de integriteit van de procedure voor het Gerecht geen probleem oplevert zo lang kan worden gesteld dat het probleem niet zou bestaan in het hypothetische geval dat Letland zijn verplichtingen had nageleefd. Het Gerecht heeft daardoor het beginsel dat rechtsbescherming niet enkel theoretisch en denkbeeldig mag zijn, en dus artikel 47 van het Handvest, geschonden.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/37 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 februari 2023 door PNB Banka AS tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer — uitgebreid) van 7 december 2022 in zaak T-301/19, PNB Banka / ECB
(Zaak C-100/23 P)
(2023/C 155/48)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: PNB Banka AS (vertegenwoordiger: O. Behrends, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Europese Centrale Bank (ECB)
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest vernietigen; |
|
— |
het bij brief van 1 maart 2019 ter kennis gebrachte besluit van de ECB om rekwirante in te delen als een belangrijke entiteit die onder haar rechtstreeks prudentieel toezicht staat, nietig verklaren; |
|
— |
de ECB verwijzen in de kosten; |
|
— |
voor zover het Hof van Justitie niet in staat is om ten gronde te beslissen, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht. |
Middel en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante als enig middel aan dat het bestreden arrest procedureel onjuist is omdat het Gerecht de kwestie van de vertegenwoordiging van rekwirante in het kader van de procedure voor het Gerecht niet naar behoren heeft behandeld.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door ervan uit te gaan dat een vraag met betrekking tot de integriteit van de procedure voor het Gerecht geen probleem oplevert zo lang kan worden gesteld dat het probleem niet zou bestaan in het hypothetische geval dat Letland zijn verplichtingen had nageleefd. Het Gerecht heeft daardoor het beginsel dat rechtsbescherming niet enkel theoretisch en denkbeeldig mag zijn, en dus artikel 47 van het Handvest, geschonden.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/37 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 februari 2023 door PNB Banka AS tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer — uitgebreid) van 7 december 2022 in zaak T-330/19, PNB Banka / ECB
(Zaak C-101/23 P)
(2023/C 155/49)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: PNB Banka AS (vertegenwoordiger: O. Behrends, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Europese Centrale Bank (ECB), Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest vernietigen; |
|
— |
het bij brief van 21 maart 2019 ter kennis gebrachte besluit van de ECB waarbij die instelling zich verzette tegen de transactie bestaande in de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in B, nietig verklaren; |
|
— |
de ECB verwijzen in de kosten; |
|
— |
voor zover het Hof van Justitie niet in staat is om ten gronde te beslissen, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht. |
Middel en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante als enig middel aan dat het bestreden arrest procedureel onjuist is omdat het Gerecht de kwestie van de vertegenwoordiging van rekwirante in het kader van de procedure voor het Gerecht niet naar behoren heeft behandeld.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door ervan uit te gaan dat een vraag met betrekking tot de integriteit van de procedure voor het Gerecht geen probleem oplevert zo lang kan worden gesteld dat het probleem niet zou bestaan in het hypothetische geval dat Letland zijn verplichtingen had nageleefd. Het Gerecht heeft daardoor het beginsel dat rechtsbescherming niet enkel theoretisch en denkbeeldig mag zijn, en dus artikel 47 van het Handvest, geschonden.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/38 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 februari 2023 door PNB Banka AS tegen het arrest van het Gerecht (Tiende kamer) van 7 december 2022 in zaak T-230/20, PNB Banka / ECB
(Zaak C-102/23 P)
(2023/C 155/50)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: PNB Banka AS (vertegenwoordiger: O. Behrends, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Europese Centrale Bank (ECB), Republiek Letland
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest vernietigen; |
|
— |
besluit ECB-SSM-220-LVPNB-1, WHD-2019-0016 van de ECB van 17 februari 2020 waarbij rekwirantes vergunning als kredietinstelling werd ingetrokken, nietig verklaren; |
|
— |
de ECB verwijzen in de kosten; |
|
— |
voor zover het Hof van Justitie niet in staat is om ten gronde te beslissen, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert twee middelen aan.
Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting bij de behandeling van de kwestie van de vertegenwoordiging van rekwirante. Dit middel bestaat uit drie onderdelen.
Ten eerste heeft het Gerecht ten onrechte het eerste gedeelte van de procedure tot intrekking van de vergunning — namelijk de voorbereiding van het besluit door de nationale bevoegde autoriteit — niet in aanmerking genomen.
Ten tweede heeft het Gerecht het arrest van 5 november 2019, ECB e.a. / Trasta Komercbanka e.a. (C-663/17 P, C-665/17 P en C-669/17 P, EU:C:2019:923) onjuist toegepast door ervan uit te gaan dat met dat arrest het recht werd gewijzigd en derhalve niet te oordelen dat de ECB haar eerdere niet-naleving van de door dat arrest bevestigde beginselen moest rechtzetten.
Ten derde heeft het Gerecht het handelen van de ECB onjuist beoordeeld nadat die instelling haar standpunt had herzien naar aanleiding van het arrest van 5 november 2019, ECB e.a. / Trasta Komercbanka e.a. (C-663/17 P, C-665/17 P en C-669/17 P, EU:C:2019:923). De ECB heeft derhalve nagelaten om te goeder trouw gevolg te geven aan het arrest van het Hof.
Tweede middel: het bestreden arrest is procedureel onjuist omdat het Gerecht de kwestie van de vertegenwoordiging van rekwirante in het kader van de procedure voor het Gerecht niet op passende wijze heeft behandeld.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door ervan uit te gaan dat een vraag met betrekking tot de integriteit van de procedure voor het Gerecht geen probleem oplevert zo lang kan worden gesteld dat het probleem niet zou bestaan in het hypothetische geval dat Letland zijn verplichtingen had nageleefd. Het Gerecht heeft daardoor het beginsel dat rechtsbescherming niet enkel theoretisch en denkbeeldig mag zijn, en dus artikel 47 van het Handvest, geschonden.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/39 |
Hogere voorziening ingesteld op 15 februari 2023 door Trasta Komercbanka AS tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 30 september 2022 in zaak T-698/16, Trasta Komercbanka en anderen / ECB
(Zaak C-103/23 P)
(2023/C 155/51)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Trasta Komercbanka AS (vertegenwoordiger: A. Rasa)
Andere partijen in de procedure: Europese Centrale Bank, Republiek Letland, Europese Commissie, Ivan Fursin, Igors Buimisters, C & R Invest SIA, Figon Co. Ltd, GCK Holding Netherlands BV, Rikam Holding SA
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest vernietigen; |
|
— |
ECB gelasten de schade te vergoeden die rekwirante heeft geleden ten gevolge van het besluit van de ECB om rekwirantes vergunning in te trekken op 3 maart 2016 en van de in verzoekschrift vermelde gedragingen die daarmee verband hielden; |
|
— |
vaststellen dat de materiële schade ten minste 162 miljoen EUR bedraagt, vermeerderd met de compensatoire rente vanaf 3 maart 2016 tot de datum waarop in de onderhavige zaak uitspraak wordt gedaan en met overeenkomstige vertragingsrente vanaf de datum van die uitspraak tot de volledige betaling van het verschuldigde bedrag; |
|
— |
ECB verwijzen in de kosten van de procedure overeenkomstig de artikelen 134 en 135 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het Gerecht heeft in het bestreden arrest een aantal procedurefouten gemaakt waardoor het bestreden arrest moet worden vernietigd.
Aangezien er twijfels bestaan dat O. Behrends een belangenconflict had wanneer hij in de procedure voor het Gerecht zowel voor Trasta Komercbanka AS als andere verzoekende partijen is opgetreden, is rekwirantes recht op een eerlijk proces voor het Gerecht mogelijkerwijs geschonden.
Tevens kan de procedure overeenkomstig het Letse recht worden voortgezet door de erfgenamen van Igor Buimisters.
Aangezien het bestreden arrest Trasta Komercbanka AS bijgevolg veroordeelt tot betaling van de kosten van de procedure, maakt het inbreuk op de rechten van derden, namelijk de schuldeisers van Trasta Komercbanka AS. Derhalve schendt het arrest de rechten van derden die niet hebben kunnen deelnemen aan de procedure.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/40 |
Hogere voorziening ingesteld op 2 maart 2023 door E. Breuninger GmbH & Co. tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer — uitgebreid) van 21 december 2022 in zaak T-260/21, E. Breuninger GmbH & Co. / Europese Commissie
(Zaak C-124/23 P)
(2023/C 155/52)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: E. Breuninger GmbH & Co. (vertegenwoordiger: R. Velte, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 21 december 2022 in zaak T-260/21, Breuninger/Commissie, vernietigen voor zover daarbij het beroep is verworpen en E. Breuninger GmbH & Co. KG is verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Europese Commissie, |
|
— |
de zaak ten gronde afdoen en het bestreden besluit nietig verklaren; subsidiair, indien het Hof de zaak niet afdoet, deze terugverwijzen naar het Gerecht voor verdere afdoening met inachtneming van de uitspraak van het Hof, en |
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en voor het Hof. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert vier middelen aan:
In de eerste plaats voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU. Volgens de bewoordingen en het doel van deze bepaling moet bij de beoordeling van de gevolgen van het bestreden besluit worden uitgegaan van de mededinging tussen de door de lockdown getroffen productiesectoren van de fysieke detailhandel en niet van een bedrijfsbrede benadering waarbij ook productiesectoren in aanmerking worden genomen die niet door de lockdown zijn getroffen. Het Gerecht is voorbijgegaan aan het feit dat de bestreden steunregeling, door fysieke detailhandelaren te bevoordelen ten nadele van “multichannel”-handelaren, zoals rekwirante, leidt tot ernstige vervalsing van de mededinging in zowel de fysieke detailhandel als de onlinehandel.
In de tweede plaats heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU. Het Gerecht heeft er geen rekening mee gehouden dat deze bepaling een uitzonderingsbepaling is die verband houdt met de toepassingsvoorwaarden van artikel 101, lid 1, VWEU. Ingevolge deze beoordelingsfout is het Gerecht eraan voorbijgegaan dat de Commissie bij haar onderzoek blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout door geen rekening te houden met de mededingingsverstorende effecten van de steunregeling. Voorts is de selectiviteit van de steun als gevolg van de toepassing van het subsidiabiliteitscriterium “omzetdaling op bedrijfsniveau” in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, omdat rekwirante daardoor ongelijk wordt behandeld, hoewel zij door de sluitingen in de bedrijfstak “fysieke detailhandel” in dezelfde mate wordt getroffen als de begunstigde concurrenten.
In de derde plaats heeft het Gerecht de tijdelijke kaderregeling van de Commissie, waarop de bestreden steunregeling is gebaseerd, onjuist uitgelegd en gekwalificeerd. De tijdelijke kaderregeling veronderstelt niet dat de levensvatbaarheid van de door de lockdown getroffen bedrijven in gevaar wordt gebracht. De steunregeling is niet bedoeld om noodlijdende bedrijven te ondersteunen, maar veeleer om de betrokken bedrijven tijdelijk ondersteuning te bieden om de voortzetting van hun bedrijf in de betrokken productiesectoren te garanderen en dure en onomkeerbare herstructureringen te vermijden. De tijdelijke kaderregeling voorziet dus juist niet in een bedrijfsbrede benadering, maar in een benadering die toegespitst is op productiesectoren die door sluitingen zijn getroffen.
In de vierde plaats stelt rekwirante dat het Gerecht ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het in artikel 5, lid 4, VWEU neergelegde evenredigheidsbeginsel. Het op een bedrijfsbrede benadering gebaseerde subsidiabiliteitscriterium is noch geschikt noch noodzakelijk ter verwezenlijking van het doel van de steunregeling om productiesectoren die als gevolg van de coronapandemie getroffen zijn door sluitingen in staat te stellen hun bedrijf voort te zetten door hun niet-gedekte vaste kosten te compenseren. De door het gehanteerde subsidiabiliteitscriterium veroorzaakte ernstige vervalsing van de mededinging is evenmin geschikt om het — gemiste — doel van de steunregeling te bereiken. De evenredigheid van de bestreden steunregeling kan niet uitsluitend gerechtvaardigd worden op grond van de verplichting om zuinig om te gaan met begrotingsmiddelen, temeer daar de steun voor vaste kosten aan de begunstigde fysieke detailhandelaren is toegekend ongeacht hun draagkracht of kapitalisatie.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/41 |
Hogere voorziening ingesteld op 2 maart 2023 door FALKE KGaA tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer — uitgebreid) van 21 december 2022 in zaak T-306/21, Falke KGaA / Europese Commissie
(Zaak C-127/23 P)
(2023/C 155/53)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: FALKE KGaA (vertegenwoordiger: R. Velte, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 21 december 2022 in zaak T-306/21, Falke/Commissie, vernietigen voor zover daarbij het beroep is verworpen (dictum 1) en Falke is verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Europese Commissie (dictum 2); |
|
— |
de zaak ten gronde afdoen en het bestreden besluit nietig verklaren; subsidiair, indien het Hof de zaak niet afdoet, deze terugverwijzen naar het Gerecht voor verdere afdoening met inachtneming van de uitspraak van het Hof, en |
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en voor het Hof. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert vier middelen aan.
In de eerste plaats voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU. Volgens de bewoordingen en het doel van deze bepaling moet bij de beoordeling van de gevolgen van het bestreden besluit worden uitgegaan van de mededinging tussen de door de lockdown getroffen productiesectoren van de fysieke detailhandel en niet van een bedrijfsbrede benadering waarbij ook productiesectoren in aanmerking worden genomen die niet door de lockdown zijn getroffen. Het Gerecht is voorbijgegaan aan het feit dat de bestreden steunregeling, door fysieke detailhandelaren te bevoordelen ten nadele van “multichannel”-handelaren, zoals rekwirante, leidt tot ernstige vervalsing van de mededinging in zowel de fysieke detailhandel als de onlinehandel.
In de tweede plaats heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU. Het Gerecht heeft er geen rekening mee gehouden dat deze bepaling een uitzonderingsbepaling is die verband houdt met de toepassingsvoorwaarden van artikel 101, lid 1, VWEU. Ingevolge deze beoordelingsfout is het Gerecht eraan voorbijgegaan dat de Commissie bij haar onderzoek blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout door geen rekening te houden met de mededingingsverstorende effecten van de steunregeling. Voorts is de selectiviteit van de steun als gevolg van de toepassing van het subsidiabiliteitscriterium “omzetdaling op bedrijfsniveau” in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, omdat rekwirante daardoor ongelijk wordt behandeld, hoewel zij door de sluitingen in de bedrijfstak “fysieke detailhandel” in dezelfde mate wordt getroffen als de begunstigde concurrenten.
In de derde plaats heeft het Gerecht de tijdelijke kaderregeling van de Commissie, waarop de bestreden steunregeling is gebaseerd, onjuist uitgelegd en gekwalificeerd. De tijdelijke kaderregeling veronderstelt niet dat de levensvatbaarheid van de door de lockdown getroffen bedrijven in gevaar wordt gebracht. De steunregeling is niet bedoeld om noodlijdende bedrijven te ondersteunen, maar veeleer om de betrokken bedrijven tijdelijk ondersteuning te bieden om de voortzetting van hun bedrijf in de betrokken productiesectoren te garanderen en dure en onomkeerbare herstructureringen te vermijden. De tijdelijke kaderregeling voorziet dus juist niet in een bedrijfsbrede benadering, maar in een benadering die toegespitst is op productiesectoren die door sluitingen zijn getroffen.
In de vierde plaats stelt rekwirante dat het Gerecht ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het in artikel 5, lid 4, VWEU neergelegde evenredigheidsbeginsel. Het op een bedrijfsbrede benadering gebaseerde subsidiabiliteitscriterium is noch geschikt noch noodzakelijk ter verwezenlijking van het doel van de steunregeling om productiesectoren die als gevolg van de coronapandemie getroffen zijn door sluitingen in staat te stellen hun bedrijf voort te zetten door hun niet-gedekte vaste kosten te compenseren. De door het gehanteerde subsidiabiliteitscriterium veroorzaakte ernstige vervalsing van de mededinging is evenmin geschikt om het — gemiste — doel van de steunregeling te bereiken. De evenredigheid van de bestreden steunregeling kan niet uitsluitend gerechtvaardigd worden op grond van de verplichting om zuinig om te gaan met begrotingsmiddelen, temeer daar de steun voor vaste kosten aan de begunstigde fysieke detailhandelaren is toegekend ongeacht hun draagkracht of kapitalisatie.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/42 |
Beroep ingesteld op 10 maart 2023 — Europese Commissie / Republiek Polen
(Zaak C-147/23)
(2023/C 155/54)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Owsiany-Hornung en J. Baquero Cruz, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Polen
Conclusies
|
— |
constateren dat de Republiek Polen, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
— |
de Republiek Polen veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 13 700 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 3 836 000 EUR; |
|
— |
ingeval de overeenkomstig het eerste streepje geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, de Republiek Polen veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 53 430 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
— |
de Republiek Polen verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad wordt gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden. Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Op 27 januari 2022 heeft de Commissie een aanmaningsbrief doen toekomen aan de Republiek Polen. Op 15 juli 2022 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies gezonden aan deze lidstaat. De Republiek Polen heeft echter nog geen omzettingsmaatregelen getroffen of ter kennis gebracht van de Commissie.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/43 |
Beroep ingesteld op 14 maart 2023 — Europese Commissie / Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-149/23)
(2023/C 155/55)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en L. Mantl, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
|
— |
constateren dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
— |
de Bondsrepubliek Duitsland veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 61 600 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 17 248 000 EUR; |
|
— |
ingeval de overeenkomstig het eerste streepje geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, de Bondsrepubliek Duitsland veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 240 240 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
— |
de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep verwijt de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet te zijn nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens richtlijn 2019/1937. Met die richtlijn wordt gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden. Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Volgens de Commissie heeft de Bondsrepubliek Duitsland nog geen maatregelen getroffen om de richtlijn volledig om te zetten of zijn dergelijke maatregelen in elk geval niet ter kennis gebracht van de Commissie meer dan 13 maanden na het verstrijken van de omzettingstermijn.
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB 2019, L 305, blz. 17).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/44 |
Beroep ingesteld op 13 maart 2023 — Europese Commissie / Groothertogdom Luxemburg
(Zaak C-150/23)
(2023/C 155/56)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz, F. Blanc en T. Materne, gemachtigden)
Verwerende partij: Groothertogdom Luxemburg
Conclusies
|
— |
constateren dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
— |
het Groothertogdom Luxemburg veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 900 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 252 000 EUR; |
|
— |
ingeval de overeenkomstig het eerste streepje geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, het Groothertogdom Luxemburg veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 3 150 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
— |
het Groothertogdom Luxemburg verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens de Commissie wordt met richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden.
Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Op 21 januari 2022 heeft de Commissie een aanmaningsbrief doen toekomen aan het Groothertogdom Luxemburg. Op 15 juli 2022 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies gezonden aan deze lidstaat. Het Groothertogdom Luxemburg heeft echter nog geen omzettingsmaatregelen getroffen of ter kennis gebracht van de Commissie.
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB 2019, L 305, blz. 17).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/45 |
Beroep ingesteld op 13 maart 2023 — Europese Commissie / Tsjechische Republiek
(Zaak C-152/23)
(2023/C 155/57)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Salyková en J. Baquero Cruz, gemachtigden)
Verwerende partij: Tsjechische Republiek
Conclusies
|
— |
constateren dat de Tsjechische Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
— |
de Tsjechische Republiek veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 4 900 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 1 372 000 EUR; |
|
— |
ingeval de overeenkomstig het eerste streepje geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, de Tsjechische Republiek veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 19 110 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
— |
de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad wordt gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden. Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Op 27 januari 2022 heeft de Commissie een aanmaningsbrief doen toekomen aan de Tsjechische Republiek. Op 15 juli 2022 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies gezonden aan deze lidstaat. De Tsjechische Republiek heeft echter nog geen omzettingsmaatregelen getroffen of ter kennis gebracht van de Commissie.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/45 |
Beroep ingesteld op 14 maart 2023 — Europese Commissie / Republiek Estland
(Zaak C-154/23)
(2023/C 155/58)
Procestaal: Ests
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en L. Maran, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Estland
Conclusies
|
1) |
constateren dat Republiek Estland, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
2) |
de Republiek Estland veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 600 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 168 000 EUR; |
|
3) |
ingeval de overeenkomstig het eerste punt geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, de Republiek Estland veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 2 340 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
4) |
de Republiek Estland verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens de Commissie wordt met richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden.
Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Aangezien de Commissie niets had gehoord van de Republiek Estland met betrekking tot het treffen van de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, heeft zij deze lidstaat op 27 januari 2022 een aanmaningsbrief doen toekomen. Daar de Republiek Estland haar niet heeft laten weten dat de richtlijn is omgezet, heeft de Commissie op 15 juli 2022 een met redenen omkleed advies gezonden aan deze lidstaat.
De Republiek Estland heeft nog geen omzettingsmaatregelen getroffen of ter kennis gebracht van de Commissie.
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB 2019, L 305, blz. 17).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/46 |
Beroep ingesteld op 14 maart 2023 — Europese Commissie / Hongarije
(Zaak C-155/23)
(2023/C 155/59)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en A. Tokár, gemachtigden)
Verwerende partij: Hongarije
Conclusies
|
1) |
constateren dat Hongarije, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
2) |
Hongarije veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 3 500 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 980 000 EUR; |
|
3) |
ingeval de overeenkomstig het eerste punt geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, Hongarije veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 13 650 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
4) |
Hongarije verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad wordt gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden. Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Op 27 januari 2022 heeft de Commissie een aanmaningsbrief doen toekomen aan Hongarije. Op 22 juli 2022 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies gezonden aan deze lidstaat. Hongarije heeft echter nog geen omzettingsmaatregelen getroffen of ter kennis gebracht van de Commissie
Gerecht
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/48 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Sánchez-Gavito León / Raad en Commissie
(Zaak T-100/21) (1)
(“Internationaal Raadgevend Comité voor Katoen - Besluit (EU) 2017/876 - Personeel van een internationale organisatie waartoe de Unie is toegetreden - Akkoord over de voorwaarden voor het vertrek van verzoekster - Beroep wegens nalaten - Gedeeltelijk ontbreken van een verzoek tot handelen - Geen procesbevoegdheid - Niet-ontvankelijkheid - Aansprakelijkheid - Oorzakelijk verband”)
(2023/C 155/60)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Maria del Carmen Sánchez-Gavito León (Reston, Virginia, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: M. Veissiere, advocaat)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Antoniadis, M. Bauer en A. Boggio-Tomasaz, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Lilamand en M. Monfort, gemachtigden)
Voorwerp
Met haar beroep krachtens de artikelen 265 en 268 VWEU vordert verzoekster, ten eerste, vaststelling van het onrechtmatig nalaten van de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, doordat deze instellingen onrechtmatig hebben nagelaten om gevolg te geven aan het tot hen gerichte formele verzoek van verzoekster — een Spaanse onderdaan en voormalig ambtenaar bij het Internationaal Raadgevend Comité voor Katoen (ICAC), waartoe de Unie is toegetreden bij besluit (EU) 2017/876 van de Raad van 18 mei 2017 inzake de toetreding van de Europese Unie tot het Internationaal Raadgevend Comité voor Katoen (ICAC) (PB 2017, L 134, blz. 23) — en, ten tweede, vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de handelwijze van de Raad, van de Commissie en van hun functionarissen, die zouden hebben nagelaten te handelen hoewel zij ervan op de hoogte waren dat verzoekster het slachtoffer was van intimidatie door de uitvoerend directeur van het ICAC, dat deze laatste het akkoord over de voorwaarden voor het vertrek van verzoekster bij het secretariaat van het ICAC niet eerbiedigde en dat niet was voorzien in enig rechtsmiddel waarmee verzoekster haar grieven kon aanvoeren.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
María del Carmen Sánchez-Gavito León wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/48 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Bulgarije/Commissie
(Zaak T-235/21) (1)
(“ELGF en Elfpo - Uitgaven die van financiering zijn uitgesloten - Door Bulgarije verrichte uitgaven - Afzetbevorderingsmaatregelen - Onderzoeksverslag van OLAF - Conformiteitsgoedkeuring - Motiveringsplicht”)
(2023/C 155/61)
Procestaal: Bulgaars
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Bulgarije (vertegenwoordigers: T. Mitova en L. Zaharieva, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Koleva, J. Aquilina en A. Sauka, gemachtigden)
Voorwerp
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt de Republiek Bulgarije om nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2021/261 van de Commissie van 17 februari 2021 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2021, L 59, blz. 10), voor zover dit besluit bepaalde door haar verrichte uitgaven betreft.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Republiek Bulgarije wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/49 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Sympatex Technologies /EUIPO — Liwe Española (Sympathy Inside)
(Zaak T-372/21) (1)
(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordwerk Sympathy Inside - Ouder Uniewoordmerk INSIDE. - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Normaal gebruik van een ouder merk - Artikel 15, lid 1, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 18, lid 1, tweede alinea, onder a), van verordening 2017/1001] - Geen wijziging van het onderscheidend vermogen”)
(2023/C 155/62)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Sympatex Technologies GmbH (Unterföhring, Duitsland) (vertegenwoordiger: E. Strauß, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: G. Predonzani en D. Gája, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Liwe Española, SA (Puente Tocinos, Spanje) (vertegenwoordiger: Á. Pérez Lluna, advocaat)
Voorwerp
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster nietigverklaring van de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van 26 april 2021 (zaak R 1777/2018-5).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Sympatex Technologies GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/50 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 –Assaad / Raad
(Zaak T-426/21) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Syrië - Bevriezing van tegoeden - Onjuiste beoordeling - Retroactiviteit - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid - Gezag van gewijsde”)
(2023/C 155/63)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Nizar Assaad (Beiroet, Libanon) (vertegenwoordigers: M. Lester, KC, G. Martin en C. Enderby Smith, solicitors)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: T. Haas en M. Bishop, gemachtigden)
Voorwerp
Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert de verzoekende partij nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (GBVB) 2021/751 van de Raad van 6 mei 2021 tot uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2021, L 160, blz. 115), uitvoeringsverordening (EU) 2021/743 van de Raad van 6 mei 2021 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2021, L 160, blz. 1), besluit (GBVB) 2022/849 van de Raad van 30 mei 2022 tot wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2022, L 148, blz. 52), en van uitvoeringsverordening (EU) 2022/840 van de Raad van 30 mei 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2022, L 148, blz. 8), voor zover deze handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2021/751 van de Raad van 6 mei 2021 tot uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, uitvoeringsverordening (EU) 2021/743 van de Raad van 6 mei 2021 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, besluit (GBVB) 2022/849 van de Raad van 30 mei 2022 tot wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en uitvoeringsverordening (EU) 2022/840 van de Raad van 30 mei 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, worden nietig verklaard voor zover zij Nizar Assaad betreffen. |
|
2) |
De gevolgen van besluit 2022/849 worden ten aanzien van Assaad gehandhaafd tot aan het verstrijken van de termijn voor het instellen van hogere voorziening of, indien binnen die termijn hogere voorziening is ingesteld, totdat die hogere voorziening eventueel is afgewezen. |
|
3) |
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/51 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Société des produits Nestlé/EUIPO — The a2 Milk Company (A2)
(Zaak T-759/21) (1)
(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen - Beeldmerk A2 - Oudere internationale inschrijving - Beeldmerk THE a2 MILK COMPANY - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, onder b) van verordening (EU) 2017/1001”)
(2023/C 155/64)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Société des produits Nestlé SA (Vevey, Zwitserland) (vertegenwoordigers: A. Jaeger-Lenz en J. Thomsen, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Nicolás Gómez en M. Eberl, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: The a2 Milk Company Ltd (Auckland, Nieuw-Zeeland) (vertegenwoordigers: M. Hawkins, T. Dolde en C. Zimmer, advocaten)
Voorwerp
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster nietigverklaring van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 15 oktober 2021 (zaak R 2447/2020-4).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Société des produits Nestlé SA wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/51 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — SE/Commissie
(Zaak T-763/21) (1)
(“Openbare dienst - Tijdelijke functionarissen - Aanwerving - Pilootprogramma van de Commissie dat de aanwerving van junior administrateurs beoogt - Afwijzing van de sollicitatie - Toekenningsvoorwaarden - Criterium op grond waarvan de beroepservaring maximum drie jaar mag bedragen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van leeftijd”)
(2023/C 155/65)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: SE (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Schima, L. Vernier en I. Melo Sampaio, gemachtigden)
Voorwerp
Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 23 april 2021 tot afwijzing van zijn sollicitatie voor het pilootprogramma“Juniors professionels”, en vergoeding van de schade die hij door dit besluit stelt te hebben geleden.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
SE wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/52 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — PS/EIB
(Zaak T-65/22) (1)
(“Openbare dienst - Personeel van de EIB - Sociale zekerheid - Regeling voor de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten - Volledige en blijvende invaliditeit - Door het beroep veroorzaakte ziekte - Overeenkomst gesloten met een verzekeringsonderneming - Omvang van de verplichtingen die ten laste blijven van de EIB”)
(2023/C 155/66)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: PS (vertegenwoordiger: S. Orlandi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Investeringsbank (vertegenwoordigers: K. Carr en E. Manoukian, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU en artikel 50bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vordert verzoeker, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de Europese Investeringsbank (EIB) van 12 juli 2021, voor zover de EIB daarbij weigerde hem een schadevergoeding van 233 500 EUR wegens materiële en morele schade te betalen, ten tweede, de veroordeling van de EIB tot betaling van een schadevergoeding wegens de beroepsziekte waaraan verzoeker stelt te lijden, en ten derde, de veroordeling van de EIB tot betaling van een bedrag van 24 000 EUR als vergoeding van de morele schade die verzoeker stelt te hebben geleden vanwege zijn gezondheidstoestand.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
PS wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/52 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Novasol / ECHA
(Zaak T-70/22) (1)
(“REACH - Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding - Lagere vergoeding voor kmo’s - Verificatie door ECHA van de verklaring inzake de grootte van de onderneming - Verzoek om bewijs van de kmo-status - Weigering om bepaalde gegevens te verstrekken - Besluit waarbij de terugvordering van het niet-geïnde saldo van de verschuldigde vergoeding wordt gelast en een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd - Begrip “verbonden onderneming” - Aanbeveling 2003/361/EG - Motiveringsplicht”)
(2023/C 155/67)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Novasol (Kraainem, België) (vertegenwoordigers: C. Alter en G. Bouton, advocaten)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (vertegenwoordigers: F. Becker, S. Mahoney en M. Heikkilä, gemachtigden, bijgestaan door A. Guillerme, advocaat)
Voorwerp
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert de verzoekende partij nietigverklaring van besluit SME D (2021)8531-DC van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van 25 november 2021, waarbij wordt vastgesteld dat zij niet het nodige bewijs heeft overgelegd om in aanmerking te komen voor de lagere vergoeding voor middelgrote ondernemingen en haar bijgevolg wordt verzocht om het verschil te betalen tussen het bedrag van de reeds betaalde vergoeding en het bedrag van de vergoeding die van toepassing is op grote ondernemingen, alsook een vergoeding voor administratieve kosten ten belope van 19 900 EUR.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Novasol wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/53 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Kande Mupompa / Raad
(Zaak T-90/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo - Bevriezing van tegoeden - Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten - Handhaving van de naam van verzoeker op de lijsten van betrokken personen - Recht om te worden gehoord - Bewijs van de gegrondheid van de plaatsing en de handhaving op de lijsten - Kennelijke beoordelingsfout - Voortbestaan van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen hebben geleid”)
(2023/C 155/68)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Alex Kande Mupompa (Kinshasa, Democratische Republiek Congo) (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, A. Guillerme en T. Payan, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Lejeune en B. Driessen, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van (1) besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 75), en (2) uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 3), voor zover die handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Alex Kande Mupompa wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/54 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Amisi Kumba / Raad
(Zaak T-92/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo - Bevriezing van tegoeden - Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten - Handhaving van de naam van verzoeker op de lijsten van betrokken personen - Recht om gehoord te worden - Bewijs van de gegrondheid van de plaatsing en de handhaving op de lijsten - Kennelijke beoordelingsfout - Voortbestaan van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen hebben geleid”)
(2023/C 155/69)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Gabriel Amisi Kumba (Kinshasa, Democratische Republiek Congo) (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, A. Guillerme en T. Payan, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: B. Driessen en M.-C. Cadilhac, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van (1) besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 75), en (2) uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 3), voor zover die handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Gabriel Amisi Kumba wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/54 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Ramazani Shadary / Raad
(Zaak T-93/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo - Bevriezing van tegoeden - Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten - Handhaving van de naam van verzoeker op de lijsten van betrokken personen - Recht om te worden gehoord - Bewijs van de gegrondheid van de plaatsing en de handhaving op de lijsten - Wijziging van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen hebben geleid”)
(2023/C 155/70)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Emmanuel Ramazani Shadary (Kinshasa, Democratische Republiek Congo) (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, A. Guillerme en T. Payan, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Lejeune en B. Driessen, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van (1) besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 75), en (2) uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 3), voor zover die handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo, en uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo worden nietig verklaard voor zover die handelingen Emmanuel Ramazani Shadary betreffen. |
|
2) |
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/55 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Kanyama / Raad
(Zaak T-95/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo - Bevriezing van tegoeden - Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten - Handhaving van de naam van verzoeker op de lijsten van betrokken personen - Recht om te worden gehoord - Bewijs van de gegrondheid van de plaatsing en de handhaving op de lijsten - Kennelijke beoordelingsfout - Voortbestaan van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen hebben geleid”)
(2023/C 155/71)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Célestin Kanyama (Kinshasa, Democratische Republiek Congo) (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, A. Guillerme en T. Payan, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M.-C. Cadilhac en S. Lejeune, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van (1) besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 75), en (2) uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 3), voor zover die handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Célestin Kanyama wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/56 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Kampete/Raad
(Zaak T-96/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo - Bevriezing van tegoeden - Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten - Handhaving van de naam van verzoeker op de lijsten van betrokken personen - Recht om te worden gehoord - Bewijs van de gegrondheid van de plaatsing en de handhaving op de lijsten - Kennelijke beoordelingsfout - Voortbestaan van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen hebben geleid”)
(2023/C 155/72)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Ilunga Kampete (Kinshasa, Democratische Republiek Congo) (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, A. Guillerme en T. Payan, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: B. Driessen en M.-C. Cadilhac, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van (1) besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 75), en (2) uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 3), voor zover die handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Ilunga Kampete wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/56 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Boshab/Raad
(Zaak T-98/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo - Bevriezing van tegoeden - Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten - Handhaving van de naam van verzoeker op de lijsten van betrokken personen - Recht om te worden gehoord - Bewijs van de gegrondheid van de plaatsing en de handhaving op de lijsten - Kennelijke beoordelingsfout - Voortbestaan van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen hebben geleid”)
(2023/C 155/73)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Évariste Boshab (Kinshasa, Democratische Republiek Congo) (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, A. Guillerme en T. Payan, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Lejeune en B. Driessen, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van (1) besluit (GBVB) 2021/2181 van de Raad van 9 december 2021 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 75), en (2) uitvoeringsverordening (EU) 2021/2177 van de Raad van 9 december 2021 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2021, L 443, blz. 3), voor zover die handelingen hem betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Évariste Boshab wordt verwezen in de kosten. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/57 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Gönenç/EUIPO — Solar (termorad “ALUMINIUM PANEL RADIATOR”)
(Zaak T-172/22) (1)
(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk TERMORAD ALUMINIUM PANEL RADIATOR - Ouder Benelux-woordmerk THERMRAD - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/100”)
(2023/C 155/74)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Salim Selahaddin Gönenç (Konya, Turkije) (vertegenwoordiger: V. Martín Santos, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Eberl en J. Ivanauskas, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Solar A/S (Vejen, Denemarken) (vertegenwoordiger: L. Elmgaard Sørensen, advocaat)
Voorwerp
Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker nietigverklaring van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie van 18 januari 2022 (zaak R 770/2021-2).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Salim Selahaddin Gönenç wordt verwezen in zijn eigen kosten alsook in de kosten die het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en Solar A/S hebben gemaakt in verband met de onderhavige procedure. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/58 |
Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023 — Violetta Prigozhina/Raad
(Zaak T-212/22) (1)
(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties die Oekraïne ondermijnen of bedreigen - Bevriezing van tegoeden - Beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten - Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren - Plaatsing van de naam van de verzoeker op de lijst - Familie van een persoon die verantwoordelijk is voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, of de stabiliteit of veiligheid in Oekraïne, ondermijnen of bedreigen - Het begrip “geassocieerd” - Onjuiste beoordeling”)
(2023/C 155/75)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Violetta Prigozhina (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordiger: M. Cessieux, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M.C. Cadilhac en V. Piessevaux, gemachtigden)
Voorwerp
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster nietigverklaring van besluit (GBVB) 2022/265 van de Raad van 23 februari 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 42 I, blz. 98), en uitvoeringsverordening (EU) 2022/260 van de Raad van 23 februari 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 42 I, blz. 3), voor zover daarbij verzoeksters naam is opgenomen in de lijsten van personen en entiteiten in de bijlage bij besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16), en in bijlage I bij verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6).
Dictum
|
1) |
Besluit (GBVB) 2022/265 van de Raad van 23 februari 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 42 I, blz. 98), en uitvoeringsverordening (EU) 2022/260 van de Raad tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 42 I, blz. 3) worden nietig verklaard voor zover daarbij de naam van Violetta Prigozhina is opgenomen in de lijsten van personen en entiteiten in de bijlage bij besluit 2014/145/GBVB en in bijlage I bij verordening (EU) nr. 269/2014. |
|
2) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten alsmede die van Violetta Prigozhina. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/59 |
Beschikking van de vicepresident van het Gerecht van 28 februari 2023 — Telefónica de España / Commissie
(Zaak T-170/22 R-RENV)
(“Kortgeding - Overheidsopdrachten voor diensten - Beveiligde trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten (TESTA) - Verzoek om voorlopige maatregelen - Geen fumus boni iuris”)
(2023/C 155/76)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Telefónica de España, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: F. González-Díaz, J. Blanco Carol, advocaten, en P. Stuart, barrister)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. André en M. Ilkova, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: BT Global Services Belgium BV (Machelen, België) (vertegenwoordigers: V. Dor, A. Lepièce en M. Vilain XIIII, advocaten)
Voorwerp
Met haar verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU vraagt de verzoekende partij, ten eerste, opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Europese Commissie van 21 januari 2022 betreffende aanbesteding DIGIT/A 3/PR/2019/010 “Beveiligde trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten (TESTA)”, waarbij de verzoekende partij ervan op de hoogte is gebracht dat haar offerte voor de openbare aanbesteding niet in aanmerking was genomen en dat de overeenkomst met de geselecteerde inschrijver spoedig zou worden ondertekend (hierna: “litigieus besluit”), en, ten tweede, de Commissie te gelasten de ondertekening van deze overeenkomst op te schorten.
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kortgeding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beschikking van 1 april 2022, Telefónica de España/Commissie (T-170/22 R), wordt ingetrokken. |
|
3) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/59 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 1 maart 2023 — Mazepin / Raad
(Zaak T-743/22 R)
(“Kort geding - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen met betrekking tot acties van Rusland die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen - Bevriezing van tegoeden - Verzoek om voorlopige maatregelen - Fumus boni juris - Spoedeisendheid - Belangenafweging”)
(2023/C 155/77)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Nikita Dmitrievich Mazepin (Moskou, Rusland) (vertegenwoordigers: D. Rovetta, M. Campa, M. Moretto, V. Villante, T. Marembert en A. Bass, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Rurarz en P. Mahnič, gemachtigden)
Voorwerp
Met zijn verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU vordert verzoeker, ten eerste, opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit (GBVB) 2022/1530 van de Raad van 14 september 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 149), uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 van de Raad van 14 september 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen (PB 2022, L 239, blz. 1), en de handeling van de Raad van 15 september 2022 tot handhaving van zijn naam op de lijst van personen, entiteiten en lichamen die worden onderworpen aan de beperkende maatregelen van besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16), zoals gewijzigd, en verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6), zoals gewijzigd, voor zover deze handelingen hem beletten te onderhandelen over zijn aanwerving als professioneel Formule 1-piloot of als piloot in andere motorsportkampioenschappen die eveneens of uitsluitend op het grondgebied van de Europese Unie plaatsvinden, en deel te nemen aan Formule 1 Grand Prix-evenementen, testritten, trainingen en vrije sessies en andere motorsportkampioenschappen, races, testritten, trainingen en vrije sessies die op het grondgebied van de Unie plaatsvinden en, ten tweede, de toekenning van alle passende voorlopige maatregelen die hem toelaten om te onderhandelen over zijn aanwerving als professioneel Formule 1-piloot of als piloot in andere motorsportkampioenschappen die eveneens of uitsluitend op het grondgebied van de Unie plaatsvinden, aangeworven te worden als piloot door de teams die aan de betrokken kampioenschappen deelnemen alsmede de rechten uit te oefenen en de verplichtingen na te komen die uit deze aanwerving voortvloeien, waaronder deelname aan Formule 1 Grand Prix-evenementen, testritten, trainingen en vrije sessies en andere motorsportkampioenschappen, races, testritten, trainingen en vrije sessies die op het grondgebied van de Unie plaatsvinden.
Dictum
|
1) |
De tenuitvoerlegging van besluit (GBVB) 2022/1530 van de Raad van 14 september 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 van de Raad van 14 september 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en de handeling van de Raad van 15 september 2022 tot handhaving van de naam Nikita Dmitrievich Mazepin op de lijst van personen, entiteiten en lichamen die worden onderworpen aan de beperkende maatregelen van besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, zoals gewijzigd, en verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, zoals gewijzigd, wordt opgeschort, voor zover de naam Mazepin is gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen die worden onderworpen aan deze beperkende maatregelen en uitsluitend voor zover dat nodig is om hem in staat te stellen te onderhandelen over zijn aanwerving als professioneel Formule 1-piloot of als piloot in andere motorsportkampioenschappen die eveneens of uitsluitend op het grondgebied van de Europese Unie plaatsvinden, alsmede om deel te nemen aan Formule 1 Grand Prix-evenementen, testritten, trainingen en vrije trainingen en andere motorsportkampioenschappen, races, tests, trainingssessies en vrije sessies die op het grondgebied van de Unie plaatsvinden. Daartoe is het Mazepin enkel toegelaten om, ten eerste, het grondgebied van de Unie te betreden voor onderhandelingen over en het sluiten van overeenkomsten met een raceteam of sponsors die geen verband houden met de activiteiten van Dmitry Arkadievich Mazepin of natuurlijke of rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen op de lijsten in de bijlagen bij besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014, ten tweede, het grondgebied van de Unie te betreden om als volwaardig of reservepiloot deel te nemen aan Formule 1-kampioenschappen van de Fédération Internationale de l'Automobile (FIA) of andere kampioenschappen, trainingen, testritten of vrije sessies en ook om een vernieuwing van zijn superlicentie te verkrijgen, ten derde, het grondgebied van de Unie te betreden teneinde de door de FIA of door zijn raceteam opgelegde medische onderzoeken te ondergaan, ten vierde, het grondgebied van de Unie te betreden teneinde deel te nemen aan race-, sponsor- en reclameactiviteiten op verzoek van zijn raceteam of sponsors, ten vijfde, een bankrekening te openen waarop een salaris, bonussen, voordelen van zijn raceteam en financiële bijdragen van door zijn team aanvaarde sponsors kunnen worden gestort en ten zesde, de bankrekening en een creditcard te gebruiken om uitsluitend de kosten te betalen die een beroepspiloot in staat stellen binnen de Unie te reizen, te onderhandelen en overeenkomsten te sluiten met een raceteam of met sponsors en deel te nemen aan kampioenschappen, Grand Prix-evenementen, races, trainingen, testritten of vrije sessies in de lidstaten van de Unie. In geval van aanwerving als Formule 1-piloot of als piloot in andere motorsportkampioenschappen die ook of uitsluitend op het grondgebied van de Unie plaatsvinden, moet Mazepin zich ertoe verbinden onder een neutrale vlag te racen en de daartoe door de FIA vereiste pilootverklaring te ondertekenen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/61 |
Beroep ingesteld op 20 februari 2023 — VP / Parlement
(Zaak T-83/23)
(2023/C 155/78)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: VP (vertegenwoordiger: M. Brzozowska, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
besluit nr. D 314619 van de voorzitter van het Europees Parlement van 16 december 2022, waarbij is vastgesteld dat de verzoekende partij zich schuldig heeft gemaakt aan psychisch geweld ten aanzien van een geaccrediteerd parlementair medewerker, overeenkomstig artikel 263 VWEU nietig te verklaren; |
|
— |
het Europees Parlement te verwijzen in de proceskosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij 3 middelen aan.
|
1. |
Schending van de rechten van de verdediging en van het recht op behoorlijk bestuur; |
|
2. |
Schending van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie; |
|
3. |
Kennelijk onjuiste beoordelingen, schending van de motiveringsplicht en niet-nakoming van de zorgplicht. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/61 |
Beroep ingesteld op 20 februari 2023 — Aldo D’Agostino / ECB
(Zaak T-90/23)
(2023/C 155/79)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Aldo D’Agostino (Napels, Italië) (vertegenwoordiger: M. De Siena, advocaat)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
vast te stellen dat de Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door haar president, Christine Lagarde, niet-contractueel aansprakelijk is:
|
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan de aansprakelijkheid van de ECB krachtens artikel 340, lid 3, VWEU en artikel 2043 van het Italiaanse burgerlijk wetboek voor de materiële en immateriële schade die verzoeker heeft geleden. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan de beginselen die zijn neergelegd in de rechtspraak van de Europese Unie, met name in de arresten van 28 oktober 2021, Vialto Consulting/Commissie, C-650/19 P, 9 februari 2022, QI e.a./Commissie en ECB, T-868/16, en 21 januari 2014, Klein/Commissie, T-309/10. De voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van een Europese instelling jegens een burger van de Europese Unie worden uiteengezet en er wordt aangevoerd dat die voorwaarden zijn vervuld. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan schending van het primaire en het afgeleide recht van de Europese Unie en aan misbruik van bevoegdheid door de president. De ECB, in de persoon van haar president, zou op 12 maart 2020 artikel 127 VWEU, hoofdstuk 2, getiteld “Monetair beleid”, de artikelen 3, 10, 11, 12, 13 en 38 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, alsook artikel 17.2 en 17.3 van het bij besluit van de ECB van 19 februari 2004 vastgestelde reglement hebben geschonden (1). Daarmee wordt, onder verwijzing naar het bijgevoegde technisch verslag, aangetoond dat is voldaan aan de drie voorwaarden voor aansprakelijkheid van de ECB en dat er geen andere oorzaken voor de schade zijn. |
|
4. |
In het vierde middel wordt de door verzoeker geleden vermogensschade, immateriële schade en het verlies van kansen begroot, onderbouwd en gedocumenteerd. |
(1) Besluit 2004/257/EG van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (ECB/2004/2) (PB 2004, L 80, blz. 33), zoals gewijzigd bij besluit ECB/2014/1 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2014 (PB 2014, L 95, blz. 56).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/63 |
Beroep ingesteld op 23 februari 2023 — Stan / Europees Openbaar Ministerie
(Zaak T-103/23)
(2023/C 155/80)
Procestaal: Roemeens
Partijen
Verzoekende partij: Victor-Constantin Stan (Boekarest, Roemenië) (vertegenwoordiger: A. Şandru, advocaat)
Verwerende partij: Europees Openbaar Ministerie
Conclusies
Verzoeker vordert dat het Gerecht het besluit van de permanente kamer van 9 december 2022 in strafdossier nr. 1.000026/2022 van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: “besluit van de permanente kamer” of “bestreden besluit”), alsook de daaropvolgende handelingen nietig verklaart op grond dat zij blijkens het betoog in het onderhavige beroep onrechtmatig en ongegrond zijn, en dat het eventueel de bepalingen van het Reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie die in strijd zijn met verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017, buiten toepassing laat.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker voert in wezen aan dat het bestreden besluit van permanente kamer nr. 4 is vastgesteld in strijd met artikel 10 van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), dat voorschrijft dat de permanente kamer naast de voorzitter twee vaste leden heeft. Het bestreden besluit is vastgesteld door een permanente kamer met slechts één vast lid naast de voorzitter en de toezichthoudende Europese aanklager, die aan de besluitvorming heeft deelgenomen.
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/63 |
Beroep ingesteld op 22 februari 2023 — UY / Commissie
(Zaak T-108/23)
(2023/C 155/81)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: UY (vertegenwoordiger: R. Holzeisen, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoeker vordert nietigverklaring van
|
— |
het uitvoeringsbesluit (1) van de Commissie van 3 oktober 2022 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik “Spikevax — Elasomeran” overeenkomstig verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van besluit C(2021) 94 (final), zoals gewijzigd en aangevuld, en de door dit besluit vereiste eerdere uitvoeringsbesluiten; |
|
— |
richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (2), wat geneesmiddelen voor geavanceerde therapie betreft — bijlage I, deel IV, punt 2.1, laatste volzin; |
|
— |
richtlijn 2009/120/EG van de Commissie van 14 september 2009 tot wijziging van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wat geneesmiddelen voor geavanceerde therapie betreft (3) — bijlage betreffende deel IV, punt 2.1, laatste volzin. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: zeer ernstige schending van de artikelen 8, 11, 26, 54, 58, 59, 86 en volgende, en 101 en volgende van richtlijn 2001/83/EG en van bijlage I, deel I, deel III en deel IV bij deze richtlijn, van de artikelen 3 tot en met 7, 10 bis, 12 en 14 bis van verordening (EG) nr. 726/2004 (4), en van de Verklaring van de Verenigde Naties betreffende het menselijk genoom en de mensenrechten wegens omzeiling van de voorgeschreven strenge teststandaard voor geneesmiddelen voor gentherapie
|
|
2. |
Tweede middel: zeer ernstige schending van de artikelen 8, 11, 26, 54, 58, 59, 86 en volgende, en 101 en volgende van richtlijn 2001/83/EG en van bijlage I, deel I, deel III en deel IV bij deze richtlijn, van de artikelen 3 tot en met 7, 10 bis, 12, 14, 14 bis, 20, 20 bis, 25 bis, 57, 81 en 84 bis van verordening (EG) nr. 726/2004 en van de artikelen 5 en 7 van verordening (EG) nr. 507/2006 (5) De aanvankelijk uitsluitend voorwaardelijke vergunning voor het in de handel brengen van Spikevax (Moderna) is door de Europese Commissie op advies van het Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP) van het EMA omgezet in een vergunning die niet langer voorwaardelijk is of in een vergunning waaraan geen specifieke verplichtingen zijn verbonden, ondanks het ontbreken van de meest fundamentele onderzoeken. |
|
3. |
Derde middel: schending van verordening (EU) nr. 536/2014 (6) Sinds 2021 is de gehele EU-bevolking onderworpen aan een onwettig farmacologisch-genetisch experiment dat strafrechtelijk relevant is. |
|
4. |
Vierde middel: nietigheid van de bestreden uitvoeringsbesluiten wegens misbruik en schending van verordening (EG) nr. 507/2006. |
|
5. |
Vijfde middel: nietigheid van de bestreden uitvoeringsbesluiten wegens ernstige schending van de artikelen 168 en 169 VWEU en van de artikelen 3, 35 en 38 van het EU-Handvest. |
(1) C(2022) 7163 (final).
(4) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB 2004, L 136, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 507/2006 van de Commissie van 29 maart 2006 betreffende voorwaardelijke vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die binnen het toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad vallen (PB 2006, L 92, blz. 6).
(6) Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van richtlijn 2001/20/EG (PB 2014, L 158, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/65 |
Beroep ingesteld op 23 februari 2023 — UY / Commissie
(Zaak T-109/23)
(2023/C 155/82)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: UY (vertegenwoordiger: R. Holzeisen, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoeker vordert nietigverklaring van
|
— |
het uitvoeringsbesluit (1) van de Commissie van 10 oktober 2022 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik “Comirnaty — tozinameran, COVID-19-mRNA-vaccin (nucleoside-gemodificeerd)” overeenkomstig verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van besluit C(2020) 9598 (final), zoals gewijzigd en aangevuld, en de door dit besluit vereiste eerdere uitvoeringsbesluiten; |
|
— |
richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (2), wat geneesmiddelen voor geavanceerde therapie betreft — bijlage I, deel IV, punt 2.1, laatste volzin; |
|
— |
richtlijn 2009/120/EG van de Commissie van 14 september 2009 tot wijziging van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wat geneesmiddelen voor geavanceerde therapie betreft (3) –bijlage betreffende deel IV, punt 2.1, laatste volzin. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: zeer ernstige schending van de artikelen 8, 11, 26, 54, 58, 59, 86 en volgende, en 101 en volgende van richtlijn 2001/83/EG en van bijlage I, deel I, deel III en deel IV bij deze richtlijn, van de artikelen 3 tot en met 7, 10 bis, 12 en 14 bis van verordening (EG) nr. 726/2004 (4), en van de Verklaring van de Verenigde Naties betreffende het menselijk genoom en de mensenrechten wegens omzeiling van de voorgeschreven strenge teststandaard voor geneesmiddelen voor gentherapie
|
|
2. |
Tweede middel: zeer ernstige schending van de artikelen 8, 11, 26, 54, 58, 59, 86 en volgende, en 101 en volgende van richtlijn 2001/83/EG en van bijlage I, deel I, deel III en deel IV bij deze richtlijn, van de artikelen 3 tot en met 7, 10 bis, 12, 14, 14 bis, 20, 20 bis, 25 bis, 57, 81 en 84 bis van verordening (EG) nr. 726/2004 en van de artikelen 5 en 7 van verordening (EG) nr. 507/2006 (5) De aanvankelijk uitsluitend voorwaardelijke vergunning voor het in de handel brengen van Comirnaty (BioNTech) is door de Europese Commissie op advies van het Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP) van het EMA omgezet in een vergunning die niet langer voorwaardelijk is of in een vergunning waaraan geen specifieke verplichtingen zijn verbonden, ondanks het ontbreken van de meest fundamentele onderzoeken. |
|
3. |
Derde middel: schending van verordening (EU) nr. 536/2014 (6) Sinds 2021 is de gehele EU-bevolking onderworpen aan een onwettig farmacologisch-genetisch experiment dat strafrechtelijk relevant is. |
|
4. |
Vierde middel: nietigheid van de bestreden uitvoeringsbesluiten wegens misbruik en schending van verordening (EG) nr. 507/2006. |
|
5. |
Vijfde middel: nietigheid van de bestreden uitvoeringsbesluiten wegens ernstige schending van de artikelen 168 en 169 VWEU en van de artikelen 3, 35 en 38 van het EU-Handvest. |
(1) C(2022) 7342 (final).
(4) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB 2004, L 136, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 507/2006 van de Commissie van 29 maart 2006 betreffende voorwaardelijke vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die binnen het toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad vallen (PB 2006, L 92, blz. 6).
(6) Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van richtlijn 2001/20/EG (PB 2014, L 158, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/66 |
Beroep ingesteld op 3 maart 2023 — Insider / EUIPO — Alaj (in Insajderi)
(Zaak T-119/23)
(2023/C 155/83)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Insider LLC (Prishtina, Republiek Kosovo) (vertegenwoordiger: M. Ketler, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Florim Alaj (Zug, Zwitserland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk in Insajderi — inschrijvingsaanvraag nr. 18 255 587
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 5 december 2022 in zaak R 1152/2022-5
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het EUIPO in verzoeksters kosten voor het Gerecht in verband met de onderhavige procedure. |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van artikel 8, lid 3, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
|
— |
schending van procedureregels wat betreft de procedure voor het EUIPO; |
|
— |
schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/67 |
Beroep ingesteld op 3 maart 2023 — UZ/Commissie en ECHA
(Zaak T-121/23)
(2023/C 155/84)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: UZ (vertegenwoordigers: H. Estreicher, A. Bartl en M. Escorneboueu, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie, Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)
Conclusies
|
— |
het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren; |
|
— |
besluit (grow.f.1(2022)9602146) van de Europese Commissie van 21 december 2022, alsmede het daarbij gevoegde verslag van ECHA, houdende afwijzing van een verzoek van Concawe, dat zij namens haar leden (waaronder verzoeker) heeft ingediend, om de aanmerking van de stof fenantreen als zeer zorgwekkende stof te heroverwegen, nietig verklaren; |
|
— |
verweerders verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voert verzoeker twee middelen aan.
|
1. |
De Europese Commissie heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door ECHA niet de bevoegdheid te verlenen om een dossier voor te bereiden voor de heroverweging van de opname van fenantreen op de kandidaatlijst, ondanks het feit dat zowel de aard van de nieuwe informatie en het verslag van ECHA erop duidden dat de nieuwe informatie relevant was voor de heroverweging. |
|
2. |
Verweerders hebben ultra vires gehandeld en/of artikel 59 van de REACH-verordening geschonden door een definitieve herbeoordeling van het schrappen van fenantreen van de lijst uit te voeren, in plaats van hun beoordeling te beperken tot de vraag of de nieuwe informatie betrouwbaar is en relevant is voor de heroverweging. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/68 |
Beroep ingesteld op 6 maart 2023 — Ege İhracatçıları Birliği e.a./Commissie
(Zaak T-122/23)
(2023/C 155/85)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Ege İhracatçıları Birliği (Konak, Turkije), Akdeniz İhracatçıları Birliği (Yenişehir, Turkije), İstanbul İhracatçıları Birliği (Yenibosna, Turkije), Doğu Karadeniz İhracatçıları Birliği (Ortahisar, Turkije), Denizli İhracatçıları Birliği (Pamukkale, Turkije), Abalıoğlu Balık ve Gıda Ürünleri AŞ (Honaz, Turkije), Bağcı Balık Gıda ve Enerji Üretimi Sanayi ve Ticaret AŞ (Köyceğiz, Turkije), Ertuğ Balık Üretim Tesisi Gıda ve Tarım İşletmeleri Sanayi ve Ticaret AŞ (Bornova, Turkije), Gümüşdoğa Su Ürünleri Üretim İhracat ve İthalat AŞ (Milas, Turkije), Kemal Balıkçılık İhracat Limited Şirketi (Sancaktepe, Turkije), Kılıç Deniz Ürünleri Üretimi İhracat ve İthalat AŞ (Bodrum, Turkije), Kuzuoğlu Su Ürünleri Sanayi ve Ticaret AŞ (Merkez, Turkije), Liman Entegre Balıkçılık Sanayi ve Ticaret Limited Şirketi (Maltepe, Turkije), More Su Ürünleri Ticaret AŞ (Bornova, Turkije), Ömer Yavuz Balıkçılık Su Ürünleri ve Ticaret Limited Şirketi (Merkez, Turkije), Özpekler İnşaat Taahhüt Dayanıklı Tüketim Malları Su Ürünleri Sanayi ve Ticaret Limited Şirketi (Merkezefendi, Turkije), Premier Kültür Balıkçılığı Yatırım ve Pazarlama AŞ (Maltepe, Turkije), Selina Balık İşleme Tesisi İthalat İhracat Ticaret AŞ (Seydikemer, Turkije), Uluturhan Balıkçılık Turizm Ticaret Limited Şirketi (Dinar, Turkije), Yavuzlar Otomotiv Balıkçılık Sanayi ve Ticaret Limited Şirketi (Pamukkale, Turkije) (vertegenwoordigd door: G. Coppo en A. Scalini, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2390 van de Commissie van 7 december 2022 tot wijziging van het bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/823 ingestelde definitieve compenserende recht op bepaalde regenboogforel van oorsprong uit Turkije naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 19 van verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (1) (de bestreden verordening) nietig verklaren voor zover zij verzoeksters betreft; |
|
— |
De Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zeven middelen aan.
|
1. |
De bestreden verordening schendt artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 2, en de artikelen 5 en 7 van de basisverordening voor zover de Commissie geen doorberekeningsanalyse heeft uitgevoerd met betrekking tot de subsidie per kg aangekochte forel. |
|
2. |
De bestreden verordening schendt artikel 22, lid 6, van de basisverordening voor zover de Commissie een nieuwe methode heeft toegepast voor de vaststelling van het subsidiebedrag per kg aangekochte forel. |
|
3. |
De bestreden verordening schendt artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 2, en de artikelen 5 en 7 van de basisverordening voor zover de Commissie kennelijke fouten heeft gemaakt bij de berekening van het subsidiebedrag per kg aangekochte forel. |
|
4. |
De bestreden verordening schendt artikel 22, lid 6, van de basisverordening voor zover de Commissie grote forel heeft opgenomen in de berekening van het subsidiebedrag per kg aangekochte forel. |
|
5. |
De bestreden verordening schendt artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 2, en de artikelen 5 en 7 van de basisverordening voor zover de Commissie grote forel heeft opgenomen in de berekening van het subsidiebedrag per kg aangekochte forel. |
|
6. |
De bestreden verordening schendt artikel 3 van de basisverordening voor zover de Commissie heeft vastgesteld dat bepaalde uitvoergerelateerde leningen die door particuliere banken aan Gümüşdoğa zijn toegekend, aan de Turkse overheid moeten worden toegerekend. |
|
7. |
De bestreden verordening schendt artikel 5 en artikel 7, leden 2 en 4 van de basisverordening voor zover de Commissie kennelijke fouten heeft gemaakt bij de berekening van de subsidiemarge van Gümüşdoğa. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/69 |
Beroep ingesteld op 9 maart 2023 — VC / EU-OSHA
(Zaak T-126/23)
(2023/C 155/86)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: VC (vertegenwoordigers: J. Rodríguez Cárcamo en S. Centeno Huerta, advocaten)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
overeenkomstig artikel 263 VWEU besluit 2023/01 van de uitvoerend directeur ad interim van EU-OSHA van 18 januari 2023 tot uitsluiting van de verzoekende partij van deelname aan openbare aanbestedingen, subsidies, prijzen, de gunning van opdrachten en financiële instrumenten die worden gedekt door de algemene begroting van de Europese Unie, alsook van deelname aan aanbestedingen die worden gedekt door het EOF op basis van verordening (EU) 2018/1877 (1) van de Raad, in zijn geheel nietig te verklaren; |
|
— |
subsidiair, overeenkomstig artikel 261 VWEU en artikel 143, lid 9, van verordening 2018/1046 (2) (“Financieel Reglement”) de uitsluitingsmaatregel te vervangen door een economische sanctie en/of artikel 4 van het bestreden besluit betreffende de bekendmakingsmaatregel nietig te verklaren, en |
|
— |
EU-OSHA te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.
|
1. |
Schending van artikel 106, lid 2, van verordening nr. 966/2012 (3), zoals gewijzigd door verordening 2015/1929 (4) (hierna: “Financieel Reglement zoals van toepassing vanaf januari 2016”), in samenhang met het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de waarde van de rechtsstaat die is neergelegd in artikel 19, lid 1, VEU, met het beginsel van loyale samenwerking dat is verankerd in artikel 4, lid 3, VEU en met artikel 325, lid 1, VWEU. Het bestreden besluit gaat voorbij aan de beslissing tot opschorting die is gegeven door de bevoegde nationale gerechtelijke autoriteit. |
|
2. |
Schending van artikel 106, lid 7, onder a), van het Financieel Reglement zoals van toepassing vanaf januari 2016 [het equivalent van artikel 136, lid 6, onder a), van het Financieel Reglement] en ernstige beoordelingsfouten. De bevoegde ordonnateur heeft ten gevolge van ernstige beoordelingsfouten het standpunt ingenomen dat de correctiemaatregelen die door de verzoekende partij zijn genomen, onvoldoende waren om de uitsluitingsmaatregel niet toe te passen. |
|
3. |
Schending van artikel 106, leden 3 en 7, onder a) en d), van het Financieel Reglement zoals van toepassing vanaf januari 2016, in samenhang met het evenredigheidsbeginsel, doordat de bevoegde ordonnateur duidelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt. |
|
4. |
Schending van artikel 140, lid 1, van het Financieel Reglement (het equivalent van artikel 106, lid 16, van het Financieel Reglement zoals van toepassing vanaf januari 2016), artikel 140, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement [het equivalent van artikel 106, lid 17, onder b), van het Financieel Reglement van toepassing vanaf januari 2016] en artikel 136, lid 3, van het Financieel Reglement, aangezien het bekendmakingsbesluit niet met redenen is omkleed. |
|
5. |
Schending van artikel 106, lid 13, onder a), van het Financieel Reglement zoals van toepassing vanaf januari 2016. De bevoegde ordonnateur heeft niet overwogen om, als alternatief voor het uitsluitingsbesluit, een financiële sanctie op te leggen, en dus moet het besluit nietig worden verklaard wegens gebrek aan motivering. Het Gerecht wordt in elk geval verzocht om, indien het zou beslissen om het bestreden besluit niet in zijn geheel nietig te verklaren, de uitsluitingsmaatregel overeenkomstig artikel 261 VWEU en artikel 143, lid 9, van het Financieel Reglement te vervangen door een sanctie die redelijk is gelet op de omstandigheden van het geval. |
(1) Verordening van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van verordening (EU) 2015/323 (PB 2018, L 307, blz. 1).
(2) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).
(3) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1).
(4) Verordening (EU, Euratom) 2015/1929 van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 2015 tot wijziging van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2015, L 286, blz. 1).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/70 |
Beroep ingesteld op 9 maart 2023 — eClear / Commissie
(Zaak T-127/23)
(2023/C 155/87)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: eClear AG (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: R. Thomas, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van de stilzwijgende beslissing van 4 januari 2023 tot afwijzing van verzoeksters verzoek om toegang tot de documenten van de Commissie van 14 september 2022 met als referentie GESTDEM 2022/5489 waarmee zij om toegang tot alle beschikkingen inzake bindende tariefinlichtingen (BTI-beschikkingen) sinds 2004 verzocht; |
|
— |
verwijzing van verweerster in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
|
1. |
Schending van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 (1)
|
|
2. |
Schending van artikel 42 van het Handvest
|
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/71 |
Beroep ingesteld op 9 maart 2023 — Meta Platforms Ireland / Europees Comité voor gegevensbescherming
(Zaak T-128/23)
(2023/C 155/88)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Meta Platforms Ireland Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: H.-G. Kamann, F. Louis, M. Braun en A. Vallery, lawyers, P. Nolan, B. Johnston, C. Monaghan en D. Breatnach, Solicitors, D. McGrath, E. Egan McGrath en H. Godfrey, Barristers)
Verwerende partij: Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB)
Conclusies
|
— |
bindend besluit 4/2022 van het EDPB van 5 december 2022 betreffende het op grond van artikel 65 AVG door de Ierse toezichthoudende autoriteit voorgelegde geschil met betrekking tot Meta Platforms Ireland Limited en haar Instagram-dienst geheel of, subsidiair, wat de relevante onderdelen betreft, nietig verklaren, en |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
|
1. |
Het EDPB heeft zijn bevoegdheid krachtens artikel 65 AVG overschreden. |
|
2. |
Het EDPB heeft inbreuk gemaakt op artikel 6, lid 1, onder b), AVG door het begrip contractuele noodzaak al te strikt uit te leggen en dit onjuiste juridische criterium op basis van een verkeerde uitlegging van de gebruiksvoorwaarden van Meta Ireland toe te passen. |
|
3. |
Het EDPB heeft het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde recht op behoorlijk bestuur geschonden. |
|
4. |
Het EDPB heeft zich niet als een onpartijdige instantie gedragen. |
|
5. |
Het EDPB heeft artikel 83 AVG geschonden, alsmede verscheidene onderliggende beginselen betreffende de vaststelling van geldboeten krachtens de AVG. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/72 |
Beroep ingesteld op 9 maart 2023 — Meta Platforms Ireland / Europees Comité voor gegevensbescherming
(Zaak T-129/23)
(2023/C 155/89)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Meta Platforms Ireland Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: H. Kamann, F. Louis, M. Braun en A. Vallery, lawyers, P. Nolan, B. Johnston, C. Monaghan en D. Breatnach, Solicitors, D. McGrath, E. Egan McGrath en H. Godfrey, Barristers)
Verwerende partij: Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB)
Conclusies
|
— |
bindend besluit 3/2022 van het EDPB van 5 december 2022 betreffende het op grond van artikel 65 AVG door de Ierse toezichthoudende autoriteit voorgelegde geschil met betrekking tot Meta Platforms Ireland Limited en haar Facebook-dienst geheel of, subsidiair, wat de relevante onderdelen betreft, nietig verklaren, en |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
|
1. |
Het EDPB heeft zijn bevoegdheid krachtens artikel 65 AVG overschreden. |
|
2. |
Het EDPB heeft inbreuk gemaakt op artikel 6, lid 1, onder b), AVG door het begrip contractuele noodzaak al te strikt uit te leggen en dit onjuiste juridische criterium op basis van een verkeerde uitlegging van de dienstverleningsvoorwaarden van Meta Ireland toe te passen. |
|
3. |
Het EDPB heeft het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde recht op behoorlijk bestuur geschonden. |
|
4. |
Het EDPB heeft zich niet als een onpartijdige instantie gedragen. |
|
5. |
Het EDPB heeft artikel 83 AVG geschonden, alsmede verscheidene onderliggende beginselen betreffende de vaststelling van geldboeten krachtens de AVG. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/73 |
Beroep ingesteld op 10 maart 2023 — Nike Innovate/EUIPO — Puma (FOOTWARE)
(Zaak T-130/23)
(2023/C 155/90)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Nike Innovate CV (Beaverton, Oregon, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J.-C. Rebling, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Puma SE (Herzogenaurach, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: verzoekster
Betrokken merk: Uniewoordmerk FOOTWARE — Uniemerk nr. 18 035 847
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 9 januari 2023 in zaak R 2173/2021-5
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
bevestiging van de beslissing van de nietigheidsafdeling van het EUIPO om de inschrijving in haar geheel te handhaven; |
|
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten van verzoekster. |
Aangevoerde middelen
|
— |
de kamer van beroep heeft artikel 59, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad geschonden en onjuist toegepast door de aard van een passend kenmerk dat strijd met deze bepaling kan opleveren, verkeerd uit te leggen; |
|
— |
de kamer van beroep heeft artikel 59, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad geschonden en onjuist toegepast door bij het beoordelen van de verscheidene wijzen waarop het merk zou worden opgevat geen rekening te houden met het brede scala aan onder de inschrijving vallende individuele waren en diensten; |
|
— |
de kamer van beroep heeft artikel 59, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad geschonden en onjuist toegepast door onvoldoende in aanmerking te nemen hoe het merk in relatie tot de waren zou worden opgevat door verschillende groepen consumenten met verschillende kennis van de Engelse taal en hoe de verscheidenheid aan taalbegrip van invloed zou zijn op hun opvatting van het merk; |
|
— |
de kamer van beroep heeft artikel 95, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad onjuist toegepast en artikel 27, lid 4, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie geschonden; |
|
— |
de kamer van beroep heeft artikel 95, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad geschonden. |
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/74 |
Beschikking van het Gerecht van 9 maart 2023 — Aitana/EUIPO
(Zaak T-355/22) (1)
(2023/C 155/91)
Procestaal: Spaans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.