ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 482

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

65e jaargang
19 december 2022


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2022/C 482/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2022/C 482/02

Zaak C-32/21: Beschikking van het Hof van 3 november 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Judiciaire de Perpignan — Frankrijk) — RV / Institut national de la statistique et des études économiques (INSEE) e.a. (Doorhaling)

2

2022/C 482/03

Zaak C-749/21 P: Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2021 door Coordination nationale médicale santé — environnement (CNMSE), European Forum for Vaccine Vigilance (EFVV), Children’s Health Defense Europe (CHD Europe), Ligue nationale pour la liberté des vaccinations, Terra Sos-tenible tegen de beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 27 september 2021 in zaak T-633/20, CNMSE e.a. / Parlement en Raad

2

2022/C 482/04

Zaak C-405/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 17 juni 2022 door Mandelay Magyarország Kereskedelmi Kft. (Mandelay Kft.) tegen de beschikking van het Gerecht (Negende kamer) van 6 april 2022 in zaak T-516/20, Mandelay/EUIPO — Qx World

3

2022/C 482/05

Zaak C-498/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 21 juli 2022 — Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução / C.F.O.

3

2022/C 482/06

Zaak C-499/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 22 juli 2022 — Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução / J.M.F.T., M.H.D.S.

4

2022/C 482/07

Zaak C-500/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 22 juli 2022 — Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução / Proyectos, Obras y Servicios de Badajoz SL

5

2022/C 482/08

Zaak C-595/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2022 door Jean-Marc Colombani tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 6 juli 2022 in zaak T-129/21, Colombani / EDEO

5

2022/C 482/09

Zaak C-604/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het hof van beroep te Brussel (België) op 19 september 2022 — IAB Europe tegen Gegevensbeschermingsautoriteit; Andere partijen: TR e.a.

6

2022/C 482/10

Zaak C-610/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Pistoia (Italië) op 23 september 2022 — QX / Agos Ducato SpA

7

2022/C 482/11

Zaak C-614/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State (België) op 24 september 2022 — XXX / Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen

8

2022/C 482/12

Zaak C-615/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 23 september 2022 door HV en HW tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 13 juli 2022 in zaak T-864/19, AI e.a. / ECDC

8

2022/C 482/13

Zaak C-629/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Förvaltningsrätt i Göteborg, Migrationsdomstol (Zweden) op 7 oktober 2022 — A.L. / Migrationsverket

9

2022/C 482/14

Zaak C-638/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (Polen) op 13 oktober 2022 — Rzecznik Praw Dziecka e.a.

10

2022/C 482/15

Zaak C-645/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) op 13 oktober 2022 — R.A. e.a. / Luminor Bank AS, optredend via haar Litouwse filiaal Luminor Bank AS

10

2022/C 482/16

Zaak C-652/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Visoki upravni sud (Kroatië) op 18 oktober 2022 — Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret A.Ș / Državne komisije za kontrolu postupaka javne nabave

11

2022/C 482/17

Zaak C-661/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (Litouwen) op 20 oktober 2022 –Bruc Bond UAB/Lietuvos bankas

12

 

Gerecht

2022/C 482/18

Zaak T-242/17 RENV: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — SC / Eulex Kosovo (Arbitragebeding – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Personeel van internationale missies van de Europese Unie – Opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd – Intern vergelijkend onderzoek – Niet-verlenging van de overeenkomst voor bepaalde tijd – Contractuele aansprakelijkheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Beroep tot schadevergoeding – Bevoegdheid van het Gerecht – Ontvankelijkheid – Verstekprocedure)

13

2022/C 482/19

Zaak T-655/19: Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti / Commissie [Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van betonstaal – Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag – Vaststelling van prijzen – Beperking of beheersing van de productie en de afzet – Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten – Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Redelijke termijn – Motiveringsplicht]

13

2022/C 482/20

Zaak T-656/19: Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Alfa Acciai / Commissie [Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van betonstaal – Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag – Vaststelling van prijzen – Beperking of beheersing van de productie en de afzet – Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten – Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Redelijke termijn – Motiveringsplicht]

14

2022/C 482/21

Zaak T-657/19: Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Feralpi / Commissie [Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van betonstaal – Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag – Vaststelling van prijzen – Beperking of beheersing van de productie en de afzet – Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten – Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Redelijke termijn – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Beginsel ne bis in idem – Exceptie van onwettigheid – Eén enkele complexe en voortdurende inbreuk – Bewijs van deelneming aan de mededingingsregeling – Openlijke distantiëring – Volledige rechtsmacht]

15

2022/C 482/22

Zaak T-667/19: Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Ferriere Nord / Commissie [Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van betonstaal – Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag – Vaststelling van prijzen – Beperking of beheersing van de productie en de afzet – Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten – Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Redelijke termijn – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Beginsel ne bis in idem – Exceptie van onwettigheid – Eén enkele complexe en voortdurende inbreuk – Bewijs van deelneming aan de mededingingsregeling – Verzwarende omstandigheden – Recidive – Verzachtende omstandigheden – Gelijke behandeling – Volledige rechtsmacht]

15

2022/C 482/23

Zaak T-850/19: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Griekenland / Commissie [Staatssteun – Activiteiten die verband houden met de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten – Steunregelingen in de vorm van rentesubsidies en staatsgaranties voor bestaande en nieuwe leningen die door Griekenland zijn toegepast teneinde de schade te herstellen die was veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen – Besluit waarbij de steunregelingen onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig worden verklaard en de terugvordering van de verstrekte steun wordt gelast – Steun beperkt tot getroffen geografische gebieden – Voordeel – Selectief karakter – Beginsel van behoorlijk bestuur – Duur van de procedure – Gewettigd vertrouwen – Verjaringstermijn – Artikel 17 van verordening (EU) 2015/1589]

16

2022/C 482/24

Zaak T-347/20: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Sogia Ellas / Commissie [Staatssteun – Activiteiten die verband houden met de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten – Steunregelingen in de vorm van rentesubsidies en staatsgaranties voor bestaande en nieuwe leningen die door Griekenland zijn toegepast teneinde de schade te herstellen die was veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen – Besluit waarbij de steunregelingen onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig worden verklaard en de terugvordering van de verstrekte steun wordt gelast – Steun beperkt tot getroffen geografische gebieden – Voordeel – Selectief karakter – Criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie – Beginsel van behoorlijk bestuur – Recht om te worden gehoord – Duur van de procedure – Gewettigd vertrouwen – Verjaringstermijn – Artikel 17 van verordening (EU) 2015/1589]

17

2022/C 482/25

Zaak T-717/20: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Lenovo Global Technology Belgium / Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC (Overheidsopdrachten – Aanbestedingsprocedure – Aankoop, levering, installatie en onderhoud van de door CINECA te hosten Leonardo Supercomputer – Afwijzing van de offerte van een inschrijver – Gelijke behandeling – Beginsel van behoorlijk bestuur – Kennelijk onjuiste beoordeling)

17

2022/C 482/26

Zaak T-437/21: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Greenwich Polo Club/EUIPO — Lifestyle Equities (GREENWICH POLO CLUB) [Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniebeeldmerk GREENWICH POLO CLUB – Ouder Uniewoordmerk BEVERLY HILLS POLO CLUB – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 – Omvang van het door de kamer van beroep te verrichten onderzoek – Artikel 71 van verordening 2017/1001 – Artikel 27, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625]

18

2022/C 482/27

Zaak T-716/21: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Kaczorowska / EUIPO — Groupe Marcelle (MAESELLE) [Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniebeeldmerk MAESELLE – Ouder Uniebeeldmerk MARCELLE – Relatieve weigeringsgrond – Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]

19

2022/C 482/28

Zaak T-718/21: Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Kaczorowska / EUIPO — Groupe Marcelle (MAESELLE) [Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniewoordmerk MAESELLE – Ouder Uniebeeldmerk MARCELLE – Relatieve weigeringsgrond – Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]

19

2022/C 482/29

Zaak T-457/21: Arrest van het Gerecht van 27 oktober 2022 — Coulter Ventures/EUIPO — iWeb (R) (Uniemerk – Oppositieprocedure – Intrekking van de oppositie – Afdoening zonder beslissing)

20

2022/C 482/30

Zaak T-575/22: Beroep ingesteld op 16 september 2022 — Robin Wood e.a. / Commissie

21

2022/C 482/31

Zaak T-596/22: Beroep ingesteld op 23 september 2022 — RH e.a./Commissie

22

2022/C 482/32

Zaak T-606/22: Beroep ingesteld op 29 september 2022 — RN / EUIPO

23

2022/C 482/33

Zaak T-632/22: Beroep ingesteld op 7 oktober 2022 — Sberbank Europe/ECB

24

2022/C 482/34

Zaak T-648/22: Beroep ingesteld op 13 oktober 2022 — ClientEarth / Raad

25

2022/C 482/35

Zaak T-651/22: Beroep ingesteld op 18 oktober 2022 — Shamalov / Raad

26

2022/C 482/36

Zaak T-658/22: Beroep ingesteld op 27 oktober 2022 — Allegro/EUIPO (SMART!)

28

2022/C 482/37

Zaak T-660/22: Beroep ingesteld op 27 oktober 2022 — Seopult / Commissie

28

2022/C 482/38

Zaak T-668/22: Beroep ingesteld op 31 oktober 2022 — Nagolimad — Serviços Internacionais / Commissie

29

2022/C 482/39

Zaak T-669/22: Beroep ingesteld op 3 november 2022 — IP / Commissie

29


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2022/C 482/01)

Laatste publicatie

PB C 472 van 12.12.2022

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 463 van 5.12.2022

PB C 451 van 28.11.2022

PB C 441 van 21.11.2022

PB C 432 van 14.11.2022

PB C 424 van 7.11.2022

PB C 418 van 31.10.2022

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: https://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/2


Beschikking van het Hof van 3 november 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Judiciaire de Perpignan — Frankrijk) — RV / Institut national de la statistique et des études économiques (INSEE) e.a.

(Zaak C-32/21) (1)

(Doorhaling)

(2022/C 482/02)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal Judiciaire de Perpignan

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: RV

Verwerende partijen: Institut national de la statistique et des études économiques (INSEE), Préfet des Pyrénées-Orientales, Commune de Serralongue

Dictum

Zaak C-32/21 wordt doorgehaald in het register van het Hof.


(1)  Datum van indiening: 19.1.2021.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/2


Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2021 door Coordination nationale médicale santé — environnement (CNMSE), European Forum for Vaccine Vigilance (EFVV), Children’s Health Defense Europe (CHD Europe), Ligue nationale pour la liberté des vaccinations, Terra Sos-tenible tegen de beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 27 september 2021 in zaak T-633/20, CNMSE e.a. / Parlement en Raad

(Zaak C-749/21 P)

(2022/C 482/03)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirantes: Coordination nationale médicale santé — environnement (CNMSE), European Forum for Vaccine Vigilance (EFVV), Children’s Health Defense Europe (CHD Europe), Ligue nationale pour la liberté des vaccinations, Terra Sos-tenible (vertegenwoordiger: J.-C. Teissedre, avocat)

Andere partijen in de procedure: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie

Bij beschikking van 15 september 2022 heeft het Hof (Achtste kamer) de hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard en rekwirantes verwezen in hun eigen kosten.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/3


Hogere voorziening ingesteld op 17 juni 2022 door Mandelay Magyarország Kereskedelmi Kft. (Mandelay Kft.) tegen de beschikking van het Gerecht (Negende kamer) van 6 april 2022 in zaak T-516/20, Mandelay/EUIPO — Qx World

(Zaak C-405/22 P)

(2022/C 482/04)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Mandelay Magyarország Kereskedelmi Kft. (Mandelay Kft.) (vertegenwoordigers: V. Luszcz, C. Sár en E. Ulviczki, ügyvédek)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Bij beschikking van 8 november 2022 heeft het Hof van Justitie (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen) beslist dat de hogere voorziening niet wordt toegelaten en dat Mandelay Kft. haar eigen kosten zal dragen.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 21 juli 2022 — Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução / C.F.O.

(Zaak C-498/22)

(2022/C 482/05)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução

Verwerende partij: C.F.O.

Prejudiciële vragen

1)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 (1) die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst dat niet op de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2001/24 vereiste wijze bekend is gemaakt, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”), het algemene rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest verankerde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit?

2)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij bepaalde verplichtingen en aansprakelijkheden zijn uitgesloten van de overdracht van de gewone activiteiten en een aantal vermogensbestanddelen van de bank waarop de saneringsmaatregelen worden toegepast aan een “overbruggingsbank”, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest en het algemene rechtszekerheidsbeginsel wanneer het latere handelen van de “overbruggingsbank”, waarover de zeggenschap wordt uitgeoefend door een overheidsinstantie die het Unierecht toepast, bij de cliënten van de lidstaat van ontvangst het gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat zij de aansprakelijkheden en verplichtingen van de aan de saneringsmaatregel onderworpen bank met betrekking tot die cliënten had overgenomen?

3)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij de activapositie van een hypothecaire leningsovereenkomst wordt overgedragen aan een “overbruggingsbank”, maar de verplichting tot terugbetaling van de uit hoofde van een bodembeding van die overeenkomst door de leningnemende consument betaalde bedragen op de niet-levensvatbare bank blijft rusten, verenigbaar met het grondrecht op eigendom van artikel 17 van het Handvest, het beginsel van een hoog niveau van consumentenbescherming van artikel 38 van het Handvest en het algemene rechtszekerheidsbeginsel? (2)


(1)  Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB 2001, L 125, blz. 15).

(2)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 22 juli 2022 — Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução / J.M.F.T., M.H.D.S.

(Zaak C-499/22)

(2022/C 482/06)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução

Verwerende partijen: J.M.F.T., M.H.D.S.

Prejudiciële vragen

1)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst dat niet op de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2001/24 (1) vereiste wijze bekend is gemaakt, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”), het algemene rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest verankerde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit?

2)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij bepaalde verplichtingen en aansprakelijkheden zijn uitgesloten van de overdracht van de gewone activiteiten en een aantal vermogensbestanddelen van de bank waarop de saneringsmaatregelen worden toegepast aan een “overbruggingsbank”, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest en het algemene rechtszekerheidsbeginsel, wanneer het latere handelen van de “overbruggingsbank”, waarover de zeggenschap wordt uitgeoefend door een overheidsinstantie die het Unierecht toepast, bij de cliënten van de lidstaat van ontvangst het gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat zij de aansprakelijkheden en verplichtingen van de aan de saneringsmaatregel onderworpen bank met betrekking tot die cliënten had overgenomen?

3)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in de lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij de activapositie in de contractuele betrekkingen die zijn aangegaan door de bank die aan de saneringsmaatregelen is onderworpen worden overgedragen aan een “overbruggingsbank”, maar de verplichting tot terugbetaling van de bedragen die de cliënt heeft betaald uit hoofde van overeenkomsten die nietig zijn verklaard wegens ontoereikendheid van de door de bank verstrekte informatie, op de niet-levensvatbare bank blijft rusten, verenigbaar met het grondrecht op eigendom van artikel 17 van het Handvest, het beginsel van een hoog niveau van consumentenbescherming van artikel 38 van het Handvest en het algemene rechtszekerheidsbeginsel?


(1)  Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB 2001, L 125, blz. 15).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 22 juli 2022 — Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução / Proyectos, Obras y Servicios de Badajoz SL

(Zaak C-500/22)

(2022/C 482/07)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Novo Banco SA — Sucursal en España, Banco de Portugal, Fundo de Resolução

Verwerende partij: Proyectos, Obras y Servicios de Badajoz SL

Prejudiciële vragen

1)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst dat op de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2001/24 (1) vereiste wijze bekend is gemaakt, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”), het algemene rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest verankerde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit?

2)

Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij de verplichtingen en aansprakelijkheden die zijn verbonden aan een niet-achtergestelde obligatie, die door een derde is gekocht toen die verplichtingen en aansprakelijkheden zich nog in het vermogen van de “overbruggingsbank” bevonden, terug worden overgedragen aan de niet-levensvatbare bank waarop de afwikkelingsmaatregelen zijn toegepast, verenigbaar met het grondrecht op eigendom van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”), het algemene rechtszekerheidsbeginsel?


(1)  Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB 2001, L 125, blz. 15).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/5


Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2022 door Jean-Marc Colombani tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 6 juli 2022 in zaak T-129/21, Colombani / EDEO

(Zaak C-595/22 P)

(2022/C 482/08)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Jean-Marc Colombani (vertegenwoordiger: N. de Montigny, avocate)

Andere partij in de procedure: Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

Conclusies

Rekwirant verzoekt het Hof:

de hogere voorziening toe te wijzen en het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 juli 2022 in zaak T-129/21, Colombani/EDEO, te vernietigen;

de zaak zelf af te doen en:

het besluit van EDEO van 17 april 2020 tot afwijzing van de sollicitatie van rekwirant naar het ambt van Directeur Noord-Afrika en Midden-Oosten (kennisgeving van vacature 2020/48) nietig te verklaren;

het besluit van EDEO van 6 juli 2020 tot afwijzing van de sollicitatie van rekwirant naar het ambt van hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Canada (kennisgeving van vacature 2020/134) nietig te verklaren;

de verwerende partij in de hogere voorziening te verwijzen in de kosten die rekwirant ten behoeve van de onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg heeft gemaakt.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant twee middelen aan.

Met zijn eerste middel voert rekwirant aan dat het Gerecht verscheidene fouten heeft gemaakt door het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 17 april 2020 niet-ontvankelijk te verklaren.

Door te oordelen dat rekwirant, door in het kader van zaak T-507/20, Colombani/EDEO, met EDEO op 9 februari 2021 een minnelijke regeling te sluiten, zich ertoe heeft verbonden af te zien van zijn recht om op te komen tegen het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie naar het ambt van kandidaat-directeur, (i) heeft het Gerecht blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen in zijn uitlegging van de regeling; (ii) heeft het infra petita beslist; (iii) is het voorbij gegaan aan het belang van rekwirant bij de nietigverklaring van het litigieuze besluit; en (iv) heeft het een onjuiste analyse gemaakt van de voorwaarden waaronder kan worden aangevoerd dat er sprake is van een wilsgebrek van rekwirant bij de ondertekening van deze regeling.

Met zijn tweede middel voert rekwirant aan dat het Gerecht zijn procedurele rechten heeft geschonden door het onderzoek ten gronde van de zaak te beperken tot het besluit van 6 juli 2020, met uitsluiting van elke analyse van de middelen ten gronde voor zover deze ook betrekking hebben op het besluit van 17 april 2020.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het hof van beroep te Brussel (België) op 19 september 2022 — IAB Europe tegen Gegevensbeschermingsautoriteit; Andere partijen: TR e.a.

(Zaak C-604/22)

(2022/C 482/09)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: IAB Europe

Verweerster: Gegevensbeschermingsautoriteit

Andere partijen: TR, UV, SP, Fundacja Panoptykon, Stichting Bits of Freedom, Ligue des Droits Humains VZW

Prejudiciële vragen

1)

a)

Moet artikel 4.1 van verordening 2016/679 (1) van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin uitgelegd worden dat een tekenreeks die de voorkeuren van een internetgebruiker in verband met de verwerking van zijn persoonsgegevens op gestructureerde en machine-leesbare manier capteert, een persoonsgegeven in de zin van de voormelde bepaling vormt ten aanzien van (1) een sectororganisatie die aan haar leden een standaard ter beschikking stelt waarbij zij hen voorschrijft op welke wijze die tekenreeks praktisch en technisch gegenereerd, opgeslagen en/of verspreid moet worden, en (2) de partijen die op hun websites of in hun apps die standaard geïmplementeerd hebben en op die manier dus toegang hebben tot die tekenreeks?

b)

Maakt het daarbij een verschil uit als de implementatie van de standaard inhoudt dat deze tekenreeks samen met een IP-adres beschikbaar is?

c)

Leidt het antwoord op vraag a) + b) tot een andere conclusie indien deze normerende sectororganisatie zelf geen wettelijke toegang heeft tot de persoonsgegevens die binnen deze standaard door haar leden worden verwerkt?

2)

a)

Moeten de artikelen 4.7 en 24.1 van verordening 2016/679 […], gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een normerende sectororganisatie als verwerkingsverantwoordelijke moet worden gekwalificeerd, wanneer zij aan haar leden een standaard voor het beheer van toestemming aanbiedt die naast een bindend technisch kader voorschriften bevat waarin gedetailleerd wordt bepaald hoe deze toestemmingsgegevens, die persoonsgegevens uitmaken, opgeslagen en verspreid moeten worden?

b)

Leidt het antwoord op vraag a) tot een andere conclusie indien deze sectororganisatie zelf geen wettelijke toegang heeft tot de persoonsgegevens die binnen deze standaard door haar leden worden verwerkt?

c)

Indien de normerende sectororganisatie als verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de voorkeuren van Internetgebruikers [moet] worden aangeduid, strekt die (gezamenlijke) verantwoordelijkheid van de normerende sectororganisatie zich dan ook automatisch uit naar de daaropvolgende verwerkingen door derden waarvoor de voorkeuren van de internetgebruikers werd[en] bekomen, zoals gerichte online reclame door uitgevers en vendors?


(1)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 (PB 2016, L 119, blz. 1).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Pistoia (Italië) op 23 september 2022 — QX / Agos Ducato SpA

(Zaak C-610/22)

(2022/C 482/10)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Pistoia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: QX

Verwerende partij: Agos Ducato SpA

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 3, 4 en 14 van richtlijn 87/102/EEG (1) aldus worden uitgelegd dat het voorschrift van artikel 14, lid 2, van deze richtlijn volgens hetwelk de lidstaten “[er]op toe[zien] dat de door hen ter uitvoering van deze richtlijn vast te stellen bepalingen niet kunnen worden omzeild door een overeenkomst een bijzondere vorm te geven” uitsluitend betrekking heeft op het niet vermelden van het JKP in de overeenkomst of ook op de onjuiste vermelding daarvan?


(1)  Richtlijn van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State (België) op 24 september 2022 — XXX / Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen

(Zaak C-614/22)

(2022/C 482/11)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: XXX

Verwerende partij: Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen

Prejudiciële vragen

1)

Kan artikel 23 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (1), dat niet op zodanige wijze is omgezet in Belgisch recht dat de moeder van een kind dat in België als vluchteling is erkend en samen met zijn moeder het land is binnengekomen, in aanmerking komt voor een verblijfstitel of voor internationale bescherming, rechtstreekse werking hebben?

Zo ja, kan de moeder van een kind dat in België als vluchteling is erkend en samen met zijn moeder het land is binnengekomen, dan — bij gebreke van omzetting — op grond van artikel 23 van richtlijn 2011/95 aanspraak maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 van deze richtlijn genoemde voordelen, waaronder een verblijfstitel die haar in staat stelt rechtmatig met haar gezin in België te verblijven, dan wel op internationale bescherming, ook al voldoet zij zelf niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van die bescherming?

2)

Brengt de nuttige werking van artikel 23 van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van de artikelen 7, 18 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor de lidstaat die zijn nationale recht niet zo heeft ingericht dat gezinsleden [in de zin van artikel 2, onder j), van die richtlijn] van de persoon die internationale bescherming geniet, wanneer zij zelf niet voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van die bescherming, aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen, de verplichting mee om aan die gezinsleden een recht op toekenning van de afgeleide vluchtelingenstatus toe te kennen, opdat zij aanspraak kunnen maken op de genoemde voordelen met het oog op de instandhouding van het gezin?

3)

Brengen de artikelen 20 en 23 van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van de artikelen 7, 18 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor de lidstaat die zijn nationale recht niet zo heeft ingericht dat de ouders van een minderjarige vluchteling aanspraak [kunnen] maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 van die richtlijn genoemde voordelen, de verplichting mee om [die ouders] in aanmerking te [laten] komen voor afgeleide internationale bescherming, teneinde primair rekening te houden met het belang van het kind en de doeltreffendheid van de vluchtelingenstatus van het kind te waarborgen?


(1)  PB 2011, L 337, blz. 9.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/8


Hogere voorziening ingesteld op 23 september 2022 door HV en HW tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 13 juli 2022 in zaak T-864/19, AI e.a. / ECDC

(Zaak C-615/22 P)

(2022/C 482/12)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwiranten: HV en HW (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Champetier, avocates)

Andere partijen in de procedure: Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding (ECDC), AI en HY

Conclusies

het bestreden arrest vernietigen;

verklaren dat het bij het Gerecht ingestelde beroep gegrond is voor zover daarbij is verzocht om nietigverklaring van het besluit van 11 februari 2019 tot afwijzing van het verzoek van rekwiranten om schadevergoeding van 11 oktober 2018; voor zover nodig, het besluit van 10 september 2019 tot afwijzing van de klacht van rekwiranten van 10 mei 2019 nietig verklaren; en financiële vergoeding toekennen aan rekwiranten voor de materiële en immateriële schade die zij hebben geleden;

de kosten die rekwiranten in beide procedures hebben gemaakt, vergoeden.

Middelen en voornaamste argumenten

Schending van het beginsel van de bijstandsplicht zoals vastgelegd in artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, al dan niet gelezen in samenhang met de Handleiding voor vertrouwenspersonen van het ECDC. Onjuiste rechtsopvatting bij de bepaling van de omvang van die plicht bij het ontbreken van een formeel verzoek om bijstand. Schending van de plicht om gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden te waarborgen.

Onjuiste juridische kwalificatie van de feiten doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat de elementen van het dossier voor verweerder niet de verplichting meebrengen om bijstand te bieden. Onjuiste opvatting van de feiten en het bewijsmateriaal.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Förvaltningsrätt i Göteborg, Migrationsdomstol (Zweden) op 7 oktober 2022 — A.L. / Migrationsverket

(Zaak C-629/22)

(2022/C 482/13)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Förvaltningsrätt i Göteborg, Migrationsdomstol

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: A.L.

Verwerende partij: Migrationsverket

Prejudiciële vragen

1)

Hoe moet artikel 6, lid 2, van de terugkeerrichtlijn (1) worden begrepen? Strekt deze bepaling ertoe dat een onderdaan van een derde land moet worden verzocht om vanuit de lidstaat waar hij illegaal verblijft onmiddellijk terug te keren naar de lidstaat waarvoor hij een geldige verblijfsvergunning bezit, tenzij zijn onmiddellijke vertrek is vereist om redenen van openbare orde of nationale veiligheid?

2)

Maakt de terugkeerrichtlijn of enige andere Uniewetgeving duidelijk wat de gevolgen zijn van het feit dat een nationale autoriteit niet het krachtens artikel 6, lid 2, van de terugkeerrichtlijn vereiste verzoek afgeeft? Maakt een dergelijk verzuim in voorkomend geval het verwijderingsbesluit en het inreisverbod ongeldig?

3)

Indien artikel 6, lid 2, van de terugkeerrichtlijn in een dergelijk verzoek en een dergelijk gevolg voorziet, is deze bepaling dan voldoende duidelijk en nauwkeurig om rechtstreekse werking te hebben?

4)

Is nationale wetgeving, zoals de Zweedse regeling in hoofdstuk 8, § 6 a, van de vreemdelingenwet, die voorziet in extra vrijstellingen van een eventuele verplichting tot afgifte van een [verzoek], verenigbaar met het Unierecht?


(1)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348, blz. 98).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (Polen) op 13 oktober 2022 — Rzecznik Praw Dziecka e.a.

(Zaak C-638/22)

(2022/C 482/14)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Apelacyjny w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: T.C., Rzecznik Praw Dziecka, Prokurator Generalny

In tegenwoordigheid van: M.C., Prokurator Prokuratury Okręgowej we Wrocławiu

Prejudiciële vraag

Verzetten artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (1), en artikel 22, artikel 24, artikel 27, lid 6, en artikel 28, leden 1 en 2, van verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (2), gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich tegen de toepassing van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de tenuitvoerlegging van een definitieve beslissing in zaken betreffende het wegnemen van een aan ouderlijk gezag of voogdij onderworpen persoon die worden gevoerd op basis van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen gesloten te ’s-Gravenhage op 25 oktober 1980 op een verzoek van de Prokurator Generalny (procureur-generaal), de Rzecznik Praw Dziecka (kinderombudsman) of de Rzecznik Praw Obywatelskich (ombudsman) dat is ingediend bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie binnen een termijn van twee weken vanaf de dag waarop die beslissing definitief wordt, van rechtswege wordt geschorst?


(1)  PB 2003, L 338, blz. 1.

(2)  PB 2019, L 178, blz. 1.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) op 13 oktober 2022 — R.A. e.a. / Luminor Bank AS, optredend via haar Litouwse filiaal Luminor Bank AS

(Zaak C-645/22)

(2022/C 482/15)

Procestaal: Litouws

Verwijzende rechter

Lietuvos Aukščiausiasis Teismas

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: R.A. e.a.

Verwerende partij: Luminor Bank AS, optredend via haar Litouwse filiaal Luminor Bank AS

Prejudiciële vragen

1.

Kunnen artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (1) aldus worden uitgelegd dat ingeval een consument te kennen geeft een overeenkomst te willen handhaven door een daarin opgenomen oneerlijk beding te vervangen, een rechter, nadat hij heeft vastgesteld dat de overeenkomst niet in stand kan blijven na de schrapping van het als oneerlijk aangemerkt beding, zich kan uitspreken over de vervanging van het oneerlijke beding zonder eerst te beoordelen of de overeenkomst in haar geheel nietig kan worden verklaard?

2.

Hangt het antwoord op de eerste vraag ervan af of de nationale rechter de mogelijkheid heeft om het in de overeenkomst opgenomen oneerlijke beding te vervangen door een aanvullende bepaling of een bepaling van nationaal recht die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen bij de betrokken overeenkomst wordt toegepast?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Visoki upravni sud (Kroatië) op 18 oktober 2022 — Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret A.Ș / Državne komisije za kontrolu postupaka javne nabave

(Zaak C-652/22)

(2022/C 482/16)

Procestaal: Kroatisch

Verwijzende rechter

Visoki upravni sud Republike Hrvatske

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret A.Ș

Verwerende partij: Državna komisija za kontrolu postupaka javne nabave

Prejudiciële vragen

1.

Staat artikel 76 van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (1), gelezen in samenhang met artikel 36 ervan, toe dat de aanbestedende instantie rekening houdt met documenten die de inschrijver voor het eerst na het verstrijken van de termijn voor indiening van de inschrijvingen heeft verstrekt, die niet in de oorspronkelijke inschrijving waren vermeld en waarin omstandigheden zijn uiteengezet die niet in de oorspronkelijke inschrijving waren vermeld?

2.

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 76 van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG, gelezen in samenhang met artikel 36 ervan, aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de aanbestedende instantie, nadat het eerste besluit tot gunning van een opdracht nietig is verklaard en de zaak is terugverwezen naar de aanbestedende instantie om de inschrijvingen opnieuw te onderzoeken en te beoordelen, verzoekt om bijkomende documenten waaruit blijkt dat was voldaan aan de voorwaarden voor deelneming aan een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten en die niet in de oorspronkelijke inschrijving waren vermeld, zoals een lijst met de uitgevoerde werken, aangevuld met een verwijzing die geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke lijst van werken en die dus geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke inschrijving?

3.

Moet artikel 76 van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG, gelezen in samenhang met artikel 36 ervan, aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de ondernemer, nadat het eerste besluit tot gunning van een opdracht nietig is verklaard en de zaak is terugverwezen naar de aanbestedende instantie om de inschrijvingen opnieuw te onderzoeken en te beoordelen, aan de aanbestedende instantie documenten verstrekt waaruit blijkt dat was voldaan aan de voorwaarden voor deelneming aan een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten en die niet in de oorspronkelijke inschrijving waren vermeld, zoals een lijst met de uitgevoerde werken, aangevuld met een verwijzing die geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke lijst van werken en die dus geen onderdeel uitmaakte van de oorspronkelijke inschrijving?


(1)  PB 2014, L 94, blz. 243.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (Litouwen) op 20 oktober 2022 –Bruc Bond UAB/Lietuvos bankas

(Zaak C-661/22)

(2022/C 482/17)

Procestaal: Litouws

Verwijzende rechter

Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bruc Bond UAB

Verwerende partij: Lietuvos bankas

Prejudiciële vragen

Dienen de handelingen van een betalingsinstelling in omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin die betalingsinstelling geldmiddelen aanvaardt zonder een specifieke betalingsopdracht om deze geldmiddelen op dezelfde of de eerstvolgende werkdag over te maken, en waarin deze geldmiddelen na het verstrijken van de bij wet gestelde termijnen voor het uitvoeren van de betalingsdienst nog op de rekening van de betalingsinstelling voor het uitvoeren van betalingstransacties staan, te worden beschouwd als:

a)

een deel van een betalingsdienst of van een betalingstransactie in de zin van artikel 4, punten 3 en 5, van richtlijn (EU) 2015/2366 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG, die door de betalingsinstelling is verricht; of

b)

de uitgifte van elektronisch geld in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2009/110/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG[?]


(1)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35).

(2)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG (PB 2009, L 267, blz. 7).


Gerecht

19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/13


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — SC / Eulex Kosovo

(Zaak T-242/17 RENV) (1)

(“Arbitragebeding - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Personeel van internationale missies van de Europese Unie - Opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd - Intern vergelijkend onderzoek - Niet-verlenging van de overeenkomst voor bepaalde tijd - Contractuele aansprakelijkheid - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Beroep tot schadevergoeding - Bevoegdheid van het Gerecht - Ontvankelijkheid - Verstekprocedure”)

(2022/C 482/18)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: SC (vertegenwoordiger: A. Kunst, advocaat)

Verwerende partij: Eulex Kosovo (vertegenwoordigers: L.-G. Wigemark, gemachtigde, bijgestaan door E. Raoult, advocaat)

Voorwerp

Beroep krachtens de artikelen 272 en 268 VWEU tot, kort samengevat, vaststelling dat Eulex Kosovo niet heeft voldaan aan haar contractuele en niet-contractuele verplichtingen en dat het besluit om verzoeksters sollicitatie na het intern vergelijkend onderzoek voor het ambt van procureur van 19 juli 2016 niet in aanmerking te nemen en het daaruit volgende besluit om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen onrechtmatig zijn, en veroordeling van Eulex Kosovo tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij daardoor zou hebben geleden

Dictum

1)

Eulex Kosovo wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan SC voor de geleden materiële schade gelijk aan 19 maanden brutosalaris, plus dagvergoedingen en salarisverhoging, overeenkomstig de situatie dat de laatste arbeidsovereenkomst zou zijn verlengd tot en met 14 juni 2018, alsmede tot vergoeding van de immateriële schade, welke ex æquo et bono op 50 000 EUR wordt begroot.

2)

Eulex Kosovo wordt verwezen in de kosten van deze procedure alsmede in die van de procedure in zaak C-730/18 P en zaak T-242/17.


(1)  PB C 231 van 17.7.2017.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/13


Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti / Commissie

(Zaak T-655/19) (1)

(“Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van betonstaal - Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag - Vaststelling van prijzen - Beperking of beheersing van de productie en de afzet - Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten - Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten - Rechten van de verdediging - Beginsel van behoorlijk bestuur - Redelijke termijn - Motiveringsplicht”)

(2022/C 482/19)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Ferriera Valsabbia (Odolo, Italië), Valsabbia Investimenti SpA (Odolo) (vertegenwoordigers: D. Fosselard, D. Slater en G. Carnazza, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi, G. Conte en C. Sjödin, gemachtigden, bijgestaan door P. Manzini, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2019) 4969 final van de Commissie van 4 juli 2019 betreffende schending van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (zaak AT.37956 — Betonstaal), voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat verzoeksters inbreuk hebben gemaakt op dat artikel en hen hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van een geldboete van 5,125 miljoen EUR.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ferriera Valsabbia SpA en Valsabbia Investimenti SpA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 399 van 25.11.2019.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/14


Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Alfa Acciai / Commissie

(Zaak T-656/19) (1)

(“Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van betonstaal - Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag - Vaststelling van prijzen - Beperking of beheersing van de productie en de afzet - Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten - Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten - Rechten van de verdediging - Beginsel van behoorlijk bestuur - Redelijke termijn - Motiveringsplicht”)

(2022/C 482/20)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Alfa Acciai SpA (Brescia, Italië) (vertegenwoordigers: D. Fosselard, D. Slater en G. Carnazza, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi, G. Conte en C. Sjödin, gemachtigden, bijgestaan door P. Manzini, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2019) 4969 final van de Commissie van 4 juli 2019 betreffende schending van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (zaak AT.37956 — Betonstaal), voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op deze bepaling en haar heeft veroordeeld tot betaling van een geldboete van 3,587 miljoen EUR.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Alfa Acciai SpA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 399 van 25.11.2019.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/15


Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Feralpi / Commissie

(Zaak T-657/19) (1)

(“Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van betonstaal - Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag - Vaststelling van prijzen - Beperking of beheersing van de productie en de afzet - Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten - Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten - Rechten van de verdediging - Beginsel van behoorlijk bestuur - Redelijke termijn - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Beginsel ne bis in idem - Exceptie van onwettigheid - Eén enkele complexe en voortdurende inbreuk - Bewijs van deelneming aan de mededingingsregeling - Openlijke distantiëring - Volledige rechtsmacht”)

(2022/C 482/21)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Feralpi Holding SpA (Brescia, Italië) (vertegenwoordigers: G. Roberti en I. Perego, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi, G. Conte en C. Sjödin, gemachtigden, bijgestaan door P. Manzini, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2019) 4969 final van de Commissie van 4 juli 2019 betreffende schending van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (zaak AT.37956 — Betonstaal) en/of tot intrekking of verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Feralpi Holding SpA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 399 van 25.11.2019.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/15


Arrest van het Gerecht van 9 november 2022 — Ferriere Nord / Commissie

(Zaak T-667/19) (1)

(“Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van betonstaal - Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag - Vaststelling van prijzen - Beperking of beheersing van de productie en de afzet - Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten - Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten - Rechten van de verdediging - Beginsel van behoorlijk bestuur - Redelijke termijn - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Beginsel ne bis in idem - Exceptie van onwettigheid - Eén enkele complexe en voortdurende inbreuk - Bewijs van deelneming aan de mededingingsregeling - Verzwarende omstandigheden - Recidive - Verzachtende omstandigheden - Gelijke behandeling - Volledige rechtsmacht”)

(2022/C 482/22)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Ferriere Nord SpA (Osoppo, Italië) (vertegenwoordigers: W. Viscardini, G. Donà en B. Comparini, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi, G. Conte en C. Sjödin, gemachtigden, bijgestaan door M. Moretto, advocaat)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Conseil de l’Union européenne (vertegenwoordigers: O. Segnana en E. Ambrosini, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2019) 4969 final van de Commissie van 4 juli 2019 betreffende schending van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (zaak AT.37956 — Betonstaal) en, subsidiair, verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ferriere Nord SpA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

3)

De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 399 van 25.11.2019.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/16


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Griekenland / Commissie

(Zaak T-850/19) (1)

(“Staatssteun - Activiteiten die verband houden met de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten - Steunregelingen in de vorm van rentesubsidies en staatsgaranties voor bestaande en nieuwe leningen die door Griekenland zijn toegepast teneinde de schade te herstellen die was veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen - Besluit waarbij de steunregelingen onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig worden verklaard en de terugvordering van de verstrekte steun wordt gelast - Steun beperkt tot getroffen geografische gebieden - Voordeel - Selectief karakter - Beginsel van behoorlijk bestuur - Duur van de procedure - Gewettigd vertrouwen - Verjaringstermijn - Artikel 17 van verordening (EU) 2015/1589”)

(2022/C 482/23)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E. Tsaousi, E. Leftheriotou en A.-V. Vasilopoulou, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Bouchagiar en T. Ramopoulos, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt de Helleense Republiek om nietigverklaring van besluit (EU) 2020/394 van de Commissie van 7 oktober 2019 betreffende steunmaatregel SA.39119 (2016/C) (ex 2015/NN) (ex 2014/CP) door de Helleense Republiek ten uitvoer gelegd in de vorm van rentesubsidies en garanties in verband met de branden van 2007 (het onderhavige besluit heeft alleen betrekking op de landbouwsector) (PB 2020, L 76, blz. 4).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 68 van 2.3.2020.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/17


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Sogia Ellas / Commissie

(Zaak T-347/20) (1)

(“Staatssteun - Activiteiten die verband houden met de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten - Steunregelingen in de vorm van rentesubsidies en staatsgaranties voor bestaande en nieuwe leningen die door Griekenland zijn toegepast teneinde de schade te herstellen die was veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen - Besluit waarbij de steunregelingen onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig worden verklaard en de terugvordering van de verstrekte steun wordt gelast - Steun beperkt tot getroffen geografische gebieden - Voordeel - Selectief karakter - Criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie - Beginsel van behoorlijk bestuur - Recht om te worden gehoord - Duur van de procedure - Gewettigd vertrouwen - Verjaringstermijn - Artikel 17 van verordening (EU) 2015/1589”)

(2022/C 482/24)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Sogia Ellas AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: P. Bernitsas, M. Androulakaki, A. Patsalia en E. Kalogiannis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Bouchagiar en T. Ramopoulos, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Myloi Sogias AE (Maroussi, Griekenland) (vertegenwoordigers: S. Pappas en A. Pappas, advocaten)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster om nietigverklaring van besluit (EU) 2020/394 van de Commissie van 7 oktober 2019 betreffende steunmaatregel SA.39119 (2016/C) (ex 2015/NN) (ex 2014/CP) door de Helleense Republiek ten uitvoer gelegd in de vorm van rentesubsidies en garanties in verband met de branden van 2007 (het onderhavige besluit heeft alleen betrekking op de landbouwsector) (PB 2020, L 76, blz. 4).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Sogia Ellas AE draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.

3)

Myloi Sogias AE draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 271 van 17.8.2020.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/17


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Lenovo Global Technology Belgium / Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC

(Zaak T-717/20) (1)

(“Overheidsopdrachten - Aanbestedingsprocedure - Aankoop, levering, installatie en onderhoud van de door CINECA te hosten Leonardo Supercomputer - Afwijzing van de offerte van een inschrijver - Gelijke behandeling - Beginsel van behoorlijk bestuur - Kennelijk onjuiste beoordeling”)

(2022/C 482/25)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lenovo Global Technology Belgium BV (Machelen, België) (vertegenwoordigers: S. Sakellariou, G. Forwood en F. Abou Zeid, advocaten)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing (vertegenwoordigers: P.-E. Partsch en F. Dewald, advocaten)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. André, M. Ilkova, P.-J. Loewenthal, C. Vollrath en T. Van Noyen, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster de nietigverklaring van besluit Ares(2020)5103538 van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing (EuroHPC) van 29 september 2020, waarbij haar inschrijving voor perceel nr. 3 in het kader van aanbesteding SMART 2019/1084 betreffende de aankoop, de levering, de installatie en het onderhoud van de door CINECA te hosten Leonardo Supercomputer is afgewezen en de opdracht aan een andere inschrijver is gegund.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Lenovo Global Technology Belgium BV wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing (EuroHPC).

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 53 van 15.2.2021.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/18


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Greenwich Polo Club/EUIPO — Lifestyle Equities (GREENWICH POLO CLUB)

(Zaak T-437/21) (1)

(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk GREENWICH POLO CLUB - Ouder Uniewoordmerk BEVERLY HILLS POLO CLUB - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 - Omvang van het door de kamer van beroep te verrichten onderzoek - Artikel 71 van verordening 2017/1001 - Artikel 27, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625”)

(2022/C 482/26)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Greenwich Polo Club Inc. (Greenwich, Connecticut, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: R. Zammitt, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: T. Frydendahl en J. Ivanauskas, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Lifestyle Equities CV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: S. Terpstra, advocaat)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 10 mei 2021 (zaak R 300/2020-1) inzake een oppositieprocedure tussen interveniënte, Lifestyle Equities CV, en verzoekster.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Greenwich Polo Club, Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 401 van 4.10.2021.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/19


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Kaczorowska / EUIPO — Groupe Marcelle (MAESELLE)

(Zaak T-716/21) (1)

(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk MAESELLE - Ouder Uniebeeldmerk MARCELLE - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”)

(2022/C 482/27)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Katarzyna Kaczorowska (Warschau, Polen) (vertegenwoordiger: P. Kurcman, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Chylińska en D. Gája, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Groupe Marcelle Inc. (Lachine, Quebec, Canada)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 6 september 2021 (zaak R 670/2021-4).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Katarzyna Kaczorowska wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 2 van 3.1.2022.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/19


Arrest van het Gerecht van 19 oktober 2022 — Kaczorowska / EUIPO — Groupe Marcelle (MAESELLE)

(Zaak T-718/21) (1)

(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk MAESELLE - Ouder Uniebeeldmerk MARCELLE - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”)

(2022/C 482/28)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Katarzyna Kaczorowska (Warschau, Polen) (vertegenwoordiger: P. Kurcman, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Chylińska en D. Gája, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Groupe Marcelle Inc. (Lachine, Quebec, Canada)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 6 september 2021 (zaak R 671/2021-4).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Katarzyna Kaczorowska wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 2 van 3.1.2022.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/20


Arrest van het Gerecht van 27 oktober 2022 — Coulter Ventures/EUIPO — iWeb (R)

(Zaak T-457/21) (1)

(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Intrekking van de oppositie - Afdoening zonder beslissing”)

(2022/C 482/29)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Coulter Ventures LLC (Columbus, Ohio, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: R. Dissmann, L. Jones en M. Lotz, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Eberl en D. Gája, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: iWeb GmbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Boddien, advocaat)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 2 juni 2021 (zaak R 2789/2019-4).

Dictum

1)

Op het beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

Coulter Ventures LLC en iWeb GmbH worden elk verwezen in hun eigen kosten en in de helft van de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).


(1)  PB C 391 van 27.9.2021.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/21


Beroep ingesteld op 16 september 2022 — Robin Wood e.a. / Commissie

(Zaak T-575/22)

(2022/C 482/30)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Robin Wood — Gewaltfreie Aktionsgemeinschaft für Natur und Umwelt eV (Hamburg, Duitsland) en zes anderen (vertegenwoordiger: C. Baldon, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

het besluit van de Commissie met referentie Ares(2022)4939323 van 6 juli 2022 waarbij de Commissie het op 3 februari 2022 door de verzoekende partijen krachtens artikel 10 van de Aarhus-verordening ingediende verzoek tot interne herziening heeft afgewezen, nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen de volgende middelen aan.

1.

Zij voeren zes middelen aan in verband met “bosbouwactiviteiten”, namelijk dat het bestreden besluit blijk geeft van:

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de criteria om te bepalen wanneer een activiteit een wezenlijke bijdrage levert aan de beperking van klimaatverandering;

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de vrijstelling van de analyse van de klimaatvoordelen voor bosbouwbedrijven van minder dan 13 ha in de criteria voor een wezenlijke bijdrage aan de beperking van klimaatverandering;

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de criteria om te bepalen of een activiteit de aanpassing aan de klimaatverandering niet wezenlijk in gevaar brengt;

onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de criteria om te bepalen of een activiteit de overgang naar een circulaire economie niet wezenlijk in gevaar brengt;

onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de criteria om te bepalen of een activiteit de beperking van de klimaatverandering niet wezenlijk in gevaar brengt;

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de criteria om te bepalen of een activiteit de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en de ecosystemen niet wezenlijk in gevaar brengt.

2.

De verzoekende partijen voeren zes middelen aan in verband met “bosbouwactiviteiten op het gebied van bio-energie”, namelijk dat het bestreden besluit blijk geeft van:

kennelijke beoordelingsfouten doordat wordt vastgesteld dat de “wezenlijke bijdrage tot de beperking van de klimaatverandering”-criteria toereikend zijn om te bepalen of een activiteit een wezenlijke bijdrage levert tot de beperking van klimaatverandering;

onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de normen voor de vaststelling van de technische controlecriteria;

kennelijke beoordelingsfouten doordat wordt geoordeeld dat de “substantiële bijdrage tot de beperking van de klimaatverandering”-criteria voor bosbouwactiviteiten op het gebied van bio-energie gebaseerd zijn op overtuigend wetenschappelijk bewijs en op het voorzorgsbeginsel;

kennelijke beoordelingsfouten doordat wordt vastgesteld dat de “geen wezenlijk gevaar”-criteria voor bosbouwactiviteiten op het gebied van bio-energie waarborgen dat deze activiteiten de andere milieudoelstellingen van verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 (1) niet wezenlijk in gevaar brengen;

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten wat betreft de criteria voor de wezenlijke bijdrage tot de aanpassing aan de klimaatverandering;

onjuiste rechtsopvattingen en beoordelingsfouten bij de toepassing van de Overeenkomst van Parijs en het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering.


(1)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van verordening (EU) 2019/2088 (PB 2020, L 198, blz. 13).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/22


Beroep ingesteld op 23 september 2022 — RH e.a./Commissie

(Zaak T-596/22)

(2022/C 482/31)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: RH, RI, RJ, RK, RL (vertegenwoordiger: P. Holtrop, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2022) 3942 final van de Commissie van 8 juni 2022 betreffende steunmaatregelen SA. 102454 (2022/N) — Spanje en SA. 102569 (2022/N) — Portugal — betreffende het mechanisme voor de correctie van productiekosten ter verlaging van de groothandelsprijs voor elektriciteit op de Iberische markt nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoekers vijf middelen aan.

1.

De Commissie heeft de feiten onjuist opgevat en verzuimd de werking van de nationale staatssteunmaatregel te beoordelen.

De Commissie heeft de werking van de in Real Decreto-Ley 10/2022 (1) vervatte maatregel onvoldoende begrepen. Uit de analyse van de Commissie in het bestreden besluit blijkt niet dat zij zich ervan bewust is dat de vrijstelling voor gedekte elektriciteitsvoorzieningen niet geldt voor alle mogelijke vormen van dekking. In sommige alinea’s van dat besluit wordt namelijk aangegeven dat de vrijstelling geldt voor groothandelsmarktdeelnemers, terwijl in andere alinea’s ervan wordt uitgegaan dat zij geldt voor elke vorm van dekking. Dit komt erop neer dat de Commissie het standpunt van verzoekers niet in aanmerking heeft genomen en ten onrechte heeft geconcludeerd dat de staatssteunregeling in overeenstemming is met het Unierecht.

2.

De maatregel in Real Decreto-Ley 10/2022 is ongeschikt en onevenredig

hoewel met de staatssteunmaatregel zeker de beoogde doelstelling kan worden verwezenlijkt, hadden er voor het bereiken van die doelstelling minder verstorende middelen kunnen worden aangewend zonder negatieve gevolgen voor de marktpositie van verzoekers;

met dergelijken middelen zouden tevens de uit de staatssteunregeling voortvloeiende verstoringen worden vermeden, zoals de benadeling van verzoekers ten opzichte van hun concurrenten met andere energievoorzieningsstructuren of de mogelijkheid om toevallige winst toe te bedelen aan een onderneming waarmee verzoekers een deel van hun elektriciteitsverbruik hebben gedekt, en hun klanten.

3.

De maatregel in Real Decreto-Ley 10/2022 voldoet niet aan artikel 10 van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (2) en artikel 5 van richtlijn 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad: (3)

de staatssteunregeling voldoet niet aan de uitzonderingen op vrije vaststelling van de prijs in artikel 5, lid 2, van richtlijn 2019/944 omdat er minder schadelijke maatregelen hadden kunnen worden genomen;

bovendien leidt de maatregel tot onevenredige aanvullende kosten voor verzoekers die, op grond van het volgende middel, discriminatoir zijn.

4.

Discriminatie:

het feit dat de vrijstelling van het correctiemechanisme niet geldt voor alle dekkingen is discriminatoir. De uitsluitingscriteria zijn irrelevant, aangezien zowel kopers op de groothandelsmarkt als andere marktdeelnemers vergelijkbare dekkingen kunnen afsluiten en gelijkwaardige contractuele structuren voor energievoorziening hebben;

de discriminatie is des te gewichtig omdat deze soortgelijkheden het gevolg zijn van de liberalisering van de sector overeenkomstig het Unierecht. Verzoekers zijn niet bekend met enige rechtvaardiging voor deze discriminatie en menen dat het onwaarschijnlijk is dat een eventuele verklaring evenredig zal zijn.

5.

De Commissie heeft verzoekers’ gewettigd vertrouwen geschonden.

Verzoekers hebben gehandeld overeenkomstig de aanwijzingen en prikkels van de Europese instellingen en in het bijzonder van de Commissie. Zij hebben derhalve gehandeld als actieve en milieubewuste consumenten en een dekking afgesloten met een andere onderneming dan hun energieleverancier om te waarborgen dat alle door hen gebruikte energie afkomstig was van een hernieuwbare bron. De Commissie heeft deze verwachting echter doorbroken en een maatregel goedgekeurd die verzoekers bestraft voor hun deelname aan een dergelijke contractuele structuur voor energievoorziening.


(1)  Real Decreto-ley 10/2022, de 13 de mayo, por el que se establece con carácter temporal un mecanismo de ajuste de costes de producción para la reducción del precio de la electricidad en el mercado mayorista (koninklijk wetsbesluit 10/2022 van 13 mei tot vaststelling van een tijdelijk mechanisme voor de aanpassing van de productiekosten ter verlaging van de groothandelsprijs van elektriciteit).

(2)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (PB 2019, L 158, blz. 54).

(3)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (herschikking) (PB 2019, L 158, blz. 125).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/23


Beroep ingesteld op 29 september 2022 — RN / EUIPO

(Zaak T-606/22)

(2022/C 482/32)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: RN (vertegenwoordiger: S. Moya Felix, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Conclusies

het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (uitvoerend directeur van EUIPO) van 4 juli 2022 nietig verklaren betreffende een klacht krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren over het feit dat verzoeker over bepaalde perioden geen schooltoelage heeft ontvangen en over de niet-erkenning van zijn recht om vanaf die datum de helft van de volledige gezinstoelagen te ontvangen (namelijk 1/3 van de kostwinnerstoelage, de toelage voor een kind ten laste en de schooltoelage voor zijn zoon);

dientengevolge, erkennen dat verzoeker vanaf die datum recht heeft op die gezinstoelagen (schooltoelage voor bepaalde perioden en de helft van de gezinstoelagen, zijnde 1/3 van de kostwinnerstoeslag, de toelage voor een kind ten laste en de schooltoelage voor zijn zoon);

het tot aanstelling bevoegd gezag van EUIPO verwijzen in alle proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 67 juncto artikel 63 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie. (1)

EUIPO heeft de beslissing van een nationale rechter van 28 november 2021 over het voogdijrecht niet geëerbiedigd, aangezien het zich op het standpunt stelt dat 50 % van de gezinstoelagen niet aan verzoeker, maar aan de andere ouder, een ambtenaar van EUIPO, moet worden betaald, en wel op grond van zeer discretionaire redenen, zoals het feit dat in de beslissing van de nationale rechter niet wordt aangegeven dat verzoekers zoon gedurende exact 50 % van de tijd bij beide ouders woont. EUIPO heeft de feiten verkeerd opgevat, aangezien in familierechtelijke beslissingen gewoonlijk geen perioden, uren of dagen worden gespecificeerd.

2.

Tweede middel: schending van de artikelen 1, 2, en 3 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie betreffende gezinstoelagen.

Verzoeker betwist het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van EUIPO derhalve niet alleen voor wat betreft de afwijzing van de helft van de gezinstoelagen vanaf een bepaalde datum, maar ook voor wat betreft de afwijzing van de schooltoelage voor bepaalde gespecificeerde perioden.


(1)  Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 1962 P 045, blz. 1385).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/24


Beroep ingesteld op 7 oktober 2022 — Sberbank Europe/ECB

(Zaak T-632/22)

(2022/C 482/33)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sberbank Europe AG (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: O. Behrends, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank (ECB)

Conclusies

nietigverklaring van de weigering van de ECB, bij besluit van 27 juli 2022, om overeenkomstig artikel 18 van de GAM-verordening (1) vast te stellen dat verzoekster een instelling is die faalt of waarschijnlijk zal falen, zoals de ECB op 27 februari 2022 met betrekking tot verzoeksters dochteronderneming in Slovenië, Sberbank banka d.d. heeft gedaan;

verwijzing van de ECB in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

De ECB heeft artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie onjuist uitgelegd en toegepast door er ten onrechte vanuit te gaan dat het recht van eenieder om krachtens artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest inzage te krijgen in het hem betreffende dossier beperkt is tot de mogelijkheid om het dossier in te zien teneinde het recht om te worden gehoord te kunnen uitoefenen met betrekking tot een specifiek voor beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 263 VWEU dat de betrokken instelling thans overweegt. Het op artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest gebaseerde recht codificeert het ruimere beginsel dat het bestuur transparant moet zijn voor de bestuurden, en dat dit blijkt uit het feit dat artikel 41, lid 2, onder b), in tegenstelling tot artikel 41, lid 2, onder a) en c), geen verwijzing naar een besluit bevat.

2.

De ECB heeft artikel 22, lid 2, van de GTM-verordening (2) en artikel 32, lid 1, van de GTM-kaderverordening (3) onjuist uitgelegd en toegepast. Zo is onder meer het begrip “dossier” in artikel 22, lid 2, tweede volzin, van de GTM-verordening niet eng gedefinieerd als uitsluitend bestaande uit de documenten die de ECB verzamelt met het oog op een thans door haar voorgenomen specifiek besluit, en de definitie van “dossier” in artikel 32, lid 2, van de GTM-kaderverordening slaat op alle documenten die betrekking hebben op het toezicht van de ECB op de betrokken onder toezicht staande entiteit. Artikel 32, lid 1, van de GTM-kaderverordening kan in elk geval niet worden uitgelegd als een beperking van de reikwijdte van het recht krachtens artikel 22, lid 2, van de GTM-verordening, en laatstgenoemd artikel en artikel 32, lid 1, van de GTM-kaderverordening kunnen niet aldus worden uitgelegd dat zij de reikwijdte van het recht krachtens artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest beperken. Verzoekster voert zekerheidshalve aan dat beide bepalingen onwettig zouden zijn wegens onverenigbaarheid met hoger recht indien zij aldus zouden moeten worden uitgelegd.

3.

Het bestreden besluit is zelfs op basis van de onjuiste enge opvatting van de ECB over het recht van toegang tot het dossier onrechtmatig, omdat de ECB er geen rekening mee heeft gehouden dat haar besluit op transparantiegronden, met name op basis van het besluit van de ECB van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (ECB/2004/258/EG) (4), dat ten tijde van het bestreden besluit in overweging is genomen, een voor beroep vatbaar besluit is in de zin van artikel 263 VWEU.


(1)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).

(3)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (PB 2014, L 141, blz. 1).

(4)  2004/258/EG: Besluit van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (PB 2004, L 80, blz. 42).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/25


Beroep ingesteld op 13 oktober 2022 — ClientEarth / Raad

(Zaak T-648/22)

(2022/C 482/34)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ClientEarth AISBL (Brussel, België) (vertegenwoordiger: C. Ziegler, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het besluit van 3 augustus 2022 (SGS 22/3264) met betrekking tot het verzoek om een interne herziening onder titel IV van de Aarhus-verordening in verband met verordening (EU) 2022/515 van 31 maart 2022 tot wijziging van verordening (EU) 2022/109 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2022, L 104, blz. 1), nietig verklaren, en

de Raad verwijzen in zijn eigen kosten en die van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Het eerste middel heeft betrekking op een kennelijk onjuiste toepassing van het recht en kennelijke beoordelingsfouten in verband met de reikwijdte van de herzieningsrechten waarover verzoekster op grond van de Aarhus-verordening beschikt, aangezien de Raad oordeelde dat verzoeksters middelen die erop betrekking hadden dat de Raad onbevoegd was en misbruik had gemaakt van zijn bevoegdheid door de TAC-wijzigingsverordening vast te stellen, niet ontvankelijk waren omdat zij buiten de reikwijdte van artikel 10 van de Aarhus-verordening vielen.

2.

Het tweede middel heeft betrekking op een kennelijk onjuiste toepassing van het recht en kennelijke beoordelingsfouten in verband met wezenlijke onderdelen van afgeleid recht en de omvang van de bevoegdheid van de Raad om op grond van artikel 43, lid 3, VWEU TAC’s vast te stellen, aangezien de Raad:

het recht kennelijk onjuist heeft toegepast met betrekking tot de vermeende gevolgen van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst voor de bevoegdheid van de Raad om in strijd met de Uniewetgeving op visserijgebied TAC’s vast te stellen;

het recht kennelijk onjuist heeft toegepast met betrekking tot de beoordelingsmarge waarover hij beschikt bij de vaststelling van vangstmogelijkheden zoals beperkt door de overkoepelende doelstelling inzake de maximale duurzame opbrengst (MDO) van artikel 2, lid 2, van de GVB-basisverordening; en

het recht kennelijk onjuist heeft toegepast en kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt met betrekking tot de grenzen van zijn bevoegdheden op grond van artikel 43, lid 3, VWEU.

3.

Het derde middel heeft betrekking op kennelijke beoordelingsfouten in verband met de verplichtingen van de Raad om:

de voorzorgsbenadering ten uitvoer te leggen, zoals in artikel 2, lid 2, eerste en tweede alinea, artikel 4, leden 1 en 8, en artikel 9, lid 2, van de GVB-basisverordening is voorgeschreven, en daarbij strikt binnen de grenzen van de MDO-doelstelling te blijven;

de ecosysteemgerichte benadering toe te passen, zoals vereist is op grond van artikel 2, lid 3, van de GVB-basisverordening.

4.

Het vierde middel heeft betrekking op een kennelijke beoordelingsfout in verband met misbruik van bevoegdheid door de Raad bij de vaststelling van verordening (EU) 2022/515 van de Raad van 31 maart 2022 tot wijziging van verordening (EU) 2022/109 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2022, L 104, blz. 1).


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/26


Beroep ingesteld op 18 oktober 2022 — Shamalov / Raad

(Zaak T-651/22)

(2022/C 482/35)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Kirill Shamalov (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordiger: A. Genko, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

Verzoeker verzoekt het Gerecht:

zijn verzoek tot nietigverklaring ontvankelijk en gegrond te verklaren en dientengevolge de volgende handelingen nietig te verklaren:

verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014, zoals gewijzigd op 8 april 2022 bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 (PB 2022, L 110, blz. 3), voor zover verzoeker daarbij onder nummer 908 is toegevoegd aan de lijst van gesanctioneerde personen;

besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014, zoals gewijzigd op 8 april 2022 bij besluit (GBVB) 2022/582 van de Raad van 8 april 2022 (PB 2022, L 110, blz. 55) voor zover verzoeker daarbij onder nummer 908 is toegevoegd aan de lijst van gesanctioneerde personen;

verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014, zoals gewijzigd op 25 februari 2022 bij verordening (EU) 2022/330 (PB 2022, L 51, blz. 1), voor zover op grond daarvan sancties kunnen worden opgelegd aan “vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie […]” en voor zover zij betrekking heeft op verzoeker;

besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2022/329 van de Raad van 25 februari 2022 (PB 2022, L 50, blz. 1), voor zover op grond van de nieuwe versie sancties kunnen worden opgelegd aan “vooraanstaande zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie […]” en voor zover zij betrekking heeft op verzoeker;

de handhavingshandelingen, met name uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 (PB 2022, L 239, p. 1), en besluit (GBVB) 2022/1530 van de Raad van 14 september (PB 2022, L 239, p. 149), voor zover zij betrekking hebben op verzoeker;

de Raad te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert rekwirant vijf middelen aan.

1.

Het eerste middel, dat uit drie onderdelen bestaat, is ontleend aan een beoordelingsfout. Volgens verzoeker voldoet geen van de bewijzen van de Raad aan de eisen van de Europese rechtspraak betreffende het niveau en de kwaliteit van het bewijs. De Raad heeft in zijn motivering niet aangetoond dat verzoeker vooraanstaand was behalve door categorische bewering. Hoewel de Raad op de hoogte is gebracht dat verzoeker geen leidinggevende functies meer vervulde, handhaafde hij hem op de lijst van gesanctioneerde personen.

2.

Het tweede middel is ontleend aan het ontbreken van motivering. Verzoeker voert aan dat de Raad geen enkele individuele, specifieke en concrete reden heeft aangevoerd op basis waarvan verzoeker als vooraanstaande persoon kon worden aangemerkt.

3.

Het derde middel is ontleend aan misbruik van bevoegdheid. Verzoeker stelt dat uit meerdere aanwijzingen blijkt dat de Raad zich heeft gebaseerd op aantijgingen van nepotisme om verzoeker te sanctioneren, hetgeen niet is toegestaan door de regels op grond waarvan verzoeker is gesanctioneerd.

4.

Het vierde middel, dat uit drie onderdelen bestaat, is ontleend aan een incidentele exceptie van onwettigheid van het criterium “vooraanstaande zakenman” wegens het ontbreken van een voldoende band tussen het criterium en het nagestreefde doel, schending van de fundamentele beginselen van de Unie — met name de beginselen van gelijke behandeling en het discriminatieverbod — en ten slotte schending van het rechtszekerheidsbeginsel.

5.

Het vijfde middel is ontleend aan gebrek aan bewijs dat verzoeker een vooraanstaande zakenman is in het kader van een volledige toetsing van de besluiten van de Raad inzake individuele sancties.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/28


Beroep ingesteld op 27 oktober 2022 — Allegro/EUIPO (SMART!)

(Zaak T-658/22)

(2022/C 482/36)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Allegro sp. z o.o. (Poznan, Polen) (vertegenwoordiger: M. Podbielska, radca prawny)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk “SMART!” — inschrijvingsaanvraag nr. 18 525 530

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 24 augustus 2022 in zaak R 712/2022-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing in haar geheel;

verwijzing van het EUIPO in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 7, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/28


Beroep ingesteld op 27 oktober 2022 — Seopult / Commissie

(Zaak T-660/22)

(2022/C 482/37)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Seopult LTD (Limassol, Cyprus) (vertegenwoordigers: A. Gaspar Schwalbach, C. Pinto Xavier en M. Cotrim, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Artikelen 1, 4 en 5 van het besluit van de Commissie van 4 december 2020 betreffende steunregeling SA.21259 (2018/C) (ex 2018/NN) door Portugal ten uitvoer gelegd ten gunste van de vrijhandelszone van Madeira (Zona Franca de Madeira, ZFM) — Regeling III, nietig verklaren;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan die in wezen identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de middelen die zijn aangevoerd in zaak T-588/22, Renco Valore/Commissie.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/29


Beroep ingesteld op 31 oktober 2022 — Nagolimad — Serviços Internacionais / Commissie

(Zaak T-668/22)

(2022/C 482/38)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Nagolimad — Serviços Internacionais, SA (Funchal, Portugal) (vertegenwoordigers: M. Afonso en J. Ferreira Faria, advokaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Besluit C (2020) 8550 final van de Commissie van 4 december 2020 betreffende steunregeling SA.21259 (2018/C) (ex 2018/NN) door Portugal ten uitvoer gelegd ten gunste van de vrijhandelszone van Madeira (Zona Franca de Madeira, ZFM) — Regeling III, nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan die in wezen identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de middelen die zijn aangevoerd in zaak T-553/22, Thorn Investments/Commissie.


19.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 482/29


Beroep ingesteld op 3 november 2022 — IP / Commissie

(Zaak T-669/22)

(2022/C 482/39)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: IP (vertegenwoordiger: J. Martins, advokaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

de bestreden besluiten nietig verklaren;

verweerster verwijzen in de kosten;

verweerster te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep tegen het besluit van de Europese Commissie van 18 januari 2022 om hem de tuchtmaatregel van ontslag op staande voet op te leggen, voert verzoeker drie middelen aan.

Eerste middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de motiveringsplicht.

Tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten.

Derde middel: schending van artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.