ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 479

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

65e jaargang
16 december 2022


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2022-2023
Vergaderingen van 18 t/m 19 mei 2022
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Donderdag, 19 mei 2022

2022/C 479/01

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst tussen de EU en de Republiek Moldavië (2021/2237(INI))

2

2022/C 479/02

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2021 (2021/2180(INI))

18

2022/C 479/03

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het Commissieverslag 2021 over Noord-Macedonië (2021/2248(INI))

33

2022/C 479/04

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het Commissieverslag 2021 over Albanië (2021/2244(INI))

45

2022/C 479/05

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de vervolging van de oppositie en de detentie van vakbondsleiders in Belarus (2022/2664(RSP))

57

2022/C 479/06

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de totstandbrenging van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 — microcredentials, individuele leerrekeningen en leren voor een duurzaam milieu (2022/2568(RSP))

65

2022/C 479/07

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot oorlogsmisdaden in Oekraïne (2022/2655(RSP))

68

2022/C 479/08

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de sociale en economische gevolgen voor de EU van de Russische oorlog in Oekraïne — versterking van het vermogen van de EU om op te treden (2022/2653(RSP))

75


 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Parlement

 

Donderdag, 19 mei 2022

2022/C 479/09

P9_TA(2022)0208
Tijdelijke liberalisering van de handel bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst EU/Oekraïne ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot tijdelijke liberalisering van de handel bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (COM(2022)0195 — C9-0159/2022 — 2022/0138(COD))
P9_TC1-COD(2022)0138
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 mei 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad inzake tijdelijke handelsliberaliseringsmaatregelen bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds

86

2022/C 479/10

P9_TA(2022)0209
Het bij Eurojust bewaren, analyseren en opslaan van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en daarmee verband houdende strafbare feiten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het bij Eurojust verzamelen, bewaren en analyseren van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden (COM(2022)0187 — C9-0155/2022 — 2022/0130(COD))
P9_TC1-COD(2022)0130
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 mei 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1727, wat betreft het bij Eurojust bewaren, analyseren en opslaan van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en daarmee verband houdende strafbare feiten

87

2022/C 479/11

P9_TA(2022)0210
Verordening (EU) 2016/1628: verlenging van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1628 wat betreft de verlenging van de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen (COM(2022)0113 — C9-0119/2022 — 2022/0080(COD))
P9_TC1-COD(2022)0080
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 mei 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1628 wat betreft de verlenging van de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen

88

2022/C 479/12

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing van multinationale groepen in de Unie (COM(2021)0823 — C9-0040/2022 — 2021/0433(CNS))

89


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2022-2023

Vergaderingen van 18 t/m 19 mei 2022

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Donderdag, 19 mei 2022

16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/2


P9_TA(2022)0211

Associatieovereenkomst tussen de EU en de Republiek Moldavië

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst tussen de EU en de Republiek Moldavië (2021/2237(INI))

(2022/C 479/01)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 8 en titel V, en met name de artikelen 21, 22, 36 en 37, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), alsook het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië (hierna “Moldavië” genoemd), anderzijds (AO), die een diepe en brede vrijhandelsruimte (Deep and Comprehensive Free Trade Area, DCFTA) omvat en die op 1 juli 2016 volledig in werking is getreden,

gezien de instelling van een visumvrije regeling voor onderdanen van Moldavië in maart 2014 als gevolg van de door het Europees Parlement en de Raad aangebrachte wijzigingen in Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (1),

gezien zijn aanbeveling aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het Oostelijk Partnerschap, in de aanloop naar de top van juni 2020,

gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over het uitvoeringsverslag van de associatieovereenkomst met de Republiek Moldavië van 13 oktober 2021 (SWD(2021)0295),

gezien het resultaat van de zesde vergadering van de Associatieraad tussen de EU en Moldavië van 28 oktober 2021,

gezien de gezamenlijke verklaringen van de toppen van het Oostelijk Partnerschap, waarvan de meest recente op 15 december 2021 in Brussel heeft plaatsgevonden,

gezien het gezamenlijk werkdocument van de diensten van de Commissie en de EDEO getiteld “Herstel, veerkracht en hervorming: prioriteiten van het Oostelijk Partnerschap na 2020” van 2 juli 2021 (SWD(2021)0186),

gezien het op 17 mei 2021 ondertekende memorandum van overeenstemming tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken van Georgië, het ministerie van Buitenlandse Zaken en Europese Integratie van de Republiek Moldavië en het ministerie van Buitenlandse Zaken van Oekraïne — het “associatietrio” — over de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van Europese integratie,

gezien de gezamenlijke verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van het associatietrio Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne, na de 6e top van het Oostelijk Partnerschap op 15 december 2021,

gezien het verzoek van Moldavië om toetreding tot de Europese Unie, dat op 3 maart 2022 werd ingediend,

gezien de door de voorzitter van het Europees Parlement op 16 maart 2022 ontvangen brief van de premier van de Republiek Moldavië met het verzoek om de macrofinanciële bijstand aan Moldavië te verhogen,

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de Republiek Moldavië van 26 februari 2018,

gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 26 januari 2021 getiteld “Rechters in Polen en de Republiek Moldavië moeten onafhankelijk blijven” (2),

gezien de adviezen en aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) en van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, met name die van 15 maart 2018 over de hervorming van het kiesstelsel in Moldavië, van 24 juni 2019 over de constitutionele situatie met bijzondere aandacht voor de mogelijkheid om het parlement te ontbinden, van 14 oktober 2019 over de ontwerpwet inzake de hervorming van het Hooggerechtshof en het openbaar ministerie, en van 13 december 2021 over de wijzigingen van 24 augustus 2021 aan de wet inzake het openbaar ministerie,

gezien de juridische analyse van de wet tot wijziging van de wet inzake audiovisuele mediadiensten van de Republiek Moldavië, die op 14 januari 2022 werd gepresenteerd door de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid,

gezien de uitkomst van de 12e mensenrechtendialoog tussen de EU en Moldavië van 13 september 2021 die per videoconferentie werd gehouden,

gezien de aanbevelingen en werkzaamheden van het Parlementaire Associatiecomité EU-Moldavië, de Parlementaire Vergadering Euronest, het Forum voor het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap, het Platform voor het maatschappelijk middenveld EU-Moldavië en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in Moldavië,

gezien de nationale strategie voor regionale ontwikkeling voor 2022-2028 die door regering van Moldavië is vastgesteld,

gezien het nieuwe actieplan van de regering voor de periode 2020-2023,

gezien de conclusies van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Europees Parlement naar Moldavië in verband met de vervroegde parlementsverkiezingen van 11 juli 2021, die was geïntegreerd in de internationale verkiezingswaarnemingsmissie onder leiding van het OVSE/ODIHR,

gezien de verklaring van hoge vertegenwoordiger Josep Borrell en commissaris Olivér Várhelyi van 12 juli 2021 over de parlementsverkiezingen,

gezien zijn eerdere resoluties over Moldavië, en met name de eerdere resolutie van 20 oktober 2020 over de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst tussen de EU en Moldavië (3), alsook de resoluties van 5 juli 2018 over de politieke crisis in Moldavië naar aanleiding van de ongeldigverklaring van de burgemeestersverkiezingen in Chisinau (4), van 4 juli 2017 over toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië (5), en van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten/diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne (6),

gezien artikel 54 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

gezien het advies van de Commissie internationale handel,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0143/2022),

A.

overwegende dat de niet-uitgelokte, ongerechtvaardigde en illegale Russische oorlog tegen Oekraïne die op 24 februari 2022 werd afgekondigd, buurland Moldavië onevenredig zwaar heeft getroffen, en dat het land in twee weken tijd meer dan 360 000 vluchtelingen uit Oekraïne heeft ontvangen van wie er meer dan 100 000 in het land zijn gebleven, hetgeen een enorme druk op Moldaviës middelen heeft gelegd;

B.

overwegende dat er bezorgdheid bestaat over mogelijke operaties onder valse vlag in Moldavië sinds het begin van de Russische oorlog tegen Oekraïne;

C.

overwegende dat generaal-majoor Roestam Minnekajev, waarnemend bevelhebber van het centrale militaire district van Rusland, op 22 april 2022 heeft verklaard dat de Russische invasie van Oekraïne onder meer tot doel heeft een landcorridor naar de regio Transnistrië te creëren; overwegende dat generaal-majoor Minnekajev ook ten onrechte beweerde dat in Transnistrië onderdrukking van de Russischtalige bevolking was waargenomen;

D.

overwegende dat de top van het Oostelijk Partnerschap de Europese aspiraties en de Europese keuze van de betrokken partners heeft erkend en de volledige uitvoering van de associatieovereenkomsten en hun DCFTA’s heeft aangemoedigd;

E.

overwegende dat na een periode van politieke instabiliteit en democratische achteruitgang de presidentsverkiezingen op 15 november 2020 met 57,75 % van de stemmen zijn gewonnen door Maia Sandu en dat bij de vervroegde parlementsverkiezingen van 11 juli 2021 de Partij voor Actie en Solidariteit (PAS) 52,8 % van de stemmen kreeg en daarmee 63 van de 101 zetels in het parlement van Moldavië heeft gewonnen, waaruit blijkt dat de bevolking van Moldavië veel waarde hecht aan de democratie, de rechtsstaat en de Europese toekomst van hun land en dat de PAS hiermee een krachtig mandaat heeft gekregen voor een ambitieus hervormingsprogramma;

F.

overwegende dat de AO/DCFTA is gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gegrondvest — namelijk democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en de rechtsstaat — en dat deze waarden ook de kern vormen van politiek partnerschap en economische integratie zoals beoogd middels de AO/DCFTA;

G.

overwegende dat volgens recente opiniepeilingen 71,6 % van de burgers van Moldavië voorstander is van de doelstelling van Europese integratie van hun land;

H.

overwegende dat de deelnemers aan de 11e bijeenkomst van het Parlementaire Associatiecomité EU-Moldavië gehouden op 6 en 7 april 2022 hebben kunnen vaststellen dat de president van Moldavië, de regering en een meerderheid in het parlement besloten hebben tot een grondige uitvoering van de Associatieagenda EU-Moldavië, teneinde tastbare verbeteringen tot te stand te brengen in de levens van Moldavische burgers;

I.

overwegende dat de concrete uitkomsten van de 6e Associatieraad EU-Moldavië van 28 oktober 2021 een nieuwe aanzet geven tot nauwere en uitgebreidere samenwerking op belangrijke gebieden;

J.

overwegende dat het economisch herstelplan voor Moldavië is voorgesteld als onderdeel van de hernieuwde agenda voor herstel, veerkracht en hervorming voor de landen van het Oostelijk Partnerschap, en kan steunen op een economisch en investeringsplan (EIP) voor sociaal-economisch herstel en veerkracht op lange termijn na COVID-19, onder het motto “building back better”; overwegende dat met de vlaggenschipinitiatieven in het kader van het EIP voor Moldavië investeringen worden beoogd in energie-efficiëntie, infrastructuur en connectiviteit, maar niet in de overgang naar schone energie;

K.

overwegende dat het huidige COVID-19-noodprogramma voor macrofinanciële bijstand van de EU aan Moldavië is voltooid, in het kader waarvan in november 2020 een eerste tranche van 50 miljoen EUR en op 7 oktober 2021 een tweede tranche van 50 miljoen EUR is uitbetaald, nadat aanzienlijke vooruitgang was geboekt bij het vervullen van de beleidsvoorwaarden van het memorandum van overeenstemming;

L.

overwegende dat Moldavië de 105e plaats inneemt in de corruptieperceptie-index 2021 van 180 landen (en daarmee is opgeklommen van de 115e plaats in 2020) en dat ondanks de veranderingen in de regering er grote zorgen over het gebrek aan werkelijke verbetering in de strijd tegen corruptie blijven voortbestaan, aangezien corruptie al jaren een ernstig probleem vormt voor het overheidsapparaat, zorgt voor stagnatie van de economische groei en modernisering en ondermijning van de democratie;

M.

overwegende dat de nieuwe regering de ernstige tekortkomingen bij justitie en op het gebied van de rechtsstaat die het democratisch bestuur in Moldavië blijven belemmeren, nog steeds moet aanpakken;

N.

overwegende dat Moldavië de 89e plaats inneemt in de wereldindex persvrijheid 2021 van 180 landen (en daarmee twee plaatsen is opgeklommen ten opzichte van het jaar daarvoor) en dat er met name bezorgdheid blijft bestaan over de concentratie van media-eigendom, de monopolisering op de advertentiemarkt, het gebrek aan redactionele onafhankelijkheid en de controle die economische en politieke groeperingen op mediaorganisaties uitoefenen;

O.

overwegende dat maatschappelijke organisaties blijven aandringen op meer transparantie in de besluitvorming in het parlement en bij andere openbare instanties, en eraan herinneren dat zij in 2016 en 2017 voorstellen over het wetgevingskader inzake de toegang tot informatie hebben ingediend;

P.

overwegende dat, zo er al sprake was van samenwerking tussen de overheid en het maatschappelijk middenveld, deze overwegend een niet-geïnstitutionaliseerde vorm had;

Q.

overwegende dat de Commissie in haar meest recente uitvoeringsverslag de voornaamste problemen in verband met het recht op toegang tot gezondheidszorg, de toegang tot informatie van openbaar belang, het recht op werk en een waardig bestaan, de vrijheid van verkeer alsmede de vrijheid van meningsuiting in kaart heeft gebracht;

R.

overwegende dat vrouwen nog steeds genderongelijkheid ondervinden en dat hun participatie in de besluitvorming beperkt blijft als gevolg van genderstereotypen en -normen;

S.

overwegende dat het rechtskader de toegang tot bepaalde beroepen niet langer verbiedt, maar dat de uitvoering ervan traag verloopt en vrouwen tegen praktische hinderpalen blijven aanlopen, zoals het gebrek aan toegang tot betaalbare zorg;

T.

overwegende dat haatzaaiende uitlatingen nog steeds reden tot zorg zijn en voornamelijk gericht zijn tegen vrouwen en lhbti-personen;

U.

overwegende dat de Commissie in haar uitvoeringsverslag wijst op ernstige problemen met betrekking tot zuigelingensterfte, kinderarbeid, mede in verband met handel in en seksuele uitbuiting van kinderen, de specifieke situatie van Roma-kinderen en door hun ouders in de steek gelaten kinderen, het stagnerende aantal baby’s en kinderen met een handicap in institutionele zorgfaciliteiten en de ontoereikende kwaliteit van de sociale voorzieningen ter ondersteuning van gezinnen in kwetsbare situaties;

V.

overwegende dat Moldavië ongeveer 80 % van zijn energie importeert, en dat wind-, zonne- en kleine waterkracht slechts ongeveer 1 % van de energiemix van Moldavië leveren;

W.

overwegende dat biomassa de enige grote binnenlandse energiebron van Moldavië is, met een aandeel van 19 % in de totale energievoorziening;

X.

overwegende dat Moldavië zich er in het kader van de Overeenkomst van Parijs toe heeft verbonden de emissies in 2030 met 70 % te verminderen ten opzichte van 1990;

Gemeenschappelijke waarden en algemene beginselen

1.

is ingenomen met de historische resultaten van de presidentsverkiezingen van 2020 en de parlementsverkiezingen in 2021, waarbij de bevolking van Moldavië zich met overweldigende meerderheid achter hervormingsgezinde en pro-Europese krachten heeft geschaard, welke nu de volledige verantwoordelijkheid voor de Staat dragen; moedigt de instellingen van de EU en de politieke leiders van Moldavië aan deze unieke gelegenheid aan te grijpen om zich samen in te zetten voor reeds lang noodzakelijke hervormingen en de Europese integratie van Moldavië te bevorderen op basis van de gedeelde waarden van democratie, eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat;

2.

is ingenomen met de indiening door Moldavië van zijn verzoek om toetreding tot de EU op 3 maart 2022, waarmee het zijn keuze voor het Europese traject bevestigt; merkt op dat deze stap verder onderstreept dat er behoefte is aan een intensievere politieke dialoog op hoog niveau met de Moldavische autoriteiten om tastbare en duurzame vooruitgang te boeken bij de uitvoering van de belangrijkste hervormingen; verzoekt de EU-instellingen de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen aan Moldavië, Oekraïne en Georgië, overeenkomstig artikel 49 VEU en op basis van verdienste, en in de tussentijd te blijven werken aan de integratie van Moldavië in de interne markt van de EU; verzoekt de Commissie en de EDEO de betrekkingen met hun Moldavische tegenhangers uit te breiden en hun politieke, technische en financiële steun aan Moldavië gedurende deze cruciale periode tot het maximum op te voeren, teneinde een verdere impuls te geven aan de vooruitgang en te zorgen voor voldoende absorptiecapaciteit voor EU-steun; benadrukt dat moet worden onderzocht hoe de capaciteit van de Moldavische overheidsinstellingen in dit verband kan worden verstevigd en uitgebreid, met inbegrip van een gezamenlijk project van de EU en Moldavië voor de oprichting van een hogeronderwijsinstelling voor de opleiding van personeel voor Moldavische overheidsdiensten, waarbij wordt gezorgd voor maximale transparantie in de selectie- en promotieprocedure alsook voor EU-steun voor de noodzakelijke salarisverhogingen voor ambtenaren die binnen de Moldavische regering werkzaam zijn op de belangrijkste gebieden met betrekking tot hervormingen met het oog op Europese integratie;

3.

wijst er op dat de Europese Unie bij haar steun strategischer te werk moet gaan en pleit voor de oprichting, op het niveau van de Commissie, van een steungroep voor de Republiek Moldavië naar het model van de steungroep voor Oekraïne (SGUA), zoals werd beoogd in het originele mandaat van de SGUA; onderstreept dat een dergelijke groep een beslissende rol zou kunnen spelen bij het beter stroomlijnen van de financiële en technische steun van de EU en het verlenen van veelzijdige bijstand aan de Moldavische autoriteiten bij het bevorderen van hervormingen op belangrijke gebieden als justitie, corruptiebestrijding en openbaar bestuur, de uitvoering van de EIP’s voor de landen van het Oostelijk Partnerschap en het economisch herstelplan voor Moldavië, alsook bij het helpen van Moldavië bij de voorbereiding voor toekomstige toetredingsonderhandelingen;

4.

verzoekt de Commissie Moldavië bij te staan bij de voorbereiding van een geloofwaardige pretoetredingsstrategie voor het EU-lidmaatschap; verzoekt de Commissie nogmaals om elk jaar met een volledig verslag te komen waarin de uitvoering van hervormingen wordt beoordeeld aan de hand van duidelijke ijkpunten en met gebruikmaking van dezelfde methodiek als die wordt toegepast voor de landen van de Westelijke Balkan;

5.

benadrukt dat met de aanvragen voor het EU-lidmaatschap van Oekraïne, Moldavië en Georgië een nieuw hoofdstuk in hun Europese integratie is geopend, dat moet worden gekenmerkt door vergrote inspanningen om de relevante associatieovereenkomsten en DCFTA’s ten uitvoer te leggen en door een meer strategische EU-aanpak voor de ondersteuning van deze landen;

6.

is ingenomen met de resultaten van de zesde top van het Oostelijk Partnerschap van 15 december 2021, waar de belangrijke resultaten van de samenwerking in deze vorm opnieuw werden bevestigd en een ambitieuze koers werd uitgezet voor toekomstige samenwerking op basis van gedeelde waarden en met een nadruk op herstel, veerkracht en hervormingen;

7.

is verheugd over het feit dat er tijdens de top erkenning was voor het initiatief van Moldavië, Georgië en Oekraïne om hun samenwerking als de drie geassocieerde partners van de EU (“het associatietrio”) en hun Europese aspiraties en keuze voor Europa te versterken; moedigt de drie landen aan samen te werken aan hun verklaarde doel van EU-lidmaatschap door de hervormingsagenda verder te bevorderen en beste praktijken uit te wisselen inzake goed bestuur en de uitvoering van associatieovereenkomsten en DCFTA’s als basis voor op verdienste gebaseerde toekomstige toetreding tot de EU; vraagt de Commissie om Moldavië’s verzoek om toetreding te beoordelen en in de tussentijd in te gaan op de belangstelling van de geassocieerde landen om de sectorale samenwerking met de EU op gebieden van wederzijds belang te verdiepen, met inachtneming van het beginsel van inclusiviteit;

8.

is ingenomen met de constructieve bijdrage van Moldavië aan de samenwerking in het kader van het Oostelijk Partnerschap, met name die tussen associatielanden, en hoopt dat de uitspraken met betrekking tot de ambitieuze agenda van het land en sectorale integratie op het gebied van vervoer, energie en andere terreinen in concrete besluiten en acties zullen uitmonden, bij zowel de Moldavische autoriteiten als de Unie;

9.

verzoekt de EU-instellingen de mogelijkheid te onderzoeken om Moldavië de status van waarnemer te verlenen in de bijeenkomsten van de comités die zijn opgericht krachtens artikel 291 VWEU en Verordening (EU) nr. 182/2011 (7) en in de vergaderingen van de werkgroepen en comités van de Raad, om op die manier uiting te geven aan het streven van de EU naar verdere integratie en om de hervormingskoers en administratieve kennis van het land te versterken;

10.

erkent dat de oorlog in Oekraïne de Moldavische economie onevenredig heeft getroffen als gevolg van verloren invoer- en uitvoerkansen, hogere vervoerskosten, snel stijgende energieprijzen en de noodzaak om het hoofd te bieden aan een kritieke humanitaire situatie als gevolg van de grote aantallen vluchtelingen uit Oekraïne; prijst het Moldavische volk en de overheidsinstellingen voor hun buitengewone betrokkenheid bij de opvang van vluchtelingen die vanuit Oekraïne het land binnenkomen, met zovelen dat Moldavië het land is met het hoogste aantal vluchtelingen uit Oekraïne per hoofd van de bevolking; benadrukt dat als gevolg hiervan de behoefte van Moldavië aan economische steun ook dramatisch is toegenomen, met inbegrip van macrofinanciële bijstand; roept de EU en andere internationale partners van Moldavië op hun beleid in het licht hiervan dringend te herzien en hun steun aan het land op te voeren teneinde de sociaal-economische situatie te stabiliseren en de verdere ontwikkeling van het land te waarborgen;

11.

is ingenomen met het doortastende handelen van de EU en haar lidstaten als “Team Europa” om de sociaal-economische gevolgen van de COVID-19-pandemie te verzachten door middel van vaccindonaties en financiële steun; roept de EDEO op om de Moldavische autoriteiten, via de East StratCom Task Force en de delegatie van de Europese Unie in de Republiek Moldavië, bij te staan in de bestrijding van misinformatie over COVID-19-vaccins en de bevordering van een sociale dialoog met als doel het bereiken van een vaccinatiegraad van tenminste 70 % van de bevolking;

12.

benadrukt dat het economisch herstelplan voor Moldavië, ten belope van maximaal 600 miljoen EUR, van essentieel belang is voor het herstel van Moldavië en dus een unieke kans biedt om structurele hervormingen te versnellen, de economie te herstructureren, armoede en sociale ongelijkheid te bestrijden, de groene en digitale transitie een impuls te geven en het land voor te bereiden op andere toekomstige uitdagingen; is ingenomen met de eerste uitbetaling aan Moldavië van 36,4 miljoen EUR aan subsidie als onderdeel van het economisch herstelpakket, om het land te blijven helpen bij het hervormen van de politie en het bestrijden van COVID-19;

13.

is ingenomen met het nieuwe economische hervormingsprogramma van Moldavië, dat in december 2021 door het Internationaal Monetair Fonds is goedgekeurd en dat de weg vrijmaakt voor het nieuwe voorstel van de Commissie voor een pakket van macrofinanciële bijstand voor Moldavië ten belope van maximaal 150 miljoen EUR; is ingenomen met de snelle goedkeuring van de nieuwe macrofinanciële bijstand door het Parlement en de Raad; onderstreept het cruciale belang van strikte voorwaardelijkheid die in de eerste plaats afhankelijk is van democratische hervormingen en niet zozeer economische factoren, hetgeen evenzeer geldt voor alle andere financiering van de EU aan haar partners; vraagt de Commissie erop toe te zien dat de Moldavische autoriteiten over technische bijstand kunnen beschikken om de overeengekomen hervormingen in de context van macrofinanciële bijstand op afdoende wijze door te voeren;

Hervormingen en institutioneel kader

14.

is ingenomen met de nooit eerder geziene ambitieuze hervormingsagenda van de regering van Natalia Gavrilița en met de initiële vooruitgang die reeds is geboekt bij de uitvoering ervan, met name op het gebied van corruptiebestrijding, toenemende transparantie in het openbaar bestuur, bevordering van hervormingen op het gebied van de rechtsstaat en digitalisering, verbetering van de levensstandaard van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen en verbetering van het ondernemingsklimaat in het land; herhaalt dat voldoende vooruitgang bij de uitvoering van overeengekomen hervormingen een essentiële voorwaarde is om financiële steun van de EU te blijven krijgen en in aanmerking te komen voor het “meer voor meer”-beginsel;

15.

spoort de regering van Moldavië er nadrukkelijk toe aan zich te blijven inspannen om het land op onomkeerbare wijze op één lijn te brengen met de Europese Unie; roept de autoriteiten en de oppositie ertoe op constructief samen te werken om hun land om te vormen tot een functionerende staat die zijn burgers kansen kan bieden en verbeteringen tot stand kan brengen op alle gebieden die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, aangezien dit de levensstandaard in Moldavië ten goede zal komen en Moldaviërs die in het buitenland wonen ertoe kan overhalen naar hun thuisland terug te keren;

16.

wijst erop dat de hoge verwachtingen van de bevolking van Moldavië moeten worden ingelost door hun leefomstandigheden merkbaar te verbeteren, hun vertrouwen in overheidsinstellingen te herstellen en corruptie en oligarchische structuren te bestrijden;

17.

merkt op dat de presidents- en vervroegde parlementsverkiezingen weliswaar goed georganiseerd en competitief waren, maar dat de campagne verdeeldheid zaaide en op een negatieve manier werd gevoerd, met onverdraagzame retoriek en persoonlijke aanvallen; benadrukt dat de resterende tekortkomingen moeten worden aangepakt door uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa en het OVSE/ODIHR, onder meer door het rechtskader inzake verkiezingen te versterken in overeenstemming met de OVSE-verbintenissen en andere internationale normen, zonder dralen een grondig onderzoek in te stellen naar overtuigende beschuldigingen in verband met het kopen van stemmen en de onrechtmatige beïnvloeding van kiezers, misbruik van overheidsmiddelen aan te pakken, de transparantie en verantwoordingsplicht met betrekking tot campagnefinanciering te vergroten, de geldende bepalingen van het wetboek inzake audiovisuele mediadiensten betreffende onpartijdige berichtgeving tijdens verkiezingscampagnes strikter te handhaven, en te voorzien in betere waarborgen om rechters te vrijwaren van politieke druk en ervoor te zorgen dat zij verkiezingsgerelateerde zaken volledig onpartijdig kunnen behandelen; dringt er bij de Moldavische regering op aan alle noodzakelijke maatregelen te treffen om te garanderen dat de Moldavische burgers die buiten het land wonen op inclusieve, transparante en eerlijke wijze kunnen deelnemen aan verkiezingen, zonder buitenlandse inmenging;

Energiezekerheid en -bestendigheid

18.

is ingenomen met het besluit van de Commissie om Moldavië via een nieuw programma voor begrotingssteun 60 miljoen EUR ter beschikking te stellen om het hoofd te bieden aan de door Gazprom kunstmatig gecreëerde gasvoorzieningscrisis en om de gevolgen van de prijsstijgingen voor de meest kwetsbare mensen te verzachten; is ingenomen met de inspanningen van onder meer Polen, Roemenië en Oekraïne om snel alternatieven voor de gasvoorziening te vinden; wijst erop dat energie de belangrijkste bron van inkomsten is voor de begroting, de krijgsmacht en de sociale programma’s van Rusland en dat Gazprom wordt ingezet als instrument om de buitenlandse economische en geopolitieke belangen van het Kremlin te bevorderen; stelt verheugd vast dat de EU-delegatie in Chișinău in aanvulling op de EU-bijstand die reeds wordt geboden in het kader van de energiecrisis 5 miljoen EUR heeft vrijgemaakt om de kwetsbare bevolkingsgroepen die het zwaarst getroffen zijn door de stijgende energieprijzen te ondersteunen; beseft niettemin dat er meer steun nodig is in het licht van de voortdurend stijgende energieprijzen;

19.

merkt op dat de Russische oorlog tegen Oekraïne en het gebruik van energiebronnen als wapen nog meer benadrukken hoe belangrijk het in geostrategisch opzicht is hervormingen in de energiesector door te voeren, waardoor de afhankelijkheid van Russisch gas zou verdwijnen en de diversificatie van energievoorziening en -aanvoerroutes zou worden gestimuleerd, waarbij veerkracht op lange termijn wordt opgebouwd door middel van een transitie naar hernieuwbare energiebronnen, en wordt geïnvesteerd in de modernisering van bestaande en de aanleg van nieuwe infrastructuur en in energie-efficiëntie, onder meer in de sectoren energieproductie, vervoer en huishoudens, om zo de connectiviteit te verbeteren en tegelijk ecologische duurzaamheid te waarborgen; merkt op dat dit er ook toe zou bijdragen om beter bestand te zijn tegen potentiële pogingen van derden om energie als geopolitieke hefboom te gebruiken;

20.

benadrukt dat het ontoelaatbaar is dat de gasvoorziening uit Rusland als wapen wordt ingezet om politieke druk uit te oefenen op de regering van Moldavië opdat die haar geopolitieke koers zou bijsturen en zich niet langer zou inzetten om de legitieme wensen van de Moldavische kiezers waar te maken; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan Moldavië op te nemen in de plannen van de EU om onafhankelijk te proberen worden van de energievoorziening uit Rusland en de financiële en technische steun van de EU aan Moldavië te verhogen, hetgeen noodzakelijk is om het land bestand te maken tegen dit soort externe inmenging en zijn grote afhankelijkheid van Russische energie te verminderen; verzoekt de EU sterkere energiesolidariteit met Moldavië te betuigen, in overeenstemming met de associatieovereenkomst, door meer onderlinge verbindingen tussen de energie-infrastructuur van de EU en de landen in de regio aan te leggen; benadrukt dat het van belang is om onverwijld werk te maken van alle noodzakelijke investeringen in de Europese energie-infrastructuur en het bijbehorende onderhoud, zodat de opslagvoorzieningen en interconnectoren van de EU-lidstaten gastransmissie van de EU naar partnerlanden op voldoende grote schaal mogelijk maken; verzoekt de Moldavische autoriteiten om zich als lid van de Energiegemeenschap op lange termijn te blijven inzetten voor de tenuitvoerlegging van het derde energiepakket van de EU, met name de ontvlechting van de transmissie en distributie van gas en elektriciteit;

21.

onderstreept dat het noodzakelijk is de stroomopwekkingscapaciteit in Moldavië te vergroten, aangezien het land momenteel voor 80 % afhankelijk is van elektriciteit die in de regio Transnistrië wordt geproduceerd; is ingenomen met de succesvolle synchronisatie op 16 maart 2022 van de elektriciteitsnetten van Moldavië en Oekraïne met het Europees continentaal net, hetgeen zal bijdragen tot het waarborgen van de stabiliteit en de voorzieningszekerheid ervan; prijst het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E) voor de inspanningen om deze mijlpaal onder buitengewone omstandigheden te bereiken; verzoekt de Commissie de integratie van Moldavië en Oekraïne in het Europees continentaal elektriciteitsnet te blijven ondersteunen en daartoe binnen haar administratie met spoed een speciale structuur op te zetten; is ingenomen met de stappen die zijn genomen om het elektriciteitssysteem van Moldavië via Roemenië te verbinden met dat van de EU; verzoekt alle autoriteiten de doelstelling te verwezenlijken om Moldavië met steun van de EU uiterlijk in 2024 aan te sluiten op het energienet van Roemenië; verzoekt de Commissie om Moldavië te betrekken bij de stresstests die worden uitgevoerd voor de interne energiemarkt; merkt op dat ondersteuning en bevordering van de versterkte samenwerking tussen de EU en de geassocieerde EaP-landen in deze sectoren ook economische groei zullen teweegbrengen en de energiebestendigheid van de regio zullen versterken;

22.

is ingenomen met de dialoog op hoog niveau over energie tussen de EU en Moldavië die is opgestart in de context van de noodsituatie in de Moldavische gassector; spoort de Commissie ertoe aan te overwegen soortgelijke dialogen op hoog niveau met de EU op te starten ter versterking van de samenwerking op andere gebieden, zoals justitie of het klimaat en de Green Deal, hetgeen zou bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de AO/DCFTA;

23.

dringt er bij Moldavië en de EU op aan om de connectiviteit van Moldavië in het Zwarte-Zeebekken en de regio van de Karpaten te verbeteren, vooruitgang te boeken bij de werkzaamheden aan de Moldavische secties van het uitgebreide trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) voor EaP-landen, de hervormingen in de spoorwegsector te ondersteunen en samen met de lidstaten en internationale financiële instellingen op zoek te gaan naar mogelijkheden om de spoorverbindingen tussen de EU en Moldavië te moderniseren, waarbij ecologische duurzaamheid wordt gewaarborgd; spoort Moldavië ertoe aan vooruitgang te boeken bij de tenuitvoerlegging van het desbetreffende acquis en dringt aan op intensievere samenwerking en de geleidelijke integratie van Moldavië in de vervoersmarkt en de Vervoersgemeenschap van de EU;

24.

verzoekt de EU een platform voor investeringsplanning ten behoeve van Moldavië op te zetten met het oog op de uitvoering van een agenda inzake grootschalige infrastructuurverbindingen, met name door het absorptievermogen van Moldavië te vergroten en de noodzakelijke technische bijstand te verlenen, zoals is gebeurd voor de landen van de Westelijke Balkan met het investeringskader voor de Westelijke Balkan, een platform voor capaciteitsbijstand dat wordt beheerd door de Commissie;

25.

stelt tevreden vast en is er voorstander van dat Moldavië belangstelling toont om de samenwerking met de EU op het gebied van digitalisering en telecommunicatie te bevorderen; dringt er bij de EU en Moldavië op aan de roamingtarieven tussen Moldavië en de EU wederzijds af te schaffen;

26.

neemt tevreden kennis van de inspanningen en de voortdurende vooruitgang die door de Moldavische autoriteiten wordt geboekt om het systeem voor veiligheidstoezicht van Moldavië verder te verbeteren en de internationale normen inzake luchtvaartveiligheid toe te passen, met als gevolg dat alle in Moldavië gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen geschrapt zijn van de lijst van luchtvaartmaatschappijen met een exploitatieverbod in de EU, en verzoekt de Moldavische autoriteiten erop toe te zien dat de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de EU en Moldavië wordt uitgevoerd;

Samenwerking op het gebied van gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en vooruitgang bij de oplossing van het conflict over Transnistrië

27.

is ingenomen met de overeenkomst tussen de EU en Moldavië om een politieke en veiligheidsdialoog op hoog niveau op te starten, en met de hernieuwde inzet op het gebied van veiligheid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) door middel van bilateraal politiek overleg op stafniveau; moedigt de EDEO en Moldavië ertoe aan ten volle gebruik te maken van deze platforms om de samenwerking te bevorderen, onder meer, maar niet uitsluitend, om hybride dreigingen te bestrijden, de veerkracht te vergroten, te zorgen voor betere cyberbeveiliging en een betere bescherming van kritieke infrastructuur, en de strategische communicatie te verbeteren; verzoekt Moldavië om zijn standpunten te blijven afstemmen op die van het GBVB en om zijn bijdrage aan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en de missies in dit verband voort te zetten en op te voeren; spoort de EU en Moldavië ertoe aan op zoek te gaan naar manieren om deze samenwerking uit te breiden, met name in het licht van de onstabiele veiligheidssituatie in het oostelijk nabuurschap;

28.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente ontwikkelingen op het grondgebied van de regio Transnistrië en veroordeelt deze als gevaarlijke provocaties in een zeer onstabiele veiligheidssituatie; dringt aan op kalmte om de veiligheid en het welzijn van de mensen aan weerszijden van de Dnjestr en in de buurlanden niet in gevaar te brengen; verwelkomt in dit verband de kalme en beheerste reactie van de autoriteiten in Chisinau;

29.

spreekt zijn afkeur en bezorgdheid uit over de verklaring van de autoriteiten van de bezette Moldavische regio Transnistrië van 3 maart 2022, waarin zij aankondigen dat het proces om tot een oplossing van het conflict te komen wordt stopgezet en waarin zij opnieuw oproepen tot erkenning van de zogenaamde onafhankelijkheid van Transnistrië; herhaalt zijn steun voor een alomvattende en vreedzame oplossing van het conflict in Transnistrië aan de hand van het 5+2-onderhandelingsproces, op basis van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Moldavië binnen de internationaal erkende grenzen van het land, met een speciale status voor de regio Transnistrië in een levensvatbare Moldavische staat; beklemtoont dat elke mogelijke oplossing voor de kwestie Transnistrië de eerbiediging moet inhouden van het soevereine recht van Moldavië om op het vlak van defensie- en buitenlands beleid zijn eigen koers te varen; steunt de inspanningen om de voordelen van de DCFTA en de visumvrije regeling uit te breiden tot de regio Transnistrië, hetgeen een aanzienlijke toename van de mobiliteit en handel in de regio mogelijk zou maken;

30.

merkt op dat de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer in Moldavië en Oekraïne een zeer belangrijke rol speelt om grensbeheer- en douaneregelingen af te stemmen op de regelingen van de Unie, onder meer wat de bestrijding van georganiseerde misdaad en smokkel en de bijdrage aan de vreedzame oplossing van de kwestie Transnistrië door middel van vertrouwenwekkende maatregelen betreft, en tevens een belangrijke toezichthoudende rol vervult aan het Transnistrische gedeelte van de grens tussen Moldavië en Oekraïne; spoort de Moldavische regering ertoe aan om door te gaan met het bevorderen van een gunstig klimaat voor het oplossen van conflicten, en om in door conflicten verdeelde gemeenschappen activiteiten die het vertrouwen vergroten en de contacten tussen mensen bevorderen te blijven ondersteunen; is van mening dat een constructieve oplossing van de kwestie Transnistrië niet alleen voor stabiliteit en welvaart in Moldavië maar ook in de ruimere omgeving zal zorgen;

31.

verzoekt Moldavië, de Russische Federatie, de EU-lidstaten en andere internationale partners om samen te werken aan de volledige verwijdering en vernietiging van de ongeveer 20 000 ton aan oude munitie uit het Sovjettijdperk die opgeslagen ligt in het munitiedepot in Cobasna, die een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid van de bevolking en het milieu op beide oevers van de rivier de Dnjestr, aangezien de houdbaarheidsduur inmiddels lang is verstreken; maakt zich zorgen over de talrijke militaire oefeningen die door de Russische strijdkrachten in Transnistrië worden gehouden en doet een oproep aan de Russische Federatie om haar strijdkrachten en wapens op ordelijke wijze volledig en onvoorwaardelijk terug te trekken uit de regio Transnistrië, in overeenstemming met de herhaalde verzoeken van de Moldavische autoriteiten en met eerbiediging van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Moldavië;

32.

maakt zich zorgen over de verslechterende mensenrechtensituatie in de regio Transnistrië, met name over de vervolging van personen die zich kritisch uitlaten over het feitelijke bestuur en het inzetten van het Russische leger, en de beperkingen op door lokale ngo’s georganiseerde openbare bijeenkomsten en activiteiten; wijst de Russische Federatie op haar verantwoordelijkheid met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten in de regio Transnistrië, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in verscheidene uitspraken heeft bevestigd; verzoekt de Russische autoriteiten uitvoering te geven aan alle uitspraken van het EHRM in verband met schendingen van de mensenrechten en het recht op vrijheid en veiligheid in de regio Transnistrië;

33.

prijst de Moldavische autoriteiten voor de steun die zij de regio Transnistrië hebben geboden in verband met de COVID-19-pandemie, onder meer door 10 % van de vaccinvoorraad van het land te doneren, medisch personeel op te leiden en COVID-19-tests te verwerken;

34.

is ingenomen met het besluit van de Raad om in het kader van de Europese Vredesfaciliteit 7 miljoen EUR aan bijstand te verlenen aan de strijdkrachten van Moldavië om medische uitrusting en materiaal voor het verwijderen van explosieven aan te kopen; spoort de EDEO en de Raad ertoe aan de gebieden van samenwerking met Moldavië te blijven uitbreiden en steun te blijven bieden voor de versterking van de capaciteit van de defensiesector door middel van steunmaatregelen in het kader van dit instrument;

35.

spoort de Moldavische autoriteiten ertoe aan om in toekomstige jaarprogramma’s gebruik te blijven maken van mogelijke bijstand in het kader van de Europese Vredesfaciliteit, teneinde de capaciteit van het land om cyberaanvallen en hybride dreigingen af te slaan te consolideren; verzoekt de EU-instellingen Moldavië te betrekken bij nieuwe vormen van samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging, hybride dreigingen en onderzoeken naar cybercriminaliteit, onder meer door het nieuwe Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging een rol te geven bij deze inspanningen;

Rechtsstaat en goed bestuur

36.

wijst nogmaals op het fundamentele belang van justitiële hervorming, met name door de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van de rechterlijke macht te versterken en de strijd tegen corruptie op te voeren; erkent de omvang van de uitdaging waarmee de autoriteiten worden geconfronteerd, en spoort hen ertoe aan zich te concentreren op vastgestelde prioriteiten; is ingenomen met de toezegging van president Maia Sandu en de regering van Natalia Gavrilița om zich bij hun beleid te baseren op de uitspraken van het Moldavisch grondwettelijk hof; dringt aan op een snellere uitvoering van de huidige justitiële hervorming, met inbegrip van de uitvoering van de wijzigingen van de bepalingen in de grondwet betreffende justitie waarover het Moldavische parlement op 23 september 2021 heeft gestemd, alsook van de strategie voor het waarborgen van de onafhankelijkheid en integriteit van de justitiële sector voor de periode 2022-2025;

37.

wijst erop dat de EU meer steun moet bieden voor de complexe hervorming van het rechtsstelsel in Moldavië, onder meer door de financiering te verhogen; erkent dat er verregaande hervormingen nodig zijn in het rechtsstelsel, met als doel de rechterlijke macht niet alleen doeltreffend maar ook volledig en echt onafhankelijk te maken, het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke macht en het overheidsapparaat te herstellen, de banden met postcommunistische informele netwerken en oligarchen te verbreken, en corruptie en witwaspraktijken ook in de hoogste geledingen van de politiek en de zakenwereld te bestrijden; spreekt zijn krachtige steun uit voor de doelstelling om het rechtsstelsel te ontdoen van personen met een twijfelachtige integriteit en grondige wijzigingen door te voeren waarmee een sterke basis wordt gelegd voor de rechtsstaat in het land;

38.

benadrukt dat het van belang is ervoor te zorgen dat bij rechterlijke benoemingen een transparante selectieprocedure op basis van verdienste wordt gevolgd; roept de Moldavische autoriteiten ertoe op om de samenwerking inzake justitiële hervorming met de Raad van Europa en de Europese Unie voort te zetten, onder meer met betrekking tot initiatieven in verband met de buitengewone evaluatie van rechters en aanklagers (doorlichting) en de evaluatie van de integriteit van kandidaten voor het ambt van lid van de hoge raad voor de magistratuur en de hoge raad van aanklagers (voorafgaande doorlichting); herinnert eraan dat het belangrijk is om in het kader van de justitiële hervormingen de aanbevelingen van Commissie van Venetië te raadplegen en uit te voeren;

39.

is ervan overtuigd dat grootschalige corruptie een van de voornaamste problemen is die vooruitgang in Moldavië in de weg staan; dringt er bij de Moldavische regering op aan de doeltreffendheid van de wettelijke en institutionele infrastructuur voor corruptiebestrijding te vergroten; is ingenomen met de oprichting van het onafhankelijk raadgevend comité inzake corruptiebestrijding, dat belast is met onderzoek naar corruptie in de financiële sector en de banksector en bij de overheidsinstellingen van het land;

40.

verzoekt de Moldavische regering de transparantie, het democratisch toezicht en de verantwoordingsplicht met betrekking tot alle besluitvormingsprocessen te vergroten en nauw samen te werken met het maatschappelijk middenveld, teneinde een toereikende publieke controle op deze processen en inclusieve inspraak mogelijk te maken; herhaalt hoe belangrijk het is om het maatschappelijk middenveld duurzaam te financieren, met name in het licht van de grote bezuinigingen tijdens de pandemie; wijst op het algemene belang van de actieve open dialoog van de regering met maatschappelijke organisaties, vakbonden, ondernemersorganisaties en de oppositie in het parlement en daarbuiten, teneinde een inclusief en participatief besluitvormingsproces te waarborgen;

41.

neemt kennis van de stappen die de autoriteiten hebben genomen en verzoekt hen nadrukkelijk zich te blijven inspannen om het probleem van ongegronde asielaanvragen aan te pakken en het visumbeleid van Moldavië af te stemmen op de EU-lijsten van niet-EU-landen waarvoor een visumplicht geldt;

42.

verzoekt de Moldavische regering zich te blijven inspannen om rechtshandhavingsinstanties en overheidsinstanties voor corruptiebestrijding te depolitiseren en te investeren in het vergroten van het vertrouwen tussen burgers en rechtshandhavingsinstanties;

43.

dringt aan op een doortastende uitvoering van de politiehervorming; is ingenomen met de toename van het aantal vrouwen bij de politie; dringt aan op intensievere samenwerking tussen de justitiële autoriteiten en de handhavingsinstanties van Moldavië en de lidstaten om grensoverschrijdende criminaliteit terug te dringen, met name de handel in drugs en mensen, aangezien Moldavië helaas een bron blijft van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en arbeid door zowel Moldavische als internationale criminele netwerken; is ingenomen met de ondertekening van de overeenkomst tussen de EU en Moldavië over operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) in Moldavië en het inzetten van Frontex-personeel om de Moldavische autoriteiten te ondersteunen bij grensbeheeractiviteiten; dringt aan op intensievere samenwerking met Europol, Interpol en douaneorganisaties zoals de Werelddouaneorganisatie en de corruptiebestrijdingsnetwerken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

44.

verzoekt de Commissie en de Moldavische autoriteiten samen te werken, hun optreden te coördineren en dringende maatregelen te nemen ter bescherming van de vluchtelingen uit Oekraïne die in Moldavië worden opgevangen of door Moldavië reizen, met name vrouwen en kinderen, die het risico lopen slachtoffer te worden van mensenhandel en de meerderheid van de vluchtelingen uit Oekraïne vertegenwoordigen;

45.

verzoekt de autoriteiten het recht op een eerlijk proces en de eerbiediging van de mensenrechten in detentiecentra te garanderen, onder meer door de gebrekkige gezondheidszorg aan te pakken, en niet aan selectieve en politiek gemotiveerde rechtspleging te doen; beklemtoont dat foltering en mishandeling moeten worden uitgebannen en dat er onderzoek moet worden ingesteld naar vermeende folteringen en andere mensenrechtenschendingen door de politie en andere rechtshandhavingsfunctionarissen;

46.

wijst erop dat financiële fraude, het witwassen van geld en georganiseerde criminaliteit moeten worden aangepakt door middel van alomvattende wetgeving en de daadwerkelijke uitvoering ervan; is ingenomen met de plannen om in het parlement van Moldavië wetswijzigingen goed te keuren ter verbetering van het rechtskader, teneinde de invoering van het mechanisme voor de ruimere confiscatie van door middel van corruptie verkregen activa mogelijk te maken;

47.

dringt aan op een duidelijk en doeltreffend beleid op het gebied van de terugvordering van verduisterde gelden en frauduleuze activa door internationale samenwerking tot stand te brengen, waarbij het accent ligt op betere contacten met Europol en Eurojust; spoort de Moldavische autoriteiten ertoe aan een speciaal kader voor strategische samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie in het leven te roepen om het beheer van fraude- en corruptieonderzoeken te verbeteren;

48.

dringt aan op voortdurende en nauwe samenwerking tussen de dienst van de algemene openbare aanklager in Chișinău en Eurojust, onder meer door op regelmatige basis Moldavische vertegenwoordigers te detacheren bij Eurojust als voorbereidende stap voor de vorming van een speciale taskforce voor de terugvordering van verduisterde gelden en frauduleuze activa;

49.

benadrukt dat het dringend nodig is vaart te maken in het onderzoek naar de bankfraude die in 2014 aan het licht is gekomen, maar die nog steeds geen significante resultaten heeft opgeleverd wat de berechting van de verantwoordelijken en de terugvordering van verloren activa betreft; benadrukt dat dit gebrek aan vooruitgang ernstige negatieve gevolgen heeft voor de internationale reputatie van Moldavië en met name voor de geloofwaardigheid van het rechtsstelsel, niet alleen bij de bevolking van Moldavië, maar ook bij de internationale partners van het land; dringt erop aan meer te doen om strafzaken tegen personen die betrokkenen zijn bij de witwasoperatie “Russische wasserette” en bankfraude af te ronden; pleit in dit verband voor een versterking van de samenwerking tussen de EU-lidstaten en de Moldavische autoriteiten om de bankfraude te onderzoeken, teneinde gestolen activa tijdig terug te vorderen;

50.

pleit nogmaals voor een uitbreiding van de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten (de Europese Magnitski-wet) door ook corruptie hierin op te nemen als strafbaar misdrijf, zodat de verantwoordelijken voor de bankfraude van 2014 kunnen worden bestraft en soortgelijke corruptiemisdrijven kunnen worden ontmoedigd;

Mensenrechten en fundamentele vrijheden

51.

stelt tevreden vast dat het parlement van Moldavië op 14 oktober 2021 het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) heeft geratificeerd; neemt kennis van de op 10 en 11 december 2021 op verzoek van het grondwettelijk hof van Moldavië uitgebrachte juridische memorie van de Commissie van Venetië over de grondwettelijke gevolgen van de ratificering van het Verdrag van Istanbul; dringt erop aan een doeltreffende uitvoering van dit verdrag op alle niveaus te waarborgen om de situatie van vrouwen en meisjes te verbeteren, en verdere inspanningen te leveren om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van gendergelijkheid, in het bijzonder om de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt te verbeteren, de loonkloof tussen mannen en vrouwen, discriminatie op grond van leeftijd en de vertegenwoordiging van vrouwen aan te pakken, en op alle niveaus van het politieke en maatschappelijke leven gelijke behandeling te waarborgen;

52.

beklemtoont het belang van een verdere versterking van het rechtskader voor gelijkheid en non-discriminatie, met name door de bestaande lacunes in de wetgeving te dichten, teneinde discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken, haatmisdrijven en haatzaaiende uitlatingen op doeltreffende wijze tegen te gaan en de rechten van minderheden, waaronder Roma, lhbti-personen en immigranten, verder te beschermen; roept Moldavië op om het uit 1994 daterende grondwettelijk verbod op het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht af te schaffen en antidiscriminatiemaatregelen voor lhbti-personen in te voeren;

53.

vraagt dat de Commissie en de EDEO gendergelijkheid integreren in al hun beleid, programma’s en activiteiten in verband met Moldavië; verzoekt de Moldavische regering om haast te maken met de goedkeuring en uitvoering van mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, in overeenstemming met de EU-normen, en de naleving van deze rechten mogelijk te maken door middel van naar behoren functionerende en onafhankelijke rechtbanken;

54.

verzoekt de Moldavische regering om in haar reactie op de COVID-19-pandemie bijzondere nadruk te leggen op het aanpakken van genderongelijkheid, gendergerelateerd geweld en discriminatie van gemarginaliseerde groepen, aangezien deze problemen zijn verergerd als gevolg van de pandemie; dringt er bij de autoriteiten op aan het toegenomen geweld tegen kinderen en de toegenomen armoede onder kinderen als gevolg van de COVID-19-pandemie en de bijbehorende beheersingsmaatregelen aan te pakken;

Handel en economische samenwerking

55.

wijst nogmaals op het belang van de effectieve uitvoering van de hervormingen die nodig zijn om ten volle te kunnen profiteren van de DCFTA, vooruitgang te boeken op het gebied van verdere economische integratie met de interne markt van de EU en de diversifiëring en het concurrentievermogen van de Moldavische economie te verbeteren, met name voor goederen met toegevoegde waarde; dringt er bij Moldavië op aan het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling van de DCFTA volledig ten uitvoer te leggen en zijn internationale verplichtingen na te komen, in het bijzonder in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de regelgeving van de Wereldhandelsorganisatie (WTO); dringt aan op aanpassing van de nationale handelswetgeving die in strijd is met de Moldavische verplichtingen in het kader van de DCFTA en de WTO-bepalingen;

56.

beklemtoont de gunstige effecten van de DCFTA EU-Moldavië op de handel tussen beide partijen, waarbij het totale handelsvolume tussen 2015 en 2020 ruim 33 % is toegenomen, meer dan 61 % van de Moldavische uitvoer naar de EU-markt gaat en meer dan 70 % van de bedrijven in Moldavië zich bezig houdt met uitvoeractiviteiten naar de EU-markt; merkt op dat de EU-markt voor Moldavië zeker nog belangrijker zal worden vanwege de handelsverstoringen als gevolg van de Russische oorlog tegen Oekraïne; verwelkomt het feit dat de Unie de grootste investeerder in het land is; spoort verdere vooruitgang aan op gebieden als het douanewetboek, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, de aanscherping van sanitaire en fytosanitaire normen, de verbetering van de marktvoorwaarden op het gebied van energie, overheidsopdrachten en toegang tot financiering voor kmo’s;

57.

beklemtoont dat de uitvoer van Moldavië kan worden vergroot door uitbreiding van de productie, herprioritering van de uitvoer en aanpassing van de kwaliteitsnormen; herhaalt dat dierlijke en plantaardige producten de voornaamste categorieën goederen voor de uitvoer blijven, die tevens tot de minst winstgevende producten behoren die Moldavië heeft te bieden aan de lidstaten; verzoekt de Commissie om Moldavië te ondersteunen bij de diversifiëring van zijn uitvoer naar de EU, onder meer door zijn tariefcontingenten voor producten met een grotere winstmarge beter te vullen;

58.

vraagt de Commissie om te beginnen met de integratie van de landen van het Oostelijk Partnerschap in de eengemaakte Europese markt door als eerste stap te onderzoeken hoe deze juridisch, economisch en technisch op één lijn kunnen worden gebracht en door normen uit te werken om partnerlanden voor te bereiden op de economische integratie in een gemeenschappelijke markt;

59.

stelt vast dat China toenemende belangstelling toont voor investeringen in de Moldavische economie, onder andere in de energie-, de telecommunicatie- en de farmaceutische sector; herinnert eraan dat China voornemens is omvangrijke vervoersinfrastructuur aan te leggen in Moldavië als onderdeel van het bredere “Nieuwe Zijderoute”-initiatief; herinnert eraan dat het “Nieuwe Zijderoute”-initiatief de kern van het Chinese buitenlandbeleid vormt en in wezen een geopolitiek project is;

60.

prijst de prodemocratische hervormingen die de regering van Moldavië inmiddels heeft doorgevoerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten om EU-investeringen aan te trekken en te stimuleren in Moldavië op basis van het “meer voor meer”-beginsel en het land tevens aan te sporen om de EU en Europese financiële instellingen op meer proactieve wijze te benaderen;

61.

verzoekt om aanhoudende inspanningen om een daadwerkelijke digitale markteconomie tot stand te brengen, waaronder vooruitgang met betrekking tot de ontwikkeling van open data, betere toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale televisie en virtuele netwerkdiensten, vergroting van het aantal diensten voor elektronische communicatie voor burgers, en openbare registers; steunt de digitalisering van de economische processen en de ontwikkeling van speciale mechanismen voor IT-bedrijven, met name voor innoverende en startende bedrijven die maar moeilijk aan financieringsbronnen kunnen komen en daardoor hun transitie- en groeiprocessen niet kunnen betalen; onderstreept dat meer moet worden gedaan voor de bescherming van de rechten en behoeften van Moldavische burgers die het internet gebruiken, en voor de volledige inachtneming van de vereisten van de digitale eengemaakte markt;

62.

is ingenomen met de aanpassing van 499 (waarvan 152 gedeeltelijk) van de Moldavische nationale wetgeving aan de 681 onderdelen van het EU-acquis waarin de associatieovereenkomst/de diepe en brede vrijhandelsovereenkomst (AO/DCFTA) voorziet, en wijst op het belang van voortdurende hervormingen van het openbaar bestuur en het bankwezen en op het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; vraagt Moldavië om zijn aanpassing aan het EU-acquis voort te zetten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de instellingen en het overheidsapparaat van Moldavië te ondersteunen met de noodzakelijke expertise en technische en financiële hulp; verzoekt de Moldavische autoriteiten sneller vorderingen te maken met de aanpassingen aan de AO/DCFTA;

63.

moedigt harmonisering van de nationale kwaliteitsnormen met die van de EU aan; benadrukt dat Moldavische ondernemers en bedrijven in het nadeel zijn als gevolg van de vele afwijkende normen voor de uitvoer naar de lidstaten waaraan zij niet voldoen en beklemtoont dat normen die afwijken van of haaks staan op de Europese normen beleidsmatig moeten worden uitgesloten;

64.

is van mening dat de DCFTA heeft geleid tot een grootscheepse verschuiving van de handel van het Euraziatische continent naar de EU door tariefloze toegang tot EU-markten te garanderen voor Transnistrische bedrijven die zijn geregistreerd op de westelijke oever van de Dnjester en worden onderworpen aan douanecontroles door Moldavische ambtenaren; spoort de Moldavische autoriteiten aan de EU-markten verder te naderen wat handel en contacten betreft, om markttoegang, transparantie en goede bedrijfspraktijken te bevorderen en de mogelijkheden voor oligarchen om de markt te manipuleren en te monopoliseren te beperken;

65.

is ingenomen met de EU-steun voor het economisch herstel van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); spoort de verantwoordelijke instellingen van de EU en Moldavië aan erop toe te zien dat deze technische en financiële steun wordt afgestemd op de behoefte van Moldavische kmo’s, voor het gehele land geldt, met inbegrip van de regio Transnistrië, en bijdraagt zowel aan de capaciteiten van kmo’s als aan hun deelname aan de interne markt van de EU;

66.

is ingenomen met de nieuwe regels voor overheidsopdrachten, maar benadrukt de noodzaak van publieke controle op de aanbestedingsprocedures en het belang van duidelijkere en doorlopende verslagen voor het grote publiek; pleit voor vereenvoudiging van de mechanismen op basis waarvan vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld kunnen deelnemen aan aanbestedingsprocedures en wijst erop dat het nodig is de bureaucratische processen door transparante processen te vervangen waarmee obstakels uit de weg worden geruimd en het vertrouwen in de toewijzing en het gebruik van overheidsbegrotingen wordt hersteld;

67.

wijst op de inspanningen die Moldavië levert om afstemming op de EU-landbouwwetgeving te verzekeren, teneinde de uitvoer naar de EU te verhogen en nieuwe commerciële kansen te creëren voor lokale gemeenschappen; verzoekt de Moldavische autoriteiten sneller vorderingen te maken met de aanpassingen aan de AO/DCFTA op het gebied van diergezondheid en voedselveiligheid;

68.

benadrukt dat de nationale laboratoria die verantwoordelijk zijn voor de sanitaire en fytosanitaire voorschriften moeten worden gemoderniseerd, dat het mogelijk moet zijn om producten van dierlijke oorsprong uit te voeren en dat het tekort aan gekwalificeerd laboratoriumpersoneel moet worden aangepakt;

69.

wijst op het belang van grotere transparantie over de uitkomsten van de controlebezoeken van het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Commissie en wijst erop dat het netwerk van laboratoria voor sanitair en fytosanitair onderzoek moet worden uitgebreid en versterkt, en dat de opleiding van de inspecteurs en specialisten die bij deze laboratoria werken moet worden geïntensiveerd zodat de voorschriften op het gebied van fytosanitaire en voedselveiligheid beter worden toegepast;

70.

spoort Moldavië aan om ten volle gebruik te maken van preferentiële uitvoermogelijkheden naar de EU door akkerland doelmatiger en duurzamer te bewerken, en door de toegang tot en het gebruik van land op democratischer leest te schoeien, om op die manier landbouwproducten te telen die de relatieve voordelen op landbouwgebied van het land versterken;

71.

dringt er bij Moldavië op aan de samenwerking inzake infrastructuur met de EU en de landen in de regio te intensiveren, en verregaande structurele hervormingen door te voeren in de energiesector, onder meer door de energievoorziening te diversifiëren, de energie-efficiëntie te verhogen, investeringen in hernieuwbare energie aan te trekken en de verbindingen te verbeteren met behoud van de ecologische duurzaamheid; roept Moldavië op volledig te voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van het Energiegemeenschapsverdrag;

72.

roept de EU-instellingen op concrete steun te verlenen aan Moldavië om te voldoen aan alle noodzakelijke vereisten voor toetreding tot de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte;

73.

verzoekt de Moldavische overheid ook bijzondere aandacht te besteden aan de sociale dimensie van handel en duurzame ontwikkeling door arbeidsnormen te eerbiedigen en af te dwingen, alle verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie te ratificeren en volledig uit te voeren alsmede resterende tekortkomingen in het arbeidsinspectiesysteem weg te nemen;

74.

stelt vast dat Moldavië bij zijn diversificatie-inspanningen gebruikmaakt van biomassa en waterkracht, maar wijst erop dat er voor moet worden gezorgd dat deze aan de relevante eisen op het gebied van duurzaamheid, efficiëntie en milieu voldoen; wijst erop dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen een cruciaal onderdeel is van de inspanningen op weg naar een transitie naar schone energie en energieonafhankelijkheid, terwijl tegelijkertijd wordt bijgedragen aan de lokale werkgelegenheid, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid;

75.

benadrukt de belangrijke rol die regionale samenwerking speelt bij de modernisering van het land, en bij het vergroten van de capaciteiten ten behoeve van de inspanningen om de AO uit te voeren; dringt aan op versterking van de regionale samenwerking, niet alleen tussen de verschillende regio’s van Moldavië maar ook tussen de Moldavische regio’s en de EU-regio’s; vraagt de Commissie en de betrokken EU-agentschappen dit proces in nauwe samenwerking met de Moldavische regering te faciliteren;

76.

is ingenomen met de goedkeuring van de nationale strategie voor regionale ontwikkeling voor de periode 2022-2028 en dringt aan op bestuurlijke en territoriale hervorming waarbij de nadruk ligt op versterking van het concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling; beklemtoont dat evenwichtige sociale en economische groei in alle regio’s van Moldavië en een doelmatige uitvoering van nationaal beleid voor regionale ontwikkeling noodzakelijk zijn;

77.

roept de Moldavische autoriteiten op om de beginselen van lokale democratie en lokale autonomie te handhaven overeenkomstig het Europees Handvest inzake lokale autonomie door ervoor te zorgen dat de lokale overheden over de juiste bevoegdheden en voldoende middelen beschikken en doeltreffend functioneren, onder meer door de rechtsstaat verder te verbeteren en de beginselen van goed bestuur op alle niveaus door te voeren;

78.

verzoekt de Moldavische autoriteiten zich meer in te spannen om te waarborgen dat de kansen die de AO/DCFTA biedt en de bijstand en programma’s van de EU ook het lokale niveau bereiken, waaronder afgelegen delen van het land, en in het bijzonder plattelandsgebieden, zodat bewoners kunnen aandringen op positieve veranderingen in hun gemeenschappen; dringt er bij de EU op aan meer en beter te communiceren over haar steun voor ontwikkelingsprojecten in het Autonoom territoriaal gebied Gagaoezië;

Sectorale samenwerking

79.

is erover verheugd dat Moldavië zich associeert met Horizon Europa, het EU-programma voor onderzoek en innovatie, voor de periode 2021-2027, wat de wetenschappelijke en innovatiegemeenschap van Moldavië nieuwe kansen biedt om partnerschappen aan te gaan met hun tegenhangers in de EU, en dat Moldavië deelneemt aan het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden”;

80.

dringt aan op betere samenwerking tussen alle EU-instellingen, de lidstaten en de Moldavische autoriteiten bij het communiceren over de voordelen van de AO/DCFTA en van de EU-steun aan de burgers van Moldavië; benadrukt het belang van een institutioneel kader en een samenhangend geheel van overheidsbeleidsmaatregelen ter bestrijding van desinformatie, met inbegrip van anti-EU-desinformatie, informatiemanipulatie, nepnieuws en propaganda, alsmede van elke kwaadaardige buitenlandse inmenging, met name door middel van strategische communicatie en weerbaarheid tegen desinformatie en manipulatie van informatie door actoren in binnen- en buitenland, online en offline; verzoekt de Moldavische autoriteiten en de Commissie samen te werken aan programma’s en hervormingen die tot doel hebben de media- en informatievaardigheden te versterken in het kader van het huidige digitale tijdperk en de sectorale samenwerking in de digitale economie te verbeteren;

81.

herhaalt dat versterking van de pluriformiteit en de onafhankelijkheid van de media voor zowel de Unie als Moldavië een prioriteit moet zijn; roept de Commissie op meer steun te verlenen aan de onafhankelijke media, ook buiten de hoofdstad, en aan de inspanningen om geloofwaardige informatie te verstrekken aan de burgers van Moldavië in alle delen van het land; vraagt het Europees Fonds voor Democratie om deze inspanningen te blijven steunen;

82.

dringt er bij Moldavië op aan de vrije en onafhankelijke media te blijven steunen door een nationaal programma voor de ontwikkeling van de media op te zetten en met het oog daarop het juridisch kader te evalueren, om de concentratie van media-eigendom, de monopolisering op de advertentiemarkt, het gebrek aan redactionele onafhankelijkheid en de controle die economische en politieke groeperingen op de media-instellingen uitoefenen, belemmeringen voor de toegang tot informatie alsook aanvallen op en intimidatie van journalisten aan te pakken;

83.

vraagt de Commissie de mediasector in Moldavië nauwgezet te volgen; hoopt dat de gereconstitueerde raad voor radio en televisie zijn taken als onafhankelijke mediawaakhond doeltreffend zal uitvoeren en de reeds lang bestaande tekortkomingen van het medialandschap zal aanpakken, waaronder het vraagstuk van de politieke onafhankelijkheid van de publieke omroep; brengt in herinnering dat de volledige uitvoering van de code voor de audiovisuele sector moet worden gewaarborgd;

Institutionele bepalingen

84.

verwelkomt het feit dat op 29 november 2021 een memorandum van overeenstemming is ondertekend tussen het Europees Parlement en het parlement van Moldavië over een gezamenlijk kader voor ondersteuning van de parlementaire democratie, dat mogelijkheden biedt om de institutionele capaciteit en daarmee de parlementaire democratie in Moldavië te versterken door middel van nauwere bilaterale institutionele banden;

85.

verzoekt het parlement van Moldavië het binnen zijn bereik liggende scala aan democratieondersteunende activiteiten volledig uit te voeren, met inbegrip van een Jean Monnet-dialoog en een Simone Veil-programma, op basis van een onderling overeengekomen routekaart;

86.

wijst op de belangrijke rol die het Parlementaire Associatiecomité EU-Moldavië en de Parlementaire Vergadering Euronest spelen bij het bevorderen van de bilaterale en regionale samenwerking met de EU en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken met Moldavische parlementariërs; roept op tot verdieping van de structurele samenwerking tussen leden van het Europees Parlement en leden van het parlement van Moldavië, om door samenwerking de hervormingen te ondersteunen en toezicht te houden op de uitvoering ervan;

87.

spreekt nogmaals zijn steun uit voor de participatie van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van vakbonden, in besluitvormingsprocessen teneinde de publieke controle op de hervormingen te vergroten en hun transparantie en maatschappelijke aanvaardbaarheid te bevorderen; benadrukt de meerwaarde die verschillende organisaties bieden ten aanzien van belangrijke vraagstukken van openbaar belang in Moldavië; maakt zich zorgen over de relatief beperkte samenwerking tussen de overheid en het maatschappelijk middenveld, ondanks het bestaan van een strategie en een actieplan voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld; is eveneens bezorgd over de vermindering met 17 % van de subsidies voor maatschappelijke organisaties;

88.

roept de EU en Moldavië op de contacten en uitwisselingen tussen personen verder te verbeteren, zodat hun respectieve bevolkingen een wederzijds positief beeld van elkaar krijgen door middel van gezamenlijke projecten die op het niveau van het maatschappelijk middenveld worden ontwikkeld, onder meer door jonge studenten en vakmensen te steunen bij hun deelname aan onderwijs- en opleidingsprogramma’s van de EU, zoals Erasmus+; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is bepaalde EU-programma’s uit te breiden ten behoeve van de burgers van Moldavië en andere EaP-landen; wijst erop dat uitbreiding van programma’s als “DiscoverEU” naar Moldavië de pro-Europese sentimenten in het land verder kan versterken;

Sociale rechten

89.

merkt op dat de percentages voor ondertewerkstelling en precair werk in Moldavië hoog blijven en dat de arbeidsbevolking kwetsbaar is voor economische schokken; roept op tot de vaststelling van een herstelstrategie die tegemoetkomt aan de behoeften van de bevolking en waarin de groene transitie en duurzame ontwikkeling worden meegenomen;

90.

is bezorgd over het feit dat Moldavische burgers op grote schaal emigreren, wat de negatieve demografische tendensen versterkt en een ernstige bedreiging vormt voor de toekomst van Moldavië; spoort de Moldavische regering ertoe aan om nieuwe maatregelen te treffen om dit fenomeen te voorkomen en tegen te gaan, met name door kansen te creëren en de arbeidsomstandigheden en lonen van jonge werknemers te verbeteren;

91.

verzoekt de regering om de grootst mogelijke aandacht te schenken aan de door de Moldavische ombudsman geuite verzoeken om verbeteringen op het gebied van gezondheidszorg, het recht op werk, de vrijheid van verkeer en de vrijheid van meningsuiting;

92.

roept de Moldavische regering op het gezondheidszorgstelsel te versterken, het tekort aan arbeidskrachten in de sector aan te pakken en de hygiënenormen aan te scherpen, met name in de ziekenhuizen; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en Moldavië op aan intensiever samen te werken op het gebied van de veerkracht van de openbare gezondheidszorg, de uitwisseling van optimale werkwijzen en de samenwerking met het maatschappelijk middenveld om epidemische strategieën vast te stellen, waarin bijzondere aandacht uitgaat naar de meest kwetsbare groepen in de samenleving;

93.

spreekt zijn steun uit voor verdere samenwerking tussen Moldavië en de EU bij de aanpak van de COVID-19-pandemie en de gevolgen daarvan, en bij de versterking van de langetermijnsamenwerking op het gebied van de volksgezondheid; dringt er bij de Moldavische autoriteiten op aan deze kans aan te grijpen en de COVID-19-herstelfondsen te gebruiken om ziekenhuizen te moderniseren en de kwaliteit en toegankelijkheid van medische diensten, met name in de regio’s, te verbeteren;

94.

is ingenomen met de goedkeuring door de Commissie van het gelijkwaardigheidsbesluit inzake door Moldavië afgegeven COVID-19-certificaten en het digitaal EU-covidcertificaat, en moedigt de lidstaten aan om de toepassing ervan te blijven waarborgen;

95.

wijst erop dat de tekortkomingen van het arbeidsrecht tot oneerlijke praktijken leiden, waaronder soms buitensporig lange dagelijkse werktijden, lage lonen en deels niet-gedocumenteerde arbeidsbetrekkingen; maakt zich zorgen over de onvolledige toepassing van de regelgeving om deze praktijken te voorkomen;

96.

merkt op dat de sociale dialoog er de afgelopen jaren op is achteruitgegaan en wegens de COVID-19-pandemie volledig is stopgezet; vraagt de regering erop toe te zien dat een echte sociale dialoog tot stand wordt gebracht, die leidt tot de participatie van alle sociale partners in het herstelproces na de pandemie;

97.

is ingenomen met de vooruitgang die Moldavië bij de de-institutionalisering van het systeem van kinderbescherming heeft geboekt en de stappen die het land heeft genomen om een nieuw kinderbeschermingsprogramma en actieplan voor 2022-2026 uit te werken;

98.

is ingenomen met de toezeggingen van Moldavië op het gebied van milieu en klimaatverandering; roept Moldavië op zijn betrokkenheid bij de strijd tegen de klimaatverandering verder te versterken en verzoekt de Commissie de deelname van Moldavië aan de Europese Green Deal te faciliteren en ervoor te zorgen dat de diepe en brede vrijhandelsruimte niet in strijd is met de daarin opgenomen milieudoelstellingen en -initiatieven;

99.

is voorstander van verbetering van de beleidsmaatregelen om het milieubeleid te integreren in de verschillende sectoren van de economie en meer inspraak van de burgers bij het uitwerken van het milieubeschermingsbeleid; dringt aan op een intensieve benadering van partnerschappen met het maatschappelijk middenveld om de activiteiten op het gebied van de inzameling en recycling van afval te verbeteren, en pleit ervoor meer aandacht te besteden aan de bebossing van grond, de vermindering van bodemaantasting en de verbetering van de waterkwaliteit;

o

o o

100.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Moldavië.

(1)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(2)  Resolutie 2359 (2021).

(3)  PB C 404 van 6.10.2021, blz. 136.

(4)  PB C 118 van 8.4.2020, blz. 109.

(5)  PB C 334 van 19.9.2018, blz. 199.

(6)  PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/18


P9_TA(2022)0212

Verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2021

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2021 (2021/2180(INI))

(2022/C 479/02)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 2, artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 3, tweede alinea, artikel 4, lid 3, en de artikelen 5, 6, 7, 11, 19 en 49,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen die betrekking hebben op de eerbiediging, bescherming en bevordering van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de Unie, waaronder de artikelen 70, 258, 259, 260, 263, 265 en 267,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”),

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), met name de beslissingen in zaak C-156/21 Hongarije tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie (1) en zaak C-157/21 Republiek Polen tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie (2) inzake de maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2021, getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2021 — De situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2021)0700),

gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming) (3),

gezien Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (hierna “richtlijn audiovisuele mediadiensten” genoemd) in het licht van een veranderende marktsituatie (4),

gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (5) (hierna “verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat” genoemd),

gezien Verordening (EU) 2021/692 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad (6),

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien de instrumenten van de VN inzake de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de aanbevelingen en verslagen in het kader van de universele periodieke doorlichting van de VN, evenals de rechtspraak van de verdragsorganen van de VN en de speciale procedures van de Mensenrechtenraad,

gezien de aanbevelingen en verslagen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten, de Hoge Commissaris inzake de nationale minderheden, de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid en andere organen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE),

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Europees Sociaal Handvest, de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees Comité voor sociale rechten, en de verdragen, aanbevelingen, resoluties, adviezen en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Mensenrechten, de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid, de Steering Committee on Anti-Discrimination, Diversity and Inclusion van de Raad van Europa, de Commissie van Venetië en andere organen van de Raad van Europa,

gezien het memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie van 23 mei 2007 en de conclusies van de Raad van 8 juli 2020 over de prioriteiten van de EU voor samenwerking met de Raad van Europa in de periode 2020-2022,

gezien het met redenen omklede voorstel van de Commissie van 20 december 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat, ingediend op grond van artikel 7, lid 1,VEU (COM(2017)0835),

gezien het EU-actieplan tegen racisme 2020-2025 met de titel “Een Unie van gelijkheid” dat op 18 september 2020 werd gelanceerd (COM(2020)0565),

gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 9 november 2021 over antisemitisme, getiteld “Antisemitism: Overview of antisemitic incidents recorded in the European Union 2010-2020”,

gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 22 september 2021 getiteld “Protecting civic space in the EU”, en zijn andere verslagen, gegevens en instrumenten, in het bijzonder het informatiesysteem van de Europese Unie over de grondrechten (Efris),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (7),

gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen (8),

gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de noodzaak van invoering van een Europees waardeninstrument ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties die in de Europese Unie op lokaal en nationaal niveau de fundamentele waarden uitdragen (9),

gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust (10),

gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (11),

gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, VEU met betrekking tot Polen en Hongarije (12),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020 over de rechtsstaat en de grondrechten in Bulgarije (13),

gezien zijn resolutie van 7 oktober 2020 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (14),

gezien zijn resolutie van 13 november 2020 over de impact van de COVID-19-maatregelen op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten (15),

gezien zijn resolutie van 26 november 2020 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie — Jaarverslag voor de jaren 2018-2019 (16),

gezien zijn resolutie van 24 juni 2021 over het verslag over de rechtsstaat 2020 van de Commissie (17),

gezien zijn resolutie van 8 juli 2021 over de opstelling van richtsnoeren voor de toepassing van het algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (18),

gezien zijn resolutie van 8 juli 2021 over de schending van het EU-recht en van de rechten van lhbtiq-burgers in Hongarije als gevolg van de door het Hongaarse parlement aangenomen wetswijzigingen (19),

gezien zijn resolutie van 14 september 2021 over lhbtiq-rechten in de EU (20),

gezien zijn resolutie van 16 september 2021 over de mediavrijheid en de verdere achteruitgang van de rechtsstaat in Polen (21),

gezien zijn resolutie van 20 oktober 2021, getiteld “Europese media in het digitale decennium: een actieplan ter ondersteuning van het herstel en de transformatie” (22),

gezien zijn resolutie van 21 oktober 2021 over de crisis op het gebied van de rechtsstaat in Polen en de voorrang van het EU-recht (23),

gezien zijn resolutie van 11 november 2021 over versterking van de democratie en de vrijheid en pluriformiteit van de media in de EU: oneigenlijk gebruik van civielrechtelijke en strafrechtelijke procedures om journalisten, ngo’s en het maatschappelijk middenveld het zwijgen op te leggen (24),

gezien zijn resolutie van 11 november 2021 over het feit dat in Polen een jaar geleden de facto een abortusverbod werd ingevoerd (25),

gezien zijn resolutie van 15 december 2021 over de evaluatie van de preventiemaatregelen ter voorkoming van corruptie, onregelmatige uitgaven en het misbruik van EU- en nationale middelen bij noodfondsen en op crisisgerelateerde uitgaventerreinen (26),

gezien zijn resolutie van 16 december 2021 over de grondrechten en de rechtsstaat in Slovenië, met name de vertraging bij de benoeming van aanklagers bij het EOM (27),

gezien zijn resolutie van 9 maart 2022 over buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie (28),

gezien Speciaal verslag nr. 9/2021 van de Europese Rekenkamer van 3 juni 2021, getiteld “Desinformatie met gevolgen voor de EU: aangepakt, maar niet beteugeld”,

gezien Speciaal verslag nr. 1/2022 van de Europese Rekenkamer van 10 januari 2022, getiteld “EU-steun voor de rechtsstaat in de Westelijke Balkan: ondanks inspanningen nog steeds fundamentele problemen”,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie begrotingscontrole, de Commissie juridische zaken, de Begrotingscommissie, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0139/2022),

A.

overwegende dat de Unie gegrondvest is op de in artikel 2 VEU verankerde gemeenschappelijke waarden, namelijk eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren — waarden die de EU-lidstaten gemeen hebben en die de kandidaat-lidstaten moeten eerbiedigen om lid te worden van de Unie als onderdeel van de criteria van Kopenhagen, die na toetreding niet kunnen worden veronachtzaamd of opnieuw geïnterpreteerd; overwegende dat democratie, de rechtsstaat en grondrechten waarden zijn die elkaar versterken en die, als ze ondermijnd worden, een systemische bedreiging kunnen vormen voor de Unie en voor de rechten en vrijheden van haar burgers; overwegende dat de eerbiediging van de rechtsstaat bindend is voor de gehele Unie en voor haar lidstaten op alle bestuurlijke niveaus, met inbegrip van subnationale entiteiten;

B.

overwegende dat het beginsel van loyale samenwerking in artikel 4, lid 3, VEU de Unie en de lidstaten verplicht elkaar bij te staan bij de nakoming van de verplichtingen die uit de Verdragen voortvloeien, en alle lidstaten verplicht alle algemene maatregelen te nemen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren;

C.

overwegende dat de jaarlijkse-monitoringcyclus voor de rechtsstaat een welkome aanvulling vormt op de andere bestaande instrumenten voor het behouden van de waarden van artikel 2 VEU, omdat in het kader van deze jaarlijkse cyclus in een verslag de situatie in alle EU-lidstaten beoordeeld wordt, waarbij gekeken wordt naar vier belangrijke pijlers van de rechtsstaat;

D.

overwegende dat zonder zinvolle aanbevelingen en doeltreffende follow-up het verslag over de rechtsstaat mogelijk niet zal leiden tot het voorkomen, opsporen en doeltreffend en tijdig aanpakken van systemische problemen en de achteruitgang van de rechtsstaat, die de afgelopen jaren in diverse EU-lidstaten is waargenomen;

E.

overwegende dat de lidstaten noodmaatregelen hebben genomen om de COVID-19-pandemie aan te pakken; overwegende dat deze, om rechtmatig te zijn, de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht moeten nemen bij het beperken van grondrechten of fundamentele vrijheden; overwegende dat er in sommige lidstaten een negatieve tendens — op het gebied van de rechtsstaat is waargenomen, waarbij overheden de buitengewone maatregelen hebben gebruikt als een excuus om de democratische controlemechanismen af te zwakken;

F.

overwegende dat de bestaande mechanismen moeten worden versterkt en gestroomlijnd en dat er één alomvattend EU-mechanisme moet worden ontwikkeld om de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten doeltreffend te beschermen en ervoor te zorgen dat de waarden van artikel 2 VEU in de hele Unie en ook door de kandidaat-lidstaten worden geëerbiedigd, zij het met verschillende toezichtsregelingen, zodat de lidstaten worden belet nationale wetgeving te ontwikkelen die in strijd is met de bescherming van artikel 2 VEU;

G.

overwegende dat het recht op vrijheid van meningsuiting, het recht op informatie en het recht op publieke participatie tot de hoekstenen van de democratie behoren;

H.

overwegende dat het Comité van deskundigen inzake de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen van de Raad van Europa een in 2022 goed te keuren ontwerpaanbeveling van het Comité van Ministers heeft opgesteld waarin niet-bindende richtsnoeren worden verstrekt voor de aanpak van dit fenomeen (29); overwegende dat het onlangs opgerichte Comité van deskundigen inzake de bestrijding van haatmisdrijven de taak heeft gekregen om tegen eind 2023 een ontwerpaanbeveling van het Comité van Ministers inzake haatdelicten op te stellen;

I.

overwegende dat het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden directe flexibele steun mogelijk maakt voor actoren uit het maatschappelijk middenveld die de in artikel 2 VEU verankerde waarden op lokaal, nationaal en Europees niveau bevorderen en beschermen;

Het verslag over de rechtsstaat 2021: algemene overwegingen

1.

is ingenomen met het tweede jaarverslag over de rechtsstaat van de Commissie; merkt op dat het Parlement dit jaarverslag regelmatig gebruikt als een bron van informatie en input bij de bespreking van de situatie op het gebied van de rechtsstaat in een specifieke lidstaat; betreurt het dat de Commissie niet volledig is ingegaan op de aanbevelingen die het Parlement heeft gedaan in zijn resolutie van 24 juni 2021 over het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2020, en dan met name de uitbreiding van het toepassingsgebied van de rapportage naar alle in artikel 2 VEU verankerde waarden, het onderscheid tussen systemische en geïsoleerde inbreuken en een diepgaandere, transparantere beoordeling, en optreden in reactie op inbreuken; is van mening dat deze aanbevelingen nog steeds gegrond zijn en herhaalt ze;

2.

is verheugd dat de werking van rechtsstelsels, het corruptiebestrijdingskader, de pluriformiteit van de media en bepaalde institutionele kwesties met betrekking tot controlemechanismen, waaronder tot op zekere hoogte de ruimte voor het maatschappelijk middenveld, allemaal deel uitmaken van het jaarlijkse verslag van de Commissie; betreurt evenwel dat niet alle rechtsstatelijke kwesties voldoende gedetailleerd en uitgebreid werden behandeld in het jaarverslag 2021; stelt voor dat de Commissie kwesties op het gebied van de rechtsstaat in elke pijler analyseert aan de hand van alle in artikel 2 VEU verankerde waarden, met name grondrechten; dringt erop aan ook andere belangrijke onderdelen van de “Rule of Law Checklist” (lijst met criteria voor de rechtsstaat) van de Commissie van Venetië uit 2016 in het jaarverslag op te nemen, zoals preventie van machtsmisbruik, gelijkheid voor de wet en non-discriminatie en toegang tot de rechter, met inbegrip van aspecten van het recht op een eerlijk proces; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in toekomstige verslagen een evaluatie van de omstandigheden in gevangenissen op te nemen;

3.

stelt tevreden vast dat het verslag landspecifieke hoofdstukken bevat; prijst de Commissie om haar inspanningen om de nationale regeringen en parlementen, het Europees Parlement, het maatschappelijk middenveld en andere nationale actoren bij het proces te betrekken; verzoekt de lidstaten proactief samen te werken met de Commissie en hun schriftelijke opmerkingen openbaar te maken, zodat onafhankelijke deskundigen en groepen uit het maatschappelijk middenveld in staat worden gesteld om de feitelijke juistheid ervan te controleren en erop te reageren en volledige transparantie te waarborgen; moedigt de Commissie aan met een grondigere analyse te blijven komen, en verzoekt de Commissie hiervoor de nodige middelen uit te trekken, onder meer personeel, in een poging om een breed en divers scala van belanghebbenden te bereiken; is van mening dat er meer tijd moet worden besteed en belang moet worden gehecht aan de landenbezoeken van de Commissie, met name bezoeken ter plaatse; verzoekt de Commissie bij het grote publiek grotere bekendheid te geven aan die bezoeken om een rechtsstaatcultuur op nationaal niveau te bevorderen; is ingenomen met de bezoeken van de Commissie aan nationale parlementen om de bevindingen van het verslag te presenteren;

Methodologie

4.

wijst erop dat alle lidstaten volgens dezelfde indicatoren en methodologie worden gecontroleerd, zonder discriminatie van lidstaten; verzoekt de Commissie meer informatie te verstrekken over de indicatoren die zij gebruikt om de situatie op het gebied van rechtsstaat in de lidstaten te beoordelen; verzoekt de Commissie een elk jaar in september te organiseren Week van de waarden van de EU in te stellen, waarin het verslag tegelijkertijd aan het Europees Parlement en de nationale parlementen wordt gepresenteerd en beter wordt geïntegreerd in het EU-scorebord voor justitie, het verslag over de grondrechten van het Bureau van de EU voor de grondrechten en de monitor voor de pluriformiteit van de media; is van mening dat het verslag over de rechtsstaat momenteel dient als beschrijvende documentatie van de situatie in de lidstaten, maar dat het een analytisch en prescriptief instrument moet zijn om de preventieve en mitigatiedoelstellingen ervan te verwezenlijken; beklemtoont dat een grondige analyse van de stand van zaken in de lidstaten een analyse en een algehele beoordeling vereist van de rechtsstaat in de lidstaten; benadrukt dat het op dezelfde wijze presenteren van tekortkomingen of inbreuken van verschillende aard of intensiteit het risico met zich meebrengt dat de ernstigste schendingen van de rechtsstaat worden gebagatelliseerd; dringt er bij de Commissie op aan haar verslaglegging te differentiëren door op een duidelijkere en meer omvattende manier onderscheid te maken tussen systemische en bewuste schendingen van de rechtsstaat en geïsoleerde schendingen;

5.

betreurt het dat in het verslag niet duidelijk wordt erkend dat er sprake is van een bewuste achteruitgang van de rechtsstaat in landen die onderworpen zijn aan lopende procedures op grond van artikel 7, lid 1, VEU, met name Polen en Hongarije, en het verslag nalaat tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in een aantal lidstaten vast te stellen; verzoekt de Commissie duidelijk te maken dat wanneer de waarden van artikel 2 VEU gedurende langere tijd systematisch, bewust, ernstig en permanent worden geschonden, lidstaten mogelijk niet voldoen aan alle criteria die bepalend zijn voor een democratie en autoritaire regimes worden;

6.

betreurt het dat verscheidene lidstaten, met name Hongarije en Polen, door de Commissie in het samenvattend verslag verscheidene malen als punten van zorg moesten worden vermeld zonder dat er na publicatie van het verslag sprake is van concrete verbeteringen; herinnert eraan dat het Parlement sinds juni 2021 de situatie van de rechtsstaat in Hongarije, Polen en Slovenië ook in resoluties van de plenaire vergadering aan de orde heeft gesteld; herinnert er voorts aan dat de Groep voor toezicht op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement en de Commissie begrotingscontrole zich ook over kwesties in verscheidene lidstaten hebben gebogen; beklemtoont dat na verscheidene bezoeken van ad-hocdelegaties aan een aantal van deze lidstaten gebleken is dat de situatie op het gebied van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten veel erger is dan door de Commissie in haar verslag was uiteengezet; is van mening dat de Commissie met het oog op een betere identificatie van landen waar achteruitgang plaatsvindt in alle landenhoofdstukken een bredere beoordeling moet uitvoeren van dezelfde elementen;

7.

verzoekt de Commissie elk landenhoofdstuk af te sluiten met een beoordeling van de prestaties van de lidstaten ten aanzien van de afzonderlijke pijlers van het verslag, en daarbij aan te geven in hoeverre aan de voorwaarden van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat is voldaan; verzoekt de Commissie daarom om, naast de kwalitatieve beoordeling, een index van de rechtsstaat voor de verschillende pijlers te ontwikkelen op basis van een objectief, toegankelijk, transparant, leesbaar en niet-discriminerend systeem voor presentatie en vergelijkende analyse, dat moet worden uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen en dat kan wijzen op de mate van eerbiediging van de rechtsstaat in de lidstaten;

8.

is van mening dat in het jaarverslag horizontale trends op EU-niveau, met inbegrip van mogelijke systemische kwetsbaarheden, in kaart moeten worden gebracht; verzoekt de Commissie vast te stellen in welke gevallen maatregelen of praktijken die de rechtsstaat in een lidstaat ondermijnen, blauwdrukken voor andere lidstaten worden of dreigen te worden; beklemtoont dat het feit dat men het in sommige lidstaten gemunt heeft op de rechten van bepaalde minderheden elders een elan tot stand heeft gebracht, zoals blijkt uit de achteruitgang op het gebied van de rechten van vrouwen en lhbtiq-personen en andere minderheidsgroepen; verzoekt de Commissie voorts te wijzen op de negatieve gevolgen die schendingen van de rechtsstaat kunnen hebben voor de Unie als geheel;

9.

is van mening dat het verslag verder moet gaan dan jaarlijkse momentopnamen en een evoluerend en dynamisch beeld moet geven van de eerbiediging of aantasting van de rechtsstaat in de rechtsstelsels van alle lidstaten; prijst de moeite die in het verslag over 2021 is gedaan om de situatie te vergelijken met die van het verslag over 2020; is van mening dat het noodzakelijk is om positieve en negatieve trends met betrekking tot de situatie van de rechtsstaat duidelijk vast te stellen en de redenen die daaraan ten grondslag liggen te analyseren;

10.

is van mening dat de invoering van een nieuw afzonderlijk hoofdstuk over de instellingen van de Europese Unie waarin de situatie met betrekking tot de scheiding der machten, verantwoordingsplicht en controlemechanismen wordt beoordeeld, wenselijk zou zijn;

Beoordeling en aanbevelingen

11.

meent dat het verslag over 2021 duidelijkere beoordelingen had kunnen bevatten van de vraag of er sprake was van tekortkomingen, een risico op een ernstige schending of een daadwerkelijke schending van de waarden van artikel 2 VEU met betrekking tot elk van de in de landenhoofdstukken geanalyseerde pijlers; vraagt de Commissie om een beoordeling op te nemen van alle maatregelen in verband met de rechtsstaat die het afgelopen jaar zijn uitgevoerd, vergezeld van een analyse van hun doeltreffendheid en mogelijkheden voor verbetering; dringt aan op een meer geïntegreerde analyse van de onderlinge verbanden tussen de vier pijlers en van de wijze waarop gecombineerde tekortkomingen kunnen leiden tot schendingen of risico’s op schendingen van de waarden van artikel 2 VEU; herhaalt dat het belangrijk is directe, ondubbelzinnige taal te gebruiken en duidelijk de aan de orde zijnde kwestie te beklemtonen overeenkomstig het standpunt van de Commissie;

12.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om in het verslag over 2022 landspecifieke aanbevelingen op te nemen; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen vergezeld te doen gaan van termijnen voor de uitvoering, doelstellingen en voorstellen voor concrete acties; verzoekt de Commissie in volgende verslagen informatie over voortgang van de uitvoering van haar aanbevelingen op te nemen en dat voorts onderdeel te maken van de gestructureerde dialoog met het Parlement gedurende het jaar; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat in haar jaarlijkse verslagen ook aandacht wordt besteed aan de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester, met name de aanbevelingen die verband houden met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie en de aanbevelingen die verband houden met corruptiebestrijding en het waarborgen van transparantie en integriteit;

13.

beveelt de Commissie aan om naast elk van haar aanbevelingen de niet-uitputtende lijst weer te geven van instrumenten die de EU-instellingen kunnen gebruiken in het geval dat de betreffende tekortkomingen niet worden verholpen; verzoekt de Commissie niet te aarzelen om van deze instrumenten gebruik te maken, vooral wanneer er geen vertrouwen bestaat in een vlotte uitvoering van de aanbevelingen of een risico op verdere verslechtering, en niet te wachten op de volgende jaarlijkse rapportagecyclus;

Toepassingsgebied

14.

betreurt dat noch in het verslag 2020, noch in het verslag 2021 volledig wordt ingegaan op de waarden van democratie en grondrechten zoals verankerd in artikel 2 VEU, die onmiddellijk aangetast worden als landen zich niet houden aan de eisen van de rechtsstaat; wijst opnieuw op het intrinsieke verband tussen de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten;

Rechtsstelsels

15.

wijst erop dat rechterlijke verantwoordingsplicht, de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie en de rechterlijke macht en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen essentiële aspecten van de rechtsstaat zijn; betreurt de ernstige en structurele problemen in verband met rechterlijke onafhankelijkheid in bepaalde lidstaten; benadrukt de fundamentele rol van juridische beroepen bij het waarborgen van de bescherming van de grondrechten en het versterken van de rechtsstaat; verzoekt de lidstaten rechters en aanklagers te beschermen tegen politieke aanvallen en druk die hun werk trachten te ondermijnen, en dringt erop aan dat de lidstaten het recht van de Unie en het internationaal recht inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht volledig moeten naleven; verzoekt de Commissie in haar verslag van 2022 concrete aanbevelingen op te nemen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in alle lidstaten te waarborgen, en ook de onafhankelijkheid van advocaten en balies in het jaarverslag te bespreken, aangezien deze essentieel zijn voor onafhankelijke rechtsstelsels;

16.

bevestigt opnieuw dat het EU-recht voorrang heeft boven het nationale recht, ongeacht de manier waarop de nationale rechtsstelsels zijn georganiseerd; verzoekt de Commissie de beslissingen van de nationale rechtbanken betreffende de voorrang van de EU-wetgeving boven nationale wetgeving en met name de onverenigbaarheid van bepaalde artikelen van de Verdragen met de nationale grondwetten nauwlettend te volgen; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor concrete, onmiddellijke en adequate antwoorden op weigeringen om uitspraken van het HvJ-EU uit te voeren en na te leven en verslag uit te brengen aan het Parlement over de maatregelen die in dit verband zijn genomen;

17.

onderstreept de belangrijke rol van de raden voor de rechtspraak bij het bewaren van de rechterlijke onafhankelijkheid; wijst erop dat verschillende lidstaten met langdurige problemen kampen in verband met de samenstelling van hun raden van de rechterlijke macht en de benoeming van rechters, waarbij deze processen soms kwetsbaar zijn voor politieke inmenging; moedigt de lidstaten aan systematisch het advies van de Commissie van Venetië in te winnen indien zij de samenstelling en werking van deze organen willen aanpassen en gevolg te geven aan die aanbevelingen; acht het noodzakelijk dat de Commissie deze follow-up in het jaarverslag evalueert;

18.

wijst erop dat het openbaar ministerie een essentieel element is in de strijd tegen misdaad, corruptie en machtsmisbruik; beklemtoont de noodzaak om waarborgen in te bouwen die de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie en openbare aanklagers helpen behouden, zodat deze vrij zijn van enige ongepaste politieke druk, met name van regeringszijde, waarbij moet worden voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden inzake verantwoordingsplicht ter voorkoming van misbruik of nalatigheid; betuigt zijn volledige solidariteit met en onvoorwaardelijke steun aan alle slachtoffers van terrorisme;

19.

wijst erop dat strategische rechtszaken ter ontmoediging van publieke participatie (SLAPP’s) niet alleen het recht van SLAPP-slachtoffers op daadwerkelijke toegang tot de rechter, en daardoor de rechtsstaat, ernstig ondermijnen, maar ook een vorm van misbruik zijn van de rechtssystemen en -kaders van de lidstaten, vooral doordat zij de lidstaten belemmeren in een geslaagde aanpak van bestaande uitdagingen, zoals de duur van de procedures en de kwaliteit van rechtsstelsels, alsmede het beheer van de werkdruk en de achterstand bij de behandeling van rechtszaken;

Kader voor corruptiebestrijding

20.

herhaalt zijn standpunt dat corruptie een ernstige bedreiging vormt van de democratie, de Europese fondsen en de rechtsstaat; maakt zich grote zorgen over de toenemende corruptie en achteruitgang die in bepaalde lidstaten wordt waargenomen, de steeds opnieuw aan het licht komende gevallen van corruptie waarbij hoge functionarissen en politici betrokken zijn en de infiltratie van de georganiseerde misdaad in de economie en de overheidssector; is ingenomen met de informatie die over deze kwestie in het verslag over de rechtsstaat 2021 is opgenomen, en pleit ervoor dat toekomstige verslagen meer duidelijkheid verschaffen over de vraag of met dit soort gevallen EU-middelen gemoeid zijn;

21.

dringt er bij de Commissie op aan het beleid en de instrumenten van de Unie op het gebied van corruptiebestrijding te actualiseren en te verbeteren, onder meer door te voorzien in een uniforme definitie van het misdrijf corruptie, de ontwikkeling van gemeenschappelijke normen en benchmarks en door te zorgen voor een correcte uitvoering en handhaving daarvan; herinnert eraan dat het belangrijk is dat de EU-lidstaten samenwerken met het EOM en het bij de vervulling van zijn taken actief ondersteunen; verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, zich bij het EOM aan te sluiten; is ingenomen met het feit dat de Commissie bijna alle lidstaten aanmaningsbrieven heeft gestuurd in verband met niet-omzetting van de richtlijn inzake de bescherming van klokkenluiders (30);

Vrijheid van meningsuiting en informatie, vrijheid en pluralisme van de media

22.

herinnert eraan dat vrijheid en pluralisme van de media, met inbegrip van hoogwaardige, duurzaam en transparant gefinancierde en onafhankelijke nieuwsmedia, zowel traditionele als digitale, onafhankelijke journalisten, factcheckers en onderzoekers, en sterke publieke media van essentieel belang zijn voor de democratie, een garantie tegen machtsmisbruik en het beste tegengif tegen desinformatie; uit zijn bezorgdheid over de politieke onafhankelijkheid van de media in sommige lidstaten, aangezien redactionele lijnen de sterke polarisatie van het politieke toneel weerspiegelen;

23.

is verontrust over de steeds vijandiger wordende omgeving waarin journalisten en media-actoren in veel lidstaten actief zijn, met name wanneer hun werkzaamheden gericht zijn op machtsmisbruik, corruptie, schendingen van de grondrechten en criminele activiteiten; herinnert eraan dat journalisten en mediakanalen in sommige lidstaten steeds vaker het slachtoffer worden van intimidatie, bedreigingen (onder meer op sociale media), strafrechtelijke aanklachten, fysieke aanvallen, gewelddadige incidenten en moord; veroordeelt de repressieve strategieën van de regeringen van sommige lidstaten, zoals het gebruik van SLAPP’s en lastercampagnes, alsook de toenemende staatscontrole over publieke media, het maatschappelijk middenveld en academische instellingen, die leiden tot zelfcensuur en de toenemende verslechtering van de media- en academische vrijheid; herinnert eraan dat ten tijde van de moord op onderzoeksjournalist Daphne Caruana Galizia 47 civiele en strafrechtelijke rechtszaken wegens laster tegen haar waren aangespannen, en dat haar familie nog steeds met veel van die zaken te maken heeft; waarschuwt ervoor dat deze onaanvaardbare ontwikkelingen een afschrikkend effect kunnen hebben op de uitingsvrijheid en de persvrijheid en geen precedent mogen vormen, noch binnen de EU, noch voor kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

24.

betreurt het dat de ernst van deze tendensen, met name op het gebied van controle door de staat, strategische rechtszaken en lastercampagnes door bepaalde lidstaten, niet wordt weerspiegeld in het verslag van 2021; verzoekt de Commissie met klem de hoofdstukken over de media te verbeteren door een evaluatie van de efficiëntie en doeltreffendheid van de nationale kaders voor de bescherming van mediavrijheid, mediapluralisme en transparantie van media-eigendom, EU-wetgeving in te voeren tegen het gebruik van SLAPP’s, met vaststelling van minimumnormen, en in de toekomstige wet inzake vrijheid van de media een ambitieus rechtskader te presenteren ter bestrijding van de toenemende politisering van de media in bepaalde lidstaten; beklemtoont dat het verslag een grondige beoordeling moet omvatten van de onafhankelijkheid van de regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten in de lidstaten, die uit hoofde van het Unierecht onafhankelijk moeten zijn van hun respectieve regeringen; verzoekt de Commissie om te zorgen voor aanvullende en flexibelere financiering voor onafhankelijke en onderzoeksjournalistiek in de Unie;

25.

beklemtoont het belang van redactioneel onafhankelijke publieke media voor de verstrekking van hoogwaardige, onpartijdige en vrije berichtgeving over publieke aangelegenheden, met name in verkiezingstijd; verzoekt de lidstaten te zorgen voor stabiele, open, transparante, duurzame en toereikende financiering voor publieke media, op meerjarige basis, teneinde de kwaliteit van deze media en hun onafhankelijkheid van overheids-, politieke, economische en andere druk te garanderen; betreurt dat publieke media niet aan bod komen in het jaarverslag; verzoekt de Commissie om een grondige evaluatie van de publieke media in haar toekomstige verslagen;

26.

merkt op dat op EU-burgers gericht nepnieuws en de daaruit voortvloeiende onjuiste informatie een bedreiging vormen voor de democratie en de rechtsstaat in de Unie, aangezien de verspreiding van desinformatie onze democratie polariseert en verzwakt; is ingenomen met de beschrijving door de Commissie in het jaarverslag van politieke druk en invloed op de media en verzoekt de Commissie een duidelijker beschrijving te geven van de systematische campagnes van desinformatie en buitenlandse inmenging die erop gericht zijn het vertrouwen van het publiek in overheidsinstellingen en de onafhankelijke media te verminderen; erkent dat mondiale onlineplatforms enorme ontwrichtende gevolgen kunnen hebben voor de mediasector; beklemtoont in dit verband dat de huidige wetgeving niet helemaal zorgt voor een eerlijke omgeving in het online ecosysteem, zoals bij de strijd tegen desinformatie en voor een verantwoordingsplicht bij de toepassing van algoritmen; is van mening dat de vaststelling van relevante wetgeving, met name de wet inzake digitale diensten en de wet inzake digitale markten, een stap in de goede richting was, maar dat er meer moet worden gedaan in de Europese mediawet om billijke voorwaarden te scheppen in het licht van de digitale transformatie van de mediasector en de toename van onlineplatforms;

27.

beklemtoont dat de mediavrijheid nauw verbonden is met artistieke en academische vrijheid; betreurt dat in sommige lidstaten de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van de kunsten en vrijheid van vergadering drastisch worden beperkt; beklemtoont dat de onafhankelijkheid van de onderwijsstelsels in het gedrang komt wanneer de autonome organisatorische structuur van de instellingen ervan niet wordt gewaarborgd; verzoekt de Commissie alle aspecten van de vrijheid van meningsuiting op te nemen in haar verslag over de rechtsstaat;

Democratie en controlemechanismen

28.

stelt zich op het standpunt dat het beginsel van de scheiding der machten essentieel is voor een doeltreffende werking van de staat, met inbegrip van de onafhankelijke, onpartijdige en efficiënte werking van rechtsstelsels in de Unie en dat instellingen krachtens dit beginsel geen enkele druk mogen uitoefenen op rechters en openbaar aanklagers, en er al helemaal geen druk mag zijn uit politieke of economische kringen;

29.

beklemtoont dat vrije en eerlijke verkiezingen tot de absolute minimumnormen voor een functionerende democratie behoren en dat elk verkiezingsproces in de EU zonder enige ongepaste beïnvloeding en onregelmatigheid moet verlopen; beklemtoont dat indien de OVSE waarneemt dat de verkiezingen niet vrij en eerlijk zijn verlopen, daar zware gevolgen aan moeten worden gekoppeld in het kader van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU; dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten alle nodige maatregelen neemt wanneer het risico wordt vastgesteld dat verkiezingen in een lidstaat door staats-, buitenlandse of particuliere actoren gemanipuleerd worden;

30.

herinnert eraan dat de uitoefening van fundamentele vrijheden, met inbegrip van het recht om in het openbaar kritiek te uiten, een cruciaal onderdeel vormt van een vrije en democratische maatschappij; drukt zijn bezorgdheid uit over de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld in verschillende lidstaten, wat tot uiting komt in het gebruik van SLAPP’S tegen en toezicht op media en journalisten, mensenrechtenactivisten, actoren en activisten uit het maatschappelijk middenveld, en politieke tegenstanders; is ingenomen dat de Commissie zich verbonden heeft om een richtlijn tegen op journalisten en mensenrechtenactivisten gericht misbruik van procesrecht voor te stellen, en benadrukt dat het toepassingsgebied breed genoeg moet zijn om alle verdedigers van rechten te omvatten, met inbegrip van individuele activisten;

31.

benadrukt dat het illegale gebruik van Pegasus en gelijkwaardige spyware door de lidstaten tegen journalisten, advocaten van politici van de oppositie en andere personen een rechtstreekse bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten; verzoekt de Commissie om een beoordeling van het oneigenlijk gebruik van toezichtsinstrumenten en de gevolgen daarvan voor democratische processen binnen de Unie en mogelijke inbreuken op waarden van artikel 2 VEU en op het Handvest;

32.

is van mening dat de situatie van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in de lidstaten een apart hoofdstuk in het verslag en de invoering van een “Europese index van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld” verdient, gezien het centrale belang van het maatschappelijk middenveld voor het behoud van een volledig democratische en inclusieve samenleving op basis van eerbiediging van de mensenrechten en gezien de uitdagingen waarmee het maatschappelijk middenveld in verschillende lidstaten wordt geconfronteerd, waaronder wetgevende en administratieve maatregelen, beperkte toegang tot financiering en lastercampagnes;

33.

beveelt de Commissie aan de vierde pijler van het jaarverslag over “andere institutionele kwesties in verband met controlemechanismen” te ontwikkelen tot een pijler inzake democratie en controlemechanismen, waarbij elementen zoals mogelijke bedreigingen voor democratische processen in de Unie en de lidstaten, met inbegrip van manipulatie van verkiezingen, worden beoordeeld;

De impact van de COVID-19-maatregelen op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten

34.

herinnert aan de sterke impact van maatregelen in verband met de COVID-19-pandemie, met inbegrip van noodregelingen en wetsbesluiten, op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten binnen de Unie, met name op het gebied van justitie, mediavrijheid en corruptiebestrijding;

35.

betreurt de aard en het buitensporig gebruik van noodmaatregelen tijdens de COVID-19-pandemie, tezamen met het gebrek aan controle achteraf van dergelijke maatregelen door sommige parlementen, en zelfs de sluiting van parlementen in verschillende lidstaten, waardoor de macht van de regeringen toenam en de verantwoordingsplicht en transparantie van de uitvoerende macht niet volledig gewaarborgd waren;

36.

wijst erop dat de COVID-19-pandemie negatieve gevolgen heeft gehad voor zowel de toegang tot de rechter als de efficiëntie van nationale rechterlijke instanties, onder meer door gedeeltelijke sluiting van nationale rechterlijke instanties; benadrukt dat de buitengewone situatie als gevolg van de pandemie heeft aangetoond dat de gerechtelijke procedures dringend moeten worden gemoderniseerd en digitale elementen moeten worden ingevoerd om de efficiëntie van rechtsstelsels te vergroten en de toegang tot rechtsbijstand en informatie te vergemakkelijken;

37.

is ingenomen met het feit dat het verslag een hoofdstuk bevat over de rechtsstaat tijdens de COVID-19-pandemie; beklemtoont dat het monitoren van het gebruik en de evenredigheid van deze maatregelen moet worden voortgezet tot alle maatregelen, zonder uitzondering, zijn opgeheven; wijst in dit verband op het risico van misbruik van financiering uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit van de EU; herhaalt dat deze financiering alleen kan worden uitbetaald wanneer aan deze punten van zorg volledig is tegemoetgekomen; moedigt de Commissie aan om op lange termijn te beoordelen of de door de lidstaten genomen maatregelen wel degelijk in de tijd beperkt, noodzakelijk en evenredig waren, met inachtneming van controlemechanismen; verzoekt de Commissie aanbevelingen te doen om de lidstaten te helpen de negatieve gevolgen van de pandemie op het gebied van justitie, corruptiebestrijding en mediavrijheid te beperken;

Grondrechten en gelijkheid

38.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat vrouwen en mensen in kwetsbare situaties, zoals personen met een handicap, kinderen, religieuze minderheden — vooral nu het antisemitisme, de zigeunerhaat en de moslimhaat in Europa toenemen — Roma, mensen van Afrikaanse en Aziatische herkomst en andere personen die tot etnische en taalkundige minderheden behoren, migranten, asielzoekers, vluchtelingen, lgbtiq+-personen en ouderen, met name mensen die in gemarginaliseerde nederzettingen wonen, nog steeds hun rechten niet overal in de Unie ten volle geëerbiedigd zien en nog steeds gediscrimineerd worden; benadrukt het duidelijke verband tussen de verslechterende normen voor de rechtsstaat en schendingen van de grondrechten en de rechten van minderheden, zoals het gebruik van buitensporig geweld door rechtshandhavingsinstanties tijdens protesten en aan de grenzen van de Unie; herinnert eraan dat lidstaten in sommige omstandigheden bewust maatregelen nemen die uit rechtsstatelijk oogpunt dubieus zijn, zoals wetgeving die via versnelde procedures wordt vastgesteld zonder openbare raadplegingen of, in uitzonderlijke gevallen, zelfs grondwetswijzigingen om legitimiteit te verlenen aan discriminerend beleid dat anders niet zou kunnen worden vertaald in wetgeving, zoals bepalingen die specifiek gericht zijn op lhbtiq-burgers of de instelling van een bijna volledig verbod op abortus; herinnert eraan dat de lidstaten een verantwoordelijkheid dragen ten aanzien van personen die zich in een kwetsbare situatie bevinden en dat zij hen veiligheid en bescherming tegen discriminatie moeten bieden; herhaalt met klem zijn verzoek aan de Commissie om in het toepassingsgebied van toekomstige verslagen een diepgaande beoordeling op te nemen van de hardnekkige schendingen van de grondrechten in de hele Unie, met inbegrip van gelijkheid en de rechten van personen die tot een minderheid behoren; verzoekt de instellingen van de Unie ondertussen de jaarverslagen over de rechtsstaat te lezen in het licht van de verslagen over de grondrechten die zijn gepubliceerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

39.

betreurt het dat sommige lidstaten het kaderbesluit van de Raad betreffende racisme en vreemdelingenhaat (31) niet volledig en correct in nationaal recht hebben omgezet en dat de bepalingen van de richtlijn inzake rassengelijkheid (32) nog steeds niet in alle lidstaten volledig ten uitvoer worden gelegd; beveelt aan dat er meer aandacht wordt besteed aan uitlatingen in de media en de politiek die haat tegen minderheden aanwakkeren en aan de rechtstreekse gevolgen hiervan op het gebied van de vaststelling van discriminerende wetten of praktijken die de rechtsstaat voor iedereen uithollen, ook op het gebied van terrorismebestrijdings- en veiligheidsbeleid in het licht van de in 2020 aangenomen George Floyd-resolutie (33);

40.

spreekt met name zijn bezorgdheid uit over de verslechtering van de situatie van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen in sommige lidstaten, met inbegrip van het opleggen van zeer restrictieve abortuswetgeving, en de aanhoudende en systematische aanvallen op de grondrechten van lhbtiq’ers, versterkt door de verslechtering van de rechtsstaat in verschillende lidstaten; betreurt het dat deze ontwikkelingen niet consistent worden weergegeven in het verslag over de rechtsstaat van de Commissie; verzoekt de Commissie deze kwesties systematisch aan te pakken in alle relevante landenverslagen en in het samenvattend verslag;

41.

is ingenomen met de inbreukprocedures die door de Commissie werden ingeleid tegen Hongarije en Polen als onderdeel van het inbreukenpakket van juli 2021 met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten van lhbtiq-personen en inbreuken op het EU-recht; merkt op dat dit de eerste keer is dat de Commissie specifiek inbreukprocedures heeft ingeleid om de rechten van lhbtiq’ers te waarborgen;

42.

wijst met bezorgdheid op de talrijke meldingen van aanzienlijke en systematische schendingen van de grondrechten van migranten en asielzoekers overal in de Unie en met name aan de buitengrenzen; betreurt het dat verschillende lidstaten nationale wetgeving hebben vastgesteld die de rechten van asielzoekers aanzienlijk inperkt en die in sommige gevallen zelfs een bedreiging vormt voor het non-refoulementbeginsel en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte; betreurt het dat de Commissie ondanks verzoeken van het Parlement haar beoordeling van de verenigbaarheid van talrijke nationale wetgevingsmaatregelen op het gebied van asiel en migratie met het Unierecht niet heeft afgerond; herhaalt dat eerbiediging van de grondrechten zoals het recht op asiel en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte een belangrijk onderdeel is van een volledig functionerende rechtsstaat;

Bronnen

43.

verzoekt de Commissie de regelmatige, inclusieve en gestructureerde dialoog met regeringen en nationale parlementen, ngo’s, nationale mensenrechteninstellingen, ombudsinstanties en organen voor de bevordering van gelijke behandeling, beroepsverenigingen en andere belanghebbenden verder te versterken en transparanter te zijn over de criteria die worden gebruikt bij de selectie van van die belanghebbenden afkomstige informatie voor het opstellen van haar jaarverslag; is van mening dat maatschappelijke organisaties nauw moeten worden betrokken bij alle fasen van de evaluatiecyclus, in een transparant proces dat op duidelijke criteria is gebaseerd; benadrukt dat thematisch gestructureerde raadplegingen het proces efficiënter kunnen maken en kunnen zorgen voor meer waardevolle feedback; is ingenomen met het feit dat de vragenlijst voor de raadpleging belanghebbenden thans de mogelijkheid biedt aspecten te melden die buiten het door de Commissie bedoelde gebied vallen en verzoekt de Commissie de structuur van de nationale verslagen indien nodig aan te passen; vraagt de Commissie online-instrumenten voor het aanleveren van input door belanghebbenden te evalueren en te verbeteren en flexibiliteit aan de dag te leggen met betrekking tot de beperking van de beschikbare ruimte;

44.

is van mening dat de termijnen voor de raadpleging van het maatschappelijk middenveld in het verleden te kort of slecht afgestemd waren en naar behoren moeten worden aangepast en flexibel moeten zijn om een volledige en omvattende inbreng mogelijk te maken; wijst erop dat dit het voor de belanghebbenden moeilijker heeft gemaakt om hun bijdragen en bewustmakingsactiviteiten voor te bereiden en te plannen, gezien de beperkingen van hun capaciteiten en hun financiële middelen, met name als de raadpleging samenviel met jaarlijkse vakanties; verzoekt de Commissie de mogelijkheid in te voeren van een raadpleging van het maatschappelijk middenveld gedurende het hele jaar, in plaats van zich te concentreren op verzoeken om input die voornamelijk beperkt zijn in de tijd; is ingenomen met het feit dat de Commissie meertalige indiening in alle officiële talen van de Unie toestaat; verzoekt de Commissie vooraf een tijdsschema vast te stellen en te publiceren voor het komende verslag, met data voor de verschillende stappen in het proces, met inbegrip van een tijdsschema van de landenbezoeken en een publicatiedatum van het verslag; merkt op dat de raadpleging verder kan worden onderbouwd en moedigt de Commissie aan met de actoren van het maatschappelijk middenveld na te gaan wat er met hun input is gedaan;

45.

moedigt de Commissie aan om in het kader van het jaarverslag te zorgen voor een passende follow-up van verzoekschriften en andere uitingen van bezorgdheid en getuigenissen van individuele burgers over tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat; is van mening dat er met het oog op de versterking van de rechtsstatelijke cultuur en de betrokkenheid van de EU-instellingen bij de burgers, participatieve fora en structuren moeten worden opgezet om trends in kaart te brengen en meer zichtbaarheid te geven aan de bedreigingen voor, de tekortkomingen ten aanzien van, en de inbreuken op de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden in de gehele Unie;

46.

wijst erop dat de Commissie op een systematische manier rekening moet blijven houden met relevante informatie uit relevante bronnen en van erkende instellingen; herinnert eraan dat rekening moet worden gehouden met bevindingen van relevante internationale instanties, zoals de instanties onder auspiciën van de VN, de OVSE en de Raad van Europa; verzoekt de Commissie beter rekening te houden met de gegevens en bevindingen van relevante indexen, zoals het project omtrent de wereldwijde governance-indicatoren (WGI — Worldwide Governance Indicators), de World Justice Project Rule of Law Index en het project Varieties of Democracy (V-DEM);

47.

is ingenomen met het akkoord binnen de Raad om het mandaat van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) te wijzigen, en beschouwt dat als een stap voorwaarts; verzoekt de Commissie deze gelegenheid te baat te nemen en het FRA te verzoeken, naast de bijdragen die het Bureau reeds levert, methodologisch advies te verstrekken en vergelijkend onderzoek te verrichten om de belangrijkste onderdelen van het jaarverslag meer in detail uit te werken, en daarbij voor ogen te houden dat het recht op een eerlijk proces, de vrijheid van meningsuiting en andere grondrechten onlosmakelijk verbonden zijn met de rechtsstaat, bijvoorbeeld met behulp van Efris en de verslagen daarvan over de ruimte van het maatschappelijk middenveld;

48.

is van mening dat samenwerking met de Raad van Europa en andere internationale organisaties van bijzonder belang is voor de bevordering van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in de EU; verzoekt de Commissie om systematisch gegevens te analyseren over de niet-inachtneming van arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en standpunten van de VN-verdragsorganen betreffende individuele mededelingen;

Mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten

49.

betreurt de terughoudendheid van de Commissie en de Raad om positief te reageren op het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 7 oktober 2020 om een gezamenlijk EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in te stellen, in het kader waarvan alle in artikel 2 VEU vervatte waarden aan de orde komen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om onmiddellijk in onderhandeling te treden met het Parlement over een interinstitutioneel akkoord;

50.

herinnert aan zijn standpunt inzake de inschakeling van een panel van onafhankelijke deskundigen om de drie instellingen van advies te dienen, in nauwe samenwerking met het FRA; verzoekt zijn Bureau, in het licht van de terughoudendheid van de Commissie en de Raad, een openbare aanbestedingsprocedure te organiseren om een dergelijk panel onder auspiciën van het Parlement op te zetten, in overeenstemming met zijn toezegging in zijn resolutie van 24 juni 2021 over het verslag over de rechtsstaat 2020 van de Commissie, teneinde het Parlement te adviseren inzake de naleving van de waarden van artikel 2 VEU in de verschillende lidstaten, en concreet te laten zien op welke wijze een dergelijk panel in de praktijk kan functioneren;

51.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een uitgebreidere en ambitieuzere herziening van de FRA-verordening te overwegen (34); verzoekt de Commissie derhalve het volledige ontwikkelingspotentieel van het FRA op de lange termijn te onderzoeken overeenkomstig de beginselen betreffende de status en het functioneren van de nationale instellingen voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten (de beginselen van Parijs), zodat het een volledig onafhankelijk orgaan wordt dat onpartijdige en openbaar toegankelijke standpunten formuleert over landspecifieke situaties op het gebied van democratie, de rechtsstaat en grondrechten; benadrukt dat die ontwikkeling hand in hand moet gaan met een toename van de beschikbare middelen;

Complementariteit met andere instrumenten voor de rechtsstaat

52.

wijst er nogmaals op dat het jaarverslag als belangrijk bron- en referentiedocument moet kunnen dienen om te besluiten of een of meer relevante instrumenten moeten worden geactiveerd, zoals artikel 7 VEU, de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat, andere instrumenten beschikbaar op grond van de financiële wetgeving van de EU en de toepasselijke sectorspecifieke en financiële voorschriften ter bescherming van de EU-begroting, het kader voor de rechtsstaat of inbreukprocedures, met inbegrip van versnelde procedures, verzoeken om voorlopige maatregelen bij het HvJ-EU en maatregelen wegens niet-uitvoering van arresten van het HvJ-EU; verzoekt de Commissie deze instrumenten expliciet te koppelen aan opgemerkte of mogelijke problemen in verband met de rechtsstaat in het verslag; verzoekt de instellingen dergelijke instrumenten, waaronder het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat, onmiddellijk te activeren om de rechtsstaat proactief te ondersteunen en de achteruitgang van de democratie in de Unie aan te pakken, gezien het feit dat het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2021 meerdere en gedetailleerde voorbeelden bevat van schendingen van de rechtsstaat die binnen het toepassingsgebied van de verordening inzake conditionaliteit vallen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de jaarverslagen over de rechtsstaat, samen met andere bronnen inzake de rechtsstaat, rechtstreeks te koppelen aan het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat;

53.

herinnert eraan dat inbreukprocedures het belangrijkste instrument vormen voor de bescherming en verdediging van het EU-recht en de gemeenschappelijke waarden die zijn verankerd in artikel 2 VEU; merkt met bezorgdheid op dat het aantal door de Commissie ingeleide inbreukprocedures sinds 2004 sterk is gedaald; is verbaasd over het feit dat inbreukprocedures niet systematisch in werking worden gesteld op zijn minst zodra de betreffende inbreuk in het jaarverslag wordt gedocumenteerd; betreurt de terughoudendheid van de Commissie om de uitvoering van het EU-recht actief en systematisch te monitoren en de mogelijkheden van inbreukprocedures tegen lidstaten uit te putten, aangezien dit het meest geschikte instrument is om kwesties efficiënt en onverwijld op te lossen; merkt op dat deze terughoudendheid heeft geleid tot oproepen aan de lidstaten om overeenkomstig artikel 259 VWEU interstatelijke zaken aanhangig te maken; is bezorgd dat zonder stelselmatige en tijdige toepassing ervan het preventieve vermogen van inbreukprocedures afneemt; dringt erop aan dat het verslag een overzicht bevat van alle handhavingsmaatregelen die de Commissie voor elke lidstaat heeft genomen, met inbegrip van lopende inbreukprocedures, alsook van de mate waarin de voorlopige maatregelen en de arresten van het HvJ-EU en het EHRM worden nageleefd, als input voor een volledige toepassing van het EU-scorebord voor justitie;

54.

herinnert aan het belang van prejudiciële beslissingen over de rechtsstaat; is van mening dat de desbetreffende jurisprudentie van het HvJ-EU heeft bijgedragen tot een verdere definitie van de rechtsstaat en de Commissie zou kunnen helpen haar benchmarks voor de beoordeling van de situatie van de rechtsstaat in de lidstaten verder te verfijnen;

55.

maakt zich zorgen over het feit dat sommige lidstaten, waaronder Hongarije en Polen, hardnekkig verzuimen binnenlandse vonnissen en arresten van het HvJ-EU en het EHRM uit te voeren, wat bijdraagt tot de uitholling van de rechtsstaat; benadrukt dat het niet ten uitvoer leggen van rechterlijke uitspraken ertoe kan leiden dat schendingen van mensenrechten niet ongedaan worden gemaakt; benadrukt dat dit bij het publiek de indruk kan wekken dat rechterlijke uitspraken terzijde kunnen worden geschoven, waardoor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het algemene vertrouwen in de kracht van eerlijke rechtsbedeling worden ondermijnd; verzoekt de Commissie gevallen van gedeeltelijke of ontbrekende tenuitvoerlegging van arresten door lidstaten te blijven rapporteren in de betreffende landenhoofdstukken; moedigt de Commissie aan om samen te werken met autoriteiten om passende oplossingen te vinden met het oog op volledig tenuitvoerlegging en om de informatie jaarlijks bij te werken; herinnert eraan dat het niet ten uitvoer leggen van het arrest Coman & Hamilton (35) ertoe heeft geleid dat de eisers zich tot het EHRM hebben moeten richten om verhaal te halen;

56.

herinnert aan het belang van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat in gevallen waarin schendingen van de beginselen van de rechtsstaat voldoende rechtstreeks gevolgen hebben of dreigen te hebben voor het goed financieel beheer van de Uniebegroting of de bescherming van de financiële belangen van de Unie; is ingenomen met de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2022 en zijn conclusies dat de EU wel degelijk beschikt over bevoegdheden in verband met de rechtsstaat in de lidstaten, dat het conditionaliteitsmechanisme in overeenstemming is met het Unierecht en dat de door Hongarije en Polen aangespannen zaken tegen de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat moeten worden verworpen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om onmiddellijk actie te ondernemen op grond van de verordening, een instrument dat sinds januari 2021 van kracht is;

57.

is van mening dat het jaarverslag de meest geschikte plaats is om een rubriek te wijden aan de uitvoering van een analyse in het kader van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat; neemt kennis van het feit dat de Commissie Hongarije op 27 april 2022 eindelijk een schriftelijke kennisgeving heeft gestuurd en hiermee de officiële procedure tegen Hongarije op grond van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat heeft ingeleid; verzoekt de Commissie met klem de in artikel 6, lid 1, van die verordening bedoelde procedure ook ten minste in het geval van Polen in te leiden; herinnert eraan dat de toepasbaarheid, de doelstelling en het toepassingsgebied van de verordening duidelijk zijn omschreven en niet hoeven te worden ondersteund met verdere toelichtingen; veroordeelt het besluit van de Commissie om zelfs na het arrest van het HvJ-EU dat de wettigheid en geldigheid van de verordening bevestigt, toch nog richtsnoeren te blijven opstellen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen, eventueel door middel van een wetgevingsvoorstel, dat de toepassing van artikel 6 van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat de burgers niet direct of indirect raakt, aangezien niet zij maar regeringsvertegenwoordigers of staatshoofden verantwoordelijk zijn voor schendingen van de rechtsstaat, en de middelen die in de geconsolideerde begroting van de Unie blijven, direct toegankelijk zijn voor plaatselijke publieke instellingen of particuliere entiteiten; verzoekt de Commissie de verordening gemeenschappelijke bepalingen en het Financieel Reglement strikter toe te passen om het discriminerende gebruik van EU-middelen aan te pakken, met name elk gebruik van politiek gemotiveerde aard, en het volledige potentieel van deze instrumenten en de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat om de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te beschermen, te verkennen, en er daarbij voor te zorgen dat de middelen van de Unie niet worden gebruikt voor initiatieven die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 2 VEU verankerde waarden van de Unie, met inachtneming van de belangen van eindbegunstigden die geen overheidsentiteiten zijn;

58.

maakt zich zorgen over de bevinding in het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2021 dat in sommige landen, door de staat gesteunde intimidatie van lhbtiq-organisaties gevolgen heeft voor het vermogen van deze organisaties om toegang te krijgen tot financiering; verzoekt de Commissie dit probleem diepgaander te evalueren en met de nodige middelen ervoor te zorgen dat het voor de toegang tot Uniefinanciering geldende non-discriminatiebeginsel overal in de Unie volledig wordt nageleefd; is van mening dat deze conclusies het al lang door het Parlement wordt gehuldigde standpunt versterken dat het toepassingsgebied van het verslag over de rechtsstaat moet worden uitgebreid en alle waarden van artikel 2 VEU moet beslaan;

59.

betreurt het ten zeerste dat de Raad er niet in slaagt om in het kader van lopende procedures krachtens artikel 7, lid 1, VEU, daadwerkelijk vooruitgang te boeken; dringt er bij de Raad op aan erop toe te zien dat tijdens lopende procedures op grond van artikel 7 VEU ten minste eenmaal per voorzitterschap hoorzittingen plaatsvinden en dat er ook aandacht wordt besteed aan nieuwe ontwikkelingen die van invloed zijn op de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten; beklemtoont dat er geen eenparigheid van stemmen nodig is in de Raad om hetzij een duidelijk risico van een ernstige inbreuk op de waarden van de Unie overeenkomstig artikel 7, lid 1, vast te stellen, hetzij concrete aanbevelingen te doen aan de betrokken lidstaten en termijnen vast te stellen voor de uitvoering van die aanbevelingen; herhaalt zijn oproep aan de Raad om dat te doen, daarbij benadrukkend dat verder uitstel neerkomt op een schending van de rechtsstatelijke beginselen door de Raad zelf; benadrukt dat de rol en de bevoegdheden van het Parlement moeten worden geëerbiedigd;

60.

neemt kennis van de landspecifieke besprekingen die in de Raad Algemene Zaken in het kader van de jaarlijkse dialoog over de rechtsstaat van de Raad hebben plaatsgevonden op basis van de jaarlijkse verslagen van de Commissie over de rechtsstaat; stelt voor dat deze debatten zich in de eerste plaats richten op de lidstaten met de meest dringende problemen op het gebied van de rechtsstaat, waarbij de bestaande praktijk van behandeling in alfabetische volgorde wordt gevolgd; beklemtoont dat meer transparantie de dialoog over de rechtsstaat binnen de Unie zou verbeteren en verzoekt de Raad derhalve om deze landspecifieke besprekingen openbaar te maken, met inbegrip van gedetailleerde openbare conclusies;

61.

laat zich zeer veroordelend uit over de autoriteiten van de EU-lidstaten die weigeren deel te nemen aan de jaarlijkse dialoog over de rechtsstaat van de Commissie; is van mening dat een dergelijke weigering voldoende aanleiding is voor de Commissie om het onderzoek van de situatie van de rechtsstaat in de betreffende landen te versnellen en verder te verfijnen; is ervan overtuigd dat de monitoringcyclus voor de rechtsstaat alleen doeltreffend kan zijn als het in artikel 4, lid 3, VEU vermelde beginsel van loyale samenwerking door de Europese instellingen en de lidstaten op een gelijke manier wordt gerespecteerd en toegepast;

62.

dringt er bij de Commissie op aan dat zij actief deelneemt aan openbare debatten op lokaal, regionaal en nationaal niveau en meer investeert in bewustmaking omtrent de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden van de Unie en de toepasbare instrumenten, met inbegrip van het jaarverslag, met name in landen waar er ernstige punten van zorg bestaan; onderstreept het belang van strategische communicatie om antidemocratische narratieven tegen te gaan, en van het aanpakken van deze narratieven door het optreden van de Unie beter toe te lichten; verzoekt de Commissie derhalve communicatiecampagnes te organiseren over het belang van de eerbiediging van de rechtsstaat; verzoekt de Commissie een speciaal programma op te zetten dat innovatieve initiatieven ondersteunt voor de bevordering van formeel onderwijs, met name aan beoefenaars van juridische beroepen, alsmede informeel onderwijs met betrekking tot de rechtsstaat en democratische instellingen aan EU-burgers van alle leeftijden;

63.

verbindt zich ertoe regelmatig raadplegingen te houden met de regeringen en parlementen van de lidstaten over de bevindingen van het jaarverslag; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun vertegenwoordigers van het hoogst mogelijke niveau deelnemen aan de gedachtewisselingen met het Parlement over de rechtsstaat; betreurt ten zeerste de weigering van de Poolse Sejm om de delegatie van meerdere commissies van het Europees Parlement in februari 2022 te ontmoeten en het uitblijven van een reactie op de officiële uitnodiging, hetgeen rechtstreeks indruist tegen artikel 9 van het bij de EU-verdragen behorende Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie;

64.

beklemtoont dat interne tekorten op het gebied van de rechtsstaat een negatief effect kunnen hebben op de geloofwaardigheid van het buitenlandbeleid van de Unie, met name ten aanzien van het directe nabuurschap en de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

65.

benadrukt dat constitutionele controlemechanismen op EU-niveau ook onafhankelijk moeten worden beoordeeld; verbindt zich ertoe, met het oog daarop, de Commissie van Venetië te verzoeken een studie te verrichten naar de belangrijkste beginselen van democratie in het bestuur van de EU, met name de scheiding der machten, verantwoordingsplicht en controlemechanismen;

o

o o

66.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  Arrest van 16 februari 2022, Hongarije tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, C-156/21, ECLI:EU:C:2022:97.

(2)  Arrest van 16 februari 2022, Republiek Polen tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, C-157/21, ECLI:EU:C:2022:98.

(3)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(4)  PB L 303 van 28.11.2018, blz. 69.

(5)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1.

(6)  PB L 156 van 5.5.2021, blz. 1.

(7)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

(8)  PB C 129 van 5.4.2019, blz. 13.

(9)  PB C 390 van 18.11.2019, blz. 117.

(10)  PB C 433 van 23.12.2019, blz. 66.

(11)  PB C 363 van 28.10.2020, blz. 45.

(12)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 91.

(13)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 63.

(14)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 2.

(15)  PB C 415 van 13.10.2021, blz. 36.

(16)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 107.

(17)  PB C 81 van 18.2.2022, blz. 27.

(18)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 146.

(19)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 218.

(20)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 218.

(21)  PB C 117 van 11.3.2022, blz. 151.

(22)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0428.

(23)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0439.

(24)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0451.

(25)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0455.

(26)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0502.

(27)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0512.

(28)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0064.

(29)  Ontwerptekst van de aanbeveling van het Comité van Ministers over de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen, beschikbaar op https://rm.coe.int/draft-recommendation-on-combating-hate-speech-public-consultation-v-18/native/1680a2ef25; Nieuws aangekondigd op https://www.coe.int/en/web/committee-antidiscrimination-diversity-inclusion/-/the-cdadi-finalised-important-deliverables-at-its-fourth-plenary-meeting

(30)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).

(31)  Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55).

(32)  Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).

(33)  Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de antiracismedemonstraties na de dood van George Floyd (PB C 362 van 8.9.2021, blz. 63).

(34)  Tussentijds verslag van 25 maart 2021 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 168/2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (COM(2020)0225).

(35)  Arrest van 5 juni 2018, Relu Adrian Coman e.a. / Inspectoratul General pentru Imigrări en Ministerul Afacerilor Interne, C-673/16, ECLI:EU:C:2018:385.


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/33


P9_TA(2022)0213

Verslag 2021 over Noord-Macedonië

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het Commissieverslag 2021 over Noord-Macedonië (2021/2248(INI))

(2022/C 479/03)

Het Europees Parlement,

gezien de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Noord-Macedonië, anderzijds (1),

gezien het verzoek van Noord-Macedonië om toetreding tot de Europese Unie van 22 maart 2004,

gezien Verordening (EU) 2021/1529 van het Europees Parlement en de Raad van 15 september 2021 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (2),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan,

gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om Noord-Macedonië de status van kandidaat-lidstaat te verlenen,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 en 18 oktober 2019,

gezien het Verdrag inzake vriendschap, goed nabuurschap en samenwerking tussen Bulgarije en Noord-Macedonië, dat op 1 augustus 2017 werd ondertekend en in januari 2018 werd geratificeerd,

gezien de Definitieve Overeenkomst voor de regeling van de geschillen als beschreven in de Resoluties nrs. 817 (1993) en 845 (1993) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de beëindiging van het interimakkoord van 1995 en de instelling van een strategisch partnerschap tussen Griekenland en Noord-Macedonië op 17 juni 2018 (de zogenoemde Overeenkomst van Prespa),

gezien de conclusies van de Raad van 5 juni 2020 over intensievere samenwerking met de partners van de Westelijke Balkan op het gebied van migratie en veiligheid,

gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2019, 25 maart 2020 en 14 december 2021 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2020 getiteld “Bevordering van het toetredingsproces — Een geloofwaardig EU-perspectief voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0057),

gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2020 getiteld “Steun aan de Westelijke Balkan voor de bestrijding van COVID-19 en het herstel na de pandemie” (COM(2020)0315),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2020 getiteld “EU-actieplan 2020-2025 inzake illegale vuurwapenhandel” (COM(2020)0608),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2020 getiteld “Een economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0641),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 april 2021 over de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025) (COM(2021)0170),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2021 getiteld “Mededeling 2021 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU” (COM(2021)0644) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “North Macedonia 2021 Report” (SWD(2021)0294),

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme,

gezien het eindverslag van 2 oktober 2020 van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) over de vervroegde parlementsverkiezingen in Noord-Macedonië van 15 juli 2020 en het eindverslag van 25 maart 2022 over de lokale verkiezingen van 17 en 31 oktober 2021,

gezien het advies van de Commissie van Venetië van 18 oktober 2021 over het wetsontwerp inzake de noodtoestand, alsook haar eerdere adviezen,

gezien de topbijeenkomsten tussen de EU en de Westelijke Balkan van 2018, 2020 en 2021 in Sofia, Zagreb en Brdo pri Kranju en de respectieve verklaringen daarvan,

gezien de top van Sofia van 10 november 2020, met inbegrip van de verklaring inzake de gemeenschappelijke regionale markt en de verklaring inzake de groene agenda voor de Westelijke Balkan,

gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de hieraan gehechte prioriteitenagenda van Sofia,

gezien de achtste top in het kader van het proces van Berlijn van 5 juli 2021,

gezien de slotverklaring van het achtste Forum voor het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan van 1 oktober 2021,

gezien Speciaal verslag nr. 1/2022 van de Europese Rekenkamer van 10 januari 2022, getiteld “EU-steun voor de rechtsstaat in de Westelijke Balkan: ondanks inspanningen nog steeds fundamentele problemen”,

gezien zijn resolutie van 24 oktober 2019 over de opening van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië (3),

gezien zijn aanbeveling van 19 juni 2020 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de Westelijke Balkan, naar aanleiding van de top van 2020 (4),

gezien zijn resolutie van 25 november 2020 getiteld “Versterking van de mediavrijheid: bescherming van journalisten in Europa, haatzaaiende taal, desinformatie en de rol van platforms” (5),

gezien zijn resolutie van 15 december 2021 over samenwerking bij de bestrijding van georganiseerde misdaad in de Westelijke Balkan (6),

gezien zijn resolutie van 9 maart 2022 over buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie (7),

gezien zijn eerdere resoluties over Noord-Macedonië,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0133/2022),

A.

overwegende dat integratie in de EU naadloos aansluit bij het verlangen van de burgers van Noord-Macedonië naar democratie en welvaart en fungeert als een krachtige katalysator voor hervormingen die de levenskwaliteit en de werking van de overheidsinstellingen verbeteren en bijdragen tot economische groei en regionale samenwerking; overwegende dat het op verdiensten gebaseerde vooruitzicht van Noord-Macedonië op lidmaatschap de politieke, economische en veiligheidsbelangen van de Unie dient;

B.

overwegende dat Noord-Macedonië een betrouwbare partner is, aangezien het land voortdurend vooruitgang heeft geboekt op zijn weg naar lidmaatschap van de EU, heeft voldaan en blijft voldoen aan de voorwaarden voor het openen van toetredingsonderhandelingen en zijn beleid volledig heeft afgestemd op het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, met inbegrip van de sancties tegen Rusland;

C.

overwegende dat de EU moet voorzien in een duidelijk traject voor landen die tot de EU willen toetreden;

D.

overwegende dat Noord-Macedonië sinds 2005 kandidaat-lidstaat is; overwegende dat de Commissie sinds 2009 herhaaldelijk heeft aanbevolen de toetredingsonderhandelingen te openen, en dat het land zich met grote toewijding inzet om lid te worden van de EU, hetgeen heeft geleid tot het besluit van de Raad van 26 maart 2020 om de toetredingsonderhandelingen te openen;

E.

overwegende dat de Overeenkomst van Prespa en het Verdrag inzake vriendschap, goed nabuurschap en samenwerking mijlpalen zijn die een voorbeeld van stabiliteit en verzoening in de hele Westelijke Balkan vormen en hebben geleid tot een verbetering van de geest van goed nabuurschap en regionale samenwerking;

F.

overwegende dat Noord-Macedonië de EU-hervormingen aan een gestaag en vastberaden tempo uitvoert, met bijzondere aandacht voor de fundamentele prioriteiten, en dat het land de vaart achter de hervormingen erin moet houden zodat het de beste staat van dienst op het gebied van democratische transitie in de Westelijke Balkan kan blijven voorleggen;

G.

overwegende dat het misbruik van het toetredingsproces voor de beslechting van culturele en historische geschillen een gevaarlijk precedent schept voor toekomstige toetredingsprocessen en de geloofwaardigheid, impact en transformerende kracht van de Unie in gevaar brengt;

H.

overwegende dat het NAVO-lidmaatschap een duidelijke stap voorwaarts is richting meer stabiliteit, interoperabiliteit en integratie op defensiegebied als lid van de Europees-Atlantische gemeenschap;

I.

overwegende dat de EU volledig achter Noord-Macedonië blijft staan in zijn strategische doelstelling om lid te worden van de EU, op basis van de rechtsstaat en goede nabuurschapsbetrekkingen, en dat zij veruit de grootste handels- en investeringspartner van Noord-Macedonië blijft, alsook de grootste verstrekker van financiële bijstand, met name via IPA III, het economisch en investeringsplan (EIP) voor de Westelijke Balkan en macrofinanciële bijstand, met inbegrip van aanzienlijke steun voor de aanpak van de COVID-19-pandemie;

J.

overwegende dat Europese integratie een doeltreffend instrument van het buitenlands beleid vormt dat bijdraagt aan de bevordering van vrede en de verspreiding van de fundamentele EU-waarden met betrekking tot eerbiediging van de democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en de vrijheid van meningsuiting;

K.

overwegende dat kwaadwillige directe en indirecte buitenlandse inmenging en desinformatie tot doel hebben tweedracht te zaaien, geweld en interetnische spanningen te veroorzaken en de hele regio te destabiliseren;

1.

herhaalt zijn duidelijke steun voor de inzet van Noord-Macedonië voor democratie en de rechtsstaat, geschraagd door zijn strategische pro-Europese koers, onwrikbare inzet voor de Europese waarden, EU-gerelateerde hervormingen en het proces van EU-integratie, goede betrekkingen met de buurlanden en inclusieve regionale samenwerking;

2.

betreurt dat de Raad de al zo lang noodzakelijke toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië nog steeds niet officieel geopend heeft; betuigt uitdrukkelijk zijn solidariteit en sympathie met de burgers van deze landen en is van mening dat dit verzuim het draagvlak voor de EU bij de bevolking ondermijnt, een ernstig gevaar vormt voor het uitbreidingsbeleid als geheel en afbreuk doet aan de reputatie van de EU als betrouwbare partner en ernstige geopolitieke speler; spoort Bulgarije en Noord-Macedonië aan hun cultuurhistorische geschil los van het toetredingsproces van Noord-Macedonië op te lossen en onmiddellijk de organisatie van de eerste intergouvernementele conferentie mogelijk te maken, aangezien Noord Macedonië aan alle officiële criteria voldoet;

3.

wijst nogmaals op het geostrategische belang van Noord-Macedonië en de hele Westelijke Balkan en op hun toekomst als onderdeel van de EU; herinnert de lidstaten eraan dat het uitbreidingsbeleid gestoeld moet zijn op objectieve criteria; herhaalt dat het uitbreidingsbeleid van de EU nog steeds het meest doeltreffende instrument van het buitenlands beleid van de Unie is, en dat de volledige integratie van de Westelijke Balkan de politieke, economische en veiligheidsbelangen van de EU ten goede komt als geostrategische investering in een stabiele en bloeiende Unie; benadrukt dat de officiële start van de toetredingsonderhandelingen een investering in de geloofwaardigheid van de EU vormt, alsook in stabiliteit, welvaart en de lopende verzoeningsprocessen in de regio;

4.

verzoekt de EU concrete stappen te zetten voor de integratie van de Westelijke Balkan in een bredere strategische en veiligheidscontext, met inbegrip van de veiligheidsimplicaties van de Russische agressie tegen Oekraïne, mogelijke Russische invloed in de regio en kwaadwillige activiteiten die erop gericht zijn de politieke stabiliteit en de integratie van de landen van de Westelijke Balkan in de EU te ondermijnen; wijst nogmaals op de transformerende aard van de toetredingsonderhandelingen die in het kader van de herziene uitbreidingsmethode moeten worden gevoerd;

5.

stipt aan dat de EU is opgericht om regionale geschillen te overwinnen en een moeilijk verleden te boven te komen, teneinde aan een betere, vreedzame en voorspoedige toekomst te werken; dringt er bij Bulgarije en Noord-Macedonië op aan snel tot een overeenkomst te komen waarin bilaterale kwesties worden opgelost, teneinde verdere vertragingen en belemmeringen voor het toetredingsproces te voorkomen;

6.

dringt er bij de Raad op aan zich politiek ten volle voor de uitbreiding in te zetten, het tempo van de EU-integratie te verhogen en de geloofwaardigheid ervan te versterken, met name in de geostrategische context van de betrekkingen met Rusland en de Russische agressie tegen Oekraïne, door de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië officieel te starten aangezien beide landen aan de noodzakelijke voorwaarden hebben voldaan en duurzame resultaten hebben geboekt, onder meer met betrekking tot de fundamentele prioriteiten;

7.

prijst Noord-Macedonië voor zijn gestage vooruitgang op weg naar EU-lidmaatschap, zijn inzet voor de uitvoering van de kaderovereenkomst van Ohrid om voor multiculturalisme en interetnische harmonie te zorgen, en zijn aanhoudende positieve en coherente inspanningen om hangende bilaterale kwesties op te lossen; is verheugd over de strategische benadering van de EU-gerelateerde hervormingen, onder meer in het kader van de “Europe at home”-agenda en het nationaal programma voor de overname van het acquis;

8.

onderstreept dat het tempo van de toetreding tot de EU moet afhangen van de vorderingen met de goede werking van de democratische instellingen, waarvan de rechtsstaat, goed bestuur en grondrechten de grondvesten vormen; prijst Noord-Macedonië voor zijn voortdurende inspanningen om de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechten van minderheden te versterken, corruptie en georganiseerde misdaad te bestrijden, zijn openbaar bestuur te hervormen en de mediavrijheid te consolideren; spoort het land aan deze inspanningen voort te zetten en op te voeren;

Werking van de democratische instellingen

9.

is verheugd dat Noord-Macedonië nog steeds de beste staat van dienst op het gebied van democratische transitie in de Westelijke Balkan laat zien, met een duidelijke verbetering van de transparantie, de politieke dialoog en de electorale mededinging;

10.

is ingenomen met alle inspanningen om de polarisatie te verminderen en de constructieve politieke dialoog op te voeren, en roept de politieke partijen op in dit verband een constructievere rol te spelen, hetgeen zal bijdragen tot de versterking van de democratische instellingen door hun bestuur, integriteit en verantwoordingsplicht verder te verbeteren;

11.

bevestigt nogmaals dat het zaak is constructieve contacten tussen de regering en de oppositie te onderhouden en een brede consensus tussen de partijen over EU-gerelateerde hervormingen te bereiken, door de wetgevings-, toezichts- en begrotingscapaciteiten van het parlement van Noord-Macedonië (Sobranie) verder te versterken; is ingenomen met het aanhoudende partijoverschrijdende politieke engagement van Noord-Macedonië ten aanzien van de Jean Monnet-dialoog om politieke leiders beter in staat te stellen een daadwerkelijke dialoog tussen de partijen tot stand te brengen en de nodige consensus te bereiken om vertrouwen te wekken en een democratische parlementaire cultuur te ontwikkelen; dringt er bij de wetgevers op aan de in het kader van de Jean Monnet-dialoog gedane toezegging om het reglement van orde te herzien snel gestand te doen en de dialoog met het Europees Parlement en de nationale parlementen te intensiveren;

12.

is ingenomen met de toenemende transparantie en verantwoordingsplicht van de Sobranie en dringt er bij de Sobranie op aan de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren (onder meer door voor belangrijke wetgeving passende raadplegingen en effectbeoordelingen uit te voeren), het gebruik van versnelde procedures te beperken en de parlementaire polarisatie te verminderen; is ingenomen met de partijoverschrijdende steun voor het vaststellen van wetten ter voorkoming van en bescherming tegen discriminatie, geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en de wijzigingen van de wetgeving inzake de rechten van het kind;

13.

benadrukt dat de electorale hervormingen tijdig, transparant en inclusief moeten worden afgerond, in overeenstemming met de resterende aanbevelingen van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) en de Commissie van Venetië; is ingenomen met het feit dat de lokale verkiezingen van 17 en 31 oktober 2021 vrij en eerlijk zijn gehouden, soepel zijn verlopen en de nodige mededinging kenden;

14.

verzoekt de politieke partijen van Noord-Macedonië de transparantie van de partijfinanciering te verbeteren en de integriteit en concurrerende democratie binnen de partijen te versterken;

15.

dringt aan op verdere hervorming richting een op verdienste gebaseerd, verantwoordingsplichtig openbaar bestuur, met een grotere professionele onafhankelijkheid, beter afgebakende verantwoordelijkheden, een gestroomlijnd institutioneel kader en coördinatie tussen diensten met betrekking tot EU-integratie en daarmee samenhangende hervormingen, vereenvoudigde administratieve procedures en beter lokaal bestuur; neemt nota van de maatregelen die zijn genomen om de doeltreffendheid en kwaliteit van de diensten te verhogen en corruptie uit te bannen door middel van digitalisering;

16.

is verheugd dat de volkstelling van 2021 in overeenstemming met de desbetreffende VN-normen en de statistische wetgeving van de EU is gehouden, hetgeen moet leiden tot een betere, empirisch onderbouwde besluitvorming; is ingenomen met de publicatie van de resultaten ervan en kijkt uit naar de tenuitvoerlegging ervan in de beleidsvorming;

17.

dringt aan op verdere stappen om de systematische verantwoordingsplicht van overheidsinstellingen te waarborgen door middel van zinvolle openbare raadplegingen van belanghebbenden, en is ingenomen met de vooruitgang die tot dusver op dit gebied is geboekt;

18.

dringt er bij de regering van Noord-Macedonië op aan te zorgen voor toereikende financiering voor en consistente uitvoering van de besluiten en aanbevelingen van onafhankelijke organen en agentschappen, zoals de Ombudsman;

19.

is ingenomen met de oprichting en de lopende werkzaamheden van de commissie ter voorkoming van en bescherming tegen discriminatie; dringt er bij de regering op aan de nodige middelen toe te wijzen om de commissie in staat te stellen optimaal te functioneren;

Media en maatschappelijk middenveld

20.

wijst erop dat het wettelijk kader voor online- en offlinemedia verder op inclusieve en transparante wijze moet worden aangepast, in overeenstemming met het EU-acquis en de EU-normen en in samenwerking met beroepsorganisaties, het maatschappelijk middenveld en deskundigen, teneinde hun onafhankelijkheid van politieke, particuliere en andere externe inmenging te versterken en de transparantie van eigendom, de financiële duurzaamheid en zelfregulering te waarborgen; verzoekt de regering van Noord-Macedonië voldoende middelen toe te wijzen om de professionalisering en onafhankelijkheid van de openbare omroep te waarborgen;

21.

herhaalt zijn oproep om de regels voor overheidsfinanciering en advertenties van politieke partijen in de media te herzien om een concurrerende en billijke toewijzing van overheidsmiddelen te waarborgen en eerlijke concurrentie en redactionele onafhankelijkheid te waarborgen;

22.

moedigt snelle maatregelen aan om de redactionele en financiële onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en de professionaliteit van openbare omroepen en mediaregulatoren te vergroten, en is ingenomen met de lopende modernisering van beide;

23.

dringt aan op de tenuitvoerlegging van maatregelen om de veiligheid van mediaprofessionals te vergroten en pogingen om hen te intimideren aan te pakken; benadrukt het belang van een nultolerantiebeleid ten aanzien van intimidatie, bedreigingen en geweld tegen journalisten; merkt op dat pogingen daartoe onderzocht en vervolgd moeten worden en dat de arbeidsomstandigheden van journalisten moeten worden verbeterd om kwalitatief hoogwaardige journalistiek te waarborgen;

24.

stipt aan dat onafhankelijke onderzoeksjournalistiek, objectief feitenonderzoek en mediageletterdheid moeten worden versterkt om haatzaaiende uitlatingen, desinformatiecampagnes en buitenlandse inmenging, die tijdens de COVID-19-crisis en de Russische oorlog tegen Oekraïne zijn toegenomen, aan te pakken; onderstreept het belang van institutionele samenwerking bij de totstandbrenging van een doeltreffend kader om manipulatieve desinformatie tegen te gaan; dringt aan op meer inspanningen om de pluriformiteit en onafhankelijkheid van de media te waarborgen en een mediaklimaat tot stand te brengen dat vrij is van externe invloeden en dat bevorderlijk is voor professioneel mediagedrag in Noord-Macedonië; spreekt zijn steun uit voor de bevordering van de pluriformiteit van de media en cultureel pluralisme teneinde het cultureel bewustzijn en culturele uitwisselingen te doen toenemen en het wederzijds begrip te verbeteren;

25.

prijst de inspanningen van de regering om de samenwerking met het maatschappelijk middenveld te verbeteren en dringt aan op een kader om de financiële duurzaamheid van maatschappelijke organisaties te waarborgen, met inbegrip van organisaties die de verschillende etnische gemeenschappen vertegenwoordigen en opkomen voor hun rechten; stipt aan dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om in dit verband een tijdiger, betekenisvol en transparant raadplegingsproces met het maatschappelijk middenveld te waarborgen; is ingenomen met positieve voorbeelden van synergie tussen het maatschappelijk middenveld en instellingen, zoals de oprichting van de parlementaire interfractiegroep inzake lhbti+-rechten;

Grondrechten

26.

neemt kennis van de verbeteringen inzake het waarborgen van vrouwenrechten en gendervriendelijk beleid; is ingenomen met de goedkeuring van de wet ter voorkoming van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en moedigt het land aan de uitvoering van het nationaal actieplan voor de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Istanbul te verbeteren; verzoekt Noord-Macedonië zich te blijven inzetten voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer door voorrang te geven aan gendermainstreaming en nauwer samen te werken met het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder met vrouwenorganisaties;

27.

roept Noord-Macedonië op stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat vrouwen goed zijn vertegenwoordigd in alle besluitvormingsfuncties, de gebrekkige naleving van de rechten van vrouwelijke werknemers verder aan te pakken en iets te doen aan genderstereotypering, het gebrek aan genderevenwicht en de genderloonkloof op de arbeidsmarkt; wijst op de aanzienlijke genderbepaalde verschillen op het gebied van arbeidsparticipatie en de kwaliteit van het werk, het feit dat er te weinig wordt gedaan tegen seksuele intimidatie op de werkvloer, discriminatie in het kader van wettelijke bepalingen in verband met moederschapsverlof en het gebrek aan capaciteit op het gebied van kinderopvang en voorschoolse opvang; neemt nota van de wijzigingen van de wetgeving inzake de rechten van het kind en de voltooiing van het de-institutionaliseringsproces;

28.

moedigt de stappen aan die momenteel worden ondernomen om meer vertrouwen op te bouwen tussen de gemeenschappen en in de werking van een multi-etnische samenleving en de democratie, en wijst erop hoe belangrijk het is de rechten van alle gemeenschappen te eerbiedigen en alle vormen van discriminatie daadwerkelijk aan te pakken; moedigt de regering aan te zorgen voor een gelijke grondwettelijke bescherming van de rechten van alle etnische gemeenschappen, in voorkomend geval door middel van wetswijzigingen, en hun cultureel erfgoed, talen en tradities te beschermen en te bevorderen door middel van gelijke, inclusieve en niet-discriminerende toegang tot onderwijs en de media;

29.

verzoekt de autoriteiten een nieuwe strategie te ontwikkelen om de problemen van de Romagemeenschap aan te pakken, ter vervanging van de vorige strategie die in 2020 is afgelopen, en terug te komen op het besluit tot verlaging van de begroting voor de integratie van de Roma, die eigenlijk moet worden verhoogd;

30.

is verheugd over het succes van de tweede Skopje Pride, die in 2021 werd georganiseerd; verzoekt het parlement van Noord-Macedonië met spoed een nationaal actieplan voor lhbti+-kwesties vast te stellen en te waarborgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor de uitvoering ervan; spoort alle politieke actoren aan de wet inzake de burgerlijke stand te wijzigen om een snelle en onbelemmerde wettelijke gendererkenning op basis van zelfbeschikking te waarborgen;

31.

dringt aan op verdere verbeteringen in de handhaving van de rechten van personen die tot een minderheid behoren, waaronder het recht op zelfidentificatie en op inclusief intercultureel onderwijs; benadrukt het belang van het actualiseren en vaststellen van onderwijswetgeving die zorgt voor het verwijderen van discriminerende en stigmatiserende inhoud en die is geharmoniseerd met de wetgeving ter voorkoming van en bescherming tegen discriminatie;

32.

benadrukt dat er meer vooruitgang moet worden geboekt om ervoor te zorgen dat de rechten van personen met een handicap worden geëerbiedigd; is verheugd over het door de Ombudsman ingestelde mechanisme voor het monitoren van de uitvoering van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; benadrukt dat er iets moet worden gedaan aan de directe en indirecte discriminatie waar personen met een handicap mee te kampen hebben als gevolg van belemmeringen in verband met de infrastructuur, een gebrek aan informatie en diensten, discriminerende houdingen en sociale uitsluiting; spoort de autoriteiten aan het de-institutionaliseringsproces onverwijld af te ronden; beklemtoont het belang van toereikende middelen en infrastructuur om de noodzakelijke sociale bescherming in stand te houden en fatsoenlijke leefomstandigheden te waarborgen voor mensen met een handicap in Noord-Macedonië;

33.

dringt er bij de betrokken organen op aan alle gevallen van haatzaaiende uitlatingen, haatmisdrijven en intimidatie proactief te voorkomen en systematisch te vervolgen, daarmee verband houdende aanvallen grondig te onderzoeken en in te staan voor de veiligheid en beveiliging van de doelwitten, zoals journalisten, personen die tot minderheden behoren en andere kwetsbare groepen; herhaalt zijn oproep aan de bevoegde autoriteiten om de institutionele capaciteit te verbeteren om haatzaaiende uitlatingen, haatmisdrijven en discriminatie op welke grond dan ook te voorkomen en te bestrijden overeenkomstig internationale normen;

34.

spoort alle politieke actoren aan haatzaaiende taal, lastercampagnes en de intimidatie van onafhankelijke maatschappelijke organisaties een halt toe te roepen en te veroordelen, en roept de bevoegde autoriteiten op een nultolerantiebeleid te voeren inzake intimidatie, bedreigingen en geweld tegen journalisten en mensenrechtenverdedigers en erop toe te zien dat de daders voor het gerecht worden gebracht;

35.

maakt zich zorgen over de sterke toename van misinformatie en discriminerende uitlatingen jegens lhbti+-personen en mensenrechtenverdedigers in de media en in het politieke discours; veroordeelt intimidatie, haatzaaiende uitlatingen, haatmisdrijven en doodsbedreigingen aan het adres van lhbti+-personen en verdedigers van hun rechten en dringt aan op een grondig onderzoek naar en bestraffing van deze incidenten;

36.

herhaalt dat het onafhankelijke toezicht op de politie moet worden versterkt, dat de politie niet ongestraft mag wegkomen met geweld jegens gemarginaliseerde gemeenschappen, zoals de Roma, en daarvoor ter verantwoording moet worden geroepen, en dat de behandeling van gedetineerden en de omstandigheden in gevangenissen moeten worden verbeterd door middel van de volledige uitvoering van de desbetreffende aanbevelingen;

37.

is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van de autoriteiten van Bulgarije en Noord-Macedonië om een respectvolle relatie tot stand te brengen op basis van wederzijds vertrouwen, toenadering en nauwere intermenselijke contacten; veroordeelt met klem opruiende retoriek en dringt aan op versterking van de wederzijdse inspanningen om alle gevallen van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op grond van nationale of etnische afkomst te voorkomen en te vervolgen;

38.

waardeert het dat Noord-Macedonië lid is van de Internationale Alliantie ter Herinnering van de Holocaust;

39.

wijst erop dat de archieven van de Joegoslavische geheime dienst (UDBA) en de geheime dienst van het Joegoslavische volksleger (KOS) in de hele regio moeten worden opengesteld om misdaden en criminele organisaties uit het communistische tijdperk grondig te onderzoeken en aan te pakken; is van mening dat een transparante afhandeling van totalitaire misdaden, met inbegrip van het openstellen van deze archieven, een stap voorwaarts is op weg naar verdere democratisering, verantwoordingsplicht en institutionele kracht;

40.

verzoekt de EU haar steun voor humanitaire hulp en grensbeheer in de regio op te voeren, met volledige inachtneming van de grondrechten; prijst de inspanningen van Noord-Macedonië om vluchtelingen op te vangen en de aanhoudende constructieve rol die het land speelt bij het beheer van irreguliere migratie; herhaalt zijn oproep aan het land om de toegang tot asiel- en opvangvoorzieningen te verbeteren en een goed migratiebeheer en registratiesysteem tot stand te brengen; stipt aan dat een systematische aanpak nodig is om mensensmokkel te bestrijden en irreguliere migratie aan te pakken, is ingenomen met de internationale samenwerking op dit gebied en merkt op dat de statusovereenkomst met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) nog niet is ondertekend vanwege onopgeloste bilaterale kwesties;

Rechtsstaat

41.

erkent dat er weliswaar vooruitgang is geboekt, maar onderstreept dat vaart moet worden gezet achter de hervorming van de rechtsstaat als de ruggengraat van democratische transformatie en ter waarborging van de rechtszekerheid, transparantie, toegang tot de rechter en non-discriminatie;

42.

dringt er bij de Commissie op aan uitvoering te geven aan de aanbevelingen van Speciaal verslag nr. 1/2022 van de Europese Rekenkamer, zodat de financiële bijstand in de Westelijke Balkan, met inbegrip van Noord-Macedonië, daadwerkelijk effect heeft op het gebied van de rechtsstaat;

43.

is ingenomen met verdere stappen ter consolidatie van de staat van dienst op het vlak van het onderzoek naar en de vervolging en berechting van gevallen van corruptie en georganiseerde misdaad, ook op hoog niveau, en de versterking van onafhankelijke toezichthoudende instellingen en het gerechtelijk bestel;

44.

stipt aan dat bij de actualisering van het wetboek van strafrecht onder meer de bepalingen inzake geweld tegen vrouwen, economische criminaliteit, het witwassen van geld, corruptie, de confiscatie van vermogensbestanddelen en de verspreiding van desinformatie aan bod moeten komen en de bestrijding van de georganiseerde misdaad, met inbegrip van de illegale houtkap, moet worden opgevoerd;

45.

benadrukt dat het gerechtelijk apparaat verder moet worden hervormd, ter versterking van de institutionele onafhankelijkheid, de financiering, de kwaliteit, de coördinatie en de transparantie van de rechterlijke macht en de werking van haar autonome organen; dringt er bij de politieke krachten op aan snel tot overeenstemming te komen over de benoeming van rechters bij het Grondwettelijk Hof zodat het naar behoren kan werken;

46.

is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt, en steunt de maatregelen die zijn getroffen ter bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, bijvoorbeeld in het kader van het corruptiebestrijdingsplan “Action 21”, onder meer via proactieve onderzoeken door de Staatscommissie voor de preventie van corruptie en de openbare aanklager voor georganiseerde misdaad en corruptie, die prioriteit hebben gegeven aan veroordelingen en de confiscatie van criminele vermogensbestanddelen in gevallen van corruptie op hoog niveau; verzoekt de lidstaten de grensoverschrijdende justitiële samenwerking in strafzaken met de landen van de Westelijke Balkan te verbeteren, met volledige inachtneming van het EU-acquis op het gebied van gegevensbescherming;

47.

dringt erop aan de maatregelen ter hervorming van de veiligheids- en inlichtingensector te voltooien en daarbij te zorgen voor de onafhankelijkheid van de sector en daadwerkelijke parlementaire controle; dringt aan op een actualisering van het mechanisme voor de bescherming van klokkenluiders, zodat het beter aansluit bij en uitvoering geeft aan de EU-richtlijn inzake klokkenluiders (8) en Aanbeveling CM/Rec(2014)7 van de Raad van Europa inzake de bescherming van klokkenluiders, en zodat de onlangs aangepaste wet inzake lobbyen doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd;

48.

onderstreept hoe belangrijk de verdere vaststelling van wettelijke aansprakelijkheid is, onder meer in alle zwaarwichtige rechtszaken in verband met ambtsmisbruik, straffeloosheid van de politie, corruptie, de aanvallen van 2017 op het parlement van Noord-Macedonië, illegale afluisterpraktijken en afpersing;

49.

onderstreept dat consistente en proactieve onderzoeken, vervolging en definitieve veroordelingen belangrijk zijn in gevallen van corruptie op hoog niveau;

50.

dringt aan op doortastend optreden tegen het witwassen van geld en financiële criminaliteit door middel van betere coördinatie, onder meer met Europol, met volledige afstemming op en naleving van het EU-acquis op het gebied van gegevens; dringt aan op versterking van de capaciteit van wetshandhavingsinstanties om georganiseerde misdaad, terrorisme en radicalisering te bestrijden; verzoekt de autoriteiten de noodzakelijke wetgeving vast te stellen en uit te voeren om de werkzaamheden van het bureau voor de ontneming van vermogensbestanddelen te reguleren en de doeltreffendheid van het nationaal systeem voor de ontneming van vermogensbestanddelen te verbeteren;

51.

is ingenomen met de aanhoudende vooruitgang die tot dusver is geboekt en moet leiden tot structurele verbeteringen bij de bestrijding van mensenhandel, drugshandel en illegale handel in vuurwapens en goederen, alsook op het vlak van cybercriminaliteit en toezicht, gewelddadige misdaad, extremisme en terroristische dreigingen; prijst de onderzoeken naar en de huidige bilaterale en internationale samenwerking met betrekking tot het ontmantelen van transnationale misdaadnetwerken, waaronder de samenwerking met internationale en EU-agentschappen die verantwoordelijk zijn voor justitie en binnenlandse zaken, zoals Eurojust, Europol en Frontex, die hun maatregelen tegen mensenhandel, drugshandel, de illegale handel in wapens en het gevaar van radicalisering hebben opgevoerd; neemt kennis van de politieke, operationele en logistieke steun van Noord-Macedonië aan Frontex en de grens- en kustwachtdiensten van de lidstaten; dringt er bij Noord-Macedonië op aan zijn weerbaarheid tegen hybride dreigingen, desinformatie en nepnieuws te versterken; betreurt de tegen de instellingen van het land uitgevoerde cyberaanvallen;

Sociaal-economische hervormingen

52.

wijst op de ernstige economische en sociale gevolgen van de COVID-19-crisis en spreekt zijn steun uit voor de reeks maatregelen die de autoriteiten hebben genomen om de volksgezondheid te beschermen en de sociaal-economische gevolgen van de crisis te beperken, onder meer door nuttig gebruik te maken van de aanzienlijke steun die de EU heeft verleend in de vorm van financiële bijstand, medische apparatuur en vaccins; is verheugd over het sneller dan verwachte herstel van Noord-Macedonië in 2021 en de toegenomen economische groei;

53.

beveelt aan dat Noord-Macedonië maatregelen blijft nemen om het ondernemingsklimaat en de infrastructuur te verbeteren in het kader van het financieringsplan voor groeiversnelling (“Growth Acceleration Financing Plan”), belastingontduiking te bestrijden, het onderwijs te moderniseren, de socialezekerheidsdekking te verbreden, de digitale transformatie te bevorderen en de energie- en vervoersmarkten te hervormen, naast kortetermijnmaatregelen om de gevolgen van de pandemie en de stijgende energie- en voedselprijzen te temperen;

54.

is ingenomen met de ondernomen stappen om een stelsel van directe persoonlijke belastingen op basis van progressieve tarieven in te voeren; neemt kennis van de terugkeer naar een vlaktaksmodel; spoort de regering aan het belastingwetboek te moderniseren door meer de nadruk te leggen op progressieve tarieven op basis van inkomen en de belasting van eigendom en milieufactoren, zodat de opbrengst hoog genoeg is om sociale hervormingen door te voeren en de ongelijkheid te bestrijden;

55.

spoort de autoriteiten aan armoede en sociale uitsluiting terug te dringen door de universele toegang tot sociale diensten, onderwijs en de gezondheidszorg te verbeteren, met name voor achtergestelde en kwetsbare bevolkingsgroepen;

56.

moedigt Noord-Macedonië aan vooruitgang te blijven boeken bij de uitvoering van hervormingen op het gebied van jeugd en onderwijs; pleit voor de herziening van de wet op het middelbaar onderwijs op basis van een proces waarbij deskundigen, beroepsbeoefenaars en het maatschappelijk middenveld betrokken zijn en waarbij bijzondere uitdacht uitgaat naar de rechten van studenten met een handicap;

57.

moedigt Noord-Macedonië aan het potentieel te blijven benutten dat digitalisering te bieden heeft voor het moderniseren van administratieve, verkiezings-, gerechtelijke, sociale, gezondheidsgerelateerde, begrotings- en economische processen, het verhogen van de transparantie en verantwoordingsplicht en het aanpakken van corruptie en de informele economie in overeenstemming met het EU-acquis; onderstreept dat de EU meer steun moet verlenen voor de rechtsstaat, duurzame groene groei, biodiversiteit, innovatie, concurrentievermogen, eigendomsrechten en de omkering van de braindrain en de demografische achteruitgang; onderstreept dat investeringen in de empowerment en inclusie van jongeren moeten worden gestimuleerd, naast maatregelen voor het terugdringen van de hoge niveaus aan jeugdwerkloosheid;

58.

is verheugd over de uitvoering van de jongerengarantie in Noord-Macedonië als programma om de jeugdwerkloosheid terug te dringen, met name gezien de economische onzekerheid en de afgenomen arbeidskansen voor jongeren als gevolg van de COVID-19-pandemie; herhaalt dat het van belang is via het EIP voor de Westelijke Balkan financiële middelen beschikbaar te stellen voor vlaggenschipprojecten, zoals de jongerengarantie in Noord-Macedonië;

59.

wijst erop dat EU-financiering in het kader van het IPA III en het EIP voor de Westelijke Balkan, zijnde instrumenten die het toejuicht, aan strikte voorwaarden verbonden is; benadrukt dat in het IPA III is bepaald dat de financiering moet worden bijgesteld of zelfs opgeschort in geval van een significante achteruitgang of het aanhoudend uitblijven van vorderingen op het gebied van de fundamentele prioriteiten, met name op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, en mediavrijheid; beklemtoont dat het in het belang van de veiligheid van de EU is en onder haar verantwoordelijkheid valt om ervoor te zorgen dat de EU-middelen niet bijdragen tot corruptie; verzoekt de EU en de landen van de Westelijke Balkan in dit verband de grensoverschrijdende justitiële samenwerking te versterken en een kader vast te stellen voor doeltreffende samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie, met name op het gebied van middelen uit het IPA III; onderstreept dat de zichtbaarheid van EU-financiering moet worden verbeterd en dat moet worden gewaarborgd dat investeringen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de decarbonisatiedoelstellingen van de EU;

60.

is verheugd over de vaststelling van het EIP en de groene agenda voor de Westelijke Balkan, die tot doel hebben het economisch herstel van de regio op lange termijn te stimuleren, een groene en digitale transitie te ondersteunen en de regionale connectiviteit en integratie en de convergentie met de Europese Unie te bevorderen; wijst op het potentieel voor Europese samenwerking op gebieden zoals waterbeheer, technologieën voor afvalwater en afvalverwerking, hernieuwbare energie, landbouw- en voedselverwerkingstechnologieën, ICT, farmaceutische producten en medische apparatuur; benadrukt het belang van een betere coördinatie met internationale organisaties, zoals het Milieuprogramma van de VN, voor het aanpakken van de klimaatverandering en het realiseren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

Milieu, energie en vervoer

61.

dringt er bij de regering op aan haar ambities aanzienlijk op te voeren en de politieke wil te vergroten om de aanbevelingen van vorig jaar met betrekking tot de groene transitie uit te voeren, met name in het kader van de groene agenda voor de Westelijke Balkan, waarbij het potentieel van het EIP voor de Westelijke Balkan in dit verband moet worden benut;

62.

is ingenomen met de geactualiseerde klimaatbelofte van Noord-Macedonië om de netto-uitstoot van broeikasgassen tussen nu en 2030 met 82 % terug te dringen, en roept het land ertoe op de Overeenkomst van Parijs uit te voeren, onder meer door een brede klimaatstrategie en -wet vast te stellen in overeenstemming met het klimaat- en energiekader van de EU voor 2030; stipt aan dat er extra inspanningen moeten worden geleverd om de doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, voorzieningszekerheid en emissiereductie te halen; dringt er bij de EU op aan meer steun te verlenen om te voorkomen dat de duurzame uitfasering van steenkool wordt teruggedraaid, en om fossiele energiebronnen geleidelijk aan af te schaffen in het licht van de mondiale energieschaarste; dringt er bij de autoriteiten op aan de wetgeving inzake milieu en klimaatverandering op het EU-acquis af te stemmen en de handhaving ervan te waarborgen;

63.

benadrukt dat de luchtkwaliteit dringend moet worden verbeterd, met name in stedelijke gebieden; dringt er bij de autoriteiten met klem op aan de maatregelen op het gebied van biodiversiteit, water-, lucht- en klimaatbescherming, recycling en regionaal afvalbeheer op te voeren, onder meer door middel van uitgebreide effectbeoordelingen, behoorlijke openbare raadplegingen, verbeterde sectoroverschrijdende coördinatie, meer financiële middelen en strenge vervolging van milieucriminaliteit;

64.

spoort de autoriteiten ertoe aan de kwaliteit van hun strategische milieueffectbeoordelingen (SMEB’s) aanzienlijk te verhogen en de SMEB-richtlijn (9) toe te passen en te handhaven teneinde negatieve gevolgen voor het milieu doeltreffend te voorkomen en corruptie in deze sector uit te bannen; verzoekt de autoriteiten ten volle rekening te houden met de aanbeveling van milieuorganisaties en onafhankelijke deskundigen over de voorgestelde wijzigingen van de stedenbouwwet;

65.

spoort de Commissie aan Noord-Macedonië ten volle te steunen bij het opstellen en uitvoeren van een actieplan dat tot doel heeft de afhankelijkheid van energiebronnen uit Rusland terug te dringen, teneinde de veerkracht en energiezekerheid te verhogen en het land in staat te stellen tegemoet te komen aan het streven van de EU naar klimaatneutraliteit; neemt er nota van dat het land zijn beleid steeds meer afstemt op het derde energiepakket van de EU, en dringt erop aan dat de ontbundeling van gastransmissieactiviteiten wordt afgerond en de wetgeving inzake energie-efficiëntie wordt toegepast;

66.

dringt er bij het land op aan meer inspanningen te leveren om de vervoers- en energie-infrastructuur alsook de regionale connectiviteit te verbeteren; wijst er nogmaals op dat het belangrijk is grote regionale infrastructuurprojecten — met inbegrip van (spoor)wegcorridors VIII en X, gasinterconnectoren met Bulgarije, Griekenland, Kosovo en Servië, en de elektriciteitsinterconnector met Albanië — snel te voltooien, met volledige inachtneming van de geëigende procedures voor de vereiste uitgebreide effectbeoordelingen;

67.

is verheugd over de opening van een luchtverbinding tussen Skopje en Sofia en pleit ervoor andere vervoersverbindingen te verbeteren en nieuwe grensposten met de buurlanden te openen;

68.

is verheugd over de opheffing van de roamingtarieven tussen Noord-Macedonië en vijf andere staten in de Westelijke Balkan sinds 1 juli 2021; dringt in dat verband aan op de opstelling van een snel stappenplan om de roamingkosten tussen alle lidstaten te verlagen en af te schaffen;

Regionale samenwerking en buitenlands beleid

69.

verzoekt de EU de historisch belangrijke veiligheidsimplicaties voor de stabiliteit en eenheid op het Europese continent en op de Westelijke Balkan kritisch te beoordelen in de context van de Russische agressie tegen Oekraïne; dringt er bij de lidstaten op aan de Europese eenheid te tonen door officieel toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië te starten, rekening houdend met zowel de geopolitieke gevolgen als de vervulling van officiële criteria, bij wijze van investering in vertrouwen, stabiliteit, welvaart en het lopende verzoeningsproces in de regio;

70.

is ingenomen met de inzet van Noord-Macedonië voor solidariteit, multilateralisme en goede nabuurschapsbetrekkingen; spreekt zijn steun uit voor integratie in de EU en verdere stappen ter bevordering van zowel intermenselijke contacten in Zuidoost-Europa als inclusieve regionale integratie, teneinde de hele regio dichter bij de EU te brengen door het ontwikkelen van de gemeenschappelijke regionale markt; spreekt zijn steun uit voor inclusieve regelingen voor regionale economische samenwerking waarbij samenwerking op voet van gelijkheid tussen alle zes de landen tot stand wordt gebracht, de afstemming op de EU-normen en het EU-acquis wordt versterkt en wordt bijgedragen aan het proces van integratie in de EU;

71.

kijkt uit naar het OVSE-voorzitterschap door Noord-Macedonië in 2023 als uiting van zijn internationale verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid als NAVO-lid en toekomstige EU-lidstaat, en als bijdrage aan het bevorderen van de grondbeginselen van de OVSE op het gebied van veiligheid, mensenrechten en democratie; prijst de voorbeeldig snelle integratie van Noord-Macedonië in de NAVO-structuren, waarmee het zijn strategische veiligheidskeuzes in de verf zet en aldus bijdraagt aan en zorgt voor stabiliteit in de Westelijke Balkan;

72.

is verheugd dat Noord-Macedonië zich blijft inzetten voor het Euro-Atlantisch veiligheidskader; waardeert het dat het land zich volledig achter het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de EU schaart; is ingenomen met zijn aanhoudende bijdragen aan crisisbeheersingsmissies van de EU en operaties onder leiding van de NAVO; waardeert het dat het land zich snel achter de sancties heeft geschaard die zijn opgelegd in het kader van de Russische agressie ter ondermijning van de territoriale integriteit en soevereiniteit van Oekraïne, waarbij het zijn buitenlands beleid daar volledig op afgestemd heeft;

73.

wijst op het risico dat de hele regio voor zijn economie en energie afhankelijker wordt van China en Rusland; maakt zich zorgen over de kwetsbaarheid en afhankelijkheid als gevolg van door China gefinancierde investeringskredieten; is ingenomen met de inspanningen van Noord-Macedonië om te zorgen voor grensbeveiliging, alsook voor gegevensbescherming en -beveiliging in het kader van het “Clean Network”-initiatief;

74.

is ingenomen met het lopende proces voor het aanhalen van goede nabuurschapsbetrekkingen met de buurlanden en voor nauwere regionale samenwerking, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Prespa met Griekenland en het Verdrag inzake vriendschap, goed nabuurschap en samenwerking met Bulgarije; roept alle partijen op een constructieve dialoog te blijven voeren om ervoor te zorgen dat deze teksten volledig, consequent en te goeder trouw ten uitvoer worden gelegd, en daarbij af te zien van acties die de integratie in de EU en de bredere belangen van de EU kunnen ondermijnen in het licht van buitenlandse inmenging; verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om de dialoog te bevorderen en aldus de weg vrij te maken voor een levensvatbare en duurzame overeenkomst;

75.

moedigt Bulgarije en Noord-Macedonië aan een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden voor hangende bilaterale kwesties; is zeer ingenomen met de politieke impuls voor een brede, constructieve samenwerking tussen beide partijen, waarbij zij overeenstemming zullen proberen te bereiken op verscheidene gebieden van wederzijds belang in plaats van de scheidslijnen verder door te trekken; moedigt de partners aan dit engagement te goeder trouw en in overeenstemming met het Verdrag inzake vriendschap, goed nabuurschap en samenwerking te bespoedigen en toetredingsonderhandelingen te beginnen, en tegelijkertijd de in de “4+1-maatregelen” vervatte hangende bilaterale kwesties op te lossen, die tijdens het EU-integratieproces naar behoren moeten worden uitgevoerd en aangepakt; dringt er bij de partners op aan zich oprecht in te spannen om zo snel mogelijk tot wederzijds aanvaardbare, evenwichtige en duurzame oplossingen te komen voor hangende bilaterale kwesties; is ingenomen met de hervatting van de werkzaamheden van de gezamenlijke multidisciplinaire deskundigencommissie inzake historische en onderwijskundige aangelegenheden van Bulgarije en Noord-Macedonië, wat de samenlevingen dichter bij elkaar moet brengen door een gemeenschappelijke toekomst in de EU mogelijk te maken, zonder dat dit van invloed is op het toetredingsproces van Noord-Macedonië;

76.

herhaalt zijn oproep tot historische verzoening op basis van de welomschreven gemeenschappelijke geschiedenis, zoals vastgelegd in het Verdrag inzake vriendschap, goed nabuurschap en samenwerking;

77.

spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de consistente en versnelde wederzijdse tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Prespa met Griekenland als belangrijk onderdeel van de bilaterale betrekkingen, met inbegrip van de nog te ratificeren memoranda die door beide landen ondertekend zijn;

78.

feliciteert Noord-Macedonië met de totstandbrenging van de “Prespa Forum Dialogue” als regionaal platform voor het inspireren en bevorderen van dialoog, verzoening, goed nabuurschap en regionale samenwerking in de geest van EU-integratie;

79.

verzoekt alle regionale politieke leiders nogmaals de Regionale Commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdrijven en andere grove schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom) op te richten en daarmee voort te bouwen op het belangrijke werk dat door de Coalitie voor Recom is verzet;

80.

dringt er met klem op aan dat de werkzaamheden inzake geschiedenislesboeken in Bulgarije en Noord-Macedonië worden hervat; benadrukt dat deze teksten een weergave moeten zijn van de interpretatie van historische feiten en figuren uit de gemeenschappelijke geschiedenis van beide volken, op basis van authentieke historische documenten en bronnen; is van mening dat dit de basis is waarop beide landen hun betrekkingen moeten opbouwen, en dat de betrekkingen tussen de toekomstige generaties in Noord-Macedonië en Bulgarije een weerspiegeling zullen zijn van de onderwijsprocessen in beide landen;

81.

veroordeelt iedere poging om historische monumenten en/of kunstvoorwerpen te vervangen, met inbegrip van de vernieling van authentiek cultureel erfgoed en pogingen om de geschiedenis te herschrijven; benadrukt dat dergelijke incidenten tot grote bezorgdheid leiden, onder meer in het kader van de gebrekkige uitvoering van het Verdrag inzake vriendschap, goed nabuurschap en samenwerking van 2017;

o

o o

82.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Noord-Macedonië.

(1)  PB L 84 van 20.3.2004, blz. 13.

(2)  PB L 330 van 20.9.2021, blz. 1.

(3)  PB C 202 van 28.5.2021, blz. 86.

(4)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 129.

(5)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 28.

(6)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0506.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0064.

(8)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).

(9)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/45


P9_TA(2022)0214

Verslag 2021 over Albanië

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het Commissieverslag 2021 over Albanië (2021/2244(INI))

(2022/C 479/04)

Het Europees Parlement,

gezien de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds (1),

gezien het verzoek van Albanië om toetreding tot de Europese Unie, dat op 24 april 2009 werd ingediend,

gezien Verordening (EU) 2021/1529 van het Europees Parlement en de Raad van 15 september 2021 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (2),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014 met een besluit om de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen aan Albanië,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 en 18 oktober 2019,

gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2019, 25 maart 2020 en 14 december 2021 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2020 getiteld “Bevordering van het toetredingsproces — Een geloofwaardig EU-perspectief voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0057),

gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2020 getiteld “Steun aan de Westelijke Balkan voor de bestrijding van COVID-19 en het herstel na de pandemie” (COM(2020)0315),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2020 getiteld “EU-actieplan 2020-2025 inzake illegale vuurwapenhandel” (COM(2020)0608),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2020 getiteld “Een economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0641),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 april 2021 over de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025) (COM(2021)0170),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2021 getiteld “Mededeling 2021 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU” (COM(2021)0644) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Albania 2021 Report” (Verslag 2021 over Albanië) (SWD(2021)0289),

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en terrorismefinanciering,

gezien het verslag van de Raad van Europa van november 2021 getiteld “Beyond Definitions: a call for action against hate speech in Albania — a comprehensive study” (Voorbij definities: een oproep tot actie tegen haatzaaiende uitlatingen in Albanië — een uitgebreide studie),

gezien het eindverslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) van 26 juli 2021 over de parlementsverkiezingen in de Republiek Albanië van 25 april 2021,

gezien het advies van de Commissie van Venetië van 14 december 2021 inzake de verlenging van de ambtstermijn van de overgangsorganen die belast zijn met de herbeoordeling van rechters en openbare aanklagers,

gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië en het ODIHR van de OVSE van 11 december 2020 inzake de wijzigingen van 30 juli 2020 van de Albanese grondwet en van 5 oktober 2020 van de kieswet,

gezien de overige adviezen van de Commissie van Venetië inzake Albanië,

gezien de top in Sofia van 10 november 2020, met inbegrip van de Verklaring over de gemeenschappelijke regionale markt en de Verklaring over de groene agenda voor de Westelijke Balkan,

gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

gezien de top EU-Westelijke Balkan van 6 mei 2020 in Zagreb en de verklaring in het kader daarvan,

gezien de top EU-Westelijke Balkan van 6 oktober 2021 in Brdo pri Kranju en de verklaring in het kader daarvan,

gezien de achtste top in het kader van het proces van Berlijn van 5 juli 2021,

gezien het Ministerieel forum EU-Westelijke Balkan inzake justitie en binnenlandse zaken van 1-3 december 2021 in Brdo pri Kranju en de gezamenlijke persverklaring in het kader daarvan,

gezien de slotverklaring van het achtste Forum voor het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan van 1 oktober 2021,

gezien Speciaal verslag 01/2022 van de Europese Rekenkamer van 10 januari 2022 getiteld “EU-steun voor de rechtsstaat in de Westelijke Balkan: ondanks inspanningen nog steeds fundamentele problemen”,

gezien zijn resolutie van 24 oktober 2019 over de opening van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië (3),

gezien zijn aanbeveling van 19 juni 2020 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de Westelijke Balkan, naar aanleiding van de top in 2020 (4),

gezien zijn resolutie van 25 november 2020 over versterking van de mediavrijheid: bescherming van journalisten in Europa, haatzaaiende taal, desinformatie en de rol van platforms (5),

gezien zijn resolutie van 15 december 2021 over samenwerking bij de bestrijding van georganiseerde misdaad in de Westelijke Balkan (6),

gezien zijn resolutie van 9 maart 2022 over buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie (7),

gezien zijn eerdere resoluties over Albanië,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0131/2022),

A.

overwegende dat uitbreiding een van de meest doeltreffende instrumenten van het buitenlands beleid van de EU is, aangezien het bijdraagt aan een groter bereik van de fundamentele waarden van de Unie, dat wil zeggen vrijheid, democratie, de rechtsstaat, bevordering van de vrede en eerbiediging van de mensenrechten en van de menselijke waardigheid;

B.

overwegende dat de Europese integratie getuigt van het verlangen van de Albanese burgers naar democratie en welvaart en fungeert als een krachtige katalysator voor hervormingen die de werking van staatsinstellingen en de levenskwaliteit van de burgers zouden verbeteren;

C.

overwegende dat het vooruitzicht van het op verdiensten gebaseerde lidmaatschap van Albanië de politieke, economische en veiligheidsbelangen van de Unie dient;

D.

overwegende dat Albanië sinds 2014 kandidaat-lidstaat is en dat de Commissie al sinds 2018 aanbeval over te gaan tot toetredingsonderhandelingen en uiteindelijk op 1 juli 2020 een ontwerponderhandelingskader voor Albanië heeft voorgelegd;

E.

overwegende dat de EU moet voorzien in een duidelijk en betrouwbaar traject voor landen die tot de EU willen toetreden; overwegende dat de kwaliteit van de noodzakelijke hervormingen van een land het tijdschema voor de toetreding moet bepalen; overwegende dat Albanië zijn inspanningen heeft opgevoerd en tastbare en duurzame resultaten heeft geboekt op belangrijke gebieden die door de Raad als noodzakelijk zijn aangemerkt voor de vaststelling van het onderhandelingskader voorafgaand aan de eerste intergouvernementele conferentie;

F.

overwegende dat Albanië zich moet blijven inzetten voor de consolidatie van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, alsook voor de bescherming van minderheden, en dat het daarnaast corruptie moet blijven bestrijden als belangrijkste benchmarks om de vooruitgang met betrekking tot het proces voor toetreding tot de EU te kunnen meten;

G.

overwegende dat de EU zich ten volle blijft inzetten om de strategische keuze van Albanië voor toetreding tot de EU te steunen, op basis van goede nabuurschapsbetrekkingen, en nog altijd veruit de grootste handels- en investeringspartner en de grootste verstrekker van financiële bijstand van Albanië is; overwegende dat Albanië sinds 2007 1,24 miljard EUR aan EU-pretoetredingssteun heeft ontvangen in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) I en IPA II;

H.

overwegende dat de EU heeft laten zien dat zij zich inzet voor het Europees perspectief van de landen van de Westelijke Balkan en 3,3 miljard EUR heeft uitgetrokken om de acute gezondheidscrisis aan te pakken en de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie op te vangen;

I.

overwegende dat door middel van kwaadwillige directe en indirecte buitenlandse inmenging en desinformatie wordt gepoogd verdeeldheid te zaaien, geweld en interetnische spanningen aan te wakkeren en de hele regio te destabiliseren;

J.

overwegende dat Albanië een belangrijke geopolitieke bondgenoot en een betrouwbare partner op het gebied van het buitenlands beleid blijft, hetgeen volledig in overeenstemming is met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en met de inspanningen van Albanië om de regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen te bevorderen;

K.

overwegende dat Albanië zich heeft aangesloten bij de inspanningen van de EU om Oekraïne te steunen door sancties tegen Rusland te treffen, in lijn met de stemming van de EU-lidstaten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, en mede in zijn hoedanigheid van lid van de VN-Veiligheidsraad;

L.

overwegende dat Albanië zich voortdurend heeft ingespannen om aan alle voorwaarden voor de planning van de eerste Intergouvernementele Conferentie te voldoen, zoals al werd geconstateerd in het verslag van het Parlement over het Commissieverslag 2019-2020 over Albanië, en vooruitgang boekt in het toetredingsproces;

M.

overwegende dat Albanese burgers sinds december 2010 zonder visum naar het Schengengebied kunnen reizen en sinds 2015 kunnen deelnemen aan uitwisselingen voor studenten, academici en jongeren in het kader van het Erasmus+-programma;

1.

herhaalt zijn duidelijke steun voor de democratische transformatie van Albanië, geschraagd door zijn strategische koers richting en onwrikbare inzet voor Europese integratie, gecombineerd met goede nabuurschapsbetrekkingen en inclusieve regionale samenwerking; benadrukt opnieuw dat de toekomst van Albanië en de hele Westelijke Balkan in Europa ligt;

2.

betreurt het feit dat de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië, die al lang hadden moeten beginnen, nog steeds niet zijn gestart; betuigt uitdrukkelijk zijn solidariteit en sympathie met de burgers van deze landen en is van mening dat dit verzuim het draagvlak voor de EU bij de bevolking ondermijnt, een ernstig gevaar vormt voor het uitbreidingsbeleid van de EU als geheel en afbreuk doet aan de reputatie van de EU als betrouwbare partner en ernstige geopolitieke speler;

3.

dringt er bij de Raad op aan de geloofwaardigheid van de Europese integratie te handhaven door snel toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië te openen, zoals herhaaldelijk door de Commissie is aangeraden, aangezien beide landen aan de door de Europese Raad gestelde voorwaarden hebben voldaan en duurzame resultaten blijven boeken op fundamentele gebieden; verzoekt de lidstaten om hun volledige politieke inzet voor de uitbreiding te tonen en de hervormingsinspanningen in andere uitbreidingslanden op geloofwaardige wijze te simuleren door de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië te starten;

4.

wijst op de transformerende aard van de toetredingsonderhandelingen die in het kader van de herziene uitbreidingsmethode moeten worden gevoerd binnen een bredere geostrategische context, mede gelet op kwaadwillige activiteiten waarmee beoogd de verdere integratie van de landen in de Westelijke Balkan in Europa en de stabiliteit van de landen in de Westelijke Balkan te ondermijnen;

5.

wijst erop dat de uiteindelijke toetreding van Albanië tot de EU afhangt van duurzame, grondige en onomkeerbare hervormingen op fundamentele gebieden, te beginnen bij de rechtsstaat en de werking van de democratische instellingen; onderstreept dat het tempo van de op verdiensten gebaseerde toetreding tot de EU moet worden bepaald door vooruitgang met betrekking tot de goede werking van alle instellingen en stoelt op de rechtsstaat, goed bestuur en grondrechten; vraagt Albanië met klem zijn inspanningen voort te zetten en op te voeren om de werking van de rechterlijke macht te verbeteren, de democratie, de rechtsstaat, de economie en het maatschappelijke middenveld te versterken, corruptie en georganiseerde criminaliteit tegen te gaan, mediavrijheid en de bescherming van de rechten van minderheden te waarborgen, met inbegrip van die van de lhbti+-gemeenschap; herinnert eraan dat kandidaat-lidstaten diepgaande transformaties om aan de criteria voor het EU-lidmaatschap te voldoen tijdens de toetredingsonderhandelingen, die zo lang duren als nodig is om de noodzakelijke hervormingen door te voeren;

Democratische instellingen, media en het maatschappelijk middenveld

6.

wijst er nogmaals op dat de politieke krachten van Albanië gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de versterking van de constructieve politieke dialoog en samenwerking en daarmee de doeltreffende werking van de democratische instellingen van het land faciliteren door het bestuur, de transparantie en het pluralisme te blijven verbeteren en door de actieve deelname van het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken; toont zich ernstig bezorgd over het gepolariseerde politieke klimaat en het gebrek aan duurzame samenwerking tussen partijen die het democratisch proces blijven belemmeren; wijst nogmaals op het belang van het tot stand brengen van de noodzakelijke consensus tussen alle politieke actoren om de democratische parlementaire cultuur van Albanië, de constructieve parlementaire traditie, het vertrouwen en een echte dialoog tussen de partijen te versterken; moedigt in dit verband het gebruik van de Jean Monnet-dialoog aan;

7.

is ingenomen met alle inspanningen die geleverd zijn om polarisatie in de aanloop naar de verkiezingen van 2021 te beperken, waardoor de oppositiepartijen weer bij het politieke proces in het parlement werden betrokken; betreurt de veranderingen die de regerende meerderheid voorafgaand aan de algemene verkiezingen zonder toestemming heeft doorgevoerd in de grondwet en de kieswet; spoort de politieke partijen in Albanië aan om bij de behandeling van zaken die van algemeen belang zijn politieke maturiteit te tonen en de democratische kiesstrijd en integriteit van partijen te versterken als opstap naar pluralisme en een democratische transformatie;

8.

wijst erop dat de resterende tekortkomingen op verkiezingsgebied tijdig en vóór de volgende algemene verkiezingen moeten worden aangepakt overeenkomstig de aanbevelingen van het OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië, door de toegankelijkheid en integriteit van de verkiezingen verder te verbeteren en het kopen van stemmen en het misbruik van administratieve middelen te voorkomen, onder meer door middel van digitalisering, transparantie, gegevensbescherming, billijke toegang tot de media, alsook door middel van herziene wetgeving en regels inzake de financiering en werking van politieke partijen; merkt op dat de parlementsverkiezingen van 2021 ondanks deze tekortkomingen en problemen over het algemeen goed georganiseerd en concurrerend waren; betreurt het gebrek aan definitieve veroordelingen in zaken met betrekking tot het kopen van stemmen op hoog niveau; stelt voor om voorafgaand aan de volgende parlementsverkiezingen een EU-verkiezingswaarnemingsmissie naar Albanië te sturen;

9.

uit zijn bezorgdheid over de aanhoudende opruiende retoriek, onder meer door toonaangevende politici, overheidsfunctionarissen en andere publieke figuren, die de cultuur van intimidatie, lastercampagnes, geweld en rellen aanwakkert; dringt er bij de politieke actoren op aan het goede voorbeeld te geven bij het bevorderen van de maatschappelijke dialoog en dringt erop aan dat de uiteindelijke veroordelingen van degenen die journalisten aanvallen, worden gewaarborgd;

10.

onderstreept dat het Albanese parlement (Kuvendi) meer betrokken moet worden bij het integratieproces in de EU om zijn wetgevings-, toezichthoudende en begrotingsbevoegdheden verder uit te breiden; dringt er bij het Kuvendi op aan vooruitgang te boeken op het gebied van electorale en territoriale hervormingen en is ingenomen met de oprichting van de bevoegde parlementaire commissies;

11.

spoort de regering aan de administratieve voorbereidingen voor de aankomende toetredingsonderhandelingen te bespoedigen en optimaal gebruik te maken van de relevante bijstand en kennis die door EU-lidstaten wordt geboden; benadrukt het belang van samenhangende en efficiënte overheidsstructuren voor de doeltreffende coördinatie van aangelegenheden op het gebied van EU-integratie waar maatschappelijke organisaties en andere relevante belanghebbenden bij betrokken zijn, en van het daarbij waarborgen van transparantie jegens het algemeen publiek;

12.

onderstreept dat de coördinatie, evaluatie en monitoring van EU-gerelateerde hervormingen binnen diensten moeten worden verbeterd, dat de decentralisatie, modernisering en depolitisering van het ambtelijk apparaat in het hele land moeten worden bevorderd en dat gunstige voorwaarden moeten worden geschapen voor de uitvoering van de aankomende volkstelling in overeenstemming met de internationale normen inzake transparantie en vertrouwelijkheid, zodat alle nationale minderheden nauwkeurig kunnen worden geteld, zonder dat er gevreesd hoeft te worden voor intimidatie; wijst opnieuw op de noodzaak om de territoriale administratieve hervormingen te consolideren als onderdeel van het bredere streven naar decentralisatie, teneinde lokale fiscale autonomie te waarborgen en gemeenten in staat te stellen hoogwaardige overheidsdiensten te verlenen;

13.

herinnert eraan dat de nationale en lokale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de verbetering van de transparantie, verantwoordingsplicht en inclusiviteit door middel van anticiperende, zinvolle en regelmatige openbare raadpleging van belanghebbenden, en door de nationale raad voor het maatschappelijk middenveld beter in staat te stellen de prioriteiten van maatschappelijke organisaties tot uiting te brengen; dringt aan op behoorlijke openbare raadplegingen en dialoog met het publiek, met inbegrip van jongeren en minderheden, mede over milieukwesties en renovatie- en urbanisatieprojecten; onderstreept de noodzaak om de participatieve democratie te versterken, mede door vaststelling van evenwichtige wetgeving inzake referenda; verzoekt de autoriteiten dringend te zorgen voor toereikende financiering en de doeltreffende en onpartijdige werking van onafhankelijke organen en agentschappen en voor de consistente uitvoering van hun besluiten en aanbevelingen;

14.

wijst er nogmaals op dat het belangrijk is de cultuur van verantwoordingsplicht, onpartijdige toegang tot openbare informatie en toezicht op overheidsinstellingen te stimuleren, met name door een gunstig fiscaal en veiligheidsklimaat te scheppen, alsook samenwerking met de media en het maatschappelijk middenveld; dringt aan op aantoonbare resultaten bij het verbeteren van de juridische en financiële duurzaamheid en de zelfregulering van ngo’s en de mediasector, met inbegrip van onlinemedia;

15.

merkt op dat de vrijheid van meningsuiting, de onafhankelijkheid en het pluralisme van de media dringend moeten worden verbeterd en is bezorgd over het gebrek aan vooruitgang op dit gebied, aangezien Albanië sinds 2018 acht plaatsen op de wereldindex voor persvrijheid van Verslaggevers zonder Grenzen is gedaald;

16.

verzoekt de autoriteiten een nultolerantiebeleid te voeren en doortastend op te treden tegen de marginalisering en intimidatie van en het geweld tegen onafhankelijke mediakanalen en verslaggevers door maatregelen te nemen tegen strategische rechtszaken tegen publieke participatie, lastercampagnes en indirecte politieke en financiële druk die de mediavrijheid ernstig in het gedrang brengen, zelfcensuur veroorzaken en inspanningen om criminaliteit en corruptie aan het licht te brengen ernstig ondermijnen en onafhankelijk verslag uitbrengen; verzoekt politieke figuren een einde te maken aan verbale aanvallen, lastercampagnes en intimidatie, zoals smaadrechtszaken tegen journalisten, die tot doel hebben het belang van de journalistiek en onafhankelijkheid van de media te ondermijnen of in diskrediet te brengen;

17.

herhaalt zijn oproep om de arbeidsomstandigheden van journalisten te verbeteren door de arbeids- en sociale rechten van Albanese journalisten beter te beschermen, en om regelgeving vast te stellen waarmee de transparantie en openbaarmaking van media-eigendom, financieringsbronnen en publieke reclame wordt verbeterd;

18.

wijst erop dat alle herzieningen van mediawetten door het Kuvendi moeten stroken met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en op transparante en inclusieve wijze moeten worden doorgevoerd, in overleg met de mediaorganisaties, om de mediavrijheid en de zelfregulering te verbeteren, alsook om concentratie in de mediasector, misbruik, inmenging van buitenaf en zelfcensuur tegen te gaan; spreekt nogmaals zijn ernstige bezorgdheid uit over het eerder voorgestelde “antismaad”-pakket en is ingenomen met het feit dat het Kuvendi een proces is gestart om de huidige wetten inzake het kader voor de bestrijding van smaad te herzien;

19.

stipt aan dat onderzoeksjournalistiek, feitenonderzoek en mediageletterdheid moeten worden versterkt om haatzaaiende uitlatingen, desinformatie en nepnieuws aan te pakken; pleit voor ondersteuning van een zelfreguleringsmechanisme voor de media, en benadrukt dat de onpartijdige regelgevende werking van de autoriteit voor audiovisuele media moet worden gewaarborgd; dringt aan op hervorming van de publieke omroep om zijn redactionele en financiële onafhankelijkheid, zijn onpartijdigheid en zijn professionele karakter te versterken;

20.

onderstreept dat het onlangs opgerichte media- en informatieagentschap de transparantie en decentralisatie moet bevorderen en in geen geval de gelijke toegang van journalisten tot informatie uit overheidsbronnen mag belemmeren; verzoekt de regering om de toegang tot de verslaggeving over en controle van de activiteiten van de regering via officiële en formele kanalen, zoals persconferenties en interviews, te verbeteren;

21.

dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie op aan de coördinatie te verbeteren en in actie te komen tegen desinformatie en hybride dreigingen die erop gericht zijn het EU-perspectief te ondermijnen door op strategischere wijze de aandacht te vestigen op het belang van de EU voor de mensen in de Westelijke Balkan;

Grondrechten

22.

dringt er bij de betrokken organen op aan om alle gevallen van haatzaaiende uitlatingen, haatmisdrijven, verbale en fysieke aanvallen en intimidatie, ook tegen journalisten, mensenrechtenverdedigers en personen die tot kwetsbare en minderheidsgroepen behoren, zoals lhbti+-personen of de Roma, systematisch en proactief te voorkomen, snel en grondig te onderzoeken en te vervolgen, teneinde hun veiligheid en beveiliging te waarborgen; spoort het bureau van de Commissaris voor bescherming tegen discriminatie aan proactiever te zijn bij de bestrijding van discriminerende haatzaaiende uitlatingen, met name tegen lhbti+-personen, en om daarover uitgesplitste gegevens te verzamelen; spoort de regering aan te overwegen haatzaaiende uitlatingen in haar wetboek van strafrecht te definiëren;

23.

is ingenomen met de vooruitgang op het gebied van de waarborging van gelijke kansen en pleit voor verdere verbeteringen van de handhaving van gendergelijkheid, eigendomsrechten, gegevensbescherming, de rechten van personen met een handicap en de rechten van minderheden op het gebied van onderwijs, taal, zelfidentificatie en de bescherming van cultureel erfgoed; verzoekt de autoriteiten de gelijke behandeling van lhbti+-personen en de Roma te waarborgen en de intersectionele discriminatie waarvan deze groepen het slachtoffer zijn tegen te gaan met een systematische en doeltreffende institutionele aanpak; is ingenomen met de goedkeuring van de wet inzake onderwijs voor minderheden en verzoekt de regering snel de resterende uitvoeringswetgeving met betrekking tot de kaderwet van 2017 inzake de bescherming van nationale minderheden goed te keuren, onder meer wat betreft zelfidentificatie en het gebruik van minderheidstalen; dringt er bij de autoriteiten op aan te zorgen voor niet-discriminerende toegang tot onderwijs en verzoekt Albanië te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de eigendomsrechten en het cultureel erfgoed van alle etnische en nationale minderheden en ervoor te zorgen dat minderheidsgroepen gelijke kansen hebben en adequaat vertegenwoordigd zijn in het politieke en culturele leven, de publieke media, het bestuur en de rechterlijke macht;

24.

roept op tot verdere inspanningen om de volledige uitoefening van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden door alle personen met een handicap, die het meest zijn getroffen door de COVID-19-pandemie, te waarborgen en te beschermen; betreurt dat personen met een handicap tijdens de verkiezingen in april 2021 te maken hadden met belemmeringen om te stemmen; dringt aan op verdere inspanningen om geweld tegen personen met een handicap tegen te gaan, de algehele toegankelijkheid (met inbegrip van diensten en informatie) te verbeteren en de inzetbaarheid van deze personen te vergroten; wijst erop dat de kwaliteit van het onderwijs voor kinderen met een handicap, met name voor dove kinderen, nog altijd een punt van zorg is; merkt op dat Albanië het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap niet heeft geratificeerd;

25.

is van mening dat de gemelde aantallen HIV-besmettingen, die sinds vorig jaar zijn verdubbeld, uitermate zorgwekkend zijn; wijst erop dat de nationale strategie voor mensen met HIV in 2020 is verlopen; verzoekt de overheid gepaste maatregelen te nemen, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, om het toenemende aantal HIV-besmettingen tegen te gaan en de toegang tot gezondheidszorg voor de kwetsbaarste personen te waarborgen;

26.

prijst de vaststelling van het nieuwe nationale lhbti+-actieplan voor de periode 2021-2027, en pleit voor de volledige uitvoering en een goede financiering daarvan, ondersteund door een coördinerend orgaan dat daarop toezicht houdt; benadrukt de noodzaak om veel voorkomende discriminatie, agressie en haatzaaiende uitlatingen uit te bannen en de gelijke rechten van lhbti+-personen te waarborgen, met name wat betreft toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, rechtspraak, werkgelegenheid en huisvesting;

27.

verzoekt Albanië de aanbevelingen van de Commissie van Venetië volledig ten uitvoer te leggen door werk te maken van een alomvattende hervorming van de landsector door middel van een transparante consolidatie van de registratie en compensatie van eigendommen;

28.

uit zijn ernstige bezorgdheid over de grootschalige lekken van persoonsgegevens; verzoekt de Albanese autoriteiten de preventie te verbeteren, ervoor te zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd voor gegevensmisbruik, en de afstemming op de EU-regels inzake de bescherming van persoonsgegevens te bespoedigen;

29.

erkent de vooruitgang die is geboekt met de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul; verzoekt de autoriteiten de preventie van en respons op gendergerelateerd geweld en feminicide op te voeren, de financiële, re-integratie- en juridische steun voor overlevenden te verbeteren en de financiering voor relevante niet-gouvernementele vrouwenorganisaties te verhogen; onderstreept dat de vervolging van gevallen van intimidatie, huiselijk geweld en geweld tegen kinderen moet worden bevorderd, onder meer door het aantal goed opgeleide genderbewuste rechtshandhavingsfunctionarissen en rechters te verhogen; dringt er bij de autoriteiten op aan maatregelen te nemen tegen alle vormen van seksueel misbruik, vooral van kinderen, met name van uiterst kwetsbare vluchtelingen- en migrantenkinderen en kinderen met een handicap, aangezien de meerderheid van alle gevallen van seksueel misbruik in Albanië wordt gepleegd tegen meisjes; verzoekt de autoriteiten ook dringend het systeem voor de monitoring en bestrijding van kinderarbeid en andere vormen van uitbuiting te versterken; merkt op dat de vertegenwoordiging van vrouwen in publieke functies verder moet worden verbeterd;

30.

wijst erop dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering doeltreffend moet worden gewaarborgd zonder willekeurige of discriminerende maatregelen, en merkt op dat beschuldigingen van wangedrag van de politie aan de orde moeten worden gesteld en dat het gebruik van buitensporig geweld door de politie moet worden onderzocht en vervolgd; is voorstander van de onafhankelijke screening van hoge politiefunctionarissen, en stelt voor dat Albanië overweegt om regelmatige integriteitscontroles van politiefunctionarissen in te voeren; dringt aan op vooruitgang bij de hervorming van het gevangeniswezen om de omstandigheden in gevangenissen en de behandeling van gevangenen verder te verbeteren overeenkomstig de aanbevelingen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; wijst op de noodzaak om werk te maken van strafbare feiten uit de communistische tijd, onderzoek te doen naar gedwongen verdwijningen, de daders te vervolgen en overlevenden en hun families schadeloos te stellen;

31.

is verheugd dat Albanië zich reeds lang inzet voor de opvang van vluchtelingen; herinnert eraan dat de autoriteiten de plicht hebben te zorgen voor een behoorlijke asielprocedure en te voorzien in de behoeften van vluchtelingen, asielzoekers en migranten; verzoekt de EU haar steun voor humanitaire hulp en migratiebeheer in de regio op te voeren; is ingenomen met het besluit van Albanië om tijdelijk opvang te bieden aan Afghaanse en Oekraïense burgers die bescherming zochten na hun land te hebben verlaten;

Rechtsstaat

32.

onderstreept dat de hervorming van de rechtsstaat en het justitiële stelsel de ruggengraat van de democratische transformatie vormen en rechtszekerheid, transparantie, toegang tot de rechter en non-discriminatie waarborgen; verzoekt de Commissie met klem de aanbevelingen in Speciaal verslag 01/2022 van de Europese Rekenkamer uit te voeren, en ervoor te zorgen dat de EU-financiering de rechtsstaat in de Westelijke Balkan, met inbegrip van Albanië, bevordert;

33.

beklemtoont dat het de plicht van de Albanese autoriteiten is corruptie en criminele activiteiten op alle terreinen van het openbare leven uit te blijven bannen, waaronder bij openbare aanbestedingsprocedures en de financiering van politieke partijen; merkt op dat Albanië tussen 2016 en 2021 27 plaatsen is gezakt op de corruptieperceptie-index van Transparency International; uit zijn bezorgdheid over het verzwakte toezicht op en de verantwoordingsplicht voor overheidsopdrachten en uitgaven voor buitenlandse hulp tijdens de pandemie en dringt aan op een snelle oplossing van de tekortkomingen;

34.

prijst de gestage vooruitgang die is geboekt op het gebied van de alomvattende hervorming van de rechterlijke macht, geschraagd door het versterkte wetgevingskader en het ongekende doorlichtingsproces; is ingenomen met de partijoverschrijdende steun voor het besluit van het Kuvendi om het mandaat van de screeningorganen te verlengen tot en met 31 december 2024 en dringt er bij alle partijen op aan de voltooiing van het doorlichtingsproces te versnellen; onderstreept dat de nodige maatregelen moeten worden genomen om de neveneffecten van de doorlichting weg te nemen, zoals langdurige procedures, een laag afhandelingspercentage en een grote achterstand bij de behandeling van zaken; is ingenomen met het herstel van de functionaliteit van het Grondwettelijk Hof en het Hooggerechtshof, waardoor de toegang van burgers tot de rechter moet worden verbeterd en de gerechtelijke procedures moeten worden versneld;

35.

wijst erop dat het van het allergrootste belang is om de capaciteit van het gerechtelijk apparaat verder te bevorderen en te consolideren om de onomkeerbare verschuiving naar verantwoordingsplichtige, onafhankelijke en goed werkende gerechtelijke en overheidsinstellingen te waarborgen; benadrukt de noodzaak om te zorgen voor toereikende financiële, technische en personele middelen, alsook om de financiële en operationele onafhankelijkheid van gerechtelijke en rechtshandhavingsinstanties te waarborgen; is ingenomen met de vorderingen die zijn geboekt bij het verbeteren van de vakbekwaamheid, onpartijdigheid en verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht, waarmee beoogd wordt haar onafhankelijkheid te beschermen tegen oneigenlijke beïnvloeding en het aantal achterstallige rechtszaken te verminderen; wijst op de verplichting om te garanderen dat de zelfregulerende organen van de rechterlijke macht doeltreffend kunnen functioneren;

36.

is ingenomen met het werk van de gespecialiseerde structuur voor corruptiebestrijding en georganiseerde misdaad, waaronder de rechtbanken, op het gebied van de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit; merkt op dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om te zorgen voor beslag en confiscatie van criminele vermogensbestanddelen die het resultaat zijn van corruptiegerelateerde strafbare feiten, en dat er een staat van dienst op het gebied van zaken op hoog niveau moet worden opgebouwd; betreurt dat het aantal veroordelingen van hoge functionarissen nog beperkt is, wat bijdraagt aan een cultuur van straffeloosheid;

37.

is verheugd over de goedkeuring van tien wetten die de doelmatigheid van het rechtsstelsel verder moeten versterken en onderstreept het belang van aanvullende maatregelen, zoals de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke kaart, een nieuw, geïntegreerd beheerssysteem en een versterkt stelsel voor juridisch onderwijs; benadrukt dat bij de hervorming van het rechtsstelsel in het kader van de nieuwe gerechtelijke kaart rekening moet worden gehouden met de standpunten van belanghebbenden en de sociaal-economische omstandigheden van kwetsbare groepen en dat de toegang tot de rechter en een behoorlijke rechtsgang moet worden verbeterd;

38.

benadrukt dat het belangrijk is doortastend op te treden tegen witwaspraktijken en de financiering van terrorisme door een consistente staat van dienst na te streven op het gebied van proactief onderzoek, vervolging en definitieve veroordelingen bij corruptie op hoog niveau, en confiscatie van criminele vermogensbestanddelen; pleit voor een snelle oplossing van de tekortkomingen bij de aanpak van het actieplan van de Financiële-actiegroep en de aanbevelingen van Moneyval en voor de volledige tenuitvoerlegging van de onlangs gewijzigde wetgeving die in overeenstemming is met de relevante EU-regels;

39.

wijst op het enorme potentieel dat digitalisering biedt om de rechtspleging te ondersteunen, criminele activiteiten te bestrijden en belangenconflicten tegen te gaan door vermogensbestanddelen en belangen openbaar te maken en te verifiëren; roept de regering op maatregelen te nemen om waar mogelijk de informele economie in te perken;

40.

spoort Albanië aan af te zien van de invoering van een burgerschapsregeling voor investeerders, die ernstige risico’s op het gebied van veiligheid, witwassen, corruptie en belastingontduiking met zich mee zou kunnen brengen;

41.

is ermee ingenomen dat de Verenigde Staten opnieuw constructieve betrokkenheid bij de Westelijke Balkan vertonen en daarbij de nadruk leggen op corruptiebestrijding; wijst in dit verband op het Amerikaanse uitvoeringsbevel waarmee sancties worden opgelegd aan personen die bijdragen aan de destabiliserende toestand in de Westelijke Balkan, en op het optreden van de VS tegen personen en entiteiten wegens hun aanzienlijke corrupte activiteiten; verzoekt de EU grondig te onderzoeken of het mogelijk is aan deze maatregelen navolging te geven;

42.

is ingenomen met de lopende inspanningen die moeten leiden tot structurele verbeteringen bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, waaronder mensenhandel en illegale handel in drugs, vuurwapens en culturele en andere goederen, alsook op het vlak van cybercriminaliteit, gewelddadige criminaliteit, extremisme en terroristische dreigingen; prijst de lopende bilaterale, regionale en internationale samenwerking, onder meer met EU-agentschappen voor justitie en binnenlandse zaken, zoals Europol, Eurojust en Frontex, met het oog op de ontmanteling van transnationale criminele netwerken, waarmee gestreefd wordt naar intensiever optreden tegen de productie van en georganiseerde handel in drugs, illegale wapens en mensen;

43.

wijst erop dat Albanië het enige land in de regio is dat samenwerkingsovereenkomsten is aangegaan met alle EU-agentschappen voor justitie en binnenlandse zaken, en dat de eerste volwaardige gezamenlijke operatie met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) buiten de EU in mei 2019 plaatsvond aan de Grieks-Albanese grens; prijst dat Albanië luchtbewaking door rechtshandhavingsdiensten van EU-lidstaten heeft toegestaan om de productie van verdovende middelen op te sporen; beveelt Albanië aan de wetgeving inzake drugsprecursoren te actualiseren;

44.

toont zich bezorgd over het wijdverbreide gebruik van wapens in Albanië; benadrukt dat het noodzakelijk is betere standaardprocedures en -mechanismen te creëren om de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens tegen te gaan en om vuurwapenhandel intensiever te onderzoeken en te vervolgen;

45.

benadrukt dat Albanië een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het beheer van de buitengrenzen van de Unie en het voorkomen van grensoverschrijdende criminaliteit, wat een prioriteit moet blijven en waarbij de grondrechten die vervat zijn in de toepasselijke internationale en regionale wetgeving en beginselen ten volle moeten worden geëerbiedigd;

46.

merkt op dat de landen van de Westelijke Balkan een migratieroute blijven en dat grote vluchtelingenstromen, asielzoekers en migranten voor die regio en voor de EU-lidstaten een uitdaging vormen; merkt op dat Albanië nog steeds te maken heeft met een toenemend aantal voornamelijk irreguliere migranten die op doorreis zijn; dringt aan op extra maatregelen om kwetsbare migranten te beschermen, onder andere door mensensmokkel aan te pakken, met name van niet-begeleide minderjarigen; constateert dat het aantal ongegronde asielaanvragen van Albanese staatsburgers, waar de Albanese autoriteiten nog meer de aandacht op moeten vestigen, blijft afnemen en merkt op dat wordt voldaan aan de benchmarks voor visumliberalisering;

Sociaal-economische hervormingen

47.

vestigt de aandacht op EU-financiering voor duurzaam herstel na aardbevingen en na de pandemie en steunt de lopende inspanningen met het oog op de democratische, groene en digitale transformatie van Albanië; is ingenomen met de steun van de EU voor de wederopbouw van onder meer scholen, kleuterscholen en cultureel erfgoed na afloop van de donorconferentie “Together4Albania”, die gehouden werd na de verwoestende aardbeving van november 2019; onderstreept dat de EU meer bijstand en financiering moet bieden voor het versterken van de rechtsstaat en het stimuleren van duurzame groene groei, biodiversiteit, innovatie, concurrentievermogen, eigendomsrechten en de omkering van de demografische achteruitgang;

48.

onderstreept dat de vereenvoudiging en modernisering van het belastingsysteem en verbetering van de belastinginning kan bijdragen aan het beheer van de overheidsuitgaven en het begrotingstekort op een moment waarop de prijzen van energie en levensmiddelen stijgen;

49.

benadrukt dat beter bestuur, transparantie, rechtszekerheid, inclusie en sociale dialoog essentieel zijn om de buitenlandse directe investeringen te stimuleren en gekwalificeerde arbeidskrachten vast te houden; dringt erop aan het maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden op zinvolle wijze te betrekken bij het debat over beleidsmaatregelen;

50.

onderstreept het belang van empowerment van jongeren en is verheugd over de aanwijzing van Tirana als Europese Jongerenhoofdstad 2022; benadrukt het belang van het programma voor de Westelijke Balkan, aangezien het een gelegenheid biedt om de Europese integratie en goede nabuurschapsbetrekkingen onder jongeren uit heel Europa te bevorderen, alsook om de culturele en taalkundige diversiteit te promoten;

51.

spoort de Albanese autoriteiten aan het risico op armoede en sociale uitsluiting terug te dringen door de toegang tot sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten te verbeteren, met name voor achtergestelde bevolkingsgroepen zoals de Roma en de Egyptische gemeenschap, minderheden, mensen met een handicap en arme mensen; dringt aan op vaststelling van een bestaansminimum als middel om het risico op armoede te verminderen; betreurt dat de voor onderwijs bestemde begrotingsmiddelen in 2021 slechts 2,7 % van het bbp van Albanië vormden; dringt aan op extra investeringen in de modernisering van het onderwijssysteem om de kwaliteit en de inclusiviteit ervan te waarborgen;

52.

verzoekt Albanië met klem zich meer in te zetten voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer door voorrang te geven aan gendermainstreaming en nauwer samen te werken met het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder met vrouwenorganisaties; roept wetgevers in Albanië op stappen te nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen goed zijn vertegenwoordigd in alle besluitvormingsfuncties en om de gebrekkige naleving van de rechten van vrouwelijke werknemers, genderstereotypering, het gebrek aan genderevenwicht evenals de genderloonkloof op de arbeidsmarkt verder aan te pakken; is in dit verband ingenomen met het feit dat het huidige kabinet voor het eerst in meerderheid uit vrouwen bestaat; wijst op de aanzienlijke genderbepaalde verschillen op het gebied van de arbeidsparticipatie en de kwaliteit van het werk, het feit dat er te weinig wordt gedaan tegen seksuele intimidatie op de werkvloer, discriminatie in het kader van wettelijke bepalingen in verband met moederschapsverlof en het gebrek aan capaciteit op het gebied van kinderopvang en voorschoolse opvang;

53.

erkent het belang van IPA III en het economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan voor de ondersteuning van het hervormingsproces, duurzame connectiviteit, het menselijk kapitaal, het concurrentievermogen en inclusieve groei, alsook voor de versterking van de regionale en grensoverschrijdende samenwerking; benadrukt dat alle investeringen in overeenstemming moeten zijn met de Overeenkomst van Parijs en de EU-doelstellingen voor het koolstofvrij maken van de economie;

54.

herinnert eraan dat in het IPA III wordt voorzien in een sterke voorwaarde volgens welke de financiering moet worden bijgesteld of opgeschort in geval van een significante achteruitgang of het aanhoudend uitblijven van vorderingen op het gebied van de fundamentele prioriteiten, met name op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit, en mediavrijheid; beklemtoont dat het in het belang van de veiligheid van de EU is en onder haar verantwoordelijkheid valt om ervoor te zorgen dat de EU-middelen niet bijdragen aan corruptie; verzoekt de EU en de landen van de Westelijke Balkan in dit verband de grensoverschrijdende justitiële samenwerking te versterken en een kader vast te stellen voor een doeltreffende samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie, met name op het gebied van middelen uit het IPA III;

55.

benadrukt de noodzaak om de zichtbaarheid van de EU-financiering in Albanië te vergroten en de communicatie erover te verbeteren; herinnert in dit verband aan de aanzienlijke steun die de EU aan de Westelijke Balkan heeft verleend om de COVID-19-pandemie te bestrijden en de daaruit voortvloeiende economische gevolgen in te dammen;

Milieu, energie en vervoer

56.

dringt er bij de autoriteiten op aan de maatregelen op het gebied van biodiversiteit, water-, lucht- en klimaatbescherming en regionaal afvalbeheer op te voeren, onder meer door middel van uitgebreide strategische en milieueffectbeoordelingen, behoorlijke openbare raadplegingen, transparante procedures in milieugevoelige sectoren en strenge vervolging van milieucriminaliteit;

57.

is ingenomen met de aanwijzing van de rivier de Vjosë als natuurpark (8), en verzoekt de Albanese autoriteiten dringend zo spoedig mogelijk de volledige rivier tot nationaal park uit te roepen (9), met inbegrip van de vrijstromende zijrivieren;

58.

uit zijn bezorgdheid over de herziening van de netwerkkaart van beschermde gebieden, die niet mag bijdragen aan de verdere aantasting van het milieu in de bedreigde kustgebieden en wetlands van Albanië met een rijke biodiversiteit;

59.

verzoekt de autoriteiten prioriteit te geven aan de monitoring en jaarlijkse rapportages over luchtverontreiniging, geluidshinder en de kwaliteit van het oppervlaktewater; wijst op de noodzaak om de bevolking regelmatig te informeren over de staat van verontreiniging van de omgeving;

60.

vraagt om een herziening van de nationale strategie voor afvalbeheer 2018-2035 en om nieuwe aandacht voor de meest geavanceerde methoden voor recycling in overeenstemming met de EU-normen; benadrukt de noodzaak om gebruik te maken van moderne filtertechnologie voor verbrandingsinstallaties tot er een volledig uitgewerkte recyclingstrategie is vastgesteld, teneinde de schade aan de menselijke gezondheid en het milieu te verminderen;

61.

dringt aan op verdere inspanningen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, onder meer door een solide systeem op te zetten voor overleg met verschillende belangengroepen in plattelandsgebieden; wijst op de noodzaak om moderne, ecologische en klimaatvriendelijke klein- en middelgrootschalige landbouw te ontwikkelen waardoor landbouwers in staat worden gesteld in hun levensonderhoud te voorzien en zowel de natuurlijke hulpbronnen als de biodiversiteit van Albanië wordt beschermd;

62.

verzoekt de Albanese autoriteiten dringend om vaart te maken met de uitvoering van de groene agenda voor de Westelijke Balkan, die een afspiegeling vormt van de prioriteiten van de Europese Green Deal en de Verklaring van Brdo, die op 6 oktober 2021 werd aangenomen tijdens de top EU-Westelijke Balkan in Brdo;

63.

stipt aan dat er aanzienlijke inspanningen moeten worden geleverd om de doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie, energiezekerheid en diversificatie en vergroening van de energievoorziening en transport te handhaven door de Europese klimaatwet (10) uit te voeren, instrumenten voor koolstofbeprijzing te ontwikkelen en energiearmoede aan te pakken; herinnert eraan dat het noodzakelijk is de ecologische duurzaamheid van waterkracht te vergroten, de negatieve gevolgen ervan tot een minimum te beperken en de ontwikkeling ervan in beschermde gebieden een halt toe te roepen;

64.

is ingenomen met de totstandkoming van het investeringspakket van 3,2 miljard EUR in het kader van het economische en investeringsplan van de EU voor de Westelijke Balkan, en wijst op de transformerende rol die deze investeringen zullen spelen; constateert met tevredenheid dat een van de gefinancierde projecten de eerste drijvende zonne-energiecentrale in het stuwmeer van Vau i Dejës in Albanië is; benadrukt het belang van de toekomstige spoorverbinding Tirana-Podgorica, de elektrische interconnector Elbasan-Bitola en de gaspijpleiding Fier-Vlora voor de verbetering van de regionale en trans-Europese connectiviteit; is ingenomen met de start van de aanleg van de koppellijn die de energietransmissiesystemen van Noord-Macedonië en Albanië met elkaar zal verbinden; herinnert eraan dat infrastructuurprojecten, ook in de haven van Durrës, moeten voldoen aan de EU-normen inzake overheidsopdrachten die zijn opgenomen in de stabilisatie- en associatieovereenkomst;

65.

is ingenomen met de afschaffing van de roamingtarieven tussen de zes landen van de Westelijke Balkan; verzoekt alle relevante partijen dringend te onderhandelen over een plan dat uiteindelijk zal leiden tot de afschaffing van de roamingtarieven tussen Albanië en de EU-lidstaten;

Buitenlands beleid en veiligheid

66.

looft Albanië als betrouwbare en toegewijde partner op het gebied van extern beleid die zich volledig aansluit bij het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de EU en actief bijdraagt aan de crisisbeheersingsmissies en -operaties van de EU;

67.

prijst de krachtige reactie van Albanië en zijn snelle aansluiting bij de EU met betrekking tot het bestraffen van de Russische Federatie en haar politieke leiderschap vanwege haar agressie tegen Oekraïne, met inbegrip van het verbod op toegang tot het luchtruim; is ingenomen met de voortdurende volledige aanpassing van Albanië aan de beperkende maatregelen van de EU;

68.

benadrukt dat de belangrijke bijdrage van Albanië als NAVO-lid aan de bescherming van de buitengrens van de EU, en vraagt de EU om haar steun voor de grensbeveiliging in de regio op te voeren;

69.

prijst de inzet van het land voor solidariteit en multilateralisme, onder meer door middel van zijn lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad in 2022-2023;

70.

verzoekt de EU de historisch belangrijke veiligheidsimplicaties voor de stabiliteit en eenheid op het Europese continent en op de Westelijke Balkan kritisch te beoordelen in de context van de Russische agressie tegen Oekraïne; dringt er bij de lidstaten op aan de Europese eenheid te tonen door officieel toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië te starten, rekening houdend met zowel de geopolitieke gevolgen als de vervulling van officiële criteria;

71.

wijst erop dat kwaadwillige buitenlandse actoren ernaar streven de etnische spanningen in de Westelijke Balkan, waaronder Albanië, uit te buiten, onder meer door technieken voor de manipulatie van informatie en hybride oorlogsvoering te testen, waarmee zij de EU willen ondermijnen; pleit voor verdere uitwisseling tussen de EU en Albanië van beste praktijken en de coördinatie van maatregelen om buitenlandse inmenging en desinformatie tegen te gaan; onderstreept dat de EU en de Verenigde Staten hun partnerschap en samenwerking in de Westelijke Balkan moeten versterken;

72.

verzoekt de Albanese regering goede nabuurschapsbetrekkingen te blijven bevorderen en inclusieve regionale integratie te blijven bevorderen waarmee gelijke samenwerking tussen alle zes landen tot stand wordt gebracht, en tegelijkertijd de aanpassing aan de normen en het acquis van de EU verder te versterken door de gemeenschappelijke regionale markt ten uitvoer te leggen en te ontwikkelen, en aldus voort te bouwen op de verwezenlijkingen van de regionale economische ruimte bij het verbeteren van de regionale connectiviteit en integratie; is ingenomen met de goedkeuring door Albanië van aanvullende protocollen bij de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst;

o

o o

73.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de president, de regering en het parlement van de Republiek Albanië.

(1)  PB L 107 van 28.4.2009, blz. 166.

(2)  PB L 330 van 20.9.2021, blz. 1.

(3)  PB C 202 van 28.5.2021, blz. 86.

(4)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 129.

(5)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 28.

(6)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0506.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0064.

(8)  Aangeduid als categorie IV: habitat- en soortenbeheergebied van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN).

(9)  Categorie II van de IUCN: nationaal park.

(10)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/57


P9_TA(2022)0215

Vervolging van de oppositie en detentie van vakbondsleiders in Belarus

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de vervolging van de oppositie en de detentie van vakbondsleiders in Belarus (2022/2664(RSP))

(2022/C 479/05)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Belarus,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 21-22 oktober 2021,

gezien de recente verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid inzake Belarus, en met name die van 10 november 2021 inzake de situatie aan de grens met de Europese Unie en die van 28 februari 2022 inzake het referendum over de grondwet,

gezien het verslag van de VN-Mensenrechtenraad van 4 maart 2022 over de situatie van de mensenrechten in Belarus in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2020 en in de nasleep ervan,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en alle mensenrechtenverdragen waarbij Belarus partij is,

gezien de preambule van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over de noodzaak het beginsel van vrijheid van vereniging te erkennen, het IAO-Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakbonden en de bescherming van het vakbondsrecht, en het IAO-Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen,

gezien de artikelen 36 en 41 van de grondwet van de Republiek Belarus voor wat betreft de vrijheid van vereniging en het recht om vakbonden op te richten,

gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 29 april 2022 over nieuwe repressieve maatregelen in Belarus waardoor de mogelijkheden voor het opleggen van de doodstraf worden verruimd,

gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus, Anaïs Marin, van 4 mei 2021 aan de VN-Mensenrechtenraad,

gezien de verklaring van de G7 van 14 mei 2022 over de oorlog van Rusland tegen Oekraïne,

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het regime van Loekasjenka in Belarus de Russische militaire agressie tegen Oekraïne rechtstreeks faciliteert, onder andere door Rusland toe te staan Oekraïne aan te vallen, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken dat ballistische raketten vanaf Belarussisch grondgebied gelanceerd worden, door het toelaten van de stationering en het transport van Russisch militair personeel en de opslag en het transport van militair materieel en wapens, waaronder zware wapens, door Russische militaire vliegtuigen toe te staan via het Belarussische luchtruim naar Oekraïne te vliegen en door te voorzien in plekken voor het bijvullen van brandstof;

B.

overwegende dat Belarus op 27 februari 2022 een zogenaamd referendum heeft gehouden in een sfeer van repressie waarbij een nieuwe grondwet werd goedgekeurd die afbreuk doet aan zijn neutraliteit, afstand doet van zijn niet-nucleaire status en de president levenslange immuniteit van vervolging verleent zodra deze zijn ambt neerlegt;

C.

overwegende dat de EU op 2 december 2021 het vijfde sanctiepakket tegen Belarus heeft aangenomen wegens aanhoudende mensenrechtenschendingen en de instrumentalisering van migranten;

D.

overwegende dat de EU in 2022 diverse maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de betrokkenheid van Belarus bij de niet-uitgelokte, ongerechtvaardigde en illegale aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, waaronder individuele en economische sancties;

E.

overwegende dat de naburige lidstaten Polen, Letland en Litouwen geconfronteerd worden met een vorm van hybride oorlogvoering als gevolg van door de Belarussische staat gesteunde illegale grensoverschrijdingen aan de buitengrenzen van de EU, die gericht zijn op verdere intimidatie en destabilisering van de EU;

F.

overwegende dat de Raad van de Republiek op 4 mei 2022 een wijziging van artikel 289 van het wetboek van strafrecht heeft goedgekeurd, waarmee de doodstraf is ingevoerd voor “pogingen tot terrorisme” — een beweging die indruist tegen de wereldwijde tendens om de doodstraf op te heffen — terwijl meer dan 30 politieke gevangenen zijn aangeklaagd of tot lange gevangenisstraffen zijn veroordeeld op grond van diezelfde bepaling van het wetboek van strafrecht en andere vertegenwoordigers van de democratische oppositie of politieke activisten worden gezocht op beschuldiging van “terrorisme”; overwegende dat Belarus als enig land in Europa nog steeds de doodstraf voltrekt;

G.

overwegende dat de Belarussische autoriteiten ten minste 275 maatschappelijke en mensenrechtenorganisaties hebben opgeheven en verschillende onafhankelijke mediakanalen hebben geblokkeerd vanwege hun oorlogsverslaggeving, onder verwijzing naar de verspreiding van “extremistisch materiaal” en “onjuiste informatie”; overwegende dat de procureur-generaal van Belarus op 5 april 2022 heeft aangekondigd dat de website van Human Rights Watch was geblokkeerd; overwegende dat Aljaksandr Loekasjenka zijn campagne tegen mensenrechtenactivisten en journalisten heeft uitgebreid middels de gevangenneming van Andrzej Poczobut, een prominente journalist en Poolse minderheidsactivist die slachtoffer werd van een propagandacampagne gebaseerd op historische onjuistheden; overwegende dat meer dan zestig vertegenwoordigers van de media strafrechtelijk worden vervolgd; overwegende dat er 26 achter de tralies zitten;

H.

overwegende dat presidentskandidaat Viktar Babaryka op 6 juli 2021 tot 14 jaar gevangenisstraf is veroordeeld en dat het hoofd van zijn presidentscampagne en laureaat van de Sacharovprijs 2020 van het Europees Parlement voor de vrijheid van denken, Maryja Kalesnikava, en haar advocaat Maksim Znak tot respectievelijk elf en tien jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld;

I.

overwegende dat op 14 december 2021 de Belarussische oppositieleiders Sjarhej Tsichanowski en Mikola Statkevitsj, laureaten van de Sacharovprijs 2020 van het Europees Parlement voor de vrijheid van denken, en Ihar Losik, Artsjom Sakaw, Oeladzimir Tsyhanovitsj en Dzmitry Papow tot lange gevangenisstraffen zijn veroordeeld op basis van verzonnen beschuldigingen van poging tot machtsovername, aanzetten tot haat en sociale onrust, en extremisme; overwegende dat Sjarhej Tsichanowski, die in mei 2020 werd gearresteerd nadat hij had aangekondigd dat hij het tegen de Belarussische dictator Aljaksandr Loekasjenka wilde opnemen voor het presidentschap en sindsdien in hechtenis is gebleven, tot 18 jaar gevangenisstraf is veroordeeld; overwegende dat Mikola Statkevitsj, een ervaren politicus en partijleider van de niet-geregistreerde partij Narodnaja Hramada die in 2010 meedeed aan de presidentsverkiezingen, is veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf, en dat Ihar Losik, Artsjom Sakaw, Oeladzimir Tsyhanovitsj en Dzmitry Papow respectievelijk 15, 16, 15 en 16 jaar gevangenisstraf kregen opgelegd op grond van soortgelijke verzonnen beschuldigingen;

J.

overwegende dat vakbonden een fundamentele rol spelen bij het waarborgen van de goede werking van de democratie, de vertegenwoordiging van burgers en werknemers, en de verdediging van hun rechten;

K.

overwegende dat ten minste 18 vakbondsleiders en vertegenwoordigers van de onafhankelijke vakbond in Belarus op 19 april 2022 zijn gearresteerd en op grond van artikel 342 van het wetboek van strafrecht in staat van beschuldiging zijn gesteld in verband met het organiseren en voorbereiden van acties die de openbare orde ernstig verstoren of in verband met actieve deelname aan dergelijke acties, hetgeen heeft geleid tot ofwel arrestatie, ofwel vrijheidsberoving gedurende twee tot vijf jaar, ofwel een gevangenisstraf van maximaal vier jaar; overwegende dat onder meer Aljaksandr Jarasjoek, voorzitter van het Belarussische Congres van democratische vakbonden (BKDP), die tevens vicevoorzitter van het Internationaal Verbond van vakverenigingen en lid van de raad van bestuur van de IAO is, Sjarhej Antoesevitsj, vicevoorzitter van de BKDP, Aleh Padalinski, internationaal secretaris van de BKDP, Alena Jaskova, de advocaat van de BKDP, en Mikola Sjarach, voorzitter van de Belarussische Vrije Vakbond, gearresteerd zijn;

L.

overwegende dat de aanvallen op vakbondsactivisten en -leiders de afgelopen twee maanden zijn toegenomen, voornamelijk omdat velen van hen zich hebben verzet tegen de steun van Belarus aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, alsook vanwege hun jarenlange steun voor de democratie en hun verzet tegen het bewind van Loekasjenka; overwegende dat de meest recente aanval op de onafhankelijke vakbondsbeweging plaatsvond op 19 april 2022; overwegende dat er huiszoekingen zijn verricht in het kantoor van de BKDP en in de kantoren van de daarbij aangesloten vakbonden — de Belarussische Vrije vakbond, de Vrije vakbond van metaalarbeiders en de Vakbond van werknemers van de Belarussische radio- en elektronische industrie (REP) — in Minsk en de omliggende regio’s, alsook in de privéwoningen van vakbondsleiders en -activisten;

M.

overwegende dat Maksim Paznjakow op 17 mei 2022 door de Belarussische staatsautoriteiten is gearresteerd; overwegende dat Paznjakow (de voorzitter van de Belarussische Onafhankelijke vakbond van mijnwerkers en chemie-arbeiders), op 13 mei 2022, door de raad van BKDP vertegenwoordigers was verkozen tot vicevoorzitter van de BKDP, hetgeen hem bij wet tot waarnemend voorzitter van de BKDP maakte; overwegende dat de BKDP-raad op 13 mei 2022 een openbare verklaring opstelde waarin zij andermaal de arrestaties van hun vakbondscollega’s veroordeelde en aangekondigde dat zij ondanks deze arrestaties het werk van de BKDP zou voortzetten, en dat deze verklaring door Paznjakow is ondertekend en op 16 mei 2022 is gepubliceerd.

N.

overwegende dat de vervolging van onafhankelijke vakbonden en vakbondsleiders de laatste tijd een systematisch karakter heeft gekregen, en dat dit een illustratie is van de aanhoudende antivakbondscampagne in Belarus, zoals het Parlement ook in zijn resolutie van 7 oktober 2021 heeft onderstreept;

O.

overwegende dat verscheidene vakbondsleden nog steeds in hechtenis zitten, onder wie de voorzitter en vicevoorzitter van de leidende onafhankelijke vakcentrale BKDP, met slechts beperkte juridische bescherming en zonder toegang tot hun familieleden of vakbondscollega’s; overwegende dat de gedetineerde personen hun familie en vakbondscollega’s niet kunnen zien en dat hun veiligheid, gezondheid en psychisch welzijn nog steeds reden tot grote zorg zijn;

P.

overwegende dat de onafhankelijke vakbeweging in Belarus al vele jaren hevig wordt aangevallen; overwegende dat vakbondskantoren onder toezicht worden geplaatst, dat arbeidsrechtenactivisten worden lastiggevallen, onwettig worden ontslagen en gearresteerd, en dat intimidatie wordt aangewend om ervoor te zorgen dat vakbondsleden ontslag nemen; overwegende dat de privéwoningen van leiders en leden zijn doorzocht en sommige vakbonden onlangs door de KGB (het Belarussische Comité voor staatsveiligheid) zijn aangeduid als “extremistische groeperingen”, waaronder het REP op 7 april 2022;

Q.

overwegende dat de Belarussische autoriteiten de wettelijke status van afdelingen van de Belarussische Onafhankelijke vakbond (een lid van de BKDP) bij de olieraffinaderijen van Grodno Azot, Naftan en Mozyr hebben ingetrokken, waardoor werknemers hun vertegenwoordiging en bescherming van hun rechten verder ontnomen is; overwegende dat de voorzitter van de Onafhankelijke vakbond bij de olieraffinaderij OJSC Naftan, Olga Britikova, voor de vijfde maal op rij is veroordeeld;

R.

overwegende dat de onafhankelijke vakbeweging in Belarus lange tijd voorop heeft gelopen in de strijd voor democratie en dialoog in Belarus; overwegende dat de detentie van vakbondsleiders gevolgen zal hebben voor de uitoefening van vakbondsrechten in Belarus en een afschrikkend effect zal hebben op werknemers;

S.

overwegende dat het regime in Minsk voortdurend burgers vervolgt op politieke gronden, onder meer voor anti-oorlogsprotesten, en dat vreedzame demonstranten nog steeds worden vastgehouden en dat willekeurige arrestaties worden opgelegd voor het tonen van wit-rood-witte symbolen, ook in privéwoningen en op privégrond; overwegende dat volgens het Viasna Human Rights Centre in mei 2022 ongeveer 1 200 personen in Belarus als politiek gevangene worden beschouwd; overwegende dat er sinds augustus 2020 meer dan 40 000 personen zijn opgesloten en meer dan 5 500 strafrechtelijke aanklachten zijn ingediend tegen Belarussische burgers, terwijl er geen enkele aanklacht is ingediend tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig zijn aan systematische schendingen van de mensenrechten;

T.

overwegende dat strafvervolging een ernstige vorm van onderdrukking is en in Belarus nog steeds willekeurig en wijdverbreid is; overwegende dat de rechterlijke macht een effectief instrument is geworden voor de onderdrukking van rechten en vrijheden in Belarus, waarbij rechters actief meewerken aan repressie; overwegende dat verzonnen bewijsmateriaal niet aan een objectieve kritische beoordeling wordt onderworpen, ondemocratische wetgeving blindelings wordt toegepast en verdachten selectief tot de zwaarst mogelijke straffen worden veroordeeld; overwegende dat door de wijdverbreide straffeloosheid voor schendingen van de mensenrechten de hopeloze situatie van het Belarussische volk niet wordt doorbroken;

U.

overwegende dat uit het onderzoek van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN is gebleken dat personen tot doelwit werden gemaakt en werden onderworpen aan een consistent patroon van onnodig of onevenredig gebruik van geweld, arrestaties, detentie — waaronder incommunicado-detentie — foltering of mishandeling, verkrachting en seksueel en gendergeweld, en de stelselmatige onthouding van het recht op een eerlijke rechtsgang en een eerlijk proces; overwegende dat duizenden Belarussen al dan niet onder dwang hun land hebben moeten verlaten en in het buitenland een veilig heenkomen hebben moeten zoeken;

V.

overwegende dat een Belarussische rechtbank Sofia Sapega, een student aan de European Humanities University en Russisch staatsburger, die werd vastgehouden nadat het vliegtuig waarmee zij op een commerciële vlucht tussen twee EU-hoofdsteden reisde vorig jaar werd gedwongen om in Belarus te landen, op 6 mei 2022 heeft veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens het aanzetten tot sociale haat;

W.

overwegende dat Belarus met de commerciële exploitatie van de Belarussische kerncentrale in Astravets is begonnen zonder gevolg te geven aan alle veiligheidsaanbevelingen uit het verslag van de EU-stresstest van 2018; overwegende dat Belarus niet transparant is en geen betrouwbare informatie verstrekt over de gebeurtenissen op het terrein van de kerncentrale, hetgeen nogmaals bevestigt dat de kerncentrale in Belarus onveilig is en een ernstige nucleaire veiligheidsdreiging vormt voor de bevolking van Belarus, de buurlanden en heel Europa;

1.

blijft dringend verzoeken om onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen en alle personen die willekeurig worden vastgehouden, gearresteerd of veroordeeld op politieke gronden, en om intrekking van alle aanklachten tegen hen, alsmede om hun volledige rehabilitatie en financiële compensatie voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van hun onwettige detentie; eist dat een einde wordt gemaakt aan staatsgeweld;

2.

veroordeelt de systematische onderdrukking door het Loekasjenka-regime van de burgerbevolking, die sinds de gestolen verkiezingen van 9 augustus 2020 duizenden Belarussen ertoe heeft gedwongen het land te ontvluchten; herhaalt dat deze aanhoudende campagne van systematische onderdrukking en de gedwongen ontheemding van burgers ernstige mensenrechtenschendingen vormen;

3.

dringt aan op de organisatie van nieuwe vrije en eerlijke verkiezingen met internationale waarneming door het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE); herinnert eraan dat de Europese Unie en haar lidstaten de resultaten van de presidentsverkiezingen van 2020 niet hebben erkend vanwege vervalsing en fabricatie op enorme schaal en dat zij Aljaksandr Loekasjenka niet erkennen als de president van Belarus;

4.

herinnert Belarus aan zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht inzake de mensenrechten en dringt erop aan dat de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, de rechtsstaat en een functionerende onafhankelijke rechterlijke macht in Belarus worden gewaarborgd; dringt er bij de Belarussische autoriteiten op aan volledig samen te werken met de relevante internationale organen zoals het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de OVSE en de IAO, onder meer door ongehinderde toegang te verlenen en aanbevelingen uit te voeren, en zich te houden aan hun verplichtingen uit hoofde van het nationale en internationale recht; benadrukt dat alle repressie, vervolging, mishandeling, seksueel en gendergeweld, gedwongen verdwijningen en foltering moeten ophouden; dringt erop aan dat er een einde wordt gemaakt aan de discriminatie van vrouwen en kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap en lhbtiq-personen;

5.

betreurt het feit dat politiek gemotiveerde processen achter gesloten deuren en zonder behoorlijke rechtsgang worden gevoerd, hetgeen een schending inhoudt van de internationale verplichtingen en verbintenissen van het land, en hetgeen heeft geleid tot de strenge en ongerechtvaardigde straffen die zijn uitgesproken tegen oppositieleiders, met name tegen Sjarhej Tsichanowski, Mikola Statkevitsj, Viktar Babaryka, Maryja Kalesnikava, Maksim Znak, Ihar Losik, Artsjom Sakaw, Oeladzimir Tsyhanovitsj en Dzmitry Papow; wijst op de onmenselijke omstandigheden in de gevangenissen in Belarus, waaronder fysiek en psychisch misbruik, en overbevolkte en onhygiënische cellen;

6.

verzoekt de Commissie en de lidstaten steun en bescherming te bieden aan mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld in Belarus, welke te maken zullen krijgen met hevige repressieve actie, onder meer door noodvisa af te geven om Belarus zo nodig te verlaten;

7.

roept de Belarussische autoriteiten op alle vakbondsleiders en -vertegenwoordigers die zijn vastgezet, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; eist dat er een einde komt aan de intimidatie van onafhankelijke vakbondsleiders en -activisten en aan de verstoring van het functioneren van onafhankelijke vakbonden in Belarus; dringt erop aan dat de Belarussische autoriteiten alle belemmeringen, zowel van juridische als van praktische aard, voor de organisatie van en de participatie in onafhankelijke vakbonden wegnemen; roept de Belarussische autoriteiten op de wetgeving van het land in overeenstemming te brengen met zijn internationale verbintenissen inzake arbeidsrecht, de desbetreffende conclusies van de IAO-Commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen en het IAO-Comité voor vakbondsvrijheid, en met de IAO samen te werken bij de volledige en onverwijlde uitvoering van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie;

8.

veroordeelt de recente arrestatie en detentie van vakbondsleiders en -vertegenwoordigers door de Belarussische autoriteiten, alsook de aanval die dit inhoudt op zowel de mensenrechten als de grondrechten die zijn verankerd in internationale verdragen, waaronder die van de IAO met betrekking tot het recht van werknemers om zich te organiseren en deel te nemen aan publieke acties;

9.

roept de Belarussische autoriteiten op duidelijke informatie te verstrekken over de verblijfplaats en de gezondheidstoestand van de op politieke gronden gearresteerde gevangenen, hen onmiddellijk vrij te laten en hun toegang tot onafhankelijke rechtspraak te waarborgen;

10.

herhaalt dat het recht om te demonstreren en te staken een grondrecht is, en roept Belarus op om alle juridische en praktische beperkingen op te heffen die deze vrijheden in de weg staan, en onmiddellijk de wettelijke status te herstellen van de onafhankelijke vakbonden die deze status onlangs in verscheidene bedrijven, onder meer in de olieraffinaderijen van Grodno Azot, Naftan en Mozyr, is ontnomen, en om de classificatie van de REP als een extremistische organisatie in te trekken;

11.

moedigt de vakbonden in de lidstaten aan de contacten met hun tegenhangers in Belarus verder te intensiveren, informatie uit te wisselen over de ontwikkeling van de situatie van vakbondsactivisten in Belarus en over de repressie door het regime waarmee zij te maken hebben, de samenwerking te vergemakkelijken en hun materiële en psychologische steun te verlenen;

12.

roept de Commissie op de steun voor capaciteitsopbouw aan de onafhankelijke vakbonden, de vrije media, het maatschappelijk middenveld en de prodemocratische activisten in Belarus en die in ballingschap op te voeren;

13.

benadrukt dat het optreden van de Belarussische autoriteiten tegen onafhankelijke vakbonden een schending inhoudt van de nationale wetgeving van het land en van zijn internationale verplichtingen; roept de IAO op het lidmaatschap van de Belarussische regeringsgezinde vakbonden op te schorten, aangezien deze noch de onafhankelijke stem van de werknemers vertegenwoordigen, noch hun rechten beschermen;

14.

onderstreept de belangrijke coördinerende rol die de BKDP speelt bij het vertegenwoordigen van leden van onafhankelijke vakbonden van Belarus bij nationale en internationale instellingen, en roept de Belarussische autoriteiten op een einde te maken aan hun repressie en een werkrelatie op te bouwen met democratische en onafhankelijke vakbonden op basis van een sociale dialoog, als een manier om een dialoog op te bouwen tussen de autoriteiten, de overheidsinstellingen, werkgevers en werknemers, en het maatschappelijk middenveld in het algemeen;

15.

geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de risico’s die voortvloeien uit het feit dat Belarus zijn neutraliteit opgeeft, de aanwezigheid van Russische strijdkrachten op zijn grondgebied toestaat en gezamenlijke militaire oefeningen houdt; neemt kennis van de toegenomen rol van Rusland in Belarus, met inbegrip van zijn financiële invloed, die ernstige twijfel doet rijzen omtrent het vermogen van Belarus om soevereine beslissingen te nemen;

16.

is ontzet over de steun die door het regime van Loekasjenka wordt verleend aan de niet-uitgelokte oorlog van Rusland in Oekraïne, onder meer via het zogenoemde referendum waardoor de nucleaire status van het land is heringevoerd, maar ook door het toestaan van troepen- en wapenverplaatsingen, van het gebruik van het Belarussische luchtruim, van bijtanken en van de opslag van militaire munitie;

17.

veroordeelt met klem het gebruik van Belarussische grondgebied door het Russische leger; veroordeelt de steun van Belarus en de Belarussische strijdkrachten en geheime diensten aan het lanceren van de illegale, ongeoorloofde en niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland op Oekraïne; acht Belarus medeverantwoordelijk voor de aanval met alle uit het internationaal recht voortvloeiende juridische consequenties van dien;

18.

benadrukt dat het referendum over de grondwet van 27 februari 2022, dat door de onwettige Belarussische autoriteiten is gehouden in een context van wijdverspreide mensenrechtenschendingen, brute repressie en het doelbewuste gebruik van desinformatie, niet kan worden beschouwd als de legitieme democratische uiting van de wil van de Belarussische bevolking, noch als een legitimatie van de voortzetting van Aljaksandr Loekasjenka’s onwettige presidentschap; roept de Belarussische autoriteiten op de aanbevelingen van de onafhankelijke deskundigenmissie in het kader van het Moskou-Mechanisme uit te voeren;

19.

veroordeelt desinformatiecampagnes en de verspreiding van de oorlogspropaganda van het Kremlin in Belarus;

20.

roept de lidstaten en de Commissie op ervoor te zorgen dat de nodige maatregelen worden genomen om beter bestand te zijn tegen alle vormen van buitenlandse inmenging waaraan het bewind van Loekasjenka zich schuldig zou kunnen maken, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, cyberaanvallen en desinformatie in de context van de voortdurende Russische aanval tegen Oekraïne;

21.

neemt met bezorgdheid nota van de voortschrijdende integratie van Rusland en Belarus op verscheidene terreinen, niet in het minst de geleidelijke militarisering van Belarus en de ruimere regio, hetgeen een bedreiging vormt voor de veiligheid en de stabiliteit van het Europese continent, en wel in het bijzonder voor de landen in het oostelijke nabuurschap van de EU waarmee Rusland reeds in conflict is;

22.

spreekt zijn waardering en steun uit voor de Belarussische burgers die met gevaar voor eigen veiligheid de straat zijn opgegaan om de oorlog te veroordelen die door de Russische Federatie en met de steun van de onwettige dictator van Belarus is ontketend, en voor degenen die sabotageoperaties hebben uitgevoerd om de Russische militaire logistiek op het grondgebied van Belarus te verhinderen en te verstoren;

23.

betreurt het feit dat Belarus momenteel het enige land in Europa is dat de doodstraf nog toepast en de mogelijkheden voor het gebruik ervan heeft verruimd; veroordeelt de wijziging van het Belarussische wetboek van strafrecht waarbij de doodstraf wordt ingevoerd voor “pogingen tot terrorisme”; is van oordeel dat het regime dit gemakkelijk kan misbruiken om zijn politieke tegenstanders uit de weg te ruimen; herinnert eraan dat veel politieke gevangenen in staat van beschuldiging zijn gesteld of reeds tot lange gevangenisstraffen zijn veroordeeld op grond van de bepalingen inzake terrorisme in het wetboek van strafrecht; roept de Belarussische autoriteiten op de doodstraf onmiddellijk en voorgoed af te schaffen;

24.

benadrukt hoe belangrijk het is de nucleaire veiligheidsdreiging die uitgaat van de Belarussische kerncentrale in Astravets aan te pakken; dringt erop aan dat Belarus volledig transparant is als het gaat om de nucleaire veiligheid van de Belarussische kerncentrale en zich ertoe verbindt volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen die met betrekking tot de kerncentrale in het kader van de peerreview door de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid zijn gedaan; is in afwachting daarvan voorstander van het verbod op de invoer van energie uit de Belarussische kerncentrale op de EU-markt en van de opname van dit verbod in het EU-mechanisme voor koolstofgrenscorrectie; vraagt dat er doeltreffende waarborgen worden ingevoerd om te voorkomen dat Belarussische elektriciteit die in de kerncentrale van Astravets wordt geproduceerd, direct of indirect op de EU-markten wordt verkocht, en vraagt dat investeringen van EU-lidstaten in energie-infrastructuurprojecten in Belarus worden stopgezet;

25.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een zesde sanctiepakket tegen Rusland en Belarus en roept de Raad op ervoor te zorgen dat dit pakket volledig en snel wordt uitgevoerd; dringt erop aan dat alle sancties die tegen Rusland zijn uitgevaardigd, ook voor Belarus strikt en op passende wijze worden uitgevoerd, ook in alle toekomstige sanctierondes;

26.

benadrukt dat er een uitgebreid onderzoek nodig is naar de misdaden die door het regime van Loekasjenka tegen de bevolking van Belarus zijn gepleegd; spoort alle lidstaten aan om het beginsel van universele jurisdictie actief toe te passen en rechtszaken voor te bereiden tegen Belarussische functionarissen die verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig zijn aan geweld en onderdrukking, waaronder Aljaksandr Loekasjenka;

27.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EDEO samen te werken met internationale partners, zoals het Moskou-Mechanisme van de OVSE en de VN-Mensenrechtenraad, alsook met mensenrechtenactivisten en maatschappelijke organisaties ter plaatse, om te waarborgen dat mensenrechtenschendingen worden gedocumenteerd en gemeld, dat de daders ter verantwoording worden geroepen en dat er gerechtigheid komt voor de slachtoffers;

28.

verzoekt de EU-instellingen om in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne alle nodige stappen te ondernemen om binnen het kader van internationale instellingen en procedures en bij het Internationaal Strafhof of andere geschikte internationale tribunalen of rechtbanken steun te verlenen aan het onderzoek naar en de vervolging van de daden van de politiek verantwoordelijken in Belarus, in het bijzonder Aljaksandr Loekasjenka, als zijnde oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

29.

prijst het systematische en consistente werk van de Belarussische democratische krachten in Belarus en in ballingschap, met name de leider van de democratische oppositie, Svjatlana Tsichanowskaja, de coördinatieraad en de schaduwregering genaamd National Anti-Crisis Management; herhaalt dat het dringend noodzakelijk is de contacten en de samenwerking met deze krachten te onderhouden en uit te breiden; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de democratische politieke oppositie in Belarus te ondersteunen door de nodige hulp te bieden om hun capaciteiten te versterken;

30.

betreurt het feit dat de lidstaten niet op gecoördineerde wijze hebben gehandeld bij het terugroepen van hun diplomatieke vertegenwoordigingen uit Belarus;

31.

dringt er bij de Commissie, de EDEO en de EU-lidstaten op aan de rechtstreekse steun aan de Belarussische oppositie, het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, vakbondsvertegenwoordigers en onafhankelijke mediaorganisaties binnen en buiten Belarus te verhogen; onderstreept hoe belangrijk het is contacten met deze personen te onderhouden, toezicht te houden op de situatie en de processen van individuele politieke gevangenen ter plaatse, visumvereisten te versoepelen, asielprocedures te verbeteren en tijdelijke opvang in EU-lidstaten te verschaffen aan degenen die Belarus proberen te ontvluchten; verbindt zich ertoe zijn eigen activiteiten ter ondersteuning van de democratie op te voeren; vraagt nogmaals om een gericht EU-bijstandsprogramma voor hulp aan het maatschappelijk middenveld, de onafhankelijke media, de academische wereld — onder andere middels doorlopende steunverlening aan de European Humanities University als zijnde een onderwijsbasis voor Belarussische studenten en de Belarussische oppositie in ballingschap — alsook aan slachtoffers van politieke onderdrukking en politiegeweld en diegenen die het onderdrukkende regime ontvluchten;

32.

steunt de voorbereidingen voor een door de EU geleide internationale donorconferentie om de democratische krachten in Belarus bij te staan; roept de EU op om op operationeel niveau met de vertegenwoordigers van de democratische krachten van Belarus in gesprek te treden teneinde de werkzaamheden af te ronden met het oog op de aanneming van een routekaart voor de uitvoering van het door de Commissie reeds beoogde economisch en investeringspakket van 3 miljard EUR, als een manier om de democratische aspiraties van de Belarussische bevolking te omarmen; roept op tot een politieke dialoog tussen de EU en de democratische krachten van Belarus om tot een gezamenlijke visie op genoemd steunplan te komen; benadrukt dat een inhoudelijke openbare discussie nodig is om bij het publiek steun te verwerven voor een aanzienlijke betrokkenheid van de EU;

33.

herinnert aan het belang van de oprichting van volksambassades van Belarus wereldwijd en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan verdere steun te verlenen om de rechten en belangen van Belarussische burgers in het buitenland en de belangen van een democratisch Belarus te beschermen, bijvoorbeeld door te zoeken naar manieren om de volksambassades van Belarus te financieren;

34.

roept de lidstaten op tot betere samenwerking op het gebied van grensbeheer, bestrijding van mensenhandel en andere veiligheidsproblemen die het Belarussische regime heeft veroorzaakt of verergerd;

35.

roept de Commissie, de Raad, de VV/HV en de lidstaten op de situatie in Belarus aan de orde te blijven stellen in alle relevante Europese en internationale organisaties, met name de OVSE, de VN en haar gespecialiseerde organen en de IAO, met als doel de internationale aandacht voor de mensenrechtenschendingen te vergroten, het internationale optreden ten aanzien van de situatie in Belarus uit te breiden en de tegenwerking van Rusland en andere landen ten aanzien van een dergelijk optreden te overwinnen;

36.

roept de EU-instellingen en de lidstaten op jaarlijkse topontmoetingen te organiseren met hooggeplaatste vertegenwoordigers van de democratische krachten van Belarus; is van oordeel dat dit bevorderlijk zou zijn voor de aanneming van gezamenlijke beleidsrichtsnoeren over de toekomst van de betrekkingen van de EU met een democratisch Belarus;

37.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de autoriteiten van de Republiek Belarus en de vertegenwoordigers van de Belarussische democratische oppositie.

16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/65


P9_TA(2022)0217

De Europese onderwijsruimte tot stand brengen tegen 2025 — microcredentials, individuele leerrekeningen, en leren voor een duurzaam milieu

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de totstandbrenging van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 — microcredentials, individuele leerrekeningen en leren voor een duurzaam milieu (2022/2568(RSP))

(2022/C 479/06)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en Protocol nr. 2 bij de Verdragen betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

gezien artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020, getiteld “Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht” (COM(2020)0274),

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

gezien het eindverslag van de Commissie van december 2020 getiteld “A European approach to micro-credentials — output of the micro-credentials higher education consultation group”,

gezien zijn resolutie van 11 november 2021 over de Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering (2),

gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over de Europese onderwijsruimte tot stand brengen tegen 2025 — microcredentials, individuele leerrekeningen, en leren voor een duurzaam milieu (O-000011/2022 — B9-0013/2022 en O-000012/2022 — B9-0014/2022),

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie cultuur en onderwijs,

A.

overwegende dat de toegang tot kwalitatief hoogwaardig en inclusief onderwijs en een leven lang leren volgens de Europese pijler van sociale rechten een fundamenteel mensenrecht voor iedereen is en essentieel is voor het verwerven en op peil houden van vaardigheden, een volwaardige en actieve participatie in de samenleving en een effectieve toegang tot een arbeidsmarkt in ontwikkeling;

B.

overwegende dat de Commissie voornemens is uiterlijk in 2025 de Europese onderwijsruimte tot stand te brengen;

C.

overwegende dat veranderingen op de arbeidsmarkt ertoe hebben geleid dat vaardigheden snel verouderd raken en dat de vraag naar flexibele leermogelijkheden toeneemt; overwegende dat motivatie, tijd en financiering belangrijke factoren zijn bij bij- en omscholing;

1.

is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om in het kader van de Europese onderwijsruimte uiterlijk in 2025 een Europese aanpak van microcredentials, individuele leerrekeningen en leren voor een duurzaam milieu te ontwikkelen, die zou helpen om leertrajecten flexibeler te maken, de leermogelijkheden te verruimen, de wederzijdse erkenning te verdiepen, verbanden te leggen met de digitale en groene transitie, en zowel instellingen voor hoger onderwijs als instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding een grotere rol te laten spelen bij een leven lang leren;

2.

benadrukt dat microkredieten en individuele leerrekeningen belangrijk kunnen zijn voor mensen die zich willen bij- en omscholen en officieel erkende kwalificaties willen verwerven om gelijke tred te houden met de snelle veranderingen in de samenleving en een steeds meer gedigitaliseerde arbeidsmarkt en om een ander traject te kiezen met het oog op persoonlijke ontwikkeling of opwaartse sociale mobiliteit;

3.

verzoekt de Raad ten behoeve van de Europese onderwijsruimte een gemeenschappelijke definitie van microcredentials en gemeenschappelijke normen vast te stellen, die de basis zouden vormen voor kwaliteitsborging, erkenning, transparantie en overdraagbaarheid;

4.

verzoekt de Commissie een robuust instrument te ontwikkelen dat de lidstaten motiveert om microcredentials in te voeren, die vrijwillig moeten blijven; merkt op dat dit momenteel ontbreekt in het voorstel voor een aanbeveling van de Raad en benadrukt in dit verband dat het succesvolle proefproject van het “initiatief Europese universiteiten” als model kan dienen;

5.

benadrukt hoe belangrijk het is gebruikersvriendelijke en regelmatig geactualiseerde nationale registers te beschikking te stellen, die zichtbaar en gemakkelijk toegankelijk moeten zijn via een EU-portaal, teneinde de kwaliteit van microcredentials te waarborgen en microcredentials in digitale vorm beschikbaar te stellen om bij- en omscholing en het verwerven van nieuwe competenties te ondersteunen, om de transparantie te vergroten en om grensoverschrijdende en internationale mobiliteit, uitwisselingen en samenwerking te verbeteren;

6.

benadrukt dat Europese microcredentials met name nodig zijn voor de sector- en grensoverschrijdende erkenning van kortere leerperioden, die van fundamenteel belang is om meer mobiliteit in heel Europa aan te moedigen; verzoekt de Commissie het gebruik van microcredentials bij de erkenning van vaardigheden en competenties die zijn verworven via Europese leermobiliteit en maatschappelijk engagement in het kader van de programma’s “Erasmus+” en “Europees Solidariteitskorps” te beoordelen en hierover verslag uit te brengen;

7.

onderstreept de ondersteunende rol die microcredentials moeten spelen bij het verbinden van informeel en niet-formeel leren met formeel onderwijs; dringt erop aan dat er een gemeenschappelijk kader wordt ontwikkeld en ten uitvoer wordt gelegd om de vaardigheden, competenties en methoden die via informeel en niet-formeel leren zijn verworven, te erkennen;

8.

dringt er bij de Commissie op aan een gemeenschappelijke aanpak voor psychosociale en zachte vaardigheden voor te stellen overeenkomstig de definities van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Unesco; benadrukt dat deze aanpak inspiratie moet putten uit de huidige initiatieven en projecten die in het kader van EU-programma’s worden gefinancierd en uit het beleidsverslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie over levenslange competenties (3), en moet worden uitgewerkt in overleg met de lidstaten, onderwijsinstellingen, leerkrachten en actoren op de arbeidsmarkt, onder meer om de praktische aspecten van de uitvoering aan te pakken;

9.

wijst erop dat de automatische wederzijdse erkenning van microcredentials binnen de Europese onderwijsruimte een stap zou kunnen zijn in de richting van het vergemakkelijken van de automatische erkenning van kwalificaties in het algemeen; is van mening dat de invoering van een coherent Europees systeem van microcredentials waarbij de relevante belanghebbenden worden betrokken, een stap voorwaarts zou zijn om Europa’s macht op onderwijsgebied en zijn concurrentievermogen op wereldvlak te versterken;

10.

herinnert overheidsinstanties aan hun essentiële rol bij het zorgen voor evenwicht in de vaardighedenopleidingen die aan volwassenen worden aangeboden, en wijst er met name op dat basis-, transversale, psychosociale en zachte vaardigheden even belangrijk zijn voor de groene en de digitale transitie als technische vaardigheden;

11.

verzoekt instellingen voor tertiair onderwijs microcredentials te ontwikkelen om lerenden tijdens hun studie sociaal geëngageerde, kwalitatief hoogwaardige en inclusieve ervaringen te bieden, waaronder vrijwilligerswerk, mentorschap en jeugdwerk;

12.

benadrukt dat het belangrijk is middelen uit te trekken voor begeleidings- en adviesdiensten om volwassenen en jongeren te helpen bij het identificeren en certificeren van de vaardigheden en competenties die zij reeds via informeel leren hebben verworven, en om hen te leiden naar mogelijkheden om hun vaardigheden verder te ontwikkelen, zodat microcredentials instrumenten voor inclusie worden in plaats van bestaande ongelijkheden bij de toegang tot bij- en omscholing te bestendigen of te verankeren; dringt erop aan microcredentials op bachelorniveau te gebruiken om ervoor te zorgen dat de voornaamste begunstigden geen lerenden zijn uit groepen die reeds voordelen genieten qua onderwijs en beroepsstatus;

13.

is ingenomen met het feit dat individuele leerrekeningen alsook microcredentials ontworpen zijn om een leven lang leren inclusiever, toegankelijker en betaalbaarder te maken; herinnert eraan dat deze initiatieven bedoeld zijn voor iedereen, ongeacht leeftijd, geslacht, arbeidsstatus, inkomen of opleidingsniveau; benadrukt dat bij jongeren een mentaliteit van een leven lang leren moet worden bevorderd;

14.

benadrukt dat de keuzemogelijkheden die via individuele leerrekeningen beschikbaar zijn, niet te beperkt mogen blijven tot de behoeften van de arbeidsmarkt, maar moeten dienen om burgers te empoweren door hen in staat te stellen individuele keuzes te maken en kansen te creëren om zelfstandige of ondernemer te worden;

15.

moedigt de lidstaten aan om in individuele leerrekeningen prioriteit te geven aan opleidingsrechten voor laaggeschoolde volwassenen, personen met een handicap, kansarme lerenden, personen uit kwetsbare of gemarginaliseerde groepen, vluchtelingen en mensen die in afgelegen gebieden of plattelandsgebieden wonen, en duidelijke criteria vast te stellen voor de toewijzing ervan;

16.

waarschuwt dat de invoering van microcredentials en individuele leerrekeningen geen onbedoelde belemmeringen mag opwerpen voor volwassen lerenden die de kosten van langer lopende en/of formele onderwijsprogramma’s moeten dekken;

17.

is van mening dat leren voor een duurzaam milieu in de hele EU moet worden geïntegreerd in de onderwijsprogramma’s met het oog op een leven lang leren, onder meer via Europese en mondiale burgerschapsvorming, om lerenden in staat te stellen actieve voorvechters van inclusievere en duurzamere samenlevingen te worden;

18.

wijst op de vele potentiële voordelen van alle drie de initiatieven, aangezien een grotere deelname aan programma’s voor volwasseneneducatie gepaard gaat met een betere milieugeletterdheid, meer burgerparticipatie, een betere relatie met het milieu, een gevoel van welzijn en tevredenheid met het leven;

19.

benadrukt dat het belangrijk is de culturele en creatieve sector te betrekken bij het bevorderen van een mentaliteit die gericht is op duurzame ontwikkeling bij het nieuw leven inblazen van de economische realiteit, naar het voorbeeld van bepaalde Culturele Hoofdsteden van Europa en de nieuwe mogelijkheden die het Nieuw Europees Bauhaus biedt;

20.

dringt erop aan dat deze initiatieven, met inbegrip van hun Europese dimensie en toegevoegde waarde, op nationaal, regionaal en lokaal niveau uitstekende zichtbaarheid krijgen zodat de Europeanen duidelijk kunnen zien wat de mogelijke voordelen zijn en zich bewust worden van de verdiensten van een Europese onderwijsruimte;

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)  PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.

(2)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0452.

(3)  Joint Research Centre, Science for Policy Report, “LifeComp: The European Framework for Personal, Social and Learning to Learn Key Competence”, Luxembourg, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2020.


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/68


P9_TA(2022)0218

De strijd tegen straffeloosheid voor oorlogsmisdaden in Oekraïne

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot oorlogsmisdaden in Oekraïne (2022/2655(RSP))

(2022/C 479/07)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties en verslagen over Oekraïne en Rusland,

gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

gezien de Haagse Vredesconferenties van 1899 en 1907,

gezien het VN-Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 9 december 1948 en de aanvullende protocollen hierbij,

gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998 en de Kampala-amendementen van 2010 inzake de misdaad van agressie,

gezien de in het Handvest van het Tribunaal van Neurenberg en in de uitspraak van het Tribunaal erkende beginselen van internationaal recht (de beginselen van Neurenberg), die door de Commissie voor internationaal recht van de VN zijn ontwikkeld en die bepalen wat een oorlogsmisdaad is,

gezien resoluties 1820 (2008) van de VN-Veiligheidsraad over seksueel geweld als oorlogswapen en 1888 (2009) tot oprichting van de speciale vertegenwoordiger voor seksueel geweld in conflicten,

gezien de definitie van “verkrachting” in oorlogstijd die in 1998 is vastgesteld door het Internationale Straftribunaal voor Rwanda en het Internationale Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië,

gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN van 2 maart 2022 over de agressie tegen Oekraïne en van 24 maart 2022 over de humanitaire gevolgen van de agressie tegen Oekraïne,

gezien de door de VN-Mensenrechtenraad op 4 maart 2022 aangenomen resolutie over de situatie van de mensenrechten in Oekraïne als gevolg van de Russische agressie, waarin de raad besloot een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie in te stellen,

gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 28 april 2022 getiteld “The Russian Federation’s aggression against Ukraine: ensuring accountability for serious violations of international humanitarian law and other international crimes” (Agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne: aansprakelijkheid voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en andere internationale misdaden),

gezien de Verklaring van Versailles van 11 maart 2022,

gezien het bezoek van Voorzitter Metsola aan Oekraïne op 1 april 2022 en haar verklaring over de aan de gang zijnde internationale oorlogsmisdaden in Oekraïne,

gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de EU van 4 april 2022 over de door Russische troepen begane wreedheden in Boetsja en andere Oekraïense steden,

gezien de verklaring van de aanklager van het Internationaal Strafhof, Karim A.A. Khan, van 2 maart 2022, getiteld “The situation in Ukraine: Receipt of Referrals from 39 States Parties and the Opening of an Investigation” (De situatie in Oekraïne: ontvangst van aangiften van 39 partij zijnde landen en instelling van een onderzoek),

gezien het verslag van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) van 13 april 2022 over schendingen van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die sinds 24 februari 2022 in Oekraïne zijn begaan,

gezien de Overeenkomst tussen het Internationaal Strafhof en de Europese Unie inzake samenwerking en bijstand uit 2006,

gezien Besluit (GBVB) 2022/638 van de Raad van 13 april 2022 tot wijziging van Besluit 2014/486/GBVB betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (1), waarbij het mandaat van EUAM Ukraine werd gewijzigd om steun te verlenen aan de Oekraïense autoriteiten en het onderzoek naar en de vervolging van internationale misdaden die zijn gepleegd in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne te vergemakkelijken,

gezien het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het bij Eurojust verzamelen, bewaren en analyseren van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden (COM(2022)0187),

gezien de verslagen van Human Rights Watch over Oekraïne van 3 april en 21 april 2022 en het verslag van Amnesty International van 6 mei 2022,

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat op 24 februari 2022 een nieuwe fase is aangebroken in de illegale, niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde oorlog van Rusland tegen Oekraïne en dat de Russische strijdkrachten en pro-Russische groeperingen sindsdien willekeurige aanvallen uitvoeren tegen burgers en zich onder meer schuldig maken aan ontvoeringen, buitengerechtelijke executies en foltering in zowel pas binnengevallen als al eerder bezette gebieden van Oekraïne;

B.

overwegende dat duizenden mensen om het leven zijn gekomen of gewond zijn geraakt, dat ongeveer 7,7 miljoen Oekraïense burgers in eigen land ontheemd zijn en dat bijna 6 miljoen mensen het land zijn ontvlucht; overwegende dat volgens de commissaris voor de mensenrechten van het Oekraïense parlement sinds 24 februari 2022400 000 Oekraïense burgers onder dwang zijn gedeporteerd van Oekraïne naar de Russische Federatie, onder wie meer dan 200 000 kinderen; overwegende dat de Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen herhaaldelijk de oprichting van humanitaire corridors hebben verhinderd en de evacuatie van de burgerbevolking uit de belegerde gebieden aldus hebben geblokkeerd of belemmerd;

C.

overwegende dat de gruweldaden die de Russische troepen en gelieerde groeperingen begaan een nieuw dieptepunt hebben bereikt met de ontdekking — op zondag 3 april 2022 — van de lichamen van gedode burgers in de straten van Boetsja, een stad waartoe het Oekraïense leger bijna een maand lang geen toegang had; overwegende dat er vanuit een aantal voorheen bezette Oekraïense steden, waaronder Boetsja, Irpen, Hostomel en Ivankiv, en vanuit andere plaatsen die de Oekraïense strijdkrachten inmiddels hebben bevrijd, wordt bericht over massagraven met honderden lijken en over burgers — inclusief vrouwen, kinderen en ouderen — die dood op straat liggen, sommigen met de handen op de rug gebonden; overwegende dat gruweldaden in de trant van de bovengenoemde gevallen hoogstwaarschijnlijk geen uitzondering zijn in de Oekraïense steden en dorpen die door Rusland en pro-Russische groeperingen zijn binnengevallen en bezet, en dat de werkelijke omvang van deze oorlogsmisdaden waarschijnlijk veel groter is dan wat tot dusver bekend is;

D.

overwegende dat talrijke verslagen, aangevuld met foto’s en video’s, melden dat de Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen zich bij de bezetting van dorpen en steden schuldig maken aan standrechtelijke executies van burgers en illegitieme arrestaties van burgers, inclusief kinderen, waarbij deze worden mishandeld, gefolterd en zelfs verkracht, en bij aanvallen in dichtbevolkte gebieden gebruik maken van ongeleide artillerie, clustermunitie en antipersoneelmijnen; overwegende dat Rusland seksueel geweld gebruikt als oorlogswapen om het Oekraïense moreel te breken en als een vorm van foltering om bekentenissen te verkrijgen, en dat het hierbij onder meer gaat om verkrachting, gedwongen ontbloting en dreiging met seksueel geweld ten aanzien van kinderen, vrouwen en mannen of hun familieleden; overwegende dat verkrachting als oorlogsmisdaad de moeilijkste misdaad is om te documenteren op een wijze die voor de rechter kan worden gebracht en kan worden gebruikt in een proces; overwegende dat slachtoffers van seksuele oorlogsmisdaden niet alleen lichamelijk lijden maar ook het risico lopen op discriminatie en stigmatisering; overwegende dat tijd van cruciaal belang is voor het verzamelen van bewijsmateriaal en getuigenissen en voor het verlenen van medische en psychologische bijstand aan slachtoffers van seksueel geweld;

E.

overwegende dat de Russische strijdkrachten en pro-Russische groeperingen gericht journalisten, burgemeesters en mensenrechtenactivisten ontvoeren, opsluiten en vermoorden; overwegende dat journalisten en mediawerkers uit hoofde van het internationaal humanitair recht worden beschermd door artikel 79 van Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève; overwegende dat volgens het Platform van de Raad van Europa voor de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten minstens tien Oekraïense en internationale mediaprofessionals zijn gedood en talrijke anderen gewond zijn geraakt;

F.

overwegende dat de Russische troepen en gelieerde groeperingen eigendom van burgers hebben geplunderd, waaronder voedsel, kleding, huishoudelijke apparaten, brandhout en grote hoeveelheden graan, en civiele infrastructuur hebben vernietigd, inclusief infrastructuur die tegemoetkomt aan de behoeften van kwetsbare sociale groepen, zoals woongebouwen, scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen; overwegende dat de Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen systematisch kunstvoorwerpen en andere voorwerpen van grote culturele waarde ontvreemden; overwegende dat Oekraïne Rusland ervan heeft beschuldigd meerdere honderdduizenden tonnen graan te hebben gestolen en dat de VN bevestigt dat er steeds meer bewijzen zijn dat Russische troepen de Oekraïense graanvoorraden hebben geplunderd en graanopslagplaatsen hebben vernield, en overwegende dat dit de mondiale voedselcrisis verergert en bijdraagt tot een mogelijke hongersnood in Oekraïne; overwegende dat bijna 25 miljoen ton graan vast blijft zitten in Oekraïne als gevolg van de vernietiging van logistieke infrastructuur en als gevolg van de zeeblokkade door Rusland; overwegende dat de oorlog ook verwoestende en langdurige gevolgen zal hebben op het vlak van milieu en gezondheid;

G.

overwegende dat in de vier Verdragen van Genève en het Aanvullend Protocol I, waarbij Oekraïne en de Russische Federatie partij zijn, staat dat ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht oorlogsmisdaden vormen; overwegende dat eenieder die opdracht geeft tot dergelijke daden of ze begaat, steunt en aanmoedigt, verantwoordelijk is voor oorlogsmisdaden;

H.

overwegende dat Rusland zijn ondertekening van het Statuut van Rome in november 2016 ongedaan heeft gemaakt; overwegende dat Oekraïne geen partij is bij het Statuut van Rome, maar tot tweemaal toe gebruik heeft gemaakt van zijn recht krachtens het Statuut van Rome om de uitoefening van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof te aanvaarden met betrekking tot vermeende misdaden die op zijn grondgebied hebben plaatsgevonden, overeenkomstig artikel 12, lid 3, van het Statuut;

I.

overwegende dat de aanklager van het Internationaal Strafhof op 2 maart 2022 heeft aangekondigd dat hij op basis van de verwijzingen die hij van de staten die partij zijn heeft ontvangen (2), een onderzoek heeft ingesteld naar de situatie in Oekraïne;

J.

overwegende dat Oekraïne op 3 maart 2022, met de steun van 45 deelnemende staten, een beroep heeft gedaan op het Moskou-Mechanisme van de OVSE om de mensenrechtenschendingen en de humanitaire gevolgen van de Russische invasie in Oekraïne aan te pakken;

K.

overwegende dat de Oekraïense procureur-generaal tijdens de eerste drie maanden van de oorlog ten minste 9 300 onderzoeken heeft geopend en honderden personen uit Rusland heeft geïdentificeerd die verdacht worden van oorlogsmisdaden, waaronder plunderingen, moord, foltering en verkrachting;

L.

overwegende dat internationale gerechtelijke instanties en gerechtelijke overheidsinstanties een aantal acties hebben ondernomen met betrekking tot verantwoordingsplicht, zoals de instelling van een officieel onderzoek door het Internationaal Strafhof en strafrechtelijke onderzoeken op grond van het beginsel van universele rechtsmacht door Frankrijk, Duitsland, Litouwen en Zweden;

M.

overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad zich op 4 maart 2022 heeft uitgesproken voor de oprichting van een internationale onderzoekscommissie voor Oekraïne, die de taak heeft schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht in het kader van de Russische inval van Oekraïne te onderzoeken; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad machteloos staat met betrekking tot de situatie in Oekraïne als gevolg van het recht van Rusland om zijn veto uit te spreken over elke inhoudelijke actie;

N.

overwegende dat Polen, Litouwen en Oekraïne op 25 maart 2022 de oprichting van een gezamenlijk onderzoeksteam hebben aangekondigd dat bewijsmateriaal zal verzamelen en oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid zal onderzoeken, met de steun van het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) en met de deelname van het Parket van de Aanklager van het Internationaal Strafhof, zoals aangekondigd op 25 april 2022; overwegende dat coördinatie tussen de onderzoeken van het Internationaal Strafhof en die van overheidsinstanties en andere mechanismen van essentieel belang is om snel recht te doen geschieden;

O.

overwegende dat het Internationaal Strafhof in dit geval geen rechtsbevoegdheid heeft op het gebied van de misdaad agressie, aangezien noch Oekraïne, noch de Russische Federatie het Statuut van Rome en de wijzigingen daarvan met betrekking tot de misdaad agressie hebben geratificeerd; overwegende dat deze leemte moet worden opgevuld door de oprichting van een speciaal internationaal tribunaal, dat de opdracht zou krijgen om de vermeende daden van agressie van de politieke leiders en militaire bevelhebbers van Rusland en diens bondgenoten tegen Oekraïne te onderzoeken en te vervolgen;

1.

spreekt zich nogmaals in de krachtigst mogelijke bewoordingen uit tegen de niet-uitgelokte, illegale en ongerechtvaardigde Russische aanvalsoorlog tegen en invasie van Oekraïne, en eist dat Rusland onmiddellijk een einde maakt aan alle militaire activiteiten in Oekraïne en alle strijdkrachten en militaire uitrusting onvoorwaardelijk terugtrekt van het gehele internationaal erkende grondgebied van Oekraïne, zoals het Internationaal Gerechtshof op 16 maart 2022 heeft bevolen;

2.

spreekt zijn grote woede en diepe verontwaardiging uit over de gerapporteerde wreedheden, waaronder lukrake beschietingen van steden en gemeenten, gedwongen deportaties, het gebruik van verboden munitie, aanvallen op burgers die conflictgebieden proberen te ontvluchten via vooraf overeengekomen humanitaire corridors, executies van burgers, seksueel geweld, gedwongen ontheemding, doelbewuste plunderingen en gerichte aanvallen op woongebieden en civiele infrastructuur, zoals ziekenhuizen, medische voorzieningen, scholen, schuilplaatsen en ambulances, die allemaal grove schendingen van het internationaal humanitair recht vormen en kunnen neerkomen op oorlogsmisdaden door de Russische Federatie en haar gelieerde groeperingen in Oekraïne en die tot nu toe niet zijn vervolgd of bestraft;

3.

spreekt zich met klem uit tegen het afschuwelijke, systematische gebruik van seksueel en gendergerelateerd geweld als oorlogswapen door de Russische strijdkrachten en hun gelieerde groeperingen en bevestigt, onder verwijzing naar VN-resolutie 1820 (2008) over seksueel geweld als oorlogswapen, dat verkrachting en andere vormen van seksueel geweld oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid of onderdeel van genocide kunnen vormen en derhalve vervolgd moeten worden overeenkomstig de bepalingen van het internationaal recht en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, met name de artikelen 7 en 8 daarvan; betreurt de beperkte vooruitgang bij de daadwerkelijke vervolging van seksuele en gendergerelateerde misdaden binnen het Internationaal Strafhof; is van mening dat de gevallen van de slachtoffers van de illegale invasie van Oekraïne in dit verband een precedent kunnen scheppen; verzoekt de EU en haar lidstaten gendermainstreaming bij lopende en toekomstige onderzoeken te ondersteunen;

4.

spreekt zijn volledige steun uit voor het door de aanklager bij het Internationaal Strafhof ingestelde onderzoek naar vermeende oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide die in Oekraïne zijn begaan, alsook voor het werk van de onderzoekscommissie van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en de inspanningen van onafhankelijke maatschappelijke organisaties die zich inzetten om bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden te verzamelen en te bewaren; wijst erop dat het belangrijk is snel te werk te gaan en vooruitgang te boeken om het nodige bewijsmateriaal te verkrijgen voor het onderzoek naar en de vervolging van alle personen die verantwoordelijk zijn voor het toestaan, begaan en verbergen van oorlogsmisdaden en andere schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht; wijst op het ernstige risico dat bewijsmateriaal in verband met oorlogsmisdaden als gevolg van de aanhoudende vijandelijkheden vernietigd wordt en niet verzameld en veilig bewaard kan worden met het oog op onderzoek naar oorlogsmisdaden in Oekraïne; is van mening dat snel optreden van cruciaal belang is om alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat diegenen die zich in Oekraïne schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden ter verantwoording worden geroepen;

5.

dringt erop aan dat de aanklager bij het Internationaal Strafhof wordt ondersteund bij het onderzoek naar en de vervolging van vermoedelijke daders van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en mogelijk genocide, door politieke steun te verlenen, al het beschikbare bewijsmateriaal, met inbegrip van inlichtingen, informatie en gegevens uit open bronnen, satellietbeelden en onderschepte communicatie, beschikbaar te stellen, en voldoende personele en financiële middelen ter beschikking te stellen van de algemene begroting van het Internationaal Strafhof, teneinde de onafhankelijkheid en onpartijdigheid ervan volledig te beschermen;

6.

is ingenomen met en staat volledig achter de inspanningen van de Oekraïense aanklagers en onderzoekers om diegenen die verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid voor de rechter te brengen, en roept de EU-lidstaten, de internationale gemeenschap en de relevante instellingen op de Oekraïense autoriteiten volledig bij te staan in dit proces;

7.

roept de lidstaten en de Commissie op alle nodige bijstand te verlenen ter versterking van de justitiële capaciteit en middelen van Oekraïne om oorlogsmisdaden doeltreffend te onderzoeken en te berechten; roept de Commissie en de lidstaten op steun te verlenen aan de Oekraïense autoriteiten om te voldoen aan belangrijke criteria om straffeloosheid bij ernstige internationale misdaden, waaronder oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, op binnenlands niveau te bestrijden;

8.

roept de EU-instellingen en de lidstaten op om in internationale instellingen en procedures en bij het Internationaal Strafhof of andere relevante internationale tribunalen of rechtbanken alle nodige stappen te ondernemen om de vervolging van het Russische en Belarussische regime voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en daden van agressie te ondersteunen; dringt er voorts op aan dat deze onderzoeken en de daaropvolgende vervolging ook worden uitgebreid tot alle Russische militairen en overheidsfunctionarissen die betrokken zijn bij oorlogsmisdaden; is derhalve ingenomen met de onderzoeken die verscheidene lidstaten uit hoofde van het beginsel van universele rechtsmacht en ter ondersteuning van het werk van het Internationaal Strafhof hebben ingesteld; is tevens ingenomen met het gewijzigde mandaat van EUAM Ukraine, waardoor deze missie de Oekraïense autoriteiten zal kunnen ondersteunen bij het onderzoek naar en de vervolging van internationale misdaden die in het kader van de Russische invasie van Oekraïne zijn gepleegd;

9.

roept de Russische autoriteiten op om onmiddellijk een einde te maken aan de gedwongen ontheemding van Oekraïense burgers en om de Oekraïense burgers die gedwongen naar het grondgebied van de Russische Federatie zijn verplaatst veilig naar Oekraïne te laten terugkeren;

10.

roept de lidstaten op bewijsmateriaal te verzamelen en een onderzoek door de aanklager bij het Internationaal Strafhof te ondersteunen, teneinde vast te stellen of de oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die door de Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen in Oekraïne zijn begaan, neerkomen op genocide;

11.

dringt erop aan dat de verschillende mechanismen die zijn ingesteld voor de bestrijding van straffeloosheid bij oorlogsmisdaden in Oekraïne beter worden gecoördineerd, onder meer door middel van een internationale bijeenkomst die tot doel heeft het verzamelen van bewijsmateriaal te coördineren en aldus de efficiëntie van de verantwoordingsprocessen te verbeteren; roept de EU-instellingen op deze coördinatie-inspanningen te ondersteunen;

12.

roept de EU-instellingen, met name de Commissie, op om steun te verlenen aan de onmiddellijke totstandbrenging van een passende rechtsgrondslag, met de steun van gevestigde multilaterale fora zoals de VN en de Raad van Europa, om de oprichting mogelijk te maken van een speciaal internationaal tribunaal voor de bestraffing van de daden van agressie die door de politieke leiders en militaire bevelhebbers van Rusland en zijn bondgenoten tegen Oekraïne zijn gepleegd; verzoekt de EU-instellingen, met name de Commissie, zo spoedig mogelijk alle nodige personele en budgettaire middelen en administratieve, onderzoeks- en logistieke ondersteuning voor de oprichting van dit tribunaal ter beschikking te stellen;

13.

roept de EU-instellingen, met name de Commissie, op om bij gelijkgezinde internationale partners en organisaties, in het bijzonder de Algemene Vergadering van de VN, politieke steun te zoeken voor de oprichting van dit tribunaal;

14.

is verheugd over de instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam door Litouwen, Polen en Oekraïne, gecoördineerd door Eurojust, waaraan het bureau van de aanklager bij het Internationaal Strafhof voor het eerst zal deelnemen, teneinde onderzoeken en vervolgingen in de deelnemende staten, alsmede die welke voor het Internationaal Strafhof kunnen worden uitgevoerd, te vergemakkelijken; spoort de lidstaten aan zich bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam aan te sluiten;

15.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie van 25 april 2022 om het mandaat en de operationele functies van Eurojust uit te breiden wat betreft het analyseren, bewaren en delen van bewijsmateriaal ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de belangrijkste internationale misdaden, in het bijzonder genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en daarmee samenhangende strafbare feiten (3); verzoekt Eurojust deze nieuwe bevoegdheden te gebruiken om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te ondersteunen bij de analyse van bewijsmateriaal, teneinde de ontvankelijkheid van dergelijk bewijsmateriaal voor nationale of internationale rechtbanken of gelijkwaardige mechanismen te helpen garanderen; onderstreept dat de uitbreiding van het mandaat gepaard moet gaan met een passende verhoging van de financiering voor Eurojust;

16.

benadrukt dat de EU en haar lidstaten ten volle gebruik moeten maken van hun vermogens en de beschikbare rechtsmiddelen om de daders van oorlogsmisdaden ter verantwoording te roepen; is in dit verband ingenomen met de bereidheid van Europol om een gemeenschappelijk onderzoeksteam te ondersteunen en verzoekt het agentschap om desgevraagd nauw met Eurojust samen te werken;

17.

herinnert eraan dat met het beginsel van universele rechtsmacht wordt beoogd de straffeloosheid van oorlogsmisdadigers te voorkomen door alle staten in staat te stellen te voldoen aan hun plicht om de daders te vervolgen en te bestraffen; acht het van belang dat de rechtshandhavingsinstanties en gerechtelijke autoriteiten in de lidstaten de passende instrumenten krijgen om het bewijsmateriaal dat nodig is om oorlogsmisdadigers te kunnen veroordelen, doeltreffend te kunnen verzamelen; moedigt de lidstaten aan om op doeltreffende wijze gebruik te maken van het beginsel van universele rechtsmacht voor het onderzoek naar en de vervolging van oorlogsmisdaden in Oekraïne, en hun onderlinge samenwerking te intensiveren, met een coördinerende en stimulerende rol voor de Commissie;

18.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie om met een EU-actieplan inzake straffeloosheid te komen en dringt aan op een specifiek hoofdstuk over Oekraïne;

19.

verzoekt de Commissie nauw samen te werken met het Internationaal Strafhof en Eurojust, overeenkomstig zijn herziene mandaat, bij het documenteren van verkrachting, misbruik en andere vormen van seksueel geweld die tijdens de oorlog in Oekraïne zijn gepleegd, onder meer door het verzamelen van statistisch of patroongerelateerd bewijsmateriaal bij relevante deskundigen en in medische en farmaceutische dossiers, en door het zoeken naar en verzamelen van getuigenissen over verkrachting in oorlogstijd in Oekraïne die online in de pers en op sociale media zijn verschenen en die onderzoekers naar slachtoffers van verkrachting en seksueel geweld kunnen leiden; roept op om deze werkzaamheden aan te vullen met soortgelijke inspanningen in vluchtelingenkampen en, waar mogelijk, ter plaatse in Oekraïne; verzoekt de EU en de gast- en transitlanden de toegang tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te waarborgen, met name noodanticonceptie, profylaxe na blootstelling en abortuszorg, ook voor slachtoffers van verkrachting;

20.

roept de internationale gemeenschap op ook milieudelicten grondig te onderzoeken en te bestraffen, met name massale milieuverontreiniging, met inbegrip van grensoverschrijdende milieuschade, aangezien Rusland industriële en brandstofinstallaties, elektriciteitsvoorzieningen, de watervoorziening, rioleringsstelsels en andere faciliteiten blijft aanvallen, waardoor wijdverspreide verontreiniging ontstaat en wetlands, bossen, nationale parken, beschermde gebieden, met inbegrip van de exclusiezone van 30 kilometer rond Tsjernobyl, en de habitat van bedreigde soorten worden verwoest, met ernstige gevolgen op lange termijn;

21.

dringt erop aan dat de beschuldigingen van plundering en vernieling van voedselopslagplaatsen door Russische strijdkrachten en gelieerde groeperingen worden onderzocht en dat de wereldwijde gevolgen daarvan, met name voor voedselimporterende ontwikkelingslanden, naar behoren worden geëvalueerd;

22.

benadrukt het belang van grootschalige IT-systemen van de EU om ervoor te zorgen dat oorlogsmisdadigers niet kunnen onderduiken en niet onopgemerkt het grondgebied van de EU kunnen binnenkomen; is ervan overtuigd dat de lopende hervorming van het EU-rechtskader voor de uitwisseling van informatie tussen rechtshandhavingsinstanties de verzameling van relevante informatie over oorlogsmisdadigers in de politiedatabanken van de verschillende lidstaten zal bespoedigen;

23.

betreurt dat in de statuten van Interpol niet wordt voorzien in de mogelijkheid om het lidmaatschap op te schorten, en verzoekt Interpol ten minste het Russisch nationaal centraal bureau de toegang tot de gegevensbanken van Interpol te ontzeggen;

24.

roept de Commissie en de lidstaten op activiteiten te ondersteunen ter vergemakkelijking van de opleiding en bewustmaking van mensenrechtenverdedigers, rechters en aanklagers met betrekking tot digitaal bewijs en de digitale registratie van mensenrechtenschendingen, teneinde meer duidelijkheid te verschaffen over de ontvankelijkheidscriteria bij binnenlandse en internationale rechtbanken;

25.

is ingenomen met de goedkeuring door de Verkhovna Rada van ontwerpwet nr. 7304, waarbij het Internationaal Strafhof wordt gemachtigd om in Oekraïne te werken, en verzoekt de Oekraïense autoriteiten de inspanningen op het gebeid van verantwoording voor ernstige internationale misdaden te ondersteunen door het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof met spoed te ratificeren en formeel lid te worden van het Internationaal Strafhof; verzoekt de Oekraïense autoriteiten de nationale wetgeving en procedures van Oekraïne in overeenstemming te brengen met het internationaal recht en zo de nationale juridische mechanismen te versterken om straffeloosheid bij misdaden tegen te gaan, en de nationale wetgeving, met name het wetboek van strafrecht, te harmoniseren met het internationaal strafrecht en internationaal humanitair recht en een duidelijk en praktisch kader vast te stellen voor de samenwerking met het Internationaal Strafhof en andere organen die in Oekraïne gepleegde misdaden onderzoeken; herinnert eraan dat alle partijen bij een conflict het internationaal humanitair recht strikt moeten naleven;

26.

roept de Commissie, de lidstaten en de internationale gemeenschap op meer financiële middelen en technische bijstand ter beschikking te stellen voor het verzamelen en opslaan van de enorme hoeveelheid bewijsmateriaal over schendingen van het internationaal humanitair recht, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Oekraïne; verzoekt de EU in dit verband dit proces te ondersteunen met meer middelen uit het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld;

27.

is verheugd over de sanctiepakketten tegen Rusland en onderstreept dat de volledige en doeltreffende uitvoering ervan in de hele EU en door de internationale bondgenoten van de EU nu een prioriteit moet zijn; roept op tot de spoedige aanneming van het zesde sanctiepakket; verzoekt de Commissie dringend een rechtsinstrument vast te stellen waarmee bevroren Russische activa en middelen in beslag kunnen worden genomen zodat ze gebruikt kunnen worden als schadevergoeding en voor de wederopbouw van Oekraïne;

28.

spreekt zijn grote waardering en respect uit voor het werk en de toewijding van het Oekraïense maatschappelijk middenveld, met inbegrip van zijn werk om de aanhoudende schendingen in Oekraïne te documenteren en zijn pleidooi ter ondersteuning van de strijd tegen straffeloosheid in Oekraïne; merkt op dat er veel niet-gouvernementele organisaties zijn die zich op Oekraïens grondgebied inspannen om oorlogsmisdaden te documenteren, waaronder massale verkrachtingen in oorlogstijd, en dat hun inspanningen moeten worden ondersteund en geconsolideerd; verzoekt alle internationale en nationale actoren op het gebied van verantwoording nauw met het maatschappelijk middenveld samen te werken om de gerechtelijke procedures te ondersteunen, onder meer door de toegang tot informatie en het bereiken van slachtoffers en getroffen gemeenschappen te verbeteren, te zorgen voor publiciteit, de transparantie van het proces en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de respons op de wreedheden die de Russische Federatie heeft begaan;

29.

dringt er bij de lidstaten, onder meer via hun deelname aan de Vijfde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN, en bij de VN op aan om ervoor te zorgen dat de onderzoekscommissie van de VN-Mensenrechtenraad over voldoende financiële middelen beschikt om alle aspecten van haar mandaat op onafhankelijke wijze uit te voeren;

30.

betreurt het ten zeerste dat is besloten om de bijzondere waarnemingsmissie van de OVSE in Oekraïne te beëindigen omdat er in de Permanente Raad van de OVSE van 31 maart 2022 geen consensus is bereikt over de verlenging van het mandaat van de missie, en spoort de lidstaten aan elke mogelijkheid te onderzoeken om het mandaat van de bijzondere waarnemingsmissie te herstellen;

31.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de president, de regering en het parlement van Oekraïne, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, en de procureur-generaal bij het Internationaal Strafhof.

(1)  PB L 117 van 19.4.2022, blz. 38.

(2)  Op 1 maart 2022 ontving het Parket van de Aanklager een aangifte van een staat die partij is, te weten de Republiek Litouwen. Op 2 maart 2022 heeft de volgende gecoördineerde groep van staten die partij zijn een gezamenlijke aangifte ingediend: de Republiek Albanië, het Gemenebest Australië, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, Canada, de Republiek Colombia, de Republiek Costa Rica, de Republiek Kroatië, de Republiek Cyprus, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Estland, de Republiek Finland, de Franse Republiek, Georgië, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Hongarije, IJsland Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Letland, het Vorstendom Liechtenstein, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Malta, Nieuw-Zeeland, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Slovenië, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

(3)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het bij Eurojust verzamelen, bewaren en analyseren van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden (COM(2022)0187).


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/75


P9_TA(2022)0219

De sociale en economische gevolgen voor de EU van de Russische oorlog in Oekraïne — versterking van het vermogen van de EU om op te treden

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over de sociale en economische gevolgen voor de EU van de Russische oorlog in Oekraïne — versterking van het vermogen van de EU om op te treden (2022/2653(RSP))

(2022/C 479/08)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 7 april 2022 over de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van 24 en 25 maart 2022, onder meer met betrekking tot de recentste ontwikkelingen in de oorlog in Oekraïne en de sancties van de EU tegen Rusland en de uitvoering daarvan (1),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 25 maart 2022,

gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2022 getiteld “REPowerEU: een gemeenschappelijk Europees optreden voor betaalbaardere, veiligere en duurzamere energie” (COM(2022)0108),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “Identifying Europe’s Recovery Needs” (SWD(2020)0098),

gezien het verslag van 22 april 2022 van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) over de regionale economische vooruitzichten, getiteld “Europe: War Sets Back the European Recovery”,

gezien zijn resolutie van 24 maart 2022 over de behoefte aan een dringend EU-actieplan om voedselzekerheid binnen en buiten de EU te waarborgen in het licht van de Russische invasie in Oekraïne (2),

gezien zijn resolutie van 5 mei 2022 over de gevolgen van de oorlog tegen Oekraïne voor vrouwen (3),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (4),

gezien zijn resolutie van 8 juli 2021 over de herziening van het macro-economische wetgevingskader voor een betere impact op de reële economie van Europa en een grotere transparantie van de besluitvorming en democratische verantwoordingsplicht (5),

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Rusland sinds 24 februari 2022 een illegale, niet-uitgelokte en niet-gerechtvaardigde aanvalsoorlog tegen Oekraïne voert;

B.

overwegende dat de Russische invasie is uitgegroeid tot een ernstige humanitaire crisis die miljoenen mensen treft en onvermijdelijk zal leiden tot een zware economische schok van nog onbekende duur en omvang in de EU;

C.

overwegende dat het verlies aan mensenlevens en de humanitaire crisis in verband met de enorme aantallen belegerde en ontheemde mensen de belangrijkste gevolgen van de oorlog in Oekraïne zijn; overwegende dat volgens gegevens van de Hoge Commissaris van de VN voor de Vluchtelingen tot 5 mei 2022 meer dan 5,7 miljoen mensen Oekraïne waren ontvlucht, en dat meer dan 85 % van hen momenteel in een EU-land wordt opgevangen; overwegende dat de last die de humanitaire crisis met zich meebrengt voor een groot deel gedragen wordt door de lidstaten die aan Oekraïne grenzen;

D.

overwegende dat de milieueffecten van het conflict, als gevolg van bombardementen, olie- en gaslekken, en incidenten in chemische fabrieken en kerncentrales, zowel voor de bevolking van Oekraïne als van de EU een bron van grote zorg zijn; overwegende dat de EU moet helpen bij de bescherming tegen en het herstel van door de oorlog veroorzaakte milieuschade en milieumisdaden moet bestraffen, aangezien deze onvermijdelijk langdurige gevolgen zullen hebben;

E.

overwegende dat Rusland eenzijdig heeft besloten de leveringen van gas aan Bulgarije en Polen stop te zetten; overwegende dat steeds meer EU-lidstaten reeds hun steun hebben uitgesproken voor de tenuitvoerlegging van een volledig energie-embargo tegen Rusland om aan deze chantage te ontkomen;

F.

overwegende dat de sancties ernstige gevolgen hebben voor de Russische economie (volgens het IMF is er sprake van een inkrimping van het BBP met 8,5 % en een inflatie van 21,3 % in 2022); overwegende dat de Europese aankopen van fossiele brandstoffen van Rusland door 800 miljoen EUR per dag naar Rusland over te maken voor de levering van deze brandstoffen het regime nog steeds middelen verschaffen om de oorlog te helpen financieren; overwegende dat de Commissie een ambitieus plan heeft gepresenteerd om de invoer van Russische olie binnen zes maanden en van geraffineerde producten tegen het eind van het jaar te verbieden;

G.

overwegende dat de economische situatie in combinatie met de gevolgen van de sancties die genomen moeten worden ernstige economische en sociale gevolgen zal hebben, onder meer voor de arbeidsmarkten en de levensomstandigheden in de EU; overwegende dat de crisis als gevolg van de oorlog de groei en de werkgelegenheid negatief dreigt te beïnvloeden, onder meer door de gevolgen voor de financiële markten, energietekorten en de verdere druk op de energieprijzen, de aanhoudende knelpunten in de toeleveringsketens en de vertrouwenseffecten;

H.

overwegende dat de inflatie van de consumentenprijzen in de EU in veel landen een niveau heeft bereikt dat sinds de jaren zeventig niet meer is voorgekomen en in april 2022 7,5 % bedroeg, het hoogste niveau sinds de invoering van de eenheidsmunt, een piek die vooral te wijten is aan de prijsstijgingen van fossiele energie; overwegende dat dit heeft geleid tot hogere landbouwprijzen; overwegende dat volgens de meest recente prognoses van de ECB voor de eurozone het inflatiepercentage (HICP) zal dalen van gemiddeld 5,1 % in 2022 tot 2,1 % in 2023 en 1,9 % in 2024;

I.

overwegende dat de toenemende inflatie en vooral de snelle stijging van de voedsel- en energieprijzen in de gehele EU de kwetsbaarste bevolkingsgroepen treffen, de ongelijkheid verder vergroten en de armoede en energiearmoede verergeren; overwegende dat de lonen naar verwachting minder snel zullen stijgen dan de inflatie en dat de koopkracht van werknemers daardoor daalt en zij hun levensomstandigheden in de komende paar maanden zullen zien verslechteren; overwegende dat dit ook grotere druk zal uitoefenen op de capaciteit van het sociaal beleid en op automatische stabilisatoren zoals nationale werkloosheidsregelingen; overwegende dat het door de Commissie goedgekeurde instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) een succes was;

J.

overwegende dat volgens de mondiale economische vooruitzichten van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) van april 2022 de mondiale groei zal vertragen van naar schatting 6,1 % in 2021 tot 3,6 % in 2022 en 2023, wat 0,8 en 0,2 procentpunt lager is voor 2022 en 2023 dan in januari werd voorspeld; overwegende dat de groei in de eurozone volgens de prognoses zal afnemen van naar schatting 5,3 % in 2021 tot 2,8 % in 2022 en 2,3 % in 2023;

K.

overwegende dat volgens het voorstel van de Commissie voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2022 het wijdverbreide gebruik van regelingen voor het behoud van banen tijdens de pandemie heeft bijgedragen tot de relatief beperkte stijging van de werkloosheid in 2021, van een stijging met 6 % in 2020 tot slechts 0,4 % in 2021 (6);

L.

overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) meer moeite hebben om financiering te krijgen dan grote ondernemingen; overwegende dat kmo’s bijzonder veel moeite hebben om toegang te krijgen tot overheidsmiddelen omdat zij daarvoor complexe administratieve procedures moeten doorlopen; overwegende dat daarom bij de vaststelling van voorwaarden voor de toegang van kmo’s tot financiële steun rekening moet worden gehouden met de noodzakelijke vereenvoudiging van de procedures;

M.

overwegende dat Europa voor nieuwe uitdagingen staat, zoals groeiende ongelijkheid tussen generaties, afnemende maatschappelijke, gezondheidsgerelateerde, economische en ecologische kansen en middelen, territoriale ongelijkheden en ongelijke toegang tot fundamentele sociale en gezondheidszorgvoorzieningen, werkgelegenheid, zakelijke kansen en sociale infrastructuur; overwegende dat in 2020 96,5 miljoen mensen in de EU het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting, wat overeenkomt met 21,9 % van de EU-bevolking; overwegende dat armoede en sociale uitsluiting de afgelopen tien jaar zijn afgenomen; overwegende dat een verdere vermindering noodzakelijk is; overwegende dat het terugdringen van ongelijkheden een gedeelde verantwoordelijkheid is van de EU en de lidstaten; overwegende dat de onderliggende oorzaken van de economische en sociale onevenwichtigheden op lange termijn moeten worden aangepakt;

N.

overwegende dat ongeveer 34 miljoen Europeanen hebben aangegeven dat zij in 2018 niet in staat waren hun woning voldoende te verwarmen, en dat 6,9 % van de bevolking van de Unie in een EU-brede enquête in 2019 heeft aangegeven een voldoende verwarming van hun woning niet te kunnen betalen;

O.

overwegende dat deugdelijke socialebeschermingsstelsels essentieel zijn voor de sociale veerkracht in tijden van crisis; overwegende dat het belangrijkste sociale gevolg in Europa een stijging van de kosten van levensonderhoud en de betaalbaarheid van goederen en diensten is, waardoor mensenrechten zoals de toegang tot voedsel, huisvesting, kleding en onderwijs, gunstige arbeidsvoorwaarden en bescherming tegen werkloosheid, en de toegang tot medische zorg in gevaar komen;

P.

overwegende dat de EU zich in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten ten doel heeft gesteld het aantal mensen dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting met ten minste 15 miljoen te verminderen en een reeks voorstellen heeft goedgekeurd om dit doel tegen 2030 te bereiken; overwegende dat in de huidige context de verwezenlijking van de doelstelling een extra uitdaging wordt gezien de verwachte toename van armoede en werkloosheid in de komende maanden; overwegende dat de stelsels voor sociale bescherming zwaar op de proef worden gesteld om de sociale gevolgen van de crisis te verzachten, vluchtelingen te ondersteunen en iedereen fatsoenlijke levensomstandigheden en toegang tot hoogwaardige essentiële diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting te verschaffen;

Q.

overwegende dat het Internationaal Energie Agentschap heeft geraamd dat in 2022 een bedrag van 200 miljard EUR (7) aan overwinsten zal zijn gemaakt; overwegende dat het agentschap ook verklaard heeft dat tijdelijke fiscale maatregelen op onverhoopte winsten beschikbaar zouden kunnen worden gesteld ten behoeve van de overheidsinkomsten, om de hogere energierekeningen gedeeltelijk te compenseren; overwegende dat de Commissie in maart 2022 richtsnoeren heeft voorgesteld voor de invoering van tijdelijke belastingmaatregelen op onverhoopte winsten (8);

R.

overwegende dat de Russische oorlog in Oekraïne de vastberadenheid, eenheid en kracht van de EU bij de verdediging van democratische waarden heeft aangetoond; overwegende dat deze oorlog ook heeft aangetoond dat er economische, sociale en institutionele hervormingen in de EU nodig zijn om de wereldwijde gevolgen van de militaire agressie van Rusland het hoofd te kunnen bieden; overwegende dat het absoluut noodzakelijk is de tot dusver indrukwekkende eenheid en solidariteit van de Unie te handhaven door alle beschikbare niet-militaire middelen in te zetten om een einde te maken aan de Russische agressie tegen Oekraïne en met collectieve middelen de onmiddellijke gevolgen binnen de EU aan te pakken, alsook door de lopende wetgevingsagenda te handhaven met als doel de veerkracht van de Unie op sociaal, economisch en milieugebied te verbeteren, ondanks de wens van Poetin om ons te verdelen en die inspanningen te doen ontsporen;

S.

overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat de sociale markteconomie en de interne markt, ook in tijden van crisis, goed functioneren, zodat het potentieel ervan ten volle kan worden benut ten bate van de Europese consument en kan worden bijgedragen tot het stimuleren van de productiviteit, het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven en het scheppen van hoogwaardige banen;

T.

overwegende dat de Commissie concrete maatregelen heeft gepresenteerd om REPowerEU tot een realiteit te maken;

U.

overwegende dat de EU een echte macht op het wereldtoneel moet worden die in staat is zelf op te treden en zelf beslissingen te nemen, met name op het gebied van defensie, energie, landbouw, aquacultuur en industrie;

V.

overwegende dat toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten ook steeds moeilijker wordt voor vluchtelingen die in de EU aankomen; overwegende dat de EU zich wil inzetten voor de bevordering, bescherming en verwezenlijking van het recht van elk individu en van elke vrouw en elk meisje om volledige zeggenschap te hebben en in vrijheid en verantwoordelijkheid te beslissen over zaken die hun seksualiteit en seksuele en reproductieve rechten aangaan, zonder discriminatie, dwang en gendergerelateerd geweld;

Algemene overwegingen

1.

is solidair met het Oekraïense volk en wijst erop dat een actieve oorlog aan de onmiddellijke grenzen van de EU ernstige sociale en economische gevolgen heeft voor Europa; is zich er ten volle van bewust dat democratie en vrijheid niet kunnen worden uitgedrukt door een monetair equivalent of sociaal comfort; veroordeelt nogmaals in de krachtigste bewoordingen de onwettige, onuitgelokte en ongerechtvaardigde militaire aanval op en inval in Oekraïne door de Russische Federatie, alsmede de betrokkenheid van Belarus hierbij;

2.

benadrukt dat de Russische militaire agressie tegen Oekraïne en de gerechtvaardigde sancties van de EU tegen Rusland en Belarus het economische herstel van de EU na de pandemie aantasten en een ernstige bedreiging vormen voor haar herstel- en veerkrachtstrategie, alsook voor de integriteit van de eengemaakte markt;

3.

benadrukt dat de huidige oorlog tegen Oekraïne een toch al diepe energieprijzencrisis in heel Europa heeft verergerd, wat een direct negatief effect heeft op de koopkracht van alle EU-burgers en op kmo’s; herinnert eraan dat de hoge gas- en elektriciteitsprijzen van dit moment de meeste lidstaten treffen, zij het in verschillende mate en op verschillende tijdstippen, en dat de huidige prijspiek snel ingrijpen vereist om de sociaaleconomische gevolgen in kaart te brengen, te voorkomen en te verhinderen door middel van een gecoördineerde economische en sociale beleidsreactie;

4.

onderstreept het belang van het waarborgen van energiesoevereiniteit en onafhankelijkheid van Russische leveranties en van meer strategische autonomie en energiezekerheid, door het verbeteren en waarborgen van grote investeringen in de energie-infrastructuur van de EU, onder meer op het gebied van interconnecties en grensoverschrijdende infrastructuur voor de productie van hernieuwbare energie, en energie-efficiëntie;

5.

is ervan overtuigd dat de capaciteiten van de Unie op het gebied van solidariteit in tijden van crisis verder moeten worden versterkt; roept de Commissie en de Raad op om, indien de negatieve gevolgen van de crisis niet voldoende kunnen worden opgevangen met de bestaande programma’s, klaar te staan om een nieuw veerkrachtplan te presenteren om huishoudens en ondernemingen, met name kmo’s, te helpen de gevolgen van de oorlog het hoofd te bieden, en de slagvaardigheid van de EU te versterken; benadrukt dat een vastberaden, gecoördineerd en op solidariteit gebaseerd Europees antwoord van essentieel belang is om de uitbreiding van de crisis te beperken door de economische en sociale gevolgen ervan in kaart te brengen, te voorkomen en te verzachten, en derhalve de steun van de Europese burgers te behouden voor de acties tegen Rusland en voor de andere acties die nodig zijn om de Oekraïners te steunen in hun verdediging; roept de EU-instellingen op Oekraïne de status van kandidaat-lidstaat van de EU te verlenen, overeenkomstig artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en op basis van verdienste;

6.

benadrukt zijn volledige steun voor Oekraïne en het Oekraïense volk; benadrukt het belang van de goedkeuring door de Europese Raad van de vijf pakketten sancties tegen Rusland en roept op tot een snelle en doeltreffende uitvoering ervan; verzoekt de lidstaten dringend het zesde sanctiepakket aan te nemen, met inbegrip van een verbod op de invoer van Russische olie, zoals voorgesteld door de Commissie; herhaalt zijn oproep tot een onmiddellijk en volledig embargo op de Russische invoer van olie, kolen, kernbrandstof en gas, en tot volledige stopzetting van Nord Stream 1 en 2; dringt aan op de dringende goedkeuring van schadebeperkende maatregelen met betrekking tot de sancties om ervoor te zorgen dat de werknemers en huishoudens niet de last van deze politieke besluiten dragen;

7.

steunt de wereldwijde inspanningen om Oekraïne te steunen, met name via de G7, en roept op tot schuldverlichting voor Oekraïne; verzoekt de Commissie en de lidstaten het voortouw te nemen bij de totstandbrenging van een trustfonds voor solidariteit met Oekraïne en van een strategie voor wederopbouw van Oekraïne na de oorlog; herinnert aan zijn gevestigde standpunt dat het Parlement volledig betrokken moet worden bij de oprichting van en het toezicht op de EU-trustfondsen en de daarmee verband houdende operationele besluitvorming;

8.

verzoekt de Raad de lijst van personen tegen wie EU-sancties rechtstreeks zijn gericht, waaronder Russische oligarchen, uit te breiden met de lijst van 6 000 personen die door de stichting van Navalny zijn voorgesteld; roept op tot uitbreiding van de EU-sancties tot aan Rusland gelieerde media-entiteiten die actief zijn in de EU, met name het “nieuwsagentschap” InfoRos, dat gelieerd is aan de GROe;

9.

merkt op dat voormalige politici als Esko Aho, François Fillon en Wolfgang Schüssel onlangs ontslag hebben genomen uit hun functies in Russische bedrijven en eist nadrukkelijk dat anderen, zoals Karin Kneissl en Gerhard Schröder, hetzelfde doen; verzoekt de Raad voorts de lijst van personen tegen wie EU-sancties zijn gericht, uit te breiden tot de Europese leden van de raden van bestuur van grote Russische ondernemingen en tot politici die geld uit Rusland blijven ontvangen;

Gecoördineerde aanpak van de economische en sociale crisis

10.

is ervan overtuigd dat een doeltreffende reactie op korte termijn erin bestaat bij te dragen tot de verlichting van de hoge energieprijzen voor huishoudens en bedrijven en de koopkracht, de kwaliteit van de werkgelegenheid en de openbare dienstverlening in stand te houden, en tegelijk door te gaan met de uitvoering van de Europese Green Deal en de rechtvaardige, digitale en groene transitie, en met de versterking van het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten; roept op tot een versterking van de interne energiemarkt om de afhankelijkheden van de EU uit de weg te ruimen zonder nieuwe afhankelijkheden te creëren;

11.

wijst nogmaals op het belang van de diversificatie van energiebronnen, -technologieën en -aanvoerroutes, waarbij lock-in-effecten worden vermeden, naast het opzetten van een grootschalig plan voor overheids- en particuliere investeringen in energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en duurzame overheidsinvesteringen op lange termijn in de aanpak van de klimaatverandering en het probleem van de energievoorziening; dringt er daarom bij de Commissie op aan te zorgen voor een betere coördinatie van de planning en financiering voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, in het bijzonder groene waterstof; pleit voor de snelle uitfasering van subsidies voor fossiele brandstoffen;

12.

herhaalt dat de Commissie raamt dat aanvullende investeringen van honderden miljoenen euro’s per jaar (9) nodig zijn om de uitdagingen en kansen met betrekking tot de digitale transformatie, een groene en rechtvaardige transitie en economisch en sociaal herstel tegemoet te treden; benadrukt daarom dat dit hogere investeringsniveau moet worden gestabiliseerd en dat de opwaartse convergentie in de EU nog vele jaren lang zal moeten worden versterkt;

13.

roept de Commissie en de lidstaten op om overheidsinvesteringen en financiële steun, met inbegrip van financiële steun van de overheid aan bedrijven die wordt verleend in het kader van de versoepeling van de regels inzake staatssteun, afhankelijk te maken van relevante eisen die verband houden met doelstellingen van het overheidsbeleid, in het bijzonder sociale, milieu- en financiële eisen, waaraan de begunstigden moeten voldoen zolang zij overheidssteun ontvangen, en tegelijkertijd te zorgen voor eerlijke en open concurrentie, gelijke concurrentievoorwaarden voor onze bedrijven en eerbiediging van de fundamentele beginselen waarop onze interne markt is gebaseerd;

14.

merkt op dat het verzachten van het effect van stijgende energieprijzen op kwetsbare huishoudens van cruciaal belang zal zijn om de armoedecijfers binnen de perken te houden; roept de lidstaten op tot doeltreffendheid en doelgerichtheid bij hun verhoogde sociale uitgaven, met inbegrip van inkomenssteun, om de gevolgen van de stijging van de energieprijzen te verzachten, met name voor huishoudens met een laag inkomen, en om overheidsbeleid ter verhoging van de energie-efficiëntie en de uitbreiding van hernieuwbare energiebronnen te financieren; benadrukt dat bij de loonstijging rekening moet worden gehouden met de inflatie en de productiviteitsgroei op lange termijn, om de koopkracht van de gezinnen op peil te houden;

15.

sluit zich aan bij de oproep van de Raad aan de Commissie om voorstellen in te dienen om het probleem van buitensporige elektriciteitsprijzen doeltreffend aan te pakken en tegelijkertijd de integriteit van de interne markt te behouden; wijst op de huidige kortetermijnopties die de Commissie heeft voorgesteld (directe steun aan consumenten door middel van vouchers, fiscale kortingen of door middel van een groepsaankoopmodel/single, staatssteun, belasting, prijsstops, regelgevende maatregelen zoals contracts for differences) om de gevolgen van de exorbitant hoge prijzen voor burgers en bedrijven te beperken en tegelijk het besmettingseffect op de elektriciteitsmarkten tegen te gaan; is bezorgd over mogelijk marktmisbruik; roept de Commissie op de invloed van de gasprijzen op de werking van de elektriciteitsmarkt te evalueren, met name wat betreft de rol van de gasprijs in de eindprijs;

16.

is ernstig bezorgd over de gevolgen van de Russische oorlog tegen Oekraïne voor de voedselzekerheid van de EU; benadrukt dat de aanpak van de EU inzake voedselzekerheid dringend moet worden verbeterd en dat, waar nodig, de duurzame productiecapaciteit moet worden verhoogd om de algehele afhankelijkheid van het voedselsysteem van de EU te verminderen en meer veerkracht in de voedselvoorzieningsketen in te bouwen; wijst op de grote gevolgen voor de agrovoedingssector door de sterke stijging van de productiekosten, zoals uiteengezet in zijn resolutie van 24 maart 2022 over de behoefte aan een dringend EU-actieplan om voedselzekerheid binnen en buiten de EU te waarborgen in het licht van de Russische invasie in Oekraïne; waarschuwt dat de door veel landen aangekondigde uitvoerbeperkingen tot prijsstijgingen kunnen leiden, de markten kunnen destabiliseren, honger in de hand kunnen werken en speculatieve praktijken kunnen aanwakkeren;

Integratie van tijdelijk ontheemden uit Oekraïne

17.

benadrukt dat de oorlog in Oekraïne en de daaruit voortvloeiende stijging van de kosten van levensonderhoud en het risico van werkloosheid de situatie van gezinnen, vluchtelingen, vrouwen, kinderen die het risico lopen op armoede en sociale uitsluiting of van hen die toegang tot kwaliteitszorg nodig hebben, nog kunnen verergeren, als er geen passende aanvullende beschermende maatregelen worden genomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen te richten op de uitvoering van de Europese kindergarantie met als doel om kinderen die Oekraïne ontvluchten, op voet van gelijkheid met hun nationale EU-gelijken in de gastlanden toegang te bieden tot gratis kwaliteitsdiensten, en de financiering van de Europese kindergarantie dringend te verhogen met een passend budget;

18.

is van mening dat de toegang tot volledige gezondheidszorg voor iedereen, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn geworden van oorlogsmisdaden en in de EU vluchteling zijn, in alle lidstaten gegarandeerd moet worden; roept de lidstaten op tijdelijk ontheemde Oekraïense vrouwen te helpen door universele toegang tot hoogwaardige seksuele en reproductieve gezondheidszorg te waarborgen, zonder discriminatie, dwang en misbruik, de kwestie van rechtsmiddelen aan te pakken en schendingen van de mensenrechten waarvan zij het slachtoffer zijn, te voorkomen; is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat 1,5 miljoen EUR zal worden uitgetrokken voor een speciaal project ter ondersteuning van het Bevolkingsfonds van de VN bij het verlenen van bijstand aan vrouwen en meisjes in Oekraïne in de vorm van diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid;

19.

verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de situatie van niet-begeleide minderjarigen, van hun familie gescheiden kinderen en kinderen uit kindertehuizen in Oekraïne, om ervoor te zorgen dat in hun onmiddellijke behoeften wordt voorzien, dat zij naar behoren worden geïdentificeerd en gevolgd en dat gegevens tussen de lidstaten worden uitgewisseld met het oog op hereniging met hun familie of, indien mogelijk, hun latere re-integratie in de Oekraïense samenleving, waarbij hun bescherming tegen misbruik en mensenhandel wordt gewaarborgd, met name in het geval van jonge vrouwen en meisjes;

20.

benadrukt dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond dat migrerende werknemers een cruciale bijdrage leveren aan de ondersteuning van de Europese economieën; waarschuwt echter dat migrerende werknemers zeer vaak te maken krijgen met slechte arbeids- en levensomstandigheden, het ontbreken van sociale bescherming, ontzegging van de vrijheid van vereniging en van de rechten van werknemers, discriminatie en vreemdelingenhaat, en is bezorgd over gemelde gevallen van uitbuiting van werknemers uit die afkomstig zijn uit Oekraïne; roept de Commissie en de lidstaten op deze gevallen aan te pakken en ervoor te zorgen dat de rechten van Oekraïense werknemers worden beschermd en dat hun integratie plaatsvindt met volledige eerbiediging van de wet en met inachtneming van gelijkheid en non-discriminatie; is van mening dat vakbonden en maatschappelijke organisaties in de hele EU moeten worden gesteund, ook wanneer zij acties voeren om de fundamentele arbeids- en sociale rechten van vluchtelingen te waarborgen, om vluchtelingenwerknemers te organiseren en in vakbonden op te nemen, en om hen mondiger te maken;

21.

roept de Commissie op ook financiële steun te verlenen aan de lidstaten die de rechtsstaat eerbiedigen voor de opvang en de sociale en arbeidsmarktintegratie van vluchtelingen, onder meer voor zorgvoorzieningen, huisvesting, voedsel, materiële hulp, opleidingsprogramma’s en openbare arbeidsbemiddelingsdiensten; benadrukt dat mensen met een handicap die uit Oekraïne komen, gespecialiseerde bescherming en zorg geboden moet worden; roept de lidstaten op om nationale autoriteiten, opvang-, onderwijs- en werkgelegenheidscentra, ngo’s en liefdadigheidsorganisaties te ondersteunen bij het gebruik van het EU-instrument voor het opstellen van een vaardigheidsprofiel voor onderdanen van derde landen;

22.

wijst erop dat de stelsels voor geestelijke gezondheidszorg in Europa beter gefinancierd moeten worden en dat de zorg voor burgers moeilijk toegankelijk kan zijn en verbeterd moet worden; benadrukt dat het nog lastiger is voor vluchtelingen en andere migranten; is van mening dat het van cruciaal belang zal zijn de financiering van klinische geestelijke gezondheidszorg om vluchtelingen te helpen bij het verwerken van trauma’s aanzienlijk op te voeren, naast niet-klinische benaderingen in samenwerking met scholen, gemeenschapsgerichte organisaties en anderen;

Een nieuw veerkrachtpakket voor Europa

Een pakket voor sociale veerkracht voor iedereen

23.

benadrukt dat verwacht wordt dat de economische en sociale situatie in de EU in de komende maanden verder zal verslechteren door een combinatie van nog hogere energieprijzen en dus hogere uitgaven voor verwarming, en een hogere inflatie voor andere goederen en diensten; herhaalt dat gezondheidsrisico’s nog steeds moeten worden gemonitord; acht het van belang dat de EU hierop inspeelt en een beleidskader en concrete initiatieven voor de lidstaten uitwerkt, die erop gericht moeten zijn de meest kwetsbare segmenten van de bevolking tegen de zomer van 2022 te steunen; sluit zich aan bij de oproep van de Raad aan de lidstaten en de Commissie om, met het oog op het volgende winterseizoen, dringend de nodige solidariteits- en compensatiemechanismen in te stellen en samen te werken aan gemeenschappelijke maatregelen;

24.

dringt aan op een tijdelijk Europees pakket voor sociale veerkracht waarin een reeks maatregelen en middelen wordt gecoördineerd om de stelsels van sociale voorzieningen en sociale bescherming in de EU te versterken, met inbegrip van de voortzetting en herfinanciering van SURE zolang de sociaaleconomische gevolgen van de oorlog een negatief effect op de arbeidsmarkt blijven hebben, en een sociale reddingsfaciliteit met meer overheidssteun voor bestaande instrumenten die op de armsten in onze samenleving zijn gericht; roept daarnaast op tot de snelle goedkeuring van het Sociaal Klimaatfonds; dringt aan op meer investeringen in sociale klimaatmaatregelen; roept de lidstaten op een tijdelijke opschorting van de nationale huurindexeringsregelingen te overwegen, indien van toepassing;

25.

verzoekt de Commissie een follow-up van de sociale top van Porto te organiseren met deelname van de EU-instellingen en de sociale partners om de uitdagingen te bespreken van de buitengewone situatie waarin wij ons met de toenemende inflatie bevinden en de sociale gevolgen daarvan, met name wat betreft de levensomstandigheden, een eerlijke herverdeling van de rijkdom over de verschillende groepen in de samenleving en fatsoenlijke lonen, en te werken aan een actualisering van het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten om ervoor te zorgen dat de gestelde doelen worden gehaald door waar nodig aanvullende voorstellen en/of financiële middelen goed te keuren;

26.

benadrukt dat de Commissie een aanbeveling van de Raad zal indienen over een kader voor minimuminkomensregelingen, met als doel het recht op een menswaardig bestaan veilig te stellen, armoede uit te roeien en de kwesties van toereikendheid en dekking aan te pakken, met inbegrip van een non-regressieclausule, aangezien dit dringend nodig is; herinnert eraan dat de Commissie in de landenspecifieke aanbevelingen minimuminkomensregelingen heeft aanbevolen en verklaarde dat niet in alle lidstaten het minimuminkomen boven de armoedegrens is vastgesteld; dringt er voorts op aan dat voor het behalen van diploma’s aan mensen in nood die een beroepsopleiding of tertiair onderwijs willen volgen, toelagen worden toegekend om de kosten van het onderwijs en de basisbehoeften te dekken;

27.

herinnert eraan dat jongeren bijzonder hard zijn getroffen door de COVID-19-crisis wat betreft werkgelegenheid, onderwijs, opleiding en geestelijk welzijn; vreest dat de economische gevolgen van de huidige crisis als gevolg van de Russische agressie in Oekraïne nog veel meer jongeren in Europa werkloos dreigen te maken, met langdurige sociaal-economische gevolgen;

28.

herinnert eraan dat het recht op een toereikende levensstandaard, met inbegrip van huisvesting, is opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; waarschuwt dat de huisvestingsmarkt in Europa nog meer onder druk zal komen te staan en roept de Commissie en de lidstaten derhalve op zich in te zetten voor het waarborgen van toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen door middel van de nationale plannen voor betaalbare huisvesting die in de nationale hervormingsprogramma’s zijn opgenomen; verwelkomt in dit verband het Europees Platform voor de bestrijding van dakloosheid;

29.

waarschuwt dat de aanhoudende oorlog ernstige gevolgen zal hebben voor de mondiale voedselvoorzieningsketens en voedselprijzen, evenals voor de koopkracht; wijst, in het licht van de stijging van de voedselprijzen, op de goedgekeurde verhoogde minimumtoewijzing voor maatregelen op het gebied van sociale integratie in het nieuwe ESF+, alsmede op de 3 % bovenop die voor maatregelen in het kader van FEAD, en spoort de lidstaten aan meer toe te wijzen dan de minimumbedragen die in overeenstemming met ESF+ vereist zijn;

Een economisch steunpakket voor ondernemingen

30.

herhaalt zijn verzoek om gecoördineerd optreden van de EU om de economische en sociale gevolgen van de oorlog van Rusland tegen Oekraïne en van de opgelegde sancties op te vangen; stelt voor een economisch steunpakket voor ondernemingen te creëren, met economische, budgettaire en wetgevingselementen, ten behoeve van kmo’s en overheidsinvesteringen, zonder de klimaatdoelstellingen van de EU voor 2030 en 2050 in gevaar te brengen; is van mening dat een dergelijk pakket op zijn minst het volgende moet omvatten:

a)

de Commissie moet een analyse voorleggen waarin wordt aangegeven welke sectoren het meest te lijden hebben onder de cumulatieve effecten van de hogere energie- en grondstoffenprijzen en de gevolgen van de oorlog, overeenkomstig de doelstellingen van betere regelgeving;

b)

de steun aan bedrijven in dergelijke sectoren moet worden verhoogd door te zorgen voor een soepele toepassing van de regels voor staatssteun en tegelijk eerlijke concurrentie te waarborgen, met inachtneming van de relevante bindende duurzaamheidsvereisten die in de bedrijfsmodellen van de ondernemingen zijn geïntegreerd, zoals een verbod op collectief ontslag, meer energie-efficiëntie, extra gebruik van hernieuwbare energie en streefcijfers voor de vermindering van het gebruik van primaire materialen;

c)

er moet een diversificatiestrategie worden aangenomen om te zorgen voor een betrouwbare aanvoer van grondstoffen en kritieke grondstoffen, zoals zeldzame aardmetalen, en om duurzame bevoorradingsketens te waarborgen in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;

d)

de energieonafhankelijkheid van Russische leveranties en een grotere strategische autonomie moeten gewaarborgd worden, door het verbeteren en waarborgen van grote investeringen in de energie-infrastructuur van de EU, onder meer op het gebied van interconnecties en grensoverschrijdende infrastructuur voor de productie van hernieuwbare energie, en energie-efficiëntie;

e)

het niveau van de EU-garantie in het InvestEU-programma moet worden verhoogd om de investeringen ter ondersteuning van Europese kmo’s te stimuleren, ook met het oog op kapitaalsteun, en er moet een speciaal loket komen voor bedrijven die de gevolgen van de oorlog ondervinden en voor projecten in verband met energieonafhankelijkheid ter ondersteuning van de energie- en klimaatdoelstellingen in dit programma, gefinancierd met nieuwe middelen;

31.

benadrukt de recente conclusies van de Raad, waarin de lidstaten en de Commissie wordt verzocht zo goed mogelijk gebruik te blijven maken van het instrumentarium voor staatssteun, met inbegrip van het nieuwe tijdelijke crisiskader voor staatssteun; wijst in dit verband op het ontbreken van enige duurzaamheid en sociale voorwaarden in het door de Commissie gepresenteerde kader voor staatssteun; dringt er bij de EU-instellingen en lidstaten op aan erop toe te zien dat er financiële overheidssteun voor ondernemingen voor het opvangen van de economische gevolgen van de pandemie en het conflict wordt verstrekt onder de voorwaarde dat de steun wordt gebruikt ten behoeve van de werknemers en niet voor belastingontwijking, het uitbetalen van bonussen aan bestuurders, het uitbetalen van dividenden of de terugkoop van aandelen;

32.

is verheugd over de aanstaande aanneming door de Commissie van een noodinstrument voor de eengemaakte markt; dringt er bij de Commissie op aan in de context van een dergelijk wetgevingskader bepalingen op te nemen waarbij, naar analogie van de stresstests voor financiële instellingen, veerkrachtstresstests voor ondernemingen worden ingesteld die de risico’s van hun toeleveringsketen, met inbegrip van externe factoren en sociale, milieu- en politieke risico’s, in kaart brengen, beoordelen en mogelijke antwoorden daarop bieden;

33.

herinnert aan het belang van een goed functionerende interne markt als ruggengraat van de EU-economie; benadrukt dat de Russische inval in Oekraïne een aantal uitdagingen voor de veerkracht van vraag en aanbod van de EU aan het licht heeft gebracht, die gevolgen hebben voor haar industrieën en de fragmentatie van de interne markt; verzoekt de Commissie nieuwe voorstellen in te dienen om particuliere actoren aan te moedigen in de EU te investeren en met name de interne markt voor diensten te versterken, vooruitgang te boeken met de kapitaalmarktenunie en de bankenunie en gebruik te maken van nieuwe vormen van publiek-private partnerschappen waarbij de staat beperkte financieringsrisico’s op zich neemt om meer investeringsactiviteiten van de particuliere sector aan te trekken, zoals de COVID-steunregelingen voor kmo’s;

Versterking van het vermogen van de EU om op te treden

34.

benadrukt dat de Europese burgers in de Europese respons op de COVID-crisis het gevoel hadden dat de EU hen beschermde en perspectieven bood, met name door de instelling van het SURE-programma en NextGenerationEU (NGEU); benadrukt dat noch het NGEU-fonds, noch de component herstel- en veerkrachtfonds daarvan, noch de flexibiliteit in het kader van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 volstaan om de financiële behoeften als gevolg van de oorlog in Oekraïne te dekken; herinnert eraan dat deze instrumenten niet zijn ontworpen of opgezet in termen van omvang om de nieuwe uitdagingen als gevolg van de Russische agressie en invasie aan te pakken en tegelijkertijd de investeringen in de programma’s en het beleid van de EU te handhaven, met inbegrip van belangrijke prioriteiten zoals de rechtvaardige, groene en digitale transitie;

35.

benadrukt dat optimaal gebruik moet worden gemaakt van de bestaande financieringsmogelijkheden, flexibiliteit en andere bepalingen in de MFK-verordening en het Financieel Reglement; is er echter van overtuigd dat in de EU-begroting in extra flexibiliteit moet worden voorzien om op onvoorziene en dringende behoeften te kunnen inspelen; verzoekt de Commissie de werking van het huidige MFK grondig te evalueren en zo spoedig mogelijk en uiterlijk in het eerste kwartaal van 2023 met een wetgevingsvoorstel te komen voor een algehele herziening van het MFK; verwacht dat bij een dergelijke herziening rekening wordt gehouden met de langetermijngevolgen van de oorlog in Oekraïne en met de genomen noodmaatregelen;

36.

herinnert eraan bereid te zijn alle beschikbare begrotingsinstrumenten van de EU in te zetten om zo krachtig mogelijke financiële steun te verlenen aan de mensen die de oorlog in Oekraïne ontvluchten, en waarschuwt dat die inzet geen afbreuk mag doen aan bestaande programma’s en acties; verzoekt de Commissie na te gaan welke aanvullende niet-toegewezen middelen, met name uit eerdere programmeringsoefeningen, kunnen worden ingezet om Oekraïne te steunen en de gevolgen van de oorlog aan te pakken;

37.

is ingenomen met het plan dat de Commissie in het kader van haar nieuwe REPowerEU-programma heeft geschetst om Europa ruim vóór 2030 onafhankelijk te maken van Russische fossiele brandstoffen, te beginnen met gas, in het licht van de Russische inval in Oekraïne; verzoekt de Commissie na te gaan hoe dit programma samen met de nationale herstel- en veerkrachtplannen kan worden gebruikt om investeringen in de energietransitie vooruit te helpen, onder meer door meerlandenprojecten op het gebied van energiezekerheid te financieren;

38.

roept op tot een snelle uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen op zowel nationaal als Europees niveau, met name op het gebied van energie; is er vast van overtuigd dat dit de strategische autonomie van de EU zou moeten vergroten;

39.

herinnert eraan dat meer dan 200 miljard EUR aan leningen niet is toegekend; verzoekt de lidstaten daarom de niet aangevraagde leningen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te gebruiken voor het dekken van de huidige negatieve economische en sociale kosten die het gevolg zijn van de oorlog, overeenkomstig de verordening inzake de herstel- en veerkrachtfaciliteit;

40.

wijst ook op de conclusies van het IMF dat het begrotingsbeleid beter geschikt is om nieuwe schokken op te vangen dan het monetaire beleid en dat de automatische begrotingsstabilisatoren ongehinderd hun werk moeten kunnen doen, terwijl extra uitgaven moeten worden uitgetrokken voor onder meer humanitaire hulp aan vluchtelingen en voor overdrachten aan huishoudens met een laag inkomen en gerichte steun aan kwetsbare, maar rendabele bedrijven;

41.

wijst op de mededeling van de Commissie over de richtsnoeren voor het begrotingsbeleid voor 2023 (10) en haar oproep om een ondersteunend begrotingsbeleid te blijven voeren en tegelijk klaar te staan om te reageren op de veranderende economische en sociale situatie; verwacht dat de Commissie met een reeks fiscale beleidsmaatregelen komt om op economische schokken en de toename van de armoede te reageren; verwacht in dit verband voorts dat de algemene ontsnappingsclausule geactiveerd blijft zolang de onderliggende rechtvaardiging blijft bestaan; is van oordeel dat het teruggrijpen op de begrotingsregels in de huidige omstandigheden onbedoelde gevolgen kan hebben voor de economie van de EU en voor het vermogen van de lidstaten om de huidige crisis het hoofd te bieden;

42.

maakt van de gelegenheid gebruik om, te midden van de huidige wereldwijde geopolitieke uitdagingen, zoals de COVID-19-pandemie en de invasie van Rusland in Oekraïne, het economisch bestuur van de EU opnieuw te bezien teneinde haar beter bestand te maken tegen schokken en crises, en haar sociale en energiedimensie te versterken; verzoekt de Commissie de alomvattende economische beleidsreactie op de huidige crisis te herzien om de economische en sociale ongelijkheden effectief aan te pakken tegen de achtergrond van de enorme investeringsbehoeften;

43.

roept de Commissie op een herziening van de begrotingsregels van de EU te initiëren; merkt op dat bij de herziening van het kader voor economische governance rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de pandemie, de oorlog en de implicaties voor de energietransitie;

44.

roept op tot de oprichting van een nieuw, specifiek Europees fonds (een Fonds voor strategische autonomie in Europa) om grensoverschrijdende energie-infrastructuur te financieren, lock-in-effecten op fossiele brandstoffen te voorkomen, en hernieuwbare energieproductie en energie-efficiëntie te bevorderen, de weg naar de Europese Green Deal te versterken, evenals cyberveiligheid, industrieel concurrentievermogen, de circulaire economie, voedselzekerheid en duurzame ontwikkeling, en zo de autonomie van Europa veilig te stellen en openbare diensten van hoge kwaliteit in de komende decennia te beschermen; vindt het van groot belang dat dit nieuwe fonds wordt opgericht volgens de gewone wetgevingsprocedure, dat de werking ervan onder volledig toezicht staat van het Europees Parlement, en dat de Commissie met het directe beheer van het fonds wordt belast; benadrukt dat het totaalbedrag ervan moet worden vastgesteld op basis van een duidelijke beoordeling van de kosten en de investeringstekorten; dringt erop aan dat bij dit alles wordt voortgeborduurd op de lessen die uit de NGEU zijn getrokken;

45.

benadrukt dat er tegelijkertijd aanvullende nieuwe eigen middelen van de EU nodig zijn om ten minste de aflossingskosten van de NGEU (hoofdsom en rente) te dekken en een duurzame financiering van de EU-begroting op lange termijn te waarborgen, om te voorkomen dat de financiering van de nieuwe EU-prioriteiten ten koste gaat van bestaande EU-programma’s en -beleidsmaatregelen; is vastbesloten nauwlettend toe te zien op de uitvoering van het overeengekomen en juridisch bindende draaiboek voor de eigen middelen vanaf december 2020; dringt er bij de Raad op aan de onderhandelingen over het eerste pakket eigen middelen van de EU, dat inkomsten uit het koolstofgrensaanpassingsmechanisme, het emissiehandelssysteem en een deel van de winst van de grootste en meest winstgevende multinationals omvat, te bespoedigen om nog voor de afronding van de begrotingsprocedure 2023 tot een akkoord te komen; herhaalt zijn verzoek om het tweede pakket nieuwe eigen middelen onverwijld in te voeren, met inbegrip van een belasting op financiële transacties, en dringt er bij de Commissie op aan vóór december 2023 een voorstel in te dienen; wijst op de noodzaak verdere actie te ondernemen indien de voorgestelde nieuwe eigen middelen niet worden aangenomen of niet het verwachte niveau van inkomsten voor de EU-begroting opleveren; wijst in dit verband op het belang van de regelmatige dialoog over de eigen middelen tussen de drie instellingen;

46.

wijst erop dat, zoals de Europese Raad heeft benadrukt, tijdelijke belastingheffing op of regulerend ingrijpen bij onverhoopte winsten een bron van nationale overheidsfinanciering zou kunnen zijn; roept de Commissie en de lidstaten op tot coördinatie bij de uitwerking van regelingen voor belastingheffing op onverhoopte winsten of andere regulerende maatregelen, om deze te gebruiken om de sociale en economische gevolgen van de oorlog in Oekraïne voor de EU te verzachten;

47.

benadrukt dat de overeenkomst van de tweede pijler van de OESO over minimale effectieve belasting dringend moet worden uitgevoerd, evenals de eerste pijler, die gericht is op een eerlijkere verdeling van winsten en heffingsbevoegdheden tussen landen met betrekking tot de grootste multinationale ondernemingen, waaronder die in de digitale sector (11);

48.

herhaalt dat belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning dringend moeten worden bestreden door middel van verdere hervormingen, waaronder die van de Groep gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, overeenkomstig de aanbevelingen van het Parlement; roept de Raad op overeenstemming te bereiken over de voorstellen van de Commissie voor een herziening van de energiebelastingrichtlijn (12) en voor een richtlijn tot vaststelling van voorschriften ter voorkoming van het misbruik van lege entiteiten voor belastingdoeleinden (13), na het advies van het Parlement daarover;

49.

is ingenomen met de door de Commissie gevraagde haalbaarheidsstudie betreffende een EU-activaregister, naar aanleiding van een specifiek verzoek van het Parlement; merkt op dat een dergelijk mechanisme overheidsinstanties tijdig toegang zou kunnen verschaffen tot informatie over het bezit van waardevolle activa en goederen in de gehele EU en aldus pogingen om financiële gerichte sancties te omzeilen doeltreffend zou kunnen tegengaan, en het witwassen van geld en belastingontduiking en -ontwijking zou kunnen bestrijden; is bovendien van mening dat de Commissie rechtsgebieden buiten de EU moet verzoeken informatie te verstrekken over het bezit van activa van gesanctioneerde personen en entiteiten binnen hun rechtsgebied;

50.

herhaalt zijn oproep om het kader van de onderhandelingen over het wetgevingspakket ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te gebruiken om de bestaande mazen te dichten waardoor de structuren van de uiteindelijke gerechtigden verborgen kunnen blijven, en om ervoor te zorgen dat alle relevante activa die in het bezit zijn van op de lijst geplaatste Russische oligarchen in de EU in beslag worden genomen overeenkomstig het rechtskader van de EU; wijst in dit verband op het werk van de “Freeze and Seize Task Force” van de Commissie;

o

o o

51.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0121.

(2)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0099.

(3)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0206.

(4)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.

(5)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 191.

(6)  Voorstel van de Commissie van 24 november 2021 voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2022 van de Commissie en de Raad (COM(2021)0743).

(7)  https://www.iea.org/reports/a-10-point-plan-to-reduce-the-european-unions-reliance-on-russian-natural-gas

(8)  Mededeling van de Commissie van 8 maart 2022 getiteld “REPowerEU: een gemeenschappelijk Europees optreden voor betaalbaardere, veiligere en duurzamere energie” (COM(2022)0108).

(9)  Werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 mei 2020, getiteld “Identifying Europe’s Recovery Needs” (SWD(2020)0098), blz. 16 ev.

(10)  Mededeling van de Commissie van 2 maart 2022 getiteld “Richtsnoeren voor het begrotingsbeleid voor 2023” (COM(2022)0085).

(11)  Zie het antwoord van commissaris Gentiloni van 15 februari 2022 op schriftelijke vraag E-005563/2021 over belastinginkomsten van de lidstaten en de EU naar aanleiding van de OESO-overeenkomst.

(12)  Voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad van 14 juli 2021 tot herstructurering van de Unie regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (herschikking) (COM(2021)0563).

(13)  Voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad van 22 december 2021 tot vaststelling van regels ter voorkoming van misbruik van lege entiteiten voor belastingdoeleinden (COM(2021)0565).


III Voorbereidende handelingen

Europees Parlement

Donderdag, 19 mei 2022

16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/86


P9_TA(2022)0208

Tijdelijke liberalisering van de handel bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst EU/Oekraïne ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot tijdelijke liberalisering van de handel bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (COM(2022)0195 — C9-0159/2022 — 2022/0138(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2022/C 479/09)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0195),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0159/2022),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 mei 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0146/2022),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P9_TC1-COD(2022)0138

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 mei 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad inzake tijdelijke handelsliberaliseringsmaatregelen bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/870.)


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/87


P9_TA(2022)0209

Het bij Eurojust bewaren, analyseren en opslaan van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en daarmee verband houdende strafbare feiten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het bij Eurojust verzamelen, bewaren en analyseren van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden (COM(2022)0187 — C9-0155/2022 — 2022/0130(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2022/C 479/10)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0187),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 85 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0155/2022),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 mei 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P9_TC1-COD(2022)0130

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 mei 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1727, wat betreft het bij Eurojust bewaren, analyseren en opslaan van bewijsmateriaal in verband met genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en daarmee verband houdende strafbare feiten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/838.)


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/88


P9_TA(2022)0210

Verordening (EU) 2016/1628: verlenging van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1628 wat betreft de verlenging van de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen (COM(2022)0113 — C9-0119/2022 — 2022/0080(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2022/C 479/11)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0113),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0119/2022),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 mei 2022 (1),

gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 11 mei 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


P9_TC1-COD(2022)0080

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 mei 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1628 wat betreft de verlenging van de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/992.)


16.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 479/89


P9_TA(2022)0216

Minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2022 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing van multinationale groepen in de Unie (COM(2021)0823 — C9-0040/2022 — 2021/0433(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging)

(2022/C 479/12)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2021)0823),

gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9-0040/2022),

gezien artikel 82 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0140/2022),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Amendement 1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)

Bij de uitvoering van de door de lidstaten overeengekomen GloBE-modelvoorschriften moet zo nauw mogelijk worden aangesloten bij het mondiale akkoord. Deze richtlijn volgt nauwgezet de inhoud en de structuur van de GloBE-modelvoorschriften. Om de verenigbaarheid met het primaire Unierecht en meer in het bijzonder met de vrijheid van vestiging te waarborgen, moeten de regels van deze richtlijn van toepassing zijn zowel op in een lidstaat ingezeten entiteiten als op niet-ingezeten entiteiten van een moederentiteit gelegen in die lidstaat. Deze richtlijn moet ook van toepassing zijn op zeer omvangrijke louter binnenlandse groepen. Op die manier wordt het wettelijke kader zo opgezet dat elke vorm van discriminatie tussen grensoverschrijdende en binnenlandse situaties wordt vermeden. Alle entiteiten, met inbegrip van de moederentiteit die de IIR toepast, die zijn gelegen in een lidstaat waar laag belast wordt, worden onderworpen aan de bijheffing. Evenzo worden groepsentiteiten van dezelfde moederentiteit die zijn gelegen in een andere lidstaat waar laag belast wordt, onderworpen aan de bijheffing.

(6)

Bij de uitvoering van de door de lidstaten overeengekomen GloBE-modelvoorschriften moet zo nauw mogelijk worden aangesloten bij het mondiale akkoord. Het succes van het akkoord staat of valt met een transparante en consistente uitvoering ervan in de Unie en daarbuiten. Deze richtlijn volgt in grote lijnen de inhoud en de structuur van de GloBE-modelvoorschriften , maar wijkt daar op bepaalde punten vanaf, onder meer ten aanzien van de toepassing van bepaalde regels in de Unie . Om de verenigbaarheid met het primaire Unierecht en meer in het bijzonder met de vrijheid van vestiging te waarborgen, moeten de regels van deze richtlijn van toepassing zijn zowel op in een lidstaat ingezeten entiteiten als op niet-ingezeten entiteiten van een moederentiteit gelegen in die lidstaat. Deze richtlijn moet ook van toepassing zijn op zeer omvangrijke louter binnenlandse groepen. Op die manier wordt het wettelijke kader zo opgezet dat elke vorm van discriminatie tussen grensoverschrijdende en binnenlandse situaties wordt vermeden. Alle entiteiten, met inbegrip van de moederentiteit die de IIR toepast, die zijn gelegen in een lidstaat waar laag belast wordt, worden onderworpen aan de bijheffing. Evenzo worden groepsentiteiten van dezelfde moederentiteit die zijn gelegen in een andere lidstaat waar laag belast wordt, onderworpen aan de bijheffing.

Amendement 2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)

Er moet worden gegarandeerd dat belastingontwijkingspraktijken worden ontmoedigd, maar er moet evenzeer worden vermeden dat kleinere MNO’s op de interne markt negatieve gevolgen ondervinden. Daarom mag deze richtlijn slechts van toepassing zijn op in de Unie gelegen entiteiten die deel uitmaken van een MNO-groep of omvangrijke binnenlandse groep met een jaarlijkse geconsolideerde inkomensdrempel van ten minste 750 000 000  EUR. Deze drempel is in overeenstemming met de drempel van bestaande internationale belastingregels zoals de regels inzake verslaglegging per land (9). Entiteiten die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, worden groepsentiteiten genoemd. Bepaalde entiteiten moeten van het toepassingsgebied worden uitgesloten op grond van hun specifieke doel en status. Het betreft hier entiteiten die geen winstoogmerk hebben en activiteiten verrichten in het algemeen belang en die derhalve normaal niet onderworpen zijn aan belasting in de lidstaat waar zij zijn gelegen. Om die specifieke belangen te beschermen, is het noodzakelijk om overheidslichamen, internationale organisaties, non-profitorganisaties en pensioenfondsen uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn. Ook beleggingsfondsen en vastgoedbeleggingsvehikels moeten van het toepassingsgebied worden uitgesloten als zij bovenaan de eigendomsketen staan, omdat bij dergelijke zogenaamde doorstroomentiteiten de gegeneerde inkomsten worden belast bij de eigenaren.

(7)

Er moet worden gegarandeerd dat belastingontwijkingspraktijken worden ontmoedigd, maar er moet evenzeer worden vermeden dat kleinere MNO’s op de interne markt negatieve gevolgen ondervinden. Daarom mag deze richtlijn slechts van toepassing zijn op in de Unie gelegen entiteiten die deel uitmaken van een MNO-groep of omvangrijke binnenlandse groep met een jaarlijkse geconsolideerde inkomensdrempel van 750 000 000  EUR. Deze drempel is in overeenstemming met de drempel van bestaande internationale belastingregels zoals de regels inzake verslaglegging per land (9) en moet daarom door alle lidstaten in acht worden genomen . De Commissie moet erop toezien hoe en in welke mate de lidstaten de GloBE-modelvoorschriften op kleinere entiteiten toepassen, en passende maatregelen treffen indien zij deze toepassen op een wijze die strijdig is met de beginselen van het Unierecht of de integriteit van de interne markt ondermijnt. Entiteiten die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, worden groepsentiteiten genoemd. Bepaalde entiteiten moeten van het toepassingsgebied worden uitgesloten op grond van hun specifieke doel en status. Het betreft hier entiteiten die geen winstoogmerk hebben en activiteiten verrichten in het algemeen belang en die derhalve normaal niet onderworpen zijn aan belasting in de lidstaat waar zij zijn gelegen. Om die specifieke belangen te beschermen, is het noodzakelijk om overheidslichamen, internationale organisaties, non-profitorganisaties en pensioenfondsen uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn. Ook beleggingsfondsen en vastgoedbeleggingsvehikels moeten van het toepassingsgebied worden uitgesloten als zij bovenaan de eigendomsketen staan, omdat bij dergelijke zogenaamde doorstroomentiteiten de gegeneerde inkomsten worden belast bij de eigenaren.

Amendement 3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)

Om de lidstaten de vruchten te laten plukken van de opbrengsten van de bijheffing op de laagbelaste groepsentiteiten op hun grondgebied, moeten zij ervoor kunnen kiezen om een systeem van binnenlandse bijheffing toe te passen. Groepsentiteiten van een MNO-groep in een lidstaat die ervoor heeft gekozen om in zijn binnenlandse belastingstelsel regels toe te passen die gelijkwaardig zijn aan de IIR en de UTPR, moeten de bijheffing aan deze lidstaat betalen. Hoewel de lidstaten enige flexibiliteit krijgen bij de technische uitvoering van het systeem van binnenlandse bijheffing, moet een dergelijk systeem toch garanderen dat het kwalificerende inkomen of verlies van de groepsentiteiten op dezelfde of op een gelijkwaardige wijze als de IIR en de UTPR van deze richtlijn aan een minimale effectieve belasting wordt onderworpen .

(13)

Om de lidstaten de vruchten te laten plukken van de opbrengsten van de bijheffing op de laagbelaste groepsentiteiten op hun grondgebied, moeten zij de mogelijkheid hebben om een systeem van binnenlandse bijheffing toe te passen. Groepsentiteiten van een MNO-groep in een lidstaat die ervoor heeft gekozen om in zijn binnenlandse belastingstelsel regels toe te passen die gelijkwaardig zijn aan de IIR en de UTPR, moeten de bijheffing aan deze lidstaat betalen. Hoewel de lidstaten enige flexibiliteit krijgen bij de technische uitvoering van de binnenlandse bijheffing, moet de Groep gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) van de Raad nauwgezet toezien op de toepassing van die belasting . De Commissie moet in dat verband bijstand verlenen.

Amendement 4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)

Om een evenredige aanpak te waarborgen, moet rekening worden gehouden met bepaalde specifieke situaties van lagere BEPS-risico’s. In de richtlijn moet daarom een substance-uitzondering worden opgenomen op basis van de kosten in verband met werknemers en de waarde van materiële activa in een gegeven jurisdictie. Zo kunnen — tot op bepaalde hoogte — situaties worden aangepakt waarin een MNO-groep of een omvangrijke binnenlandse groep economische activiteiten verricht die een materiële aanwezigheid in een laagbelaste jurisdictie vereisten, omdat in een dergelijk geval BEPS-praktijken maar weinig voordeel zouden opleveren. Voorts moet rekening worden gehouden met het specifieke geval van MNO-groepen die zich in de beginfase van hun internationale activiteiten bevinden, om geen obstakels op te werpen voor het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten voor MNO-groepen die in hun binnenlandse jurisdictie waar zij hoofdzakelijk actief zijn, laag worden belast. De laagbelaste binnenlandse activiteiten van dergelijke groepen moeten daarom gedurende een overgangsperiode van vijf jaar, en op voorwaarde dat de MNO-groep in niet meer dan zes andere jurisdicties groepsentiteiten heeft, van de toepassing van de regels worden uitgesloten. Om een gelijke behandeling van omvangrijke binnenlandse groepen te waarborgen, moet ook het inkomen uit de activiteiten van dergelijke groepen gedurende een overgangsperiode van vijf jaar worden uitgesloten.

(14)

Om een evenredige aanpak te waarborgen, moet rekening worden gehouden met bepaalde specifieke situaties van lagere BEPS-risico’s. In de richtlijn moet daarom een substance-uitzondering worden opgenomen op basis van de kosten in verband met werknemers en de waarde van materiële activa in een gegeven jurisdictie. Zo kunnen — tot op bepaalde hoogte — situaties worden aangepakt waarin een MNO-groep of een omvangrijke binnenlandse groep economische activiteiten verricht die een materiële aanwezigheid in een laagbelaste jurisdictie vereisten, omdat in een dergelijk geval BEPS-praktijken maar weinig voordeel zouden opleveren. Voorts moet rekening worden gehouden met het specifieke geval van MNO-groepen die zich in de beginfase van hun internationale activiteiten bevinden, om geen obstakels op te werpen voor het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten voor MNO-groepen die in hun binnenlandse jurisdictie waar zij hoofdzakelijk actief zijn, laag worden belast. De laagbelaste binnenlandse activiteiten van dergelijke groepen moeten daarom gedurende een overgangsperiode van drie jaar, en op voorwaarde dat de MNO-groep in niet meer dan zes andere jurisdicties groepsentiteiten heeft, van de toepassing van de regels worden uitgesloten. Om een gelijke behandeling van omvangrijke binnenlandse groepen te waarborgen, moet ook het inkomen uit de activiteiten van dergelijke groepen gedurende een overgangsperiode van drie jaar worden uitgesloten.

Amendement 5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)

Om een evenwicht te bereiken tussen de doelstellingen van de hervorming voor mondiale minimumbelastingheffing en de administratieve lasten voor de belastingdiensten en belastingplichtigen, moet deze richtlijn voorzien in een de minimis-uitzondering voor MNO-groepen of omvangrijke binnenlandse groepen met een gemiddeld inkomen van minder dan 10 000 000  EUR en een gemiddeld kwalificerend inkomen of verlies van minder dan 1 000 000  EUR in een jurisdictie. Aan dergelijke MNO-groepen of omvangrijke binnenlandse groepen mag geen bijheffing worden opgelegd ook als hun effectieve belastingtarief onder het minimumbelastingtarief in die jurisdictie ligt.

(16)

In overeenstemming met de overeenkomst over het inclusief kader inzake BEPS van de OESO/G20 voorziet deze richtlijn in een de-minimis-uitzondering voor MNO-groepen of omvangrijke binnenlandse groepen met een gemiddeld inkomen van minder dan 10 000 000  EUR en een gemiddeld kwalificerend inkomen of verlies van minder dan 1 000 000  EUR in een jurisdictie. Aan dergelijke MNO-groepen of omvangrijke binnenlandse groepen mag geen bijheffing worden opgelegd ook als hun effectieve belastingtarief onder het minimumbelastingtarief in die jurisdictie ligt.

Amendement 6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)

Voor een efficiënte toepassing van het systeem is het van wezenlijk belang dat procedures op groepsniveau worden gecoördineerd. Er zal een systeem moeten worden opgezet dat een ongehinderde informatiestroom garandeert binnen de MNO-groep en naar de belastingdiensten waar de groepsentiteiten zijn gelegen. De primaire verantwoordelijkheid voor het indienen van de informatieaangifte moet bij de groepsentiteit zelf liggen. Zij moet evenwel van die verantwoordelijkheid worden ontheven wanneer de MNO-groep een andere entiteit heeft aangewezen om de informatieaangifte in te dienen en te delen. Dat kan een lokale entiteit zijn of een entiteit uit een andere jurisdictie waarvoor een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten bestaat met de lidstaat van de groepsentiteit. In de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn moet de Commissie een evaluatie van de richtlijn verrichten in overeenstemming met het door het inclusief kader bereikte akkoord over de aangiftevereisten in het kader van het GloBE-uitvoeringskader. Gelet op de nalevingsaanpassingen die dit systeem vereist, moeten groepen die voor het eerst onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, een periode van 18 maanden krijgen om aan de informatievereisten te voldoen.

(18)

Voor een efficiënte toepassing van het systeem is het van wezenlijk belang dat procedures op groepsniveau worden gecoördineerd. Er zal een systeem moeten worden opgezet dat een ongehinderde informatiestroom garandeert binnen de MNO-groep en naar de belastingdiensten waar de groepsentiteiten zijn gelegen. De primaire verantwoordelijkheid voor het indienen van de informatieaangifte moet bij de groepsentiteit zelf liggen. Zij moet evenwel van die verantwoordelijkheid worden ontheven wanneer de MNO-groep een andere entiteit heeft aangewezen om de informatieaangifte in te dienen en te delen. Dat kan een lokale entiteit zijn of een entiteit uit een andere jurisdictie waarvoor een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten bestaat met de lidstaat van de groepsentiteit. In de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn moet de Commissie , op grond van desbetreffende gedelegeerde handelingen, een evaluatie van de richtlijn verrichten in overeenstemming met het door het inclusief kader bereikte akkoord over de aangiftevereisten in het kader van het GloBE-uitvoeringskader. Gelet op de nalevingsaanpassingen die dit systeem vereist, moeten groepen die voor het eerst onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, een periode van 18 maanden krijgen om aan de informatievereisten te voldoen.

Amendement 7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)

Gelet op de voordelen van transparantie op het gebied van de belastingen is het bemoedigend dat een aanzienlijke hoeveelheid informatie zal worden verstrekt aan de belastingautoriteiten in alle deelnemende jurisdicties. MNO-groepen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, moeten de verplichting hebben om uitgebreide en gedetailleerde informatie te verstrekken over hun winsten en effectieve belastingtarief in elke jurisdictie waar zij groepsentiteiten hebben. Er kan worden verwacht dat een dergelijke uitgebreide rapportage de transparantie ten goede zal komen.

(19)

Gelet op de voordelen van transparantie op het gebied van de belastingen is het bemoedigend dat een aanzienlijke hoeveelheid informatie zal worden verstrekt aan de belastingautoriteiten in alle deelnemende jurisdicties. MNO-groepen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, moeten de verplichting hebben om uitgebreide en gedetailleerde informatie te verstrekken over hun winsten en effectieve belastingtarief in elke jurisdictie waar zij groepsentiteiten hebben. Er kan worden verwacht dat een dergelijke uitgebreide rapportage de transparantie ten goede zal komen. Grotere transparantie bij financiële bekendmakingen resulteert in voordelen voor belastingautoriteiten en in meer zekerheid voor belastingbetalers. In dat verband zal Richtlijn 2011/16/EU van de Raad  (1 bis) een rol spelen bij het faciliteren van de toepassing van deze richtlijn, en zal de toekomstige herziening van Richtlijn 2011/16/EU onderworpen worden aan een effectbeoordeling, die ten laatste op 31 december 2022 moet worden verricht.

Amendement 8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis)

Er moet worden gezorgd voor monitoring van potentieel schadelijke en verstorende maatregelen die gericht zijn op het compenseren van de potentiële verhoging van de vennootschapsbelasting, en de mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende staatssteun op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen moet in voorkomend geval worden geactualiseerd.

Amendement 9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 ter)

De Groep gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) van de Raad moet voortdurend toezien op de ontwikkeling van de standaarden voor financiële verslaglegging en de toepassing daarvan om de belastingen te minimaliseren. De Groep moet zo nodig met voorstellen komen om de regels voor het bepalen van de winst aan te passen. De Commissie moet in dat verband bijstand verlenen.

Amendement 10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)

De doeltreffendheid en billijkheid van de hervorming voor mondiale minimumbelastingheffing hangen sterk af van de uitvoering die er wereldwijd aan wordt gegeven . Het zal derhalve van vitaal belang zijn dat alle belangrijke handelspartners van de Unie een gekwalificeerde IIR dan wel een gelijkwaardige reeks regels inzake minimumbelasting toepassen. In dit verband, en ter ondersteuning van de rechtszekerheid en de efficiëntie van de regels voor een mondiale minimumbelasting, is het zaak nader te omschrijven onder welke voorwaarden de in een derdelands jurisdictie ten uitvoer gelegde regels die geen omzetting van de regels van het mondiale akkoord inhouden, als gelijkwaardig met een gekwalificeerde IIR kunnen worden aangemerkt. Te dien einde moet deze richtlijn erin voorzien dat de Commissie, op basis van bepaalde parameters, een beoordeling van de gelijkwaardigheidscriteria verricht en dat er een lijst van derdelands jurisdicties wordt opgesteld die aan de gelijkwaardigheidscriteria voldoen. Deze lijst kan door middel van een gedelegeerde handeling worden gewijzigd nadat er een beoordeling is verricht van het wettelijke kader dat door een derdelands jurisdictie in haar interne recht ten uitvoer is gelegd.

(20)

De doeltreffendheid en billijkheid van de hervorming voor mondiale minimumbelastingheffing hangen sterk af van de snelheid en consistentie waarmee deze wereldwijd en door de lidstaten van de Unie uiterlijk in 2023 wordt uitgevoerd . Het zal derhalve van vitaal belang zijn dat alle belangrijke handelspartners van de Unie een gekwalificeerde IIR dan wel een gelijkwaardige reeks regels inzake minimumbelasting toepassen. In dit verband, en ter ondersteuning van de rechtszekerheid en de efficiëntie van de regels voor een mondiale minimumbelasting, is het zaak nader te omschrijven onder welke voorwaarden de in een derdelands jurisdictie ten uitvoer gelegde regels die geen omzetting van de regels van het mondiale akkoord inhouden, als gelijkwaardig met een gekwalificeerde IIR kunnen worden aangemerkt. Te dien einde moet deze richtlijn erin voorzien dat de Commissie, op basis van bepaalde parameters, een eerste beoordeling van de gelijkwaardigheidscriteria verricht en dat er een lijst van derdelands jurisdicties wordt opgesteld die tijdig aan de gelijkwaardigheidscriteria voldoen. Deze lijst kan door middel van een gedelegeerde handeling worden gewijzigd nadat er een beoordeling is verricht van het wettelijke kader dat door een derdelands jurisdictie in haar interne recht ten uitvoer is gelegd. De uitvoering van deze richtlijn vereist een grotere uitwisseling van informatie tussen de jurisdicties van de lidstaten en van derde landen. Hiertoe moet Richtlijn 2011/16/EU worden herzien in overeenstemming met de toekomstige werkzaamheden van de OESO met betrekking tot de uitwerking van een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten tegen eind 2022.

Amendement 11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(21 bis)

De GloBE-modelvoorschriften, in het bijzonder die betreffende veilige havens die beogen de aangiftevereisten voor groepsentiteiten te vereenvoudigen, zullen vermoedelijk worden gewijzigd. Deze richtlijn moet voorzien in passende waarborgen voor de controle van die entiteiten. Daartoe moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om te garanderen dat deze richtlijn in overeenstemming blijft met de internationale verbintenissen van de lidstaten.

Amendement 12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 23 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(23 bis)

In deze richtlijn wordt een herzieningsclausule opgenomen om ervoor te zorgen dat de toepassing van deze richtlijn vijf jaar na de inwerkingtreding ervan aan een grondige evaluatie wordt onderworpen. Die herziening moet betrekking hebben op het beoordelen en heroverwegen van de vooruitgang bij de wereldwijde uitvoering van de OESO-overeenkomst/de GloBE-modelvoorschriften, alsook bepaalde vrijstellingen en afwijkingen, met name met betrekking tot uitdelingsbelastingstelsels en op substance gebaseerde inkomensexclusie, de relevantie van de drempel voor MNO-groepen en omvangrijke binnenlandse ondernemingen wat het toepassingsgebied en de invloed op de belastinginkomsten van ontwikkelingslanden aangaat. In het kader van de herziening zouden, indien nodig, ook aanpassingen aan de GloBE-modelvoorschriften in de Uniewetgeving kunnen worden geïntegreerd.

Amendement 13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(24 bis)

In de context van het inclusief kader inzake BEPS van de OESO/G20 bestaat de zogenaamde Pijler 2, naast twee regels die in de nationale belastingwetgeving moeten worden opgenomen, uit een verdragsrechtelijke onderworpenheidsregel, te weten de Subject-to-Tax Rule (STTR), op grond waarvan bronjurisdicties beperkte bronbelasting mogen heffen op bepaalde betalingen van verbonden partijen die onder een minimumtarief aan belasting onderworpen zijn. De Commissie doet er goed aan de lidstaten te adviseren om hun bilaterale belastingverdragen met lage-inkomenslanden te wijzigen, teneinde deze regel daarin op te nemen.

Amendement 14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 — lid 1 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Een groepsentiteit, met uitzondering van een doorstroomentiteit, wordt geacht te zijn gelegen in de jurisdictie waar zij op basis van haar plaats van leiding, plaats van oprichting of soortgelijke criteria wordt aangemerkt als fiscaal inwoner.

Een groepsentiteit, met uitzondering van een doorstroomentiteit, wordt geacht te zijn gelegen in de jurisdictie waar zij op basis van haar plaats van effectieve leiding, dat wil zeggen de plaats waar belangrijke management- en zakelijke beslissingen worden genomen die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, plaats van oprichting of soortgelijke criteria die daadwerkelijke economische activiteiten als bedoeld in deze richtlijn en de GloBE-modelvoorschriften weerspiegelen, wordt aangemerkt als fiscaal inwoner.

Amendement 15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 bis

Regels ter voorkoming van ontwijking

1.     Voor de berekening van de bijheffing laten de lidstaten een constructie of een reeks van constructies buiten beschouwing die is of zijn opgezet met als hoofddoel een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is of zijn. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.

2.     Voor de toepassing van lid 1 wordt een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig beschouwd wanneer zij niet is of zijn opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.

3.     Een constructie of een reeks van constructies die overeenkomstig lid 1 buiten beschouwing wordt gelaten, wordt voor de berekening van de heffingsgrondslag behandeld op basis van haar economische substance.

4.     Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 52 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van gedetailleerdere regels ter bestrijding van belastingontwijking, met name om rekening te houden met toekomstige aanpassingen van de GloBE-modelvoorschriften.

Amendement 16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Wanneer het bedrag van de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing dat is meegenomen in de berekening van de jurisdictionele bijheffing overeenkomstig artikel 26 voor een verslagjaar, in de loop van de drie daaropvolgende verslagjaren niet volledig is betaald, wordt het niet-betaalde bedrag van de binnenlandse bijheffing toegevoegd aan de jurisdictionele bijheffing die is berekend overeenkomstig artikel 26, lid 3.

3.   Wanneer het bedrag van de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing dat is meegenomen in de berekening van de jurisdictionele bijheffing overeenkomstig artikel 26 voor een verslagjaar, in de loop van het daaropvolgende verslagjaar niet volledig is betaald, wordt het niet-betaalde bedrag van de binnenlandse bijheffing toegevoegd aan de jurisdictionele bijheffing die is berekend overeenkomstig artikel 26, lid 3.

Amendement 17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 — lid 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

8 bis.     De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de betekenis van de in de leden 5 en 6 van dit artikel gebruikte termen nader verduidelijken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 52 bis bedoelde onderzoeksprocedure.

Amendement 18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 — lid 8 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

8 ter.     Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 52 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de formule in lid 5 van dit artikel, om rekening te houden met dienovereenkomstige aanpassingen aan de GloBE-modelvoorschriften.

Amendement 19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 — lid 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

11 bis.     De Commissie mag overeenkomstig artikel 52 gedelegeerde handelingen vaststellen tot wijziging van de definities die zijn vervat in lid 1 van dit artikel, of tot wijziging van de posten waarvoor aanpassingen zijn voorzien in de leden 2, 3, 6, 7, 10 en 11 van dit artikel, met name in het licht van toekomstige aanpassingen van de GloBE-modelvoorschriften.

Amendement 20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de betekenis van de in lid 1 van dit artikel gebruikte termen nader verduidelijken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 52 bis bedoelde onderzoeksprocedure.

Amendement 21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 — lid 7 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Een uitgestelde belastingverplichting die niet is betaald of teruggedraaid binnen de vijf daaropvolgende verslagjaren, wordt teruggenomen voor zover zij in aanmerking was genomen in het totale bedrag van de correctie voor uitgestelde belastingen van een groepsentiteit.

Een uitgestelde belastingverplichting die niet is betaald of teruggedraaid binnen de drie daaropvolgende verslagjaren, wordt teruggenomen voor zover zij in aanmerking was genomen in het totale bedrag van de correctie voor uitgestelde belastingen van een groepsentiteit.

Amendement 22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 — lid 7 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het bedrag van de teruggenomen uitgestelde belastingverplichtingen dat voor het verslagjaar is bepaald, wordt aangemerkt als een vermindering van de betrokken belasting van het vijfde voorgaande verslagjaar, en het effectieve belastingtarief en de bijheffing van dat verslagjaar worden herberekend overeenkomstig artikel 28, lid 1.

Het bedrag van de teruggenomen uitgestelde belastingverplichtingen dat voor het verslagjaar is bepaald, wordt aangemerkt als een vermindering van de betrokken belasting van het derde voorgaande verslagjaar, en het effectieve belastingtarief en de bijheffing van dat verslagjaar worden herberekend overeenkomstig artikel 28, lid 1.

Amendement 23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 — lid 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

8 bis.     Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 52 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bestanddelen waarvoor op basis van lid 8 van dit artikel een uitzondering op terugname geldt, met name om rekening te houden met toekomstige aanpassingen van de GloBE-modelvoorschriften.

Amendement 24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 — lid 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

9 bis.     De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de betekenis van de termen die in de definities in lid 1 van dit artikel worden gebruikt, nader verduidelijken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 52 bis bedoelde onderzoeksprocedure.

Amendement 25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29 — lid 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.     De Commissie kan overeenkomstig artikel 52 gedelegeerde handelingen vaststellen tot wijziging van de bedragen in lid 1 van dit artikel, met name om rekening te houden met toekomstige aanpassingen van de GloBE-modelvoorschriften.

Amendement 26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 31 — lid 4 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   Wanneer één MNO-groep wordt gesplitst in twee of meer groepen (elk een “gesplitste groep”), wordt de geconsolideerde inkomensdrempel geacht te zijn bereikt door elke afgesplitste groep indien deze rapporteert:

4.   Wanneer één MNO-groep wordt gesplitst in twee of meer groepen (elk een “gesplitste groep”), wordt de geconsolideerde inkomensdrempel geacht te zijn bereikt door elke afgesplitste groep gedurende ten minste zes jaar na de splitsing indien deze rapporteert:

Amendement 27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 41 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Overeenkomstig de keuze van de indienende groepsentiteit mag een groepsentiteit-eigenaar van een beleggingsentiteit een methode van belastbare uitkering toepassen ten aanzien van haar eigendomsbelang in de beleggingsentiteit, op voorwaarde dat de groepsentiteit-eigenaar geen beleggingsentiteit is en redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij aan belasting over uitkeringen van de beleggingsentiteit onderworpen is tegen een belastingtarief dat gelijk is aan of groter dan het minimumbelastingtarief.

1.   Overeenkomstig de keuze van de indienende groepsentiteit mag een groepsentiteit-eigenaar van een beleggingsentiteit of een verzekeringsbeleggingsentiteit een methode van belastbare uitkering toepassen ten aanzien van haar eigendomsbelang in de beleggingsentiteit, op voorwaarde dat de groepsentiteit-eigenaar geen beleggingsentiteit is en redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij aan belasting over uitkeringen van de beleggingsentiteit onderworpen is tegen een belastingtarief dat gelijk is aan of groter dan het minimumbelastingtarief.

Amendement 28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 42 — lid 2 — alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Indien door andere groepsentiteiten van de MNO-groep geen groepsentiteit is aangewezen, is de aangewezen lokale entiteit die de aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet doen de wat jaarinkomen over de laatste twee opeenvolgende jaren betreft omvangrijkste entiteit van de MNO-groep die in dezelfde lidstaat is gelegen.

Amendement 29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 42 — lid 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

7 bis.     De Raad, handelend met eenparigheid van stemmen op basis van een voorstel van de Commissie en na inwinning van het advies van het Europees Parlement, stelt de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering van de in deze richtlijn bedoelde aangifteverplichtingen en waarborgt de noodzakelijke uitwisseling van informatie.

Amendement 30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De overeenkomstig artikel 5, lid 2, door een in een lidstaat gelegen uiteindelijkemoederentiteit verschuldigde bijheffing wordt tot nul verminderd in de eerste vijf jaar van het beginstadium van de internationale activiteit van de MNO-groep, onverminderd de vereisten van hoofdstuk V.

1.   De overeenkomstig artikel 5, lid 2, door een in een lidstaat gelegen uiteindelijkemoederentiteit verschuldigde bijheffing wordt tot nul verminderd in de eerste drie jaar van het beginstadium van de internationale activiteit van de MNO-groep, onverminderd de vereisten van hoofdstuk V.

Amendement 31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Wanneer de uiteindelijkemoederentiteit van een MNO-groep in een derdelands jurisdictie is gelegen, wordt de overeenkomstig artikel 13, lid 2, door een in een lidstaat gelegen groepsentiteit verschuldigde bijheffing tot nul verminderd in de eerste vijf jaar van het beginstadium van de internationale activiteit van de MNO-groep, onverminderd de vereisten van hoofdstuk V.

2.   Wanneer de uiteindelijkemoederentiteit van een MNO-groep in een derdelands jurisdictie is gelegen, wordt de overeenkomstig artikel 13, lid 2, door een in een lidstaat gelegen groepsentiteit verschuldigde bijheffing tot nul verminderd in de eerste drie jaar van het beginstadium van de internationale activiteit van de MNO-groep, onverminderd de vereisten van hoofdstuk V.

Amendement 32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 — lid 4 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De in de leden 1 en 2 bedoelde periode van vijf verslagjaren vangt aan bij het begin van het verslagjaar waarin de MNO-groep voor het eerst onder de toepassing van deze richtlijn valt.

De in de leden 1 en 2 bedoelde periode van drie verslagjaren vangt aan bij het begin van het verslagjaar waarin de MNO-groep voor het eerst onder de toepassing van deze richtlijn valt.

Amendement 33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 — lid 4 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor MNO-groepen die onder de toepassing van deze richtlijn vallen op het ogenblik dat deze in werking treedt, vangt de in lid 1 bedoelde periode van vijf jaar aan op 1 januari 2023.

Voor MNO-groepen die onder de toepassing van deze richtlijn vallen op het ogenblik dat deze in werking treedt, vangt de in lid 1 bedoelde periode van drie jaar aan op 1 januari 2023.

Amendement 34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 — lid 4 — alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor MNO-groepen die onder de toepassing van deze richtlijn vallen op het ogenblik dat deze in werking treedt, vangt de in lid 2 bedoelde periode van vijf jaar aan op 1 januari 2024.

Voor MNO-groepen die onder de toepassing van deze richtlijn vallen op het ogenblik dat deze in werking treedt, vangt de in lid 2 bedoelde periode van drie jaar aan op 1 januari 2024.

Amendement 35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 50 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De overeenkomstig artikel 49 door een in een lidstaat gelegen uiteindelijkemoederentiteit verschuldigde bijheffing wordt tot nul verminderd in de eerste vijf verslagjaren, met ingang van de eerste dag van het verslagjaar waarin de omvangrijke binnenlandse groep voor het eerst onder de toepassing van deze richtlijn valt.

1.   De overeenkomstig artikel 49 door een in een lidstaat gelegen uiteindelijkemoederentiteit verschuldigde bijheffing wordt tot nul verminderd in de eerste drie verslagjaren, met ingang van de eerste dag van het verslagjaar waarin de omvangrijke binnenlandse groep voor het eerst onder de toepassing van deze richtlijn valt.

Amendement 36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 50 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.     Voor omvangrijke binnenlandse groepen die onder de toepassing van deze richtlijn vallen op het ogenblik dat deze in werking treedt, vangt de in lid 1 bedoelde periode van vijf jaar aan op 1 januari 2023.

Schrappen

Amendement 37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 52 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De in artikel 51, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

2.   De in artikel 4 bis, punt 4), artikel 13, lid 8 ter, artikel 15, lid 11 bis, artikel 21, lid 8 bis, artikel 29, lid 5 bis, en artikel 51, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

Amendement 38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 52 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De in artikel 51, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3.   De in artikel 4 bis, punt 4), artikel 13, lid 8 ter, artikel 15, lid 11 bis, artikel 21, lid 8 bis, artikel 29, lid 5 bis, en artikel 51, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

Amendement 39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 52 — lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.   Een overeenkomstig artikel 51, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. Die termijn kan op initiatief van de Raad met twee maanden worden verlengd.

5.   Een overeenkomstig artikel 4 bis, punt 4), artikel 13, lid 8 ter, artikel 15, lid 11 bis, artikel 21, lid 8 bis, artikel 29, lid 5 bis, en artikel 51, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. Die termijn kan op initiatief van de Raad met twee maanden worden verlengd.

Amendement 40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 52 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 52 bis

Comitéprocedure

1.     De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.     In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Amendement 41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 53 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

De Commissie stelt het Europees Parlement tijdig in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

Amendement 42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 53 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 53 bis

 

Evaluatie

 

Uiterlijk… [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] evalueert de Commissie de toepassing van deze richtlijn en doet de Raad daarvan verslag. In het verslag wordt aangegeven of deze richtlijn moet worden gewijzigd in het licht van veranderingen en ontwikkelingen in de internationale belastingcontext, met name met betrekking tot de uitvoering van de GloBE-modelvoorschriften buiten de Unie en de ontwikkeling van andere, unilaterale benaderingen van minimale effectieve belasting van MNO-groepen. Hierbij moet de nadruk ook liggen op het gebruik van vrijstellingen en afwijkingen, en de gevolgen ervan voor de samenhang van de interne markt.

 

In het verslag wordt beoordeeld wat het effect is van de bepaling inzake inclusie van het op substance gebaseerde inkomen, van de toepassing van de facultatieve gekwalificeerde binnenlandse bijheffing en van de behandeling van uitdelingsbelastingstelsels op de doeltreffendheid van het waarborgen van een minimale effectieve belastingheffing.

 

In het verslag wordt beoordeeld wat het effect van de richtlijn is op de belastingopbrengsten van de minst ontwikkelde landen en van de lidstaten, op de investeringsbeslissingen van ondernemingen, alsook op het concurrentievermogen van de Unie in de wereldeconomie. In het verslag wordt beoordeeld wat het effect is van een drempelverlaging voor MNO-groepen en omvangrijke binnenlandse ondernemingen. In voorkomend geval gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Amendement 43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 53 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 53 ter

Vrijwaringsclausule

1.     Deze richtlijn geldt onverminderd de toepassing door de lidstaten van binnenlandse of op overeenkomsten stoelende regels gericht op het waarborgen van een hoger niveau van bescherming voor binnenlandse grondslagen voor de vennootschapsbelasting die verband houden met de regel inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen zoals bedoeld in artikel 7 van Richtlijn (EU) 2016/1164  (1 bis) , met name wanneer de strengere regel inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen aansluit bij de aanbevelingen in het eindverslag uit 2015 over actie 3 van het project ter bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO/G20.

2.     Deze richtlijn laat de toepassing onverlet van binnenlandse regels betreffende alternatieve vormen van minimumbelastingheffing van binnenlandse groepen of vennootschappen.

 


(9)  Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8) [DAC 4].

(9)  Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8) [DAC 4].

(1 bis)   Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).

(1 bis)   Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1).