ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 132

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

66e jaargang
14 april 2023


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2022-2023
Vergaderingen van 3 t/m 6 oktober 2022
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 4 oktober 2022

2023/C 132/01

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het streven naar een duurzame en concurrerende EU-aquacultuur: verdere stappen (2021/2189(INI))

2

2023/C 132/02

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over de gevolgen van nieuwe technologieën voor belastingheffing: crypto en blockchain (2021/2201(INI))

15

2023/C 132/03

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het Centrum AccessibleEU ter ondersteuning van het toegankelijkheidsbeleid inzake de interne markt van de EU (2022/2013(INI))

23

 

Woensdag, 5 oktober 2022

2023/C 132/04

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over de situatie van Roma die in nederzettingen in de EU wonen (2022/2662(RSP))

29

2023/C 132/05

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over de strategische doelstellingen van de EU voor de 19e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), die van 14 tot 25 november 2022 in Panama plaatsvindt (2022/2681(RSP))

41

2023/C 132/06

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over toegang tot water als mensenrecht — de externe dimensie (2021/2187(INI))

54

2023/C 132/07

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over de reactie van de EU op de stijgende energieprijzen in Europa (2022/2830(RSP))

65

 

Donderdag, 6 oktober 2022

2023/C 132/08

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de mensenrechtensituatie in Haïti, vooral in verband met bendegeweld (2022/2856(RSP))

74

2023/C 132/09

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de inperking van de mediavrijheid in Myanmar, met name de gevallen van Htet Htet Khine, Sithu Aung Myint en Nyein Nyein Aye (2022/2857(RSP))

79

2023/C 132/10

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de actuele humanitaire en mensenrechtensituatie in Tigray, Ethiopië, vooral van kinderen (2022/2858(RSP))

84

2023/C 132/11

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de dood van Mahsa Jina Amini en de onderdrukking van demonstranten voor vrouwenrechten in Iran (2022/2849(RSP))

89

2023/C 132/12

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de escalatie door Rusland van zijn aanvalsoorlog tegen Oekraïne (2022/2851(RSP))

94

2023/C 132/13

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over het resultaat van de herziening door de Commissie van het actieplan van 15 punten inzake handel en duurzame ontwikkeling (2022/2692(RSP))

99

2023/C 132/14

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over een EU-benadering van het ruimteverkeersbeheer — Een bijdrage van de EU aan de aanpak van een mondiale uitdaging (2022/2641(RSP))

103

2023/C 132/15

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over het momentum om oceaangovernance en biodiversiteit te versterken (2022/2836(RSP))

106

 

AANBEVELINGEN

 

Europees Parlement

 

Woensdag, 5 oktober 2022

2023/C 132/16

Aanbeveling van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de strategische betrekkingen en het partnerschap van de EU met de Hoorn van Afrika (2021/2206(INI))

115


 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 4 oktober 2022

2023/C 132/17

P9_TA(2022)0332
Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (COM(2020)0726 — C9-0366/2020 — 2020/0320(COD))
P9_TC1-COD(2020)0320
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding

130

2023/C 132/18

P9_TA(2022)0333
Ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU (COM(2020)0727 — C9-0367/2020 — 2020/0322(COD))
P9_TC1-COD(2020)0322
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU

132

2023/C 132/19

P9_TA(2022)0336
Beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (COM(2021)0113 — C9-0095/2021 — 2021/0058(COD))
P9_TC1-COD(2021)0058
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad

133

2023/C 132/20

P9_TA(2022)0337
Flexible Assistance to Territories (FAST-CARE) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en Verordening (EU) 2021/1060 met het oog op extra flexibiliteit om de gevolgen van de militaire agressie van de Russische Federatie op te vangen FAST (Flexible Assistance for Territories) — CARE (COM(2022)0325 — C9-0218/2022 — 2022/0208(COD))
P9_TC1-COD(2022)0208
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) 2021/1060 met het oog op extra flexibiliteit om de gevolgen van de militaire agressie van de Russische Federatie op te vangen FAST (Flexible Assistance for Territories) — CARE

134

2023/C 132/21

P9_TA(2022)0338
Richtlijn radioapparatuur: universele oplader voor elektronische apparaten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/53/EU betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur (COM(2021)0547 — C9-0366/2021 — 2021/0291(COD))
P9_TC1-COD(2021)0291
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/53/EU betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur

135

2023/C 132/22

P9_TA(2022)0340
EU-éénloketomgeving voor de douane ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013 (COM(2020)0673 — C9-0338/2020 — 2020/0306(COD))
P9_TC1-COD(2020)0306
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013

136

2023/C 132/23

P9_TA(2022)0341
Statistieken over de landbouwinput en -output ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende statistieken over de landbouwinput en -output en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1165/2008, (EG) nr. 543/2009, (EG) nr. 1185/2009 en Richtlijn 96/16/EG van de Raad (COM(2021)0037 — C9-0009/2021 — 2021/0020(COD))
P9_TC1-COD(2021)0020
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende statistieken over de landbouwinput en -output, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1165/2008, (EG) nr. 543/2009 en (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/16/EG van de Raad

137

2023/C 132/24

P9_TA(2022)0342
Wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (COM(2021)0656 — C9-0396/2021 — 2021/0340(COD))
P9_TC1-COD(2021)0340
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen

139

 

Donderdag, 6 oktober 2022

2023/C 132/25

P9_TA(2022)0348
Regels voor slotgebruik op luchthavens van de Unie: tijdelijke ontheffing ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad voor wat betreft de tijdelijke ontheffing van de regels voor slotgebruik op communautaire luchthavens als gevolg van de COVID-19-pandemie (COM(2022)0334 — C9-0225/2022 — 2022/0214(COD))
P9_TC1-COD(2022)0214
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 95/93 wat betreft de tijdelijke ontheffing van de regels voor slotgebruik op luchthavens van de Unie wegens een epidemiologische situatie of militaire agressie

141


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2022-2023

Vergaderingen van 3 t/m 6 oktober 2022

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag, 4 oktober 2022

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/2


P9_TA(2022)0334

Het streven naar een duurzame en concurrerende EU-aquacultuur: verdere stappen

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het streven naar een duurzame en concurrerende EU-aquacultuur: verdere stappen (2021/2189(INI))

(2023/C 132/01)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 12 mei 2021 over strategische richtsnoeren voor een duurzamere en concurrerendere EU-aquacultuur voor de periode 2021 tot en met 2030 (COM(2021)0236),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 maart 2021 over een actieplan voor de ontwikkeling van de biologische sector (COM(2021)0141),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381) en zijn resolutie van 20 oktober 2021 (1) daarover,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), en de resolutie van het Parlement van 9 juni 2021 (2) daarover,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640) en de resolutie van het Parlement van 15 januari 2020 (3) daarover,

gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (4),

gezien Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (5),

gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (6),

gezien Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (7) (de vogelrichtlijn),

gezien Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (8),

gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (9),

gezien Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (10),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 september 2021 over strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU,

gezien het ontwerpadvies van het Comité van de Regio’s van 1-3 december 2021 over duurzame blauwe economie en aquacultuur,

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 17 december 2015 over de toekomst van de Europese aquacultuur,

gezien de Strategie 2030 voor duurzame visserij en aquacultuur in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO),

gezien de tussentijdse evaluatie van de open coördinatiemethode voor de EU-aquacultuur (11),

gezien de speciale Eurobarometer 515 van 2021 over de consumptiegewoonten in de EU met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten,

gezien de op 7 juli 2021 gepubliceerde studie op verzoek van de Commissie visserij (PECH) over de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de visserij en de aquacultuur in de EU,

gezien zijn resolutie van 12 juni 2018 over “Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector: huidige stand van zaken en toekomstige uitdagingen” (12),

gezien zijn resolutie van 4 december 2008 over het opstellen van een Europees Beheersplan voor aalscholvers om de toenemende door aalscholvers veroorzaakte schade aan visbestanden, visserij en aquacultuur te verminderen (13),

gezien de artikelen 3, 4, 38 en 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0215/2022),

A.

overwegende dat volgens het gemeenschappelijk visserijbeleid de aquacultuur op duurzame wijze moet bijdragen tot de instandhouding van het voedselproductiepotentieel in de hele EU, met als doel de voedselzekerheid, met inbegrip van de voedselvoorziening, alsook groei en werkgelegenheid voor de burgers van de Unie op lange termijn te waarborgen en tegemoet te komen aan de toenemende wereldwijde vraag naar aquatische levensmiddelen; overwegende dat de gezondheid van dieren, dierenwelzijn en de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders in het gemeenschappelijk visserijbeleid ten volle in aanmerking moeten worden genomen; overwegende dat het van cruciaal belang is om de administratieve lasten te verminderen en het Unierecht toe te passen op een doeltreffendere wijze die beter aansluit op de behoeften van de belanghebbenden;

B.

overwegende dat de schaal- en schelpdierensector en de aquacultuursector in de EU een belangrijke en waardevolle rol spelen in economische, sociale en ecologische termen en bijdragen aan een betere kwaliteit van leven in de kuststreken, het achterland en de ultraperifere gebieden van de Unie;

C.

overwegende dat de voedselzekerheid en de bestaansmiddelen waarin de visserij en de aquacultuur voorzien van cruciaal belang zijn in veel kust-, rivier-, eiland-, lagune- en landinwaarts gelegen gebieden;

D.

overwegende dat de Europese Green Deal, de biodiversiteitsstrategie en de “van boer tot bord”-strategie erop gericht zijn om Europa tegen 2050 koolstofneutraal te maken en de voedselsystemen in de hele Unie eerlijk, gezond en milieuvriendelijk te maken; overwegende dat aquacultuur kan zorgen voor gezond voedsel met een kleinere klimaat- en milieuvoetafdruk dan de niet-aquatische landbouw;

E.

overwegende dat in de verklaring van de FAO over duurzame visserij en aquacultuur wordt erkend dat aquacultuur de afgelopen vijf decennia wereldwijd de snelst groeiende productiesector voor voedingsmiddelen is geweest, en dat deze sector verantwoordelijk is voor de verdubbeling van de wereldwijde visconsumptie per hoofd van de bevolking sinds 1960 en steeds meer voedsel en bestaansmiddelen heeft verschaft aan een groeiende bevolking;

F.

overwegende dat in de strategische EU-richtsnoeren voor een duurzamere en concurrerendere EU-aquacultuur, de Verklaring van Shanghai van de FAO van september 2021 over aquacultuur voor voedsel en duurzame ontwikkeling en de Gezondheidscode voor waterdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid van 2021 doelstellingen op het gebied van dierenwelzijn zijn vastgesteld voor de aquacultuur om producenten en consumenten te ondersteunen;

G.

overwegende dat de aquacultuurproductie in de Unie volgens de meest recente cijfers uit 2018 (14) slechts 1,15 % van de mondiale productie vormt;

H.

overwegende dat voor het opstarten of uitbreiden van een aquacultuurbedrijf in de EU verschillende vergunningen en machtigingen vereist zijn en dat de procedure voor het verkrijgen daarvan doorgaans traag en complex is en in sommige gevallen wordt gekenmerkt door een gebrek aan rechtszekerheid en economische voorspelbaarheid; overwegende dat deze situatie de ontwikkeling van de sector belemmert, een ontmoedigend effect heeft op bedrijfsinvesteringen en buitensporige kosten voor de sector met zich meebrengt, alsook de invoer uit derde landen bevordert;

I.

overwegende dat uit het FAO-verslag uit 2020 over de toestand van de visserij en de aquacultuur in de wereld blijkt dat het aandeel van vrouwen dat werkzaam is in de aquacultuur (19 %) wereldwijd groter is dan in de visserij (12 %), dat vrouwen over het algemeen een cruciale rol spelen in de hele waardeketen van de visserij en de aquacultuur en zowel in de algemene commerciële visserij als in de ambachtelijke visserij worden ingezet; overwegende dat de aquacultuursector in de EU rechtstreeks werk verschaft aan meer dan 74 000 personen, bij meer dan 12 000 bedrijven (15);

J.

overwegende dat een op de vier in Europa geconsumeerde visserijproducten afkomstig is uit de aquacultuur; overwegende dat de zichtbare consumptie van gekweekte producten per hoofd van de bevolking tussen 2018 en 2019 met 2 % toenam; overwegende dat de EU in 2019 weliswaar voor 41,2 % zelfvoorzienend was op het gebied van vis en schaal- en schelpdieren, maar dat slechts 10 % van de consumptie van schaal- en schelpdieren in de EU afkomstig is uit de EU-aquacultuur, die minder dan 2 % van de wereldproductie voor haar rekening neemt;

K.

overwegende dat bijna 70 % van de aquacultuurproductie in de EU is geconcentreerd in vier lidstaten (Spanje, Frankrijk, Italië en Griekenland), waarbij mosselen, forel, zeebrasem, oesters, zeebaars, karper en kokkels het leeuwendeel van de productie uitmaken; overwegende dat er nog veel potentieel is voor verdere groei en diversificatie wat producerende landen en gekweekte soorten betreft;

L.

overwegende dat hoewel bijna twee derde van de Europeanen in 2021 ten minste eenmaal per maand thuis visserij- of aquacultuurproducten at, dit een neerwaartse trend is ten opzichte van 2018; overwegende dat de consumenten in 2021 verdeeld waren over hun voorkeur voor wilde of gekweekte producten, waarbij ongeveer een derde de voorkeur gaf aan wilde producten, een derde aan gekweekte producten en een derde geen voorkeur had;

M.

overwegende dat een aantal eerste ramingen wijzen op een afname van het verkoopvolume met 17 % en een vermindering van de totale inkomsten met 18 %, met een bijzonder zware impact op de sector schaal- en schelpdieren;

N.

overwegende dat de productie van schaal- en schelpdieren in de Unie hoofdzakelijk bestaat uit weekdieren, en meer specifiek uit mosselen, oesters en kokkels, en dat het over het algemeen een traditionele vorm van visserij betreft die in familieverband wordt bedreven, arbeidsintensief is en volledig is geïntegreerd in de lokale omgeving;

O.

overwegende dat in de strategie voor duurzame visserij en aquacultuur in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee voor 2030 van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee wordt verklaard dat de aquacultuurproductie moet voldoen aan de vraag, op duurzame wijze moet groeien, moet profiteren van innovatie, digitalisering en kennisuitwisseling en aantrekkelijker moet worden gemaakt voor investeringen; overwegende dat in de strategie verder wordt gesteld dat het monitoren en verminderen van de milieuvoetafdruk van de sector, het aanpakken van klimaatverandering en vervuiling en het waarborgen van diergezondheid en dierenwelzijn cruciaal zijn voor het verwezenlijken van duurzaamheid;

P.

overwegende dat uit het economisch verslag 2020 van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij over de aquacultuursector in de EU blijkt dat bijna 80 % van alle aquacultuurbedrijven in de EU micro-ondernemingen zijn met minder dan tien werknemers;

Q.

overwegende dat in de tussentijdse evaluatie van de open coördinatiemethode is geconcludeerd dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om bij te dragen aan de groei van een veerkrachtige en concurrerende aquacultuursector in de EU, in het bijzonder door de toegang tot ruimte en water te waarborgen en een transparant en doeltreffend regelgevings- en administratief kader te creëren;

R.

overwegende dat ondanks het potentieel van de sector, de ontwikkeling van de aquacultuur in de ultraperifere gebieden nog steeds ver achterblijft;

S.

overwegende dat uit het verslag over vismeel en visolie van september 2021 van de Waarnemingspost voor de Europese markt voor visserij- en aquacultuurproducten blijkt dat het meeste vismeel dat in aquacultuurvoeder wordt gebruikt in Azië wordt verbruikt, en dat in 2019 34 % van het vismeel werd gebruikt in China, 35 % in andere Aziatische landen en 9 % in Europa; overwegende dat er jaarlijks 20 miljoen ton wilde vis wordt gevangen voor niet-menselijke voederdoeleinden; overwegende dat er op de wereldmarkt voor diervoeders sprake is van een steeds grotere concurrentie tussen aquacultuur- en veehouderijbedrijven om vismeel; overwegende dat een stijging van de voederprijzen de behoefte aan verdere ontwikkeling van alternatieve voederproducten en voederefficiëntie vergroot om de winstgevendheid van hoogwaardige aquacultuurproducten te waarborgen;

T.

overwegende dat uit het technisch document van de FAO van 19 februari 2019 over visserij en aquacultuur getiteld “A third assessment of global marine fisheries discards”, blijkt dat de teruggooi in totaal 9,1 miljoen ton bedraagt, wat neerkomt op 10,8 % van de gemiddelde jaarlijkse vangsten tussen 2010 en 2014;

U.

overwegende dat in het verslag van de Waarnemingspost voor de Europese markt voor visserij- en aquacultuurproducten van mei 2017 over biologische aquacultuur in de EU wordt opgemerkt dat de biologische aquacultuurproductie in sommige lidstaten aanzienlijk toeneemt, terwijl andere lidstaten nog in de beginfase verkeren van de ontwikkeling van deze productiemethode;

V.

overwegende dat de aquacultuur bijzonder gevoelig is voor extreme weersomstandigheden in rivier- en kustgebieden, die als gevolg van de opwarming van de aarde steeds vaker voorkomen, zoals droogten, overstromingen, stormen en sterke golfslagen, die ernstige schade toebrengen aan de aquacultuurinfrastructuur en de gekweekte soorten;

W.

overwegende dat in het kader van Richtlijn 2014/89/EU over maritieme ruimtelijke planning wordt verlangd dat alle lidstaten met kustgebieden “zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 31 maart 2021” nationale maritieme ruimtelijke plannen bij de Commissie indienen;

X.

overwegende dat de ultraperifere gebieden bovengemiddeld zijn blootgesteld aan niet-stabiele klimaten en ernstige weersomstandigheden, die het potentieel van de sector in deze gebieden in gevaar kunnen brengen;

Y.

overwegende dat de aalscholverpopulatie enorm is gegroeid; overwegende dat deze toename ernstige schade toebrengt aan veel mariene sectoren, met inbegrip van de aquacultuur;

Z.

overwegende dat het Parlement in zijn 13 jaar geleden aangenomen resolutie over het opstellen van een Europees beheersplan voor aalscholvers om de toenemende door aalscholvers veroorzaakte schade aan visbestanden, visserij en aquacultuur te verminderen, verschillende mogelijke maatregelen heeft voorgesteld om de problemen die aalscholvers blijven opleveren op te lossen;

AA.

overwegende dat in zijn resolutie over “Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector: huidige stand van zaken en toekomstige uitdagingen” wordt gewezen op het belang, naast vele andere maatregelen, van het beperken van de toenemende impact van aalscholvers op de aquacultuur;

AB.

overwegende dat er voor exploitanten van de aquacultuur- en visserijsector compensatie beschikbaar is voor verliezen die het gevolg zijn van de interactie tussen aalscholvers en visserijen;

AC.

overwegende dat de stijging van de kosten voor elektriciteit en gas een belasting zal vormen voor de hele aquacultuursector in Europa, met nog slechtere verwachtingen wegens de stijging van de productiekosten en de onzekerheid over de vermarkting, ook als gevolg van de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis;

AD.

overwegende dat grote vis- en visproductproducenten in het nabuurschap van de EU van plan zijn hun aquacultuurproductie tegen 2030 te verdubbelen ten opzichte van het niveau van 2020, wat de druk op de productie van de EU zou kunnen opvoeren;

AE.

overwegende dat niet alle lidstaten voldoende aandacht besteden aan het potentieel van de ontwikkeling van de aquacultuur of de mogelijke sociaal-economische en milieugevolgen ervan;

AF.

overwegende dat de jaarlijkse consumptie van visproducten per hoofd van de bevolking in de EU zeer sterk varieert, van ongeveer 6 kg tot ongeveer 60 kg; overwegende dat de vraag naar aquacultuurproducten in de EU in de afzienbare toekomst derhalve zou kunnen toenemen;

AG.

overwegende dat het voor veel bedrijven moeilijk is hun marktaandeel te behouden, zowel in het binnen- als in het buitenland;

AH.

overwegende dat volgens de meest recente gegevens van Eurostat en de FAO, in 2019 ongeveer 76 % van de in de EU geconsumeerde vis uit wilde vis bestond, en 24 % uit gekweekte vis;

AI.

overwegende dat er slechts 62 producten met beschermde geografische aanduiding (BGA) geregistreerd staan onder categorie 1.7. — Verse vis en schaal-, schelp- en weekdieren en producten op basis van verse vis en schaal-, schelp- en weekdieren — op een totaal van 1 382 BGA-producten; overwegende dat er voor 14 andere producten beschermingsprocedures lopen; overwegende dat het register van levensmiddelen met gegarandeerde traditionele specialiteit (GTS) slechts vier producten in die klasse bevat; overwegende dat enkele van de succesvolle registraties betrekking hadden op aquacultuurproducten;

AJ.

overwegende dat de visserijfondsen van de EU (het Europees Visserijfonds (EVF), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA)) financiële steun hebben verstrekt aan de aquacultuursector van de EU;

AK.

overwegende dat ontsnapte exemplaren uit aquacultuurkwekerijen genetische veranderingen kunnen veroorzaken bij wilde populaties;

Bijdrage van de aquacultuur aan de Europese Green Deal

1.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie over strategische richtsnoeren voor een duurzamere en concurrerendere EU-aquacultuur voor de periode 2021 tot en met 2030; beschouwt deze richtsnoeren als alomvattend, degelijk en geschikt voor het bevorderen van een duurzame en concurrerende aquacultuur in de EU, met de nadruk op de duurzaamheid van de aquacultuursector op de lange termijn en op de bijdrage van deze sector aan de Europese Green Deal; betreurt echter het feit dat deze richtsnoeren al te zeer zijn gericht op milieuaspecten, en constateert dat er een hoger ambitieniveau nodig is om de duurzame productie en de ontwikkeling van een daadwerkelijk welvarende en concurrerende EU-aquacultuursector te bevorderen; is van mening dat het belangrijk is in het kader van deze richtsnoeren kwantitatieve doelstellingen vast te stellen voor de groei van deze sector, zoals er ook in de biodiversiteitsstrategie, de “van boer tot bord”-strategie en andere strategieën in het kader van de Green Deal milieudoelstellingen worden vastgesteld; verzoekt de lidstaten en de adviesraad voor aquacultuur om de in de richtsnoeren aanbevolen maatregelen uit te voeren; verzoekt de Commissie om regelmatig toezicht te houden op de naleving van deze aanbevelingen en om het Parlement hiervan op de hoogte te houden;

2.

beklemtoont het belang van een gedegen en gecoördineerde uitvoering van de richtsnoeren door de lidstaten om de doelstellingen van de richtsnoeren te verwezenlijken; wijst op het belang van de rol van de Commissie om de lidstaten te ondersteunen bij de uitvoering van de richtsnoeren en die uitvoering te coördineren teneinde een gelijk speelveld voor aquacultuurexploitanten in de EU te waarborgen; moedigt de Commissie aan om de uitvoering van deze richtsnoeren en andere wetgevingshandelingen die gevolgen hebben voor de aquacultuur, zoals de verordening inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (16), voortdurend op te volgen en in voorkomend geval wijzigingen van deze verordening, en mogelijk andere, voor te stellen met het oog op het aanpakken van de hindernissen die de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op het gebied van biologische productie belemmeren, zoals die welke zijn vastgesteld in de “van boer tot bord”-strategie;

3.

wijst op het potentieel van de bijdragen van de aquacultuursector aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal, en benadrukt dat de duurzaamheid en de veerkracht van de sector op lange termijn moeten worden gewaarborgd, met name in het licht van de COVID-19-crisis; is van oordeel dat bij de overgang naar een duurzaam voedselsysteem in Europa gebruik moet worden gemaakt van het nog niet aangeboorde potentieel van de aquacultuursector, aangezien deze sector een belangrijke en nog grotere rol kan spelen in de circulaire economie en als sector die netto bijdraagt aan de omzetting van een overmaat aan nutriënten in hoogwaardige eiwitten;

4.

beklemtoont dat de EU-aquacultuur voldoet aan hoge normen op het gebied van productkwaliteit en diergezondheid, maar dat er nog ruimte voor verbetering is op het gebied van diversificatie, concurrentievermogen en milieuprestaties; merkt op dat aquacultuur met een kleine impact (zoals aquacultuur met een laag trofisch niveau, multitrofische aquacultuur en biologische aquacultuur) en milieudiensten in de aquacultuur, indien deze verder worden ontwikkeld, een grote bijdrage kunnen leveren aan de Europese Green Deal, aan de “van boer tot bord”-strategie en aan een duurzame blauwe economie (17);

5.

wijst erop dat de aquacultuur naar verwachting zal bijdragen tot de voedselvoorziening en voedselzekerheid door de viskloof te dichten, aangezien de EU 70 % van alle aquatische levensmiddelen die zij consumeert invoert, wat een jaarlijks handelstekort van 21 miljard EUR (in 2019) veroorzaakt; is van oordeel dat de aquacultuur een aanzienlijk ontwikkelings- en groeipotentieel heeft dat moet worden versterkt, binnen de ecologische grenzen, zodat de sector duurzame en kwalitatief hoogwaardige levensmiddelen kan leveren, onze afhankelijkheid van de invoer van aquatische levensmiddelen kan verminderen en meer banen en andere sociaaleconomische mogelijkheden kan creëren, met name in kustgebieden, maar ook in plattelandsgebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor een robuust, betrouw- en voorspelbaar, gestroomlijnd en bedrijfsvriendelijk wettelijk kader, en om ten volle gebruik te maken van de financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van het EFMZVA, aangezien dat het financieringsinstrument is dat specifiek is gewijd aan de doelstellingen van het visserij- en aquacultuurbeheer van de EU; verzoekt de lidstaten om voldoende middelen uit de herstel- een veerkrachtfaciliteit te bestemmen voor ondersteuning van het innovatievermogen, de duurzaamheid en de veerkracht van de Europese aquacultuursector;

6.

beklemtoont dat de aquacultuur ooit is ontwikkeld vanwege de maatschappelijke noodzaak om te zorgen voor een constante aanvoer van verse aquatische levensmiddelen in seizoenen en in gebieden waarin de visvangst daarin niet kon voorzien, en dat de aquacultuur derhalve een van de belangrijkste maatschappelijke functies vervulde: de aanvoer van gezonde, verse levensmiddelen, vooral voor de lokale of regionale markt; benadrukt derhalve dat de uitbreiding van de aquacultuur in Europa nauw samenhangt met traditionele culturele praktijken, die min of meer specifiek zijn voor hun eigen specifieke deel van het continent;

7.

wijst op het belang van precieze gegevens en statistieken in verband met aquacultuurproducten, met name in verband met consumptie, invoer en uitvoer, om ervoor te zorgen dat we de streefcijfers en doelstellingen die we voor de sector vaststellen ook daadwerkelijk behalen; pleit ervoor dat er in dit verband meer gegevens beschikbaar en toegankelijk worden gemaakt;

8.

benadrukt dat het gebrek aan evenwicht op de externe handelsbalans van aquatische producten van de Unie onaanvaardbaar is, zowel in economisch opzicht, vanwege het handelstekort dat dit impliceert, maar ook in sociaal opzicht omdat werkgelegenheidskansen niet worden benut;

9.

beklemtoont dat alle vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal moet zijn afgestemd op het waarborgen van de voedselzekerheid van derde landen;

10.

steunt de instelling van het nieuwe EU-mechanisme voor bijstand op het gebied van aquacultuur als innovatief instrument om de Commissie, de lidstaten, de regionale overheden, de sector en andere belanghebbenden te helpen bij de ontwikkeling van verdere richtsnoeren en de bestendiging van beste praktijken op verschillende relevante gebieden; is van oordeel dat alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van het Parlement, moeten worden betrokken bij de instelling van dit mechanisme, met name alle leden van de adviesraad voor aquacultuur, in overeenstemming met artikel 11 VEU, waarin participatieve democratie is erkend als fundamenteel democratisch beginsel; roept op tot een zinvolle dialoog met het maatschappelijk middenveld;

11.

benadrukt dat het groeipotentieel van de aquacultuursector van de EU op duurzame wijze moet worden ontwikkeld en dat daarbij rekening moet worden gehouden met alle drie de pijlers van duurzaamheid: de economische, de sociale en de ecologische pijler; wijst op de noodzaak van een aantrekkelijke en marktgerichte sector, ook voor nieuwe viskwekers, met een wettelijk kader voor het aantrekken van bedrijfsinvesteringen, het scheppen en handhaven van goede arbeidsomstandigheden, het beschermen van het milieu door het gebruik van duurzame voederbronnen, het verbeteren van de gezondheid van het aquatisch milieu, het welzijn van de dieren en de bioveiligheid, het terugdringen van het gebruik van antimicrobiële stoffen overeenkomstig het beste beschikbare wetenschappelijke advies, en het stimuleren van verantwoorde en verstandige praktijken in overeenstemming met de “van boer tot bord”-strategie;

12.

is van oordeel dat de aquacultuursector een consistente bijdrage kan leveren aan ecosysteemdiensten voor de samenleving, en dat vijveraquacultuur en de kweek van algen en schelpdieren kunnen bijdragen aan het koolstofvrij maken van de EU-economie en het temperen van klimaatverandering; beklemtoont echter dat de koolstofvastlegging door de kweek van algen en schelpdieren beperkt is, afhankelijk van de productiemethode en de oogsttijd; steunt de voorgestelde acties inzake klimaatverandering, maar wijst op de noodzaak van een gemeenschappelijke methode om de koolstofvoetafdruk van individuele aquacultuurbedrijven te meten, en verzoekt om een effectbeoordeling voor alle voorgestelde maatregelen, met inbegrip van de impact ervan op individuele aquacultuursectoren; roept de lidstaten op om, waar passend, efficiënte korte bevoorradingsketens te bevorderen teneinde bij te dragen aan de bestrijding van klimaatverandering;

13.

acht het noodzakelijk om op grote schaal te investeren in mitigatie- en aanpassingsmaatregelen om de gevolgen van rampen en extreme weersomstandigheden voor de visserij- en de aquacultuursectoren te voorkomen en te beperken, teneinde productieve en veerkrachtige aquatische ecosystemen te versterken en de voordelen voor de consument en het dierenwelzijn in stand te houden;

14.

wijst erop dat bij de uitvoering van de strategische richtsnoeren meer aandacht moet worden besteed aan kleine en micro-ondernemingen in de aquacultuursector en aan hun specifieke behoeften;

15.

dringt er bij de Commissie op aan om de invoering van beroepsopleidingscursussen voor de aquacultuursector te steunen door technische en financiële middelen ter beschikking te stellen, teneinde jongeren aan te trekken en vissers in staat te stellen zich om te scholen, hetgeen zal bijdragen tot het scheppen van banen in kust- en eilandgebieden die van oudsher meer afhankelijk zijn van visserijactiviteiten;

16.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om milieuvriendelijke aquacultuur, zoals biologische kwekerijen, aquacultuur in gesloten systemen, algen-, schelpdier- en vijverkweek en geïntegreerde multitrofische en aquaponische aquacultuursystemen, te faciliteren, aan te moedigen en adequaat te ondersteunen;

17.

is van mening dat steun moet worden verleend voor de ontwikkeling van aquaponische systemen, dat wil zeggen gesloten productiesystemen op het land waarbij aquacultuur wordt gecombineerd met gewasteelt en deze laatste gebruikmaakt van het biologische materiaal in het water, waardoor de gevolgen van verontreiniging door een teveel aan biologische materialen worden verminderd;

18.

is van mening dat zoetwateraquacultuur in tal van plattelandsregio’s in Europa van groot belang is en niet alleen levensmiddelen van hoge kwaliteit en werkgelegenheid oplevert, maar ook interessante ecosysteemdiensten levert; verzoekt de Commissie het gebruik van de term “aquatische levensmiddelen” te veralgemeniseren, omdat dit een meer alomvattende en inclusieve uitdrukking is en deze term zoetwaterviskwekerijen niet uitsluit;

19.

wijst erop dat met name voor de zoetwateraquacultuur roofdieren en droogte ook uitdagingen vormen, die tot uiting komen in de hoeveelheid, de grootte en de kwaliteit van de gekweekte vis en die uiteindelijk een negatief effect hebben op de rentabiliteit van de sector;

20.

wijst opnieuw op de noodzaak om te beschikken over een systeem voor de traceerbaarheid van levensmiddelen in de EU dat bijdraagt aan de duurzaamheid van de aquacultuursector en tegemoetkomt aan de eisen van consumenten door informatie te bieden over waar, wanneer en hoe de betreffende vis of aquatische levensmiddelen zijn gekweekt, teneinde in de eerste plaats bij te dragen aan de voedselzekerheid, maar ook om controles van de hele keten van zowel EU-producten als uit derde landen ingevoerde producten mogelijk te maken en fraude tegen te gaan; is van mening dat alle actoren in de waardeketen bij dit systeem moeten worden betrokken, zodat zij met elkaar kunnen samenwerken met behulp van digitale systemen, kunstmatige intelligentie en andere technologische innovaties;

21.

wijst op de waarde die Europese consumenten hechten aan kwaliteitsaanduidingen, zowel oorsprongsbenamingen als beschermde geografische aanduidingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om het gebruik daarvan te bevorderen voor aquacultuurproducten die beschikken over de benodigde eigenschappen en voldoen aan de vereisten van de verordening inzake kwaliteitsregelingen van de EU, zoals BOB Mexillón de Galicia;

22.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om groene bedrijfsmodellen, zoals die welke zijn gebaseerd op koolstofvastlegging, te ondersteunen teneinde de voorzieningsketens duurzamer te maken; beklemtoont in dit opzicht dat bepaalde aquacultuurpraktijken, zoals de mossel- en oesterkweek en vijverpolycultuur, succesvolle modellen kunnen vormen voor toekomstige systemen met emissiekredieten in het kader van de EU-klimaatwetgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten dit soort groene bedrijven te steunen in het licht van de doelstellingen van de strategie;

23.

benadrukt het belang van de toepassing van empirisch onderbouwde normen en maatregelen ter verbetering van het welzijn van vissen tijdens het houden, vervoeren en slachten, met inbegrip van de handhaving van de waterkwaliteit binnen welzijns- en milieurelevante grenzen, als manier om de prevalentie en de verspreiding van ziekten te verminderen en de behoefte aan antibiotica, die hoe dan ook verder moet worden teruggedrongen, verder te doen afnemen; dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de voedermethoden om de niveaus van organisch materiaal te beheersen, zowel in open als in gesloten circuits, met het oog op de handhaving en verbetering van goede milieupraktijken; wijst erop dat het van belang is de kweekmethoden te blijven verbeteren in overeenstemming met de meest recente beschikbare wetenschappelijke kennis, teneinde een vorm van dierenwelzijn te verwezenlijken die bijdraagt tot het behalen van betere milieuresultaten, het beter bestand zijn tegen klimaatverandering en het optimaliseren van het gebruik van hulpbronnen;

24.

benadrukt opnieuw dat diverse aanbevelingen inzake dierenwelzijn vanwege hun aard niet van toepassing zijn op de visserij- en aquacultuursector;

25.

verzoekt de lidstaten de bevordering van de algenkweek te blijven aanmoedigen en het gebruik en de ontwikkeling van algen als levensmiddel en voeder te faciliteren, onder meer door vergunningsprocedures te vergemakkelijken, zonder de andere met aquacultuur gekweekte soorten te verwaarlozen; beklemtoont dat algenkweek onaangeboord potentieel heeft voor het scheppen van nieuwe banen en het verstrekken van ecosysteemdiensten en milieuvriendelijkere levensmiddelen en milieuvriendelijker voeder; is van mening dat een beter beheer van de algenpopulaties tot op zekere hoogte een doeltreffende manier zou kunnen zijn om, naast het kweken ervan, eutrofiëring te helpen bestrijden en overtollige stikstof en fosfor uit het water te verwijderen, evenals overtollige koolstof indien de algen in het water blijven en afzettingen op de zeebodem kunnen vormen; is verheugd over het voornemen van de Commissie om te komen met een voorstel voor een specifiek initiatief ter ondersteuning van de consumptie van algen in de Unie; wijst erop dat zeewierpopulaties, wanneer ze beter worden beschermd, ecosysteemdiensten kunnen verschaffen, als koolstofput kunnen fungeren en kunnen bijdragen tot een grotere biodiversiteit;

26.

is ingenomen met de rol van vrouwen in aquacultuurwaardeketens en dringt er daarom op aan dat zij fatsoenlijke arbeidsomstandigheden genieten en dat het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk of gelijkwaardig werk wordt gerespecteerd; is voorts van mening dat zij zichtbaarder en beter vertegenwoordigd moeten zijn in besluitvormingsstructuren en -processen;

Belangrijkste belemmeringen voor de aquacultuur in de Unie en mogelijke oplossingen

27.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om bij het opstellen van de nationale plannen voor duurzame ontwikkeling van de aquacultuur rekening te houden met de voornaamste belemmeringen voor de ontwikkeling van het potentieel van de sector en om de noodzaak van toewijzing van ruimte aan aquacultuur door middel van een passende ruimtelijke ordening te erkennen; benadrukt het belang van een transparant en participatief mechanisme, in overeenstemming met Richtlijn 2014/89/EU over maritieme ruimtelijke planning, voor het op billijke wijze toewijzen van ruimte aan alle belanghebbende partijen en gebieden, met inbegrip van bestaande en nieuwe visgronden, viskwekerijen, beschermde mariene gebieden en voor de visserij beperkte gebieden; betreurt dat sommige lidstaten hun nationale maritieme ruimtelijke plannen nog niet bij de Commissie hebben ingediend, hoewel de in de richtlijn vastgestelde uiterste datum daarvoor al is verstreken, en verzoekt die lidstaten om hun plannen zo spoedig mogelijk in te dienen;

28.

ondersteunt de doelstelling van de Commissie om promotiecampagnes op te starten om de consumptie van producten van de aquacultuur van de EU aan te moedigen en de aquacultuur van de EU voor het voetlicht te plaatsen en de duurzame ontwikkeling ervan verder te ondersteunen; beklemtoont dat er in dit verband behoefte bestaat aan alomvattende en gemakkelijk toegankelijke consumenteninformatie, onder meer over gezonde voedingspatronen, milieuvoordelen en andere duurzaamheidsparameters, zoals de impact op het klimaat;

29.

is van mening dat in open water geplande en aangelegde aquacultuurproductielocaties niet mogen samenvallen met of grenzen aan visserijzones; is voorts van mening dat de visserijsector en de exploitanten en vertegenwoordigers daarvan volledig bij dit proces moeten worden betrokken;

30.

wijst erop dat de aquacultuurproductie in de EU nog steeds sterk geconcentreerd is, zowel wat de lidstaten van productie als wat de gekweekte soorten betreft, en dat er dus een aanzienlijk potentieel voor diversificatie bestaat;

31.

wijst erop dat ruimtelijke ordening een van de belangrijkste instrumenten is voor het scheppen van de voorwaarden voor de langetermijnontwikkeling van de aquacultuur en moet zorgen voor geschikte locaties, waarbij rekening wordt gehouden met andere activiteiten in de betrokken gebieden;

32.

benadrukt dat de ontwikkeling van de aquacultuur een robuust, betrouwbaar, duidelijk en administratief eenvoudig wettelijk kader voor het gebruik van de ruimte en de toekenning van vergunningen vereist, dat vertrouwen en zekerheid voor investeringen in de sector biedt; benadrukt dat ruimtelijke ordening moet resulteren in een doeltreffend en flexibel plan waarin rekening wordt gehouden met het steeds veranderende mariene en zoetwatermilieu waarbinnen de aquacultuur functioneert, en dat een al te restrictieve zonering investeringen en ontwikkeling kan ontmoedigen;

33.

benadrukt het belang van rechtszekerheid en van voorspelbaarheid van investeringen voor de duurzame groei van de aquacultuursector in de Unie; benadrukt dat de maatregelen die door de verschillende overheidsinstanties van de lidstaten worden genomen moeten bijdragen aan de vereenvoudiging van de administratieve termijnen en procedures, opdat overheidsinstanties hun verplichtingen kunnen nakomen, binnen de gestelde termijnen een besluit kunnen nemen en onredelijke vertragingen bij de verlening van vergunningen of concessies kunnen vermijden; verzet zich tegen het met terugwerkende kracht beperken van de duur van concessies of verlengingen daarvan, en verzoekt de lidstaten om het vertrouwen en de legitieme verwachtingen van concessiehouders te honoreren;

34.

wijst erop dat, wat vergunningen en planning betreft, de bestaande bureaucratische complexiteit en vertragingen resulteren in aanvullende kosten voor potentiële investeerders; roept de Commissie en de lidstaten op om ten behoeve van een beter investeringsklimaat te zorgen voor duidelijke en transparante vergunningsprocedures voor investeerders;

35.

benadrukt dat de open coördinatiemethode verder moet worden toegepast om coördinatie met nationale, regionale en lokale overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de aquacultuursector te bereiken; is van oordeel dat deze coördinatie absoluut noodzakelijk is om de nationale wetgeving te stroomlijnen en richting te geven aan het op de sector van toepassing zijnde regelgevingskader; verzoekt de Commissie de specifieke aanbevelingen die zij aan de lidstaten doet betreffende de ontwikkeling van de aquacultuur in de EU openbaar te maken;

36.

vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een betere coördinatie met betrekking tot de gedeelde bevoegdheden van de EU en voor coördinatie tussen nationale, regionale en lokale overheden;

37.

benadrukt het belang van duurzame voederingrediënten voor de aquacultuur in de Unie; is van mening dat de aquacultuur de viskloof alleen kan dichten als alle gekweekte soorten een nettowinst aan viseiwitten opleveren, dat wil zeggen dat de aquacultuur niet meer wilde vis uit de oceanen en andere wateren haalt voor voederdoeleinden dan zij eraan toevoegt; benadrukt dat wereldwijd een groot deel van de vis die voor de productie van vismeel en visolie wordt gebruikt wordt gevangen in de exclusieve economische zones van ontwikkelingslanden; benadrukt dat het gebruik als voeder van ecologisch duurzame mariene eiwitten en oliën in de vorm van bijproducten en afsnijdsels, van andere eiwitten en van innovatieve oplossingen, zoals insectenmeel en microalgen, moet worden bevorderd en dat mariene eiwitten en oliën gedeeltelijk moeten worden vervangen door niet-mariene alternatieven die op duurzame wijze worden geproduceerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in onderzoek en innovatie teneinde een overgang naar duurzame en nieuwe eiwitbronnen te bevorderen, en vraagt de Commissie te beoordelen of er in dit verband wetgevingswijzigingen nodig zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om duurzame praktijken te bevorderen en het percentage onafhankelijk gecertificeerd vismeel en visolie in diervoeders te verhogen, waarbij certificering plaatsvindt op basis van betrouwbare en onafhankelijke ecologische en sociale certificeringsregelingen in het kader waarvan gebruikgemaakt wordt van beoordelingscriteria voor een lage trofische index en van de FAO-gedragscode;

38.

erkent dat het momenteel niet mogelijk is om de aquacultuur van voldoende vismeel en visolie te voorzien met alleen de teruggooi en bijproducten van de visserijsector, onder andere vanwege de toenemende vraag op de vismeelmarkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor duurzame productie van vismeel en visolie en gezamenlijk de inspanningen op het gebied van onderzoek en innovatie op te voeren teneinde het probleem van de toegenomen vraag op de vismeelmarkt op te lossen aan de hand van de ontwikkeling van duurzame alternatieven;

39.

maakt zich zorgen over het groeiende aantal vismeel- en visoliefabrieken langs de West-Afrikaanse kust, die voornamelijk worden beheerd door Chinese bedrijven wier niet-duurzame productie existentiële problemen veroorzaakt voor de regionale en ambachtelijke visserij, en verzoekt de Commissie er daarom voor te zorgen dat er geen voeder van dergelijke productie wordt gebruikt in aquacultuurfaciliteiten in de EU;

40.

verzoekt de Commissie gebruik te maken van digitale systemen en kunstmatige intelligentie om de traceerbaarheid en duurzaamheid van aquacultuurproducten te verbeteren en de traceerbaarheid ook uit te breiden naar de gebruikte voeders;

41.

verzoekt de Commissie het belang van EU-brede communicatiecampagnes over duurzame aquacultuur in de EU te onderkennen, evenals het belang van productie met middelen onder rechtstreeks beheer, overeenkomstig de doelstellingen van de strategische richtsnoeren; verzoekt de lidstaten en de Commissie om overeenkomstig de doelstellingen van de strategische richtsnoeren de organisatie van voorlichtings- en communicatiecampagnes over specifieke subsectoren van de duurzame aquacultuur van de EU op te nemen in alle operationele programma’s;

42.

verzoekt de Commissie met klem om in het kader van het EU-beleid inzake de bevordering van de afzet van landbouwproducten meer werk te maken van programma’s via welke aquacultuurproducten specifiek en individueel kunnen worden gepromoot; beklemtoont dat het belangrijk is dat gebruik wordt gemaakt van de huidige herziening van het beleid inzake de bevordering van de afzet van landbouwproducten om de bevordering van duurzame aquacultuurproducten beter te positioneren en moedigt de Commissie aan het beleid inzake de bevordering van de afzet van landbouwproducten te gebruiken ter ondersteuning van sectoren en exploitanten die inherent bijdragen tot of een leidende rol spelen bij de transitie naar de verwezenlijking van de doelstellingen van de Green Deal;

43.

is ingenomen met de kwaliteit van het werk dat is uitgevoerd door de Waarnemingspost voor de Europese markt voor visserij- en aquacultuurproducten (Eumofa); roept de Commissie op te voorzien in extra gerichte financiering voor Eumofa om de verslagen van de Waarnemingspost in alle officiële talen van de EU te vertalen, aangezien deze vaak slechts in één of hooguit vijf officiële talen van de EU beschikbaar zijn; is van mening dat dergelijke informatie de aquacultuursector zal helpen om actuele en kwalitatieve informatie te verkrijgen waarmee de sector zijn marketingprestaties kan verbeteren;

44.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de middelen voor onderzoek en innovatie in de aquacultuursector (zowel marien als zoetwater) aanzienlijk te verhogen, met name voor nieuwe kennisgebieden zoals de studie van het microbioom of de wetenschappelijke monitoring van milieudiensten in de aquacultuur; roept de lidstaten op om te voorzien in financiering voor onderzoek en ontwikkeling in de aquacultuursector of deze te verhogen, en om de overdracht van wetenschappelijk onderbouwde kennis aan de sector en andere belanghebbenden te verbeteren;

45.

roept de lidstaten en hun overheidsdiensten op ervoor te zorgen dat het potentieel van de kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen in ruimere mate wordt benut voor aquacultuurproducten; herinnert aan de mogelijkheid van het optuigen van regionale of nationale kwaliteitsregelingen waarmee producenten hun zichtbaarheid kunnen vergroten en daarmee hun marketingprestaties kunnen verbeteren en hun inkomsten kunnen verhogen;

46.

beklemtoont dat kennis en innovatie (met inbegrip van het gebruik van digitale technologie) essentieel zijn voor de verwezenlijking van de andere voor de EU-aquacultuursector vastgestelde doelstellingen, en dat Horizon Europa, het kaderprogramma van de EU voor onderzoek en innovatie, een belangrijk instrument kan vormen om op dit gebied stappen te zetten;

47.

dringt er bij de Commissie op aan om informatie over het potentieel van de aquacultuursector in de ultraperifere gebieden te verbeteren en te verzamelen door middel van haalbaarheidsstudies en feedback, en om specifieke steun te verlenen aan startende bedrijven die in deze sector in die gebieden activiteiten willen ontplooien;

48.

spreekt zijn onvoorwaardelijke steun uit voor innovatie en ontwikkeling bij de kweek van nieuwe soorten in de aquacultuursector;

49.

merkt op dat een innovatieve aquacultuursector eveneens de ontwikkeling van gepaste vaardigheden vereist, wat wordt bereikt door middel van de bevordering van gespecialiseerde curricula en kennis omtrent aquacultuur (bv. gespecialiseerde opleidingen diergeneeskunde met betrekking tot vissen en opleidingen op het gebied van de gezondheid van vissen voor aquacultuurexploitanten), en met opleidingen gedurende het hele leven over innovatieve benaderingen voor de aquacultuursector voor kwekers;

50.

verzoekt de Commissie verder te werken aan een gelijk speelveld voor de EU-aquacultuur en producenten uit derde landen, door middel van een herziening van internationale handelsovereenkomsten en de eventuele ondertekening van nieuwe overeenkomsten in de toekomst, met betrekking tot de invoer van producten waarvoor niet dezelfde normen inzake markttoegang, milieu- en sociale duurzaamheid of viswelzijn gelden als voor producten die in de EU worden geproduceerd, onder meer door de regels voor een betere toepassing van de etikettering van aquatische levensmiddelen te actualiseren; is van mening dat in specifieke gevallen, zoals dat van de etikettering van kaviaar, het wettelijk kader betreffende de voorlichting aan de consument moet worden herzien; verzoekt de Commissie om door middel van een effectbeoordeling na te gaan of duurzame aquacultuursectoren kunnen worden opgenomen in het EU-mechanisme voor koolstofgrenscorrectie, met als doel om voor de Europese sectoren en de handelspartners van de EU prikkels te creëren om hun activiteiten koolstofarm te maken ten gunste van de uitvoering van maatregelen die een positieve bijdrage zullen leveren tot de vermindering van broeikasgassen met als doel klimaatneutraliteit te bereiken en op die manier het Europese en het mondiale klimaatbeleid op weg naar het bereiken van broeikasgasneutraliteit te ondersteunen, zonder dat die prikkels discriminerend zijn of een verkapte beperking van de internationale handel inhouden;

51.

herinnert aan de mogelijkheden voor de sector om de handel in aquacultuurproducten te bevorderen, met name in landen en gebieden waar consumptie van deze producten laag is;

52.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om wetenschappelijk onderzoek naar het welzijn van vissen te ondersteunen, beste aquacultuurpraktijken inzake het welzijn van vissen te bevorderen en de oprichting van EU-referentiecentra voor het welzijn van vissen te stimuleren; benadrukt dat goede praktijken op het gebied van dierenwelzijn de beste preventieve stap zijn om de behoeften aan geneesmiddelen te verminderen en de gezondheid en het welzijn van de vissen te waarborgen; spoort aan tot het verdere gebruik van technologieën en innovatie om ziekten gerichter aan te pakken, zodat er minder geneesmiddelen nodig zijn; benadrukt dat de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen voor de aquacultuursector indien nodig moet worden verbeterd;

53.

beveelt de Commissie aan wetgevingsvoorstellen uit te werken op basis van de meest recente wetenschappelijke kennis over de behoeften van vissen en andere waterdieren en over de methoden voor het vervoer daarvan, teneinde hun lijden tijdens het vervoer tot een minimum te beperken; benadrukt dat de nieuwe bepalingen moeten voorzien in een gedetailleerde checklist voor de planning en voorbereiding van transporten, specifieke bepalingen betreffende waterkwaliteitsparameters, dichtheid, behandeling tijdens het laden en lossen en dierenwelzijnsinspecties na aankomst; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de richtsnoeren die zij publiceert, worden bijgewerkt op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens en in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 1/2005, en dringt aan op specifieke voorschriften voor het commerciële verkeer van vis; benadrukt verder dat moet worden voorzien in specifieke opleiding en certificering met betrekking tot het vervoer van vis;

54.

is voorstander van het vergroten van de capaciteit van Copernicus en het Europees marien observatie- en datanetwerk om waarnemingen te doen en modellen en prognoses op te stellen, zodat beter kan worden geanticipeerd op de gevolgen van extreme weersomstandigheden, zowel aan land als op zee, waarvoor aquacultuurvoorzieningen bijzonder gevoelig zijn;

55.

beklemtoont het belang van passende opleidingen voor zowel bevoegde autoriteiten als kwekers inzake manieren om de milieu-impact van aquacultuurpraktijken te beperken en de naleving van hoge normen op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid te waarborgen;

56.

verzoekt de Commissie een voorstel voor een EU-plan voor het beheer van de aalscholver op te stellen waarmee het probleem waarmee de aquacultuursector al jaren te kampen heeft naar behoren en definitief kan worden aangepakt, op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en de ervaringen en praktijken die in de lidstaten reeds zijn beproefd; dringt erop aan dat het plan zodanig wordt opgezet dat het effect ervan op aquacultuurbedrijven doeltreffend wordt gemitigeerd en beheerst, zodat de economische, ecologische en sociale gevolgen voor de productie en de biodiversiteit worden beperkt; benadrukt dat het plan een lijst moet bevatten van de maatregelen die in aanmerking komen voor preventieve coëxistentieoplossingen en passende compensatie voor verliezen en maatregelen, gefinancierd met EU- of nationale middelen; benadrukt dat financiële steun voor onderzoek op maat naar het vinden en testen van preventieve maatregelen van essentieel belang is, maar ook voor een deugdelijke monitoring, met inbegrip van de registratie en een analyse van de effecten van de genomen maatregelen; verzoekt de lidstaten deze maatregelen per geval op lokaal niveau uit te voeren, en jaarlijks aan de Commissie verslag uit te brengen over de uitvoering van het plan, met inbegrip van de doeltreffendheid van de gekozen maatregelen; verzoekt de Commissie om het EU-plan voor het beheer van de aalscholver elke vijf jaar te evalueren en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement; dringt er bij de Commissie op aan om als onmiddellijke actie een leidraad op te stellen over de toepassing van de afwijkingen waarin artikel 9 van de vogelrichtlijn voorziet, en om te beoordelen of de huidige wetgeving moet worden gewijzigd wanneer preventieve maatregelen ontoereikend zijn gebleken en de financiële en sociale impact geen coëxistentieoplossingen toelaat, op basis van het beste wetenschappelijke advies;

57.

roept de Commissie en de lidstaten op om vergunningsprocedures te vereenvoudigen en verdere inspanningen te leveren en benodigde extra hulp te bieden om gebruikers van het EFMZVA toegang te geven tot financiering;

Biologische aquacultuur

58.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie over een actieplan voor de ontwikkeling van de biologische productie en met de 23 acties die in de bijlage daarvan zijn opgenomen; wijst erop dat de biologische aquacultuur in aansluiting op de overgang naar een duurzaam voedselsysteem in Europa een sleutelrol moet spelen in de geplande groei van de aquacultuursector, gezien het grote onbenutte ontwikkelingspotentieel ervan, en dat deze sector via het EFMZVA moet worden gesteund;

59.

is het ermee eens dat biologische aquacultuur potentieel heeft, maar benadrukt de verschillen in de biologische aquacultuurproductie tussen de lidstaten;

60.

is het eens met de doelstelling om te streven naar een aanzienlijke toename van de biologische aquacultuur tegen 2030, zonder in het plan een concreet percentage vast te stellen, aangezien het om een betrekkelijk nieuwe sector gaat waarvan de groei niet gemakkelijk te voorspellen is; moedigt de lidstaten evenwel aan om, in voorkomend geval, streefcijfers vast te stellen, rekening houdend met hun kennis van de specifieke lokale en regionale kenmerken en de marktontwikkelingen; wijst erop dat de biologische aquacultuur in de EU de laatste jaren weliswaar een toename heeft laten zien, met name in de kweek van bepaalde soorten en in bepaalde landen (waaronder zalm in Ierland en mosselen in Denemarken en Ierland), maar dat de vraag naar biologische aquacultuur in de EU onzeker is en de economische prestaties van de biologische aquacultuur bovendien in sommige gebieden nog onvoldoende zijn;

61.

is van mening dat duurzame aquacultuur in het algemeen, en de biologische aquacultuur in het bijzonder, een belangrijke rol zal spelen bij het verwezenlijken van de ambitie van de EU om tegen 2050 een koolstofneutraal Europa tot stand te brengen door de broeikasgasemissies terug te dringen en bij te dragen tot de matiging van de klimaatverandering, en tegelijk extra voordelen voor het milieu en de biodiversiteit zal opleveren;

62.

wijst erop dat duurzame aquacultuur in het algemeen, en biologische aquacultuur in het bijzonder, kan helpen tegemoet te komen aan de vraag van de consument naar gediversifieerde levensmiddelen van hoge kwaliteit die worden geproduceerd op een wijze die het milieu respecteert en het welzijn van de vissen waarborgt, en daarmee de kloof tussen vraag en aanbod van visserijproducten in de EU kan overbruggen en de druk op de bestanden van wilde soorten kan verlichten;

63.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om binnen het kader van nationale plannen voor de duurzame ontwikkeling van aquacultuur te analyseren wat de belangrijkste belemmeringen voor de ontwikkeling van biologische aquacultuur zijn en om geschikte maatregelen voor te stellen; roept de lidstaten bovendien op om op basis van een ex-ante-effectbeoordeling de uitbreiding van de biologische aquacultuur op te nemen in de doelstellingen van hun herziene meerjarige nationale strategische plannen voor aquacultuur; is van mening dat het EFMZVA moet worden gebruikt om duurzame aquacultuurpraktijken, met inbegrip van biologische productie, te bevorderen en steun te verstrekken tijdens de omschakelingsperiode, waardoor het speelveld ten opzichte van andere biologische landbouwers gelijk kan worden getrokken;

64.

benadrukt de noodzaak van meer steun voor onderzoek en innovatie met betrekking tot alternatieve bronnen van voedingsstoffen, behandelingen, kweekmethoden en dierenwelzijn in de aquacultuur; acht het noodzakelijk om investeringen in aangepaste polycultuur- en multitrofische aquacultuursystemen te bevorderen en broed- en kweekactiviteiten voor biologische jonge vis te stimuleren; is ingenomen met de open coördinatiemethode voor de uitwisseling van beste praktijken en innovatie in de biologische aquacultuur;

65.

beklemtoont dat er sinds de goedkeuring van de verordening inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten innovaties zijn geweest, met inbegrip van verschillende soorten aquacultuur; wijst er in dit verband op dat sommige bepalingen, zoals die inzake reproductie, nog steeds slecht zijn toegerust voor de nieuw ontwikkelde innovatieve en duurzame aquacultuurmethoden; dringt er bij de Commissie op aan om deze verordening dienovereenkomstig te beoordelen en de nodige wijzigingen voor te stellen;

66.

verzoekt de Commissie te analyseren hoe de regels voor biologische aquacultuur in elke lidstaat worden geïnterpreteerd, uitgevoerd en gecontroleerd; dringt er bij de Commissie op aan om op basis van de conclusies van die analyse richtsnoeren op te stellen voor de lidstaten, certificeringsinstanties en viskwekers, teneinde de uiteenlopendheid bij de uitvoering van de verordening inzake biologische productie te verminderen;

67.

dringt er vanwege de beperkte beschikbaarheid en de hoge prijzen van biologisch diervoeder bij de Commissie op aan te overwegen om het gebruik van 30 % van het dagrantsoen vismeel en visolie uit afsnijdsels van niet-biologische aquacultuur of afsnijdsels van voor menselijke consumptie gevangen vis uit duurzame visserijproducten van de EU opnieuw toe te staan gedurende een overgangsperiode van vijf jaar voor alle nieuwkomers in de biologische aquacultuursector, gezien het positieve effect daarvan op de circulaire economie en als noodzakelijke steunmaatregel; verzoekt de Commissie om ook na te denken over het gebruik van soorten (die mogelijk niet natuurlijk kunnen paaien in Europa) waarvoor door de mens teweeggebrachte reproductie wordt toegepast met gebruik van hypofyse-extract, evenals van soorten die worden gebruikt bij polycultuurpraktijken om andere trofische niches van de omgeving te gebruiken en zo bij te dragen tot koolstofvastlegging, het matigen van eutrofiëring, het verhogen van de totale productiviteit van de vijver en het verminderen van de nutriëntenbelasting van de viskweek;

68.

benadrukt dat de voorwaarden voor biologische landbouwers in de EU en voor ingevoerde biologische producten overal in de Unie gelijk moeten worden getrokken door te voorzien in dezelfde regels en steun en door de behandeling van ziekten die in de biologische aquacultuur en de biologische veeteelt worden gebruikt, te harmoniseren;

69.

herinnert eraan dat in de resolutie van het Parlement over “Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector: huidige stand van zaken en toekomstige uitdagingen” 92 acties worden voorgesteld om het potentieel van de aquacultuur in de EU te ontsluiten door: administratieve procedures te vereenvoudigen; gelijkheid in de interacties met andere sectoren te waarborgen; het concurrentievermogen van de aquacultuur van de EU zowel binnen als buiten onze grenzen te versterken; de consumentenvoorlichting te verbeteren; het welzijn van dieren en de beschikbaarheid van veterinaire producten te waarborgen; promotiecampagnes en de communicatie te verbeteren; onderzoek en innovatie te ondersteunen; scholing en werkgelegenheid te stimuleren; de duurzaamheid van de aquacultuursector in de EU te verbeteren; te zorgen voor toereikende financiering uit het EFMZV en andere structuurfondsen, en een harmonieuze symbiose met de visserij te verwezenlijken; dringt er bij de Commissie op aan nauw met de lidstaten samen te werken om deze acties uit te voeren;

70.

wijst erop dat het tegenover elkaar zetten van extractieve visvangst en aquacultuur in de huidige situatie niet verstandig is, nu de vraag naar visserijproducten toeneemt en in de Unie wordt gestreefd naar een geleidelijke vermindering van de druk op wilde-visbestanden, en onderstreept dat beide activiteiten elkaar aanvullen;

71.

benadrukt dat door middel van samenwerking tussen de aquacultuursector enerzijds en conserverende en verwerkende bedrijven anderzijds grote waarde kan worden toegevoegd aan aquacultuurproducten, mits deze samenwerking is gericht op het creëren van synergieën en beide vormen van bedrijvigheid bevordert;

o

o o

72.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de GVB-adviesraden.

(1)  PB C 184 van 5.5.2022, blz. 2.

(2)  PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.

(3)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.

(4)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(5)  PB L 247 van 13.7.2021, blz. 1.

(6)  PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.

(7)  PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

(8)  PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.

(9)  PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.

(10)  PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.

(11)  Europese Commissie, directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij, studie over een tussentijdse evaluatie van de open coördinatiemethode (OCM) voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU, 2019.

(12)  PB C 28 van 27.1.2020, blz. 26.

(13)  PB C 21 E van 28.1.2010, blz. 11.

(14)  Europese Commissie, directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij, “The EU fish market: 2020 edition”, Publicatiebureau, 2021.

(15)  “Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (STECF) — The EU Aquaculture Sector — Economic report 2020 (STECF-20-12)”. EUR 28359 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2021.

(16)  Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1.).

(17)  De blauwe economie van de EU transformeren voor een duurzame toekomst (2021) — https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52021DC0240&from=EN


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/15


P9_TA(2022)0335

Gevolgen van nieuwe technologieën voor belastingheffing: crypto en blockchain

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over de gevolgen van nieuwe technologieën voor belastingheffing: crypto en blockchain (2021/2201(INI))

(2023/C 132/02)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2020, getiteld “Actieplan voor billijke en eenvoudige belastingheffing ter ondersteuning van de herstelstrategie” (COM(2020)0312),

gezien het voorstel van de Commissie van 24 september 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten in cryptoactiva (COM(2020)0593),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 september 2020 over een EU-strategie voor het digitale geldwezen (COM(2020)0591),

gezien het verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 12 oktober 2020, getiteld “Taxing Virtual Currencies: An Overview of Tax Treatments and Emerging Tax Policy Issues”,

gezien de mededeling van de Commissie van 18 mei 2021, getiteld “Belastingheffing van ondernemingen in de 21e eeuw” (COM(2021)0251),

gezien het werkdocument van 2021 van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie over belastingheffing en structurele hervormingen, getiteld “Cryptocurrencies: an empirical view from a tax perspective”,

gezien het voorstel van de Commissie van 20 juli 2021 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij geldovermakingen van geld en van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie (COM(2021)0422),

gezien het werkdocument van de Wereldbank, getiteld “Crypto-Assets Activity around the World: Evolution and Macro-Financial Drivers”, gepubliceerd op 8 maart 2022,

gezien het document voor openbare raadpleging van de OESO, gepubliceerd op 22 maart 2022 onder de titel: “Crypto-Asset Reporting Framework and Amendments to the Common Reporting Standard”,

gezien zijn studie van 15 oktober 2018, getiteld “VAT fraud: economic impact, challenges and policy issues”, zijn studie van juli 2018, getiteld “Cryptocurrencies and blockchain — Legal context and implications for financial crime, money laundering and tax evasion”, en zijn studie van 15 februari 2018, getiteld “Impact of Digitalisation on International Tax Matters”,

gezien zijn studie van 21 oktober 2021, getiteld “Exploring the opportunities and challenges of new technologies for EU tax administration and policy”,

gezien artikel 54 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0204/2022),

A.

overwegende dat het gebruik van nieuwe technologieën op de interne markt van de EU en de digitalisering van de belastingdiensten in heel Europa de relatie tussen belastingbetalers, dat wil zeggen burgers en bedrijven, enerzijds en de nationale belastingdiensten anderzijds veranderen; overwegende dat de EU een leidende rol kan spelen door te waarborgen dat de procedurele en technische aspecten van de digitalisering van de belastingdiensten worden gecoördineerd om te voorkomen dat de interoperabiliteit van nationale technische platforms wordt belemmerd;

B.

overwegende dat de verschillende kenmerken van de verschillende soorten cryptoactiva en de grens tussen de verschillende soorten cryptoactiva van belang kunnen zijn voor het bepalen van de fiscale behandeling ervan;

C.

overwegende dat uit de marktdynamiek van cryptoactiva blijkt dat er een duidelijk, stabiel en transparant rechtskader tot stand moet worden gebracht;

D.

overwegende dat de belastingdiensten vandaag de dag heel wat problemen moeten overwinnen om te komen tot een doeltreffende fiscale handhaving en in het bijzonder grensoverschrijdende samenwerking, gezien de versnelling van digitale transacties, de toenemende mobiliteit van belastingbetalers, het aantal grensoverschrijdende transacties, de internationalisering van economische activiteiten en bedrijfsmodellen en de risico’s van dubbele belasting of complexe, agressieve belastingregelingen;

E.

overwegende dat de belastingdiensten alert moeten blijven op mogelijke risico’s voor de houdbaarheid van belastingstelsels en op hun vermogen om de nationale en Europese wettelijke kaders inzake belastingheffing te handhaven;

F.

overwegende dat nieuwe technologische oplossingen, zoals blockchain, door belastingdiensten kunnen worden gebruikt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van belastingbetalers, informatie uit te wisselen tussen jurisdicties, voor diverse soorten registratie, maar dat dergelijke technologieën ook misbruikt kunnen worden en kunnen dienen voor illegale activiteiten met de criminele intentie om geen belasting te betalen; overwegende dat met name de verhoogde zichtbaarheid van blockchaintransacties de belastingdiensten zou kunnen helpen bij het bestrijden van belastingfraude;

G.

overwegende dat verscheidene belastingdiensten in heel Europa nu al belangrijke stappen zetten op weg naar de digitalisering van processen — zij het niet in dezelfde mate — als gevolg waarvan de naleving van de belastingwetgeving gemakkelijker, sneller en doeltreffender wordt; overwegende dat het gebruik van nieuwe technologieën tussen de lidstaten onderling nog altijd sterk verschilt; overwegende dat de nationale belastingdiensten in het algemeen nog een zetje nodig hebben om meer stimulansen en bewustmakingsmaatregelen in het leven te roepen en zo het potentieel van de technologische en digitale transformatie te benutten; overwegende dat technologie de samenwerking tussen verschillende overheidsinstanties kan bevorderen, met name in belastingaangelegenheden;

H.

overwegende dat belastingdiensten de huidige belastingpraktijken binnen de interne markt moeten aanpassen wegens het toenemende gebruik van cryptoactiva; overwegende dat de identificatie van belastinggerelateerde activiteiten op de markt in cryptoactiva complex is, aangezien deze markt minder gebruikmaakt van traditionele financiële tussenpersonen die doorgaans informatie verstrekken voor belastingdoeleinden;

I.

overwegende dat vijf van de 27 lidstaten specifieke wettelijke bepalingen inzake de belastingheffing op cryptoactiva hanteren; overwegende dat 19 lidstaten specifieke administratieve richtsnoeren inzake de belastingheffing op cryptoactiva hanteren;

J.

overwegende dat de Common Reporting Standard (CRS) van de OESO de internationale fiscale transparantie ten goede is gekomen door van jurisdicties te verlangen dat zij informatie over buitenlandse activa bij financiële instellingen opvragen en die informatie jaarlijks automatisch uitwisselen met de jurisdicties van de woonplaats van belastingplichtigen; overwegende dat cryptoactiva echter in de meeste gevallen niet onder het toepassingsgebied van de CRS vallen, die geldt voor traditionele financiële activa en fiduciaire valuta;

K.

overwegende dat men zich internationaal inspant en zich ertoe verbindt om de gelijke fiscale behandeling van de digitale economie beter te reguleren; overwegende dat cryptoactiva volgens de OESO kunnen worden misbruikt om bestaande internationale initiatieven op het gebied van fiscale transparantie te ondermijnen; overwegende dat het in dit verband van cruciaal belang is dat de EU een leidende rol op zich neemt, met name in de vorm van nauwe samenwerking tussen de lidstaten om cryptoactiva op een eerlijke en transparante wijze te belasten;

L.

overwegende dat de wereldeconomie verandert en in toenemende mate gedigitaliseerd wordt en dat de beginselen die ten grondslag liggen aan het huidige internationaal belastingkader geleidelijk achterhaald raken en niet langer kunnen waarborgen dat de winst wordt belast in het land waar die winst uit economische activiteiten wordt gegenereerd en waar de waarde wordt gecreëerd;

M.

overwegende dat er geen internationaal instrument bestaat voor de belastingheffing op cryptoactiva en dat verschillende landen in dit kader een breed scala aan benaderingen hanteren; overwegende dat de EU op de desbetreffende internationale platforms het voortouw moet nemen bij de totstandbrenging van inclusievere financiële participatie van burgers, zowel binnen als buiten haar grenzen;

N.

overwegende dat de OESO in haar verslag uit 2020 over het belasten van virtuele valuta een aantal wezenlijke aspecten benoemt die aan de orde moeten worden gesteld: de definitie van “belastbare feiten”, de vormen van inkomsten die verbonden zijn aan virtuele valuta en de manier waarop de belastingheffing kan worden afgestemd op de aard en dynamiek van cryptoactiva teneinde winsten op eerlijke en doeltreffende wijze vast te leggen;

O.

overwegende dat de Unie al belangrijke stappen heeft gezet voor het opstellen van een duidelijke definitie van bepaalde cryptoactiva en aanbieders van cryptoactivadiensten en, in bredere zin, voor het tot stand brengen van een geschikt regelgevingskader voor cryptoactiva — de verordening betreffende markten in cryptoactiva (MiCA); overwegende dat dit kader en deze definities de eerlijke en eenvoudige belastingheffing op deze activa zullen bevorderen; overwegende dat de definities van dergelijke cryptoactiva moeten aansluiten bij internationale normen, met name de normen die ontwikkeld zijn door de OESO en de Financiële-actiegroep;

P.

overwegende dat de definities van cryptoactiva in de hele EU uniform moeten zijn en moeten worden afgestemd op internationale normen; overwegende dat hetzelfde cryptoactief overal in de EU op verschillende manieren als “belastingobject” kan worden aangemerkt, wat leidt tot een uiteenlopende fiscale behandeling;

Q.

overwegende dat bepaalde terreinen van het belastingbeleid een nationale bevoegdheid zijn en dat samenwerking tussen de lidstaten essentieel blijft en nodig is om de uitdagingen voor de integriteit van de interne markt aan te pakken, onder meer het toenemende gebruik van cryptoactiva; overwegende dat een kader van 27 sterk uiteenlopende benaderingen van de belastingheffing op cryptoactiva kan leiden tot aanzienlijke belemmeringen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de digitale eengemaakte markt; overwegende dat er derhalve duidelijk behoefte is aan coördinatie en samenwerking op EU-niveau;

R.

overwegende dat de EU en haar interne markt moeten zorgen voor een innovatievriendelijk klimaat voor bedrijven (met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en startende ondernemingen) op het vlak van nieuwe technologieën voor financiële diensten en cryptoactiva; overwegende dat er voor het bereiken van dit hoofddoel behoefte is aan een krachtig engagement van de lidstaten om met name op fiscaal gebied beleidsmaatregelen te nemen die zorgen voor een stabiel, duidelijk en solide regelgevingskader waarbinnen ondernemingen kunnen gedijen en bijdragen tot economische groei; overwegende dat deze inspanningen tot slot vergen dat er een sterke motivatie aan de dag wordt gelegd om de rechten van de burgers als belastingbetalers en consumenten van financiële diensten te beschermen;

S.

overwegende dat duidelijke richtsnoeren cruciaal zijn voor een eerlijk en doeltreffend belastingstelsel dat, mits de lidstaten dat op efficiënte wijze ten uitvoer leggen, tot nuttige hervormingen kan leiden door te besparen op administratieve kosten en tijd, de toegangsbelemmeringen terug te dringen en de zekerheid en stabiliteit te waarborgen die vereist zijn voor het concurrentievermogen en voor het overbruggen van de kloof tussen ondernemingen, met name voor kmo’s;

T.

overwegende dat cryptovaluta snel evolueren en dat beleidsmakers onder gelijke voorwaarden moeten presteren; overwegende dat de gevolgen van het fiscaal beleid en belastingontduiking nog steeds nauwkeurig moeten worden onderzocht, aangezien zij een belangrijk aspect van het algemene regelgevingskader vormen;

U.

overwegende dat het Parlement al heeft benadrukt dat “de huidige internationale regels inzake vennootschapsbelasting niet langer geschikt zijn in de context van de digitalisering en mondialisering van de economie” en dat “de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering en een groter gebruik van immateriële activa en de toename ervan in de waardeketens vooruitzichten en uitdagingen creëren op het gebied van de traceerbaarheid van economische verrichtingen en belastbare feiten, inclusief het mogelijk maken van praktijken op het gebied van belastingontwijking, met name wanneer deze verrichtingen grensoverschrijdend zijn of plaatsvinden buiten de Unie” (1);

V.

overwegende dat de cryptowereld in tegenstelling tot de traditionele financiële wereld soms op gedecentraliseerde wijze is ingericht waardoor het lastiger is om gebruik te maken van tussenpersonen om belastingdiensten bij te staan; overwegende dat dergelijke tussenpersonen vaak relevante informatie verstrekken bij traditionele fiscale rapportageregelingen van derden; overwegende dat waar de cryptosector en het traditionele financiële stelsel samenkomen meestal een tussenpersoon betrokken is voor de uitwisseling van deze informatie;

Het potentieel van nieuwe technologieën zoals blockchain om belastingbetalers beter van dienst te zijn, corrupte praktijken te ontmoedigen, belastingdiensten slagvaardiger te maken en belastingfraude en -ontduiking aan te pakken

1.

is van oordeel dat de nationale belastingdiensten beter toegerust moeten worden met de juiste middelen om efficiënte belastinginning te vergemakkelijken, de voorschriften te handhaven, belastingbetalers beter van dienst te zien en toe te zien op de naleving van de regels; verzoekt de lidstaten om zich met het oog op de toenemende uitdagingen in verband met de digitale transitie te verbinden tot toereikende investeringen in personele middelen, onder andere in opleidingen, digitale infrastructuur en gespecialiseerd personeel en apparatuur;

2.

verzoekt de Commissie in toekomstige wetgevingsvoorstellen te verkennen hoe kan worden gewaarborgd dat de technologie achter de recentelijk aangenomen wetgeving onlosmakelijk verbonden is met de correcte uitvoering van de wetgeving;

3.

wijst erop dat de aanpassing van de IT-capaciteiten van de belastingdiensten met behulp van opkomende technologieën — bijvoorbeeld “distributed ledger”-technologieën zoals blockchain of artificiële intelligentie — intelligente, doeltreffende en efficiënte belasting- en administratieve procedures zou bevorderen, corruptie zou ontmoedigen en terugdringen, de belastingnaleving door burgers en bedrijven zou vergemakkelijken en de traceerbaarheid en identificatie van belastbare transacties en de eigendom van materiële en immateriële activa zou verbeteren in een geglobaliseerde omgeving waar steeds meer grensoverschrijdende transacties plaatsvinden, en zodoende mogelijkheden zou creëren voor betere en eerlijker ingerichte belastingstelsels om zowel mobiele belastingbetalers als activa te belasten; verzoekt de Commissie de gevolgen voor de gegevensbescherming en voor de inkomsten van de invoering van een mogelijke belasting op de opslag van persoonsgegevens te analyseren en te evalueren;

4.

benadrukt dat opkomende technologieën zoals “distributed ledger” en blockchain, door hun unieke kenmerken zoals traceerbaarheid en hun capaciteit om onveranderbare en betrouwbare gegevens op te slaan, waardoor de integriteit van die gegevens wordt beschermd, een nieuwe manier zouden kunnen zijn om de belastinginning te automatiseren; is van mening dat als dit werkelijkheid wordt mensen betalen wat zij verschuldigd zijn, de naleving van de belastingwetgeving efficiënt verloopt en dat de inning van belastinginkomsten aan de bron van de verschillende fasen van de levenscyclus van een product of dienst tijdig wordt vergemakkelijkt, terwijl de persoonsgegevens van burgers worden beschermd en een hoog niveau van gegevensbescherming wordt gewaarborgd;

5.

benadrukt dat het noodzakelijk is na te gaan hoe technologie het best kan worden ingezet om de analytische capaciteit van de belastingdiensten te versterken (via betere gegevensanalyse), om gegevens te standaardiseren teneinde de naleving van de belastingwetgeving te vergemakkelijken voor kmo’s en belastingbetalers (onder andere door middel van gezamenlijke rapportagestandaarden) en om ervoor te zorgen dat de belastingheffing beter aansluit bij het ondernemingsklimaat in het digitale tijdperk terwijl tegelijkertijd een hoog niveau van gegevensbescherming gewaarborgd wordt;

6.

neemt kennis van de oprichting van de EU-gemeenschap voor geavanceerde internationale administratieve samenwerking (EU AIAC Community) en van de waardevolle bijdrage van de EU-top inzake belastingdiensten (Tax Administrations EU Summit — TADEUS) aan het debat over de gevolgen van nieuwe technologieën voor het werk van de nationale belastingdiensten; verzoekt de Commissie dan ook deze fora te betrekken bij het opzetten van een speciaal opleidingsprogramma voor het personeel van belastingdiensten over het gebruik van nieuwe technologieën in de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking, en voort te bouwen op hun rol bij de verbetering van de interoperabiliteit van belastingstelsels wat betreft de standaardisering van gegevens en automatische gegevensuitwisseling in real time in een grensoverschrijdende context; herinnert eraan dat een dergelijk programma onderdeel moet zijn van de activiteiten in het kader van het Fiscalis-programma;

7.

benadrukt echter dat het gebruik door de belastingdiensten van blockchain, artificiële intelligentie en andere digitale instrumenten voordelen en risico’s met zich meebrengt, hetgeen op passende wijze ondervangen moet worden, met name om inbreuken op de privacy en een vooringenomen en discriminerende behandeling van belastingbetalers te voorkomen;

8.

wijst met name op de risico’s die verbonden zijn aan de kwaliteit van de gegevens; merkt in dit verband op dat een blockchain waarbij beperkte toestemming wordt verleend aan tussenpersonen van cruciaal belang is voor belastingdiensten en de integriteit van het systeem kan bevorderen, doordat belastinggegevens, maar ook andere gegevens, hiermee in een veilige omgeving kunnen worden gedeeld;

9.

verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van de manieren waarop verschillende lidstaten cryptoactiva belasten en van de verschillende nationale beleidsmaatregelen voor de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking op het gebied van cryptoactiva, waarbij de nadruk wordt gelegd op beste praktijken en mogelijke mazen in de wet en slim gebruik wordt gemaakt van de samenwerkingsplatforms op het vlak van belastingen, zoals het Fiscalis-programma; verzoekt de Commissie, met de steun van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen), schadelijke belastingpraktijken op het gebied van cryptovaluta in de EU aan te pakken;

10.

onderkent dat de impact van nieuwe technologieën als blockchain op belastingaangelegenheden op uiteenlopende manieren kan worden bekeken, afhankelijk van het feit of de nadruk ligt op directe belastingheffing (zoals bronbelasting), indirecte belastingheffing (btw of douanerechten) of naleving; wijst op het potentieel van “distributed ledger”-technologieën om het bronheffingssysteem in elk land efficiënter te maken, maar ook om naadloze grensoverschrijdende procedures te vergemakkelijken en frauduleuze activiteiten te voorkomen; adviseert de Commissie rekening te houden met de specifieke kenmerken van iedere dimensie; verzoekt de Commissie rekening te houden met de bestaande digitale oplossingen in de lidstaten en na te gaan of het mogelijk is om op blockchain gebaseerde oplossingen te integreren in platforms voor informatie-uitwisseling teneinde controles en uitwisseling van informatie in real time te bevorderen, met volledige inachtneming van de EU-regels inzake gegevensbescherming;

11.

verzoekt de Commissie na te denken over de oprichting van een nieuw platform voor opleidingen en de uitwisseling van beste praktijken tussen nationale belastingdiensten in verband met de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking in de digitale economie, in het bijzonder door middel van het gebruik van cryptoactiva; begrijpt dat dit nieuwe platform geïntegreerd kan worden in lopende initiatieven, zoals het Fiscalis-programma;

12.

verzoekt de Commissie de operationele gevolgen van de blockchain- en andere “distributed ledger”-technologieën en de aspecten hiervan die samenhangen met het bestuur in belastingzaken op de voet te blijven volgen, met name via het Fiscalis-programma;

13.

wijst op zijn voorstel voor een initiatief van de Commissie voor “een norm voor onlinerapportering van gegevens voor (in eerste instantie) grensoverschrijdende handel in de Unie ontwerpen en voorstellen, bij voorkeur door gebruik te maken van gegevens afkomstig van e-facturering (of van een alternatief, maar met inachtneming van het beginsel dat de gegevens slechts één keer moeten worden verstrekt), met efficiënte en goed beveiligde gecentraliseerde/gedecentraliseerde gegevensverwerking voor het opsporen van fraude” (2);

14.

hamert op zijn verzoek aan de lidstaten om “de hervorming van hun belastinginstanties voort te zetten, de digitalisering te versnellen en te beginnen met het treffen van strategische maatregelen om kmo’s te helpen met de fiscale naleving, alsmede onderzoek te doen naar mogelijkheden om de administratieve lasten te verlichten” (3);

15.

verzoekt de Commissie alle mogelijkheden te verkennen die de Europese Blokchaininfrastructuur voor diensten (EBSI) — een peer-to-peernetwerk van onderling verbonden knooppunten die de infrastructuur voor op blockchain gebaseerde diensten exploiteren — de nationale belastingdiensten te bieden heeft, met name met betrekking tot de naleving van de btw-regels, met volledige inachtneming van de hoogste normen op het gebied van gegevensbescherming en privacy, met als doel meervoudige en innovatieve blockchainprotocollen beschikbaar te stellen en met als missie om de nationale belastingdiensten te ondersteunen bij hun aanpassing aan het gebruik van dergelijke technologieën;

16.

herinnert aan het belang van het Europees fiscaal identificatienummer (FIN) en verzoekt de Commissie de meerwaarde van op blockchain gebaseerde technologieën te evalueren door een passende grensoverschrijdende fiscale identiteit te garanderen, met hoge normen op het gebied van gegevensbescherming en privacywaarborgen;

Fiscale uitdagingen in verband met cryptoactiva

17.

is van oordeel dat over cryptoactiva eerlijke, transparante en doeltreffende belasting moet worden geheven om te zorgen voor eerlijke concurrentie en een gelijk speelveld met betrekking tot de fiscale behandeling van activa en financiële producten en de aanbieders van financiële diensten; begrijpt dat beslissingen inzake de belastingheffing op cryptoactiva in overeenstemming met de Verdragen onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen; verzoekt de autoriteiten om een vereenvoudigde fiscale behandeling in overweging te nemen voor handelaren die op incidentele basis actief zijn, of voor kleine handelaren en kleine transacties; is voorstander van een innovatievriendelijk klimaat op de digitale eengemaakte markt, waar ondernemers, kmo’s en startende ondernemingen kunnen gedijen, groei kunnen genereren, banen kunnen scheppen en via belastinginkomsten kunnen bijdragen aan het economisch herstel op basis van een doeltreffend regelgevingskader;

18.

stelt vast dat exploitanten in de digitale economie aanzienlijke bedrijfsactiviteiten kunnen ontplooien in een lidstaat zonder daar fysiek aanwezig te zijn, en dat de in een bepaalde jurisdictie betaalde belastingen niet noodzakelijkerwijs de daar gegenereerde waarde en winsten weerspiegelen; benadrukt derhalve dat het begrip “permanente vestiging” moet worden aangepast en wel met een duidelijke definitie van “virtuele permanente vestiging”, in overeenstemming met de internationale normen; herinnert derhalve aan het belang van een doeltreffende omzetting van pijler 1 van het inclusieve kader van de OESO/G20 inzake grondslaguitholling en winstverschuiving;

19.

onderkent dat de definitie van de belastinggrondslag voor cryptoactiva een van de kernpunten van het belastingbeleid is; stelt vast dat er momenteel geen internationaal overeengekomen standaarddefinitie bestaat van cryptoactiva en van de soorten activa die daaronder moeten vallen; is zich ervan bewust dat een dergelijke definitie een hoofdprioriteit moet vormen in het Europese wetgevingskader teneinde een leidende positie van de Unie op internationaal niveau te waarborgen; begrijpt dat de OESO in opdracht van de G20 bezig is met het opstellen van een nieuw mondiaal kader voor fiscale transparantie met het oog op de rapportage en uitwisseling van informatie met betrekking tot cryptoactiva;

20.

meent dat er uit fiscaal oogpunt een duidelijke, breed gedragen definitie van cryptoactiva moet worden vastgesteld; benadrukt dat deze definitie in overeenstemming moet zijn met de definitie in de verordening betreffende markten in cryptoactiva; hamert op systematische samenhang tussen de verschillende rechtsinstrumenten die cryptoactiva reguleren of zullen reguleren (bijvoorbeeld de MiCA-verordening, de verordening betreffende geldovermakingen (4), de richtlijn administratieve samenwerking (5) en andere initiatieven ter bestrijding van het witwassen van geld) en vindt het bovenal van belang dat de rechtszekerheid en stabiliteit worden gewaarborgd;

21.

wijst erop dat er bij cryptoactiva verschillende opties bestaan voor het definiëren van een relevant belastbaar feit, zoals het creëren van munten door middel van delving, de omwisseling van cryptoactiva voor fiduciaire valuta of andere cryptoactiva, “hard fork” of “crypto staking”; merkt op dat het noodzakelijk is een samenhangende definitie van een belastbaar feit vast te stellen teneinde een passend niveau van belastheffing te waarborgen waarbij gevallen van dubbele belasting worden voorkomen;

22.

verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van de omwisseling van een bepaald soort cryptoactiva voor een ander soort cryptoactiva en te komen met opties voor het definiëren van belastbare feiten, waarbij het risico in het achterhoofd wordt gehouden dat het aantal belastbare feiten aanzienlijk zou toenemen en dat er grote problemen met betrekking tot de waardering ervan zouden ontstaan; verzoekt de Commissie de optie te onderzoeken dat het omwisselen van een cryptoactief voor fiduciaire valuta misschien een passendere keuze voor een belastbaar feit is indien er een meerwaarde is gerealiseerd;

23.

merkt op dat elk land doorgaans zijn eigen terminologie gebruikt bij het ontwerpen van nationale regelgevingsoplossingen voor cryptoactiva, wat aanleiding kan geven tot rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven, een bedreiging kan vormen voor de integriteit van de interne EU-markt aangezien de grensoverschrijdende samenwerking ernstig kan worden belemmerd, onbedoeld mazen in de wet kan creëren waarmee de deur wordt opengezet voor belastingmisbruik en belastingontwijking en waarbij deze terminologie bovendien kan worden ingezet voor het ondermijnen van bestaande normen voor internationale fiscale transparantie zoals de CRS;

24.

benadrukt dat de dynamiek van de markten in cryptoactiva (6) het noodzakelijk maakt dat er regels zijn waarmee het soort belastheffing moet worden gedefinieerd, er een definitie komt van belastbare feiten en dat het moment waarop zich een belastbaar feit voordoet en de waardering daarvan worden vastgelegd;

25.

wijst erop dat de belastingheffing op cryptoactiva in grensoverschrijdende situaties is gekoppeld aan verscheidene dimensies van het belastingbeleid, zoals inkomstenbelasting en btw, en dat deze dimensies momenteel verdeeld zijn over nationale en Europese bevoegdheden, waarbij de voordelen van een gemeenschappelijke Europese aanpak misschien wel het meest in het oog springen op terreinen als administratieve samenwerking, informatie-uitwisseling en vennootschapsbelasting;

26.

verzoekt de Commissie de dimensie van cryptoactiva, digitalisering en nieuwe technologieën in al haar geplande en toekomstige wetgevingsvoorstellen op fiscaal gebied in aanmerking te nemen, in het bijzonder het op stapel staande voorstel, getiteld “Business in Europe: Framework for Income Taxation” (Befit); verzoekt de lidstaten in dit verband ambitieus te zijn en het internationale debat te leiden;

27.

roept de lidstaten ertoe op bij hun nationale belastinghervormingen rekening te houden met de specifieke kenmerken van het gebruik van cryptoactiva, en te overwegen doeltreffendere systemen in te voeren die lagere nalevingskosten en minder administratieve lasten met zich meebrengen maar toch een gelijke, transparante, evenredige en doeltreffende belasting op cryptoactiva waarborgen; benadrukt dat tijdelijke en gerechtvaardigde belastingvoordelen mogelijk passend zijn om technologische innovatie en ontwikkeling te stimuleren, in het bijzonder van de sector blockchaintechnologie; benadrukt het essentiële belang van gemeenschappelijke rapportagestandaarden voor aanbieders van cryptoactivadiensten, alsmede voor individuele personen en entiteiten;

28.

verzoekt de lidstaten verschillende soorten cryptoactiva te behandelen op een wijze die overeenkomt met de fiscale behandeling van vergelijkbare niet-cryptoactiva;

29.

verzoekt de lidstaten rekening te houden met de beleidsdoelstellingen van de EU zoals verankerd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name een zeer concurrerende sociale markteconomie en een hoog beschermingsniveau en een betere kwaliteit van het milieu, in het kader van hun wetgevingsopties met betrekking tot de fiscale behandeling van cryptoactiva;

30.

verzoekt de Commissie te beoordelen of de fiscale behandeling van cryptoactiva in vergelijking met de fiscale behandeling van andere activa consistent en eerlijk is, met name waar het de btw-behandeling van die activa betreft;

Voortzetting van de ontwikkeling van een doeltreffend regelgevend/wettelijk kader

31.

wijst erop dat het landschap van de cryptoactiva mondiaal is en dat de fiscale behandeling van cryptoactiva een gecoördineerde internationale aanpak vereist; ziet in dit verband de noodzaak van verdere onderhandelingen over internationale instrumenten op dit gebied; is van mening dat de OESO, die reeds aanzienlijke inspanningen heeft geleverd met betrekking tot zowel de belastingheffing op als de fiscale behandeling van cryptoactiva, in dit opzicht een passend forum kan zijn, vooral voor de herziening van de CRS;

32.

merkt op dat de OESO reeds is gestart met het opstellen van een nieuw rapportagekader voor cryptoactiva;

33.

is van mening dat het ontbreken van een internationale overeenkomst over de belasting van cryptovaluta de EU en haar lidstaten geen grondslag biedt om een intelligente en toekomstgerichte aanpak te ontwikkelen;

34.

verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van belangrijke belastbare feiten en vormen van inkomsten die verbonden zijn met cryptoactiva, waarbij de nadruk ligt op de fiscale gevolgen van een aantal belangrijke transacties, zoals de uitgifte van cryptoactiva, de omwisseling van cryptoactiva voor fiduciaire valuta, goederen of diensten, en giften via een schenking of erfenis, evenals verlies of diefstal enz.;

35.

verzoekt de Commissie een effectbeoordeling uit te voeren van de beste praktijken die in kaart zijn gebracht om cryptovaluta eerlijk en doeltreffend te belasten, met inachtneming van de reeks bevoegdheden van de EU op belastinggebied, de rol van aanbieders van cryptoactivadiensten te onderzoeken en te bepalen in hoeverre cryptoactiva binnen het bestaande fiscale kader passen; is van mening dat het belastingbeleid in een deugdelijk regelgevingskader voor cryptoactiva moet worden geïntegreerd en consistent moet zijn met andere beleidsaspecten, met inbegrip van vereisten met betrekking tot fiscale transparantie, juridische en financiële bescherming en consumentenbescherming;

36.

herhaalt dat een volledig geïntegreerde interne EU-markt een gemeenschappelijke aanpak van de belasting op cryptoactiva vereist, met inachtneming van de in de Verdragen vastgelegde bevoegdheden; verzoekt de Raad Economische en Financiële Zaken hierover met het Parlement een gestructureerde dialoog op te starten; dringt er bij de voorzitter van de Eurogroep tevens op aan om de belasting op cryptoactiva ter bespreking voor te leggen aan de ministers van Financiën van de eurozone;

37.

acht het noodzakelijk om de werkingssfeer van de richtlijn administratieve samenwerking te wijzigen, zodat het systeem voor uitwisseling van informatie betreffende belastingen ook cryptoactiva en elektronisch geld beslaat; verzoekt de OESO zonder verdere vertraging een nieuwe definitie van een rapportagestandaard voor de uitwisseling van informatie vast te stellen; is van mening dat de herziening van de richtlijn administratieve samenwerking een prioriteit is op het vlak van belastingen; verzoekt de Commissie in haar toekomstige herziening van de richtlijn onverwijld de toekomstige OESO-aanbevelingen inzake de rapportage van cryptoactiva en herzieningen van de CRS op te nemen evenals de aanbevelingen van het Parlement, zoals uiteengezet in zijn resolutie over de toepassing van de EU-voorschriften voor de uitwisseling van belastinggegevens (7); verzoekt de Raad deze voorgestelde wijzigingen op korte termijn goed te keuren;

38.

wijst erop dat moet worden gegarandeerd dat een toekomstige herziening van de richtlijn administratieve samenwerking als aanvulling op de rapportageverplichtingen krachtens andere rechtsinstrumenten zal fungeren, door de autoriteiten te helpen bij het automatisch uitwisselen van gegevens over cryptoactiva en elektronisch geld, zodat zij de inkomsten en opbrengsten uit beleggingen en betalingen met gebruik van cryptoactiva en elektronisch geld kunnen vaststellen; benadrukt het belang van het waarborgen van een systematische samenhang die marktdeelnemers van rechtszekerheid voorziet en de nationale belastingdiensten van technische richtsnoeren;

39.

verzoekt de Commissie en de nationale overheidsinstanties erop toe te zien dat de blockchaintechnologie die wordt gebruikt voor de naleving van regels of het verlenen van openbare diensten in overeenstemming is met de grondrechten en normen in verband met cyberveiligheid en de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering;

40.

spoort de Commissie aan rekening te houden met bestaande digitale oplossingen, wettelijke bepalingen en administratieve richtsnoeren die in de lidstaten worden gehanteerd, om te bepalen hoe blockchain- en andere “distributed ledger”-technologieën kunnen worden ingezet om belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen; steunt de totstandbrenging van een Europese blokchaininfrastructuur voor diensten;

41.

verzoekt de Commissie te evalueren hoe zij de naleving van de belastingwetgeving kan verbeteren, rekening houdend met de snel veranderende waarden van cryptoactiva en het zich in sommige gevallen voordoende gebrek aan doorzichtige omwisseling in fiduciaire valuta, maar ook met de uitdaging waarmee de belastingdiensten te maken hebben bij het verkrijgen van betrouwbare en tijdige informatie over deze transacties;

42.

is van mening dat, aangezien de cryptosector momenteel in transitie is en naar verwachting in de nabije toekomst niet zal stabiliseren, de noodzaak om de situatie te beoordelen de EU-instellingen er niet van mag weerhouden met wetgeving te komen voor beter toezicht en betere belastingheffing op cryptoactiva;

43.

wijst erop dat het belastingbeleid regelmatig moet worden geëvalueerd en aangepast zodat kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen in de sector, en om de relevantie van het beleid te waarborgen ten aanzien van de technologische en marktontwikkelingen op het gebied van cryptovaluta en andere opkomende soorten activa;

o

o o

44.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2022 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende billijke en eenvoudige belastingheffing ter ondersteuning van de herstelstrategie (follow-up door het EP van het actieplan van de Commissie van juli en de daarin vervatte 25 initiatieven op het gebied van btw, vennootschapsbelasting en personenbelasting) (PB C 347 van 9.9.2022, blz. 211).

(2)  PB C 347 van 9.9.2022, blz. 211.

(3)  Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over de gevolgen van nationale belastinghervormingen voor de economie van de EU (PB C 342 van 6.9.2022, blz. 14).

(4)  Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).

(6)  De economische omvang van de markt voor cryptovaluta werd in mei 2021 geraamd op 2,2 biljoen EUR, met een piek van 2,5 biljoen EUR in oktober 2021 (Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie, 2021).

(7)  Resolutie van het Europees Parlement van 16 september 2021 over de toepassing van de EU-voorschriften voor de uitwisseling van belastinggegevens: geboekte vooruitgang, opgedane ervaring en weg te werken belemmeringen (PB C 117 van 11.3.2022, blz. 120).


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/23


P9_TA(2022)0339

Centrum “AccessibleEU” ter ondersteuning van het toegankelijkheidsbeleid inzake de interne markt van de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het Centrum “AccessibleEU” ter ondersteuning van het toegankelijkheidsbeleid inzake de interne markt van de EU (2022/2013(INI))

(2023/C 132/03)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 19 en 48, artikel 67, lid 4, en de artikelen 153, 165, 168 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 3, 21, 24, 26, 34, 35, 41 en 47,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het Gehandicaptenverdrag), dat op 21 januari 2011 in werking is getreden, in overeenstemming met Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (1),

gezien de algemene opmerkingen over het Gehandicaptenverdrag, opgesteld door het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap, als gezaghebbende leidraad voor de uitvoering ervan, en in het bijzonder algemene opmerking nr. 2 over artikel 9: Toegankelijkheid, vastgesteld op 11 april 2014,

gezien de gedragscode tussen de Raad, de lidstaten en de Commissie tot vaststelling van interne regelingen voor de uitvoering door en de vertegenwoordiging van de Europese Unie met betrekking tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (2),

gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap van 2 oktober 2015 over het initiële verslag van de Europese Unie,

gezien het strategisch onderzoek van de Europese Ombudsman naar de wijze waarop de Commissie toezicht houdt op EU-middelen die worden gebruikt voor de bevordering van het recht op zelfstandig wonen van personen met een handicap en van ouderen,

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021, getiteld “Een Unie van gelijkheid: Strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101),

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426, “de antidiscriminatierichtlijn”), en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 hierover (3),

gezien zijn resolutie van 18 juni 2020 over de Europese strategie inzake handicaps post-2020 (4),

gezien Verordening (EU) 2021/782 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 betreffende de rechten en verplichtingen van treinreizigers (5),

gezien Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (6) (Europese toegankelijkheidswet),

gezien Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (7),

gezien Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (8),

gezien Verordening (EU) 2022/612 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (herschikking) (9),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Digitaal kompas 2030: de Europese aanpak voor het digitale decennium” (COM(2021)0118),

gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (10),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit — Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst” (COM(2020)0789),

gezien de nieuwe consumentenagenda (COM(2020)0696), die de specifieke behoeften van bepaalde groepen consumenten, waaronder personen met een handicap, onder haar vijf prioritaire gebieden rekent,

gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (11) (richtlijn overheidsopdrachten),

gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (12),

gezien Besluit (EU) 2018/254 van de Raad van 15 februari 2018 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (13),

gezien de toegankelijkheidsnormen die voortvloeien uit de mandaten 376, 554, 420 en 473 van de Commissie,

gezien Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (14),

gezien Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (15),

gezien Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (16),

gezien Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (17),

gezien Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (18),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9-0209/2022),

A.

overwegende dat personen met een handicap op alle gebieden van het leven op voet van gelijkheid met anderen gelijke rechten hebben en beschikken over het onvervreemdbare recht op waardigheid, gelijke behandeling, zelfstandig leven, autonomie en volledige participatie in de samenleving, hetgeen alle gelederen van de samenleving ten goede komt;

B.

overwegende dat meer dan 87 miljoen mensen in de Unie een handicap hebben en dat de vergrijzing van de bevolking in de Unie in aanmerking moet worden genomen;

C.

overwegende dat toegankelijkheid een essentiële randvoorwaarde is voor personen met een handicap om hun mensenrechten en fundamentele vrijheden ten volle uit te oefenen; overwegende dat, ingevolge artikel 9 van het Gehandicaptenverdrag betreffende toegankelijkheid, teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, de staten die partij zijn passende maatregelen moeten nemen om hen op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en -systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden;

D.

overwegende dat lidstaten ervoor zorg moeten dragen dat toegankelijkheid gebruikelijk wordt op alle niveaus, niet alleen in openbare gebouwen en het openbaar vervoer, maar ook in de zorg en het onderwijs, alsmede dat de mobiliteit voor en de integratie van personen met een handicap wordt verhoogd;

E.

overwegende dat in het Gehandicaptenverdrag “universeel ontwerp” wordt gedefinieerd als het ontwerp van producten, omgevingen, programma’s en diensten waarvan iedereen in de grootst mogelijk mate gebruik kan maken, zonder dat er een aanpassing of speciaal ontwerp nodig is en zonder hulpmiddelen voor specifieke groepen personen met een handicap uit te sluiten; overwegende dat toegankelijkheid een van de algemene beginselen van het Gehandicaptenverdrag is en dat de EU en de lidstaten wettelijk gebonden zijn door het Gehandicaptenverdrag op grond van Besluit 2010/48/EG; overwegende dat algemene opmerking nr. 2 over het Gehandicaptenverdrag de verplichting van de verdragspartijen bespreekt om actieplannen en strategieën om bestaande toegankelijkheidsbelemmeringen vast te stellen, om tijdpaden met specifieke termijnen vast te stellen en om zowel de mensen als de middelen die benodigd zijn om de belemmeringen weg te werken, te leveren; overwegende dat toegankelijkheid van cruciaal belang is voor personen met een handicap om hun recht op privacy, non-discriminatie, arbeid, inclusief onderwijs, politieke participatie en andere in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten te genieten;

F.

overwegende dat lokale overheden een cruciale rol spelen bij de ondersteuning van de lidstaten bij de ontwikkeling van sociaal beleid, waaronder beleid betreffende handicaps en toegankelijkheid, via de analyse van de lokale behoeften en de uitvoering van specifieke maatregelen;

G.

overwegende dat het waarborgen van hoogwaardige en betaalbare hulptechnologieën de volledige inclusie van personen met een handicap in de samenleving zal bevorderen en zowel personen met een handicap als de aanbieders van deze technologieën, alsmede de gehele samenleving, ten goede zal komen; overwegende dat hulptechnologieën zullen bijdragen tot het verminderen van ongelijkheden tussen de lidstaten en dat deze technologieën alleen in toegankelijke omgevingen kunnen werken;

H.

overwegende dat een hoger werkgelegenheidsniveau voor personen met een handicap, een grotere toegankelijkheid en een bredere inclusie van deze groep in de beroepsbevolking duidelijke economische potentie hebben;

I.

overwegende dat de Unie een alomvattend rechtskader betreffende toegankelijkheid op de interne markt heeft opgezet, in het bijzonder door vaststelling van specifieke wetgeving betreffende toegankelijkheid, zoals de Europese toegankelijkheidswet, en dat verplichtingen over toegankelijkheid omvat in verschillende sectoriële wetgevingsinstrumenten, met inbegrip van de verordeningen betreffende de EU-fondsen; overwegende dat de Europese toegankelijkheidswet, die op 28 juni 2025 in werking treedt, belangrijke nieuwe vereisten ten aanzien van de toegankelijkheid tot producten en diensten zal invoeren;

J.

overwegende dat de daadwerkelijke uitvoering van beleid inzake handicaps een positieve bijdrage zal leveren aan het concurrentievermogen van de interne markt van de EU en dus een integrale hulpbron voor de economie van de EU vormt;

K.

overwegende dat uit de evaluatie van de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 is gebleken dat de bijdrage ervan de situatie op meerdere gebieden heeft verbeterd, maar ook dat personen met een handicap nog steeds aanzienlijke belemmeringen ondervinden op het gebied van toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, vervoer, de bebouwde omgeving, ICT, arbeid, recreatie en participatie in de politiek en andere levensgebieden;

1.   

is ingenomen met de mededeling van de Commissie, getiteld “Unie van gelijkheid: Strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (de Strategie), die tot doel heeft ervoor te zorgen dat alle personen met een handicap in Europa hun rechten kunnen uitoefenen, onder dezelfde voorwaarden deel kunnen nemen aan de samenleving en economie en niet langer slachtoffer zijn van discriminatie, en waarin de aanzienlijke belemmeringen worden aangepakt die in de evaluatie van de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 aan het licht zijn gekomen;

2.   

is ingenomen met het in de Strategie aangekondigde initiatief van de Commissie om het Centrum “AccessibleEU” (het Centrum) op te richten; erkent dat het Centrum tot doel heeft de samenhang van geharmoniseerd toegankelijkheidsbeleid te vergroten, de uitvoering ervan te ondersteunen en de toegang tot relevante kennis en vaardigheden te vergemakkelijken, door een cultuur van gelijke kansen en volledige participatie in de samenleving voor personen met een handicap te bevorderen, waaronder op beroepsniveau, in een collaboratieve ruimte tussen overheden, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties op het gebied van handicap, deskundigen inzake toegankelijkheid en gebruikers;

3.   

merkt op dat er alleen betere resultaten op het gebied van toegankelijkheid in de samenleving kunnen worden geboekt als het Centrum de benadering van “universeel ontwerp” volgt; benadrukt dat deze alomvattende benadering van toegankelijkheid naar behoren in aanmerking moet worden genomen, met name met betrekking tot de fysieke omgeving, vervoer, informatie, communicatie, diensten, overheidsopdrachten en aanbestedingen; is van mening dat deze benadering tevens doeltreffende deelname van alle belanghebbenden en houders van rechten bij de procedures inhoudt;

4.   

benadrukt dat de EU op basis van het mandaat uit het Gehandicaptenverdrag een alomvattend rechtskader heeft vastgesteld voor toegankelijkheid op de interne markt, waaronder, onder meer, de Europese toegankelijkheidswet, de richtlijn inzake webtoegankelijkheid, richtlijnen audiovisuele mediadiensten en elektronische communicatie, en technische specificaties voor treinstations en spoorvoertuigen; herinnert eraan dat voor bepaalde aspecten van dit kader uitvoeringstermijnen in de toekomst gelden en spoort aan tot verdere inspanningen om tot een spoedige uitvoering te komen; betreurt het dat de uitvoering van dergelijke cruciale wetgeving, waar deze al vereist is, sterk verschilt tussen de lidstaten en in het algemeen nog niet bevredigend is geweest, voornamelijk als gevolg van het gebrek aan gekwalificeerde deskundigen op het vlak van toegankelijkheid; benadrukt derhalve dat de algemene kennis van, evenals de praktische en theoretische expertise over het toegankelijkheidsbeleid bij overheidsdiensten, marktdeelnemers en de samenleving in het algemeen moet worden verbeterd om naar geschikte, duurzame en betaalbare oplossingen te kunnen zoeken in elke lidstaat en aldus de uitvoering van bestaande en toekomstige toegankelijkheidsvereisten te verbeteren; wijst er in dit verband op dat het Centrum moet fungeren als een belangrijke bron om dergelijke kennis en ondersteuning aan de lidstaten te verstrekken in de uitvoeringsfase;

5.   

erkent de oprichting van ad-hocwerkgroepen voor de uitvoering van bepaalde toegankelijkheidswetgeving; is evenwel van mening dat het ontbreken van een kader voor coördinatie en samenwerking tussen de EU, de lidstaten, en in het bijzonder overheidsinstanties die de toegankelijkheidswetgeving reguleren of handhaven, en belanghebbenden die horizontale oplossingen ondersteunen, te weten, personen met een handicap via de organisaties die hen vertegenwoordigen, toegankelijkheidsprofessionals en de particuliere sector, een verdere belemmering vormt voor de uitvoering van toegankelijkheidswetgeving en de geharmoniseerde handhaving daarvan in de hele EU;

6.   

verzoekt de Commissie voldoende middelen beschikbaar te stellen, zowel qua financiering als qua personeel, voor de oprichting en de werking van het Centrum; verzoekt de lidstaten te zorgen voor de middelen die benodigd zijn voor de uitvoering en handhaving van het toegankelijkheidsbeleid, onder meer via EU-fondsen; wijst erop dat voldoende financiering noodzakelijk is voor het voeren van een doeltreffend openbaar beleid inzake toegankelijkheid alsook voor het boeken van vooruitgang in een breed scala aan onderwerpen, zoals bewustmaking door middel van communicatieacties, met name ten aanzien van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, erkenning van onzichtbare handicaps en harmonisatie van nationale gehandicaptenkaarten of toegankelijkheidsnormen;

Opzet

7.

verzoekt de Commissie een secretariaat en een forum op te zetten om de werkzaamheden van het Centrum te sturen en te leiden; onderstreept dat met dit forum een evenwichtige deelname moet worden gegarandeerd van belanghebbenden uit de publieke en particuliere sectoren en houders van rechten met passende ervaring op het gebied van toegankelijkheid; benadrukt dat een evenwichtige balans van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd; benadrukt dat de deelname van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen moet worden gegarandeerd als een essentieel onderdeel van het werk van het Centrum, teneinde een zo groot mogelijke transparantie van diens activiteiten te waarborgen; is van mening dat het Centrum een jaarlijks werkprogramma moet publiceren en vertegenwoordigers onder de leden van het Europees Parlement in het forum moet opnemen;

8.

wijst op de specifieke uitdagingen die zich voordoen op specifieke gebieden van het toegankelijkheidsbeleid, zoals de bebouwde omgeving, overheidsopdrachten, digitale technologieën, media en cultuur, vervoer, opkomende technologieën en hulptechnologieën, en de producten en diensten die voor het publiek beschikbaar zijn; verzoekt de Commissie om gespecialiseerde subgroepen van deskundigen in te stellen voor bepaalde gebieden; is ervan overtuigd dat deze groepen nauw moeten samenwerken met het Centrum, de lidstaten, personen met een handicap en organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, om te zorgen voor een betere beoordeling, uitvoering, monitoring en handhaving van toegankelijkheidswetgeving;

9.

verzoekt de lidstaten nationale toegankelijkheidshubs op te zetten, die uit contactpunten en onderling vergelijkbare deskundigengroepen kunnen bestaan, om samen te werken met het Centrum bij de uitvoering, monitoring en handhaving van de toegankelijkheidswetgeving; is van mening dat de nationale toegankelijkheidshubs de uitwisseling en coördinatie tussen belanghebbenden en houders van rechten, inclusief marktdeelnemers, organisaties van personen met een handicap en nationale overheden die verantwoordelijk zijn voor toegankelijkheid en de uitvoering van sectoriële wetgeving, moeten bevorderen; is ervan overtuigd dat de inhoudelijk deskundigen van het Centrum alle belanghebbenden moeten voorzien van begeleiding en opleiding; is van mening dat dergelijke groepen kunnen helpen om toegankelijkheidsoplossingen te vinden waarbij rekening wordt gehouden met specifieke nationale kenmerken;

Mandaat

10.

is van mening dat het Centrum moet fungeren als een hub die de relevante EU-instellingen en -organen en lidstaten bij de uitvoering van het recht van de Unie regelmatig bijstand en expertise verleent op het gebied van toegankelijkheidsbeleid en technische vereisten; is van mening dat binnen het Centrum een samenwerkingsverband moet worden opgezet en gecoördineerd waarin de relevante nationale en Unieorganen worden samengebracht met alle gebruikersgroepen, met name organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, maatschappelijke organisaties, de academische wereld, bedrijven en professionals op alle gebieden van toegankelijkheid en consumentenrechten, teneinde een geharmoniseerde uitvoering en handhaving in de hele EU te ondersteunen, richtsnoeren en opleidingen aan te bieden en beleidsontwikkelingen en innovatie op nationaal en EU-niveau te stimuleren, onder meer door beste praktijken in verschillende sectoren in kaart te brengen en uit te wisselen, alsmede door instrumenten te ontwikkelen teneinde de uitvoering van Uniewetgeving te bevorderen; is van mening dat het Centrum bovendien de samenwerking tussen de voornoemde organen en organisaties met zeer innovatieve belanghebbenden kan versterken, teneinde de ontwikkeling van hulptechnologieën te bevorderen; is van mening dat het Centrum tevens advies, met inbegrip van richtsnoeren, moet verstrekken aan de betrokken instellingen en organen van de EU en haar lidstaten over hun interne toegankelijkheidsbeleid en -praktijken;

11.

benadrukt de potentiële voordelen van het Centrum voor de ondersteuning van de werkzaamheden van de Commissie, onder meer door lacunes en inconsistenties in de huidige wetgeving in kaart te brengen en te helpen wegwerken, beleidsaanbevelingen te doen voor het actualiseren en opstellen van toegankelijkheidswetgeving, toegankelijkheid in al het relevante beleid dat de verantwoordelijkheid is van verschillende directoraten-generaal van de Commissie te mainstreamen, onder meer door prioriteitsgebieden vast te stellen waar toegankelijkheid moet worden verbeterd, projecten uit te voeren waarbij wordt gekeken naar innovatieve manieren om toegankelijkheid in praktijk te brengen, te helpen bij het opstellen van technische toegankelijkheidsspecificaties, en EU-agentschappen en -organen bij te staan in aangelegenheden die verband houden met toegankelijkheid;

12.

is van mening dat het Centrum voor zowel de Commissie als de lidstaten waardevolle informatie over toegankelijkheid moet genereren door gebruik van onderzoek en studies, die het aan zowel de Commissie als de lidstaten moet verstrekken, en dat het gespecialiseerde en vergelijkbare informatie en geheel toegankelijke gegevens moet verzamelen en consolideren, met inbegrip van feedback over de uitvoering van de toegankelijkheidswetgeving; benadrukt dat deze maatregelen ertoe zullen bijdragen dat het toegankelijkheidsbeleid in grote mate uitgaat van de behoeften en ervaringen van de gebruikers; wijst erop dat het Centrum moet helpen hiaten binnen de verzameling statistische gegevens over de situatie van personen met een handicap op het nationale niveau te dichten en dat samenwerking met de betrokken statistische bureaus, in het bijzonder Eurostat, moet worden overwogen;

13.

is van mening dat de rol van het Centrum van essentieel belang kan zijn om de Commissie en de lidstaten, belanghebbenden en houders van rechten kennis en ondersteuning te bieden bij de uitvoering, monitoring en handhaving van het toegankelijkheidsbeleid, onder meer door middel van opleidingen en richtsnoeren in alle officiële talen van de EU en die in toegankelijke, begrijpelijke en eenvoudig te lezen taal zijn opgesteld;

14.

wijst erop dat het Centrum moet helpen inconsistenties tussen het Gehandicaptenverdrag en het EU-beleid weg te werken, en aldus de lidstaten moet helpen bij het verwezenlijken van het primaire doel, namelijk het vergroten van het werkgelegenheidsniveau van personen met een handicap; wijst erop dat de EU en de lidstaten bij deze mainstreamingactiviteit ook moeten worden betrokken door nauwe samenwerking met organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen en andere maatschappelijke organisaties, overheidsinstanties en de particuliere sector;

15.

merkt op dat de uitvoering van toegankelijkheidsbeleid een hoge mate van technische deskundigheid vereist en onvoldoende is opgenomen in programma’s voor hoger onderwijs, wat bijdraagt tot een gebrek aan gekwalificeerde toegankelijkheidsdeskundigen op verschillende domeinen in de publieke en private sector; benadrukt dat het Centrum de lidstaten moet steunen bij het ontwikkelen van specifieke onderwijsprogramma’s voor aangelegenheden die verband houden met toegankelijkheid, en opleidingen moet aanbieden aan professionals, EU- en nationale ambtenaren, alsook aan belanghebbenden en houders van rechten, teneinde het bewustzijn over deze aangelegenheden te vergroten;

16.

betreurt het dat het normalisatiesysteem personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen onvoldoende in staat stelt om op voet van gelijkheid met andere belanghebbenden deel te nemen aan de activiteiten van de Europese en nationale normalisatieorganisaties bij het formuleren van toegankelijkheidsnormen; dringt derhalve aan op een betere vertegenwoordiging binnen het normalisatiesysteem en op een evenwichtige vertegenwoordiging onder de aangewezen deskundigen, teneinde een billijk resultaat van de wetgeving en de normen van de Unie inzake toegankelijkheid te waarborgen; is van mening dat het Centrum een cruciale rol moet spelen in het normalisatiesysteem en expertise aan de Commissie kan verstrekken wanneer de Commissie deelneemt aan de werkzaamheden van de normalisatiecomités, onder meer door advies te verstrekken van de normalisatiedeskundigen van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, en, waar mogelijk, de Commissie bij te staan bij het opstellen van technische specificaties en verzoeken om Europese normen en producten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 (19), onder meer door alle belanghebbenden en houders van rechten erbij te betrekken; is van mening dat de betrokkenheid van het Centrum personen met een handicap duidelijke voordelen zou opleveren met betrekking tot verkeer in de EU en hen in staat zou stellen hun recht om vrij te werken, te wonen en te reizen uit te oefenen;

17.

verzoekt de Commissie om binnen vijf jaar na de oprichting van het Centrum een evaluatie uit te voeren om zijn doeltreffendheid en toegevoegde waarde voor het verbeteren van het toegankelijkheidsbeleid binnen de EU te beoordelen; benadrukt dat de Commissie op basis van deze evaluatie passende maatregelen moet nemen om het Centrum aan te passen en te verbeteren, en onder meer moet nagaan of het mogelijk is een agentschap op te richten indien de in zijn mandaat genoemde doelstellingen niet worden verwezenlijkt; verzoekt de Commissie om het werk van het Centrum en zijn prestaties te volgen op basis van jaarlijkse verslagen die aan het Parlement moeten worden voorgelegd;

o

o o

18.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1)  PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.

(2)  PB C 340 van 15.12.2010, blz. 11.

(3)  PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.

(4)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 8.

(5)  PB L 172 van 17.5.2021, blz. 1.

(6)  PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70.

(7)  PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1.

(8)  PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36.

(9)  PB L 115 van 13.4.2022, blz. 1.

(10)  PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(11)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

(12)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.

(13)  PB L 48 van 21.2.2018, blz. 1.

(14)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1.

(15)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1.

(16)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1.

(17)  PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1.

(18)  PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110.

(19)  Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).


Woensdag, 5 oktober 2022

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/29


P9_TA(2022)0343

De situatie van Roma die in nederzettingen in de EU wonen

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over de situatie van Roma die in nederzettingen in de EU wonen (2022/2662(RSP))

(2023/C 132/04)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Europees Sociaal Handvest,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien het rechtskader van de Raad van Europa voor de bescherming van minderheden en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met name over de segregatie van Roma-kinderen in het onderwijs waarvan het Europees Hof stelt dat het hierbij gaat om kennelijk discriminerende praktijken, en de rechtspraak van het Hof van Justitie,

gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (1) (richtlijn rassengelijkheid),

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (2),

gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (3) (kaderrichtlijn afvalstoffen),

gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (4),

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties,

gezien de Europese pijler van sociale rechten en de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102),

gezien zijn resolutie van 18 februari 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma (5),

gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over genderaspecten van het Europees kader van nationale strategieën voor de integratie van Roma (6),

gezien zijn resolutie van 12 februari 2019 over de behoefte aan een versterkt strategisch EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 en intensivering van de bestrijding van zigeunerhaat (7),

gezien zijn resolutie van 18 juni 2020 over de Europese strategie inzake handicaps post-2020 (8),

gezien zijn resolutie van 17 september 2020 over de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma: bestrijding van een negatieve houding ten opzichte van mensen met een Roma-achtergrond in Europa (9),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen (10),

gezien zijn resolutie van 11 maart 2021 over de rechten van het kind in het licht van de EU-strategie voor de rechten van het kind (11),

gezien zijn resolutie van 7 april 2022 over de EU-bescherming van kinderen en jongeren die vanwege de oorlog in Oekraïne op de vlucht zijn (12),

gezien de mededeling van de Commissie van 4 december 2018, getiteld “Verslag inzake de evaluatie van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020” (COM(2018)0785),

gezien de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II) van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

gezien het monitoringkader van het FRA voor een strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma,

gezien het FRA-bulletin van 29 september 2020 getiteld “Coronavirus pandemic in the EU — Impact on Roma and Travellers”,

gezien de verklaring van de FEANTSA (Europese Federatie van nationale organisaties die werken met daklozen) van 26 oktober 2020 getiteld “The housing situation for Roma in the EU remains difficult”,

gezien de briefing van het European Network on Statelessness van 10 maart 2022 getiteld “Stateless people and people at risk of statelessness forcibly displaced from Ukraine”,

gezien de standpuntnota van Unicef van juni 2012 getiteld “The right of Roma Children to Education”,

gezien speciaal verslag nr. 14/2016 van de Europese Rekenkamer van 28 juni 2016 getiteld “EU-beleidsinitiatieven en financiële steun voor de integratie van de Roma: het afgelopen decennium is er aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar ter plaatse zijn extra inspanningen nodig”,

gezien de mededeling van de Commissie van 18 september 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: EU-actieplan tegen racisme 2020-2025” (COM(2020)0565),

gezien de mededeling van de Commissie van 7 oktober 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma” (COM(2020)0620),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 november 2020 getiteld “Actieplan voor integratie en inclusie” (COM(2020)0758),

gezien de aanbeveling van de Raad van 12 maart 2021 inzake de gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma (13),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 maart 2021 getiteld “EU-strategie voor de rechten van het kind” (COM(2021)0142),

gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie (14),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021, getiteld “Unie van gelijkheid: Strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101),

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

gezien Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (15) (richtlijn tijdelijke bescherming),

gezien de vragen met verzoek om mondeling antwoord aan de Raad en de Commissie over de situatie van Roma die in nederzettingen in de EU wonen (O-000022/2022 — B9-0018/2022 en O-000023/2022 — B9-0019/2022),

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

A.

overwegende dat de waarden van de EU centraal staan in een samenleving waarin diversiteit, pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gendergelijkheid worden geëerbiedigd; overwegende dat de lidstaten tot taak hebben om erop toe te zien dat deze waarden met betrekking tot iedereen, ook Roma, geëerbiedigd worden;

B.

overwegende dat het woord “Roma” wordt gebruikt als overkoepelende term voor een breed scala aan verschillende personen van Roma-afkomst, zoals Roma, Sinti, Kale, Romanichels en Boyash/Rudari; overwegende dat ook andere groepen tot de Roma behoren, zoals Ashkali, Balkan-Egyptenaren, Jenische, Dom, Lom, Rom en Abdal, alsook rondtrekkende groepen, waaronder etnische Travellers of de met de administratieve term “gens du voyage” aangeduide bevolkingsgroepen, en mensen die zichzelf zien als Gypsies, Tsiganes of Tziganes, waarbij al deze groepen hun eigen kenmerken hebben;

C.

overwegende dat de Roma de grootste etnische minderheid in Europa vormen; overwegende dat een onaanvaardbaar groot aantal Roma in Europa nog steeds in armoede leeft, in een sociaal isolement verkeert, in uiterst precaire en onveilige omstandigheden verkeert en in overvolle woonruimte leeft in afgescheiden gebieden in steden en op het platteland; overwegende dat het probleem van de Roma die in nederzettingen wonen zich niet beperkt tot één land en dat het hier dus gaat om een Europees probleem dat ook als zodanig moet worden aangepakt; overwegende dat ruimtelijke segregatie een belangrijke oorzaak is van en bijdraagt tot ongelijke toegang tot gezondheidszorg, voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang, werkgelegenheid en essentiële voorzieningen, zoals geschikte wegen, watervoorziening, sanitaire voorzieningen en riolering, elektriciteit en afvalinzameling; overwegende dat ruimtelijke segregatie niet alleen fysieke en economische gevolgen heeft, maar ook psychologische en sociologische, zowel voor individuen als voor gemeenschappen; overwegende dat de armoede in Roma-nederzettingen, die van generatie op generatie overgaat, van sociaaleconomische aard is en grote gevolgen heeft voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het welzijn van de Roma en de mogelijkheden die zij hebben om zich te ontplooien en hun fundamentele mensenrechten uit te oefenen;

D.

overwegende dat een hoger percentage Roma-huishoudens te maken heeft met een lage arbeidsintensiteit, dat Roma vaker te maken hebben met baanonzekerheid en werkloosheid en dat Roma vaker atypisch of onzeker werk verrichten, waardoor zij vaak buiten werkloosheidsregelingen vallen en minder pensioenaanspraken hebben; overwegende dat de Roma niet beschikken over banennetwerken en te maken hebben met discriminatie bij de toegang tot werk en op de werkvloer, en vaak woonachtig zijn in regio’s die in sociaaleconomisch opzicht achtergesteld zijn; overwegende dat de 6 miljoen Roma die in de EU verblijven een groot deel van de Europese bevolking vormen en dat het aantal Roma in Europa toeneemt, en dat het potentieel van de Roma alleen maar benut kan worden als hun situatie wat betreft werkgelegenheid en sociale inclusie verbetert;

E.

overwegende dat slechts één op de vier Roma van 16 jaar of ouder bij de enquête EU-MIDIS II vermeldde “betaald werk” of “werk als zelfstandige” als hoofdactiviteit te hebben en dat uit deze enquête blijkt dat veel minder vrouwelijke Roma een baan hebben dan mannelijke Roma (16 % van de vrouwen en 34 % van de mannen); overwegende dat uit de enquête blijkt dat de situatie van Roma-jongeren bijzonder zorgwekkend is, aangezien gemiddeld 63 % van de Roma tot de categorie NEET behoort (jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en geen baan hebben), terwijl het EU-gemiddelde op 12 % ligt; overwegende dat uit de enquête voorts blijkt dat er bij deze leeftijdscategorie sprake is van een aanzienlijke genderkloof, aangezien 72 % van de jonge vrouwelijke Roma tot de categorie NEET’s behoort, terwijl 55 % van de jonge mannelijke Roma tot deze categorie behoort; overwegende dat dit in schril contrast staat met de rest van de bevolking (35 %); overwegende dat uit EU-MIDIS II blijkt dat maar liefst 80 % van de Roma onder de armoederisicodrempel leeft van het land waarin zij wonen; overwegende dat één op de drie Roma in een woning woont zonder waterleiding en dat één op de tien Roma in een woning woont zonder elektriciteit; overwegende dat één op de drie minderjarige Roma heeft meegemaakt dat een gezinslid minstens één keer per maand met honger ging slapen en overwegende dat bijna de helft van de Roma tussen de 6 en 24 jaar oud nooit naar school is geweest;

F.

overwegende dat de kloof tussen Roma en niet-Roma wat betreft de toegang tot huisvesting nauwelijks afneemt doordat er onvoldoende doeltreffende beleidsmaatregelen worden genomen, onvoldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld, er onvoldoende sociale huisvesting beschikbaar is en de huisvesting die er wel is van slechte kwaliteit is, en er op de huizenmarkt sprake is van discriminatie en segregatie (16);

G.

overwegende dat Roma die in nederzettingen wonen toegang moeten krijgen tot geschikte woningen die toegankelijk, betaalbaar en milieuvriendelijk zijn en die een gezonde en niet-gesegregeerde leefomgeving bieden;

H.

overwegende dat er in alle geledingen van de Europese samenleving nog steeds een diepgewortelde structurele zigeunerhaat bestaat en dat dit een belangrijke reden is waardoor Roma hun grondrechten als EU-burgers op alle gebieden van het leven, waaronder de toegang tot werkgelegenheid, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, zorg, sociale dienstverlening en andere belangrijke openbare voorzieningen, niet ten volle kunnen uitoefenen; overwegende dat 41 % van de Roma in de negen EU-lidstaten waarop EU-MIDIS II betrekking had aangaf zich met betrekking tot ten minste één aspect van het dagelijks leven (bij het zoeken naar werk, op het werk, bij het zoeken naar huisvesting en binnen de gezondheidszorg en het onderwijs) gediscrimineerd te voelen vanwege hun Roma-achtergrond; overwegende dat integratie van Roma alleen kan slagen als er ook gekeken wordt naar lokale omstandigheden, naar de etnische en sociaaleconomische diversiteit onder Roma en naar meervoudige vormen van discriminatie, met name discriminatie op grond van gender, leeftijd en handicap; overwegende dat er op zowel EU- als nationaal niveau onvoldoende aandacht is voor gendergelijkheid en de situatie van Roma-jongeren en -kinderen, terwijl dit twee belangrijke gebieden zijn als het gaat om het bevorderen van sociale inclusie van Roma;

I.

overwegende dat de situatie in Roma-nederzettingen een duidelijke schending vormt van de mensenrechten en grondrechten, zoals verankerd in de EU-Verdragen, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Sociaal Handvest, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, alsook van de beginselen zoals erkend in de Europese pijler van sociale rechten; overwegende dat het zeer zorgwekkend is dat deze rechten met betrekking tot Roma die in nederzettingen leven in de praktijk niet worden geëerbiedigd;

J.

overwegende dat de vicieuze cirkel van armoede in gemarginaliseerde Roma-nederzettingen, waarbij de armoede van generatie op generatie overgaat, een complex verschijnsel is dat horizontaal en op omvattende wijze moet worden aangepakt, waarbij er gekeken moet worden naar uiteenlopende beleidsgebieden en nauw moet worden samengewerkt met alle relevante belanghebbenden; overwegende dat alleen doeltreffende oplossingen kunnen worden gevonden indien op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau de handen ineen worden geslagen en samengewerkt wordt met initiatieven vanuit het maatschappelijk middenveld, waaronder liefdadigheidsorganisaties en kerkelijke organisaties, sociale partners en particuliere actoren, waarbij gekeken wordt naar beste praktijken en innovatieve oplossingen uit andere lidstaten om hieraan op grotere schaal toepassing te geven;

K.

overwegende dat de afgelopen jaren veel lokale en regionale autoriteiten en maatschappelijke organisaties actief met in nederzettingen wonende Roma hebben gewerkt, waarbij vaak een innovatieve aanpak werd gevolgd en succesvolle projecten werden gerealiseerd, maar waarbij in veel gevallen geen gebruik werd gemaakt van de beschikbare Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) omdat de procedures die daarvoor gevolgd moeten worden zeer ingewikkeld zijn; overwegende dat gebleken is dat een aantal factoren met name leidt tot problemen bij de toegang tot middelen uit de ESIF: het ontbreken van een partnerschapsbenadering; late betaling na betalingsverzoeken; betaling van ESIF-middelen aan begunstigden op basis van een vergoedingsmechanisme, waardoor begunstigden dus eerst eigen middelen moeten inzetten; veelvuldige controles in verband met openbare aanbestedingen die ook veel tijd in beslag nemen; uiteenlopende uitkomsten van controles, waardoor de begunstigden beschuldigd worden van fouten en in sommige gevallen financiering moeten terugbetalen en dus ergens anders middelen vandaan moeten zien te halen en soms zelfs insolvent worden; het feit dat controleurs van beheersautoriteiten of diensten die als tussenpersoon fungeren tijdens de aanbestedingsprocedure onvoldoende met de begunstigden communiceren en samenwerken; het feit dat vaak willekeurige voorwaarden en vereisten gelden voor verschillende aspecten van projecten;

L.

overwegende dat Roma te maken hebben met onevenredige belemmeringen als het gaat om de toegang tot gezondheidsdiensten, omdat zij vaak niet verzekerd zijn of niet beschikken over een legitimatiebewijs en doordat er sprake is van segregatie in zorginstellingen en discriminatie door zorgverleners; overwegende dat de aanhoudende ongelijkheden wat betreft de toegang tot gezondheidszorg alsook de gevolgen van ruimtelijke segregatie en overvolle woonruimte ertoe leiden dat Roma in een kwetsbare situatie verkeren;

M.

overwegende dat alle 27 lidstaten hebben toegezegd eraan te zullen werken dakloosheid tegen 2030 volledig uit te bannen en dat zij in dit kader de Verklaring van Lissabon van juni 2020 hebben ondertekend en het Europees platform voor de bestrijding van dakloosheid hebben gelanceerd, dat bedoeld is om beleidsmaatregelen te bevorderen die voorzien in een mensgerichte, geïntegreerde aanpak om de huisvestingsproblematiek aan te pakken;

N.

overwegende dat de EU aanzienlijke financiële steun verleent voor maatregelen ter bevordering van sociale inclusie, waaronder maatregelen ter bevordering van de inclusie van Roma, met name de minstbedeelden; overwegende dat uit planningsdocumenten van de lidstaten blijkt dat er in de programmeringsperiode 2014-2020 1,5 miljard EUR gereserveerd was voor de sociaaleconomische integratie van kwetsbare groepen (17);

O.

overwegende dat er op alle onderwijsniveaus sprake is van een aanhoudende kloof tussen Roma en niet-Roma; overwegende dat uit EU-MIDIS II blijkt dat in 2018 slechts 53 % van de Roma-kinderen van 4-6 jaar deelnam aan voor- en vroegschoolse educatie; overwegende dat segregatie van Roma-leerlingen in het onderwijs een wijdverbreid fenomeen is, ondanks het feit dat dit wettelijk verboden is en bovendien in strijd is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens; overwegende dat segregatie in het onderwijs op drie manieren tot uiting komt: onevenredig veel Roma-kinderen gaan naar een speciale school voor kinderen met een verstandelijke beperking of leerproblemen; gemengde scholen hebben speciale klassen of afdelingen voor Roma-kinderen; en Roma-kinderen gaan vaak naar “getto-scholen”; overwegende dat er ook andere factoren zijn die aan deelname van Roma-kinderen aan het onderwijs in de weg staan, zoals een gebrek aan financiële middelen om de met het onderwijs gemoeide kosten te voldoen (waaronder de kosten in verband met voor- en vroegschoolse educatie en opvang), ruimtelijke segregatie, een gebrek aan kinderopvangvoorzieningen in de buurt en ongelijke toegang of geen toegang tot online-onderwijs en/of afstandsleren; overwegende dat armoede en een gebrek aan toegang tot basisvoorzieningen aanzienlijke gevolgen hebben voor de lichamelijke, geestelijke en emotionele ontwikkeling van kinderen en de kans vergroten dat zij in hun volwassen leven in een achterstandspositie komen te verkeren;

P.

overwegende dat het feit dat veel Roma-kinderen niet deelnemen aan voorschools onderwijs er een belangrijke oorzaak van is dat zij voortijdig stoppen met school, en dat ook het feit dat veel Roma-kinderen pas op latere leeftijd beginnen met school en het feit dat het schoolverzuim hoog is hierbij een belangrijke rol spelen; overwegende dat het moment waarop van het ene schooltype op het andere moet worden overgestapt het moment is waarop veel jongeren het onderwijs voortijdig verlaten; overwegende dat de afstand die overbrugd moet worden tot school, de segregatie op de woningmarkt en slecht functionerende studiebegeleiding factoren zijn die jongeren belemmeren om naar de middelbare school te gaan; overwegende dat de onderwijskloof tussen Roma-kinderen en niet-Roma-kinderen nog verder toeneemt door de digitale kloof die ook steeds groter wordt;

Q.

overwegende dat Roma tijdens de COVID-19-pandemie vanwege de diepgewortelde ongelijkheden op sociaal en gezondheidsgebied een grotere kans hadden om besmet te raken, en bovendien onevenredig zwaar werden getroffen door de maatregelen die werden genomen om de verspreiding van het virus tegen te gaan; overwegende dat de Roma-bevolking in de EU zwaar geleden heeft onder negatieve sociale en economische gevolgen van de pandemie, omdat relatief veel Roma werkzaam waren in de informele economie of seizoensarbeid verrichtten en er in het kader van het beleid ter beperking van de gevolgen van de gezondheidscrisis geen maatregelen werden getroffen die afgestemd waren op de specifieke situatie waarin de Roma verkeerden; overwegende dat de Roma tijdens de pandemie als zondebokken werden gezien en het slachtoffer waren van haatzaaiende uitlatingen; overwegende dat tijdens de gezondheidscrisis wederom is gebleken dat er een enorme kloof gaapt tussen de behoeften op lokaal niveau en het vermogen om in die behoeften te voorzien, en dat er korte- en langetermijnmaatregelen genomen moeten worden, met name op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en huisvesting (18);

R.

overwegende dat het verzamelen van gegevens over gelijkheid betrekking heeft op het verzamelen van alle soorten opgesplitste gegevens die gebruikt worden om de situatie van groepen die het risico lopen te worden gediscrimineerd in kaart te brengen, om overheidsbeleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan de bevordering van gelijkheid en om de uitvoering van dat beleid te beoordelen op basis van bewijzen en niet op basis van aannames; overwegende dat de planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van Europese en nationale maatregelen ter bevordering van de sociale inclusie van Roma belemmerd worden door een gebrek aan omvattende en correcte, naar etniciteit uitgesplitste gegevens;

S.

overwegende dat veel Roma in gebieden wonen waar zij in onevenredige mate te maken hebben met aantasting van het milieu en vervuiling vanwege de aanwezigheid van vuilnisbelten en afvalstortplaatsen of verontreinigde terreinen, waar zij geen toegang hebben tot elementaire milieudiensten en openbare nutsvoorzieningen;

T.

overwegende dat vrouwelijke Roma te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie op grond van een combinatie van hun etniciteit, geslacht en sociale status, en vaak het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, wat met name tijdens de COVID-19-pandemie duidelijk is gebleken; overwegende dat de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebieden van het leven moet worden gewaarborgd en bevorderd, onder meer op het gebied van de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, waaronder loon, onderwijs en opleiding en loopbaanverandering en -ontwikkeling;

U.

overwegende dat ongeveer 10-20 % van de naar schatting 400 000 Roma die in Oekraïne wonen staatloos is of het risico loopt staatloos te worden (19); overwegende dat vluchtelingen van Roma-afkomst die de oorlog in Oekraïne ontvluchten zonder documenten waaruit hun Oekraïense nationaliteit of hun verblijfsstatus blijkt, zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden;

Noodzaak tot maatregelen op nationaal niveau

1.

betreurt dat er in de EU nog steeds mensen zijn die geen toegang hebben tot veilige en fatsoenlijke huisvesting, schoon drinkwater, elektriciteit, sanitaire voorzieningen, riolering en afvalvoorzieningen, onderwijs, werkgelegenheid, gezondheidszorg en andere zorgverlening; geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de aanzienlijke kloof die er gaapt tussen de verklaringen en toezeggingen inzake een sterk sociaal Europa en de werkelijkheid, onder meer in het licht van de COVID-19-pandemie, die heeft aangetoond dat er tijdens de vorige programmeringsperiode geen vooruitgang is geboekt wat betreft het verbeteren van de toegang tot basisinfrastructuur; verzoekt de Commissie en de lidstaten om onverwijld omvattende en doeltreffende maatregelen te nemen ter verbetering van de situatie van de Roma die in nederzettingen wonen en in dat kader passende kortetermijn- en langetermijnmaatregelen te nemen, ondersteund door toereikende EU- en nationale financiële middelen, om ervoor te zorgen dat de Roma in de EU en in de buurlanden niet aan hun lot worden overgelaten; benadrukt dat de rampzalige omstandigheden waarin de Roma leven en de negatieve psychologische en sociologische effecten van segregatie niet alleen gevolgen hebben voor de mensen in de nederzettingen zelf, maar ook voor andere Roma;

Huisvesting

2.

benadrukt dat toegang tot fatsoenlijke, niet-gesegregeerde huisvesting van cruciaal belang is om de vicieuze cirkel van armoede en sociale uitsluiting die van generatie op generatie overgaan, te doorbreken; merkt op dat toegang tot huisvesting een basisvoorwaarde is voor een menswaardig leven en een mensenrecht is; wijst erop dat tijdens de COVID-19-pandemie is gebleken dat slechte huisvesting een structureel risico vormt voor de openbare gezondheidszorg en een onevenredige belasting vormt voor Roma, met name vrouwelijke Roma; herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om dakloosheid te voorkomen en aan te pakken en maatregelen te treffen tegen uitsluiting van Roma van de woningmarkt in de vorm van langetermijnoplossingen, zoals geschikte sociale huisvesting, programma’s voor betaalbare huurwoningen en gerichte huurtoeslagen die deel uitmaken van geïntegreerde nationale strategieën, en daarbij de focus te leggen op oplossingen waarin huisvesting centraal staat, zoals de “huisvesting eerst”-benadering, en ervoor te zorgen dat de burgers daadwerkelijk gelijke toegang krijgen tot geschikte, niet-gesegregeerde huisvesting en essentiële voorzieningen, zonder discriminatie; dringt er bij de lidstaten op aan om met betrekking tot alle burgers, dus ook de Roma, toepassing te geven aan het concept “geschikte huisvesting”, zoals gedefinieerd door de VN (20); dringt erop aan dat het streven naar desegregatie hierbij centraal wordt gesteld en dat gebruik wordt gemaakt van of geïnvesteerd wordt in geïntegreerde sociale huisvesting, en dat er financiële middelen beschikbaar worden gesteld om toegankelijke en goede sociale voorzieningen te realiseren en te voorzien in kwalitatief hoogwaardig maatschappelijk werk ter plaatse, waarbij gezorgd wordt voor betrokkenheid en raadpleging van leden van de Romagemeenschap, om op die manier de Roma mogelijkheden te bieden om het leven in een nederzetting achter zich te laten; benadrukt dat elektronische betaalkaarten voor het ontvangen van sociale uitkeringen in combinatie met de daarvoor benodigde digitale infrastructuur een extra instrument kunnen vormen om Roma die in nederzettingen wonen te helpen bij het beheer van hun financiën, zodat zij een waardig bestaan kunnen leiden en deze uitkeringen kunnen gebruiken om toegang te krijgen tot financiële middelen, zoals microleningen; verzoekt de lidstaten dringend onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor het gebruik van dergelijke kaarten; wijst erop dat het gebruik van ePay-kaarten een van de manieren kan zijn om sociaaleconomische problemen in verband met woekerrentes, drugmisbruik en gokverslaving in de nederzettingen aan te pakken;

3.

wijst erop dat veel nederzettingen van Roma zich bevinden in onveilige gebieden en op illegaal bezette grond, wat het erg moeilijk maakt om doeltreffende manieren te vinden om de levensomstandigheden van de Roma te verbeteren en bovendien een belemmering vormt voor EU-investeringen; verzoekt de lidstaten om dit probleem centraal op nationaal niveau aan te pakken, maar daarbij nauw samen te werken met lokale en regionale overheden, en uitvoering te geven aan huisvestingsbeleid dat onder meer betrekking heeft op sociale huisvesting en dat ook innovatieve beleidsmaatregelen omvat;

Onderwijs

4.

wijst erop dat voorschools onderwijs in hoge mate bepalend is voor een succesvol verloop van de verdere schoolcarrière en dus belangrijk is als het gaat om het vinden van fatsoenlijk en hoogwaardig werk en het doorbreken van het patroon van kansarmoede; wijst erop dat Roma-kinderen veel minder naar voorschools onderwijs gaan dan andere kinderen en dat er een verband bestaat tussen segregatie op de woningmarkt en segregatie in het onderwijs, twee fenomenen die in belangrijke mate bijdragen aan voortijdig schoolverlaten; dringt er bij de lidstaten op aan alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de Barcelona-doelstellingen zo spoedig mogelijk te verwezenlijken en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan maatregelen ter bevordering van de deelname van Roma-kinderen aan voorschools onderwijs; dringt er voorts bij de Commissie op aan om zich bij de herziening van de Barcelona-doelstellingen die binnenkort in het kader van het pakket betreffende de Europese zorgstrategie zal plaatsvinden, in te zetten voor het dichten van de kloof tussen Roma- en niet-Roma-kinderen wat betreft de toegang tot hoogwaardige kinderopvang; verzoekt de lidstaten voorts om ervoor te zorgen dat alle Roma-kinderen die in nederzettingen wonen daadwerkelijk toegang hebben tot gratis kleuteronderwijs, om de deelname van deze kinderen aan kleuteronderwijs te garanderen, in overeenstemming met de Europese kindergarantie; verzoekt de lidstaten om zorg te dragen voor systematische monitoring van de risico’s van voortijdig schoolverlaten en ongelijkheden bij de toegang tot onderwijs op elk onderwijsniveau, zodat tijdig kan worden ingegrepen door middel van het bieden van pedagogische hulp en individuele begeleiding, en buitenschoolse activiteiten voor kinderen en hun ouders; wijst erop dat het op zinvolle wijze betrekken van Roma-ouders bij het onderwijs zou kunnen bijdragen aan het terugdringen van voortijdig schoolverlaten; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen en regelingen in het leven te roepen om jonge Roma boven de leerplichtige leeftijd te motiveren om de middelbare school af te maken, bijvoorbeeld door middel van invoering van speciale toeslagen;

5.

betreurt dat veel Roma-kinderen in het speciaal onderwijs en in programma’s buiten het reguliere onderwijsstelsel terechtkomen, wat vaak komt doordat bij de tests onvoldoende rekening wordt gehouden met de culturele en taalkundige achtergrond van de kinderen en er dus verkeerde diagnoses worden gesteld; is van mening dat de standaard psychologische tests die in sommige lidstaten worden gebruikt, niet als instrument mogen worden gebruikt om de toegang tot het reguliere onderwijs te vertragen; dringt er bij de lidstaten op aan om mechanismen in te voeren om eerder gesteld diagnoses opnieuw te beoordelen en zo nodig te herzien; betreurt voorts dat in een aantal lidstaten Roma-kinderen op gewone scholen nog altijd te maken hebben met discriminatie en segregatie, in die zin dat zij les krijgen in aparte klassen of op aparte verdiepingen, in de klas apart moeten zitten en hun maaltijden afgezonderd van anderen moeten eten; benadrukt dat het curriculum binnen gesegregeerd onderwijs vaak minder omvattend is, waardoor Roma-leerlingen zelden in staat zijn om in te stromen in regulier onderwijs en hoger onderwijs en later dus ook minder kans hebben op een baan; dringt er bij de lidstaten op aan een eind te maken aan de aanhoudende segregatie van Roma-kinderen, omvattende strategieën ter beëindiging van segregatie vast te stellen met daarin duidelijke doelstellingen en duidelijke en ambitieuze termijnen en voldoende middelen ter beschikking te stellen om deze strategieën uit te voeren, inclusieve leermethoden te ontwikkelen, de toegang van Roma-kinderen tot schoolactiviteiten te waarborgen en op scholen antidiscriminatiecampagnes te voeren; verzoekt de lidstaten meer aandacht te schenken aan de specifieke onderwijsbehoeften van Roma-kinderen en andere kwetsbare kinderen, om het recht van deze kinderen op onderwijs te waarborgen en er op die manier voor te zorgen dat hun leerprestaties verbeteren, de onderwijskloof tussen Roma-kinderen en niet-Roma-kinderen daadwerkelijk te verkleinen en segregatie tegen te gaan; wijst erop dat het belangrijk is Roma-kinderen in staat te stellen de officiële nationale lesprogramma’s, ook binnen het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, te volgen;

6.

betreurt dat scholen waar de meerderheid van de kinderen een Roma-achtergrond heeft over minder financiering kunnen beschikken, slechtere voorzieningen hebben en lesprogramma’s van mindere kwaliteit bieden; dringt er bij de lidstaten op aan om te investeren in training voor leraren, voorafgaand aan de indiensttreding en tijdens het dienstverband, om ervoor te zorgen dat leraren beter in staat zijn om Roma-kinderen passend onderwijs te geven, waarbij de nadruk wordt gelegd op het eerbiedigen van de cultuur en identiteit van de Roma, non-discriminatie als mensenrecht en positieve strategieën ter bevordering van tolerantie en ter bestrijding van discriminerend gedrag en zigeunerhaat (21), omdat zigeunerhaat vooroordelen versterkt, bijdraagt tot ongefundeerde meningen over het vermogen en de bereidheid van Roma-kinderen om te leren en leidt tot lage verwachtingen over hun academische prestaties; verzoekt de lidstaten meer financiële middelen beschikbaar te stellen voor goed opgeleide onderwijsassistenten, om een soepele integratie van kinderen uit Roma-nederzettingen in het gewone onderwijs te waarborgen; verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat er omvattende onderwijsmodules worden ontwikkeld over seksualiteit en relaties, gericht op specifieke leeftijdscategorieën, en lesmodules voor jongeren op scholen over verantwoord ouderschap, onder meer om zwangerschappen bij minderjarige Roma-meisjes die in nederzettingen wonen te voorkomen, omdat anders de vicieuze cirkel van armoede die van generatie op generatie overgaat niet kan worden doorbroken;

7.

wijst erop dat de lockdowns ter voorkoming van de verspreiding van COVID-19 in een aantal lidstaten de bestaande ongelijkheden op het gebied van onderwijs verder hebben vergroot, en dat Roma-kinderen, met name kinderen in gesegregeerde Roma-nederzettingen, geen toegang hadden tot online-onderwijs, omdat zij niet beschikten over digitale infrastructuur, internetverbindingen en digitaal lesmateriaal; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat bij de toewijzing van financiële middelen uit de EU-noodfondsen ter bestrijding van de gevolgen van de COVID-19-pandemie, zoals de financiële middelen in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht, rekening wordt gehouden met de behoeften van Roma en kwetsbare kinderen en met de noodzaak om hoogwaardige, betaalbare diensten in Romagemeenschappen waarborgen, en met betrekking hiertoe specifieke indicatoren op te nemen in de nationale plannen voor herstel en veerkracht; verzoekt de lidstaten om nieuwe manieren te vinden om Roma-kinderen te betrekken bij en te laten deelnemen aan digitaal onderwijs, onder andere door meer te investeren in verbetering van de toegankelijkheid van digitale infrastructuur en het bevorderen van de digitale geletterdheid van deze kinderen, om ze klaar te stomen voor het digitale tijdperk; dringt er bij de lidstaten op aan om deelname van Roma-vrouwen en -meisjes aan het onderwijs te bevorderen en hierbij met name te wijzen op het belang van STEM-vakken, en maatregelen te nemen tegen vroegtijdig schoolverlaten bij Roma-meisjes;

Gezondheid en milieu

8.

maakt zich grote zorgen over het kindersterftecijfer onder Roma, dat veel hoger ligt dan onder niet-Roma, en dat met name hoog ligt onder Roma die in nederzettingen wonen; wijst er met nadruk op dat kinderen in Roma-nederzettingen geboren worden in armoede en in een omgeving die niet bevorderlijk is voor een gezonde lichamelijke en psychosociale ontwikkeling; verzoekt de Commissie om de investeringen van de lidstaten in het kader van de Europese kindergarantie en de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de Europese kindergarantie te monitoren, evenals de specifieke streefdoelen inzake Roma-kinderen in de nationale actieplannen, met name met betrekking tot de achterstandssituatie waarin deze kinderen verkeren en die blijkt uit hun ondermaatse schoolprestaties en het hoge aantal vroegtijdige schoolverlaters; verzoekt de lidstaten de maatregelen te nemen die nodig zijn voor een snelle en efficiënte tenuitvoerlegging van de Europese kindergarantie en hun overheidsinvesteringen in dit kader flink op te voeren, en spoort de lidstaten met klem aan meer financiële middelen toe te wijzen voor de ondersteuning van activiteiten in het kader van de kindergarantie dan het minimum van 5 % van de middelen van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF +) onder gedeeld beheer; verzoekt de lidstaten dringend actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat kinderen in Roma-nederzettingen vanaf hun geboorte begeleid worden door zorgprofessionals die, indien nodig, een medische behandeling in gang kunnen zetten en die psychologisch of lichamelijk misbruik van kinderen kunnen herkennen en die verplicht moeten zijn om dergelijk misbruik aan de bevoegde autoriteiten te melden; herinnert eraan dat een relatief groot aantal Roma-kinderen in zorginstellingen verblijft en wijst op de noodzaak van een op kinderen gerichte aanpak in het kader waarvan bijzondere aandacht wordt besteed aan de rechten en behoeften van de meest kwetsbaren; verzoekt de lidstaten in dit licht om op ruime schaal te voorzien in gemakkelijk toegankelijke centra voor jeugdzorg, gericht op de jongste kinderen, alsook in gemeenschapscentra waar maatschappelijk werkers, pedagogen en gezondheidswerkers, alsook deskundigen en bemiddelaars op het gebied van de gezondheid van en onderwijs aan Roma hun diensten verlenen;

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om in achtergestelde gemeenschappen, met name Roma-nederzettingen, gezondheidsvoorlichting en voorlichting over gezonde leefomstandigheden te bevorderen door middel van mobiele units voor medische keuring en preventieactiviteiten; wijst er voorts op dat, overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gendergelijkheid in gezondheidszorginstellingen moet worden geëerbiedigd en is van mening dat er initiatieven ontplooid moeten worden zoals de oprichting van een netwerk van verpleegkundigen en zorginstellingen, het stimuleren van regelmatig bezoek aan een kinderarts en, voor volwassenen, de huisarts, beschikbaarstelling van gezinsondersteunende diensten, thuis- en ouderenzorg en zorg aan andere personen die hulpbehoevend zijn, en vindt dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid hiervan gewaarborgd moet worden;

10.

wijst erop dat de gezondheid en het leven van Roma die in nederzettingen wonen en andere Roma gevaar lopen doordat de omgeving waarin zij wonen vervuild is door giftige afvalstoffen; roept de lidstaten op om onverwijld iets aan deze situatie te doen om een einde te maken aan de buitensporige blootstelling van Roma aan dergelijke risico’s, en te werken aan uitgebreide afvalbeheersystemen en infrastructuur, in overeenstemming met de kaderrichtlijn afvalstoffen (22); verzoekt de lidstaten strategieën te ontwikkelen om Roma-gemeenschappen voor te lichten over de gevaren van giftig afval en het gebrek aan goede afvalverwerkingsvoorzieningen in hun nederzettingen; wijst op de rol van de Commissie bij de handhaving van de EU-wetgeving op dit gebied; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gericht gebruik te maken van de beleidsinstrumenten en -middelen voor de aanpak van energiecrises en voor het realiseren van een rechtvaardige groene transitie, om ervoor te zorgen dat Roma-gemeenschappen toegang hebben tot schone, betaalbare en continu geleverde energie, om toename van de energiearmoede in gemarginaliseerde Roma-nederzettingen te voorkomen en om de gezondheid van Roma die in nederzettingen leven te verbeteren;

11.

herinnert eraan dat de lidstaten op grond van de nieuwe bindende EU-normen voor organen voor gelijke behandeling de verruimde bevoegdheden van deze organen op het gebied van procesvoering zullen moeten ondersteunen, door deze organen de juridische bevoegdheid toe te kennen naar aanleiding van individuele en collectieve klachten en ambtshalve te procederen, en de beslissingsbevoegdheid van deze organen zullen moeten ondersteunen, onder meer in situaties waarin meerdere instanties deel uitmaken van het nationale orgaan voor gelijkheid, zodat deze organen intersectionele discriminatie, waar Roma vaak mee te maken hebben, kunnen aanpakken, in kaart kunnen brengen en kunnen bestraffen; is van mening dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat het mandaat van deze organen alle vormen van discriminatie omvat, waaronder victimisatie en haatzaaiende uitlatingen;

Werkgelegenheid en sociale integratie

12.

merkt op dat de effecten van het hoge percentage langdurige werkloosheid in Roma-nederzettingen en het hoge percentage NEET’s onder Roma-jongeren nog verergeren door de sociale uitsluiting en armoede waar de bewoners mee kampen; verzoekt de lidstaten te investeren in sociale ondernemingen en beste praktijken om langdurig werklozen aan werk te helpen; verzoekt de lidstaten om ook te investeren in programma’s voor Roma-NEET’s, zoals het bieden van mogelijkheden om een beroepsopleiding te volgen, met name op het gebied van digitale vaardigheden en groene banen, en hiervoor onder meer gebruik te maken van middelen uit de herstelprogramma’s; is van mening dat het actieplan van de Commissie voor de sociale economie de inspanningen van de lidstaten ter zake kan ondersteunen met richtsnoeren inzake belastingheffing, toegang tot staatssteun en openbare aanbestedingen voor organisaties van de sociale economie; is van mening dat het geplande voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende de ontwikkeling van het kader voor de sociale economie moet voorzien in een intersectionele benadering die toegespitst is op kwetsbare groepen, waaronder Roma, en dan met name Roma-vrouwen, voor wie het nog moeilijker is dan voor Roma-mannen om toe te treden tot de arbeidsmarkt; dringt er voorts bij de lidstaten op aan ondersteuning te bieden voor het scheppen van hoogwaardige en duurzame banen, het reguleren van informeel werk en het creëren van toegankelijke routes naar werk voor Roma, zoals openbare arbeidsvoorzieningsregelingen, die een tijdelijke oplossing kunnen bieden om werkloosheid te bestrijden en werklozen in staat te stellen zich te herscholen of bijscholen; herinnert eraan dat veel Roma langdurig werkloos zijn, wat gevolgen heeft voor hun recht op uitkeringen en pensioenen; wijst erop dat nationale minimuminkomensregelingen in combinatie met stimulansen voor (her) integratie op de arbeidsmarkt van belang zijn om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan om zich in te zetten voor loontransparantie en voor etnisch neutrale en genderneutrale functiewaarderingen, om lonen te bevorderen die een fatsoenlijke levensstandaard waarborgen en om antidiscriminatie- en scholingscampagnes te initiëren ter bestrijding van zigeunerhaat en ter bevordering van diversiteit op de werkvloer, waarbij deze campagnes zich moeten richten op personen die personeel aanwerven, werkgevers en werknemers;

13.

merkt op dat gemeenschapscentra een belangrijke rol spelen bij het werken met Roma die in nederzettingen leven; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat iedere Roma-nederzetting beschikt over een naar behoren uitgerust gemeenschapscentrum dat ruimte biedt voor educatieve activiteiten, bijvoorbeeld een kleuterschool, buitenschoolse opvang, recreatieve activiteiten voor kinderen en volwassenen, alsook sanitaire voorzieningen, en de Roma-gemeenschap te betrekken bij het onderhoud en beheer van het centrum;

14.

verzoekt de lidstaten om bij de uitvoering van hun nationale strategieën voor de integratie van Roma prioriteit te geven aan de bevordering van werkgelegenheid voor jongeren, met name voor jonge vrouwelijke Roma; verzoekt de lidstaten optimaal gebruik te maken van de versterkte jongerengarantie om de arbeidsparticipatie en sociale inclusie van Roma-jongeren te bevorderen; wijst op het onbenutte potentieel van hoogopgeleide Roma-jongeren als het gaat om het teweegbrengen van positieve veranderingen binnen Roma-gemeenschappen en het wegnemen van diepgewortelde vooroordelen en stereotypen bij de rest van de bevolking;

15.

dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat instanties voor sociaal-juridische bescherming naar behoren betrokken worden bij situaties waarin het gaat om kinderen en voogdij in gemarginaliseerde Roma-nederzettingen, om ervoor te zorgen dat kinderen de bescherming en de zorg krijgen die nodig zijn voor hun welzijn en ontwikkeling en om te waarborgen dat in hun belang wordt gehandeld; pleit voor verdere gecoördineerde inspanningen en een passend raamwerk met maatregelen om een eind te maken aan onwenselijke praktijken in de nederzettingen, zoals woekerpraktijken, seksuele uitbuiting van kinderen, drugmisbruik, gokproblemen en arbeidsuitbuiting; betreurt dat veel Roma-kinderen gedwongen worden om te bedelen en verzoekt de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om wetgeving in te voeren met daarin een verbod op gedwongen bedelarij; wijst erop dat de politie in staat moet zijn om de specifieke omstandigheden in Roma-gemeenschappen te herkennen en dat de lidstaten moeten voorzien in scholing voor politieagenten die gericht is op de aanpak van discriminatie en criminalisering van Roma, zowel binnen de politiekorpsen als onder de bevolking; verzoekt de lidstaten grondig onderzoek te doen naar gevallen van mishandeling door de politie, om te waarborgen dat geweld tegen en intimidatie en een slechte behandeling van individuele Roma of Roma-gemeenschappen niet ongestraft blijven, en maatregelen te treffen om de toegang van Roma tot de rechter te vergemakkelijken;

16.

roept de Commissie nogmaals op om in samenwerking met de lidstaten een gemeenschappelijke methodologie te ontwikkelen voor het verzamelen en openbaar maken van gegevens over gelijkheid, uitgesplitst naar etnische achtergrond en verschillende soorten nederzettingen, indien door het nationale recht erkend, met volledige eerbiediging van de normen op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de mensenrechten, om de situatie van Roma te kunnen beoordelen en de voortgang in kaart te brengen die geboekt wordt bij de tenuitvoerlegging van maatregelen in het kader van het strategisch EU-kader voor gelijkheid, die erop gericht zijn de onderliggende oorzaken van de sociale en economische uitsluiting van Roma aan te pakken; verzoekt de Commissie voorts om in het sociale scorebord specifieke streefcijfers voor de arbeidsparticipatie van Roma op te nemen;

17.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om de deelname van Roma aan de sociale dialoog aan te moedigen en om te streven naar versterking van de collectieve vertegenwoordiging van Roma-werknemers, omdat de toegang van Roma tot hoogwaardige banen met fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden hierdoor kan verbeteren; verzoekt de lidstaten om hun werkverschaffingsprogramma’s te verbeteren om Roma en andere personen in een kwetsbare situatie de gelegenheid te bieden relevante vaardigheden te ontwikkelen en de vaardigheden die zij reeds hebben verder te verbeteren;

Gebruik van EU- en nationale financiering

18.

maakt zich zorgen over het feit dat in sommige lidstaten tot nu toe weinig gebruik is gemaakt van de voor Roma bestemde middelen, waardoor het gevaar bestaat dat aan het eind van de huidige programmeringsperiode een aanzienlijk deel van de financiële middelen onbenut zal zijn; betreurt dat de systemen die gehanteerd worden bij en de voorwaarden die gelden voor gebruikmaking van de ESIF in een aantal lidstaten aan een soepele en efficiënte absorptie van de middelen uit die fondsen in de weg staan, omdat er in die nationale systemen sprake is van bureaucratische en structurele belemmeringen; herinnert in dit verband aan de noodzaak om de administratieve lasten omlaag te brengen, het gebruik van vereenvoudigde kostenopties te bevorderen en verdere steun en flexibiliteit te bieden, waarbij onder meer gedacht kan worden aan rechtstreekse verdeling van middelen voor regionaal en lokaal beleid en programma’s van het maatschappelijk middenveld, om het voor de beheersautoriteiten en begunstigden die zich ervoor inzetten om op de onmiddellijke behoeften van Roma die in nederzettingen leven in te spelen gemakkelijker te maken van deze middelen gebruik te maken; verzoekt de lidstaten en de Commissie om de financiering voor de Europese kindergarantie per direct te verhogen en te voorzien in een specifiek begrotingsonderdeel van ten minste 20 miljard EUR om de armoede waar kinderen en hun gezinsleden onder lijden te bestrijden en om bij te dragen aan de verwezenlijking van het streven om ervoor te zorgen dat in alle lidstaten samen tegen 2030 ten minste 15 miljoen minder mensen in armoede leven, waaronder ten minste 5 miljoen kinderen;

19.

wijst erop dat het bij sommige lokale overheden in de lidstaten ontbreekt aan de politieke wil om nieuwe projecten ter verbetering van de levensomstandigheden van Roma die in nederzettingen leven uit te voeren; verzoekt de lidstaten en hun beheersautoriteiten om bijzondere aandacht aan deze lokale overheden te besteden en strategieën te ontwikkelen, die bijvoorbeeld conditionaliteitsmechanismen omvatten, om deze overheden ertoe te bewegen hun negatieve aanpak te veranderen; wijst in dit verband op de noodzaak om de politieke participatie en vertegenwoordiging van Roma op alle niveaus te waarborgen en schadelijke negatieve stereotypen, die een voedingsbodem vormen voor discriminerende opvattingen en gedragingen onder de rest van de bevolking, tegen te gaan; wijst er voorts op dat er in sommige lidstaten sprake is van structurele belemmeringen die de uitvoering van projecten door lokale overheden en maatschappelijke organisaties belemmeren, en verzoekt die lidstaten met klem om deze belemmeringen weg te nemen en de lokale autoriteiten duidelijke steuninstrumenten te bieden om hen te helpen nieuwe projecten op te zetten ten behoeve van Roma die in nederzettingen wonen en andere Roma;

20.

merkt op dat het vaak generaties duurt voordat er wezenlijke vooruitgang wordt geboekt op het gebied van de sociaal-economische emancipatie en integratie van Roma; roept de lidstaten op om met spoed ten volle gebruik te maken van de financieringsinstrumenten en -middelen die er op nationaal en Europees niveau beschikbaar zijn, teneinde gunstige voorwaarden te scheppen voor een duurzame, efficiënte, geïntegreerde, gecoördineerde en flexibele financiering en uitvoering van doorlopende programma’s en projecten, en alle belemmeringen voor de absorptie van financiering, en dan met name uit het ESF+, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en de herstel- en veerkrachtfaciliteit, uit de weg te ruimen, en in dat kader onder meer een eind te maken aan directe en indirecte vormen van discriminatie; verzoekt de Commissie om de maatregelen die de lidstaten vastleggen in hun nationale plannen voor herstel en veerkracht, nationale strategische kaders voor de Roma en de nationale actieplannen voor de Europese kindergarantie, alsook de maatregelen die zij nemen naar aanleiding van het EU-actieplan tegen racisme en de landspecifieke aanbevelingen van het Europees Semester te ondersteunen, te monitoren en te evalueren; dringt er bij de Commissie en met name bij de lidstaten op aan te waarborgen dat de EU-maatregelen effect sorteren bij de Roma die in nederzettingen leven en dat EU-financiering deze Roma ook daadwerkelijk bereikt, en benadrukt dat bij acties en initiatieven ten behoeve van deze Roma uitgegaan moet worden van het bottom-upbeginsel en dat dergelijke acties en initiatieven dus geïnitieerd moeten worden door gemeenten en actoren op lokaal niveau die het dichtst bij de betrokken gemeenschappen staan, waarbij op nationaal niveau financiële en administratieve ondersteuning geboden wordt; verzoekt de lidstaten in dit kader om beter gebruik te maken van de beschikbare financiële middelen voor technische bijstand en te waarborgen dat er rechtstreekse technische bijstand wordt geboden aan zowel beheerders als specifieke aanvragers; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat in het kader van de programma’s van het Cohesiefonds voor de periode 2021-2027 en in het kader van de landspecifieke aanbevelingen van het Europees semester aandacht wordt besteed aan het in kaart brengen van nederzettingen en aan specifieke beleidsmaatregelen om de situatie in die nederzettingen te verbeteren;

21.

verzoekt de Europese Rekenkamer een uitvoerige en grondige effect- en prestatieanalyse uit te voeren van het gebruik van de ESIF, met name het ESF+ en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, en daarbij te kijken naar de jaren sinds de vaststelling van de EU-strategie voor de integratie van de Roma in 2011, met bijzondere aandacht voor de uitgaven voor Roma-nederzettingen en aanverwante sociale kwesties;

Noodzaak van actie op EU-niveau

22.

benadrukt dat de huidige praktijken in sommige lidstaten met betrekking tot Roma die in nederzettingen wonen erop wijzen dat het niet volstaat om projecten uitsluitend op basis van de behaalde kwantitatieve resultaten te beoordelen en dat dit zelfs een misleidend beeld kan geven van de situatie ter plaatse, aangezien hiermee geen informatie wordt verkregen over de voortgang van de projecten op langere termijn; vreest dat dit ertoe kan leiden dat besluiten worden genomen die het gezonde financiële beheer van de EU-begroting ondermijnen; dringt derhalve aan op een snelle toepassing van het algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting met betrekking tot de betreffende lidstaten; is van mening dat het Europees actieplan van de Europese pijler van sociale rechten, de Europese kindergarantie en het strategisch EU-kader voor gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma voor 2020-2030 een passende maatstaf vormen voor het uitvoeren van een kwalitatieve beoordeling; dringt erop aan bij het uitvoeren van die kwalitatieve beoordelingen bijzondere aandacht te besteden aan intersectionele discriminatie en de rechten en behoeften van de kwetsbaarste groepen, met name personen met een handicap, kinderen en vrouwen; acht het van essentieel belang dat bij de evaluatie van via de ESIF gefinancierde individuele projecten in gemarginaliseerde Roma-nederzettingen naast de kwantitatieve resultaten ook concrete kwalitatieve resultaten in kaart worden gebracht die de feitelijke situatie ter plaatse beter weerspiegelen; verzoekt de Commissie daarnaast om bij het monitoren en evalueren van projecten in de eerste plaats uit te gaan van eigen waarnemingen die zij tijdens bezoeken ter plaatse heeft gedaan, zodat zij minder afhankelijk wordt van informatie van overheden en berichten in de media, wat ten goede zou komen aan het toezicht op de besteding van middelen van de EU-begroting; benadrukt in dit verband dat de afdeling voor onderzoek naar de Roma van het FRA moet worden versterkt door Roma-onderzoekers aan te werven;

23.

verzoekt de Commissie en het Parlement missies uit te voeren, zo mogelijk periodiek, om de situatie van Roma die in nederzettingen in verschillende lidstaten wonen te onderzoeken, met als doel bij te dragen tot de bewustmaking van zowel beleidsmakers als het publiek, informatie uit te wisselen tussen lidstaten en bevoegde autoriteiten over de uitdagingen waarmee de Roma worden geconfronteerd, beste praktijken uit te wisselen en betere coördinatie op EU-niveau mogelijk te maken;

24.

benadrukt dat de Commissie als hoedster van de verdragen krachtig moet optreden om de volledige en correcte uitvoering van de EU-wetgeving te waarborgen, en tijdig passende maatregelen moet nemen als de lidstaten dit nalaten, met name in geval van schending van de rechten van EU-burgers, waaronder die van de Roma; merkt op dat inbreukprocedures, bijvoorbeeld in verband met de segregatie van Roma-leerlingen in het onderwijs, er niet toe hebben geleid dat de oorzaken van discriminatie daadwerkelijk zijn weggenomen; is stellig van mening dat de Commissie alles in het werk moet stellen om schendingen van de mensenrechten en de fundamentele waarden van de EU te voorkomen, en dus in de eerste plaats moet voorkomen dat EU-middelen worden gebruikt voor het financieren van discriminerende praktijken in de lidstaten; verzoekt de Commissie daarom een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing in te stellen voor het melden van risico’s op misbruik of oneigenlijk gebruik van ESIF- en andere EU-middelen die bestemd zijn voor de aanpak van de situatie van Roma in gemarginaliseerde nederzettingen; is van mening dat het feit dat sommige lidstaten geen actie ondernemen en geen inzet tonen om het probleem van de in nederzettingen wonende Roma op te lossen, en daarnaast structurele en bureaucratische belemmeringen opwerpen, een schending kan inhouden van de fundamentele waarden van de EU zoals vastgelegd in artikel 2 VEU, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, gelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren; verzoekt de Raad en de Commissie de situatie van de Roma die in gemarginaliseerde nederzettingen wonen te onderzoeken, teneinde vast te stellen of deze nederzettingen en de daar heersende omstandigheden een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de EU-Verdragen inhouden;

25.

roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor een grotere actieve betrokkenheid en een zinvolle participatie van de Roma, met name Roma-vrouwen, -jongeren en andere ondervertegenwoordigde groepen, bij de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van overheidsbeleid en van projecten op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau die op hen gericht zijn, zodat zij actief betrokken worden bij het vormgeven van de toekomst van de EU en kunnen bijdragen tot een mentaliteitsverandering in de lidstaten van de EU; is van mening dat er in het kader van de nationale strategische kaders voor de Roma naar gestreefd moet worden dat de participatie van Roma toeneemt en dat meer Roma betrokken zijn bij het geven van leiding bij de uitvoering van de betreffende maatregelen; is van mening dat verkozen gemeenteraadsleden van Roma-afkomst actief ondersteund moeten worden omdat dit kan bijdragen aan de bevordering van de sociale integratie en de democratische participatie van de Roma;

26.

merkt op dat veel Roma kampen met armoede, sociale uitsluiting en beperkte toegang tot werkgelegenheid of diensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting, mede als gevolg van zigeunerhaat en structurele discriminatie; roept de Commissie en de lidstaten op om zigeunerhaat in alle sectoren van de samenleving aan te pakken door middel van doeltreffende wetgevings- en beleidsmaatregelen, zowel in de lidstaten als in de uitbreidingslanden; roept de lidstaten op de bestrijding van racisme en zigeunerhaat deel te laten uitmaken van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, omdat racisme en zigeunerhaat belangrijke structurele oorzaken zijn van uitsluiting van Roma; benadrukt dat er een einde moet komen aan iedere vorm van structurele en institutionele zigeunerhaat, segregatie en discriminatie op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid, huisvesting en toegang tot sociale bescherming en andere diensten; is van mening dat de bestrijding van zigeunerhaat een sectoroverschrijdende aangelegenheid is waaraan op alle relevante terreinen van het EU-beleid aandacht moet worden besteed; roept de Commissie op erop aan te dringen dat de richtlijn rassengelijkheid daadkrachtiger ten uitvoer wordt gelegd en roept de lidstaten op doeltreffende en vergaande nationale plannen tegen racisme en rassendiscriminatie te formuleren en uit te voeren, met specifieke aandacht voor zigeunerhaat, en daarbij inspiratie te putten uit de gemeenschappelijke leidende beginselen van de Commissie; verzoekt de lidstaten duidelijke en meetbare doelstellingen te formuleren voor de bestrijding van discriminatie en zigeunerhaat, overeenkomstig Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat; verzoekt de Raad tevens de onderhandelingen over de horizontale antidiscriminatierichtlijn (23) te deblokkeren, omdat deze richtlijn van essentieel belang is voor het verwezenlijken van gelijkheid in de EU;

27.

benadrukt dat het culturele en taalkundige erfgoed van de Roma moet worden erkend en spoort de Commissie en de lidstaten aan te werken aan het behoud van de Roma-cultuur, en de bekendheid van de Roma-cultuur bij het publiek te bevorderen via programma’s en mediakanalen, en op die manier bij te dragen tot de diversiteit van de samenlevingen in de EU;

28.

dringt er bij de Commissie op aan meer inspanningen te leveren om geleidelijk een einde te maken aan het bestaan van gemarginaliseerde Roma-nederzettingen in de hele EU, en wel door het lanceren van een EU-actieplan om ernaar te streven dat er in 2030 geen gemarginaliseerde Roma-nederzettingen meer zijn, waarbij intensiever gebruik moet worden gemaakt van bestaande beleids- en financiële instrumenten; benadrukt dat dit EU-actieplan moet voorzien in richtsnoeren, prioriteiten, concrete doelstellingen, transnationale samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten;

29.

benadrukt dat de problemen van Roma die in nederzettingen leven betrekking hebben op meerdere beleidsgebieden die binnen de bevoegdheid van verschillende commissarissen en directoraten-generaal op EU-niveau vallen; dringt daarom aan op het instellen van de functie van coördinator bij de Commissie voor de integratie en gelijkheid van de Roma, die de ontwikkelingen op de relevante beleidsterreinen nauwgezet volgt en rechtstreeks contact onderhoudt met de Roma om de feitelijke situatie en de problemen waar zij mee te maken hebben door te geven aan de taskforce gelijkheid van de Commissie, alsmede aan onder meer de nationale Roma-contactpunten, het FRA, het EURoma-netwerk, het Europees Roma-platform en de Groep op hoog niveau inzake non-discriminatie, gelijkheid en diversiteit, om synergieën tot stand te brengen en de gelijkheid, de integratie en de participatie van de Roma in de EU te bevorderen;

30.

pleit eveneens voor het instellen van de functie van parlementair coördinator voor de integratie van de Roma, te bekleden door een van de ondervoorzitters van het Parlement, die ervoor moet zorgen dat Roma-aangelegenheden aan bod komen in alle relevante beleids- en wetgevingswerkzaamheden van het Parlement; pleit daarnaast voor oprichting van een netwerk voor de mainstreaming van Roma-aangelegenheden, dat wordt voorgezeten en gecoördineerd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en dat bestaat uit een vertegenwoordiger van elke commissie van het Europees Parlement, om het werk van de coördinator aan te vullen en te versterken, zodat synergie ontstaat en de onderling samenhangende en complexe problemen waarmee de Roma-gemeenschap wordt geconfronteerd, met een omvattende, horizontale aanpak kunnen worden aangepakt; is van mening dat de coördinator van het Parlement en het netwerk voor de mainstreaming van Roma-aangelegenheden nauw moeten samenwerken met de interfractiewerkgroep racismebestrijding en diversiteit;

31.

wijst op de bijkomende problemen en de noodzaak van versterkte samenwerking tussen de lidstaten in verband met het vrije verkeer van personen binnen de EU, en op de situatie van Roma die de oorlog in Oekraïne ontvluchten; verzoekt de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen ter bestrijding van de segregatie van Roma-migranten binnen de EU en Roma-vluchtelingen uit Oekraïne, en hen te beschermen tegen onrechtmatige uitzetting en discriminatie bij de toegang tot essentiële diensten, met name op het gebied van huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat vluchtelingen, waaronder Roma-vluchtelingen, niet etnisch worden geprofileerd en niet worden gediscrimineerd bij het aanvragen van tijdelijke bescherming uit hoofde van de richtlijn tijdelijke bescherming en zich niet genoodzaakt zien asiel aan te vragen, en roept hen tevens op maatschappelijke organisaties in te schakelen om ervoor te zorgen dat iedereen die Oekraïne ontvlucht in gelijke mate profiteert van hulp in natura, gratis vervoer en huisvesting; roept de lidstaten op zich meer in te spannen om ervoor te zorgen dat de registratie van geboorteakten van Roma-kinderen op correcte wijze plaatsvindt, zodat er een einde kan worden gemaakt aan de staatloosheid van kinderen in Roma-gemeenschappen in de EU;

32.

neemt kennis van het strategisch actieplan voor de inclusie van Roma en Travellers 2020-2025 van de Raad van Europa; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen ter bevordering van gelijke kansen, diversiteit en sociale integratie en ter bestrijding van discriminatie en zigeunerhaat beter af te stemmen op de activiteiten van de Raad van Europa op dit gebied;

33.

wijst erop dat programma’s en instrumenten als Erasmus Plus en de Jeugdgarantie kansen bieden aan jongeren uit kansarme milieus en uit Roma-gemeenschappen;

o

o o

34.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(2)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(3)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(4)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(5)  PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112.

(6)  PB C 468 van 15.12.2016, blz. 36.

(7)  PB C 449 van 23.12.2020, blz. 2.

(8)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 8.

(9)  PB C 385 van 22.9.2021, blz. 104.

(10)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 145.

(11)  PB C 474 van 24.11.2021, blz. 146.

(12)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0120.

(13)  PB C 93 van 19.3.2021, blz. 1.

(14)  PB L 223 van 22.6.2021, blz. 14.

(15)  PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12.

(16)  Verklaring van de FEANTSA: “The Housing Situation for Roma in the EU Remains Difficult”.

(17)  Speciaal verslag nr. 14/2016 van de Europese Rekenkamer.

(18)  FRA-bulletin getiteld “Coronavirus pandemic in the EU — Impact on Roma and Travellers”.

(19)  Briefing van het European Network on Statelessness getiteld “Stateless people and people at risk of statelessness forcibly displaced from Ukraine”.

(20)  Artikel 25 van de Algemene Verklaring van de rechten van de mens.

(21)  Standpuntnota van Unicef getiteld “The Right of Roma Children to Education”.

(22)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(23)  Voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/41


P9_TA(2022)0344

Belangrijkste doelstellingen voor de Cites-CoP19-vergadering in Panama

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over de strategische doelstellingen van de EU voor de 19e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), die van 14 tot 25 november 2022 in Panama plaatsvindt (2022/2681(RSP))

(2023/C 132/05)

Het Europees Parlement,

gezien het mondiaal evaluatieverslag uit 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES),

gezien het verslag uit 2020 van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en de Voedsel- en Landbouworganisatie, getiteld “State of the World’s Forests 2020”, waarin wordt gewezen op de belangrijke functie van bossen, die een leefomgeving vormen voor meer dan 80 % van de wereldwijde biodiversiteit op het vasteland, talloze ecosysteemdiensten herbergen en voor vele gemeenschappen, waaronder inheemse volkeren, een bestaansbron zijn,

gezien de mariene biodiversiteit en de biodiversiteit in kustgebieden,

gezien de aanstaande 19e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), die van 14 tot 25 november 2022 in Panama plaatsvindt (CoP19),

gezien resolutie 75/311 van de Algemene Vergadering van de VN van 26 juli 2021 over de bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten,

gezien Resolutie Conf. 12.10 (Rev.CoP15) van Cites inzake de registratie van activiteiten die gericht zijn op het fokken in gevangenschap voor commerciële doeleinden van diersoorten waarop bijlage I van toepassing is,

gezien de Cites-besluiten 18.226 en 18.227 over de handel in Aziatische olifanten (Elephas maximus),

gezien de Cites-besluiten 18.81-18.85 over criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten via internet,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), en de resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2021 daarover (1),

gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2) die bedoeld is om het behoud van de biodiversiteit te bevorderen en die de hoeksteen vormt van het EU-beleid voor natuurbehoud,

gezien het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) en de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij het VBD, die van 7 tot 19 december 2022 in Montreal, Canada plaatsvindt,

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van Richtlijn 2008/99/EG (COM(2021)0851),

gezien de vragen aan de Raad en aan de Commissie over de belangrijkste doelstellingen voor de Cites-CoP19-vergadering van 14 tot 25 november 2022 in Panama (O-000038/2022 — B9-0023/2022 en O-000039/2022 — B9-0024/2022),

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de ongekende wereldwijde achteruitgang van de biodiversiteit, die momenteel tientallen tot honderden malen sneller plaatsvindt dan het natuurlijke tempo waarin soorten uitsterven, het rechtstreekse gevolg is van menselijke activiteiten en dat ongeveer 1 miljoen dier- en plantensoorten hierdoor met uitsterven bedreigd worden; overwegende dat de beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat het nog niet te laat is om de huidige trend van biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en om te buigen;

B.

overwegende dat biodiversiteit een positieve bijdrage levert aan de gezondheid van de menselijke bevolking; overwegende dat 80 % van de door mensen gebruikte geneesmiddelen van natuurlijke oorsprong zijn;

C.

overwegende dat de oceanen, die 95 % van de biosfeer uitmaken, gezien de rol die zij spelen bij de regulering van het klimaat en de absorptie van CO2 uit de atmosfeer, tot de belangrijkste koolstofputten behoren;

D.

overwegende dat het belangrijk is de mariene en kustbiodiversiteit te beschermen en de bedreigingen aan te pakken die uitgaan van het ongereguleerde of slecht gereguleerde gebruik van levende mariene hulpbronnen; overwegende dat het ook belangrijk is de zoetwaterbiodiversiteit te beschermen, die sterker afneemt dan de biodiversiteit van mariene en terrestrische ecosystemen, waarbij de zoetwaterpopulaties tussen 1970 en 2014 met 83 % zijn afgenomen;

E.

overwegende dat de overgrote meerderheid van soorten die verhandeld worden, niet door Cites wordt beschermd; overwegende dat internationale handel in dergelijke soorten nog steeds ongereglementeerd is en in aanzienlijke mate bijdraagt aan het uitsterven van wilde populaties;

F.

overwegende dat Cites de belangrijkste mondiale overeenkomst voor de instandhouding van in het wild levende dieren en planten is, en dat 184 partijen, waaronder de EU en haar 27 lidstaten, hierbij zijn aangesloten; overwegende dat Cites erkent dat de in het wild levende dier- en plantensoorten in hun vele unieke verschijningsvormen en in hun verscheidenheid een onvervangbaar onderdeel vormen van de natuurlijke stelsels op aarde, die ten behoeve van komende generaties beschermd moeten worden;

G.

overwegende dat Cites als doelstelling heeft ervoor te zorgen dat de internationale handel in wilde dieren en planten geen bedreiging vormt voor de overleving van soorten in het wild;

H.

overwegende dat het (illegaal en legaal) verhandelen en gebruiken van in het wild levende dieren en planten, alsook de vernietiging van natuurlijke habitats, beide in aanzienlijke mate bijdragen tot de achteruitgang van de biodiversiteit, en daarnaast ook de wereldwijde inspanningen in de strijd tegen klimaatverandering ondermijnen, corruptie veroorzaken en tevens voortkomen uit corruptie;

I.

overwegende dat in bijlage I bij Cites alle met uitsterven bedreigde soorten staan vermeld die door handelsactiviteiten in het gedrang komen, of kunnen komen; overwegende dat in bijlage II alle soorten staan vermeld die met uitsterven bedreigd kunnen worden tenzij de handel in dergelijke soorten aan strikte regulering wordt onderworpen om vormen van gebruik die de overleving van de soort in gevaar brengen te voorkomen, en tenzij de handel in deze soorten onder doeltreffend toezicht wordt gebracht;

J.

overwegende dat de handel in wilde dieren en planten het contact tussen mensen en in het wild levende dieren vergroot en een potentieel hoog risico inhoudt dat zoönosen ontstaan en zich verspreiden; overwegende dat, aangezien 70 % van alle nieuwe infectieziekten bij mensen zoönotisch is, de handel in wilde dieren en planten ernstige risico’s voor de gezondheid van zowel dieren als mensen met zich meebrengt; overwegende dat er behoefte is aan betere en uitgebreidere controles op de vleeshandel en de handel in levende dieren; overwegende dat deskundigen adviseren zoönotische risico’s te beperken door markten met levende dieren mee te nemen in de aanpak en daarbij tevens een lijst op te stellen van soorten die internationaal vervoerd mogen worden, en daarbij niet enkel rekening te houden met zoönotische risico’s maar ook met andere overwegingen zoals dierenwelzijn, instandhoudingsstatus en populatie-ontwikkeling;

K.

overwegende dat de kosten van mondiale strategieën ter voorkoming van pandemieën die inzetten op het verminderen van de illegale handel in wilde soorten, het vermijden van veranderingen in landgebruik en striktere controles, geraamd worden op 22 tot 31 miljard USD (3), wat slechts een kleine fractie is van de kosten die een pandemie met zich meebrengt;

L.

overwegende dat 19 lidstaten hun steun hebben uitgesproken voor de standpuntnota van de Cypriotische regering die tijdens de Raad Landbouw en Visserij van 24 mei 2022 werd gepresenteerd, over een nieuw EU-wetgevingskader voor een EU-brede positieve lijst van dieren die zijn toegestaan als huisdier;

M.

overwegende dat de EU een belangrijk knooppunt, doorvoerpunt en punt van aankomst is voor wilde dieren en planten die legaal of illegaal zijn verkregen, hetzij levend of dood, in de vorm van lichaamsdelen of producten die daaruit vervaardigd zijn; Overwegende in 2019 het aantal meldingen van invoertransacties in de EU van wilde dieren en planten die door Cites beschermd zijn, overeenkwam met 36 % van het totale invoervolume;

N.

overwegende dat de EU tussen 2014 en 2018 de op één na grootste invoerder was van jachttrofeeën van wilde soorten die in de Cites-lijst zijn opgenomen; alleen in de Verenigde Staten lag dit aantal hoger; overwegende dat een toenemend aantal Europese landen stappen neemt of deze overweegt, om de invoer van jachttrofeeën te verbieden;

O.

overwegende dat met de handel in wilde dieren en planten jaarlijks miljarden euro’s gemoeid zijn en dat het hierbij gaat om miljoenen wilde dier- en plantensoorten; overwegende dat de illegale handel in wilde dieren en planten is uitgegroeid tot de op drie na grootste zwarte markt, na drugs-, mensen- en wapenhandel; overwegende dat overtredingen van het verbod op de illegale handel in wilde dieren en planten vaak niet streng genoeg worden bestraft om als afschrikmiddel te dienen en overwegende dat betrokkenen op de midden- en hogere niveaus zelden worden vervolgd;

P.

overwegende dat het internet een cruciale rol speelt bij het faciliteren van de handel in wilde dieren en planten;

Q.

overwegende dat het opschroeven van de inspanningen voor meer transparantie, alsook een effectieve bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de besluitvorming, essentiële zaken zijn;

R.

overwegende dat voor de EU een duidelijke rol is weggelegd in het aangaan van constructieve samenwerkingsverbanden en uitwisseling tussen overheids- en particuliere reservaten en opvangcentra, met het oog op het waarborgen van soortspecifieke oplossingen voor de lange termijn voor wilde dieren die in beslag zijn genomen;

S.

overwegende dat uit rapportages van de lidstaten blijkt dat traditionele geneesmiddelen tot de belangrijkste Cites-gerelateerde producten behoren die in beslag worden genomen; overwegende dat het gebruik van bestanddelen van wilde dieren in traditionele geneesmiddelen schadelijk is voor de biodiversiteit, met name wanneer het diersoorten betreft die op een rode lijst staan; overwegende dat de vraag naar traditionele geneesmiddelen met bestanddelen van wilde dieren tot een toename in de illegale handel in wilde dieren leidt;

T.

overwegende dat pelagische haaienpopulaties sinds 1970 met 71 % zijn gekrompen en dat meer dan 50 % van de haaiensoorten met uitsterven wordt bedreigd of bijna met uitsterven wordt bedreigd (4), en dat de jacht op die haaien met het oog op de handel in hun lichaamsdelen een van de belangrijkste oorzaken is van de afname van die populaties; overwegende dat 20 % van de populaties rifhaaien functioneel uitgestorven is; overwegende dat lidstaten van de EU in 2020 het vertrekpunt waren van meer dan 45 % van alle haaienvin-gerelateerde producten voor import in drie grote handelscentra: Hongkong, Singapore en Taiwan;

U.

overwegende dat naar aanleiding van afnamen in de Afrikaanse populaties van meer dan 60 % voor de Afrikaanse savanneolifant (Loxodonta africana) en meer dan 86 % voor de Afrikaanse bosolifant (Loxodonta cyclotis) binnen drie generaties, de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) in 2021 het dreigingsniveau voor de Afrikaanse savanneolifant heeft verhoogd van kwetsbaar naar bedreigd, en de Afrikaanse bosolifant heeft opgenomen in de lijst van ernstig bedreigde soorten (5);

V.

overwegende dat stroperij voor de ivoorhandel de belangrijkste oorzaak is van de afnamen in populaties Afrikaanse olifanten; overwegende dat de illegale ivoorhandel schadelijk is voor de economische ontwikkeling, georganiseerde criminaliteit in de hand werkt en corruptie en brandstofconflicten bevordert; overwegende dat de ivoorhandel aanzienlijk is toegenomen sinds de introductie van legale verkoop van ivoor;

W.

overwegende dat het verboden is wilde tijgers te verhandelen; overwegende dat ondanks de EU-verordeningen inzake handel in wilde dieren en planten, er tijgers en lichaamsdelen van tijgers die in gevangenschap zijn gefokt worden verhandeld, ook al wordt in Cites-besluit 14.69 inzake in gevangenschap gefokte dieren het commercieel fokken en verhandelen van tijgers voor hun (lichaams-)delen afgekeurd; overwegende dat lidstaten nog steeds levende tijgers en tijgerdelen waarop de Cites-voorschriften voor de commerciële handel van toepassing zijn, in- en uitvoeren;

Inleiding

1.

onderstreept de duidelijke behoefte aan een benadering van de bescherming van wilde dieren en planten die meer gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel, gezien de aanhoudende dreiging die uitgaat van de handel in wilde soorten ten aanzien van individuele dieren, soorten, de gezondheid van mens en dier, en het milieu;

2.

roept op Cites en het VBD, alsook het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten en andere biodiversiteitgerelateerde verdragen en overeenkomsten meer met elkaar op één lijn te brengen met het oog op een effectieve verwezenlijking van internationale inspanningsverplichtingen met betrekking tot het in stand houden van de biodiversiteit;

3.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de markt voor exotische huisdieren en het scala aan soorten die dit betreft zowel binnen de EU als internationaal groeiende zijn;

4.

benadrukt dat de ecologische voetafdruk van de productie en consumptie van de EU dringend moet worden verkleind om binnen de grenzen van de mogelijkheden van onze planeet te blijven;

5.

onderstreept dat de ecosysteemdiensten en -hulpbronnen waar de bossen in voorzien, essentieel zijn voor mensen overal ter wereld; roept de EU en de lidstaten op om tijdens CoP19 aan te dringen op het vaststellen van een Cites-resolutie over bossen om te waarborgen dat de boomsoorten op de Cites-lijst adequaat worden beschermd en dat er uitsluitend handel in dergelijke bomen mogelijk is wanneer dat op legale, duurzame en traceerbare wijze gebeurt;

6.

benadrukt dat de participatie van vrouwen bij de instandhouding van wilde soorten tot een win-winsituatie leidt voor gendergelijkheid en ecologische duurzaamheid en dat hierdoor gerichtere en efficiëntere acties mogelijk zijn teneinde de handel in wilde dieren en planten te bestrijden; roept de Commissie op samen met het Cites-secretariaat gendermainstreaming in Cites te integreren en steun te verlenen aan gendersensitieve initiatieven waarmee criminele gedragingen in verband met (de instandhouding van) wilde soorten worden beïnvloed en aangepakt; is van mening dat gendergelijkheid binnen de handhaving, de besluitvorming en de uitvoerende activiteiten van Cites bevorderd moet worden en roept de EU en de lidstaten op aan te dringen op een genderactieplan voor Cites, dat via een resolutie geïntroduceerd zou kunnen worden;

Uitvoering, naleving en handhaving

7.

benadrukt dat in het mondiaal evaluatieverslag van IPBES uit 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten een reeks zwakke punten met betrekking tot Cites worden vastgesteld, zoals naleving, handhaving, de behoefte aan wetenschappelijk onderbouwde quota, financiering, corruptiebestrijding en terugdringing van de vraag; benadrukt dat deze zwakke punten moet worden aangepakt ten behoeve van een betere uitvoering van de overeenkomst en dringt er bij alle partijen op aan om deze kwesties grondig onder de loep te nemen;

8.

betreurt de ontoereikende handhaving van verboden en beperkingen op de handel in beschermde soorten doordat de partijen onvoldoende capaciteit en middelen ter beschikking stellen; roept alle partijen op hun handhaving van de overeenkomst te intensiveren;

9.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat de partijen bij Cites niet aansprakelijk worden gesteld voor het niet effectief uitvoeren van de bepalingen van de overeenkomst, met inbegrip van de verplichting om invoer- en uitvoervergunningen te funderen op wetenschappelijk onderbouwd advies dat dergelijke invoer of uitvoer geen nadelige gevolgen zal hebben voor het voortbestaan van de soort (vaststellen van het niet-bestaan van nadelige effecten);

10.

roept op tot een consistente en onpartijdige toepassing van de instrumenten zoals die in de Cites-overeenkomst zijn voorzien en van de besluiten die op grond daarvan zijn aangenomen om de naleving van de overeenkomst te bevorderen, waaronder het ondersteuningsprogramma voor naleving; roept de EU en alle partijen op maatregelen te ontwikkelen om adequate en tijdige handhaving van de overeenkomst te waarborgen, mede door het beschikbaar stellen van de benodigde middelen, en door effectieve nationale wetgeving vast te stellen om de besluiten en resoluties uit te voeren die in het kader van de overeenkomst zijn aangenomen; roept op tot wederzijdse samenwerking tussen de partijen en het uitwisselen van goede praktijken;

11.

roept de EU en haar lidstaten bovendien op strikte maatregelen te nemen, waaronder ontmoedigende sancties, in gevallen van niet-naleving wanneer geconstateerd wordt dat een partij de effectiviteit van de overeenkomst ondermijnt en illegale of onhoudbare exploitatie en handel niet op doelgerichte wijze beëindigt, en als een uiterst redmiddel de handel met die partij tijdelijk stop te zetten;

12.

roept alle partijen op zich actief in te zetten voor de bescherming van klokkenluiders, journalisten, boswachters in het wild, milieubeschermers en mensenrechtenverdedigers, die een essentiële rol spelen bij de milieubescherming en het stoppen van de illegale handel in wilde dieren en planten;

13.

dringt erop aan dat grensoverschrijdende criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten door alle partijen wordt erkend als ernstige georganiseerde misdaad, hetgeen tot uiting moet komen in het beschikbaar maken van middelen en de actieve betrokkenheid van gespecialiseerde politie- en douaneopsporingsdiensten;

14.

onderstreept de belangrijke rol van de politie en de douane en dringt er bij alle lidstaten van de EU op aan om op nationaal niveau gespecialiseerde units op te richten voor criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten met een mandaat dat het gehele territorium van de betreffende lidstaat bestrijkt en dat niet beperkt is tot bepaalde regio’s of tot andere territoriale subgebieden; roept de lidstaten op deze gespecialiseerde units de bevoegdheid te geven om actief betrokken te zijn bij internationale samenwerking en coördinatie; benadrukt dat samenwerking met de relevante autoriteiten in de lidstaten met betrekking tot kwesties in verband met de illegale handel in wilde soorten verder kan worden herzien en verbeterd via de Handhavingsgroep van de EU, die niet alleen handhavingsfunctionarissen bijeenbrengt uit alle EU-lidstaten, maar ook medewerkers van het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), Eurojust, Interpol, de Werelddouaneorganisatie en het Cites-secretariaat; roept de EU en haar lidstaten op trainingen op het gebied van de rechtshandhaving inzake handel in wilde soorten te verbeteren;

15.

wijst op de noodzaak van een databank van deskundigen op het gebied van de biologie en/of de ecologie, zowel met het oog op de identificatie van soorten en het vervolgen van misdrijven in verband met wilde soorten, zoals stroperij, smokkel en illegale exploitatie, als om rechtshandhavingsinstanties op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau een beter inzicht in dit verschijnsel te verschaffen;

16.

onderstreept de voordelen van een databank met informatiesystemen die worden ingezet voor handhaving bij het bestrijden van georganiseerde criminaliteit en de illegale handel in wilde soorten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan op het niveau van de Unie een databank te creëren met rechtszaken betreffende milieucriminaliteit, inclusief criminaliteit verband houdende met wilde dieren en planten, en met de acties die op het gebied van milieucriminaliteit zijn uitgevoerd door rechtshandhavingsinstanties; is van mening dat een dergelijke databank de centrale verzameling van gegevens mogelijk moet maken en de mate van digitalisering en de beschikbare kennis moet vergroten; merkt op dat het evalueren van historische zaken nuttig kan zijn voor autoriteiten, agentschappen en organisaties die in de praktijk werken;

17.

herinnert aan zijn resolutie van 9 juni 2021 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: De natuur terug in ons leven brengen”, waarin de Commissie wordt opgeroepen om in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld en het “Hulp voor handel”-initiatief van de Wereldhandelsorganisatie begunstigde landen te helpen bij de uitvoering van Cites en andere verdragen en overeenkomsten die essentieel zijn voor de bescherming van de biodiversiteit, door capaciteitsopbouw middels kennisoverdracht, het delen van technologie en vaardighedentraining te faciliteren; wijst op de noodzaak van het versterken van samenwerkingsprogramma’s met niet-EU-landen voor het behoud van hun inheemse biodiversiteit, ook door het voeren van een interparlementaire dialoog, en van het bijstaan van ontwikkelingslanden bij de uitvoering van deze programma’s;

18.

betreurt dat de EU de aanbevelingen in Resolutie Conf. 12.10 (Rev.CoP15) van Cites inzake de registratie van activiteiten die gericht zijn op het fokken in gevangenschap voor commerciële doeleinden van diersoorten waarop bijlage I van toepassing is, niet ten uitvoer legt; is bezorgd dat dit tot hiaten leidt en dat hierdoor de illegale handel wordt bevorderd; roept de lidstaten op deze resolutie integraal uit te voeren en alle relevante fokfaciliteiten voor deze soorten te registreren en zowel de Commissie als het Cites-secretariaat te voorzien van de volledige en accurate registratie-aanvragen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle pogingen tegen te gaan die gericht zijn op verzwakking van het systeem voor de registratie van activiteiten voor fokken in gevangenschap van diersoorten waarop bijlage I van toepassing is;

19.

stimuleert en ondersteunt de uitvoering van moderne en innovatieve methoden om soorten waarop de Cites-overeenkomst van toepassing is, of daaruit verkregen producten, te labelen en te tracken, teneinde een onderscheid mogelijk te maken tussen dieren die in gevangenschap zijn gefokt en dieren die in het wild zijn gevangen en de daaruit verkregen producten;

Besluitvorming, transparantie en rapportage

20.

waardeert de jaarlijkse rapportage over illegale handel als een belangrijke stap voor de ontwikkeling van een beter begrip van illegale handel in wilde dieren en planten en dringt er bij de EU en alle partijen op aan deze rapporten tijdig in te dienen; onderstreept dat deze rapporten ook informatie moeten bevatten over verleende vergunningen en certificaten, hoeveelheid en typen exemplaren en soortnamen als opgenomen in de bijlagen I, II en III;

21.

dringt er bij alle partijen en de EU op aan te zorgen voor transparantie bij de niet-gevoelige activiteiten en werkzaamheden van het Cites-secretariaat, onder meer door de jaarlijkse rapporten over illegale handel openbaar beschikbaar te stellen, en ervoor te zorgen dat gegevens tijdig worden geüpload naar de Cites-handelsdatabase, met inbegrip van informatie over de opdrachtverlening voor rapporten, de omschrijving van de opdracht en de selectie van consultants; dringt er bij alle partijen op aan verdere inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat afwijkingen in uitvoer- en invoervergunningen tot een minimum worden beperkt;

22.

is van mening dat meer transparantie betreffende de commerciële handel in bijlage-I-soorten, inclusief dieren die in gevangenschap zijn gefokt, van essentieel belang is voor de bestrijding van corruptie, illegale handel, smokkel en het “witwassen” van exemplaren;

23.

roept op tot een betere registratie met betrekking tot bijlage I, ook wat betreft exemplaren die in gevangenschap worden gefokt en gehouden, en tot de ontwikkeling van risico-indicatoren verband houdende met het milieu, veiligheid en dierhouderijpraktijken, zoals nadere gegevens over de manier waarop gegevens bijgehouden en beheerd worden, over de wijze van verslaglegging en hoe het voorraad-/inventarissysteem functioneert en over de manier waarop dit gecontroleerd en beveiligd wordt in de zin van vervoer, opslag en verwijdering;

24.

roept de Commissie en de lidstaten nogmaals op het voortouw te nemen bij de beëindiging van de commerciële handel in (delen van) bedreigde soorten, en roept op tot de instelling op Europees niveau van een volledig en onmiddellijk verbod op de commerciële handel, uitvoer of herinvoer van ivoor binnen de EU en naar bestemmingen buiten de EU, met inbegrip van pre-conventie ivoor, en wijst daarbij op de beperkte uitzonderingen die mogelijk moeten blijven voor wetenschappelijke invoer en uitvoer, voor muziekinstrumenten die vóór 1975 legaal zijn verkregen en voor de handel in kunstvoorwerpen en antiek geproduceerd vóór 1947, onder voorwaarde dat zij vergezeld gaan van een geldig certificaat; vraagt om soortgelijke beperkingen voor andere bedreigde soorten, zoals tijgers en neushoorns; vraagt dat een dergelijk verbod zonder verder uitstel wordt toegepast;

25.

is verheugd over de wijzigingen van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie (6) en de herziene richtsnoeren voor de EU-regeling voor de handel in ivoor en dringt er bij de Commissie op aan de tenuitvoerlegging van de herziene verordening door de lidstaten strikt te monitoren; verzoekt de Commissie en de lidstaten deze regels om te zetten in juridisch bindende wetgeving en om resterende lacunes te dichten;

Financiering

26.

merkt met bezorgdheid op dat er voor veel CoP18-besluiten nog steeds geen financiële middelen beschikbaar zijn; dringt er bij alle partijen op aan te zorgen voor voldoende financiering voor de correcte tenuitvoerlegging van de gehele overeenkomst, met inbegrip van de handhaving ervan; verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiële en alle overige steun voor de tenuitvoerlegging van Cites-besluiten te verhogen;

27.

onderstreept dat de uitvoering van veel Cites-besluiten afhankelijk is van de beschikbaarheid van externe financiering; verzoekt de EU en alle partijen bij de overeenkomst te onderzoeken met welke mechanismen ervoor gezorgd kan worden dat externe financiering voor Cites-besluiten in overeenstemming is met de prioriteiten van hun werkprogramma’s en dat ontwikkelingssteun van de EU aan begunstigde landen geen bedreiging vormt voor het voortbestaan van wilde soorten, de biodiversiteit, natuurlijke habitats, ecosystemen en ecosysteemdiensten;

28.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de toenemende werklast van het Cites-secretariaat, de Conferentie van de Partijen en de comités, in verhouding tot de beschikbare middelen; roept de EU op de leiding te nemen bij het oplossen van deze kwestie; dringt er, onder andere, bij alle partijen op aan een robuuste tenuitvoerlegging van ontwerpbesluiten en -aanbevelingen van het permanent comité van Cites te ondersteunen;

Strategische visie voor Cites 2021-2030

29.

is verheugd dat de onderlinge verbanden tussen Cites en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, het VBD en de bevindingen van IPBES erkend worden;

30.

is van mening dat de herziening van de strategische visie voor Cites besproken moet worden tijdens de CoP19, tegen de achtergrond van het mondiale VBD-biodiversiteitskader dat dit jaar vastgesteld wordt, om te waarborgen dat Cites een bijdrage levert aan de uitvoering van dat biodiversiteitskader;

31.

dringt er bij de partijen op aan ervoor te zorgen dat alle handel in wilde flora en fauna tegen 2025 legaal en ecologisch duurzaam is; benadrukt dat het doel moet zijn het uitbannen van de illegale handel in wilde soorten die op de Cites-lijst staan, met inbegrip van in gevangenschap gefokte dieren, en niet alleen het verminderen van het handelsverkeer in die soorten;

32.

benadrukt dat besluiten die door Cites-organen worden vastgesteld, gebaseerd moeten zijn op wetenschappelijke criteria voor de instandhouding van soorten, op de best beschikbare wetenschappelijke informatie en op het voorzorgsbeginsel;

33.

betreurt het ontbreken van de cruciale kwestie van dierenwelzijn in de verklaring omtrent de strategische visie, roept de Commissie, de lidstaten en alle andere partijen om dit aan de orde te stellen;

Een grotere rol voor de EU in de wereldwijde strijd tegen illegale handel in wilde dieren en planten

34.

betreurt de onvolledigheden in de uitvoering van de EU-verordeningen inzake de handel in wilde dieren, aangezien deze niet alle cruciale soorten bestrijken en niet in dezelfde bescherming voorzien voor in gevangenschap gefokte dieren; dringt er bij de Commissie op aan de bestaande wetgeving ter regulering van de handel in wilde dieren en planten te herzien en uit te breiden met het oog op een verbod op de invoer, doorvoer, uitvoer, verkoop, aanschaf of het vervoer van wilde dieren of planten die in strijd met de wetgeving van het land van oorsprong of doorvoer zijn gevangen, in bezit gehouden, vervoerd of verkocht;

35.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om het voortouw te nemen in de inspanningen om de handel in (delen van) bedreigde soorten een halt toe te roepen; beklemtoont het belang dat hiertoe slimme (“SMART: spatial monitoring and reporting tool”) doelstellingen worden vastgesteld;

36.

onderstreept daarnaast dat illegale handel in wilde dieren en planten en duurzame consumptie een systematisch onderdeel van het handelsbeleid van de EU moeten zijn; herhaalt zijn oproep aan de Raad om het VBD te beschouwen als een essentieel onderdeel van vrijhandelsovereenkomsten, mits er bindende mechanismen voor de beoordeling van nationale streefcijfers worden overeengekomen (7); vraagt de Raad om eveneens de Cites-overeenkomst en de Overeenkomst van Parijs als essentiële onderdelen op te nemen in vrijhandelsovereenkomsten en aan te dringen op een doeltreffende uitvoering ervan; benadrukt het belang dat bij de aanstaande herziening van de verordening betreffende een schema van algemene preferenties (8) wordt voorzien in een doeltreffende uitvoering van multilaterale verdragen inzake klimaat- en milieukwesties die binnen het toepassingsgebied van de verordening liggen, met inbegrip van het VBD;

37.

dringt er bij de Commissie op aan de Europese Traces-databank (“Trade Control and Expert System”, een geïntegreerd veterinair computersysteem) zodanig aan te passen dat ook van alle mariene siervissen die verhandeld worden accurate informatie over de soorten, het volume en oorsprong wordt verhandeld en openbaar gemaakt, en zo deze vaak niet-duurzame handel die momenteel niet gereguleerd is te monitoren, mede gezien het feit dat de EU een belangrijke importeur van siervissen is;

38.

herhaalt zijn oproep aan de EU-lidstaten om een op wetenschappelijke gegevens gebaseerde EU-brede positieve lijst op te stellen van dieren die als huisdier zijn toegestaan, mits onder gepaste omstandigheden inzake dierenwelzijn, zonder dat schade wordt berokkend aan populaties in het wild of aan de Europese biodiversiteit; benadrukt in dit verband de noodzaak voor een studie uitgevoerd door de Commissie om de vaststelling van deze lijst te faciliteren, waarbij onder andere de opgedane ervaringen van lidstaten en de lering die hieruit is getrokken, moeten worden meegenomen;

39.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan onverwijld effectieve actie te ondernemen in het kader van hun toezeggingen in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie om de invoer van jachttrofeeën die afkomstig zijn van soorten die in de Cites-lijst zijn opgenomen, te verbieden;

40.

is verheugd over de inspanningen van de EU om ontwikkelingssteun te verlenen aan maatregelen in ontwikkelingslanden die gericht zijn op het bestrijden van de illegale handel in wilde dieren en planten; roept de Commissie op de inspanningen van partnerlanden te ondersteunen die een plek van herkomst zijn van wilde dieren en planten of van de daaruit verkregen producten, die als doorvoerland fungeren en/of een bestemmingsland zijn voor verkopers en kopers, met het oog op het ontwikkelen van haalbare economische alternatieven voor het levensonderhoud en de duurzaamheid van lokale gemeenschappen;

Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten

41.

verheugt zich over de herziening en voortzetting van het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten; verzoekt de Commissie onverwijld een ambitieus EU-actieplan te publiceren;

42.

benadrukt echter dat het succes van het toekomstige EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten grotendeels afhankelijk is van de toewijzing van financiële middelen; roept de EU en de lidstaten dan ook op specifieke begrotingstoewijzingen voor de uitvoering van dat actieplan te reserveren;

43.

is van mening dat het actieplan tot nu toe zowel binnen de EU als in het nabuurschap van de EU onvoldoende impulsen heeft gegeven om de rol van EU-burgers bij het sturen van de vraag naar illegale producten die verband houden met wilde soorten aan te pakken, en is van mening dat het EU-actieplan verstrekt moet worden; verzoekt de Commissie empirisch onderbouwde initiatieven ter vermindering van de vraag uit te voeren in belangrijke consumentenlanden, ook binnen de EU;

44.

benadrukt dat het EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten voldoende financiering moet krijgen, ook voor bijstand aan derde landen en aan opvangcentra en reservaten voor wilde soorten;

45.

is van mening dat het nieuwe EU-actieplan niet alleen het fundament moet vormen voor een betere rechtshandhaving en inspectie-activiteiten door de relevante autoriteiten in de Unie, maar ook voor een betere dataverzameling en gegevenstoegang, waardoor betere trendbeoordelingen en risicoanalyses mogelijk worden; roept de Commissie en de lidstaten op voldoende personele en financiële middelen voor de uitvoering van het actieplan toe te wijzen en te investeren in de capaciteitsopbouw en in de training van handhavings- en gerechtelijke autoriteiten; onderstreept dat het delen en verdiepen van relevante kennis van ambtenaren en het vergroten van het publieke bewustzijn integraal deel moeten uitmaken van het toekomstige plan;

46.

roept de Commissie daarnaast op om als onderdeel van het actieplan duidelijke en uitvoerbare streefcijfers en acties te ontwikkelen, evenals een eenduidig mechanisme voor monitoring en evaluatie;

47.

acht het van cruciaal belang dat het actieplan volledig in lijn is met de biodiversiteitsstrategie voor 2030, en zorgt voor synergieën met de relevante EU-wetgeving en het mondiale biodiversiteitskader voor de periode na 2020; is er vast van overtuigd dat het actieplan met name de nadruk moet leggen op prioritaire soorten en deze in kaart moet brengen, en dat tevens de kwestie van nationaal beschermde soorten die illegaal in de EU worden verhandeld, aangepakt moet worden;

48.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van het herziene actieplan van de EU tegen illegale handel in wilde dieren en planten zowel de online- als offlinehandel aan te pakken, en ervoor te zorgen dat cybercriminaliteit in verband met wilde soorten dezelfde prioriteit krijgt als andere vormen van cybercriminaliteit die een bedreiging vormen voor onder andere de menselijke gezondheid, het milieu, de economie, de veiligheid en het onderwijs, door middel van communicatie, samenwerking en coördinatie tussen de betrokken publieke en private sectoren; roept de Commissie op onverwijld te evalueren op welke wijze de wet inzake digitale diensten (9) als instrument kan fungeren om de illegale onlinehandel in dieren en planten aan te pakken;

49.

merkt op dat er bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat de legale handel in wilde dieren als dekmantel fungeert voor illegale handelsactiviteiten, talloze mogelijkheden tot “witwassen” biedt en de handhaving belemmert; roept de EU op om in het kader van de herziening van het EU-actieplan tegen illegale handel in soorten zowel de legale als de illegale handel in wilde dieren aan te pakken;

50.

benadrukt dat in het actieplan een complete aanpak van de bron tot aan de consument moet worden vastgesteld;

51.

acht het van belang dat de private sector bij het actieplan wordt betrokken om de illegale handel in wilde dieren en planten te bestrijden, en dat er toereikende publieke en private investeringen worden gedaan in onderzoek om ons begrip van de handel in wilde dieren en planten te vergroten;

52.

benadrukt dat in het herziene actieplan de mensenrechten en gender geïntegreerd moeten worden, dat de rol van het maatschappelijk middenveld erkend moet worden, dat de raadpleging van belanghebbenden onderdeel moet zijn van het actieplan en dat publieke participatie gewaarborgd moet zijn;

Georganiseerde misdaad, cyberveiligheid en in beslag genomen dieren

53.

dringt er bij de lidstaten op aan via hun daartoe bevoegde instanties te werken aan grensoverschrijdende samenwerking en coördinatie met uiteenlopende relevante internationale autoriteiten en instanties, teneinde de betrokkenheid van georganiseerde criminele groeperingen bij de illegale handel in wilde dieren en planten te bestrijden;

54.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om in het kader van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad de voorbereiding en goedkeuring van een ambitieus en effectief protocol inzake milieumisdrijven te bevorderen, waarnaar ook wordt verwezen in de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025) (10), met in dat protocol tevens een bepaling die de partijen verplicht om de invoer van en de handel in wilde dieren en planten die illegaal uit het land van herkomst zijn gehaald, strafbaar te stellen;

55.

is zeer ingenomen met het voorstel voor de herziening van de richtlijn milieucriminaliteit (2008/99/EG) waarmee de meeste vormen van milieucriminaliteit in de richtlijn worden opgenomen zodat voor deze misdrijven geharmoniseerde, afschrikkende, effectieve en evenredige sancties of straffen kunnen worden uitgedeeld;

56.

roept de Commissie op coördinatie te waarborgen bij de uitvoering van de richtlijn milieucriminaliteit, de EU-verordeningen inzake de handel in wilde dieren en planten en het herziene EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten, waarbij optimaal gebruik gemaakt moet worden van de instrumenten die binnen de verschillende kaders worden aangeboden;

57.

roept op de illegale, niet-gerapporteerde en ongereglementeerde visserij en onderwatergeluidsvervuiling toe te voegen aan de lijst met milieumisdrijven in de herziene richtlijn milieucriminaliteit;

58.

betreurt dat dierenwelzijn in het voorstel ontbreekt; roept de Commissie op te waarborgen dat wreedheid tegen dieren als een verzwarende omstandigheid wordt aangemerkt waarvoor onder de herziene richtlijn milieucriminaliteit strengere straffen kunnen worden opgelegd;

59.

dringt er bij de Commissie op aan specifieke EU-richtsnoeren vast te stellen om cybercriminaliteit die verband houdt met wilde dieren en planten aan te pakken teneinde geharmoniseerd beleid in de lidstaten en samenwerking tussen alle relevante betrokken partijen te waarborgen;

60.

dringt er bij de lidstaten op aan de Cites-besluiten 18.81-18.85, over criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten via internet, effectief en volledig uit te voeren en daarbij optimaal gebruik te maken van de richtlijnen van Interpol, getiteld “Wildlife Crime Linked to the Internet — Practical Guidelines for Law Enforcement Practitioners” die zijn ontwikkeld om uitvoering te geven aan de relevante bepalingen van Cites-besluit 17.93;

61.

dringt er bij de EU op aan initiatieven te ondersteunen en te bevorderen om de capaciteit voor de opvang en rehabilitatie van wilde dieren en planten aanzienlijk te verhogen door het beschikbaar stellen van middelen, financiering, training, en voornamelijk door het creëren van een netwerk van bevoegde en geaccrediteerde opvangcentra en reservaten, en nationale actieplannen voor het beheer van in beslag genomen levende dieren;

62.

merkt op dat een tekortschietende capaciteit aan nationale opvangcentra en reservaten een oorzaak kan zijn van gebrekkige handhaving door lidstaten van de relevante bepalingen inzake de handel in wilde dieren en planten, hetgeen kan leiden tot maatregelen die onvoldoende zijn om criminaliteit die verband houdt met wilde dieren en planten te ontmoedigen; is van mening dat in de herziene richtlijn milieucriminaliteit bijvoorbeeld ook regels kunnen worden opgenomen voor het beheer van de in beslag genomen opbrengsten, met inbegrip van passende zorg voor in beslag genomen levende dieren;

63.

onderstreept bovendien het belang van systematische financiële onderzoeken en procedures voor de ontneming van vermogensbestanddelen; roept de EU en haar lidstaten op maatregelen te ondersteunen die gericht zijn op het confisqueren van verstorende illegale financiële stromen en van de opbrengsten van criminaliteit die verband houdt met wilde dieren en planten;

64.

verzoekt de lidstaten om op consistente en transparante wijze bij Cites, Europol en bij de landen van herkomst melding te maken van alle in beslag genomen of geconfisqueerde levende dieren, en deze manier van rapporteren te bevorderen;

De “één gezondheid”-benadering en de rol van Cites bij het verkleinen van het risico op toekomstige zoönotische ziekten in verband met de internationale handel in wilde dieren en planten

65.

herinnert eraan dat volgens IPBES 70 % van de nieuwe ziekten en pandemieën van dierlijke oorsprong is; uit zijn diepe bezorgdheid, met name ook in het licht van de aanhoudende COVID-19-pandemie, over het steeds frequenter opduiken van nieuwe zoönotische ziekten die van dieren op mensen worden overgedragen (antropozoönosen), hetgeen wordt verergerd door klimaatverandering, milieuaantasting, veranderingen in landgebruik, ontbossing, de vernietiging en bedreiging van de biodiversiteit en van natuurlijke habitats, de illegale handel in wilde dieren en niet-duurzame voedselproductie- en -consumptiepatronen; onderstreept dat het noodzakelijk is meer kennis te verwerven over het verband tussen enerzijds het opduiken van nieuwe ziekten en anderzijds de legale en illegale handel in wilde dieren, het behoud en de achteruitgang van ecosystemen;

66.

wijst erop dat het risico op pandemieën aanzienlijk kan worden verlaagd door menselijke activiteiten die bijdragen aan biodiversiteitsverlies te beperken, en dat de geschatte kosten van het beperken van het risico op pandemieën 100 keer lager zijn dan de kosten van de bestrijding ervan; benadrukt dat het van het allergrootste belang is om habitats van wilde dieren te beschermen en te herstellen om een nieuwe pandemie van dierlijke oorsprong te voorkomen; dringt er bij alle partijen op aan hun inspanningen te verhogen;

67.

dringt er bij de EU en alle andere partijen op aan het welzijn van zowel levende dieren die worden verhandeld als dieren in fokfaciliteiten te waarborgen, gezien het bestaan van wetenschappelijk bewijs dat slechte dierenwelzijnsomstandigheden tijdens het houden, vervoeren en verhandelen van dieren verband houden met de uitbraak en verspreiding van ziekten en derhalve een bedreiging vormen voor de gezondheid van mensen en dieren; benadrukt in dit verband het voordeel van een EU-brede positieve lijst van dieren die als huisdier zijn toegestaan;

68.

verzoekt de Commissie om de regelgevingsdialoog waarin is voorzien in vrijhandelsovereenkomsten, te gebruiken om strikte Europese sanitaire en fytosanitaire normen en normen inzake dierenwelzijn te bevorderen teneinde het risico op toekomstige epidemieën en pandemieën te beperken; verzoekt de Commissie verder indien nodig te overwegen een moratorium in te stellen op de invoer van wilde dieren of andere soorten uit hotspots voor opkomende infectieziekten, teneinde zorgen omtrent de veiligheid aan te pakken;

69.

benadrukt de belangrijke rol die voor Cites als internationale toezichthouder voor de handel in wilde soorten is weggelegd bij het voorkomen van toekomstige pandemieën;

70.

onderstreept de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, waarin de nationale bevoegde autoriteiten worden opgeroepen om als noodmaatregel de handel in levende gevangen wilde zoogdieren voor voedings- of fokdoeleinden op te schorten en gedeelten van voedselmarkten die levende gevangen wilde zoogdieren verkopen, af te sluiten tenzij aantoonbaar doeltreffende regelgeving van kracht is en een adequate risicobeoordeling is gedaan, en onderstreept de aanbevelingen van IPBES om levende soorten die door deskundigen zijn aangemerkt als een hoog risico voor het ontstaan van ziekten, uit de handel in wilde soorten te verwijderen; roept de Commissie en de lidstaten van de EU op de mondiale gemeenschap te ondersteunen bij het aanpakken van de commerciële handel in en verkoop op markten van levende wilde dieren voor menselijke consumptie, met name vogels en zoogdieren, met het oog op de geleidelijke beëindiging van deze handelsactiviteiten als belangrijke stap richting het doel om pandemieën met een zoönotische oorsprong in de toekomst te voorkomen;

71.

benadrukt de belangrijke rol van de Commissie en de lidstaten bij het coördineren en ondersteunen van de “één gezondheid”-benadering en het bepleiten van de toepassing daarvan in alle internationale fora; dringt aan op de snelle aanneming van een nieuwe resolutie waarin de partijen worden aangemoedigd een “één gezondheid”-benadering te institutionaliseren ten aanzien van het gebruik van en de handel in wilde soorten, daarbij gebruikmakend van de operationele definitie van “één gezondheid” van het “één gezondheid”-panel van deskundigen op hoog niveau, zowel wat betreft de overeenkomst als hun nationale wetgeving, en dringt erop aan bij het evalueren van aanvragen voor handelsvergunningen en certificaten met betrekking tot wilde soorten passende risicoanalyses en preventieprogramma’s uit te voeren met betrekking tot de gezondheid van mens, dier en milieu;

72.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat er nog steeds aanzienlijke hoeveelheden vlees van tamme en wilde dieren door vliegtuigpassagiers de lidstaten worden binnengesmokkeld met de bijbehorende risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren en voor de biodiversiteit; roept de Commissie op om met de lidstaten de gegevensverzameling betreffende deze kwestie op te voeren en een EU-respons met betrekking tot illegale vleesinvoer te ondersteunen en te coördineren;

73.

is verheugd over de intentie van Cites om een samenwerking op te zetten met de OIE, met het oog op het ontwikkelen van een gemeenschappelijk werkprogramma om gezamenlijk de ontbrekende kennis op te bouwen en effectieve en praktische oplossingen in kaart te brengen ter reductie van pathogene overlooprisico’s in de toeleveringsketens van wilde dieren en planten; moedigt Cites aan om door te gaan met de intensivering van de actieve samenwerking met andere internationale organisaties en overeenkomsten die betrokken zijn bij de preventie van zoönotische ziekten via een “één gezondheid”-benadering;

74.

roept in herinnering dat de betrokkenheid van de inheemse bevolking en lokale gemeenschappen van belang is in verband met het behoud van soorten en de uitvoering van de overeenkomst; onderkent dat bepaalde gemeenschappen voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van soorten die op de Cites-lijst voorkomen; betreurt dat een zekere mate van erkenning van autochtone en plaatselijke gemeenschappen (IPLC’s, “indigenous peoples and local communities”) in Cites ontbreekt, in tegenstelling tot het VBD; is van mening dat de Cites-bijeenkomsten profijt zouden hebben van een grotere vertegenwoordiging en participatie van IPLC’s en betreurt het gebrek aan vooruitgang op dit punt tot nu toe; dringt er bij de partijen en het secretariaat op aan te blijven werken aan het definiëren en uitvoeren van effectieve mechanismen om te waarborgen dat de stem van IPLC’s wordt gehoord;

75.

roept de Wereldgezondheidsorganisatie op zich uit te spreken tegen het gebruik van wilde dieren in geneesmiddelen, met name tegen het gebruik van soorten die op de rode lijst van de IUCN als (bijna) bedreigd of kwetsbaar worden geclassificeerd;

Amendementen op de Cites-bijlagen

76.

steunt nadrukkelijk de door de EU en haar lidstaten ingediende voorstellen voor opname in de lijst tot wijziging van de Cites-bijlagen;

77.

verzoekt de EU-lidstaten om voorstellen aan CoP19 om soorten op de lijst te zetten of te verplaatsen van bijlage II naar bijlage I, die worden ingediend of gesteund door landen in verspreidingsgebieden, te steunen;

78.

roept de EU-lidstaten en alle andere partijen op de bij CoP19 ingediende voorstellen voor een betere bescherming van reptielen, amfibieën, vogels, vissen en zoogdieren die bedreigd worden door de internationale handel gericht op de huisdierenmarkt, te steunen, aangezien zowel de markt voor exotische huisdieren als het scala aan getroffen soorten zowel binnen de EU als internationaal groeiende is;

79.

verzoekt de EU en alle partijen bij Cites zich in al hun formele standpunten over werkdocumenten en voorstellen voor opname in de lijst te houden aan het voorzorgsbeginsel met betrekking tot de bescherming van soorten, en daarbij met name volledig rekening te houden met het beginsel dat de gebruiker betaalt, het beginsel va preventieve actie, het beginsel van de best beschikbare wetenschappelijke informatie en de ecosysteembenadering;

80.

dringt er bij de EU op aan een oproep te doen voor een herziening van Resolutie Conf. 9.21 (Rev.CoP18) betreffende de interpretatie en toepassing van quota voor soorten die opgenomen zijn in bijlage I, teneinde de frequentie waarmee de quota van deze soorten, die op grond van de bijlagen het hoogste beschermingsniveau genieten, herzien worden, omhoog bij te stellen, aangezien de huidige periode van negen jaar (drie tussenliggende perioden tussen conferenties) te lang is;

81.

steunt de aanbevelingen voor een betere bescherming en instandhouding van soorten, waaronder haaien en roggen, zeeschildpadden, zeepaarden, grote katachtigen, olifanten, Tibetaanse antilopen en saiga-antilopen;

82.

dringt er bij de EU op aan haar steun te geven aan de oprichting van een transparant en inclusief proces voor een nadere uitgebreide, tijdgebonden herziening van Res. Conf. 10.21 inzake het vervoer van levende exemplaren en de bijbehorende Cites-richtsnoeren voor vervoer anders dan door de lucht; roept op binnen het comité voor het transport van dieren en planten een gezamenlijke werkgroep op te richten met een mandaat om een periodieke herziening van die richtsnoeren te overzien en amendementen te ontwikkelen met betrekking tot Res. Conf. 10.21 (Rev.CoP16), om de gedetailleerde vervoersvereisten te verbeteren door de verantwoordelijkheden voor de naleving ervan te verduidelijken, en om de uitvoering ervan door de partijen te evalueren;

83.

roept de EU en haar lidstaten op de vaststelling van een besluit, dat is voorgesteld door het permanent comité, om de Cites-taskforce “neushoornhandhaving” weer bijeen te roepen, te ondersteunen, in welk verband het belangrijk is te benadrukken dat de stroperij en illegale handel in de hoorn van neushoorns een grote bedreiging vormt voor het overleven van de Afrikaanse en Aziatische neushoorn;

Soortspecifieke aangelegenheden

Haaien en roggen

84.

onderstreept dat haaien en roggen een essentiële rol spelen bij het gezond houden van het oceaanleven en dat sinds Cites CoP18 uit nieuw onderzoek is gebleken dat 37 % van de haaien- en roggensoorten al met uitsterven wordt bedreigd, hetgeen na de amfibieën het hoogste percentage is van alle gewervelde groepen (11); benadrukt dat een van de primaire oorzaken van deze afname de internationale handel in producten van deze soorten is en dat de EU een belangrijke exporteur en handelaar is in delen van haaien en uit haaien vervaardigde producten;

85.

betreurt dat tot op heden slechts 25 % van de soorten waarvan de vinnen worden verhandeld, is opgenomen op de lijst van Cites-bijlage II; dringt er bij de EU op aan het secretariaat, het permanent comité en de Cites-partijen te verzoeken om de zorgwekkende en kritieke discrepantie tussen de vangst- en handelsniveaus van haaiensoorten op de Cites-lijst, als vastgesteld in SC74 Doc. 67.2, nader te onderzoeken en aan te pakken, en potentiële bronnen van te lage rapportages of illegale handel in haaiensoorten op de Cites-lijst in kaart te brengen;

86.

is derhalve ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad waarin een voorstel voor bijlage II is opgenomen om de gehele familie van de hamerhaaien onder de Cites-verordening te laten vallen;

87.

spoort de EU aan, gezien haar belangrijke rol in de wereldwijde visserij op en handel in haaien, steun te verlenen aan het voorstel van CoP19-gastland Panama om requiemhaaien (van de Carcharhinidae-familie) op te nemen in bijlage II, en de rest van de Carcharhinidae-familie op te nemen als “dubbelgangersoorten” op grond van hun uiterlijke overeenkomsten;

Grote katachtigen

88.

onderkent dat een aantal van de grote katachtigen tot de meest bedreigde Cites-soorten behoort, met populaties die dermate blijven afnemen dat onlangs in een aantal landen op nationaal niveau het punt van uitsterven is bereikt, en onderkent tevens dat de instandhouding van en handel in grote katachtigen op de Cites-lijst te lijden heeft gehad onder een gebrek aan aandacht en financiële middelen vergeleken met andere Cites-kwesties;

89.

dringt er bij de EU op aan een fonds voor de instandhouding van grote kattensoorten op te richten dat onder meer de uitvoering steunt van Cites-resoluties en -besluiten die specifiek gericht zijn op de grote katachtigen, evenals de uitvoering van tijdgebonden, landspecifieke aanbevelingen en van besluiten en output van de Cites-taskforce voor grote katachtigen;

90.

dringt er daarnaast bij de EU op aan te waarborgen dat het Cites-secretariaat een op risico’s gebaseerde aanpak hanteert bij de uitvoering van de Cites-missies naar landen met centra waar Aziatische grote katachtigen gevangen worden gehouden en waarover zorgen bestaan;

91.

neemt met grote bezorgdheid nota van het feit dat alle vijf de soorten van het Panthera-geslacht (tijgers, leeuwen, jaguars, panters en sneeuwpanters) een ongunstige staat van instandhouding hebben, variërend van “bijna bedreigd” tot “bedreigd”, terwijl hun populaties afnemen;

92.

dringt er bij alle partijen op aan de commerciële handel in de vijf soorten van het Panthera-geslacht (tijgers, leeuwen, jaguars, panters en sneeuwpanters) zonder uitzondering te verbieden; roept de lidstaten daarnaast op een verbod in te stellen op het fokken in gevangenschap van dergelijke soorten door private entiteiten anders dan gecertificeerde dierentuinen, omdat dit de illegale handel in deze soorten in de hand kan werken;

93.

wijst erop dat de legale commerciële handel van in gevangenschap gefokte soorten zoals tijgers en andere grote katachtigen bijzonder schadelijk is aangezien het een vraagstimulans teweegbrengt, de handhaving bemoeilijkt en talloze mogelijkheden tot “witwassen” biedt;

94.

roept op tijgerboerderijen te sluiten en alle commerciële handel in (delen van) tijgers die in gevangenschap zijn gefokt te beëindigen;

95.

roept de Commissie, de lidstaten en alle Cites-partijen op te waarborgen dat de Afrikaanse leeuw opgenomen wordt in bijlage I met het oog op een optimale beschermingsstatus, en roept op tot hard optreden tegen de illegale handel in de Afrikaanse leeuw, die met name voor Aziatische landen bestemd is;

Olifanten

96.

verzoekt de Commissie de opname van alle Afrikaanse olifantenpopulaties in bijlage I bij Cites volledig te steunen en actief te bepleiten, en weerstand te bieden aan alle pogingen om olifantenpopulaties te verplaatsen van bijlage I naar bijlage II;

97.

roept de Commissie en de lidstaten op de ontwikkeling te ondersteunen van een eenvoudig en uniform wettelijk kader voor de handel van levende, in het wild gevangen Afrikaanse olifanten, waarbij de uitvoer beperkt wordt tot in situ instandhoudingsprogramma’s of veilige gebieden in het wild binnen het natuurlijk en historische verspreidingsgebied van de soort in Afrika;

98.

onderstreept het standpunt van de landen die deel uitmaken van het verspreidingsgebied van de Afrikaanse olifant en die behoren tot de Afrikaanse Olifantencoalitie, en het standpunt van de Specialistengroep Afrikaanse Olifanten van de IUCN Species Survival Commission, die zich verzetten tegen elke verwijdering van Afrikaanse olifanten uit het wild voor een bestemming in gevangenschap;

99.

dringt er bij de EU op aan de aandacht te vestigen op de gebrekkige voortgang bij de uitvoering van alle bepalingen van Cites-besluiten 18.226 en 18.227, en alle partijen met nadruk aan te moedigen deze bepalingen volledig in praktijk te brengen, en daarbij nota te nemen van de toezeggingen van een aantal landen die deel uitmaken van het verspreidingsgebied van de Aziatische olifant om betrouwbaardere systemen in te voeren voor het registreren, merken en traceren van levende Aziatische olifanten;

100.

dringt aan op de dringende sluiting van alle resterende legale nationale ivoormarkten, zoals die in Japan, en roept de EU en alle partijen op zich te verzetten tegen elk voorstel waarmee gepoogd wordt de beperkingen op de handel in ivoor op te heffen;

101.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om meer transparantie en een beter beheer van ivoorvoorraden te eisen, en aan te sturen op de vernietiging ervan;

102.

roept de EU op vervolg te geven aan haar suggestie tijdens de 74e bijeenkomst van het permanente comité van Cites om ervoor te zorgen dat in de rapportages van het informatiesysteem over de handel in olifanten (ETIS, “Elephant Trade Information System”), met inbegrip van de rapportage die aan CoP19 wordt overgelegd, een analyse wordt opgenomen van inbeslagnames van ivoor per land met een legale nationale markt voor commerciële handel in ivoor, en roept de EU daarnaast op het secretariaat van Cites te verzoeken om informatie die verzameld is via het Verslag over de controle op het illegaal doden van olifanten (MIKE, “Monitoring the Illegal Killing of Elephants”), ETIS en het proces van nationale ivooractieplannen (het NIAP-proces) te gebruiken met het oog op een analyse van de locaties waar zich naar alle waarschijnlijkheid de grootste ongeregistreerde ivoorvoorraden bevinden;

103.

roept de EU en haar lidstaten op een aanbeveling voor herziening van het NIAP-proces te steunen, om ervoor te zorgen dat het geschikt blijft voor het beoogde doel, en roept de betrokken partijen bij het NIAP-proces inzake ivoorvoorraden op verdere inspanningen te leveren;

104.

roept de EU op te waarborgen dat ETIS, net als in de meer dan twintig voorgaande jaren, ook in de toekomst als robuust mechanisme en betrouwbare informatiebron inzake tendensen in de illegale ivoorhandel blijft functioneren;

Andere soorten

105.

roept de EU en alle partijen op:

voorstellen te steunen om het gewone nijlpaard, Hippopotamus amphibius, in bijlage I op te nemen, gezien de blijvende zorgen in verband met de afnemende populatie en de handel in deze soort;

voorstellen te steunen om verdere schilpaddensoorten op te nemen in de Cites-bijlagen, waaronder de soorten behorende tot de geslachten Kinosternon, Claudius en Staurotypus;

het voorstel te steunen van Costa Rica, dat tevens de steun geniet van andere landen in het verspreidingsgebied, om glaskikkers (de Centrolenidae-familie) op te nemen in bijlage II bij Cites, om te waarborgen dat de handel in deze soorten legaal en duurzaam is;

er bij Botswana op aan te dringen verslag uit te brengen over de activiteiten die door het land worden uitgevoerd om het stropen van en de illegale handen in neushoorns aan te pakken op grond van Resolutie Conf. 9.14 (Rev.CoP17) betreffende de instandhouding van en handel in Afrikaanse en Aziatische neushoorns, gezien de ernstige zorgen over de toenemende neushoornstroperij in Botswana sinds CoP18;

besluiten en/of amendementen te steunen betreffende Resolutie Conf. 17.10 over de instandhouding van en handel in schubdieren om partijen met een nationale markt in deze soort te stimuleren alle nodige maatregelen te nemen om deze markten te sluiten en hun schubdierenvoorraad te vernietigen;

besluiten te steunen waarin Mexico ter verantwoording wordt geroepen voor het feit dat het land er niet in slaagt om de illegale visserij op en handel in Totoaba macdonaldi te voorkomen, ondanks het feit dat deze soort op de lijst van bijlage I staat, waardoor uitsterving dreigt voor de vaquita (Phocoena sinus), inclusief overweging van een opschorting van de commerciële handel van soorten die op de Cites-lijst staan in overeenstemming met Res.Conf 14.3;

106.

roept Hongkong en China op hun grenscontroles te intensiveren om invoer van totoaba’s, voornamelijk met bestemming China, tegen te houden;

107.

spoort alle partijen aan de handel in totoaba’s volledig te verbieden;

o

o o

108.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en het Cites-secretariaat.

(1)  PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.

(2)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(3)  Voedsel- en Landbouworganisatie, “The State of the World Forests 2022” (De toestand van bossen wereldwijd 2022 — Op weg naar groen herstel van bossen en een inclusieve, veerkrachtige en duurzame economie), Rome, 2022.

(4)  Internationaal Fonds voor dierenwelzijn, “Aanbod en vraag: de rol van de EU in de wereldwijde handel in haaien”, 2022.

(5)  IUCN, “Nieuwe bedreigde en ernstig bedreigde Afrikaanse olifantensoorten — de rode lijst van de IUCN”, 25 maart 2021.

(6)  Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1).

(7)  PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.

(8)  Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).

(9)  Voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (wet inzake digitale diensten) en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (COM(2020)0825).

(10)  Mededeling van de Commissie van 14 april 2021 over de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025) (COM(2021)0170).

(11)  IUCN Species Survival Commission — Shark Specialist Group, “New Global Study Finds Unprecedented Shark and Ray Extinction Risk”, 6 september 2021.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/54


P9_TA(2022)0346

Toegang tot water als mensenrecht — de externe dimensie

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over toegang tot water als mensenrecht — de externe dimensie (2021/2187(INI))

(2023/C 132/06)

Het Europees Parlement,

gezien resolutie 64/292 van de Algemene Vergadering van de VN van 28 juli 2010, waarin het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen wordt erkend,

gezien resolutie 68/157 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2013 over het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen,

gezien resolutie 45/8 van de VN-Mensenrechtenraad van 6 oktober 2020 over het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen,

gezien resolutie 48/13 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 oktober 2021 over het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen,

gezien resolutie 71/222 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 over het internationaal decennium voor actie — water voor duurzame ontwikkeling 2018-2028,

gezien resolutie 75/212 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2020 over de Conferentie van de Verenigde Naties over de alomvattende tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de doelstellingen van het internationaal decennium voor actie — water voor duurzame ontwikkeling 2018-2028 (VN-waterconferentie 2023),

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten alsook de algemene opmerkingen van het VN-comité inzake economische, sociale en culturele rechten,

gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

gezien de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 is afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

gezien algemene opmerking nr. 15 (2002) van het VN-Comité inzake economische, sociale en culturele rechten over het recht op water,

gezien de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren en IAO-Verdrag nr. 169 van 1989 over inheemse en in stamverband levende volkeren,

gezien het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren van 1992 (Waterverdrag), dat aanvankelijk als regionaal instrument is onderhandeld en in 2016 is opengesteld voor toetreding voor alle VN-lidstaten,

gezien het Verdrag inzake het recht betreffende het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor scheepvaart van 1997,

gezien het Protocol betreffende water en gezondheid van de VN/ECE-WHO van 1999 bij het Waterverdrag, dat een kader biedt om het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen in de praktijk te vertalen,

gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN, met name SDG 6 over drinkwater en sanitaire voorzieningen, en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

gezien het VN-verslag van 19 maart 2019 over het beheer van de watervoorraden in de wereld, getiteld “Leaving no one behind”,

gezien de verslagen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN getiteld “The State of Food and Agriculture” van 2020 en 2021,

gezien het verslag van de speciale rapporteur voor het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen over de risico’s en gevolgen van de commercialisering en de financialisering van water voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen van 16 juli 2021 en zijn verslag over de mensenrechten en de privatisering van water en sanitaire voorzieningen van 21 juli 2020,

gezien het “World Water Development Report” van de VN van 2021, getiteld “Valuing Water”,

gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren van 17 juni 2019 inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen,

gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (1) (kaderrichtlijn water),

gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (2),

gezien Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (3),

gezien Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 betreffende het Europees burgerinitiatief “Water en sanitaire voorzieningen zijn een mensenrecht! Water is een publiek goed, geen handelswaar!” (COM(2014)0177),

gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (5),

gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2018 over waterdiplomatie, van 17 juni 2019 over de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen en van 19 november 2021 over water in het externe optreden van de EU,

gezien het Europees burgerinitiatief “Right2Water” en zijn resolutie van 8 september 2015 over de follow-up van dat burgerinitiatief (6),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (7),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2021 met aanbevelingen aan de Commissie inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven en verantwoordingsplicht van ondernemingen (8),

gezien bestaande succesvolle methoden voor grensoverschrijdende samenwerking, zoals gedachtewisselingen tussen water- en afvalwaterbedrijven in de noordse landen sinds de jaren tachtig en de oprichting van een gezamenlijke noordse vereniging voor hydrologie in 1970, de jaarlijkse vergadering van noordse wateradviseurs, de noordse waterfora en de uitgebreide noordse samenwerking op het gebied van waterbeheer,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0231/2022),

A.

overwegende dat het recht op veilig en schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen in resolutie 64/292 van de Algemene Vergadering van de VN wordt erkend als een mensenrecht dat essentieel is voor het volledig genot van het leven en alle mensenrechten; overwegende dat er zonder water geen leven mogelijk is en dat beide rechten afhankelijk zijn van elkaar en essentieel zijn voor een waardig leven; overwegende een duurzame en universele toegang tot schoon water niet mogelijk is zonder werkende sanitaire voorzieningen; overwegende dat water en waterlopen ook een sterke culturele, spirituele en religieuze dimensie hebben vanwege hun fundamentele rol in het leven van de samenleving;

B.

overwegende dat beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten, namelijk toegang tot essentiële diensten, een uitdrukkelijke verwijzing bevat naar het recht van burgers op water en sanitaire voorzieningen;

C.

overwegende dat de ontzegging van het mensenrecht op water gevolgen heeft voor het genot van het recht op leven en gezondheid, aangezien verontreinigd water, gebrekkig beheer van afvalwater en slechte sanitaire voorzieningen verband houden met de overdracht van ernstige ziekten en zelfs met sterfte; overwegende dat water en sanitaire voorzieningen een van de hoekstenen van de volksgezondheid vormen; overwegende dat diarree de vierde doodsoorzaak is bij kinderen jonger dan vijf jaar en een van de belangrijkste oorzaken van chronische ondervoeding is; overwegende dat toegang tot schoon water, sanitaire voorzieningen en hygiëne onontbeerlijk is om wereldwijd bestand te zijn tegen pandemieën en andere infectieziekten en om de opkomende dreiging van antimicrobiële resistentie tegen te gaan;

D.

overwegende dat de COVID-19-pandemie de meest kwetsbare mensen het hardst heeft getroffen en opnieuw heeft aangetoond dat er wereldwijd behoefte is aan schoon en voldoende water en sanitaire voorzieningen; overwegende dat de beschikbaarheid van en toegang tot watervoorziening, sanitaire voorzieningen en hygiënische diensten (“WASH”), ook voor kwetsbare of gemarginaliseerde personen, van fundamenteel belang zijn voor de bestrijding van de COVID-19-pandemie;

E.

overwegende dat 80 tot 90 % van het afvalwater in ontwikkelingslanden rechtstreeks in rivieren, meren en zeeën wordt geloosd, waardoor door water overgedragen ziekten worden veroorzaakt en het milieu ernstig wordt geschaad; overwegende dat het leven van miljoenen arme mensen afhankelijk is van de goede staat van waterbronnen, niet alleen voor de drinkwatervoorziening, maar ook voor de voedselproductie in de landbouw, de veeteelt en de visserij;

F.

overwegende dat het gebrek aan eerbied voor en bescherming en naleving van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen vaak het recht op onderwijs belemmert; overwegende dat kinderen, en in veel gevallen meisjes, elke dag gemiddeld zes kilometer moeten lopen om water te halen, waardoor ze niet naar school kunnen gaan; overwegende dat de opportuniteitskosten van water halen hoog zijn en verstrekkende gevolgen hebben, aangezien ze de tijd die beschikbaar is voor andere belangrijke activiteiten aanzienlijk verkorten;

G.

overwegende dat veel kinderen de school niet afmaken door ziekten die samenhangen met verontreinigd water of slechte hygiënische praktijken; overwegende dat een op de drie kinderen geen passende toegang heeft tot water en sanitaire voorzieningen op school; overwegende dat uit het VN-verslag over de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van 2021 blijkt dat wereldwijd ruim een vijfde van de basisscholen niet beschikte over elementaire drinkwatervoorzieningen of aparte toiletten voor jongens en meisjes, en ruim een derde niet beschikte over basisvoorzieningen om de handen te wassen; overwegende dat meisjes zich ook genoopt zien om de school niet af te maken wanneer zij geen toegang hebben tot aan hun gender aangepaste toiletten en niet op een waardige manier met hun menstruatie kunnen omgaan;

H.

overwegende dat ook kinderen met een handicap moeilijk toegang krijgen tot onderwijs door het gebrek aan aangepaste toiletten en sanitaire voorzieningen; overwegende dat volgens de Unesco meer dan 90 % van alle kinderen met een handicap niet naar school gaat en meisjes met een handicap veel vaker de school niet afmaken dan jongens met een handicap; overwegende dat drinkwater essentieel is om geconcentreerd te kunnen leren;

I.

overwegende dat de nadelen die tal van vrouwen en meisjes, personen met een handicap en ouderen ondervinden op het gebied van water, sanitaire voorzieningen en hygiëne velerlei vormen aannemen en gevolgen hebben voor hun algemene gezondheid, welzijn en waardigheid, reproductieve gezondheid, onderwijs, voeding, veiligheid en economische en politieke participatie; overwegende dat met name moeders van kinderen met een handicap zich genoopt zien hun baan op te geven om hun kinderen te helpen naar het toilet te gaan en thuisonderwijs te geven wanneer scholen geen toegankelijke toiletten hebben;

J.

overwegende dat vrouwen en meisjes in veel landen van het Globale Zuiden traditioneel verantwoordelijk zijn voor de watervoorziening voor huishoudelijk gebruik en dat deze verantwoordelijkheden hen kwetsbaarder maken voor ziekten en geweld; overwegende dat vrouwen en meisjes een groter risico lopen het slachtoffer te worden van agressie en seksueel en gendergerelateerd geweld, intimidatie en andere bedreigingen voor hun veiligheid wanneer zij water halen voor het huishouden en wanneer zij sanitaire voorzieningen buitenshuis gebruiken;

K.

overwegende dat het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, zoals in de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen wordt vermeld, betrekking heeft op beschikbaarheid, toegankelijkheid, betrouwbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid en de beginselen van de op mensenrechten gebaseerde aanpak (non-discriminatie, verantwoordingsplicht, transparantie, participatie enz.);

L.

overwegende dat SDG nr. 6 van de VN erin bestaat ervoor te zorgen dat de hele wereld tegen 2030 universele en billijke toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen heeft; overwegende dat deze doelstelling, ondanks de geboekte vooruitgang, volgens het recentste voortgangsverslag van UN-Water nog ver buiten bereik is en ondergefinancierd is, en dat er nog steeds aanzienlijke uitdagingen zijn, zowel voor de verwezenlijking ervan als bij het aanpakken van de grote ongelijkheden tussen en binnen landen wat betreft de toegang tot elementaire water- en sanitaire voorzieningen;

M.

overwegende dat uit het VN-verslag over de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van 2021 blijkt dat in 2020 2 miljard mensen nog steeds niet over veilig beheerd drinkwater beschikten, 3,6 miljard mensen niet over veilig beheerde sanitaire voorzieningen beschikten en 2,3 miljard mensen niet over elementaire hygiënevoorzieningen beschikten, en dat 129 landen nog niet op schema lagen om in 2030 over duurzaam beheerde watervoorraden te beschikken; overwegende dat toegang tot water gunstige voorwaarden schept voor economische ontwikkeling en dat deze voorwaarden kwetsbare mensen in staat zullen stellen financieel onafhankelijk te worden;

N.

overwegende dat de verwezenlijking van een universele, veilig beheerde watervoorziening en sanitaire voorzieningen tussen 2021 en 2040 een nettovoordeel van 37 à 86 miljard USD per jaar zou opleveren;

O.

overwegende dat water een beperkte hulpbron is; overwegende dat de beschikbare hoeveelheid zoet water per persoon in de afgelopen twee decennia drastisch is afgenomen; overwegende dat een onevenwichtige verdeling van de bevolkingsgroei en de ontvolking van plattelandsgebieden, de intensivering van de landbouw, de gevolgen van de klimaatverandering en de aantasting van het milieu, alsook bepaalde onwettige en vervuilende praktijken bij het watergebruik, in vele regio’s steeds grotere problemen opleveren voor de toegang tot water en in de toekomst nog meer toegangsproblemen zullen veroorzaken;

P.

overwegende dat een groot deel van de nettogroei van de wereldbevolking tot 2050 in de steden van de ontwikkelingslanden zal plaatsvinden, waardoor de vraag naar water en voedsel in de steden zal toenemen; overwegende dat er volgens het World Water Development Report 2019 van de VN in 2050 20 à 30 % meer water zou kunnen worden gebruikt dan nu het geval is, en overwegende dat de vraag naar water in de steden volgens de Wereldbank de komende drie decennia met 50 à 70 % zal toenemen;

Q.

overwegende dat 125 van de 154 ontwikkelingslanden zoetwatervoorraden en terrestrische en wetlandecosystemen als hoogste prioriteitsgebieden in hun nationale klimaataanpassingsplannen hebben opgenomen, in overeenstemming met SDG 13;

R.

overwegende dat de opwarming van de aarde een belangrijke oorzaak van waterschaarste is; overwegende dat de huidige klimaatnoodtoestand, met toenemende droogten, overstromingen en stortregens, de ongelijke verdeling van water nog erger maakt; overwegende dat ongeveer 90 % van alle natuurrampen verband houdt met water en dat water verantwoordelijk is voor 70 % van alle sterfgevallen als gevolg van natuurrampen; overwegende dat volgens de “Atlas of Mortality and Economic Losses from Weather, Climate and Water Extremes (1970-2019)” van de Wereld Meteorologische Organisatie bij de tien grootste rampen in die periode de meeste doden zijn gevallen door droogte, stormen en overstromingen; overwegende dat volgens de OESO bijna 20 % van de wereldbevolking in 2050 met overstromingsrisico’s zal worden geconfronteerd;

S.

overwegende dat waterstress, door de VN gedefinieerd als het punt waarop de vraag naar water groter is dan de beschikbare hoeveelheid of waarop het watergebruik wordt beperkt door de lage kwaliteit, in sommige gevallen ontheemding en migratie zou kunnen teweegbrengen; overwegende dat volgens de Water Development Reports van de VN vijf van de elf wereldregio’s momenteel te kampen hebben met waterstress, d.w.z. twee derde van de wereldbevolking; overwegende dat volgens het verslag over de duurzameontwikkelingsdoelstellingen 2020 waterschaarste tegen 2030 circa 700 miljoen mensen op de vlucht zou kunnen drijven;

T.

overwegende dat ontbossing, landroof en overexploitatie en winning van natuurlijke hulpbronnen, ook door georganiseerde criminele groepen, een aanzienlijke invloed hebben op het waterpeil van rivieren en meren, de watercyclus veranderen en bijdragen tot het opdrogen van rivieren en meren en de vervuiling van de geëxploiteerde gebieden;

U.

overwegende dat zoetwaterecosystemen minder dan 1 % van het aardoppervlak beslaan, maar meer dan 10 % van alle soorten en kwetsbare biodiversiteit herbergen; overwegende dat ongeveer 70 % van het zoet water in de wereld wordt gebruikt voor de landbouw, terwijl de rest verdeeld is over industrieel gebruik (19 %), hoofdzakelijk in de sectoren voeding, textiel, energie, industrie, chemie, farmaceutica en mijnbouw, en huishoudelijk gebruik (11 %), met inbegrip van drinkwater;

V.

overwegende dat gezonde ecosystemen de verbetering van de waterkwantiteit en -kwaliteit mogelijk maken en tegelijkertijd de veerkracht tegen de gevolgen van klimaatverandering vergroten;

W.

overwegende dat de landbouw de grootste verbruiker van de zoetwatervoorraden in de wereld is; overwegende dat een derde van de landbouwgrond in de wereld wordt gebruikt voor veevoeder; overwegende dat in het verslag van de FAO van 2020 getiteld “The State of Food and Agriculture — Overcoming water challenges in agriculture” wordt geopperd dat de voedselproductiviteit en de inkomens op het platteland aanzienlijk kunnen worden verhoogd door investeringen in nieuwe irrigatiesystemen of de aanpassing en modernisering van bestaande systemen, en dat dit moet worden gecombineerd met een beter waterbeheer, met inbegrip van betere landbouwpraktijken; overwegende dat landroof negatieve gevolgen heeft voor de beschikbaarheid en kwaliteit van water, lokale gemeenschappen van waterbronnen berooft en hun mensenrecht op veilig drinkwater schendt;

X.

overwegende dat de energiesector momenteel verantwoordelijk is voor 10 % van de wereldwijde waterwinning en dat het waterverbruik in deze sector tegen 2040 naar verwachting met bijna 60 % zal toenemen;

Y.

overwegende dat bepaalde onrechtmatige en in veel gevallen illegale winningsindustrieën aanzienlijke gevolgen hebben voor de oppervlakte- en grondwatervoorraden, de vervuiling en verdwijning van gletsjers, bossen, wetlands, rivieren en andere waterbronnen die van vitaal belang zijn voor menselijke consumptie;

Z.

overwegende dat de textielindustrie een van de meest waterintensieve sectoren ter wereld is, en dat de productie van kleding en textiel plaatsvindt in een aantal van de meest waterarme regio’s ter wereld; overwegende dat deze industrie de op één na meest vervuilende ter wereld is en dat een groot deel van deze vervuiling in het water terechtkomt; overwegende dat de Commissie voornemens is in het eerste kwartaal van 2022 de zogeheten “EU-strategie voor duurzaam textiel” vast te stellen, die de EU op weg moet helpen naar een circulaire economie waarin textielproducten zo worden ontworpen dat ze langer meegaan en herbruikbaar, repareerbaar, recycleerbaar en energie-efficiënt zijn;

AA.

overwegende dat de toenemende vraag naar water leidt tot overexploitatie van de watervoorraden en dat water door schaarste een hulpbron is geworden waarover ruzie wordt gemaakt; overwegende dat er volgens de VN tegen 2025 in ongeveer 300 gebieden in de wereld conflicten rond water te verwachten zijn;

AB.

overwegende dat het behoud van watervoorraden onder vuur ligt en dat schade aan de waterkwaliteit berokkenen, in veel landen strafbaar is gesteld; overwegende dat verdedigers van milieu- en waterrechten de laatste jaren steeds vaker het slachtoffer zijn geworden van aanvallen, waaronder moorden, ontvoeringen, foltering, gendergerelateerd geweld, bedreigingen, pesterijen, intimidatie, lastercampagnes, criminalisering, gerechtelijke intimidatie, gedwongen uitzetting en ontheemding, en dat het dringend noodzakelijk is hen proactief te steunen en hun leven en veiligheid te beschermen; overwegende dat verschillende finalisten voor de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken onder vuur liggen vanwege hun rol bij de verdediging van water en gemeenschappelijke goederen; overwegende dat de verdedigers van het water van de rivier Guapinol meer dan twee jaar gevangen hebben gezeten voordat zij werden vrijgelaten; overwegende dat Lolita Chávez al vier jaar in ballingschap leeft vanwege haar verzet tegen de waterkrachtcentrales in Iximulew (Guatemala); overwegende dat Berta Cáceres in 2016 is vermoord omdat zij de rivieren Blanco en Gualcarque verdedigde en dat de opdrachtgevers van die misdaad nog steeds niet zijn veroordeeld;

AC.

overwegende dat volgens Global Witness meer dan een derde van de land- en milieuactivisten die tussen 2015 en 2019 wereldwijd zijn vermoord afkomstig waren uit inheemse gemeenschappen, wier vaardigheden op het gebied van land- en waterbeheer van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van de klimaatnoodtoestand en het verlies aan biodiversiteit;

AD.

overwegende dat het ontzeggen van de toegang tot water en de vernietiging van waterinfrastructuur door bezettingsmachten zijn gebruikt als een essentiële tactiek om bezette gebieden te annexeren en mensen van hun land te verdrijven;

AE.

overwegende dat in de kaderrichtlijn water van de EU wordt erkend dat “water […] geen gewone handelswaar [is], maar een erfgoed dat als zodanig beschermd, verdedigd en behandeld moet worden”;

AF.

overwegende dat water sinds 6 december 2020 wordt verhandeld op de termijnmarkt van Wall Street; overwegende dat water volgens Pedro Arrojo, speciaal rapporteur voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, “voor onze samenlevingen een reeks vitale waarden heeft die de marktlogica niet erkent en daardoor niet naar behoren kan beheren, laat staan in een financiële wereld die zo vatbaar is voor speculatie”; overwegende dat de toepassing van een speculatieve logica op het beheer van goederen die essentieel zijn voor het menselijk leven en de menselijke waardigheid volgens verschillende deskundigen van de VN een schending van de mensenrechten van armen vormt, genderongelijkheid verergert en de kwetsbaarheid van gemarginaliseerde gemeenschappen vergroot;

AG.

overwegende dat regeringen verplicht zijn om een essentieel minimumniveau van water en sanitaire voorzieningen voor iedereen te garanderen; overwegende dat in het verslag van de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen van 16 juli 2021 wordt benadrukt dat water als een publiek goed moet worden beschouwd en moet worden beheerd volgens een op mensenrechten gebaseerde aanpak, waarbij het recht op water en sanitaire voorzieningen en de duurzaamheid van aquatische ecosystemen worden gewaarborgd; overwegende dat watervoorziening en sanitaire voorzieningen diensten van algemeen belang zijn en dat de inkomsten uit de waterbeheercyclus de daaraan verbonden kosten en de kosten van verbetering moeten dekken, mits het algemeen belang wordt gewaarborgd;

AH.

overwegende dat staten verplicht zijn deze rechten te eerbiedigen, te beschermen en na te leven en dat derden zich strikt moeten onthouden van inmenging in het genot van het recht op water en sanitaire voorzieningen, zoals wordt erkend in de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen;

AI.

overwegende dat werknemers die in de waterzuiveringsketen werken veel risico’s lopen, waaronder gezondheidsrisico's als gevolg van onzekere arbeidsomstandigheden; overwegende dat het vaak gaat om informele werknemers die niet door de arbeidswetgeving worden beschermd; overwegende dat het genot van het recht op water en sanitaire voorzieningen niet ten koste mag gaan van de veiligheid, de waardigheid en het welzijn van werknemers in de waterzuiveringssector;

1.

bevestigt nogmaals dat het recht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen een mensenrecht is, aangezien beide rechten elkaar aanvullen; onderstreept dat toegang tot schoon drinkwater onontbeerlijk is voor een gezond en waardig leven en essentieel is voor de ontwikkeling van de menselijke waardigheid; wijst erop dat het recht op water een fundamentele voorwaarde is voor het genot van andere rechten, en als zodanig moet worden geleid door een logica die gebaseerd is op het algemeen belang en gemeenschappelijke publieke en mondiale goederen;

2.

onderstreept dat adequate toegang tot WASH-faciliteiten en het recht op gezondheid en leven van elkaar afhankelijk zijn en een essentiële voorwaarde vormen voor volksgezondheid en menselijke ontwikkeling; onderstreept de noodzaak van schoon water in de context van pandemieën en verzoekt de Commissie, de lidstaten en derde landen om dienovereenkomstige maatregelen, strategieën en beleid, zodat aan iedereen adequate bescherming kan worden geboden;

3.

benadrukt dat de erkenning van het recht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen als mensenrecht een fundamentele stap was in de richting van meer sociale en ecologische gerechtigheid; stelt dat er meer vooruitgang kan worden geboekt door de sector een hogere politieke prioriteit te geven en te zorgen voor een betere uitvoering en monitoring van het beleid, efficiëntere financiering en verantwoording en participatie van het publiek, met name van de meest gemarginaliseerde groepen in de samenleving, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden; benadrukt dat bijstand voor veilige drinkwatervoorziening en sanitaire voorzieningen een hoge prioriteit moet krijgen bij de toewijzing van financiële middelen van de EU en bij de programmering van hulp;

4.

herinnert aan de verantwoordelijkheid van staten om alle mensenrechten, die universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden zijn en die op een eerlijke, billijke en niet-discriminerende wijze moeten worden bevorderd en toegepast, te bevorderen en te beschermen; herhaalt daarom dat staten moeten zorgen voor universele, behoorlijke en betaalbare toegang tot voldoende, kwalitatief hoogwaardig en veilig drinkwater en voor een betere toegang tot water voor sanitaire en hygiënische doeleinden; herinnert eraan dat het recht op water inhoudt dat watervoorzieningsdiensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn;

5.

herinnert eraan dat staten die een mensenrechtenverdrag ratificeren, gehouden zijn de verbintenissen die in het internationale, nationale, regionale en lokale kader voor de bescherming van deze rechten zijn aangegaan, in acht te nemen, te eerbiedigen en na te komen; is in die zin van mening dat de erkenning van het recht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen door de internationale gemeenschap zich ook moet uitstrekken tot mechanismen voor bescherming en afdwingbaarheid, en verzoekt de EU derhalve beschermingsmechanismen op internationaal, regionaal en nationaal niveau te bevorderen om ervoor te zorgen dat de verwezenlijking van het recht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen niet facultatief is voor staten, maar een afdwingbaar recht vormt; verzoekt de EU en de lidstaten het goede voorbeeld te geven en de desbetreffende verdragen te ratificeren, zoals het Protocol betreffende water en gezondheid en het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren van 1992;

6.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan het recht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen en de normatieve ontwikkeling daarvan in multilaterale en regionale fora te bevorderen, onder meer door het mandaat van de speciale VN-rapporteur voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen te ondersteunen; benadrukt het belang van zijn werk en dat van zijn voorgangers, alsook van de werkzaamheden in het kader van andere mensenrechtenmechanismen van de VN in verband met het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen;

7.

onderstreept het belang van de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen en dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan deze in en ten aanzien van derde landen en in multilaterale fora toe te passen; benadrukt hoe belangrijk het is EU-personeel daar opleiding over te geven; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) regelmatig aan het Parlement en zijn bevoegde (sub)commissies verslag uit te brengen over hoe zij deze richtsnoeren hebben toegepast, met specifieke voorbeelden van hun activiteiten en het effect daarvan;

8.

vraagt de EU-delegaties en missies van de lidstaten om, zoals in de EU-richtsnoeren is aangegeven, in hun bilaterale dialogen met partnerlanden, met name in het kader van de mensenrechten- en sectorale dialogen, kwesties in verband met het recht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, alsook de situatie van mensenrechtenactivisten en ngo’s die deze rechten bevorderen, aan de orde te stellen;

9.

benadrukt dat vooruitgang in de richting van de erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu, zoals vastgelegd in resolutie 48/13 van de VN-Mensenrechtenraad over het recht van de mens op een schoon, gezond en duurzaam milieu, een voorwaarde is om veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen voor iedereen te bewerkstelligen; is in dit opzicht ingenomen met de normatieve ontwikkelingen op internationaal niveau met betrekking tot milieudelicten, waaronder ecocide;

10.

moedigt ontwikkelingslanden aan om zich aan te sluiten bij en te streven naar de volledige uitvoering van de twee mondiale waterverdragen van de VN, namelijk het VN-Waterverdrag en het VN-Verdrag inzake waterlopen, als belangrijke instrumenten ter ondersteuning van waterdiplomatie, vrede en conflictpreventie via grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van water;

11.

stelt dat de volledige uitoefening van het recht op water afhankelijk is van het behoud van de biodiversiteit en het klimaat, en eist daarom dat het waterbeheer in de eerste plaats tegemoetkomt aan ecologische — een basisbehoefte van planten, dieren en mensen — en sociale belangen, waaronder arbeidsintegratie en een hoger inkomen en meer veiligheid voor mensen die in armoede leven;

12.

benadrukt dat een betere watervoorziening en waterzuivering en een beter beheer van de watervoorraden de duurzame economische groei van landen kunnen stimuleren en in hoge mate kunnen bijdragen tot armoedebestrijding;

13.

onderstreept de noodzaak van proactieve maatregelen op het gebied van de toegang tot water en sanitaire voorzieningen, en de noodzaak te beschikken over betrouwbare en vergelijkbare indicatoren om vooruitgang of achteruitgang op het gebied van de toegang tot water en sanitaire voorzieningen te meten;

14.

benadrukt dat bepaalde ontwikkelingsmodellen die grootschalige projecten en bedrijfsactiviteiten begunstigen, de beschikbaarheid en de kwaliteit van water in alle landen negatief beïnvloeden en de concurrentie om water en andere met water verband houdende conflicten doen toenemen; benadrukt in dit verband het belang van investeringen in duurzame drinkwateroplossingen, zoals het in een gezonde staat terugbrengen van aquatische ecosystemen, het recyclen van afvalwater, het ontzilten van zeewater in kustgebieden en het verbeteren van rioolstelsels, irrigatie en landbouwpraktijken;

15.

benadrukt dat het inefficiënte beheer van watervoorraden en verontreiniging als gevolg van onrechtmatige industriële activiteiten negatieve gevolgen hebben voor de uitoefening van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen;

16.

verzoekt de Commissie praktijken die een bedreiging vormen voor het recht op veilig en schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen te ontmoedigen en ten aanzien van die praktijken beoordelingen van de effecten op het milieu en de mensenrechten uit te voeren;

17.

erkent het belangrijke werk dat door verdedigers van milieurechten wordt verricht, en de noodzaak om hen proactief te steunen en hun leven en veiligheid te beschermen, met name diegenen die het recht op water beschermen, en veroordeelt onomwonden de misdaden zoals moorden, ontvoeringen, foltering, seksueel en gendergerelateerd geweld, bedreigingen, pesterijen, intimidatie, lastercampagnes, criminalisering, gerechtelijke intimidatie, gedwongen uitzettingen en ontheemding door talrijke statelijke en niet-statelijke daders, waaronder regeringen en multinationale ondernemingen;

18.

verzoekt de EU het cruciale werk van verdedigers van milieurechten en maatschappelijke organisaties te steunen; dringt er bij de Commissie, de EDEO en de lidstaten op aan de in de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers aangegane verbintenis na te komen en individuele gevallen van verdedigers van milieugerelateerde mensenrechten (EHRD’s), met name van de winnaars en finalisten van de Sacharovprijs, die worden aangevallen wegens hun rol bij de verdediging van water en gemeenschappelijke goederen, te volgen en ter sprake te brengen;

19.

benadrukt dat de veiligheid en de vrijheid van EHRD’s om vrij van geweld en intimidatie te kunnen werken, moeten worden bevorderd; verwacht van de EU-delegaties dat zij prioriteit geven aan hun steun aan EHRD’s en systematisch en op krachtige wijze reageren op bedreigingen tegen of aanvallen op hen of hun familieleden, en aan het Parlement verslag uitbrengen over de maatregelen die in dergelijke gevallen zijn genomen; verzoekt de EU en haar lidstaten beschermings- en preventiemechanismen voor EHRD’s uit te breiden; herhaalt zijn verzoek om een gecoördineerde EU-brede regeling voor de afgifte van visa voor kort verblijf voor de tijdelijke herplaatsing van EHRD’s, met name degenen die zich inzetten voor de bevordering en bescherming van milieurechten of inheemse rechten, die bijzonder onder vuur liggen;

20.

vraagt staten het recht op maatschappelijk protest en het recht op vreedzame vergadering te eerbiedigen, met name in het kader van het verzet tegen projecten die het genot van het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen in het gedrang brengen; vraagt functionarissen van EU-delegaties en ambassades van de lidstaten in dit verband om, zoals aangegeven in de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers, mensenrechtenverdedigers in hechtenis of onder huisarrest te bezoeken en hun proces als waarnemer bij te wonen;

21.

herinnert eraan dat inheemse volkeren een belangrijke rol spelen bij het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van de biodiversiteit; verzoekt de EU en de lidstaten de rechten van inheemse volkeren op volgens het gewoonterecht bepaald eigendom en beheer van hun land en natuurlijke rijkdommen, zoals vastgelegd in de Verklaring over de rechten van inheemse volken van de VN en IAO-Verdrag nr. 169, te erkennen en beschermen en het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten van de EU die dat nog niet hebben gedaan, IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken te ratificeren; uit zijn bijzondere bezorgdheid over de aanzienlijke gevolgen van bepaalde megaprojecten, waaronder infrastructuurprojecten, projecten van winningsindustrieën en energieproductieprojecten, voor het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen, met name voor inheemse bevolkingsgroepen; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat echte en alomvattende effectbeoordelingen op het gebied van mensenrechten worden uitgevoerd en dat de getroffen bevolking en maatschappelijke organisaties te goeder trouw worden geraadpleegd en dat de inheemse bevolking in voorkomend geval haar vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming voor elk megaproject heeft gegeven; vraagt overheids- en niet-overheidsactoren geen acties te ondernemen die de rechten van inheemse gemeenschappen, mensen van Afrikaanse afkomst en plattelandsgemeenschappen op land, water, ecosystemen en biodiversiteit in gevaar brengen, en vraagt de bevoegde autoriteiten hun aanspraken, pachtrechten, rechten en verantwoordelijkheden wettelijk te erkennen; benadrukt het belang van open, inclusief en participatief overleg over belangrijke overheidsbesluiten met betrekking tot waterbeheer;

22.

verzoekt de Commissie zorgvuldig na te gaan of de infrastructuur- en energieprojecten die met behulp van verschillende instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking en extern beleid, waaronder de Europese Investeringsbank, worden gefinancierd, de mensenrechten, met inbegrip van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen, en de SDG’s eerbiedigen en niet in het gedrang brengen, en evenmin de verdrijving van inheemse volkeren van hun land en uit hun gebieden in de hand werken;

23.

benadrukt dat meer aandacht moet worden besteed aan duurzame en veerkrachtige water- en rioleringsinfrastructuur om gemeenschappen te ondersteunen door maatregelen ter beperking van het rampenrisico te nemen en door gebruik te maken van alle nodige instrumenten om het waterrisico in kaart te brengen en systemen voor vroegtijdige waarschuwing; vraagt de Commissie om de Resilient Water Accelerator te ondersteunen;

24.

hekelt het feit dat er nog steeds genderongelijkheden bestaan wat betreft de uitoefening van het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen, en dat het gebrek daaraan leidt tot discriminatie op grond van geslacht; merkt tevens met bezorgdheid op dat deze ongelijkheden een verwoestend effect hebben op de rechten van vrouwen, met name als gevolg van de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes op het gebied van menstruatiehygiëne en -gezondheid, waardoor het voor vrouwen en meisjes moeilijk is om een veilig en gezond leven te leiden; benadrukt dat betaalbare toegang tot water en adequate sanitaire en hygiënische voorzieningen (WASH) een essentiële voorwaarde is voor de volksgezondheid en menselijke ontwikkeling, met inbegrip van het recht op onderwijs voor meisjes, en dringt erop aan dat de WASH-sector in ontwikkelingslanden een hoge prioriteit krijgt in het ontwikkelingsbeleid van de EU;

25.

vraagt dat vrouwen en meisjes worden beschermd tegen fysieke bedreigingen en fysiek geweld, waaronder seksueel geweld, bij het halen van water voor huishoudelijk gebruik en bij het gebruik van sanitaire voorzieningen buitenshuis; vraagt dat er maatregelen worden genomen opdat vrouwen en meisjes minder tijd hoeven te besteden aan het halen van water voor het huishouden, teneinde de negatieve gevolgen van gebrekkige water- en sanitaire voorzieningen voor de toegang van meisjes tot het onderwijs aan te pakken;

26.

wijst erop dat de EU en haar lidstaten, in nauwe samenwerking met de VN en de internationale gemeenschap, nauw moeten samenwerken met ontvangers van buitenlandse hulp om wereldwijde waterarmoede uit te bannen en tegelijkertijd te zorgen voor adequate sanitaire voorzieningen voor iedereen; verzoekt alle staten hun verplichtingen uit hoofde van het CEDAW na te komen, en met name artikel 14, dat bepaalt dat staten die partij zijn ervoor moeten zorgen dat vrouwen in plattelandsgebieden recht hebben op adequate levensomstandigheden ten aanzien van onder meer sanitaire voorzieningen en watervoorziening;

27.

verzoekt de Commissie en de EDEO een transformatieve en intersectionele genderbewuste benadering toe te passen op programma’s voor waterbeheer en waterzuivering, en beleid te integreren dat vergezeld gaat van concrete actieplannen en adequate financiering in overeenstemming met de externe financieringsinstrumenten van de EU en het genderactieplan (GAP III), de EU-agenda voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het externe optreden voor 2021-2025; vraagt dat leiderschap van vrouwen en hun volwaardige, effectieve deelname op gelijke voet aan de planning, de besluitvorming en de toepassing van beslissingen over waterbeheer en sanitaire voorzieningen worden bevorderd;

28.

benadrukt dat de toegang tot veilig drinkwater een van de grootste actuele problemen is, met name doordat bijna 60 % van de grondwatervoorraden over politieke territoriale grenzen heen reiken; herinnert eraan dat de Raad in zijn conclusies van 2018 het gebruik van water als oorlogswapen heeft veroordeeld en heeft verklaard dat “het vernietigen van waterinfrastructuur, het verontreinigen van water of het verleggen van waterlopen om de toegang tot water te beperken of te verhinderen, [in dit verband] schendingen van het internationaal recht [kunnen] vormen”; overwegende dat de opzettelijke onthouding van water die tot de uitroeiing van burgers leidt, volgens het Statuut van het Internationaal Strafhof een misdaad tegen de menselijkheid is en ook als oorlogsmisdaad kan worden beschouwd, aangezien elke aanval op of vernieling van drinkwaterinstallaties en -voorzieningen en irrigatiewerken verboden is op grond van de Verdragen van Genève van 1949;

29.

is ernstig bezorgd over het feit dat schendingen van het recht op water en sanitaire voorzieningen in bezette gebieden tot doel hebben mensen van hun land te verdrijven en is bezorgd over het feit dat hun de toegang tot adequate watervoorziening, hulpbronnen en infrastructuur wordt ontzegd; herinnert eraan dat alle volkeren, ook als ze onder bezetting leven, het soevereine recht hebben over hun natuurlijke rijkdommen te beschikken; dringt er bij de bezetters op aan om onmiddellijk maatregelen te nemen om de toegang tot en de eerlijke verdeling van water voor de bewoners van bezette gebieden te waarborgen, en met name overeenkomstig resolutie 73/255 van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 2018 te garanderen dat de bewoners van bezette gebieden over hun watervoorraden kunnen beschikken, met inbegrip van het beheer, de winning en de distributie van water;

30.

verzoekt de EU een politieke strategie vast te stellen om oplossingen in deze gebieden te faciliteren en de landen in de belangrijkste conflictgebieden met betrekking tot water aan te moedigen om het waterverdrag te ondertekenen;

31.

is ernstig bezorgd over het gebrek aan toegang tot water en sanitaire voorzieningen in vluchtelingenkampen; wijst op de verplichting van staten om het recht op sanitaire voorzieningen en water voor vluchtelingen te waarborgen;

32.

onderstreept dat water weliswaar soms als indicator van een conflict kan fungeren, maar ook een positieve rol kan spelen bij het bevorderen van vrede en samenwerking; steunt de diplomatieke betrokkenheid van de EU bij grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van water als instrument voor vrede, veiligheid en stabiliteit, en benadrukt het belang van geïntegreerd beheer van watervoorraden en de noodzaak van meer complementariteit tussen humanitaire, ontwikkelings- en vredesacties teneinde in dringende behoeften te voorzien en eerder in te grijpen om de onderliggende oorzaken aan te pakken en het ontstaan van humanitaire water- en sanitaire crises te voorkomen;

33.

benadrukt dat bedrijven over de hele wereld ervoor moeten zorgen dat hun activiteiten geen inbreuk maken op of misbruik maken van het mensenrecht op toegang tot veilig drinkwater, overeenkomstig de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de verklaringen, pacten en verdragen van de VN waarin dit recht is opgenomen; vraagt landen voorts ernaar te streven de doelstellingen van SDG 6 te verwezenlijken en wetgeving aan te nemen opdat bedrijven de gelijke toegang tot een adequate watervoorziening niet belemmeren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan constructief deel te nemen aan de werkzaamheden van de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, met het oog op de vaststelling van een internationaal bindend instrument om de activiteiten van transnationale bedrijven en andere ondernemingen in het internationale humanitaire recht te reguleren;

34.

verzoekt de EU-delegaties en de missies van de lidstaten in derde landen bijzonder waakzaam te zijn ten aanzien van bedrijven, met inbegrip van bedrijven die in de EU zijn gevestigd, die het genot van het recht op water en sanitaire voorzieningen zouden kunnen ontzeggen of ondergraven; onderstreept dat slachtoffers van dergelijke schendingen toegang moeten hebben tot doeltreffende gerechtelijke of andere passende rechtsmiddelen en tot klachtenmechanismen;

35.

benadrukt dat Europese bedrijven wanneer zij in niet-EU-landen actief zijn, qua versterking en zorgvuldigheid van bedrijven aan dezelfde wettelijke verplichtingen moeten voldoen als die welke voor hun activiteiten in de EU gelden; benadrukt het belang van het voorkomen, aanpakken en beperken van eventuele negatieve gevolgen voor het mensenrecht op water en adequate sanitaire voorzieningen in het kader van de verplichte zorgvuldigheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen en na te gaan hoe consumenten meer informatie en transparantie kan worden geboden over het duurzaamheidseffect van producten op de watervoorraden, ook wat de watervoetafdruk betreft;

36.

wijst erop dat water, zoals verschillende VN-deskundigen hebben verklaard, te vaak wordt behandeld als handelswaar zonder verdere sociale en culturele overwegingen, in strijd met de fundamentele mensenrechten, hetgeen bijdraagt tot een toenemende aantasting van het milieu en een groeiende kwetsbaarheid van de armsten en meest gemarginaliseerden in de samenleving, en in strijd is met de SDG’s; herinnert eraan dat watervoorziening en waterzuivering diensten van algemeen belang zijn en geen handelswaar — ze zijn noch een luxe, noch een consumptieproduct en mogen dan ook niet als zodanig worden verhandeld; onderstreept dat de watervoorraden eindig zijn en verzoekt de Commissie en de lidstaten preventieve maatregelen te nemen om de wereldwijde waterschaarste tegen te gaan en niet-EU-landen te steunen bij maatregelen om waterschaarste tegen te gaan;

37.

verzoekt staten wettelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat water het voorwerp wordt van financiële speculatie op de termijnmarkten en een passend kader voor het beheer van water en sanitaire voorzieningen te bevorderen in het kader van een aanpak die voornamelijk gebaseerd is op overwegingen van mensenrechten en algemeen belang; verzoekt de EU en de nationale regeringen onafhankelijke regelgevende instanties voor water te bevorderen en te steunen die kunnen helpen de mensenrechtennormen te handhaven;

38.

herinnert eraan dat water, zoals in de kaderrichtlijn water van de EU wordt erkend, niet zomaar een handelswaar is, maar een openbaar goed dat van vitaal belang is voor het leven en de waardigheid van de mens; merkt op dat waterdiensten diensten van algemeen belang en van bijzondere aard zijn, die daarom in de eerste plaats onder het algemeen belang vallen; herinnert eraan dat het voor het externe beleid en de externe instrumenten van de EU, zoals handels- en investeringsovereenkomsten en het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld, alsook voor de activiteiten van Europese bedrijven, van belang is dat het mensenrecht op drinkwater en sanitaire voorzieningen in de betrokken landen wordt gehandhaafd;

39.

onderstreept dat water een gemeenschappelijk openbaar goed is en dat een adequate, continue en kwalitatief hoogstaande watervoorziening moet worden gewaarborgd; verzoekt staten en donoren watervoorziening en sanitaire voorzieningen als essentiële openbare diensten voor iedereen sterker te bevorderen, onder meer door investeringen die de toegang tot water en sanitaire voorzieningen verbeteren en de bestaande infrastructuur en de levering en het gebruik van diensten in stand houden; is van mening dat investeren in de versterking van de capaciteit en de governance van watersystemen en in de werking en het onderhoud ervan, van essentieel belang is om solide en duurzame waterdiensten en sanitaire voorzieningen tot stand te brengen;

40.

verzoekt de EU derde landen te ondersteunen bij hun maatregelen om universele en niet-discriminerende toegang tot water en sanitaire voorzieningen te garanderen en een minimumniveau van watervoorziening te waarborgen voor huishoudens die economisch of sociaal kwetsbaar zijn;

41.

verzoekt de EU ook te investeren in de bescherming en het herstel van natuurlijke ecosystemen (waaronder bossen, uiterwaarden, wetlands enz.), die vaak kosteneffectievere en duurzamere oplossingen voor waterbeheer bieden dan conventionele infrastructuuroplossingen op het gebied van wateropslag, waterzuivering, erosiebeheersing, en matige en extreme weergebeurtenissen;

42.

dringt er bij staten op aan het meest geschikte model voor watervoorziening en sanitaire voorzieningen aan te nemen en een transparant en degelijk proces op gang te brengen om de daadwerkelijke uitoefening van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen in hun samenleving te verbeteren; verzoekt regeringen meer overheidsinvesteringen te doen in duurzame watergerelateerde infrastructuur en water te beschermen als essentieel openbaar goed;

43.

wijst erop dat het watergebruik in overeenstemming moet worden gebracht met de toepassing van nieuwe technologieën voor behoud, de vermindering van waterverontreiniging en recycling van afvalwater, teneinde de wijze waarop water wordt geleverd, behandeld en verwijderd te verbeteren;

44.

verzoekt de EU duurzaam waterbeheer in de landbouwsector, die meer dan 70 % van de watervoorraden verbruikt, te ondersteunen door te investeren in duurzame irrigatie- en wateropslagsystemen, door het gebruik van zoet water in de landbouw in de hele toeleveringsketen te optimaliseren en te verminderen, door voedselverspilling tegen te gaan en door agro-ecologie te bevorderen door wetlands te herstellen, alsook door, waar mogelijk, het gebruik van pesticiden en meststoffen die een risico van waterverontreiniging inhouden, met name voor het grondwater, te beperken;

45.

herinnert eraan dat de toegang tot water ook een uitdaging op het gebied van energiegebruik is, zowel wat productie als winning betreft; benadrukt in dit verband dat het van belang is een beter energiebeheer te bevorderen en oplossingen te vinden voor het hergebruik van behandeld afvalwater, teneinde het zoetwaterverbruik te beperken door middel van afvalwaterzuivering;

46.

verzoekt de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds bij het verstrekken van subsidies, leningen en technische bijstand te ontraden dat aan regeringen voorwaarden worden opgelegd inzake de privatisering van watervoorziening en sanitaire voorzieningen;

47.

verzoekt de Commissie te voorzien in voldoende financiële steun voor capaciteitsopbouwacties op het gebied van water, in samenwerking met bestaande internationale platforms en instellingen; steunt het Global Water Solidarity Platform dat door het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) is opgezet om lokale autoriteiten te betrekken bij het vinden van oplossingen voor watervraagstukken; verwelkomt de VN-waterconferentie 2023 als een kans om sectoroverschrijdende benaderingen te ontwikkelen teneinde watergerelateerde streefdoelen en doelstellingen te verwezenlijken en SDG 6 weer op schema te krijgen;

48.

verzoekt de Commissie en de EDEO niet-EU-landen aan te moedigen om belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en inheemse en lokale gemeenschappen die schendingen van het recht op water en sanitaire voorzieningen aan de kaak stellen, adequate middelen en toegang tot relevante informatie te verschaffen en hen waar nodig in staat te stellen op zinvolle wijze deel te nemen aan de besluitvorming over water, zodat zij op geïnformeerde en resultaatgerichte wijze kunnen bijdragen aan het ontwerp en de uitvoering van het waterbeleid; is van mening dat het voor de verwezenlijking van het mensenrecht op drinkwater van vitaal belang is om netwerken van mensenrechtendeskundigen, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van de gemeenschap op alle niveaus te bevorderen en te versterken, en verzoekt de regeringen in die zin mechanismen te ontwerpen voor een inclusief systeem van waterbeheer;

49.

verzoekt de EU derde landen te helpen bij de eerbiediging, naleving en bevordering van de rechten van werknemers in de afvalwaterzuiveringsindustrie, met inbegrip van hun recht op waardigheid, veiligheid en gezondheid en het recht om zich te organiseren;

50.

onderstreept dat mensen die in armoede leven, met name vrouwen en meisjes, minderheden en mensen met een lichamelijke en/of geestelijke handicap, het hardst worden getroffen door een gebrek aan toegang tot veilig en schoon water en sanitaire voorzieningen; benadrukt dat ongelijke toegang tot water en sanitaire voorzieningen vaak te wijten is aan systemische ongelijkheden of uitsluiting; verzoekt regeringen de ongelijkheden bij de toegang tot water en sanitaire voorzieningen te monitoren en doortastende maatregelen te nemen, zoals het aanmoedigen van investeringen in sanitaire en voorzieningssystemen, met inbegrip van openbare systemen, en het bevorderen van efficiëntie en het behoud van water, dat een schaars goed is; verzoekt hen voorts erop toe te zien dat er bij de toegang tot water en sanitaire voorzieningen als openbaar goed geen sprake is van discriminatie, en ervoor te zorgen dat ze voor iedereen beschikbaar zijn, met name door voorrang te geven aan vrouwen, meisjes en kwetsbare groepen, teneinde systematische uitsluiting en discriminatie tegen te gaan; moedigt de autoriteiten aan om hun wetgevingskader, beleid en praktijk op het gebied van water te toetsen aan de beginselen en normen op het gebied van de mensenrechten, teneinde maatregelen te helpen sturen die erop gericht zijn belemmeringen voor vooruitgang weg te nemen;

51.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(2)  PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(3)  PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19.

(4)  PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1.

(5)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.

(6)  PB C 316 van 22.9.2017, blz. 99.

(7)  PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.

(8)  PB C 474 van 24.11.2021, blz. 11.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/65


P9_TA(2022)0347

Reactie van de EU op de stijgende energieprijzen in Europa

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 over de reactie van de EU op de stijgende energieprijzen in Europa (2022/2830(RSP))

(2023/C 132/07)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (1),

gezien Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (2),

gezien Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (3),

gezien Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (4),

gezien Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (5),

gezien Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering (6),

gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (7),

gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (8),

gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (COM(2022)0473),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 mei 2022 getiteld “Kortetermijnmaatregelen op de energiemarkt en verbeteringen op lange termijn in de opzet van de elektriciteitsmarkt — een gedragslijn” (COM(2022)0236),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2021 getiteld “De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen” (COM(2021)0660),

gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2022 getiteld “REPowerEU: een gemeenschappelijk Europees optreden voor betaalbaardere, veiligere en duurzamere energie” (COM(2022)0108),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 mei 2022 over het REPowerEU-plan (COM(2022)0230),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 maart 2022 getiteld “Tijdelijk crisiskader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne” (C/2022/1890),

gezien het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten,

gezien het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (UNFCCC) en met name de Overeenkomst van Parijs van 2015, die op 4 november 2016 in werking is getreden,

gezien de conclusies van de top van de Europese Raad van 24 en 25 maart 2022,

gezien zijn resolutie van 21 oktober 2021 over richtsnoeren inzake staatssteun op het gebied van klimaat, energie en milieu (CEEAG) (9),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (10),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen (11),

gezien zijn resolutie van 10 februari 2021 over het nieuwe actieplan voor de circulaire economie (12),

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Russische aanvalsoorlog een aanzienlijke impact heeft op de economie en burgers van de EU, met name vanwege een drastische stijging van de energie- en voedselprijzen, het Oekraïense volk onnoemelijk leed berokkent en een directe aanval vormt op de Europese waarden;

B.

overwegende dat de inflatie in de eurozone in september 2022 geleidelijk 10 % heeft bereikt, waarbij meer dan de helft van de eurolanden te kampen heeft met percentages met dubbele cijfers en enkele van hen met een inflatie van maar liefst 24 %;

C.

overwegende dat reeds in 2020, voordat de spiraal van stijgende prijzen begon, ongeveer 36 miljoen Europeanen niet in staat waren om hun huis voldoende warm te houden; overwegende dat meer dan 50 miljoen huishoudens in de EU reeds te maken hebben met energiearmoede en dat deze grote uitdaging door de huidige energiecrisis nog zal worden verergerd, waardoor de toegang tot basisbehoeften, zorg, onderwijs en gezondheidszorg, in het bijzonder voor kinderen en jongeren, kleiner kan worden;

D.

overwegende dat fabrieken in een hele reeks Europese bedrijfstakken, zoals de staal-, aluminium- en meststoffenindustrie en de elektriciteitssector zelf, gedwongen zijn om werknemers op tijdelijke werkloosheid te zetten en productielijnen te sluiten, aangezien de hoge gas- en energieprijzen ertoe leiden dat bedrijven verliezen lijden; overwegende dat deze sluitingen een domino-effect hebben op andere door de aanbodschokken getroffen industrieën en op lange termijn schade aan de industriële basis van Europa kunnen toebrengen;

E.

overwegende dat bedrijven geconfronteerd worden met een stijging van de productiekosten als gevolg van hogere grondstoffenprijzen, verstoorde toeleveringsketens en hogere vervoers- en energieprijzen, in combinatie met veranderingen in het consumentengedrag;

F.

overwegende dat de stijgende stroomprijzen de marginvereisten voor elektriciteitsproducenten, die hun verkoop op de termijnmarkt afdekken, tot ongekende hoogten hebben opgedreven;

G.

overwegende dat de vraag naar bepaalde grondstoffen door de energietransitie en de digitale transitie aanzienlijk zal toenemen, terwijl de EU tegelijkertijd voor de levering van diezelfde grondstoffen afhankelijk is van een klein aantal landen en bedrijven;

H.

overwegende dat de COVID-19-crisis en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne hebben geleid tot verstoorde toeleverings- en waardeketens, waardoor leveringstekorten zijn ontstaan en de productiekosten stijgen;

I.

overwegende dat in beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten (inzake de toegang tot essentiële diensten) wordt bepaald dat iedereen recht heeft op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water, sanitaire voorzieningen, energie, vervoer, financiële diensten en digitale communicatie; overwegende dat toegang tot deze diensten beschikbaar moet zijn;

J.

overwegende dat het EU-kader voor diensten van algemeen economisch belang moet worden geactualiseerd om kwetsbare consumenten beter te beschermen tegen de huidige situatie;

K.

overwegende dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen in haar toespraak over de Staat van de Unie op 14 september 2022 heeft verklaard dat Rusland onze energiemarkt actief blijft manipuleren;

L.

overwegende dat de op de Nederlandse Title Transfer Facility (TTF) genoteerde spotgasprijzen, die de afgelopen vier jaar nooit boven de 25 EUR/MWh lagen, sinds augustus 2021, en met name sinds het begin van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, sterk zijn gestegen en halverwege augustus 2022 meer dan 200 EUR/MWh bedroegen, een niveau dat sindsdien onveranderd is; overwegende dat de acties van Rusland een voorbeeld zijn van een onuitgelokte aanval op de gasmarkt van de EU;

M.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) heeft aangegeven dat hoewel “open en goed-functionerende markten voor grondstoffenderivaten een essentiële rol vervullen voor prijsvorming”, “maatregelen ter beperking van buitensporige volatiliteit”, naar aanleiding van de recente periode van buitengewone stress, “zouden kunnen bijdragen tot een verbetering van de algehele werking” van die markten; overwegende dat de ESMA er ook op heeft gewezen dat het kader van de tweede richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID II) reeds voorziet in “een aantal volatiliteitsmechanismen (in het bijzonder handelsonderbrekingen en “price collars”)”, en heeft aangegeven dat “in de extreme omstandigheden waar de markten voor grondstoffenderivaten (en de energiemarkten in het bijzonder) de voorbije maanden mee zijn geconfronteerd, het aantal keren dat de handel op de relevante EU-markten is onderbroken, erg klein lijkt te zijn” (13);

N.

overwegende dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen in haar toespraak over de Staat van de Unie op 14 september 2022 heeft verklaard dat het voorstel van de Commissie meer dan 140 miljard EUR zal opleveren “waarmee de lidstaten de klap direct kunnen opvangen”; overwegende dat verscheidene lidstaten tijdelijke regelingen voor een belasting op uitzonderlijke winsten hebben ingevoerd;

O.

overwegende dat de lidstaten de belangrijkste actoren zijn die verantwoordelijk zijn voor hun eigen energiemix, voor het in kaart brengen van de belangrijkste problemen waarmee hun burgers en economieën worden geconfronteerd, en voor het oplossen daarvan;

P.

overwegende dat de dramatische stijging van de elektriciteitsprijzen druk uitoefent op huishoudens, talrijke Europese burgers, in het bijzonder die welke in armoede dreigen te vervallen en tot kwetsbare groepen behoren, niet-gouvernementele organisaties, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en de industrie, en bredere sociale en economische schade dreigt te veroorzaken;

Q.

overwegende dat uit de beoordeling van de opzet van de Europese groothandelsmarkt voor elektriciteit door het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators gebleken dat grensoverschrijdende handel in 2021 34 miljard EUR aan voordelen voor de consument heeft opgeleverd en de prijsvolatiliteit heeft helpen afvlakken, en dat deze handel de voorzieningszekerheid van elke lidstaat en de veerkracht tegen prijsschokken vergroot;

R.

overwegende dat energie besparen en minder energie verbruiken een betaalbare, veilige en schone optie is om de EU minder afhankelijk te maken van de invoer van fossiele brandstoffen uit Rusland; overwegende dat de EU-lidstaten slechts 0,8 % op hun eindenergieverbruik besparen;

Inleidende overwegingen

1.

is van oordeel dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en het feit dat Rusland de bevoorrading met fossiele energie als wapen inzet, de bestaande instabiliteit op de energiemarkt dramatisch hebben verergerd; betreurt het dat deze situatie de energieprijzen verder heeft doen stijgen en aldus heeft geleid tot extreem hoge inflatie, toenemende sociale ongelijkheid, energie- en mobiliteitsarmoede, hoge voedselprijzen en een crisis in verband met de kosten van levensonderhoud, en dat er nog steeds een aanzienlijk risico bestaat op bedrijfssluitingen in verschillende sectoren en werkloosheid;

2.

is ernstig bezorgd over de hoge energieprijzen overal in de EU en verzoekt de lidstaten onmiddellijk iets te doen aan de gevolgen daarvan en van de daarmee gepaard gaande inflatie voor het inkomen van huishoudens, de gezondheid en het welzijn, met name van de meest kwetsbare mensen, alsook voor bedrijven, waaronder kmo’s, en de economie in het algemeen;

3.

is van mening dat buitengewone tijden buitengewone noodmaatregelen nodig maken, waarbij de EU meer dan ooit tevoren zo eensgezind mogelijk moet handelen; benadrukt dat alle maatregelen die op EU-niveau worden genomen om de energieprijzencrisis te bestrijden, volledig verenigbaar moeten zijn met de klimaatdoelstellingen van de Unie op lange termijn, met inbegrip van de Europese Green Deal, en de open strategische autonomie van de EU moeten bevorderen; verzoekt de Commissie in dit verband de cumulatieve effecten van de noodmaatregelen van de EU en de lidstaten te analyseren en ervoor te zorgen dat deze stroken met de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn; benadrukt dat alle voorgestelde maatregelen de diversiteit van de nationale omstandigheden moeten erkennen en dus de nodige flexibiliteit voor de uitvoering ervan moeten bieden; verzoekt de lidstaten en de economische actoren meer solidariteit te betonen om deze crisis eerlijk aan te pakken;

4.

herhaalt zijn oproep van mei 2022 tot een onmiddellijk en volledig embargo op de Russische invoer van olie, kolen, kernbrandstof en gas, en tot volledige stopzetting van Nord Stream 1 en 2;

Gevolgen voor de samenleving en de economie

5.

dringt er bij de lidstaten op aan de toegang tot betaalbare en schone verwarming en elektriciteit te waarborgen en te voorkomen dat mensen moeten kiezen tussen eten of verwarmen; waarschuwt de lidstaten dat consumenten die hun stijgende energierekening niet kunnen betalen, niet mogen worden afgesloten en onderstreept dat moet worden voorkomen dat kwetsbare huishoudens die hun rekeningen en huurkosten niet kunnen betalen, uit hun huis worden gezet; benadrukt dat consumenten beter moeten worden beschermd tegen de opschorting of intrekking van contracten met vaste tarieven door de leveranciers, en dat buitensporige vooruitbetalingen voor gas en elektriciteit door consumenten moeten worden voorkomen; verzoekt de Commissie na te gaan of in de energiesector strengere voorschriften inzake precontractuele informatie nodig zijn, met name voor verkoop op afstand;

6.

is ernstig bezorgd over de gevolgen van de hoge energieprijzen voor huishoudens en bedrijven en de verschillen in mogelijkheden van de lidstaten om ze te ondersteunen, zoals blijkt uit recente aankondigingen; wijst op de noodzaak van ongekende solidariteit tussen de lidstaten en van een gemeenschappelijke respons in plaats van verdeeldheid zaaiende unilaterale acties;

7.

verzoekt de lidstaten dringend openbare, sociale en culturele diensten te handhaven en te versterken die in het gedrang komen door de stijgende energieprijzen voor een toenemend aantal mensen in nood, met inbegrip van diensten die worden beheerd door lokale autoriteiten, zoals sociale huisvesting, openbare zwembaden, onderwijsinstellingen en ziekenhuizen; herinnert eraan dat ook lokale overheden door de crisis getroffen zijn en ook moeten worden beschermd;

8.

verzoekt de lidstaten plannen en strategieën op te stellen op het gebied van huisvesting, toegang tot sociale basisbehoeften, bescherming van sociale infrastructuur, essentiële gezondheidsdiensten en financiële bijstand aan kmo’s; benadrukt dat deze steun in het bijzonder gericht moet zijn op de bevolkingsgroepen die zich in de meest kritieke situatie bevinden;

9.

benadrukt dat huishoudens in alle lidstaten voor grote uitdagingen staan, zoals de uitholling van hun koopkracht; benadrukt dat veel mensen in Europa zich al in een kwetsbare situatie bevonden en waarschuwt dat de daarmee samenhangende inflatie, en met name de stijgende voedsel- en energieprijzen, de situatie ondraaglijk kunnen maken voor huishoudens met een laag inkomen, terwijl ook de middenklasse in toenemende mate wordt getroffen; verzoekt de lidstaten te overwegen basislevensmiddelen in de hele EU zolang de crisis duurt, vrij te stellen van btw, de toegang tot essentiële goederen te vergemakkelijken en voedseltekorten en stijgende huizenprijzen aan te pakken;

10.

onderstreept dat het bestaande kader de lidstaten de mogelijkheid biedt om huishoudens tijdelijk vrij te stellen van, of een verlaagd tarief toe te passen op belasting op elektriciteit, aardgas, steenkool en vaste brandstoffen; spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de bestaande opties om de belastingen op energieproducten te verlagen; verzoekt de Commissie te overwegen de lidstaten ruimte te bieden voor de invoering van aanvullende tijdelijke vrijstellingen of verlagingen van accijnzen en energiebelastingen om huishoudens en bedrijven te ontlasten;

11.

verzoekt de lidstaten en de Commissie burgers en bedrijven, in het bijzonder kmo’s, te informeren over hoe zij zich op de komende winter kunnen voorbereiden en hoe zij hun energie-efficiëntie kunnen verbeteren en hun energievraag kunnen verminderen, met praktische, doeltreffende en realistische tips om te besparen op de kosten van levensonderhoud en energie, alsook informatie over consumentenrechten; moedigt de lidstaten aan om energiebesparende apparatuur voor kwetsbare huishoudens te bevorderen;

12.

verzoekt de lidstaten te overwegen tijdelijke steun te verlenen aan kwetsbare vervoersgebruikers om de prijsstijgingen te helpen opvangen, met inbegrip van vouchers voor het openbaar vervoer; vraagt dat er structureel beleid wordt vastgesteld om betrouwbare en betaalbare openbaarvervoersnetwerken en actieve vormen van mobiliteit, zoals fietsen of lopen, verder te bevorderen;

13.

verzoekt de lidstaten de gevolgen van de energiecrisis voor de arbeidsmarkt op te vangen door steun te bieden aan werknemers die tijdelijk “technisch werkloos” zijn doordat hun werkgevers zich genoopt zagen om hun activiteiten te beperken of op te schorten, met inbegrip van zelfstandigen zonder personeel, en door kleine ondernemingen te helpen om hun personeel in dienst te houden en hun activiteiten voort te zetten; herinnert eraan dat regelingen voor werktijdverkorting tijdens de pandemie hun nut hebben bewezen en moeten worden toegepast, zo nodig met financiële steun van de EU, om banenverlies te voorkomen; verzoekt de Commissie en de Raad het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) te versterken ter ondersteuning van werktijdverkortingsregelingen, het inkomen van werknemers en werknemers die tijdelijk worden ontslagen wegens de stijging van de energieprijzen;

14.

verzoekt de lidstaten om ondernemingen te ondersteunen nu deze met sterk oplopende prijzen worden geconfronteerd, en daarbij overleg te plegen met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de sectoren die het zwaarst worden getroffen, alsook anticrisismaatregelen te treffen, waaronder middels sociale dialoog en collectieve onderhandelingen; verzoekt de Commissie de noodzakelijke maatregelen te nemen om energie-intensieve industrieën te helpen, waaronder in de vorm van waarborgen in verband met milieubescherming en behoud van werkgelegenheid;

15.

benadrukt dat sociale waarborgen essentieel zijn in de huidige crisis, en verzoekt de lidstaten en de Commissie met klem om de vakbonden middels sociale dialoog te betrekken bij het opzetten en ten uitvoer leggen van anticrisismaatregelen;

16.

erkent dat het cumulatieve effect van hoge energieprijzen en verstoorde toeleveringsketens een bedreiging kan vormen voor Europese bedrijven en de banen die zij bieden; dringt aan op een onmiddellijke lastenverlichting voor bedrijven, met name kmo’s;

17.

onderstreept dat het monetair beleid van de ECB in eerste instantie gericht is op handhaving van de prijsstabiliteit, en dus op het waarborgen van een lage, stabiele en voorspelbare inflatie; brengt in herinnering dat de inflatiedoelstelling van de ECB 2 % is;

Klimaatverbintenissen, inzet van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en infrastructuur

18.

geeft aan dat de goedkoopste energie de energie is die we niet verbruiken en dat energie-efficiëntie- en energiebesparingsmaatregelen de EU niet alleen zullen helpen op de korte termijn, maar ook zullen bijdragen tot het halen van de klimaatverbintenissen van de EU voor 2030 als bedoeld in het Fit for 55-pakket en het REPowerEU-initiatief, zoals een vermindering van de import en van het verbruik van gas;

19.

is van oordeel dat het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal onze energiesystemen efficiënter, breder op hernieuwbare bronnen gebaseerd, beter op crisissen voorbereid en veerkrachtiger voor externe disrupties zal maken, voor stabiele en betaalbare energie zal zorgen, en bij zal dragen aan open strategische autonomie;

20.

verzoekt de lidstaten en de Commissie om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen, aangezien dit de beste manier is om een eind te maken aan de afhankelijkheid van aardgas en de klimaatverbintenissen van de Unie na te komen; refereert aan de in gang gezette herschikking van Richtlijn (EU) 2018/2001 (RED III en RED IV) en is ervan overtuigd dat snelle afronding van de wetgevingsprocedure tot een versnelde inzet van hernieuwbare energie in de hele EU zal leiden;

21.

benadrukt dat het verwarmen van woningen moet worden gedecarboniseerd middels slimme elektrificatie en op betaalbare, op hernieuwbare bronnen gebaseerde stadsverwarmingsoplossingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer steun te geven voor de renovatie van gebouwen, en toereikende financiering ter beschikking te stellen voor investeringen in energie-efficiëntiemaatregelen, met name voor gebouwen met de slechtste energieprestatie en de meest kwetsbare wijken; is ingenomen met het besluit van sommige lidstaten om de installatie van gasketels in nieuwe gebouwen te verbieden; benadrukt het belang en het onmiddellijke positieve effect van een snelle uitrol van zonnepanelen op gebouwen, hernieuwbare energiebronnen in de buurt, warmtepompen en andere snelle en gemakkelijk te installeren oplossingen;

22.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te bespoedigen, met name door administratieve belemmeringen weg te nemen en vergunningsprocedures te vereenvoudigen en te versnellen, met name voor huishoudens;

23.

staat achter het idee om, in het kader van REPowerEU, uitzonderingsgewijs emissierechten in het EU-emissiehandelssysteem (ETS) te veilen om 20 miljard EUR vrij te maken en zo de nodige infrastructuur te financieren om ons minder afhankelijk te maken van gas en olie uit Rusland, waaronder investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; pleit voor het bespoedigen van deze interventie om uiterlijk eind 2025 over de nodige inkomsten te kunnen beschikken; juicht het toe dat dit op korte termijn tot matiging van de ETS-prijzen, en dus tot matiging van de elektriciteitsprijzen en de energiekosten voor het bedrijfsleven, zou kunnen leiden, in de onderkenning dat het ETS niet de voornaamste aanjager van de recente stijging van de energieprijzen is; wijst andermaal op zijn eigen klimaatdoelen voor 2030, waarmee deze ETS-interventie volledig strookt;

24.

benadrukt dat signalen van elektriciteitsprijzen in realtime een flexibelere vraag kunnen ontsluiten, waardoor de dure en gasintensieve piekbehoeften kunnen worden beperkt; roept de lidstaten derhalve op om de flexibiliteitsbehoeften van de elektriciteitssystemen in de EU beter te beheren door middel van verbeterde netten, regelbare opwekking met lage emissies en diverse technologieën voor grootschalige energieopslag voor de lange termijn, teneinde de vraag naar elektriciteit en gas vanuit de industrie tijdens piekuren te verminderen;

25.

verzoekt de lidstaten Richtlijn (EU) 2018/2001 volledig om te zetten, met name om belemmeringen voor de oprichting van energiegemeenschappen weg te nemen; verzoekt de lidstaten aanvullende maatregelen te nemen voor het gebruik van zelf, met hernieuwbare bronnen, opgewekte energie; roept de lidstaten op de passende voorwaarden te creëren om per gemeente ten minste één hernieuwbare-energiegemeenschap op te richten, zodat burgers hun eigen hernieuwbare energie kunnen produceren, verbruiken, opslaan en doorverkopen;

26.

roept ertoe op de lopende wetgevingsprocedure met betrekking tot de richtlijn energie-efficiëntie te versnellen, aangezien de bepalingen ervan gebruikers zullen helpen hun energieverbruik, en dus hun energiekosten, te verlagen;

27.

onderstreept dat de opzet van een volledig geïntegreerde interne markt voor energie die voorziet in een weerbaar Europees energienetwerk, met inbegrip van de bouw van nieuwe interconnectoren, zoals die tussen het Iberisch schiereiland en Frankrijk, en betere handelsplatforms, op korte termijn de prijsdruk op bedrijven en consumenten zou verlagen en op lange termijn zou leiden tot energie-onafhankelijkheid en -weerbaarheid; erkent dat de hervorming van de interne EU-markt voor energie coherenter moet worden nagestreefd, dat bovenmatige afhankelijkheid moet worden vermeden en dat essentiële infrastructuur in handen van de EU moet blijven, waarmee voor meer open strategische autonomie wordt gezorgd; is van mening dat alle opties om energie betaalbaar te houden en klimaatneutraliteit te bereiken, bekeken moeten worden;

28.

benadrukt dat investeringen in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de nodige infrastructuur, waaronder goed-afgebakende grensoverschrijdende projecten, met investeringen via NextGenerationEU en REPowerEU, de EU zullen helpen bij het tot stand brengen van energiesoevereiniteit, open strategische autonomie en energiezekerheid; roept de Commissie en de lidstaten op dergelijke cruciale infrastructuurprojecten op basis van hernieuwbare energie en schone waterstof te versnellen door de vergunningsprocedures te vereenvoudigen, met terdege inachtneming van de procedures voor inspraak van het publiek en inzake milieueffectbeoordelingen;

29.

merkt op dat sommige lidstaten hun uitfasering van kern- en steenkoolcentrales heroverwegen indien deze centrales zouden kunnen bijdragen tot de zekerheid van de energievoorziening van de EU en tot het laag houden van de energieprijzen; meent dat de levensduur van de bestaande kerncentrales moet worden verlengd, waarbij tegelijkertijd moet worden toegezien op de veilige werking van deze centrales en op een correct beheer en verwijdering van kernafval; benadrukt dat het uitstel van de sluiting van kolencentrales tijdelijk moet zijn, slechts voor zolang de huidige crisis aanhoudt, en vergezeld moet gaan van een concreet tijdschema voor de vervanging door andere energiebronnen;

30.

herinnert eraan dat ongeveer een kwart van de elektriciteit en de helft van de koolstofarme elektriciteit in de EU wordt opgewekt door middel van kernenergie; merkt op dat sommige lidstaten gekant zijn tegen kernenergie, maar dat een aantal andere lidstaten voorbereidingen treft voor de bouw van nieuwe kerncentrales; herhaalt dat de lidstaten volledig verantwoordelijk blijven voor het bepalen van hun energiemix en voor het uitwerken van opties om te zorgen voor betaalbare, stabiele en schone energie voor hun burgers en bedrijven, en voor het kiezen van het meest geschikte traject voor om bij te dragen aan de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, rekening houdend met de specifieke kenmerken en beperkingen van elke lidstaat;

31.

maakt zich ernstige zorgen over de recente sabotage van Nord Stream-infrastructuur waarbij volgens Duitse schattingen 300 000 kubieke ton van een van de krachtigste broeikasgassen in de atmosfeer is vrijgekomen (14), wat volgens het Milieuprogramma van de VN de grootste enkele lozing van methaangas zou kunnen zijn die ooit is gemeten; wijst op de manier waarop de effecten van deze explosie en dit methaanlek zullen bijdragen tot klimaatverandering en luchtverontreiniging, waardoor de klimaatinspanningen van de EU in het gedrang komen, en wijst verder op de schadelijke gevolgen van de explosies en de daaruit voortvloeiende gaslekken voor het mariene milieu; dringt erop aan dat er verantwoording wordt afgelegd voor de vrijgekomen emissies; maakt zich tevens zorgen over de meldingen van ongeïdentificeerde drones in de buurt van olie- en gasplatforms op het Noorse continentaal plat; vestigt de aandacht op het feit dat deze incidenten tot een sterke stijging van de gasprijzen op TTF-markten hebben geleid en dat de methaanlekken in een “klimaat- en milieuramp” hebben geresulteerd;

32.

benadrukt dat de opzettelijke beschadiging van Europese energie-infrastructuur in potentie tot een aanzienlijke verslechtering van de huidige energiecrisis kan leiden, waaronder op regio-overschrijdend niveau; dringt er bij de lidstaten en de energiemaatschappijen op aan onmiddellijk maatregelen te treffen om de beveiliging van hun energie-infrastructuur te verbeteren;

Noodmaatregelen op de energiemarkt

33.

is van mening dat bedrijven die enorme uitzonderlijke winsten hebben geboekt, moeten bijdragen aan het dempen van de negatieve gevolgen van de crisis; neemt kennis van de “State of the Union”-toespraak van voorzitter Von der Leyen van de Commissie van 14 september 2022; is in beginsel ingenomen met het akkoord in de Raad (na een voorstel van de Commissie) om een tijdelijk noodplafond in te stellen voor marktinkomsten uit de opwekking en verkoop van elektriciteit door inframarginale opwekkingstechnologieën te gebruiken en een tijdelijk solidariteitsbijdragemechanisme te creëren voor de fossielebrandstoffensector, die voordeel behaalt uit de huidige marktsituatie; herinnert in dit verband aan zijn eerdere standpunt in zijn resolutie van 19 mei 2022 (15); betreurt het dat de Commissie haar plannen heeft voorgesteld in de vorm van een verordening van de Raad, met artikel 122 VWEU als rechtsgrondslag, in plaats van een wetgevende medebeslissingsprocedure; geeft nog maar eens aan dat dit instrument uitsluitend voor noodsituaties mag worden gebruikt; bevestigt dat het Parlement klaarstaat om snel te handelen met betrekking tot deze dringende kwestie, indien het daarom wordt verzocht, aangezien desbetreffend voor volledige democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht moet worden gezorgd;

34.

roept de lidstaten op deze maatregelen snel ten uitvoer te leggen; is van mening dat elk ingrijpen in de energiemarkt van tijdelijke en gerichte aard moet zijn, en dat de fundamentele marktbeginselen en de integriteit van de interne markt niet in gevaar mogen worden gebracht; stelt vast dat het desbetreffende mechanisme in potentie tot ongelijke inkomsten tussen de lidstaten zou kunnen leiden;

35.

neemt nota van het feit dat solidariteitsbijdragen worden voorgesteld voor bedrijven die actief zijn in de sectoren ruwe olie, aardgas, kolen en raffinage; stelt bezorgd vast dat de bijdrage mogelijkerwijs niet geldt voor sommige van de grootste energiebedrijven in de EU; verzoekt de Commissie en de Raad de solidariteitsbijdrage zo vorm te geven dat belastingontwijking wordt vermeden; stelt vast dat de lidstaten het voorstel verder zouden kunnen aanscherpen; verzoekt de Commissie te bepalen wat in het licht van de noodsituatie een geëigende winstmarge is en aanvullende stappen te zetten in de richting van de invoering van een belasting op uitzonderlijke winsten voor energiebedrijven die buitensporig van de energiecrisis hebben geprofiteerd;

36.

herinnert eraan dat overwinsten niet overeenkomen met de normale winsten die grote ondernemingen onder normale omstandigheden zouden hebben gemaakt of hadden kunnen verwachten indien onvoorspelbare gebeurtenissen, zoals de pandemie en de oorlog in Oekraïne, niet hadden plaatsgevonden;

37.

benadrukt dat de inkomsten die met deze belasting op uitzonderlijke winsten worden gegenereerd, ten goede moeten komen aan consumenten en bedrijven, met name in de vorm van steun voor kwetsbare huishoudens en kmo’s, waaronder middels prijsplafonds; onderstreept dat dit hand-in-hand moet gaan met grootschalige innovatie en investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie en energie-infrastructuur, zoals distributienetwerken, en er niet toe mag leiden dat huishoudens en bedrijven gestimuleerd worden meer gesubsidieerde energie te verbruiken;

38.

wijst met klem op het bijzondere belang, in de huidige context, van de overheidsinkomsten die in de EU met de toepassing van de pijler II-richtlijn, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de mondiale belastingovereenkomst van de OESO inzake minimale effectieve vennootschapsbelasting, zouden worden gegenereerd; verzoekt de Raad nogmaals het voorstel voor de pijler II-richtlijn snel goed te keuren, teneinde ervoor te zorgen dat de overeenkomst uiterlijk in januari 2023 van kracht wordt;

39.

verwelkomt de verplichtingen en doelstellingen in verband met de vraag naar energie als vervat in het voorstel voor een verordening van de Raad, die beogen iets te doen aan de problemen in verband met de hoge energieprijzen en de bedreigingen voor de energiebevoorradingszekerheid; verzoekt de lidstaten met klem er zorg voor te dragen dat de maatregelen die zij nemen voor het implementeren van de bovenbedoelde verplichtingen geen extra lasten opleveren voor kwetsbare huishoudens en consumenten, bedrijven, kmo’s of degenen die met energie-armoede worden geconfronteerd;

40.

neemt kennis van het voornemen van de Commissie om het gesprek aan te gaan over een hervorming van de opzet van de elektriciteitsmarkt, en geeft aan bereid te zijn elk voorstel zorgvuldig te bestuderen; is van mening dat elke hervorming van de elektriciteitsmarkt aan moet sluiten bij de klimaatdoelstellingen van de EU, met name de doelstelling om in de EU uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, en dat elektriciteitsmarkten het juiste prijssignaal moeten afgeven om te investeren in decarbonisatie en burgers en bedrijven te laten profiteren van altijd beschikbare, betaalbare en schone energie, in combinatie met maatregelen voor het aanpakken van de disproportionele winsten die op de elektriciteitsmarkt worden geboekt; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is de elektriciteitsprijzen los te koppelen van de prijs van gas;

41.

verzoekt de Commissie te bekijken of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de crisis te lijf te gaan, zoals tijdelijke prijsplafonds voor de groothandel en importen; verzoekt de Commissie om, na een positieve analyse, een voorstel voor te leggen voor een passend prijsplafond voor de invoer van gas via pijpleidingen, voornamelijk uit Rusland; spoort de Commissie en de Raad aan het EU-platform voor de aankoop van energie op te waarderen en om te vormen tot een instrument voor het gezamenlijk aankopen van energiebronnen, teneinde de onderhandelingspositie van de EU te versterken en de kosten van importen te verlagen; verwelkomt het besluit van de Commissie om een taskforce op te richten om met derde landen over de gasprijzen te onderhandelen;

42.

juicht het toe dat de Commissie, op verzoek van de lidstaten, kijkt naar mogelijke oplossingen om de nodige liquiditeit ter beschikking te stellen aan energiebedrijven die op de termijnmarkten voor elektriciteit en gas met hoge “margin calls” worden geconfronteerd;

Speculatie op de energiemarkt

43.

wijst erop dat de verstoringen van de energiebevoorrading als gevolg van de oorlogsagressie van Rusland tegen Oekraïne tot volatiliteit en instabiliteit op de markten voor energiederivaten hebben geleid, en dat dit een domino-effect zou kunnen hebben op de financiële markten;

44.

roept op tot meer transparantie met betrekking tot en toezicht door de regelgevende autoriteiten op de marktgebaseerde en “over-the-counter”-handel in gas en inkoopprijzen;

45.

verwelkomt de antitrustzaak die het Directoraat-Generaal Mededinging van de Commissie tegen Gazprom heeft aangespannen in verband met misbruik van zijn dominante positie, en verzoekt de Commissie met klem de procedure snel af te ronden en de noodzakelijke besluiten te nemen; onderstreept dat de Commissie alle in het kader van het mededingingsbeleid ter beschikking staande instrumenten moet gebruiken om marktverstoringen en oneerlijke prijsmanipulatie op de energiemarkten aan te pakken; is van oordeel dat de Commissie, wanneer het gaat om het in kaart brengen van schendingen van de mededinging met betrekking tot elektriciteit en gas, ook moet overwegen deze aan te pakken middels structurele maatregelen;

46.

stelt vast dat de Commissie inziet (16) dat Europa met manipulatie van de gasmarkt wordt geconfronteerd, hetgeen gevolgen heeft voor de prijzen van elektriciteit; dringt aan op beëindiging van speculatie en manipulatie op de gasmarkt, en verzoekt dat maatregelen worden genomen met betrekking tot de werking van de TTF en de entiteiten die gerechtigd zijn daarop te opereren; is van oordeel dat hiertoe ook de toepassing zou kunnen behoren van een handelsonderbrekingsmechanisme in de TTF in het geval van buitensporige prijsschommelingen, alsmede “price collars”, zoals voorgesteld door de ESMA, teneinde de indexatie van contracten los te koppelen van de TTF-hub; juicht het voorstel van de Commissie toe om een alternatieve EU-benchmark te ontwikkelen voor de TTF voor via pijpleidingen aangevoerd gas en vloeibaar aardgas; verzoekt de Commissie, en met name haar Directoraat-Generaal Mededinging, en de ESMA nauw toezicht op de Europese gasmarkt uit te oefenen in verband met mogelijke gevallen van marktdominantie of onvoldoende transparantie;

47.

verzoekt de relevante bevoegde autoriteit mogelijke gevallen van marktmisbruik of marktmanipulatie op de grondstoffenmarkten in het algemeen en op de gasmarkt in het bijzonder te onderzoeken, te rapporteren en aan te pakken;

48.

verzoekt de Commissie een grondig onderzoek in te stellen naar de activiteiten van de financiële spelers die tot de volatiliteit van de koolstofprijs hebben bijgedragen; dringt er met klem bij de Commissie op aan actie te ondernemen om de invloed van speculatief kapitaal op de markt voor EU-ETS-rechten weg te nemen;

o

o o

49.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.

(2)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210.

(3)  PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75.

(4)  PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54.

(5)  PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125.

(6)  PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1.

(7)  PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1.

(8)  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

(9)  PB C 184 van 5.5.2022, blz. 163.

(10)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.

(11)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 145.

(12)  PB C 465 van 17.11.2021, blz. 11.

(13)  Brief van de voorzitter van ESMA, Verena Ross, aan de directeur-generaal van het Directoraat-Generaal Financiële Stabiliteit van de Commissie, John Berrigan, 22 september 2022.

(14)  Duits federaal ministerie van Milieubeheer, Natuurbehoud, Nucleaire Veiligheid en Consumentenbescherming.

(15)  Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de sociale en economische gevolgen voor de EU van de Russische oorlog in Oekraïne — versterking van het vermogen van de EU om op te treden (Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0219).

(16)  Statement by Commission President von der Leyen on energy, 7 september 2022.


Donderdag, 6 oktober 2022

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/74


P9_TA(2022)0349

De mensenrechtensituatie in Haïti, vooral in verband met bendegeweld

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de mensenrechtensituatie in Haïti, vooral in verband met bendegeweld (2022/2856(RSP))

(2023/C 132/08)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Haïti, met name die van 20 mei 2021 over de situatie in Haïti (1):

gezien de resultaten van de universele periodieke doorlichting van Haïti, door de VN-Mensenrechtenraad goedgekeurd op 4 juli 2022,

gezien resolutie 2645(2022) van de VN-Veiligheidsraad van 15 juli 2022,

gezien de verslagen van dit jaar over Haïti van het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden, met name dat van 23 september 2022 over de gevolgen van sociale onrust voor de humanitaire situatie,

gezien de toespraak van minister van Buitenlandse Zaken Jean Victor Généus voor de Algemene Vergadering van de VN op 24 september 2022,

gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 15 februari 2022 aan het geïntegreerde VN-kantoor in Haïti,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979,

gezien het Amerikaans Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van 22 november 1969,

gezien het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, en de drie facultatieve protocollen daarbij,

gezien de VN-basisbeginselen van 6 september 1985 inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht,

gezien het universele rechterstatuut (Universal Charter of the Judge) van 17 november 1999 en het Statuut van de Ibero-Amerikaanse rechters van mei 2001,

gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (2) (de Overeenkomst van Cotonou),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid van 26 juni 2012 over de gezamenlijke strategie voor een partnerschap tussen de EU en het Caribisch gebied (JOIN(2012)0018),

gezien de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (3),

gezien de grondwet van de Republiek Haïti uit 1987,

gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de humanitaire situatie in Haïti de afgelopen jaren gestaag is verslechterd als gevolg van de onveiligheid in het land; overwegende dat bendes sinds de moord op president Jovenel Moïse in juli 2021 op drastische wijze meer macht hebben verworven en dat dit een algemeen gevoel van onveiligheid heeft gecreëerd voor de Haïtiaanse bevolking; overwegende dat 1,5 miljoen mensen het slachtoffer zijn geworden van het toenemende geweld en de escalerende mensenrechtenschendingen, nog eens 19 000 mensen intern ontheemd zijn en 1,1 miljoen mensen hulp nodig hebben; overwegende dat deze sociaal-politieke en economische crisis, de algemene onveiligheid en de door bendes veroorzaakte crisissituatie samen uitmonden in een humanitaire ramp; overwegende dat de officiële politiediensten naar verluidt in toenemende mate gebruikmaken van geweld;

B.

overwegende dat de Haïtiaanse regering op 11 september 2022 heeft aangekondigd de brandstofsubsidies met ongeveer 400 miljoen USD te willen verlagen om de financiële middelen voor sociale programma’s te verhogen, hetgeen aanvullende onrust heeft veroorzaakt en ertoe heeft geleid dat bendenallianties zich meester maken van belangrijke infrastructuur; overwegende dat het land al maanden kampt met een tekort aan benzine; overwegende dat de toegang tot de olieterminal van Varreux, waar zich 70 % van de olievoorraden bevindt, in handen is van gewapende bendes; overwegende dat bijna 86 % van de in Haïti geproduceerde elektriciteit afkomstig is van aardolieproducten; overwegende dat ziekenhuizen en gezondheidscentra hun activiteiten als gevolg van het brandstoftekort hebben moeten beperken of zelfs stopzetten;

C.

overwegende dat Haïti maar liefst 200 bendes telt, onder meer in Port-au-Prince, die de controle hebben over belangrijke havens en wegen; overwegende dat sommige van deze bendes banden hebben met overheidsactoren en volgens geruchten ook politici, en de regering dreigen te destabiliseren doordat zij over meer middelen en wapens beschikken; overwegende dat sommige Haïtiaanse politici en bedrijfsleiders geld en wapens zouden hebben verstrekt aan bendes en andere criminele groepen in ruil voor de onderdrukking van protesten tegen de regering; overwegende dat de bendes macht en controle uitoefenen over grondgebieden, de toegang tot brandstof en de levering van humanitaire hulp, waardoor het gezag van de Haïtiaanse nationale politie (HNP) en andere overheidsinstellingen wordt betwist en het vermogen van de HNP om drugshandel en andere misdrijven te bestrijden, in het gedrang komt;

D.

overwegende dat er volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten tussen januari en eind juni 2022 in Port-au-Prince 934 moorden, 684 gevallen van verwonding en 680 ontvoeringen hebben plaatsgevonden; overwegende dat een golf van bendegeweld in juli 2022 tot meer dan 470 moorden heeft geleid, waarvan bijna de helft in de gemeente Cité Soleil; overwegende dat de meeste slachtoffers niet tot een bende behoorden maar opzettelijk werden geviseerd door bendeleden; overwegende dat er meerdere gevallen bekend zijn van herhaalde groepsverkrachtingen van vrouwen en meisjes, hetgeen het systematische gebruik van gendergerelateerd geweld aantoont; overwegende dat volgens een verslag uit augustus 2022 van het Haïtiaanse nationale netwerk voor de verdediging van de mensenrechten tientallen vrouwen en meisjes het slachtoffer zijn geworden van massale verkrachtingscampagnes door bendes in Port-au-Prince;

E.

overwegende dat bendes op 10 juni 2022 de controle hebben verworven over het Paleis van Justitie; overwegende dat er sinds 2018 als gevolg van veiligheidsrisico’s nauwelijks nog activiteit is in het Paleis van Justitie, hetgeen de toegang tot justitie in het land bemoeilijkt; overwegende dat dossiers met cruciaal bewijsmateriaal over de talrijke bloedbaden die bendes sinds 2018 hebben gepleegd, zijn gestolen of onherroepelijk zijn vernietigd;

F.

overwegende dat de uitermate onstabiele veiligheidssituatie in Haïti een rem zet op essentiële humanitaire operaties, die nochtans van het grootste belang zijn voor kwetsbare mensen; overwegende dat de weg naar het zuidelijke schiereiland sinds 2021 volledig is geblokkeerd en dat 3,8 miljoen mensen in het zuidelijke deel van Port-au-Prince daardoor geïsoleerd zijn; overwegende dat deze situatie VN-agentschappen en humanitaire organisaties belet de bevolking in dit gebied te helpen, en overwegende dat volgens schattingen van de VN 1,1 miljoen mensen hulp nodig hebben;

G.

overwegende dat bendes doelbewust voedselhulpvoorraden viseren en plunderen, onder meer op 15 september 2022, toen een magazijn van het Wereldvoedselprogramma (WFP) in Gonaïves met 1 400 meterton aan voedsel voor bijna 100 000 schoolkinderen en uitermate kwetsbare gezinnen werd leeggeroofd; overwegende dat de VN en andere niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) in 2022 ten minste 6 miljoen USD aan leveringen hebben verloren die meer dan 410 000 mensen hadden kunnen helpen;

H.

overwegende dat volgens het Wereldvoedselprogramma 4,4 miljoen Haïtianen, dat wil zeggen ruim een derde van de bevolking, getroffen worden door voedselonzekerheid en dat 217 000 kinderen matig tot ernstig ondervoed zijn; overwegende dat Haïti bijzonder kwetsbaar is voor mondiale schokken op de voedsel- en brandstoffenmarkt omdat het 70 % van zijn graan invoert; overwegende dat de inflatie in Haïti als gevolg van de Russische oorlog al ongeveer 26 % bedraagt, waardoor het moeilijk wordt voor gezinnen om voedsel en andere noodzakelijke goederen te kopen of om op plaatselijke markten gewassen te verkopen;

I.

overwegende dat met name journalisten het doelwit vormen van geweld; overwegende dat twee journalisten, Tayson Latigue en Frantzsen Charles, op 11 september 2022 in Cité Soleil zijn doodgeschoten en dat hun lichamen vervolgens zijn verbrand;

J.

overwegende dat de mensenrechtensituatie en de humanitaire situatie snel blijven verslechteren, maar dat Haïtiaanse asielzoekers slechts beperkt aanspraak kunnen maken op internationale bescherming en te maken krijgen met diverse mensenrechtenschendingen in gastlanden, waaronder opsluiting, onrechtmatige terugzending en afpersing; overwegende dat de Haïtiaanse buurlanden volgens de Internationale Organisatie voor Migratie tussen 1 januari en 26 februari 2022 25 765 mensen uit het land hebben gezet of hebben teruggestuurd naar Haïti; overwegende dat verscheidene ngo’s hebben gewaarschuwd dat Haïtiaanse asielzoekers het slachtoffer zijn van willekeurige opsluiting en discriminerende en vernederende behandeling; overwegende dat de uitzetting en terugkeer van Haïtiaanse migranten de humanitaire situatie in het land nog erger maken;

K.

overwegende dat de Haïtiaanse regering vanwege de toenemende onveiligheid en de verslechterende sociale en economische situatie heeft besloten het begin van het schooljaar uit te stellen van 5 september tot 3 oktober 2022, en dat het nog niet zeker is wanneer en of het schooljaar zal kunnen beginnen; overwegende dat volgens Unicef, het kinderfonds van de VN, een half miljoen kinderen in Port-au-Prince niet naar school gaan en dat 1 700 scholen in de hoofdstad hun deuren hebben moeten sluiten; overwegende dat ongeveer de helft van de Haïtianen van 15 jaar en ouder niet kan lezen of schrijven, dat het Haïtiaanse onderwijsstelsel wordt gekenmerkt door grote ongelijkheid en de slechte kwaliteit van het beschikbare onderricht, en dat de meeste kinderen uit gezinnen met een laag inkomen door de hoge onderwijskosten niet naar school kunnen;

L.

overwegende dat de kwetsbaarste gemeenschappen in Haïti geconfronteerd worden met dramatische overstromingen en bodemerosie die het gevolg zijn van grootschalige ontbossing, en overwegende dat dit ook leidt tot een lage landbouwproductiviteit; overwegende dat meer dan een derde van de bevolking geen toegang heeft tot schoon water en dat twee op drie Haïtianen niet of nauwelijks over sanitaire voorzieningen beschikt; overwegende dat ruim de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft en dat velen afhankelijk zijn van zelfvoorzieningslandbouw; overwegende dat het land in hoge mate afhankelijk is van uit het buitenland afkomstige inkomsten; overwegende dat Haïti volgens de mondiale klimaatrisico-index van 2021 tot die landen behoort die de afgelopen 20 jaar het zwaarst zijn getroffen door klimaatrampen;

M.

overwegende dat de veiligheidscontext een grote invloed heeft op de doelstellingen van de samenwerking van de EU met Haïti, met inbegrip van het uitrollen van een ontwikkelingsagenda die gericht is op duurzame transformerende resultaten op gebieden zoals onderwijs en voedselzekerheid, alsook op de inspanningen van het DG Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp van de Commissie;

N.

overwegende dat het restaveksysteem, een moderne vorm van slavernij, in Haïti nog steeds wordt gebruikt; overwegende dat dit systeem inhoudt dat kinderen uit arme gezinnen, meestal meisjes, door hun ouders naar een gezin in stedelijk of semi-stedelijk gebied worden gestuurd om daar te wonen en te werken; overwegende dat deze kinderen later het slachtoffer kunnen worden van straatcriminaliteit of mensenhandel voor seksuele doeleinden door criminele bendes;

O.

overwegende dat het VN-plan voor humanitaire hulp voor Haïti, ten belope van 373 miljoen USD, slechts voor 14 % is gefinancierd; overwegende dat het aantal mensen dat humanitaire bijstand nodig heeft volgens de VN geschat wordt op ongeveer 1,5 miljoen;

P.

overwegende dat Haïti de Overeenkomst van Cotonou heeft ondertekend en dat in artikel 96 van deze overeenkomst is bepaald dat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden een essentieel onderdeel vormt van de samenwerking tussen de landen in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan en de EU;

1.

spreekt zich met klem uit tegen de daden van geweld en vernieling die door bendes in Haïti worden gepleegd en betreurt de plundering van voedselvoorraden en hulpgoederen en de aanvallen op humanitaire hulpverleners; hekelt met name de gewelddaden in de wijk Cité Soleil in Port-au-Prince in juli 2022 en het aanhoudende geweld waardoor burgers hun grondrechten worden ontnomen; spreekt zijn afschuw uit over het seksueel geweld door bendes tegen vrouwen en meisjes, alsook over het gebruik van minderjarigen bij bendeactiviteiten; herinnert eraan dat vrouwen en meisjes bijzondere aandacht en hulp behoeven als het gaat om de toegang tot gezondheidszorg en de bescherming tegen seksueel geweld;

2.

benadrukt dat de Haïtiaanse autoriteiten moeten zorgen voor beter bestuur op alle niveaus van de staat en de samenleving, met inbegrip van de bestrijding van corruptie; wijst op het cruciale belang van een werkende en geloofwaardige rechterlijke macht; herinnert eraan dat de Haïtiaanse autoriteiten de onderliggende oorzaken van bendegeweld moeten aanpakken, onder meer door het rechtsstelsel te hervormen en de verantwoordelijken in een eerlijk proces voor de rechter te brengen; benadrukt dat er dringend verantwoording moet worden afgelegd en wijst op het belang van passende steun en schadeloosstelling voor slachtoffers, alsook op het belang van langdurige vrede en stabiliteit; steunt de verklaring van de speciale vertegenwoordiger Helen La Lime tijdens de zitting van de VN-Veiligheidsraad van 16 juni 2022 over het geïntegreerde VN-kantoor in Haïti, waarin wordt uiteengezet hoe de veiligheidssituatie moet worden verbeterd;

3.

roept op tot een rechtshandhavingsaanpak van bendes, door het beheer van illegale wapens te verbeteren, in combinatie met sociaal-economische projecten en re-integratieactiviteiten die gericht zijn op het genereren van werkgelegenheid en inkomsten in de wijken die het zwaarst door bendegeweld worden getroffen; benadrukt met klem dat de Haïtiaanse autoriteiten de verantwoordelijken in een eerlijk proces voor de rechter moeten brengen en herhaalt dat rechtshandhavers zich bij protesten aan de internationale normen en standaarden met betrekking tot het gebruik van geweld moeten houden; herinnert aan het grondwettelijke recht op vreedzame demonstraties; benadrukt dat de Haïtiaanse overheid alle mogelijke dimensies van bendegeweld moet aanpakken, onder meer via sociale, gezondheids- en onderwijsprogramma’s, verbeteringen op het gebied van water en sanitair, hulp bij rampen en wederopbouw;

4.

eist dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan bendegeweld en criminele activiteiten; roept de EU en de lidstaten op om passende maatregelen te nemen, onder meer het bevriezen van tegoeden en reisverboden, via de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten, tegen personen die betrokken zijn bij of steun verlenen aan bendegeweld, criminele activiteiten of mensenrechtenschendingen, met inbegrip van corruptie;

5.

wijst op het belang van de belangrijkste maatschappelijke actoren, met inbegrip van kerken, vakbonden, jongeren- en mensenrechtenorganisaties, boeren- en vrouwenbewegingen en ngo’s; roept op om de macht en legitimiteit van overheidsinstellingen te herstellen, het vertrouwen van de bevolking opnieuw te winnen, een einde te maken aan de straffeloosheid en na een periode van twee jaar vrije en transparante verkiezingen te organiseren;

6.

roept alle belanghebbenden in Haïti op om een duurzame, tijdgebonden en algemeen aanvaarde oplossing voor de huidige politieke impasse te vinden, zodat inclusieve, vreedzame, vrije, eerlijke en transparante parlements- en presidentsverkiezingen kunnen worden gehouden, in overeenstemming met erkende internationale normen, zodra de veiligheidsomstandigheden en logistieke voorbereidingen dit toelaten; benadrukt dat Haïti daarbij de leiding moet nemen, met de volledige en gelijke deelname van vrouwen, jongeren, het maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden, teneinde de macht terug te geven aan diegenen die vrijelijk door de Haïtiaanse bevolking zijn gekozen, de democratische instellingen te herstellen en maatregelen te nemen om de economische en sociale problemen aan te pakken;

7.

is ernstig bezorgd over de situatie van Haïtiaanse asielzoekers in de gastlanden waarnaar zij zijn gevlucht; roept de autoriteiten van de gastlanden op om alle uitzettingen en deportaties naar Haïti een halt toe te roepen zolang de mensenrechten- en humanitaire crises voortduren, alsook om Haïtianen toegang te bieden tot bescherming zonder discriminatie en hun vluchtelingenstatus op een eerlijke manier te evalueren, in overeenstemming met zowel het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen als de Verklaring van Cartagena inzake vluchtelingen;

8.

verzoekt de landen die Haïtiaanse asielzoekers opvangen zich te houden aan de criteria die zijn vastgelegd in internationale verdragen inzake asiel en terugkeer; herinnert eraan dat terugkeer naar Haïti uiterst onveilig is en risico’s voor het leven van personen zal blijven inhouden zolang de veiligheidsomstandigheden in Haïti niet zijn verbeterd;

9.

spoort de Commissie en de EU-lidstaten aan hun nauwe samenwerking met het geïntegreerde VN-kantoor in Haïti, het VN-landenteam in Haïti, regionale organisaties en internationale financiële instellingen voor te zetten, teneinde Haïti te helpen de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de totstandbrenging van stabiliteit op lange termijn, duurzame ontwikkeling en economische zelfvoorziening;

10.

spoort de lidstaten, internationale financiële instellingen en andere entiteiten aan de bijdragen aan het gezamenlijke fonds voor veiligheidsbijstand aan Haïti te verhogen, teneinde de gecoördineerde internationale bijstand te ondersteunen; roept de EU en de lidstaten op om te zorgen voor permanente capaciteitsopbouw, technische ondersteuning en opleiding voor nationale douane-, grenscontrole- en andere relevante autoriteiten;

11.

roept de Haïtiaanse autoriteiten en de internationale gemeenschap op om dringend steun te verlenen aan programma’s die gericht zijn op het uitbannen van armoede en het waarborgen van onderwijs en toegang tot sociale diensten, met name in afgelegen gebieden van het land;

12.

is ingenomen met de toewijzing van 17 miljoen EUR door de EU ter ondersteuning van de kwetsbaarsten in Haïti en andere landen in het Caribisch gebied; verzoekt de Commissie prioriteit te blijven geven aan humanitaire hulp aan Haïti en te waarborgen dat de verstrekking van humanitaire hulp aan Haïti op efficiënte wijze wordt gekoppeld aan zijn ontwikkelingsstrategie en rechtstreeks ten goede komt aan mensen in nood;

13.

dringt er in het licht van de ernstige voedselcrisis op aan dat bijzondere aandacht wordt besteed aan noodvoedselhulp en dat prioriteit wordt verleend aan de aankoop van lokaal voedsel, zodat deze hulp niet bijdraagt aan het verdwijnen van de kleinschalige landbouw en duurzame lokale landbouwmethoden in het land;

14.

verzoekt de Commissie stelselmatig te waarborgen dat alle hulp, met inbegrip van humanitaire hulp, doeltreffend wordt gemonitord om ervoor te zorgen dat deze wordt gebruikt voor de specifieke projecten waarvoor zij bedoeld is; herhaalt zijn nog niet ingewilligde verzoek, zoals uiteengezet in zijn resolutie van 20 mei 2021, om een controle door en een verslag van de Europese Rekenkamer over de manier waarop EU-middelen in Haïti worden besteed; dringt aan op een onderzoek naar de transparantie en doeltreffendheid van het hulpverdelingsnetwerk;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (OACPS), de Raad van ministers van de OACPS en de Paritaire Parlementaire Vergadering van de OACPS en de EU, de instellingen van het Cariforum en de regering en het parlement van Haïti.

(1)  PB C 15 van 12.1.2022, blz. 161.

(2)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(3)  PB L 289 van 30.10.2008, blz. 3.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/79


P9_TA(2022)0350

De beknotting van mediavrijheid in Myanmar, met name het geval van Htet Htet Khine, Sithu Aung Myint en Nyein Nyein Aye

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de inperking van de mediavrijheid in Myanmar, met name de gevallen van Htet Htet Khine, Sithu Aung Myint en Nyein Nyein Aye (2022/2857(RSP))

(2023/C 132/09)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar/Birma,

gezien Besluit (GBVB) 2022/243 van de Raad van 21 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2013/184/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Myanmar/Birma, waarbij een vierde reeks sancties werd opgelegd gelet op de aanhoudende ernstige situatie en de toenemende schendingen van de mensenrechten in Myanmar/Birma (1),

gezien artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie is verankerd,

gezien de mondelinge update over de mensenrechtensituatie in Myanmar, die op 26 september 2022 door de waarnemend Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de VN werd gegeven aan de VN-Mensenrechtenraad,

gezien de verklaring die de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden op 29 september 2022 heeft afgelegd betreffende de meest recente veroordeling van staatsadviseur Daw Aung San Suu Kyi,

gezien artikel 505, punt a), van het wetboek van strafrecht van Myanmar,

gezien de vijfpuntenconsensus die op 24 april 2021 werd bereikt door de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten,

gezien artikel 19 van Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, en de daarin opgenomen bepalingen over vrijheid van mening en meningsuiting,

gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de militaire junta van Myanmar, bekend als de Tatmadaw, op 1 februari 2021 illegaal de macht overnam en de legitieme autoriteiten met geweld heeft afgezet;

B.

overwegende dat de opperbevelhebber van de militaire junta, Min Aung Hlaing, in augustus 2021 aankondigde dat hij zichzelf tot minister-president benoemde en dat de noodtoestand werd verlengd tot augustus 2023;

C.

overwegende dat de legitieme president Win Myint en staatsadviseur Aung San Suu Kyi sinds de militaire staatsgreep op basis van een aantal ongegronde en politiek gemotiveerde aantijgingen worden vastgehouden en reeds zijn veroordeeld tot meerdere jaren opsluiting in gevangenissen en werkkampen; overwegende dat staatsadviseur Aung San Suu Kyi, indien alle 11 aanklachten tegen haar gegrond worden verklaard, zou kunnen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van maximaal 102 jaar;

D.

overwegende dat sinds de staatsgreep van 1 februari 2021 meer dan 15 500 mensen zijn gearresteerd en meer dan 2 300 mensen, waaronder minstens 188 kinderen, zijn gedood door de junta;

E.

overwegende dat het militaire regime sinds de militaire staatsgreep de mediavrijheid blijft ondermijnen en de mensenrechten van journalisten in het land blijft schenden; overwegende dat Myanmar de 176e plaats inneemt van de 180 landen op de Wereldindex voor persvrijheid 2022 van Verslaggevers zonder Grenzen (RSF); overwegende dat de militaire autoriteiten van Myanmar de toegang tot sociale media, het internet, en andere onafhankelijke informatiebronnen beperken;

F.

overwegende dat de Tatmadaw op 14 februari 2021 wijzigingen heeft aangebracht in het wetboek van strafrecht en het wetboek van strafvordering, en dat voornamelijk deze bepalingen worden gebruikt als grond voor de rechtsvervolging van journalisten, studentenleiders, ambtenaren en andere tegenstanders van het militaire regime; overwegende dat het onlangs ingevoerde artikel 505, punt a), van het wetboek van strafrecht, waarbij het veroorzaken van angst, het verspreiden van nepnieuws en het opruien tot misdrijven tegen een regeringsmedewerker worden verboden op straffe van een gevangenisstraf van maximaal drie jaar, door het leger wordt gebruikt om onder meer journalisten strafrechtelijk aan te klagen; overwegende dat de militaire rechterlijke instanties in Myanmar rechtszaken achter gesloten deuren behandelen;

G.

overwegende dat de junta sinds de staatsgreep van 2021 mediakanalen heeft verboden of uit Myanmar heeft verbannen omdat zij verslag uitbrachten over de acties van het leger; overwegende dat veel van de verboden mediakanalen een cruciale rol hebben vervuld bij de verslaggeving over de situatie in Myanmar; overwegende dat deze media erg belangrijk zijn voor de mensen in Myanmar en daarbuiten;

H.

overwegende dat ten minste vier journalisten zijn omgebracht, waaronder fotografen Soe Naing en Aye Kyaw, die beiden in gevangenschap zijn gestorven nadat zij naar verluidt gefolterd werden, en lokale redacteur Pu Tuidim, die volgens berichten door het leger standrechtelijk is geëxecuteerd nadat hij werd gebruikt als menselijk schild; overwegende dat er meerdere meldingen zijn van foltering en misbruik;

I.

overwegende dat de staatsgreep van februari 2021 werd gevolgd door een arrestatiegolf onder journalisten; overwegende dat minstens 140 journalisten zijn gearresteerd, momenteel 53 mediamedewerkers worden vastgehouden in de gevangenissen van Myanmar en bijna 25 journalisten zijn veroordeeld sinds de militaire staatsgreep; overwegende dat Myanmar het op één na grootste aantal journalisten in de gevangenis ter wereld heeft;

J.

overwegende dat journalisten Htet Htet Khine en Sithu Aung Myint in augustus 2021 zijn gearresteerd, zes maanden na de staatsgreep;

K.

overwegende dat freelance BBC Media Action reporter Htet Htet Khine op 27 september 2022 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf met dwangarbeid; overwegende dat Htet Htet Khine op 15 september 2022 reeds een eerste keer werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf met dwangarbeid wegens vermeende schending van artikel 505, punt a), van het wetboek van strafrecht, waarbij het ophitsen en het verspreiden van nepnieuws strafbaar is gesteld;

L.

overwegende dat Sithu Aung Myint nog steeds in afwachting is van een proces op beschuldiging van “ophitsing” en “burgerlijke ongehoorzaamheid” wegens het schrijven van kritische artikelen over het Myanmarese leger, waarvoor hem mogelijk een totale gevangenisstraf van 23 jaar te wachten staat; overwegende dat de gezondheid van Sithu Aung Myint verslechtert en dat de gevangenisautoriteiten hem medische zorg ontzeggen;

M.

overwegende dat Nyein Nyein Aye, een freelancer die ook bekend is onder het pseudoniem “Mabel”, op 14 juli 2022 is veroordeeld door een militaire rechterlijke instantie in de Insein-gevangenis van Yangon; overwegende dat Nyein Nyein Aye op grond van artikel 505, punt a), van het wetboek van strafrecht is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens “het veroorzaken van angst, het verspreiden van nepnieuws en het opruien tot misdrijven tegen een regeringsmedewerker”; overwegende dat Nyein Nyein Aye de 24e journalist is die sinds de staatsgreep in 2021 een gevangenisstraf opgelegd krijgt;

N.

overwegende dat freelancer Maung Maung Myo op 1 augustus 2022 is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf op beschuldiging van terrorisme wegens het naar verluidt bezitten van foto’s en interviews met leden van de “People’s Defence Force”, een aantal opstandelingen die de militaire regering van Myanmar bestrijden;

O.

overwegende dat Aung San Lin, journalist voor de “Democratic Voice of Burma” (Democratische stem van Birma), op 7 juli 2022 door een rechterlijke instantie is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf met dwangarbeid wegens ophitsing en het verspreiden van “nepnieuws”, als gevolg van de bekendmaking van een rapport waarin werd gesteld dat strijdkrachten in Wetlet Township brandaanslagen hadden gepleegd op de huizen van drie aanhangers van de “National League for Democracy” (Nationale Liga voor Democratie), wiens regering werd omvergeworpen door de staatsgreep;

P.

overwegende dat het militaire regime van Myanmar in juli de doodstraf heeft heringevoerd om de executie mogelijk te maken van voormalig parlementslid Phyo Zeya Thaw, prominent activist Kyaw Min Yu, algemeen bekend als “Ko Jimmy”, Aung Thura Zaw en Hla Myo Aung; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zich krachtig heeft uitgesproken tegen “deze politiek gemotiveerde executies, die een zoveelste stap in de richting van de volledige ontmanteling van de rechtsstaat vormen alsook een verdere flagrante schending van de mensenrechten in Myanmar”;

Q.

overwegende dat de detentieomstandigheden, waarvan het geweten is dat daarbij afranselingen en gendergerelateerd geweld aan de orde zijn, een ernstig probleem vormen voor de veiligheid en het welzijn van de gedetineerden;

R.

overwegende dat het leger een gewelddadige strijd voert tegen etnische minderheden, een groot aantal burgers vermoordt en miljoenen mensen ertoe dwingt op de vlucht te slaan om een veilig heenkomen te zoeken; overwegende dat militaire helikopters onlangs het vuur openden op een basisschool in de regio Sagaing, waarbij minstens zes volwassenen en zeven kinderen om het leven zijn gekomen; overwegende dat, volgens een recente verklaring van de door de VN benoemde onafhankelijke mensenrechtendeskundige Tom Andrews, de omstandigheden “van kwaad naar erger zijn gegaan en verder tot afschuwelijk zijn afgegleden voor ontelbare onschuldige mensen in Myanmar”;

S.

overwegende dat de junta in Myanmar weigert om de mensenrechtenschendingen tegen de Rohingya grondig te onderzoeken en de daders ervan ter verantwoording te roepen; overwegende dat de hoogstgeplaatste militairen die de aanvallen op de Rohingya hebben geleid, nog steeds hun functie bekleden; overwegende dat de autoriteiten weigeren om met de VN-mechanismen samen te werken; overwegende dat straffeloosheid diepgeworteld is in het politieke en juridische stelsel van Myanmar;

T.

overwegende dat Rusland en China zich op politiek, militair en economisch vlak erg hebben ingespannen om de junta een legitiem karakter te verschaffen; overwegende dat Rusland en de militaire junta van Myanmar onlangs een routekaart hebben ondertekend voor samenwerking inzake het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden 2022-2023; overwegende dat Moskou en Peking, als grootste wapenleveranciers van het land, banden hebben met de Myanmarese strijdkrachten; overwegende dat pogingen om het binnen de VN-Veiligheidsraad eens te worden over verklaringen betreffende de situatie in Myanmar, herhaaldelijk zijn geblokkeerd door beide landen;

U.

overwegende dat tussen de militaire junta en de leiders van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN) op 24 april 2021 een vijfpuntenconsensus is bereikt met als eerste stap een onmiddellijke beëindiging van het geweld in het land;

1.

veroordeelt ten stelligste het gewelddadige en onwettige bewind van de militaire junta in Myanmar en de pogingen ervan om de sterke gehechtheid van de bevolking aan de democratie te ondermijnen, aangezien het gebaseerd is op een onwettige staatsgreep tegen de burgerregering en heeft geleid tot een bijzonder alarmerende humanitaire situatie en een mensenrechtencrisis in het land, die wordt gekenmerkt door wijdverbreide straffeloosheid; veroordeelt ten stelligste alle vormen van vervolging van onafhankelijke journalisten;

2.

dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van de onwettige noodtoestand in het land, het herstel van de burgerregering, de terugkeer op de weg naar democratie en de snelle opening van het parlement met deelname van zijn gekozen vertegenwoordigers; steunt de inspanningen van de regering van nationale eenheid (NUG) om te werken aan een vreedzame en democratische toekomst;

3.

verzoekt de militaire junta president Win Myint, staatsadviseur Aung San Suu Kyi en alle anderen die op basis van ongefundeerde beschuldigingen zijn gearresteerd, onvoorwaardelijk vrij te laten, de macht over te dragen aan de legitieme autoriteiten, de rechtsstaat en de mediavrijheid te eerbiedigen en onmiddellijk een eind te maken aan de militaire aanvallen, de luchtaanvallen en het geweld tegen de bevolking van Myanmar;

4.

dringt er bij de militaire junta op aan alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen leden van de pers en mediawerkers in te trekken en alle journalisten die ten onrechte worden vastgehouden, onvoorwaardelijk vrij te laten, onder wie Htet Htet Khine, Sithu Aung Myint, Nyein Nyein Aye, Maung Maung Myo, Thurin Kyaw, Hanthar Nyein, Than Htike Aung, Ye Yint Tun, Tu Tu Tha, Soe Yarzar Tun en Aung San Lin; verzoekt de junta de nodige medische zorg te verlenen aan Sithu Aung Myint, wiens gezondheidstoestand uiterst zorgwekkend is;

5.

veroordeelt het feit dat werknemers worden onderdrukt en dat hun het recht om te staken wordt ontzegd; veroordeelt alle bedrijven en merken die direct of indirect steun verlenen aan het leger en de politie, die vakbondsleiders onderdrukt en arrestatiebevelen tegen hen uitvaardigt;

6.

dringt er bij de militaire junta op aan onmiddellijk een einde te maken aan haar wandaden, met inbegrip van willekeurige arrestaties en opsluiting, foltering, seksueel geweld en andere vormen van mishandeling, alsook oneerlijke processen tegen journalisten en mediawerkers; benadrukt dat advocaten, mensenrechtenverdedigers en familieleden daadwerkelijk toegang moeten krijgen om gedetineerden te bezoeken; benadrukt dat elk overlijden in hechtenis onmiddellijk moet worden gemeld aan de familie van de persoon, dat er passende documentatie moet worden verstrekt, dat het lichaam moet worden teruggestuurd en dat degenen die verantwoordelijk zijn voor wandaden ter verantwoording moeten worden geroepen; roept op tot onafhankelijk internationaal onderzoek naar alle beschuldigingen van foltering en mishandeling en vraagt dat de verantwoordelijken ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat zogenaamde informatie die is verkregen door foltering of mishandeling in geen geval als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mag worden toegelaten;

7.

benadrukt dat mediavrijheid van vitaal belang is voor de doeltreffende werking van vrije en democratische samenlevingen en essentieel is voor de bescherming van alle andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, en dat journalisten een veilige omgeving nodig hebben waarin zij onafhankelijk kunnen werken;

8.

verzoekt de NUG een duidelijk standpunt in te nemen over de status van de Rohingya, met name over hun recht op burgerschap en gelijke erkenning als een etnische groep van Myanmar en het recht om terug te keren naar het land;

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten het werk van mensenrechtenverdedigers in Myanmar te blijven steunen; verzoekt de EU-delegatie in Myanmar en de ambassades van de lidstaten nauwlettend toe te zien op de gevallen van journalisten die momenteel worden vastgehouden en opgesloten, alsook van politieke leiders en anderen; moedigt vertegenwoordigers van de EU-delegatie en de lidstaten in Myanmar aan om de processen van journalisten, mediawerkers, bloggers en mensenrechtenverdedigers in het land bij te wonen, wanneer toegang is toegestaan; verzoekt de diplomatieke missies en internationale donoren steun en mogelijke bescherming te bieden aan mensenrechtenverdedigers en mediawerkers die het risico lopen te worden vervolgd, onder meer door te voorzien in veilige toevluchtsoorden bij ambassades en door noodvisa af te geven aan personen die bescherming nodig hebben;

10.

verzoekt de Commissie aan te tonen dat de “alles behalve wapens”-regeling op geen enkele wijze ten goede komt aan de junta, en zich anders tijdelijk terug te trekken uit dit mechanisme;

11.

verzoekt de EU en haar lidstaten de internationale hulp, ontwikkelingsprojecten of financiële bijstand aan Myanmar/Birma op te voeren en ervoor te zorgen dat deze niet ten goede komt aan het leger en niet bijdraagt tot meer mensenrechtenschendingen; dringt aan op grensoverschrijdende humanitaire hulp en rechtstreekse steun aan lokale maatschappelijke organisaties, met name etnische organisaties;

12.

is ingenomen met de sancties die de Raad heeft opgelegd aan leden van de Tatmadaw en hun bedrijven; verzoekt de HV/VV, de lidstaten en de Commissie aanvullende gerichte sancties in te voeren tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de ernstigste mensenrechtenschendingen in het land; verzoekt de Raad de wapenhandelaren Naing Htut Aung, Aung Hlaing Oo en Sit Taing Aung aan de sanctielijst toe te voegen voor hun rol bij het leveren van wapens en uitrusting aan het militaire regime; verzoekt de Commissie alle noodzakelijke sancties tegen het regime van Myanmar in overweging te nemen; dringt erop aan dat de nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat deze sancties geen negatieve gevolgen hebben voor werknemers en de bevolking in het algemeen;

13.

is bezorgd over afwijkingen van de sancties die marktdeelnemers in staat stellen financiële transacties met de Myanmar Oil and Gas Enterprise te verrichten; dringt aan op betere internationale coördinatie van sancties, met inbegrip van coördinatie met regionale partners;

14.

dringt er bij de Raad op aan de Staatsbestuursraad (SAC), naast zijn individuele leden, als entiteit op te nemen in de lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en organen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen, om ervoor te zorgen dat alle entiteiten die onder zeggenschap van de SAC staan, onder deze aanduiding vallen en dat financiële stromen uit de Europese Unie ten gunste van hen verboden zijn;

15.

benadrukt dat lokale en multinationale ondernemingen die in Myanmar/Birma actief zijn, de mensenrechten moeten eerbiedigen en daders van geweld niet langer in de kaart mogen spelen; dringt er bij in de EU gevestigde bedrijven met klem op aan ervoor te zorgen dat zij geen banden hebben met de strijdkrachten in Myanmar/Birma, individuele militairen daarvan of entiteiten die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan, en dat zij niet direct of indirect bijdragen aan de inperking van de democratie en de mensenrechten door het leger; verzoekt in de EU gevestigde bedrijven, met inbegrip van moeder- en dochterondernemingen, dringend alle betrekkingen met bedrijven die banden met het leger hebben op te schorten; verzoekt de Commissie en de lidstaten in het licht van de huidige situatie passende maatregelen te beoordelen en vast te stellen om mogelijke of daadwerkelijke schendingen van de mensenrechten die door bedrijven die in de Europese Unie actief zijn, worden veroorzaakt, waartoe die bedrijven bijdragen of waarmee ze rechtstreeks in verband worden gebracht, in kaart te brengen, te voorkomen, te beëindigen, te beperken en te verhelpen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in het voorstel voor een richtlijn inzake due diligence in verband met de duurzaamheid van ondernemingen strengere en specifieke due-diligenceverplichtingen in te voeren voor ondernemingen die actief zijn in gebieden met een hoog risico, met inbegrip van conflictgebieden en gebieden die vanuit milieuoogpunt gevoelig zijn;

16.

verzoekt de lidstaten en de geassocieerde landen het embargo te handhaven op de directe en indirecte levering, verkoop en overdracht, met inbegrip van doorvoer, verzending en tussenhandel, van alle wapens, munitie en andere militaire, veiligheids- en bewakingsapparatuur en -systemen, alsmede op het verzorgen van trainingen, het plegen van onderhoud en verlenen van andere bijstand op militair en veiligheidsgebied; wijst erop dat nader onderzoek naar de situatie door het Internationaal Strafhof noodzakelijk is;

17.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de druk op de VN-Veiligheidsraad op te voeren om te onderhandelen over een krachtige ontwerpresolutie tot instelling van een alomvattend mondiaal wapenembargo tegen Myanmar;

18.

moedigt de speciale VN-rapporteur voor mensenrechten in Myanmar aan de vervolging van journalisten aan de orde te blijven stellen en maatregelen te nemen om deze alarmerende trend een halt toe te roepen; verzoekt de VN schendingen van de mediavrijheid op te nemen in het toepassingsgebied van een onafhankelijk onderzoeksmechanisme voor Myanmar en alle mogelijke initiatieven te bevorderen om het militaire regime te bestraffen en degenen die verantwoordelijk zijn voor de verschrikkelijke mensenrechtenschendingen die momenteel plaatsvinden in het land ter verantwoording te roepen;

19.

verzoekt de EU en de lidstaten alle mogelijkheden te verkennen voor gerechtigheid en verantwoordingsplicht ten aanzien van de ernstige internationale misdrijven die door de veiligheidstroepen zijn gepleegd, waaronder misdaden tegen de menselijkheid die zijn gepleegd in de nasleep van de staatsgreep, alsook misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en daden van genocide die al tientallen jaren in Rakhine en andere etnische regio’s worden gepleegd, door een verwijzing van de situatie door de Veiligheidsraad naar het Internationaal Strafhof te ondersteunen;

20.

betreurt de executie van oppositieleden en herhaalt zijn krachtige veroordeling van de doodstraf;

21.

verzoekt de militaire junta met klem alle wetgeving in te trekken die de mediavrijheid in gevaar kan brengen en een eind te maken aan de belemmering van het recht van mensen in Myanmar op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, met inbegrip van de vrijheid om informatie in te winnen, te ontvangen en te verstrekken;

22.

merkt op dat de vijfpuntenconsensus niet tot resultaten heeft geleid en verzoekt de Asean te erkennen dat de junta van Min Aung Hlaing geen betrouwbare partner is; dringt er bij de Asean en haar leden op aan met de NUG te onderhandelen over een nieuwe overeenkomst inzake de crisis in Myanmar en deze nieuwe overeenkomst te voorzien van handhavingsmechanismen, met het oog op een duurzame en democratische oplossing van de crisis in de toekomst;

23.

veroordeelt Rusland en China wegens het verlenen van politieke, economische en militaire steun aan de junta van Myanmar;

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan waarnemend president Duwa Lashi La en de regering van nationale eenheid van Myanmar, het comité dat de Pyidaungsu Hluttaw vertegenwoordigt, de staatsadviseur van Myanmar, de Tatmadaw, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten, de Intergouvernementele Commissie voor de mensenrechten van de Asean en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)  PB L 40 van 21.2.2022, blz. 28.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/84


P9_TA(2022)0351

De actuele humanitaire en mensenrechtensituatie in Tigray, Ethiopië, vooral van kinderen

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de actuele humanitaire en mensenrechtensituatie in Tigray, Ethiopië, vooral van kinderen (2022/2858(RSP))

(2023/C 132/10)

Het Europees Parlement,

gezien zijn vorige resoluties over Tigray en Ethiopië, met name die van 26 november 2020 (1) en 7 oktober 2021 (2),

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien het Afrikaans Handvest inzake de rechten van mensen en volken,

gezien het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 1949, en de bijbehorende Aanvullende Protocollen van 1977 en 2005,

gezien het Vluchtelingenverdrag van de VN van 1951 en het bijbehorende Protocol van 1967,

gezien het rapport van 3 november 2021 over het gezamenlijk door de Ethiopische mensenrechtencommissie en het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten uitgevoerde onderzoek naar vermeende schendingen van de internationale mensenrechten, het humanitair recht en het vluchtelingenrecht door alle betrokken partijen in het conflict in de regio Tigray van de Federale Democratische Republiek Ethiopië en het rapport van de Ethiopische mensenrechtencommissie van 11 maart 2022 over schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in de regio’s Afar en Amhara in Ethiopië tussen september en december 2021,

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 17 december 2021 tot oprichting van een internationale commissie van mensenrechtendeskundigen belast met het uitvoeren van een grondig en onpartijdig onderzoek naar de beschuldigingen van schendingen en gevallen van misbruik die sinds 3 november 2020 door alle partijen bij het conflict in Ethiopië zijn begaan,

gezien het rapport van 19 september 2022 van de Internationale Commissie van mensenrechtendeskundigen over Ethiopië,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (VRK),

gezien de Overeenkomst van Cotonou,

gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat dit conflict, dat reeds 23 maanden aan de gang is, een door de mens veroorzaakte crisis teweeg heeft gebracht en dat dit wijdverbreide menselijk leed volledig had kunnen worden voorkomen; overwegende dat de humanitaire situatie in heel Ethiopië tragisch blijft als gevolg van het conflict, droogte en grootschalige interne ontheemding; overwegende dat op 24 augustus 2022 bij een bomaanslag door Ethiopische federale oorlogsvliegtuigen op een kleuterschool in de stad Mek’ele in Tigray kinderen slachtoffer werden;

B.

overwegende dat de Ethiopische federale regering, na in maart 2022 een humanitair bestand te hebben uitgeroepen, de humanitaire blokkade van Tigray weliswaar gedeeltelijk heeft opgeheven maar dat er nog steeds tekorten zijn aan essentiële goederen waaronder voedsel, geneesmiddelen en brandstof;

C.

overwegende dat kwetsbare groepen, met name vrouwen en kinderen, het meest te lijden hebben onder het aanhoudende conflict in Tigray en dringend bescherming nodig hebben; overwegende dat de kinderen van Tigray ernstig te lijden hebben onder de gevolgen van hongersnood, geweld, gebrek aan medische hulp en onderwijs, ontregeling van het gezin, gedwongen overbrengingen en voortdurend trauma;

D.

overwegende dat de Afrikaanse Unie (AU) op 1 oktober 2022 zowel de Ethiopische regering als de autoriteiten van Tigray heeft uitgenodigd voor vredesbesprekingen in Zuid-Afrika op 8 oktober 2022; overwegende dat deze vredesbesprekingen zullen worden gefaciliteerd door de speciale vertegenwoordiger van de AU Olusegun Obasanjo, met steun van de voormalige president van Kenia, Uhuru Kenyatta en de voormalige vicepresident van Zuid-Afrika, Phumzile Mlambo-Ngcuk; overwegende dat de regering van Ethiopië deze uitnodiging op 5 oktober 2022 heeft aanvaard;

E.

overwegende dat vrouwen en kinderen voortdurend het doelwit zijn van opzettelijke en niet-opzettelijke bomaanslagen, beschietingen, moordpartijen en andere gewelddaden in de oorlog, en van etnisch geweld door alle partijen in het conflict;

F.

overwegende dat verkrachting en ander seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes nog steeds op grote schaal door alle strijdende partijen worden gebruikt, naast doodsbedreigingen, het gebruik van etnische laster en gevangenschap voor seksuele slavernij; overwegende dat binnen de groep intern ontheemde vluchtelingen, vrouwen en kinderen een verhoogd risico lopen op ontvoering en mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting;

G.

overwegende dat gedurende alle fasen van dit conflict, de constante steeds is gevormd door de vele vermeende grove schendingen van de mensenrechten, het humanitair recht en het vluchtelingenrecht door alle partijen in het conflict; overwegende dat bijna een half miljoen Ethiopiërs zijn omgekomen als gevolg van geweld en hongersnood, en dat meer dan 1,6 miljoen mensen door dit conflict ontheemd zijn geraakt; overwegende dat sinds het begin van de oorlog honderdduizenden burgers onder dwang hun woonplaats hebben moeten verlaten, onrechtmatig zijn gedood of slachtoffer zijn geworden van seksueel en gendergeweld, willekeurige massadetentie, plundering, ontvoering en weigering van toegang tot humanitaire hulp en essentiële diensten, het roven van hulpgoederen en voor burgers bestemde hulpgoederen die bij soldaten terechtkomen;

H.

overwegende dat één op de drie Tigrayaanse kinderen jonger dan vijf, en de helft van alle zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, ondervoed is; overwegende dat circa 20 miljoen mensen in Ethiopië humanitaire hulp nodig hebben, waarvan bijna driekwart vrouwen en kinderen; overwegende dat Ethiopië te maken heeft met de ergste droogte in het land sinds 1981, waardoor naar schatting 7,4 miljoen mensen met ernstige voedselonzekerheid worden geconfronteerd;

I.

overwegende dat het percentage kinderen in Tigray dat standaardvaccinaties krijgt, scherp is gedaald vanwege toeleveringstekorten als gevolg van de blokkade die door Ethiopische strijdkrachten is opgelegd; overwegende dat dodelijke ziekten zoals mazelen, tetanus en kinkhoest in aantal toenemen;

J.

overwegende dat in totaal 1,39 miljoen kinderen in Tigray geen onderwijs krijgen als gevolg van de burgeroorlog in Ethiopië; overwegende dat de onderwijssector in Tigray blijvend is beschadigd door de vele doden en de hoge mate van vernieling binnen het schoolsysteem; overwegende dat in totaal 2 164 personen in de onderwijssector, waaronder studenten, zijn vermoord, waarvan 346 mannen en 1 798 vrouwen;

K.

overwegende dat al vanaf het begin van het conflict de toegang van humanitaire organisaties tot conflictgebieden systematisch is belemmerd, ondanks de herhaalde oproepen van de internationale gemeenschap en humanitaire organisaties om te zorgen voor onbelemmerde, duurzame en veilige toegang voor relevante actoren; overwegende dat humanitaire hulpverleners het doelwit zijn van geweld door alle partijen in het conflict; overwegende dat sinds het begin van het conflict ten minste 23 humanitaire hulpverleners zijn gedood;

L.

overwegende dat de toegang tot realtime-informatie ernstig wordt belemmerd vanwege beperkingen die worden opgelegd door de regering, wat zich uit in onderbroken communicatielijnen en het tegenhouden van verslaggeving over gebeurtenissen in Tigray en ook de regio’s Afar en Amhara, waarnaar het conflict zich heeft uitgebreid; overwegende dat deze uitval van communicatie en de beperkte fysieke toegang van onafhankelijke waarnemers tot conflictgebieden, een ernstige belemmering vormen voor het documenteren van mensenrechtenschendingen;

M.

overwegende dat de Internationale Commissie van mensenrechtendeskundigen over Ethiopië van de VN op 19 september 2022 een rapport heeft gepubliceerd waarin wordt geconcludeerd dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de partijen in het conflict oorlogsmisdaden en schendingen van de mensenrechten hebben begaan;

N.

overwegende dat Eritrea in dit conflict een zeer destructieve rol heeft gespeeld en heeft bijgedragen tot de escalatie ervan door zich te mengen in het conflict in Tigray; overwegende dat sinds eind september er berichten in de media rondgaan over een nieuwe inval in het noorden van Tigray;

O.

overwegende dat het volksfront voor de bevrijding van Tigray en de Ethiopische regering in september hebben aangegeven te willen meewerken aan een vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie;

1.

herhaalt zijn dringende oproep tot onmiddellijke stopzetting van de vijandelijkheden en een staakt-het-vuren in Tigray en aangrenzende regio’s, zonder voorafgaande voorwaarden;

2.

dringt erop aan dat humanitaire hulpverleners onmiddellijk volledige, veilige en duurzame toegang tot alle slachtoffers van het conflict in de regio krijgen;

3.

is zeer ingenomen met de uitnodiging van de AU voor vredesbesprekingen in Zuid-Afrika op 8 oktober 2022; moedigt alle partijen aan deze uitnodiging te aanvaarden en deze onderhandelingen te goeder trouw en in een geest van dialoog, verzoening en vrede aan te gaan;

4.

dringt aan op een onmiddellijke terugkeer naar de grondwettelijke orde en op de instelling van een mechanisme voor toezicht op staakt-het-vuren; spreekt zijn steun uit voor alle diplomatieke inspanningen gericht op het beëindigen van het aanhoudende conflict in Ethiopië, met name via bemiddeling door de AU;

5.

veroordeelt met klem het opzettelijk tot doelwit maken van burgers door alle oorlogvoerende partijen, alsook de berichten over rekrutering van kinderen door sommige oorlogvoerende partijen; herinnert eraan dat doelbewuste aanvallen op burgers, het targeten van kinderen en het rekruteren en inzetten van kindsoldaten gelijkstaan aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

6.

veroordeelt de invasie van Tigray door Eritrese strijdkrachten; veroordeelt de oorlogsmisdaden en schendingen van de mensenrechten door Eritrese troepen gedurende de oorlog in Ethiopië; dringt bij de Eritrese regering aan op een onmiddellijke en permanente terugtrekking van haar strijdkrachten uit Ethiopië, waarbij verantwoording wordt afgelegd voor hun oorlogsmisdaden;

7.

roept alle autoriteiten in Ethiopië, met name de federale regering en de regionale regeringen van Tigray, Amhara en Afar, op zich te houden aan de hoogste mensenrechtennormen en prioriteit te geven aan het aanpakken van de grove oorlogsmisdaden die zijn gepleegd tegen de meest kwetsbaren, met name kinderen en vrouwen, en hun jongeren te beschermen in overeenstemming met het VRK;

8.

is ontzet over de meldingen van verkrachtingen en seksuele geweldsmisdrijven tegen kinderen, vrouwen en mannen, die door alle strijdende partijen op ontstellend grote schaal zijn begaan; maakt zich ernstige zorgen over en vraagt onmiddellijk aandacht voor de berichten over kinderen in Tigray, Amhara en Afar die op grond van hun etniciteit gedood en verminkt worden, hetgeen gelijkstaat aan oorlogsmisdaden en etnische zuivering;

9.

roept de strijdkrachten van alle partijen nogmaals op om de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair en vluchtelingenrecht te eerbiedigen; verzoekt de Ethiopische federale regering en de regionale regering van Tigray ervoor te zorgen dat daders van oorlogsmisdaden die tijdens het lopende conflict zijn gepleegd, ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat lokale en internationale actoren, met name de Ethiopische mensenrechtencommissie en de VN-Mensenrechtenraad, moeten samenwerken om te zorgen voor verhaal voor overlevenden en slachtoffers van alle vormen van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

10.

dringt erop aan dat alle meisjes en vrouwen in Ethiopië toegang hebben tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan meer steun te verlenen voor diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en meer bepaald anticonceptie en toegang tot veilige abortus, met bijzondere aandacht voor het waarborgen van de toegang in door oorlog en humanitaire rampen getroffen regio’s in Ethiopië; verzoekt de Ethiopische regering haar toezegging na te komen om een onderzoek in te stellen naar de vele ernstige gevallen van gendergerelateerd geweld die door alle strijdende partijen in het conflict zijn gepleegd;

11.

is bezorgd over de berichten dat het aantal kindhuwelijken, kinderarbeid, mensenhandel en betaalde seks in door oorlog en humanitaire rampen getroffen regio’s in Ethiopië toenemen, als wanhoopspogingen om te overleven;

12.

dringt aan op maatregelen tegen de ontvoering, verhandeling en seksuele uitbuiting van vluchtelingen en intern ontheemden in Tigray, Amhara, Afar en Eritrea, en op de verlening van bijstand aan en de bescherming van alle slachtoffers, zonder discriminatie op grond van ras of etnische afkomst, nationaliteit, handicap, leeftijd, geslacht of seksuele gerichtheid;

13.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan meer steun te verlenen voor noodopvangcentra voor vrouwen en kinderen, met inbegrip van kinderen die zijn geboren uit verkrachting, om overlevenden van gendergerelateerd geweld, mensenhandel en seksuele uitbuiting te beschermen en te rehabiliteren; benadrukt hoe belangrijk het is overlevenden onderdak, psychosociale diensten en beroepsopleiding te bieden, en dringt aan op extra steun voor bestaande opvangcentra;

14.

wijst erop dat buitengerechtelijke executies, gedwongen verdwijningen, willekeurige opsluitingen, foltering en mishandeling, gedwongen ontheemding, seksueel en gendergerelateerd geweld, verkrachting en groepsverkrachting, aanvallen op hulpverleners, aanvallen op civiele infrastructuur, zoals scholen en ziekenhuizen, en vernieling en plundering van openbare en particuliere eigendommen naar internationaal recht oorlogsmisdaden vormen;

15.

verzoekt de Commissie en de lidstaten binnenlandse verantwoordingsinitiatieven alleen te steunen op basis van duidelijke, transparante, doeltreffende en meetbare benchmarks die een onafhankelijke en onpartijdige rechtsbedeling en verantwoordingsplicht voor slachtoffers en overlevenden waarborgen;

16.

veroordeelt de uithongering van burgers als methode van oorlogvoering ten stelligste; stipt aan dat het belemmeren van voedselvoorziening en gezondheidszorg en het ontzeggen van deze diensten neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid; wijst erop dat humanitaire hulp en bijstand gebaseerd zijn op de beginselen van menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid;

17.

herhaalt zijn oproep om fundamentele openbare diensten zoals elektriciteitsinfrastructuur, bankdiensten, scholen en ziekenhuizen volledig in ere te herstellen en de beperkingen op telecommunicatie in Tigray onmiddellijk op te heffen;

18.

verzoekt de nationale en regionale autoriteiten ervoor te zorgen dat intern ontheemden en vluchtelingen het recht hebben om op vrijwillige basis veilig naar hun woon- of verblijfplaats terug te keren, en een eerlijk, toegankelijk en onafhankelijk mechanisme op te zetten ter vergoeding van verliezen van of schade aan woningen, eigendommen en land; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan bijstand en ondersteuning te verlenen bij de organisatie van en het toezicht op terugkeer;

19.

veroordeelt ten stelligste dat de noodtoestand heeft geleid tot etnisch gemotiveerde arrestaties, intimidatie, afranselingen en aanvallen op journalisten; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van alle journalisten die nog steeds willekeurig gevangen worden gehouden, en op het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting; verzoekt de strijdende partijen de pers onbelemmerd toegang te geven en journalisten in staat te stellen veilig hun werk te doen;

20.

uit zijn bezorgdheid over de veiligheid en het welzijn van onafhankelijke humanitaire hulpverleners in de regio; veroordeelt met klem alle aanvallen op humanitaire hulpverleners en kritieke infrastructuur alsook de voortdurende inbeslagname van humanitaire voorraden van de VN;

21.

verzoekt de Ethiopische regering nogmaals het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof te ondertekenen en te ratificeren; benadrukt dat er een onafhankelijk en onpartijdig mechanisme nodig is om de aanhoudende schendingen aan te pakken en de daders ter verantwoording te roepen;

22.

roept alle strijdende partijen op onmiddellijk een einde te maken aan de vijandelijkheden en zonder voorafgaande voorwaarden tot een formeel staakt-het-vuren te komen; roept nogmaals op tot een nationale dialoog, die zo inclusief, breed en transparant mogelijk moet zijn en ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en oppositiepartijen moet omvatten, zodat deze dialoog ook daadwerkelijk als een katalysator voor verzoening kan fungeren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan volledig deel te nemen aan het vredesproces om een geloofwaardige vooruitgang te waarborgen;

23.

neemt kennis van een aantal positieve ontwikkelingen in het land, zoals de humanitaire wapenstilstand van 24 maart 2022 en de vrijlating van een aantal politieke gevangenen, de verbeterde toegang voor humanitaire hulp tijdens het bestand, en met name de publieke verklaringen van de Ethiopische regering en de leiders van Tigray om zich te engageren tot vredesbesprekingen onder leiding van de AU;

24.

is ingenomen met de verlenging van het mandaat van Olusegun Obasanjo als hoge vertegenwoordiger van de AU voor de Hoorn van Afrika; verwacht verdere acties naar aanleiding van verklaringen over de vervroegde aanstelling van een trio van AU-bemiddelaars op hoog niveau, teneinde prioriteit te geven aan een akkoord over een permanent staakt-het-vuren, onbelemmerde humanitaire toegang tot alle gebieden en de onmiddellijke terugtrekking van Eritrese troepen, en om verantwoordingsplicht en interne verzoening te bevorderen; dringt erop aan dat deze bemiddelaars onverwijld worden aangesteld;

25.

herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om maatregelen te nemen om de mensenrechten te beschermen en sancties vast te stellen tegen plegers van mensenrechtenschendingen via de wereldwijde sanctieregeling voor de mensenrechten;

26.

onderstreept dat de situatie van vluchtelingen in de regio blijft verslechteren; dringt er in dit verband bij de EU en al haar lidstaten op aan de hervestiging uit de regio te intensiveren, humanitaire visa te verstrekken aan personen die gevaar lopen, en gezinshereniging te vergemakkelijken; verzoekt de EU en haar lidstaten te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot internationale bescherming in de EU en te waarborgen dat de grondrechten van personen die om internationale bescherming verzoeken, worden geëerbiedigd overeenkomstig het EU recht en het internationaal recht;

27.

staat erachter dat de Commissie de uitbetaling van begrotingssteun aan de Ethiopische regering sinds december 2020 heeft uitgesteld; verzoekt de Commissie door te gaan met haar levensreddende steun voor de regio, gericht op het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke humanitaire organisaties, en haar inspanningen op te voeren om de veiligheid van kinderen te waarborgen; verzoekt de Commissie haar beperking van begrotingssteun tot uitvoeringsmaatregelen te heroverwegen om de verdere uitvoering van ontwikkelingsprojecten buiten het conflictgebied mogelijk te maken;

28.

betreurt ten zeerste dat de VN-Veiligheidsraad er niet in is geslaagd de situatie in Ethiopië en de regio doeltreffend aan te pakken; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de VN-Veiligheidsraad te verzoeken regelmatig openbare vergaderingen aan Ethiopië en de regio te wijden en zinvol en doortastend op te treden teneinde onbelemmerde humanitaire toegang te waarborgen, de bevolking te kunnen beschermen, grove schendingen van het internationale recht te beëindigen en te veroordelen en degenen die zich aan gruweldaden schuldig maken, ter verantwoording te roepen;

29.

wijst erop dat de VN-Mensenrechtenraad in zijn op 17 december 2021 aangenomen resolutie S-33/1 over de mensenrechtensituatie in Ethiopië heeft besloten een internationale commissie van mensenrechtendeskundigen voor Ethiopië (ICHREE) op te richten; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de toewijzing van voldoende financiële middelen door de VN aan de ICHREE te ondersteunen en verzoekt de Ethiopische federale regering de ICHREE onbelemmerde toegang te verlenen; verzoekt de VN-Mensenrechtenraad het mandaat van de ICHREE te verlengen en haar voldoende tijd alsook de nodige technische bijstand en begrotingsmiddelen te geven om haar mandaat uit te voeren zonder de temporele of geografische reikwijdte ervan te beperken;

30.

erkent de bevindingen in het verslag van de Internationale Commissie van mensenrechtendeskundigen over Ethiopië van de VN-Mensenrechtenraad (A/HRC/51/46) van 19 september 2022, waarin oorlogsmisdaden worden gedocumenteerd; verzoekt de Commissie de conclusies en aanbevelingen te evalueren en te gebruiken en verzoekt de Ethiopische autoriteiten deze resultaten te erkennen in een poging om de bescherming van de mensenrechten te herstellen en te werken aan schadeloosstelling voor de slachtoffers van oorlogsmisdaden; dringt er voorts bij alle partijen bij het conflict op aan de aanbevelingen van het gezamenlijk onderzoek van het VN-Bureau voor de mensenrechten en de Ethiopische mensenrechtencommissie goed te keuren;

31.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de federale regering en het parlement van Ethiopië, de autoriteiten van Tigray, de regering van Eritrea, de regeringen van de lidstaten van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit, de Afrikaanse Unie en haar lidstaten, het Pan-Afrikaanse Parlement en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 132.

(2)  PB C 132 van 24.3.2022, blz. 205.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/89


P9_TA(2022)0352

De dood van Mahsa Amini en de onderdrukking van demonstranten voor vrouwenrechten in Iran

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de dood van Mahsa Jina Amini en de onderdrukking van demonstranten voor vrouwenrechten in Iran (2022/2849(RSP))

(2023/C 132/11)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Iran,

gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger namens de Europese Unie van 25 september 2022 en de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 19 september 2022 over de dood van Mahsa Amini,

gezien de verklaring van de speciale rapporteur van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van 22 september 2022, waarin hij eist dat er verantwoording wordt afgelegd voor de dood van Mahsa Amini en dat er een eind wordt gemaakt aan geweld tegen vrouwen,

gezien de rapporten van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran van 18 juni 2022, 13 januari 2022 en 11 januari 2021,

gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 16 juni 2022 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran,

gezien de verklaring van António Guterres, secretaris-generaal van de VN, van 27 september 2022,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966 (ICCPR), dat Iran in juni 1975 heeft geratificeerd,

gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

gezien de EU-richtsnoeren van 8 december 2008 inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van deze groepen,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de 22-jarige Iraans-Koerdische vrouw Mahsa Jina Amini op 13 september 2022 in Teheran werd gearresteerd door de Iraanse “zedenpolitie” omdat ze zich niet zou hebben gehouden aan de wet inzake de sluierplicht; overwegende dat Mahsa Jina Amini volgens ooggetuigen door de zedenpolitie in een busje werd geduwd en werd geslagen tijdens haar overbrenging naar het detentiecentrum van Vozara in Teheran, daar kort nadien in coma raakte en op 16 september 2022 in een nabijgelegen ziekenhuis onder politiebewaking overleed; overwegende dat de Iraanse autoriteiten beweren dat zij een natuurlijke dood is gestorven; overwegende dat er geen deugdelijk onderzoek is verricht en dat de autoriteiten hebben geweigerd het volledige medische dossier en het autopsierapport aan de familie te verstrekken;

B.

overwegende dat na de moord op Mahsa Jina Amini landelijke protesten uitbraken in meer dan 120 steden in bijna alle 31 provincies van Iran, waar honderdduizenden Iraanse burgers uit alle geledingen van de samenleving aan meededen; overwegende dat de protesten werden geïnitieerd door vrouwen die eisen dat verantwoording wordt afgelegd voor de dood van Mahsa Jina Amini en dat er een eind wordt gemaakt aan het geweld tegen en de discriminatie van vrouwen in Iran, met name in de vorm van de sluierplicht; overwegende dat ook mannen zich bij deze protesten aansloten, waarmee in heel Iran een hervormings- en protestbeweging op gang kwam; overwegende dat studenten op tal van universiteiten in het hele land, met name op de Sharif universiteit voor technologie in Teheran, protesteren door hun lessen te boycotten en te demonstreren tegen de onderdrukking;

C.

overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen en politie met ongeremd en lukraak geweld op de protesten hebben gereageerd en dat daarbij talloze mensen zijn omgekomen of gewond zijn geraakt; overwegende dat de VN heeft bevestigd dat Iraanse troepen scherpe munitie, hagel, traangas en metalen pellets hebben gebruikt tegen de demonstranten; overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen op 2 oktober 2022 naar verluidt honderden vreedzame demonstranten hebben gedood die demonstreerden tegen de moord op Mahsa Jina Amini, en honderden anderen hebben verwond en gearresteerd, waaronder verdedigers van de mensenrechten, studenten, advocaten, activisten van het maatschappelijk middenveld en meer dan 20 journalisten, onder wie Niloofar Hamedi, de journalist die als eerste berichtte over de arrestatie en ziekenhuisopname van Mahsa Jina Amini;

D.

overwegende dat Amnesty International heeft gedocumenteerd dat de autoriteiten maatregelen hebben getroffen om de protesten de kop in te drukken door de Islamitische Revolutionaire Garde, de paramilitaire organisatie Basij, het rechsthandhavingscommando van de Islamitische Republiek Iran, de oproerpolitie en veiligheidsagenten in burger in te zetten; overwegende dat uit bewijsmateriaal blijkt dat het hoofdkwartier van de strijdkrachten de bevelhebbers in alle provincies heeft gelast vreedzame demonstranten de wacht aan te zeggen door de veiligheidstroepen op grote schaal dodelijk geweld en vuurwapens te laten gebruiken;

E.

overwegende dat naar verluidt de afgelopen dagen vele buitenlanders, waaronder EU-onderdanen, zijn gearresteerd vanwege hun vermeende betrokkenheid bij de protesten;

F.

overwegende dat de Iraanse autoriteiten het internet en mobiele verbindingen opzettelijk verstoren en de toegang tot sociale mediaplatforms sterk beperken om Iraanse burgers te beletten veilig en privé communicatietechnologieën te gebruiken en vreedzame bijeenkomsten te organiseren; overwegende dat is gemeld dat sms-berichten met “Mahsa Amini” in het Perzisch zijn geblokkeerd; overwegende dat het regime, door het internet in grote delen van Iran te ontregelen en af te sluiten, probeert te voorkomen dat nieuws en beelden van de protesten worden doorgegeven en verspreid of dat internationale en lokale organisaties de mensenrechtenschendingen kunnen documenteren;

G.

overwegende dat de Iraanse regering in 1983 de sluierplicht heeft ingevoerd; overwegende dat de sluierplicht een instrument is geworden om vrouwen in Iran te onderdrukken en van hun vrijheid en rechten te beroven; overwegende dat vrouwen die zonder hoofddoek in het openbaar worden gezien vaak worden lastiggevallen, gearresteerd, gevangengezet, gemarteld, gegeseld en zelfs worden gedood omdat ze deze repressieve regels trotseren;

H.

overwegende dat de intimidatie van vrouwen door de zedenpolitie sinds het begin van de ambtstermijn van Ebrahim Raisi in 2021 is toegenomen; overwegende dat de regering van Iran de aanzet heeft gegeven tot wetgeving en wetgevingsvoorstellen die de onderdrukking van vrouwen in de hand werken; overwegende dat de moord op Mahsa Jina Amini deel uitmaakt van een breder patroon om de reeds sterk beperkte rechten van vrouwen in Iran nog verder in te perken en terug te draaien, onder meer door een nieuwe wet die in 2021 werd aangenomen en die de toegang van vrouwen tot seksuele en reproductieve gezondheidsrechten ernstig beperkt, wat een rechtstreekse schending is van de mensenrechten van vrouwen volgens het internationaal recht; overwegende dat met de invoering van het “hijab- en kuisheidsproject” bewakingscamera’s zouden worden ingezet om ongesluierde vrouwen in de gaten te houden en te bestraffen;

I.

overwegende dat de mensenrechtensituatie in Iran blijft verslechteren; overwegende dat de moord op Mahsa Jina Amini illustratief is voor de aanhoudende mensenrechtencrisis in Iran, die wordt verergerd door de systematische straffeloosheid van de Iraanse regering en haar veiligheidsapparaat, waardoor foltering, buitengerechtelijke executies en andere onwettige moorden op grote schaal kunnen plaatsvinden; overwegende dat sinds 18 september 2022 meer dan veertig mensenrechtenactivisten zijn gearresteerd en dat de Iraanse strijdkrachten het bij die aanhoudingen, aanvallen en invallen vooral gemunt hadden op vrouwelijke mensenrechtenactivisten; overwegende dat de Iraanse verdedigers van lhbtqi-rechten Zahra Sedighi Hamedani (31 jaar) en Elham Chubdar (24 jaar) door het Revolutionaire Hof van Urmia ter dood zijn veroordeeld op beschuldiging van “het verspreiden van zedeloosheid op aarde door het bevorderen van homoseksualiteit”;

J.

overwegende dat de EU beperkende maatregelen heeft genomen in verband met schendingen van de mensenrechten, waaronder het bevriezen van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, en een verbod op de uitvoer naar Iran van apparatuur die voor binnenlandse repressie zou kunnen worden gebruikt en van apparatuur voor het toezicht op telecommunicatie; overwegende dat deze maatregelen op 12 april 2011 zijn ingevoerd en regelmatig worden geactualiseerd;

K.

overwegende dat vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Josep Borrell in zijn verklaring van 25 september 2022 de moord op Mahsa Jina Amini en het buitensporig gebruik van geweld door de Iraanse veiligheidstroepen heeft veroordeeld en heeft aangekondigd dat de EU alle mogelijkheden die haar ter beschikking staan zal overwegen in aanloop naar de volgende Raad Buitenlandse Zaken om de moord op Mahsa Jina Amini en de manier waarop de Iraanse veiligheidstroepen op de daaropvolgende demonstraties hebben gereageerd, aan de orde te stellen;

1.

veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de dood van Mahsa Jina Amini na haar gewelddadige arrestatie en mishandeling door de Iraanse zedenpolitie; betuigt zijn medeleven met haar familie en vrienden en met de families van al degenen die tijdens de recente protesten in Iran zijn omgekomen;

2.

roept de Iraanse regering op een onpartijdig en doeltreffend onderzoek naar de tragische dood van Mahsa Jina Amini en de beschuldigingen van foltering en mishandeling door een onafhankelijke bevoegde autoriteit mogelijk te maken;

3.

spreekt zijn solidariteit uit met de jonge Iraanse vrouwen die de protesten leiden en eraan deelnemen, ondanks de moeilijkheden en persoonlijke gevolgen waarmee zij worden geconfronteerd; steunt de vreedzame protesten die in het hele land plaatsvinden tegen de moord op Mahsa Jina Amini, de systematische en toenemende onderdrukking van vrouwen en de ernstige en massale schendingen van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

4.

spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor het verlangen van de Iraanse bevolking om in een vrij, stabiel, inclusief en democratisch land te wonen dat zijn nationale en internationale verbintenissen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomt; maakt zich grote zorgen over de berichten over de belegering, arrestatie en beschieting van grote aantallen studenten die op 2 oktober 2022 waren opgesloten in de technische universiteit Sharif in Teheran door de Islamitische Revolutionaire Garde, de Basij-militie en de politie;

5.

merkt op dat de Iraanse vrouwenbeweging verder gaat dan de verdediging van vrouwenrechten en een seculiere staat in Iran bepleit in plaats van een gewelddadige en reactionaire theocratie;

6.

veroordeelt krachtig het wijdverbreide, opzettelijke en buitensporige gebruik van geweld door Iraanse veiligheidstroepen tegen vreedzame demonstranten en roept de Iraanse autoriteiten op een einde te maken aan het aanhoudende, systematische en onaanvaardbare geweld tegen hun eigen burgers; verlangt van de Iraanse autoriteiten dat zij een empirisch onderbouwd, snel, onpartijdig en doeltreffend onderzoek mogelijk maken naar alle moorden op demonstranten, en de verantwoordelijken berechten;

7.

verlangt dat de Iraanse autoriteiten alle personen die gevangen zijn gezet, enkel en alleen omdat ze hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering in het kader van de protesten hebben uitgeoefend, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en alle aanklachten tegen hen te laten vallen; benadrukt dat grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering altijd moeten worden geëerbiedigd en roept de Iraanse autoriteiten op hun internationale verplichtingen na te komen, waaronder die in het kader van het ICCPR; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan alle gearresteerde EU-onderdanen onmiddellijk vrij te laten en alle aanklachten tegen hen in te trekken; is ernstig bezorgd over de arrestatie van meer dan twintig journalisten, waaronder Niloofar Hamedi, de journaliste die als eerste heeft bericht over de arrestatie en ziekenhuisopname van Mahsa Jina Amini, en verzoekt de Iraanse autoriteiten hen onverwijld vrij te laten; roept Iran op de vrijheid van meningsuiting en geloof van alle inwoners van Iran te respecteren, in het bijzonder van vrouwen en meisjes, die ernstig worden onderdrukt;

8.

veroordeelt de systematische discriminatie van vrouwen en andere kwetsbare groepen door de Islamitische Republiek via wet- en regelgeving waarmee hun vrijheden en rechten ernstig worden beperkt, zoals de vernederende wet die vrouwen verplicht een hoofddoek te dragen en de gewelddadige handhaving daarvan, ernstige beperkingen van de seksuele en reproductieve gezondheidsrechten van vrouwen en schendingen van de politieke, sociale, economische, culturele en persoonlijke rechten van vrouwen; verlangt dat de Iraanse autoriteiten wetten die vrouwen en meisjes verplichten een hoofddoek te dragen zo snel mogelijk intrekken, de zedenpolitie opheffen en een eind maken aan de systematische discriminatie van vrouwen op alle terreinen;

9.

veroordeelt ten stelligste de praktijk van Iran om bij protesten in het land het internet en mobiele netwerken te sluiten, wat de communicatie en de vrije uitwisseling van informatie voor Iraanse burgers onmogelijk maakt; benadrukt dat dergelijke acties een duidelijke schending van het internationale recht vormen; verwelkomt het besluit van de VS om particuliere bedrijven toe te staan hun digitale diensten tijdens de huidige protesten beschikbaar te stellen aan het Iraanse volk;

10.

verwerpt ten stelligste de beschuldigingen van Iraanse functionarissen en de door de staat beheerde Iraanse media, waarin de diplomatieke vertegenwoordigingen van Duitsland en andere Europese landen worden genoemd als zogenaamde aanstichters van de protesten;

11.

veroordeelt opnieuw ten stelligste de gestaag verslechterende mensenrechtensituatie in Iran, ook en in het bijzonder voor leden van etnische en religieuze minderheden, waaronder Koerden, Beloetsjen, Arabieren en niet-sjiitische en niet-islamitische religieuze minderheden, waaronder bahai en christenen; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan de fundamentele rechten en vrijheden van etnische en religieuze minderheden te eerbiedigen; verzoekt de Iraanse autoriteiten alle vormen van discriminatie uit te bannen;

12.

dringt er bij de Iraanse regering op aan alle mensenrechtenactivisten die gevangen zijn gezet omdat zij vreedzaam hun recht op vrijheid van meningsuiting en geloof hebben uitgeoefend, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; verzoekt het Iraanse Hooggerechtshof de vonnissen tegen de verdedigers van de mensenrechten van lhbtqi-personen Zahra Sedighi-Hamadani en Elham Choubdar ongedaan te maken omdat hun recht op een eerlijk proces is geschonden; verzoekt de Iraanse regering gerichte aanvallen op mensenrechtenverdedigers te beëindigen en onder alle omstandigheden te garanderen dat zij hun legitieme mensenrechtenactiviteiten kunnen uitvoeren zonder angst voor represailles en zonder enige beperking, met inbegrip van gerechtelijke intimidatie;

13.

betreurt het stelselmatige gebruik van foltering in Iraanse gevangenissen en wenst dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan alle vormen van foltering en slechte behandeling van gevangenen; keurt het af dat gevangenen geen telefoongesprekken mogen voeren of familiebezoek mogen ontvangen; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat gevangenen tijdens ondervragingen geen toegang hebben tot juridische vertegenwoordiging; verzoekt de Iraanse regering gevangenen te behandelen met respect vanwege hun inherente waardigheid en waarde als mens;

14.

betreurt ten zeerste dat er geen vooruitgang is geboekt in de zaken betreffende de in Iran vastgehouden personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten, waaronder Ahmadreza Djalali, die op grond van valse beschuldigingen van spionage ter dood is veroordeeld;

15.

veroordeelt krachtig het feit dat de Iraanse autoriteiten de laatste jaren steeds vaker de doodstraf toepassen en betreurt de alarmerende toename van de toepassing van de doodstraf tegen demonstranten, dissidenten en leden van minderheidsgroepen; roept de regering van Iran nogmaals op tot een onmiddellijk moratorium op de toepassing van de doodstraf als een stap in de richting van de afschaffing ervan, en tot de omzetting van alle doodvonnissen;

16.

verzoekt de Iraanse autoriteiten om bezoeken van alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad toe te staan, en met name toe te laten dat de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran het land binnenkomt;

17.

roept de VN, en met name de Mensenrechtenraad, op zo spoedig mogelijk een uitgebreid onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken, onder leiding van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran; verzoekt de VN-Mensenrechtenraad een internationaal onderzoeks- en verantwoordingsmechanisme in te stellen voor mensenrechtenschendingen door de Iraanse regering;

18.

verzoekt de EU en haar lidstaten alle contacten met de Iraanse autoriteiten aan te grijpen om ze te verzoeken onmiddellijk een eind te maken aan het gewelddadig neerslaan van protesten en over te gaan tot de onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die gearresteerd zijn omdat ze gebruikmaakten van hun recht op de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de dood van Mahsa Jina Amini en tientallen demonstranten en op het herstel van de toegang tot internet en communicatiekanalen, en aan te sporen tot de afschaffing van de verplichting voor vrouwen om een hoofddoek te dragen; verzoekt de lidstaten beschikbaar bewijsmateriaal dat van pas kan komen bij onderzoeken op te slaan, te bewaren en te delen, in overeenstemming met de nieuwe regels van Eurojust, en medewerking te verlenen aan het Internationaal Strafhof en de werkzaamheden daarvan te ondersteunen;

19.

verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken om Iraanse functionarissen die medeplichtig zijn aan of verantwoordelijk zijn voor de dood van Mahsa Jina Amini en geweld tegen demonstranten, met inbegrip van al degenen die betrokken zijn bij de zedenpolitie, toe te voegen aan de EU-lijst van personen tegen wie beperkende maatregelen zijn genomen in verband met ernstige schendingen van de mensenrechten in Iran; herhaalt dat de sancties tegen de leiding van de islamitische Revolutionaire Garde niet mogen worden opgeheven; is ingenomen met het feit dat de Raad de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten heeft aangenomen als een belangrijk instrument van de EU om sancties op te leggen aan personen die de mensenrechten schenden;

20.

verzoekt de EU, met inbegrip van de VV/HV, mensenrechtenkwesties bij de Iraanse autoriteiten te blijven aankaarten in bilaterale en multilaterale fora, en alle geplande bijeenkomsten met de Iraanse autoriteiten daarvoor aan te wenden, in het bijzonder in het licht van de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran; bevestigt nogmaals dat de eerbiediging van de mensenrechten een cruciaal element vormt bij het uitbouwen van de betrekkingen tussen de EU en Iran;

21.

is van mening dat tussen de EU-ambassades die in Teheran zijn geaccrediteerd intensieve coördinatie moet plaatsvinden; verzoekt alle lidstaten met een diplomatieke vertegenwoordiging in Teheran gebruik te maken van de in de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers genoemde mechanismen, met inbegrip van noodsubsidies in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld en het Europees Fonds voor Democratie, alsook noodvisa, publieke verklaringen, monitoring van rechtszaken en bezoeken aan gevangenissen, om deze personen, in het bijzonder vrouwenrechtenactivisten en personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten, te helpen en te beschermen;

22.

verzoekt de Commissie om, met strikte inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, te overwegen om in de EU gevestigde aanbieders van communicatie toe te staan personen in Iran tools aan te bieden, waaronder videoconferenties, e-learningplatforms, webkaarten en clouddiensten, om ervoor te zorgen dat zij toegang hebben tot de onlinetools en -platforms die zij nodig hebben om hun mensenrechten uit te oefenen;

23.

uit zijn bezorgdheid over het voortdurende lobbyen van reactionaire islamistische organisaties bij Europese instellingen, wat kan neerkomen op buitenlandse inmenging in onze democratieën;

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Islamitische Raadgevende Vergadering, de regering van de Islamitische Republiek Iran en het kabinet van de hoogste leider van de Islamitische Republiek Iran, alsmede aan de familie van Mahsa Jina Amini.

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/94


P9_TA(2022)0353

De escalatie van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over de escalatie door Rusland van zijn aanvalsoorlog tegen Oekraïne (2022/2851(RSP))

(2023/C 132/12)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Oekraïne en Rusland,

gezien het Handvest van de Verenigde Naties (het VN-Handvest),

gezien de Slotakte van Helsinki van 1975,

gezien de verklaring van de leden van de Europese Raad en de ministers van Buitenlandse Zaken van de G7 van 30 september 2022 over Oekraïne,

gezien de door de hoge vertegenwoordiger namens de Europese Unie afgelegde verklaring van 28 september 2022 over de illegale schijnreferenda van Rusland in de regio’s Donetsk, Cherson, Loehansk en Zaporizja,

gezien de persverklaring van de voorzitter van de Commissie, Ursula von der Leyen, van 28 september 2022 over een nieuw pakket van beperkende maatregelen tegen Rusland, en de boodschap van de voorzitter van de Europese Raad, Charles Michel, van 30 september 2022 over de illegale annexatie door Rusland van Oekraïense regio’s,

gezien de door de hoge vertegenwoordiger namens de Europese Unie afgelegde verklaring van 22 september 2022 over de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, en de verklaring van 28 september 2022 over de lekken in de Nord Stream-gaspijpleidingen,

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat alle staten overeenkomstig het VN-Handvest en de beginselen van het internationaal recht gelijke soevereiniteit genieten en zich in hun internationale betrekkingen moeten onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van andere staten; overwegende dat elke annexatie van het grondgebied van een staat door een andere staat als gevolg van bedreiging met of gebruik van geweld een schending vormt van het VN-Handvest en de beginselen van het internationaal recht; overwegende dat dit beginsel onlangs is beaamd door de secretaris-generaal van de VN, António Guterres;

B.

overwegende dat de Russische Federatie als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad een bijzondere politieke verantwoordelijkheid draagt voor de handhaving van de vrede en veiligheid in de wereld, maar dat zij de beginselen van het VN-Handvest stelselmatig schendt met haar agressieve acties tegen de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Oekraïne, en dat zij de internationale gemeenschap openlijk uitdaagt door haar illegale daden die in strijd zijn met het VN-Handvest aan te kondigen tijdens een zitting van de Algemene Vergadering van de VN;

C.

overwegende dat de Russische Federatie haar illegale, niet uitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog tegen Oekraïne de afgelopen maanden heeft voortgezet; overwegende dat een succesvol Oekraïens tegenoffensief dat begin september 2022 van start is gegaan, ertoe heeft geleid dat Rusland een aanzienlijk deel van de gebieden die het in de Oekraïense regio Charkov en in andere regio’s in het oosten van Oekraïne bezette, heeft verloren; overwegende dat deze bevrijding heeft geleid tot de ontdekking van nieuw bewijs van ernstige mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die door de Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen zijn begaan, waaronder massagraven met meer dan 440 lichamen in Izjoem;

D.

overwegende dat er al duizenden burgers zijn vermoord en dat er nog veel meer zijn gefolterd, geïntimideerd of ontvoerd, seksueel zijn misbruikt of gedwongen zijn ontheemd; overwegende dat dit onmenselijke gedrag van de Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen compleet indruist tegen het internationaal humanitair recht;

E.

overwegende dat sinds het begin van de invasie tienduizenden leden van de Russische strijdkrachten zijn gesneuveld of vermist zijn geraakt en dat veel van het militair materieel van Rusland is vernietigd;

F.

overwegende dat de internationale gemeenschap Oekraïne blijft steunen met moderne uitrusting, munitie, opleiding en inlichtingen, en dat het Amerikaanse Congres onlangs een wetsvoorstel heeft goedgekeurd voor de verstrekking van meer dan 12,3 miljard USD aan bijstand;

G.

overwegende dat het Oekraïense leger volgens Oekraïense functionarissen moderne gevechtstanks, meer grond-lucht- en grond-grond-wapensystemen, gepantserde personeelsvoertuigen en extra opleidingscentra nodig heeft, alsook andere bijdragen in de vorm van munitie;

H.

overwegende dat er van 9 tot en met 11 september 2022 regionale en lokale verkiezingen zijn gehouden in Rusland en in de illegaal geannexeerde Oekraïense Autonome Republiek Krim en de stad Sebastopol, die niet door de EU worden erkend;

I.

overwegende dat deze haastig georganiseerde schijnreferenda van 23 tot en met 27 september 2022 zijn gehouden in de gedeeltelijk door Rusland bezette gebieden van Oekraïne, te weten de oblasten Donetsk, Cherson, Loehansk en Zaporizja, en onder gedwongen gedeporteerde Oekraïners in Rusland, waarbij door de Russische autoriteiten vooraf vastgestelde, onrealistisch hoge cijfers zijn gemeld met betrekking tot de opkomst en het draagvlak voor de annexatie door Rusland; overwegende dat het stemproces gepaard ging met systematische schendingen van de mensenrechten en intimidatie, met name door de aanwezigheid van gewapende Russische soldaten; overwegende dat de schijnreferenda identiek waren aan het referendum dat begin 2014 door Rusland werd gehouden op de Krim, nadat het schiereiland door Rusland was bezet; overwegende dat Rusland op 30 september 2022 de formele annexatie van deze gebieden heeft aangekondigd, die unaniem door de Doema en de Federatieraad werd goedgekeurd;

J.

overwegende dat Vladimir Poetin op 21 september 2022 de eerste mobilisatie in Rusland sinds de Tweede Wereldoorlog heeft aangekondigd; overwegende dat volgens mediaberichten in het kader van deze mobilisatie tussen de 300 000 en 1,2 miljoen reservisten ten strijde worden geroepen; overwegende dat de autoriteiten volgens de officiële aankondiging burgers zouden oproepen die onlangs in het leger hebben gezeten en gevechtservaring hebben, maar dat uit berichten blijkt dat ook mensen zonder militaire ervaring worden opgeroepen, en met name mensen uit armere en afgelegen regio’s en mensen die tot etnische minderheden behoren; overwegende dat de mobilisatie tevens als onderdrukkingsmaatregel wordt ingezet, bijvoorbeeld op de bezette Krim, waar ruim 1 500 Krim-Tataren zijn opgeroepen; overwegende dat er daarnaast berichten rondgaan over gedwongen mobilisatie in de onlangs illegaal geannexeerde oblasten van Oekraïne; overwegende dat gemeld wordt dat nieuwe rekruten bijna onmiddellijk naar het front worden gestuurd;

K.

overwegende dat de aankondiging van de mobilisatie in Rusland heeft geleid tot protesten, waarbij de Russische autoriteiten tot dusver meer dan 2 400 demonstranten hebben gearresteerd; overwegende dat sinds de aankondiging van de mobilisatie honderdduizenden Russen Rusland zijn ontvlucht om de dienstplicht te ontlopen; overwegende dat de Russische autoriteiten op verschillende grensdoorlaatposten dienstplichtcentra hebben opgezet om ter plaatse oproepingsbrieven uit te delen en burgers te ontmoedigen het land te verlaten;

L.

overwegende dat de kerncentrale van Zaporizja nog altijd door Russische troepen wordt bezet; overwegende dat de directeur-generaal van de kerncentrale van Zaporizja, Ihor Moerasjov, op 30 september 2022 door Russische troepen is ontvoerd en later is vrijgelaten; overwegende dat de kerncentrale van Zaporizja de grootste kerncentrale in Europa is en dat de laatste reactor begin september 2022 is stilgelegd vanwege gevechten in en rond de centrale; overwegende dat er niettemin nog altijd een risico op een kernramp bestaat;

M.

overwegende dat Vladimir Poetin er op 21 september 2022 in een televisietoespraak mee gedreigd heeft dat Rusland, indien de territoriale integriteit van Rusland, dat wil zeggen de illegaal geannexeerde gebieden van Oekraïne, in gevaar zou worden gebracht, “zonder twijfel alle beschikbare middelen zou aanwenden om Rusland en [zijn] bevolking te beschermen”; overwegende dat de woorden “alle beschikbare middelen” op nauwelijks verholen nucleaire chantage neerkomen;

N.

overwegende dat op 26 en 27 september 2022 een dramatische daling van de druk werd waargenomen in de Nord Stream 1- en de Nord Stream 2-pijpleiding door lekken waarvan vermoed wordt dat zij het gevolg zijn van opzettelijke, door een statelijke actor in gang gezette explosies onder water; overwegende dat het exacte volume methaan dat in de atmosfeer terechtkomt weliswaar moeilijk te meten is, maar dat de hoeveelheid waarschijnlijk aanzienlijk zal zijn en schadelijke gevolgen zal hebben voor het milieu;

O.

overwegende dat president Volodymyr Zelensky op 30 september 2022 heeft aangekondigd dat Oekraïne officieel een aanvraag heeft ingediend voor toetreding tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO);

1.

herinnert aan de niet-aflatende steun van de Europese Unie voor Oekraïne en de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van het land binnen internationaal erkende grenzen; veroordeelt in de krachtigst mogelijke bewoordingen de ongerechtvaardigde en illegale aanvalsoorlog die Rusland zonder aanleiding tegen Oekraïne begonnen is; herinnert eraan dat Rusland de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de oorlog en dat het land onmiddellijk een einde moet maken aan de oorlog en zijn eigen alsook alle gelieerde troepen moet terugtrekken uit alle internationaal erkende gebieden die tot Oekraïne behoren;

2.

prijst de grote moed van het Oekraïense volk, dat enorme offers heeft gebracht om zijn land en Europese waarden, zoals vrijheid, waardigheid en democratie, te verdedigen; wijst erop dat Oekraïne overeenkomstig artikel 51 van het VN-Handvest het legitieme recht heeft zichzelf te verdedigen tegen de aanvalsoorlog van Rusland om de controle over zijn gehele internationaal erkende grondgebied volledig terug te winnen; prijst de moed van de Oekraïense strijdkrachten en hun zeer doeltreffende optreden, zowel in de strijd als vanuit moreel oogpunt, en erkent de aanzienlijke bijdrage die zij leveren aan de veiligheid in Europa;

3.

roept alle landen en internationale organisaties op de Russische aanvalsoorlog en de pogingen van het land om met geweld grondgebied te verwerven, ondubbelzinnig te veroordelen; verzoekt de EU en haar lidstaten de vele regeringen aan te spreken die een neutraal standpunt hebben ingenomen ten aanzien van de Russische agressie tegen Oekraïne, om een krachtig internationaal verzet op te bouwen tegen veranderingen met betrekking tot de grenzen in Oekraïne door middel van geweld en ter verdediging van het internationaal recht;

4.

spreekt zich met klem uit tegen de massale en ernstige mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die door de Russische strijdkrachten, gelieerde groeperingen en de door Rusland ingestelde bezettingsautoriteiten in Oekraïne zijn gepleegd; dringt erop aan dat de verantwoordelijke regeringsfunctionarissen en militaire leiders, alsook degenen die oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid hebben begaan, waaronder genocide, ter verantwoording worden geroepen;

5.

verzoekt de lidstaten en andere landen die Oekraïne steunen hun militaire bijstand sterk te verhogen, met name op de gebieden waarop dit volgens de Oekraïense regering nodig is, om Oekraïne in staat te stellen de controle over zijn gehele internationaal erkende grondgebied volledig terug te winnen en zich tegen verdere aanvallen door Rusland te verdedigen; pleit voor de overweging van een “leen-en-pacht”-faciliteit voor militaire bijstand aan Oekraïne; dringt er met name bij aarzelende lidstaten op aan een billijk deel van de nodige militaire bijstand te verstrekken om de oorlog zo snel mogelijk tot een einde te brengen; herinnert eraan dat aarzeling onder degenen die Oekraïne steunen de oorlog alleen maar langer doet duren en bijgevolg onschuldige Oekraïners het leven kost; roept de EU-leiders op om eenheid tussen de lidstaten en gelijkgestemde landen op te bouwen om Oekraïne volledig en onvoorwaardelijk te steunen tegen de aanvalsoorlog van Rusland;

6.

verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de levering van wapens, waaronder een initiatief voor de levering van geavanceerde wapensystemen zoals Leopard-tanks, te coördineren met behulp van het clearinghousemechanisme van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO); verzoekt de lidstaten onmiddellijk te beginnen met de opleiding van Oekraïense soldaten in dit verband;

7.

veroordeelt de schijnreferenda die onder schot zijn gehouden om de oblasten Donetsk, Cherson, Loehansk en Zaporizja te annexeren, ondubbelzinnig als illegaal en onwettig; herinnert eraan dat de referenda in strijd met het VN-Handvest en het internationaal recht zijn gehouden; verwerpt de vervalste uitslag van de referenda en de daaropvolgende inlijving van de desbetreffende gebieden bij Rusland, en erkent deze niet; beschouwt de uitslag van de referenda als nietig; is van mening dat de aangekondigde annexatie een gevaarlijke en onverantwoorde escalatie vormt en neerkomt op een flagrante schending van het internationaal recht en het VN-Handvest, die de internationale vrede, de veiligheid, de territoriale integriteit en de soevereiniteit van alle staten waarborgen; merkt op dat de internationale gemeenschap Rusland hier niet zomaar mee zal laten wegkomen;

8.

veroordeelt het Russisch presidentieel decreet van 29 september 2022 inzake de erkenning van de “onafhankelijkheid” van de Oekraïense oblasten Cherson en Zaporizja, alsook de illegale verdragen inzake integratie in de Russische Federatie die op 30 september 2022 zijn ondertekend; spreekt zijn onwrikbare steun uit voor het EU-beleid van niet-erkenning met betrekking tot de illegale acties van Rusland tegen Oekraïne, waaronder de annexatie, en verzoekt de Raad daarom in antwoord op deze acties nadere, strenge sancties vast te stellen;

9.

is tevreden met de voorstellen van de Commissie voor een achtste sanctiepakket tegen Rusland; verzoekt alle lidstaten het sanctiepakket snel goed te keuren, het proces niet uit eigenbelang te vertragen en de sancties grondig ten uitvoer te leggen; pleit voor de verruiming van dit pakket met nieuwe gebieden, waaronder het afsnijden van Gazprombank, Alfa Bank, Rosbank, Tinkoff Bank, Bank Saint Petersburg, Russian Regional Development Bank en Far Eastern Bank van het SWIFT-stelsel en het nader verscherpen van de sancties tegen cryptoactiva en -valuta; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten de eenheid van de EU te handhaven en de druk op het Kremlin op te voeren, onder meer door middel van bijkomende sanctiepakketten, waaronder een uitvoerverbod op hightechproducten en strategische goederen en andere sancties die gericht zijn op de strategische verzwakking van de Russische economie en industriële basis, met name het militair-industriële complex; is voorstander van de oplegging van persoonlijke sancties aan personen en entiteiten die rechtstreeks betrokken zijn bij de gedwongen deportatie en adoptie van Oekraïense kinderen en de illegale schijnreferenda, alsook aan alle leden van de partijen in de Doema die een functie bekleden in een gekozen parlement op welk niveau dan ook, onder meer op regionaal en gemeentelijk niveau; verzoekt de lidstaten de omzeiling van de sancties actief te voorkomen, te onderzoeken en te vervolgen; verzoekt de Commissie en de medewetgevers snel werk te maken van de voltooiing van de wettelijke regeling voor de confiscatie van activa die in het kader van de sancties zijn bevroren;

10.

pleit nogmaals voor een onmiddellijk en volledig embargo op de invoer van fossiele brandstoffen en uranium uit Rusland en de volledige opschorting van het gebruik van de Nord Stream 1- en de Nord Stream 2-pijpleiding, om een einde te maken aan de financiering van Poetins oorlogsmachine met EU-geld; pleit voorts voor een verbod op de aankoop, de invoer en het vervoer van titanium, aluminium, koper, nikkel, palladium, rodium en ruwe en verwerkte diamanten uit of via Rusland naar de EU, alsmede op de invoer van uit Rusland afkomstige of uit Rusland uitgevoerde ijzer- en staalproducten, met inbegrip van ijzererts en halffabricaten, om de inkomsten van Rusland te beperken; vraagt dat de toegang van Rusland tot fundamentele industriële hulpbronnen, technologieën en diensten, en met name die welke nodig zijn voor de militaire industrie van het aanvallende land, tot een minimum wordt beperkt;

11.

waarschuwt het bewind van Aljaksandr Loekasjenka Rusland niet te helpen geweldplegingen tegen Oekraïne te begaan, het land niet bij te staan bij zijn mobilisatie-inspanningen en geen dienstplichtigen op zijn grondgebied op te vangen; verzoekt de Commissie en de Raad Belarus mee te nemen in de nieuwe golf van sancties in verband met de mobilisatie;

12.

laakt de mobilisatie in Rusland en vraagt dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de onvrijwillige dienstplicht; wijst met afschuw op de maatregelen waardoor inwoners van de tijdelijk bezette gebieden van Oekraïne worden gedwongen in de Russische strijdkrachten of hulptroepen te dienen, hetgeen verboden is op grond van het Vierde Verdrag van Genève; dringt er met klem bij alle Russen op aan zich niet in deze oorlog te laten slepen, aangezien het een oorlog is die in strijd is met het internationaal recht en daarom door de overgrote meerderheid van landen wordt veroordeeld, die enkel bedoeld is om de positie van een ondemocratisch bewind van kleptocraten in Rusland te versterken, en die uiteindelijk zal leiden tot de vernietiging van de Russische economie en van elk vooruitzicht van de Russische bevolking op een veilige en welvarende toekomst; spoort de lidstaten ertoe aan humanitaire visa af te geven aan Russische burgers die bescherming nodig hebben, zoals burgers die het slachtoffer zijn van politieke vervolging;

13.

verzoekt de lidstaten de richtsnoeren van de Commissie voor de algemene afgifte van visa aan Russische aanvragers en checks van Russische burgers aan de buitengrenzen volledig ten uitvoer te leggen, met volledige inachtneming van het EU-recht en het internationaal recht, en ervoor te zorgen dat alle asielaanvragen, met inbegrip van aanvragen van dissidenten, deserteurs, dienstontduikers en activisten, afzonderlijk worden behandeld, rekening houdend met de veiligheidsbelangen van de gastlidstaat en in overeenstemming met het EU-acquis inzake asiel; verzoekt de Raad en de Commissie de situatie met betrekking tot Russische visa nauwlettend in de gaten te houden;

14.

verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten meer steun te verlenen aan landen in de zuidelijke Kaukasus en in Centraal-Azië die aanzienlijke aantallen Russische burgers opvangen, met name Georgië, Kazachstan, Oezbekistan, Armenië en Kirgizië, om de stabiliteit in deze regio’s te handhaven;

15.

veroordeelt het Russische presidentieel decreet van 5 oktober 2022 waarbij de kerncentrale van Zaporizja als “federale eigendom” wordt aangemerkt en de Russische overheid wordt geïnstrueerd de controle ervan over te nemen; eist dat het Russisch militair personeel zich onmiddellijk uit de kerncentrale van Zaporizja en de omliggende gebieden terugtrekt en dat rond de kerncentrale een gedemilitariseerde zone wordt ingesteld; herinnert eraan dat de gevechten in de buurt van de kerncentrale kunnen leiden tot een grote ramp met ondenkbare gevolgen;

16.

veroordeelt de recente dreigingen van Rusland om kernwapens in te zetten als onverantwoordelijk en gevaarlijk; verzoekt de lidstaten en internationale partners een snelle en doortastende reactie voor te bereiden voor het geval dat Rusland overgaat tot een nucleaire aanval tegen Oekraïne; dringt er, met het oog op de wereldwijde gevolgen van een nucleaire ramp voor de mens en het milieu in de daaropvolgende decennia, bij Rusland op aan onmiddellijk een einde te maken aan zijn dreigingen met nucleaire escalatie; herinnert eraan dat alle pogingen van Rusland om aanvallen op bezette gebieden te presenteren als een aanval op Rusland en dus als grond voor een nucleaire aanval illegaal en ongegrond zijn en de Europese Unie er niet van zullen weerhouden Oekraïne verder te helpen bij zijn zelfverdediging;

17.

verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten de steun voor en samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de vrije media in Oekraïne en Rusland op te voeren; onderstreept dat de weerbaarheid van Oekraïne en zijn capaciteit om de aanvalsoorlog van Rusland te weerstaan meer aandacht en steun vereisen voor humanitaire actoren in Oekraïne, onder meer speciale aandacht voor actoren die zich inzetten voor vrouwen; verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten mensen die de oorlog ontvluchten tijdelijke opvang in de EU te blijven bieden en te helpen bij de afgifte van tijdelijke reisdocumenten waarmee Oekraïense burgers die in Rusland vastzitten zonder hun identiteits- of reisdocumenten het land kunnen verlaten indien zij dat wensen; veroordeelt de systematische pogingen aan Russische zijde om de toegang van Oekraïense vluchtelingen tot de EU aan de Estse en Letse grens te vertragen, wat op korte termijn tot een grote humanitaire crisis zou kunnen leiden; verzoekt de lidstaten en hun grenscontrole deze vluchtelingen niet te beletten de EU binnen te komen;

18.

verzoekt de Commissie te werken aan een alomvattend herstelpakket voor Oekraïne, dat gericht moet zijn op de verlening van onmiddellijke, middellange- en langetermijnhulp aan en de wederopbouw en het herstel van het land, alsook op de verlening van aanvullende bijstand om de groei van de economie, waar mogelijk per direct, te helpen versterken; herinnert eraan dat het herstelpakket gezamenlijk moet worden geleid door de EU, internationale financiële instellingen en gelijkgestemde partners; pleit ervoor het herstelpakket te ondersteunen met de nodige begrotingscapaciteit op EU-niveau;

19.

spreekt zijn waardering uit voor de Russische burgers die de oorlog veroordelen; laakt de arrestatie door de Russische autoriteiten van duizenden vreedzame demonstranten en verzoekt om hun onmiddellijke vrijlating;

20.

verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten alvast na te denken over de wijze waarop in de toekomst met Rusland kan worden samengewerkt en hoe het land kan worden geholpen bij een succesvolle overgang van een autoritair regime naar een democratie waarin geen plaats is voor revisionistisch en imperialistisch beleid; is van oordeel dat de EU-instellingen in dit verband als eerste stap toenadering moeten zoeken tot democratische Russische leiders en het maatschappelijk middenveld in het land, en steun moeten vrijmaken ter ondersteuning van hun alomvattende agenda voor een democratisch Rusland; roept op tot de oprichting van een hub voor democratie in Rusland, gerund door het Europees Parlement;

21.

herinnert eraan dat de explosies onder water bij de Nord Stream-pijpleidingen plaatsvonden op het moment dat de nieuwe “Baltic Pipe” in gebruik werd genomen, die Noorwegen via Denemarken met Polen verbindt; is van mening dat de explosies onder water bij de Nord Stream-pijpleidingen geen toeval zijn en merkt op dat er steeds sterker wordt vermoed dat zij het gevolg waren van een gecoördineerde en bewuste handeling door een statelijke actor; is van oordeel dat de explosies bij de Nord Stream-pijpleidingen bewijzen dat het beleid van steeds grotere afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen zeer gevaarlijk was en meent dat het inzetten van energie als wapen tot nieuwe hoogten is gestegen; verzoekt de lidstaten de bescherming van kritieke Europese onderwaterinfrastructuur, met inbegrip van offshorepijpleidingen en -kabels, op te voeren en als prioriteit te beschouwen, en deze infrastructuur beter bestand te maken tegen externe aanvallen en de weerbaarheid van de oostelijke partners en de Westelijke Balkan verder te ondersteunen; verzoekt de lidstaten grondig onderzoek te doen naar de sabotage van de Nord Stream-gaspijpleidingen; beschouwt de opzettelijke explosies onder water als een milieuaanval op de EU;

22.

verzoekt de EU en haar lidstaten samen te werken met internationale organen om bewijsmateriaal te verzamelen en het onderzoek te ondersteunen van het Internationaal Strafhof naar de oorlogsmisdaden die op het grondgebied van Oekraïne zijn gepleegd sinds 20 februari 2014;

23.

dringt aan op de oprichting van een internationaal ad-hoctribunaal voor het misdrijf agressie tegen Oekraïne, om Poetin evenals alle Russische civiele en militaire functionarissen en gelieerde groeperingen die verantwoordelijk zijn voor het plannen, afkondigen en voeren van de oorlog in Oekraïne, te vervolgen;

24.

veroordeelt de meerlagige strategie van Rusland om wereldwijd valse en vertekende verhalen en de neo-imperialistische ideologie van een “Russische wereld” (“Russkij mir”) de wereld in te sturen, te versterken en te verspreiden; verzoekt de EU en haar lidstaten sancties op te leggen aan Russische entiteiten, personen en handlangers die Russische desinformatie verspreiden, en aanvullende maatregelen te nemen om het gebruik door Rusland van informatie als oorlogswapen aan te pakken;

25.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen, de Internationale Organisatie voor Migratie, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, het Internationaal Strafhof en de president, de regering en het parlement van Oekraïne, alsmede aan de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie en aan de Belarussische autoriteiten.

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/99


P9_TA(2022)0354

Resultaat van de herziening door de Commissie van het actieplan van 15 punten inzake handel en duurzame ontwikkeling

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over het resultaat van de herziening door de Commissie van het actieplan van 15 punten inzake handel en duurzame ontwikkeling (2022/2692(RSP))

(2023/C 132/13)

Het Europees Parlement,

gezien het non-paper van de Commissie van 26 februari 2018 getiteld “Feedback and way forward on improving the implementation and enforcement of Trade and Sustainable Development chapters in EU Free Trade Agreements” (het actieplan van 15 punten),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 juni 2022 getiteld “De kracht van handelspartnerschappen: samen voor groene en rechtvaardige groei” (COM(2022)0409) (mededeling over de herziening van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling),

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties,

gezien de kernverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

gezien de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid,

gezien het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering, met inbegrip van de Overeenkomst van Parijs van 2015,

gezien de beoordelingsverslagen van het Intergouvernementeel Panel van de VN over klimaatverandering,

gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit van 1992 (VBD) en de bijbehorende protocollen,

gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten van 1975,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2022 over waardig werk wereldwijd voor een mondiale rechtvaardige transitie en een duurzaam herstel (COM(2022)0066),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381),

gezien zijn resolutie van 26 november 2020 over de toetsing van het handelsbeleid van de EU (1) en de mededeling van de Commissie van 18 februari 2021 getiteld “Evaluatie van het handelsbeleid — Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid” (COM(2021)0066),

gezien de vraag van de Commissie internationale handel aan de Commissie van 16 januari 2018 over de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in de handelsovereenkomsten van de EU (O-000098/2017 — B8-0617/2017),

gezien het non-paper van Nederland en Frankrijk van 8 mei 2020 over handel, sociaal-economische gevolgen en duurzame ontwikkeling,

gezien zijn resolutie van 17 februari 2022 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied — jaarverslag 2021 (2),

gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU (3),

gezien het EU-genderactieplan (GAP) III, dat op 25 november 2020 is gepubliceerd (JOIN(2020)0017), en de resolutie van het Parlement van 10 maart 2022 daarover (4),

gezien de jaarverslagen van de Commissie over de uitvoering en handhaving van handelsovereenkomsten van de EU,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 oktober 2021 getiteld “De volgende generatie hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling — Herziening van het 15-puntenactieplan”,

gezien het non-paper van het Europees Economisch en Sociaal Comité van oktober 2021 getiteld “Strengthening and Improving the Functioning of EU Trade Domestic Advisory Groups”,

gezien het in 2017 gepubliceerde handboek van de IAO en de Commissie voor de beoordeling van arbeidsbepalingen in handels- en investeringsregelingen,

gezien het in 2019 gepubliceerde handboek voor de uitvoering van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in de handelsovereenkomst tussen de EU en Ecuador,

gezien het verslag van mei 2022 over het eindresultaat van de Conferentie over de toekomst van Europa, en met name voorstel 19, punt 4,

gezien de vraag aan de Commissie over het resultaat van de herziening door de Commissie van het actieplan van 15 punten inzake handel en duurzame ontwikkeling (O-000029/2022 — B9-0021/2022),

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie internationale handel,

A.

overwegende dat de EU zich inzet voor een open, op regels gebaseerd handelsstelsel dat eerlijk, inclusief en duurzaam is; overwegende dat het handelsbeleid van de EU een belangrijk geo-economisch instrument is; overwegende dat een positieve en proactieve handelsagenda van cruciaal belang is voor de economische welvaart, het concurrentievermogen, de innovatie en de totstandbrenging van nieuwe, hoogwaardige werkgelegenheid in Europa;

B.

overwegende dat de EU zich, als ’s werelds grootste handelsblok, in een unieke positie bevindt om wereldwijd en bilateraal samen te werken en betrekkingen aan te gaan met partnerlanden om de naleving van internationale arbeidsnormen en milieuvoorschriften door middel van haar handelsbeleid en handelsovereenkomsten te bevorderen;

C.

overwegende dat alle nieuwe handelsovereenkomsten van de EU hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling moeten bevatten; overwegende dat het actieplan van 15 punten sinds 2018 als leidraad dient voor de uitvoering en handhaving van deze hoofdstukken; overwegende dat het Parlement systematisch heeft aangedrongen op de verbetering van de uitvoering en de doeltreffende handhaving van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling en daarnaast heeft gepleit voor de mogelijkheid om als laatste redmiddel sancties op te leggen;

D.

overwegende dat de Commissie in juni 2021 is gestart met een grondige herziening van het actieplan van 15 punten inzake handel en duurzame ontwikkeling, met als doel het vermogen van handelsovereenkomsten in hun geheel om in samenwerking met handelspartners duurzame handel te bevorderen, te versterken;

E.

overwegende dat de EU, door middel van haar handelsbeleid en externe optreden, en het Parlement, door middel van zijn wetgevingswerkzaamheden en parlementaire diplomatie, samen het idee hebben versterkt dat de voorwaarden waaronder goederen worden geproduceerd en diensten worden verleend wat betreft mensenrechten, milieu, arbeid en maatschappelijke ontwikkeling net zo relevant zijn als de daadwerkelijke handel in deze goederen en diensten;

1.

is ingenomen met de bekendmaking van de resultaten van de herziening van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het Parlement geruime tijd heeft aangedrongen op een alomvattende herziening van en een sterkere nadruk op de uitvoering en handhaving van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling; neemt kennis van het feit dat de Commissie voor zes beleidsprioriteiten verbeterpunten heeft vastgesteld;

2.

stelt met tevredenheid vast dat de Commissie voornemens is de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling als samenwerkingsinstrumenten te versterken en gebruik te maken van vroegtijdige kloofanalyse om met hulp uit het maatschappelijk middenveld landspecifieke uitvoeringsprioriteiten vast te stellen; merkt op dat de IAO, het Milieuprogramma van de VN en de multilaterale milieuovereenkomsten bij de vaststelling van hiaten in de uitvoering moeten worden geraadpleegd; meent dat gedetailleerde, tijdgebonden stappenplannen voor de uitvoering een nuttig instrument zijn voor het behalen van de gewenste resultaten;

3.

wijst er nogmaals op dat grondig verkennend onderzoek moet worden gedaan voordat onderhandelingen over nieuwe vrijhandelsovereenkomsten worden gestart; verzoekt de Commissie in dit verkennend onderzoek relevante inhoud over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen;

4.

staat achter het plan van de Commissie om duurzaamheid in alle vrijhandelsovereenkomsten op te nemen teneinde bij te dragen aan de verwezenlijking van een koolstofneutrale economie, en om prioriteit te geven aan markttoegang voor milieugoederen en -diensten, alsook voor grondstoffen en energiegoederen die essentieel zijn voor de werking van een koolstofneutrale economie, mits daarbij duurzame praktijken worden gehanteerd, de mensenrechten, de arbeidsrechten en het milieu in derde landen niet worden aangetast, en het VN-beginsel van vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming wordt geëerbiedigd; pleit voor de uitvoering van alomvattende duurzaamheidseffectbeoordelingen om in kaart te brengen welke bepalingen verder gaan dan de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling en kansen kunnen bieden of juist een uitdaging kunnen vormen voor de verwezenlijking van duurzaamheidsdoelstellingen;

5.

herinnert eraan dat het Parlement heeft aangedrongen op de versterking van de rol van EU-delegaties bij het toezicht op de uitvoering van de verbintenissen inzake handel en duurzame ontwikkeling; pleit in dit verband voor de toewijzing van voldoende financiële en personele middelen aan de EU-delegaties en voor de stroomlijning van de werkzaamheden van de diensten van de Commissie om een adequate inzet op het gebied van handelsgerelateerde duurzaamheidskwesties te garanderen, alsmede voor de coördinatie en uitvoering van programma’s voor capaciteitsopbouw om duurzame ontwikkeling te bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten optimaal gebruik te maken van de “Team Europa”-aanpak om te zorgen voor coördinatie en samenhang wanneer zij met partnerlanden in contact treden over handelsgerelateerde duurzaamheidskwesties;

6.

beschouwt de totstandbrenging van de functie Chief Trade Enforcement Officer (CTEO — hoofd handhaving voor de handel) en het vernieuwde centrale contactpunt als belangrijke stappen ter versterking van de uitvoering van de verbintenissen inzake handel en duurzame ontwikkeling; herinnert eraan dat de Commissie heeft toegezegd evenveel belang te zullen hechten aan vermeende inbreuken op bepalingen betreffende handel en duurzame ontwikkeling als aan vermeende inbreuken op verbintenissen inzake markttoegang; constateert dat tot op heden slechts één klacht in verband met inbreuken op het gebied van handel en duurzame ontwikkeling is ingediend via het centrale contactpunt; onderstreept dat het belangrijk is duidelijke en precieze toezeggingen op te nemen in toekomstige hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling;

7.

pleit voor een sterkere rol voor interne adviesgroepen in alle fasen van de levenscyclus van handelsovereenkomsten en dringt erop aan dat deze groepen een toezichthoudende rol krijgen met betrekking tot de concrete uitvoering van alle aspecten in vrijhandelsovereenkomsten die van invloed zijn op duurzaamheid, waaronder toezicht op de stappenplannen voor de uitvoering; vraagt dat aan interne adviesgroepen voldoende financiële middelen worden toegewezen en voldoende technische bijstand wordt verleend, zodat zij hun taken naar behoren kunnen uitvoeren; beklemtoont dat de Commissie internationale handel (INTA) van het Parlement heeft toegezegd jaarlijks een debat te zullen houden met vertegenwoordigers van interne adviesgroepen; is van mening dat nauwere uitwisseling tussen de toezichtgroepen en de vaste rapporteurs van het Parlement enerzijds en de interne adviesgroepen anderzijds voor beide partijen van grote waarde is; pleit voorts voor de instelling van functionerende interne adviesgroepen in partnerlanden en -regio’s, in overeenstemming met de aanbevelingen van het Europees Economisch en Sociaal Comité en de adviezen van de interne adviesgroepen van de EU; is ingenomen met het feit dat interne adviesgroepen tevens collectieve klachten kunnen indienen en dat klagers uit de EU kwesties met betrekking tot handel en duurzame ontwikkeling in verband met een in een partnerland gevestigde instantie kunnen aankaarten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat naast interne adviesgroepen ook maatschappelijke organisaties collectieve klachten kunnen indienen;

8.

benadrukt dat de nadere afstemming van de handhaving van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling op de algemene beslechting van geschillen tussen staten en de verruiming van de nalevingsfase tot geschillen in het kader van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling zullen leiden tot een betere uitvoering en handhaving van de aanbevelingen uit de verslagen van het deskundigenpanel; is van oordeel dat de nationaal bepaalde bijdragen, als tastbare toezeggingen van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs, een essentiële rol moeten spelen wanneer wordt nagegaan of er sprake is van schending van de Overeenkomst van Parijs; dringt erop aan dat de arbiters die met dergelijke geschillen belast zijn, aantoonbare deskundigheid hebben op de desbetreffende gebieden;

9.

benadrukt het belang van de uitvoering van beoordelingen achteraf van het milieu- en maatschappelijk effect van alle bepalingen van vrijhandelsovereenkomsten en pleit bovendien voor een evaluatie van de doeltreffendheid van bepalingen betreffende handel en duurzame ontwikkeling;

10.

is verheugd dat het lange aandringen van het Parlement op de oplegging van handelssancties als laatste redmiddel tegen ernstige schendingen van de verbintenissen inzake handel en duurzame ontwikkeling, namelijk de Verklaring van de IAO betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk, en materiële inbreuken op de Overeenkomst van Parijs in het document terugkomt; hoopt dat tijdens de 15e conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit van december 2022 aan de voorwaarden zal worden voldaan om het verdrag afdwingbaar te maken, zoals in de mededeling over de herziening van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling is voorzien;

11.

stelt vast dat de Commissie geen modelhoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling heeft voorgelegd omdat alle elementen van de mededeling over de herziening van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling steeds op de afzonderlijke handelspartners moeten worden afgestemd;

12.

verwacht dat de beginselen van het resultaat van de herziening van het actieplan van 15 punten terugkomen in alle handelsovereenkomsten van de EU waarover nog wordt onderhandeld, alsook in nieuwe handelsovereenkomsten die ter goedkeuring aan het Parlement worden voorgelegd; verwacht bovendien dat alle geldende vrijhandelsovereenkomsten worden gemoderniseerd, ofwel met behulp van de speciale herzieningsclausules die in bestaande overeenkomsten zijn opgenomen, ofwel aan de hand van andere passende procedures;

13.

beschouwt het resultaat van de herziening van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling als een belangrijke stap om ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten tegemoetkomen aan de eisen waaraan het Parlement reeds lang geleden uiting heeft gegeven en aan de verwachtingen van het maatschappelijk middenveld en de burgers, waarbij moet worden gewaarborgd dat handelsovereenkomsten van de EU onderhandelbaar en aantrekkelijk blijven voor partners;

14.

blijft zich inspannen om de parlementaire werkzaamheden met betrekking tot het toezicht op de verbintenissen inzake handel en duurzame ontwikkeling en de uitvoering daarvan gedurende de gehele levenscyclus van handelsovereenkomsten voortdurend op te voeren, onder meer door middel van speciale toezichtgroepen, speciale parlementaire missies van het Europees Parlement en eventuele gezamenlijke parlementaire toezichtcomités met partnerlanden; vraagt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement, via de commissie INTA of de speciale toezichtgroepen, over de vooruitgang die geboekt is met betrekking tot de verbintenissen inzake handel en duurzame ontwikkeling, en de uitvoering daarvan door partnerlanden;

15.

onderstreept dat gender in het gehele proces, van duurzaamheidseffectbeoordeling tot uitvoering, moet worden geïntegreerd, opdat zowel vrouwen als mannen kunnen profiteren van de economische kansen die uit handelsovereenkomsten voortvloeien;

16.

wijst erop dat alle nieuwe vrijhandelsovereenkomsten van de EU een hoofdstuk over duurzame voedselsystemen moeten bevatten dat gekoppeld is aan het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, zoals in de toetsing van het handelsbeleid is aangegeven;

17.

beklemtoont dat de EU zich, als ’s werelds grootste handelsblok, ambitieus moet opstellen bij haar inspanningen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie, wanneer zij aanvullende autonome instrumenten vormgeeft ter ondersteuning van wereldwijde klimaatactie, de strijd tegen biodiversiteitsverlies en ontbossing, de verbetering van dierenwelzijn, de vaststelling van regels inzake duurzaamheid van bedrijven, zorgvuldigheidseisen en dwangarbeid, de stimulering van de circulaire economie en de groene energietransitie, en de waarborging van fatsoenlijk werk wereldwijd; meent dat de EU haar handelspartners er bovendien door middel van dialoog en tariefpreferenties toe moet aansporen aan het bovenstaande te voldoen; verzoekt de Commissie hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling te gebruiken om de ratificatie te stimuleren van de in de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid opgenomen IAO-verdragen;

18.

onderstreept dat multilateraal optreden de beste manier is om de wereldwijde transitie naar een koolstofneutrale, inclusieve en duurzame economie te verwezenlijken waarin de rechten van werknemers worden geëerbiedigd; verzoekt de EU met klem haar werkzaamheden in dit verband op multilateraal niveau op te voeren, binnen de Wereldhandelsorganisatie en door nauwer samen te werken met de IAO, het Milieuprogramma van de VN en de multilaterale milieuovereenkomsten;

19.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de Internationale Arbeidsorganisatie, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en de multilaterale milieuovereenkomsten.

(1)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 155.

(2)  PB C 342 van 6.9.2022, blz. 191.

(3)  PB C 162 van 10.5.2019, blz. 9.

(4)  PB C 347 van 9.9.2022, blz. 150.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/103


P9_TA(2022)0355

Een EU-benadering van het ruimteverkeersbeheer — een bijdrage van de EU aan de aanpak van een mondiale uitdaging

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over een EU-benadering van het ruimteverkeersbeheer — Een bijdrage van de EU aan de aanpak van een mondiale uitdaging (2022/2641(RSP))

(2023/C 132/14)

Het Europees Parlement,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 15 februari 2022 getiteld “Een EU-benadering van het ruimteverkeersbeheer — Een bijdrage van de EU aan de aanpak van een mondiale uitdaging” (JOIN(2022)0004),

gezien de conclusies van de Raad van 11 november 2020 over richtsnoeren voor de Europese bijdrage aan de vaststelling van kernbeginselen voor de mondiale ruimte-economie,

gezien de mededeling van de Commissie van 22 februari 2021 getiteld “Actieplan voor synergieën tussen de civiele, defensie- en ruimtevaartindustrieën” (COM(2021)0070),

gezien de richtsnoeren van de VN-Commissie voor het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte van 20 juni 2019 inzake langetermijnduurzaamheid van ruimteactiviteiten,

gezien de vraag aan de Commissie over het ruimteverkeersbeheer (O-000035/2022 — B9-0022/2022),

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie industrie, onderzoek en energie,

A.

overwegende dat ruimteverkeersbeheer van strategisch belang is voor de Unie en bijdraagt tot het waarborgen van veilige, beveiligde en autonome toegang tot en terugkeer uit en een veilig, beveiligd en autonoom gebruik van de ruimte, waardoor de duurzaamheid van de kosmische ruimte op lange termijn wordt gewaarborgd en het concurrentievermogen van de ruimtevaartindustrie in de EU wordt bevorderd en gevrijwaard;

B.

overwegende dat het aantal operaties in de ruimte, het aantal satellieten in een baan om de aarde en de hoeveelheid ruimteschroot de afgelopen jaren aanzienlijk zijn toegenomen; overwegende dat deze ontwikkeling heeft geleid tot een exponentiële toename van het risico voor de veiligheid van ruimteoperaties in de omloopbaan en de duurzaamheid van de kosmische ruimte; overwegende dat dit de diensten van de componenten van het Europees ruimtevaartprogramma in gevaar kan brengen;

C.

overwegende dat er sprake is van nieuwe industriële trends, wat heeft geleid tot commerciëlere benaderingen met betrekking tot het gebruik van de ruimte, nieuwe niet-overheidsactoren die de ruimtevaartsector betreden, geplande en lopende lanceringen van zogenaamde megaconstellaties in een lage omloopbaan en andere commerciële trends, zoals mijnbouw in de ruimte;

D.

overwegende dat een aantal technologieën betrouwbare oplossingen bieden op het gebied van het verkeer, de congestie en mogelijke botsingen in de ruimte; overwegende dat in de EU een aantal innovaties en particuliere en publieke initiatieven voor het opsporen en traceren van schroot zijn ontwikkeld; overwegende dat het (geautomatiseerd) vermijden van botsingen tussen ruimtevaartuigen, het voorkomen, beperken en verhelpen van ruimteschroot en technieken om ruimteschroot te verwijderen efficiënte instrumenten zijn die een adequaat regelgevings- en uitvoeringskader vereisen;

E.

overwegende dat het Europees ruimtevaartprogramma een component omgevingsbewustzijn in de ruimte omvat, die een subcomponent voor ruimtebewaking en -monitoring (SST) omvat die de operationele pijler voor het ruimteverkeersbeheer vormt;

F.

overwegende dat, in tegenstelling tot andere (vervoer)sectoren, er voor het ruimteverkeersbeheer niet in dezelfde mate een alomvattend internationaal regelgevingskader met gedetailleerde regels en technische specificaties bestaat, maar dat dit beperkt is tot vrijwillige richtsnoeren;

1.

is ingenomen met de geplande acties die zijn uiteengezet in de gezamenlijke mededeling getiteld “Een EU-benadering van het ruimteverkeersbeheer — Een bijdrage van de EU aan de aanpak van een mondiale uitdaging”;

2.

is ingenomen met de recente ontwikkelingen in de ruimtevaartsector, waarbij nieuwe bedrijven de markt betreden en de diensten die worden geleverd door de verschillende componenten van het Europees ruimtevaartprogramma door de markt worden opgenomen;

3.

benadrukt dat de toename van het aantal ruimteoperaties, het aantal actoren in de ruimte en de ongekende toename van de omvang van satellietconstellaties kwantitatieve aspecten zijn die ernstige uitdagingen vormen die moeten worden aangepakt, met name via preventieve maatregelen en de ontwikkeling en uitrol van geavanceerde, geautomatiseerde technieken zoals het geautomatiseerd vermijden van botsingen; wijst er in dit verband op dat artificiële intelligentie, high-performance computing en machinaal leren sleuteltechnologieën zijn voor de vereiste automatiserings- en traceringsprocessen;

4.

wijst erop dat voor een goed beheer van het ruimteverkeer gegevens op basis van kwantitatieve maatstaven en meetinstrumenten nodig zijn en dat daartoe ook een toename van het aantal en de kwaliteit van sensoren, robuuste gegevensuitwisseling en vooruitgang op het gebied van schroot vereist zijn;

5.

benadrukt dat de ontwikkeling van de ruimtevaartsector vereist dat de EU een strategische en ambitieuze aanpak volgt met betrekking tot regelgevingsaspecten, de internationale dimensie en diensten op het gebied van ruimtebewaking en -monitoring;

6.

benadrukt dat een internationaal erkende definitie van ruimteverkeersbeheer moet worden bevorderd om te zorgen voor een gemeenschappelijk begrip van alle parameters en zo bij te dragen tot de veiligheid van ruimteoperaties in de steeds meer verzadigde ruimte;

7.

is van mening dat, om veilige en beveiligde ruimteoperaties te waarborgen, een duidelijk regelgevingskader voor ruimtevaartactiviteiten als basis moet dienen voor een EU-breed gelijk speelveld voor ruimtevaartactiviteiten alsook voor een alomvattend kader voor bindende Europese wetgeving inzake ruimtevaart; verzoekt de Commissie een reeks EU-regels, normen, technische specificaties en richtsnoeren te ontwikkelen en deze regels actief te bevorderen op internationaal niveau;

8.

benadrukt dat vanaf de ontwerpfase rekening moet worden gehouden met beveiliging en veiligheid, dat ruimtelanceringen en -middelen gebaseerd moeten zijn op duurzaamheid door ontwerp, dat de huidige beste praktijken en richtsnoeren onvoldoende worden gebruikt en dat versnippering niet bevorderlijk is voor een efficiënte grootschalige aanpak; benadrukt dat deze veranderingen zorgvuldig en duidelijk moeten worden geformuleerd om een snelle internationale invoering te ondersteunen en buitensporige administratieve lasten voor de ruimtevaartsector te voorkomen;

9.

verzoekt de Commissie rekening te houden met zowel civiele als defensie- en veiligheidsbehoeften, de gevolgen van de ontwikkeling van het ruimteverkeersbeheer voor Europese publieke en private belanghebbenden te evalueren en ook geïnteresseerde belanghebbenden van buiten de EU te raadplegen;

10.

verzoekt de Commissie samen te werken met derde landen en internationale organisaties, zonder evenwel afbreuk te doen aan de autonomie van de Unie;

11.

verzoekt de Commissie de diensten van de Unie op het gebied van ruimtebewaking en -monitoring te versterken met betrekking tot verzamelde gegevens en terugkeer- en fragmentatieanalyses, en de EU-databank voor ruimtebewaking en -monitoring verder te ontwikkelen, onder meer inzake gedetecteerde, gecatalogiseerde en voorspelde bewegingen van ruimtevoorwerpen;

12.

benadrukt dat de ontwikkeling van betere capaciteiten op het gebied van ruimtebewaking en -monitoring moet worden ondersteund en dat onderzoek en innovatie inzake ruimteverkeersbeheer moeten worden gestimuleerd;

13.

benadrukt dat ruimteschroot een dringend probleem is en dat er operaties met betrekking tot ruimteschroot nodig zijn; verzoekt de Commissie daarom verder te investeren in onderzoek naar en de uitrol van technologieën voor de vermindering van schroot door gebruik te maken van alle mogelijkheden voor EU-financiering van onderzoeks- en innovatieactiviteiten via Horizon Europa, de Cassini-Huygensmissie voor ruimteonderzoek, proefprojecten, met inbegrip van synergie tussen en de combinatie van verschillende EU-programma’s en nationale fondsen, en, voor zover mogelijk, middelen van het Europees Ruimteagentschap;

14.

verzoekt de Commissie alle politieke en diplomatieke inspanningen te leveren, met inbegrip van contacten met de VN, om een alomvattende internationale aanpak te ontwikkelen voor de toepassing van gemeenschappelijke normen en regels en de tenuitvoerlegging van concrete oplossingen inzake ruimteverkeersbeheer op mondiaal niveau;

15.

moedigt de Commissie aan de deelname van de EU aan de reddingsovereenkomst (1), de aansprakelijkheidsovereenkomst (2) en de registratieovereenkomst van de VN (3) te vergemakkelijken;

16.

verzoekt de Commissie vóór 2024 wetgeving op het gebied van ruimteverkeersbeheer voor te stellen, onder meer inzake systeembeheer en de verantwoordelijkheden van het voorgestelde agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, evenals, op basis van de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader 2021-2027 en het huidige ruimtevaartprogramma van de Unie, de integratie van ruimteverkeersbeheer in het volgende ruimtevaartprogramma;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  Overeenkomst van 1967 inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen.

(2)  Overeenkomst van 1971 inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen.

(3)  Overeenkomst van 1974 inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen.


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/106


P9_TA(2022)0356

Momentum voor de oceaan: versterking van oceaangovernance en biodiversiteit

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over het momentum om oceaangovernance en biodiversiteit te versterken (2022/2836(RSP))

(2023/C 132/15)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (1),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 10 november 2016 getiteld “Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (JOIN(2016)0049),

gezien zijn resolutie van 16 januari 2018, getiteld “Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen in de context van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) voor 2030” (2),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 24 juni 2022 over de EU-agenda voor internationale oceaangovernance — “De koers bepalen voor een duurzame blauwe planeet” (JOIN(2022)0028),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), met inbegrip van haar doelstelling om tegen 2030 een coherent netwerk tot stand te brengen dat 30 % van de mariene gebieden in de EU bescherming biedt, en de resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2021 daarover (3),

gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (4),

gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (5) (Richtlijn maritieme ruimtelijke planning),

gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over de gevolgen van zwerfvuil op zee voor de visserij (6),

gezien zijn resolutie van 3 mei 2022 getiteld “Naar een duurzame blauwe economie in de EU: de rol van de visserij- en de aquacultuursector” (7),

gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten (8) en zijn resolutie van 12 september 2017 over de walvisvangst in Noorwegen (9),

gezien het project van de Commissie in het kader van het programma Horizon Europa getiteld “Mission Starfish 2030: Restore our Ocean and Waters” (Missie Zeester 2030: Herstel van onze oceanen en wateren),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2007 getiteld “Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie” (COM(2007)0575),

gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de leden van de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (OACPS), die het resultaat is van de onderhandelingen over een opvolger van de Cotonou-overeenkomst,

gezien de ratificatie en inwerkingtreding van het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, aangenomen in 2010, tot wijziging van een eerder in 1996 aangenomen instrument,

gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN getiteld “Transforming our World: the 2030 Agenda for Sustainable Development” (Onze wereld transformeren: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling), die aangenomen werd tijdens de VN-top over duurzame ontwikkeling van 25 september 2015 in New York en met name duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) nr. 14 van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, die aanspoort tot bescherming van zeeën en oceanen en duurzaam gebruik van mariene hulpbronnen,

gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), de Overeenkomst van Parijs van 2015, die op 4 november 2016 in werking is getreden,

gezien het klimaatpact van Glasgow van het UNFCCC dat op 13 november 2021 is aangenomen,

gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit, dat op 29 december 1993 in werking is getreden,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), dat ondertekend is op 10 december 1982 in Montego Bay, Jamaica, en in werking getreden is op 16 november 1994,

gezien het mandaat van de krachtens het Unclos opgerichte Internationale Zeebodemautoriteit en de Overeenkomst van 1994 betreffende de uitvoering van Deel XI van het Unclos,

gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) van 24 september 2019 getiteld “Special Report on the Ocean and Cryosphere in a changing Climate”,

gezien het Decennium van oceaanwetenschap voor duurzame ontwikkeling (2021-2030), zoals afgekondigd door de VN,

gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten van mei 2019,

gezien de “One Ocean”-top die van 9 tot en met 11 februari 2022 in Brest, Frankrijk heeft plaatsgevonden,

gezien de resolutie van de Milieuvergadering van de VN van 2 maart 2022 in Nairobi, getiteld “End plastic pollution: towards an international legally binding instrument”,

gezien dat de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 24 december 2017 over een internationaal, juridisch bindend instrument uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee met betrekking tot de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale jurisdicties vallen,

gezien de VN-conferentie op hoog niveau ter ondersteuning van de uitvoering van SDG 14 (VN-Oceaanconferentie), gehouden in Lissabon van 27 juni tot en met 1 juli 2022, en de daaropvolgende aanneming van de Verklaring van Lissabon,

gezien de zevende conferentie op hoog niveau “Our Ocean”, die door de Republiek Palau en de Verenigde Staten gezamenlijk was georganiseerd op 13 en 14 april 2022,

gezien de VN-biodiversiteitsconferentie COP15, die van 5 tot 17 december 2022 in Montreal, Canada plaatsvindt,

gezien de overeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over de beëindiging van schadelijke visserijsubsidies, die op 17 juni 2022 tijdens de 12e Ministeriële Conferentie van de WTO is gesloten,

gezien de Verklaring van Bizerte die in september 2022 op het World Sea Forum is aangenomen,

gezien Speciaal verslag nr. 20/2022 van de Europese Rekenkamer van 26 september 2022 getiteld “EU-maatregelen ter bestrijding van illegale visserij — Controlesystemen aanwezig, maar verzwakt door uiteenlopende controles en sancties door de lidstaten”,

gezien de mededeling van de Commissie van 19 november 2020 getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” (COM(2020)0741),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2022 over een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie (10),

gezien Speciaal verslag nr. 26/2020 van de Rekenkamer van 26 november 2020 getiteld “Het mariene milieu: de EU biedt brede, maar geen diepgaande bescherming”,

gezien zijn resolutie van 8 juli 2021 over de vaststelling van Antarctische beschermde mariene gebieden (MPA’s) en het behoud van de biodiversiteit in de Zuidelijke Oceaan (11),

gezien zijn resolutie van 7 juli 2021 over de gevolgen voor de visserijsector van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare energie (12),

gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Europees Parlement een noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu heeft afgekondigd en zich ertoe heeft verbonden de concrete maatregelen te nemen die nodig zijn om deze bedreiging te bestrijden en beperken voor het te laat is; overwegende dat verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering met elkaar samenhangen en elkaar onderling versterken, even grote bedreigingen voor ons leven en onze planeet vormen en als zodanig zo snel mogelijk gezamenlijk moeten worden aangepakt;

B.

overwegende dat de natuur wordt aangetast op een tempo en schaal die we in de menselijke geschiedenis niet eerder hebben gezien; overwegende dat wereldwijd naar schatting één miljoen soorten met uitsterven bedreigd worden; overwegende dat slechts 23 % van de soorten en 16 % van de habitats die onder de Natura-richtlijnen van de EU vallen een gunstige status van instandhouding heeft;

C.

overwegende dat de oceaan 71 % van het aardoppervlak beslaat, de helft van onze zuurstof produceert, een derde van de CO2-emissies en 90 % van de overtollige warmte in het klimaatsysteem absorbeert (13), en een unieke en vitale rol speelt als klimaatregulator in de context van de klimaatcrisis;

D.

overwegende dat de wereld een klimaat- en milieucrisis doormaakt, die mondiale antwoorden vereist waarbij gemeenschappelijke uitdagingen, synergieën en samenwerkingsgebieden worden vastgesteld;

E.

overwegende dat wordt aangenomen dat de diepzee de grootste biodiversiteit op aarde heeft, met ongeveer 250 000 bekende soorten en nog veel meer nog te ontdekken soorten, en ten minste twee derde van de mariene soorten ter wereld nog niet is geïdentificeerd (14);

F.

overwegende dat de EU en haar lidstaten het grootste maritieme gebied ter wereld vormen, rekening houdend met de maritieme gebieden van de landen en gebieden overzee;

G.

overwegende dat de oceanen ook bijdragen aan de voedselzekerheid en gezondheid door meer dan 3 miljard mensen een primaire bron van eiwitten te bieden, in hernieuwbare energie en minerale hulpbronnen voorzien, werkgelegenheid in kustgemeenschappen creëren, als transportroutes voor onze goederen fungeren en onze internetcommunicatie vergemakkelijken;

H.

overwegende dat de oceanen momenteel zwaar belast worden door menselijke activiteiten, waaronder overbevissing en schadelijke visserijtechnieken zoals bodemberoerende visserijactiviteiten, vervuiling, industriële winningsactiviteiten en de klimaatcrisis, wat leidt tot onomkeerbare schade zoals opwarming van de oceanen, stijgende zeespiegels, verzuring, zuurstofverlies, kusterosie, zeeverontreiniging, overexploitatie van mariene biodiversiteit, verlies en aantasting van habitats en vermindering van biomassa, hetgeen ook gevolgen heeft voor de gezondheid en veiligheid van mens- en dierpopulaties en andere organismen;

I.

overwegende dat volgens het Intergouvernementeel Platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten en de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering de mariene biodiversiteit ernstig in gevaar is; overwegende dat het Europees Milieuagentschap heeft gewaarschuwd voor de slechte staat waarin het Europese mariene milieu verkeert en erop aandringt onze mariene ecosystemen snel te herstellen en daarbij met name te kijken naar de gevolgen van menselijke activiteiten voor het mariene milieu; overwegende dat mariene hotspots als koraalriffen, mangroven en zeegrasvelden ernstig zijn aangetast en worden bedreigd door klimaatverandering en verontreiniging;

J.

overwegende dat het niet verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs enorme milieueffecten en economische kosten met zich mee zou brengen, waaronder een grotere kans op het bereiken van de omslagpunten waarop temperatuurniveaus het vermogen van de natuur om koolstof in de oceanen te absorberen, beginnen te beperken;

K.

overwegende dat walvissen de productiviteit van ecosystemen verhogen en een belangrijke rol spelen bij het afvangen van koolstof uit de atmosfeer; overwegende dat elke grote walvis tijdens zijn leven gemiddeld 33 ton CO2 opslaat; overwegende dat volgens berekeningen van het Internationaal Monetair Fonds, indien walvissen zouden mogen terugkeren naar hun aantallen van vóór de walvisvangst, de hoeveelheid klimaatpositief fytoplankton aanzienlijk zou toenemen, wat zou leiden tot extra afvang van honderden miljoenen ton CO2 per jaar, wat overeenkomt met de plotselinge aanwezigheid van 2 miljard bomen (15); overwegende dat de bescherming van walvissen een prioriteit moet zijn van de internationale oceaangovernance;

L.

overwegende dat de oceanen op internationaal niveau als mondiale gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen moeten worden erkend en moeten worden beschermd in het licht van hun unieke karakter, hun verwevenheid en de essentiële ecosysteemdiensten die zij leveren, waarvan de huidige en toekomstige generaties afhankelijk zijn voor hun overleven en welzijn;

M.

overwegende dat de ultraperifere gebieden en eilanden van de EU dankzij hun geografische kenmerken en specifieke eigenschappen de EU helpen om te profiteren van de geostrategische, ecologische, economische en culturele dimensie van de oceanen en haar verantwoordelijkheden geven; overwegende dat de ultraperifere gebieden en eilanden in vergelijking met de rest van de EU en de overige ontwikkelde wereld tot de gebieden behoren die het zwaarst worden getroffen door klimaatverandering, met name met het oog op duurzame ontwikkeling;

N.

overwegende dat het Europees Milieuagentschap oceaangovernance heeft gedefinieerd als “het beheren en gebruiken van de oceanen en hun hulpbronnen op een manier die ze gezond, productief, veilig, beveiligd en veerkrachtig houdt” (16);

O.

overwegende dat de blauwe economie van de EU voorziet in 4,5 miljoen rechtstreekse banen en alle industrieën en sectoren omvat die verband houden met de oceanen, zeeën en kusten, zoals de scheepvaart, passagiersvervoer over zee, visserij en energieopwekking, alsook havens, scheepswerven, kusttoerisme en aquacultuur aan land; overwegende dat oceaangerelateerde economische kwesties een belangrijk onderdeel vormen van het Europese Green Deal-pakket en het herstelplan, en overwegende dat de ontwikkeling van een duurzame blauwe economie, met betrekking tot mariene ecosystemen, de economische ontwikkeling en het scheppen van banen sterk kan stimuleren, met name in kustregio’s, op eilanden en in de ultraperifere gebieden (17);

P.

overwegende dat tijdens de “One Ocean”-top in Brest in februari 2022, Frankrijk en Colombia een wereldwijde coalitie voor blauwe koolstof tot stand hebben gebracht en dat ook de coalitie met een hoge ambitie ter ondersteuning van het Biodiversiteitsverdrag in gebieden buiten de nationale jurisdicties (BBNJ) van start is gegaan;

1.   

verzoekt de EU een voortrekkersrol te spelen bij de bescherming van de oceanen, het herstel van mariene ecosystemen en het vergroten van het bewustzijn over de essentiële rol die de oceanen spelen bij het behoud van een leefbare planeet voor mens en dier en de talrijke voordelen die de oceanen voor onze samenlevingen opleveren; acht het in dit verband belangrijk onze relatie met de oceanen te verbeteren; moedigt de Commissie aan een betere integratie van kwesties op het gebied van instandhouding van de oceanen in andere beleidsterreinen te bevorderen, onder meer tijdens komende conferenties over klimaat en biodiversiteit, met name COP15 en COP27;

2.   

spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat het Verdrag inzake de volle zee uiteindelijk niet is aangenomen tijdens de vijfde intergouvernementele conferentie, maar erkent dat er vooruitgang is geboekt; acht het absoluut noodzakelijk de bescherming van de biodiversiteit buiten de nationale jurisdicties te waarborgen, om het mariene leven te beschermen, in stand te houden en te herstellen en onze gedeelde hulpbronnen van oceanen eerlijk en duurzaam te gebruiken; verzoekt de Commissie en de lidstaten, gezien de urgentie, de onderhandelingen over het Verdrag inzake de volle zee onverwijld te hervatten om een ambitieuze aanpak te hanteren voor de onderhandelingen over een BBNJ-verdrag dat een ambitieus, doeltreffend en toekomstbestendig internationaal kader waarborgt dat essentieel is voor de verwezenlijking van de doelstelling om ten minste 30 % van de oceanen en zeeën wereldwijd in stand te houden;

3.   

benadrukt dat de conferentie van de partijen bij het verdrag volledige bevoegdheden moet hebben om doeltreffende beheersplannen en -maatregelen voor de beschermde mariene gebieden vast te stellen, en is stellig van mening dat elke vorm van opt-outmechanismen de inspanningen op het gebied van de bescherming van het mariene milieu zou ondermijnen; onderstreept voorts dat het verdrag ook een eerlijk en billijk mechanisme moet omvatten voor de toegang tot en het delen van de voordelen van mariene genetische hulpbronnen, en moet voorzien in toereikende financiering ter ondersteuning van de kerntaken van het verdrag, alsook in financiële, wetenschappelijke en technische ondersteuning voor staten die dat nodig hebben, door middel van capaciteitsopbouw en overdracht van mariene technologie; verzoekt de Commissie en de lidstaten te pleiten voor de opname in de preambule van toekomstige verklaringen en internationale verdragen, met name met betrekking tot BBNJ, van de notie dat de oceanen mondiale gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen vormen;

4.   

onderstreept dat de komende conferenties over klimaat (COP27) en biodiversiteit (COP15) van cruciaal belang zullen zijn om ervoor te zorgen dat de oceanen centraal staan in de strijd tegen klimaatverandering en dat de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het Verdrag inzake biologische diversiteit volledig worden verwezenlijkt; erkent dat de goede gezondheid van onze oceanen en zeeën van cruciaal belang is voor het behoud van hun rol bij het beperken van de klimaatverandering en om te blijven voldoen aan de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; herhaalt zijn oproep aan de EU om tijdens de COP15 aan te dringen op een ambitieus mondiaal biodiversiteitskader voor de periode na 2020, met doelstellingen om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en om te buigen, onder meer door middel van juridisch bindende mondiale streefcijfers voor herstel en bescherming van ten minste 30 % tegen 2030;

Verbetering van de Europese en internationale oceaangovernance

5.

is van mening dat de bestrijding van de aantasting van de oceanen een aanzienlijke gezamenlijke inspanning vergt; dringt aan op mondiale, systemische, geïntegreerde en ambitieuze governance;

6.

verzoekt de Commissie en de lidstaten nogmaals een internationaal moratorium op diepzeemijnbouw te ondersteunen (18);

7.

benadrukt dat het belangrijk is om in het Europees beleid de balans op te maken van de verbanden tussen land en zee, met inbegrip van stikstof- en fosforlekkage als gevolg van intensieve landbouw en verontreiniging door kunststoffen; onderstreept bovendien hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de “één gezondheid”-benadering wordt geïntegreerd, waarbij het verband tussen gezondheid van mens, dier en milieu wordt erkend;

8.

spreekt opnieuw zijn bezorgdheid uit dat de sectorale steun die wordt verleend door de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij vaak niet rechtstreeks ten goede komt aan de lokale visserij en kustgemeenschappen in derde landen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om ervoor te zorgen dat dergelijke overeenkomsten in overeenstemming zijn met de SDG’s, de milieuverplichtingen van de EU en de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU; dringt er bij de EU op aan de transparantie, de gegevensverzameling (met name over vangsten, de registratie van vaartuigen en arbeidsomstandigheden) en de rapportageverplichtingen in het kader van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij, op te voeren en een gecentraliseerde sociaal-economische databank op te zetten voor alle EU-vaartuigen, ongeacht waar zij actief zijn;

9.

beklemtoont dat arbeids- en mensenrechten op zee elementen zijn die in de wereldwijde oceaangovernance moeten worden geïntegreerd; vraagt de Commissie gerichte inspanningen te doen om normen inzake fatsoenlijke werkomstandigheden in de internationale visserij-industrie te bevorderen en aldus het verband te erkennen tussen arbeids- en mensenrechtenschendingen enerzijds en niet duurzame en destructieve visvangstpraktijken, en met name illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij, anderzijds;

10.

verzoekt de Raad en zijn roulerende voorzitterschappen een strategische langetermijnvisie voor maritieme kwesties te ontwikkelen en uit te voeren om van de EU een wereldleider te maken op het gebied van de duurzame ontwikkeling van onze oceanen, en met name op het gebied van de bescherming van de oceanen en hun ecosystemen, teneinde de huidige milieu- en klimaatcrises aan te pakken;

11.

wijst nogmaals op het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, waartoe de EU en haar lidstaten zich hebben verbonden en dat tot doel heeft tegenstrijdigheden tot een minimum te beperken en synergieën tussen de verschillende beleidsterreinen van de EU tot stand te brengen; wijst in dit verband op de sleutelrol van het ontwikkelingsbeleid van de EU, dat partnerlanden moet helpen de bovengenoemde gemeenschappelijke doelstellingen voor de oceanen en de mensheid te verwezenlijken;

12.

benadrukt het belang van de bescherming van walvispopulaties, zowel vanuit het oogpunt van biodiversiteit als van klimaat; spreekt zijn krachtige steun uit voor de handhaving van het wereldwijde moratorium op de commerciële walvisvangst en een verbod op de internationale handel in walvisproducten; verzoekt Japan, Noorwegen en IJsland hun walvisvangstactiviteiten stop te zetten; verzoekt de EU de levensbedreigende gevaren waarmee walvissen en andere walvisachtigen worden geconfronteerd aan te pakken, zoals aanvaringen, verstrikking in visnetten, kunststofafval in water en geluidshinder;

Zorgen voor instandhouding in het licht van klimaat- en milieucrises

13.

spreekt nogmaals zijn krachtige steun uit aan de EU-doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie om ten minste 30 % van de mariene gebieden van de EU te beschermen en ten minste 10 % van de mariene gebieden van de EU strikt te beschermen; verwacht dat de nieuwe EU-wet inzake natuurherstel zal zorgen voor het herstel van aangetaste mariene ecosystemen, aangezien gezonde mariene ecosystemen de biodiversiteit kunnen beschermen en herstellen en de klimaatverandering kunnen temperen, en meerdere ecosysteemdiensten leveren; herhaalt zijn verzoek om een hersteldoelstelling van ten minste 30 % van het land en de zeeën van de EU, die verder gaat dan eenvoudige bescherming;

14.

spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de oprichting van twee nieuwe beschermde mariene gebieden met een oppervlakte van meer dan 3 miljoen km2 in het oostelijke deel van Antarctica en in de Weddellzee (19); vraagt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen aanzienlijk op te voeren om dit te verwezenlijken;

15.

steunt het verzoek van de EU om de status van waarnemer in de Arctische Raad; dringt aan op een betere bescherming van het Noordpoolgebied, met inbegrip van een verbod op olie-exploratie en, zo spoedig mogelijk, op gasexploratie;

16.

verzoekt de EU alle industriële activiteiten die het milieu schaden, zoals mijnbouw en winning van fossiele brandstoffen, te verbieden in beschermde mariene gebieden; verzoekt de EU opnieuw om wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s op te zetten en te financieren om koolstofrijke mariene habitats in de EU-wateren in kaart te brengen als basis voor het aanwijzen van gebieden als strikt beschermde MPA’s, teneinde mariene koolstofputten te beschermen en te herstellen overeenkomstig het UNFCCC, en ecosystemen, met name die op de zeebodem, te beschermen en te herstellen, overeenkomstig de kaderrichtlijn mariene strategie, en ze te beschermen tegen menselijke activiteiten die kunnen leiden tot verstoring van en afgifte van koolstof in de waterkolom, zoals bodemberoerende visserijactiviteiten;

17.

herhaalt dat visserij- en aquacultuur wereldwijd uit ecologisch oogpunt duurzaam moeten zijn en moeten worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, en bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. benadrukt dat het verzamelen van wetenschappelijke en sociaal-economische gegevens van fundamenteel belang is voor een duurzaam visserijbeheer; betreurt het dat de recente Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1614 van de Commissie van 15 september 2022 is vastgesteld met onvoldoende gegevens en raadpleging van belanghebbenden; dringt er bij de Commissie op aan haar besluit te herzien in het licht van het komende advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee, dat in november 2022 zal worden gepubliceerd en zodra een sociaal-economische effectbeoordeling beschikbaar is;

18.

benadrukt dat het van cruciaal belang is de integratie van de blauwe koolstofecosystemen aan de kust (mangroven, kwelders en zeegrasvelden) in de Europese Green Deal te stroomlijnen en moedigt de Commissie aan verder te werken aan de identificatie van robuuste, transparante en wetenschappelijk onderbouwde methoden voor een correcte boekhouding van koolstofonttrekkingen en -emissies van die ecosystemen op een wijze die geen afbreuk doet aan andere biodiversiteitsdoelstellingen;

19.

benadrukt dat de ultraperifere gebieden en eilanden van essentieel belang zijn om de uitdagingen in verband met de oceanen aan te pakken en verzoekt de EU hun rol te versterken bij het vinden van oplossingen voor aanpassing aan de klimaatverandering, de bescherming van de mariene biodiversiteit en de transitie naar een duurzame blauwe economie, onder meer door op ecosystemen gebaseerde oplossingen te bevorderen; verzoekt de EU de ultraperifere gebieden beter te betrekken bij oceaanstrategieën, onder meer in het kader van het geïntegreerd maritiem beleid;

20.

herinnert aan het belang en de urgentie van het verminderen en vermijden van zwerfvuil op zee, aangezien kunststofafval goed is voor 80 % van alle mariene verontreiniging, en kunststoffen in de oceanen naar schatting 75-199 miljoen ton bedragen en deze hoeveelheid volgens het Milieuprogramma van de VN tegen 2040 zonder een zinvolle aanpak kan verdrievoudigen (20); is ingenomen met de lopende onderhandelingen over een mondiaal verdrag inzake verontreiniging door kunststoffen en verzoekt de VN-lidstaten uiterlijk in 2024 tot een ambitieus en doeltreffend akkoord te komen; onderstreept de noodzaak om verontreiniging door kunststoffen aan te pakken door afval aan de bron te verminderen, het gebruik en verbruik van kunststoffen als prioriteit terug te dringen en de circulariteit te vergroten; spreekt voorts zijn steun uit voor opruimacties; wijst op de kunststoffeneconomie en de exponentiële toename van de productie in de afgelopen decennia; dringt aan op een systematische aanpak om milieuverontreiniging door kunststoffen, met inbegrip van microplastics, op passende wijze aan te pakken; dringt aan op internationale maatregelen om een einde te maken aan nucleair en militair afval in de oceanen en op praktische oplossingen om de bestaande milieu- en gezondheidseffecten ervan te beperken;

21.

is ingenomen met de onlangs gesloten WTO-overeenkomst inzake visserijsubsidies, die alle partijen snel moeten ratificeren, maar betreurt het dat er geen akkoord is bereikt om subsidies die de overbevissing en de overcapaciteit van de vloot doen toenemen, te beperken; verzoekt de Commissie onverwijld tot een akkoord binnen de WTO te komen; onderstreept dat visserij op duurzame wijze moet plaatsvinden, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt en dat aantasting van het milieu moet worden voorkomen, hetgeen een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid is; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen tegen overcapaciteit en overbevissing, met inbegrip van een verbod op subsidies die bijdragen tot overcapaciteit en overbevissing;

22.

benadrukt dat IOO-visserijactiviteiten een aanzienlijke bedreiging vormen voor duurzame visserij en voor de weerbaarheid van mariene ecosystemen; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om een nultolerantiebenadering ten aanzien van IOO-visserij te volgen, maar neemt met bezorgdheid kennis van de conclusie in Speciaal verslag nr. 20/2022 van de Rekenkamer dat de doeltreffendheid van de bestaande controlesystemen ter bestrijding van illegale visserij wordt verminderd door de uiteenlopende toepassing van controles en sancties door de lidstaten; verzoekt de lidstaten de tenuitvoerlegging van de IOO-verordening (21) van de EU te verbeteren, gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer en te zorgen voor afschrikwekkende sancties tegen illegale visserij;

23.

is bovendien bezorgd over gevallen van IOO-visserij buiten de EU-wateren; dringt aan op een sterk wereldwijd systeem van afschrikwekkende sancties en een veelzijdige aanpak ter bestrijding van IOO-visserij; wijst erop dat het gebruik van goedkope vlaggen en omvlagging aan banden moeten worden gelegd en dat overladingen op zee moeten worden aangepakt; verzoekt de Commissie transparantie over de uiteindelijke begunstigden van bedrijfsstructuren doeltreffend te bevorderen en verzoekt de EU meer in het algemeen de capaciteitsopbouw op het gebied van corruptiebestrijding te versterken door de samenwerking tussen nationale agentschappen te bevorderen, de internationale samenwerking te intensiveren, het toezicht op visserijactoren in ontwikkelingslanden te verbeteren met steun van de EU, en regionale monitoring-, controle- en toezichtscentra en taskforces te ondersteunen;

Bevordering van een duurzame blauwe economie

24.

erkent dat de goede gezondheid van onze oceanen essentieel is voor de duurzaamheid op lange termijn van vele activiteiten, van visserij tot toerisme en onderzoek tot scheepvaart; is ingenomen met het potentieel van een volledig duurzame blauwe economie voor duurzame ontwikkeling en het scheppen van banen en benadrukt dat het van essentieel belang is deze sectoren te ondersteunen om duurzamer te worden en zich aan te passen aan de nieuwe normen van de Europese Green Deal;

25.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de richtlijn maritieme ruimtelijke ordening volledig ten uitvoer te leggen, rekening houdend met alle maritieme economische activiteiten, met inbegrip van visserij, offshore-energie-installaties, zeevervoersroutes, verkeersscheidingsregelingen, havenontwikkeling, toerisme en aquacultuur, door middel van een geïntegreerde en ecosysteemgerichte aanpak die de bescherming van mariene ecosystemen waarborgt; herhaalt dat verdere inspanningen nodig zijn voor een coherente tenuitvoerlegging van de richtlijn, waarbij de lidstaten worden opgeroepen om bij hun planning een “ecosysteemgerichte benadering” toe te passen, teneinde het goede voorbeeld te geven voor de wereldwijde invoering van maritieme ruimtelijke ordening;

26.

herinnert eraan dat het koolstofvrij maken van het zeevervoer naast CO2 en NO2 ook methaanemissies moet omvatten, aangezien methaan over een periode van 20 jaar meer dan 80 keer krachtiger is dan CO2, waardoor dat het op een na belangrijkste broeikasgas is dat bijdraagt aan ongeveer een kwart van de huidige opwarming van de aarde;

27.

wijst erop dat zwarte koolstof zowel een luchtverontreinigende stof als een kortlevende klimaatopwarmer is die samen met stofdeeltjes tijdens de verbranding wordt gevormd, een aanzienlijk opwarmingseffect heeft en de op een na grootste bijdrage levert aan de opwarming van de aarde door schepen; benadrukt dat het belangrijk is het Noordpoolgebied te beschermen, met name tegen emissies door de scheepvaart en stofdeeltjes, en herinnert eraan dat de EU zich er in een gezamenlijke mededeling van 13 oktober 2021 toe heeft verbonden “het voortouw [te] nemen bij het streven naar een emissievrije scheepvaart in de Noordelijke IJszee waarbij de verontreiniging tot nul wordt teruggebracht, in overeenstemming met de doelstellingen van de Green Deal van de EU en het “Klaar voor 55”-pakket” (22); verzoekt de EU internationaal aan te dringen op en te werken aan de vaststelling van concrete maatregelen met het oog op emissievrije scheepvaart in de Noordelijke IJszee waarbij de verontreiniging tot nul is teruggebracht;

28.

uit zijn bezorgdheid over het onderwatergeluid dat wordt veroorzaakt door maritiem vervoer, heiwerkzaamheden en andere mariene activiteiten, alsook over aanvaringen van walvisachtigen met schepen, die negatieve gevolgen hebben voor mariene ecosystemen en het welzijn van mariene soorten; verzoekt de Commissie maatregelen in kaart te brengen en voor te stellen om deze problemen aan te pakken;

29.

benadrukt dat de oceanen kwetsbaar zijn voor offshoreboringen naar fossiele brandstoffen; benadrukt dat het gebruik van fossiele brandstoffen de klimaatverandering verder zal bevorderen en versnellen; is van mening dat de EU met internationale partners moet samenwerken om te komen tot een rechtvaardige transitie, weg van offshoreboringen van fossiele brandstoffen;

30.

herhaalt zijn standpunten over de verordening inzake monitoring, rapportage en verificatie (MRV) (23) en de richtlijn inzake het emissiehandelssysteem (24) ten faveure van de oprichting van een oceaanfonds om de energie-efficiëntie van schepen te verbeteren en investeringen te ondersteunen die erop gericht zijn een bijdrage te leveren aan het koolstofvrij maken van het maritiem vervoer, zoals windaandrijving, waaronder in de kustvaart en in havens;

31.

benadrukt dat projecten voor duurzame hernieuwbare offshore-energie snel moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met de gevolgen ervan voor ecosystemen, met inbegrip van trekkende vogelsoorten, en de ecologische, sociale en economische gevolgen; benadrukt dat Europa gebaat zou zijn met de totstandbrenging van een sterke binnenlandse markt voor hernieuwbare offshore-energie, zodat Europa zijn technologische leiderschap op dit gebied verder kan uitbreiden en zo nieuwe mondiale exportmogelijkheden voor de Europese industrie kan creëren;

32.

benadrukt dat de EU het goede voorbeeld moet geven door ambitieuze wettelijke voorschriften vast te stellen voor het koolstofvrij en duurzamer maken van het zeevervoer, en tegelijkertijd maatregelen te ondersteunen en aan te moedigen die op zijn minst in ambitie vergelijkbaar zijn met die van internationale fora zoals de Internationale Maritieme Organisatie, waardoor de zeevervoersector wereldwijd en in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs zijn broeikasgasemissies kan uitfaseren; benadrukt dat, indien de Internationale Maritieme Organisatie dergelijke maatregelen moet vaststellen, de Commissie de ambitie en de algehele milieu-integriteit ervan moet onderzoeken, met inbegrip van de algemene ambitie met betrekking tot de doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de emissiereductiedoelstelling van de EU voor de hele economie voor 2030 en de verwezenlijking van klimaatneutraliteit tegen uiterlijk 2050; is van mening dat de Commissie, indien dit nodig wordt geacht, het Parlement en de Raad vervolgvoorstellen moet doen om de milieu-integriteit en doeltreffendheid van de klimaatactie van de EU in stand te houden en de soevereiniteit van de EU te erkennen om haar aandeel in de emissies van internationale scheepvaartreizen te reguleren in overeenstemming met de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs;

33.

is ingenomen met de rol van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s); dringt er bij de Commissie op aan om er in het kader van de onderhandelingen over een verdrag inzake ROVB’s voor te zorgen dat de goedgekeurde beheers- en instandhoudingsmaatregelen in overeenstemming zijn met de ambities van, of ambitieuzer zijn dan die van het gemeenschappelijk visserijbeleid, door geharmoniseerde regels toe te kennen aan de EU-vloot, ongeacht het geografische gebied waarin zij actief zijn, en een gelijk speelveld te creëren voor alle vloten die in het kader van deze internationale verdragen actief zijn; verzoekt de Commissie de oprichting van nieuwe ROVB’s aan te moedigen en ambitieuze mandaten voor te stellen om de bescherming van de vispopulaties en het duurzame beheer van de visbestanden te verbeteren, de teruggooi te verminderen en de beschikbare gegevens, de naleving en de transparantie van de besluitvorming te verbeteren; pleit voor een ruimer gebruik van totaal toegestane vangsten en quotamechanismen, met name bij de onderhandelingen over een verdrag inzake ROVB’s en in partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij, teneinde een doeltreffende wereldwijde instandhouding van de visbestanden te waarborgen;

34.

benadrukt dat ten volle rekening moet worden gehouden met de sociale noden in verband met de transitie naar een duurzame blauwe economie; verzoekt de Commissie en de lidstaten de om- en bijscholing van de bestaande beroepsbevolking te ondersteunen en nieuwe mensen aan te trekken met de vaardigheden die nodig zijn voor duurzame economische praktijken;

35.

verzoekt de Commissie bestaande sociaal-economische analyses uit te voeren van en voort te bouwen op de uitdagingen waarmee visserijgemeenschappen in de EU worden geconfronteerd, teneinde passende steunmaatregelen en diversificatie vast te stellen om een eerlijke en rechtvaardige transitie te waarborgen;

Bewustmaking, bevordering van onderzoek en kennis

36.

benadrukt dat onderzoek en innovatie op het gebied van mariene klimaataanpassing en hernieuwbare mariene energie moeten worden ondersteund om van de EU een voorvechter van groene schepen, vissersvaartuigen en havens te maken; meent dat er ook financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor diepzee-ecosystemen en -biodiversiteit; dringt aan op krachtige maatregelen om verontreiniging door schepen en illegale afvallozingen aan te pakken; verzoekt de EU een leidende rol te spelen bij de totstandbrenging van groene corridors en verbindingen tussen groene havens wereldwijd om de groene transitie in de maritieme sector te versterken en op te schalen; dringt aan op krachtige maatregelen om verontreiniging door schepen en illegale afvallozingen aan te pakken;

37.

is van mening dat de ontwikkeling en productie van duurzame scheepsbrandstoffen de komende jaren exponentieel moeten worden opgevoerd en dat de EU en haar lidstaten moeten investeren in het onderzoek naar en de productie van duurzame scheepsbrandstoffen, aangezien deze zowel een ecologische als een industriële kans bieden; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om een EU-onderzoekscentrum voor duurzame mariene brandstoffen en technologieën op te richten dat zou bijdragen tot de coördinatie van de inspanningen van belanghebbenden die betrokken zijn bij de ontwikkeling van duurzame mariene brandstoffen;

38.

spreekt zijn steun uit voor het Decennium van Oceaanwetenschappen voor Duurzame Ontwikkeling en de “Missie Zeester 2030: Herstel van onze oceanen en wateren” van de Commissie, die tot doel heeft de verzameling van kennis en gegevens en de regeneratie van de oceanen te versnellen en de cyclische visie op het herstel van de oceanen, zeeën en rivieren te bevorderen door middel van concrete en regionale proefprojecten;

39.

erkent dat wetenschappelijke gemeenschappen moeten worden betrokken bij de coördinatie van de inspanningen voor een duurzame mariene toekomst die nieuwe manieren voor het produceren en delen van kennis vergemakkelijkt; verzoekt de EU daarom te pleiten voor de oprichting van een internationaal panel voor duurzaamheid van oceanen op basis van het model van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, om de basis te leggen voor oceaangovernance en -beheer in de toekomst;

40.

steunt de inspanningen van de intergouvernementele coalitie van hoge ambitie voor natuur en mens onder leiding van Costa Rica, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk; is ingenomen met het lidmaatschap van de Commissie van deze coalitie; herinnert aan de toezegging van de EU om de instandhouding en het duurzame gebruik van oceanen en mariene hulpbronnen te verwezenlijken, zoals vastgesteld in SDG 14 van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN;

o

o o

41.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.

(2)  PB C 458 van 19.12.2018, blz. 9.

(3)  PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.

(4)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(5)  PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.

(6)  PB C 494 van 8.12.2021, blz. 14.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0135.

(8)  PB C 101 van 16.3.2018, blz. 123.

(9)  PB C 337 van 20.9.2018, blz. 30.

(10)  PB C 342 van 6.9.2022, blz. 66.

(11)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 214.

(12)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 88.

(13)  UN Climate Action, “The ocean — the world’s greatest ally against climate change”.

(14)  “Marine Biodiversity and Ecosystems Underpin a Healthy Planet and Social Well-Being”, UN Chronicle, Nos 1 & 2, Volume LIV — Our Ocean, Our World, mei 2017.

(15)  International Monetary Fund, “A strategy to protect whales can limit greenhouse gases and global warming”, december 2019.

(16)  European Environment Agency, “Ocean governance”, 5 mei 2022.

(17)  Zoals bevestigd in de resolutie van het Parlement van 3 mei 2022 getiteld “Naar een duurzame blauwe economie in de EU: de rol van de visserij- en de aquacultuursector”.

(18)  Zie het verslag van de Commissie getiteld “EU Blue Economy Report 2022”, 3 mei 2022.

(19)  Zoals vermeld in zijn resolutie van 8 juli 2021 over de vaststelling van Antarctische beschermde mariene gebieden (MPA’s) en het behoud van de biodiversiteit in de Zuidelijke Oceaan.

(20)  Zie de coördinerende instantie van het Milieuprogramma van de VN voor de zeeën van Oost-Azië (COBSEA), “Marine Litter and Plastic Pollution”, en de samenvatting van het Milieuprogramma van de VN, “From pollution to solution: a global assessment of marine litter and plastic pollution”, 2021.

(21)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(22)  Gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 13 oktober 2021 getiteld “Een sterker engagement van de EU voor een vreedzaam, duurzaam en welvarend noordpoolgebied”, blz. 9 (JOIN(2021)0027).

(23)  Standpunt van 16 september 2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2015/757 om op gepaste wijze rekening te houden met het wereldwijde systeem voor de verzameling van gegevens inzake stookolieverbruik door schepen (PB C 385 van 22.9.2021, blz. 217).

(24)  PB L 76 van 19.3.2018, blz. 3.


AANBEVELINGEN

Europees Parlement

Woensdag, 5 oktober 2022

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/115


P9_TA(2022)0345

De strategische betrekkingen en het partnerschap van de EU met de Hoorn van Afrika

Aanbeveling van het Europees Parlement van 5 oktober 2022 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de strategische betrekkingen en het partnerschap van de EU met de Hoorn van Afrika (2021/2206(INI))

(2023/C 132/16)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van de Raad van 10 mei 2021, getiteld “De Hoorn van Afrika: een geostrategische prioriteit voor de EU”, en met name paragraaf 28 betreffende de toegang tot en de eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten,

gezien de definitieve gezamenlijke verklaring van 18 februari 2022 van de zesde top tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie, getiteld “Een gezamenlijke visie voor 2030”,

gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2018 betreffende de Hoorn van Afrika en de Rode Zee,

gezien zijn resolutie van 16 september 2020 over de samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van veiligheid in de Sahelregio, West-Afrika en de Hoorn van Afrika (1),

gezien het strategisch kompas inzake veiligheid en defensie dat op 21 maart 2022 werd goedgekeurd,

gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over een nieuwe strategie EU-Afrika — een partnerschap voor duurzame en inclusieve ontwikkeling (2),

gezien zijn resolutie van 25 november 2021 over de situatie in Somalië (3),

gezien zijn resolutie van 16 september 2021 over de situatie in het vluchtelingenkamp Kakuma in Kenia (4),

gezien zijn resolutie van 20 januari 2022 over de politieke crisis in Sudan (5),

gezien zijn resolutie van 26 november 2020 over de situatie in Ethiopië (6),

gezien zijn resolutie van 7 oktober 2021 over de humanitaire situatie in Tigray (7),

gezien zijn resolutie van 11 februari 2021 over de politieke situatie in Uganda (8),

gezien zijn resolutie van 24 oktober 2019 over de situatie van lhbti-personen in Uganda (9),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020 over Eritrea, en met name de zaak van Dawit Isaak (10),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2016 over de situatie in Eritrea (11),

gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over Zuid-Sudan (12),

gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over Djibouti (13),

gezien resoluties 1325, 1820, 1888, 1889, 1960, 2106, 2122, 2242, 2467 en 2493 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

gezien resoluties 2250, 2419 en 2535 van de VN-Veiligheidsraad over jongeren, vrede en veiligheid,

gezien de resoluties van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken van mei 2014 over de bescherming van personen tegen geweld en andere mensenrechtenschendingen op basis van hun daadwerkelijke of vermeende seksuele geaardheid of genderidentiteit en van mei 2017 over de situatie van mensenrechtenactivisten in Afrika,

gezien de richtsnoeren inzake de vrijheid van vereniging en vergadering van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken, zoals vastgesteld tijdens haar 60e gewone bijeenkomst in mei 2017,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 maart 2020 over het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie voor 2020-2024 (JOIN(2020)0005),

gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019, en met name actie 22, punt b), waarin de verantwoordelijkheid van de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie, de Raad en de lidstaten wordt geschetst voor het ontwikkelen en uitvoeren van EU-beleid betreffende overgangsjustitie,

gezien het VN-Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens en het Verdrag inzake clustermunitie,

gezien de overeenkomst die werd ondertekend tijdens het 3e regionaal ministerieel forum inzake migratie, gehouden in Nairobi (Kenia) op 1 april 2022,

gezien resolutie 2628 van 31 maart 2022 van de VN-Veiligheidsraad waarmee de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM) werd omgevormd tot de overgangsmissie van de Afrikaanse Unie in Somalië (ATMIS),

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volken,

gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN met als titel “Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”, die op 25 september 2015 werd goedgekeurd tijdens de VN-top voor duurzame ontwikkeling te New York,

gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

gezien zijn resolutie van 12 februari 2020 over een EU-strategie om wereldwijd een einde te maken aan vrouwelijke genitale verminking (14),

gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

gezien het rapport van 3 november 2021 over het gezamenlijk door de Ethiopische mensenrechtencommissie en het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten uitgevoerde onderzoek naar vermeende schendingen van de internationale mensenrechten, het humanitair recht en het vluchtelingenrecht door alle betrokken partijen in het conflict in de Ethiopische regio Tigray en het rapport van de Ethiopische mensenrechtencommissie van 11 maart 2022 over schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in de regio’s Afar en Amhara in Ethiopië tussen september en december 2021,

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 17 december 2021 tot oprichting van een internationale commissie van mensenrechtendeskundigen belast met het uitvoeren van een grondig en onpartijdig onderzoek naar de beschuldigingen van schendingen en gevallen van misbruik die sinds 3 november 2020 door alle partijen bij het conflict in Ethiopië zijn begaan,

gezien de gerevitaliseerde overeenkomst over de oplossing van het conflict in Zuid-Sudan van 12 september 2018,

gezien de achtergrondnota van het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm van december 2020, getiteld: “De opleidingsmissie van de Europese Unie in Somalië: een beoordeling”,

gezien artikel 118 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0207/2022),

A.

overwegende dat in de conclusies van de Raad van 10 mei 2021 een nieuwe strategie voor de Hoorn van Afrika wordt geformuleerd en een nieuwe impuls wordt gegeven aan het partnerschap van de EU met de regio, die voor de Unie van prioritair strategisch belang is;

B.

overwegende dat de Hoorn van Afrika voor de EU op politiek, economisch en handelsvlak een strategisch belangrijke regio is, waarmee Europa reeds lange tijd politieke en economische banden onderhoudt; overwegende dat de Hoorn van Afrika het potentieel bezit om in economische en politieke zin te groeien, maar te maken heeft met een aantal kritieke belemmeringen zoals onder andere de COVID-19-crisis, de negatieve gevolgen van klimaatverandering, toenemende waterschaarste en voedselonzekerheid, woestijnvorming en ontbossing, geringe weerbaarheid tegen natuurrampen, bevolkingsgroei en verstedelijking, in combinatie met beperkte banencreatie en grote ongelijkheden, een gebrek aan goede infrastructuur, instabiliteit en politieke uitdagingen; overwegende dat democratie, goed bestuur, verantwoordingsplicht, de rechtsstaat, mensenrechten, gendergelijkheid en inclusieve en participatieve samenlevingen voorwaarden zijn voor vrede en regionale stabiliteit;

C.

overwegende dat de landen van de Hoorn van Afrika (Somalië, Ethiopië, Sudan, Kenia, Uganda, Eritrea, Zuid-Sudan en Djibouti) aan gemeenschappelijke risico’s en bedreigingen zijn blootgesteld, die met name te maken hebben met de onmiddellijke en langetermijngevolgen van klimaatverandering, jihadistisch terrorisme, etnische spanningen en het probleem van zwak bestuur; overwegende dat alle landen in de regio worden gekenmerkt door hardnekkige zwakheden vanwege lopende conflicten en de ernstige mensenrechtenschendingen die worden begaan door alle bij het conflict betrokken partijen, met inbegrip van het inzetten van kindsoldaten, gerichte aanvallen op burgers en civiele infrastructuur, en het inzetten van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes; overwegende dat straffeloosheid voor oorlogsmisdaden en andere schendingen van het internationaal humanitair recht en het recht inzake de mensenrechten nog steeds de norm is, terwijl het streven naar gerechtigheid voor slachtoffers grotendeels zonder resultaat is gebleken; overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad in december 2021 de VN-commissie van mensenrechtendeskundigen in Ethiopië heeft opgericht om mogelijke oorlogsmisdaden en andere inbreuken te onderzoeken;

D.

overwegende dat de algehele stabiliteit van de Hoorn van Afrika verder is verslechterd sinds het begin van het conflict in de regio Tigray in november 2020, en tevens in het gedrang komt vanwege de moeizame politieke transities die zich in een aantal landen afspelen; overwegende dat de humanitaire situatie in Ethiopië tragisch blijft als gevolg van het conflict, droogte en grootschalige interne ontheemding; overwegende dat de federale regering op 24 maart 2022 een humanitair bestand heeft afgekondigd zodat de hulp die door het conflict geblokkeerd werd Tigray gemakkelijker kan bereiken; overwegende dat de vijandelijkheden in de noordelijke regio van Ethiopië op 24 augustus 2022 werden hervat; overwegende dat het conflict in Ethiopië weliswaar nog steeds meedogenloos is, maar dat het zich nu in een nieuwe fase bevindt, aangezien beide partijen zich publiekelijk hebben verbonden tot een via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing in een door de Afrikaanse Unie geleid kader; overwegende dat de bouw en de tweede vulfase van de Grote Ethiopische Renaissancedam die door Ethiopië stroomopwaarts op de Nijl wordt gebouwd de spanningen tussen Ethiopië en zijn buurlanden blijft veroorzaken;

E.

overwegende dat de EU een belangrijke, reeds lang bestaande en betrouwbare partner is voor vrede, veiligheid, duurzame ontwikkeling en humanitaire hulp in de regio, en overwegende dat terdege rekening moet worden gehouden met dit partnerschap voor vrede, veiligheid, democratie, duurzame ontwikkeling en humanitaire hulp; overwegende dat bestaande regionale organisaties en andere initiatieven zoals de Afrikaanse Unie en de Gecombineerde Gezamenlijke Taakgroepen een leidersrol spelen bij de aanpak van de veiligheidsvraagstukken met betrekking tot de Hoorn van Afrika;

F.

overwegende dat de eerste conferentie voor vrede, bestuur en ontwikkeling tussen China en de Hoorn van Afrika plaatsvond op 20 en 21 juni 2022; overwegende dat de Chinese speciale gezant voor de Hoorn van Afrika, Xue Bing, die bij deze bijeenkomst aanwezig was, de onvoorwaardelijke steun van Peking voor conflictoplossing in de regio aanbood en een oproep deed aan de aanwezige landen om vrij van buitenlandse inmenging te zijn;

G.

overwegende dat de humanitaire situatie in Zuid-Sudan achteruitgaat als gevolg van spanningen en conflicten, plaatselijk geweld tussen gemeenschappen en herhaaldelijke overstromingen; overwegende dat de VN geraamd heeft dat Somalië, Ethiopië en Kenia in 2022 4,4 miljard USD aan dringende humanitaire hulp nodig zouden hebben om 29,1 miljoen mensen te kunnen bereiken; overwegende dat in april 2022 slechts in 5 % van deze behoefte door de internationale gemeenschap was voorzien; overwegende dat de droogte in het zuiden van Ethiopië en in de droge regio’s van Kenia reeds heeft geleid tot de dood van circa drie miljoen stuks vee, en overwegende dat ongeveer 30 procent van de door huishoudens gehouden kuddes in Somalië is gestorven; overwegende dat de sprinkhanenplaag in Oost-Afrika voor Ethiopië en Somalië de ergste in 25 jaar is en voor Kenia de ergste in 70 jaar, en dat dit een grote bedreiging vormt voor de voedselzekerheid in de regio; overwegende dat tussen januari en juni 2022 in Ethiopië, Kenia en Somalië ongeveer 568 000 kinderen zijn opgenomen voor ernstige acute ondervoeding, en dat naar verwachting ongeveer 6,5 miljoen kinderen in deze drie landen aan acute ondervoeding zullen lijden; overwegende dat volgens actuele ramingen van de werkgroep voedselzekerheid en voeding tussen de 23 en 26 miljoen mensen tegen februari 2023 te maken zouden kunnen krijgen met ernstige acute voedselonzekerheid, voornamelijk als gevolg van de droogte in de regio als de gebruikelijke regens van oktober tot december uitblijven; overwegende dat deskundigen hebben voorspeld dat frequentere grensoverschrijdende bewegingen van sprinkhanen tussen Kenia, Ethiopië en Somalië de reeds precaire situatie op het gebied van voedselzekerheid nog verder zullen verergeren; overwegende dat de rampzalige gevolgen van de oorlog in Oekraïne, met voedsel-, brandstof- en grondstofprijzen die nu ongekende hoogtes aannemen, de voedselcrisis in de landen van de Hoorn van Afrika in ernst doen toenemen;

H.

overwegende dat de COVID-19-pandemie heeft gezorgd voor gezondheids-, sociaal-economische en politieke uitdagingen in de regio doordat het armoedeprobleem erger werd, de ongelijkheid toenam en de structurele en diepgewortelde discriminatie verergerden, hetgeen een verwoestende impact heeft gehad op de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden, met name voor minderheden en kwetsbare personen; overwegende dat sommige overheden in deze context COVID-19-wetgeving hebben gebruikt om de mensenrechten te onderdrukken;

I.

overwegende dat de Hoorn van Afrika een gebied van herkomst, doorreis en bestemming is voor grote migratiestromen naar andere landen in de wijdere regio en naar de EU; overwegende dat armoede en onveiligheid elkaar versterken en twee van de belangrijkste drijfveren zijn van de massale ontheemding van bevolkingen in de Hoorn van Afrika, met name onder jongeren; overwegende dat er in Oost-Afrika en de Hoorn van Afrika meer dan 7,7 miljoen migrerende arbeiders zijn en dat het grootste aantal internationale migranten in hun zoektocht naar betere economische kansen en een betere levensstandaard terechtkomt in Ethiopië, Kenia of Uganda;

J.

overwegende dat politieke spanningen, conflicten, natuurrampen en de gevolgen van klimaatverandering de oorzaak zijn van de aanzienlijke aantallen vluchtelingen en ontheemde bevolkingsgroepen in de meeste regio’s; overwegende dat de humanitaire en veiligheidssituatie in vluchtelingenkampen en kampen voor intern ontheemden nog steeds precair is; overwegende dat Kenia het vluchtelingenkamp Dadaab herbergt, dat één van de grootste vluchtelingenkampen ter wereld is en een toevluchtsoord biedt aan meer dan 220 000 geregistreerde Somalische vluchtelingen die burgeroorlog en klimaatproblemen ontvluchten; overwegende dat de spanningen tussen Kenia en Somalië over het beheer van het kamp oplopen, terwijl vluchtelingen nog steeds in moeilijke omstandigheden moeten zien te overleven en voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van steun van de VN;

K.

overwegende dat er steeds meer bezorgdheid heerst over de Hoorn van Afrika, de Rode Zee en de Golf van Aden, waar regionale en internationale actoren aanzienlijke en vaak uiteenlopende economische en veiligheidsbelangen hebben op een mondiaal kruispunt en knelpunt voor de handel in grondstoffen, aangezien meer dan 12 % van de wereldwijde zeevracht en 40 % van de handel tussen Azië en Europa via de Rode Zee wordt vervoerd; overwegende dat stabiliteit, maritieme veiligheid en vrijheid van scheepvaart in de Rode Zee en de Golf van Aden cruciaal zijn voor het waarborgen van mondiale energiestromen en de Europese energiezekerheid, aangezien jaarlijks ongeveer 6,2 miljoen vaten ruwe olie en andere petroleumproducten door de zeestraat Bab el Mandeb worden vervoerd (circa 9 % van de mondiale zeevracht), waarvan er 3,6 miljoen bestemd zijn voor Europa; overwegende dat de illegale Russische invasie van Oekraïne en het lopende conflict aldaar het belang van deze handelsroute nog zullen vergroten; overwegende dat het streven weliswaar is de groene en duurzame transitie van de Green Deal te verwezenlijken, maar dat gezien de noodzaak om op korte termijn de afhankelijkheid van Rusland te verminderen en leveranciers te diversifiëren, de vrijheid van scheepvaart en de maritieme veiligheid in de Rode Zee en de Golf van Aden vanuit geostrategisch oogpunt nog crucialer zullen worden; overwegende dat het belang van de regio van de Rode Zee voor de stabiliteit van de Hoorn van Afrika aandacht verdient, evenals het belang van de regio als een as voor handel en connectiviteit, en de punten van zorg met betrekking tot stabiliteit en de vrijheid van scheepvaart, die door de EU gedeeld worden;

L.

overwegende dat de 11e ministeriële vergadering van het initiatief voor de Hoorn van Afrika plaatsvond tijdens de top tussen de EU en de AU en dat leden van Team Europa voor het eerst aanwezig waren bij deze bijeenkomst; overwegende dat de drie ontwikkelingspartners in het kader van het initiatief meer dan 4,5 miljard USD hebben vrijgemaakt: namelijk de EU, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de Wereldbankgroep; overwegende dat de EU sinds 2019 met behulp van het EU-trustfonds 64 projecten in de Hoorn van Afrika heeft ondersteund, die voornamelijk gericht waren op het stimuleren van economische en werkgelegenheidskansen, verbetering van het bestuur en verbeterde conflictpreventie;

M.

overwegende dat in veel landen van de regio genderdiscriminatie en andere vormen van ongelijkheid nog steeds diepgeworteld zijn, met inbegrip van gendergeweld en een hoge frequentie van het inzetten van seksueel geweld in een conflict, beperkte toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid, vroege en gedwongen huwelijken, de uitsluiting van zwangere meisjes van school en de praktijk van vrouwelijke genitale verminking, een gebruik met een lange geschiedenis in de landen van de Hoorn van Afrika;

N.

overwegende dat lhbtiq-personen nog steeds worden geconfronteerd met intimidatie, arrestaties, vervolging en gendergeweld en dat zij soms zelfs het risico lopen vermoord te worden vanwege hun werkelijke of vermeende seksuele gerichtheid, genderidentiteit of -expressie en geslachtskenmerken; overwegende dat vrijwillige seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht in alle landen in de Hoorn van Afrika strafbaar zijn, met als enige uitzondering Djibouti; overwegende dat deze strafbaarstelling wordt gebruikt om legitimiteit te verlenen aan de discriminerende behandeling van lhbtiq-personen en dat het intrekken van discriminerende bepalingen uit het strafwetboek een noodzakelijke eerste stap is om deze personen te beschermen tegen geweld; overwegende dat niet één land in de Hoorn van Afrika beschikt over wettelijke bepalingen om transgenders wettelijk te erkennen of om interseksuelen te beschermen tegen genitale verminking;

O.

overwegende dat de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM) met ingang van 1 april 2022 is vervangen door de overgangsmissie van de Afrikaanse Unie in Somalië (ATMIS), met als hoofddoel een overdracht aan de Somalische nationale strijdkrachten in 2024; overwegende dat de taken van de nieuwe missie er onder andere uit bestaan de dreiging van Al Shabaab te verminderen, steun te bieden aan het versterken van de geïntegreerde veiligheids- en politiediensten van Somalië; de verantwoordelijkheid inzake veiligheid geleidelijk over te dragen aan Somalië; en de inspanningen van de federale regering van Somalië en de lidstaten van de federatie voor vrede en verzoening te ondersteunen; overwegende dat resolutie 2608 van de VN-Veiligheidsraad over piraterij die de basis vormde voor de militaire operatie Atalanta van de EU, niet is verlengd en dat bijgevolg de toegang tot de Somalische territoriale wateren beperkt is; overwegende dat de veiligheidssituatie broos en zorgwekkend is en dat de terroristische groepering Al Shabaab nog steeds actief is; overwegende dat de verkiezingen met 12 maanden vertraging plaatsvonden; overwegende dat het land steeds meer in de financiële problemen komt waardoor het moeite heeft om betalingen uit te voeren; overwegende dat de financiële steun van de EU sinds september 2020 is opgeschort wegens het niet voltooien van het verkiezingsproces, maar dat directe steun aan kwetsbare bevolkingsgroepen doorloopt; overwegende dat humanitaire ngo’s melden dat sinds de invasie van Oekraïne door Rusland de prijzen van tarwe en olie in een aantal regio’s in Somalië — een land dat 90 % van zijn tarwe invoert uit Oekraïne en Rusland — met 300 % zijn gestegen; overwegende dat volgens de VN in maart 2022 meer dan 38 % van de Somalische bevolking onder ernstige voedselonzekerheid leed;

P.

overwegende dat het niet vernieuwen van resolutie 2608 van de VN-Veiligheidsraad de toegang van operatie Atalanta tot de Somalische territoriale wateren beperkt;

Q.

overwegende dat China een speciaal gezant voor aangelegenheden in verband met de Hoorn van Afrika heeft benoemd; overwegende dat China zijn militaire en diplomatieke aanwezigheid heeft vergroot en zijn economische samenwerking met landen in de regio heeft versterkt;

R.

overwegende dat Sudan zich sinds de staatsgreep van 25 oktober 2021 in een politieke impasse bevindt en de onderhandelingen tussen burgers en militairen bijzonder moeizaam verlopen; overwegende dat de veiligheidssituatie in Darfur, waar sinds november 2021 opnieuw geweld is uitgebroken, zeer zorgwekkend is; overwegende dat de economie van Sudan er bijzonder slecht aan toe is, en dit in combinatie met de opschorting van betalingen van de Wereldbank en het IMF in afwachting van een haalbare politieke oplossing en de installatie van een burgerregering, alsook de opschorting van financiële steun van de Commissie — alhoewel de directe steun aan de bevolking niet is onderbroken; overwegende dat Rusland met zijn geplande militaire basis strategische toegang tot de Rode Zee zal hebben;

S.

overwegende dat meer dan 10 jaar na de onafhankelijkheid van Zuid-Sudan in 2011 moet worden vastgesteld dat de tenuitvoerlegging van het in 2018 ondertekende vredesakkoord vertraging heeft opgelopen; overwegende dat president Salva Kiir, in overeenstemming met de daartoe in het vredesakkoord voorziene termijn, van zins is in 2023 algemene verkiezingen te organiseren; overwegende dat de politieke en militaire fragmentatie in het land, zowel tussen als binnen de verschillende politieke stromingen, militaire groeperingen en etnische groepen, reden tot zorg is;

T.

overwegende dat het politieke landschap in Kenia sterk gepolariseerd is; overwegende dat op 9 augustus 2022 algemene verkiezingen zijn gehouden; overwegende dat de economie worstelt met de mondiale gevolgen van de COVID-19-pandemie en hoog opgelopen schulden; overwegende dat Kenia het potentieel heeft om een constructieve rol te spelen ten aanzien van de vrede en veiligheid van de regio; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie//hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid dit jaar twee keer naar Kenia is gereisd, op 10 september 2022 in het kader van een regionaal bezoek aan Kenia, Mozambique en Somalië, en op 29 januari 2022 om het officiële startschot te geven voor de strategische dialoog tussen de EU en Kenia, waarin economie, handel en investeringen zijn aangewezen als belangrijke prioriteiten;

U.

overwegende dat de Ugandese president Yoweri Museveni na de verkiezingen van 14 januari 2021 voor een zesde ambtstermijn is herkozen; overwegende dat op 30 november 2021 in Ituri en Noord-Kivu, in het oosten van de Democratische Republiek Congo, een militaire operatie is gestart in reactie op een reeks aanslagen door de Allied Democratic Forces, een gewapende terroristische groepering die banden onderhoudt met Da’esh en die haar oorsprong in Uganda heeft;

V.

overwegende dat president Isaias Afewerki van het Volksfront voor democratie en rechtvaardigheid sinds de onafhankelijkheid van Eritrea in 1993 aan het hoofd van het land staat; overwegende dat het democratiseringsproces dat in 1997 van start ging met de vaststelling van de grondwet van Eritrea, tot stilstand is gekomen; overwegende dat het Eritrese regime de meeste grondrechten heeft afgeschaft en dat de mensenrechtensituatie uiterst zorgwekkend is; overwegende dat Eritrea behoort tot de minst ontwikkelde landen; overwegende dat de twee belangrijkste donateurs van het land het Wereldfonds en de Europese Commissie zijn, en dat de EU momenteel via het noodtrustfonds een project voor wegenherstel in Eritrea financiert ten bedrage van 20 miljoen EUR, na in 2021 meer dan 100 miljoen EUR aan vastgelegde kredieten te hebben vrijgemaakt als gevolg van de betrokkenheid van Eritrea bij het conflict in Noord-Ethiopië;

W.

overwegende dat Djibouti heel strategisch gelegen is aan de straat van Bab el Mandeb, een van de drukste zeecorridors ter wereld die toegang tot de Rode Zee verleent, waardoor een groeimodel mogelijk is waarin de ontwikkeling van infrastructuur (havens en spoorwegen) centraal staat; overwegende dat zittend president Ismail Omar Guelleh op 9 april 2021 voor de vijfde opeenvolgende keer de verkiezingen heeft gewonnen; overwegende dat Djibouti zich in het midden van de crisisboog bevindt die zich uitstrekt van de Sahel tot het Midden-Oosten en dat, hoewel het land stabiel is, zijn directe omgeving instabiel is; overwegende dat Djibouti zich in het kader van ATMIS sterk militair heeft geëngageerd in de strijd tegen de Somalische terroristen van Al Shabaab;

1.   beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan:

De gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voor de Hoorn van Afrika

(a)

een uitgebreide evaluatie uit te voeren van eerdere strategieën en toezeggingen van de EU ten aanzien van de Hoorn van Afrika, teneinde geleerde lessen in kaart te brengen en de betrokkenheid van de EU in de regio dienovereenkomstig te herijken; in te zien dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne verontrustende gevolgen op korte en lange termijn heeft voor de Hoorn van Afrika, en dat de EU in antwoord daarop haar betrokkenheid in de regio moet aanpassen; te reageren op het feit dat — als gevolg van het illegale handelen van Rusland — de algemene veiligheidssituatie in de regio negatief wordt beïnvloed; in te spelen op het feit dat Rusland via verschillende soorten verbanden stevig in de regio is ingebed en invloed kan uitoefenen, onder meer door investeringen (van zowel civiele als militaire aard) en de inzet van paramilitaire groepen zoals de Wagner-groep in Sudan, en te erkennen dat Russische activiteiten de aangrenzende gebieden verder kunnen destabiliseren; de Russische pogingen in de regio om misleidende informatie- en desinformatiecampagnes gericht op het aanwakkeren van een anti-EU-sentiment op te zetten, tegen te gaan met behulp van een alomvattende EU-strategie voor publieke communicatie om de Russische inspanningen te bestrijden en te neutraliseren, in combinatie met concrete maatregelen en toezeggingen die rekening houden met de behoeften van de lokale bevolking; zich uit te spreken tegen de verspreiding van narratieven die de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne rechtvaardigen, zoals geïllustreerd door de Sudanese generaal Hemetti die op 23 februari 2022 ten onrechte verklaarde dat de Russische agressie tegen Oekraïne bedoeld was om Rusland te “beschermen”; de diplomatieke, politieke, financiële en humanitaire samenwerking van de EU met de AU, haar regionale componenten en afzonderlijke landen op te voeren door concrete maatregelen te nemen die de inzet van de EU voor de regio aantonen teneinde lokale en regionale benaderingen te bevorderen die verdere regionale instabiliteit voorkomen, de kwetsbaarheid voor buitenlandse invloed te verminderen en te reageren op de negatieve gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; onmiddellijk de diplomatieke contacten met de regeringen in de regio te intensiveren om de verwoestende gevolgen op korte, middellange en lange termijn van de Russische doelstellingen en operaties in de regio te bespreken en te verhelderen; te erkennen dat de huidige aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, en in het bijzonder de scheepsblokkade, toeleveringsketens verstoort en ernstige gevolgen heeft voor de voedselzekerheid van de Hoorn van Afrika, zowel op korte als middellange termijn, aangezien de regio ongeveer 90 % van haar tarwe uit de Russische Federatie en Oekraïne invoert; in aanmerking te nemen dat ten minste 20 miljoen mensen al risico liepen op hongersnood als gevolg van de ongekende droogte in Kenia, Somalië en Ethiopië en de sprinkhanenplaag; de steun en bijstand van de EU aan de Hoorn van Afrika aanzienlijk op te voeren om het risico op hongersnood of moeilijkheden bij de toegang tot voedsel af te wenden; de financieringstekorten voor de regio voor de komende zes maanden te erkennen, namelijk 437 miljoen USD volgens het Wereldvoedselprogramma en 130 miljoen USD volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, en alles in het werk te stellen om deze tekorten op te vullen en verder te gaan dan de reeds toegezegde 21,5 miljoen EUR aan aanvullende humanitaire hulp van de EU;

Leidende beginselen

(b)

het potentieel en het strategisch belang van de regio ten volle te erkennen, en een daadwerkelijk strategische visie voor samenwerking en betrokkenheid te ontwikkelen door continu te werken aan de uitvoering en aanpassing van de strategie voor de Hoorn van Afrika in het licht van recente ontwikkelingen in de regio, en een nieuwe impuls te geven aan wederzijds voordelige betrekkingen op basis van samenhangend, tijdig en doeltreffend overleg en gemeenschappelijke waarden, belangen en vooruitzichten; over te stappen van een achterhaalde mentaliteit op basis van donoren en ontvangers naar een partnerschap op gelijke voet tussen de EU en de Hoorn van Afrika, teneinde de voorwaarden te scheppen voor duurzame en vreedzame ontwikkeling in de regio;

(c)

te zorgen voor coördinatie met de Afrikaanse partners met betrekking tot de initiatieven en de steun van de EU door erop in te zetten dat de programma’s door Afrikanen worden geleid, daarmee invulling gevend aan het beginsel “Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen”; in dit verband te kiezen voor een voorwaardelijk aanpak, ook voor veiligheidskwesties, die stoelt op het beginsel “voor wat hoort wat”; nota te nemen van het feit dat ontwikkelingshulp soms inefficiënt wordt gebruikt en incidenteel wordt misbruikt door regeringen van de ontvangende landen; de versterking van een bottom-upbenadering te faciliteren, waarbij lokale gemeenschappen en maatschappelijke organisaties hun eigen capaciteiten kunnen opbouwen en zich beter kunnen voorbereiden, oriënteren en organiseren om veerkrachtiger te worden;

(d)

inspanningen in de regio te coördineren met de AU en haar regionale componenten, met name de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD), alsook met de VN en andere gelijkgestemde internationale en regionale organisaties, financiële instellingen en afzonderlijke landen; steun te blijven verlenen aan lopende missies in de regio die deze inspanningen ondersteunen, met inbegrip van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU, teneinde bij te dragen tot een collectieve respons die gericht is op het bereiken van stabiliteit en ontwikkeling; het VK aan te moedigen zijn inspanningen in de regio met de EU te coördineren;

(e)

een proactieve, inclusieve en coöperatieve benadering te volgen op basis van constructieve betrokkenheid met de landen in de Hoorn van Afrika en de actoren die daar aanwezig zijn, en door het uitwisselen van goede praktijken en het delen van de ervaring van de EU bij het integreren van aangelegenheden op het vlak van veiligheid, economische ontwikkeling en financiële, sociale en culturele zaken, met het oog op de bevordering van doeltreffende samenwerking in de hele regio en op zee, en de dialoog met alle betrokken partijen te faciliteren, met name via de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de Hoorn van Afrika;

Regionale vrede en veiligheid

(f)

te erkennen dat onveiligheid en instabiliteit in de Hoorn van Afrika een ernstige bedreiging vormt voor de economische en sociale vooruitzichten van heel Afrika, alsmede voor de veiligheidsbelangen van de EU en de regio; bij te dragen tot regionale veiligheid en stabiliteit door middel van een geïntegreerde aanpak, waarbij het verband tussen humanitaire hulp, ontwikkelingssamenwerking en vrede wordt versterkt door civiele conflictpreventie, vreedzame geschillenbeslechting, conflictoplossing, bemiddeling, capaciteitsopbouw en verzoeningsactiviteiten; participatie door jongeren alsook de volledige, gelijkwaardige en betekenisvolle vertegenwoordiging en actieve deelname van vrouwen bij vredes- en veiligheidskwesties te mainstreamen, onder meer door steun voor en uitvoering van de VN-agenda’s inzake jongeren, vrede en veiligheid en inzake vrouwen, vrede en veiligheid, door concrete toezeggingen op korte en middellange termijn te formuleren en na te gaan hoe dit objectief zal worden gemeten en gerapporteerd; processen binnen de AU, IGAD en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap die onder leiding staan van Afrikanen te steunen en de onderliggende oorzaken van conflicten, extremisme en radicalisering zoals extreme armoede en ongelijkheid, de schaarste aan hulpbronnen zoals landbouwgrond en water ten gevolge van klimaatverandering, en langslepende grensgeschillen, aan te pakken door het bieden van politieke, financiële, operationele en logistieke steun; het strategisch partnerschap tussen de EU en de AU op het gebied van conflictpreventie, conflictbeslechting en vredeshandhaving te versterken; de samenwerking met de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie en de regionale economische gemeenschappen in dit verband te versterken; in aanvulling op benaderingen van staatsveiligheid ook het concept van menselijke veiligheid te onderschrijven, waardoor maatregelen en instellingen ten dienste van de bevolking worden gesteld; de noodzakelijke opruimingswerkzaamheden en de bestrijding van verontreiniging door landmijnen, clustermunitie en andere explosieven te ondersteunen, aangezien deze wapens de sociale en economische ontwikkeling in de weg staan en onevenredig grote gevolgen hebben voor kinderen, vrouwen en gemarginaliseerde groepen;

(g)

aandacht te schenken aan eventuele onzekerheden en spanningen in verband met de bouw door Ethiopië van de Grote Ethiopische Renaissancedam en het delen van het water van de Nijl met Sudan en Egypte, die zich stroomafwaarts bevinden; de drie landen op te roepen terug te keren naar de onderhandelingstafel en met hen samen te werken om binnen de passende fora onder auspiciën van de AU en IGAD een diplomatieke oplossing te vinden, rekening houdend met de belangstelling van Ethiopië voor de opwekking van waterkracht en met de zorgen van oeverstaten ten aanzien van waterzekerheid, en de risico’s af te wenden van unilaterale houdingen ten aanzien van het gebruik van gedeelde milieuhulpbronnen; rekening te houden met het feit dat de gevolgen van klimaatverandering een belangrijke uitdaging vormen voor de Hoorn van Afrika en vereisen dat de regio nauw samenwerkt op het gebied van de productie van duurzame energie en het delen van hulpbronnen, en te erkennen dat in de Europese Green Deal belangrijke kansen voor samenwerking besloten liggen; financiële en technische bijstand te leveren en innovatieve technologieën, beste praktijken en geleerde lessen te delen met onze Afrikaanse partners zodat zij de vruchten van de groene transitie en de keten water-voedsel-energie kunnen plukken, en investeringen in de transitie van de regio op te voeren, onder meer in geïntegreerde infrastructuur zoals transnationale energienetwerken;

(h)

met internationale partners en organisaties te coördineren om tijdig voldoende humanitaire hulp en bijstand toe te kennen aan de landen die worden getroffen door conflict, extreme droogte en andere natuurrampen en door de Russische agressie in Oekraïne, die heeft bijgedragen tot een scherpe stijging van voedsel- en brandstofprijzen en mondiale toeleveringsketens heeft verstoord; te erkennen dat de klimaatcrisis, vrede en conflicten onderling met elkaar in verband staan en dat men bij inspanningen op het gebied vredesopbouw en klimaatadaptatie met deze verbanden rekening moet houden, en dat iedere overkoepelende regionale strategie als een van de centrale onderdelen een aanpak voor klimaatveiligheid moet omvatten; het voortouw te nemen bij het bijeenroepen van de donorgemeenschap voor een uitzonderlijke donorconferentie voor de Hoorn van Afrika om te voorkomen dat de regio opnieuw door honger wordt getroffen;

(i)

de positieve effecten te onderkennen van de inzet van de EU en haar internationale partners via missies en operaties zoals operatie Atalanta, de EU-missie voor capaciteitsopbouw in Somalië en het EU-programma ter bevordering van de regionale maritieme veiligheid, zowel door piraterijaanvallen te voorkomen voordat deze plaatsvinden, als door het succespercentage van werkelijke aanvallen te doen verminderen, en te betreuren dat resolutie 2608 van de VN-Veiligheidsraad niet is verlengd, hetgeen helaas de toegang van de operatie tot Somalische territoriale wateren beperkt; zijn lof uit te spreken voor de positieve resultaten die de EU-missie voor capaciteitsopbouw in Somalië reeds heeft verwezenlijkt op het gebied van civiele wetshandhaving en ervoor te zorgen dat de missie over voldoende middelen en personeel beschikt om doeltreffend te zijn; de lidstaten ertoe op te roepen voldoende personele en financiële middelen ter beschikking te stellen aan ATMIS en de opleidingsmissie van de EU in Somalië teneinde het Somalische leger in staat te stellen de verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het land op zicht te nemen, met volledige inachtneming van het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenwetgeving; te onderstrepen dat de EU haar positie als geloofwaardige partner voor Somalië moet bevestigen door ATMIS te steunen als onderdeel van een geïntegreerde aanpak in coördinatie met missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid in Somalië, de Europese Vredesfaciliteit, humanitaire hulpoperaties en het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking;

(j)

bezorgdheid te uiten over de aanhoudende activiteiten van radicale militante islamistische terroristische groeperingen die actief zijn in de Hoorn van Afrika en in de buurlanden, met name Al Shabaab, Al Qaida en Da’esh, die zich goed weten aan te passen en in staat zijn onder de bevolking blijvend voet aan de grond te krijgen; de EU en haar lidstaten te verzoeken aandacht te besteden aan het zich verspreidende jihadisme in de regio, en de betroffen landen op passende en doeltreffende bijstand te leveren bij de bestrijding van zowel de directe gevolgen van deze expansie als de complexe onderliggende oorzaken van extremisme, radicalisering, geweld, terrorisme en de ontvankelijkheid voor werving; te erkennen dat het belang van terroristische organisaties en hun vermogen om in de regio actief te zijn verder worden versterkt door de doorlaatbaarheid van de nationale grenzen, en nationale en regionale inspanningen om de grensbeveiliging te versterken, te ondersteunen; samen te werken met individuele landen en regionale organisaties, met name de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, IGAD en de Oost-Afrikaanse Stand-bytroepenmacht teneinde een regionale benadering te volgen voor de bestrijding van terrorisme en de aanpak van de onderliggende oorzaken ervan;

(k)

de AU, haar regionale componenten en afzonderlijke landen bij hun inspanningen om de voorwaarden voor veiligheid en stabiliteit te verbeteren passende steun te verlenen die wordt aangedreven door hun behoeften; de steun voor capaciteitsopbouw te handhaven die via het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling, en via de Europese Vredesfaciliteit, wordt verleend, met name aan operatie Atalanta en de opleidingsmissie van de EU in Somalië, en ervoor te zorgen dat de steun in overeenstemming is met het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake wapenuitvoer en dat men bij het verlenen van deze steun tevens de mensenrechten en het humanitair recht en verplichtingen inzake voorafgaande risicobeoordeling naleeft, dat permanent toezicht wordt gehouden op de levering van militaire technologie aan actoren uit derde landen en dat doeltreffende transparantiebepalingen volledig nageleefd worden, ook met betrekking tot de traceerbaarheid en het juiste gebruik van het materiaal dat in het kader van de Vredesfaciliteit aan partners wordt geleverd, teneinde bij te dragen aan de opbouw van een verantwoordelijke, robuuste en betrouwbare veiligheidssector; het potentieel van de Europese Vredesfaciliteit op dit gebied volledig te benutten en te zorgen voor continuïteit met de voormalige Vredesfaciliteit voor Afrika voor wat betreft de kwaliteit en de kwantiteit van de financiering van door Afrikanen geleide initiatieven; ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan alle financiële verbintenissen ten opzichte van de Hoorn van Afrika die vóór Ruslands criminele invasie van Oekraïne in het kader van de Europese Vredesfaciliteit werden aangegaan; te zorgen voor de financiering van de civiele component van ATMIS;

Democratie, mensenrechten en de rechtsstaat

(l)

ten volle steun te geven aan democratische transities, de rechtsstaat, staatsopbouw en een open politiek klimaat dat past binnen de verschillende lokale contexten; strategieën voor de bevordering van inclusieve verzoeningsprocessen te ondersteunen met als doel geloofwaardige en representatieve instellingen tot stand te brengen die deelname van de verschillende gemeenschappen mogelijk maken; met name samen te werken met Somalië, Ethiopië en Sudan om meer te doen om ondervertegenwoordigde gemeenschappen en vrouwen te betrekken bij politiek en bestuurlijke organen op hoog niveau, en partnerlanden te helpen om de onverschilligheid en het gebrek aan vertrouwen ten aanzien van de nationale autoriteiten aan te pakken met maatregelen om het vertrouwen van de bevolking te winnen; klaar te staan om, waar nodig, verkiezingswaarnemingsmissies van de EU in te zetten ter ondersteuning van verkiezingsprocessen voor en tijdens verkiezingen; het potentieel van parlementaire diplomatie te erkennen als instrument om de dialoog te bevorderen en een holistisch partnerschap tot stand te brengen tussen de EU, de AU en afzonderlijke landen;

(m)

samen te werken met de Afrikaanse partners van de EU en tevens de samenwerking met Afrikaanse maatschappelijke organisaties op te voeren met het oog op het in kaart brengen en aanpakken van de voornaamste uitdagingen en prioriteiten in de regio, waaronder menselijke waardigheid en mensenrechten, democratische en grondrechten, uitdagingen met betrekking tot de rechtsstaat en het verzachten van de COVID-19-gezondheidscrisis; nationale autoriteiten op te roepen de door de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken goedgekeurde richtsnoeren inzake vrijheid van vergadering en vereniging na te leven en de mediavrijheid te eerbiedigen, onder meer door te garanderen dat mediakanalen onafhankelijk kunnen werken; zich bezorgd te tonen over het hardnekkig geweld en de hardnekkige discriminatie op basis van seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken; de nationale autoriteiten op te roepen om discriminerende bepalingen in te trekken, onder meer aan de hand van een herziening van hun strafwetboek; meer steun te verlenen aan mensenrechtenverdedigers in de regio; blijk te geven van flexibiliteit door gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten en de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers volledig uit te voeren, en er daarbij voor te zorgen dat interne beschermingsmechanismen worden gehandhaafd en de afgifte van visa aan degenen die het land willen verlaten, te coördineren; de nationale autoriteiten in de regio op te roepen een omgeving te scheppen die bevorderlijk is voor het maatschappelijk middenveld en te zorgen voor specifieke regelgeving ter erkenning en bescherming van mensenrechtenverdedigers en voor maatregelen om te voorkomen dat zij slachtoffer worden van intimidatie en willekeurige detentie; het verband tussen corruptie en wijdverbreide schendingen van de mensenrechten te erkennen en de EU-steun voor de bestrijding van corruptie in de regio te versterken; meer levensreddende en levensondersteunende bijstand te leveren om mensen en gemeenschappen die worden getroffen door de droogte te helpen, en er tegelijkertijd naar te streven dat gemeenschappen in staat worden gesteld zelfvoorzienendheid na te streven en weerbaarheid op te bouwen tegen toekomstige schokken; regeringen in de hele regio te verzoeken ervoor te zorgen dat humanitaire hulpverleners toegang hebben tot de mensen die hulp nodig hebben;

(n)

te zorgen voor mainstreaming van overgangsjustitie in haar conflictbeheersingsaanpak in de regio; bij de steun van de EU aan inspanningen op het gebied van overgangsjustitie prioriteit te geven aan op lokaal en nationaal niveau gestuurde processen en aan lokale en regionale deskundigen; de samenwerking van de EU met partnerlanden en internationale en regionale organisaties te intensiveren om de strijd tegen straffeloosheid te ondersteunen en waarheid, gerechtigheid, schadeloosstelling en waarborgen ter voorkoming van herhaling te bevorderen;

(o)

regeringen op te roepen maatregelen te nemen om het recht van vrouwen en meisjes op gelijkheid, gezondheid (met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten) en onderwijs te beschermen en om hen in staat te stellen een leven vrij van gendergeweld en discriminatie te leiden, en een genderbewuste aanpak te garanderen teneinde de toenemende kloof tijdens crises en conflicten te overbruggen; lof te geven aan de vooruitgang die is geboekt in het verbeteren van de toegang tot gezondheidszorg in de regio, zoals in Kenia en Uganda, en met name de toegang tot levensreddende hiv-behandeling en toegang tot andere diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, en de EU-steun voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, die onontbeerlijk zijn voor de verwezenlijking van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid, te versterken; maatregelen tegen vrouwelijke genitale verminking in al het externe optreden van de EU te stroomlijnen, zoals genoemd in de resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2020, en daarbij specifieke aandacht te besteden aan de Hoorn van Afrika die het grootste aantal gevallen van vrouwelijke genitale verminking kent, waaronder de ernstigste vormen; nationale autoriteiten in de Hoorn van Afrika op te roepen wetten in te voeren om vrouwelijke genitale verminking te verbieden en ervoor te zorgen dat die wetten worden nageleefd; initiatieven om vrouwen bij de politiek te betrekken op te schalen teneinde betere beleidsvorming te stimuleren en te helpen genitale verminking van vrouwen en gedwongen huwelijken een halt toe te roepen;

Duurzaamheid en inclusieve economische ontwikkeling — samenleving

(p)

kennis te nemen van demografische ontwikkelingen in de regio en de rol te onderkennen die jongeren en vrouwen spelen bij het verwezenlijken van duurzame economische ontwikkeling; steun van de EU op het gebied van toegang tot onderwijs en beroepsopleidingen te versterken, alsmede op het gebied van bij- en omscholing van werknemers, naargelang de behoeften van de arbeidsmarkt; te benadrukken dat de gehele regio meerdere voordelen zal ervaren als de positie van de jongere generaties wordt versterkt en hen echte vooruitzichten worden geboden; steun te bieden aan capaciteitsopbouw voor de lokale productie van vaccins en te helpen bij het versterken van lokale gezondheidsstelsels en bij de ondersteuning van structurele hervormingen in de gezondheidssector; er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen universele toegang tot gezondheidszorg te waarborgen op basis van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling; er nota van te nemen dat terrorisme en jihadisme er in de gehele Hoorn van Afrika in belangrijke mate aan bijdragen dat economische groei niet van de grond komt; kennis te nemen van de economische aanwezigheid van Al Shabaab in de Hoorn van Afrika in de vorm van houtskoolsmokkel en het afpersen van boeren, bedrijven en hulporganisaties; technische bijstand te bieden om de diaspora in Europa beter in staat te stellen zakelijke betrekkingen met de regio te intensiveren, met name door geldovermakingen via legale, transparante en betrouwbare kanalen mogelijk te maken;

(q)

te erkennen dat klimaatverandering ernstige gevolgen heeft voor de Hoorn van Afrika met verregaande gevolgen voor de stabiliteit van de regio; gemeenschappelijk optreden in de strijd tegen klimaatverandering op te schalen, met name wat betreft mitigatie, adaptatie, weerbaarheid en rampenrisicobeheersing; de voordelen van de in de Europese klimaatwet verankerde Europese Green Deal met onze partners te delen en hen te helpen hun eigen agenda’s voor klimaattransitie aan te nemen door goede praktijken uit te wisselen en de EU-initiatieven op dit vlak af te stemmen op bestaande Afrikaanse initiatieven; speciale aandacht te besteden aan de gevolgen van klimaatverandering voor de menselijke veiligheid en de voedselzekerheid, en aan het feit dat de EU en haar partners een klimaatbestendig veiligheids- en defensiebeleid moeten voeren dat in overeenstemming is met de ambities van de in het strategisch kompas inzake veiligheid en defensie opgenomen EU-routekaart voor klimaatverandering en defensie; in samenwerking met Afrikaanse partners in te zetten op nieuwe en innovatieve werkwijzen teneinde het potentieel van de regio volledig te ontsluiten, onder andere door goede praktijken uit te wisselen en nieuwe technologieën voor duurzame landbouw in gebruik te nemen die lokaal ondernemerschap kunnen versterken, met als uiteindelijk doel om de afhankelijkheid van ingevoerde voedsel- en landbouwproducten te verminderen en inclusieve en duurzame economische groei te stimuleren; de verzoeken van de minst ontwikkelde landen om specifieke financiering voor verliezen en schade in verband met de negatieve gevolgen van klimaatverandering te steunen, en de wederopbouw van de getroffen regio’s en hun economische heropleving te ondersteunen door aanvullende speciale maatregelen in te voeren voor de financiering van wederopbouw en herstel; overwegen om de lidstaten aan te sporen voor de meest kwetsbare minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling per geval gericht gebruik te maken van schuldopschorting, -verlichting en -kwijtschelding, met als specifiek doel als onderdeel van een breder internationaal kader bij te dragen aan de strijd tegen klimaatverandering;

(r)

coördinatie en samenwerking met de relevante directoraten-generaal van de Commissie te stimuleren om ervoor te zorgen dat de herziening van het handelsbeleid van de EU leidt tot duurzame economische groei voor de regio, met name door de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling van vrijhandelsovereenkomsten volledig afdwingbaar te maken; nota te nemen van het feit dat er inspanningen nodig zijn om te voorkomen dat in de EU gevestigde ondernemingen die actief zijn in de Hoorn van Afrika mensenrechtenschendingen en milieuschendingen begaan en ervoor te zorgen dat de toekomstige richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid geschikt is voor het beoogde doel en voor lokale gemeenschappen zal leiden tot daadwerkelijke vooruitgang op het gebied van mensenrechten en het milieu; in het bijzonder toe te zien op de beoordeling en preventie van schendingen in verband met de eigen beleidsmaatregelen, projecten en financiering van de EU in de regio, onder meer door een klachtenmechanisme tot stand te brengen voor personen of groepen wier rechten mogelijk zijn geschonden door EU-activiteiten in deze landen; er bij publieke financiële instellingen, met inbegrip van de Europese Investeringsbank, samen met de Commissie op aan te dringen dat zij erop toezien dat EU-investeringen in overeenstemming zijn met de internationale milieu- en klimaatdoelstellingen, met name de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en worden gebruikt om richting te geven aan een rechtvaardige klimaattransitie die in overeenstemming is met de doelstellingen van de Europese Green Deal; ervoor te zorgen dat er geen investeringen in de regio worden gedaan waarmee sectoren gefinancierd worden die de klimaatcrisis erger maken, met name de fossielebrandstoffenindustrie;

(s)

bijzondere aandacht te besteden aan de vele projecten die door lokale actoren geleid worden, met name in de meest afgelegen gebieden, die vanuit milieuoogpunt minder belastend zijn maar die meer effect sorteren wat betreft het verbeteren van het leven van mensen, d.w.z. niet op het net aangesloten zonne-energiesystemen, irrigatiesystemen en waterzuiverings- en rioleringssystemen, en erop toe te zien dat investeringen van de EU in duurzame energie in Afrika in de eerste plaats voordeel opleveren voor de lokale bevolking met als doel een einde te maken aan energiearmoede; de EU te verzoeken boeren in de Hoorn van Afrika te helpen hun afhankelijkheid van minerale meststoffen te verminderen en via haar buitenlands en ontwikkelingsbeleid agronomische alternatieven te vinden om de klimaat- en milieueffecten van meststoffen terug te dringen; er bij de lidstaten op aan te dringen dat zij in samenwerking met de Commissie in de minst ontwikkelde landen prioriteit verlenen aan partnerschappen met lokale bedrijven die duurzame en inclusieve bedrijfsmodellen nastreven;

Migratie

(t)

te benadrukken dat voor een belangrijk deel van de migrantenstromen binnen de regio en naar de EU geldt dat het land van herkomst, doorreis of bestemming in de Hoorn van Afrika is gelegen; wat betreft samenwerking op het vlak van migratie te kiezen voor een holistische benadering, rekening houdend met conflicten en afgestemd op de specifieke context, waarbij de mens voorop staat en in overeenstemming met het proces van Khartoem en met het mondiaal pact inzake migratie alsook met het werk van het regionaal ministerieel forum inzake migratie voor Oost-Afrika en de Hoorn van Afrika, en rekening houdend met de verschillende pushfactoren die leiden tot migratie in de regio en met de hardnekkige kwetsbaarheden van migranten, terwijl de rechten van migranten en vluchtelingen niet mogen worden aangetast en de voordelen van circulaire migratie en regionale mobiliteit onderkend moeten worden; samen te werken met de partners van de EU om de activiteiten in het kader van het proces van Khartoem te hervatten en dit proces zodanig te herinrichten dat het de huidige realiteit en de verschillende reisbeperkingen weerspiegelt; een langetermijnpartnerschap te ontwikkelen dat is gericht op veilige, ordelijke en legale migratie; samen met partnerlanden in de Hoorn van Afrika een duurzame oplossing te vinden om de gevolgen van migratie naar de Europese buitengrenzen op te vangen; nauwere samenwerking te bevorderen op het gebied van grensbeveiliging en de bestrijding van grensoverschrijdende criminele activiteiten, met inbegrip van mensenhandel en illegale handel in wapens en cultureel erfgoed; ervoor te zorgen dat alle samenwerking op het gebied van migratie en alle overnameovereenkomsten met de regio strikt in overeenstemming zijn met de internationale mensenrechtenwetgeving en het vluchtelingenrecht, met name met het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het bijbehorende Protocol van 1967; ervoor te zorgen dat de financiële middelen uit de EU-trustfondsen in de eerste plaats worden geïnvesteerd in projecten waarmee de onderliggende oorzaken van migratie op de lange termijn kunnen worden aangepakt;

(u)

onmiddellijke bijstand en langdurige steun te verlenen aan de landen die vluchtelingen opnemen en helpen, om er zeker van te zijn dat deze vluchtelingen beschermd worden; te helpen bij de hervestiging van (intern) ontheemden; te zorgen voor de coördinatie van diplomatieke inspanningen om de regeringen van bij lopende conflicten betrokken landen in de regio op te roepen om een einde te maken aan willekeurige aanvallen tegen burgers en civiele infrastructuur, en om de burgerbevolking te beschermen, onder meer door alle nodige maatregelen te nemen om te garanderen dat vluchtelingen en intern ontheemden worden beschermd en volledige toegang krijgen tot humanitaire hulp, met inbegrip van voedsel, water en onderdak; in het kader van een betere beheersing van factoren die bijdragen tot spanningen en conflicten ten aanzien van herdersgemeenschappen, steun te bieden aan landen in de regio bij het mainstreamen van inspanningen gericht op het ondersteunen van passende hervormingen met het oog op een betere aansturing van de bewegingen van kuddes en het verminderen van de economische kwetsbaarheid tijdens crises zoals droogten;

Regionale integratie

(v)

te kiezen voor een Team Europa-benadering in de regio, en samen te werken met de AU, regionale organisaties en een breed scala aan partners en actoren, ook uit de particuliere sector, bij het ondersteunen van door Afrikanen zelf geleide initiatieven; te blijven zorgen voor monitoring van en steun voor het initiatief voor de Hoorn van Afrika waarvan de EU een strategische partner is, ook met betrekking tot de doelstelling van dit initiatief om kapitaal aan te trekken om connectiviteit in de regio te ondersteunen en kansen te scheppen, en zo banen te creëren, opkomende risico’s te beperken, de veerkracht te versterken en de weg vrij te maken voor betere betrekkingen tussen buurlanden;

(w)

te onderkennen dat veilige en goede infrastructuur een “must” is voor consistente, duurzame en eerlijke ontwikkeling in de regio; ten volle gebruik te maken van het potentieel van nieuwe door de EU gesponsorde initiatieven gericht op het vergroten van regionale integratie en connectiviteit; te zorgen voor meer overleg en coördinatie met Afrikaanse partners bij de vaststelling van specifieke in het kader van de Global Gateway te ontwikkelen projecten, en daarbij voort te bouwen op de positieve resultaten van de 6e top tussen de EU en de AU; de Global Gateway goed neer te zetten als een groener, eerlijker en duurzamer langetermijnplan, met name in vergelijking met de door andere actoren voorgestelde alternatieven; landen in de regio die lid willen worden van de Wereldhandelsorganisatie te steunen, en ook de totstandbrenging van de Afrikaanse continentale vrijhandelszone te steunen, en de AU, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en IGAD te blijven steunen en versterken teneinde economische samenwerking, regionale integratie, stabiliteit en diplomatie te bevorderen; te onderkennen dat de vooruitzichten voor stabilisatie en duurzame ontwikkeling voor de Hoorn van Afrika nauw verweven zijn met die van aangrenzende regio’s; de mogelijkheid te overwegen om een EU-strategie voor de Rode Zee en de Golf van Aden te ontwikkelen;

Invloed van derden

(x)

bezorgdheid te uiten over de steeds vaker voorkomende invloeden en rivaliteiten van derden met vele gezichten die niet dezelfde waarden en doelen in de regio hebben als de EU, waaronder China en Rusland, die strikt bilaterale belangen nastreven; te onderkennen dat de regionale vrede, de Europese inspanningen en bijstand en de rol van de EU als bevoorrechte partner in gevaar worden gebracht door de groter wordende aanwezigheid van deze actoren in de regio, met name op het vlak van de economie, de energievoorziening, de veiligheid — met inbegrip van maritieme veiligheid — en op militair vlak, ook vanwege het feit dat zij door middel van propaganda en desinformatiecampagnes de rol die zij ter plaatse spelen groter willen doen lijken en het optreden van hun concurrenten — zoals de EU — pogen te ondermijnen; te overwegen alle passende maatregelen te nemen om deze inmenging tegen te gaan; de steun van de EU te bevorderen door middel van een holistische benadering ten aanzien van de regio, waarbij in tegenstelling tot de benadering van derden — die erop gericht is de fragmentatie te verergeren en geopolitieke zorgen te laten escaleren — economische samenwerking en conflictpreventie worden gestimuleerd; de balans op te maken van de constante investeringen van China in meerdere sectoren in de regio en de gevolgen daarvan te beoordelen, onder meer de toegenomen afhankelijkheidspositie van Afrikaanse staten, en een antwoord te formuleren op de opkomende aanwezigheid en invloed van China; de Turkse autoriteiten te verzoeken zich achter de EU-beleidslijnen te scharen en hun inspanningen beter af te stemmen op initiatieven van de EU, met name de opleidingsmissie van de EU in Somalië, met het oog op een grotere doeltreffendheid en betere resultaten in termen van veiligheid en stabiliteit, om zo een snelle, werkelijk democratische transitie te bevorderen; nauwer te coördineren met Afrikaanse partners bij de vaststelling van de prioritaire doelen voor investeringen, en voldoende middelen vrij te maken om dit te realiseren; nota te nemen van de militaire opbouw van derde partijen in de regio, met name de vergevorderde plannen van Rusland om een marinebasis te bouwen aan de Sudanese Rode Zeekust, en de Chinese ingebruikname van een militaire basis in Djibouti in 2017; bijzondere aandacht te besteden aan de toenemende activiteiten van particuliere beveiligingsbedrijven zoals de door Rusland gesteunde Wagner-groep die in Sudan actief is en daar de democratische overgang belemmert en ten koste van de lokale bevolking binnenlandse zwakheden uitbuit, teneinde te voorkomen dat zich hier soortgelijke negatieve gevolgen als in andere regio’s voordoen, en nauw samen te werken met de AU en de afzonderlijke landen van de Hoorn van Afrika om in elk land een efficiënt, verantwoordingsplichtig en betrouwbaar nationaal veiligheidsapparaat op te zetten en operationeel te maken; alle EU-lidstaten op te roepen het Internationaal Verdrag ter bestrijding van aanwerving, inzet, financiering en opleiding van huurlingen te ratificeren; te beoordelen wat de gevolgen zijn van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voor de invloed van de EU in de regio;

(y)

middels doeltreffende en op feiten gebaseerde publieke inlichtingencampagnes de strategische communicatie te versterken om zodoende op lokaal niveau meer aanwezig te zijn en informatie te verstrekken over het optreden en de doelen van de EU en de door haar gesponsorde initiatieven in de regio teneinde de zichtbaarheid van de EU te vergroten en te benadrukken dat zij als doel heeft een waardevolle bijdrage te leveren aan plaatselijke gemeenschappen, duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid en inclusieve groei, en daarnaast desinformatie en door derden verspreide onwaarheden te ontkrachten; de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de Hoorn van Afrika de opdracht te geven zich te concentreren op regionale activiteiten en de zichtbaarheid en de aanwezigheid van de EU en haar samenwerking met alle landen in de regio te bevorderen, om zodoende nauwere banden op te bouwen; te zorgen voor meer transparantie en zichtbaarheid ten aanzien van het werk van de speciale vertegenwoordiger van de EU, en erop toe te zien dat de speciale vertegenwoordiger van de EU in haar contacten met gesprekspartners uit de regio prioriteit geeft aan conflictoplossing, steun voor mensenrechten en democratie en tevens proactief banden onderhoudt met het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en critici van de macht, die soms bedreigd worden door of doelwit zijn van de lokale autoriteiten;

Landenspecifieke kwesties

(z)

bij de aanpak van de volgende specifieke kwesties met betrekking tot de landen van de Hoorn van Afrika:

Djibouti

(i)

het geostrategische belang van Djibouti te erkennen; nota te nemen van de positieve bijdrage van Djibouti aan de vrede, veiligheid en regionale samenwerking in de Hoorn van Afrika, met name door het logistieke platform van operatie Atalanta en de militaire aanwezigheid van EU-lidstaten op zijn grondgebied toe te laten; te wijzen op het feit dat bouwprojecten in Djibouti grotendeels door China worden gefinancierd met investeringen in de infrastructuur van naar schatting 9,8 miljard USD; bezorgdheid te uiten over de komst van een Chinese marinebasis in Djibouti voor militaire langeafstandsdoelen en over de overname door China van de strategische haven van Doraleh en de stijgende buitenlandse overheidsschuld van Djibouti als gevolg van leningen bij China; samen te werken met het land, dat zich op het kruispunt van een van de meest gebruikte migratieroutes ter wereld bevindt, in het kader van bijstand met betrekking tot zijn inspanningen om vluchtelingen uit de regio op te nemen alsook de uitvoering van zijn mondiale en regionale verbintenissen; knowhow en beste praktijken van de EU op het gebied van waterbeheer te delen, aangezien Djibouti een van de droogste landen ter wereld is en met extreme droogte heeft te kampen; teleurstelling te uiten over het feit dat geen enkel onafhankelijk mediakanaal toestemming heeft om vanuit Djibouti uit te zenden; te pleiten voor bescherming van de bronnen van de onafhankelijke Djiboutiaanse media, die genoodzaakt zijn hun uitzendingen en uitingen vanuit het buitenland de ether in te sturen;

Eritrea

(ii)

het gegeven dat Eritrea zich geheel achter het Russische narratief en de Russische propaganda schaart, te veroordelen, en bezorgdheid te uiten over de mogelijkheid dat Eritrea een platform zou kunnen worden voor Russische invloed in de Hoorn van Afrika; de Eritrese autoriteiten op te roepen hun militaire betrokkenheid bij het Ethiopische burgerconflict te staken, en daarnaast een vredesakkoord te faciliteren tussen de Ethiopische federale autoriteiten en het volksfront voor de bevrijding van Tigray, met inbegrip van de stopzetting van de raketaanvallen door de groep op Eritrees grondgebied; de Eritrese autoriteiten te verzoeken concrete stappen te ondernemen in de richting van interne verzoening en alle politieke gevangenen onvoorwaardelijk vrij te laten, met inbegrip van de Zweeds-Eritrese schrijver en journalist David Isaak die sinds 2001 wordt vastgehouden; de situatie in het land voortdurend te blijven volgen en een geleidelijke en evenredige vermindering van EU-sancties te overwegen indien er concrete en objectieve verbeteringen bewerkstelligd worden;

Ethiopië

(iii)

steun te verlenen aan alle diplomatieke inspanningen die gericht zijn op de beëindiging van het aanhoudende conflict dat zich in Ethiopië, een belangrijke speler in de Hoorn van Afrika, voltrekt, zowel wat betreft inspanningen op nationaal niveau als, in het bijzonder, via het bemiddelingstraject van de AU, dat een trio van bemiddelaars op hoog niveau zal aankondigen, voorgezeten door de hoge vertegenwoordiger voor de Hoorn van Afrika, Olusegun Obasanjo, teneinde een akkoord over een permanent staakt-het-vuren, ongehinderde humanitaire toegang tot alle gebieden en de onmiddellijke terugtrekking van Eritrese troepen tot prioriteit te maken, en verantwoordingsplicht en interne verzoening te bevorderen; te benadrukken dat de nationale dialoog zo inclusief, breed en transparant mogelijk moet zijn en ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en oppositiepartijen moet betrekken, zodat deze dialoog ook daadwerkelijk als een katalysator voor verzoening kan fungeren; te zorgen voor coördinatie tussen relevante nationale en internationale instellingen en de Ethiopische regering met betrekking tot het ondersteunen van de hervatting van gezondheids-, onderwijs- en andere openbare faciliteiten en diensten, met inbegrip van hulpverlening voor intern ontheemden en door conflict getroffen bevolkingsgroepen; nota te nemen van het rapport van Amnesty International en Human Rights Watch over misdaden tegen de menselijkheid en etnische zuivering in West-Tigray; zich verheugd te tonen over de oprichting door de VN-Mensenrechtenraad van een internationale commissie van mensenrechtendeskundigen voor Ethiopië (ICHREE) belast met het uitvoeren van een grondig en onpartijdig onderzoek naar de beschuldigingen aangaande schendingen en gevallen van misbruik die sinds 3 november 2020 in Ethiopië door alle bij het conflict betrokken partijen zijn begaan, als aanvulling op de Ethiopische interministeriële taskforce (IMTF) inzake verantwoordingsplicht en de bevindingen van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, die in november 2021 zijn gepubliceerd in het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten/Ethiopische mensenrechtencommissie; steun te bieden voor overgangsjustitie om de daders van mensenrechtenschendingen ter verantwoording te roepen voor de ernstige misdaden die zij in de context van het conflict in Ethiopië hebben begaan, met name door alle betrokken instellingen in hun rol te steunen, zoals de Ethiopische mensenrechtencommissie, de VN-Mensenrechtenraad en het Internationaal Strafhof; kennis te nemen van een aantal positieve ontwikkelingen in het land, zoals de humanitaire wapenstilstand van 24 maart 2022 en de vrijlating van een aantal politieke gevangenen, de verbeterde toegang voor humanitaire hulp tijdens het bestand, en de publieke verklaringen van de Ethiopische regering en de leiders van Tigray dat zij zich engageren tot vredesbesprekingen onder leiding van de AU; de ontwikkelingen in Ethiopië zorgvuldig te beoordelen om verdere maatregelen te nemen indien de situatie verslechtert; tegelijkertijd te blijven aandringen op een vreedzame oplossing van het conflict en het onverwijld openen van vredesgesprekken, en de mogelijke rol van de EU in het bemiddelingsproces te onderzoeken; klaar te staan om geleidelijk opnieuw begrotingssteun en EU-bijstand te verstrekken indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden, waaronder het beëindigen van de vijandelijkheden, volledige en ongehinderde humanitaire toegang in heel Ethiopië met inbegrip van de regio Tigray, verantwoordingsplicht voor de misdaden die in het kader van het conflict zijn gepleegd en de terugtrekking van Eritrese troepen uit het land;

Kenia

(iv)

de nadruk te leggen op het potentieel van Kenia om als belangrijke economische en politieke speler in de Hoorn van Afrika de regionale stabiliteit te versterken en een constructieve rol te spelen bij het bereiken van vrede en veiligheid; de verbintenis om een hernieuwd strategisch partnerschap met Kenia aan te gaan, te steunen; de betrekkingen tussen de EU en Kenia te intensiveren door het volledige potentieel van de strategische dialoog tussen de EU en Kenia te benutten; zich verheugd te tonen over het besluit om een verkiezingswaarnemingsmissie van de EU in te zetten voor de presidentsverkiezingen in augustus 2022; de vreedzame oplossing van het verkiezingsgeschil na de presidentsverkiezingen te prijzen en te wijzen op de verantwoordelijke rol die de Keniaanse rechtbanken daarbij hebben gespeeld; de Keniaanse autoriteiten op te roepen om het komende definitieve verslag van de verkiezingswaarnemingsmissie grondig te evalueren en de nodige conclusies te trekken om de verkiezingsprocessen in het land verder te hervormen en te verbeteren; de inspanningen van Kenia toe te juichen om samen te werken om milieu-uitdagingen aan te pakken en in het bijzonder de aanneming in Nairobi in maart 2022 tijdens de VN-Milieuvergadering van een resolutie om plasticvervuiling te stoppen en tegen 2024 een juridisch bindende internationale overeenkomst op te stellen;

Somalië

(v)

erop te wijzen dat de hachelijke veiligheidssituatie in Somalië heel zorgwekkend is en dat zij in de hele Hoorn van Afrika en zelfs daarbuiten een belangrijke destabiliserende factor kan vormen als zij niet resoluut onder controle wordt gebracht; zich verheugd te tonen over de afronding van de Somalische presidentsverkiezingen en de vreedzame machtsoverdracht; de nieuw verkozen president op te roepen een inclusief kabinet te vormen en de nieuwe regering op te roepen vooruitgang te boeken met betrekking tot kritieke nationale prioriteiten, met inbegrip van het aanpakken van de nijpende humanitaire situatie in het land; de hervatting van steun vanuit Europa te evalueren; zich verheugd te tonen over de positieve impact van de inspanningen van de EU in Somalië; de evidente toegevoegde waarde van adviesmissies voor commandostructuren te onderstrepen en aldus de betrokkenheid van Europese deelnemers bij opleidingsmissies van de EU aan te moedigen; ten volle steun te geven aan de inspanningen van ATMIS om de mensenrechten in Somalië te bevorderen alsook aan de vredeshandhavingsactiviteiten tegen Al Shabaab, dat een bedreiging vormt voor de veiligheid van de democratie en de rechtsstaat in het land; samen te werken met de AU en Somalische instellingen met het oog op een herziening van het mandaat van ATMIS, en dit mandaat te richten op de opbouw van instellingen, en voldoende financiële steun te bieden via de Europese Vredesfaciliteit; de inspanningen te coördineren met de AU en IGAD om in Somalië een proces van staatsopbouw te stimuleren waarbij het maatschappelijk middenveld centraal wordt geplaatst; ervoor te zorgen dat de herziening van ATMIS parallel gebeurt met de geleidelijke versterking van het Somalische leger en het civiele veiligheidsapparaat, die uiteindelijk de veiligheid in het land moeten garanderen; overleg te plegen met de Somalische autoriteiten om nieuwe vormen van bilaterale samenwerking met de EU in kaart te brengen ter versterking van het vermogen van Somalië om de maritieme veiligheid te waarborgen en elk risico op nieuwe piraterij in zijn territoriale wateren te voorkomen; een grondige beoordeling van de prestaties van de troepen van ATMIS te ondersteunen met het oog op het voorkomen van misdrijven door legale strijdkrachten in Somalië;

Zuid-Sudan

(vi)

nota te nemen van het feit dat het mandaat van de regering met nog eens twee jaar is verlengd, maar te benadrukken dat de regering vooruitgang moet boeken bij de uitvoering van het vredesakkoord en voorbereidingen moet treffen voor vrije en eerlijke verkiezingen; de snelle uitvoering van het vredesakkoord in Zuid-Sudan ten volle te steunen, namelijk door middel van de belangrijkste monitoringstructuren zoals de nieuwe Gezamenlijke monitoring- en evaluatiecommissie en het mechanisme voor toezicht op en verificatie van het staakt-het-vuren en de overgangsregelingen inzake veiligheid, in nauwe samenwerking met de AU en IGAD; te coördineren met en steun te bieden aan andere internationale en regionale actoren in Zuid-Sudan zoals de AU, IGAD, de VN en de Trojka (bestaande uit de VS, het VK en Noorwegen) om sterke druk te blijven uitoefenen op de gerevitaliseerde overgangsregering van nationale eenheid om door te gaan met de uitvoering van de gerevitaliseerde overeenkomst over de oplossing van het conflict in Zuid-Sudan, met name de taken voorafgaand aan de transitie waaronder de vertegenwoordiging van vrouwen, zoals uiteengezet in de overeenkomst;

Sudan

(vii)

de militaire staatsgreep van oktober 2021 en het geweld tijdens de daarop volgende repressie opnieuw te veroordelen; te coördineren met andere spelers in de regio om druk uit te oefenen op het leger om een duidelijk tijdsschema vast te stellen voor de hervatting van het burgerlijk bestuur, hetgeen zo snel mogelijk moet leiden tot eerlijke, open en transparante verkiezingen; nota te nemen van het uitgesproken voornemen van het leger om de macht over te dragen aan de civiele autoriteiten, en erop aan te dringen dat deze transitie zonder onnodige vertraging wordt uitgevoerd; de burgerlijke politieke autoriteiten op te roepen om de onderlinge coördinatie en samenwerking op te voeren teneinde duidelijke plannen te presenteren voor een vreedzame transitie; te benadrukken dat een snelle oplossing nodig is, aangezien verdere vertraging de achteruitgang van de economie en de humanitaire situatie in het land nog zou verergeren en de toch al enorme uitdagingen waarmee de Sudanese bevolking wordt geconfronteerd, nog zou doen toenemen; het maatschappelijk middenveld en activisten ter plaatse te ondersteunen en op te roepen tot de vrijlating van gearresteerde vreedzame activisten en politieke gevangenen; hun krachtige steun te bevestigen voor de lopende inspanningen van het tripartiete mechanisme om de geschillen tussen de Sudanese partijen te beslechten en initiatieven om de hervatting van de overgang naar democratie te faciliteren en het pad naar de burgerlijke en democratische transformatie van het land te effenen; te benadrukken dat er een proces van overgangsjustitie moet worden opgestart om daders van mensenrechtenschendingen voor de rechter te brengen en de basis te leggen voor nationale verzoening; het optreden van de EU ter plaatse op het gebied van humanitaire hulp en rechtstreekse steun aan de bevolking te versterken, zodat de levensomstandigheden van lokale gemeenschappen verbeteren en tegelijkertijd de blootstelling aan Russische en Chinese invloeden minder wordt; ernstige bezorgdheid te uiten over de geplande komst van een Russische marinebasis in Port Sudan, gezien de negatieve gevolgen voor de vrede en veiligheid van de Rode Zee;

Uganda

(viii)

de belangrijke rol van Uganda bij het bemiddelingsproces dat heeft geleid tot het vredesakkoord in Zuid-Sudan te onderkennen; zich verheugd te tonen over de bijdrage van het Ugandese leger aan ATMIS en met het land te coördineren over de toekomst van de missie; steun te bieden aan het nieuwe districtenmodel en andere pogingen om armoede met een grassrootsaanpak te bestrijden; teleurstelling uit te drukken over de omstandigheden waarin de presidentsverkiezingen van januari 2021 werden gehouden en de nationale autoriteiten van Uganda op te roepen om een open politiek klimaat te stimuleren dat bevorderlijk is voor eerlijke en transparante verkiezingen, en tevens om de toegang tot media en sociale media niet te beperken; te onderstrepen dat het recht van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen op vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming is verankerd in het internationaal recht, en de Ugandese nationale autoriteiten op te roepen om alle fundamentele mensenrechten te allen tijde te eerbiedigen; in dit verband bezorgdheid te uiten over de ernstige mensenrechtenschendingen die zijn gemeld in het kader van de Oost-Afrikaanse aardoliepijplijn alsmede de risico’s op onomkeerbare schade aan het milieu en het klimaat die met dit project gepaard gaan; de EU dringend te verzoeken de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid aan te nemen zodat Europese bedrijven ter verantwoording worden geroepen wanneer hun activiteiten verband houden met dergelijke schendingen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en, ter informatie, aan de Afrikaanse Unie, de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit en de VN.


(1)  PB C 385 van 22.9.2021, blz. 24.

(2)  PB C 494 van 8.12.2021, blz. 80.

(3)  PB C 224 van 8.6.2022, blz. 99.

(4)  PB C 117 van 11.3.2022, blz. 114.

(5)  PB C 336 van 2.9.2022, blz. 14.

(6)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 132.

(7)  PB C 132 van 24.3.2022, blz. 205.

(8)  PB C 465 van 17.11.2021, blz. 154.

(9)  PB C 202 van 28.5.2021, blz. 54.

(10)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 50.

(11)  PB C 50 van 9.2.2018, blz. 57.

(12)  PB C 307 van 30.8.2018, blz. 92.

(13)  PB C 76 van 28.2.2018, blz. 35.

(14)  PB C 294 van 23.7.2021, blz. 8.


III Voorbereidende handelingen

Europees Parlement

Dinsdag, 4 oktober 2022

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/130


P9_TA(2022)0332

Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (COM(2020)0726 — C9-0366/2020 — 2020/0320(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/17)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0726),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 168, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0366/2020),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2021 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 7 mei 2021 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 december 2021 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Begrotingscommissie,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0253/2021),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 286 van 16.7.2021, blz. 109.

(2)  PB C 300 van 27.7.2021, blz. 76.

(3)  Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 14 september 2021 (Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0376).


P9_TC1-COD(2020)0320

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2370.)


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/132


P9_TA(2022)0333

Ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU (COM(2020)0727 — C9-0367/2020 — 2020/0322(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/18)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0727),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 168, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0367/2020),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2021 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 7 mei 2021 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0247/2021),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1)  PB C 286 van 16.7.2021, blz. 109.

(2)  PB C 300 van 27.7.2021, blz. 76.

(3)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 september en 11 november 2021 (Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0377 en P9_TA(2021)0449).


P9_TC1-COD(2020)0322

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2371.)


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/133


P9_TA(2022)0336

Beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (COM(2021)0113 — C9-0095/2021 — 2021/0058(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/19)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0113),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0095/2021),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 juni 2021 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 juni 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0312/2021),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 341 van 24.8.2021, blz. 106.


P9_TC1-COD(2021)0058

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2343.)


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/134


P9_TA(2022)0337

Flexible Assistance to Territories (FAST-CARE) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en Verordening (EU) 2021/1060 met het oog op extra flexibiliteit om de gevolgen van de militaire agressie van de Russische Federatie op te vangen FAST (Flexible Assistance for Territories) — CARE (COM(2022)0325 — C9-0218/2022 — 2022/0208(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/20)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0325),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0218/2022),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 juli 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9-0232/2022),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P9_TC1-COD(2022)0208

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) 2021/1060 met het oog op extra flexibiliteit om de gevolgen van de militaire agressie van de Russische Federatie op te vangen FAST (Flexible Assistance for Territories) — CARE

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2039.)


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/135


P9_TA(2022)0338

Richtlijn radioapparatuur: universele oplader voor elektronische apparaten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/53/EU betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur (COM(2021)0547 — C9-0366/2021 — 2021/0291(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/21)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0547),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0366/2021),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 december 2021 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9-0129/2022),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 152 van 6.4.2022, blz. 82.


P9_TC1-COD(2021)0291

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/53/EU betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2022/2380.)


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/136


P9_TA(2022)0340

EU-éénloketomgeving voor de douane ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013 (COM(2020)0673 — C9-0338/2020 — 2020/0306(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/22)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0673),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 33, 114 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0338/2020),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 24 maart 2021 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 juni 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien de brief van de Commissie internationale handel,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9-0279/2021),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 220 van 9.6.2021, blz. 62.


P9_TC1-COD(2020)0306

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2399.)


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/137


P9_TA(2022)0341

Statistieken over de landbouwinput en -output ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende statistieken over de landbouwinput en -output en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1165/2008, (EG) nr. 543/2009, (EG) nr. 1185/2009 en Richtlijn 96/16/EG van de Raad (COM(2021)0037 — C9-0009/2021 — 2021/0020(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/23)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0037),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0009/2021),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 17 juni 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9-0285/2021),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij deze resolutie is gevoegd en die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden gepubliceerd;

3.

neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij deze resolutie is gevoegd en die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden gepubliceerd;

4.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P9_TC1-COD(2021)0020

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende statistieken over de landbouwinput en -output, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1165/2008, (EG) nr. 543/2009 en (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/16/EG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2379.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD IN VERBAND MET VERORDENING (EU) 2022/2379 OVER HET BELANG VAN DE INSTELLING IN ALLE LIDSTATEN VAN EEN DOOR DE NATIONALE BEVOEGDE AUTORITEITEN BIJGEHOUDEN REGISTER VAN HET GEBRUIK VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN IN DE LANDBOUW

In het kader van de Europese Green Deal wordt in de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie benadrukt dat er een transitie naar een duurzaam voedselsysteem moet plaatsvinden, met name door het gebruik en het risico van pesticiden tegen 2030 met 50 % te verminderen en door de biologische landbouw en landschapselementen met een grote biodiversiteit op landbouwgrond te bevorderen.

Uit hoofde van Verordening (EU) 2022/2379 van het Europees Parlement en de Raad (1) kan de volledige verzameling van gegevens over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door professionele gebruikers in de landbouw, dat wil zeggen een dekking van 95 % van het gebruik in elke lidstaat, alleen worden verwezenlijkt wanneer professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen krachtens het Unierecht wettelijk verplicht zijn hun gegevens in elektronische vorm aan de bevoegde nationale autoriteiten toe te zenden.

Het Europees Parlement en de Raad zijn zich bewust van het belang van de invoering van een dergelijke eis in de wetgeving van de Unie en verbinden zich ertoe om samen te werken aan de verwezenlijking van dat doel.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE MET BETREKKING TOT VERORDENING (EU) 2022/2379 OVER DE LOPENDE WERKZAAMHEDEN OM DE BESCHIKBAARHEID VAN DE REGISTERS DIE PROFESSIONELE GEBRUIKERS VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 67, LID 1, VAN VERORDENING (EG) NR. 1107/2009 MOETEN BIJHOUDEN, IN ELEKTRONISCH FORMAAT TE VERZEKEREN

In de Europese Green Deal en de “van boer tot bord”-strategie is een vermindering van het gebruik en de risico’s van chemische pesticiden een belangrijke doelstelling voor de Unie. Met het oog op een doeltreffend en invloedrijk beleid zijn robuuste en uitgebreide gegevens over het gebruik van pesticiden op bedrijfsniveau van cruciaal belang. De lopende werkzaamheden om ervoor te zorgen dat de door professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen bijgehouden registers in elektronische vorm beschikbaar zijn, is een belangrijke factor voor de uitvoering van de rapportageverplichtingen voor pesticiden die deel uitmaken van Verordening (EU) 2022/2379 van het Europees Parlement en de Raad (2) (SAIO).

Daarom heeft de Commissie op basis van artikel 67, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) een ontwerp-uitvoeringsverordening van de Commissie opgesteld betreffende de inhoud en de vorm van de door professionele gebruikers bij te houden verslagen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig artikel 67, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Indien die uitvoeringsverordening wordt aangenomen zoals momenteel is gepland, regelt zij de krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 vereiste registratie in detail, onder meer door de door de professionele gebruikers te registreren elementen vast te stellen en door ervoor te zorgen dat die registers uiterlijk vanaf 1 januari 2025 in elektronische vorm beschikbaar zijn.

Het ontwerp van die uitvoeringsverordening wordt momenteel besproken in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, afdeling Fytofarmaceutische producten — Wetgeving. De Commissie is voornemens het advies van het comité overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4) in te winnen in de komende maanden.

De Commissie is voornemens die uitvoeringsverordening vóór eind 2022 vast te stellen.


(1)  Verordening (EU) 2022/2379 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 betreffende statistieken over de landbouwinput en -output, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1165/2008, (EG) nr. 543/2009 en (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/16/EG van de Raad (PB L 315 van 7.12.2022, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) 2022/2379 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 betreffende statistieken over landbouwinput en -output, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1165/2008, (EG) nr. 543/2009 en (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/16/EG van de Raad (PB L 315 van 7.12.2022, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/139


P9_TA(2022)0342

Wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (COM(2021)0656 — C9-0396/2021 — 2021/0340(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/24)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0656),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0396/2021),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 december 2021 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0092/2022),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (2);

2.

neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 152 van 6.4.2022, blz. 197

(2)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 3 mei 2022 (Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0130).


P9_TC1-COD(2021)0340

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2400.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

Verklaring van de Commissie ter gelegenheid van de vaststelling van Verordening (EU) 2022/2400 (1) , betreffende de opneming van afvalcode 17 05 04“niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen” in deel 2 van bijlage V bij Verordening (EU) 2019/1021

De opneming van de afvalcode voor “niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen” in deel 2 van bijlage V mag, om afvalproductie te voorkomen, niet zodanig worden opgevat dat verwijdering van grond als afval de voorkeur zou genieten boven sanering.

Als verwijdering vanuit milieuoogpunt de beste oplossing inzake afvalbeheer is, is de afwijking in uitzonderlijke gevallen van de verplichting tot vernietiging onderworpen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 4, van Verordening (EU) 2019/1021.


(1)  Verordening (EU) 2022/2400 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EU) 2019/1021 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 317 van 9.12.2022, blz. 24).


Donderdag, 6 oktober 2022

14.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/141


P9_TA(2022)0348

Regels voor slotgebruik op luchthavens van de Unie: tijdelijke ontheffing ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad voor wat betreft de tijdelijke ontheffing van de regels voor slotgebruik op communautaire luchthavens als gevolg van de COVID-19-pandemie (COM(2022)0334 — C9-0225/2022 — 2022/0214(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2023/C 132/25)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0334),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0225/2022),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 september 2022 (1),

na raadpleging van het Comité van Regio's,

gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


P9_TC1-COD(2022)0214

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 oktober 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 95/93 wat betreft de tijdelijke ontheffing van de regels voor slotgebruik op luchthavens van de Unie wegens een epidemiologische situatie of militaire agressie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2038.)