ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 132

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

65e jaargang
24 maart 2022


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2021-2022
Vergaderingen van 4 t/m 7 oktober 2021
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Woensdag, 6 oktober 2021

2022/C 132/01

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over de rol van ontwikkelingsbeleid bij de respons op het verlies aan biodiversiteit in ontwikkelingslanden, in het kader van de verwezenlijking van de Agenda 2030 (2020/2274(INI))

2

2022/C 132/02

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over artificiële intelligentie in het strafrecht en het gebruik ervan door politiële en gerechtelijke instanties in strafzaken (2020/2016(INI))

17

2022/C 132/03

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over de gevolgen van intiem partnergeweld en van voogdijrechten voor vrouwen en kinderen (2019/2166(INI))

27

2022/C 132/04

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over het EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 — Volgende stappen op weg naar Vision Zero (2021/2014(INI))

45

2022/C 132/05

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over herstel van de visbestanden in de Middellandse Zee: evaluatie en volgende stappen (2019/2178(INI))

56

2022/C 132/06

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 van de Commissie van 3 september 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stoffen 2-fenylfenol (met inbegrip van de zouten daarvan zoals het natriumzout), 8-hydroxyquinoline, amidosulfuron, bifenox, chloormequat, chloortoluron, clofentezine, clomazon, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflufenican, dimethachloor, etofenprox, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, paraffineoliën, paraffineolie, penconazool, picloram, propaquizafop, prosulfocarb, quizalofop-P-ethyl, quizalofop-P-tefuryl, zwavel, tetraconazool, triallaat, triflusulfuron en tritosulfuron (2021/2869(RSP))

65

2022/C 132/07

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de VS (2021/2038(INI))

70

 

Donderdag, 7 oktober 2021

2022/C 132/08

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over het verslag over de uitvoering van de EU-trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (2020/2045(INI))

88

2022/C 132/09

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de stand van de cyberdefensievermogens van de EU (2020/2256(INI))

102

2022/C 132/10

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over het noordpoolgebied: kansen, zorgen en veiligheidsuitdagingen (2020/2112(INI))

113

2022/C 132/11

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: geleerde lessen (verzoekschriften nrs. 2582/2013, 2551/2014, 0074/2015, 0098/2015, 1140/2015, 1305/2015, 1394/2015, 0172/2016, 0857/2016, 1056/2016, 1147/2016, 0535/2017, 1077/2017, 0356/2018, 0367/2018, 0371/2018, 0530/2018, 0724/2018, 0808/2018, 0959/2018, 0756/2019, 0758/2019, 0954/2019, 1124/2019, 1170/2019, 1262/2019, 0294/2020, 0470/2020, 0527/2020, 0608/2020, 0768/2020, 0988/2020, 1052/2020, 1139/2020, 1205/2020, 1299/2020, 0103/2021 en andere) (2020/2209(INI))

129

2022/C 132/12

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de bankenunie — jaarverslag 2020 (2020/2122(INI))

151

2022/C 132/13

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de hervorming van het EU-beleid inzake schadelijke belastingpraktijken (met inbegrip van de hervorming van de Groep gedragscode) (2020/2258(INI))

167

2022/C 132/14

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de mensenrechtensituatie in Myanmar, met inbegrip van de situatie van religieuze en etnische groepen (2021/2905(RSP))

179

2022/C 132/15

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de zaak Paul Rusesabagina in Rwanda (2021/2906(RSP))

186

2022/C 132/16

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de abortuswet in Texas, VS (2021/2910(RSP))

189

2022/C 132/17

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de situatie in Belarus een jaar na het begin van de demonstraties en het gewelddadige neerslaan ervan (2021/2881(RSP))

196

2022/C 132/18

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de humanitaire situatie in Tigray (2021/2902(RSP))

205


 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 5 oktober 2021

2022/C 132/19

P9_TA(2021)0397
Milieu: de Aarhus-verordening ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (COM(2020)0642 — C9-0321/2020 — 2020/0289(COD))
P9_TC1-COD(2020)0289
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 oktober 2021 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2021/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1367/2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen

212

2022/C 132/20

Besluit van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over de instelling van een delegatie in de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK en tot vaststelling van het aantal leden (2021/2917(RSO))

215

2022/C 132/21

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van Groenland en de regering van Denemarken anderzijds, en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (06566/2021 — C9-0154/2021 — 2021/0037(NLE))

216

2022/C 132/22

Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van Groenland en de regering van Denemarken anderzijds, en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (06566/2021 — C9-0154/2021 — 2021/0037M(NLE))

217

2022/C 132/23

Besluit van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over de voordracht van Julia Laffranque als lid van het comité dat is opgericht overeenkomstig artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2021/2171(INS))

221

2022/C 132/24

Besluit van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over de voordracht voor de benoeming van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (N9-0058/2021 — C9-0369/2021 — 2021/0902(NLE))

222

2022/C 132/25

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van bepaalde industrieproducten in de Canarische Eilanden (COM(2021)0392 — C9-0351/2021 — 2021/0209(CNS))

223


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2021-2022

Vergaderingen van 4 t/m 7 oktober 2021

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Woensdag, 6 oktober 2021

24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/2


P9_TA(2021)0404

De rol van ontwikkelingsbeleid bij de respons op het verlies aan biodiversiteit in ontwikkelingslanden, in het kader van de verwezenlijking van de Agenda 2030

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over de rol van ontwikkelingsbeleid bij de respons op het verlies aan biodiversiteit in ontwikkelingslanden, in het kader van de verwezenlijking van de Agenda 2030 (2020/2274(INI))

(2022/C 132/01)

Het Europees Parlement,

gezien de resolutie van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen,

gezien het VN-verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) van 1992 en de aankomende 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij dit verdrag (COP15),

gezien het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw,

gezien de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren van 2007,

gezien de VN-Verklaring over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden van 2018,

gezien het speciaal verslag over klimaatverandering en land van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) van 2019,

gezien het speciaal IPCC-verslag over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat van 2019,

gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel wetenschapsbeleidplatform inzake biodiversiteit en ecosystemen van de Verenigde Naties (IPBES) van 2019,

gezien het workshopverslag van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) over biodiversiteit en pandemieën van 29 oktober 2020,

gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van inheemse volkeren, ingediend bij de Algemene Vergadering van de VN in 2016,

gezien Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 1989 betreffende inheemse en in stamverband levende volken,

gezien de 5e Global Biodiversity Outlook van het secretariaat van het Verdrag inzake biologische diversiteit van 15 september 2020,

gezien de VN-top inzake biodiversiteit van 30 september 2020,

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de VN,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee,

gezien de Verklaring van Cancún van de CBD COP 13 van 14 december 2016 getiteld “Promoting Sustainable Pastoralism and Livestock Production for the Conservation of Biodiversity in Grasslands and Rangelands”,

gezien het verslag van het deskundigenpanel op hoog niveau inzake voedselzekerheid en voeding van de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid van juli 2019 met de titel “Agroecological and other innovative approaches for sustainable agriculture and food systems that enhance food security and nutrition”,

gezien het in 2020 gepubliceerde verslag van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) getiteld “State of knowledge of soil biodiversity — Status, challenges and potentialities”,

gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) en het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (CMS),

gezien de mondiale analyse van 2020 van Front Line Defenders,

gezien de Streamlining European Biodiversity Indicators (SEBI) 2020, uitgegeven door het Europees Milieuagentschap,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 9 maart 2020 getiteld “Naar een brede strategie met Afrika” (JOIN(2020)0004),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021, getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” (COM(2021)0082),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

gezien Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 juli 2019 met als titel “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” (COM(2019)0352) en de daaropvolgende conclusies van de Raad,

gezien de conclusies van de Raad van 15 mei 2017 over inheemse volkeren,

gezien de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling van 2017,

gezien het EU-actieplan betreffende wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw, goedgekeurd in november 2003,

gezien de diepteanalyse over handel en diversiteit, die in juni 2020 werd gepubliceerd door zijn directoraat-generaal Intern Beleid (2),

gezien de tussentijdse evaluatie van de EU-biodiversiteitsstrategie (3),

gezien de studie getiteld “The link between biodiversity loss and the increasing spread of zoonotic diseases”, gepubliceerd door zijn directoraat-generaal Extern Beleid in december 2020 (4),

gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over de schending van de rechten van inheemse volkeren in de wereld, inclusief landroof (5),

gezien de studie getiteld “Indigenous peoples, extractive industries and human rights”, gepubliceerd door zijn directoraat-generaal Extern Beleid in september 2014 (6),

gezien de studie getiteld “Challenges for environmental and indigenous peoples’ rights in the Amazon region”, gepubliceerd door zijn directoraat-generaal Extern Beleid in juni 2020 (7),

gezien zijn resolutie van 22 oktober 2020 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende een EU-rechtskader voor de beëindiging en ommekeer van door de EU bevorderde ontbossing op wereldniveau (8),

gezien de Europese Green Deal,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A9-0258/2021),

A.

overwegende dat ongeveer 70 % van de armen in de wereld voor hun levensonderhoud rechtstreeks afhankelijk zijn van biologische diversiteit;

B.

overwegende dat het grootste deel van het verlies aan biodiversiteit plaatsvindt in ontwikkelingslanden;

C.

overwegende dat biodiversiteit een cruciale bron blijft voor de ontwikkeling van geneesmiddelen;

D.

overwegende dat uit de meest uitgebreide mondiale raming blijkt dat ecosysteemdiensten 125 tot 140 biljoen USD per jaar opleveren, d.w.z. meer dan anderhalf maal het mondiale bbp (9);

E.

overwegende dat biodiversiteit zowel door de klimaatverandering wordt beïnvloed als een belangrijke bijdrage levert aan de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering via de ecosysteemdiensten die zij ondersteunt;

F.

overwegende dat de biodiversiteit en ecosysteemdiensten de komende decennia naar verwachting zullen afnemen, terwijl het aanbod van en de vraag naar materialen uit natuurlijke hulpbronnen met actuele marktwaarde (voedingsmiddelen, diervoeders, hout en bio-energie) naar verwachting zullen toenemen;

G.

overwegende dat de grootste druk op de terrestrische, mariene en andere aquatische biodiversiteit onder meer bestaat uit habitatverlies en versnippering (met name door uitbreiding en intensivering van de landbouw), overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen (bv. vis), vervuiling, invasieve uitheemse soorten en klimaatverandering;

H.

overwegende dat volgens het mondiaal evaluatieverslag van 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES de meeste Aichi-biodiversiteitsdoelen voor 2020 niet zullen worden bereikt;

I.

overwegende dat in het Global Risks Report 2020 van het World Economic Forum milieurisico’s worden genoemd als de grootste systeemrisico’s voor onze wereldeconomie;

J.

overwegende dat de OESO de geldstromen die potentieel schadelijk kunnen zijn voor de biodiversiteit (op basis van fossiele brandstoffen en landbouwsubsidies) schat op 500 miljard USD per jaar, een orde van grootte tien keer hoger dan de mondiale financieringsstromen voor de instandhouding van biodiversiteit en duurzaam gebruik, en overwegende dat de kosten van het uitblijven van maatregelen tegen biodiversiteitsverlies hoog zijn en naar verwachting zullen stijgen (10);

K.

overwegende dat het IPBES meldt dat veranderingen in landgebruik, landbouwexpansie en verstedelijking verantwoordelijk zijn voor meer dan 30 % van de nieuwe ziektegevallen;

L.

overwegende dat uit recente studies blijkt dat tussen 1,65 en 1,87 miljard mensen die behoren tot inheemse volkeren en lokale gemeenschappen en Afrikaanse afstammelingen leven in de belangrijke gebieden voor de instandhouding van de biodiversiteit in de wereld; overwegende dat uit een andere bevinding blijkt dat 56 % van de mensen die in belangrijke gebieden voor de instandhouding van de biodiversiteit leven, in lage-inkomenslanden en landen met een laag middeninkomen wonen; overwegende dat slechts 9 % in hoge-inkomenslanden woont; overwegende dat dit, volgens het Rights and Resources Initiative, de onevenredige impact van instandhouding op het zuidelijk halfrond onderstreept;

M.

overwegende dat er wetenschappelijk bewijs is van een complex verband tussen biodiversiteitsverlies en het toenemende risico op zoönotische ziekten zoals COVID-19;

N.

overwegende dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (ILPC) sterk afhankelijk zijn van land, natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen voor hun basisbehoeften en bestaansmiddelen, rekening houdend met het feit dat hun lage levensstandaard en uitsluiting van het politieke en economische leven kunnen leiden tot cruciale conflicten met betrekking tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en landrechten;

O.

overwegende dat traditionele inheemse gebieden ongeveer 22 % van het landoppervlak van de wereld beslaan en 80 % van de biodiversiteit op aarde herbergen;

P.

overwegende dat beschermde gebieden het potentieel hebben om de biodiversiteit te beschermen ten gunste van de hele mensheid, maar in sommige gevallen ook in verband zijn gebracht met grootschalige schendingen van de mensenrechten van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen;

Q.

overwegende dat inheemse volkeren nog steeds tot de allerarmste volkeren behoren en overwegende dat het verkrijgen van wettelijke erkenning van collectieve eigendom over hun voorouderlijke gebieden, met name wanneer deze tot beschermde gebieden zijn verklaard, tot de grootste problemen behoren waarmee inheemse volkeren wereldwijd worden geconfronteerd;

R.

overwegende dat naar schatting 50 % van de beschermde gebieden wereldwijd is gevestigd op land dat traditioneel door inheemse volkeren wordt bezet en gebruikt, en dat dit percentage het hoogst is in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, en in Midden-Amerika mogelijk meer dan 90 % bedraagt;

S.

overwegende dat het gebrek aan erkenning van de gebruikelijke landrechten van inheemse volkeren en gemeenschappen risico’s op landroof met zich meebrengt, waardoor hun bestaansmiddelen en hun vermogen om te reageren op klimaatverandering of biodiversiteitsverlies in het gedrang komen;

T.

overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor inheemse volkeren de winningsindustrieën heeft aangemerkt als een belangrijke bron van conflicten en geweld op het grondgebied van inheemse volkeren;

U.

overwegende dat volgens de Global Analysis 2020 van Front Line Defenders in 2020 ten minste 331 mensenrechtenactivisten zijn vermoord, van wie 69 % milieuactivisten en 26 % zich specifiek bezighield met de bevordering van de rechten van inheemse volkeren;

V.

overwegende dat de EU streeft naar een doelstelling van ten minste 30 % bescherming van de biodiversiteit in het kader van het Biodiversiteitsverdrag;

W.

overwegende dat uit steeds meer onderzoek blijkt dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen cruciale kennis bezitten en een wezenlijke rol spelen bij het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en de instandhouding van biodiversiteit, evenals bij de verbetering van de levensomstandigheden op het platteland en versterking van de weerbaarheid van de lokale bevolking en gemeenschappen; overwegende dat de wereldwijde biodiversiteitsdoelstellingen niet kunnen worden verwezenlijkt zonder dat de rechten inheemse volkeren en lokale gemeenschappen worden erkend;

X.

overwegende dat de EU met de Europese Green Deal op het gebied van milieubescherming vergaande toezeggingen heeft gedaan en zichzelf ambitieuze streefdoelen heeft gesteld, maar dat de totale ecologische voetafdruk van de EU groot blijft, wat negatieve gevolgen heeft voor het milieu in ontwikkelingslanden; overwegende dat de EU-biodiversiteitsstrategie gericht is op het bereiken van een situatie waarin alle ecosystemen in de wereld tegen 2050 hersteld, veerkrachtig en adequaat beschermd zijn, in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en in de strategie de doelstelling is opgenomen om tegen 2050 een einde te maken aan het door de mens veroorzaakte uitsterven van soorten, op basis van de intergenerationele verantwoordelijkheid en het gelijkheidsbeginsel, met inbegrip van de eerbiediging van de rechten, en de volledige en daadwerkelijke deelname van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen; overwegende dat de strategie van de EU en haar lidstaten ter ondersteuning van ontwikkelingslanden moet anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit;

Y.

overwegende dat biodiversiteit cruciaal is voor de voedselzekerheid, het menselijk welzijn en ontwikkeling wereldwijd; overwegende dat de voordelen van ecosystemen voor de mens onder meer bestaan uit de zuivering van water en lucht, bestrijding van plagen en ziekten, gewasbestuiving, bodemvruchtbaarheid, genetische diversiteit, voorziening van zoet water, bescherming tegen overstromingen, koolstofvastlegging en weerbaarheid tegen klimaatverandering; overwegende dat meer dan 75 % van de wereldwijde terrestrische biodiversiteit in bossen te vinden is en dat meer dan 25 % van de wereldbevolking voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van bosbestanden; overwegende dat de COVID-19-pandemie ongelijkheden in agrovoedingssystemen aan het licht heeft gebracht evenals de noodzaak om de kleinschalige productie in ontwikkelingslanden duurzaam aan te passen en te verbeteren, agrovoedingssystemen te transformeren en de landbouw te heroriënteren op klimaatduurzaamheid;

Z.

overwegende dat uit het speciaal verslag van de IPCC over klimaatverandering en landgebruik van 8 augustus 2019 blijkt dat inheemse volkeren een lange staat van dienst hebben op het gebied van aanpassing aan klimaatschommelingen, gebruikmakend van hun traditionele kennis, hetgeen hun veerkracht vergroot;

AA.

overwegende dat het speciaal verslag van de IPCC over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat van 24 september 2019 aantoont dat het combineren van wetenschappelijke en lokale en inheemse kennis voordelen oplevert om de weerbaarheid te waarborgen;

AB.

overwegende dat artikel 8, punt j), van het Biodiversiteitsverdrag de staten die partij zijn verplicht de kennis, innovaties en gebruiken van inheemse en lokale gemeenschappen die relevant zijn voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit, te respecteren en in stand te houden; overwegende dat het Biodiversiteitsverdrag echter geen expliciete erkenning van de mensenrechten van inheemse volkeren bevat;

AC.

overwegende dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) de inschatting maakt dat ongeveer 75 % van de genetische diversiteit van planten wereldwijd verloren is gegaan, en dat 75 % van het voedsel in de wereld thans door slechts 12 planten en 5 dierlijke soorten wordt gegenereerd, hetgeen een ernstig risico vormt voor de mondiale voedselzekerheid;

AD.

overwegende dat het verlies aan genetische diversiteit, met name de vervanging van lokale, goed aangepaste rassen, de kwetsbaarheid voor plagen, ziekten en veranderingen in het milieu, met inbegrip van klimaatverandering, vergroot; overwegende dat de mondialisering van de landbouwmarkt een aanjager is geweest van een dergelijke uitholling van de biodiversiteit in de landbouw, waardoor het vermogen om te innoveren en zich aan de klimaatverandering aan te passen, afneemt;

AE.

overwegende dat wereldwijd naar schatting 30 % van de bedreigingen voor soorten te wijten is aan internationale handel;

AF.

overwegende dat de illegale handel in wilde dieren en planten, hout en grondstoffen, de achteruitgang en vernietiging van de biodiversiteit in landen met zwakke instellingen en milieuregelgeving kan versnellen;

AG.

overwegende dat oceanen enorme reservoirs van biodiversiteit en de belangrijkste regulator van het mondiale klimaat zijn; overwegende dat het behoud ervan van cruciaal belang is voor duurzame ontwikkeling en de uitbanning van armoede, aangezien oceanen zorgen voor duurzame bestaansmiddelen en voedselzekerheid voor miljarden mensen; overwegende dat de verontreiniging van mariene ecosystemen met kunststoffen zowel een mondiaal als een lokaal probleem is met mogelijk ernstige gevolgen voor wilde dieren, economische activiteiten en de menselijke gezondheid in ontwikkelingslanden; overwegende dat de omvang van deze verontreiniging sterk is onderschat en dat er nog steeds kennishiaten bestaan, met name wat betreft de gevolgen voor kustgebieden en gemeenschappen; overwegende dat volgens het recente verslag van het Milieuprogramma van de VN getiteld “Neglected: Environmental Justice Impacts of Marine Litter and Plastic Pollution”, dit soort zwerfvuil en verontreiniging disproportionele gevolgen voor kwetsbare personen heeft, het volledige en effectieve genot van de mensenrechten bedreigt en aanzienlijke belemmeringen vormt voor de verwezenlijking van de SDG’s;

AH.

overwegende dat in de biodiversiteitsstrategie van de EU een eerlijke en billijke verdeling van de voordelen van het gebruik van genetische hulpbronnen in verband met biodiversiteit en de bevordering van een faciliterend kader, waarbij gebruik wordt gemaakt van onderzoeks-, innovatie- en technologie-instrumenten, toegezegd wordt;

AI.

overwegende dat milieudelicten, waarvan de waarde volgens het Milieuprogramma van de VN en Interpol het dubbele bedraagt van het totale budget voor ontwikkelingshulp, het biodiversiteitsverlies en de klimaatverandering versnellen, met name door delicten in de bosbouw;

AJ.

overwegende dat er overlappingen zijn tussen voor biodiversiteit belangrijke gebieden en gebieden die te kampen hebben met armoede, aangezien de meeste belangrijke beschermende gebieden zich bevinden in landen met veel armoede en voedselonzekerheid;

AK.

overwegende dat de Republiek der Maldiven in haar verklaring van 3 december 2019 heeft opgeroepen tot wijziging van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof met het oog op de erkenning van delicten als ecocide;

AL.

overwegende dat het IPBES meldt dat de internationale legale handel in wilde dieren en planten sinds 2005 met 500 % en sinds de jaren 1980 met 2 000 % in waarde is toegenomen (11);

AM.

overwegende dat de EU wereldwijd een van de grootste importeurs van wilde dieren, wilde planten en daarmee verband houdende producten is;

AN.

overwegende dat de wereldwijde illegale handel in wilde dieren en planten een van de meest winstgevende vormen van georganiseerde grensoverschrijdende criminele activiteiten is;

AO.

overwegende dat in een scenario met ongewijzigd beleid wordt verwacht dat klimaatverandering de biomassa van vis in sommige tropische regio’s tegen 2100 met 30 tot 40 % zal verminderen en grote gevolgen zal hebben voor de mariene biodiversiteit; overwegende dat de landen in deze gebieden sterk afhankelijk zijn van visserij, maar niet over sociale en financiële middelen beschikken om zich aan te passen en zich voor te bereiden op de toekomst;

AP.

overwegende dat de Internationale Unie voor behoud van de natuur bepleit dat tegen 2020 ten minste 30 % van alle mariene habitats in een netwerk van sterk beschermde mariene gebieden worden opgezet;

AQ.

overwegende dat illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) de duurzaamheid van de mondiale mariene hulpbronnen bedreigt door bij te dragen aan de overexploitatie ervan;

1.

is verontrust over het feit dat het verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten de vooruitgang bij ongeveer 80 % van de beoordeelde streefcijfers van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s) zal ondermijnen; verzoekt de EU haar inspanningen voort te zetten om haar voetafdruk op het gebied van biodiversiteit wereldwijd te verkleinen en deze in overeenstemming te brengen met de grenzen van onze planeet;

2.

wijst erop dat bijna de helft van de bevolking voor zijn levensonderhoud rechtstreeks afhankelijk is van natuurlijke hulpbronnen en dat veel van de meest kwetsbare en armste mensen rechtstreeks afhankelijk zijn van biodiversiteit om in hun dagelijkse levensbehoeften te voorzien; benadrukt daarom dat het verlies aan biodiversiteit de ongelijkheid en de marginalisering van de meest kwetsbare personen dreigt te versterken door hun toegang tot een gezond leven te verminderen en hun keuze- en handelingsvrijheid te beperken; herinnert eraan dat de biodiversiteit wordt bedreigd door klimaatverandering, die de kwetsbaarheid van deze mensen vergroot en hun grondrechten en waardigheid ondermijnt; is van mening dat ontwikkelingslanden moeten worden ondersteund bij het ontwikkelen en uitvoeren van een doeltreffend beleid ter beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering;

3.

verzoekt de EU de onderliggende oorzaken van het verlies aan biodiversiteit aan te pakken en verplichtingen op het gebied van de instandhouding en het duurzaam gebruik van hulpbronnen in haar externe beleid en partnerschappen voor externe ontwikkelingssamenwerking op te nemen, in overeenstemming met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, teneinde de druk op biodiversiteit wereldwijd te verlagen;

4.

herinnert eraan dat voor duurzame ontwikkeling een goed evenwicht tussen de economische, sociale en ecologische dimensies moet worden gevonden; herinnert eraan dat de instandhouding, het duurzame gebruik en het herstel van de biodiversiteit van essentieel belang zijn voor het bereiken van vele andere beleidsdoelstellingen, met inbegrip van menselijke gezondheid, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, vroegtijdige waarschuwing, beperking van het risico op rampen, water-, voedsel- en voedingszekerheid, plattelandsontwikkeling en het scheppen van banen, duurzaam gebruik van bossen, landbouwecosystemen en het creëren of in stand houden van veerkrachtige voedselsystemen; herinnert eraan dat de schadelijke gevolgen van de aantasting van ecosystemen onevenredig worden gedragen door de armen, met name vrouwen en jongeren, alsook door inheemse volkeren en andere gemeenschappen die van natuurlijke hulpbronnen afhankelijk zijn;

5.

beklemtoont dat de EU ook verantwoordelijk is voor de instandhouding van de wereldwijde biodiversiteit en het duurzaam gebruik van biologische diversiteit; benadrukt dat de biodiversiteitsdoelstellingen en -streefdoelen van de EU gebaseerd moeten zijn op gedegen wetenschappelijke kennis en volledig moeten worden geïntegreerd in het externe optreden van de EU, met name in het kader van de partnerschapsstrategieën en -overeenkomsten, met inbegrip van visserijovereenkomsten met ontwikkelingslanden; dringt erop aan dat de inspanningen op het gebied van instandhouding en herstel in deze landen, met name op regionaal niveau, worden opgevoerd;

6.

herinnert aan de verantwoordelijkheid van de EU en de ontwikkelde derde landen voor het verlies van biodiversiteit op mondiaal niveau; verzoekt de EU meer financiële en technische steun te verlenen aan ontwikkelingslanden over de hele wereld om de nieuwe mondiale streefdoelen te halen, milieucriminaliteit te bestrijden en de oorzaken van biodiversiteitsverlies aan te pakken;

7.

benadrukt de plicht van staten om natuurlijke ecosystemen en ecosystemen met een rijke biodiversiteit te beschermen, alsook de mensen- en landrechten van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen en Afrikaanse afstammelingen die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van deze ecosystemen;

8.

verzoekt de EU en haar lidstaten de erkenning van het recht op een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu toe te voegen aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de wereldwijde erkenning van dit recht als mensenrecht te ondersteunen en steun te verlenen aan de verankering van de alomvattende bescherming en verdediging van natuur, biodiversiteit en ecosystemen als basis voor het leven, met erkenning van de onderlinge afhankelijkheid en het recht van alle mensen, met inbegrip van toekomstige generaties, op natuur, met name door strikte normen inzake transparantie, inspraak van het publiek en toegang tot de rechter te handhaven overeenkomstig het Verdrag van Aarhus en het internationaal recht; acht het in dit verband en gezien het feit dat de ernstigste schade aan ecosystemen wordt toegebracht in ontwikkelingslanden, noodzakelijk om alle vormen van milieuschade aan ecosystemen te bestrijden, ook in alle derde landen waarmee de EU samenwerkt en in omgevingen waarvan de armen in de wereld afhankelijk zijn, en om in voorkomend geval de relevantie en het belang van het verlenen van rechten op natuur te onderzoeken;

9.

is ernstig bezorgd over de grote gaten in de gegevens, indicatoren en financiering die nodig zijn om biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen, en over de inconsistenties in de rapportage en tracering van de financiering van biodiversiteit; herinnert eraan dat de vaststelling van specifieke, meetbare en kwantitatieve streefdoelen en indicatoren voor het kader na 2020 van essentieel belang is voor het verbeteren van het vermogen om vooruitgang te monitoren;

10.

is ingenomen met het Afrikaanse initiatief over de “Grote Groene Muur” en verzoekt de Commissie om dit project te ondersteunen;

11.

roept de EU en haar lidstaten op meer inspanningen te leveren om biodiversiteit en ecosysteemdiensten beter te beoordelen en waarderen en om deze waarden in de besluitvorming te integreren;

12.

is ingenomen met het feit dat het instrument voor het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) — Europa in de wereld, een bijdrage zal leveren aan de biodiversiteitsdoelstelling van het algemeen meerjarig financieel kader (MFK); onderstreept dat planning, toetsing en monitoring van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) van cruciaal belang zijn voor het verwezenlijken van de wereldwijde biodiversiteitsdoelstellingen van de EU; herinnert eraan dat NDICI-Europa in de wereld moet bijdragen aan de ambitie om in 2024 7,5 % en vanaf 2026 10 % van de jaarlijkse MFK-uitgaven te besteden aan biodiversiteitsdoelstellingen; dringt aan op de doeltreffende toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” op alle uitgaven en programma’s in de EU; dringt aan op verbetering van het kader voor rapportage en monitoring van het externe biodiversiteitsbeleid van de EU, onder meer door middel van gedetailleerde bepalingen inzake biodiversiteitsdoelstellingen en -indicatoren; dringt er meer in het algemeen bij de EU en haar lidstaten op aan onderzoek en innovatie op het gebied van de instandhouding en de bescherming van de biodiversiteit en agro-ecologische oplossingen te bevorderen om belangrijke ontwikkelingsvoordelen te behalen en zo bij te dragen aan de verwezenlijking van de SDG’s;

13.

betreurt het dat de externe begroting van de EU ter ondersteuning van het biodiversiteitsbeleid nog steeds zeer laag is in vergelijking met wat bestemd is voor het beleid inzake klimaatverandering; dringt aan op een effectieve verhoging van de middelen voor de bescherming van de biodiversiteit, in overeenstemming met de MFK-overeenkomst, en op technische bijstand voor de ontwikkeling van verdere instrumenten voor het vrijmaken van middelen om te voldoen aan mondiale verbintenissen inzake biodiversiteit; benadrukt de noodzaak om subsidies die schadelijk zijn voor het milieu te volgen, te rapporteren en geleidelijk af te schaffen, en deze aan biodiversiteitsvriendelijke activiteiten te besteden, in overeenstemming met Agenda 2030 en de desbetreffende internationale verdragen en verplichtingen; dringt erop aan dat een aanzienlijk deel van de officiële ontwikkelingshulp van de Unie voor klimaatactie wordt ingezet voor de bijkomende voordelen van de instandhouding van biodiversiteit voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering;

14.

dringt er bij de Unie op aan een bindende zorgvuldigheidswet aan te nemen om bedrijven en hun financiers rechtstreeks verantwoordelijk te maken om ervoor te zorgen dat hun invoer niets te maken heeft met mensenrechtenschendingen, zoals landroof, aantasting van het milieu (waaronder ontbossing en biodiversiteitsverlies); dringt er meer in het algemeen bij de Unie op aan om bedrijven en financiële instellingen te verplichten zich meer in te zetten voor biodiversiteit, bijvoorbeeld door middel van robuuste en verplichte bepalingen inzake effectbeoordeling, risicobeheer, openbaarmaking en voorschriften voor externe verslaglegging; verzoekt de OESO een reeks praktische maatregelen op het gebied van zorgvuldigheid en biodiversiteit te ontwikkelen om de inspanningen van het bedrijfsleven te ondersteunen;

15.

is ingenomen met de toezegging van de Commissie om een wetgevingsvoorstel uit te werken over verplichte zorgvuldigheidseisen voor ondernemingen op het gebied van mensenrechten en milieu in hun volledige toeleveringsketen; beveelt aan om door middel van dit wetgevingsvoorstel de ontwikkeling van gemeenschappelijke methoden voor het meten van effecten op het gebied van milieu en klimaatverandering te ondersteunen en te faciliteren; benadrukt het belang van een doeltreffende, zinvolle en geïnformeerde raadpleging van alle betrokken of potentieel betrokken belanghebbenden, zoals mensenrechten- en milieuactivisten, het maatschappelijk middenveld, vakbonden en IPLC; betreurt de ernstige tekortkomingen van de tenuitvoerlegging van het VN-kader “Protect, Respect, Remedy” en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten ten aanzien van zowel de rechten van inheemse volkeren als landrechten; verzoekt de Unie andermaal op constructieve wijze deel te nemen aan de werkzaamheden van de Mensenrechtenraad van de VN over een internationaal, juridisch bindend instrument dat de activiteiten van transnationale bedrijven en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten kan reguleren en dat specifieke normen voor de bescherming van inheemse volkeren moet omvatten;

16.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om met spoed een voorstel voor een EU-rechtskader in te dienen om door de EU bevorderde wereldwijde ontbossing en aantasting van bossen een halt toe te roepen en om te keren, waarbij bedrijven verplicht worden passende zorgvuldigheid te betrachten die ervoor zorgt dat de producten die in de EU in de handel worden gebracht niet geassocieerd zijn met ontbossing, de conversie van natuurlijke ecosystemen en schendingen van IPLC-rechten;

Beleidscoherentie voor ontwikkeling

17.

herinnert eraan dat de doeltreffendheid van het externe biodiversiteitsbeleid van de EU afhankelijk is van de samenhang tussen dat beleid en ander belangrijk extern beleid van de EU, zoals handels- en investeringsovereenkomsten;

18.

merkt op dat uit het Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services (mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten) van het IPBES van 2019 blijkt dat de aanpak van de bescherming van de biodiversiteit beperkt is door de ruimtelijke omvang van beschermde terrestrische en mariene gebieden, die goed zijn voor enkele van de weinige Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen die gedeeltelijk zijn bereikt;

19.

benadrukt dat biodiversiteit een centrale plaats inneemt in tal van economische activiteiten, met name die welke verband houden met landbouw en veeteelt, bosbouw, visserij en vele vormen van toerisme die rechtstreeks gebaseerd zijn op de natuur en gezonde ecosystemen; dringt er bij de EU op aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten te integreren in alle gerelateerde beleidsterreinen, met name landbouw, visserij, bosbouw, energie, mijnbouw, handel, toerisme en klimaatverandering, alsook in beleid en acties op het gebied van ontwikkeling en armoedebestrijding, en innovatieve en uitvoerbare oplossingen te bevorderen om biodiversiteitsverlies aan te pakken en tegelijkertijd te zorgen voor gezond, veilig, toegankelijk en betaalbaar voedsel voor iedereen;

20.

merkt met grote bezorgdheid op dat het verbruik in de EU goed is voor ongeveer 10 % van het mondiale aandeel in ontbossing, met name vanwege haar sterke afhankelijkheid van de invoer van landbouwgrondstoffen zoals palmolie, vlees, soja, cacao, mais, hout en rubber; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in 2021 een voorstel in te dienen voor een EU-rechtskader voor de beëindiging en ommekeer van door de EU bevorderde ontbossing op wereldniveau, door ervoor te zorgen dat de markt- en consumptiepatronen in de EU geen schadelijke gevolgen hebben voor bossen en biodiversiteit in ontwikkelingslanden, waarbij rekening gehouden wordt met de secundaire gevolgen hiervan voor hun bevolking; dringt er bij de Unie op aan dergelijke landen te ondersteunen bij het verduurzamen van voedselsystemen, door korte toeleveringsketens tot stand te brengen, agro-ecologie te ontwikkelen, kleine landbouwers te ondersteunen en tegelijkertijd landrechten en de rechten van lokale gemeenschappen te waarborgen;

21.

verzoekt de Unie duurzame landbouwpraktijken te bevorderen om de bossen wereldwijd te beschermen en te herstellen in het kader van haar optreden inzake internationale ontwikkeling, met bijzondere aandacht voor duurzaam waterbeheer, het herstel van aangetast land en de bescherming en het herstel van biodiverse gebieden met een groot potentieel aan ecosysteemdiensten en voor klimaatmitigatie; verzoekt de Unie meer vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van haar actieplan inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt) en met name de vrijwillige partnerschapsovereenkomsten (VPA’s), teneinde de vraag naar illegaal hout en de daarmee samenhangende handel terug te dringen, en de rechten van IPLC die te maken hebben met houtkap te versterken;

22.

herinnert eraan dat de toenemende vraag van de EU naar hout voor gebruik in materialen, energie en de bio-economie de grenzen van haar aanbod overschrijdt, waardoor er meer risico is op geïmporteerde ontbossing, landroof, gedwongen verplaatsing en schending van de IPLC-rechten; herhaalt dat het bio-energiebeleid van de Unie moet beantwoorden aan strenge milieu- en sociale criteria;

23.

onderstreept dat door de Unie gesteunde investeringen in landbouw, bosbouw of visserij, of in ondernemingen die een impact hebben op bodem, grasland, bossen, water of zee, onder meer in overeenstemming moeten zijn met de vrijwillige richtsnoeren van de FAO/Commissie voor Wereldvoedselzekerheid (CFS) inzake verantwoord beheer van grondbezit, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid (VGGT’s) en de FAO/CFS-beginselen inzake verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen, om ecosystemen te beschermen en biodiversiteitsverlies te voorkomen;

24.

dringt erop aan dat in het komende NDICI voorrang wordt gegeven aan de bescherming en het herstel van bossen en de bescherming van biodiversiteit; benadrukt dat bossen hun volledige functies voor het klimaat en het milieu alleen kunnen ontwikkelen als ze duurzaam worden beheerd;

25.

benadrukt dat de bescherming van de biodiversiteit en de beperking van klimaatverandering elkaar niet automatisch ondersteunen; dringt erop aan dat de richtlijn hernieuwbare energie (RED) wordt herzien om deze in overeenstemming te brengen met de internationale verplichtingen van de EU in het kader van de Agenda 2030, de Overeenkomst van Parijs en het Verdrag inzake biologische diversiteit, wat onder meer inhoudt dat er sociale duurzaamheidscriteria moeten worden ingevoerd en dat er rekening moet worden gehouden met de risico’s van landroof; herinnert eraan dat hiertoe RED II in overeenstemming moet zijn met internationale normen voor landrechten, d.w.z. IAO-Verdrag nr. 169 en de vrijwillige richtsnoeren betreffende grondbezit en beginselen inzake verantwoord investeren in de landbouw en voedselsystemen van de FAO/CFS;

Landbouw en visserij

26.

herinnert eraan dat agrovoedingssystemen en kleine boeren beide afhankelijk zijn van en een aanzienlijke impact hebben op de biodiversiteit; benadrukt dat voor een doeltreffende mainstreaming van biodiversiteit in de landbouw gezorgd moet worden voor financiële stimulansen en vrijwillige en regelgevende maatregelen ter bevordering van de invoering en toepassing door landbouwers van praktijken die de biodiversiteit en het milieu ten goede komen door opleiding, het gebruikmaken van technologie en innovatie en goede duurzame landbouwpraktijken, hetgeen onder meer inhoudt dat de beperkte watervoorraden worden hersteld en bodemdegradatie en woestijnvorming worden bestreden; benadrukt dat overeenkomstig het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling subsidies die schadelijk zijn voor het milieu moeten worden geïdentificeerd en geleidelijk moeten worden afgeschaft in overeenstemming met de besluiten die op EU-niveau worden genomen; dringt er op aan vooraf en achteraf verplichte milieueffectbeoordelingen te verrichten van door de EU op dit gebied gesteunde investeringen; verzoekt de Unie meer financiële en technische steun te verlenen aan ontwikkelingslanden;

27.

herinnert eraan dat het unieke vermogen van de agro-ecologie om de economische, ecologische en sociale duurzaamheidsaspecten te combineren erkend is in belangrijke IPPC- en IPBES-rapporten en in de door de Wereldbank en de FAO geleide Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD); dringt erop aan dat de externe financiering van de EU voor landbouw in overeenstemming moet zijn met de transformerende aard van de Agenda 2030, de Klimaatovereenkomst van Parijs en het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit; meent dat dienovereenkomstig aan de lokale omstandigheden aangepaste en hulpbronnenefficiënte investeringen in agro-ecologie, agrobosbouw en gewasdiversificatie prioriteit moeten hebben;

28.

herinnert eraan dat het gebruik van genetisch gemodificeerde zaden wordt gedekt door octrooien die de rechten van kleinschalige landbouwers en inheemse volkeren op het sparen, gebruiken, ruilen en verkopen van hun zaden ondermijnen, zoals vastgelegd in internationale overeenkomsten zoals het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw (ITPGRFA), de VN-verklaring over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP) en de VN-verklaring over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden (UNDROP); herinnert eraan dat genetisch gemodificeerde gewassen vaak in verband worden gebracht met een groot gebruik van herbiciden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan rekening te houden met de verplichtingen van de Unie uit hoofde van internationale overeenkomsten en ervoor te zorgen dat ontwikkelingshulp niet wordt gebruikt om technologieën voor genetische modificatie in ontwikkelingslanden te bevorderen;

29.

herinnert eraan dat het verbeteren van de diversiteit van zaaigoed en gewassen door overschakeling op resistente rassen van vitaal belang is voor het opbouwen van de veerkracht van de landbouw, aanpassing aan veranderende omstandigheden zoals klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, nieuwe zoönotische ziekten, plagen, droogte of overstromingen, waarbij rekening gehouden wordt met de vraag naar voedsel en de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie om, in het kader van haar beleid inzake ontwikkelingshulp, handel en investeringen, steun te verlenen aan de landbouw die in overeenstemming is met de bepalingen van het ITPGRFA, waarin de rechten van kleinschalige landbouwers op het behoud, de controle, de bescherming en de ontwikkeling van hun eigen zaden en traditionele kennis worden gewaarborgd (ook financieel en technisch, bij de oprichting van zaadbanken om traditionele zaden in stand te houden en uit te wisselen, alsook in het kader van vrijhandelsovereenkomsten); benadrukt dat het systeem van de Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV-systeem) niet aansluit op de belangen van ontwikkelingslanden, waar door landbouwers beheerde zaadsystemen (de informele zaadsector) en de praktijk van het sparen, gebruiken, uitwisselen en verkopen van zaden een grote rol spelen; dringt er bij de EU op aan het informele zaadsysteem te bevorderen en het UPOV-systeem te hervormen opdat kleine boeren gebruik kunnen maken van gespaard zaaigoed en door een mechanisme voor eerlijke batenverdeling in te voeren; herinnert aan de toezegging van de Commissie om prioriteit te geven aan de doeltreffende uitvoering van het Biodiversiteitsverdrag in handels- en investeringsovereenkomsten, en dringt er bij de Unie op aan steun te verlenen aan de ontwikkeling van aan de lokale omstandigheden aangepaste zaadvariëteiten en door landbouwers zelf verkregen zaaigoed, die het recht van landbouwers waarborgen op het behoud van genetische hulpbronnen met het oog op voedselzekerheid en aanpassing aan de klimaatverandering;

30.

roept de Unie op alle regelingen betreffende intellectuele-eigendomsrechten te steunen die bijdragen aan de ontwikkeling van aan de lokale omstandigheden aangepaste zaadvariëteiten en op het eigen bedrijf verkregen zaaigoed;

31.

herinnert eraan dat niet-duurzame praktijken in de land- en bosbouw, zoals overmatige onttrekking van water en vervuiling door gevaarlijke chemische stoffen, leiden tot aanzienlijke aantasting van het milieu en verlies van biodiversiteit; verzoekt de Unie ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om de regelgeving inzake pesticidenrisico’s te versterken, hun registratie van pesticiden te evalueren en af te stemmen op de internationale gedragscode voor bestrijdingsmiddelenbeheer van de FAO/WHO, onder meer via Zuid-Zuidsamenwerking, het onderzoek naar en het onderwijs op het gebied van alternatieven voor pesticiden te versterken en hun investeringen in agro-ecologische en biologische praktijken en productie op te voeren, met inbegrip van duurzame irrigatie- en waterbeheerpraktijken; verzoekt de EU bovendien om een einde te maken aan alle uitvoer van gewasbeschermingsmiddelen die in de EU verboden zijn, in overeenstemming met de verbintenissen van de EU ten aanzien van beleidscoherentie voor ontwikkeling, de Green Deal, het niet-schadenbeginsel en het Verdrag van Rotterdam van 1998; verzoekt de Commissie maatregelen te treffen teneinde te komen tot een uitvoerverbod voor gevaarlijke stoffen die in de Unie verboden zijn; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat uitgevoerde producten aan de normen voldoen die ook zijn opgelegd aan Europese producenten, teneinde gevaarlijke stoffen te vermijden die in de Unie niet zijn toegestaan en een gelijk speelveld wereldwijd mogelijk te maken;

32.

merkt op dat gendruktechnologieën, zoals in het geval van genetisch gemodificeerde muggen voor de bestrijding van door vectoren overgedragen ziekten, ernstige en nieuwe bedreigingen vormen voor het milieu en de natuur, met inbegrip van onomkeerbare veranderingen in de voedselketens en ecosystemen, en verlies van biodiversiteit, waarvan de armsten ter wereld voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn; herhaalt zijn bezorgdheid over de nieuwe uitdagingen inzake wetgeving, milieu, bioveiligheid en governance die kunnen voortvloeien uit de vrijmaking in het milieu van genetisch gemodificeerde, door middel van “gendruk” ontwikkelde organismen, ook voor doeleinden van natuurbehoud; herhaalt dat de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van IPLC moet worden gevraagd en verkregen voordat technologieën worden vrijgegeven die van invloed kunnen zijn op hun traditionele kennis, innovatie, praktijken, bestaansmiddelen en het gebruik van land, hulpbronnen en water; benadrukt dat dit op een participatieve manier moet gebeuren, en dat nieuwe technologieën niet mogen worden ingezet zonder de betrokkenheid van alle potentieel getroffen gemeenschappen; is van mening dat, gezien het feit dat gendruktechnologieën aanleiding geven tot bezorgdheid over de moeilijkheid om hun gedrag te voorspellen en gendrukorganismen als zodanig invasieve soorten kunnen worden, de introductie van genetisch gemodificeerde gendrukorganismen in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel niet mag worden toegestaan, ook niet met het oog op natuurbehoud;

33.

herinnert eraan dat de instandhouding, het herstel en het duurzame beheer van mariene ecosystemen van cruciaal belang zijn voor strategieën ter beperking van de klimaatverandering, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de rechten en bestaansmiddelen van kleinschalige vissers en kustgemeenschappen worden geëerbiedigd; benadrukt dat het speciaal IPCC-verslag over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat aantoont dat het combineren van wetenschappelijk kennis en lokale en inheemse knowhow voordelen oplevert wanneer het erom gaat de weerbaarheid te vergroten; dringt er bij de EU op aan een op mensenrechten gebaseerde benadering van oceaangovernance te ontwikkelen;

34.

benadrukt dat ongeveer 3 miljard mensen over de hele wereld afhankelijk zijn van visserijproducten als primaire eiwitbron; onderstreept dat de buitensporige vangstcapaciteit in het kader van de internationale vishandel, zoals in het geval van geelvintonijn in de wateren van de Seychellen, een bedreiging vormt voor de voedselzekerheid van kustgemeenschappen en mariene ecosystemen in ontwikkelingslanden; herinnert aan de gehechtheid van de EU aan het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en goed bestuur; is van mening dat partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij moeten worden versterkt om werkelijk duurzaam te worden, in overeenstemming moeten zijn met het beste beschikbare wetenschappelijke advies en rekening moeten houden met de cumulatieve effecten van de verschillende visserijovereenkomsten die van kracht zijn; verzoekt de EU duurzame visserijactiviteiten in ontwikkelingslanden te ondersteunen, met het oog op het herstel en de bescherming van mariene en kustecosystemen; benadrukt dat het belangrijk is de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) voort te zetten en op te voeren, door de straffen voor daarmee samenhangende criminele praktijken te verhogen en daarvoor financiële middelen uit te trekken;

35.

verzoekt de Commissie steun te verlenen aan de totstandkoming van een wereldwijd programma dat zorgt voor opbouw van capaciteit voor het gebruik en het beheer van bodembiodiversiteit en van het wereldwijde waarnemingscentrum voor bodembiodiversiteit; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan de huidige inspanningen binnen de Commissie genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw van de FAO gericht op een mondiaal actieplan om de achteruitgang van de biodiversiteit voor voedsel en landbouw aan te pakken en duurzaam beheer ervan te bevorderen;

36.

benadrukt dat kleinschalige vissers voor hun levensonderhoud rechtstreeks afhankelijk zijn van kust- en mariene biodiversiteit; benadrukt dat de oceanen en kusten van de wereld in hoge mate bedreigd worden door bijvoorbeeld niet-duurzame visserijpraktijken, snelle klimaatverandering, verontreiniging van het land die de zeeën en oceanen bereikt, mariene vervuiling, aantasting van de oceanen, eutrofiëring en verzuring; dringt er bij de Unie en haar lidstaten op aan alle nodige maatregelen te nemen om de onderliggende oorzaken van mariene verontreiniging en uitputting van visbestanden op holistische wijze aan te pakken door middel van een alomvattende en geïntegreerde aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de externe gevolgen van alle sectorale beleidsmaatregelen van de Unie, met inbegrip van mariene verontreiniging als gevolg van haar landbouwbeleid, zodat zij hun internationale verplichtingen inzake biodiversiteit en klimaatverandering doeltreffend kunnen nakomen;

37.

vestigt de aandacht op het belang van mariene hulpbronnen om aan fundamentele menselijke behoeften in ontwikkelingslanden te kunnen voldoen; dringt aan op erkenning van de oceaan als een gemeenschappelijke mondiale hulpbron, hetgeen de doeltreffende bescherming ervan zal waarborgen en aan de verwezenlijking van de SDG’s in ontwikkelingslanden zal bijdragen; verzoekt de Commissie dan ook om in internationale multilaterale fora, zoals de regionale organisaties voor visserijbeheer, te pleiten voor een ambitieus governancemodel inzake mariene biodiversiteit en mariene genetische hulpbronnen buiten de nationale jurisdicties; benadrukt daarnaast de noodzaak van een geïntegreerde en op ecosystemen gerichte aanpak voor alle sectoren van de blauwe economie, op wetenschappelijke basis; benadrukt derhalve de plicht van staten om af te zien van maatregelen, met inbegrip van grootschalige ontwikkelingsprojecten, die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bestaansmiddelen, grondgebieden of toegangsrechten van kleinschalige binnenvissers en zeevissers, tenzij hun vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming is verkregen, en ervoor te zorgen dat rechterlijke instanties dergelijke rechten beschermen; benadrukt dat er projecten van de winningsindustrie vooraf in kaart moeten worden gebracht, met name om de mogelijke negatieve gevolgen voor de mensenrechten van lokale vissersgemeenschappen te beoordelen;

Handel

38.

benadrukt de verantwoordelijkheid van de Unie om de indirecte oorzaken van biodiversiteitsverlies te verminderen, door biodiversiteit en waarborgen tegen landroof systematisch op te nemen in handelsbesprekingen en dialogen met ontwikkelingslanden;

39.

verzoekt de Commissie het effect van handelsovereenkomsten op ontbossing, biodiversiteitsverlies en mensenrechten zorgvuldig in kaart te brengen door middel van duurzaamheidseffectbeoordelingen op basis van uitgebreide, deugdelijke wetenschappelijke gegevens en evaluatiemethoden;

40.

wijst erop dat volgens de FAO ongeveer een derde van het mondiale voedsel verloren gaat of verspild wordt, waarbij ongeveer een derde van het geoogste voedsel verloren gaat tijdens het vervoer daarvan of in de verwerkingsketen; dringt er bij de Unie en haar lidstaten op aan praktijken te bevorderen die het verloren gaan en -verspilling van voedsel wereldwijd terugdringen en de rechten van ontwikkelingslanden op voedselsoevereiniteit te waarborgen als middel om voedselzekerheid, armoedebestrijding en inclusieve, duurzame en eerlijke mondiale toeleveringsketens en lokale en regionale markten te bewerkstelligen, met bijzondere aandacht voor familiale landbouw, met als doel de voorziening van betaalbaar en toegankelijk voedsel veilig te stellen; dringt in dit verband aan op de prioritering van lokale productie en consumptie die kleinschalige landbouw ondersteunt, in het bijzonder vrouwen en jongeren ten goede komt, het scheppen van lokale banen waarborgt, eerlijke prijzen garandeert voor producenten en consumenten, en de afhankelijkheid van landen van invoer en met name de kwetsbaarheid van ontwikkelingslanden voor internationale prijsschommelingen, vermindert;

41.

merkt op dat de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling van vrijhandelsovereenkomsten van de EU niet daadwerkelijk afdwingbaar zijn; verzoekt de Commissie de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling te versterken in de context van EU-vrijhandelsovereenkomsten, met name wat betreft bepalingen in verband met biodiversiteit; benadrukt dat, om daadwerkelijk afdwingbaar te zijn, de met biodiversiteit verband houdende bepalingen en de milieudoelstellingen van de EU-vrijhandelsovereenkomsten duidelijk en concreet moeten zijn en de tenuitvoerlegging ervan verifieerbaar; verzoekt de Commissie om in het kader van de komende herziening van het 15-puntenactieplan na te denken over verdere maatregelen en toewijzing van middelen om de doeltreffende tenuitvoerlegging van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling mogelijk te maken, waarbij het beginsel van beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling wordt toegepast;

42.

wijst erop dat de EU in handelsovereenkomsten reeds biodiversiteitsgerelateerde niet-handelsbepalingen opneemt, maar merkt op dat uitvoerbare, meetbare en realistische garanties in overweging kunnen worden genomen;

43.

wijst erop dat de biodiversiteit van geteelde gewassen en landbouwhuisdieren is gedaald als gevolg van de internationale handel; dringt aan op een volledige beoordeling van de directe en indirecte impact van EU-vrijhandelsovereenkomsten op biodiversiteit;

44.

verzoekt de Commissie haar handelsbeleid, en met name haar economische partnerschapsovereenkomsten, zorgvuldig te herzien om ervoor te zorgen dat die niet in strijd zijn met de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling, de Overeenkomst van Parijs en de Green Deal; verzoekt de Commissie en de Raad geen nieuwe vrijhandelsovereenkomsten te sluiten die kunnen bijdragen tot een toename van de wereldwijde ontbossing en het verlies aan biodiversiteit;

Volksgezondheid

45.

benadrukt dat de achteruitgang van biodiversiteit en ecosystemen zowel directe als indirecte gevolgen heeft voor de volksgezondheid;

46.

merkt op dat uiteenlopende voedingspatronen in combinatie met wereldwijde convergentie naar matiging van de calorieën- en vleesconsumptie in veel gebieden de gezondheid en de voedselzekerheid zouden verbeteren en ook de gevolgen voor de biodiversiteit aanzienlijk zouden verminderen;

47.

benadrukt het verband tussen biodiversiteitsverlies en de toename van zoönotische ziekteverwekkers; herinnert eraan dat het risico op pandemieën wordt vergroot door antropogene veranderingen waardoor wilde dieren, vee en mensen nauwer met elkaar in contact komen, zoals veranderingen in landgebruik, ontbossing, uitbreiding en intensivering van de landbouw, legale en illegale handel in en consumptie van wilde dieren en planten, en demografische druk; herinnert eraan dat ecologisch herstel van cruciaal belang is voor de uitvoering van de “één gezondheid”-benadering; benadrukt, meer in het algemeen, dat de COVID-19-pandemie heeft aangetoond hoe belangrijk het is het intrinsieke verband tussen menselijke gezondheid, diergezondheid en biodiversiteit te erkennen; benadrukt daarom het belang van de “één gezondheid” -benadering en de daaruit voortvloeiende noodzaak om meer aandacht te besteden aan gezondheidszorg, ziektepreventie en toegang tot geneesmiddelen in ontwikkelingslanden, door te zorgen voor samenhang tussen het handels-, gezondheids-, onderzoeks- en innovatiebeleid en de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid; verzoekt de Commissie om, in samenwerking met het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, het EU-optreden tegen pandemieën en andere bedreigingen voor de gezondheid te versterken, rekening houdend met het verband tussen zoönotische pandemieën en biodiversiteitsverlies, in overeenstemming met het nieuwe voorstel van de Commissie over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, voortbouwend op de samenwerking met de partnerlanden van de EU om het risico op toekomstige zoönotische pandemieën te beperken en de ontwikkeling van een internationaal verdrag inzake pandemieën in het kader van de WHO te ondersteunen;

48.

herinnert eraan dat de meeste geneesmiddelen die worden gebruikt voor de gezondheidszorg en de preventie van ziekten afkomstig zijn van biodiversiteit, met name planten overal ter wereld, terwijl veel belangrijke therapieën afkomstig zijn van inheemse kennis en traditionele geneeskunde;

49.

benadrukt dat intellectuele-eigendomsrechten op genetische hulpbronnen en traditionele kennis ontwikkelingslanden voor uitdagingen plaatsen op het gebied van toegang tot geneesmiddelen, de productie van generieke geneesmiddelen en de toegang van landbouwers tot zaden;

50.

benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de voordelen van de genetische rijkdommen van de natuur eerlijk en rechtvaardig worden verdeeld en wijst op de noodzaak aan consistentie tussen internationale overeenkomsten in dit verband; benadrukt dat regelingen die worden vastgesteld om genetische hulpbronnen en de daaraan gerelateerde traditionele kennis te beschermen in overeenstemming moeten zijn met internationale verplichtingen op het terrein van de bescherming en eerbiediging van de rechten van inheemse volken zoals vastgelegd in de VN-Verklaring inzake de rechten van inheemse volken van 2007 en het IAO-Verdrag nr. 169 van 1989 betreffende inheemse en in stamverband levende volken; benadrukt dat indien bekend, de oorsprong van genetische rijkdommen tijdens octrooiprocedures moet worden bekendgemaakt, in overeenstemming met Richtlijn 98/44/EG (12); verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat de WTO-regels in overeenstemming worden gebracht met het Protocol van Nagoya bij het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit, teneinde biopiraterij doeltreffend te voorkomen;

Inheemse volken en lokale gemeenschappen

51.

onderstreept dat de globale beoordeling van het IPBES het belang van autochtone en plaatselijke gemeenschappen voor het behoud van de biodiversiteit en het beheer van ecosystemen in de wereld heeft aangetoond; betreurt het dat inheemse kennis, ondanks het grote potentieel daarvan, niet doeltreffend wordt benut, terwijl de expliciete erkenning van inheemse volkeren en stammen en hun rechten nog steeds ontbreekt in de juridische, beleids- en institutionele kaders van veel landen, en dat de tenuitvoerlegging ervan een belangrijk probleem blijft;

52.

onderstreept dat nomadische veetelers en anderen die van weidegronden en natuurlijke graslanden op een manier gebruikmaken waarbij de natuur centraal staat, bijdragen tot het behoud en het duurzame gebruik van de natuurlijke en binnenlandse biodiversiteit;

53.

wijst op de talrijke beschuldigingen van grootschalige schendingen van de rechten van inheemse volkeren waarover de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van inheemse volkeren heeft bericht, bijvoorbeeld als gevolg van de toegenomen winning van delfstoffen, de ontwikkeling van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, de uitbreiding van de agro-industrie, de ontwikkeling van mega-infrastructuren en instandhoudingsmaatregelen;

54.

verzoekt de EU en haar lidstaten meer toezicht te houden op door de EU gefinancierde projecten en handelsovereenkomsten om mensenrechtenschendingen te voorkomen en op te sporen en maatregelen tegen dergelijke schendingen mogelijk te maken, met bijzondere aandacht voor projecten en overeenkomsten die gevolgen kunnen hebben voor de gronden, grondgebieden of natuurlijke rijkdommen van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen, ook wanneer het gaat om het creëren van een nieuw beschermd gebied of het uitbreiden van een bestaand gebied; beklemtoont dat het mechanisme voor duurzame ontwikkeling gericht moet zijn op de financiering van projecten die ten goede komen aan diegenen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering en verlies aan biodiversiteit en dat voor de in het kader van het mechanisme voor duurzame ontwikkeling gefinancierde projecten een mensenrechteneffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, waarbij alleen projecten met een positieve impact in aanmerking komen voor registratie; dringt erop aan dat alle activiteiten van financiële instellingen van de Unie in derde landen, met name die van de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, stroken met de klimaatverbintenissen van de Unie en worden uitgevoerd volgens een op mensenrechten gebaseerde aanpak; pleit voor de versterking en verdieping van de respectieve klachtenmechanismen van die banken voor personen of groepen van wie de rechten door dergelijke activiteiten kunnen zijn geschonden en die eventueel aanspraak kunnen maken op vergoeding;

55.

herinnert aan de plicht van staten uit hoofde van het internationaal recht om het recht van inheemse volkeren op het bezit, de ontwikkeling, de controle en het gebruik van hun gemeenschappelijke grondgebied te erkennen en te beschermen en deel te nemen aan het beheer en de instandhouding van hun natuurlijke hulpbronnen; dringt er bij de EU op aan ervoor te zorgen dat een op rechten gebaseerde aanpak wordt toegepast op alle projecten die worden gefinancierd via officiële ontwikkelingshulp, met bijzondere aandacht voor de rechten van nomadische veetelers en inheemse en lokale gemeenschappen, met inbegrip van de volledige erkenning van het recht op zelfbeschikking en toegang tot landrechten zoals verankerd in mensenrechtenverdragen, met name de Verklaring over de rechten van inheemse volken; benadrukt dat het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming, zoals vastgelegd in IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken van 1989, moet worden nageleefd, ook met betrekking tot alle besluitvorming over beschermde gebieden, en dat er verantwoordings-, klachten- en verhaalsmechanismen moeten worden ingesteld voor inbreuken op inheemse rechten, niet in de laatste plaats in het kader van instandhoudingsactiviteiten; verzoekt de lidstaten die IAO-Verdrag nr. 169 nog niet hebben geratificeerd dat alsnog te doen; onderstreept dat IAO-Verdrag nr. 169 alle ratificerende staten ertoe verplicht gecoördineerd op te treden om de rechten van inheemse volkeren te beschermen;

56.

wijst op de talrijke beschuldigingen van grootschalige schendingen van onder meer de rechten van milieuactivisten, zoals gemeld door de speciale rapporteur van de VN voor mensenrechtenverdedigers, die het toenemende aantal aanvallen, doodsbedreigingen en moorden waar zij slachtoffer van zijn, aan de kaak stelde; herinnert aan de verplichting van staten om milieuactivisten en hun families te beschermen tegen pesterijen, intimidatie en geweld, zoals vastgelegd in het internationaal recht inzake de mensenrechten, en om hun fundamentele vrijheden te waarborgen; verzoekt de Unie verder te investeren in specifieke beschermingsmechanismen en -programma’s voor verdedigers van milieugerelateerde mensenrechten, alsook voor inheemse bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen, en deze te versterken, onder meer door ervoor te zorgen dat de ProtectDefenders.eu-projecten worden voortgezet; benadrukt de noodzaak de rechten, kennis en ervaring van deze groepen in de strijd tegen biodiversiteitsverlies en aantasting van het milieu te erkennen;

57.

dringt er bij de Unie op aan ervoor te zorgen dat het initiatief NaturAfrica bescherming biedt aan wilde dieren en planten en de daarmee verband houdende ecosystemen met een op rechten gebaseerde benadering van instandhouding die vraagt om de vrije, voorafgaande en geïnformeerde keuze van betrokken inheemse en lokale gemeenschappen, samen met de maatschappelijke organisaties die hen ondersteunen; verzoekt de Unie met het oog hierop technische en financiële bijstand te verlenen;

58.

moedigt de Unie en haar lidstaten aan steun te verlenen aan de Afrikaanse bestuursarchitectuur, en met name aan het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volken, teneinde het beleidskader van de Afrikaanse Unie voor nomadische veeteelt in Afrika ten uitvoer te leggen en, meer in het algemeen, de rechten van nomadische en inheemse volkeren te erkennen;

59.

benadrukt dat het waarborgen van eigendomsrechten een voorwaarde is voor de effectieve mainstreaming van biodiversiteit; merkt echter op dat het gebrek aan collectieve landrechten voor inheemse volkeren een van de belangrijkste obstakels vormt om ervoor te zorgen dat op rechten gebaseerde instandhouding van kracht wordt;

60.

herinnert eraan dat de overgang naar een groene en digitale economie enorme gevolgen heeft voor de mijnbouwsector en dat er steeds meer bezorgdheid bestaat dat mijnbouw zich zal uitbreiden tot in kwetsbare boslandschappen, wat zal bijdragen tot ontbossing en bosdegradatie; herinnert eraan dat 80 % van de bossen overal ter wereld traditioneel land en grondgebied is van inheemse volkeren; verzoekt de Unie en haar lidstaten meer inspanningen te leveren om verantwoorde en duurzame mijnbouwpraktijken te bevorderen en tegelijkertijd hun overgang naar een circulaire economie te versnellen; dringt er in het bijzonder bij de Unie op aan een regionaal kader voor winningsindustrieën te ontwikkelen dat bedrijven die mensenrechten schenden sancties oplegt en in rechtsmiddelen voorziet voor inheemse volkeren wier rechten zijn geschonden; benadrukt dat exploratie en exploitatie van mineralen in alle beschermde gebieden, met inbegrip van nationale parken en werelderfgoedlocaties, moet worden verboden;

Milieucriminaliteit

61.

onderstreept dat milieucriminaliteit een wereldwijde bedreiging vormt voor natuurbehoud, duurzame ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid;

62.

benadrukt dat de illegale handel in wilde dieren en planten als een ernstig delict moet worden aangemerkt, overeenkomstig het Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, in een poging om internationale samenwerking te vergemakkelijken, met name in een context waar de handel in en consumptie van wilde dieren en planten een aanzienlijk risico op toekomstige pandemieën oplevert;

63.

verzoekt de Commissie het EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten te herzien om deze illegale praktijk de kop in te drukken; is ingenomen met de door de Commissie gepubliceerde ontwerpmaatregelen die erop zijn gericht om de handel in ivoor in de EU daadwerkelijk te verbieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband internationale actie te stimuleren om de vraag naar olifantenivoor een halt toe te roepen en de onderliggende oorzaken van de olifantenstroperij aan te pakken door hun samenwerking met en bijstand aan Afrikaanse landen te intensiveren; dringt aan op herziening van de richtlijn milieucriminaliteit (13) door het toepassingsgebied ervan uit te breiden en specifieke sanctiebepalingen in te voeren om ervoor te zorgen dat milieudelicten, waaronder illegale visserij, criminaliteit in verband met wilde dieren en planten en bossen, worden erkend als ernstige delicten en adequaat worden bestraft, met name in de context van georganiseerde misdaad, waardoor een sterk afschrikwekkend effect wordt bereikt;

64.

dringt er bij de toeleverende, doorvoer- en vraaglanden in de illegale handel in wilde dieren en planten op aan hun samenwerking te verdiepen om deze handel in de hele keten te bestrijden; dringt er bij de regeringen van toeleveringslanden met name op aan om: i) de rechtsstaat te verbeteren en doeltreffende afschrikmiddelen te ontwikkelen door het strafrechtelijk onderzoek alsmede de strafrechtelijke vervolging en veroordeling aan te scherpen; ii) krachtigere wetten toe te passen op grond waarvan illegale handel in wilde dieren en planten als een “ernstig delict” wordt behandeld, met dezelfde aandacht en ernst als andere vormen van transnationale georganiseerde misdaad; iii) meer middelen beschikbaar te stellen voor de bestrijding van criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten, met name om de handhaving van wetgeving inzake wilde dieren en planten, de controle op de handel, het toezicht alsmede de opsporing en inbeslagneming door de douane te verbeteren; iv) een nultolerantiebeleid te voeren ten aanzien van corruptie;

65.

merkt op dat milieucriminaliteit de menselijke veiligheid bedreigt door schade toe te brengen aan hulpbronnen die essentieel zijn voor het levensonderhoud, geweld en conflicten veroorzaken, corruptie aanwakkeren en andere schade veroorzaken; dringt erop aan dat de Unie de bestrijding van milieucriminaliteit verklaart tot strategische en politieke topprioriteit bij internationale justitiële samenwerking en in multilaterale fora, met name door de naleving van multilaterale milieuovereenkomsten te bevorderen met behulp van strafrechtelijke sancties, door optimale praktijken uit te wisselen en de uitbreiding van de bevoegdheden van het Internationaal Strafhof te bepleiten, zodat het Strafhof zich kan uitspreken over delicten die onder het begrip ecocide vallen; verzoekt de Commissie en de lidstaten passende financiële en personele middelen toe te wijzen voor het voorkomen, onderzoeken en vervolgen van milieudelicten;

66.

onderstreept dat het internationaal recht zich zodanig heeft ontwikkeld dat het nieuwe concepten omvat, zoals het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid, duurzame ontwikkeling en toekomstige generaties, maar benadrukt dat er geen permanent internationaal mechanisme bestaat voor de monitoring en aanpak van milieuschade en milieuvernietiging dat de gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen of ecosysteemdiensten aanzienlijk wijzigt; dringt er in dit verband bij de Unie en de lidstaten op aan een paradigmaverschuiving te bewerkstelligen om ecocide en het recht van toekomstige generaties in het internationaal milieurecht op te nemen;

o

o o

67.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60.

(2)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2020/603494/ EXPO_IDA(2020)603494_EN.pdf

(3)  https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52020DC0380&qid=1629966472777 en https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/TA-8-2016-0034_NL.html

(4)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2020/658217/ IPOL_IDA(2020)658217_EN.pdf

(5)  PB C 118 van 8.4.2020, blz. 15.

(6)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2014/534980/ EXPO_STU(2014)534980_EN.pdf

(7)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2020/603488/ EXPO_IDA(2020)603488_EN.pdf

(8)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0285.

(9)  Biodiversity: Finance and the Economic and Business Case for Action. Samenvattend verslag, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), mei 2019, blz. 7.

(10)  Biodiversity: Finance and the Economic and Business Case for Action. OESO, mei 2019.

(11)  IPBES Workshop on Biodiversity and Pandemics, Workshop Report, 2020, blz. 23.

(12)  Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen (PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13).

(13)  Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28).


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/17


P9_TA(2021)0405

Artificiële intelligentie in het strafrecht en het gebruik ervan door politiële en gerechtelijke instanties in strafzaken

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over artificiële intelligentie in het strafrecht en het gebruik ervan door politiële en gerechtelijke instanties in strafzaken (2020/2016(INI))

(2022/C 132/02)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name de artikelen 2 en 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”), en met name de artikelen 6, 7, 8, 11, 12, 13, 20, 21, 24 en 47,

gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS 108), en het protocol tot wijziging van dat verdrag (“Verdrag 108+”),

gezien het Europees Ethisch Handvest over het gebruik van artificiële intelligentie in gerechtelijke systemen en hun omgeving van de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (Cepej) van de Raad van Europa,

gezien de mededeling van de Commissie van 8 april 2019 getiteld “Vertrouwen kweken in mensgerichte kunstmatige intelligentie” (COM(2019)0168),

gezien de ethische richtsnoeren voor betrouwbare AI, die de deskundigengroep op hoog niveau inzake artificiële intelligentie van de Commissie op 8 april 2019 heeft gepubliceerd,

gezien het witboek van de Commissie van 19 februari 2020, getiteld “Kunstmatige intelligentie — Een Europese benadering op basis van excellentie en vertrouwen” (COM(2020)0065),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2020, getiteld “Een Europese datastrategie” (COM(2020)0066),

gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (1),

gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (2),

gezien Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (3),

gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (4),

gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (5),

gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over de antiracismedemonstraties na de dood van George Floyd (6),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over de gevolgen van big data voor de grondrechten: persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming, non-discriminatie, veiligheid en rechtshandhaving (7),

gezien de hoorzitting van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) van 20 februari 2020 over artificiële intelligentie in het strafrecht en het gebruik ervan door politiële en gerechtelijke instanties in strafzaken,

gezien het verslag van het werkbezoek van de commissie LIBE aan de Verenigde Staten in februari 2020,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0232/2021),

A.

overwegende dat digitale technologieën in het algemeen en de proliferatie van door artificiële intelligentie (AI) mogelijk gemaakte dataverwerking en -analyse in het bijzonder buitengewoon veelbelovend zijn, én grote risico’s met zich meebrengen; overwegende dat de afgelopen jaren op het vlak van de ontwikkeling van AI enorm veel progressie is geboekt, waardoor deze nu een van de strategische technologieën van de 21e eeuw is, met het potentieel aanzienlijke voordelen op het gebied van efficiëntie, nauwkeurigheid en comfort op te leveren, en bijgevolg een positieve verandering van de Europese economie en samenleving teweeg te brengen, hetgeen echter gepaard gaat met grote risico’s voor grondrechten en voor op de rechtsstaat gebaseerde democratieën; overwegende dat AI geen doel op zich moet zijn, maar een instrument dat ten dienste staat van mensen, met als uiteindelijke doel het vergroten van het welzijn, de capaciteiten en de veiligheid van mensen;

B.

overwegende dat ondanks de voortdurend toenemende snelheid waarmee computers gegevens kunnen verwerken en de steeds groter wordende geheugencapaciteit van computers, er nog geen programma’s bestaan die zich kunnen meten met de menselijke flexibiliteit op meerdere terreinen of bij de uitvoering van taken die begrip van de context of kritische analyse vereisen; overwegende dat bepaalde AI-toepassingen inmiddels menselijke deskundigen en professionals evenaren bij de uitvoering van bepaalde specifieke taken (bijv. “legal tech”), en veel sneller en op bredere schaal resultaten kunnen produceren;

C.

overwegende dat politiële en gerechtelijke instanties in sommige landen, waaronder een aantal lidstaten, op grotere schaal AI-toepassingen, of geïntegreerde AI-systemen, gebruiken dan in andere, hetgeen deels te wijten is aan een gebrek aan regelgeving en verschillen in regelgeving die het gebruik van AI voor bepaalde doeleinden mogelijk maken of juist verbieden; overwegende dat het toegenomen gebruik van AI in het strafrecht in het bijzonder gebaseerd is op de belofte dat dit zal leiden tot vermindering van bepaalde vormen van criminaliteit en tot een meer objectieve besluitvorming; overwegende dat dit evenwel niet altijd het geval is;

D.

overwegende dat de in het Handvest verankerde grondrechten en vrijheden gedurende de hele levenscyclus van AI en aanverwante technologieën, met name bij het ontwerp, de ontwikkeling, de invoering en het gebruik, gewaarborgd moeten zijn, en onder alle omstandigheden van toepassing moeten zijn bij wetshandhaving;

E.

overwegende dat AI-technologie op een manier moet worden ontwikkeld die de mens centraal stelt, het vertrouwen van het publiek geniet, en altijd ten dienste van de mens staat; overwegende dat AI-systemen zo ontworpen moeten zijn dat gewaarborgd is dat ze altijd door een mens kunnen worden uitgeschakeld;

F.

overwegende dat AI-systemen ontworpen moeten zijn met het oog op de bescherming en ten bate van alle leden van de samenleving (waarbij in het ontwerpstadium onder andere rekening moet worden gehouden met kwetsbare, gemarginaliseerde groepen), niet-discriminerend en veilig moeten zijn, over uitlegbare en transparante besluitvormingsprocessen moeten beschikken, en de autonomie en de grondrechten van de mens moeten eerbiedigen, teneinde betrouwbaar te zijn, zoals beschreven in de ethische richtsnoeren van de deskundigengroep op hoog niveau inzake kunstmatige intelligentie;

G.

overwegende dat de Unie samen met de lidstaten een cruciale verantwoordelijkheid draagt om te waarborgen dat besluiten in verband met de levenscyclus en het gebruik van AI-applicaties door politiële en gerechtelijke instanties op transparante wijze worden genomen, de grondrechten ten volle eerbiedigen, en met name discriminatie, vooringenomenheid of vooroordelen, daar waar deze bestaan, niet bestendigen; overwegende dat bij de desbetreffende beleidsbeslissingen de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid moeten worden gerespecteerd, teneinde voor grondwettelijkheid en een billijk en humaan justitieel systeem te zorgen;

H.

overwegende dat AI-toepassingen grote mogelijkheden kunnen bieden op het gebied van wetshandhaving, met name door bij te dragen aan verbetering van de werkmethoden van politiële en gerechtelijke instanties, alsook aan een doeltreffendere bestrijding van bepaalde vormen van criminaliteit, met name financiële criminaliteit, het witwassen van geld en terrorismefinanciering, seksueel misbruik en de uitbuiting van kinderen online, alsook bepaalde soorten cybercriminaliteit, en daarmee aan de veiligheid en beveiliging van EU-burgers, maar óók aanzienlijke risico’s voor de grondrechten van mensen in zich kunnen dragen; overwegende dat de algemene toepassing van AI met het oog op grootschalige bewaking onevenredig zou zijn;

I.

overwegende dat bij de ontwikkeling en het gebruik van AI-systemen voor respectievelijk door politiële of gerechtelijke instanties meerdere personen, organisaties, machinecomponenten, softwarealgoritmen en menselijke gebruikers betrokken zijn in vaak complexe en uitdagende omgevingen; overwegende dat AI-toepassingen voor politiële of gerechtelijke instanties zich in verschillende fasen van ontwikkeling bevinden, van de conceptualiserings-, de prototyping- en de evaluatiefase tot de fase van gebruik na goedkeuring; overwegende dat er in de toekomst nieuwe gebruiksmogelijkheden kunnen ontstaan naarmate de technologieën volwassener worden als gevolg van lopend wereldwijd wetenschappelijk onderzoek;

J.

overwegende dat het een absolute “must” is een duidelijk model voor het toeschrijven van de juridische verantwoordelijkheid voor de potentiële schadelijke gevolgen van AI-systemen op het gebied van het strafrecht te ontwikkelen; overwegende dat regelgeving op dit vlak er nooit toe mag leiden dat de eindverantwoordelijkheid elders komt te liggen dan bij de mens, én er eerst en vooral op gericht moet zijn schadelijke effecten überhaupt te vermijden;

K.

overwegende dat het uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om te waarborgen dat bij het gebruik van AI-systemen door politiële of gerechtelijke instanties de grondrechten volledig worden gerespecteerd;

L.

overwegende dat het verband tussen bescherming van grondrechten en doeltreffend politiewerk altijd een essentieel element moet zijn in de discussies over het gebruik (of überhaupt, en hoe) van AI door politiële instanties, waar beslissingen blijvende gevolgen voor het leven en de vrijheden van personen kunnen hebben; overwegende dat dit van bijzonder groot belang is omdat AI het potentieel heeft om in de vorm van analyse en bijstand in het kader van onderzoeken een vast onderdeel van ons strafrechtelijk ecosysteem te worden;

M.

overwegende dat in het kader van wetshandhaving gebruik wordt gemaakt van AI, onder meer bestaand uit gezichtsherkenningstechnologie om bijvoorbeeld verdachte databanken te doorzoeken en slachtoffers van mensenhandel of seksuele uitbuiting van kinderen op te sporen, automatische nummerplaatherkenning, identificatie van de spreker, spraakidentificatie, spraakafzientechnologieën, fonetisch toezicht (d.w.z. algoritmen voor geweerschotdetectie), autonoom onderzoek en analyse van geïdentificeerde databanken, prognoses (voorspellend politiewerk en analyse van misdaadhotspots), instrumenten voor het opsporen van gedrag, geavanceerde virtuele autopsie-instrumenten voor het vaststellen van de doodsoorzaak, autonome instrumenten voor het opsporen van financiële fraude en terrorismefinanciering, monitoring van de sociale media (scraping en harvesting voor dataminingconnecties), en geautomatiseerde bewakingssystemen waarin verschillende detectiemogelijkheden zijn verwerkt (zoals camera’s voor hartslagdetectie en thermische camera’s); overwegende dat de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de bovengenoemde toepassingen, alsook hun impact op de bescherming van grondrechten en op de dynamiek van strafrechtsystemen, en die van andere potentiële of toekomstige AI-toepassingen op het gebied van wetshandhaving, sterk kunnen uiteenlopen; overwegende dat veel van deze instrumenten in derde landen worden gebruikt, maar in de Unie illegaal zijn krachtens het wetgevingskader en de rechtspraak van de Unie inzake gegevensbescherming; overwegende dat het routinematige gebruik van algoritmen, zelfs met een laag percentage aan valse positieven, ertoe kan leiden dat het aantal valse waarschuwingen het aantal correcte waarschuwingen ruim overtreft;

N.

overwegende dat AI-instrumenten en -toepassingen ook wereldwijd in meerdere landen door gerechtelijke instanties worden gebruikt, onder meer ter ondersteuning van besluiten inzake voorlopige hechtenis, bij veroordeling, de berekening van de kans op recidive en de vaststelling van de proeftijd, onlinegeschillenbeslechting, beheer van de jurisprudentie en het toegankelijker maken van het recht; overwegende dat dit heeft geleid tot verstoorde en kleinere kansen voor kleurlingen en andere minderheden; overwegende dat het gebruik ervan in de EU, op een paar lidstaten na, op dit moment hoofdzakelijk beperkt blijft tot het civiel gebied;

O.

overwegende dat het gebruik van AI bij wetshandhaving een aantal potentieel grote, en in sommige gevallen onaanvaardbare, risico’s voor de bescherming van grondrechten van personen met zich meebrengt, zoals ondoorzichtige besluitvorming, verschillende vormen van discriminatie en fouten die inherent zijn aan het onderliggende algoritme, en die kunnen worden versterkt door feedbackloops, evenals risico’s voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en informatie, het vermoeden van onschuld, het recht op doeltreffende rechtsmiddelen en een eerlijk proces, alsook risico’s voor de vrijheid en veiligheid van personen;

P.

overwegende dat AI-systemen die door politiële en gerechtelijke instanties worden gebruikt, ook kwetsbaar zijn voor door AI aangedreven aanvallen op informatiesystemen of gegevensvergiftiging, waarbij opzettelijk verkeerde gegevensreeksen worden ingevoerd om vertekende resultaten te produceren; overwegende dat de daaruit voortvloeiende schade in deze situaties potentieel nog aanzienlijker is en kan leiden tot een exponentiële toename van de schade voor zowel individuen als groepen;

Q.

overwegende dat het gebruik van AI door politiële en gerechtelijke instanties niet moet worden gezien als uitsluitend een technische mogelijkheid, maar veeleer als een politiek besluit over het ontwerp en de doelstellingen van wetshandhaving en strafrechtsystemen; overwegende dat het moderne strafrecht gebaseerd is op het idee dat autoriteiten pas op een strafbaar feit reageren nadat het is gepleegd, zonder ervan uit te gaan dat alle mensen gevaarlijk zijn en permanent in de gaten moeten worden gehouden om mogelijke wetsovertredingen te voorkomen; overwegende dat op AI gebaseerde surveillancetechnologieën deze benadering in sterke mate ondermijnen en wetgevers overal ter wereld dwingen tot een grondige analyse van de gevolgen van het gebruik van technologieën die de rol van de mens bij wetshandhaving en in de rechtspleging verkleinen;

1.

herhaalt dat, aangezien de verwerking van grote hoeveelheden persoonsgegevens de kern vormt van AI, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens van toepassing is op alle gebieden van AI, en dat het rechtskader van de Unie voor gegevensbescherming en privacy volledig moet worden nageleefd; herinnert er derhalve aan dat de EU reeds gegevensbeschermingsnormen voor de wetshandhaving heeft vastgesteld, die de grondslag vormen voor de toekomstige regelgeving inzake het gebruik van AI door politiële en gerechtelijke instanties; herinnert eraan dat de verwerking van persoonsgegevens wettig en billijk moet zijn, het ermee beoogde doel gespecificeerd, expliciet en legitiem moet zijn, adequaat, relevant en evenredig moet zijn met het nagestreefde doel, accuraat moet zijn en up-to-date moet worden gehouden, dat inaccurate gegevens, behoudens in gevallen waarin beperkingen van toepassing zijn, gecorrigeerd of gewist moeten worden, gegevens niet langer dan noodzakelijk moeten worden bewaard, duidelijke en passende termijnen moeten worden vastgesteld voor het wissen of periodiek toetsen van de noodzaak om dergelijke gegevens op te slaan, en de verwerking op beveiligde wijze moet plaatsvinden; onderstreept daarnaast dat de mogelijke identificatie van personen middels een AI-toepassing die gebruik maakt van gegevens die eerder geanonimiseerd waren, moet worden voorkomen;

2.

bevestigt nogmaals dat alle AI-oplossingen voor politiële en gerechtelijke instanties ook de beginselen van menselijke waardigheid, non-discriminatie, vrij verkeer, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, met inbegrip van het zwijgrecht, de vrijheid van meningsuiting en informatie, de vrijheid van vergadering en vereniging, gelijkheid voor de wet, het beginsel van wapengelijkheid en het recht op een effectief rechtsmiddel en een eerlijk proces volledig in acht moeten nemen, in overeenstemming met het Handvest en het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens; benadrukt dat het gebruik van AI-toepassingen moet worden verboden wanneer dit onverenigbaar is met de grondrechten;

3.

onderkent dat de ontwikkeling van AI-toepassingen wereldwijd zo snel gaat dat het onmogelijk is een uitputtende lijst daarvan op te stellen en er derhalve een helder en samenhangend governancemodel nodig is met zowel waarborgen voor de grondrechten van personen als rechtszekerheid voor ontwikkelaars, gezien de niet-aflatende technologische evolutie; is, gezien de rol en de verantwoordelijkheid van politie en justitie, alsmede gezien de impact van de beslissingen die zij nemen met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, evenwel van oordeel dat het gebruik van AI-toepassingen in gevallen met mogelijkerwijs grote gevolgen voor het leven van afzonderlijke personen als zeer risicovol moet worden aangemerkt;

4.

is in dit verband van mening dat elk AI-instrument dat door politiële of gerechtelijke instanties ontwikkeld of gebruikt wordt, ten minste veilig, robuust, beveiligd en geschikt voor het beoogde doel moet zijn en de beginselen van billijkheid, gegevensminimalisering, verantwoordingsplicht, transparantie, non-discriminatie en verklaarbaarheid in acht moet nemen, en dat de ontwikkeling, de invoering en het gebruik ervan moeten worden onderworpen aan een effectbeoordeling en een strikte noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets, met waarborgen die evenredig zijn aan de geïdentificeerde risico’s; wijst erop dat het vertrouwen van burgers in AI die in de EU ontwikkeld, ingevoerd en gebruikt wordt, zal afhangen van de volledige vervulling van deze criteria;

5.

erkent de positieve bijdrage van bepaalde soorten AI-toepassingen voor het werk van politiële en gerechtelijke instanties in de Unie; wijst daarbij bijvoorbeeld op het verbeterde beheer van jurisprudentie met behulp van instrumenten die extra zoekopties bieden; is van oordeel dat er nog meer potentiële toepassingen van AI voor politiële en gerechtelijke instanties zijn die het onderzoeken waard zijn, rekening houdend met de vijf beginselen van het Ethisch Handvest over het gebruik van artificiële intelligentie in gerechtelijke systemen en hun omgeving van het Cepej, en met bijzondere aandacht voor de door het Cepej geïdentificeerde “gebruikstoepassingen die met uiterste terughoudendheid dienen te worden overwogen”;

6.

benadrukt dat elke technologie kan worden herbestemd, en dringt derhalve aan op strikte democratische controle en onafhankelijk toezicht op alle door politiële en gerechtelijke instanties gebruikte AI-technologieën, met name die welke kunnen worden herbestemd voor grootschalige surveillance of grootschalige profilering; maakt zich derhalve grote zorgen over het potentieel van bepaalde AI-technologieën om in het kader van wetshandhaving voor grootschalige surveillancedoeleinden te worden gebruikt; onderstreept het wettelijk vereiste om te voorkomen dat AI-technologieën voor grootschalige surveillance worden gebruikt, die per definitie niet in overeenstemming is met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en dringt aan op een verbod op toepassingen die hierin resulteren;

7.

beklemtoont dat de wijze waarop sommige derde landen de ontwikkeling, de invoering en het gebruik van technologieën voor grootschalige surveillance benaderen, waarbij in concreto het evenredigheidsbeginsel niet in acht wordt genomen, de grondrechten schendt en derhalve door de EU niet moet worden gekopieerd; beklemtoont dan ook dat uniforme, Uniebrede regels nodig zijn met waarborgen tegen misbruik van AI-technologieën door politiële en gerechtelijke instanties;

8.

wijst op het potentieel voor vooringenomenheid en discriminatie van het gebruik van AI-toepassingen, zoals instrumenten voor machinaal leren, met inbegrip van de algoritmes waar dergelijke toepassingen op gebaseerd zijn; merkt op dat vooringenomenheid inherent kan zijn aan de onderliggende gegevensreeksen, met name wanneer historische gegevens worden gebruikt, ingevoerd door de ontwikkelaars van de algoritmen of gegenereerd wanneer de systemen in reële omgevingen worden toegepast; geeft aan dat de resultaten die met AI-toepassingen worden verkregen per definitie beïnvloed zijn door de kwaliteit van de gebruikte gegevens en dat de desbetreffende inherente vooringenomenheid waarschijnlijk geleidelijk groter zal worden en daarmee bestaande discriminatie zal bestendigen en vergroten, met name voor personen die tot bepaalde etnische groepen of door raciale scheidslijnen gekenmerkte gemeenschappen behoren;

9.

benadrukt dat veel van de momenteel gebruikte, op grond van algoritmen gestuurde identificatietechnologieën personen uit door raciale scheidslijnen gekenmerkte gemeenschappen, leden van bepaalde etnische minderheden, lhbti-personen, kinderen, ouderen en vrouwen onevenredig vaak verkeerd identificeren en classificeren, en derhalve schade berokkenen; herinnert eraan dat personen niet alleen het recht hebben om correct te worden geïdentificeerd, maar ook om helemaal niet te worden geïdentificeerd, tenzij dat wettelijk verplicht is om dwingende en legitieme redenen van algemeen belang; beklemtoont dat AI-voorspellingen die gebaseerd zijn op de kenmerken van een specifieke groep personen, uiteindelijk resulteren in vergroting en bestendiging van bestaande vormen van discriminatie; is van oordeel dat serieuze inspanningen moeten worden ondernomen om geautomatiseerde discriminatie en vooringenomenheid te voorkomen; vraagt om robuuste aanvullende waarborgen voor gevallen waarin AI-systemen door politiële of gerechtelijke instanties worden toegepast ten aanzien van of met betrekking tot minderjarigen;

10.

wijst op de machtsasymmetrie tussen degenen die AI-technologieën gebruiken en degenen op wie deze worden toegepast; benadrukt dat absoluut voorkomen moet worden dat het gebruik van AI door politiële of gerechtelijke instanties een factor voor ongelijkheid, sociale breuken of uitsluiting wordt; onderstreept de gevolgen van het gebruik van AI-instrumenten voor de rechten van verdediging van verdachten, het probleem om betekenisvolle informatie over de werking daarvan te verkrijgen, en het daaruit voortvloeiende probleem om de resultaten daarvan voor de rechtbank aan te vechten, met name door personen tegen wie een onderzoek loopt;

11.

neemt kennis van de risico’s die zijn verbonden aan met name datalekken, inbreuken op de gegevensbeveiliging en onbevoegde toegang tot persoonsgegevens en andere gegevens die verband houden met bijvoorbeeld strafrechtelijk onderzoeken of rechtszaken en die worden verwerkt door AI-systemen; onderstreept dat de beveiligings- en veiligheidsaspecten van AI-systemen die door politiële of gerechtelijke instanties worden gebruikt zorgvuldig moeten worden overwogen en voldoende robuust en veerkrachtig moeten zijn om de mogelijk catastrofale gevolgen van kwaadaardige aanvallen op AI-systemen te voorkomen; benadrukt het belang van beveiliging door ontwerp, alsook van specifiek menselijk toezicht, voorafgaand aan de ingebruikname van bepaalde kritieke toepassingen, en dringt er derhalve op aan dat politiële en gerechtelijke instanties alleen gebruikmaken van AI-toepassingen die de privacy waarborgen en het beginsel van beveiliging door ontwerp respecteren, teneinde functieverschuiving te vermijden;

12.

benadrukt dat geen enkel AI-systeem dat door politiële of gerechtelijke instanties wordt gebruikt zodanig ontworpen mag zijn dat het de fysieke integriteit van mensen kan aantasten, rechten kan toewijzen of wettelijke verplichtingen kan opleggen aan mensen;

13.

erkent dat het, gezien de complexiteit van de ontwikkeling en het beheer van AI-systemen, een uitdaging is om vast te stellen waar de juridische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor potentiële schade ligt; acht het noodzakelijk om duidelijke en billijke regels vast te stellen voor het toeschrijven van de juridische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de potentiële negatieve gevolgen van deze geavanceerde digitale technologieën; onderstreept evenwel dat het doel in de eerste plaats moet zijn te voorkomen dat die schadelijke effecten überhaupt ontstaan; dringt er dan ook op aan bij het gebruik van AI-toepassingen in het kader van wetshandhaving stelselmatig het voorzorgsbeginsel toe te passen; onderstreept dat de juridische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid altijd bij een natuurlijke of een rechtspersoon moet liggen, die altijd moet worden geïdentificeerd voor beslissingen die met behulp van AI worden genomen; wijst dan ook met klem op de noodzaak van het waarborgen van de transparantie van de bedrijfsstructuren die AI-systemen produceren en beheren;

14.

acht het voor zowel de effectiviteit van de uitoefening van verdedigingsrechten als voor de transparantie van nationale strafrechtstelsels van essentieel belang dat een specifiek, duidelijk en precies wettelijk kader voorziet in de voorwaarden, modaliteiten en consequenties van het gebruik van AI door politiële of gerechtelijke instanties, evenals in de rechten van de betrokkenen, en in doeltreffende en laagdrempelige klachten- en verhaalprocedures, met inbegrip van verhaalmogelijkheden voor de rechter; onderstreept dat de partijen in een strafrechtzaak recht hebben op toegang tot het gegevensverzamelingsproces en de daaraan gerelateerde beoordelingen die middels het gebruik van AI-toepassingen gemaakt of verkregen worden; onderstreept dat uitvoerende autoriteiten die in het kader van justitiële samenwerking besluiten over uitleverings- of overleveringsverzoeken van andere lidstaten of derde landen nemen, moeten beoordelen of het gebruik van AI-instrumenten in het verzoekende land klaarblijkelijk afbreuk kan doen aan het grondrecht op een eerlijk proces; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor het doorvoeren van een dergelijke beoordeling in het kader van justitiële samenwerking in strafrechtzaken; is van oordeel dat de lidstaten, in overeenstemming met toepasselijke wetgeving, erop toe moeten zien dat de betrokken personen ervan in kennis worden gesteld indien politiële of gerechtelijke instanties AI-toepassingen gebruiken;

15.

wijst erop dat als mensen zich uitsluitend op door machines gegenereerde gegevens, profielen en aanbevelingen baseren, zij geen onafhankelijke beoordeling kunnen maken; wijst op de mogelijkerwijs ernstige nadelige gevolgen, met name op het gebied van wetshandhaving en justitie, wanneer personen een te groot vertrouwen hebben in de klaarblijkelijk objectieve en wetenschappelijke aard van AI-instrumenten en niet denken aan de mogelijkheid dat hun resultaten onjuist, onvolledig, irrelevant of discriminerend kunnen zijn; benadrukt dat niet te veel moet worden gesteund op de resultaten van AI-systemen, en beklemtoont dat autoriteiten vertrouwen en kennis moeten opbouwen om een algoritmische aanbeveling in twijfel te trekken of hiervan af te wijken; acht het belangrijk realistische verwachtingen van dergelijke technologische oplossingen te hebben en geen perfecte wetshandhavingsoplossingen te verwachten of te beloven dat alle gepleegde strafbare feiten aan het licht zullen worden gebracht;

16.

benadrukt dat in politiële en gerechtelijke contexten elke beslissing met een rechts- of een vergelijkbaar gevolg altijd moet worden genomen door een mens, die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de genomen beslissingen; is van oordeel dat indien AI-systemen worden gebruikt, de betrokken personen de mogelijkheid van een rechtsmiddel moet worden geboden; herinnert eraan dat personen krachtens het EU-recht het recht hebben dat ten aanzien van hen geen beslissingen worden genomen met een rechtsgevolg of die een significante invloed op hen hebben indien deze beslissingen uitsluitend gebaseerd zijn op geautomatiseerde gegevensverwerking; onderstreept daarnaast dat geautomatiseerde individuele besluiten niet gebaseerd mogen zijn op bijzondere categorieën van persoonsgegevens, tenzij er passende maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden en van de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene zijn getroffen; Benadrukt dat het EU-recht profilering die tot discriminatie van natuurlijke personen op basis van bijzondere categorieën van persoonsgegevens leidt, verbiedt; onderstreept dat, als gevolg van de uitvoerende functie van wetshandhavingsinstanties en hun acties, besluiten op het gebied van wetshandhaving bijna altijd rechtsgevolgen voor de betrokken persoon hebben; stelt vast dat het gebruik van AI menselijke beslissingen kan beïnvloeden en gevolgen kan hebben voor alle fasen van strafrechtelijke procedures; is derhalve van oordeel dat autoriteiten die AI-systemen gebruiken zeer hoge wettelijke normen in acht moeten nemen en menselijk ingrijpen moeten garanderen, met name bij de analyse van met dergelijke systemen gegenereerde gegevens; verlangt derhalve dat geen afbreuk wordt gedaan aan de soevereine oordeelkundigheid van rechters, noch aan het beginsel van besluitvorming per geval; dringt aan op een verbod op het gebruik van AI en aanverwante technologieën bij het formuleren van ontwerpen van rechterlijke beslissingen;

17.

roept op tot verklaarbaarheid, transparantie, traceerbaarheid en verificatie van algoritmen als een onmisbaar onderdeel van toezicht, teneinde ervoor te zorgen dat de ontwikkeling, de invoering en het gebruik van AI-systemen voor respectievelijk door politiële of gerechtelijke instanties in overeenstemming zijn met de grondrechten en vertrouwen genieten van de burgers, alsook om ervoor te zorgen dat door AI-algoritmen gegenereerde resultaten begrijpelijk zijn voor de gebruikers en degenen die aan deze systemen worden onderworpen, en dat er transparantie is ten aanzien van de brongegevens en de wijze waarop het systeem tot een bepaalde conclusie is gekomen; geeft aan dat om technische transparantie, robuustheid en nauwkeurigheid te waarborgen politiële en gerechtelijke instanties in de Unie alleen instrumenten en systemen mogen gebruiken waarvan de algoritmen en logica gecontroleerd kunnen worden door en toegankelijk zijn voor in ieder geval politie en justitie, alsmede onafhankelijke toezichthouders, met het oog op beoordeling, controle en doorlichting, en die door de verkopers niet zijn afgesloten en auteursrechtelijk zijn beschermd; wijst er verder op dat in duidelijke en begrijpelijke taal gestelde documenten moeten worden verstrekt over de aard van de dienst, de ontwikkelde instrumenten, de prestaties en de voorwaarden waaronder ze geacht kunnen worden te werken en de risico’s die er mogelijkerwijs aan verbonden zijn; dringt er derhalve bij politiële en gerechtelijke instanties op aan voor proactieve en volledige transparantie te zorgen met betrekking tot particuliere bedrijven van wie zij AI-systemen kopen voor politiële- en gerechtelijke doeleinden; beveelt dan ook aan daar waar mogelijk gebruik te maken van opensourcesoftware;

18.

moedigt politiële en gerechtelijke instanties aan de gebieden waar op maat gesneden AI-oplossingen van nut zouden kunnen zijn, in kaart te brengen en te beoordelen, en goede praktijken op het gebied van de invoering van AI uit te wisselen; verzoekt de lidstaten en de EU-agentschappen voor passende aanbestedingsprocedures voor AI-systemen voor politiële- en gerechtelijke doeleinden te zorgen, om te waarborgen dat deze de grondrechten respecteren en aan de toepasselijke wetgeving voldoen, en erop toe te zien dat softwaredocumentatie en -algoritmes met het oog op toetsing beschikbaar en toegankelijk zijn voor de bevoegde en toezichthoudende autoriteiten; dringt in het bijzonder aan op bindende regels inzake openbaarmaking van publiek-private partnerschappen, contracten en aankopen, alsook van de doeleinden daarvan; benadrukt dat instanties de nodige financiële middelen moeten krijgen en over de nodige deskundigheid moeten beschikken om volledige naleving van de ethische, wettelijke en technische vereisten in verband met het gebruik van alle AI-toepassingen te waarborgen;

19.

roept op tot traceerbaarheid van de AI-systemen en van het besluitvormingsproces waarmee de functies, de capaciteiten en de beperkingen ervan worden vastgelegd en de bepalende kenmerken van een beslissing worden geregistreerd, middels verplichte documentatie; onderstreept dat het belangrijk is volledige documentatie bij te houden van trainingsgegevens, de context daarvan, het doel, de nauwkeurigheid en de bijwerkingen, alsook van de verwerking daarvan door de bouwers en ontwikkelaars van de algoritmes en de naleving van de grondrechten; onderstreept dat het altijd mogelijk moet zijn de berekeningen van een AI-systeem terug te brengen tot een vorm die voor mensen begrijpelijk is;

20.

verzoekt om een verplichte beoordeling van het effect op grondrechten, die moet worden verricht voorafgaand aan de invoering of het gebruik van elk AI-systeem door politiële of gerechtelijke instanties, om elk potentieel risico voor de grondrechten te beoordelen; herinnert eraan dat elk type verwerking met een hoog risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, met name wanneer bij die verwerking nieuwe technologieën worden gebruikt, voorafgaand verplicht aan een beoordeling van de effecten op de gegevensbescherming moet worden onderworpen, en is van mening dat dit geldt voor de meeste AI-technologieën die door politiële of gerechtelijke instanties worden gebruikt; onderstreept de deskundigheid van gegevensbeschermingsautoriteiten en grondrechtenagentschappen voor het beoordelen van deze systemen; benadrukt dat deze beoordelingen van de effecten op de grondrechten zo transparant mogelijk moeten plaatsvinden en met de actieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld; verlangt dat in het kader van de effectbeoordelingen ook duidelijk wordt aangegeven welke maatregelen moeten worden getroffen om de geïdentificeerde risico’s aan te pakken, en dat de desbetreffende beoordelingen in principe altijd voorafgaand aan de invoering van AI-systemen openbaar moeten worden gemaakt;

21.

benadrukt dat alleen een robuuste Europese governance van AI met onafhankelijke evaluatie kan waarborgen dat de beginselen van de grondrechten operationeel worden gemaakt; dringt aan op verplichte periodieke controles, door een onafhankelijke instantie, van alle door politiële of gerechtelijke instanties gebruikte AI-systemen wanneer de kans bestaat dat zij het leven van personen sterk beïnvloeden, teneinde algoritmische systemen, hun context, doel, nauwkeurigheid, prestaties en schaal te testen en te evalueren, en om, nadat deze operationeel zijn geworden, ongewenste en negatieve effecten op te sporen, te onderzoeken, te diagnosticeren en te corrigeren, en ervoor te zorgen dat AI-systemen werken zoals beoogd; dringt er derhalve op aan hiervoor een helder institutioneel kader vast te stellen, inclusief passende regelgeving en toezicht om volledige tenuitvoerlegging daarvan te waarborgen, en een volledig geïnformeerd democratisch debat te voeren over de noodzaak en evenredigheid van AI op strafrechtgebied; onderstreept dat de resultaten van deze controles in openbare registers moeten worden vastgelegd, zodat burgers weten welke AI-systemen worden gebruikt en welke maatregelen worden getroffen om eventuele schendingen van de grondrechten te verhelpen;

22.

benadrukt dat de gegevensreeksen en de algoritmische systemen die voor het produceren van classificaties, beoordelingen en voorspellingen in de verschillende fasen van de gegevensverwerking voor de ontwikkeling van AI en aanverwante technologieën worden gebruikt, ook kunnen resulteren in een gedifferentieerde behandeling en in zowel directe als indirecte discriminatie van groepen personen, met name aangezien de gegevens die gebruikt worden om voorspellende politiealgoritmes te trainen, een weerspiegeling vormen van bestaande surveillanceprioriteiten en derhalve uiteindelijk kunnen leiden tot de uitbreiding en reproductie van bestaande vooringenomenheid; beklemtoont dan ook dat AI-technologieën, met name wanneer deze door politiële of gerechtelijke instanties worden gebruikt, onderzoek door en input van meerdere disciplines vereisen, waaronder wetenschap en technologie, “critical race studies”, “disability studies”, en andere disciplines die zich bezighouden met de sociale context, onder meer de manier waarop verschillen worden geconstrueerd, classificeringswerkzaamheden en de gevolgen ervan; benadrukt dat er daarom systematisch onderzoek moet worden gedaan naar de integratie van deze disciplines in AI-studies en -onderzoek op alle niveaus; benadrukt verder dat het belangrijk is dat de teams die deze AI-systemen voor politiële of gerechtelijke instanties ontwerpen, ontwikkelen, testen, onderhouden, invoeren en inkopen, waar mogelijk, een afspiegeling vormen van de verscheidenheid van de samenleving als geheel, als een niet-technisch middel om de risico’s van discriminatie te verkleinen;

23.

wijst er daarnaast op dat, om adequate verantwoording, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid te waarborgen, een gespecialiseerde opleiding over ethische normen, potentiële gevaren, beperkingen en correct gebruik van AI-technologie onontbeerlijk is, met name voor personeel van politie en justitie; benadrukt dat passende beroepsopleiding en kwalificaties ervoor moeten zorgen dat besluitvormers geschoold zijn ten aanzien van de mogelijkheid van vooringenomenheid, aangezien de gegevensreeksen gebaseerd kunnen zijn op discriminerende en bevooroordeelde gegevens; steunt bewustmakings- en educatieve initiatieven om ervoor te zorgen dat personeel van politie en justitie zich bewust is van en inzicht heeft in de beperkingen, capaciteiten en risico’s die het gebruik van AI met zich meebrengt, waaronder het risico van vooringenomenheid in geautomatiseerde processen; geeft aan dat indien in de gegevensreeksen die bij AI-opleidingen worden gebruikt gevallen van racisme door de politie bij de uitoefening van hun taken worden opgenomen, dit ongetwijfeld tot racistische vooringenomenheid bij middels AI gegenereerde resultaten, scoren en aanbevelingen zal leiden; herhaalt daarom zijn oproep aan de lidstaten om antidiscriminatiebeleid te bevorderen en nationale actieplannen tegen racisme op het gebied van politie en justitie te ontwikkelen;

24.

erkent dat voorspellend politiewerk tot de AI-toepassingen behoort die op het vlak van wetshandhaving worden gebruikt, maar waarschuwt dat met voorspellend politiewerk wel gegevensreeksen kunnen worden geanalyseerd voor de identificatie van patronen en correlaties, maar de causaliteitsvraag niet kan worden beantwoord en geen betrouwbare voorspellingen over individueel gedrag kunnen worden gedaan, en dat dit daarom nooit de enige grond voor interventie kan vormen; geeft aan dat meerdere steden in de Verenigde Staten na controles gestopt zijn met het gebruik van systemen voor voorspellend politiewerk; herinnert eraan dat de leden van LIBE tijdens het werkbezoek van deze commissie aan de Verenigde Staten in februari 2020 van de politie van New York City en Cambridge, Massachusetts, te horen kregen dat die hun voorspellende politieprogramma’s hadden afgebouwd wegens een gebrek aan effectiviteit, discriminerende impact en ontoepasbaarheid in de praktijk, en in plaats daarvan over waren gestapt op gemeenschapsgericht politiewerk; stelt vast dat dit tot een daling van de criminaliteitscijfers heeft geleid; is er derhalve tegen dat wetshandhavingsinstanties AI gebruiken voor het doen van voorspellingen over het gedrag van personen of groepen op basis van historische gegevens en gedrag uit het verleden, lidmaatschap van een groep, locatie, of enig ander dergelijk kenmerk in een poging in kaart te brengen bij welke personen de kans het grootst is dat ze een strafbaar feit zullen begaan;

25.

neemt kennis van de verschillende vormen van gebruik van gezichtsherkenning, zoals, maar niet beperkt tot, verificatie/authenticatie (d.w.z. het matchen van een levend gezicht met een foto in een identiteitsbewijs, denk aan slimme grenzen), identificatie (d.w.z. het matchen van een foto met een fotogegevensbank), en detectie (d.w.z. het in real time detecteren van gezichten van bronnen zoals camerabeelden, en het matchen daarvan met gegevensbanken, denk aan real time surveillance), elk met hun eigen implicaties voor de bescherming van grondrechten; is van mening dat de invoering van gezichtsherkenningssystemen door wetshandhavingsinstanties te allen tijde beperkt moet zijn tot duidelijk gerechtvaardigde doeleinden, met volledige eerbiediging van de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en van het toepasselijke recht; herbevestigt dat het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie ten minste moet voldoen aan de vereisten van gegevensminimalisering, nauwkeurigheid van gegevens, opslagbeperking, gegevensbeveiliging en verantwoording en daarnaast rechtmatig, billijk en transparant moet zijn, en moet beantwoorden aan een specifiek, uitdrukkelijk en legitiem doel dat duidelijk gedefinieerd is in het nationale of het Unierecht; is van oordeel dat verificatie- en authenticatiesystemen alleen succesvol ingevoerd en gebruikt kunnen blijven worden indien de negatieve effecten ervan kunnen worden beperkt en aan de hierboven vermelde criteria wordt voldaan;

26.

roept verder op tot een permanent verbod op het gebruik van geautomatiseerde analyse en/of herkenning in openbare ruimten van andere menselijke kenmerken, zoals tred, vingerafdrukken, DNA, stemgeluid, en andere biometrische en gedragssignalen;

27.

dringt overigens aan op een moratorium op de invoering van gezichtsherkenningssystemen voor wetshandhavingsdoeleinden met de identificatiefunctie, tenzij die functie uitsluitend wordt gebruikt voor de identificatie van slachtoffers van strafbare feiten, totdat de technische normen kunnen worden beschouwd als volledig in overeenstemming met de grondrechten, de afgeleide resultaten niet-discriminerend zijn, het rechtskader voorziet in strenge waarborgen en strikte democratische controle en supervisie, en er empirisch bewijs is van de noodzaak en de evenredigheid van de toepassing van dergelijke technologieën; is van oordeel dat indien niet aan de bovenstaande criteria wordt voldaan, deze systemen niet moeten worden gebruikt of ingevoerd;

28.

geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid over het gebruik van particuliere gezichtsherkenningsdatabanken door wetshandhavingsactoren en inlichtingendiensten, zoals Clearview AI, een databank van meer dan drie miljard afbeeldingen, waaronder van EU-burgers, die onrechtmatig zijn verzameld op sociale media en andere delen van het internet; verzoekt de lidstaten wetshandhavingsactoren te verplichten bekend te maken of ze Clearview AI-technologie, of equivalente technologieën van andere aanbieders, gebruiken; herinnert aan het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) dat het gebruik van een dienst als Clearview AI door wetshandhavingsinstanties in de Europese Unie “waarschijnlijk niet in overeenstemming is met de gegevensbeschermingswetgeving van de EU”; dringt erop aan een verbod in te voeren op het gebruik van particuliere gezichtsherkenningsdatabanken in het kader van wetshandhaving;

29.

neemt kennis van de studie van de Commissie naar de haalbaarheid van mogelijke wijzigingen van het Prüm-besluit (8), waaronder met betrekking tot beelden van gezichten; neemt kennis van eerder onderzoek waaruit gebleken is dat geen enkele potentiële nieuwe identificatiemethode, zoals iris- of gezichtsherkenning, in de forensische context even betrouwbaar is als DNA of vingerafdrukken; herinnert de Commissie eraan dat elk nieuw wetgevingsvoorstel gebaseerd moet zijn op wetenschappelijk bewijs en eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel; dringt er bij de Commissie op aan het kader van het Prüm-besluit niet te verlengen, tenzij er solide wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat gezichtsherkenning in een forensische context even betrouwbaar is als DNA of vingerafdrukken, na uitvoering van een volledige effectbeoordeling en met in inachtneming van de aanbevelingen van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) en het EDPB;

30.

benadrukt dat het gebruik van biometrische gegevens meer in het algemeen verband houdt met het beginsel van het recht op menselijke waardigheid als basis voor alle door het Handvest gegarandeerde grondrechten; is van mening dat het verzamelen en gebruiken van biometrische gegevens ten behoeve van identificatie op afstand, zoals door gezichtsherkenning in openbare ruimten en bij geautomatiseerde grenscontroles op luchthavens, specifieke risico’s voor de grondrechten met zich mee kan brengen, met sterk uiteenlopende gevolgen afhankelijk van het doel, de context en de schaal waarop dit gebeurt; wijst daarnaast op de betwiste wetenschappelijke validiteit van affectherkenningstechnologie, zoals camera’s die oogbewegingen en veranderingen in de pupilgrootte meten, in een wetshandhavingscontext; is van oordeel dat het gebruik van biometrische identificatie door politiële of gerechtelijke instanties altijd als “zeer risicovol” moet worden beschouwd en daarom onderworpen moet zijn aan aanvullende vereisten, overeenkomstig de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake AI van de Commissie;

31.

maakt zich grote zorgen over door Horizon 2020 gefinancierde onderzoeksprojecten waarin gebruik wordt gemaakt van artificiële intelligentie aan de buitengrenzen, zoals het iBorderCtrl-project, een “slim leugendetectiesysteem” waarin reizigers worden geprofileerd op basis van een geautomatiseerd onderhoud via de webcam van de reiziger voorafgaand aan de reis en een op AI gebaseerde analyse van 38 microgezichtsuitdrukkingen, dat is getest in Hongarije, Letland en Griekenland; verzoekt de Commissie dan ook de biometrische verwerking van persoonsgegevens, met inbegrip van afbeeldingen van gezichten, voor wetshandhavingsdoeleinden die tot grootschalig toezicht in openbare ruimten leidt met behulp van wetgevende en niet-wetgevende middelen en, indien nodig, via inbreukprocedures, over de hele linie te verbieden; verzoekt de Commissie daarnaast te stoppen met het financieren van biometrisch onderzoek en biometrische toepassingen of programma’s waarbij een aanzienlijk risico bestaat dat ze bijdragen tot grootschalige surveillance in openbare ruimten; beklemtoont in dit verband dat specifiek moet worden gekeken naar het gebruik van drones door de politie, en dat hiervoor een strikt kader moet worden ontwikkeld;

32.

steunt de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake AI van de Commissie om de grootschalige toekenning van scores aan personen op basis van AI te verbieden; is van oordeel dat elke vorm van het op grote schaal toekennen van normatieve scores aan burgers door overheidsinstanties, met name door politiële of gerechtelijke instanties, tot verlies van autonomie leidt, een gevaar voor het non-discriminatiebeginsel vormt, en niet als in overeenstemming met de grondrechten, in het bijzonder de menselijke waardigheid, als vastgelegd in het EU-recht, kan worden beschouwd;

33.

roept op tot meer algemene transparantie om tot een compleet inzicht in het gebruik van AI-toepassingen in de Unie te komen; verzoekt de lidstaten een volledig overzicht te geven van de door politiële of gerechtelijke instanties gebruikte instrumenten, de soorten gebruikte instrumenten, de doeleinden waarvoor ze worden gebruikt, de strafbare feiten waarvoor ze worden ingezet, en de namen van de ondernemingen of organisaties die deze instrumenten hebben ontwikkeld; dringt er bij politiële en gerechtelijke instanties op aan om ook het publiek te informeren en voor voldoende transparantie te zorgen over het gebruik dat zij maken van AI en aanverwante technologieën bij het uitoefenen van hun bevoegdheden, waaronder openbaarmaking van de percentages valse positieven en valse negatieven van de gebruikte technologie; verzoekt de Commissie de informatie op één plaats bijeen te brengen en regelmatig te actualiseren; verzoekt de Commissie verder informatie te publiceren over het gebruik van AI door Unie-agentschappen die met politiële- en justitiële taken belast zijn, en deze informatie regelmatig te actualiseren; verzoekt het EDPB de rechtmatigheid van deze door politiële of gerechtelijke instanties gebruikte AI-technologieën en -toepassingen te beoordelen;

34.

herinnert eraan dat de ontwikkeling van AI-toepassingen, waaronder toepassingen die door politiële of gerechtelijke instanties worden gebruikt, wereldwijd zeer snel gaat; verzoekt alle Europese belanghebbende partijen, waaronder de lidstaten en de Commissie, met klem er middels internationale samenwerking aan te werken dat partners buiten de EU participeren in het aanscherpen van de normen op internationaal niveau, alsook in het vaststellen van een gemeenschappelijk en complementair wettelijk en ethisch kader voor het gebruik van AI, met name door politiële of gerechtelijke instanties, dat het Handvest, het Europees gegevensbeschermingsacquis en de mensenrechten meer in het algemeen volledig respecteert;

35.

verzoekt het Bureau voor de grondrechten van de EU om, in samenwerking met het EDPB en de EDPS, alomvattende richtsnoeren, aanbevelingen en goede praktijken te ontwerpen voor het nader specificeren van de criteria en condities voor de ontwikkeling, het gebruik en de invoering van AI-toepassingen en -oplossingen voor gebruik door politiële of gerechtelijke instanties; zegt toe een studie te zullen verrichten naar de tenuitvoerlegging van de richtlijn wetshandhaving (9), teneinde in kaart te brengen hoe er bij de verwerkingsactiviteiten van politiële of gerechtelijke instanties, en met name bij de ontwikkeling en invoering van nieuwe technologieën, voor wordt gezorgd dat de gegevensbeschermingsregels worden gerespecteerd; verzoekt de Commissie daarnaast te onderzoeken of er behoefte bestaat aan specifieke wetgeving voor het nader specificeren van de criteria en condities voor de ontwikkeling, het gebruik en de invoering van AI-toepassingen en -oplossingen voor gebruik door politiële of gerechtelijke instanties;

36.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(2)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.

(3)  PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39.

(4)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(5)  PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.

(6)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 63.

(7)  PB C 263 van 25.7.2018, blz. 82.

(8)  Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1).

(9)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/27


P9_TA(2021)0406

De gevolgen van intiem partnergeweld en van voogdijrechten voor vrouwen en kinderen

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over de gevolgen van intiem partnergeweld en van voogdijrechten voor vrouwen en kinderen (2019/2166(INI))

(2022/C 132/03)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 6, 8 en 67 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (de richtlijn slachtofferrechten) (1),

gezien de artikelen 21, 23, 24 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”),

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), dat op 1 augustus 2014 in werking is getreden,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

gezien algemene opmerking nr. 13 van het Comité voor de rechten van het kind van 18 april 2011 over het recht van het kind op vrijwaring tegen alle vormen van geweld,

gezien het Verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen,

gezien het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (2),

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat op 18 december 1979 is aangenomen, en algemene aanbeveling nr. 35 over gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, houdende een actualisering van algemene aanbeveling nr. 19 over geweld tegen vrouwen van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen,

gezien de Europese pijler voor sociale rechten, en met name beginsel 2,

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzameontwikkelingsdoelstelling 5 inzake gendergelijkheid en doelstelling 16.2 inzake het beëindigen van misbruik, uitbuiting, handel en alle vormen van geweld tegen en het martelen van kinderen,

gezien het voorstel van de Commissie van 4 maart 2016 voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)0109),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152), en met name de eerste doelstelling om vrouwen en meisjes te vrijwaren van geweld en stereotypes,

gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025” (COM(2020)0698),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 juni 2020, getiteld “EU-strategie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025)” (COM(2020)0258),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 6 maart 2019, getiteld “2019 Report on equality between women and men in the EU” (SWD(2019)0101),

gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (3),

gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld (4),

gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over de noodzaak van een specifieke Raadsformatie voor gendergelijkheid (5),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over het genderperspectief in de COVID-19-crisis en de periode na de crisis (6),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over de EU-strategie inzake gendergelijkheid (7),

gezien Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (8),

gezien Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (9),

gezien Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (de verordening Brussel II bis) (10),

gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) over de gendergelijkheidsindex 2020,

gezien de studie van het EIGE van 12 juni 2019, getiteld “Understanding intimate partner violence in the EU: the role of data”,

gezien de studie van het EIGE van 18 november 2019, getiteld “A guide to risk assessment and risk management of intimate partner violence against women for police”,

gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”,

gezien het Platform van onafhankelijke deskundigen inzake discriminatie van en geweld tegen vrouwen (EDVAW-platform) en zijn verklaring van 31 mei 2019, getiteld “Intimate partner violence against women is an essential factor in the determination of child custody”,

gezien de verklaring van de voorzitter van de Groep van deskundigen van de Raad van Europa inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, Marceline Naudi, van 24 maart 2020, getiteld “For many women and children, the home is not a safe place”, over de noodzaak om in tijden van een pandemie vast te houden aan de normen van het Verdrag van Istanbul,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie juridische zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9-0254/2021),

A.

overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde en een kerndoelstelling van de EU is en in alle beleidsmaatregelen van de EU terug te vinden moet zijn; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat verankerd is in de Verdragen (11) en het Handvest (12) en dat volledig moet worden geëerbiedigd; overwegende dat gendergerelateerd geweld in al zijn soorten een extreme vorm van discriminatie van vrouwen is en een schending van de mensenrechten die diepgeworteld is in genderongelijkheid, die op haar beurt door het geweld wordt bestendigd en versterkt; overwegende dat dit soort geweld voortvloeit uit genderstereotypen over de rol en de capaciteiten van vrouwen en mannen en ongelijke machtsverhoudingen in de samenleving, en deze genderstereotypen in stand houdt; overwegende dat het nog altijd wijdverbreid is en vrouwen in alle lagen van de samenleving treft, ongeacht leeftijd, opleiding, inkomen, sociale positie of land van herkomst of verblijf; overwegende dat het een van de grootste obstakels is voor het bereiken van gendergelijkheid; overwegende dat vrouwen en kinderen in de EU als gevolg van verschillen in beleid en wetgeving in de lidstaten niet hetzelfde niveau van bescherming genieten tegen gendergerelateerd geweld;

B.

overwegende dat, ondanks talrijke gevallen van formele erkenning en vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid, vrouwen nog steeds worden gediscrimineerd en benadeeld, en dat er nog altijd sociale, economische en culturele ongelijkheden bestaan; overwegende dat volgens de gendergelijkheidsindex van 2020 van EIGE in geen van de lidstaten reeds sprake is van volledige gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat de vorderingen van de EU op het gebied van gendergelijkheid nog altijd traag verlopen, aangezien de indexscore er gemiddeld om de twee jaar met één punt op vooruitgaat; overwegende dat de EU er in dat tempo bijna zeventig jaar over zal doen om gendergelijkheid te verwezenlijken; overwegende dat dit Parlement al heeft verzocht om de instelling van een nieuwe Raadsformatie waarin de ministers en staatssecretarissen bijeenkomen die belast zijn met gendergelijkheid;

C.

overwegende dat verschillende vormen van onderdrukking niet afzonderlijk bestaan, maar elkaar overlappen en dezelfde personen tegelijkertijd treffen, waardoor intersectionele vormen van discriminatie ontstaan; overwegende dat discriminatie op grond van gender vaak gepaard gaat met discriminatie op andere gronden, zoals ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid;

D.

overwegende dat er de afgelopen tien jaar op mondiaal en EU-niveau een zichtbaar en georganiseerd offensief tegen gendergelijkheid en vrouwenrechten in gang is gezet, onder meer in de EU;

E.

overwegende dat gendergelijkheid een essentiële voorwaarde is voor een innovatieve, concurrerende en welvarende EU-economie, die leidt tot nieuwe banen en grotere productiviteit, met name in de context van de digitalisering en de transitie naar een groene economie;

F.

overwegende dat intiem partnergeweld betrekking heeft op elke daad van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven; overwegende dat intiem partnergeweld een van de meest voorkomende vormen van gendergerelateerd geweld is, waarbij naar schatting 22 % van de vrouwen slachtoffer is geweest van fysiek en/of seksueel geweld en 43 % slachtoffer is geweest van psychisch geweld door hun partner (13); overwegende dat vrouwen en kinderen onevenredig zwaar getroffen worden door dit soort geweld; overwegende dat onder “huiselijk geweld” alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld worden verstaan die plaatsvinden binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven (14); overwegende dat huiselijk geweld een ernstig en vaak langdurig en verborgen sociaal probleem is dat systematisch een lichamelijk en/of psychologisch trauma veroorzaakt met ernstige gevolgen voor de slachtoffers en voor het emotionele, economische en sociale welzijn van het hele gezin, omdat de dader een persoon is die het slachtoffer zou moeten kunnen vertrouwen; overwegende dat 70 tot 85 % van de kinderen die het slachtoffer zijn van geweld hun misbruiker kennen en dat de overgrote meerderheid van die kinderen slachtoffers zijn van mensen die zij vertrouwen (15); overwegende dat de slachtoffers door hun misbruiker vaak worden onderworpen aan dwangmatige controle, bestaande uit intimidatie, controle, afzondering en misbruik;

G.

overwegende dat de niveaus van intiem partnergeweld in afgelegen en plattelandsgemeenschappen nog hoger zijn dan in stedelijke gebieden; overwegende dat vrouwen in afgelegen en plattelandsgebieden vaker te kampen hebben met intiem partnergeweld en dat de frequentie en de ernst van het lichamelijke, psychologische en economische misbruik waarvan zij het slachtoffer zijn groter is, hetgeen nog wordt verergerd door het feit zij verder weg wonen van alle mogelijke voorzieningen en diensten waar zij hulp zouden kunnen zoeken; overwegende dat gebrekkige kennis over huiselijk geweld bij gezondheids-, sociale en juridische diensten in afgelegen en plattelandsgebieden een groot probleem is voor de slachtoffers van intiem partnergeweld;

H.

overwegende dat op EU-niveau de meeste eenoudergezinnen uit alleenstaande moeders bestaan die economisch gezien zeer kwetsbaar zijn, met name moeders met lage lonen, en eerder geneigd zijn om de arbeidsmarkt te verlaten wanneer zij kinderen krijgen, waardoor zij ook benadeeld worden als zij de arbeidsmarkt weer proberen te betreden; overwegende dat in de EU 40,3 % van de eenoudergezinnen in 2019 risico op armoede of sociale uitsluiting liep (16);

I.

overwegende dat 30 % van de vrouwen die slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld door een voormalige of huidige partner, ook in de jeugd seksueel geweld heeft ervaren, en dat 73 % van de moeders die slachtoffer zijn geweest van fysiek en/of seksueel geweld door een partner zegt dat ten minste een van hun kinderen zich ervan bewust is dat dergelijk geweld heeft plaatsgevonden (17);

J.

overwegende dat de lockdown- en social-distancingmaatregelen tijdens de COVID-19-pandemie in veel lidstaten gepaard zijn gegaan met een exponentiële toename van het aantal gevallen en de intensiteit van intiem partnergeweld, psychologisch geweld, dwingende controle en cybergeweld, en met een stijging van 60 % van het aantal noodoproepen van slachtoffers van huiselijk geweld (18); overwegende dat het gebod om thuis te blijven en de alarmerende opwelling van de zogenaamde “schaduwpandemie” het voor vrouwen en kinderen moeilijk heeft gemaakt om toegang te krijgen tot doeltreffende bescherming, steundiensten en de rechter, en aan het licht heeft gebracht dat er onvoldoende steunmiddelen en -structuren waren en dat slachtoffers beperkte toegang tot steundiensten hadden, waardoor velen van hen zich niet op behoorlijke en tijdige bescherming hebben kunnen beroepen; overwegende dat lidstaten beste praktijken moeten uitwisselen over specifieke maatregelen om slachtoffers tijdige en toegankelijke bijstand te bieden, waaronder sms-diensten voor noodoproepen en contactpunten voor bijstand in apotheken en supermarkten; overwegende dat, ondanks het feit dat dit verschijnsel zich vaak voordoet, er in de EU om diverse redenen, en vooral tijdens de COVID-19-pandemie, nog steeds te weinig aangifte wordt gedaan van intiem partnergeweld tegen vrouwen door de slachtoffers, hun familie, vrienden, kennissen en buren; overwegende dat er een aanzienlijk gebrek is aan alomvattende, vergelijkbare en naar geslacht uitgesplitste gegevens, waardoor het moeilijk is de gevolgen van de crisis volledig te beoordelen; overwegende dat uit de enquête van het FRA over geweld tegen vrouwen blijkt dat slechts 14 % van de slachtoffers bij de politie aangifte doet van hun ernstigste incidenten van geweld binnen intieme relaties, en dat twee derde van de vrouwelijke slachtoffers systematisch geen aangifte doet bij de autoriteiten, hetzij uit angst of een gebrek aan informatie over de rechten van slachtoffers, hetzij vanwege de wijdverbreide overtuiging dat intiem partnergeweld een privéaangelegenheid is die niet naar buiten mag worden gebracht (19);

K.

overwegende dat het huiselijk en gendergerelateerd geweld is toegenomen als gevolg van de lockdownmaatregelen die tijdens de COVID-19-pandemie zijn getroffen; overwegende dat volgens het laatste verslag van Europol (20) het online seksueel misbruik van kinderen in de EU dramatisch is gestegen;

L.

overwegende dat er tijdens de lockdowns sprake was van een aanzienlijke toename van huiselijk geweld tegen lhbti’ers, met name jonge mensen;

M.

overwegende dat economisch geweld tegen vrouwen in de vorm van materiële schade, beperking van de toegang tot financiële middelen, onderwijs of de arbeidsmarkt, of de niet-naleving van financiële verplichtingen zoals de betaling van alimentatie, ook gepaste aandacht verdient, aangezien de beperking van hun financiële onafhankelijkheid en het gezinsinkomen hand in hand gaat met andere vormen van geweld en een extra struikelblok voor slachtoffers vormt; overwegende dat financieel afhankelijke slachtoffers zich vaak genoodzaakt zien bij de dader in dezelfde woning te blijven wonen om financiële onzekerheid, dakloosheid of armoede te voorkomen, en dat deze tendens is verergerd door de COVID-19-pandemie; overwegende dat eerlijke beloning en economische onafhankelijkheid van cruciaal belang zijn voor het vermogen van vrouwen om uit relaties met misbruik en geweld te stappen; overwegende dat in sommige lidstaten de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen met betrekking tot financiële vergoedingen ertoe kan leiden dat het slachtoffer in contact moet blijven met de misbruiker, waardoor zij weer de kans loopt slachtoffer te worden van fysiek en emotioneel misbruik;

N.

overwegende dat kinderen zogenoemde “getuigen van geweldpleging (21)” kunnen zijn in de huiselijke en gezinsomgeving, doordat ze te maken krijgen met een vorm van mishandeling door middel van fysiek, verbaal, psychologisch, seksueel of economisch geweld tegen referentiepersonen of andere voor hen belangrijke personen met wie ze een affectieve band hebben; overwegende dat dergelijk geweld zeer ernstige gevolgen heeft voor de psychologische en emotionele ontwikkeling van het kind en dat het daarom van essentieel belang is om in regelingen bij scheiding en toewijzing van het ouderlijk gezag terdege aandacht te besteden aan dit soort geweld, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat het belang van het kind vooropstaat, met name bij het bepalen van het voogdij- en bezoekrecht in scheidingszaken; overwegende dat het getuige van geweldpleging zijn niet altijd gemakkelijk te herkennen is; overwegende dat vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld in voortdurende spanning leven en emotionele problemen ondervinden; overwegende dat rechtbanken in zaken met betrekking tot huiselijk geweld en kinderbescherming deskundigen moeten raadplegen die over de nodige kennis en middelen beschikken, zodat wordt voorkomen dat er beslissingen tegen de moeder worden genomen waarbij niet naar behoren rekening is gehouden met alle omstandigheden;

O.

overwegende dat onderwijs een fundamentele rol speelt bij de vorming van het vermogen van kinderen en jongeren om hen te helpen gezonde relaties op te bouwen, vooral door les te geven over rolpatronen, gendergelijkheid, machtsverhoudingen in relaties, het belang van toestemming en het respecteren van grenzen, en daarmee bijdraagt aan de bestrijding van gendergerelateerd geweld; overwegende dat volgens de “International technical guidance on sexuality education” van Unesco duurzame programma’s voor omvattende seksuele voorlichting kinderen en jongeren in staat stellen correcte kennis, positieve attitudes en vaardigheden op dit gebied, inclusief eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, toestemming en diversiteit, te verwerven; overwegende dat kinderen en jongeren hierdoor beter voor zichzelf kunnen opkomen;

P.

overwegende dat, om het probleem van de uitbanning van gendergerelateerd geweld aan te pakken, moet worden uitgegaan van consistente en vergelijkbare administratieve gegevens die gebaseerd zijn op een robuust en gecoördineerd kader voor gegevensverzameling; overwegende dat de huidige beschikbare gegevens die door de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten van de lidstaten worden verzameld, niet de volledige omvang van intiem partnergeweld weergeven, noch de impact en langetermijneffecten daarvan op zowel vrouwen als kinderen, aangezien de meeste lidstaten geen naar gender uitgesplitste vergelijkbare gegevens over geweld verzamelen en evenmin intiem partnergeweld als een specifiek strafbaar feit erkennen, hetgeen resulteert in een grijs gebied waardoor de werkelijke prevalentie en omvang van intiem partnergeweld aanzienlijk ongekwantificeerd is en niet in kaart kan worden gebracht; overwegende dat er ook onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de verhoogde risico’s en prevalentie van huiselijk geweld en intiem partnergeweld voor specifieke groepen, zoals achtergestelde of gediscrimineerde groepen vrouwen;

Q.

overwegende dat in sommige lidstaten intiem partnergeweld tegen vrouwen vaak veronachtzaamd wordt en dat de standaardregel van gedeelde voogdij of ouderlijke macht de bovenhand lijkt te hebben bij voogdij over kinderen en bij omgangs- en bezoekregelingen en -beslissingen; overwegende dat het negeren van dergelijk geweld ernstige gevolgen heeft voor vrouwen en kinderen, en zelfs kan escaleren tot feminicide en/of infanticide; overwegende dat slachtoffers van intiem partnergeweld speciale beschermingsmaatregelen nodig hebben; overwegende dat de situatie van de slachtoffers aanzienlijk verslechtert als zij economisch of maatschappelijk afhankelijk zijn van de dader; overwegende dat het daarom van essentieel belang is om bij het nemen van beslissingen over scheidings- en voogdijregelingen ten volle rekening te houden met dit soort geweld en om beschuldigingen van geweld aan te pakken voordat beslissingen over voogdij en bezoekregelingen worden genomen; overwegende dat de rechtbanken van de lidstaten moeten waarborgen dat op basis van het beginsel van het “belang van het kind” een grondige beoordeling wordt uitgevoerd om de voogdij- en bezoekrechten vast te leggen, waarbij het kind wordt gehoord, alle relevante diensten worden ingeschakeld, psychologische ondersteuning wordt geboden en rekening wordt gehouden met de deskundigheid van alle betrokken beroepsbeoefenaars;

R.

overwegende dat de risicobeoordelingen door rechtshandhavingsinstanties in de meeste lidstaten geen informatie bevatten die kinderen hebben verstrekt over hun ervaringen met intiem partnergeweld;

S.

overwegende dat bij alle beslissingen met betrekking tot kinderen, met inbegrip van familiegeschillen, het belang van het kind voorop staat; overwegende dat het recht van elk kind om contact met beide ouders te onderhouden, zoals vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, daarom moet worden beperkt indien dit in het belang van het kind is;

T.

overwegende dat kinderen overeenkomstig artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de artikelen 4 en 16 van Richtlijn (EU) 2016/800 het recht hebben om op een kindvriendelijke manier hun mening te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, ook in gerechtelijke en bestuurlijke procedures, en dat naar behoren rekening moet worden gehouden met hun mening in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind;

U.

overwegende dat twee van de meest prestigieuze instellingen op het gebied van geestelijke gezondheid, de Wereldgezondheidsorganisatie en de American Association of Psychology, het gebruik van het zogenoemde ouderverstotingssyndroom en soortgelijke concepten en termen van de hand wijzen, aangezien zij kunnen worden gebruikt als strategie tegen slachtoffers van geweld door de ouderlijke vaardigheden van de slachtoffers in twijfel te trekken, hun argumenten te verwerpen en geen acht te slaan op het geweld waaraan kinderen worden blootgesteld; overwegende dat volgens de aanbeveling van het EDVAW-platform aantijgingen van gewelddadige vaders over het gebruik van ouderverstoting door moeders beschouwd moeten worden als een verdere vorm van controle en machtsuitoefening door overheidsinstanties en -actoren, waaronder degenen die beslissen over het ouderlijk gezag over het kind (22);

V.

overwegende dat anonieme aangiften en aangiften die later door het slachtoffer worden ingetrokken een belemmering kunnen vormen voor het onderzoek door de autoriteiten en de preventie van verder geweld kunnen hinderen;

W.

overwegende dat strafrechtelijke procedures naar aanleiding van een klacht over huiselijk geweld vaak volledig los van scheidings- en toewijzingsprocedures worden behandeld; overwegende dat dit kan betekenen dat gedeelde voogdij over de kinderen en/of een bezoekrecht wordt opgelegd die de rechten en veiligheid van het slachtoffer en de kinderen in gevaar brengen; overwegende dat dit onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de mentale en emotionele ontwikkeling van kinderen, waardoor hun belangen in feite worden geschaad; overwegende dat de lidstaten er daarom voor moeten zorgen dat slachtoffers, naargelang van hun behoeften, kosteloos toegang krijgen tot vertrouwelijke diensten voor slachtofferhulp die vóór, tijdens en gedurende een passende periode na een strafrechtelijke procedure optreden in het belang van de slachtoffers, onder meer via een systeem van psychosociale ondersteuning — met name tijdens en na de ondervragingsprocedures — waarbij rekening wordt gehouden met de emotionele spanningen die met de omstandigheden gepaard gaan;

X.

overwegende dat de Unie volgens artikel 67 VWEU een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht moet zijn waarin de grondrechten worden geëerbiedigd, waarbij niet-discriminerende toegang tot de rechter voor iedereen van cruciaal belang is;

Y.

overwegende dat moet worden gewaarborgd dat de veiligheid en bescherming van de slachtoffers in familierechtelijke zaken prioriteit hebben; overwegende dat alternatieve methoden van geschillenbeslechting (bijvoorbeeld bemiddeling) noch voor, noch tijdens gerechtelijke procedures gebruikt mogen worden in gevallen waarin sprake is van geweld tegen vrouwen en kinderen, zodat verder leed voor de slachtoffers wordt voorkomen;

Z.

overwegende dat de partijen bij het Verdrag van Istanbul wetgevende of andere noodzakelijke maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat bij het bepalen van het voogdij- en bezoekrecht met betrekking tot kinderen rekening wordt gehouden met incidenten van huiselijk geweld en dat de uitoefening van een bezoek- of voogdijrecht niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen (23); overwegende dat het Verdrag van Istanbul acht jaar na de inwerkingtreding ervan nog niet is geratificeerd door zes EU-lidstaten of door de EU zelf; overwegende dat het Verdrag van Istanbul het belangrijkste internationale kader is dat momenteel bestaat om gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden;

AA.

overwegende dat gedeelde voogdij in situaties van intiem partnergeweld vrouwen blootstelt aan het voortduren van vermijdbaar geweld, door hen te dwingen in de buurt van hun misbruikers te blijven en hen te blijven blootstellen aan fysiek en psychologisch geweld en emotioneel misbruik, hetgeen directe of indirecte gevolgen kan hebben voor de kinderen; overwegende dat in het geval van intiem partnergeweld het recht van vrouwen en kinderen om te worden beschermd en een leven zonder fysiek en psychologisch geweld te leiden, voorrang moet krijgen op de voorkeur voor gedeelde voogdij; overwegende dat de slechte behandeling van kinderen door de daders van intiem partnergeweld vaak ook wordt gebruikt om macht en geweld uit te oefenen tegen hun moeder, hetgeen een vorm van indirect gendergerelateerd geweld is dat in sommige lidstaten bekend staat als plaatsvervangend geweld;

AB.

overwegende dat hulplijnen een essentieel kanaal vormen om hulp te krijgen, maar dat slechts 13 lidstaten de EU-hulplijn 116 006 hebben ingevoerd voor alle slachtoffers van misdrijven, en dat slechts een paar lidstaten beschikken over gespecialiseerde hulplijnen voor slachtoffers van intiem partnergeweld;

AC.

overwegende dat intiem partnergeweld inherent verbonden is met geweld tegen kinderen en kindermisbruik; overwegende dat de blootstelling van kinderen aan huiselijk geweld ook als geweld tegen kinderen moet worden beschouwd; overwegende dat kinderen die worden blootgesteld aan huiselijk geweld negatieve mentale en/of fysieke gezondheidsgevolgen ondervinden die acuut en chronisch van aard kunnen zijn; overwegende dat slachtofferschap van kinderen in situaties van geweld tegen vrouwen kan voortduren en escaleren in het kader van ouderlijke geschillen over voogdij en zorg; overwegende dat de geestelijke gezondheid en het welzijn van kinderen achteruit zijn gegaan door de maatregelen die zijn getroffen om COVID-19 aan te pakken; overwegende dat het aantal diensten voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen per lidstaat sterk verschilt en in veel lidstaten niet toereikend is;

AD.

overwegende dat opgroeien in een gewelddadige thuisomgeving zeer negatieve gevolgen heeft voor de fysieke, emotionele en sociale ontwikkeling van het kind en het latere gedrag als volwassene; overwegende dat blootstelling aan geweld als kind, hetzij door zelf mishandeling te ondergaan en/of getuige te zijn van partnergeweld, een risicofactor is om kwetsbaar te worden voor slachtofferschap of geweldpleging als volwassene, of om gedragsproblemen, lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen te krijgen;

AE.

overwegende dat uit recente verslagen blijkt dat slachtoffers van misdrijven, ondanks de geboekte vooruitgang, nog steeds niet in staat zijn hun rechten in de EU ten volle uit te oefenen; overwegende dat de toegang tot hulpdiensten essentieel is voor vrouwen die slachtoffer zijn van intiem partnergeweld; overwegende dat er nog steeds onvoldoende gespecialiseerde en algemene hulpdiensten voor slachtoffers van intiem partnergeweld zijn; overwegende dat slachtoffers van misdrijven vaak moeilijkheden ondervinden om hun recht te halen door een gebrek aan informatie en onvoldoende ondersteuning en bescherming; overwegende dat slachtoffers vaak te maken krijgen met secundaire victimisatie in strafrechtelijke procedures en bij het eisen van schadeloosstelling; overwegende dat er diverse gevallen zijn waarin wetshandhavers en rechtsstelsels niet voldoende hulp kunnen bieden aan vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld; overwegende dat slachtoffers van gendergerelateerd geweld soms worden verwaarloosd of ongepast worden bejegend wanneer zij aangifte doen van geweld; overwegende dat maatschappelijke en openbare organisaties, met name degene die met en voor kinderen en slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld werken, een belangrijke rol spelen bij het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en intiem partnergeweld; overwegende dat dergelijke organisaties dankzij hun praktijkervaring ook belangrijke bijdragen kunnen leveren aan beleid en wetgeving; overwegende dat EU-financieringsprogramma’s, zoals het programma Justitie en het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden, gebruikt kunnen worden bij ondersteuningsactiviteiten ter bescherming en ondersteuning van slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld, onder meer door de toegang tot de rechter te waarborgen en financiering te verstrekken aan organisaties die met slachtoffers werken;

AF.

overwegende dat grensoverschrijdende scheidings- en toewijzingsprocedures complexer van aard zijn en gewoonlijk meer tijd in beslag nemen; overwegende dat de toegenomen mobiliteit binnen de EU geleid heeft tot een groeiend aantal grensoverschrijdende geschillen over ouderlijke verantwoordelijkheid en het gezag over het kind; overwegende dat de automatische erkenning van beslissingen in procedures inzake de toewijzing van het ouderlijk gezag waarbij sprake is van gendergerelateerd geweld problematisch is, aangezien de wetgeving over gendergerelateerd geweld per lidstaat verschilt en niet alle lidstaten intiem partnergeweld erkennen als een strafbaar feit en een vorm van gendergerelateerd geweld; overwegende dat de Commissie zich meer moet inspannen voor een consequente en concrete toepassing in alle lidstaten van de beginselen en doelstellingen die zijn neergelegd in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat door alle EU-lidstaten is geratificeerd; overwegende dat de lidstaten als verdragspartij bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind het belang van het kind bij ieder overheidsoptreden altijd voorop moeten stellen, ook in het geval van grensoverschrijdende familiegeschillen; overwegende dat artikel 83, lid 1, VWEU de mogelijkheid biedt om minimumvoorschriften vast te stellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden; overwegende dat artikel 83, lid 2, VWEU de mogelijkheid biedt minimumvoorschriften met betrekking tot de definitie van strafbare feiten en sancties vast te stellen wanneer dit nodig is voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld;

AG.

overwegende dat artikel 82, lid 2, VWEU voorziet in de mogelijkheid tot vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van slachtoffers van misdrijven;

Algemene opmerkingen

1.

veroordeelt in de krachtigste bewoordingen alle vormen van gendergerelateerd geweld, huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen; betreurt het dat in het bijzonder vrouwen en kinderen, in al hun verscheidenheid, blootgesteld blijven aan intiem partnergeweld, wat een ernstige schending van hun mensenrechten en waardigheid vormt en ook de economische zelfstandigheid van vrouwen aantast, een verschijnsel dat door de COVID-19-crisis is versterkt;

2.

herinnert eraan dat de speciale VN-rapporteur inzake geweld tegen vrouwen heeft opgemerkt dat tijdens de COVID-19-crisis duidelijk is geworden dat internationale verdragen ter bescherming tegen en voorkoming van gendergerelateerd geweld niet goed ten uitvoer zijn gelegd; roept de lidstaten op dringend iets te doen aan de toename van intiem partnergeweld tijdens de COVID-19-pandemie en spoort de lidstaten aan nationale innovaties, richtsnoeren, beste praktijken en protocollen uit te wisselen die succesvol zijn gebleken bij de aanpak van intiem partnergeweld en bij de ondersteuning van slachtoffers, met name tijdens noodsituaties; roept de Commissie op om deze praktijken aan te moedigen; verzoekt de lidstaten en de lokale autoriteiten om de omvang van gendergerelateerd geweld te meten en om de slachtoffers van gendergerelateerd en huiselijk geweld te ondersteunen door hun veiligheid en economische onafhankelijkheid te waarborgen via toegang tot specifieke huisvesting en essentiële publieke voorzieningen, zoals gezondheidszorg, vervoer en professionele psychologische ondersteuning; verzoekt de Commissie een EU-protocol inzake geweld tegen vrouwen in crisis- en noodsituaties op te stellen teneinde geweld tegen vrouwen te voorkomen, slachtoffers tijdens noodsituaties zoals de COVID-19-pandemie te ondersteunen, een veilig en flexibel waarschuwingssysteem voor noodgevallen op te zetten en diensten voor het beschermen van slachtoffers, zoals hulplijnen, veilige opvang en gezondheidsdiensten, als “essentiële diensten” aan te bieden; onderstreept in dit verband dat er specifieke maatregelen nodig zijn om de bestaande verschillen tussen wetten, beleid en diensten van de lidstaten en het toegenomen huiselijk en gendergerelateerd geweld tijdens de COVID-19-pandemie aan de orde te stellen;

3.

benadrukt dat daders vaak rechtszaken gebruiken om hun macht en controle uit te breiden en om hun slachtoffers te blijven intimideren en angst aan te jagen; benadrukt in dit verband dat het kind en de aanvraagprocedure voor gedeelde voogdij vaak door de gewelddadige ouder worden gemanipuleerd om contact te houden met de moeder na de scheiding; benadrukt dat daders de kinderen vaak misbruiken of ermee dreigen hen schade te berokkenen of mee te nemen om hun partners en ex-partners schade toe te brengen; wijst erop dat dit ernstige gevolgen heeft voor de harmonische ontwikkeling van het kind; herinnert eraan dat dit ook een vorm van gendergerelateerd geweld is; merkt op dat het achterhouden van de alimentatie door daders gebruikt kan worden als een vorm van bedreiging of misbruik van de slachtoffers; wijst erop dat deze praktijk de slachtoffers grote psychologische schade kan toebrengen en financiële problemen kan creëren of verergeren; verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat alimentatie vanuit slachtofferfondsen rechtstreeks aan slachtoffers wordt verstrekt, zodat wordt voorkomen dat het slachtoffer in financieel opzicht wordt misbruikt en nog meer schade wordt toegebracht;

4.

is ingenomen met de toezegging van de Commissie in de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 om gendergerelateerd geweld de kop in te drukken en wijst in verband hiermee op het belang van de volledige en snelle uitvoering van de hoofddoelstellingen ervan; wijst op de alarmerende cijfers over gendergerelateerd geweld, waaruit blijkt dat patriarchaal gedrag dringend moet worden veranderd; wijst erop dat gezamenlijk optreden essentieel is om vrouwenrechten overal in Europa op hetzelfde niveau te tillen en te harmoniseren; roept daarom op tot de invoering van een Raadsformatie voor gendergelijkheid binnen de Europese Raad om vertegenwoordigers van de lidstaten de mogelijkheid te bieden regelmatig bijeen te komen, wetgeving voor te bereiden en beste praktijken uit te wisselen; benadrukt dat maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd en huiselijk geweld een intersectionele aanpak behoeven, met als doel zo inclusief mogelijk te zijn en elke vorm van discriminatie te voorkomen;

5.

wijst erop dat het Verdrag van Istanbul van cruciaal belang is voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld; betreurt dat dit verdrag nog niet door de Europese Unie is geratificeerd en dat tot nu toe slechts 21 EU-lidstaten het verdrag hebben geratificeerd; dringt aan op de snelle ratificatie en tenuitvoerlegging ervan op nationaal en EU-niveau; verzoekt Bulgarije, Hongarije, Letland, Litouwen, Slowakije en de Tsjechische Republiek om het Verdrag van Istanbul te ratificeren; herhaalt dat het Parlement het recente besluit van de Poolse minister van Justitie om officieel van start te gaan met de opzegging door Polen van het Verdrag van Istanbul krachtig heeft veroordeeld, aangezien dit een ernstige achteruitgang zou zijn op het gebied van gendergelijkheid, vrouwenrechten en de strijd tegen gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie door te gaan met het ontwikkelen van een alomvattend kader van beleidsmaatregelen, programma’s en andere initiatieven om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld tegen te gaan, en voldoende en geschikte middelen toe te wijzen aan acties die verband houden met de uitvoering van het Verdrag van Istanbul door middel van de financieringsprogramma’s die zijn vastgelegd in het meerjarig financieel kader 2021-2027 en het onderdeel Daphne van het programma Rechten en waarden; steunt van harte alle campagnes die oproepen tot de ratificatie en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul; staat achter het plan van de Commissie om te blijven aandringen op de ratificatie ervan in de hele EU; veroordeelt ten stelligste alle pogingen om het Verdrag van Istanbul in diskrediet te brengen en veroordeelt de pogingen die in sommige lidstaten worden ondernomen om de geboekte vooruitgang in de strijd tegen gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, teniet te doen; constateert met grote bezorgdheid dat het verdrag nog niet in de hele EU effectief wordt toegepast; verzoekt de lidstaten die het verdrag hebben geratificeerd, te zorgen voor de volledige, doeltreffende en praktische uitvoering ervan, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan artikel 31 van het Verdrag van Istanbul, en alle nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat bij de vaststelling van het voogdij- en bezoekrecht van kinderen rekening wordt gehouden met incidenten van intiem partnergeweld en dat de uitoefening van een bezoek- of voogdijrecht de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen niet in gevaar brengt;

6.

verzoekt de Commissie en de Raad om gendergerelateerd geweld toe te voegen aan de lijst met vormen van grensoverschrijdende criminaliteit voorzien in artikel 83, lid 1, VWEU, gelet op de bijzondere noodzaak om dit soort misdrijven op gemeenschappelijke basis te bestrijden; verzoekt de Commissie dit als grondslag te gebruiken om bindende maatregelen en een holistische EU-kaderrichtlijn voor te stellen betreffende de preventie en bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder de gevolgen van intiem partnergeweld voor vrouwen en kinderen, en daarin uniforme normen en zorgvuldigheidsverplichtingen op te nemen betreffende het verzamelen van gegevens, het voorkomen en onderzoeken van geweldsincidenten, het beschermen van de slachtoffers en getuigen, en het vervolgen en bestraffen van de daders; wijst erop dat dergelijke nieuwe wetgevingsmaatregelen in ieder geval in overeenstemming moeten zijn met de rechten, verplichtingen en doelstellingen uit hoofde van het Verdrag van Istanbul en een aanvulling moeten vormen op de ratificatie van het verdrag; pleit ervoor het Verdrag van Istanbul aan te merken als de minimumstandaard en aanvullende maatregelen te nemen om gendergerelateerd geweld en huiselijk geweld uit te bannen;

7.

verzoekt de lidstaten en de Commissie specifieke maatregelen vast te stellen om cybergeweld, met inbegrip van online-intimidatie, cyberpesten en vrouwonvriendelijke haatzaaiende uitlatingen, uit te bannen, aangezien kinderen en met name meisjes hiervan onevenredig vaak het slachtoffer worden, en de toename van deze vormen van gendergerelateerd geweld tijdens de COVID-19-pandemie specifiek aan te pakken; verzoekt de Commissie relevante regelgevingen en andere mogelijke acties voor te stellen om haatzaaiende uitlatingen en online-intimidatie uit te bannen;

8.

betreurt dat de Commissie en de lidstaten te weinig financiering voor de bestrijding van huiselijk geweld beschikbaar stellen, gelet op de omvang van dit verschijnsel; merkt op dat lidstaten die hun financiering aanzienlijk hebben verhoogd betere resultaten hebben geboekt, met name bij de vermindering van het aantal feminicides; verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiering voor de bestrijding van huiselijk geweld te verhogen; uit zijn bezorgdheid over de versnippering van de financiering, de korte duur van de financiering en de administratieve lasten die de toegang van verenigingen tot deze financiering kunnen beperken en daarmee de kwaliteit van de hulp aan slachtoffers van huiselijk geweld en hun kinderen kunnen aantasten; vraagt de Commissie en de lidstaten te streven naar het verstrekken van stabiele en langdurige financiering;

Bescherming, veiligheid en steun voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld: aandacht voor intiem partnergeweld bij beslissingen inzake voogdijrechten en bezoekregelingen

9.

herinnert eraan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind voorop moet staan; herinnert aan het recht van een kind dat gescheiden leeft van een of beide ouders om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden met beide ouders, tenzij dit tegen de belangen van het kind indruist; wijst erop dat gedeelde voogdij en ongecontroleerde bezoeken in beginsel wenselijk zijn om ervoor te zorgen dat ouders gelijke rechten en verantwoordelijkheden genieten, tenzij dit tegen de belangen van het kind indruist; wijst erop dat het tegen de belangen van het kind indruist als de wet automatisch ouderlijke verantwoordelijkheden toekent aan een van de ouders of aan beide; herinnert eraan dat, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, de beoordeling van de belangen van het kind een unieke activiteit is die voor elk kind afzonderlijk moet worden uitgevoerd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elk kind; benadrukt dat intiem partnergeweld duidelijk onverenigbaar is met de belangen van het kind en met gedeelde voogdij en zorg, vanwege de ernstige gevolgen ervan voor vrouwen en kinderen, waaronder het risico op geweld na de scheiding en extreme daden als feminicide en infanticide; benadrukt dat bij de vaststelling van regelingen voor de toewijzing van voogdij, omgangs- en bezoekrechten, de bescherming van vrouwen en kinderen tegen geweld en het belang van het kind centraal moeten staan en voorrang moeten hebben op andere criteria; onderstreept daarom dat de rechten en aanspraken van daders of vermeende daders tijdens of na afloop van gerechtelijke procedures, waaronder met betrekking tot vermogen, privacy, gezag over het kind, omgang, contact en bezoek, moeten worden bepaald met inachtneming van de mensenrechten van vrouwen en kinderen, zoals het recht op leven en lichamelijke, seksuele en psychologische integriteit, alsook gebaseerd moeten zijn op het belang van het kind (24); wijst er daarom op dat de intrekking van voogdij- en bezoekrechten van de gewelddadige partner en de toekenning van exclusieve voogdij aan de moeder, indien zij het slachtoffer is van geweld, de enige manier kan zijn om verder geweld en secundaire victimisatie van de slachtoffers te voorkomen; benadrukt dat de toewijzing van alle ouderlijke verantwoordelijkheden aan de ene ouder gepaard moet gaan met relevante compensatiemechanismen, zoals sociale bijstand en prioritaire toegang tot collectieve en individuele zorgvoorzieningen;

10.

benadrukt dat het negeren van intiem partnergeweld bij beslissingen over voogdij- en bezoekrecht een nalatige schending van de mensenrechten vormt, zoals het recht op leven, het recht op een leven zonder geweld en het recht op een gezonde ontwikkeling van vrouwen en kinderen; dringt er krachtig op aan iedere vorm van geweld, waaronder het getuige zijn van geweld tegen een ouder of naaste, in de wet en de praktijk als een schending van de mensenrechten en van het belang van het kind aan te merken; is ernstig bezorgd over het aanhoudend grote aantal gevallen van feminicide in Europa, de meest extreme vorm van geweld tegen vrouwen; maakt zich zorgen over de ontoereikende bescherming die aan vrouwen geboden wordt, zoals blijkt uit het aantal feminicides en infanticides dat plaatsvindt nadat vrouwen aangifte hebben gedaan van gendergerelateerd geweld; wijst erop dat, in het belang van het kind, de ouder die van feminicide wordt beschuldigd systematisch en voor de gehele duur van de procedure uit zijn ouderlijk gezag moet worden ontheven; benadrukt verder dat kinderen moeten worden vrijgesteld van onderhoudsverplichtingen jegens een ouder die veroordeeld is wegens feminicide; verzoekt de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat alle vrouwen die slachtoffer zijn van intiem partnergeweld, in al hun diversiteit en ongeacht hun status, adequate en kosteloze toegang tot de rechter en tot slachtofferhulp hebben, en waar nodig te zorgen voor vertolkingsdiensten; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de diensten rekening houden met de meervoudige vormen van discriminatie waarmee vrouwen en kinderen te kampen hebben; verzoekt de lidstaten vrouwen die aangifte doen van gendergerelateerd geweld betere zorg, beter toezicht en betere bescherming te bieden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hulpdiensten een gecoördineerde aanpak hanteren bij het identificeren van vrouwen die gevaar lopen, zodat wordt gewaarborgd dat al deze maatregelen voor alle vrouwen en meisjes binnen hun rechtsgebied beschikbaar en toegankelijk zijn; benadrukt dat, nadat een dader op heterdaad is betrapt, het slachtoffer naar een veilige plaats moet worden gebracht en dat de kinderen tegen de dader moeten worden beschermd; wijst er bovendien op dat wanneer niet aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, de vermeende dader desondanks onmiddellijk uit de woning van het slachtoffer moet worden gezet en afstand moet houden van de werkplek van het slachtoffer om het risico op verder geweld te voorkomen;

11.

verzoekt de lidstaten systemen te ontwikkelen die het mogelijk maken dat derde personen en verenigingen het bezoek van de kinderen aan de gewelddadige ex-partner verzorgen, zodat moeders die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld zo min mogelijk in contact hoeven te komen met hun ex-partner indien deze bezoek- of omgangsrechten heeft of het ouderlijk gezag deelt; is van mening dat vrouwen gebruik moeten kunnen maken van dergelijke mechanismen zodra zij aangifte hebben gedaan van huiselijk geweld; is van mening dat deze taak specifieke vaardigheden vergt en dat de personen die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding van de kinderen een gepaste opleiding moeten krijgen; is van oordeel dat het beheer van deze mechanismen in handen van gespecialiseerde verenigingen en instellingen moet zijn;

12.

maakt zich zorgen over de enorme verschillen tussen de lidstaten in de aanpak van gendergerelateerd geweld; uit zijn bezorgdheid over de situatie van vrouwen die slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, maar in gebieden wonen waar weinig hulpverlening voorhanden is en waar het moeilijk is toegang te krijgen tot de rechter en openbare en juridische diensten om voor hun rechten op te komen; is bezorgd over het feit dat gespecialiseerde ondersteuningsdiensten niet in alle lidstaten in gelijke mate worden aangeboden; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequate geografische dekking van gespecialiseerde ondersteuningsdiensten voor onmiddellijke, kortdurende en langdurende hulpverlening aan slachtoffers, ongeacht de verblijfsstatus van de vrouwen in kwestie of hun vermogen of bereidheid mee te werken aan de procedure tegen de vermoedelijke dader; verzoekt de lidstaten slachtoffers universele toegang te bieden tot juridische diensten en gepersonaliseerde diensten en maatregelen die afgestemd zijn op de context waarin intiem partnergeweld plaatsvindt in plattelandsgebieden; wijst op de noodzaak om netwerken te creëren van verschillende diensten en programma’s, zodat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen in afgelegen en plattelandsgebieden succesvol kan worden bestreden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te onderzoeken om voor dit doeleinde een EU-fonds op te zetten, met name fondsen voor regionale ontwikkeling;

13.

is ingenomen met de EU-strategie inzake slachtofferrechten (2020-2025) waarin wordt ingegaan op de specifieke behoeften van slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met name de specifieke aanpak van psychologisch geweld tegen vrouwen en de langetermijneffecten ervan op hun mentale gezondheid; verzoekt de Commissie, tijdens haar evaluatie van de richtlijn slachtofferrechten, de hiaten in de EU-wetgeving aan te pakken, na te gaan of het genderaspect van victimisatie naar behoren en doeltreffend in aanmerking wordt genomen, vooral met betrekking tot internationale normen inzake geweld tegen vrouwen, zoals die van het Verdrag van Istanbul, en de wetgeving inzake de rechten van slachtoffers en de bescherming en schadeloosstelling van slachtoffers naar behoren aan te scherpen; dringt erop aan door te gaan met de bevordering van slachtofferrechten, ook via bestaande instrumenten zoals het Europees beschermingsbevel; verzoekt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat alle lidstaten de richtlijn slachtofferrechten omzetten in hun nationale wetgeving en deze volledig en accuraat ten uitvoer leggen, zodat slachtoffers van intiem partnergeweld volledige toegang krijgen tot diverse vormen van hulpverlening, waaronder zowel gespecialiseerde als algemene diensten, zoals de hulplijn 116 006 voor de slachtoffers van misdrijven;

14.

beveelt de lidstaten aan alternatieve mechanismen te creëren voor slachtoffers die geen aangifte doen, zodat zij toch hun erkende rechten als slachtoffers van intiem partnergeweld, zoals hun sociale en arbeidsrechten, kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld op basis van deskundigenrapporten van gespecialiseerde overheidsdiensten, waarin hun status van slachtoffer van gendergerelateerd geweld wordt bevestigd;

Bescherming en ondersteuning: toegang tot rechtsbescherming, noodwoningen en slachtofferfondsen

15.

wijst op de essentiële rol van financiële steun aan slachtoffers die hen helpt financieel onafhankelijk te worden van hun gewelddadige partner; wijst erop dat de meeste vrouwen armer worden tijdens scheidings- en echtscheidingsprocedures, en dat sommige vrouwen hun aanspraak op een eerlijk aandeel en hun rechten opgeven uit angst om de voogdij te verliezen; verzoekt de lidstaten daarom speciale aandacht te besteden aan het risico dat slachtoffers van huiselijk geweld tijdens een scheidings- en echtscheidingsproces in een nog hachelijkere toestand belanden; benadrukt dat de economische belemmeringen die een vrouw ervan kunnen weerhouden aangifte te doen van het geweld waarvan zij het slachtoffer is geworden, moeten worden weggenomen; wijst erop dat een toereikend inkomen en economische onafhankelijkheid essentiële factoren zijn om vrouwen in staat te stellen uit schadelijke en gewelddadige relaties te stappen; verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen door te voeren om economisch geweld tegen te gaan, het kapitaal en inkomen van slachtoffers van gendergerelateerd geweld te beschermen en te voorzien in een kader voor het nemen van snelle en doeltreffende beslissingen over alimentatie voor kinderen, teneinde de slachtoffers van gendergerelateerd geweld zelfredzamer te maken en hun financiële zekerheid en economische onafhankelijkheid te vergroten, zodat zij controle over hun eigen leven krijgen, mede door ondersteuning van vrouwelijke ondernemers en werknemers; verzoekt de Commissie en de lidstaten dergelijke onafhankelijkheid te bevorderen en te ondersteunen; is ingenomen met het voorstel voor een richtlijn betreffende toereikende minimumlonen (25) en het voorstel betreffende bindende maatregelen voor beloningstransparantie (26); wijst op het belang van de uitvoering van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven (27), die met name van cruciaal belang is voor alleenstaande ouders, door hen oplossingen te bieden voor hun specifieke arbeidssituatie en hun zorgtaken, door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat er toegankelijke en geschikte opvangvoorzieningen tot hun beschikking staan; verzoekt de lidstaten te zorgen voor passende financiële steun en compensatiemechanismen voor slachtoffers en een mechanisme op te zetten om de uitvoering en doeltreffendheid van de maatregelen voor het voorkomen van economisch geweld tegen vrouwen te coördineren, te monitoren en regelmatig te beoordelen;

16.

verzoekt de lidstaten volledige toegang tot voldoende rechtsbescherming, doeltreffende hoorzittingen en gerechtelijke bevelen, opvang en advies, alsook slachtofferfondsen en financiële ondersteuningsprogramma’s te bevorderen en te waarborgen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van intiem partnergeweld; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat aan moeders die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, en hun kinderen, bijstand wordt verleend in de vorm van maatschappelijke, educatieve en financiële steun, bijvoorbeeld uit slachtofferfondsen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld, zodat deze moeders over de noodzakelijke middelen beschikken om voor hun kinderen te zorgen en te voorkomen dat zij de voogdij verliezen; verzoekt de lidstaten specifieke procedures toe te passen op basis van gemeenschappelijke minimumnormen en steun te verlenen aan slachtoffers van huiselijk geweld, om te voorkomen dat zij opnieuw slachtoffer worden ten gevolge van gedeelde voogdij of door het volledige verlies van de voogdij over hun kinderen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de gerechtskosten van de slachtoffers van huiselijk geweld worden gedekt indien zij over onvoldoende middelen beschikken en te waarborgen dat zij worden bijgestaan door advocaten die gespecialiseerd zijn in huiselijk geweld; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de vaststelling van minimumnormen voor beschermingsbevelen in de hele Unie; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat slachtoffers van intiem partnergeweld tijdens alle fasen van hun gerechtelijke procedures toegang hebben tot psychologische bijstand en begeleiding;

17.

betreurt het gebrek aan geschikte noodopvang en tijdelijke opvangmogelijkheden voor slachtoffers van intiem partnergeweld en hun kinderen; verzoekt de lidstaten centra voor noodopvang te openen die specifiek bestemd zijn voor gevallen van intiem partnergeweld en altijd toegankelijk zijn, teneinde de opvang- en beschermingsdiensten voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld en voor de kinderen die daarbij betrokken zijn, uit te breiden, te verbeteren en adequaat te maken; verzoekt de Commissie en de lidstaten geschikte middelen toe te wijzen aan de bevoegde autoriteiten, onder meer via projecten, en dringt aan op financiering voor de oprichting en uitbreiding van opvangcentra, alsook andere geschikte maatregelen, zodat vrouwelijke slachtoffers van geweld in alle vertrouwelijkheid in een veilige schuilplaats in de nabije omgeving kunnen worden opgevangen;

18.

betreurt dat vrouwen geconfronteerd worden met een gebrek aan geschikte sociale, medische en psychologische bijstand; roept de lidstaten ertoe op de verlening van doeltreffende, toegankelijke, universele en kwalitatieve medische en psychologische ondersteuning te waarborgen voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van de verlening van diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, in het bijzonder in tijden van crisis, wanneer dergelijke ondersteuning als essentieel moet worden beschouwd, bijvoorbeeld door te investeren in telegeneeskunde om de voortzetting van de medische dienstverlening te waarborgen;

19.

verzoekt de lidstaten patiëntgerichte medische zorg te bieden die het mogelijk maakt huiselijk geweld in een vroeg stadium vast te stellen, en om professionele therapeutische behandeling te organiseren alsook huisvestingsprogramma’s en juridische diensten voor slachtoffers op te zetten, zodat de gevolgen van intiem partnergeweld aanzienlijk kunnen worden beperkt en verder geweld kan worden voorkomen;

20.

verzoekt de lidstaten virtuele mogelijkheden te onderzoeken om slachtoffers van geweld te helpen, onder meer op het gebied van geestelijke gezondheid en begeleiding, met aandacht voor de bestaande ongelijkheden in de toegang tot diensten op het gebied van informatietechnologie;

21.

juicht reeds bestaande goede praktijken in sommige lidstaten voor het voorkomen van verder geweld toe, zoals het opnemen van de telefoonnummers van slachtoffers in speciale lijsten die verband houden met stalking en intiem partnergeweld, zodat toekomstige noodoproepen met deze nummers absolute prioriteit krijgen en doeltreffend ingrijpen door de politie makkelijker wordt gemaakt;

Bescherming van en steun voor kinderen

22.

benadrukt dat het belangrijk is om op EU-niveau gemeenschappelijke juridische definities en minimumnormen vast te stellen voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld en voor de bescherming van kinderen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, aangezien intiem partnergeweld, het getuige zijn van geweldpleging en plaatsvervangend geweld in veel rechtsstelsels niet worden erkend; wijst erop dat kinderen die in hun gezinsomgeving getuige zijn van geweld niet als slachtoffers van gendergerelateerd geweld worden erkend, hetgeen rechtstreekse gevolgen heeft voor de verzameling van gegevens bij politiële en justitiële diensten en voor grensoverschrijdende samenwerking; wijst erop dat kinderen die getuige zijn van intiem partnergeweld of te lijden hebben onder plaatsvervangend geweld, in strafrechtelijke en onderzoeksprocedures de status van slachtoffer van gendergerelateerd geweld moeten krijgen, zodat zij betere rechtsbescherming en passende bijstand kunnen genieten; beveelt daarom aan systematische, met name psychologische, follow-upprocedures op te stellen voor kinderen die slachtoffer of getuige zijn van huiselijk geweld, teneinde de door deze situatie veroorzaakte verstoringen in hun leven op te vangen en te voorkomen dat zij dit geweld als volwassene herhalen; verzoekt de lidstaten ook specifieke bepalingen in te voeren inzake het zogenoemde getuige van geweldpleging zijn, met inbegrip van bepalingen voor specifieke verzwarende omstandigheden;

23.

verzoekt de lidstaten een jaarlijkse campagne te houden om kinderen op de hoogte te brengen en andere burgers bewust te maken van de rechten van kinderen; verzoekt de lidstaten specifieke centra op te richten voor de hulpverlening aan kinderen die het slachtoffer van geweld zijn, met inbegrip van kinderartsen en therapeuten die gespecialiseerd zijn in gendergerelateerd geweld; verzoekt de lidstaten contactpunten voor kinderen op te zetten die gemakkelijk bereikbaar zijn, ook per telefoon, e-mail, onlinechats enz., waar zij kunnen praten en vragen kunnen stellen over geweld tegen henzelf, gezins- of familieleden, aangifte kunnen doen, alsook informatie of advies kunnen krijgen of kunnen worden doorverwezen naar een andere organisatie voor verdere hulp;

24.

wijst erop dat het kind vooral de kans moet krijgen om te worden gehoord, hetgeen van cruciaal belang is om bij de behandeling van voogdij- en pleegzorgzaken vast te kunnen stellen wat in het belang van het kind is, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind; wijst erop dat dergelijke hoorzittingen in alle gevallen, maar vooral wanneer wordt vermoed dat er sprake is van intiem partnergeweld, in een kindvriendelijke omgeving moeten worden gehouden door opgeleide beroepsbeoefenaars, zoals artsen en psychologen, met inbegrip van beroepsbeoefenaars die gekwalificeerd zijn in kinderneuropsychiatrie, teneinde het effect van vertrouwen in anderen op de harmonische ontwikkeling van het kind te analyseren en te voorkomen dat het trauma en de victimisatie nog erger worden; dringt aan op de vaststelling van Europese minimumnormen betreffende de wijze waarop deze hoorzittingen moeten plaatsvinden; wijst erop dat het belangrijk is een bestendig hoog niveau van psychologische bijstand, psychiatrische zorg en sociale begeleiding voor slachtoffers en hun kinderen te waarborgen gedurende het volledige herstelproces na misbruik;

25.

wijst op de noodzaak van speciale hulpverlening en specifieke procedures en normen voor gevallen waarin het slachtoffer of het betrokken kind een handicap heeft of tot een bijzonder kwetsbare groep behoort;

26.

is ermee ingenomen dat de Commissie een brede strategie voorstelt voor het beschermen van kwetsbare kinderen en het bevorderen van een kindvriendelijke justitie; onderstreept de noodzaak om de rechten van de kwetsbaarste kinderen te beschermen, met speciale aandacht voor kinderen met een handicap, de preventie en bestrijding van geweld en de bevordering van een kindvriendelijke justitie; dringt aan op een snelle en volledige uitvoering van deze strategie door alle lidstaten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te bestrijden door te investeren in preventieve maatregelen en behandelingsprogramma’s gericht op het voorkomen van recidive, met effectievere steun voor slachtoffers, en door te zorgen voor betere samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en maatschappelijke organisaties; wijst erop dat in verdachte gevallen van kindermisbruik meteen tot actie moet worden overgegaan, zodat de veiligheid van het kind wordt gewaarborgd en verder of potentieel geweld wordt voorkomen, waarbij het recht van het kind om tijdens het hele proces te worden gehoord, wordt gehandhaafd; is van oordeel dat dergelijke maatregelen een onmiddellijke risicobeoordeling en bescherming moeten omvatten, met een brede waaier aan doeltreffende maatregelen, zoals voorlopige maatregelen of beschermings- of dwangbevelen zolang de feiten worden onderzocht; herinnert eraan dat in alle procedures waarbij kinderen slachtoffers van geweld zijn het beginsel van snelheid moet worden toegepast; benadrukt dat rechtbanken die gevallen van kindermishandeling behandelen ook gespecialiseerd moeten zijn in gendergerelateerd geweld;

27.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om een einde te maken aan seksueel misbruik van kinderen door te investeren in preventieve maatregelen, door specifieke programma’s op te zetten voor mogelijke daders en door te voorzien in een meer doeltreffende ondersteuning van slachtoffers; verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en maatschappelijke organisaties voor de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te versterken;

28.

wijst erop dat geweld tegen kinderen ook verband kan houden met gendergerelateerd geweld, hetzij omdat zij getuige zijn van geweld tegen de moeder, hetzij omdat zij zelf het slachtoffer zijn van mishandeling, wanneer dit een indirect middel is om macht uit te oefenen over en psychologisch geweld te gebruiken tegen de moeder; merkt op dat ondersteuningsprogramma’s voor kinderen die worden blootgesteld aan huiselijk geweld cruciaal zijn om schade op lange termijn te beperken; verzoekt de lidstaten te blijven werken aan innovatieve programma’s om in de behoeften van deze kinderen te voorzien, bijvoorbeeld door dienstverleners die met kinderen werken te leren om signalen vroegtijdig te herkennen, om gepaste respons en ondersteuning te bieden en effectieve psychologische bijstand te verlenen aan kinderen tijdens straf- en civielrechtelijke procedures waarbij zij betrokken zijn; beveelt de lidstaten ten zeerste aan systematische procedures in te voeren voor kinderen die slachtoffer of getuige zijn van huiselijk geweld, met inbegrip van psychologische ondersteuning, teneinde de door deze situatie veroorzaakte verstoringen in hun leven op te vangen en te voorkomen dat zij dit geweld als volwassene herhalen;

Preventie: opleiding van beroepsbeoefenaars

29.

dringt aan op voortdurende, doeltreffende capaciteitsopbouw en verplichte gerichte opleiding voor beroepsbeoefenaars die zaken behandelen met betrekking tot gendergerelateerd geweld, kindermishandeling, en, in het algemeen, alle vormen van huiselijk geweld en de mechanismen ervan, met inbegrip van manipulatie, psychologisch geweld en dwingende controle; benadrukt dat deze opleiding daarom bestemd moet zijn voor de rechterlijke macht, rechtshandhavers, gespecialiseerde beoefenaars van juridische beroepen, forensisch-medisch personeel, gezondheidswerkers, maatschappelijk werkers, leerkrachten en kinderverzorgers, alsook voor overheidspersoneel dat op deze gebieden werkzaam is; dringt erop aan dat in deze opleiding ook het belang wordt beklemtoond van intiem partnergeweld voor de rechten van kinderen en voor hun bescherming en welzijn; pleit ervoor dat de beroepsbeoefenaars hun kennis over en begrip van de huidige beschermingsmaatregelen, de veiligheidsaspecten, de gevolgen van de misdrijven, de behoeften van de slachtoffers en de manier waarop moet worden ingespeeld op deze behoeften via deze opleiding verbeteren, en dat hun geschikte vaardigheden worden bijgebracht, zodat ze beter met slachtoffers kunnen communiceren en hen beter kunnen ondersteunen; bepleit dat ze via deze opleiding de situatie met behulp van betrouwbare risicobeoordelingsinstrumenten kunnen beoordelen en tekenen van misbruik kunnen herkennen; wijst op de noodzaak om de mechanismen te evalueren die door de betrokken beroepsbeoefenaars gebruikt worden voor het opsporen van deze tekenen; dringt erop aan dat bij deze opleiding prioriteit wordt gegeven aan de behoeften en zorgen van slachtoffers en dat wordt erkend dat geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld moeten worden aangepakt met behulp van een specifieke, genderbewuste en op mensenrechten gebaseerde aanpak, waarbij regionale, nationale en internationale normen en maatregelen worden nageleefd; verzoekt de EU en haar lidstaten om die opleidingen te ontwikkelen en te financieren; wijst in dit verband op het belang van het Europees netwerk voor justitiële opleiding; benadrukt dat maatschappelijke en openbare organisaties die met en voor kinderen en slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld werken, moeten worden gevraagd hun praktische kennis en ervaring tijdens deze opleidingen te delen of hier op zijn minst bij te worden betrokken; verzoekt de Commissie dergelijke opleidingen te faciliteren en te coördineren, met bijzondere aandacht voor grensoverschrijdende gevallen;

30.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun politiële en justitiële diensten naar behoren zijn gefinancierd, uitgerust en opgeleid om klachten over huiselijk geweld te behandelen en erop te reageren; betreurt dat de onderfinanciering en de bezuinigingen op deze diensten kunnen leiden tot procedurele gebreken, een gebrek aan informatie voor klagers over de voortgang van de procedures en excessieve vertragingen, die niet te verenigen zijn met de bescherming van de slachtoffers en hun herstel; benadrukt de belangrijke rol van sociale en psychologische hulpverleners bij de politie voor het bieden van concrete en menselijke steun aan de slachtoffers van huiselijk geweld; roept de lidstaten op alle verenigingen te voorzien van de noodzakelijke middelen, zodat vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld geholpen kunnen worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten beter samen te werken bij de invoering van maatregelen, teneinde de identificatie van slachtoffers van huiselijk geweld en intiem partnergeweld te verbeteren en slachtoffers en getuigen van geweld mondiger maken om naar buiten te treden en aangifte te doen, aangezien dit bij intiem partnergeweld in veel gevallen niet gebeurt;

31.

verzoekt de Commissie en het Europees justitieel netwerk een EU-platform op te zetten voor wederzijds leren en het uitwisselen van beste praktijken tussen rechtsbeoefenaars en beleidsmakers uit verschillende lidstaten die werkzaam zijn op alle relevante gebieden;

32.

beveelt ten zeerste aan dat de lidstaten gespecialiseerde rechtbanken of afdelingen oprichten, en ook voorzien in passende wetgeving, opleiding, procedures en richtsnoeren voor alle beroepsbeoefenaars die met slachtoffers van intiem partnergeweld te maken hebben, met inbegrip van bewustmaking van gendergerelateerd geweld en genderstereotypen, om discrepanties tussen rechterlijke beslissingen en discriminatie of secundaire victimisatie tijdens gerechtelijke, medische, politiële, kinderbeschermings- en voogdijprocedures te voorkomen, om ervoor te zorgen dat kinderen en vrouwen naar behoren worden gehoord, dat voorrang wordt gegeven aan hun bescherming en dat zij schadevergoeding krijgen; benadrukt de noodzaak om specifieke rechtbanken of afdelingen en een kind- en vrouwslachtoffervriendelijke justitie te versterken, en om geïntegreerde teams voor de beoordeling van gendergerelateerd geweld op te zetten, bestaande uit forensische artsen, psychologen en maatschappelijk werkers die zullen samenwerken met de overheidsdiensten die gespecialiseerd zijn in gendergerelateerd geweld en belast zijn met de verlening van bijstand aan slachtoffers; benadrukt dat het belangrijk is om juridische beschermingsmaatregelen ten volle toe te passen voor de bescherming van vrouwen en kinderen tegen geweld en dat dergelijke maatregelen niet mogen worden beperkt op grond van ouderlijke rechten; dringt erop aan beslissingen over gedeelde voogdij uit te stellen, totdat klachten over intiem partnergeweld naar behoren zijn onderzocht en er een risicobeoordeling is uitgevoerd;

33.

benadrukt dat de onderlinge verwevenheid van strafrechtelijke, civiele en andere gerechtelijke procedures moet worden erkend om de justitiële en andere juridische maatregelen naar aanleiding van intiem partnergeweld te coördineren en stelt de lidstaten daarom voor maatregelen vast te stellen om civiele en strafzaken die betrekking hebben op hetzelfde gezin aan elkaar te koppelen, opdat nadelige discrepanties tussen rechterlijke en andere juridische beslissingen effectief kunnen worden voorkomen wanneer de slachtoffers kinderen en vrouwen zijn; betreurt het gebrek aan voorlopige maatregelen om slachtoffers te beschermen en het gebrek aan tijdelijke mechanismen om de gewelddadige ouder gedurende gerechtelijke procedures, die doorgaans enkele jaren duren, uit het ouderlijk gezag te ontheffen; verzoekt de lidstaten om die beschermende maatregelen te ontwikkelen en uit te proberen; verzoekt de lidstaten in dit verband om opleidingen te organiseren voor alle betrokken beroepsbeoefenaars, alsook voor eventuele betrokken vrijwilligers, en om maatschappelijke organisaties die met en voor kinderen en slachtoffers werken bij deze opleidingscursussen te betrekken; verzoekt de bevoegde nationale autoriteiten de coördinatie tussen de rechtbanken te verbeteren door contacten tussen de parketten te bevorderen, zodat kwesties inzake ouderlijke verantwoordelijkheid met spoed kunnen worden opgelost, en zodat familierechtbanken bij de vaststelling van voogdij- en bezoekrechten rekening kunnen houden met alle kwesties in verband met gendergerelateerd geweld tegen vrouwen;

34.

verzoekt de lidstaten een platform op te zetten voor de regelmatige uitwisseling van beste praktijken tussen civiel- en strafrechtelijke rechtbanken, rechtsbeoefenaars die gevallen van huiselijk en gendergerelateerd geweld, kindermishandeling en scheidings- en voogdijzaken behandelen, en alle andere relevante belanghebbenden;

35.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om relevante maatschappelijke organisaties, in het bijzonder degene die met en voor kinderen en slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld werken, te betrekken bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid en wetgeving; pleit ervoor deze maatschappelijke organisaties op EU-, nationaal en lokaal niveau structureel te ondersteunen, ook financieel, ter vergroting van hun vermogen om slachtoffers bijstand te verlenen en hun belangen te behartigen, alsook om ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot hun diensten, met inbegrip van advies en ondersteuning;

36.

herhaalt dat het volledig achter de vergroting staat van de capaciteit van de dienstverleners in de verschillende sectoren (justitie, rechtshandhaving, gezondheidszorg en sociale diensten) voor het bijhouden van de gegevens en databanken; verzoekt de lidstaten om nationale richtsnoeren en goede praktijken vast te stellen, alsook om voorlichtingscursussen over intiem partnergeweld te geven aan het personeel op alle niveaus van de eerstelijnsdienstverlening, wat essentieel is om vrouwen die bescherming zoeken gepaste begeleiding te geven; verzoekt de lidstaten toezicht te houden op de dienstverlening in de verschillende sectoren en de noodzakelijke budgetten vast te stellen die aansluiten bij de behoeften;

37.

beveelt de nationale autoriteiten aan om, ter ondersteuning van kinder- en vrouwenrechten, met name richtsnoeren op te stellen voor en te verspreiden onder beroepsbeoefenaars die betrokken zijn bij gevallen van intiem partnergeweld en voogdijzaken, waarbij rekening wordt gehouden met risicofactoren (met betrekking tot kinderen of gezinsleden, de omgeving, de maatschappij of recidiverend geweld), zodat intiem partnergeweld kan worden beoordeeld;

38.

merkt op dat dergelijke richtsnoeren gezondheidswerkers moeten helpen om in hun beroepsomgeving het publiek bewust te maken van de aanzienlijke gevolgen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van intiem partnergeweld, voor de geestelijke gezondheid van vrouwen;

39.

benadrukt het belang in deze procedures van de rol van alle relevante forensische deskundigen en beroepsbeoefenaars, zoals artsen, forensisch-klinische psychologen en maatschappelijk werkers die forensische en psychologische expertise verstrekken, niet alleen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld of misbruik, maar ook voor de getroffen kinderen, met name wanneer de omgeving waarin zij leven niet geschikt is om hun gezondheid, waardigheid, emotioneel evenwicht en levenskwaliteit te beschermen; herinnert er daarom aan dat de betrokken forensische deskundigen en beroepsbeoefenaars onder meer moeten kunnen profiteren van richtsnoeren die gebaseerd zijn op een reeks gegevens, ervaringen en goede praktijken op EU-niveau; merkt op dat forensische artsen door hun specifieke technische en medische kennis vanuit juridisch oogpunt de meest geschikte beroepsbeoefenaars zijn om specialisten (zoals kinderartsen, gynaecologen en psychologen) bij hun werk te ondersteunen, aangezien zij de juiste opleiding gevolgd hebben en beschikken over de vakbekwaamheid om tekenen van geweld te herkennen en, indien daar aanleiding toe is, de meldingsplicht na te komen en contact te onderhouden met justitiële autoriteiten;

40.

herinnert aan de bepalingen van de richtlijn slachtofferrechten; wijst erop dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en hun kinderen, vaak behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning en bescherming in verband met het hoge risico van secundaire en herhaalde slachtoffervorming, van intimidatie en van vergelding in verband met dergelijk geweld; vraagt daarom aandacht te besteden aan de neiging om het slachtoffer de schuld te geven, een attitude die zich zelfs voordoet onder beroepsbeoefenaars in het strafrechtelijk systeem; dringt erop aan institutioneel geweld te erkennen en de kop in te drukken, met inbegrip van alle handelingen en nalatigheden van de autoriteiten en ambtenaren die de toegang tot betreffende overheidsdiensten of de uitoefening van de rechten van slachtoffers willen vertragen, belemmeren of voorkomen, met passende sancties en maatregelen om ervoor te zorgen dat de slachtoffers worden beschermd en schadeloosgesteld; wijst op het fundamentele belang van de beschikbaarheid van opleidingen, procedures en richtsnoeren voor alle beroepsbeoefenaars die met slachtoffers werken voor het vaststellen van tekenen van intiem partnergeweld, zelfs wanneer slachtoffers geen expliciete klachten hebben ingediend; stelt voor dat in deze richtsnoeren maatregelen worden opgenomen ter bevordering van veilige, respectvolle en niet op schuldgevoel gebaseerde behandelingsprogramma’s voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van geweld, met inbegrip van intiem partnergeweld, en ter verspreiding van de beste behandelingen voor deze vrouwen en hun kinderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten oplossingen te zoeken voor het probleem van anonieme aangiften en ingetrokken aangiften door te zorgen voor doeltreffende en snelle procedures ter bescherming van slachtoffers en door ervoor te zorgen dat gewelddadige partners ter verantwoording worden geroepen; pleit voor het opzetten van rechtshandhavingsdatabanken waarin alle verklaringen betreffende intiem partnergeweld (afgelegd door het slachtoffer of een derde) worden bijgehouden, teneinde verdere episoden van geweld te monitoren en te voorkomen; pleit voor meer maatschappelijke voorlichting en bewustmaking, alsook voor meer opleiding en onderwijs over intiem partnergeweld voor sociale en politiediensten in afgelegen en plattelandsgebieden, waarbij de nadruk moet liggen op het belang van onderwijs om kinderen te informeren en te ondersteunen, alsook op programma’s voor conflictoplossing, positieve rolmodellen en coöperatief spel;

Preventie: aanpakken van genderstereotypen en -vooroordelen — onderwijs en bewustmaking

41.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat genderstereotypen en -vooroordelen leiden tot ontoereikende reacties op gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en tot een gebrek aan vertrouwen in vrouwen, met name in verband met vermeende valse beschuldigingen van kindermisbruik en huiselijk geweld; maakt zich ook zorgen over het gebrek aan specifieke opleiding voor rechters, aanklagers en rechtsbeoefenaars; benadrukt het belang van maatregelen die gericht zijn op de bestrijding van genderstereotypen en patriarchale vooroordelen door middel van onderwijs en bewustmakingscampagnes; verzoekt de lidstaten om de cultuur die de standpunten van vrouwen minacht te bewaken en te bestrijden; veroordeelt het gebruik, de aanvoering en aanvaarding van niet-wetenschappelijke theorieën en concepten in voogdijzaken die moeders benadelen die aangifte willen doen van gevallen van kindermisbruik of gendergerelateerd geweld door hen te beletten de voogdij over hun kinderen te krijgen of door hun ouderlijke rechten in te perken; benadrukt dat het zogenaamde “ouderverstotingssyndroom” en soortgelijke concepten en termen, die doorgaans gebaseerd zijn op genderstereotypen, in het nadeel kunnen werken van vrouwelijke slachtoffers van intiem partnergeweld door moeders ervan te beschuldigen dat het kind zijn vader “verstoot”, waardoor de vaardigheden van het slachtoffer als ouder in twijfel worden getrokken, geen acht wordt geslagen op de getuigenissen van het kind en op de risico’s op geweld waaraan de kinderen worden blootgesteld, en de rechten en de veiligheid van de moeder en de kinderen in gevaar worden gebracht; roept de lidstaten op het ouderverstotingssyndroom niet te erkennen in hun jurisprudentie en wetgeving, en het gebruik ervan in gerechtelijke procedures te ontmoedigen of zelfs te verbieden, met name tijdens onderzoeken om het bestaan van geweld vast te stellen;

42.

wijst op het belang van voorlichtingscampagnes die getuigen (met name buren en collega’s) in staat stellen om tekenen van intiem partnergeweld te herkennen (in het bijzonder niet-lichamelijk geweld) en hun adviezen bieden over hoe zij de slachtoffers kunnen ondersteunen en helpen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om bewustmakings-, informatie- en voorlichtingscampagnes te bevorderen ter bestrijding van gendervooroordelen en -stereotypen, alsook van alle vormen van huiselijk en gendergerelateerd geweld, zoals fysiek geweld, seksuele intimidatie, cybergeweld, psychologisch geweld en seksuele uitbuiting, in het bijzonder met betrekking tot nieuwe preventiemaatregelen en flexibele waarschuwingssystemen, en om rapportage aan te moedigen over de coördinatie van en samenwerking met erkende en gespecialiseerde vrouwenorganisaties; wijst erop dat het belangrijk is alle openbare structuren actief te betrekken bij het voeren van bewustmakingscampagnes;

43.

benadrukt dat de daadwerkelijke bestraffing van daders essentieel is, zowel om verder geweld af te schrikken als om het vertrouwen in overheidsinstanties te versterken, met name onder de slachtoffers; wijst erop dat gevangenisstraf op zich niet voldoende is om toekomstig geweld te voorkomen en dat specifieke reclasserings- en heropvoedingsprogramma’s ook noodzakelijk zijn; verzoekt de lidstaten, zoals bepaald in artikel 16 van het Verdrag van Istanbul, de wetgevende of andere maatregelen te nemen die nodig zijn voor het opzetten of ondersteunen van programma’s om plegers van huiselijk geweld niet-gewelddadig gedrag in hun interpersoonlijke relaties aan te leren, teneinde verder geweld te voorkomen en gewelddadige gedragspatronen te veranderen; wijst erop dat de lidstaten er daarbij op toe moeten zien dat de veiligheid, ondersteuning en mensenrechten van de slachtoffers de eerste prioriteit zijn en dat deze programma’s, waar passend, in nauwe samenwerking met in slachtofferhulp gespecialiseerde instanties worden opgezet en uitgevoerd; wijst erop dat onderwijs essentieel is om gendergerelateerd geweld, en in het bijzonder intiem partnergeweld, uit te bannen; verzoekt de lidstaten, in lijn met de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025, in officiële leerplannen en op alle onderwijsniveaus preventieprogramma’s aan te bieden waarin onder andere onderwijs wordt gegeven over de gelijkheid van vrouwen en mannen, wederzijds respect, geweldloze conflictoplossing in interpersoonlijke relaties, gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, het recht op persoonlijke integriteit en op de leeftijd en het leervermogen afgestemde seksuele voorlichting; benadrukt dat aan de leeftijd aangepaste uitgebreide voorlichting over relaties en seksualiteit essentieel is om kinderen te beschermen tegen geweld en hun de vaardigheden te bieden die zij nodig hebben om veilige relaties op te bouwen, vrij van seksueel, gendergerelateerd en intiem partnergeweld; verzoekt de Commissie om steun te verlenen aan programma’s die gericht zijn op het voorkomen van gendergerelateerd geweld, onder meer door middel van het Daphne-onderdeel van het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden, teneinde de doeltreffendheid van de preventieve maatregelen te waarborgen;

44.

verzoekt de lidstaten om maatregelen aan te moedigen waarmee de ingebakken vooroordelen die nog altijd aan de genderzorgkloof ten grondslag liggen, worden weggewerkt;

45.

wijst erop dat in strategieën ter voorkoming van intiem partnergeweld maatregelen moeten zijn opgenomen om de blootstelling aan geweld tijdens de kindertijd te verminderen, om de vaardigheden aan te leren voor het opbouwen van veilige en gezonde relaties en om sociale normen aan de kaak te stellen die dominant en autoritair gedrag van mannen ten aanzien van vrouwen, of andere vormen van seksistisch gedrag, in de hand werken;

46.

verzoekt de Commissie om EU-brede bewustmakings- en onderwijscampagnes en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen als een noodzakelijke maatregel om huiselijk en gendergerelateerd geweld te voorkomen en om een klimaat van nultolerantie ten aanzien van geweld tot stand te brengen en een veiligere omgeving voor slachtoffers te creëren; wijst op de strategische rol van de media in dit verband; wijst er evenwel op dat in sommige lidstaten feminicide en gevallen van gendergerelateerd geweld nog steeds zo worden afgeschilderd dat de gewelddadige partner niet voor zijn daden verantwoordelijk wordt gesteld; wijst erop dat de media en de reclamewereld geen vrouwonvriendelijke en seksistische boodschappen mogen verspreiden, ook niet in een poging om geweld en de verantwoordelijkheden van gewelddadige partners te rechtvaardigen, te legitimeren of te bagatelliseren; is van mening dat huiselijk geweld ook voortkomt uit een genderstereotiepe benadering van het ouderschap; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom genderstereotypen de kop in te drukken en gendergelijkheid in ouderlijke verantwoordelijkheden te bevorderen, waarbij de ouderlijke taken eerlijk worden verdeeld en ervoor wordt gezorgd dat vrouwen niet een ondergeschikte rol krijgen toebedeeld; verzoekt de Commissie op EU-niveau de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot het preventie-, beschermings- en vervolgingsbeleid te stimuleren, alsook de uitwisseling van de beste praktische toepassingen daarvan; verzoekt de lidstaten deze EU-campagne aan te vullen door informatie te verspreiden over waar slachtoffers en getuigen aangifte van dit soort geweld kunnen doen, ook na afloop van de campagne, en daarbij, gezien de specifieke aard van de COVID-19-crisis, ook aandacht te besteden aan de gevolgen voor kinderen; verzoekt de Commissie ondersteuning te bieden aan activiteiten op scholen en in andere settings om kinderen en degenen die met kinderen werken bewuster te maken van criminaliteit en trauma’s, hen te leren waar zij hulp kunnen krijgen, hoe zij problemen kunnen melden en hoe zij weerbaarheid kunnen opbouwen;

Samenwerking tussen de lidstaten, ook in grensoverschrijdende gevallen

47.

benadrukt het belang van de uitwisseling van informatie tussen rechtbanken, centrale autoriteiten van de lidstaten en politiediensten, met name met betrekking tot grensoverschrijdende voogdijzaken; hoopt dat de herziene regels van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (28), de samenwerking tussen de rechtsstelsels zullen versterken om doeltreffend te kunnen bepalen wat de belangen van het kind zijn, ongeacht de huwelijkse staat van zijn ouders of de gezinssamenstelling, en die van de slachtoffers van intiem partnergeweld; wijst erop dat het van belang is dat forensische artsen of andere betrokken beroepsbeoefenaars de bevoegde nationale autoriteit informatie verstrekken over intiem partnergeweld, wanneer zij van oordeel zijn dat dit geweld het leven van het volwassen slachtoffer of van het kind in gevaar brengt en dat het slachtoffer niet in staat is zichzelf te beschermen tegen de dader die morele of economische druk uitoefent om de instemming van het volwassen slachtoffer te krijgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de handhaving en de doeltreffende uitvoering van de verordening Brussel II bis te waarborgen; betreurt in dit verband dat het bij de laatste herziening daarvan niet is gelukt het toepassingsgebied uit te breiden naar geregistreerde partnerschappen en ongehuwde paren; is van mening dat dit leidt tot discriminatie en potentieel gevaarlijke situaties voor slachtoffers en kinderen van geregistreerde partners en ongehuwde paren; herinnert eraan dat het toepassingsgebied en de doelstellingen van de verordening Brussel II bis zijn gebaseerd op het beginsel van niet-discriminatie op grond van nationaliteit tussen burgers van de Unie en op het beginsel van wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsels; vraagt de Commissie uiterlijk in augustus 2024 verslag te doen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging en de effecten van deze verordeningen, mede in verband met intiem partnergeweld en de toewijzing van het gezagsrecht;

48.

wijst erop dat alle familiegeschillen diepgaande emotionele gevolgen hebben, maar dat grensoverschrijdende gevallen nog gevoeliger liggen en juridisch complexer zijn; benadrukt dat het publiek zich in hoge mate bewust moet zijn van complexe vraagstukken zoals grensoverschrijdende voogdijregelingen en alimentatieverplichtingen, met inbegrip van de noodzaak te zorgen voor duidelijkheid omtrent de rechten en verplichtingen van ouders en kinderen in elk land; wijst erop dat de lidstaten kunnen bijdragen tot de snellere afhandeling van dergelijke grensoverschrijdende familierechtszaken door binnen de nationale rechtbanken een systeem van gespecialiseerde kamers in te stellen, met inbegrip van eenheden die zich richten op gendergerelateerd geweld, bestaande uit forensisch-medisch personeel, psychologen en andere relevante beroepsbeoefenaars, en door samen te werken met overheidsdiensten die gespecialiseerd zijn in gendergerelateerd geweld en belast zijn met de verlening van bijstand aan slachtoffers; dringt erop aan specifieke aandacht te schenken aan de situatie van eenoudergezinnen en de grensoverschrijdende inning van alimentatie, aangezien de praktische uitvoering van de momenteel van kracht zijnde bepalingen — te weten Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen en het VN-Verdrag betreffende de invordering van onderhoudsbijdragen in het buitenland — waarin de wettelijke voorschriften inzake de grensoverschrijdende inning van alimentatie zijn vastgelegd, problematisch blijft; benadrukt dat de rechtsinstrumenten voor de grensoverschrijdende inning van alimentatie moeten worden versterkt en dat er bovendien meer publieke bekendheid aan deze instrumenten moet worden gegeven; verzoekt de Commissie daarom nauw samen te werken met de lidstaten om praktische problemen te identificeren met betrekking tot de inning van alimentatie in grensoverschrijdende situaties en om hen te helpen bij de ontwikkeling van doeltreffende instrumenten voor het afdwingen van betalingsverplichtingen; benadrukt het belang van deze kwestie en de gevolgen ervan voor eenoudergezinnen, waaronder het risico op armoede;

49.

spoort de lidstaten aan gegevens en tendensen te blijven analyseren op het gebied van de prevalentie en melding van alle vormen van gendergerelateerd en huiselijk geweld, evenals de gevolgen voor kinderen, zolang de lockdownmaatregelen gelden en in de periode onmiddellijk daarna;

50.

verzoekt de Commissie en de lidstaten beter samen te werken om de slachtoffers van intiem partnergeweld genoeg mogelijkheden te bieden om naar buiten te treden en aangifte te doen, aangezien dit bij intiem partnergeweld in veel gevallen niet gebeurt; constateert de toezegging van de Commissie om een nieuwe EU-enquête over gendergerelateerd geweld uit te voeren, waarvan de resultaten in 2023 zullen worden gepresenteerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken om voor de hele EU een permanent mechanisme tot stand te brengen waarmee op regelmatige basis geharmoniseerde, precieze, betrouwbare, vergelijkbare, hoogkwalitatieve en naar gender uitgesplitste gegevens kunnen worden verstrekt over de prevalentie, de oorzaken, de gevolgen voor vrouwen en kinderen en het beheer van intiem partnergeweld en voogdijrechten, en waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van de capaciteit en deskundigheid van het EIGE en Eurostat; herinnert eraan dat het verstrekken van nationale statistieken over gendergerelateerd geweld een actie is die in aanmerking komt voor financiering in het kader van het programma voor de interne markt voor 2021-2027; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de gegevens onder meer worden uitgesplitst naar leeftijd, seksuele geaardheid, genderidentiteit, geslachtskenmerken, ras, etnische afkomst en gehandicaptenstatus om te waarborgen dat de ervaringen van vrouwen in al hun diversiteit worden vastgelegd; merkt op dat dit zal zorgen voor meer inzicht in de omvang en de oorzaken van het probleem, met name in de sociaal-economische groepen waarin gendergerelateerd geweld vaker voorkomt en andere bepalende factoren, alsook in de verschillende wetgevings- en beleidskaders in de lidstaten, die nauwkeurig kunnen worden onderzocht door middel van gedetailleerde vergelijkingen tussen landen voor het vaststellen van beleidskaders die van invloed zouden kunnen zijn op het vóórkomen van geweld; wijst daarnaast nadrukkelijk op het feit dat het belangrijk is dat de lidstaten statistieken vergaren over administratieve en juridische procedures betreffende de voogdij over kinderen waarbij intiem partnergeweld een rol speelt, en met name over de uitkomst van de vonnissen en de motivering van de beslissingen inzake voogdij- en bezoekrechten;

51.

verzoekt de Commissie EU-brede bewustmakingscampagnes te bevorderen als een noodzakelijke maatregel om huiselijk geweld te voorkomen en een klimaat van nultolerantie ten aanzien van geweld tot stand te brengen;

o

o o

52.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(2)  PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.

(3)  PB C 337 van 20.9.2018, blz. 167.

(4)  PB C 232 van 16.6.2021, blz. 48.

(5)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0379.

(6)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0024.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0025.

(8)  PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.

(9)  PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.

(10)  PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.

(11)  Artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 8, 10, 19 en 157 VWEU.

(12)  De artikelen 21 en 23 van het Handvest.

(13)  Verslag van het FRA van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”.

(14)  Verdrag van Istanbul.

(15)  Raad van Europa, “Human Rights Channel: Stop Child Sexual Abuse in Sport”, geraadpleegd op 21 juli 2021.

(16)  Eurostat, “Children at risk of poverty or social exclusion”, gegevens van oktober 2020.

(17)  Verslag van het FRA van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”.

(18)  Persverklaring van dr. Hans Henri P. Kluge, regionaal directeur voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie van 7 mei 2020, getiteld “During COVID-19 pandemic, violence remains preventable, not inevitable”.

(19)  Verslag van het FRA van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”.

(20)  Europol-verslag van 19 juni 2020, getiteld “Exploiting isolation: offenders and victims of online child sexual abuse during the COVID-19 pandemic”.

(21)  Toelichting van de Raad van Europa van 11 mei 2011 bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

(22)  Verklaring van het EDVAW-platform van 31 mei 2019, getiteld “Intimate partner violence against women is an essential factor in the determination of child custody”.

(23)  Artikel 31 van het Verdrag van Istanbul.

(24)  Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, algemene aanbeveling nr. 35 over gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, houdende een actualisering van algemene aanbeveling nr. 19.

(25)  Voorstel van de Commissie van 28 oktober 2020 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (COM(2020)0682).

(26)  Voorstel van de Commissie van 4 maart 2021 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (COM(2021)0093).

(27)  Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79).

(28)  PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/45


P9_TA(2021)0407

EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 — Volgende stappen op weg naar “Vision Zero”

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over het EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 — Volgende stappen op weg naar “Vision Zero” (2021/2014(INI))

(2022/C 132/04)

Het Europees Parlement,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 juni 2019 getiteld “EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 — Volgende stappen op weg naar “Vision Zero”” (SWD(2019)0283),

gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2020 getiteld “Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit — Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst” (COM(2020)0789),

gezien Richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (1) (richtlijn inzake grensoverschrijdende handhaving),

gezien Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (2) (rijbewijsrichtlijn),

gezien Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft (3) (verordening algemene veiligheid),

gezien zijn resolutie van 27 april 2021 over het uitvoeringsverslag over de verkeersveiligheidsaspecten van het pakket inzake technische controles (4),

gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2017 over “verkeersveiligheid ter bekrachtiging van de verklaring van Valletta van maart 2017”,

gezien de verklaring van Stockholm van 19-20 februari 2020, die is afgelegd tijdens de derde mondiale ministeriële conferentie over verkeersveiligheid,

gezien de verklaring van de Raad van 7 oktober 2015 over de fiets als klimaatvriendelijk vervoermiddel, die werd ondertekend door de EU-ministers van Vervoer tijdens een informele bijeenkomst in Luxemburg,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A9-0211/2021),

A.

overwegende dat jaarlijks nog steeds ongeveer 22 700 mensen omkomen op de wegen in de EU en ongeveer 120 000 mensen ernstig gewond raken; overwegende dat de afgelopen 10 jaar meer dan 11 800 kinderen en jongeren tot 17 jaar bij verkeersongevallen in de EU zijn omgekomen; overwegende dat de vooruitgang bij het terugdringen van het aantal dodelijke slachtoffers in de EU de afgelopen jaren is gestagneerd en dat als gevolg hiervan de doelstelling om het aantal verkeersdoden tussen 2010 en 2020 te halveren, niet is gehaald; overwegende dat bovenstaande cijfers een onaanvaardbare menselijke en sociale prijs vormen voor de burgers van de EU en dat de externe kosten van verkeersongevallen in de EU ongeveer 2 % van het jaarlijkse bbp van de EU uitmaken;

B.

overwegende dat de EU wordt geconfronteerd met nieuwe trends en uitdagingen op het gebied van automatisering die enorme gevolgen kunnen hebben voor de verkeersveiligheid; overwegende dat het toenemende verschijnsel van afleiding door mobiele apparaten moet worden aangepakt; overwegende dat in de nabije toekomst de aanwezigheid van zowel voertuigen met een breed scala aan geautomatiseerde/geconnecteerde onderdelen als traditionele voertuigen in gemengd verkeer een nieuw risico zal vormen, met name voor kwetsbare weggebruikers zoals motorrijders, fietsers en voetgangers;

C.

overwegende dat technologische vooruitgang, connectiviteit, automatisering en de deeleconomie nieuwe mogelijkheden bieden voor de verkeersveiligheid en voor het aanpakken van congestie, met name in stedelijke gebieden; overwegende dat het ontwikkelen van synergieën tussen veiligheids- en duurzaamheidsmaatregelen en het nastreven van de modal shift naar duurzame wijzen van openbaar vervoer en actieve mobiliteit kan leiden tot minder CO2-emissies, de luchtkwaliteit kan verbeteren en de ontwikkeling kan bevorderen van een actievere en gezondere levensstijl;

D.

overwegende dat passagiers in auto’s met vijf sterren in de meest recente tests voor het European New Car Assessment Programme (Euro NCAP) 68 % minder kans hebben op dodelijk letsel en 23 % minder kans op ernstig letsel dan passagiers in auto’s met twee sterren;

E.

overwegende dat het aandeel van de kwetsbare weggebruikers in het aantal verkeersdoden toeneemt, aangezien autogebruikers de belangrijkste begunstigden zijn van de verbeterde voertuigveiligheid en andere verkeersveiligheidsmaatregelen; overwegende dat het gewicht, het vermogen en de maximumsnelheid van nieuwe in de EU verkochte auto’s toenemen, met als gevolg grotere risico’s voor de verkeersveiligheid; overwegende dat de veiligheid van motorrijders, fietsers en voetgangers dringend moet worden aangepakt;

F.

overwegende dat gemotoriseerde tweewielers, die slechts 2 % van het totale aantal afgelegde kilometers voor hun rekening nemen, goed zijn voor 17 % van het totale aantal verkeersdoden; overwegende dat er grote verschillen bestaan tussen landen; overwegende dat de EU het komende decennium prioriteit moet geven aan het neen van meer maatregelen om de veiligheid van deze voertuigen te verbeteren;

G.

overwegende dat uit een studie van de Commissie blijkt dat slechts 8 % van de verkeersdoden valt op autosnelwegen, tegen 37 % in stedelijke gebieden en 54 % op landwegen; overwegende dat nieuwe investeringen en gedegen onderhoud van de bestaande infrastructuur gedurende de gehele levenscyclus essentieel zijn voor de verkeersveiligheid;

H.

overwegende dat niet alle slachtoffers van ongevallen worden gemeld, hetgeen de beschikbare statistieken verstoort; overwegende dat doeltreffende testmethoden moeten worden ontwikkeld om het werkelijke aantal verkeersslachtoffers te bepalen;

I.

overwegende dat het waarborgen en handhaven van veilig gedrag van weggebruikers, zoals zich verplaatsen met de juiste snelheid, beschermende uitrusting gebruiken zoals veiligheidsgordels en valhelmen, niet rijden onder invloed van alcohol of drugs, en rijden, fietsen en lopen zonder afleiding, essentieel is om dodelijke verkeersongevallen te voorkomen en te beperken;

J.

overwegende dat er gender-, leeftijds- en sociale ongelijkheden in het spel zijn bij mobiliteit en verkeersveiligheid;

K.

overwegende dat de verwezenlijking van de nieuwe EU-doelstellingen op het gebied van verkeersveiligheid intensievere gezamenlijke inspanningen vereist voor het ontwikkelen van een sterk Europees verkeersveiligheidsbeleid met de belanghebbenden, ondersteuning op het gebied van onderzoek en innovatie voor de formulering van beleidsgerichte oplossingen op basis van betrouwbare gegevensanalysen en effectbeoordelingen, alsmede meer en gerichtere nationale handhavingsmaatregelen en effectieve grensoverschrijdende samenwerking inzake de handhaving van sancties;

L.

overwegende dat 40 tot 60 % van alle arbeidsgerelateerde ongevallen verkeersongevallen zijn die zich voordoen tijdens het werk of tijdens het woon-werkverkeer; overwegende dat vermoeidheid van bestuurders vaak voorkomt op de wegen in de EU;

M.

overwegende dat de uitvoering van de nationale verkeersveiligheidsplannen en het nieuwe EU-beleidskader voor verkeersveiligheid voldoende, stabiele financiële middelen vereist zowel van de lidstaten als uit de EU-begroting;

EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 — Volgende stappen op weg naar “Vision Zero”

1.

is ingenomen met het feit dat de EU in het EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 haar strategische langetermijndoelstelling heeft bevestigd om uiterlijk in 2050 een cijfer voor het aantal verkeersdoden en het aantal zwaargewonden op de wegen in de EU te realiseren dat nagenoeg nul is (Vision Zero), alsmede haar middellangetermijndoelstelling om het aantal doden en zwaargewonden te verminderen met 50 % uiterlijk in 2030, overeenkomstig de verklaring van Valletta; benadrukt dat deze EU-doelstellingen en -streefcijfers op het gebied van verkeersveiligheid moeten worden geschraagd door een gecoördineerde, goed geplande, systematische en behoorlijk gefinancierde verkeersveiligheidsaanpak op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau;

2.

is in dit verband ingenomen met de vaststelling van de “Safe System”-benadering op EU-niveau, op basis van een prestatiekader en tijdsgebonden doelstellingen voor de vermindering van het aantal doden en zwaargewonden; is ingenomen met de vaststelling van kernprestatie-indicatoren (KPI’s), die in samenwerking met de lidstaten zijn vastgesteld om een meer gefocuste en gerichte analyse van de prestaties van de lidstaten mogelijk te maken en tekortkomingen vast te stellen; verzoekt de Commissie om uiterlijk in 2023 resultaatdoelstellingen te bepalen; onderstreept het belang van de lopende samenwerking tussen de EU en de lidstaten in dit verband en dringt er bij alle lidstaten op aan zich volledig in te zetten voor deze exercitie en overeenstemming te bereiken over een geharmoniseerde methode voor KPI’s, zodat de lidstaten gegevens kunnen vergelijken; verzoekt om een gedetailleerde routekaart voor EU-maatregelen op grond waarvan de prestaties kunnen worden gemeten en verantwoording over de resultaten kan worden afgelegd aan specifieke instanties;

3.

is echter van mening dat bovengenoemde KPI’s voor verbetering vatbaar zijn en dringt er bij de Commissie op aan te overwegen deze indicatoren uit te breiden en bij te werken in haar strategisch EU-actieplan inzake verkeersveiligheid; is van mening dat de KPI voor beschermende uitrusting moet worden aangevuld met een KPI voor het verzamelen van blootstellingsgegevens naargelang de afgelegde afstand en tijd voor alle weggebruikers, uitgesplitst naar vervoersmodus en naar wegtype, teneinde een beter inzicht te krijgen in de verschillende daaraan verbonden risicoratio’s en gevaren; verzoekt de Commissie nauw te blijven samenwerken met de lidstaten om een KPI vast te stellen voor weginfrastructuur, waarmee het veiligheidsniveau van een wegennet wordt aangeduid ongeacht het gedrag van weggebruikers of de voertuigtechnologie, op basis van een overeengekomen gemeenschappelijke beoordelingsmethode; betreurt het feit dat in de KPI’s voor voertuigveiligheid geen rekening wordt gehouden met de veiligheid van gemotoriseerde tweewielers; verzoekt de Commissie een voertuigveiligheidsindex voor voertuigen van categorie L op te stellen en onderstreept dat daarin alle KPI’s voor voertuigen van categorie L moeten worden opgenomen;

4.

benadrukt dat EU-financiering van cruciaal belang is voor investeringen in duurzame en slimme verkeersveiligheidsoplossingen en snellere resultaten inzake verkeersveiligheid in de gehele EU; verzoekt de Commissie EU-investeringen in verkeersveiligheid in alle relevante EU-financieringsprogramma’s, inclusief in onderzoek en innovatie, te waarborgen en te verhogen; roept voorts alle lidstaten op in hun nationale begroting een passend bedrag uit te trekken dat het in combinatie met EU-middelen mogelijk moet maken hun nationale verkeersveiligheidsprogramma’s en het nieuwe EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 uit te voeren; verzoekt de lidstaten een nationaal fonds voor verkeersveiligheid op te richten als mechanisme voor het innen van boetes in het kader van hun verkeersreglement en het herverdelen van het geïnde geld voor verkeersveiligheid; verzoekt de Commissie het EU-uitwisselingsprogramma voor verkeersveiligheid, dat bedoeld is om de prestaties op het gebied van verkeersveiligheid te verbeteren maar momenteel slechts gericht is op zes lidstaten, uit te breiden tot alle lidstaten;

5.

moedigt de lidstaten aan een nationaal observatorium voor verkeersveiligheid op te richten, voor het samenstellen, verwerken en in stand houden van een nationale databank inzake verkeersveiligheid; verzoekt lidstaten hun nationale verkeersveiligheidsstrategie in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van het EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 en eventuele tekortkomingen zo snel mogelijk te remediëren;

Veilige infrastructuur

6.

verzoekt de lidstaten en de Commissie prioriteit te geven aan investeringen die het grootste voordeel opleveren op het gebied van verkeersveiligheid, met bijzondere aandacht voor de gebieden waar zich de meeste ongevallen voordoen, met inbegrip van investeringen in het onderhoud van bestaande infrastructuur als prioriteit en in de aanleg van nieuwe infrastructuur indien nodig; is ingenomen met het feit dat de Connecting Europe Facility 2021-2027 voorziet in de financiering van projecten voor veilige infrastructuur en mobiliteit, waaronder verkeersveiligheid; verzoekt de Commissie meer mogelijkheden voor EU-financiering te bevorderen via de Connecting Europe Facility, het Regionaal Fonds en het Cohesiefonds, InvestEU en het door de Europese Investeringsbank (EIB) geïntroduceerde “platform voor veiliger vervoer”, met name in lidstaten met relatief slechte prestaties op het gebied van verkeersveiligheid; benadrukt dat het belangrijk is de subsidiabiliteitscriteria voor deze instrumenten duidelijker te maken voor verkeersveiligheidsacties; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen en aan te moedigen om te investeren in een veiliger, duurzamer, veerkrachtiger en multimodaal vervoersnetwerk via hun nationale plannen voor herstel en veerkracht; verzoekt de Commissie in de herziening van de verordening betreffende het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V) (5) de basis te leggen voor toekomstige investeringsbesluiten op het gebied van verkeersveiligheid, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van een monitoringplan voor het kernnetwerk inzake onderhoud op EU-niveau;

7.

benadrukt dat een proactieve beoordeling van het EU-wegennet een nuttig instrument zal zijn om de ingebouwde veiligheid van wegen te beoordelen en op gerichte wijze te investeren; is in dit verband ingenomen met de risico-identificering en veiligheidsbeoordeling van autosnelwegen en hoofdwegen die is ingevoerd in de onlangs herziene EU-regels inzake de veiligheid van infrastructuur (6) en verzoekt de lidstaten zo veel mogelijk hoofdwegen op hun grondgebied aan te wijzen om het verkeersveiligheidspotentieel van de nieuwe richtlijn te vergroten; verzoekt de lidstaten om overeenkomstig de richtlijn nationale systemen voor vrijwillige melding in te voeren, die online toegankelijk moeten zijn en beschikbaar moeten zijn voor alle weggebruikers, teneinde de verzameling van gegevens over voorvallen die door weggebruikers en voertuigen worden doorgegeven en alle andere veiligheidsgerelateerde informatie die door de melder wordt beschouwd als een feitelijk of potentieel gevaar voor de veiligheid van de weginfrastructuur, te vergemakkelijken, om ervoor te zorgen dat EU-burgers een transparante, onmiddellijke en directe bijdrage aan de veiligheid leveren; verzoekt de Commissie en de lidstaten zo spoedig mogelijk overeenstemming te bereiken over een methode om systematische veiligheidsbeoordelingen van het wegennet uit te voeren, zoals voorgeschreven bij de herziening van bovengenoemde wet, met inbegrip van alle aspecten die belangrijk zijn voor de veiligheid van actieve weggebruikers;

8.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de werkzaamheden te versnellen met betrekking tot EU-specificaties voor de prestaties van verkeersborden en wegmarkeringen, teneinde het pad te effenen voor een grotere automatisering van voertuigen; wijst nogmaals op het belang van de prestaties van verkeersborden en wegmarkeringen, waaronder de plaatsing, de zichtbaarheid en het reflectievermogen ervan, met name voor de doeltreffendheid van rijhulpsystemen, zoals intelligente snelheidsondersteuning en rijstrookassistentie; benadrukt dat het belangrijk is infrastructuur te gebruiken waarmee wegen worden aangelegd die voor zich spreken, correct rijgedrag afdwingen en “vergevingsgezind” zijn, ter wille van de veiligheid van alle deelnemers aan het wegverkeer, met name in gevaarlijke gebieden of gebieden met een aanzienlijk aantal kwetsbare weggebruikers;

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten kwaliteitseisen te ontwerpen voor voetgangers- en fietsersinfrastructuur, teneinde het ontoereikende veiligheidsniveau voor actieve weggebruikers aan te pakken; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke EU-curricula op te stellen voor controleurs en inspecteurs op het gebied van weginfrastructuur, met inbegrip van specifieke opleiding over de behoeften van kwetsbare weggebruikers, als onderdeel van haar nieuwe forum van Europese verkeersveiligheidsauditors;

10.

merkt op dat weggebruikers met beperkte mobiliteit en andere handicaps speciale behoeften hebben waarmee rekening moet worden gehouden bij het plannen en aanleggen van nieuwe weginfrastructuur; verzoekt de lidstaten investeringen te ondersteunen in projecten die erop gericht zijn weginfrastructuur inclusief en toegankelijk te maken voor iedereen;

11.

merkt op dat de Commissie volgens de recentste herziening van de veiligheidsvoorschriften voor EU-infrastructuur verplicht is uiterlijk in 2021 een herziening te overwegen van Richtlijn 2004/54/EG inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels (7) en de goedkeuring te overwegen van een nieuw wetgevingsvoorstel voor minimumveiligheidseisen voor bruggen; verzoekt de Commissie het veilige gebruik van tunnels voort te verbeteren onder meer door bewustmakingscampagnes te organiseren en de vereiste studies uit te voeren;

12.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan een deskundigengroep op te richten om een kader voor de indeling van wegen te ontwerpen waarbij de snelheidsbeperkingen beter worden afgestemd op het ontwerp en de vormgeving van de weg, volgens de “Safe System”-benadering;

13.

dringt erop aan in het kader van de komende herziening van de TEN-V-verordening maatregelen te nemen om de verkeersveiligheid in stedelijke knooppunten en in voorstedelijke en plattelandsgebieden verder te verbeteren en de operationele veiligheid gedurende de hele levenscyclus van kritieke infrastructuur, zoals tunnels en bruggen, te verbeteren en tegelijk het gebruik te overwegen van nieuwe monitoringtechnologieën voor kwetsbare infrastructuur, alsmede specifieke veiligheidsdoelstellingen en kwaliteitseisen te definiëren;

14.

verzoekt de lidstaten te erkennen dat een modal shift naar actieve vervoersmodi, zoals lopen en fietsen, en duurzame vormen van openbaar vervoer belangrijk zijn als instrument om de gevaren op de weg te verminderen, en voldoende investeringen toe te wijzen om zulks te realiseren; is in dit verband ingenomen met de start van het initiatief voor een platform voor veiliger vervoer, waarin uitdrukkelijk wordt opgeroepen tot betere voorzieningen voor duurzaam vervoer, ook voor fietsers en voetgangers, en tot projecten ter beperking van ongevallen; roept de Commissie en de EIB op bewustmakings- en voorlichtingscampagnes te starten om ervoor te zorgen dat alle betrokken partijen goed geïnformeerd zijn over de voorwaarden van het gebruik ervan;

15.

dringt aan op meer synergieën tussen het Europese fietsroutenetwerk EuroVelo en het TEN-V om fietsinfrastructuur veiliger en beter verbonden te maken; benadrukt dat het belangrijk is om, waar mogelijk, te zorgen voor doorlopende wandel- en fietspaden in TEN-V-projecten; verzoekt de Commissie de reconversie van in onbruik geraakte spoortrajecten te stimuleren en actief fiets-treinprojecten en intermodaliteit te ondersteunen; merkt op dat nieuwe vormen van infrastructuur, zoals geavanceerde stopstrepen, fietsopstelvakken, fietsstraten of fietssnelwegen, nieuwe mogelijkheden bieden voor veilige actieve mobiliteit; benadrukt dat gewerkt moet worden aan de harmonisering en de handhaving van de regels voor verkeersborden en -signalen om verwarring te voorkomen en de veiligheid en het gebruiksgemak te vergroten;

16.

is van mening dat de Commissie alles in het werk moet stellen om ervoor te zorgen dat de fiets- en wandelinfrastructuur die de lidstaten hebben aangelegd als respons op de COVID-19-pandemie behouden blijft en wordt uitgebreid teneinde veilige actieve verplaatsingen verder te bevorderen;

17.

verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken met regio’s en steden om alle ontbrekende infrastructuur voor de laatste kilometers en ontbrekende intermodale en grensoverschrijdende verbindingen in het gehele TEN-V te vervolledigen, teneinde een soepeler en efficiënter gebruik van de infrastructuur en de diensten mogelijk te maken en de verkeersveiligheid te verbeteren;

Veilige voertuigen

18.

is ingenomen met de recente herziening van de verordening algemene veiligheid, waardoor nieuwe, geavanceerde veiligheidsvoorzieningen in voertuigen, zoals systemen voor intelligente snelheidsondersteuning en rijstrookassistentie in noodsituaties, verplicht zullen worden in de EU vanaf 2022, met het potentieel om tegen 2030 ongeveer 7 300 levens te redden en 38 900 ernstige verwondingen te voorkomen; verzoekt de Commissie tijdig ambitieuze secundaire wetgeving goed te keuren, op grond waarvan alle nieuwe voertuigen ook verplicht met hoogperformante systemen voor intelligente snelheidsondersteuning uitgerust moeten zijn; verzoekt de Commissie in dit verband de praktische toepassing te onderzoeken van de verplichtstelling van uitrusting met deze systemen voor motorfietsen, en de haalbaarheid, aanvaardbaarheid en mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid te onderzoeken van intelligente snelheidsondersteuning van de volgende generatie voor auto’s, bestelwagens, vrachtwagens en bussen;

19.

herinnert aan het belang van innovatie in voertuigtechnologie, die zowel de ernst van ongevallen kan helpen reduceren als de kans op ongevallen kan verkleinen door middel van actieve en passieve veiligheidskenmerken; verzoekt de Commissie toekomstige normen voor personenauto’s te evalueren in het licht van nieuwe technologische ontwikkelingen en rekening te houden met factoren die van invloed kunnen zijn op de verkeersveiligheid, zoals massa, vermogen, snelheid en frontale oppervlakte;

20.

verzoekt de Commissie in de komende herziening van de typegoedkeuring van voertuigen van categorie L antiblokkeersystemen voor motorfietsen verplicht te stellen; verzoekt de Commissie de voertuigcategorieën waarvoor de installatie van eCall is vereist, uit te breiden, met name wat gemotoriseerde tweewielers betreft;

21.

verzoekt de Commissie de eisen inzake botsbestendigheid voor de typegoedkeuring van voertuigen verder uit te werken en deze op te nemen in toekomstige herzieningen van de wetgeving, waarin ook de laatste criteria moeten worden opgenomen van Euro NCAP-botsproeven voor de monitoring van de impact van een botsing op andere voertuigen en kwetsbare weggebruikers, teneinde een harmonisatie van de minimumnormen te realiseren en de passagiersveiligheid gelijk te maken;

22.

verzoekt de Commissie en de lidstaten steden te ondersteunen bij het opzetten van databanken voor snelheidsbeperkingen ter ondersteuning van de uitrol van technologie voor intelligente snelheidsondersteuning zoals voorgeschreven in de verordening algemene veiligheid;

23.

benadrukt dat het gevaar en frequentie van ongevallen tussen vrachtwagens en kwetsbare weggebruikers significant kunnen worden verminderd door het wijdverbreide gebruik van afslagassistenten; beklemtoont dat afslagassistenten verplicht zullen worden voor nieuwe typen vrachtwagens in 2022 en voor alle nieuwe vrachtwagens in 2024; verzoekt de Commissie een Europees actieprogramma inzake afslagassistenten op te zetten om de voordelen van deze technologie te promoten en belanghebbenden aan te moedigen nieuwe en bestaande voertuigen zo snel mogelijk vrijwillig met afslagassistenten uit te rusten; looft initiatieven die de vrijwillige invoering van verplichte afslagassistenten ondersteunen; verzoekt de Commissie en de lidstaten het inbouwen van afslagassistenten in nieuwe en bestaande voertuigen financieel te ondersteunen;

24.

onderstreept dat manipulatie en fraude in verband met elektronische veiligheidskenmerken, zoals geavanceerde rijhulpsystemen, aanzienlijke veiligheidsrisico’s inhouden en daarom moeten worden aangepakt door specifieke opleiding voor inspecteurs over het controleren van de integriteit van software;

25.

verzoekt de Commissie testpopnormen te ontwikkelen die representatiever zijn voor diverse aspecten zoals leeftijd, geslacht, lengte en gestalte zowel van gebruikers binnen als van gebruikers buiten het voertuig;

26.

verzoekt de lidstaten fiscale stimulansen in te voeren en dringt er bij particuliere verzekeraars op aan aantrekkelijke motorrijtuigenverzekeringen aan te bieden voor de aankoop en het gebruik van voertuigen die voldoen aan de strengste veiligheidsnormen; verzoekt de Commissie de wetgeving inzake de etikettering van auto’s te herzien om op de verkoopplek en digitaal extra informatie op te nemen over de veiligheidsbeoordeling van nieuwe voertuigen;

27.

is ingenomen met het feit dat de vereiste van veiligheidsgordelverklikkers voor alle zitplaatsen in het kader van de herziene verordening algemene veiligheid verplicht wordt gesteld en verzoekt de Commissie normen op te stellen voor informatievereisten met betrekking tot de veiligheidsparameters van kinderbeveiligingssystemen; roept de lidstaten op bewustmakingscampagnes te starten voor ouders en toezichters over de veiligheid van kinderen in het wegvervoer, om te blijven wijzen op de noodzaak veiligheidsgordels te gebruiken, ook op de achterbank, gezien de veiligheidsrisico’s voor inzittenden in vele voertuigen die momenteel in gebruik zijn, en de komende jaren in gebruik zullen blijven, die niet over zulke gordelverklikkertechnologie beschikken;

28.

dringt er bij de Commissie op aan om, overeenkomstig zijn resolutie van 27 april 2021 over het uitvoeringsverslag over de verkeersveiligheidsaspecten van het pakket inzake technische controles, terdege rekening te houden met de technische vooruitgang op het gebied van de veiligheidskenmerken van voertuigen waarin is voorzien in de nieuwe verordening algemene veiligheid, en geavanceerde veiligheidssystemen op te nemen als onderdeel van de volgende herziening van het pakket inzake technische controles om ervoor te zorgen dat zij tijdens periodieke technische inspecties worden gecontroleerd; verzoekt de bevoegde autoriteiten in dit verband te zorgen voor aanvullende opleiding, bijscholing en omscholing voor inspecteurs die de periodieke technische inspecties uitvoeren; dringt aan op strengere zelfdiagnosevereisten voor voertuigen om te voorkomen dat slecht werkende geavanceerde rijhulpsystemen, die zijn ontworpen om de veiligheid te vergroten, uiteindelijk een gevaar vormen;

29.

betreurt het feit dat de bepalingen van het pakket inzake technische controles die betrekking hebben op de controle van de wijze waarop lading is vastgezet niet bindend zijn; verzoekt de Commissie bij de volgende herziening van het pakket een aanscherping van deze bepalingen voor te stellen;

30.

benadrukt dat grotere inspanningen nodig zijn om fraude met kilometertellers te voorkomen en zo de kwaliteit en veiligheid van tweedehandse voertuigen te waarborgen; verzoekt de lidstaten daarom gebruik te maken van het systeem voor de uitwisseling van kilometerstanden dat is ontwikkeld door het directoraat-generaal Mobiliteit en Vervoer van de Commissie (DG MOVE), het EU-platform Move-Hub en de Odocar-module daarvan, als resultaat van het door het Parlement voorgestelde proefproject voor een Europees systeem voor het terugdringen van fraude met kilometertellers (OREL);

31.

verzoekt de Commissie een nieuw, geharmoniseerd regelgevingskader voor geautomatiseerde auto’s voor te stellen om door middel van uitgebreide tests, met inbegrip van reële rijomstandigheden, te waarborgen dat geautomatiseerde auto’s functioneren op een manier die volstrekt veilig is voor de bestuurders ervan en andere weggebruikers, met name wat de interactie ervan betreft met conventionele voertuigen en kwetsbare weggebruikers;

32.

verzoekt de Commissie intussen de risico’s voor de verkeersveiligheid te beoordelen van de momenteel beschikbare rijhulpsystemen, zoals overmatige afhankelijkheid en afleiding van bestuurders; verzoekt de Commissie de invoering te overwegen van de vereiste om de mobiele en elektronische apparaten van bestuurders uit te rusten met een “veiligrijdenmodus” en de standaardinstallatie te overwegen van andere technologische instrumenten om afleiding tijdens het rijden te beperken;

33.

benadrukt dat overheidsopdrachten, zoals in het strategisch EU-actieplan inzake verkeersveiligheid van de Commissie wordt uiteengezet, een interessante mogelijkheid bieden om de verkeersveiligheid positief te beïnvloeden; verzoekt de Commissie expliciet rekening te houden met het feit dat de economisch voordeligste inschrijving voor overheidsopdrachten op het gebied van diensten voor openbaar personenvervoer over de weg moet worden beoordeeld op grond van de beste prijs-kwaliteitsverhouding, waarin ook veiligheids-, innovatie-, kwaliteits-, duurzaamheids- en sociale aspecten moeten zijn opgenomen; dringt er bij de lidstaten en aanbestedende diensten op aan veiligheidsaspecten te beschouwen als een van de hoofdcriteria bij het gunnen van overheidsopdrachten voor diensten voor wegvervoer;

34.

merkt op dat nieuwe toestellen voor persoonlijke mobiliteit ook aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid, niet alleen met betrekking tot de veiligheid van de toestellen zelf, maar ook met betrekking tot het veilige gebruik ervan in het verkeer; betreurt dat slechts enkele lidstaten wetgeving op dit gebied hebben ingevoerd en dat het gebrek aan harmonisatie in de EU verwarring kan scheppen en het voor bezoekers moeilijk kan maken om zich aan de plaatselijke regels te houden; verzoekt de Commissie een typegoedkeuringskader voor deze nieuwe mobiliteitstoestellen te overwegen en richtsnoeren voor de lidstaten uit te vaardigen inzake het beheer van de veiligheidsaspecten, inclusief verkeersregels voor een veilig gebruik van deze toestellen; herinnert de Commissie en de lidstaten aan de noodzaak EU- en nationale bewustmakings- en educatiecampagnes te voeren over een veilig gebruik van vervoersmiddelen voor micromobiliteit, met bijzondere nadruk op kwetsbare weggebruikers, zoals kinderen, ouderen en personen met beperkte mobiliteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot manieren om ervoor te zorgen dat vervoersmiddelen voor micromobiliteit veiliger gebruikt worden;

35.

verzoekt de Commissie de vereisten van de EU-gegevensbank inzake ongevallen in het wegverkeer (CARE) te actualiseren en daarin de identificatie op te nemen van botsingen met vervoersmiddelen voor micromobiliteit, zoals e-scooters en andere tweewielers met een elektrische hulpmotor; verzoekt de lidstaten concrete preventieve veiligheidsmaatregelen op nationaal, regionaal of lokaal niveau ten uitvoer te leggen op basis van de informatie in de CARE-databank;

Veilig weggebruik

36.

merkt op dat volgens een studie van de Commissie alcohol naar schatting een rol speelt bij ongeveer 25 % van alle dodelijke verkeersongevallen, terwijl er drugs in het spel zijn bij 15 % van de dodelijke verkeersongevallen (8); merkt op dat de EU-aanbeveling inzake het toegestane alcoholgehalte in het bloed dateert van 2001; verzoekt de Commissie de desbetreffende aanbevelingen bij te werken, daarin een kader op te nemen voor nultolerantie voor rijden onder invloed van alcohol, een EU-aanbeveling vast te stellen om een nultolerantie te hanteren ten aanzien van illegale psychoactieve drugs en normen in te voeren voor wegcontroles inzake drugs in het verkeer; wijst erop dat een harmonisering van het toegestane alcoholpromillage in de EU voor alle voertuigcategorieën vergelijkingen in het kader van de KPI’s voor nuchterheid op de weg gemakkelijker zullen maken; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor de etikettering van geneesmiddelen die van invloed zijn op de rijvaardigheid van personen en voorlichtingscampagnes te starten om de medische diensten, met inbegrip van huisartsen, op dit gebied bewuster te maken; verzoekt de Commissie in de herziene aanbevelingen ook richtsnoeren op te nemen voor het aanbrengen van alcoholsloten, met bijzondere aandacht voor recidivisten, personen die een ernstige eerste overtreding begaan en alle beroepschauffeurs;

37.

merkt op dat te hoge snelheid een belangrijke factor is bij ongeveer 30 % van de dodelijke verkeersongevallen en een verzwarende factor bij de meeste ongevallen; verzoekt de Commissie een aanbeveling voor te leggen voor de toepassing van veilige snelheidslimieten overeenkomstig de “Safe System”-benadering voor alle wegtypen, zoals standaardmaximumsnelheden van 30 km/u in woonwijken en wijken waar veel fietsers en voetgangers zijn, met de mogelijkheid van hogere snelheden op belangrijke hoofdassen met passende bescherming voor zwakke weggebruikers; verzoekt de lidstaten prioriteit te geven aan investeringen in snelheidshandhaving en hoogwaardige communicatie over de centrale rol van snelheid en snelheidsbeheer; roept de lidstaten op sancties toe te passen om te hoge snelheid te ontmoedigen, met inbegrip van strafpuntsystemen, en de invoering te overwegen van cursussen snelheidsbewustzijn om recidivisten op het rechte pad te brengen;

38.

merkt op dat volgens ramingen van de Commissie (9) in de EU jaarlijks 10 miljoen zware verkeersovertredingen in verband met te hoge snelheid, rijden door rood en rijden onder invloed van alcohol worden vastgesteld die zijn begaan door niet-ingezetenen; erkent de vooruitgang die sinds 2015 is geboekt bij het opzetten van een kader voor de grensoverschrijdende handhaving van verkeersovertredingen, maar betreurt dat het bestaande kader voor de grensoverschrijdende handhaving van verkeersovertredingen, dat is vastgelegd in de richtlijn inzake grensoverschrijdende handhaving, onvoldoende waarborgen biedt voor onderzoek met het oog op de tenuitvoerlegging van sancties of de erkenning van sanctiebesluiten; is van mening dat een betere grensoverschrijdende handhaving van de verkeersregels de naleving van deze regels zou verbeteren en een afschrikkende werking zou hebben, waardoor gevaarlijk gedrag wordt verminderd en de verkeersveiligheid verbeterd; verzoekt de Commissie in dit verband bovengenoemde kwesties bij de volgende herziening van de richtlijn aan te pakken, de kwestie van de wederzijdse erkenning van rijverboden en strafpunten te beoordelen en het toepassingsgebied van de richtlijn te herzien zodat ook tolinning eronder valt, om gevaarlijk rijgedrag te voorkomen en de kwaliteit van de infrastructuur te behouden;

39.

herinnert eraan dat met de rijbewijsrichtlijn een geharmoniseerd EU-rijbewijs is vastgesteld en minimumeisen voor het verkrijgen van een rijbewijs zijn ingevoerd; merkt op dat de richtlijn up-to-date zal moeten worden gehouden met betrekking tot nieuwe technologische ontwikkelingen op het gebied van voertuig- en infrastructuurtechnologie en voertuigautomatisering en in opleidingsprogramma’s, met name voor beroepschauffeurs; verzoekt de Commissie minimumnormen te ontwikkelen voor rijopleiding en verkeersveiligheidseducatie en tegelijk de vorm, inhoud en resultaten van rijlessen in de gehele EU gelijk te trekken, en te overwegen bij de komende herziening van de richtlijn de Goals for Driver Education-matrix (doelstellingen voor de rijopleiding) op te nemen, die bestaat uit drie categorieën: kennis en vaardigheden, risicoverhogende aspecten en zelfbeoordeling; vraagt bovendien de invoering van een gradueel vergunningensysteem dat beginnende bestuurders aanmoedigt meer ervaring op te doen met betrekking tot geavanceerde vaardigheden als verkeersinzicht, zelfbeoordeling en anticiperend rijden en bepaalde risicovolle activiteiten, zoals rijden ’s nachts en met passagiers, te beperken, rekening houdend met de mobiliteitsbehoeften van mensen die in afgelegen gebieden wonen en beperkte toegang hebben tot openbaar vervoer; verzoekt de Commissie voorts te zorgen voor verdere harmonisatie van de minimumnormen voor rij-instructeurs, met inbegrip van periodieke opleiding, opleiding in anticiperend rijden, strengere eisen inzake minimumopleiding en communicatievaardigheden; stelt met bezorgdheid vast dat in diverse lidstaten gevallen zijn gemeld van onregelmatige afgifte van rijbewijzen en verzoekt de Commissie toezicht te houden op deze kwestie;

40.

verzoekt de Commissie te overwegen theoretische en praktische opleiding alsook examens verplicht te stellen voor het verkrijgen van een rijbewijs voor alle categorieën gemotoriseerde tweewielers;

41.

verzoekt de Commissie KPI’s te ontwikkelen voor de verstrekking van verkeersveiligheids- en mobiliteitseducatie in de EU-lidstaten, alsook EU-instrumenten te ontwikkelen om verkeersveiligheids- en mobiliteitseducatie te ontwerpen, uit te voeren en te evalueren; moedigt alle lidstaten aan te zorgen voor de verstrekking van hoogwaardige verkeersveiligheidseducatie, die moet beginnen op school en deel moet uitmaken van een proces van een leven lang leren;

42.

merkt op dat de COVID-19-pandemie heeft geleid tot de groei van de thuisbezorgingssector en met name het gebruik van bestelwagens, gemotoriseerde tweewielers, zoals bromfietsen, en fietsen, waardoor de opkomst van nieuwe soorten platformwerk en nieuw bedrijfsmodellen een duw heeft gekregen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat professionele bestelwagenchauffeurs een passende opleiding volgen en het probleem aan te pakken van de vermoeidheid en te hoge snelheid van bestelwagenchauffeurs, met name als gevolg van de sterke toename van het aantal thuisbezorgingen; verzoekt de Commissie voorts te overwegen de regeling voor technische controles aan te scherpen en de verplichting in te voeren om extra controles uit te voeren voor bestelwagens die worden gebruikt door aanbieders van pakketbezorgdiensten zodra een specifieke kilometerstand is bereikt, en te overwegen deze verplichting uit te breiden tot andere voertuigen in deze categorieën die voor andere commerciële doeleinden worden gebruikt, in het kader van de herziening van het pakket inzake technische controles; verzoekt de Commissie een aanbeveling voor te leggen inzake de veiligheid van bezorgers, inclusief voorschriften voor werkgevers en bedrijven om te garanderen dat veiligheidsapparatuur en veilige voertuigen worden verstrekt en gebruikt, alsook opleiding met betrekking tot de digitale hulpmiddelen die zij eventueel moeten gebruiken, zoals applicaties en interactieve platforms;

43.

is ernstig bezorgd over de vermoeidheid van bestuurders in het commerciële goederen- en personenvervoer als een van de oorzaken van verkeersongevallen; verzoekt de Commissie in dit verband ervoor te zorgen dat Richtlijn 89/391/EEG van de Raad betreffende de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (10) correct ten uitvoer wordt gelegd met betrekking tot verkeersveiligheidsaspecten; verzoekt de Commissie een KPI in te voeren voor de vermoeidheid van bestuurders in het commerciële goederen- en personenvervoer; verzoekt de Commissie en de lidstaten het aantal beveiligde parkeerplaatsen in het TEN-V te verhogen en ervoor te zorgen dat deze zijn aangepast aan de behoeften van bestuurders, en informatie te verstrekken over de beschikbaarheid ervan via een geactualiseerde en gebruiksvriendelijke website; verzoekt de Commissie na te gaan of de installatie van airconditioning of gelijkwaardige klimaatregelingssystemen voor cabines in vrachtwagens een positieve impact kan hebben op de vermoeidheid van bestuurders en op de verkeersveiligheid, aangezien deze systemen onafhankelijk kunnen werken van de hoofdmotor;

44.

benadrukt dat een effectieve en complete respons na een ongeval, naast medische zorg en revalidatie, bestaat uit mentale en sociale ondersteuning, erkenning voor de slachtoffers, een grondig onderzoek om de oorzaken van het ongeval te identificeren en maatregelen om te voorkomen dat het zij zich in de toekomst opnieuw voordoet, alsmede straf- en burgerrechtelijke vervolging wanneer aangewezen; verzoekt de lidstaten nauwere samenwerking tot stand te brengen tussen hun verkeersveiligheidsinstanties en de gezondheidssector om het juiste gebruik te handhaven van noodrijstroken om reddingsoperaties te versnellen; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts te voorzien in voldoende financiering voor efficiënte noodhulpinfrastructuur, met inbegrip van medische luchtdiensten, met name in afgelegen en bergachtige gebieden en op eilanden; verzoekt de Commissie EHBO-opleiding verplicht te stellen bij de toekomstige herziening van de rijbewijsrichtlijn; verzoekt de lidstaten het concept van noodrijstroken te verankeren in hun nationale verkeersreglement en extra bewustmakingscampagnes te voeren; herinnert aan het belang van effectieve follow-uphulp voor slachtoffers;

45.

verzoekt de lidstaten hun belangrijkste traumanetwerken te ontwikkelen en richtsnoeren voor onderlinge samenwerking vast te stellen om nooddiensten in staat te stellen patiënten snel zorg te verstrekken, ook over de grenzen heen;

46.

benadrukt dat een gebrekkige handhaving van de verkeersregels de inspanningen om Vision Zero te verwezenlijken ondermijnt; moedigt de lidstaten aan om in hun verkeersveiligheidsplannen jaarlijkse doelstellingen voor handhaving en naleving vast te stellen en te zorgen voor een adequate financiering hiervan, en een jaarlijkse follow-up uit te voeren en te publiceren waarin de bereikte doelstellingen en behaalde resultaten worden geanalyseerd; onderstreept dat alleen behoorlijk toegelichte en bekendgemaakte, consistente handhavingsactiviteiten en educatie door handhaving een langdurig effect op het rijgedrag kunnen hebben; merkt op dat de efficiëntie verder wordt verbeterd als de afhandeling van boetes voor vastgestelde overtredingen grotendeels geautomatiseerd is;

47.

merkt op dat het gebruik van een mobiele telefoon of andere elektronische apparaten tijdens het rijden of fietsen de rijvaardigheid aanzienlijk beïnvloedt en een rol speelt in 10 tot 30 % van de verkeersongevallen; roept de lidstaten op effectieve, evenredige en afschrikkende sancties voor het gebruik van een mobiele telefoon in te voeren, inclusief niet-financiële sancties, het bewustzijn omtrent de risico’s te vergroten en de handhaving te verbeteren;

Een kader dat klaar is voor de toekomst

48.

benadrukt dat externe factoren en opkomende maatschappelijke trends ongekende uitdagingen voor de verkeersveiligheid opleveren in het kader van de EU-strategie voor 2030 en daarna; merkt op dat de EU de weg moet vrijmaken om geconnecteerde en geautomatiseerde voertuigen te gepasten tijde in te voeren en de mogelijke risico’s moet beoordelen wanneer deze voertuigen worden gecombineerd met traditionele voertuigen in gemengd verkeer en met kwetsbare weggebruikers; verzoekt de Commissie grondig de impact te beoordelen van het grotere aantal geautomatiseerde voertuigen op het verkeer in stedelijke gebieden en op het milieu; benadrukt dat het nodig kan zijn infrastructuur te moderniseren om te garanderen dat geautomatiseerde en halfgeautomatiseerde voertuigen veilig functioneren, terwijl ook de veiligheid voor conventionele voertuigen wordt verbeterd, zodat hier voordelen uit voortvloeien voor alle weggebruikers;

49.

roept de lidstaten op voertuigsloopregelingen onder groene voorwaarden op te zetten teneinde de aankoop en het gebruik van veiligere, schone en energie-efficiënte voertuigen en de vernieuwing van openbare en particuliere wagenparken te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen met de EIB nieuwe financieringsregelingen te bestuderen om investeringen in veilige en duurzame vervoersdiensten alsook veilige en duurzame wagenparken te vergemakkelijken;

50.

wijst erop dat gegevens een sleutelrol zullen spelen bij de verbetering van de verkeersveiligheid; herinnert eraan dat de boordgegevens van voertuigen uiterst waardevol zijn voor verkeersbeheer, technische controles en ongevallenanalyse; verzoekt de Commissie een kader in te stellen voor toegang tot de boordgegevens van voertuigen buiten de reparatiemarkt, in overeenstemming met de algemene verordening gegevensbescherming (11), uitsluitend met het oog op ongevallenonderzoek en technische controles; benadrukt in dit verband het belang van de digitale gegevens die worden opgeslagen in gegevensrecorders voor incidenten (event data recorders, EDR’s) voor het uitvoeren van grondige ongevallenanalyses om de verkeersveiligheid te verbeteren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle gegevenselementen die relevant zijn voor een grondige ongevallenanalyse en voor verkeersveiligheidsonderzoek (met inbegrip van locatie, datum en tijdstip) door EDR’s moeten worden geregistreerd en opgeslagen;

51.

herinnert eraan dat, hoewel verkeersveiligheid een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle betrokken actoren en autoriteiten op EU-, nationaal en lokaal niveau, de EU energiek het voortouw moet nemen om te waarborgen dat verkeersveiligheid een prioriteit blijft in het wegverkeer, teneinde de verkeersveiligheidskloof tussen de lidstaten te helpen dichten en ervoor te zorgen dat de EU wereldwijd koploper blijft op dit gebied; benadrukt de verantwoordelijkheid van de EU om de samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken met derde landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, te bevorderen met het oog op de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Stockholm inzake verkeersveiligheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het EU-verkeersveiligheidsbeleid van toepassing zijn op alle relevante externe programma’s en een doeltreffend systeem te ontwikkelen voor de uitwisseling van informatie over verkeersovertredingen met buurlanden buiten de EU om de handhaving te verbeteren, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat voor het delen van informatie strikte waarborgen, audits en toezichtsvoorwaarden gelden, met volledige inachtneming van de toepasselijke EU-regels;

52.

verzoekt de Commissie om, met het oog op de komende herziening van het pakket stedelijke mobiliteit, synergieën te bevorderen tussen veiligheids- en duurzaamheidsmaatregelen in stedelijke gebieden; dringt in dit verband aan op een herdefiniëring van de prioriteiten voor de vervoersinfrastructuur in stedelijke gebieden, inclusief de herbestemming van openbare ruimte, weg van individueel gemotoriseerd vervoer, naar duurzame, veiligere en gezondere vervoerswijzen zoals openbaar vervoer, lopen en fietsen, rekening houdend met de bijzondere behoeften van kwetsbare weggebruikers, zoals kinderen, personen met een handicap en ouderen; spoort aan tot meer investeringen en medefinanciering via EU-financieringsinstrumenten voor parkeerplaatsen en andere connectiviteitszones voor mobiliteit aan de ingang van stedelijke gebieden, om gemakkelijk toegang te bieden tot verschillende openbaarvervoersmodi, aangezien de stedelijke congestie en de CO2-emissies moeten worden teruggedrongen; is ingenomen met het voornemen van de EIB om ambitieuze investeringsprogramma’s te ondersteunen om overheden te helpen duurzame mobiliteit te bevorderen op lokaal en regionaal niveau, bijvoorbeeld via plannen voor een duurzame stedelijke mobiliteit en projecten inzake duurzaam openbaar vervoer; verzoekt de Commissie de doelstellingen en acties van de EU inzake verkeersveiligheid beter te integreren in de richtsnoeren voor de plannen voor een duurzame stedelijke mobiliteit door beste praktijken te monitoren en te bevorderen, onder meer door een indicator vast te stellen voor het gebruik van EU-financiering om de verkeersveiligheid in steden effectief te verbeteren;

53.

merkt op dat plattelandsgebieden ongeveer 83 % uitmaken van het EU-grondgebied en dat zich daar de woonplaats bevindt van 30,6 % van de EU-bevolking; wijst erop dat met name plattelandsgebieden en dunbevolkte gebieden geen goede vervoersinfrastructuur en regelmatige collectieve openbaarvervoersdiensten hebben, hetgeen rechtstreekse gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid; merkt voorts op dat 54 % van de verkeersdoden in de EU op landwegen vallen; benadrukt dat de verbetering van de toegankelijkheid, connectiviteit en verkeersveiligheid van plattelandsgebieden moet worden opgenomen in de strategie voor duurzame en slimme mobiliteit; verzoekt de Commissie rekening te houden met laatstgenoemde in haar komende mededeling over een langetermijnvisie voor plattelandsgebieden;

54.

wijst op de noodzaak een geïntegreerde benadering te bevorderen om de doelstellingen van Vision Zero te realiseren en intersectorale samenwerking te versterken, waaronder samenwerking met ngo’s, het maatschappelijk middenveld en bedrijven en de industrie op regionaal, nationaal en EU-niveau; roept bedrijven en kmo’s op om overeenkomstig de Verklaring van Stockholm de totstandbrenging van een veilig verkeer na te streven door “Safe System”-beginselen toe te passen in hun volledige waardeketen, inclusief de interne praktijken van hun inkoop-, productie- en distributieproces, en verslaglegging over veiligheidsprestaties op te nemen in hun duurzaamheidsverslag en op hun officiële website; roept bedrijven en kmo’s voorts op om in voorkomend geval specifieke opleiding in verkeersveiligheid aan hun chauffeurs aan te bieden en te overwegen de rol van “mobiliteitsmanager” te integreren voor het coördineren en optimaliseren van de mobiliteitsbehoeften van de onderneming voor het vervoer van goederen en werknemers in de gehele logistieke keten;

55.

verzoekt de Commissie samen met de lidstaten, het maatschappelijk middenveld en andere belangrijke belanghebbenden te werken aan de ontwikkeling van een verkeersveiligheidscultuur in heel Europa; is ingenomen met de creatie van de EU-prijs voor verkeersveiligheid in steden als onderdeel van de Europese Mobiliteitsweek en de vernieuwing van het Europees Handvest voor verkeersveiligheid, het grootste middenveldplatform inzake verkeersveiligheid; verzoekt de Commissie de komende jaren een initiatief te organiseren inzake een Europees Jaar van de verkeersveiligheid, als onderdeel van het EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030; pleit voorts, in de context van het Europees Jaar van groenere steden in 2022, voor de introductie, financiering en monitoring van een keurmerk voor veiligere steden, dat gebaseerd moet zijn op criteria inzake het naleven van de strengste verkeersveiligheidsnormen voor alle gebruikers en leefbaardere openbare ruimten, inclusief betere luchtkwaliteit en lagere CO2-emissies;

56.

wijst op de Werelddag voor de herdenking van verkeersslachtoffers, die elk jaar plaatsheeft op de derde zondag van november om de vele miljoenen te herdenken die wereldwijd in het verkeer zijn omgekomen of ernstig zijn verwond, om de noodhulpdiensten te bedanken voor hun werk en om stil te staan bij de enorme last en kosten voor families, gemeenschappen en landen als gevolg van deze ramp die zich dagelijks blijft voordoen; erkent deze dag formeel en verzoekt de Europese Raad en de Commissie hetzelfde te doen door een jaarlijks evenement te organiseren dat door de drie instellingen wordt gesteund;

57.

is van mening dat er voor een behoorlijke uitvoering van de volgende stappen in het EU-verkeersveiligheidsbeleid in het kader van de overkoepelende strategie voor duurzame en slimme mobiliteit nieuwe capaciteit nodig is op het gebied van verkeersveiligheid, met name wat de coördinatie-, monitoring- en evaluatiefuncties betreft en de technische ondersteuning van de algemene strategie; verzoekt de Commissie in dit verband de oprichting te overwegen van een Europees agentschap voor het wegvervoer ter ondersteuning van duurzaam, veilig en slim wegvervoer of, indien dit niet haalbaar is, een bestaand agentschap te belasten met deze taak;

o

o o

58.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 68 van 13.3.2015, blz. 9.

(2)  PB L 403 van 30.12.2006, blz. 18.

(3)  PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1.

(4)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0122.

(5)  PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.

(6)  Richtlijn (EU) 2019/1936 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 tot wijziging van Richtlijn 2008/96/EG betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 1).

(7)  PB L 167 van 30.4.2004, blz. 39.

(8)  Studie van de Commissie van 18 februari 2014 getiteld: “Study on the prevention of drink-driving by the use of alcohol interlock devices” (Studie over de preventie van rijden onder invloed door het gebruik van alcoholsloten).

(9)  Aanvangseffectbeoordeling van de Commissie van 15 maart 2019 over de herziening van de richtlijn inzake grensoverschrijdende handhaving.

(10)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

(11)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/56


P9_TA(2021)0408

Herstel van de visbestanden in de Middellandse Zee

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over herstel van de visbestanden in de Middellandse Zee: evaluatie en volgende stappen (2019/2178(INI))

(2022/C 132/05)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640) en de resolutie van het Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381),

gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), en met name punt 2.2.6 getiteld “De goede milieutoestand van mariene ecosystemen herstellen”, onder meer door met de toekomstige financiële instrumenten voor visserij en maritiem beleid financiële stimulansen te bieden voor beschermde mariene gebieden (met inbegrip van Natura 2000-gebieden en uit hoofde van internationale of regionale overeenkomsten beschermde gebieden),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 juni 2020, getiteld “Naar een duurzamere visserij in de EU: stand van zaken en oriëntaties voor 2021” (COM(2020)0248),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020, getiteld “Jaarlijkse strategie voor duurzame groei voor 2021” (COM(2020)0575),

gezien Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (2),

gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (3),

gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (5),

gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (6) en gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0390),

gezien Richtlijn (EU) 2017/159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (Cogeca), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 (7),

gezien Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (8),

gezien Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen (9),

gezien Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee (10),

gezien Verordening (EU) 2019/982 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) (11),

gezien Verordening (EU) 2020/560 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 508/2014 en (EU) nr. 1379/2013 wat betreft specifieke maatregelen om de gevolgen van de COVID-19-uitbraak in de visserij- en aquacultuursector te beperken (12),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2020 over de uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie (Richtlijn 2008/56/EG) (COM(2020)0259),

gezien Speciaal verslag nr. 26/2020 van de Europese Rekenkamer van 26 november 2020 getiteld “Het mariene milieu: de EU biedt brede, maar geen diepgaande bescherming”,

gezien de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 9 februari 2021 getiteld “Hernieuwd partnerschap met het Zuidelijk Nabuurschap — Een nieuwe agenda voor het Middellandse Zeegebied” (JOIN(2021)0002),

gezien de artikelen 38 en 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) van de EU,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos),

gezien de middellangetermijnstrategie van de GFCM voor de periode 2017-2020, gericht op de duurzaamheid van de visserijactiviteiten in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee,

gezien het verslag van de GFCM over de toestand van de visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee van 2018,

gezien duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 14 inzake “instandhouding en duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en rijkdommen van de zee met het oog op duurzame ontwikkeling”, die op 25 september 2015 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

gezien het verslag van 2020 van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) van de Commissie over monitoring van de prestaties van het gemeenschappelijk visserijbeleid (STECF-Adhoc-20-01),

gezien de retrospectieve evaluatie van de Middellandse Zeeverordening van de Commissie van mei 2016,

gezien verslag nr. 17/2019 van het Europees Milieuagentschap getiteld “Marine messages II: Navigating the course towards clean, healthy and productive seas through implementation of an ecosystem-based approach” (Berichten van de zee II — Koers zetten naar schone, gezonde en productieve zeeën door een ecosysteemgerichte benadering te hanteren),

gezien het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee (Verdrag van Barcelona) en de bijbehorende protocollen en besluiten van de EU,

gezien de ministeriële verklaring MedFish4Ever van de kuststaten in het Middellandse Zeegebied, die op 30 maart 2017 werd aangenomen in Valletta, Malta,

gezien de ministeriële verklaring van Sofia van 7 juni 2018,

gezien de ministeriële verklaring van 26 september 2018, gericht op de uitvoering van een regionaal actieplan voor kleinschalige en duurzame visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee,

gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van 2019 van het Intergouvernementeel Platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES),

gezien het speciaal verslag van 2019 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) getiteld “The Ocean and Cryosphere in a Changing Climate” (De oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat),

gezien deel II, afdeling 2, van het Unclos getiteld “Limits of the territorial sea” (Grenzen van de territoriale zee),

gezien het eerste beoordelingsverslag over het Middellandse Zeegebied (MAR1) van het onafhankelijke netwerk van deskundigen inzake klimaat- en milieuverandering in het Middellandse Zeegebied (MedECC),

gezien het verslag van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en de GFCM getiteld “The State of Mediterranean and Black Sea Fisheries 2020” (De toestand van de visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee 2020),

gezien het verslag van de Commissie visserij over de gevolgen van de opwarming van de mariene wateren voor de visbestanden en de visserij (2019/2163(INI)),

gezien het advies van de Commissie visserij aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling inzake een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem (2020/2260(INI)) PECH_AD(2021)662054,

gezien zijn wetgevingsresolutie van 17 april 2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1379/2013 en Verordening (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om de gevolgen van de COVID-19-uitbraak in de visserij- en aquacultuursector te beperken (COM(2020)0142 — C9-0093/2020 — 2020/0059(COD)) (13),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 getiteld “Meer vissen in de zee? Maatregelen ter bevordering van het herstel van de bestanden boven het niveau van de maximale duurzame opbrengst, met inbegrip van gebieden voor herstel van de visbestanden en beschermde mariene gebieden” (14),

gezien de negatieve sociaal-economische gevolgen die de COVID-19-pandemie momenteel en op lange termijn met zich meebrengt voor de sector, met inbegrip van de detailhandel en de kleinschalige handel in verse voedingsmiddelen,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0225/2021),

A.

overwegende dat de Middellandse Zee een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld is, alsook een gebied waarin kustgemeenschappen gevestigd zijn die grotendeels afhangen van de visserij, met name kleinschalige visserij; overwegende dat de huidige zorgwekkende ecologische toestand, deels als gevolg van overbevissing, niet alleen een ernstig risico vormt voor de biodiversiteit, maar ook voor het voortbestaan van een sector waarin een verlies van winstgevendheid uiterst negatieve sociaal-economische gevolgen kan veroorzaken voor visserijgemeenschappen, de visindustrie en aanverwante sectoren;

B.

overwegende dat de visbestanden geen onbeperkt voortplantingsvermogen hebben en dat de vraag naar en consumptie van vis voortdurend toenemen;

C.

overwegende dat de situatie in de Middellandse Zee — met name het westelijke deel waar nieuwe maatregelen worden toegepast, hoewel het nog te vroeg is om die volledig te beoordelen aangezien daarvoor meer initiatieven nodig zijn — en de Zwarte Zee sinds het begin van de gegevensverzameling in 2003 grotendeels onveranderd is gebleven, maar dat de biomassa sinds 2012 mogelijk licht is toegenomen;

D.

overwegende dat het percentage overbeviste visbestanden in de Middellandse Zee volgens het verslag van de GFCM van 2020 over de toestand van de visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee is gedaald van 88 % in 2014 tot 75 % in 2018, hetgeen duidelijk aantoont dat er nog veel werk aan de winkel is, maar ook een geleidelijke verbetering van de resultaten laat zien als gevolg van de inzet van de vissers in het gebied; overwegende dat de situatie van veel bestanden kritiek blijft, aangezien volgens het WTECV meer dan 80 % van de aan wetenschappelijke evaluaties onderworpen visbestanden wordt geëxploiteerd op een niveau dat boven de maximale duurzame opbrengst (MDO) ligt;

E.

overwegende dat in 2019 de verordening tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee is vastgesteld en overwegende dat de gevolgen van de daarin vastgestelde maatregelen moeten worden afgewacht;

F.

overwegende dat beperkingen van visserijactiviteiten aanzienlijke sociaal-economische gevolgen hebben en de winstgevendheid van duizenden ondernemingen in gevaar brengen of zelfs hun voortbestaan op de helling zetten, met potentieel verwoestende gevolgen voor de werkgelegenheid en de sociale cohesie in kustgebieden;

G.

overwegende dat uitputting van visbestanden en erosie van de mariene biodiversiteit een bedreiging vormen voor de voedselzekerheid van kustgemeenschappen en voor banen en inkomens in de gehele waardeketen van de ambachtelijke visserij;

H.

overwegende dat een ongelijke naleving van de beperkingen op visserijactiviteiten een onoverkomelijke belemmering vormt voor de verwezenlijking van de vastgestelde doelstellingen en duidelijk nadelig is voor wie de beperkingen wel naleeft;

I.

overwegende dat het Europees Fonds voor visserij en aquacultuur moet worden gebruikt om de negatieve sociaal-economische gevolgen te verzachten en de sector te diversifiëren;

J.

overwegende dat de vissersvloot van de Middellandse Zee voor het grootste deel bestaat uit vaartuigen voor de kleinschalige ambachtelijke visserij, goed voor zo’n 84 % van de vissersvloot en 60 % van de banen in het Middellandse Zeegebied, en overwegende dat sommige vissersvloten weliswaar aanzienlijk zijn gekrompen — zij het in verschillende mate onder EU-landen en niet-Europese landen, met grote gevolgen voor de lokale economieën — maar dat de tendensen in verband met het aantal vaartuigen relatief stabiel zijn gebleven;

K.

overwegende dat voor de meeste kust- en insulaire gebieden de kleinschalige visserij een traditionele vorm van visserij is die een levenswijze en een belangrijke inkomensbron vertegenwoordigt, en dat de groei en ontwikkeling van deze sector specifieke maatregelen en steun vereisen;

L.

overwegende dat de visbestanden tot een gezond niveau moeten worden gebracht om banenverlies te voorkomen en belangrijke, van de visserij afhankelijke economische sectoren in stand te houden;

M.

overwegende dat de visbestanden en de mariene biodiversiteit in de Middellandse Zee niet alleen door de visserij onder druk staan, maar ook door andere problemen die door de mens worden veroorzaakt, zoals plasticvervuiling, verspreiding van brandstof, habitatverlies, de scheepvaart, de klimaatverandering en de proliferatie van invasieve uitheemse soorten;

N.

overwegende dat uit de statistieken blijkt dat de consumptie van visproducten gestaag toeneemt en dat er ook een relatieve stijging van de invoer wordt waargenomen;

O.

overwegende dat er ruimte voor verbetering is met betrekking tot de etikettering van Europese producten, met als doel de waarde van de mediterrane visserij te vergroten, de traceerbaarheid te verbeteren en tegelijk illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te bestrijden;

P.

overwegende dat de productie gestaag afneemt en dat er maatregelen moeten worden genomen om de duurzaamheid van de bestanden te herstellen;

Q.

overwegende dat visserij en aquacultuur behoren tot de sectoren die het zwaarst getroffen zijn door de COVID-19-pandemie, aangezien de vraag abrupt is afgenomen;

R.

overwegende dat de Commissie een reeks tijdelijke en gerichte maatregelen heeft voorgesteld om de uitdagingen aan te pakken waar visserijgemeenschappen als gevolg van COVID-19 mee worden geconfronteerd;

S.

overwegende dat de politieke instabiliteit en de ongeregeldheden in Libië een concrete bedreiging vormen voor EU-vissers die actief zijn in het zuidelijke deel van de Middellandse Zee, waarbij hun persoonlijke vrijheid en de veiligheid van hun visserijactiviteiten op het spel staan;

T.

overwegende dat de EU-vissers verplicht zijn regels voor de instandhouding van de visbestanden na te leven, maar dat diezelfde regels niet gelden voor de vissers van andere mediterrane landen, hetgeen de inspanningen voor herstel van de visbestanden ondermijnt en tegelijkertijd oneerlijke concurrentie vormt voor de EU-visserij;

U.

overwegende dat de Middellandse Zee tot 20 % sneller opwarmt dan de rest van de wereld; overwegende dat de klimaatverandering er volgens MedECC toe kan leiden dat tot 50 % van de commerciële vissoorten en ongewervelde zeedieren in 2050 plaatselijk uitgestorven zal zijn;

Wetgevingsaspecten verbeteren

1.

verzoekt de Commissie om, na het inwinnen van het advies van de regionale adviesraad voor de Middellandse Zee (MED-AC), in kaart te brengen welke obstakels het herstel van de visbestanden in de weg staan, waarbij een analyse wordt gemaakt van de tenuitvoerlegging van de strategie van de GFCM voor 2017-2020, teneinde haar conclusies op te nemen in de strategie voor 2021-2030, en om hierbij te waarborgen dat er concrete stappen worden gezet om de visbestanden te herstellen, onder meer — indien dit nodig en passend wordt geacht — door zowel wetgevings- als niet-wetgevingsmaatregelen te overwegen;

2.

is verheugd over het voorstel dat de Commissie in haar biodiversiteitsstrategie voor 2030 heeft gedaan om ten minste 30 % van het zeegebied in de EU te beschermen, onder meer door middel van de totstandbrenging van gebieden voor herstel van de visbestanden, waarin is voorzien in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB);

3.

is van mening dat het noodzakelijk is een effectieve consolidatie en ontwikkeling van de bestaande beschermde mariene gebieden te waarborgen en de vissers te betrekken bij de voorbereiding en het beheer van de gebieden;

4.

benadrukt dat in het volgende verslag over de werking van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) een evaluatie van de aanwijzing en het succes van deze gebieden moet worden opgenomen; verzoekt de GFCM voort te bouwen op het succesvolle voorbeeld van het gebied voor herstel van de bestanden “Jabuka/Pomo Pit”;

5.

verzoekt de Commissie te zorgen voor een gelijk speelveld voor alle economische sectoren bij de tenuitvoerlegging van doeltreffend beheerde en verbonden beschermde mariene gebieden (MPA’s);

6.

dringt er bij de Commissie op aan in te spelen op de behoeften van mediterrane landen door deze landen wetenschappelijke en technische ondersteuning te bieden om gebruik te maken van regionale en internationale financieringsmechanismen, en projecten voor duurzame ontwikkeling op te zetten;

7.

verzoekt de Commissie te beoordelen of er nieuwe plannen voor het beheer van bestanden moeten worden opgesteld om de in het GVB vastgelegde beginselen van sociale, economische en ecologische duurzaamheid te verwezenlijken;

8.

herinnert aan de doelstelling van het GVB om uiterlijk in 2020 voor alle bestanden het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst te bereiken;

9.

stelt met bezorgdheid vast dat er nog steeds veel bestanden zijn waarvan de toestand onbekend is; dringt aan op een verdubbeling van de inspanningen om de gegevensverzameling te verbeteren, met als doel voorbereidingen te treffen om beter geïnformeerd te zijn om de noodzakelijke beheersmaatregelen te kunnen uitdenken;

10.

herinnert aan de doelstelling van de kaderrichtlijn mariene strategie om in het mariene milieu uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken of te behouden;

11.

verzoekt de Commissie voort te bouwen op het succesvolle voorbeeld van blauwvintonijn door voor sommige soorten, waaronder heek, de invoering van totale toegestane vangsten (TAC’s) op lange termijn te bestuderen en een voorstel in te dienen bij de evaluatie van het meerjarenplan in 2024;

12.

wijst erop dat het voor het succes van beschermde mariene gebieden en andere beschermde gebieden belangrijk is dat zij goed worden aanvaard door vissers, kustgemeenschappen en andere belanghebbenden; verzoekt de Commissie na te gaan of het nodig is de visserijsector — met inbegrip van het ambachtelijke segment — de lokale gemeenschappen en alle relevante belanghebbenden een actieve rol te geven bij het opzetten, beheren en monitoren van beschermde mariene gebieden;

13.

verzoekt de EU en haar lidstaten op te treden om een einde te maken aan beschermde gebieden die slechts op papier bestaan (“paper parks”) in de Middellandse Zee, en beschermde mariene gebieden op te zetten als onderdeel van een coherent netwerk van doeltreffend beheerde en verbonden gebieden, met inbegrip van offshore- en diepzeegebieden; herinnert aan de verplichting om in gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen (VME’s) voorkomen of kunnen voorkomen, te stoppen met visserij met bodemberoerend vistuig dieper dan 400 m;

14.

verzoekt de EU en haar lidstaten het netwerk van gebieden voor herstel van de bestanden in het kader van het GVB en de GFCM uit te breiden, met name wanneer er duidelijke bewijzen zijn dat zich daar paaiplaatsen bevinden of grote concentraties van vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte; benadrukt dat in het volgende verslag over de werking van het GVB een evaluatie van de aanwijzing en het succes van deze gebieden moet worden opgenomen; verzoekt de GFCM voort te bouwen op het succesvolle voorbeeld van het gebied voor herstel van de bestanden “Jabuka/Pomo Pit”;

15.

verzoekt de GFCM een ambitieuze en holistische nieuwe gemeenschappelijke strategie voor visserij en aquacultuur in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee voor 2021-2025 voor te stellen, die doeltreffende en duurzame beheersmaatregelen op regionaal en nationaal niveau moet omvatten, volgens de MDO-aanpak; verzoekt de GFCM kwesties als de opwarming van de aarde, IOO-visserij en recreatievisserij aan te pakken en nieuwe gebieden voor herstel van de visbestanden in te stellen;

16.

betreurt het gebrek aan wetenschappelijke gegevens over recreatievisserij; verzoekt de EU-lidstaten en de GFCM de impact van recreatievisserij op het beheer van de visbestanden alsook haar bijdrage daaraan volledig te beoordelen en hier aandacht aan te besteden in hun beheersplannen;

17.

benadrukt hoe belangrijk monitoring, controle en doeltreffende regionale samenwerking zijn voor het beheer van mariene biologische rijkdommen;

18.

verzoekt de Commissie de doelstellingen van de Europese Green Deal op het niveau van de GFCM te bevorderen en duurzame oceaangovernance en het beheer van visbestanden te ondersteunen met toereikende financiering;

19.

verzoekt de Commissie om bij elk wetgevingsvoorstel dat gericht is op een toename van de visbestanden door middel van een beperking van de visserijactiviteiten vooraf een uitgebreide effectbeoordeling te verrichten om de mogelijke sociaal-economische en ecologische gevolgen van de toepassing ervan voor kustgemeenschappen en voor de productiviteit en het concurrentievermogen van de EU-visserijbedrijven en de productieketen te kwantificeren, alsook om dergelijke voorstellen te ondersteunen met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens die worden gedeeld met belanghebbenden die banden hebben met de visserijsector;

20.

dringt er voorts op aan om in de context van de ontwikkeling van de Europese Green Deal en de bijbehorende biodiversiteitsstrategie en “van boer tot bord”-strategie, die aanzienlijke gevolgen zullen hebben voor de visserij in het algemeen en in het Middellandse Zeegebied in het bijzonder, een voorafgaande effectbeoordeling te verrichten van deze maatregelen en de uitvoering ervan om de gevolgen voor de visserij- en aquacultuursector te beoordelen in het licht van de bijzondere status van de Middellandse Zee als zee die wordt gedeeld met derde landen met een andere regelgeving;

21.

onderstreept het gebrek aan nauwkeurige kwantificering van de gevolgen voor de visbestanden van alle andere mogelijke factoren dan visserijactiviteiten die van invloed kunnen zijn, zoals verontreiniging, de opwarming van de aarde, uitheemse soorten, de exploitatie van koolwaterstoffen, baggerwerkzaamheden en zeevervoer; benadrukt dat het door dit gebrek aan informatie niet mogelijk is beslissingen te nemen die voldoende toereikend en doeltreffend zijn om de instandhouding van de visbestanden en de mariene ecosystemen te waarborgen;

22.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat alle wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen worden gedeeld met vissersverenigingen, met inbegrip van beroepsorganisaties (cofradías), in het kader van een gezamenlijk beheersmodel;

23.

benadrukt dat eventuele toekomstige wetgevingsmaatregelen ter bevordering van het herstel van de visbestanden in de Middellandse Zee die gevolgen hebben voor de visserijactiviteiten van de Europese visserijsector, geleidelijk moeten worden ingevoerd op een wijze die in verhouding is met het vermogen tot handelen van de sector; benadrukt bovendien hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat toekomstige wetgevingsvoorstellen geen buitensporige bureaucratische en financiële lasten opleggen aan de Europese visserijsector, met name wat het segment van de kleinschalige visserij betreft;

24.

onderstreept dat wetgevingsinitiatieven die gericht zijn op de bescherming en het herstel van de visbestanden in de Middellandse Zee niet uitsluitend maatregelen ter beperking van visserijactiviteiten mogen omvatten, maar dat het probleem op holistische wijze moet worden benaderd door tegelijk alle bedreigingen aan te pakken die tot de uitputting van visbestanden leiden;

25.

onderstreept dat er op wetgevingsgebied een ecosysteembenadering moet worden gevolgd waarin alle factoren die van invloed zijn op de visbestanden in kaart worden gebracht en worden geanalyseerd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met visserijactiviteiten, maar ook met andere factoren die het evenwicht verstoren en met de aanwezigheid van nieuwe invasieve soorten;

26.

wijst op het positieve effect dat gepaard zou gaan met de vernieuwing van de zeer verouderde vissersvloten in de Middellandse Zee, zowel wat vaartuigen als motoren betreft, aangezien zo het milieueffect van deze vloten kan worden beperkt, brandstofefficiëntie en decarbonisatie van de vaartuigen kunnen worden gestimuleerd en de veiligheid en arbeidsomstandigheden aan boord kunnen worden verbeterd; herinnert eraan dat de overeenkomst over het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA) steun in dit opzicht mogelijk maakt;

27.

verzoekt de Commissie het concurrentievermogen en de duurzame ontwikkeling van de gehele visserijsector en de bijbehorende productieketen te beschermen door de waarde van visserijproducten te optimaliseren en de etikettering en traceerbaarheid te verbeteren, en daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan maatregelen om ervoor te zorgen dat ingevoerde producten aan de Europese normen voldoen;

28.

verzoekt de Raad en de Commissie om bij de lopende herziening van Verordening (EG) nr. 1005/2008 (15) (IOO-verordening) een positieve beoordeling te geven aan het standpunt van het Parlement, met name met betrekking tot het voorstel van het Parlement om vrijwaringsmaatregelen in te voeren, onder bepaalde voorwaarden, op grond waarvan preferentiële tarieven voor visserij- en aquacultuurproducten tijdelijk worden opgeschort voor derde landen die niet naar behoren meewerken bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

29.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de etikettering en traceerbaarheid van alle vis en schaal- en schelpdieren te verbeteren, teneinde de consument duidelijkere informatie te verstrekken over de herkomst van het product en de soort, alsook informatie over andere aspecten zoals productiemethoden en de normen die zijn toegepast bij de vangst en de verwerking, ook bij ingevoerde producten uit derde landen;

30.

verzoekt de voor visserij en maritieme zaken bevoegde commissaris een overlegorgaan op te richten waar ook niet-EU-landen in het Middellandse Zeegebied deel van uitmaken, teneinde oneerlijke concurrentie terug te dringen en een gelijk speelveld te waarborgen voor Europese vissers en vrouwen die in de sector werkzaam zijn;

31.

verzoekt de lidstaten IOO-visserij te bestrijden door de transparantie van de visserijactiviteiten en de inspanningen op het gebied van toezicht en controle te vergroten;

32.

verzoekt de lidstaten de capaciteit voor visserijcontrole te vergroten en de uitwisseling van beste praktijken en streefdoelen tussen de lidstaten in het kader van een tactiek op korte termijn te vergemakkelijken, met ondersteuning van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA);

33.

dringt er bij de lidstaten in het Middellandse Zeegebied op aan om met onmiddellijke ingang een bijkomend aantal voor de visserij beperkte gebieden in het kader van de GFCM in te stellen, met het oog op de bescherming van overgeëxploiteerde mariene ecosystemen, waarbij het voor de visserij beperkt gebied “Jabuka/Pomo Pit” als voorbeeld van beste praktijk kan dienen;

34.

verzoekt de Commissie te overwegen de visserij in het nabuurschapsbeleid van de EU op te nemen, als instrument om de regionale samenwerking te versterken;

35.

dringt erop aan dat de correcte, verplichte toepassing van het GVB tot doel moet hebben het juiste evenwicht tot stand te brengen tussen ecologische, economische en sociale duurzaamheid;

36.

verzoekt de Commissie een analyse te verrichten van milieugerelateerde en sociaal-economische gegevens met betrekking tot de lokale gemeenschappen en de visserijsector van de Middellandse Zee om te beoordelen wat de effecten van de COVID-19-crisis op de sector en de visbestanden zijn, en met die beoordeling rekening te houden bij de toekomstige besluitvorming;

37.

verzoekt de Commissie deze analyse te gebruiken bij de ontwikkeling van beleidsmaatregelen, bij het faciliteren van samenwerkingsverbanden op onderzoeksgebied en bij de samenwerking met alle actoren rond de gehele Middellandse Zee, zowel oeverstaten van de EU als derde landen, ter beoordeling en voorkoming van mogelijke geschillen tussen vloten die zich op dezelfde mariene biologische rijkdommen richten in kwetsbare gebieden in internationale wateren;

38.

verzoekt de Commissie een analyse te maken van de sociale, economische en ecologische effecten van de recreatievisserij en de impact ervan op de visbestanden, teneinde deze analyse mee te nemen in alle maatregelen die eventueel worden genomen;

39.

dringt er bij de lidstaten op aan correct gebruik te maken van de middelen uit het EFMZVA om de sector van de kleinschalige visserij te compenseren voor activiteiten die tijdelijk moeten worden stopgezet vanwege instandhoudingsmaatregelen, in overeenstemming met de regels en bepalingen van het EFMZVA;

40.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheden van gezamenlijk beheer en een op ecosystemen gebaseerd, adaptief voorzorgsbeheer te bevorderen, met als uiteindelijke doel een duurzaam beheer van de visbestanden te realiseren op basis van toezicht op de visserij-inspanning en selectiviteit met betrekking tot extractieve visserijactiviteiten in de Middellandse Zee;

De effecten aanpakken van andere economische activiteiten en factoren die druk uitoefenen op het herstel van visbestanden

41.

is ingenomen met de werkzaamheden die sinds 2017 op GFCM-niveau zijn verricht om strategieën te ontwikkelen en vast te stellen om de mogelijke gevolgen van de klimaatverandering voor de visserij het hoofd te kunnen bieden;

42.

verzoekt de lidstaten regelgeving aan te nemen om een verbod in te stellen op het ankeren en afmeren van grote particuliere vaartuigen op minder dan 300 m van de kustlijn en in beschermde habitats eveneens op deze grens van 300 m en in reden, gezien de grote impact van die vaartuigen op kwetsbare ecosystemen zoals zeegrasvelden van Posidonia oceanica;

43.

verzoekt de Commissie een studie te publiceren over de gevolgen van diverse menselijke activiteiten en bronnen van verontreiniging, zowel op het land als op zee, voor visbestanden en mariene ecosystemen;

44.

wijst op het gebrek aan middelen voor wetenschappelijk onderzoek en beoordelingen van de bestanden in de Middellandse Zee, met name personele middelen;

45.

verzoekt de lidstaten de opleiding van nieuwe wetenschappelijke deskundigen te financieren;

Gegevensverzameling en onderzoek versterken

46.

benadrukt dat de kleinschalige kustvisserij en visserijtechnieken met een geringe impact moeten worden bevorderd in de Middellandse Zee, onder meer door de lidstaten ertoe te verplichten deze visserijen een groter deel van de vangstmogelijkheden toe te wijzen in het geval van de twee visserijtakken waarvoor TAC’s zijn ingesteld, overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

Grotere rol voor exploitanten bij besluitvormingsprocessen en gegevensverzameling

47.

verzoekt de Commissie de sociale en werkgelegenheidseffecten van de achteruitgang van de visbestanden in de Middellandse Zee te onderwerpen aan een economische analyse, teneinde passende steunmaatregelen aan te wijzen om een eerlijke en billijke transitie naar visserij met geringe impact te garanderen;

48.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat zowel voor de analyse van de gegevens als voor eventuele maatregelen die daaruit voortvloeien, gebruik kan worden gemaakt van EFMZVA-middelen om in de visserijsector duurzaamheid, innovatie en diversificatie te bevorderen;

49.

dringt aan op een grotere betrokkenheid van lokale en regionale autoriteiten, wetenschappelijke instellingen en lokale exploitanten bij de verzameling van gegevens over selectieve visserij, in nauwe samenwerking met het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV);

50.

verzoekt de uitwisseling van goede praktijken en innovaties te bevorderen op het gebied van de ontwikkeling van selectiever vistuig en methoden voor de inzameling van zwerfvuil op zee, en hierbij de rol van vissers als “hoeders van de zee” te erkennen, teneinde bij te dragen aan een gezonder en schoner marien milieu;

51.

benadrukt dat de volledige verwezenlijking van gelijk welke doelstelling met betrekking tot het herstel van de bestanden in de Middellandse Zee en een correcte tenuitvoerlegging van de door de Europese wetgevers vastgestelde regels afhankelijk is van de daadwerkelijke participatie van de visserijsector;

52.

verzoekt de Commissie de samenwerking en dialoog met de adviesraden, vissers en beroepsbeoefenaars in de kustgemeenschappen te verbeteren en te versterken, met passende inachtneming van hun standpunten en met erkenning van de belangrijke rol van vissers, vrouwelijke werknemers in de sector, relevante beroepsorganisaties en maatschappelijke organisaties bij het opstellen van de toe te passen regels en bij de besluitvormingsprocessen;

53.

dringt er bij de lidstaten op aan te voorzien in de mogelijkheid om op lokaal niveau modellen voor gezamenlijk visserijbeheer in te voeren die gebaseerd zijn op participatie, raadpleging en gezamenlijke besluitvorming tussen alle belanghebbenden; merkt op dat dergelijke beheersplannen een alomvattend toezicht op de vangsten vereisen om een duurzame exploitatie van de bestanden te garanderen, alsook om een redelijk evenwicht te waarborgen met betrekking tot de sociaal-economische omstandigheden in de visserijsector, teneinde verschillen tussen vlootsegmenten te compenseren;

54.

benadrukt dat modellen voor gezamenlijk visserijbeheer gebaseerd zijn op de instandhouding van ecosysteemdiensten en het behoud van de geëxploiteerde ecosystemen door ze te beschermen, hetgeen inhoudt dat in de visserij een ecosysteembenadering en adaptief beheer moeten worden toegepast, met de invoering van een permanent systeem voor informatie, analyse en actie dat in staat is continu bij te leren, voortdurend feedback te geven en flexibele besluitvorming mogelijk te maken;

55.

is ingenomen met de goedkeuring van het actieplan 2018 om een duurzame toekomst voor de kleinschalige visserij en het mariene milieu in de regio te waarborgen, alsook met de lancering van het platform “Friends of Small-Scale Fisheries” (Vrienden van de kleinschalige visserij);

56.

onderstreept dat gelijk welke beschermingsdoelstelling gebaseerd moet zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies;

Handhaving van de rechtsstaat

57.

veroordeelt de voortdurende inbreuken op het zeerecht in de Middellandse Zee, waaronder ontvoeringen, inbeslagnames van vaartuigen, illegale opsluiting, intimidatie, controles, pesterijen, aanvallen en oneerlijke processen tegen EU-vissers vanwege het feit dat zij hun werk uitoefenen, hetgeen een duidelijke schending is van internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

58.

verzoekt de Commissie de situatie in het Middellandse Zeegebied te analyseren en na te gaan of het mogelijk is enige vorm van actie op te zetten om Europese zeelieden en vaartuigen te beschermen;

59.

verzoekt de Commissie in dialoog te gaan met de Noord-Afrikaanse landen die het Unclos en het beleid en de besluiten van de GFCM niet naleven, om veiligheid en een gelijk speelveld voor alle EU-vissers te verzekeren;

60.

verzoekt de Commissie gezamenlijke inspanningen met de buurlanden aan te moedigen om naleving van in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer gesloten akkoorden te bevorderen en participatie in het goede beheer en het herstel van de visbestanden te faciliteren;

61.

verzoekt de Commissie om via haar agentschappen het toezicht op de territoriale wateren van de EU te intensiveren, teneinde vissersvaartuigen uit derde landen op te sporen die illegaal vissen in de territoriale wateren van de EU en in beschermde mariene gebieden, en de omstandigheden waarin EU-vissers werken veiliger te maken; onderstreept dat het met het oog hierop essentieel is die agentschappen te voorzien van passende financiering en personele middelen;

62.

verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid om een intensivering van de inspanningen van de Unie om in het zuidelijke deel van de Middellandse Zee het internationaal recht, de veiligheid en de rechtsstaat te handhaven;

o

o o

63.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

(2)  PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11.

(3)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(4)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(5)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(6)  PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.

(7)  PB L 25 van 31.1.2017, blz. 12.

(8)  PB L 157 van 20.6.2017, blz. 1.

(9)  PB L 315 van 30.11.2017, blz. 1.

(10)  PB L 172 van 26.6.2019, blz. 1.

(11)  PB L 164 van 20.6.2019, blz. 1.

(12)  PB L 130 van 24.4.2020, blz. 11.

(13)  PB C 316 van 6.8.2021, blz. 28.

(14)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0017.

(15)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/65


P9_TA(2021)0409

Werkzame stoffen, waaronder chloortoluron en difenoconazool

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 van de Commissie van 3 september 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stoffen 2-fenylfenol (met inbegrip van de zouten daarvan zoals het natriumzout), 8-hydroxyquinoline, amidosulfuron, bifenox, chloormequat, chloortoluron, clofentezine, clomazon, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflufenican, dimethachloor, etofenprox, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, paraffineoliën, paraffineolie, penconazool, picloram, propaquizafop, prosulfocarb, quizalofop-P-ethyl, quizalofop-P-tefuryl, zwavel, tetraconazool, triallaat, triflusulfuron en tritosulfuron (2021/2869(RSP))

(2022/C 132/06)

Het Europees Parlement,

gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 van de Commissie van 3 september 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stoffen 2-fenylfenol (met inbegrip van de zouten daarvan zoals het natriumzout), 8-hydroxyquinoline, amidosulfuron, bifenox, chloormequat, chloortoluron, clofentezine, clomazon, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflufenican, dimethachloor, etofenprox, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, paraffineoliën, paraffineolie, penconazool, picloram, propaquizafop, prosulfocarb, quizalofop-P-ethyl, quizalofop-P-tefuryl, zwavel, tetraconazool, triallaat, triflusulfuron en tritosulfuron (1),

gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (2), en met name artikel 17, eerste alinea, en artikel 21,

gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen (3),

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (4),

gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen (5),

gezien zijn resoluties van 10 oktober 2019 en 26 november 2020 waarin bezwaar wordt aangetekend tegen de eerdere verlengingen van de goedkeuringsperiode van de werkzame stof chloortoluron (6),

gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.

overwegende dat chloortoluron op 1 maart 2006 middels Richtlijn 2005/53/EG (7) van de Commissie in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG (8) van de Raad is opgenomen, en geacht wordt te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009;

B.

overwegende dat sinds 2013 een procedure loopt voor het verlengen van de goedkeuring voor chloortoluron onder Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 (9) van de Commissie;

C.

overwegende dat de goedkeuringsperiode voor de werkzame stof chloortoluron reeds met een jaar is verlengd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 533/2013 (10) van de Commissie, vervolgens sinds 2017 elk jaar met een jaar is verlengd bij de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2017/1511 (11), (EU) 2018/1262 (12), (EU) 2019/1589 (13) en (EU) 2020/1511 (14) van de Commissie, en nu bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 opnieuw met een jaar is verlengd tot 31 oktober 2022;

D.

overwegende dat de Commissie heeft nagelaten de redenen voor de verlenging uit te leggen en alleen het volgende stelt: “Aangezien de beoordeling van die stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen”;

E.

overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen, en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de landbouw in de Unie te vrijwaren; overwegende dat de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen bijzondere aandacht verdient;

F.

overwegende dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, en overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt gespecificeerd dat gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend stoffen mogen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu hebben;

G.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat met het oog op de veiligheid de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen in de tijd beperkt moet zijn; overwegende dat de goedkeuringsperiode in verhouding moet staan tot de mogelijke risico’s die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn, maar dat deze evenredigheid hier duidelijk ontbreekt;

H.

overwegende dat chloortoluron in de 15 jaar sinds de goedkeuring ervan als werkzame stof als een waarschijnlijke hormoonontregelaar is geïdentificeerd, maar dat de goedkeuring ervan gedurende die periode niet is herzien of ingetrokken;

I.

overwegende dat de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid en de verantwoordelijkheid hebben om te handelen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel wanneer de mogelijkheid van schadelijke effecten voor de gezondheid geïdentificeerd zijn maar er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat, in concreto door voorlopige risicobeheermaatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen;

J.

overwegende, meer in het bijzonder, dat in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is bepaald dat de Commissie de goedkeuring van een werkzame stof te allen tijde opnieuw kan bekijken, met name wanneer zij in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis meent dat er aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de in artikel 4 van die verordening bepaalde goedkeuringscriteria, en overwegende dat deze herziening kan leiden tot intrekking of wijziging van de goedkeuring voor die stof;

Hormoonontregelende eigenschappen

K.

overwegende dat, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (15), chloortoluron een geharmoniseerde indeling heeft als zeer giftig voor in het water levende organismen, zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen, verdacht van het veroorzaken van kanker (Kank. 2) en verdacht van het schaden van het ongeboren kind (Voortpl. 2);

L.

overwegende dat chloortoluron in wetenschappelijke publicaties in verband is gebracht met hormoonontregelende eigenschappen (16);

M.

overwegende dat chloortoluron in 2015 is opgenomen op de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 omdat de stof geacht werd een hormoonontregelende werking te hebben met mogelijkerwijs negatieve effecten op de mens en omdat hij voldeed aan de criteria om als een persistente toxische stof te worden beschouwd;

N.

overwegende dat in punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts kan worden goedgekeurd wanneer hij niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of die synergist in een gewasbeschermingsmiddel in realistische voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het middel wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij residuen van de werkzame stof, de beschermstof of de synergist in kwestie in levensmiddelen en diervoeders de overeenkomstig artikel 18, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (17) vastgestelde standaardwaarde niet overschrijden;

O.

overwegende dat het onacceptabel is dat een stof die waarschijnlijk voldoet aan de uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, toegestaan blijft voor gebruik in de Unie, met alle risico’s van dien voor de volksgezondheid en het milieu;

P.

overwegende dat aanvragers het in de werkmethoden van de Commissie ingebouwde automatisme van onmiddellijke verlenging van de goedkeuringsperioden van werkzame stoffen in gevallen waarin de herziening van de risico’s nog niet afgerond is “gebruiken” door het herzieningsproces opzettelijk te vertragen middels het indienen van onvolledige gegevens en van verzoeken om meer afwijkingen en speciale voorwaarden, hetgeen onaanvaardbare risico’s voor het milieu en de menselijke gezondheid oplevert, aangezien de blootstelling aan de gevaarlijke stof gedurende die periode doorgaat;

Q.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 13 september 2018 de Commissie en de lidstaten verzoekt “ervoor te zorgen dat de procedurele verlenging van de goedkeuringsperiode voor de duur van de procedure, overeenkomstig artikel 17 van de verordening, niet zal worden gebruikt voor werkzame stoffen die kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting zijn en dus zijn opgenomen in categorie 1A of 1B, of werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier, zoals momenteel het geval is voor stoffen als flumioxazine, thiacloprid, chloortoluron en dimoxystrobin”;

R.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 10 oktober 2019 en 26 november 2020 reeds bezwaar heeft aangetekend tegen de vorige verlengingen van de goedkeuringsperiode van chloortoluron;

S.

overwegende dat de Commissie in haar antwoorden (18) op de eerdere bezwaren tegen de verlengingen van de goedkeuringsperiode van chloortoluron slechts verwijst naar de studie die ten grondslag ligt aan de effectbeoordeling die vóór de aanneming van Verordening (EU) 2018/605 (19) is verricht, waarin chloortoluron niet is aangemerkt als potentiële hormoonontregelende stof, maar dat zij verzuimt te erkennen dat die studie niet heeft geleid tot de verwijdering van chloortoluron van de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen;

T.

overwegende dat de Commissie na de aanneming van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 (20) van de Commissie en Verordening (EU) 2018/605 de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) heeft belast met de ontwikkeling van geharmoniseerde richtsnoeren om ervoor te zorgen dat de door de Unie aangenomen criteria voor de identificatie van hormoonontregelaars consequent worden toegepast bij de beoordeling van biociden en pesticiden in de Unie; overwegende dat deze richtsnoeren, die nieuwe OESO-tests omvatten, in juni 2018 zijn gepubliceerd (21), maar niet zijn gebruikt voor de beoordeling van de hormoonontregelende eigenschappen van chloortoluron;

U.

overwegende dat chloortoluron bijgevolg niet naar behoren is beoordeeld om te kunnen concluderen dat de stof niet langer hoeft te worden beschouwd als hormoonverstorend;

V.

overwegende dat het ontwerpbeoordelingsverslag over de verlenging met betrekking tot chloortoluron nog niet is beoordeeld door EFSA;

W.

overwegende dat na de vorige verlenging in 2020 van een aantal werkzame stoffen, waaronder chloortoluron, uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1511, slechts 1 van de 27 stoffen waar de uitvoeringsverordening betrekking op heeft niet is verlengd, terwijl in het kader van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 wel 39 stoffen opnieuw zullen worden verlengd, waarvan vele voor de derde of vierde keer;

X.

overwegende dat difenoconazool, zowel op zichzelf gebruikt als in combinatie met verschillende azolen, zoals penconazool, vermoedelijk triazoolresistentie in de schimmelstam Aspergillus fumigatus kan veroorzaken (22);

Y.

overwegende dat resistentie tegen triazol bij Aspergillus fumigatus een steeds groter probleem voor de volksgezondheid vormt (23); overwegende dat verschillende studies (24) er sterk op wijzen dat landbouwazolen verantwoordelijk zijn voor het falen van medische behandeling bij azool-naïeve patiënten in een klinische omgeving;

Z.

overwegende dat bij één op de vier patiënten die wegens COVID-19-gerelateerde gezondheidsproblemen op de intensive care zijn opgenomen, besmetting met Aspergillus fumigatus is vastgesteld, waarvan bij 15 % een resistente variant van Aspergillus fumigatus is aangetroffen; overwegende dat deze patiënten bijna onbehandelbaar zijn en dat hun overlevingspercentage op slechts 20 % wordt geschat (25);

AA.

overwegende dat het vanuit gezondheidsoogpunt onaanvaardbaar is de geldigheidsduur van stoffen die resistentie tegen schimmelgeneesmiddelen veroorzaken, te verlengen;

1.

is van mening dat Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.

is van mening dat Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, aangezien ze niet in overeenstemming is met het voorzorgsbeginsel;

3.

Keurt de ernstige vertragingen bij het hergoedkeuringsproces en bij de identificatie van hormoonontregelende stoffen ten sterkste af;

4.

is van mening dat het besluit om de geldigheidsduur voor chloortoluron en difenoconazool opnieuw te verlengen, niet in overeenstemming is met de veiligheidscriteria als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en niet stoelt op bewijs dat deze stoffen veilig kunnen worden gebruikt, noch op een bewezen hoogdringende noodzaak voor het gebruik van deze stoffen voor de voedselproductie in de Unie;

5.

verzoekt de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1449 in te trekken en een nieuw ontwerp aan de commissie voor te leggen dat rekening houdt met het wetenschappelijk bewijs betreffende de schadelijke eigenschappen van alle stoffen in kwestie, in het bijzonder chloortoluron en difenoconazool;

6.

verzoekt de Commissie enkel ontwerpuitvoeringsverordeningen voor te leggen voor verlenging van de geldigheidsperioden voor stoffen waarvan de huidige wetenschappelijke stand van zaken wellicht niet zal leiden tot een voorstel van de Commissie houdende niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof in kwestie;

7.

verzoekt de Commissie de goedkeuringen voor stoffen waarvan bewezen is of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat ze niet aan de criteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldoen, in te trekken;

8.

verzoekt de lidstaten de goedkeuringen voor werkzame stoffen waarvoor zij de rapporterende lidstaat zijn naar behoren en tijdig te herzien, en ervoor te zorgen dat de huidige vertragingen zo snel mogelijk worden weggewerkt;

9.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 313 van 6.9.2021, blz. 20.

(2)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(3)  PB L 67 van 12.3.2015, blz. 18.

(4)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.

(6)  Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen amidosulfuron, beta-cyfluthrin, bifenox, chloortoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazole, diflubenzuron, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, picloram, prosulfocarb, pyriproxyfen, thiophanate-methyl, triflusulfuron en tritosulfuron (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 7); Resolutie van het Europees Parlement van 26 november 2020 over Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1511 van de Commissie van 16 oktober 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen amidosulfuron, bifenox, chloortoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, paraffineoliën, picloram, prosulfocarb, zwavel, triflusulfuron en tritosulfuron (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0325).

(7)  Richtlijn 2005/53/EG van de Commissie van 16 september 2005 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide en thiofanaat-methyl op te nemen als werkzame stof (PB L 241 van 17.9.2005, blz. 51).

(8)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 533/2013 van de Commissie van 10 juni 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 1-methylcyclopropeen, chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide, forchlorfenuron, indoxacarb, thiofanaat-methyl en tribenuron (PB L 159 van 11.6.2013, blz. 9).

(11)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1511 van de Commissie van 30 augustus 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 1-methylcyclopropeen, beta-cyfluthrin, chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dimethenamid-p, flufenacet, flurtamone, forchlorfenuron, fosthiazaat, indoxacarb, iprodion, MCPA, MCPB, silthiofam, thiofanaat-methyl en tribenuron (PB L 224 van 31.8.2017, blz. 115).

(12)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1262 van de Commissie van 20 september 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 1-methylcyclopropeen, beta-cyfluthrin, chloorthalonil, chloortoluron, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dimethenamid-p, diuron, fludioxonil, flufenacet, flurtamone, fosthiazaat, indoxacarb, MCPA, MCPB, prosulfocarb, thiofanaat-methyl en tribenuron (PB L 238 van 21.9.2018, blz. 62).

(13)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1589 van de Commissie van 26 september 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen amidosulfuron, bèta-cyfluthrin, bifenox, chloortoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflubenzuron, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, picloram, prosulfocarb, pyriproxyfen, thiofanaat-methyl, triflusulfuron en tritosulfuron (PB L 248 van 27.9.2019, blz. 24).

(14)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1511 van de Commissie van 16 oktober 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen amidosulfuron, bifenox, chloortoluron, clofentezine, clomazon, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, paraffineoliën, picloram, prosulfocarb, zwavel, triflusulfuron en tritosulfuron (PB L 344 van 19.10.2020, blz. 18).

(15)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(16)  Zie onder meer: Hong, M., Ping, Z., Jian, X., “Testicular toxicity and mechanisms of chlorotoluron compounds in the mouse”, Toxicology Mechanisms and Methods 2007; 17(8):483-8.

(17)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(18)  Follow-up van de Commissie van de niet-wetgevende resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen amidosulfuron, beta-cyfluthrin, bifenox, chloortoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazole, diflubenzuron, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, picloram, prosulfocarb, pyriproxyfen, thiophanate-methyl, triflusulfuron en tritosulfuron, SP(2019)669, https://oeil.secure.europarl.europa.eu/oeil/popups/ficheprocedure.do?reference=2019/2826(RSP)&l=en; Follow-up van de Commissie van de niet-wetgevende resolutie van het Europees Parlement over Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1511 van de Commissie van 16 oktober 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen amidosulfuron, bifenox, chloortoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazool, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, paraffineoliën, picloram, prosulfocarb, zwavel, triflusulfuron en tritosulfuron, SP(2021)129, https://oeil.secure.europarl.europa.eu/oeil/popups/ficheprocedure.do?reference=2020/2853(RSP)&l=en

(19)  Verordening (EU) 2018/605 van de Commissie van 19 april 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen (PB L 101 van 20.4.2018, blz. 33).

(20)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 van de Commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 301 van 17.11.2017, blz. 1).

(21)  EFSA and ECHA Guidance for the identification of endocrine disruptors in the context of Regulations (EU) No 528/2012 and (EC) No 1107/2009, EFSA Journal 2018, 16(6):5311, http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5311.

(22)  Verweij, P.E., Lucas, J.A., Arendrup, M.C., Bowyer, P., Brinkmann, A.J.F., Denning, D.W., Dyer, P.S., Fisher, M.C., Geenen, P.L., Gisi, U., Hermann, D., Hoogendijk, A., Kiers, E., Lagrou, K., Melchers, W.J.G., Rhodes, J., Rietveld, A.G., Schoustra, S.E., Stenzel, K., Zwaan, B.J., en Fraaije, B.A., “The one health problem of azole resistance in Aspergillus fumigatus: current insights and future research agenda”, Fungal Biology Reviews, deel 34, nr. 4, 2020, blz. 202-214, https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1749461320300415

(23)  https://www.researchgate.net/publication/349087541_Prevalence_of_Azole-Resistant_Aspergillus_fumigatus_is_Highly_Associated_with_Azole_Fungicide_Residues_in_the_Fields

(24)  Cao, D., Wang, F., Yu, S., Dong, S., Wu, R., Cui, N., Ren, J., Xu, T., Wang, S., Wang, M., Fang, H., en Yu, Y., “Prevalence of Azole-Resistant Aspergillus fumigatus is Highly Associated with Azole Fungicide Residues in the Fields”, Environmental Science & Technology, 2021, 55(5), 3041-3049, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5461301/

(25)  https://huisarts.bsl.nl/levensbedreigende-schimmel-ontdekt-bij-kwart-coronapatienten-op-ic/


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/70


P9_TA(2021)0410

De toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de VS

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2021 over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de VS (2021/2038(INI))

(2022/C 132/07)

Het Europees Parlement,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 2 december 2020 over een nieuwe EU/VS-agenda voor wereldwijde verandering (JOIN(2020)0022),

gezien de gezamenlijke verklaring van de trans-Atlantische wetgeversdialoog van 24 augustus 2020 over de betrekkingen tussen de EU en de VS,

gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2020 over de betrekkingen tussen de EU en de VS,

gezien de verklaring van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Anthony Blinken, van 19 januari 2021 ten overstaan van de Commissie buitenlandse betrekkingen van de Amerikaanse senaat,

gezien de verklaring van de leden van de Europese Raad van 26 februari 2021 over veiligheid en defensie,

gezien de gezamenlijke persverklaring van voorzitter Von der Leyen en Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Blinken van 24 maart 2021,

gezien de gezamenlijke verklaring van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 24 maart 2021,

gezien de persverklaring van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken van 26 april 2021, “US Commitment to the Western Balkans”,

gezien de conclusies van de Raad van 14 november 2016 over de algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa”,

gezien de gezamenlijke verklaring over de samenwerking tussen de EU en de NAVO, die op 8 juli 2016 in Warschau werd ondertekend door de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie en de secretaris-generaal van de NAVO,

gezien de gedachtewisseling met de secretaris-generaal van de NAVO tijdens de gezamenlijke vergadering van de Commissie buitenlandse zaken, de Subcommissie veiligheid en defensie, en de Delegatie voor de betrekkingen met de Parlementaire Vergadering van de NAVO op 15 maart 2021,

gezien de deelname van de VV/HV aan de bijeenkomst van de ministers van Defensie van de NAVO op 17 en 18 februari 2021, en aan de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO van 23 en 24 maart 2021,

gezien het communiqué, afgegeven door de staatshoofden en regeringsleiders die deelnamen aan de vergadering van de Noord-Atlantische Raad van 14 juni 2021 in Brussel,

gezien de verklaring van de EU-VS-top, “Towards a renewed Transatlantic partnership”, gedaan te 15 juni 2021,

gezien zijn resolutie van 13 juni 2018 over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO (1),

gezien zijn eerdere resoluties over de trans-Atlantische betrekkingen, met name die van 26 maart 2009 over de stand van de trans-Atlantische betrekkingen in de nasleep van de VS-verkiezingen (2), die van 13 juni 2013 over de rol van de EU bij de bevordering van een breder trans-Atlantisch partnerschap (3) en die van 12 september 2018 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en de VS (4),

gezien zijn resolutie van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — jaarverslag 2020 (5),

gezien zijn resolutie van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid — jaarverslag 2020 (6),

gezien zijn resolutie van 20 mei 2021 over de uitspraak van het HvJ-EU van 16 juli 2020 — Data Protection Commissioner/Facebook Ireland Limited, Maximillian Schrems (“Schrems II”) — Zaak C-311/18 (7),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie internationale handel,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0250/2021),

A.

overwegende dat het trans-Atlantische partnerschap zich al 75 jaar richt op vrijheid, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, handel en economische samenwerking en veiligheid; overwegende dat de VS nog altijd de dichtste en belangrijkste strategische partner van de EU is; overwegende dat dit partnerschap berust op sterke politieke, culturele, economische en historische betrekkingen, en op gedeelde waarden zoals vrijheid, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, en dat dit partnerschap brede mogelijkheden biedt voor dialoog, samenwerking en resultaten met betrekking tot kwesties, doelstellingen en prioriteiten van gemeenschappelijk belang op alle beleidsterreinen;

B.

overwegende dat de EU en de VS gemeenschappelijke waarden en een fundamenteel gemeenschappelijk belang hebben bij het vormgeven van een op regels gebaseerd internationaal klimaat waarin multilateralisme en democratische waarden worden versterkt, de mensenrechten worden verdedigd, het internationaal recht wordt geëerbiedigd, een op regels gebaseerde internationale orde wordt bevorderd, en vreedzame conflictoplossing en duurzame ontwikkeling overal ter wereld in gelijke mate worden bevorderd;

C.

overwegende dat de verkiezing van Joe Biden tot president en Kamala Harris tot vicepresident van de Verenigde Staten nieuwe mogelijkheden met zich mee heeft gebracht om dit essentiële trans-Atlantische partnerschap voort te zetten en nieuw leven in te blazen, om het werk te hervatten en te innoveren op alle niveaus van deze reeds lang bestaande samenwerking, en om een betere samenwerking te realiseren inzake multilaterale aangelegenheden, zoals de klimaatverandering, de digitale en groene transitie, democratie en internationale veiligheid; overwegende dat zowel de EU als de VS deze nieuwe mogelijkheid moeten aangrijpen om een nauwe dialoog en samenwerking aan te gaan teneinde hun verplichtingen ten aanzien van de internationale organisaties waar zij beide deel van uitmaken, na te komen en te zorgen voor een betere coördinatie en lastenverdeling ten aanzien van een breed spectrum van geopolitieke kwesties; overwegende dat samenwerking met de Verenigde Staten een permanente doelstelling van de EU is, ongeacht de regering die aan het bewind is;

D.

overwegende dat de regering-Biden heeft verklaard voornemens te zijn de banden met de EU en andere democratische bondgenoten nauwer aan te halen; overwegende dat het eerste overzeese bezoek van president Biden aan Europa was, waarbij hij op 14 en 15 juni 2021 deelnam aan de NAVO-top en de EU-VS-top in Brussel; overwegende dat dit blijk geeft van het grote engagement van de VS voor het versterken van hun betrekkingen met de Europese Unie en haar lidstaten en voor de toekomst van gemeenschappelijke veiligheid en defensie binnen de Noord-Atlantische Alliantie en met de Europese Unie; overwegende dat president Biden heeft voorgesteld een top voor democratie te organiseren waar samen met de EU en andere democratieën afspraken moeten worden gemaakt over enerzijds het versterken van onze democratieën en de bevordering van nauwere samenwerking tussen democratische staten, en anderzijds de bestrijding van autoritarisme en mensenrechtenschendingen overal ter wereld;

E.

overwegende dat er een voortdurende, constructieve en evenwichtige dialoog op basis van gemeenschappelijke doelstellingen nodig is om een sterke en ambitieuze trans-Atlantische agenda te realiseren, om door middel van een betere coördinatie kwesties aan te pakken op gebieden waarop sprake is van trans-Atlantische verschillen, zoals de betrekkingen met China en Rusland, defensieverplichtingen en -capaciteiten, conflicten in het Midden-Oosten en andere veiligheids- en stabiliteitskwesties, en om waar mogelijk een gemeenschappelijke aanpak overeen te komen; overwegende dat duidelijk is dat de trans-Atlantische alliantie niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd, maar een nieuwe impuls moet krijgen en voortdurend moet worden versterkt;

F.

overwegende dat de EU bij haar inspanningen voor en verdieping van trans-Atlantische samenwerking moet streven naar een gedeeld leiderschap met de VS, gericht op het behartigen van gemeenschappelijke belangen; overwegende dat de EU tevens haar strategische autonomie op het gebied van defensie en economische betrekkingen moet bevorderen om haar eigen legitieme belangen op het gebied van diplomatie, veiligheid en economie na te streven en tegelijk de trans-Atlantische banden aan te halen, en om de gemeenschappelijke invloed van de EU en de VS op het wereldtoneel te vergroten, maar ook om haar vermogen te vergroten een grotere verantwoordelijkheid op te nemen in de aanpak van belangrijke mondiale en regionale uitdagingen en waar nodig op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie autonoom besluiten te nemen en op te treden;

G.

overwegende dat de EU en de VS de voornaamste bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen en de meest geïntegreerde economische betrekkingen ter wereld hebben;

H.

overwegende dat zowel de EU als de VS voor een aantal nieuwe, gemeenschappelijke uitdagingen staan, zoals de kwaadaardige invloed van autoritaire regimes, die de multilaterale instellingen ondermijnen, de sociaaleconomische gevolgen van de pandemie, de bevordering van de mondiale volksgezondheid, de klimaatverandering en noodzaak van vooruitgang op het vlak van mitigatiemaatregelen, het bieden van tegenwicht tegen een wereldwijde golf van autoritaire regimes, de bestrijding van internationale criminele netwerken en terrorisme, het verwezenlijken van gendergelijkheid en anti-discriminatie, het aanpakken van de steeds grotere kloof tussen stedelijke gebieden en het platteland, het realiseren van de digitale en groene transitie als een instrument voor duurzame modernisering, de opkomst van technologieën zoals kunstmatige intelligentie en cyberbeveiliging, belastingontwijking, en algemenere uitdagingen als gevolg van de digitalisering van de economie;

I.

overwegende dat een nieuw elan in de trans-Atlantische betrekkingen een gunstige politieke context zou creëren om de gemeenschappelijke uitdagingen op constructieve wijze aan te gaan en de kwesties waarover onze standpunten verschillen aan te pakken;

J.

overwegende dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in december 2020 een nieuwe EU-strategie inzake cyberbeveiliging hebben gepresenteerd, met als doel “het EU-leiderschap op het vlak van internationale normen en standaarden in cyberspace te versterken en intensiever samen te werken met partners over de hele wereld aan een mondiale, open, stabiele en veilige cyberspace die gebaseerd is op de rechtsstaat, de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de democratische waarden.” (8);

K.

overwegende dat de twee partijen in de Verenigde Staten hun krachtige steun hebben uitgesproken voor samenwerking met democratische bondgenoten om de weerbaarheid van de trans-Atlantische gemeenschap tegen hybride dreigingen van autoritaire regimes te verbeteren;

L.

overwegende dat de op regels gebaseerde internationale orde en de democratische waarden onder druk staan door de opkomst van assertieve autoritaire regimes en de neergang van democratie in derde landen, alsook door de toename in de EU en de VS van antidemocratische populistische en extreemrechtse bewegingen;

M.

overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU kan resulteren in een verdere versnippering van het strategische landschap, niet alleen wat de betrekkingen tussen de EU en de VS betreft, maar ook in de VN-Veiligheidsraad, de G7, de G20 en andere internationale gremia;

N.

overwegende dat Latijns-Amerika veel belangrijke waarden en belangen deelt met de EU en de VS, en dat er sprake is van historische banden en economische en menselijke relaties tussen deze drie regio’s;

1.

is ingenomen met de goedkeuring van het nieuwe voorstel van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van december 2020 voor een nieuwe EU/VS-agenda voor wereldwijde verandering, die als blauwdruk moet dienen voor een hernieuwd en versterkt trans-Atlantisch partnerschap;

2.

bevestigt eens te meer zijn steun voor nauwe trans-Atlantische samenwerking, partnerschap en vriendschap tussen de EU en de VS, concepten die de afgelopen 70 jaar bijgedragen hebben aan de ontwikkeling, welvaart en succesvolle integratie van Europa en sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog de basis vormen voor de Europese stabiliteit en veiligheid; onderstreept dat de betrekkingen van de EU met de VS op gemeenschappelijke waarden stoelen; herinnert eraan dat het politieke systeem van zowel de VS als de EU gegrondvest is op de democratische beginselen, de rechtsstaat en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden; is ervan overtuigd dat trans-Atlantische samenwerking de beste manier is om bij te dragen aan een vreedzame, duurzame en constructieve oplossing voor de bestaande mondiale en regionale uitdagingen, onder meer door de nadruk te leggen op een duurzaam en milieuvriendelijk economisch herstel, met inbegrip van koolstofneutraliteit tegen 2050, en op de bestrijding van ongelijkheid op regionaal, sociaal, raciaal en gendergebied; dringt erop aan dat het hernieuwde trans-Atlantische partnerschap moet stoelen op het concept van gelijkwaardige partners; beklemtoont tegelijkertijd dat strategische autonomie van de EU alleen kan worden verwezenlijkt indien de Unie de tenuitvoerlegging van de prioriteiten en beginselen van haar beleid inzake buitenlandse zaken en defensie en haar vermogen om waar nodig autonoom op te treden om haar eigen legitieme belangen na te streven, kwalitatief verbetert, onder meer door ambitieuze inspanningen te leveren voor een partnerschap en samenwerking met haar trouwste bondgenoten, zoals de Verenigde Staten;

3.

verzoekt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) nogmaals te wijzen op het blijvende belang van de strategische trans-Atlantische betrekkingen voor het herstel en de heropleving van de multilaterale, op regels gebaseerde internationale orde, waarin het VN-systeem en het internationaal recht centraal staan, net als de wereldwijde bevordering van de democratie, democratische waarden en mensenrechten, en op het belang ervan voor de aanpak van de kwaadwillige invloed en desinformatie van autoritaire regimes, voor het vaststellen van de regels voor de digitale en technologische toekomst in overeenstemming met gemeenschappelijke waarden, voor duurzame economische ontwikkeling en inclusieve economische groei en wereldwijde werkgelegenheid, alsook voor een gecoördineerd standpunt ten opzichte van Rusland en China en een gemeenschappelijk aanbod om te investeren in mondiale infrastructuurinitiatieven in overeenstemming met de connectiviteitsstrategie van de EU; onderstreept het belang van de connectiviteitsstrategie van de EU en dringt aan op nauwere samenwerking tussen de EU en de VS op het kerngebied van de connectiviteit; steunt de trans-Atlantische inspanningen om energieafhankelijkheid te voorkomen door het bevorderen van energiediversificatie en, in ruimere zin, door het tot stand brengen van meer verbindingen via alle mogelijke mechanismen, zoals ook blijkt uit het communiqué van de G7 “Our shared agenda for global action to build back better”;

4.

neemt ook kennis van en steunt de nieuwe trans-Atlantische vastberadenheid om de democratie wereldwijd te ondersteunen door met name de verdediging van de mediavrijheid, steun aan het maatschappelijk middenveld en de bescherming van journalisten; is ingenomen met de onmiskenbare toewijding van de VS voor wat het versterken van en verder uitbreiden van het toepassingsgebied van de trans-Atlantische betrekkingen betreft, die blijkt uit het besluit van de Amerikaanse president om tijdens zijn eerste overzeese reis naar Europa te reizen en in juni 2021 aan de top tussen de EU en de VS deel te nemen; steunt de operationele conclusies van de top zoals uiteengezet in de verklaring van de EU-VS-top “Towards a Renewed Transatlantic Partnership” van 15 juni 2021, die getuigen van een sterk voornemen van beide partijen om synergieën te creëren en de trans-Atlantische dialoog en samenwerking te verdiepen; wijst met name op de trans-Atlantische vastberadenheid om te voorzien in humanitaire noden, op te komen voor het internationaal humanitair recht, en meer middelen vrij te maken voor humanitaire actie; neemt kennis van en steunt het voornemen om de trans-Atlantische samenwerking inzake de toepassing van sancties te versterken met het oog op gemeenschappelijke doelen op het gebied van buitenlands beleid en veiligheid;

5.

pleit voor een nieuwe trans-Atlantische agenda die gemeenschappelijke belangen dient en als hefboom fungeert voor collectieve kracht, en die multilaterale samenwerking stimuleert met het oog op een rechtvaardigere en gezondere wereld, de strijd tegen de klimaatverandering en de vreedzame en duurzame oplossing van conflicten, met inbegrip van regionale conflicten, op basis van de beginselen van het internationaal recht, wapenbeheersing, de non-proliferatie van kernwapens en ontwapening; beklemtoont dat in deze agenda in de eerste plaats onze gemeenschappelijke strategische doelstellingen aan bod moeten komen, zoals het verbeteren van onze toeleveringsketen voor geneesmiddelen en de hervorming van de Wereldgezondheidsorganisatie, het waarborgen van adequate toegang tot vaccins voor kwetsbare landen, het verminderen van onze afhankelijkheid van externe energiereserves, het aanmoedigen van investeringen in geavanceerde technologieën, de bestrijding van ongelijkheid, het stimuleren van de ecologische transformatie, en het onderling samenwerken en het samenwerken met betrokken derde landen, met een bijzondere nadruk op de veiligheid en stabiliteit van de oostelijke en zuidelijke nabuurschapslanden van de EU, de Westelijke Balkan en het Afrikaanse continent;

6.

onderstreept dat er een nauwere samenwerking op wetgevingsgebied en sterkere structuren hiervoor nodig zijn, evenals een inclusieve trans-Atlantische dialoog die stoelt op de wetgevende takken van zowel de EU als de VS, zoals een trans-Atlantische vergadering van wetgevers; geeft aan dat een vergroting van het bewustzijn rond structuren zoals de trans-Atlantische wetgeversdialoog en regelmatiger ontmoetingen met en bezoeken van de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement aan hun Amerikaanse tegenhangers, bijvoorbeeld in het kader van geregelde jaarlijkse bezoeken van de commissies in kwestie, ervoor kunnen zorgen dat het vertrouwen in en de duurzaamheid en doeltreffendheid van de trans-Atlantische samenwerking wordt hersteld; spoort het Amerikaanse Congres ertoe aan de trans-Atlantische wetgeversdialoog te versterken door deze te erkennen als een formeel orgaan met permanent lidmaatschap dat zich toespitst op de bevordering van de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie, en als de natuurlijke tegenhanger van de interparlementaire delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met het Amerikaanse Congres; verheugt zich over de herinvoering van het EU-gremium in het Amerikaanse Congres en onderstreept het belang van nauwe samenwerking en betrokkenheid bij de activiteiten van de trans-Atlantische wetgeversdialoog; herbevestigt het belang van de stuurgroep van de trans-Atlantische wetgeversdialoog voor het coördineren van alle activiteiten op het gebied van de trans-Atlantische samenwerking inzake wetgevingsinspanningen in het Europees Parlement, teneinde het parlementaire toezicht te versterken;

7.

verwelkomt de rijke trans-Atlantische dialoog op het niveau van het maatschappelijk middenveld en verzoekt de EU en de VS deze dialoog verder te benutten en alle sociale en economische belanghebbenden te betrekken bij het debat over de toekomst van de trans-Atlantische betrekkingen; is van mening dat hiertoe een geregelde trans-Atlantische dialoog tussen maatschappelijke organisaties in het leven kan worden geroepen; benadrukt dat contacten tussen de burgers aan beide zijden van de Atlantische Oceaan bijdragen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden, vertrouwen en wederzijds begrip tussen de trans-Atlantische partners; dringt daarom aan op bijkomende steun voor de bevordering en facilitering van mobiliteits- en uitwisselingsprogramma’s zoals Erasmus+, en op stagemogelijkheden over en weer tussen het Congres en het Europees Parlement; onderstreept het belang van het stimuleren van persoonlijke contacten op het gebied van wetenschap, onderzoek en onderwijs;

8.

pleit voor intensievere interparlementaire samenwerking tussen de leden van het Europees Parlement, de leden van het Amerikaanse Congres, de leden van de nationale parlementen van de EU-lidstaten en de leden van de verschillende wetgevende organen van de 50 federale staten van de VS op verschillende thematische gebieden om de uitwisseling van beste praktijken mogelijk te maken, waaronder subnationale dialogen zoals “Under2 Coalition”, en om de coördinatie te verbeteren met betrekking tot mondiale alsook gemeenschappelijke, binnenlandse uitdagingen, waaronder de aanpak van economische en sociale ongelijkheid, de bescherming van de mensenrechten en democratische normen in het licht van de toenemende bedreigingen voor de democratie van binnenuit en van buitenaf, de verdediging van het internationaal recht en de vrijwaring van juridisch bindende overeenkomsten, de bevordering van gemeenschappelijke strategische belangen, universele gezondheidszorg, de afstemming van wetgeving inzake alle vormen van mensgerichte kunstmatige intelligentie, steun voor samenwerking tussen Amerikaanse en Europese bedrijven, innoverende en andere geavanceerde technologie zoals 5G en 6G en biotechnologie, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, de belasting van technologiebedrijven, de verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht van onlineplatforms onder meer door het nodige overzicht te verstrekken om te controleren of het beleid van de onlineplatforms in overeenstemming is met de democratische kernwaarden, de strijd tegen de klimaatverandering, ook als een bedreiging voor de veiligheid, de doelstelling van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit, de bescherming van een vrij en onafhankelijk medialandschap en het voorkomen van buitenlandse inmenging in onze democratische verkiezingen; herhaalt het belang van samenwerking tussen de EU en de VS op ruimtevaartgebied en de EU-VS-ruimtedialoog; verwelkomt de aangekondigde toezegging om de trans-Atlantische samenwerking inzake ruimtevaart te versterken door voort te bouwen op de Galileo-GPS-overeenkomst; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en de VS op dit gebied kan bijdragen aan de bevordering binnen de internationale gemeenschap van normen en beste praktijken voor veiligheid in de kosmische ruimte;

9.

dringt bij de EU en de VS aan op samenwerking betreffende mondiale belastingkwesties, voortbouwend op de werkzaamheden van de OESO, zoals een hervorming van het internationale vennootschapsbelastingstelsel teneinde marktdeelnemers de mogelijkheid te ontnemen gebruik te maken van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) om vennootschapsbelasting te ontduiken; steunt in dit verband de werkzaamheden van het inclusief kader inzake BEPS van de OESO/G20; onderstreept dat hervormingsinspanningen ook de afschaffing van belastingparadijzen moeten omvatten; benadrukt dat dergelijke maatregelen kunnen dienen om de economische ongelijkheden te verminderen; bevestigt het engagement van de EU voor eerlijke belastingheffing in de digitale economie, zoals gevraagd in de nieuwe EU/VS-agenda voor wereldwijde verandering;

10.

benadrukt het belang van visumwederkerigheid tussen de EU en de VS en spoort beide partijen ertoe aan middels actieve diplomatieke contacten tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen om een visumvrije regeling voor alle EU-lidstaten tot stand te brengen; is verheugd over de opname van Polen in het Amerikaanse programma voor visumvrijstelling en de bevestiging dat ook Kroatië aan alle vereisten voldoet om in het programma te worden opgenomen; verzoekt de VS vaart te zetten achter het proces voor de opname van Bulgarije, Cyprus en Roemenië in het programma voor visumvrijstelling;

Herstel van het multilateralisme

11.

juicht het hernieuwde engagement van de VS voor het op regels gebaseerde multilateralisme en de bondgenootschappen met hun partners toe en beklemtoont dat dit een belangrijke gelegenheid biedt om opnieuw met de VS samen te werken en de trans-Atlantische betrekkingen te herstellen, consolideren en verder uit te breiden op gebieden als multilateralisme en mensenrechten, en samen als gelijke partners de op regels gebaseerde wereldorde te versterken in de geest van onze gemeenschappelijke liberale democratische waarden; onderstreept het belang van nauwe samenwerking met de VS en andere gelijkgestemde landen op het gebied van de modernisering van multilaterale organisaties, teneinde hun werking af te stemmen op de beoogde doelen en de bevordering van mondiale vrede en veiligheid, de fundamentele rechten, de universele waarden en het internationaal recht te verbeteren; benadrukt ook dat het belangrijk is de landen op het zuidelijk halfrond hierbij te betrekken; onderstreept het belang van nauwe samenwerking en coördinatie binnen het systeem, de agentschappen, organisaties en missies van de VN, bijvoorbeeld wat betreft de invulling van hoge posten;

12.

herhaalt zijn toewijding aan internationale samenwerking in het kader van de VN als een onmisbaar forum voor multilaterale oplossingen voor mondiale uitdagingen en voor beleidscontacten, beleidsdialoog en consensusvorming binnen de internationale gemeenschap;

13.

verzoekt de EU en de VS meer gezamenlijke financiering ter beschikking te stellen voor geavanceerde projecten op basis van speerpunttechnologieën, meer gezamenlijk te investeren in onderzoek en ontwikkeling, meer uitwisselingen van academici op het gebied van STEM mogelijk te maken, en samen meer ondersteuning te bieden aan technologiestart-ups en -kmo’s;

14.

juicht de beslissing van de regering-Biden toe om zich opnieuw bij de Overeenkomst van Parijs aan te sluiten en een speciale presidentiële klimaatafgezant te benoemen, namelijk John Kerry; is ingenomen met de aangekondigde oprichting van een EU-VS-klimaatactiegroep op hoog niveau; verzoekt de EU en de VS met klem concrete voorstellen te presenteren voor de aanpak van de klimaatverandering en vergroening van de handel en voor de bevordering van de uitrol van groene technologie, waaronder waterstof, duurzame financiering en biodiversiteit;

15.

benadrukt het belang van mondiale samenwerking voor de transnationale uitdagingen bij het stimuleren van onderwijs, wetenschap, jongeren en culturele diversiteit en dialoog; verzoekt de VS opnieuw lid te worden van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco);

16.

verwelkomt het besluit van de VS om opnieuw lid te worden van de Wereldgezondheidsorganisatie; pleit op het gebied van gezondheidsdiplomatie voor trans-Atlantisch leiderschap, om de aanpak in de mondiale strijd tegen COVID-19 en mogelijke toekomstige gezondheidscrises te coördineren en de mondiale gezondheidsbeveiliging te verbeteren, in het bijzonder met het oog op de hervorming van de Wereldgezondheidsorganisatie en de gemeenschappelijke trans-Atlantische inspanningen voor een wereldwijde, rechtvaardige toegang tot en verdeling van de COVID-19-vaccins, -tests en -behandelingen, met name in lagere-inkomenslanden; dringt aan op een nauwere samenwerking om betere procedures tot stand te brengen ter voorbereiding op toekomstige pandemieën, onder meer met behulp van een coherente en consistente klinische en regelgevingsaanpak als aanvulling op mondiale toeleveringsketens, teneinde de flexibiliteit en veerkracht te waarborgen; dringt aan op een onpartijdig, onafhankelijk onderzoek naar de oorsprong en de verspreiding van de COVID-19-pandemie, alsook van de reactie van de Wereldgezondheidsorganisatie toen de pandemie net de kop op stak;

17.

onderstreept de noodzaak van meer diplomatie voor algemene vaccinatie, waarin de EU en de VS een leidende rol kunnen spelen, aangezien wereldwijde vaccinatie de enige manier is om een einde te maken aan de pandemie; is ingenomen met de financiële bijdragen van de EU en de VS aan de Covax-faciliteit en de bevordering van internationale samenwerking om de toegankelijkheid van vaccins wereldwijd te verbeteren, dankzij een gecoördineerde benadering van het voorstel om de regels voor de bescherming van intellectuele eigendom voor vaccins te versoepelen; dringt in deze context aan op een samenwerking tussen de trans-Atlantische partners, zodat waar nodig snel vaccins kunnen worden geproduceerd en geleverd; is voorstander van een uitwisseling van beste praktijken tussen de VS en de EU over vaccinatiecampagnes om in de toekomst beter voorbereid en weerbaarder te zijn;

18.

dringt aan op een gezamenlijk optreden van de VS en de EU in de Verenigde Naties, onder meer wat betreft de hervorming van de VN om de instelling doeltreffender te maken als multilaterale organisatie, transparanter te maken en haar geloofwaardigheid te vergroten; pleit voor gecoördineerde inspanningen om ambitieuze verbintenissen na te komen tijdens de VN-toppen van 2021 inzake klimaatverandering en biodiversiteit (COP26); verzoekt de EU en de VS een leidende rol te spelen in het kader van Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en in andere fora zoals de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en de Internationale Maritieme Organisatie; benadrukt in dit verband het cruciale belang van samenwerking op het gebied van schone energie en onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en koolstofarme technologieën en producten, alsook samenwerking op het vlak van andere dringende kwesties zoals non-proliferatie, conflictoplossing en de bestrijding van gewelddadige radicalisering en terrorisme; uit zijn bezorgdheid over het feit dat China zijn koolstofemissies de afgelopen drie decennia heeft verdrievoudigd en inmiddels 27 % van de wereldwijde broeikasgasemissies uitstoot, wat ertoe leidt dat de inspanningen van de EU en de VS om de uitstoot van broeikasgassen aan te pakken, niet veel uithalen zolang China geen duidelijke toezeggingen en inspanningen doet;

19.

dringt aan op de bescherming van het internationaal zeerecht, en herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de VS om het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee te ratificeren; verzoekt de VS zich bij de volgende Milieuvergadering van de VN samen met de EU sterk te maken voor de vaststelling van een internationaal verdrag tegen zwerfvuil en plasticvervuiling op zee; spoort de VS en de EU ertoe aan nauwer samen te werken bij de wereldwijde bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

20.

merkt op dat president Biden een nieuwe doelstelling voor het koolstofvrij maken van de economie heeft aangekondigd, met name een vermindering van de uitstoot tegen 2030 met 50 % tot 52 % ten opzichte van het niveau van 2005; merkt eveneens op dat president Biden een virtuele “Leaders’ Summit on Climate” heeft georganiseerd om inspanningen van de grote economieën op het gebied van klimaatactie aan te moedigen;

21.

erkent dat de luchtkwaliteit in de VS de afgelopen decennia aanzienlijk is verbeterd, voornamelijk dankzij de technologische vooruitgang en innovatie in de energiesector;

22.

is van oordeel dat de EU samen met de VS de centrale rol van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling opnieuw moet bekrachtigen als kader voor doeltreffende multilaterale samenwerking, waarbij waar mogelijk ook China moet worden betrokken, op voorwaarde dat China zich er daadwerkelijk toe verbindt de dialoog en samenwerking op niet-contradictoire wijze voort te zetten, met een agenda die bijdraagt aan de kernstructuren en -doelstellingen van de Agenda 2030;

23.

pleit voor een betere coördinatie van het gebruik van beperkende maatregelen, waaronder sancties voor de mensenrechten, en vraagt de Raad met klem om specifieke regels inzake corruptie op te nemen in de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten; spoort de EU en de VS ertoe aan om hun sanctiebeleid waar mogelijk en waar nodig te coördineren;

24.

is verheugd over de toezegging van de regering-Biden om opnieuw samen te werken met de VN-Mensenrechtenraad, waaruit blijkt dat de VS zich opnieuw wil opwerpen als wereldwijde voorvechter van de mensenrechten in de hoop dat dit de inspanningen voor de handhaving van de mensenrechten wereldwijd zal opvoeren en een autoritaire herdefiniëring van de mensenrechten als een staatsgericht begrip zal voorkomen; verzoekt de EU en de VS samen met gelijkgezinde bondgenoten aan een hervorming van de VN-Mensenrechtenraad te werken en met name duidelijke criteria voor het lidmaatschap van deze raad vast te stellen;

25.

dringt aan op een sterker engagement van de EU en de VS om wereldwijd de mensenrechten te bevorderen en beschermen, en om de strijd aan te binden met de opkomst van autoritaire en illiberale regimes; is voorstander van de oprichting van een alomvattend gemeenschappelijk EU-VS-instrumentarium voor de aanpak van mensenrechtenschendingen; dringt bij de EU-instellingen aan op een nauwe samenwerking met andere democratieën om de fundamentele mensenrechten en democratische waarden op internationaal niveau te verdedigen en te bevorderen door de banden met internationale organisaties zoals de Raad van Europa en de OVSE, sterker aan te halen; is van mening dat het Parlement en het Congres samen moeten optreden wanneer mensenrechtenverdedigers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld worden vervolgd en opgesloten zonder reden of om hun acties te dwarsbomen;

26.

is ingenomen met de opheffing van de Amerikaanse sancties tegen topfunctionarissen van het Internationaal Strafhof (ICC) door de regering-Biden; spoort de VS ertoe aan om toe te treden tot het Statuut van Rome tot oprichting van het ICC en constructief samen te werken met het ICC in het kader van zijn lopende onderzoeken en gerechtelijke procedures;

27.

herhaalt zijn oproep aan de VS om de doodstraf af te schaffen en het Amerikaanse strafrechtstelsel te hervormen;

28.

pleit voor dialoog en uitwisseling van beste praktijken tussen de EU en de VS over de bevordering van rassen- en gendergelijkheid; verzoekt de EU en de VS beslissende stappen te ondernemen om institutioneel racisme aan te pakken, dat blijkt uit de onevenredige uitoefening van politiegeweld tegenover etnische en raciale minderheden, en uit de hardnekkige ongelijkheden die legitieme, vreedzame protesten aanwakkeren;

29.

is van oordeel dat de EU en de VS samen vooruitgang kunnen boeken op het vlak van gelijkheid en de eerbiediging van de mensenrechten, en ervoor kunnen zorgen dat deze doelen voldoende aan bod komen en weerklank vinden in de besluitvorming van multilaterale fora; stelt daarom voor een permanent platform voor dialoog tussen de EU en de VS te overwegen, met als doel concrete maatregelen te nemen ter bestrijding van racisme, haatuitingen en discriminatie, waaronder discriminatie van lhbtiq-personen, en roept in dit verband op tot nauwere multilaterale samenwerking met internationale organisaties zoals de OVSE, de VN, de Afrikaanse Unie, de OAS en de Raad van Europa; dringt er bij de EU en de VS op aan samen een wereldwijde top tegen racisme te organiseren over de bestrijding van racisme en discriminatie in de wereld;

30.

toont zich diep bezorgd over de vaststelling door de Texaanse wetgevende macht van de “Texas Heartbeat Act”, een wet die de facto een verbod op abortus inhoudt, en beschouwt dit als een ernstige aanval op de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen; betreurt dat het Amerikaanse Hooggerechtshof bij niet-eenstemmig besluit heeft geweigerd uitspraak te doen over de vaststelling van deze ongekende wet;

31.

benadrukt dat er meer inspanningen nodig zijn voor de verbetering van gendergelijkheid en vrouwenrechten, maar ook op gebieden als gendergerelateerd geweld en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

32.

verzoekt de EU en de lidstaten hun samenwerking met de VS te intensiveren bij het wereldwijd bevorderen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; spoort de EU en de VS ertoe aan het cultureel en historisch erfgoed van Europa en Amerika aan beide zijden van de Atlantische Oceaan te beschermen en in stand te houden;

33.

spoort de regering-Biden ertoe aan de daad bij het woord te voegen en het detentiecentrum in Guantanamo onverwijld te sluiten; betreurt het feit dat dit detentiecentrum bijna 20 jaar na oprichting nog altijd 40 gevangenen telt, en merkt op dat voor vijf van hen al onder de regering-Obama een officieel besluit tot vrijlating is genomen; roept de EU en haar lidstaten ertoe op dit proces te steunen en te faciliteren;

34.

spoort de VS ertoe aan voor een groter deel van de bevolking billijke en open toegang tot essentiële diensten te waarborgen, zoals de stelsels voor volksgezondheid en sociale zekerheid; spoort de onlangs aangetreden regering-Biden ertoe aan concrete maatregelen te nemen om het wapenbezit onder Amerikaanse burgers te reguleren;

35.

benadrukt dat de trans-Atlantische gemeenschap wordt geconfronteerd met tal van ongekende gemeenschappelijke uitdagingen, gaande van de strijd tegen terrorisme tot hybride dreigingen, klimaatverandering, desinformatie, cyberaanvallen, opkomende en disruptieve technologieën, en een verschuiving van het mondiale machtsevenwicht, alsook de daaruit voortvloeiende druk op de op regels gebaseerde internationale orde;

Nauwere samenwerking op het gebied van internationale handel en investeringen

36.

onderstreept dat de EU gebruik moet maken van de huidige positieve tendens en samen met de VS moet werken aan de versterking van het multilaterale handelsstelsel en de hervorming van de Wereldhandelsorganisatie; verheugt zich over het resultaat van de EU-VS-top van 15 juni 2021, “Towards a Renewed Transatlantic Partnership”, en ziet hierin een teken van een hernieuwd en constructief engagement; is ingenomen met de overeenstemming over een samenwerkingskader voor grote burgerluchtvaartuigen; neemt er nota van dat in de verklaring van de EU-VS-top wordt erkend dat de door de VS toegepaste tarieven op invoerproducten uit de EU op grond van afdeling 232 hebben geleid tot spanningen in de trans-Atlantische betrekkingen, en verheugt zich over het feit dat de VS zich er in dezelfde verklaring uitdrukkelijk toe verbindt de bestaande geschillen over de overcapaciteit van de staal- en aluminiumproductie vóór het einde van het jaar op te lossen; is van oordeel dat de oprichting van verschillende platforms voor permanente discussie, zoals de Raad voor handel en technologie en de gemeenschappelijke dialoog tussen de EU en de VS over het mededingingsbeleid voor technologie, van essentieel belang is, aangezien deze de trans-Atlantische handel verder mogelijk maken, en verzoekt de Commissie om zo spoedig mogelijk aan EU-zijde een efficiënte en inclusieve structuur op te zetten voor de Raad voor handel en technologie; is verheugd over de oprichting van een gezamenlijke EU-VS-COVID-taskforce voor productie en toelevering;

37.

benadrukt dat de Handels- en Technologieraad deel uitmaakt van de positieve trans-Atlantische handelsagenda en als uiteindelijke doel heeft democratische waarden en ethiek te verankeren in nieuwe technologieën, teneinde uit te groeien tot een transparante institutionele structuur en een leidersrol te vervullen in de mondiale digitale transformatie; stelt in dit verband verheugd vast dat de constituerende vergadering volgens planning heeft plaatsgevonden, ondanks de spanningen die openlijk en rechtuit moeten worden besproken; wijst erop dat het mogelijk moet zijn een aantal snelle voordelen te behalen, hetgeen bevorderlijk zou zijn voor de bilaterale handel, en dringt er daarom bij beide partijen op aan zich te concentreren op concrete tastbare resultaten; is in dit verband ingenomen met de resultaten van de eerste vergadering van de Handels- en Technologieraad op 29 september in Pittsburgh, waar concrete thema’s voor elk van de tien werkgroepen werden vastgesteld; steunt onder meer de toezegging om samen te werken bij het voorkomen van nieuwe en onnodige belemmeringen voor de handel in nieuwe en opkomende technologieën, het screenen van investeringen en de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik, alsook de toezegging om de doeltreffendheid te verbeteren van beleid dat gericht is op het aanpakken van niet op de markt gebaseerde en handelsverstorende maatregelen en praktijken; is ingenomen met de vaststelling van specifieke thema’s zoals het aanpakken van de uitdagingen van niet-markteconomieën en samenwerking op het gebied van arbeidsrechten en handelsgerelateerd klimaatbeleid in de werkgroep over mondiale handelsuitdagingen; onderstreept het belang van samenwerking bij het vaststellen van internationale normen op het gebied van technologie; dringt aan op de oprichting van een subcomité voor handel en technologie binnen de trans-Atlantische wetgeversdialoog, ter aanvulling van de rol van de uitvoerende macht in de Handels- en Technologieraad en met het oog op de uitoefening van democratische controle op deze raad; benadrukt dat de Handels- en Technologieraad geen forum is voor onderhandelingen over een handelsovereenkomst tussen de EU en de VS, zonder vooruit te lopen op toekomstige initiatieven in die richting;

38.

onderstreept dat de Europese Unie en de Verenigde Staten de meest geïntegreerde economische betrekkingen ter wereld hebben, die tegelijk de grootste en diepste bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen zijn, met een handel in goederen en diensten die goed is voor meer dan 1 biljoen EUR per jaar; herinnert eraan dat de economieën van de EU en de VS samen goed zijn voor meer dan 40 % van het mondiale bbp en voor bijna een derde van de wereldhandelsstromen;

39.

benadrukt dat het belangrijk is om, als historische bondgenoten en handelspartners, onze trans-Atlantische handelsbetrekkingen nieuw leven in te blazen, zeker gezien de huidige COVID-19-crisis, teneinde multilateralisme te bevorderen en een open, op regels gebaseerd handelsstelsel te stimuleren en gemeenschappelijke oplossingen te vinden voor dringende mondiale uitdagingen, zoals de wereldgezondheid;

40.

neemt nota van de reeds gegeven aanwijzingen van Amerikaanse tegenhangers en van de verklaringen van handelsgezant van de VS Katherine Tai tijdens de hoorzitting over de handelsagenda voor 2021 van de regering-Biden;

41.

herhaalt in dit verband zijn steun voor de nieuwe handelsstrategie van de EU, die onder meer via de trans-Atlantische agenda van de Unie gericht is op het creëren van synergieën tussen doelstellingen voor binnenlands en buitenlands beleid in overeenstemming met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN;

42.

beschouwt het handelsbeleid als een strategisch geopolitiek instrument voor de trans-Atlantische agenda; benadrukt dat de VS een cruciale handelspartner is en is derhalve ingenomen met de positieve signalen van de regering-Biden over haar plannen om de bilaterale betrekkingen met de EU aan te halen, en dringt aan op een hernieuwde samenwerking die in de komende jaren blijvende en concrete resultaten moet opleveren, rekening houdend met het feit dat onze economische betrekkingen ook worden beïnvloed door veiligheidsbelangen in het kader van open strategische autonomie;

43.

wijst op de noodzaak om gemeenschappelijke acties op basis van gedeelde belangen en waarden in kaart te brengen, alsook op basis van gedeelde risico’s en bedreigingen, om bij te dragen aan een wereldwijd duurzaam en inclusief economisch herstel van de COVID-19-pandemie;

44.

beklemtoont dat het wereldhandelssysteem moet worden hervormd, met als doel wereldwijd een gelijk speelveld te waarborgen, en dat er samen nieuwe regels moeten worden ontwikkeld, met name met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken, aangezien oneerlijke concurrentie een grote weerslag heeft op onze bedrijven en werknemers;

45.

steunt de benadering van een gedeeld leiderschap met de VS, met inbegrip van een gecoördineerde houding ten aanzien van Rusland en China, gericht op het nastreven van gemeenschappelijke belangen bij de groene en digitale transformatie van onze economieën, alsook gemeenschappelijke initiatieven tot het beschikbaar stellen van mondiale collectieve goederen; benadrukt dat in deze agenda “werknemers en lonen”, alsook veerkrachtigere, duurzamere en meer verantwoorde toeleveringsketens aan bod komen; spoort in dit verband beide partijen ertoe aan hun aanpak tegen dwangarbeid en uitbuitende arbeidsomstandigheden te coördineren en samen te werken om de naleving van de rechten van werknemers en de milieunormen in handelsovereenkomsten en op multilateraal niveau te verbeteren, onder meer door voort te bouwen op elkaars ervaring om deze bepalingen doeltreffender te handhaven;

46.

benadrukt dat de EU en de VS moeten aantonen dat burgers gebaat zijn bij betere handelsbetrekkingen tussen Europa en Amerika, met name personen die door de globalisering achterop zijn geraakt, en bedrijven aan beide zijden van de Atlantische Oceaan; verzoekt bijgevolg de EU en de VS samen te werken en hun strategieën op elkaar af te stemmen om investeringssynergieën te creëren, met name om op duurzame en inclusieve wijze naar de digitale en groene transitie van hun economieën toe te werken;

47.

merkt op dat de EU en de VS steeds vaker worden geconfronteerd met gemeenschappelijke uitdagingen van niet-militaire aard en met een invloed op ons economisch partnerschap; dringt daarom aan op een blijvende en meer intensieve trans-Atlantische parlementaire dialoog over handel tussen het Europees Parlement en het Amerikaanse Congres via de interactie tussen de commissies van beide instellingen, namelijk de parlementaire Commissie internationale handel aan EU-zijde en het Committee on Ways and Means met de subcommissie handel en de Financiële Commissie van de Senaat aan Amerikaanse zijde, evenals in het kader van de trans-Atlantische wetgeversdialoog;

48.

is zeer verheugd over de steun van de VS voor Ngozi Okonjo-Iweala, de nieuwe directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie, en de terugkeer van de VS naar de Overeenkomst van Parijs; is ingenomen met de tijdelijke opschorting van de tarieven in verband met het handelsgeschil over Airbus en Boeing voor een periode van vier maanden, die een onevenredig negatieve invloed hadden op agrovoedingsproducten uit de EU, en beschouwt dit als een positieve stap in de richting van een duurzame oplossing voor subsidies voor burgerluchtvaartuigen; merkt op dat de opschorting van deze heffingen in juli 2021 afloopt en dringt aan op een oplossing zodat deze tarieven permanent worden opgeheven;

49.

is ingenomen met de bereidwilligheid van de VS om besprekingen aan te gaan om de wereldwijde overcapaciteit op het gebied van staal en aluminium aan te pakken; neemt kennis van het besluit van de Commissie om de verhoging van de tarieven voor invoer uit de VS op te schorten als reactie op de Amerikaanse maatregelen;

50.

is ook ingenomen met de snelle sluiting van de WTO-overeenkomst inzake tariefcontingenten, de eerste overeenkomst met de VS onder de nieuwe regering-Biden, waaruit blijkt dat deze nieuwe regering binnen het WTO-kader naar overeenstemming met de EU wil streven;

51.

erkent tegelijkertijd dat er nog altijd sprake is van enkele uiteenlopende belangen; dringt er in dit verband bij beide partijen op aan bilaterale geschillen op te lossen; spoort de VS ertoe aan unilaterale handelsmaatregelen en dreigementen met aanvullende maatregelen inzake digitaledienstenbelastingen in te trekken, af te zien van verdere maatregelen en zich veeleer te richten op wat ons verbindt; hecht veel belang aan de EU-VS-top van juni 2021 als aanzet om onze handelsbetrekkingen verder te verbeteren en als gelegenheid om onbenutte gebieden voor nauwere samenwerking aan te kaarten;

52.

dringt er bij de VS op aan om, ondanks de lopende besprekingen, onmiddellijk de tarieven op aluminium en staal op grond van afdeling 232 te schrappen, aangezien de VS de Europese bedrijven niet kan beschouwen als een bedreiging voor de nationale veiligheid, en beklemtoont dat een gemeenschappelijke aanpak nodig is voor het probleem met de overcapaciteit van staal en aluminium uit derde landen; onderstreept onder andere het voornemen van de EU om de tarieven op industriële goederen tussen de EU en de VS af te schaffen;

53.

betreurt weliswaar de uitkomst van de “artikel 301”-onderzoeken in verband met digitale belastingen, maar verheugt zich over de opschorting van de zes maanden durende handelssancties voor economische sectoren, zoals schoeisel, in lidstaten die een digitaledienstenbelasting hebben ingevoerd, terwijl de onderhandelingen in OESO-verband nog aan de gang zijn; uit zijn bezorgdheid over de voorlopige lijst van vergeldingstarieven die de handelsgezant van de VS heeft opgesteld naar aanleiding van de “artikel 301”-onderzoeken naar de verschillende digitaledienstenbelastingen in de EU, die betrekking hebben op bijzonder gevoelige productiesectoren, zoals de schoenen- en de lederindustrie, waardoor deze mogelijk geen toegang meer zouden hebben tot de Amerikaanse markt indien aanvullende tarieven worden aangenomen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de onderhandelingen in het kader van het OESO-voorstel inzake digitale belastingen te versnellen en zo spoedig mogelijk af te ronden, en op alle mogelijke manieren te proberen verdere economische schade aan EU-bedrijven, vooral kmo’s, te voorkomen, met name in de context van de COVID-19-herstelstrategieën; is van mening dat, gezien de exclusieve bevoegdheid van de EU inzake het gemeenschappelijk handelsbeleid en de dreigende vergeldingsmaatregelen van de VS met betrekking tot digitalebelastingwetgeving, een gemeenschappelijke EU-aanpak de voorkeur verdient boven afzonderlijke nationale initiatieven, met name om verdere trans-Atlantische tariefescalatie over en weer te voorkomen;

54.

erkent dat er nog steeds mogelijkheden onbenut blijven om administratieve rompslomp tegen te gaan en het trans-Atlantische economische partnerschap te versterken; benadrukt met het oog op de huidige technologische wedloop het belang van een nauwe trans-Atlantische regelgevingsruimte voor onze bedrijven, met name voor opkomende digitale, energie- en klimaatgerelateerde technologieën; verwacht van beide zijden dat zij in een dialoog de bezorgdheid van de EU over de Amerikaanse Buy American Act en de Jones Act bespreken, met inbegrip van overheidsopdrachten en toegang tot de markten voor diensten;

55.

pleit voor een gezamenlijke aanpak van de COVID-19-crisis door onder meer de beschikbaarheid en betaalbaarheid van vaccins te vergroten; verzoekt de EU en de VS samen te werken en het voortouw te nemen teneinde tekorten aan vaccins weg te werken zodat deze wereldwijd zo spoedig mogelijk aan een zo groot mogelijk aantal mensen ter beschikking worden gesteld; is ingenomen met de aankondiging van het partnerschap tussen de EU en de VS om de wereldwijde vaccinatie tegen COVID-19 te bevorderen door tegen de bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de VN van volgend jaar 70 % van de wereld te vaccineren; herinnert eraan dat we kampen met een wereldwijde schaarste aan vaccins; verzoekt met het oog op vaccinrechtvaardigheid de EU en de VS derhalve samen te werken met fabrikanten om de wereldwijde productiecapaciteit voor vaccins en hun bestanddelen te vergroten; verzoekt beide partijen af te zien van uitvoerbeperkende maatregelen, om een goede werking van de toeleveringsketens te waarborgen, de vereiste technologieoverdrachten veilig te stellen en de paraatheid voor toekomstige wereldwijde noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid te verbeteren; moedigt beide partijen ertoe aan de samenwerking op regelgevingsgebied te intensiveren en zodoende de essentiële toegang tot geneesmiddelen te vergemakkelijken;

56.

verzoekt de Commissie en de regering-Biden om de initiatieven van de nieuwe directeur-generaal van de WTO actief te steunen, met name de initiatieven op het gebied van gezondheid; wijst in dit verband op het standpunt van het Parlement in zijn resolutie van 10 juni 2021 over een mogelijke opschorting van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) (9);

57.

erkent weliswaar dat het belangrijk is de Europese intellectuele-eigendomsrechten te beschermen om het innovatievermogen van het bedrijven in stand te houden, maar acht het ook van belang alle toepasselijke flexibiliteitsbepalingen in de TRIPS-overeenkomst te onderzoeken met als doel de wereldwijde productiecapaciteit van vaccins en hun bestanddelen op te voeren; beklemtoont dat de zoektocht naar oplossingen op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten slechts één onderdeel kan zijn van de gemeenschappelijke mondiale respons;

58.

onderstreept dat de WTO het fundament blijft van een op regels gebaseerd, multilateraal handelssysteem; vraagt om nauwere samenwerking bij de hervorming van de WTO, waaronder de hervorming van haar drie kerntaken, hetgeen een dringende hervorming en herstel van de Beroepsinstantie inhoudt, alsmede een versterking van de toezichts- en overlegfuncties van de WTO, onder meer door open plurilaterale overeenkomsten te bevorderen;

59.

dringt er bij beide partijen op aan samen te werken bij het reguleren van de handel in gezondheidsproducten, het ontwikkelen van regels voor digitale handel en het vaststellen van een ambitieuze klimaat- en milieuagenda, onder meer door de onderhandelingen over de overeenkomst inzake milieugoederen te hervatten, alsook te werken aan gemeenschappelijke voorstellen, onder meer voor regels inzake subsidiëring en de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen;

60.

verwacht dat beide partijen overeenstemming zullen bereiken over concrete resultaten voor de twaalfde ministeriële conferentie van de WTO (MC12) om de WTO klaar te stomen voor de groene en digitale transitie, waaronder een visserijovereenkomst, een verklaring over handel en gezondheid, een werkprogramma voor de hervorming van het stelsel voor geschillenbeslechting, en een werkprogramma inzake industriële subsidies en staatsbedrijven, en dat zij aanzienlijke vooruitgang zullen boeken in de onderhandelingen over e-handel;

61.

moedigt beide partijen aan samen te werken aan de actualisering van de WTO-regels inzake staatsbedrijven, industriële subsidies, overcapaciteit en technologieoverdracht, om de organisatie doeltreffend te wapenen tegen de uitdagingen van de 21e eeuw; steunt in dit verband ook de uitbreiding van het trilaterale initiatief met Japan en dringt er bij de EU en de VS op aan bij de WTO de leiding te nemen in een coalitie van gelijkgestemde landen om het eens te worden over nieuwe regels, en tegelijkertijd ook een autonoom instrument tegen oneerlijke buitenlandse subsidies te ontwikkelen; verwacht van beide partijen dat zij multilaterale overeenkomsten bevorderen en zich daarvoor inspannen; roept de VS op hun verbintenissen ten aanzien van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de WTO te hernieuwen;

62.

neemt nota van het resultaat van de eerste bijeenkomst op hoog niveau in het kader van de EU-VS-dialoog over China, waar beide partijen hebben herhaald dat hun handelsbetrekkingen met China veelzijdig zijn en elementen van samenwerking, concurrentie en systemische rivaliteit bevatten; pleit, waar mogelijk, voor een gezamenlijke strategische aanpak ten aanzien van China, alsook voor samenwerking binnen multilaterale kaders met betrekking tot gemeenschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering en oneerlijke handelspraktijken die leiden tot verstoringen van de markt en het gelijke speelveld;

63.

vestigt de aandacht op het belang van een gecoördineerd standpunt in de strijd tegen verstorende industriële subsidies — met name ten aanzien van staatsbedrijven en overcapaciteit in kritieke sectoren –, gedwongen technologieoverdracht, diefstal van intellectuele eigendom, gedwongen joint ventures, marktbelemmeringen en het verbod op dwangarbeid, onder meer door een bespreking van de fase 1-overeenkomst tussen de VS en China en de brede investeringsovereenkomst tussen de EU en China;

64.

merkt op dat deze kwesties niet eenzijdig of bilateraal kunnen worden opgelost en dat daarvoor in het kader van de WTO een coalitie van gelijkgestemde partners op internationaal niveau vereist is;

65.

onderstreept dat het belangrijk is in de gemeenschappelijke strategie van de EU en de VS en in de WTO de eerbiediging van de mensenrechten op te nemen, ook in het kader van de activiteiten van internationale ondernemingen; wijst in dit verband op de behoefte aan bindende zorgvuldigheidswetgeving, en verzoekt de VS zich bij deze aanpak aan te sluiten en deze in de gehele toeleveringsketen te ondersteunen;

66.

is van oordeel dat de EU en de VS de trans-Atlantische samenwerking moeten opdrijven op het gebied van op regels gebaseerde en duurzame connectiviteit als reactie op de Nieuwe Zijderoute van China en hoopt met name op toekomstige samenwerking voor de handhaving van hoge kwaliteitsnormen;

67.

spoort de Commissie ertoe aan bij het bevorderen van dialoog en gezamenlijk optreden ook de belangen van de EU en haar open strategische autonomie daadkrachtig te behartigen en te reageren op ongerechtvaardigde invoerrechten van de VS, de extraterritoriale toepassing van sancties, die in strijd is met het internationaal recht, en marktbelemmeringen; benadrukt dat de autonome handelsmaatregelen van de EU moeten worden versterkt;

68.

vraagt de VS met name erop toe te zien dat hun procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten transparant, open en voorspelbaar zijn en gebaseerd zijn op het beginsel van gelijke behandeling;

69.

verzoekt de Commissie werk te maken van haar voorstel over een instrument voor het ontmoedigen en tegengaan van dwangmaatregelen door derde landen en over wetgeving ter ondersteuning van Europese bedrijven die het doelwit van deze sancties zijn en in overeenstemming met het internationaal recht opereren;

70.

spoort beide partijen ertoe aan om een ambitieuze dialoog aan te gaan, een kader voor gezamenlijk optreden te vinden, en te streven naar selectieve handels- en investeringsovereenkomsten via de hervatting van een strategische dialoog op hoog niveau;

71.

dringt aan op een sterker regelgevend, groen, duurzaam en digitaal partnerschap via de Raad voor handel en technologie; verzoekt om een overeenkomst inzake conformiteitsbeoordelingen, die met name kmo’s ten goede zal komen, een gecoördineerde aanpak voor het vaststellen van internationale normen voor kritieke en opkomende technologieën zoals artificiële intelligentie, en samenwerking op het gebied van regelgeving voor grote technologiebedrijven, digitale heffingen en inkomstenbelasting; roept de EU en de VS op informatie uit te wisselen en samen te werken bij het screenen van buitenlandse investeringen in strategische sectoren, ook op het gebied van eventuele vijandige overnames;

72.

moedigt beide partijen ertoe aan beste praktijken op regelgevingsgebied uit te wisselen; dringt er bij de EU en de VS op aan hun onderhandelingen over conformiteitsbeoordelingen voort te zetten teneinde financieel belastende niet-tarifaire belemmeringen weg te nemen; benadrukt dat het voor beide partijen belangrijk is om een coalitie van gelijkgestemde partners op één lijn te brengen en te leiden zodat het gebruik van trans-Atlantische normen toeneemt in internationale normalisatie-instellingen;

73.

verzoekt beide partijen om handel te gebruiken als een instrument in de strijd tegen de klimaatverandering en opwaartse convergentie te bereiken; spoort in dit verband beide partijen ertoe aan om samen te werken op het gebied van koolstofbeprijzing, en met name om de ontwikkeling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie te coördineren, alsook met het oog op doeltreffende maatregelen tegen illegale wapenhandel en het vergroten van de transparantie van en de verantwoordingsplicht aangaande wapenhandel, met inbegrip van de wapenuitvoer van de VS en de EU-lidstaten;

74.

verzoekt de VS en de EU in het kader van de OESO samen te werken aan een wereldwijde vennootschapsbelasting en is met name ingenomen met de overeenkomst die de G7-landen hebben bereikt over een wereldwijde belastinghervorming, met de nadruk op de overeenkomst inzake een wereldwijd minimumtarief voor de vennootschapsbelasting van ten minste 15 %, en samen te werken aan de bestrijding van frauduleuze en schadelijke handelspraktijken;

75.

onderstreept dat sterkere handels- en economische partners zorgen voor sterkere bondgenootschappen; is ingenomen met de inspanningen van beide partijen om hun toeleveringsketens weerbaarder te maken, met name met betrekking tot kritieke grondstoffen;

76.

vraagt om nauwere samenwerking tussen de EU en de VS in het noordpoolgebied, gezien het ontstaan van nieuwe scheepvaartroutes, de mogelijke beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen als gevolg van klimaatverandering en de groeiende economische belangstelling voor het noordpoolgebied van andere landen, zoals China; verzoekt de Commissie om deze mogelijkheden en uitdagingen ook mee te nemen in haar komende noordpoolstrategie;

77.

dringt er bij de Commissie op aan om, als vaste praktijk, transparant te zijn in haar samenwerking met de VS, door onder meer alle voorstellen die de VS worden toegezonden te publiceren en de betrokkenheid van het Parlement en het maatschappelijk middenveld bij de ontwikkeling van deze voorstellen te waarborgen om zodoende het vertrouwen van consumenten en burgers te vergroten.

Samen uitdagingen op het gebied van veiligheid en defensie aangaan

78.

onderstreept dat de trans-Atlantische alliantie van fundamenteel belang blijft voor de veiligheid en stabiliteit van het Europese continent, aangezien de NAVO het fundament van de collectieve defensie van Europa en een belangrijke pijler van de Europese veiligheid vormt; herhaalt voorts dat de NAVO-bondgenoten en -partners en ook de EU als geheel meer actie moeten ondernemen om te voldoen aan de terecht in hen gestelde verwachtingen als geloofwaardige en gelijkwaardige trans-Atlantische partners die in staat en bereid zijn zichzelf te verdedigen, crises in hun eigen nabuurschap te beheersen, en indien nodig het voortouw nemen, zij het in nauw overleg met de VS; is voorstander van een evenwichtigere verdeling van de verantwoordelijkheden binnen de trans-Atlantische veiligheidsrelatie door de zelfredzaamheid van de EU-lidstaten op het gebied van defensie te stimuleren, om de lasten voor de VS te verlichten en op een manier die leidt tot synergieën tussen het NAVO-lidmaatschap en EU-defensiecapaciteiten; benadrukt dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO gebaseerd is op 74 gezamenlijk overeengekomen acties op specifieke gebieden; herinnert eraan dat beide organisaties verschillende taken en prioriteiten hebben, aangezien de NAVO verantwoordelijk is voor de collectieve territoriale verdediging van haar leden en de EU zich richt op militaire crisisbeheersing in het buitenland, en dat er ruimte is voor verdere dialoog en samenwerking op het gebied van veiligheidsuitdagingen en een strategisch partnerschap dat berust op gemeenschappelijke steun voor de kernwaarden democratie, vrijheid en de bevordering van vrede; benadrukt dat meer samenwerking, bundeling en deling en een efficiënte en transparante Europese defensiesector ook zorgen voor een toename van de voor de NAVO beschikbare capaciteit; onderstreept dat een versterking van de industriële basis en de militaire capaciteiten op EU-niveau, alsook investeringen in de militaire mobiliteit en interoperabiliteit van de EU niet alleen de Unie maar ook de trans-Atlantische alliantie sterker zouden maken en zouden bijdragen aan de rol en het belang van de EU en haar lidstaten in de NAVO; spreekt bijgevolg zijn volledige steun uit voor de Europese defensie-initiatieven, zoals het Europees Defensiefonds (EDF), de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en de Europese Vredesfaciliteit (EPF); beklemtoont dat het trans-Atlantische partnerschap alleen succesvol kan zijn als alle lidstaten hun toezeggingen nakomen, ook voor wat investeringen in defensie betreft, elkaar wederzijdse steun verlenen en streven naar een evenwichtigere lastenverdeling; onderstreept dat alle NAVO-bondgenoten financieel moeten investeren in de ontwikkeling, opbouw en instandhouding van de capaciteiten die de NAVO nodig heeft om haar bevolking te verdedigen; wijst tevens op de aan de gang zijnde uitwerking van het strategisch kompas van de EU, dat een mijlpaal zal vormen voor een sterkere Europese samenwerking op het gebied van defensie en veiligheid; onderstreept dat dit strategische kompas nauw moet worden gekoppeld aan de ontwikkeling van het strategisch concept van de NAVO; is er voorts van overtuigd dat deze parallelle processen een unieke kans bieden om het trans-Atlantische politieke en veiligheidspartnerschap aanzienlijk vooruit te helpen, te moderniseren en opgewassen te maken tegen de huidige mondiale uitdagingen waarmee zowel de EU als de VS worden geconfronteerd; benadrukt dat de ambitie van Europese strategische autonomie de NAVO geenszins ondermijnt, maar er een aanvulling op vormt; dringt aan op de sluiting van een administratieve regeling tussen het Europees Defensieagentschap en de VS en is verheugd dat de EU en de VS zich ertoe hebben verbonden de gesprekken hierover zo snel mogelijk te starten, zoals vermeld in de verklaring die volgde op de EU-VS-top van 15 juni 2021; pleit voor de invoering van een procedure om het buitenlands beleid en veiligheids- en defensiebeleid van de VS, de EU en het VK te coördineren;

79.

is ingenomen met het positieve besluit van de Raad van 6 mei 2021 om Nederland als coördinator van het project inzake militaire mobiliteit de volmacht te geven om in te gaan op verzoeken van de VS, Canada en Noorwegen om deel te nemen aan het PESCO-project inzake militaire mobiliteit; benadrukt dat deze deelname de coherentie tussen de capaciteiten van de EU en de NAVO en de interoperabiliteit, paraatheid en weerbaarheid van de trans-Atlantische strijdkrachten zal vergroten;

80.

roept op tot meer samenwerking tussen de EU, de VS en de NAVO en onze oostelijke buurlanden, met name Georgië, Oekraïne en Moldavië, op het gebied van veiligheid en defensie, onder meer door de ondersteuning van de territoriale integriteit van deze landen, en pleit voor de versterking van hun weerbaarheid tegen cyber-, informatie-, spionage- en andere dreigingen die tegen hen gericht zijn;

81.

is ingenomen met het besluit van de VS om het vertrek van Amerikaanse strijdkrachten uit de EU terug te draaien en hun militaire aanwezigheid in de EU-lidstaten op te voeren, als teken van engagement voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van veiligheid; betuigt zijn dankbaarheid aan de vele Amerikaanse militairen die geholpen hebben de beveiliging en veiligheid van Europa en de Europese inwoners gedurende de afgelopen decennia te beschermen;

82.

vraagt de EU en de VS met klem om nauwe samenwerking te bevorderen met betrekking tot traditionele bedreigingen voor de veiligheid, maar ook op het vlak van nieuwe bedreigingen, zoals vijandige buitenlandse technologische dominantie, hybride dreigingen, desinformatiecampagnes en kwaadwillige inmenging in verkiezingsprocessen; dringt bij de EU en de VS aan op nauwe samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging; dringt er bij de EU op aan doeltreffendere cybercapaciteiten te ontwikkelen ter versterking van haar vermogen om zich te verdedigen tegen cyberdreigingen; is ingenomen met de nieuwe cyberbeveiligingsstrategie van de Commissie als basis voor de vaststelling van internationale normen en standaarden in de cyberruimte; roept ertoe op om de nodige capaciteiten te ontwikkelen, verwerven en onderhouden, ook in het kader van de NAVO, onder meer op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen, en verzoekt de EU-agentschappen, zoals het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa), om nauwer samen te werken met hun Amerikaanse tegenhangers; erkent dat cyberdefensie tot op zekere hoogte doeltreffender is als deze ook gepaard gaat met een aantal offensieve middelen en maatregelen, mits het gebruik ervan in overeenstemming is met het internationaal recht; benadrukt de noodzaak van een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot het verbieden van dodelijke autonome wapens zonder beduidende menselijke controle, het reguleren van de autonomie van wapensystemen op mondiaal niveau, en het beperken van de uitvoer en verspreiding van cyberinstrumenten en technologie voor grootschalig toezicht; onderstreept dat de wereldwijde wapenbeheersing moet worden geactualiseerd om het hoofd te kunnen bieden aan de cyber- en AI-uitdagingen; verzoekt de trans-Atlantische partners steun te verlenen en actief bij te dragen aan de oproep van de secretaris-generaal van de VN tot een wereldwijd staakt-het-vuren;

83.

is van mening dat de bescherming van democratische en verkiezingsprocessen een mondiale veiligheidskwestie is; pleit in dit verband voor de gemeenschappelijke ontwikkeling van een gestructureerd kader voor reacties op verkiezingsinmenging, dat gebaseerd is op een trans-Atlantische gedragscode voor vrije en veerkrachtige democratische processen en waarin wordt gestreefd naar structurele en alomvattende maatregelen om het hybride karakter van de inmenging aan te pakken, in nauwe samenwerking met internationale organisaties zoals de OVSE; roept de EU en de VS op om samen met alle relevante partners, in het bijzonder met de organisaties die de “Verklaring inzake de beginselen voor internationale verkiezingswaarneming” hebben bekrachtigd, een nauwere en ambitieuzere internationale samenwerking inzake verkiezingswaarneming te bevorderen, om actie te ondernemen tegen de toenemende openbare veiligheidsbedreigingen voor verkiezingsprocessen; benadrukt dat gezamenlijk moet worden opgetreden tegen het groeiende verschijnsel van nep-verkiezingswaarneming in eigen land, waardoor het vertrouwen van de bevolking in verkiezingswaarneming in het algemeen wordt ondermijnd, en dat de kansen, uitdagingen en risico’s van het toenemende gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën bij verkiezingen grondig moeten worden geëvalueerd; beklemtoont dat de noodzakelijke samenwerking met de betrokken binnenlandse organisaties voor verkiezingswaarneming op alle niveaus moet worden versterkt, en dat deze organisaties in het kader van hun activiteiten moeten worden beschermd;

84.

wijst op het belang van de opbouw van vaardigheden op het gebied van kwantumcomputing en onderstreept de noodzaak om de samenwerking tussen de EU en de VS op dit terrein te versterken, om te verzekeren dat kwantumcomputing voor het eerst wordt toegepast door partners die hechte onderlinge banden hebben en op elkaar afgestemde doelstellingen nastreven;

85.

benadrukt het strategische belang van de onderzeese telecommunicatiekabels in de Noord-Atlantische Oceaan, die instaan voor meer dan 95 % van de internationale telecommunicatie; wijst nogmaals op het belang van versterkte trans-Atlantische samenwerking om de naleving van de internationale regelgeving voor onderzeese kabels, waaronder het Unclos, te beschermen en te waarborgen;

86.

staat achter de lancering van de veiligheids- en defensiedialoog tussen de EU en de VS, en roept de VV/HV op deze zo spoedig mogelijk van start te laten gaan; benadrukt hoe belangrijk het is ook NAVO-vertegenwoordigers bij deze dialoog te betrekken om synergieën met de huidige samenwerking in het kader van de EU en de NAVO te bevorderen en overlappende beleidsreacties te voorkomen; onderstreept dat de veiligheids- en defensiedialoog tussen de EU en de VS samenwerking moet omvatten op het gebied van veiligheids- en defensie-initiatieven, crisisbeheersing, militaire operaties en bilaterale veiligheidskwesties, zoals vermeld in de EU/VS-agenda voor wereldwijde verandering; benadrukt dat informatie-uitwisseling een belangrijk onderdeel van deze dialoog vormt;

87.

beklemtoont dat zowel de EU als de VS hun samenleving moeten onderwerpen aan een zelfonderzoek met betrekking tot onze gemeenschappelijke democratische waarden en de eerbied voor anderen en andere meningen, met als doel de werelddemocratie nieuw leven in te blazen en te beschermen tegen opkomende autoritaire regimes, zoals gepropageerd door Rusland en China, maar ook binnen de trans-Atlantische gemeenschap, onder meer door de verantwoordingsplicht en weerbaarheid van onze democratische stelsels te vergroten, door extremistische standpunten en racisme die een vruchtbaar klimaat creëren voor antidemocratische bewegingen, tegen te gaan, door op geopolitiek vlak eensgezind op te treden tegen de kwaadwillige invloed van autoritaire actoren, en door deel te nemen aan trans-Atlantische dialoog en inclusief sociaal en economisch beleid te bevorderen om de oorzaken van ongelijkheid aan te pakken; benadrukt de waarde van trans-Atlantische dialoog en samenwerking op het gebied van beleid ter ondersteuning van democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat en ter bestrijding van desinformatie en buitenlandse inmenging; onderstreept de noodzaak om aan beide zijden van de oceaan de oorzaken van het afnemende vertrouwen van het publiek in het beleid en de instellingen aan te pakken; benadrukt dat de inspanningen in die richting onder meer moeten bestaan in het opbouwen van vertrouwen in wetenschap en feiten, het tot stand brengen van een vangnet van non-discriminatiebeleid en het verwerpen en aanpakken van discriminatie op grond van ras en godsdienst;

88.

verzoekt de EU en de VS voorts samen economische, politieke en operationele ondersteuning te bieden aan bestaande regionale organisaties in Afrika, zoals de Afrikaanse Unie, de gemeenschappelijke strijdkrachten van de G5-Sahel en de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas);

89.

beklemtoont dat de EU en de VS hun inspanningen in de strijd tegen terrorisme en radicalisering op elkaar moeten afstemmen en hiervoor voldoende middelen moeten vrijmaken, en erop moeten toezien dat de acties in verhouding staan tot de werkelijke dreiging; is van oordeel dat beide partners moeten streven naar een verbetering van de huidige werkwijze voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten, en daarbij in het bijzonder de nadruk moeten leggen op beter, gemeenschappelijk situationeel bewustzijn op sleutelgebieden, zoals het ontstaan van veilige toevluchtsoorden, het gebruik van opkomende en disruptieve technologieën door terroristen alsmede hybride tactieken;

90.

moedigt een verregaande samenwerking tussen de EU en de VS aan op het gebied van deradicalisering en terrorismebestrijding, onder meer door het opzetten van gemeenschappelijke opleidingsactiviteiten, gemeenschappelijke terrorismebestrijdingscursussen, uitwisselingsprogramma’s voor politiepersoneel, tactische oefeningen en onderwijsinitiatieven;

91.

onderstreept het fundamentele belang van de democratische beginselen, die de grondslag vormen van onze sociale en economische vooruitgang en onze vrije samenlevingen; schaart zich achter het voorstel van president Biden om een top voor democratie te houden om universele waarden te bevorderen; roept de VS ertoe op lering te trekken uit de EU-Conferentie over de toekomst van Europa en verzoekt de Commissie en de Raad zowel politieke als praktische ondersteuning te bieden aan het initiatief van een dergelijke top; is van mening dat de voorgestelde top voor democratie gericht moet zijn op het bevorderen van op waarden gebaseerd multilateralisme en solidariteit tussen democratieën in moeilijkheden en het versterken van de democratie, zowel binnenlands als wereldwijd, met name door de participatie van de burgers in het democratisch bestuur te vergroten, door uiting te geven aan de bezorgdheid over en te streven naar vreedzame oplossingen voor de voortdurende onderdrukking van democratische bewegingen, door mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van milieuactivisten, overal ter wereld te beschermen, en tot slot door de toenemende invloed van autoritaire regimes tegen te gaan; benadrukt in dit verband dat een dergelijk initiatief kan helpen een duidelijke koers uit te zetten om populisme en autoritarisme tegen te gaan en om de fundamentele democratische waarden en mensenrechten te beschermen; stelt voor dat de EU samen met de VS een trans-Atlantische alliantie opricht om de democratie wereldwijd te verdedigen en een toolkit voor de verdediging van de democratie te ontwikkelen, die gemeenschappelijke acties op het gebied van sancties moet omvatten, evenals beleid ter bestrijding van het witwassen van geld, regels inzake de voorwaarden voor economische en financiële bijstand, internationale onderzoeken en steun voor mensenrechten- en democratieactivisten; dringt aan op betere communicatie met en tussen de burgers aan beide zijden van de oceaan over het blijvende belang van de trans-Atlantische band en de relevantie ervan in deze tijd; benadrukt in dit verband opnieuw de waarde van uitwisselingen tussen wetgevers, ondernemingen en het maatschappelijk middenveld;

Betere coördinatie van het buitenlands beleid

92.

is van oordeel dat de EU meer met de VS moet samenwerken en het strategisch partnerschap moet hernieuwen met betrekking tot de landen van het Oostelijk Partnerschap en de Westelijke Balkan om daar veerkrachtige, welvarende, democratische, multi-etnische samenlevingen op te bouwen die opgewassen zijn tegen de ontwrichtende invloed van zowel lokale als externe autoritaire krachten; herinnert eraan dat de stabiliteit van de Westelijke Balkan en de landen van het Oostelijk Partnerschap van belang is voor de vrede en de veiligheid in de regio, en tegelijkertijd ook voor de EU; is ingenomen met de sterk toegenomen coördinatie tussen de VS en de EU bij het op weg helpen van de landen van de Westelijke Balkan naar Europese integratie en EU-lidmaatschap; is van mening dat regelmatige, geïnstitutionaliseerde coördinatie tussen de Raad Buitenlandse Zaken en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op dit en andere gebieden van buitenlands beleid, een positieve uitwerking zou hebben op de trans-Atlantische dialoog en samenwerking inzake gemeenschappelijke aangelegenheden op vlak van Buitenlandse Zaken en verdere convergentie van de beleidsstandpunten op trans-Atlantisch niveau zou bevorderen; herhaalt zijn voorstel om een Trans-Atlantische Politieke Raad op te richten voor systematisch overleg en coördinatie met betrekking tot buitenlands en veiligheidsbeleid, die onder leiding komt te staan van de VV/HV en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en geschraagd wordt door regelmatige contacten tussen politieke leiders; roept op tot een sterk leiderschap van de EU en een doeltreffende coördinatie met de VS om zich te kanten tegen initiatieven om nieuwe grenzen te trekken en soortgelijke subnationale initiatieven om de etnische verdeeldheid en segregatie te vergroten, alsook met betrekking tot de kwestie van Chinese investeringen en financiering in de hele regio en de gevolgen daarvan voor het democratisch bestuur en het milieu; benadrukt het belang van nauwe samenwerking en coördinatie tussen de EU en de VS bij de bestrijding van “state capture” (frauduleuze controle over overheidsinstellingen), corruptie, georganiseerde misdaad, buitenlandse inmenging en aanvallen op de vrijheid van de media, en bij de bevordering van de rechtsstaat, diepgaande hervormingen, goede nabuurschapsbetrekkingen en verzoening, en van de doelstelling van Euro-Atlantische integratie; onderstreept dat de EU een leidende rol speelt bij het proces van normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo;

93.

beklemtoont het gemeenschappelijke belang van de ondersteuning op lange termijn van duurzame vrede, stabiliteit, veiligheid, weerbaarheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten in de zuidelijke Kaukasus; juicht de inspanningen van de VS in die regio toe, in samenwerking met de EU, onder meer via mechanismen zoals de Minsk-groep van de OVSE;

94.

vraagt de EU en de VS samen iets te doen aan de aanhoudende en toenemende bedreigingen voor de bescherming en het behoud van cultureel erfgoed en aan de smokkel van cultuurgoederen, met name in conflictgebieden; pleit voor een strategie die steunt op gedegen bewustmakingscampagnes, de algemene veroordeling van de handel in antieke voorwerpen waarvan de herkomst onbekend is, de opstelling van een gemeenschappelijke gedragscode voor de bescherming van culturele locaties, de bevordering van nauwere samenwerking tussen verschillende rechtshandhavingsinstanties, met inbegrip van onmiddellijke informatie-uitwisseling tussen nationale inlichtingendiensten, en intensievere samenwerking tussen de rechtshandhavingsinstanties en de artistieke en archeologische sectoren;

95.

merkt op dat de economische invloed, de geopolitieke macht, de verschillende vormen van machtsprojectie en de militaire kracht van China een conflict hebben veroorzaakt tussen het Chinese autoritaire bestuur en het westerse bestuur dat gebaseerd is op liberaal-democratische waarden; wijst op de toegenomen aanwezigheid van China op het internationale toneel en in Europa via de Nieuwe Zijderoute en zijn activiteiten in cyberspace, het noordpoolgebied en Afrika; benadrukt in dit verband dat China een systemische rivaal en concurrent is geworden, maar dat het ook een belangrijke partner moet zijn bij de aanpak van vele mondiale problemen; is ervan overtuigd dat een gemeenschappelijke trans-Atlantische benadering van de betrekkingen met China de beste manier is om een vreedzame, duurzame en wederzijds voordelige langetermijnrelatie met China tot stand te brengen; verwelkomt in deze context de recente hervatting van een alomvattende strategische dialoog op hoog niveau tussen de EU en de VS over China, en is van mening dat deze moet leiden tot een belangrijk mechanisme voor het behartigen van onze belangen en het omgaan met onze verschillen, en dat er moet worden gekeken naar mogelijkheden voor samenwerking tussen de EU, de VS en de Volksrepubliek China via multilaterale kaders voor gemeenschappelijke en wereldwijde uitdagingen zoals de klimaatverandering, gezondheidsrisico’s, de eerbiediging van de mensenrechten, cyberspace, wapenbeheersing, non-proliferatie en opkomende disruptieve technologieën; beklemtoont dat deze dialoog gekenmerkt moet worden door een sterke parlementaire dimensie; vraagt om een breed scala aan beleidsinstrumenten te ontwikkelen en naar mogelijke trans-Atlantische synergieën te zoeken voor de omgang met China; benadrukt in dit verband dat de EU en de VS zeer bezorgd zijn over de systematische schendingen van de mensenrechten in China, met name de rechten van de Oeigoerse gemeenschap; is er stellig van overtuigd dat de betrekkingen met de Volksrepubliek China, zowel bilateraal als anderszins, altijd moeten gepaard gaan met het waarborgen en bevorderen van gemeenschappelijke democratische waarden en dat op elke agenda inzake multilaterale betrekkingen de volledige naleving van het internationaal recht en de bescherming van de mensenrechten centraal moeten staan;

96.

onderstreept dat moet worden gekeken naar punten van overeenstemming, samenwerkingsmogelijkheden, betere coördinatie en beter overleg tussen de VS en de EU ten aanzien van China — teneinde trans-Atlantische spanningen te voorkomen, zoals na de vaststelling van het trilaterale veiligheidsakkoord AUKUS tussen de VS, het VK en Australië zonder raadpleging van de EU-bondgenoten — met name wat betreft de bescherming van de mensenrechten en de rechten van minderheden en de de-escalatie van de spanningen in de Zuid- en Oost-Chinese Zee, Hongkong en in de Straat van Taiwan; benadrukt het belang van Unclos als rechtsgrondslag voor het oplossen van conflicten; herhaalt zijn steun voor gemeenschappelijke connectiviteitsinitiatieven, ook in het kader van de onlangs aangekondigde “Global Gateway”-strategie van de EU;

97.

is ingenomen met de recente vooruitgang met betrekking tot de Indo-Pacifische strategie van de EU; dringt aan op een snelle en uitgebreide tenuitvoerlegging ervan, aangezien dit in het belang van de EU is en de Uniewaarden zou bevorderen, en vestigt de aandacht op het belang van deze geostrategische regio, waar gemeenschappelijke trans-Atlantische democratische vrienden en partners gelegen zijn, zoals Japan, Zuid-Korea, Australië, Nieuw-Zeeland en Taiwan, en dringt aan op een versterkt partnerschap en betere coördinatie tussen de EU en de VS met betrekking tot de Indo-Pacifische regio; herhaalt dat het belangrijk is de strategische banden aan te halen met de leden van de Asean en met het Pacific Islands Forum (PIF);

98.

benadrukt dat niet-democratische regimes zoals China steeds vaker gebruikmaken van technologie om hun bevolking te controleren en te onderdrukken, en de uitoefening van de fundamentele, sociale en politieke rechten in te perken; roept de EU en de VS op nauwer samen te werken bij de ontwikkeling van op de mens gerichte technologie die de privacy eerbiedigt en vooroordelen en discriminatie tegengaat;

99.

is zich ervan bewust dat door China verworven intellectuele eigendom en technologische vooruitgang van toonaangevende onderzoekscentra vaak worden ingezet voor militaire doeleinden en beklemtoont daarom dat de EU moet werken aan de ontwikkeling van een langetermijnstrategie om de Chinese gemengde militair-civiele strategie in Europa tegen te gaan;

100.

onderschrijft dat de EU en de VS hun aanpak moeten coördineren op gebieden waar de acties van China in strijd zijn met de Euro-Atlantische veiligheidsbelangen; hamert erop dat prioriteit moet worden gegeven aan uitdagingen op cyber-, hybride en ruimtegebied alsook op het vlak van opkomende disruptieve technologieën, wapenbeheersing en non-proliferatie;

101.

maakt zich zorgen over de economische druk die China op lidstaten en derde landen uitoefent; steunt het idee van collectieve economische verdediging via samenwerking met gelijkgestemde democratieën tegen de economische druk van China;

102.

maakt zich zorgen over de nauwe banden tussen de Chinese Communistische Partij en het Chinese bedrijfsleven, met name beveiligingsbedrijven; beveelt de lidstaten aan hun praktijken op het gebied van overheidsopdrachten aan een interne controle te onderwerpen, om te voorkomen dat de producten die in hun nationale netwerken en defensie-instellingen zijn geïntegreerd, technologieën van Chinese bedrijven bevatten;

103.

pleit voor nauwe samenwerking om te komen tot een gezamenlijk actieplan ten aanzien van de Russische Federatie en samen de vele bedreigingen aan te pakken die uitgaan van de Russische Federatie, zoals de voortdurende destabilisatie van Oekraïne, Georgië en de Republiek Moldavië, de steun voor het onwettige regime van Loekasjenko in Belarus, de rol en invloed van Rusland in de Westelijke Balkan en het Zwarte Zeegebied, de verwerpelijke inmenging in democratische processen en verkiezingen in de EU en de VS, de financiering van extremistische politieke partijen en revisionistisch beleid, hybride dreigingen en desinformatiecampagnes; roept aan de andere kant op om tegelijkertijd te streven naar selectieve samenwerking op gebieden van gemeenschappelijk trans-Atlantisch belang, met name met betrekking tot de architectuur voor wapenbeheersing en het Verdrag ter vernietiging van de kernwapens voor de middellange en de korte afstand (INF-verdrag), alsook klimaatdiplomatie, de plannen om het gezamenlijk alomvattend actieplan (JCPOA) nieuw leven in te blazen en de situatie in Afghanistan te stabiliseren; is ingenomen met het besluit van de huidige Amerikaanse regering om het New START-verdrag inzake wapenbeheersing te verlengen; benadrukt dat de gesprekken over wapenbeheersing die rechtstreekse gevolgen hebben voor de Europese veiligheid, opnieuw op gang moeten komen tussen de belangrijkste mondiale spelers, zoals de VS en Rusland, en dat China bij toekomstige onderhandelingen over wapenbeheersing moet worden betrokken; benadrukt dat de architectuur voor de beheersing van conventionele wapens dringend moet worden hersteld om het risico op een wapenwedloop en onvoorziene incidenten te beperken; is ingenomen met de bereidheid van de regering-Biden om opnieuw een dialoog en onderhandelingen aan te knopen met Rusland en steunt het voornemen van de EU en de VS om tussen hen een dialoog op hoog niveau te beginnen over Rusland; is van mening dat de EU en haar lidstaten actief moeten meezoeken naar mogelijkheden voor verdere dialoog en moeten bijdragen aan het herstel van wederzijds vertrouwen; benadrukt tegelijkertijd het belang van de dialoog met het maatschappelijk middenveld en steun voor maatschappelijke organisaties in Rusland die de dialoog bevorderen over politiek pluralisme, eigen inspraak en de legitieme democratische aspiraties van de Russische bevolking;

104.

is van mening dat de EU en de VS hun tweeledige aanpak van enerzijds afschrikking en anderzijds dialoog met Rusland onderling moeten afstemmen binnen de grenzen van wat tijdens de toppen in Wales en Warschau is overeengekomen;

105.

verzoekt de EU en de VS tijdig en vastberaden op te treden tegen ontwrichtende acties van Russische inlichtingendiensten op het grondgebied van de EU; beveelt de lidstaten aan om de samenwerking en informatie-uitwisseling op het gebied van contraspionage te intensiveren;

106.

verzoekt de VV/HV en de Raad een nieuwe strategische aanpak te ontwikkelen voor de betrekkingen van de EU met Rusland, die het maatschappelijk middenveld beter moet ondersteunen, de interpersoonlijke contacten met de burgers van Rusland moet versterken, duidelijke rode lijnen moet uittekenen voor samenwerking met Russische overheidsactoren, technologische normen en het open internet moet gebruiken om vrije ruimten te ondersteunen en onderdrukkende technologieën te beperken, en solidariteit met de oostelijke partners van de EU moet tonen, onder meer op het gebied van veiligheidskwesties en de vreedzame oplossing van conflicten; onderstreept dat elke dialoog van de EU en de VS met Rusland gebaseerd moet zijn op de eerbiediging van het internationaal recht en de mensenrechten;

107.

benadrukt het belang van en roept op tot samenwerking en coördinatie tussen de VS en de EU ten aanzien van het Afrikaanse continent en zijn verschillende regio’s en landen om een duurzame ontwikkeling te waarborgen en veiligheid, stabiliteit en welvaart te bevorderen; hamert op de dringende behoefte aan een sterk en eerlijk partnerschap tussen de VS, de EU en Afrika, met aandacht voor de uitdagingen van de klimaatverandering en de demografische gevolgen daarvan, de ineenstorting van de biodiversiteit, de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van Afrika door China, de duurzame sociaal-economische ontwikkeling, de bevordering van digitalisering, de rechtsstaat en de democratie, en de versterking van de mensenrechten, het maatschappelijk middenveld en gendergelijkheid; is van mening dat elke vorm van veiligheidssteun gebaseerd moet zijn op de aanpak van menselijke veiligheid en de behoeften van de lokale bevolking, volledig in overeenstemming moet zijn met het internationaal recht en sterke mechanismen voor verantwoording en democratisch en parlementair toezicht moet omvatten; is ingenomen met de toezegging van de regering-Biden om haar samenwerking met de internationale coalitie voor de Sahel te versterken; dringt er bij de VS en de EU op aan samen de strijd aan te binden tegen opkomst van gewelddadig extremisme, het terrorisme van Da’esh en aan Al Qaida gelieerde groeperingen en de humanitaire, economische en bestuursproblemen in de Sahel en in het Midden-Oosten en Noord-Afrika in het algemeen; dringt aan op meer dialoog en coördinatie met betrekking tot de standpunten van de trans-Atlantische partners over de uitdagingen waarmee landen als Irak, Libanon, Syrië, Iran en Libië worden geconfronteerd;

108.

roept op tot betere samenwerking in het noordpoolgebied, rekening houdend met de toenemende belangstelling voor het noordpoolgebied van de kant van andere landen zoals China, en de activiteiten en militaire opbouw van Rusland in het gebied; verwelkomt het besluit van de EU en de VS, zoals blijkt uit de verklaring van de EU-VS-top van 15 juni 2021, om samen te ijveren voor het behoud van het noordpoolgebied als een regio van vrede en stabiliteit en samen te werken via de Arctische Raad;

109.

benadrukt dat de structurele strategische betrekkingen tussen de EU, de VS en het VK moeten worden gehandhaafd en waar nodig moeten worden verdiept, waarbij moet worden voortgebouwd op onze gedeelde waarden, belangen en uitdagingen, ook op het gebied van veiligheid, en dat tegelijkertijd de autonomie van de EU-besluitvorming moet worden gewaarborgd;

110.

betreurt de gewelddadige overname van Afghanistan door de Taliban na de terugtrekking van de Amerikaanse en Europese strijdkrachten, en de daaruit voortvloeiende wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, met name van meisjes, vrouwen en etnische en religieuze minderheden, alsook de humanitaire crisis die zich in het land voltrekt; herhaalt zijn standpunt dat de trans-Atlantische gemeenschap zich met een verdubbeling van de inspanningen moet inzetten voor langdurige vrede, stabiliteit en vooruitgang in Afghanistan door steun te verlenen aan het Afghaanse maatschappelijk middenveld en Afghaanse mensenrechtenverdedigers, met name vrouwenrechtenactivisten, politieke activisten, journalisten, academici, kunstenaars en andere groepen en personen die gevaar lopen; dringt aan op solide trans-Atlantische coördinatie en overleg om inlichtingen te verzamelen, te bewaren en uit te wisselen over de terroristische dreiging die uitgaat van Afghanistan, met name van ISIS, Al Qaida en gelieerde groeperingen; dringt aan op een gecoördineerde trans-Atlantische aanpak waarin de behoefte aan operationele samenwerking met de Taliban voor humanitaire en terrorismebestrijdingsdoeleinden wordt gecombineerd met duidelijke voorwaarden voor de contacten met de door de Taliban geleide regering in de toekomst, waarbij de toezegging om de mensenrechten te eerbiedigen en terrorisme te bestrijden noodzakelijk is; dringt aan op een diepgaande trans-Atlantische reflectie over de lessen die zijn geleerd uit de missie in Afghanistan, met als doel de nodige conclusies te trekken voor toekomstige inspanningen ter bevordering van stabiliteit, veiligheid en goed bestuur in de wereld; dringt er voorts bij de trans-Atlantische partners op aan in gesprek te gaan met alle buurlanden van Afghanistan, rekening houdend met de benarde situatie van de Afghaanse bevolking die daar een toevluchtsoord heeft gezocht en de noodzaak om deze mensen te helpen;

111.

is ingenomen met de hernieuwde aandacht van de VS voor het oostelijke Middellandse Zeegebied, met name met betrekking tot de Eastern Mediterranean Act van 2019, in het kader waarvan nieuwe veiligheidssteun voor Cyprus en Griekenland wordt toegestaan en de samenwerking tussen regionale actoren op energiegebied wordt versterkt; verwelkomt het besluit van de EU en de VS, zoals blijkt uit de verklaring na de EU-VS-top van 15 juni 2021, om zij aan zij te werken aan de duurzame de-escalatie in het oostelijke Middellandse Zeegebied, waar geschillen via een dialoog te goeder trouw en in overeenstemming met het internationaal recht moeten worden opgelost; schaart zich achter de verklaring van de EU en de VS dat zij willen streven naar samenwerking en wederzijds voordelige betrekkingen met een democratisch Turkije;

112.

is voorstander van nauwere samenwerking met de VS en de landen van Latijns-Amerika ter bevordering van multilateralisme, democratische waarden, duurzame ontwikkeling, mensenrechten en normen van internationaal recht, economische groei, de bestrijding van ongelijkheid, de strijd tegen drugshandel en georganiseerde misdaad, biodiversiteit en de strijd tegen de klimaatverandering; onderstreept dat de EU en de VS actiever moeten samenwerken met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied als cruciale bondgenoten in internationale fora en als strategische partners bij de verdediging van het multilateralisme; pleit voor een Atlantische driehoeksalliantie tussen de EU, de VS en Latijns-Amerika, die beide regio’s in staat stelt gezamenlijk verdere vooruitgang te boeken op gebieden als democratie, veiligheid en drugshandel, de bestrijding van ongelijkheid en ontwikkelingssamenwerking; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat een dergelijke samenwerking met de VS en de landen van Latijns-Amerika zich uit in gezamenlijke inspanningen ter ondersteuning van de tegenstanders en dissidenten die in verschillende landen het slachtoffer worden van represailles omdat zij opkomen voor de democratische waarden en de mensenrechten; dringt in dit verband aan op een samenwerking tussen de VS en de EU en andere landen om de mensenrechten en de democratie in Venezuela te herstellen door middel van werkelijk vrije, geloofwaardige, inclusieve, transparante en volledig democratische verkiezingen en door steun aan de door het Europees Parlement erkende legitieme politieke krachten; herhaalt nogmaals zijn engagement om de democratie en de mensenrechten in alle Latijns-Amerikaanse landen te bevorderen; dringt aan op meer coördinatie tussen de EU en de VS op het gebied van sancties; herhaalt zijn voorstel dat de VS en de EU regelmatig van gedachten moeten wisselen over hun respectieve topontmoetingen met de Latijns-Amerikaanse landen, d.w.z. de topontmoetingen EU-Celac en de Top van de Amerika’s die worden georganiseerd door de Organisatie van Amerikaanse Staten;

113.

wijst op het belang van de regio van het Midden-Oosten en Noord-Afrika voor de Europese en daarmee ook voor de trans-Atlantische veiligheid en stabiliteit; roept daarom op tot meer dialoog over en coördinatie van de houding van trans-Atlantische partners ten aanzien van de regio van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, onder meer door maatregelen te nemen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal recht die zich in de regio voordoen; dringt er bij de VS op aan om opnieuw toe te treden tot het JCPOA als hoeksteen van een mondiale non-proliferatieregeling en als grondslag voor de de-escalatie in het Midden-Oosten en de Perzische Golf; steunt de oproep van de VS tot een “langduriger en sterkere” nucleaire overeenkomst met Iran en stelt als volgende stap een trans-Atlantische samenwerking op dit gebied voor; verwelkomt het besluit van de VS om opnieuw financiële steun vrij te maken voor UNRWA; pleit voor hernieuwde trans-Atlantische inspanningen om het vredesproces in het Midden-Oosten op een zinvolle manier nieuw leven in te blazen en succesvol af te ronden met een levensvatbare tweestatenoplossing; is verheugd over de ondertekening en tenuitvoerlegging van de Abraham-akkoorden en pleit voor trans-Atlantische samenwerking om deze relaties te verdiepen;

o

o o

114.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsmede, ter informatie, aan het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en het Amerikaanse Congres.

(1)  PB C 28 van 27.1.2020, blz. 49.

(2)  PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 198.

(3)  PB C 65 van 19.2.2016, blz. 120.

(4)  PB C 433 van 23.12.2019, blz. 89.

(5)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0012.

(6)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0013.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0256.

(8)  https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/IP_20_2391

(9)  Resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2021 over de omgang met de uitdaging van de wereldwijde COVID-19-pandemie: gevolgen van een opschorting van de TRIPS-overeenkomst van de WTO voor COVID-19-vaccins en de behandeling, uitrusting en vergroting van de productiecapaciteit in ontwikkelingslanden (Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0283).


Donderdag, 7 oktober 2021

24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/88


P9_TA(2021)0411

Uitvoering van de EU-trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over het verslag over de uitvoering van de EU-trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (2020/2045(INI))

(2022/C 132/08)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 208, 210, 214 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien het Europees Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (1),

gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014 (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (2),

gezien Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (3),

gezien de algemene begrotingen van de Europese Unie voor de begrotingsjaren 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021,

gezien de mededeling van de Commissie van 18 november 2011 over de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM) (COM(2011)0743),

gezien het mondiaal pact inzake migratie en het mondiaal pact inzake vluchtelingen, die beide zijn goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2018,

gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2016 over een nieuw partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese migratieagenda (COM(2016)0385),

gezien het actieplan van de top van Valletta van november 2015,

gezien de verklaring van de EU en Turkije van 18 maart 2016,

gezien de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling met als titel “Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst”, die werd gepubliceerd op 30 juni 2017,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014 met als titel “Tool-Box — A rights-based approach, encompassing all human rights for EU development cooperation” (Een op rechten gebaseerde benadering voor de EU-ontwikkelingssamenwerking waarin alle mensenrechten besloten liggen) (SWD(2014)0152),

gezien de Europese consensus betreffende humanitaire hulp van 30 januari 2008,

gezien de oorspronkelijke oprichtingsovereenkomsten van het EU-trustfonds (EUTF) Bêkou, het EUTF Madad, het EUTF voor Afrika en het EUTF voor Colombia, en de herziene oprichtingsovereenkomsten van december 2020,

gezien Besluit C(2015)9500 van de Commissie van 24 november 2015 inzake een mechanisme voor de coördinatie van het optreden van de Unie en de lidstaten — de Vluchtelingenfaciliteit voor Turkije (4), zoals gewijzigd bij Besluit C(2016)0855 van de Commissie van 10 februari 2016 (5), Besluit C(2017)2293 van 18 april 2017 (6), Besluit C(2018)1500 van 14 maart 2018 (7) en Besluit C(2018)4959 van 24 juli 2018 (8),

gezien het vierde jaarverslag van de Commissie over de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije van 30 april 2020 (COM(2020)0162) en haar eerdere verslagen,

gezien het zevende resultatenverslag over het EUTF Madad,

gezien de speciale verslagen van de Europese Rekenkamer met als titel “Het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek: ondanks enkele tekortkomingen een hoopvolle start” (nr. 11/2017); “De Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije: de ondersteuning is nuttig, maar er zijn verbeteringen nodig om de kosteneffectiviteit te vergroten” (nr. 11/2018) en “Noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika: flexibel, maar een gebrek aan gerichtheid” (nr. 32/2018),

gezien de besluiten van de Commissie om de EUTF’s tot en met december 2021 te verlengen in overeenstemming met artikel 234 van het Financieel Reglement, en gezien de standpunten van het Parlement over de ontwerpbesluiten tot verlenging,

gezien zijn resolutie van 18 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020 (9),

gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over de tenuitvoerlegging van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het instrument voor humanitaire hulp en het Europees Ontwikkelingsfonds (10),

gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp (11),

gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 inzake een nieuwe strategie EU-Afrika — een partnerschap voor duurzame en inclusieve ontwikkeling,

gezien zijn resoluties van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — jaarverslag 2020 (12), van 18 mei 2017 over de EU-strategie voor Syrië (13), van 6 oktober 2016 over Syrië (14), van 24 november 2016 over de situatie in Syrië (15) en van 6 juli 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016: boeking van het overschot van het begrotingsjaar 2015 (16),

gezien zijn resoluties van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije (17), van 12 december 2018 over het standpunt van de Raad inzake het tweede ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 (18) en van 4 juli 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III — Commissie: Uitbreiding van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (19),

gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2020 (20) en het bijbehorende besluit inzake het aanspreken van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2020 voor de voortzetting van humanitaire hulp aan vluchtelingen in Turkije (21),

gezien zijn resolutie van 19 mei 2021 over de Commissieverslagen 2019-2020 over Turkije (22),

gezien de besluiten van de Commissie van 2019 en 2020 om het EUTF Madad te verlengen tot en met 14 december 2021 in overeenstemming met artikel 234 van het Financieel Reglement,

gezien de toezeggingen die de EU en haar lidstaten tijdens de conferenties in Londen en Brussel tussen 2016 en 2021 hebben gedaan om de Syrische crisis aan te pakken en de Syrische bevolking te ondersteunen,

gezien de tussentijdse evaluatie 2018 van de Commissie en de regelmatige verslaglegging over de resultaten van het EUTF Madad,

gezien Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (23), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2018 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (Neighbourhood, Development and International Cooperation Instrument-Global Europe, NDICI-Europa als wereldspeler) voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0460), en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2018 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) 2021-2027 (COM(2018)0465),

gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 58 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie begrotingscontrole,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A9-0255/2021),

A.

overwegende dat er sinds 2014 vier EUTF’s zijn opgericht om te voorzien in de behoefte aan flexibele, snelle instrumenten om samenhangende, versterkte hulp te bieden als reactie op crises: het op 15 juli 2014 opgerichte EUTF Bêkou, dat als doel heeft de Centraal-Afrikaanse Republiek in alle opzichten te helpen bij het vinden van een uitweg uit de crisis en bij de wederopbouw; het EUTF Madad, een regionaal trustfonds van de Europese Unie dat op 15 december 2014 is opgericht naar aanleiding van de crisis in Syrië teneinde de middelen en respons op regionaal niveau te bundelen en aan te passen; het EUTF voor Afrika, een op 12 november 2015 opgericht noodtrustfonds van de Europese Unie voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, en het EUTF voor Colombia, dat op 12 december 2016 is opgericht ter ondersteuning van de uitvoering van het vredesakkoord tijdens het eerste herstel en de stabilisatie na het conflict;

B.

overwegende dat bij de herziening van het Financieel Reglement in 2018 bepalingen zijn ingevoerd die de controlebevoegdheden van het Parlement tot op zekere hoogte versterken wanneer nieuwe EUTF’s worden opgericht of de huidige worden verlengd; overwegende dat de bepalingen tekortschieten voor het waarborgen van volledige democratische controle door het Parlement en volledige controle door het Parlement als begrotingsautoriteit, overeenkomstig de Verdragen;

C.

overwegende dat het Parlement in 2020 hoofdzakelijk positieve adviezen heeft uitgebracht over de verzoeken om de EUTF’s tot eind 2021 te verlengen, maar daarbij wel zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over het gebrek aan transparantie bij de uitvoering van projecten, met name wat de projecten in verband met grens- en migratiebeheer betreft, en voor het EUTF voor Afrika de voorwaarde heeft gesteld dat bij alle gefinancierde projecten garanties worden geboden voor de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten;

D.

overwegende dat de oprichting zowel van de EUTF’s als van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FVT) haar rechtvaardiging vindt in de behoefte aan een flexibele, snelle ad-hocrespons die binnen het klassieke institutionele kader en de beperkte middelen en flexibiliteit van de EU-begroting niet mogelijk is; overwegende dat het nieuwe externe financiële kader van de EU, het NDICI-Europa als wereldspeler, een oplossing moet bieden voor de beperkingen die ertoe hebben geleid dat de instelling van trustfondsen noodzakelijk is voor een flexibelere en snellere respons op specifieke crises; overwegende dat de beginselen van democratische verantwoordingsplicht, transparantie en goed financieel beheer door extrabudgettaire instrumenten zoals de EUTF’s, alsook buitengewone instrumenten zoals de FVT, in het gedrang komen en dat de rol van het Europees Parlement en ook de integriteit en eenheid van de EU-begroting daardoor worden ondermijnd; overwegende dat het Parlement niet is geraadpleegd over de invoering van de extrabudgettaire instrumenten; overwegende dat aan het EUTF voor Afrika en het EUTF Bêkou is bijgedragen door het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), zodat het Parlement in het geheel niet bij de instelling van deze twee EUTF’s betrokken was; overwegende dat de betrokkenheid van het Parlement beperkt bleef tot de mogelijkheid bezwaar aan te tekenen tegen de ontwerpuitvoeringsbesluiten betreffende de oprichtingsovereenkomsten van het EUTF Madad en het EUTF voor Colombia;

E.

overwegende dat de Commissie bij de oprichting van een EUTF de toegevoegde waarde, de zichtbaarheid, de complementariteit met andere financieringsinstrumenten van de EU en de afstemming op de beleidsdoelstellingen moet verantwoorden, en overwegende dat het van essentieel belang is te zorgen voor voortdurende monitoring en evaluatie van het gebruik van de middelen om te garanderen dat de effecten ervan altijd in overeenstemming zijn met het EU-recht, de fundamentele waarden van de EU en de doelstellingen van de EU;

F.

overwegende dat de EUTF’s overeenkomstig het Financieel Reglement aan een jaarlijkse externe en onafhankelijke controle moeten worden onderworpen en dat de Commissie de bevoegdheid heeft de financieringsovereenkomst op te schorten wanneer het partnerland zich niet houdt aan een van de verplichtingen betreffende de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen of de rechtsstaat of in geval van ernstige corruptie; overwegende dat de Europese Rekenkamer de Commissie in haar speciale verslagen over de EUTF’s heeft aanbevolen de donorcoördinatie te verbeteren (Bêkou), de tekortkomingen in de uitvoering weg te nemen, de efficiëntie te verbeteren en gerichte acties te ondernemen (EUTF voor Afrika) en de kosteneffectiviteit te vergroten (FVT);

G.

overwegende dat er volgens de ramingen van de Commissie aanzienlijke aan vluchtelingen gerelateerde humanitaire behoeften zijn waarin de FVT niet voorziet;

H.

overwegende dat het Parlement weliswaar de toegevoegde waarde van de EUTF’s en de FVT erkent, maar herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzaak van een versterkte controle van het Parlement erop en van een grotere betrokkenheid bij de voorbereiding van en onderhandelingen over toekomstige EUTF’s en de verlenging van bestaande EUTF’s en andere financiële instrumenten die het externe optreden van de EU betreffen; overwegende dat het Parlement de Commissie heeft verzocht haar communicatie over de EUTF’s te verbeteren en heeft opgemerkt dat regelmatige, op cijfers gebaseerde informatie over de uitvoering van de EUTF’s van essentieel belang is om het Parlement in staat te stellen zijn rol op het gebied van democratisch toezicht en democratische controle uit te oefenen;

I.

overwegende dat het grootste deel van de bijdragen aan de EUTF’s nu afkomstig is uit de EU-begroting zelf, terwijl de bijdragen van de lidstaten een zeer klein deel van de totale begrotingen ervan uitmaken; overwegende dat de bijdragen van de lidstaten aan de FVT niet vrijwillig zijn, maar gebaseerd zijn op de bni-verdeelsleutel en rechtstreeks in de begroting van de Unie worden opgenomen als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement; overwegende dat in het geval van de EUTF’s de bijdragen van de lidstaten niet in de begroting van de Unie worden opgenomen uit hoofde van artikel 187, lid 6, van het Financieel Reglement;

J.

overwegende dat in de verklaring van de EU en Turkije van maart 2016 en in de overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije bijzondere aandacht wordt besteed aan het voorkomen van nieuwe routes over zee of over land voor illegale migratie, aan de ontmanteling van smokkelnetwerken, aan de controle van de Turkse grenzen en aan de aanvaarding van repatriëringen, op niet-discriminerende wijze;

K.

overwegende dat het hoofddoel van het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking erin bestaat de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen, zoals bepaald in artikel 208 VWEU; overwegende dat de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling het bepalende kader voor het ontwikkelingsbeleid van de EU blijft en dat de Europese consensus over humanitaire hulp de grondbeginselen van de humanitaire hulp opnieuw bevestigt; overwegende dat de EU en haar partners op het gebied van humanitaire hulp in staat moeten zijn bijstand en bescherming te garanderen op basis van de behoeften en de eerbiediging van de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid, menselijkheid en onafhankelijkheid van humanitaire acties; overwegende dat middelen uit officiële ontwikkelingshulp (official development assistance, ODA) moeten worden gebruikt voor economische, menselijke en sociale ontwikkeling, met name voor het waarborgen van toegang tot kwaliteitsonderwijs, het opbouwen van lokale weerbaarheid, onder meer in verband met de klimaatverandering, en vredeshandhavingsoperaties voor het verlenen van ontwikkelings- en/of humanitaire hulp, met bijzondere aandacht voor de ontwikkelingsproblemen die zijn vastgesteld in het besluit van het trustfonds;

L.

overwegende dat grensbewakingsprojecten in Libië volgens de oprichtingsovereenkomst van het EU-trustfonds voor Afrika onmiskenbaar binnen het mandaat van het EUTF vallen, alsmede van de verordening inzake het Europees nabuurschapsinstrument (ENI); overwegende dat sinds juli 2017 via het EUTF voor Afrika bijna 90 miljoen EUR is toegewezen om de Libische kustwacht op te leiden, uit te rusten en te ondersteunen en dat 49 miljoen EUR is toegewezen om iets te doen aan de omstandigheden waarin repatrianten worden vastgehouden; overwegende dat in de oprichtingsovereenkomst van het EUTF duidelijk wordt gesteld dat met het trustfonds activiteiten zullen worden gefinancierd die tot de verbetering van alle aspecten van migratiebeheer bijdragen in overeenstemming met de totaalaanpak van migratie en mobiliteit, met inbegrip van het beheersen en voorkomen van onregelmatige migratie en het bestrijden van mensenhandel; overwegende dat er niettemin beschuldigingen zijn geuit van schendingen van de mensenrechten in het kader van de activiteiten van de Libische kustwacht;

M.

overwegende dat het Parlement in 2020 van mening was dat, om over te gaan tot de verlenging van het EUTF voor Afrika, verplichte garanties moesten worden geboden inzake de eerbiediging van de mensenrechten voor alle projecten die financiering ontvangen, met bijzondere aandacht voor migratiebeheer, en er ook voor moest worden gezorgd dat in deze garanties wordt voorzien indien er in de toekomst behoefte is aan een naar behoren gemotiveerd nieuw trustfonds;

N.

overwegende dat er in het kader van het Regionaal Trustfonds van de EU in respons op de Syrische crisis (Madad-fonds) 2,3 miljard EUR is uitgetrokken, waaronder vrijwillige bijdragen van 21 EU-lidstaten, Turkije en het Verenigd Koninkrijk; overwegende dat de programma’s van het fonds gericht zijn op onderwijs, levensonderhoud, gezondheid, bescherming en water en ten goede komen aan vluchtelingen, intern ontheemden en lokale gemeenschappen, en dat er hulp mee wordt geboden aan meer dan 7 miljoen begunstigden; overwegende dat, toen de burgeroorlog in Syrië bleef aanslepen, de respons in het kader van het Madad-fonds evolueerde naar een combinatie van humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, met een grotere nadruk op een versterking van de systemen ter ondersteuning van de inspanningen en capaciteiten van de gastlanden om op deze aanhoudende crisis te reageren, met name via de openbaredienstverlening in Irak, Jordanië en Libanon;

O.

overwegende dat uit de evaluatie van het Madad-fonds blijkt dat projecten aanzienlijk sneller kunnen worden opgestart via het fonds dan via de standaardprocedures in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument en het instrument voor pretoetredingssteun; overwegende dat het fonds ook schaalvoordelen heeft kunnen realiseren, dankzij grootschalige projecten van gemiddeld 20 miljoen EUR en een gemiddelde uitvoeringstermijn van ongeveer dertig maanden;

P.

overwegende dat de FVT verschilt van de EUTF’s, voornamelijk omdat zij onderdeel blijft van de begroting van de Unie;

Q.

overwegende dat de FVT volgens de Commissie is ontworpen om de bestaande financieringsinstrumenten van de EU te coördineren, zodat deze op consistente en samenhangende wijze worden ingezet om tegemoet te komen aan de behoeften van vluchtelingen;

I.    Algemene overwegingen

Begrotingsaspecten

1.

neemt er nota van dat op 31 december 2020 de totale toezeggingen voor alle EUTF’s 7 691 miljoen EUR bedroegen, waarbij de bijdrage uit de EU-begroting 3 170 miljoen EUR bedroeg, waarvan 3 534 miljoen EUR afkomstig was van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en 988 miljoen EUR afkomstig was van de lidstaten en toezeggingen van andere donoren; merkt voorts op dat op diezelfde datum contracten waren gesloten ter waarde van 7 141 miljoen EUR en 4 869 miljoen EUR was betaald door de EUTF’s; merkt tevens op dat op 31 december 2020 de uitvoeringsgraad van de vastleggingskredieten voor alle EUTF’s 98 % bedroeg (het EUTF Madad had meer dan 95 % van de beschikbare vastleggingskredieten vastgelegd, het EUTF Bêkou 99 %, het EUTF voor Afrika 99 % en het EUTF voor Colombia 94 %), terwijl de algemene uitvoeringsgraad van de betalingskredieten 63 % bedroeg (het EUTF voor Afrika 62 %, het EUTF Bêkou 66 %, het EUTF voor Colombia 52 % en het EUTF Madad 64 %);

2.

herinnert eraan dat de FVT twee tranches omvat van elk 3 miljard EUR; betreurt dat, in tegenstelling tot de eerste tranche 2016-2017, waarin de EU-begroting 1 miljard EUR bijdroeg en de lidstaten 2 miljard EUR, de verhouding tussen de bijdragen in de tweede tranche 2018-2019 was omgekeerd, wat ten koste ging van de bestaande projecten van de Unie;

3.

herinnert eraan dat bij de eerste tranche van de FVT de bijdragen uit IPA II 52,4 %, humanitaire hulp 46,6 %, het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede 0,7 % en het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking 0,3 % bedroegen, terwijl voor de tweede tranche de bijdragen uit IPA II 64,5 % en humanitaire hulp 35,5 % bedroegen;

4.

merkt op dat eind 2020 36,6 % van de eerste aan de FVT toegewezen tranche was uitgevoerd door direct beheer en 63,4 % door indirect beheer (waarvan ruim vier vijfde door internationale organisaties); merkt voorts op dat voor de tweede tranche direct beheer 32,1 % uitmaakte (100 % door de Europese Commissie) en indirect beheer 67,9 % (waarvan drie kwart door internationale organisaties);

5.

merkt verder op dat internationale organisaties de grootste uitvoerenden van de EUTF’s waren (36,8 %), gevolgd door de Europese Commissie (35,7 %), agentschappen van de lidstaten (24,2 %) en overheidsinstanties (3,4 %);

De betrokkenheid van het Parlement bij de besluitvormings- en resultaatmonitoringkaders en bij de verslaglegging en/of evaluatie

6.

neemt er nota van dat de commissievoorzitters en de betrokken leden de status van waarnemer hebben gekregen bij de vergaderingen van de strategische raden van de trustfondsen en bij de FVT-stuurgroep; betreurt dat deze status niet formeel is vastgelegd in de oprichtingsovereenkomsten van de trustfondsen; dringt er met klem op aan dat in de uitnodigingen voor de raadsvergaderingen rekening wordt gehouden met het officiële vergaderrooster van het Parlement en dat alle relevante informatie en documenten die bij de raadsvergaderingen zullen worden besproken ruim van tevoren worden verstrekt zodat de leden en de medewerkers van het secretariaat-generaal actief kunnen deelnemen;

7.

betreurt de beperkte rol van het Parlement bij de besluitvorming over, het toezicht op en de controle van de bijdragen van de Unie aan de EUTF’s en herhaalt dat de bestaande juridische, regelgevende en budgettaire oplossingen volledig hadden moeten worden benut vóór de oprichting en/of verlenging van de EUTF’s, die een laatste redmiddel moeten blijven; herinnert aan zijn eerdere onbeantwoorde verzoeken en herhaalt dat het Parlement vertegenwoordigd moet zijn op de vergaderingen van en toezicht moet kunnen houden op de activiteiten van de operationele comités, en verzoekt de Commissie tijdig gedetailleerde informatie te verstrekken over de besluiten die in deze comités worden genomen; is van mening dat het Parlement zijn bevoegdheden met betrekking tot de controle op de uitvoering en de begroting ten volle moet uitoefenen en erop moet toezien dat de EU-financieringsbeslissingen en gerelateerde toewijzingen stroken met de beginselen van de Unie inzake legaliteit en goed financieel beheer, zodat het EU-optreden democratische legitimiteit geniet en er verantwoording voor wordt afgelegd;

8.

neemt kennis van de inspanningen van de Commissie om de maatregelen nauwlettend te monitoren en te evalueren, en om kennis te genereren over de activiteiten van de EUTF’s en van de FVT, door middel van een speciale reeks verslagen; vraagt dat deze inspanningen transparanter zijn, waarbij de transparantie kan worden verbeterd door relevante gegevens te publiceren op de websites van de EUTF’s en de FVT, met inbegrip van specifieke informatie over de gefinancierde projecten en de mate waarin de aangegeven doelstellingen zijn gerealiseerd; wijst erop dat de beschikbaarheid, het gedetailleerde karakter, de volledigheid en de feitelijke consistentie van dergelijke verslagen essentieel zijn om het Europees Parlement in zijn hoedanigheid van begrotingsautoriteit te helpen de uitvoering op adequate wijze te beoordelen;

9.

merkt op dat het jaarverslag over 2019 en 2020 van het EUTF voor Afrika informatie over de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bevat; betreurt dat deze informatie niet openlijk beschikbaar is vanwege de geringe transparantie op het gebied van onderaanneming; merkt op dat dergelijke informatie waar mogelijk op projectniveau moet worden uitgesplitst, rekening houdend met de naar behoren gemotiveerde vereisten van vertrouwelijkheid en veiligheid;

10.

betreurt de late kennisgeving van de Commissie dat zij de duur van de EUTF’s wilde verlengen en de late evaluaties van sommige trustfondsen, waardoor het Parlement in het geval van het trustfonds voor Afrika niet tijdig tot volledige en precieze conclusies kon komen, met als gevolg een beperking van de democratische controle en van de aflegging van verantwoording;

11.

herhaalt zijn eis dat de verlenging van de EUTF’s tot december 2021 waarmee het heeft ingestemd, vooral van technische aard moet zijn, om een soepele overgang mogelijk te maken naar het nieuwe MFK en ervoor te zorgen dat op efficiënte wijze contracten kunnen worden gesloten en dat de reeds vastgelegde middelen efficiënt kunnen worden gebruikt; wijst erop dat de Commissie heeft verzekerd dat de verlengingen bedoeld waren om een continue rechtsgrondslag te garanderen voor de betaling van de vastleggingen die zijn gedaan in het kader van het vorige MFK (2014-2020) en dat geen nieuwe vastleggingen voor de EUTF’s zullen worden gedaan uit hoofde van het NDICI of IPA III;

12.

onderstreept dat de Commissie in haar verslagen de complementariteit moet aantonen van de verschillende financiële instrumenten voor de terreinen die onder de EUTF’s en de FVT vallen, met inbegrip van het Europees plan voor externe investeringen, alsmede de gegenereerde toegevoegde waarde;

II.    Beoordeling per EU-trustfonds/FVT

Bêkou

13.

merkt op dat het Bêkou-trustfonds deels heeft bijgedragen als een van de instrumenten om de situatie een te pakken in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) en dat het heeft bijgedragen aan de benadering op basis van een combinatie van de ontwikkelings- en de humanitaire behoeften in de CAR;

14.

verwijst voorts naar de conclusies van de delegatie van zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking naar de Centraal-Afrikaanse Republiek in februari 2018, waarin wordt opgemerkt dat het Bêkou-trustfonds in het land zichtbaar is en positief onthaald lijkt te worden, met projecten die in ieder geval op lokaal niveau en op kleinere schaal adequaat inspelen op de behoeften, die evolueren van herstel en levensonderhoud naar ontwikkeling op langere termijn;

15.

wijst op de conclusies van de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag van 2017, dat het Bêkou-trustfonds over het algemeen positieve resultaten heeft geboekt en steun heeft aangetrokken, maar weinig nieuwe donoren, en dat de meeste projecten hun verwachte output hebben geleverd en de zichtbaarheid van de EU hebben vergroot; wijst echter op de aanbeveling in het verslag om de reikwijdte van de interventies beter te definiëren en de donorcoördinatie, de selectieprocedures voor projecten, de monitoring en de prestatiemetingen te verbeteren, alsmede om de kosten te optimaliseren en de transparantie bij het selecteren van de uitvoerende organisaties te vergroten; merkt op dat de lidstaten in het operationeel comité vertegenwoordigd worden door hun eigen nationale ontwikkelingsagentschappen, die ook worden geselecteerd als uitvoerders van projecten, en vreest dat dit kan leiden tot een mogelijk belangenconflict in de procedure voor de selectie van projecten door het operationeel comité;

16.

merkt op dat door de humanitaire crisis, de armoede en de nieuwe veiligheidsuitdagingen die zich in de CAR stellen, toekomstige steun van de EU gerichte en eventueel flexibele EU-financiering uit hoofde van het NDICI-Europa als wereldspeler zal vergen om de humanitaire respons, de vrede en de veiligheid, de democratisering en versterking van de democratische instellingen en de eerbiediging van de mensenrechten in de CAR te bevorderen;

17.

is van mening dat de situatie in het land ondanks het optreden van de EU en andere donoren nog steeds instabiel is vanwege nieuwe conflicten die de kop opsteken en de grote voedselonzekerheid;

Madad

18.

is van oordeel dat het EUTF Madad zijn meerwaarde in de reactie op de crisis en voor de EU heeft bewezen, door een grotere externe zichtbaarheid en slagkracht, meer controle en coördinatie en een grotere hefboomwerking van middelen uit verschillende bronnen ten opzichte van optreden door landen afzonderlijk of via andere internationale kanalen; merkt op dat de uitgaven ervan in overeenstemming waren met de rechtsgrondslagen of de gebruikte instrumenten van de Unie en met de doelstellingen ervan; herinnert er daarom aan dat in het kader van het Madad-trustfonds gefinancierde projecten de waardigheid, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden moeten bevorderen en beschermen, en sociale en economische inclusie moeten bevorderen, met name van minderheden en kwetsbare groepen; betreurt dat het conflict in Syrië nog steeds voortduurt en benadrukt het feit dat de behoeften van de Syrische vluchtelingen, die in de nabije toekomst niet naar hun thuisland kunnen terugkeren, en de behoeften van hun gastgemeenschappen met betrekking tot integratie en werkgelegenheid voor langere termijn nog steeds langdurige EU- en internationale steun vergen om de capaciteit voor integratie en werkgelegenheid op langere termijn op een samenhangende manier met de gastgemeenschappen te waarborgen; wijst erop dat in de conflictgevoelige gebieden in Syrië momenteel geen langetermijnwederopbouw mogelijk is;

19.

merkt op dat in het verslag betreffende de strategische evaluatie halverwege van oktober 2018 werd geconcludeerd dat het Madad-trustfonds een groot en kosteneffectief fonds is, waarmee tegen relatief lage kosten een groot aantal begunstigden wordt bereikt en dat het de EU in staat heeft gesteld flexibel op te treden;

20.

is verheugd over de snelle en flexibele reactie van het trustfonds bij de ondersteuning van de partnerlanden en -gemeenschappen tijdens de uitbraak van het coronavirus, toen het actief heeft meegewerkt aan de herschikking en heroriëntering van de activiteiten, niet alleen op het gebied van gezondheid, maar ook op andere terreinen, zoals levensonderhoud, bescherming, onderwijs en sociale cohesie in Libanon, Irak, Turkije en Jordanië;

21.

benadrukt het belang van continue steun voor vluchtelingen, intern ontheemden en kwetsbare gastgemeenschappen, ook in de ruimere regio, die worden getroffen door het aanhoudende conflict, door middel van een mix van voorspelbare, volledig transparante en snel inzetbare financiering op langere termijn uit hoofde van instrumenten die zijn vastgesteld voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2021--2027 en mogelijke bijdragen van de lidstaten in de vorm van externe bestemmingsontvangsten, rekening houdend met alle financiële instrumenten waarin is voorzien in het Financieel Reglement;

22.

herinnert aan de kwetsbaarheid van de gemeenschappen van Palestijnse vluchtelingen in Syrië en de regio en vraagt continue steun en de opname van deze gemeenschappen in de humanitaire plannen en responsmaatregelen van de EU met betrekking tot de crisis in Syrië;

Afrika

23.

merkt op dat het trustfonds voor Afrika is ingesteld als noodtrustfonds om de crises te helpen aanpakken in drie regio’s in Afrika, met het oog op stabiliteit op lange termijn en het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen; is van mening dat het EUTF voor Afrika een snel en flexibel instrument is om te helpen bij de aanpak van gemeenschappelijke, mondiale uitdagingen, zoals migratie en gedwongen ontheemding, de gevolgen van de klimaatverandering en economische crises; wijst erop dat de ongekende situatie die is ontstaan in de context van de huidige COVID-19-pandemie alle nodige flexibiliteit en snelheid nodig heeft gemaakt; benadrukt echter dat flexibiliteit altijd moet worden gecombineerd met volledige transparantie en aflegging van verantwoording; is van mening dat er wellicht ruimte voor verbetering is, met gerichtere maatregelen over de drie onderdelen heen en steun voor het meten en rapporteren van resultaten;

24.

neemt kennis van het feit dat 78 projecten hebben bijgedragen tot meer economische en werkgelegenheidskansen, 97 projecten zijn ondernomen om de weerbaarheid te versterken, 75 projecten waren gericht op migratiebeheer en 75 projecten hebben bijgedragen aan de verbetering van bestuur en conflictpreventie; stelt met bezorgdheid vast dat migratiebeheer als gevolg van specifieke omstandigheden centraal is komen te staan in de respons van de EU in bepaalde projecten; herhaalt echter dat de oorspronkelijke doelstellingen, namelijk het verbeteren van de weerbaarheid en het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie, moeten worden gehandhaafd;

25.

is ingenomen met het feit dat het EUTF voor Afrika in bepaalde gevallen heeft bijgedragen tot de drieledige benadering waarbij humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede worden gecombineerd, hetgeen niet mogelijk was met de financiële instrumenten van de EU in het kader van het vorige MFK; herinnert eraan dat de financiering in het kader van het EUTF moet worden uitgevoerd en geëvalueerd op basis van de ODA-criteria en dat alle uitgaven die niet aan deze vereiste voldoen, moeten worden gefinancierd uit andere bronnen, die in het trustfonds worden samengebracht, en verwerpt ieder gebruik van ODA-middelen dat strijdig is met de ontwikkelingsdoelstellingen; herinnert eraan dat humanitaire hulp als grondbeginsel onafhankelijk moet zijn;

26.

betreurt het feit dat niet minder dan 37 % van het EUTF voor Afrika is toegewezen aan maatregelen ter beperking en vermindering van migratie, terwijl minder dan 9 % is toegewezen aan de aanpak van de oorzaken van migratie en gedwongen ontheemding; merkt op dat minder dan 1,5 % van het EUTF voor Afrika was toegewezen aan reguliere migratiekanalen; erkent dat veiligheid essentieel is voor de stabiliteit van de Afrikaanse partnerlanden en dat de EU de partnerlanden moet steunen bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van irregulieremigratiestromen, smokkel en mensenhandel;

27.

neemt kennis van de rapporten over aanhoudende mensenrechtenschendingen die in Libië plaatsvinden in de context van acties door de Libische kustwacht; wijst erop dat vele van de door de kustwacht geredde of onderschepte personen worden teruggevoerd en op willekeurige wijze vastgehouden in afschuwelijke omstandigheden in Libië; onderstreept dat de terugzending van vluchtelingen naar landen waar ze niet veilig zijn een schending is van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951; merkt op dat er in het kader van het noodtransitmechanisme bezorgdheid bestaat over de eerbiediging van de mensenrechten bij de uitvoering van projecten; merkt op dat het beginsel van non-refoulement in Libië niet in acht wordt genomen; herinnert er evenwel aan dat bij elk optreden de volledige bescherming moet worden gewaarborgd van het menselijk leven, de waardigheid en de mensenrechten; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband om in overleg met maatschappelijke organisaties een evaluatie en een specifieke risicobeoordeling uit te voeren van de samenwerkingsactiviteiten met de bevoegde autoriteiten op het gebied van maritieme en grensbewaking en -beheer die in het kader van het EUTF voor Afrika worden gefinancierd, om te zorgen voor een objectieve beoordeling van de eerbiediging van de mensenrechten;

28.

onderstreept het belang van samenwerking en dialoog met lokale partners; juicht de raadplegingen en studies toe die zijn uitgevoerd voor het identificeren van de prioritaire behoeften; verzoekt de Commissie met klem lokale autoriteiten en maatschappelijke organisaties naar behoren te betrekken bij projecten die door het EUTF voor Afrika worden ondersteund;

29.

merkt op dat een van de kerndoelstellingen van het EUTF voor Afrika, als vastgesteld in de oprichtingsovereenkomst, bestaat in het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie, in het bijzonder door het bevorderen van weerbaarheid, economische en gelijke kansen, veiligheid en ontwikkeling en het aanpakken van mensenrechtenschendingen; wenst dat meer nadruk wordt gelegd op ontwikkelingsdoelen voor de lange termijn, zoals werkgelegenheid, onderwijs, voedselzekerheid en het verbeteren van de levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking;

30.

merkt op dat in speciaal verslag nr. 32/2018 van de Europese Rekenkamer werd gewezen op diverse tekortkomingen, onder andere de niet-toepassing van de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten en ondoorzichtig beheer, aanbevolen werd om te zorgen voor een verbeterde procedure voor de selectie van projecten, een hogere uitvoeringssnelheid en een systematischer proces voor prestatiemonitoring, dat betrekking moet hebben op het volledige scala van projecten, en werd opgemerkt dat het fonds vanwege zijn brede toepassingsgebied vaak niet doeltreffend was door het ontbreken van een adequate kwantificering van de behoeften en middelen waarmee een meting van de impact had kunnen worden gerealiseerd; vraagt de communicatie over inschrijvingen voor aanbestedingen te vereenvoudigen en te verbeteren teneinde de toegang tot EU-financiering voor kleinere en lokale ngo’s te faciliteren;

31.

merkt op dat het EUTF voor Afrika een bijdrage heeft geleverd aan het versterken van de weerbaarheid en aan de uitvoering van gecombineerde humanitaire en ontwikkelingshulp in kwetsbare omstandigheden; merkt voorts op dat het ook de samenwerking heeft bevorderd tussen verschillende belanghebbenden en bijdragen mogelijk heeft gemaakt van niet-EU-donoren, die sinds de brexit bijzonder belangrijk zijn geworden, en dat het meer zichtbaarheid heeft gegeven aan het vraagstuk van migratie en gedwongen ontheemding en de respons van de EU daarop; betreurt tegelijkertijd dat de uitvoering van dit fonds niet adequaat is gemonitord en vraagt dat specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden doelstellingen (specific, measurable, achievable, realistic and timely, SMART) worden opgenomen in de langetermijnkaders van de projecten en dat kwantificeerbare streefcijfers worden bepaald voor het evalueren van projecten;

32.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie om middelen uit het EUTF voor Afrika in te trekken die oorspronkelijk waren toegewezen aan Eritrea, in het bijzonder ter financiering van overheidsopdrachten voor het herstel van wegen waarbij gebruik werd gemaakt van dwangarbeid;

Colombia

33.

is van oordeel dat het trustfonds voor Colombia zijn waarde heeft bewezen en onder de huidige omstandigheden een belangrijk instrument is om de uitvoering van het vredesakkoord tussen de Colombiaanse regering en de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC) te ondersteunen; wijst erop dat de verlenging van het EUTF voor Colombia een verdere bevestiging vormt van de inspanningen van de EU, en het Colombiaanse vredesproces de broodnodige ondersteuning heeft geboden; herinnert eraan dat het EUTF voor Colombia is ingesteld uit hoofde van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en in het verlengde moet liggen van het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: “Hoofddoel van het beleid van de Unie op dit gebied is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen en “De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”;

34.

onderstreept de belangrijke rol van het fonds bij de ondersteuning van Colombia op het gebied van algemene plattelandsontwikkeling en economische groei; vraagt dat bij de uitvoering van het Colombiaanse vredesproces voort prioriteit wordt gegeven aan volledig transparante financieringsprogramma’s en monitoring voor de middellange en lange termijn, dat deze programma’s de adequate democratische controle en de betrokkenheid genieten van het Europees Parlement en dat er passend, transparant en inclusief overleg over wordt gepleegd met de belanghebbenden, met name lokale maatschappelijke organisaties;

35.

prijst Colombia om de inspanningen die het ondanks zijn eigen problemen met de uitvoering van het vredesakkoord levert om steun te verlenen aan meer dan 1,7 miljoen Venezolaanse migranten die naar Colombia zijn gevlucht, met name door hun een tijdelijke beschermingsstatus te verlenen voor tien jaar;

36.

is verheugd over het engagement van de Republiek Chili als donor van het trustfonds; merkt op dat de deelname van regionale partners een grote toegevoegde waarde heeft, en zowel de plaatselijke erkenning als het legitieme karakter van de inzet en de samenwerking van de EU heeft vergroot;

Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FVT)

37.

wijst erop dat Turkije met bijna 4 miljoen geregistreerde vluchtelingen uit Syrië, Irak en Afghanistan het grootste aantal vluchtelingen ter wereld opvangt; herinnert aan de belangrijke rol van de FVT bij het opvangen van vluchtelingen uit Syrië; vraagt een grondige beoordeling van het effect van de verklaring van de EU en Turkije op de mensenrechten en onderstreept dat het belangrijk is dat beide partijen in het kader van de uitvoering van de verklaring de grondrechten eerbiedigen; is van mening dat de EU de nodige steun moet blijven verlenen aan de Syrische en andere vluchtelingen en aan de gastgemeenschappen in Turkije, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de Turkse regering niet rechtstreeks betrokken is bij het beheer en de toewijzing van middelen, die in de eerste plaats rechtstreeks moeten worden verstrekt aan de vluchtelingen en de gastgemeenschappen en beheerd moeten worden door organisaties die de aflegging van verantwoording en transparantie garanderen;

38.

is van oordeel dat de FVT van de EU haar waarde heeft bewezen als innovatief bundelingsinstrument en belangrijk coördinatiemechanisme om Turkije bij te staan bij een snelle respons op de onmiddellijke humanitaire en ontwikkelingsbehoeften van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen, en benadrukt dat de duurzaamheid van deze activiteiten gewaarborgd moet worden; merkt daarom op dat de meeste projecten moesten worden verlengd om het verwachte resultaat te bereiken; spreekt zijn steun uit aan de maatschappelijke organisaties in Turkije en roemt de inspanningen die internationale organisaties zich bij de uitvoering van deze projecten hebben getroost; onderstreept de toegevoegde waarde die wordt gegenereerd doordat lokale en uit diverse lidstaten afkomstige organisaties, deskundigen en ngo’s worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van de FVT;

39.

is ingenomen met het succes van de eerste tranche van de FVT, in het bijzonder het sociale vangnet voor noodgevallen (Emergency Social Safety Net, ESSN), het grootste humanitaire project dat door de Commissie wordt beheerd; is ingenomen met de vooruitgang van de tweede tranche, die een geleidelijke verschuiving mogelijk maakt van humanitaire naar ontwikkelingshulp;

40.

wijst op de rol die de FVT heeft gespeeld door aan zo’n 1,8 miljoen vluchtelingen steun te verstrekken voor de voorziening van hun basisbehoeften, aan 668 900 kinderen van vluchtelingen door het verstrekken van onderwijs en aan miljoenen vluchtelingen door het verstrekken van gezondheidszorg en het bieden van bescherming; benadrukt evenwel het feit dat in speciaal verslag nr. 27/2018 van de Rekenkamer wordt gewezen op inconsistentie in de financiering van activiteiten inzake gezondheid en onderwijs, met een gelijktijdig gebruik van verschillende beheersstructuren voor het financieren van vergelijkbare projecten; merkt op dat er in het verslag voorts op wordt gewezen dat betere resultaten hadden kunnen worden behaald in de projecten voor bijstand in contanten en dat de Commissie erin wordt verzocht de programmering voor gemeentelijke infrastructuur en sociaal-economische steun te verbeteren, een operationele omgeving voor ngo’s te faciliteren en de verslaglegging over de faciliteit te verbeteren; wijst met name op de impact van COVID-19 op de vluchtelingen en merkt op dat de FVT is opgericht ondanks de ernstige bezorgdheid die er was over de mensenrechtensituatie van vluchtelingen in Turkije vanuit het oogpunt van het internationale asielrecht; herinnert eraan dat de Commissie in 2020 om 481,6 miljoen EUR extra uit de begrotingsmarge voor onvoorziene uitgaven heeft gevraagd bovenop de oorspronkelijk geplande toewijzing voor de FVT, om de activiteiten te financieren uit hoofde van het ESSN-programma en het programma inzake de voorwaardelijke overdracht van contanten voor onderwijs (Conditional Cash Transfer for Education, CCTE);

41.

herhaalt nogmaals het ernstig te betreuren dat het Parlement niet formeel is geraadpleegd of om goedkeuring is gevraagd voor de oprichting of verlenging van deze faciliteit en hierbij slechts betrokken was als één tak van de begrotingsautoriteit, waardoor de democratische verantwoordingsplicht van de FVT wordt ondermijnd; benadrukt dat het niet nogmaals voor deze situatie gesteld mag worden;

42.

onderstreept dat de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 27/2018 (24) vragen heeft bij de efficiëntie van de in het kader van de FVT gefinancierde humanitaire projecten, aangezien niet op consistente wijze een grondige beoordeling is uitgevoerd van het redelijke karakter van de voor de projecten begrote kosten; merkt op dat in het verslag ook bezorgdheid wordt geuit over het feit dat het niet mogelijk is om tijdens de audit alle humanitaire projecten te monitoren; wijst er in dit verband op dat de weigering van de Turkse autoriteiten om voor de twee projecten voor bijstand in contanten toegang te verlenen tot gegevens over de begunstigden, vragen kan doen rijzen over de degelijkheid van het financieel beheer in het kader van de faciliteit, met name gezien de snelle terugval van de rechtsstaat en de grondrechten in Turkije; herinnert eraan dat controle moeten worden uitgeoefend op het gebruik van middelen door de Turkse regering of lokale autoriteiten; herhaalt dat de middelen uitsluitend mogen worden gebruikt om te voorzien in de fysieke en psychologische behoeften van vluchtelingen, waaronder huisvesting, voedsel, onderwijs en het waarborgen van een behoorlijke levensstandaard; verzoekt de Commissie de monitoring te verbeteren en gegevens over de begunstigden te verkrijgen voor alle FVT-programma’s en -projecten; wijst erop dat de Commissie met het oog op volledige aflegging van verantwoording en ter voorkoming van dubbele financiering de middelen beschikbaar moet stellen op basis van door de uitvoerende partners ter plaatse behaalde streefdoelen en na uitvoering van de uitvoeringsbeoordeling volgens de regels van het Financieel Reglement; verzoekt de Commissie daarom ervoor te zorgen dat de doelstellingen en de uitvoering van de FVT in overeenstemming zijn met de algemene beginselen, beleidsmaatregelen en doelstellingen van de EU, waaronder democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, en spreekt zijn bezorgdheid uit over de aantasting van deze beginselen in Turkije;

43.

benadrukt dat het belangrijk is de overgang te maken van humanitaire noodhulp naar ontwikkelingssamenwerking en verzoekt de Commissie een overgangsstrategie te ontwerpen en uit te voeren, met focus op het leveren van een bijdrage aan het scheppen van mogelijkheden voor vluchtelingen om in hun levensonderhoud te voorzien, zodat ze zelfredzamer worden en beter sociaal geïntegreerd raken in hun gastgemeenschap; herinnert aan de langetermijndoelstelling van de EU dat alle door de EU gefinancierde activiteiten geleidelijk worden overgenomen door de Turkse autoriteiten, met volledige eerbiediging van de democratie, rechtsstaat en grondrechten; verzoekt alle partijen die betrokken zijn bij de komende multilaterale conferentie over het oostelijke Middellandse Zeegebied om deze kwestie op alomvattende wijze aan te pakken, samen met humanitaire en ontwikkelingskwesties;

44.

herhaalt zijn verzoek dat Turkije het beginsel van non-refoulement eerbiedigt, met name aan de Syrische grens, om ervoor te zorgen dat de mensenrechten van vluchtelingen en hun status zoals gewaarborgd door het Vluchtelingenverdrag van 1951 volledig worden geëerbiedigd, en dat het de migratiestromen niet instrumentaliseert en gebruikt als chantagemiddel tegen de EU voor politieke doeleinden; verwacht dat Turkije de verklaring van de EU en Turkije van maart 2016 en de overname-overeenkomst tussen de EU en Turkije onverkort en op niet-discriminerende wijze uitvoert; dringt er bij de Commissie op aan de uitvoering van de verklaring van de EU en Turkije nauwlettend te monitoren, onder meer met betrekking tot de mensenrechtensituatie van asielzoekers en migranten die in het kader van de verklaring naar Turkije zijn teruggestuurd, en daarover verslag uit te brengen bij het Parlement; verzoekt de Turkse autoriteiten het UNHCR volledige toegang te verlenen tot de uitzetcentra aan de Turks-Syrische grens om ervoor te zorgen dat het kan controleren of het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd; wijst erop dat de financiële steun aan Turkije voor het beheer van de vluchtelingenstromen gepaard moet gaan met volledige budgettaire transparantie en dat maatschappelijke organisaties hier zonder beperking bij moeten worden betrokken; verzoekt de Commissie de Turkse autoriteiten te verzoeken de werkomstandigheden voor internationale ngo’s te verbeteren; verzoekt de Commissie te putten uit haar ervaring met speciale systemen voor externe verificatie om het toezicht op de uitgaven aan te scherpen;

45.

verzoekt Turkije geen vluchtelingen vast te houden in detentiecentra met de bedoeling ze formulieren voor vrijwillige terugkeer te laten ondertekenen, alsmede hun toegang te garanderen tot gezondheidszorg, ongeacht de plaats te lande waar ze geregistreerd zijn;

46.

merkt op dat met de FVT alleen geregistreerde vluchtelingen worden ondersteund; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat veel vluchtelingen het zonder hulp moeten stellen sinds de registratie in bepaalde provincies en steden is bemoeilijkt;

47.

is ingenomen met het verzoek van de Raad aan de Commissie om een voorstel voor te leggen aan de Raad voor de voortzetting van de financiering voor Syrische vluchtelingen in Turkije, alsmede in Jordanië, Libanon en andere delen van de regio;

III.    Toekomstperspectieven en aanbevelingen

48.

onderstreept dat beter moet worden voorzien in de financieringsbehoeften in geval van aanhoudende crises en met het oog op een flexibele en samenhangende coördinatie en overgang van humanitaire noodhulp naar wederopbouw en ontwikkeling, op een manier de strookt met de internationale doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, inclusief de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de beginselen van het ontwikkelingsbeleid van de EU, zoals het ondersteunen van het uitbannen van armoede en het terugdringen van ongelijkheid, en in het geval van humanitair optreden, met volledige eerbiediging van de beginselen van humanitaire hulp, namelijk menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, en met volledige bescherming van mensenlevens, de menselijke waardigheid en de mensenrechten; benadrukt dat de EU-bijstand efficiënt en doeltreffend moet zijn, zodat hij een reëel effect sorteert op het terrein;

49.

benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de lessen die zijn geleerd bij de oprichting, het beheer en de uitvoering van de trustfondsen en de FVT en dat deze moeten worden toegepast op de nieuwe generatie externe financieringsinstrumenten, en dat er een grotere synergie en coherentie moet zijn van de externe bijstand van de EU en de parlementaire controle; verzoekt de Commissie haar algemene eindevaluatie van de tenuitvoerlegging van de EUTF’s te presenteren, met een beoordeling van de overeenstemming ervan met de humanitaire, mensenrechten- en ontwikkelingsdoelstellingen van de EU; benadrukt voorts dat, mocht er in de toekomst een nieuw EUTF of ad-hocinstrument nodig zijn, het bijdragemechanisme uit de begroting van de Unie duidelijk moet worden gedefinieerd en dat hier van meet af aan over moet worden onderhandeld met volledige betrokkenheid van het Parlement; is tevens van mening dat het effect en de zichtbaarheid van de externe bijstand van de EU verder moeten worden vergroot, waarbij moet worden gewezen op de rol van de EU en haar lidstaten als grootste donoren van de ontwikkelingsfinanciering wereldwijd;

50.

verzoekt de Commissie te zorgen voor een transparante effectbeoordeling, die wordt uitgevoerd door onafhankelijke EU-organen en deskundigen, van de impact van door de EU gefinancierde projecten op de mensenrechten van migranten en vluchtelingen, alsook op de bevolking in het desbetreffende land in het algemeen; vraagt de instelling van een effectief en onafhankelijk monitoringmechanisme om de eindbestemming van deze fondsen te monitoren en te evalueren, alsmede protocollen om in te grijpen in het geval van schendingen van de grondrechten; acht het noodzakelijk regionale en lokale autoriteiten en actoren uit het maatschappelijk middenveld volledig te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering hiervan; verzoekt de Commissie en de lidstaten een volledig en duidelijk overzicht op te stellen van de middelen die worden gebruikt voor het financieren van de samenwerking met derde landen op het gebied van migratiebeheer, voor alle financieringsinstrumenten, alsmede van de tenuitvoerlegging van deze middelen; onderstreept het belang van het delen van de controlegegevens met het EU-kader voor financiële controle, met inbegrip van de Rekenkamer, OLAF en het EOM;

51.

wijst erop dat er een betere aanpak nodig is van de uitdagingen inzake intra-Afrikaanse migratie, die bijna 90 % uitmaakt van de migratiestromen in Afrika, in nauwe samenwerking met de Afrikaanse Unie en overeenkomstig haar migratiebeleidskader voor Afrika en actieplan 2018-2030; benadrukt het feit dat op lange termijn evenwel een aanpak moet worden gevolgd waarmee geen afhankelijkheid wordt gecreëerd van externe interventie; dringt in dit verband aan op empowerment door middel van onderwijs en benadrukt dat hoogwaardig onderwijs belangrijk is voor het creëren van meer steun voor ontwikkelingssamenwerking;

52.

merkt op dat gendergelijkheid en sociale inclusie twee van de belangrijkste thema’s zijn waarop de uitgaven in het kader van de programmering van NDICI-Europa als wereldspeler zijn gericht; herhaalt het engagement van de EU voor de empowerment van vrouwen en meisjes en verzoekt de Commissie gendergelijkheid samen met het opbouwen van weerbaarheid en aanpassing aan de klimaatverandering te integreren in de planning en uitvoering van de trustfondsen en de FVT; beveelt aan bij de uitvoering van projecten zowel uit hoofde van de EUTF’s als uit hoofde van de FVT stelselmatig een gendergevoelige analyse uit te voeren en aandacht te besteden aan de betrokkenheid van vrouwen bij het ontwerpen van ondersteunde projecten;

53.

verzoekt de Commissie de samenwerking met derde landen die de grondrechten niet volledig eerbiedigen op te schorten of te herzien, onder meer door het opschorten van specifieke financiering en projecten waarbij de mensenrechten in het geding komen of worden ondermijnd;

54.

neemt er kennis van dat het Financieel Reglement weliswaar de mogelijkheid biedt om trustfondsen voor extern optreden in te stellen, maar dringt er eens te meer op aan dat externe hulp volledig wordt gefinancierd uit de Uniebegroting en ten uitvoer wordt gelegd op coherente wijze, volgens een gestroomlijnde reeks regels, op basis van medewetgevingsinstrumenten en met volledige eerbiediging van de wetgevings-, begrotings- en controlebevoegdheden van het Parlement en de voor de EU-begroting geldende beginselen van eenheid, aflegging van verantwoording, transparantie, doelmatigheid en goed begrotingsbeheer; beklemtoont dat de invoering van uitzonderlijke instrumenten de financieringsgovernance nog complexer maakt en bestaande instrumenten voor extern beleid onder financiële druk zet, met mogelijke gevolgen voor hun efficiëntie; is van mening dat EUTF’s alleen mogen worden gebruikt om te reageren op een plotselinge grote crisis en op situaties waarin de respons van meerdere donoren gecoördineerd moet worden en waarin de doelstelling van het externe beleid niet volledig kan worden verwezenlijkt door de bestaande instrumenten voor externe financiering, en op voorwaarde dat het beginsel van goed financieel beheer in acht wordt genomen, dat het trustfonds van de Unie niet overlapt met andere, bestaande financieringskanalen of soortgelijke instrumenten zonder dat er sprake is van additionaliteit en dat de doelstellingen van het trustfonds zijn afgestemd op de doelstellingen van het instrument of de begrotingspost van de Unie waaruit het fonds wordt gefinancierd; verzoekt de Commissie te zorgen voor een efficiëntere communicatie op het terrein en de rol te benadrukken van de EU als grootste donor van de mondiale ontwikkelingsfinanciering;

55.

wijst erop dat het bundelen van middelen uit het EOF, de Uniebegroting en andere donoren in trustfondsen niets mag wijzigen aan het vermogen van bestaande EU-beleidslijnen en -programma’s om hun oorspronkelijke doelstellingen na te streven, zoals het uitbannen van armoede en het bevorderen van de grondrechten;

56.

herhaalt dat EUTF’s en de FVT moeten worden gezien als uitzonderlijke of werkelijk door een noodsituatie vereiste instrumenten waarvan de toegevoegde waarde en de effecten op het terrein zeer goed moeten worden gerechtvaardigd en zorgvuldig moeten worden gemonitord; verwacht dat de Commissie ten volle gebruikmaakt van de mogelijkheden die worden geboden door de programmagerichte aanpak in het kader van de geografische pijler van het NDICI-Europa als wereldspeler en IPA III — dat niet langer mag worden gebruikt voor de financiering van pre-toetredingssteun aan Turkije, behalve voor steun aan Turkse maatschappelijke organisaties via het financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten — aangevuld met mondiale thematische programmering, financiering van snelle respons en de grote niet-geprogrammeerde reserve in het kader van het NDICI-Europa als wereldspeler;

57.

herinnert eraan dat de middelen uit hoofde van de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten in het kader van het NDICI-Europa als wereldspeler bedoeld zijn als aanvulling op de financiering uit hoofde van geografische en thematische programma’s en snelle-responsacties; onderstreept dat de Commissie heeft toegezegd de inzet van deze fondsen te bespreken in het kader van de geopolitieke dialoog met het Parlement en voorafgaand aan de inzet ervan gedetailleerde informatie te verstrekken, ten volle rekening houdend met de opmerkingen van het Parlement over de aard, de doelstellingen en de beoogde bedragen;

58.

is ingenomen met het nieuwe externe financieringsinstrument, het NDICI-Europa als wereldspeler, aangezien het de bedoeling is hiermee meer mogelijkheden te creëren binnen de EU-begroting om te reageren op nieuwe noodsituaties; is ervan overtuigd dat het NDICI-Europa als wereldspeler een efficiëntere toewijzing van middelen en voldoende flexibiliteit en reactievermogen mogelijk zal maken, en dat met dit instrument lessen zullen worden getrokken uit de eerdere ervaringen met de bestaande trustfondsen en nuttig gebruik zal kunnen worden gemaakt van de van deze fondsen uitgevoerde beoordelingen;

59.

onderstreept dat het NDICI-Europa als wereldspeler ten volle moet worden benut en zo nodig moet worden verbeterd, terwijl het gebruik van buitengewone financieringsinstrumenten beperkt moet blijven tot onvoorziene noodsituaties, om de eenheid van de Uniebegroting en de aflegging van democratische verantwoording ervoor te waarborgen; onderstreept in dit verband dat een gewoon governancekader voor de besluitvorming meer legitimiteit verleent aan het externe optreden van de EU, zowel binnen de EU als in de landen van bestemming;

60.

vraagt dat de financiering van een opvolger van de huidige FVT niet ten koste gaat van de onlangs goedgekeurde financieringsinstrumenten, met name IPA III en het NDICI-Europa als wereldspeler, met inbegrip van de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten, aangezien met de opvolger van de FVT niet gereageerd wordt op een werkelijk nieuwe uitdaging of crisis; pleit krachtig voor de financiering van een dergelijk initiatief door middel van nieuwe kredieten, zo nodig verhoogd met bijdragen van de lidstaten; herhaalt dat het Parlement volledig en van meet af aan moet worden betrokken bij de besprekingen over de opvolger van de FVT, met inbegrip van de financierings- en governancestructuren ervan, die de herkomst van de financiering en de rol van de begrotingsautoriteit moeten weerspiegelen;

61.

pleit ervoor om, indien de behoeften gedurende het MFK 2021-2027 groter worden, eerst en vooral een oplossing te zoeken via de medewetgevingsinstrumenten, met name door de middelen voor het NDICI-Europa als wereldspeler te verhogen door een herziening van de MFK-verordening en de verordening inzake het NDICI-Europa als wereldspeler, of, in tweede instantie, en op voorwaarde dat het Parlement ten volle bij het besluitvormingsproces wordt betrokken en passende controlebevoegdheid krijgt, de begrotingsonderdelen betreffende het NDICI-Europa als wereldspeler te versterken met bijdragen in de vorm van externe bestemmingsontvangsten; verwacht in dit verband dat de komende herziening van het Financieel Reglement zal zorgen voor een passende betrokkenheid van de begrotingsautoriteit bij de governance van externe bestemmingsontvangsten; benadrukt dat het Parlement vanaf het allereerste begin volledig moet worden betrokken indien er toch behoefte ontstaat aan een naar behoren gemotiveerd nieuw trustfonds na het uitbreken van een grote crisis, bij een een plotselinge verandering in de internationale betrekkingen die een grote financiële respons van de EU vereist of indien er middelen moeten worden gebundeld met derde landen, hetgeen niet haalbaar zou zijn in het kader van de medewetgevingsinstrumenten; is in dit verband van mening dat het Financieel Reglement moet worden herzien om de passende rol van het Parlement te waarborgen bij de oprichting van en het toezicht op elk nieuw trustfonds, met inbegrip van de opstelling van de oprichtingsovereenkomst en de beschikbaarstelling van de bijdrage van de Unie, de tenuitvoerlegging, de voortzetting en de mogelijke liquidatie;

62.

verzoekt de Commissie bij de uitvoering van het NDICI-Europa als wereldspeler prioriteit te verlenen aan de gecombineerde benadering, en roept op tot meer samenwerking tussen de humanitaire en de ontwikkelingsactoren van de EU, met name na crises en bij langdurige crises, om beter te kunnen inspelen op de plaatselijke behoeften en efficiëntere resultaten te kunnen boeken;

63.

merkt op dat de mogelijkheden om het migratiebeleid te mainstreamen in het externe EU-beleid aanzienlijk worden vergroot door de opname van migratie in de thematische component, de geografische component en de component voor snelle respons van het NDICI; merkt daarentegen met bezorgdheid op dat de component voor snelle respons de financiering van de samenwerking met derde landen op het gebied van migratiebeheer mogelijk maakt zonder dat de Commissie enige programmeringsdocumenten hoeft te publiceren of maatschappelijke organisaties hoeft te raadplegen en zonder dat het Parlement hierbij betrokken wordt, ook niet in het kader van de blauwdruk paraatheid en crisisbeheer in verband met migratie, waarin geen mechanismen zijn opgenomen voor een beoordeling van de mogelijk negatieve gevolgen van dergelijke interventies; wijst er in dit verband op dat moet worden gewaarborgd dat het MFK 2021-2027 gepaard gaat met een robuust mensenrechtenkader voor de identificatie, uitvoering en monitoring van toekomstige samenwerkingsprogramma’s op het gebied van migratie;

64.

merkt op dat in het NDICI-Europa als wereldspeler is voorzien in tussentijdse en eindevaluaties en in een gedetailleerde jaarlijkse verslaglegging van de Commissie aan het Parlement en de Raad over de lopende activiteiten, de behaalde resultaten, de doeltreffendheid en de mate waarin de thematische streefcijfers en doelstellingen van de verordening al zijn gerealiseerd; verzoekt de Commissie een nauwkeurige methodologie te ontwerpen en ten uitvoer te leggen voor het traceren van de 10 % van de uitgaven die gereserveerd is voor migratie en gedwongen ontheemding teneinde effectief te zorgen voor passende transparantie en aflegging van verantwoording voor deze uitgaven, zoals vereist in de verordening;

65.

is ingenomen met de besluitvormingsprocedure dicht bij het terrein, de aanpassing aan de plaatselijke omstandigheden en de mogelijkheid om in het kader van de EUTF’s en de FVT grensoverschrijdende en over meerdere jaren gefinancierde projecten uit te voeren, aangezien deze een hoge meerwaarde hebben; wenst dat deze aspecten worden gemainstreamd bij het ondernemen van toekomstige programmering in verband met begrotingsinstrumenten voor het externe beleid van de EU;

66.

erkent dat samenwerking met vertegenwoordigers van plaatselijke gemeenschappen en belanghebbenden, met inbegrip van plaatselijke overheidsorganen, maatschappelijke organisaties, sociale partners en religieuze leiders, in door conflicten getroffen gebieden van cruciaal belang is om verzoening, dialoog en vrede te bevorderen; benadrukt dat lokale kerken en confessionele organisaties een actieve rol spelen bij ontwikkelingssamenwerking en bij het verlenen van humanitaire bijstand aan de meest behoeftigen en verzoekt de Commissie daarmee contact te zoeken, vooral voor het verlenen van rechtstreekse steun aan moeilijk bereikbare gemeenschappen in ontwikkelingslanden;

67.

wijst erop dat het belangrijk is een substantieel deel van de toekomstige EU-financiering voor migratie toe te wijzen aan maatschappelijke organisaties in derde landen met het oog op het verlenen van bijstand en het beschermen en monitoren van de rechten van migranten, en een aanzienlijk deel van de EU-financiering te reserveren voor de verbetering van de mensenrechten, de internationale bescherming en de toekomstperspectieven van vluchtelingen;

68.

verzoekt de Commissie de programmeringsmethoden aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden en de opkomende plaatselijke uitdagingen, en eigen plaatselijke inbreng bij de uitvoering van de nieuwe EU-ontwikkelingsinstrumenten te ondersteunen; verzoekt de Commissie voorts een evaluatie van de behoeften te verrichten en de EU-respons aan te passen aan de plaatselijke behoeften;

69.

verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om partners in derde landen te betrekken bij gemeenschappelijke initiatieven en financiering om veelvoorkomende uitdagingen het hoofd te bieden, zoals migratie, gedwongen ontheemding, de klimaatverandering, de empowerment van vrouwen en de bescherming van kwetsbare groepen;

70.

verzoekt de Commissie voorrang te geven aan investeringen in onderwijs en het scheppen van werkgelegenheid om mensen in partnerlanden in staat te stellen lokale activiteiten te ontplooien die inkomsten genereren;

71.

verwacht dat de Commissie lopende of toekomstige crises en mogelijke behoeften in verband met de wederopbouw efficiënter en gerichter aanpakt door gebruik te maken van de bestaande trajecten en andere mogelijkheden in het kader van het huidige Financieel Reglement, in nauwe en gecoördineerde samenwerking met de lidstaten en andere EU-instellingen in het kader van de Team Europa-benadering, en met gelijkgestemde internationale partners en donoren;

o

o o

72.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Raad.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)  PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

(3)  PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1.

(4)  PB C 407 van 8.12.2015, blz. 8.

(5)  PB C 60 van 16.2.2016, blz. 3.

(6)  PB C 122 van 19.4.2017, blz. 4.

(7)  PB C 106 van 21.3.2018, blz. 4.

(8)  PB C 278 van 8.8.2018, blz. 3.

(9)  PB C 390 van 18.11.2019, blz. 76.

(10)  PB C 390 van 18.11.2019, blz. 33.

(11)  PB C 204 van 13.6.2018, blz. 68.

(12)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0012.

(13)  PB C 307 van 30.8.2018, blz. 117.

(14)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 44.

(15)  PB C 224 van 27.6.2018, blz. 88.

(16)  PB C 101 van 16.3.2018, blz. 179.

(17)  PB C 23 van 21.1.2021, blz. 58.

(18)  PB C 388 van 13.11.2020, blz. 326.

(19)  PB C 118 van 8.4.2020, blz. 264.

(20)  Definitieve vaststelling (EU, Euratom) 2020/1157 van gewijzigde begroting nr. 5 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 (PB L 299 van 11.9.2020, blz. 1).

(21)  Besluit (EU) 2020/1268 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 inzake het aanspreken van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2020 voor de voortzetting van humanitaire hulp aan vluchtelingen in Turkije (PB L 298 van 11.9.2020, blz. 21).

(22)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0243.

(23)  PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1.

(24)  Speciaal verslag nr. 27/2018 van de Europese Rekenkamer met als titel “De Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije: de ondersteuning is nuttig, maar er zijn verbeteringen nodig om de kosteneffectiviteit te vergroten”, blz. 6 en blz. 40.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/102


P9_TA(2021)0412

Stand van de cyberdefensievermogens van de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de stand van de cyberdefensievermogens van de EU (2020/2256(INI))

(2022/C 132/09)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het document getiteld “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa. Een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie”, dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017 en 15 december 2017,

gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (1),

gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over een kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten (het “instrumentarium voor cyberdiplomatie”),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 13 september 2017, getiteld “Weerbaarheid, afschrikking en defensie: bouwen aan een sterke cyberbeveiliging voor de EU” (JOIN(2017)0450),

gezien de in juli 2018 ondertekende gezamenlijke verklaring betreffende de samenwerking tussen de EU en de NAVO,

gezien Besluit (GBVB) 2019/797 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen,

gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 over extra inspanningen ter versterking van de weerbaarheid en bestrijding van hybride dreigingen,

gezien Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie (de cyberbeveiligingsverordening) (2),

gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2020 over het externe optreden van de EU ter voorkoming en bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme,

gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over het sluiten van een civiel GVDB-pact,

gezien Besluit (GBVB) 2020/1127 van de Raad van 30 juli 2020 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2019/797 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (3),

gezien Besluit (GBVB) 2020/1537 van de Raad van 22 oktober 2020 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2019/797 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2020 over de EU-strategie voor de veiligheidsunie (COM(2020)0605),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 16 december 2020 getiteld “De EU-strategie inzake cyberbeveiliging voor het digitale tijdperk” (JOIN(2020)0018),

gezien het voorstel van de Commissie van 16 december 2020 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (COM(2020)0823),

gezien het voorstel van de Commissie van 16 december 2020 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veerkracht van kritieke entiteiten (COM(2020)0829),

gezien de conclusies van de Raad van 9 maart 2021 over de EU-strategie inzake cyberbeveiliging voor het digitale tijdperk,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 25 maart 2021,

gezien het verslag van de voor onbepaalde tijd ingestelde werkgroep (OEWG) van 10 maart 2021,

gezien de agenda voor ontwapening van de VN, getiteld “Securing our common future”,

gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN, en met name SDG 16, die gericht is op de bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,

gezien evaluatie nr. 09/2019 van de Europese Rekenkamer betreffende Europese defensie,

gezien zijn resolutie van 13 juni 2018 over cyberdefensie (5),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0234/2021),

A.

overwegende dat de EU en haar lidstaten verder werk moeten maken van een cyberbeveiligingsstrategie waarin realistische, precieze en ambitieuze doelstellingen worden vastgesteld en het beleid op duidelijke wijze wordt vastgesteld, zowel op militair als op civiel gebied, alsook op gebieden waar beide sectoren elkaar overlappen; overwegende dat alle EU-instellingen en EU-lidstaten op alle niveaus meer moeten samenwerken om die strategie tot stand te brengen, waarvan de belangrijkste doelstelling erin moet bestaan de veerkracht verder te versterken en bijgevolg gemeenschappelijke, maar ook betere, nationale, robuuste civiele en militaire cybercapaciteiten te ontwikkelen om op blijvende veiligheidsuitdagingen te kunnen reageren;

B.

overwegende dat de EU zich inzet voor de toepassing van bestaand internationaal recht in cyberspace, met name het VN-Handvest waarin staten worden opgeroepen om internationale geschillen op vreedzame wijze te beslechten en in hun internationale betrekkingen af te zien van het dreigen met of gebruiken van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een staat, of op een andere wijze die niet in overeenstemming is met de doelen van de Verenigde Naties;

C.

overwegende dat het aantal kwaadwillige cyberoperaties van statelijke en niet-statelijke actoren tegen de EU en haar lidstaten de afgelopen jaren alsmaar is toegenomen en dat daarbij kwetsbaarheden aan het licht zijn gekomen in netwerken die cruciaal zijn voor de Europese veiligheid; overwegende dat offensieve cyberactoren steeds diverser, geavanceerder en talrijker worden; overwegende dat het gezien deze aanvallen prioritair zaak is om de defensiecapaciteit op te voeren en Europese cybervermogens te ontwikkelen; overwegende dat schadelijke cyberaanvallen op elk moment kunnen plaatsvinden en dat actoren op zowel EU- als nationaal niveau moeten worden aangemoedigd om de nodige maatregelen te nemen om ook in vredestijd permanent doeltreffende cyberdefensievermogens in stand te houden;

D.

overwegende dat de COVID-19-pandemie en de toenemende cyberonveiligheid hebben aangetoond dat internationale overeenkomsten noodzakelijk zijn; overwegende dat het aantal cyberaanvallen tijdens de COVID-19-pandemie aanzienlijk is toegenomen en dat de EU en haar lidstaten cyberdreigingen en kwaadaardige cyberactiviteiten hebben waargenomen die gericht waren tegen essentiële operatoren, waaronder aanvallen om kritieke infrastructuur, zoals energie, vervoer en gezondheidszorg, te verstoren, alsook aanzienlijke cybergerelateerde buitenlandse inmenging, waardoor de grens tussen vrede en vijandelijkheid is vervaagd; overwegende dat het herstelplan voor Europa voorziet in extra investeringen in cyberbeveiliging;

E.

overwegende dat cyberspace nu wordt erkend als een operatiedomein; overwegende dat cyberdreigingen alle traditionele militaire domeinen in gevaar kunnen brengen en dat de traditionele domeinen afhangen van de functionaliteit van cyberspace en niet andersom; overwegende dat conflicten kunnen plaatsvinden in alle fysieke (land, lucht, zee en ruimte) en virtuele (cyber) domeinen, kunnen worden versterkt door elementen van hybride oorlogvoering — zoals desinformatiecampagnes in cyberspace, oorlogen bij volmacht, offensief en defensief gebruik van cybervermogens en strategische aanvallen op digitale dienstverleners om kritieke infrastructuur en onze democratische instellingen te verstoren — en aanzienlijke financiële verliezen kunnen veroorzaken;

F.

overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de Commissie en het Europees Defensieagentschap (EDA) de lidstaten moeten ondersteunen bij het coördineren en opvoeren van hun inspanningen om in cyberdefensievermogens en -technologieën te verschaffen, waarbij alle aspecten van vermogensontwikkeling moeten worden aangepakt, met inbegrip van doctrine, leiderschap, organisatie, personeel, opleiding, industrie, technologie, infrastructuur, logistiek, interoperabiliteit en middelen;

G.

overwegende dat tijdens de opstelling van de behoeftecatalogus 2017, die wordt gebruikt om alle militaire behoeften van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) in een aantal illustratieve scenario’s vast te stellen, de behoefte aan cyberdefensievermogens als hoge prioriteit naar voren is gekomen;

H.

overwegende dat de geslaagde uitvoering van EU-missies en -operaties in toenemende mate afhankelijk is van ononderbroken toegang tot een veilige cyberspace en bijgevolg veerkrachtige operationele cybercapaciteiten vereist;

I.

overwegende dat in het in 2018 geactualiseerde EU-beleidskader voor cyberdefensie (CDPF) prioriteiten zijn vastgesteld zoals de ontwikkeling van cyberdefensievermogens en de bescherming van de communicatie- en informatienetwerken van het GVDB;

J.

overwegende dat de voorzitter van de Commissie er in haar toespraak over de Staat van de Unie in het bijzonder op heeft gewezen dat het belangrijk is dat de EU de beschikking krijgt over een cyberverdedigingsbeleid;

K.

overwegende dat de toenemende integratie van artificiële intelligentie (AI) in de cybervermogens van de strijdkrachten (cyberfysieke systemen, waaronder de communicatie- en dataverbindingen tussen voertuigen in een netwerksysteem) kan leiden tot kwetsbaarheid voor elektronische oorlogsaanvallen zoals verstoring, spoofing of hacking;

L.

overwegende dat het welslagen van de digitale en geopolitieke ambities van Europa noodzakelijkerwijs gepaard gaat met het verhogen van het niveau van cyberbeveiliging in de EU, wat zou zorgen voor een grotere veerkracht die gelijke tred houdt met de groeiende complexiteit en dreiging van cyberaanvallen; overwegende dat een EU met een sterke cyberbeveiligingscultuur en een sterke cyberbeveiligingstechnologie, met inbegrip van de capaciteit om kwaadwillige acties tijdig en doeltreffend op te sporen en toe te schrijven en adequaat te reageren, in staat zou zijn haar burgers en de veiligheid van haar lidstaten te beschermen;

M.

overwegende dat internationale terreurorganisaties steeds meer deskundigheid hebben in en gebruikmaken van cyberoorlogvoering en dat cyberaanvallers gebruikmaken van ultramoderne technologie om kwetsbaarheden in systemen en apparaten te onderzoeken en cyberaanvallen op grote en zeer grote schaal uit te voeren;

N.

overwegende dat de defensie-industrie en de ruimtevaartsector worden geconfronteerd met ongekende wereldwijde concurrentie en grote technologische veranderingen met de opkomst van geavanceerde cybertechnologieën; overwegende dat de Europese Rekenkamer heeft gewezen op hiaten in de capaciteit op het gebied van ICT-technologieën, cyberoorlogvoering en AI; overwegende dat de EU een netto-importeur van cyberbeveiligingsproducten en -diensten is, wat het risico van technologische afhankelijkheid en kwetsbaarheid ten opzichte van niet-EU-actoren vergroot; overwegende dat de ontwikkeling van een reeks gemeenschappelijke AI-capaciteiten van de EU de technische kloven moet overbruggen en ervoor moet zorgen dat lidstaten die niet beschikken over de betreffende deskundigheid van de technologie-industrie of het vermogen om AI-systemen toe te passen in hun Ministerie van Defensie, niet achterblijven;

O.

overwegende dat het schandaal rond de spyware Pegasus aan het licht heeft gebracht dat grote aantallen journalisten, mensenrechtenactivisten, volksvertegenwoordigers en andere EU burgers het slachtoffer van spionageactiviteiten zijn geworden; overwegende dat verschillende statelijke actoren, zoals Rusland, China en Noord-Korea, betrokken zijn geweest bij kwaadwillige cyberactiviteiten met politieke, economische of veiligheidsoogmerken, zoals aanvallen op kritieke infrastructuur, cyberbespionering en grootschalige surveillance van EU-burgers, ondersteuning van desinformatiecampagnes, de verspreiding van malware en het beperken van internettoegang en de werking van IT-systemen; overwegende dat dergelijke activiteiten het internationale recht, de mensenrechten en de EU-grondrechten negeren en schenden en de democratie, de veiligheid, de openbare orde en de strategische autonomie van de EU in gevaar brengen, en bijgevolg een gezamenlijke respons van de EU rechtvaardigen, bijvoorbeeld via het kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons, waaronder het gebruik van beperkende maatregelen waarin is voorzien in het EU-instrumentarium voor cyberdiplomatie;

P.

overwegende dat de Raad op 30 juli 2020 voor het eerst heeft besloten beperkende maatregelen op te leggen tegen personen, entiteiten en instanties die verantwoordelijk zijn voor of betrokken waren bij diverse cyberaanvallen, teneinde kwaadwillig gedrag in de cyberruimte beter te voorkomen, te ontmoedigen, af te raden en aan te pakken; overwegende dat het rechtskader voor de EU-sanctieregeling voor cyberaanvallen in mei 2019 is vastgesteld;

Q.

overwegende dat toeschrijving een centraal onderdeel van cyberdiplomatie en afschrikkingsstrategieën vormt;

R.

overwegende dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO de afgelopen jaren op tal van gebieden, waaronder cyberbeveiliging en -defensie, is opgevoerd, in overeenstemming met de gezamenlijke verklaring EU-NAVO van 2016;

S.

overwegende dat de consensusverslagen van de VN-groep van regeringsdeskundigen (UN GGE) van 2010, 2013 en 2015, die door de Algemene Vergadering van de VN zijn goedgekeurd, een universeel normatief kader voor cyberstabiliteit vormen, dat bestaat uit de erkenning dat het bestaande internationale recht, met inbegrip van het VN-Handvest in zijn geheel, van toepassing is in cyberspace, evenals de elf vrijwillige, niet-bindende normen voor verantwoordelijk gedrag van staten, alsook vertrouwenwekkende maatregelen en capaciteitsopbouw;

De stand van de cyberdefensievermogens van de EU

1.

onderstreept dat een gemeenschappelijk cyberdefensiebeleid en substantiële samenwerking op EU-niveau bij het tot stand brengen van gemeenschappelijke, en ook betere, cyberdefensievermogens kernelementen zijn voor de ontwikkeling van een verdiepte en versterkte Europese defensie-unie en een complexe mix van technische, strategische en operationele capaciteiten vergen; stelt dat cyberdefensie betrekking heeft op acties, instrumenten en processen die proportioneel zijn, stroken met het internationaal recht, zowel militaire als civiele elementen omvatten, en tot doel hebben onder meer GVDB-communicatie- en -informatienetwerken en GVDB-missies en -operaties te beschermen en de lidstaten bij te staan; benadrukt dat zowel de gemeenschappelijke als de nationale militaire cyberdefensievermogens dringend moeten worden ontwikkeld en versterkt;

2.

herinnert eraan dat de grenzeloze aard van cyberspace alsook het aanzienlijke aantal en de toenemende complexiteit van cyberaanvallen een gecoördineerde respons op EU-niveau vergen, met inbegrip van gemeenschappelijke ondersteuningscapaciteiten van de lidstaten en steun van de lidstaten voor maatregelen in het kader van het EU-instrumentarium voor cyberdiplomatie, alsook intensievere samenwerking tussen de EU en de NAVO op basis van informatie-uitwisseling tussen cybercrisisteams, uitwisseling van best practices, meer opleidingen, onderzoek en oefeningen;

3.

verwelkomt het CDPF als instrument om de ontwikkeling van de cyberdefensievermogens van de EU-lidstaten te ondersteunen; benadrukt dat bij de herziening van het CDPF de nadruk vooral moet liggen op bestaande lacunes en kwetsbaarheden wat betreft militaire structuren op EU- en nationaal niveau; benadrukt dat de coördinatie tussen de EU-instellingen, -organen en -instanties, tussen en met de lidstaten, en met het Europees Parlement, moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat het geactualiseerde CDPF de doelstellingen van de EU op het gebied van cyberdefensie verwezenlijkt;

4.

verzoekt de EDEO en de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, verder werk te maken van de ontwikkeling van een uitgebreide reeks maatregelen en een coherent IT-beveiligingsbeleid om de veerkracht te vergroten, maar ook om de coördinatie van de militaire cyberdefensie te versterken; dringt aan op nauwere samenwerking met het civiele computercrisisresponsteam (CERT-EU) van de EU om de netwerken die door alle EU-instellingen, -organen en -instanties worden gebruikt, te beschermen, in nauwe samenwerking met de CIO’s in de respectieve entiteiten, en op meer communicatie van de EU-instellingen, -organen en -agentschappen met de lidstaten; vraagt het Parlement ervoor te zorgen dat zijn deelname aan CERT-EU resulteert in een zodanig niveau van IT-beveiliging dat het alle gerubriceerde en niet-gerubriceerde informatie kan ontvangen die het nodig heeft om zich van zijn taken uit hoofde van de Verdragen te kwijten, ook ingevolge het huidige proces ter vervanging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2002 inzake de toegang tot gegevens op het gebied van veiligheid en defensie; verzoekt de EDEO te zorgen voor adequate niveaus van cyberbeveiliging voor zijn activa, gebouwen en activiteiten, waaronder zijn hoofdkantoor, de EU-delegaties en de GVDB-missies en -operaties;

5.

neemt nota van de doelstelling van het CDPF 2018 om een militair CERT-netwerk van de EU op te zetten; verzoekt de lidstaten de capaciteit voor het delen van gerubriceerde informatie aanzienlijk op te voeren teneinde het delen van informatie waar nodig en nuttig te vergemakkelijken, en een snel en beveiligd Europees netwerk te ontwikkelen om cyberaanvallen op te sporen, te beoordelen en erop te reageren;

6.

herinnert eraan dat de in het vermogensontwikkelingsplan (CDP) vastgestelde EU-prioriteiten voor 2018 aandacht besteedden aan de noodzaak om het gehele spectrum bestrijkende vermogens te ontwikkelen en cyberdefensievermogens tot topprioriteit hebben gemaakt; herinnert eraan dat in het CDP werd onderstreept dat technologieën voor cybersituationeel bewustzijn en defensieve cybertechnologieën essentieel zijn voor de bestrijding van veiligheidsdreigingen; is ingenomen met het feit dat het EDA de lidstaten ondersteunt bij het ontwikkelen van hun vermogens om de cyberveerkracht te verbeteren, bijvoorbeeld om beter in staat te zijn cyberaanvallen op te sporen en te weerstaan en ervan te herstellen; neemt nota van de verschillende activiteiten die de lidstaten in het kader van het EDA hebben ontplooid, waaronder het CyDRE-project (Cyber Defence Requirements Engineering) van het EDA, dat een bedrijfsarchitectuur voor cyberoperaties, met inbegrip van toepassingsgebied, functionaliteiten en vereisten, moet ontwikkelen op basis van de nationale en EU-wetgeving;

7.

vraagt de lidstaten een gemeenschappelijke communicatienorm vast te stellen die voor gerubriceerde en niet-gerubriceerde informatie kan worden gebruikt, teneinde een snel optreden te bevorderen te zorgen voor een beveiligd netwerk om cyberaanvallen af te slaan;

8.

is ingenomen met de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie van defensie (CARD) — een eerste alomvattende evaluatie van defensie op EU-niveau, die een belangrijk instrument is ter ondersteuning van de algehele samenhang van de defensie-uitgaven, defensieplanning en defensiesamenwerking van de lidstaten, en moet bijdragen tot het bevorderen van investeringen in de ontwikkeling van defensievermogens op cybergebied;

9.

is ingenomen met de vooruitgang die reeds is geboekt in het kader van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie in de vorm van verscheidene relevante projecten op het gebied van inlichtingen, beveiligde communicatie en cyberdefensie; is met name verheugd dat er wordt gepleit voor een gemakkelijk inzetbaar en onderling verbonden cyberinstrumentarium voor defensie, en dat het EDF ook zal helpen om de veerkracht te versterken en de paraatheid, het reactievermogen en de samenwerking op cybergebied te verbeteren, mits bij de onderhandelingen over de desbetreffende EDF-werkprogramma’s wordt besloten daar een prioriteit van te maken; benadrukt dat het vermogen van de EU om cyberdefensieprojecten te ontwikkelen afhangt van de controle over technologieën, apparatuur, diensten, gegevens en gegevensverwerking en afhankelijk is van een betrouwbare basis van stakeholders in de sector, en vraagt dat de richtlijn betreffende aanbestedingen op defensiegebied (6) volledig wordt uitgevoerd en gehandhaafd; verzoekt de lidstaten het EDF te benutten om gezamenlijk cyberdefensievermogens te ontwikkelen;

10.

is verheugd over de nauwere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van cyberdefensie en commando, controle, communicatie, computers, inlichtingen, surveillance en verkenning (C4ISR) en over de vooruitgang die in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) is geboekt, onder meer door de uitvoering van het project rond snellereactieteams bij cyberincidenten en wederzijdse bijstand op het gebied van cyberbeveiliging; herinnert eraan dat het EDF en PESCO uitstekende manieren bieden om cyberdefensievermogen te ontwikkelen en initiatieven op het gebied van cyberbeveiliging te bespoedigen, bijvoorbeeld via het platform voor het delen van informatie over cyberdreigingen en respons op incidenten en het coördinatiecentrum voor het cyber- en informatiedomein; vraagt alle lidstaten voor coherentie te zorgen, op cybervermogens te focussen en een strategische gemeenschappelijke benadering van prioriteiten te ontwikkelen; vraagt dat onderzoek, innovatie en de uitwisseling van deskundigheid worden bevorderd teneinde het volledige potentieel van PESCO en het EDF te gebruiken; is ingenomen met het besluit van de Raad van 5 november 2020 op grond waarvan derde landen in een aantal specifieke gevallen aan afzonderlijke PESCO-projecten mogen deelnemen als zij meerwaarde kunnen bieden en technische deskundigheid en aanvullende vermogens kunnen verschaffen en mits zij voldoen aan een overeengekomen reeks politieke, inhoudelijke en juridische voorwaarden; onderstreept dat het in het strategisch belang van de EU kan zijn dat lidstaten en niet-lidstaten, bij wijze van uitzondering en per geval, aan cybergerelateerde PESCO-projecten deelnemen om ambitieuzere verbintenissen na te komen, op basis van daadwerkelijke wederkerigheid;

11.

benadrukt dat cyberdefensie wordt beschouwd als een operationele taak voor alle GVDB-missies en dat de cyberveerkracht en daarmee samenhangende vermogens moeten worden vastgesteld, getest en ingezet voordat de GVDB-planningsprocessen van start gaan; herinnert eraan dat de geslaagde uitvoering van EU-missies en -operaties in toenemende mate afhankelijk is van ononderbroken toegang tot een veilige cyberspace en dus robuuste en veerkrachtige operationele vermogens vereist, alsook een adequate respons op aanvallen op militaire installaties, missies en operaties; benadrukt dat civiele GVDB-missies, overeenkomstig het civiele GVDB-pact, cyberbestendig moeten zijn en ontvangende landen in voorkomend geval moeten ondersteunen, onder meer door monitoring, begeleiding en advies; beveelt aan mogelijkheden te onderzoeken om de cybercapaciteitsopbouw van onze partners te bevorderen, zoals het uitbreiden van het mandaat van EU-opleidingsmissies met cyberdefensieaspecten of het opzetten van civiele cybermissies;

12.

is ingenomen met het besluit van de Raad van 14 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen, dat gerichte beperkende maatregelen mogelijk maakt om cyberaanvallen te ontmoedigen en te beantwoorden die een bedreiging vormen voor de EU of haar lidstaten, met inbegrip van cyberaanvallen tegen derde landen of internationale organisaties; verwelkomt de oplegging van dergelijke beperkende maatregelen in juli 2020 en oktober 2020 als een geloofwaardige stap in de implementatie van het instrumentarium voor cyberdiplomatie van de EU, dat beperkende maatregelen omvat, en in de versterking van de houding van de EU op het vlak van cyberafschrikking; dringt aan op de verdere ontwikkeling en strikte handhaving van een systeem van evenredige beperkende maatregelen om cyberaanvallen in te dammen, met inachtneming van de Europese visie op het internet, namelijk één, open, neutraal, vrij, veilig en niet-gefragmenteerd netwerk;

13.

herinnert eraan dat, gezien de duale aard van cybertechnologieën, beveiligde civiele producten en diensten essentieel zijn voor de strijdkrachten en aldus bijdragen aan een betere cyberdefensie; is ingenomen met de werkzaamheden onder leiding van Enisa, waarbij de lidstaten en geïnteresseerde stakeholders betrokken zijn, om de EU te voorzien van certificeringsregelingen voor ICT-producten, -diensten en -processen teneinde het algehele niveau van cyberbeveiliging binnen de digitale eengemaakte markt te verhogen; benadrukt dat de EU een centrale voortrekkersrol speelt bij de ontwikkeling van normen die het cyberbeveiligingslandschap vormgeven, bijdragen tot eerlijke concurrentie binnen de EU en op wereldvlak, en reageren op extraterritoriale maatregelen en veiligheidsrisico’s vanuit van derde landen; erkent tevens de belangrijke rol van Enisa bij het ondersteunen van onderzoeksinitiatieven en andere vormen van samenwerking om de cyberbeveiliging te verbeteren; onderstreept hoe belangrijk investeringen in cyberdefensie- en cyberbeveiligingsvermogens zijn om de veerkracht en de strategische capaciteiten van de EU en de lidstaten te vergroten; benadrukt in dit verband het belang van het programma Digitaal Europa en Horizon Europa, met name de cluster “Civiele veiligheid voor de samenleving”; wijst op het belang van de relevante financiële instrumenten die binnen het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 en in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit beschikbaar zijn;

14.

is ingenomen met de voortuitgang die een aantal EU-lidstaten hebben geboekt met het opzetten van cybercommando’s binnen hun strijdkrachten;

Strategische visie — veerkracht op het gebeid van cyberdefensie bewerkstelligen

15.

merkt op dat het strategisch kompas de uitvoering van het ambitieniveau van de EU op het gebied van veiligheid en defensie zal verbeteren en sturen en die ambitie zal vertalen in vermogensbehoeften, onder meer — en als prioriteit — op het gebied van cyberdefensie, waardoor de EU en de lidstaten beter in staat zullen zijn om kwaadwillige cyberactiviteiten op te sporen, toe te schrijven, te voorkomen, te ontmoedigen, af te schrikken, te beantwoorden en ervan te herstellen door hun houding, omgevingsbewustzijn, juridisch en ethisch kader, instrumenten, procedures en partnerschappen te versterken;

16.

benadrukt dat het strategisch kompas de strategische cultuur op cybergebied moet verdiepen en eventuele overlapping van vermogens en mandaten moet voorkomen; benadrukt dat het van essentieel belang is een einde te maken aan de huidige versnippering en complexiteit van de algemene cyberarchitectuur binnen de EU en een gemeenschappelijke visie op het bewerkstelligen van beveiliging en stabiliteit in cyberspace te ontwikkelen;

17.

benadrukt dat de versnippering gepaard gaat met ernstige bezorgdheid over het gebrek aan middelen en personeel op EU-niveau, hetgeen de ambitie om de veiligste digitale omgeving tot stand te brengen in de weg staat, en benadrukt daarom dat er zowel meer middelen als meer personeel moeten komen; dringt er bij de VV/HV en/of de lidstaten op aan in meer financiële en personele middelen voor cyberdefensie te voorzien, met name cyberinlichtingenanalisten en deskundigen op het gebied van cyberforensisch onderzoek, en ze opleidingen te geven op het gebied van besluitvorming en beleidsvorming, beleidsuitvoering en respons op en onderzoek van cyberincidenten, met inbegrip van de ontwikkeling van cybervaardigheden, teneinde de EU beter in staat te stellen cyberaanvallen te karakteriseren en toe te schrijven en aldus binnen een kort tijdsbestek een adequate politieke, civiele en militaire respons te bieden; dringt aan op verdere financiering voor CERT-EU en het inlichtingen- en situatiecentrum (Intcen) van de EU en op ondersteuning voor de lidstaten bij het opzetten en versterken van operationele beveiligingscentra (SOC’s) om in de hele EU een netwerk van SOC’s uit te bouwen dat de civiel-militaire samenwerking kan versterken teneinde tijdig voor cyberincidenten te kunnen waarschuwen;

18.

merkt op dat een gestroomlijnde militaire opleiding en scholing op cybergebied in de EU, met meer operationele standaardprocedures, duidelijkere regelgeving en betere handhaving, het vertrouwen onder de lidstaten aanzienlijk zou vergroten; neemt in dit verband nota van de belangrijke opleidingswerkzaamheden van de Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) op het gebied van cyberdefensie en is in dit opzicht ingenomen met de oprichting van het platform voor onderwijs, opleiding, evaluatie en oefeningen op cybergebied (ETEE), dat zich bezighoudt met opleiding van het civiele en militaire personeel in cyberbeveiliging en -defensie en als doel heeft de nodige harmonisatie en standaardisatie in cybergerelateerde opleiding te bewerkstelligen; benadrukt dat de EVDA meer structurele EU-financiering moet krijgen om beter te kunnen bijdragen tot de bevordering van de EU-cyberdefensievaardigheden, met name gezien de toegenomen vraag naar cyberdeskundigen op hoog niveau; vraagt de lidstaten partnerschappen met de academische wereld te stimuleren om O&O-programma’s op het gebied van cyberbeveiliging te bevorderen met als doel nieuwe gemeenschappelijke technologieën, instrumenten en vaardigheden te ontwikkelen die zowel in de civiele als in de defensiesector kunnen worden toegepast; benadrukt het belang van educatie om de burgers beter bewust te maken en hun vaardigheden te verbeteren zodat zij zich tegen cyberaanvallen kunnen verdedigen;

19.

onderstreept dat het cyberdefensiebeleid van de EU rekening moet houden met genderoverwegingen en ambitieus moet zijn bij het dichten van de genderkloof onder cyberdefensieprofessionals, met name door middel van een actief genderinclusief beleid en opleidingsprogramma’s op maat voor vrouwen;

20.

herinnert eraan dat cyberdefensie zowel een militaire als een civiele dimensie heeft en daarom meer samenwerking, synergieën en coherentie tussen de instrumenten vereist; benadrukt dat eerst de problemen met de samenwerking en coördinatie moeten worden geanalyseerd en besproken, maar vervolgens ook de lacunes in de personele en technische middelen, zowel op nationaal als op EU-niveau; merkt op dat een succesvolle integratie van zowel militaire als civiele middelen alleen kan worden gewaarborgd door middel van opleiding en oefeningen met alle relevante belanghebbenden; wijst in dit opzicht op de oefening “Locked Shields” van de NAVO als een van de beste voorbeelden van het testen en verbeteren van cyberdefensievermogens, zowel op civiel als op militair vlak; verzoekt de VV/HV en de Commissie daarom een geïntegreerde beleidsaanpak te ontwikkelen en synergieën en nauwe samenwerking tussen het militaire CERT-netwerk, CERT-EU en het CSIRT-netwerk te bevorderen;

21.

is ingenomen met de gezamenlijke mededeling van de VV/HV en de Commissie met als titel “De EU-strategie inzake cyberbeveiliging voor het digitale tijdperk”, die beoogt de synergieën en de samenwerking tussen de cyberwerkzaamheden op civiel, defensie- en ruimtevaartgebied te versterken; beschouwt de strategie als een mijlpaal om de cyberveerkracht van de EU en de lidstaten te versterken en zo het digitale leiderschap van de EU en haar strategische capaciteiten te versterken;

22.

beveelt aan om een gemeenschappelijke cybereenheid op te richten om de samenwerking te intensiveren teneinde iets te doen aan het gebrek aan informatie-uitwisseling tussen de EU-instellingen, -organen en -instanties en zo een veilig en snel informatienetwerk te garanderen, en om de bestaande structuren, middelen en capaciteiten ten volle te kunnen benutten; wijst op de belangrijke rol die de gemeenschappelijke cybereenheid zou kunnen spelen bij de bescherming van de EU tegen ernstige grensoverschrijdende cyberaanvallen, op basis van het concept van sectoroverschrijdende informatie-uitwisseling; wijst op het belang van coördinatie om overlapping van structuren en verantwoordelijkheden tijdens de ontwikkeling ervan te vermijden; is in dit verband ingenomen met de aanbeveling van de Commissie van 23 juni 2021, waarin staat dat er specifieke interfaces met de gemeenschappelijke cybereenheid moeten komen om informatie-uitwisseling met de cyberdefensiegemeenschap mogelijk te maken, met name via vertegenwoordiging van de EDEO; benadrukt ook dat vertegenwoordigers van relevante PESCO-projecten de gemeenschappelijke cybereenheid moeten ondersteunen, met name wat omgevingsbewustzijn en paraatheid betreft;

23.

herinnert eraan dat voor het verbeteren van de cyberdefensievermogens, gezien de vaak duale aard ervan, ook civiele deskundigheid op het gebied van netwerk- en informatiebeveiliging nodig is; benadrukt dat de verspreiding van gebruiksklare systemen voor tweeërlei gebruik uitdagingen met zich kan brengen in de zin dat dergelijke systemen door een groeiend aantal statelijke en niet-statelijke vijandige actoren worden gebruikt; verzoekt de Commissie en de lidstaten een aantal belangrijke hefbomen te activeren, zoals certificering en toezicht op de verantwoordelijkheid van private actoren; onderstreept dat technologische innovatie voornamelijk door particuliere ondernemingen wordt aangedreven en dat samenwerking met de particuliere sector en civiele belanghebbenden, waaronder bedrijfstakken en entiteiten die betrokken zijn bij het beheer van kritieke infrastructuur, alsook kmo’s, het maatschappelijk middenveld, organisaties en de academische wereld, daarom van cruciaal belang is en moet worden versterkt; neemt nota van de voorgestelde herziening van de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen (NIS) en van het voorstel voor een richtlijn inzake de veerkracht van kritieke entiteiten, waarmee wordt beoogd kritieke infrastructuur te beschermen, de toeleveringsketen beter te beveiligen en gereguleerde actoren in het digitale ecosysteem op te nemen; herinnert eraan dat elke lidstaat een specifiek beleid moet hebben voor het beheer van risico’s in verband met de toeleveringsketen op het gebied van cyberbeveiliging, waarin met name de kwestie van betrouwbare leveranciers aan de orde komt; herinnert er ook aan dat de NIS-richtlijn de bevoegdheden van de lidstaten moet eerbiedigen en verwijst naar de desbetreffende adviezen van de Subcommissie veiligheid en defensie over beide voorstellen;

24.

is verheugd dat op 29 september 2020 het Europees Netwerk van verbindingsorganisaties voor cybercrises (CyCLONe) van start is gegaan, dat de tijdige uitwisseling van informatie en het omgevingsbewustzijn verder heeft verbeterd door de kloof tussen het technische en het politieke niveau van de EU te dichten; merkt op dat voor een doeltreffend cyberdefensievermogen een omslag nodig is van een “need-to-know”- naar een “need-to-share”-cultuur van informatie-uitwisseling;

25.

is ingenomen met het actieplan van de Commissie voor synergieën tussen de civiele, de defensie- en de ruimtevaartindustrie, en herinnert aan de sterke onderlinge afhankelijkheid van deze drie sectoren op het gebied van cyberdefensie; merkt op dat, anders dan op andere militaire gebieden, de infrastructuur die wordt gebruikt om cyberspace te “creëren”, hoofdzakelijk wordt geëxploiteerd door commerciële entiteiten die grotendeels buiten de EU zijn gevestigd, hetgeen leidt tot industriële en technologische afhankelijkheid van derden; is er vast van overtuigd dat de EU haar technologische soevereiniteit moet vergroten en innovatie moet stimuleren door te investeren in het ethisch gebruik van nieuwe technologieën op het gebied van veiligheid en defensie, zoals AI en kwantumcomputing; moedigt de ontwikkeling van een op AI gerichte agenda voor O&O in de lidstaten ten zeerste aan; benadrukt echter dat bij het militaire gebruik van AI het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht moeten worden geëerbiedigd, en dat de EU het voortouw moet nemen bij het bevorderen van een wereldwijd regelgevingskader voor AI dat stoelt op democratische waarden en een human-in-the-loopbenadering;

26.

wijst op het belangrijke werk dat het Satellietcentrum van de EU (EU Satcen) heeft verricht en benadrukt dat de Unie over voldoende middelen moet beschikken op het gebied van satellietbeelden en informatievergaring; verzoekt het agentschap een analyse te maken van en verslag uit te brengen over de veiligheid en/of kwetsbaarheid van satellieten van de EU en de lidstaten voor ruimteschroot en cyberaanvallen; benadrukt dat EU Satcen meer structurele financiering van de Unie moet krijgen opdat het kan blijven bijdragen aan het optreden van de Unie; benadrukt dat cyberdefensievermogens van cruciaal belang zijn om te zorgen voor een beveiligde en veerkrachtige informatie-uitwisseling met EU SatCen over veiligheid vanuit en in de ruimte, teneinde de strategische autonomie van de EU inzake omgevingsbewustzijn te behouden en te versterken; onderstreept dat de EU ernaar moet streven bewapening van de ruimte te voorkomen;

27.

is ingenomen met het besluit van de Raad tot oprichting van het Europees Kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging in Boekarest, dat financiering in verband met cyberbeveiliging uit Horizon Europa en het programma Digitaal Europa zal kanaliseren, en moedigt een naadloze samenwerking met zijn netwerk van nationale coördinatiecentra aan; wijst op het belang van het centrum bij de uitvoering van relevante cyberbeveiligingsprojecten en -initiatieven die de nieuwe capaciteiten helpen creëren die essentieel zijn om de veerkracht van de Unie te ondersteunen en de coördinatie tussen de civiele en de militaire sector op het gebied van cyberbeveiliging op te voeren; onderstreept dat het kenniscentrum voor cyberbeveiliging de voornaamste Europese belanghebbenden (zoals het bedrijfsleven, academische en onderzoeksorganisaties en andere relevante maatschappelijke organisaties) moet bijeenbrengen om de deskundigheid op het gebied van cyberbeveiliging in de gehele EU te vergroten en te verspreiden;

28.

wijst op het belang van versleuteling en wettelijke toegang tot versleutelde gegevens; herinnert eraan dat gegevensversleuteling en de versterking en het zo ruim mogelijke gebruik van dergelijke capaciteiten aanzienlijk kunnen bijdragen aan de cyberbeveiliging van staten, samenlevingen en bedrijven; pleit voor een programma voor “Europese digitale soevereiniteit” om de huidige vermogens op het gebied van cyber- en versleutelingsinstrumenten, die geïnspireerd zijn op fundamentele Europese rechten en waarden zoals privacy, vrijheid van meningsuiting en democratie, te bevorderen en te versterken, met als doel het Europese concurrentievermogen op de cyberbeveiligingsmarkt te versterken en de interne vraag te stimuleren;

29.

is ingenomen met de weldra verwachte “militaire visie en strategie inzake cyberspace als een domein van operaties”, waarin cyberspace zal worden omschreven als een operatiedomein voor het GVDB van de EU; vraagt dat de kwetsbaarheden van de informatie-infrastructuur van GVDB-missies voortdurend wordt beoordeeld en dat er gemeenschappelijke geharmoniseerde normen worden toegepast bij onderwijs, opleiding en oefeningen (ETE) op het gebied van cyberdefensie ter ondersteuning van GVDB-missies;

30.

betreurt dat de huidige beperkingen in de gerubriceerde systemen van het militaire plannings- en uitvoeringsvermogen van de EU (MPCC) de capaciteiten ervan belemmeren; verzoekt de EDEO daarom het MPCC snel uit te rusten met een geavanceerd autonoom en beveiligd communicatie- en informatiesysteem (CIS) dat gerubriceerde EU-gegevens voor zijn GVDB-missies en -operaties kan verwerken, met een adequaat niveau van bescherming en veerkracht en een opgezet hoofdkwartier van de troepenmacht;

31.

vraagt dat cyberbeveiliging verder wordt geïntegreerd in de EU-mechanismen voor crisisrespons en de bestaande initiatieven, structuren en procedures binnen de verschillende cybergemeenschappen onderling worden gekoppeld met het oog op meer wederzijdse bijstand en operationele samenwerking tussen de lidstaten, met name bij grote cyberaanvallen, teneinde de interoperabiliteit te vergroten en een gemeenschappelijke visie op cyberdefensie te ontwikkelen; wijst met klem op het belang van verdere oefeningen, die evenwel frequenter moeten worden uitgevoerd, en op scenario’s gebaseerde beleidsdiscussies over crisisbeheersing, onder meer over de clausule inzake wederzijdse bijstand (artikel 42, lid 7, VEU) in een hypothetisch scenario van een ernstige cyberaanval die potentieel als een gewapende aanval wordt beschouwd; wenst dat dergelijke initiatieven bijdragen tot een gemeenschappelijke visie op de uitvoeringsprocedures voor wederzijdse bijstand en/of solidariteit overeenkomstig artikel 42, lid 7, VEU en artikel 222 VWEU, onder meer met het specifieke doel deze procedures operationeel te maken voor cyberaanvallen op de lidstaten; is ingenomen met het communiqué van de NAVO-top in Brussel van 14 juni 2021, waarin opnieuw wordt bevestigd dat de NAVO zich ertoe verbindt het volledige scala aan vermogens te allen tijde te gebruiken om het volledige spectrum van cyberdreigingen actief te ontmoedigen, af te slaan en te beantwoorden, met inbegrip van het besluit om “per geval” een beroep te doen op artikel 5; juicht verdere besprekingen over de afstemming tussen het EU-kader voor crisisbeheersing op het gebied van cyberbeveiliging en het instrumentarium voor cyberdiplomatie toe;

32.

merkt op dat de EU steeds vaker verwikkeld is in hybride conflicten met geopolitieke tegenstanders; onderstreept dat deze daden bijzonder destabiliserend en gevaarlijk zijn omdat ze de grenzen tussen oorlog en vrede doen vervagen, democratieën destabiliseren en twijfel zaaien bij de getroffen bevolking; herinnert eraan dat deze aanvallen op zich vaak niet ernstig genoeg zijn om artikel 5 van het NAVO-verdrag of artikel 42, lid 7, VEU in werking te doen treden, maar een cumulatief strategisch effect hebben en niet effectief kunnen worden tegengegaan met represailles door de getroffen lidstaat; meent dat de EU er daarom naar moet streven een oplossing te vinden om dit juridisch vacuüm op te vullen door artikel 42, lid 7, VEU en artikel 222 VWEU zodanig te herinterpreteren dat zij zich het recht op collectieve defensie voorbehoudt onder de drempel voor collectieve defensie en dat de EU-lidstaten op vrijwillige basis collectieve tegenmaatregelen mogen nemen, en dat de EU internationaal samen met bondgenoten werk moet maken van een soortgelijke oplossing op internationaal niveau; onderstreept dat dit de enige doeltreffende manier is om iets te doen aan de machteloosheid als het erom gaat op hybride dreigingen te reageren, en een instrument om de kosten voor onze tegenstanders te doen toenemen;

33.

herhaalt dat gemeenschappelijke vermogens om aanvallen duidelijk toe te schrijven, een van de belangrijkste instrumenten zijn om de vermogens van de EU en de lidstaten te versterken en een essentieel onderdeel vormen van doeltreffende cyberdefensie en cyberafschrikking; benadrukt dat een betere uitwisseling van technische informatie, analyses en inlichtingen over dreigingen tussen de lidstaten op EU-niveau collectieve toeschrijving op EU-niveau mogelijk zou kunnen maken; erkent dat cyberdefensie tot op zekere hoogte doeltreffender is als zij ook een aantal offensieve middelen en maatregelen omvat, mits het gebruik ervan in overeenstemming is met het internationaal recht; onderstreept dat uitdrukkelijke toeschrijving van cyberaanvallen een nuttig afschrikkingsinstrument is; vraagt dat gezamenlijke en openbare toeschrijving van kwaadwillige cyberactiviteiten wordt overwogen, met inbegrip van de mogelijkheid om over bepaalde actoren verslagen over cybergedrag onder auspiciën van de EDEO op te stellen om op EU-niveau een overzicht te geven van door staten gesteunde kwaadwillige cyberactiviteiten tegen lidstaten;

34.

is van mening dat samenwerking tussen de EU en de NAVO op cybergebied van cruciaal belang is omdat zij de formele collectieve toeschrijving van kwaadwillige cyberincidenten en bijgevolg de oplegging van restrictieve sancties en maatregelen mogelijk kan maken en kan versterken; merkt op dat functionerende weerbaarheid en doeltreffende afschrikking zouden worden bewerkstelligd als daders weten dat er een lijst van mogelijke tegenmaatregelen is, dat die evenredig en passend zijn en dat ze stroken met het internationaal recht, met name het VN-Handvest (op basis van de ernst, de omvang en het doelwit van de cyberaanvallen);

35.

is ingenomen met het voorstel van de VV/HV om de oprichting van een EU-werkgroep voor cyberinlichtingen van de lidstaten binnen Intcen aan te moedigen en te faciliteren om strategische samenwerking inzake inlichtingen over cyberdreigingen en -activiteiten te bevorderen, teneinde het omgevingsbewustzijn en de besluitvorming van de EU met het oog op een gezamenlijke diplomatieke respons verder te ondersteunen; moedigt verdere vooruitgang aan met betrekking tot de gemeenschappelijke reeks voorstellen, met name de voortdurende interactie met de EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen en de Cel voor analyse van hybride bedreigingen van de NAVO bij het delen van omgevingsbewustzijn en analyse en bij tactische en operationele samenwerking;

Sterkere partnerschappen en een grotere rol van de EU in de internationale context

36.

is van mening dat samenwerking met de NAVO op het gebied van cyberdefensie een belangrijke rol speelt bij het voorkomen, ontmoedigen en beantwoorden van cyberaanvallen die de collectieve veiligheid van de lidstaten aantasten; vraagt de lidstaten bewijsmateriaal en inlichtingen volledig te delen, zodat die kunnen worden gebruikt om lijsten met cybersancties op te stellen; dringt aan op meer coördinatie met de NAVO op dit gebied door deelname aan cyberoefeningen en gezamenlijke opleidingen, zoals de parallelle en gecoördineerde oefeningen (PACE);

37.

erkent dat de EU en de NAVO moeten zorgen voor coördinatie van kwesties waarbij vijandige actoren de Euro-Atlantische veiligheidsbelangen bedreigen; spreekt zijn bezorgdheid uit over het systemisch agressieve gedrag van met name China, Rusland en Noord-Korea in cyberspace, waaronder talrijke cyberaanvallen tegen overheidsinstellingen en particuliere ondernemingen; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO zich moet toespitsen op uitdagingen op het gebied van cyber-, hybride, opkomende en disruptieve technologieën (EDT), de ruimte, wapenbeheersing en non-proliferatie; dringt er bij de EU en de NAVO op aan samen te werken om te zorgen voor veerkrachtige, betaalbare en veilige hogesnelheidsnetwerken die aan de veiligheidsnormen van de EU en de lidstaten voldoen en die nationale en internationale informatienetwerken beveiligen die gevoelige gegevens en communicatie kunnen versleutelen;

38.

is verheugd dat tussen CERT-EU en het computercrisisteam (NCIRC) van de NAVO een regeling is getroffen om ervoor te zorgen dat in realtime op dreigingen kan worden gereageerd door de preventie en opsporing van en de reactie op cyberincidenten in zowel de EU als bij de NAVO te verbeteren; benadrukt tevens hoe belangrijk het is de opleidingscapaciteit op het gebied van cyberdefensie in IT en cybersystemen te vergroten in samenwerking met het kenniscentrum voor cyberdefensie (CCD COE) van de NAVO en de academie voor communicatie en informatie (NCI) van de NAVO;

39.

dringt aan op verdere samenwerking tussen de EU en de NAVO, met name wat de interoperabiliteitsvereisten voor cyberdefensie betreft, door te zoeken naar mogelijke complementariteiten en een wederzijds voordelige versterking van de capaciteiten, door te ernaar te streven de relevante GVDB-structuren te laten aansluiten bij de Federated Mission Networking van de NAVO, door overlapping te voorkomen en door elkaars verantwoordelijkheden te erkennen; vraagt dat de PESCO van de EU alsook de Smart Defence, het Connected Forces Initiative en de Defence Investment Pledge van de NAVO worden versterkt en dat bundelen en delen worden bevorderd, met als doel meer synergieën en efficiëntie in de relatie tussen leveranciers en eindgebruikers tot stand te brengen; is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij de samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van cyberdefensie, met name wat betreft de uitwisseling van concepten en doctrines, wederzijdse deelname aan cyberoefeningen en wederzijdse briefings, met name over de cyberdimensie van crisisbeheersing; stelt voor om een gezamenlijk EU-NAVO-informatieknooppunt voor cyberdreigingen en een gezamenlijke taskforce voor cyberbeveiliging op te zetten;

40.

dringt aan op nauwere coördinatie van cyberdefensie tussen de lidstaten, de EU-instellingen, de NAVO-bondgenoten, de VN en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE); pleit in dit verband voor de verdere bevordering van de vertrouwenwekkende maatregelen van de OVSE voor cyberspace, en onderstreept dat er doeltreffende internationale samenwerkingsinstrumenten moeten worden ontwikkeld om de versterking van de cybercapaciteitsopbouw van de partners te ondersteunen en om vertrouwenwekkende maatregelen en inclusieve samenwerking met het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden te ontwikkelen en te bevorderen; is ingenomen met het belang dat in de EU-strategie voor samenwerking in het gebied rond de Indische en de Stille Oceaan van 19 april 2021 wordt gehecht aan een wereldwijde, open, vrije, stabiele en beveiligde cyberspace; vraagt dat er actief werk wordt gemaakt van nauwere banden met gelijkgestemde democratieën in het gebied rond de Indische en de Stille Oceaan, zoals de Verenigde Staten, Zuid-Korea, Japan, India, Australië en Taiwan, teneinde kennis en ervaring te delen en informatie over het tegengaan van cyberdreigingen uit te wisselen; onderstreept tevens het belang van samenwerking met andere landen, met name in de onmiddellijke nabijheid van de EU, om ze te helpen hun capaciteit om zich tegen cyberdreigingen te verdedigen, op te bouwen; looft de steun van de Commissie voor cyberbeveiligingsprogramma’s in de Westelijke Balkan en de landen van het Oostelijk Partnerschap; benadrukt dat het internationaal recht, met inbegrip van het VN-Handvest in zijn geheel, dringend moet worden geëerbiedigd, dat het algemeen erkende internationale normatieve kader voor verantwoordelijk gedrag van staten in acht moet worden genomen, en dat moet worden bijgedragen aan de lopende besprekingen over de wijze van toepassing van het internationaal recht in cyberspace in de context van de VN;

41.

onderstreept het belang van een sterk partnerschap op cybergebied met het VK, dat een leidende natie is wat zijn cyberdefensiearsenaal betreft; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is opnieuw een proces op gang te brengen om in de toekomst een formeel en gestructureerd kader voor samenwerking op dit gebied tot stand te brengen;

42.

benadrukt dat vrede en stabiliteit in cyberspace moeten worden gewaarborgd; vraagt alle lidstaten en de EU tijdens besprekingen en initiatieven onder auspiciën van de VN leiderschap te tonen, onder meer door een actieprogramma voor te stellen, een proactieve aanpak voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijk internationaal regelgevingskader te volgen en te helpen om verantwoordingsplicht, de naleving van opkomende normen en de preventie van misbruik van digitale technologieën te bevorderen en verantwoordelijk overheidsgedrag in cyberspace effectief te stimuleren, voortbouwend op de consensusverslagen van de UN GGE die door de Algemene Vergadering van de VN zijn bekrachtigd; is ingenomen met de aanbevelingen van het eindverslag van de OEWG, met name over de opstelling van een actieprogramma; moedigt de VN aan om de dialoog tussen staten, onderzoekers, academici, maatschappelijke organisaties, humanitaire actoren en de particuliere sector te bevorderen, teneinde te zorgen voor inclusieve beleidsvormingsprocessen voor nieuwe internationale bepalingen; dringt erop aan dat alle bestaande multilaterale inspanningen worden bespoedigd, zodat de normatieve en regelgevende kaders niet worden ingehaald door de technologische ontwikkeling en de nieuwe methoden van oorlogsvoering; vraagt dat de architectuur voor wapenbeheersing wordt gemoderniseerd om te voorkomen dat er een digitale grijze zone ontstaat; vraagt dat vredeshandhavingsmissies van de VN worden versterkt met de nodige cyberdefensievermogens om hun mandaat effectief te kunnen uitvoeren;

43.

herinnert aan zijn standpunt dat er een verbod moet komen op de ontwikkeling, productie en inzet van volledig autonome wapens waarmee aanvallen kunnen worden uitgevoerd zonder menselijke tussenkomst van betekenis; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Europese Raad een gemeenschappelijk standpunt over autonome wapensystemen vast te stellen dat een betekenisvolle menselijke controle op de kritieke functies van dergelijke wapensystemen waarborgt; vraagt dat er internationale onderhandelingen worden aangegaan over een juridisch bindend instrument dat volledig autonome wapens zou verbieden;

44.

wijst op het belang van samenwerking met de nationale parlementen teneinde best practices op het gebied van cyberdefensie uit te wisselen;

o

o o

45.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU-agentschappen die betrokken zijn bij defensie en cyberbeveiliging, de secretaris-generaal van de NAVO en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.

(2)  PB L 151 van 7.6.2019, blz. 15.

(3)  PB L 246 van 30.7.2020, blz. 12.

(4)  PB L 351 I van 22.10.2020, blz. 5.

(5)  PB C 28 van 27.1.2020, blz. 57.

(6)  Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/113


P9_TA(2021)0413

Het noordpoolgebied: kansen, zorgen en veiligheidsuitdagingen

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over het noordpoolgebied: kansen, zorgen en veiligheidsuitdagingen (2020/2112(INI))

(2022/C 132/10)

Het Europees Parlement,

gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name de artikelen 21, 22, 34 en 36, alsook het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien zijn resoluties van 9 oktober 2008 over het beheer van het noordpoolgebied (1), van 20 januari 2011 over een duurzaam EU-beleid voor het hoge noorden (2), van 12 maart 2014 over de strategie van de EU voor het noordpoolgebied (3), van 16 maart 2017 over een geïntegreerd EU-beleid voor het noordpoolgebied (4), van 3 juli 2018 over klimaatdiplomatie (5), en van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu (6),

gezien de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP), die door de Algemene Vergadering van de VN op 13 december 2007 is aangenomen,

gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over de schending van de rechten van inheemse volkeren, inclusief landroof (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2008, getiteld “De Europese Unie en het noordpoolgebied” (COM(2008)0763), en de gezamenlijke mededelingen van 26 juni 2012, getiteld “Ontwikkeling van een EU-beleid ten opzichte van het Noordpoolgebied: vooruitgang sedert 2008 en volgende stappen” (JOIN(2012)0019) en van 27 april 2016 getiteld “Een geïntegreerd EU-beleid voor het noordpoolgebied” (JOIN(2016)0021),

gezien de aanbevelingen in dit verband van de Delegatie voor noordelijke samenwerking en voor de betrekkingen met Zwitserland en Noorwegen, in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-IJsland en in de Gemengde Parlementaire Commissie van de Europese Economische Ruimte (DEEA),

gezien de samenvatting van de resultaten van de openbare raadpleging over EU-beleid inzake het noordpoolgebied van januari 2021,

gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (8) en de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC),

gezien de overeenkomst die op 12 december 2015 tijdens de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC in Parijs werd gesloten (de Overeenkomst van Parijs),

gezien de conclusies van de Raad van 8 december 2009 over kwesties aangaande het noordpoolgebied, van 12 mei 2014 over de ontwikkeling van EU-beleid ten aanzien van het noordpoolgebied, van 20 juni 2016 over het noordpoolgebied, van 21 november 2019 over ruimtevaartoplossingen voor een duurzaam noordpoolgebied, en van 9 december 2019 over het EU-beleid inzake het noordpoolgebied,

gezien de conclusies van de Raad van 15 mei 2017 over inheemse volken en het gezamenlijk werkdocument van 17 oktober 2016 getiteld “Implementing EU External Policy on Indigenous Peoples” (Uitvoering van het externe beleid van de EU inzake inheemse volkeren) (SWD(2016)0340),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2008 getiteld “De Europese Unie en het Noordpoolgebied” (COM(2008)0763),

gezien de Verklaring van Ilulissat van de vijf Arctische kuststaten (de VS, Rusland, Canada, Noorwegen en Denemarken), die op 28 mei 2008 werd aangekondigd en in mei 2018 opnieuw werd bekrachtigd,

gezien de oprichting van de Raad van Oostzeestaten (CBSS) en de Raad voor het Europees-Arctische Barentszzeegebied (BEAC),

gezien Besluit 2014/137/EU van de Raad van 14 maart 2014 inzake de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds,

gezien de integrale strategie van de EU voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van juni 2016,

gezien de nationale strategieën betreffende het noordpoolgebied, in het bijzonder van de landen rond de Noordpool, namelijk het Koninkrijk Denemarken, Zweden en Finland, evenals die van andere lidstaten van de EU en de EER,

gezien de strategie van de Europese Unie voor maritieme veiligheid,

gezien de ruimtestrategie voor Europa, die door de Europese Commissie is gepubliceerd op 26 oktober 2016 (COM(2016)0705),

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), gesloten op 10 december 1982 en van kracht sinds 16 november 1994,

gezien het Unesco-Verdrag inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld van 16 november 1972,

gezien Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende inheemse en in stamverband levende volken,

gezien de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee van 3 oktober 2018 (CAOF-overeenkomst),

gezien het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR),

gezien de internationale gedragscode voor schepen die in poolwateren varen (zeevaartcode voor het noordpoolgebied) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO),

gezien het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas) van 1974, het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) van 1973, als gewijzigd bij het Protocol van 1978 en het Protocol van 1997, het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (STCW) van 1978, als gewijzigd in 1995 en 2010, het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (Colreg) van 1972, het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL) van 1965, en het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee (SAR) van 1979,

gezien het Verdrag van Svalbard (voorheen het Spitsbergenverdrag) van 9 februari 1920,

gezien de verklaring van Ottawa tot oprichting van de Arctische Raad van 19 september 1996,

gezien de verklaringen van het Parlementair Forum van de Noordelijke Dimensie in Bodø (Noorwegen) van november 2019, in Brussel van november 2017, in Reykjavik (IJsland) van mei 2015, in Archangelsk (Rusland) van november 2013, in Tromsø (Noorwegen) van februari 2011 en in Brussel van september 2009,

gezien de drie juridisch bindende overeenkomsten die onder auspiciën van de Arctische Raad zijn onderhandeld, te weten de Overeenkomst inzake samenwerking bij opsporing en redding vanuit de lucht en op zee in het noordpoolgebied van 2011, de Overeenkomst inzake samenwerking bij mariene verontreiniging door olie, paraatheid en respons in het noordpoolgebied van 2013, en de Overeenkomst inzake de versterking van de internationale wetenschappelijke samenwerking in het noordpoolgebied van 2017,

gezien de verklaring van de 14e Conferentie van het permanent comité van parlementsleden van het noordpoolgebied van 13 en 14 april 2021,

gezien de mededeling van de Commissie van 3 september 2020 getiteld “Veerkracht op het gebied van kritieke grondstoffen: de weg naar een grotere voorzieningszekerheid en duurzaamheid uitstippelen” (COM(2020)0474),

gezien het EU Arctic Forum dat in 2019 in Umeå, Zweden, plaatsvond,

gezien de verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), en met name het speciaal verslag over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat en het speciaal verslag over de opwarming van de aarde met 1,5 oC,

gezien het samenvattend verslag van 21 december 2017 naar aanleiding van de raadpleging van het Arctic Stakeholder Forum tot vaststelling van de belangrijkste investeringsprioriteiten in het noordpoolgebied en manieren waarop toekomstige EU-financieringsprogramma’s voor het gebied beter kunnen worden gestroomlijnd,

gezien de strategische nota van het Europees Centrum voor politieke strategie van juli 2019 getiteld “Walking on Thin Ice: A Balanced Arctic Strategy for the EU”,

gezien het Noord-Atlantisch Verdrag, het communiqué naar aanleiding van de top van Warschau van de staatshoofden en regeringsleiders die deelnamen aan de bijeenkomst van de Noord-Atlantische Raad in Warschau op 8 en 9 juli 2016, en de analyse en aanbevelingen van de door de secretaris-generaal van de NAVO benoemde reflectiegroep, getiteld “NATO 2030: United for a New Era”,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0239/2021),

A.

overwegende dat het noordpoolgebied de afgelopen decennia een regio van vrede, lage spanningen en constructieve internationale samenwerking is geweest tussen de acht Arctische staten Denemarken, Zweden, Finland, IJsland, Noorwegen, Rusland, Canada en de VS; overwegende dat de Arctische staten en de internationale gemeenschap de situatie waarin de regio verkeert als zodanig moeten handhaven en de politieke wil moeten blijven tonen om samen te werken en geschillen op te lossen in overeenstemming met het internationaal recht;

B.

overwegende dat het geopolitieke belang van de regio toeneemt, en met het oog op de toekomst van het noordpoolgebied en de wereldwijde uitdagingen waarmee het noordpoolgebied wordt geconfronteerd en die verder gaan dan die van de Arctische kuststaten, bestuur op verschillende niveaus vereist is, en het nodig is te streven naar regionale samenwerking en internationale oplossingen; overwegende dat er een rechtstreeks verband is tussen geopolitiek, de veiligheid van het noordpoolgebied en de milieusituatie, die op haar beurt sterk wordt beïnvloed door de gevolgen van het menselijk gedrag in andere gebieden op de planeet;

C.

overwegende dat het alomvattende bestuursmodel van het noordpoolgebied, waarin het internationaal recht centraal staat, doeltreffend en robuust is gebleken; overwegende dat samenwerking de meest nuttige manier is gebleken om banden te smeden tussen de Arctische staten;

D.

overwegende dat het huidige bestuurskader voor het noordpoolgebied, waarin de Arctische Raad centraal staat, in de afgelopen 25 jaar in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot de stabiliteit van de regio; overwegende dat de Arctische Raad het belangrijkste forum voor samenwerking in het noordpoolgebied vormt en zijn werkgroepen dienen als arena voor positieve en constructieve internationale samenwerking;

E.

overwegende dat het werk van de Arctische Raad cruciaal is gebleken voor het waarborgen van vreedzame en constructieve samenwerking tussen de Arctische staten, en heeft geleid tot verschillende bindende overeenkomsten tussen deze staten; overwegende dat het noordpoolgebied in het verleden relatief ongemoeid is gelaten door mondiale geopolitieke conflicten, maar dat het militaire belang en de geopolitieke strategische rol ervan toenemen; overwegende dat veiligheid en politiek in het noordpoolgebied steeds meer verband houden met mondiale kwesties, waarbij ontwikkelingen buiten het Noordpoolgebied waarschijnlijk gevolgen zullen hebben voor de Arctische staten en omgekeerd, waardoor het voorkomen van overloopeffecten van geopolitieke spanningen en conflicten in andere regio’s op het noordpoolgebied nog belangrijker wordt;

F.

overwegende dat de inzet van de Arctische Raad voor het welzijn van de inwoners van het noordpoolgebied, de duurzame ontwikkeling van de regio en de bescherming van het milieu in het gebied, met inbegrip van de gezondheid van de ecosystemen, de instandhouding en het herstel van de biodiversiteit en het behoud en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, volledig door de EU wordt ondersteund;

G.

overwegende dat de EU al lang pleitbezorger is van nauwe samenwerking in het noordpoolgebied en zich voor het noordpoolgebied inzet door haar betrokkenheid bij het beleid inzake de noordelijke dimensie met Rusland, Noorwegen en IJsland, door deel te nemen aan de oprichting van de Raad van de Oostzeestaten (CBSS), samen te werken in het Europees-Arctische Barentszzeegebied, en in het bijzonder in de Raad voor het Europees-Arctische Barentszzeegebied en de Regionale Raad voor de Barentszzee, via de strategische partnerschappen met Canada, de VS, en door deel te nemen als actief, de facto waarnemer in de Arctische Raad; overwegende dat de EU ruim één miljard euro heeft bijgedragen aan regionale ontwikkeling en grensoverschrijdende samenwerking in het Europese noordpoolgebied;

H.

overwegende dat het internationaal recht de basis vormt van de internationale inzet en samenwerking in het noordpoolgebied; overwegende dat met name het Verdrag inzake het recht van de zee (Unclos) en de verdragen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), die een kader bieden voor internationale samenwerking en internationaal optreden met betrekking tot kwesties die verband houden met de Noordelijke IJszee, moeten worden bevestigd en versterkt; overwegende dat het Unclos het rechtskader vormt waarbinnen alle activiteiten in de oceanen en zeeën moeten worden uitgevoerd, kuststaten economische rechten verleent ten aanzien van hun exclusieve economische zones, alsook hun continentaal plat, en bepaalt dat de volle zee onder geen enkele staatssoevereiniteit valt; overwegende dat alle Arctische kuststaten in de Verklaring van Ilulissat hebben bevestigd bij het beheer van de Noordelijke IJszee het internationaal recht te zullen naleven, en in het bijzonder het Unclos; overwegende dat de IMO mondiale regelgevingsnormen vaststelt met betrekking tot de veiligheid, beveiliging en milieuprestaties van de internationale scheepvaart;

I.

overwegende dat het noordpoolgebied bijzonder zwaar en in toenemende mate wordt getroffen door de drastische gevolgen van de klimaatverandering en de aantasting van de biodiversiteit, met inbegrip van stijgende temperaturen, veranderende ijsomstandigheden, bosbranden, stijgende zeespiegels, veranderende weerspatronen, invasieve uitheemse soorten, een ernstig verlies aan biodiversiteit en het wegsmelten van de permafrost, die de hele planeet treffen maar ook een risico vormen voor de lokale infrastructuur; overwegende dat lokale aanpassingsstrategieën en de bescherming van het ecosysteem in het noordpoolgebied niet los van het mondiaal kader voor klimaatactie kunnen worden aangepakt, en dat bij een dergelijke samenwerking de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs een centrale plaats inneemt;

J.

overwegende dat bepaalde delen van het noordpoolgebied de hoogste concentratie van kunststofafval ter wereld hebben, hetgeen reeds gevolgen heeft voor de diersoorten in het gebied, het voedselweb dreigt te verontreinigen en uiteindelijk ook mensen zal treffen;

K.

overwegende dat het verontrustende tempo waarmee de ijskap in het noordpoolgebied smelt is toe te schrijven aan de klimaatverandering en aan factoren die voornamelijk buiten het noordpoolgebied zijn ontstaan; overwegende dat de klimaatverandering moet worden beschouwd als een verschijnsel dat tot een verveelvoudiging van de bedreigingen leidt, waardoor bestaande ontwikkelingen, spanningen en instabiliteit worden aangescherpt;

L.

overwegende dat het smelten van de ijskap in het noordpoolgebied en de daaruit voortvloeiende stijging van de zeespiegels wereldwijd verstrekkende gevolgen zouden hebben voor het milieu, de economie en de menselijke veiligheid; overwegende dat het smelten van de ijskap in Groenland wereldwijd kan leiden tot een stijging van de zeespiegel tot maar liefst 7,2 meter, hetgeen betekent dat veel regio’s op de hele planeet onder water zouden komen te staan; overwegende dat bepaalde bevolkingsgroepen in het noordpoolgebied reeds de gevolgen van de smeltende ijskappen ondervinden, wat heeft geleid tot migratiestromen; overwegende dat de smeltende ijskap in Groenland ook veranderingen in de biodiversiteit teweegbrengt;

M.

overwegende dat het noordpoolgebied als gevolg van menselijke activiteiten aan verschillende bedreigingen wordt blootgesteld en dat het wegsmelten van de permafrost daarvan een van de meest zorgwekkende is; overwegende dat ongeveer 24 % van de bodem in het noordelijk halfrond bedekt is met permafrost, in het bijzonder grote gebieden in het noorden van Rusland; overwegende dat permafrost grote hoeveelheden gevaarlijk methaan en CO2 bevat en dat bij het wegsmelten ervan broeikasgassen vrijkomen die in de atmosfeer terechtkomen en bijdragen aan de opwarming van de aarde; overwegende dat het wegsmelten van de permafrost veranderingen in ecosystemen teweeg kan brengen en de veiligheid op onverwachte wijze kan aantasten;

N.

overwegende dat de uitdagingen voor het noordpoolgebied voornamelijk worden veroorzaakt door de wereldwijde klimaatverandering en activiteiten buiten het noordpoolgebied, maar dat de gevolgen van de klimaatverandering vooral zichtbaar zijn in het noordpoolgebied, aangezien het noordpoolgebied drie keer sneller opwarmt dan het mondiale gemiddelde en het zee-ijs in het noordpoolgebied ongekend snel smelt, waarbij de stijging van de zeespiegel niet alleen in de regio zelf, maar ook wereldwijd, een verwoestende sociale, ecologische en economische impact heeft; overwegende dat deze effecten het regionale ecosysteem, de geografie en de economie veranderen door mogelijk nieuwe vervoersroutes te openen, de handel te bevorderen, de toegang tot zeldzame natuurlijke hulpbronnen mogelijk te maken en de onderzoeksactiviteiten, visserij en toerisme te intensiveren; overwegende dat sommige van deze veranderingen een enorm potentieel bieden voor technologisch geavanceerde, milieuvriendelijke en duurzame economische ontwikkeling; overwegende dat de hele wereld de verantwoordelijkheid draagt voor deze uitdagingen voor het noordpoolgebied, en met name voor de klimaatverandering; overwegende dat de EU deze uitdagingen moet aangaan door zelf verplichtingen aan te gaan en door andere landen te ondersteunen;

O.

overwegende dat het moeilijk is om de schade als gevolg van door de mens veroorzaakte milieurampen, met name door de winning van aardolie en andere hulpbronnen in het gebied in te dammen en te beheren, en het wegnemen van de veroorzaakte schade tot hoge kosten kan leiden; overwegende dat de grootste olielekkage in het noordpoolgebied in Siberië in mei 2020 heeft plaatsgevonden, waarbij meer dan 20 000 ton dieselolie in de bodem en waterwegen van de omringende gebieden in de buurt van de Russische stad Norilsk stroomde en dat de schoonmaakwerkzaamheden nog altijd gaande zijn;

P.

overwegende dat de hoofdzakelijk externe gevolgen van de klimaatverandering in het noordpoolgebied en de heropleving van de geopolitieke concurrentie in het gebied complicerende factoren vormen voor de ontwikkeling van de duurzaamheid en het behoud van traditionele bestaansmiddelen in het kwetsbare milieu van het noordpoolgebied en van invloed kan zijn op de veiligheid en duurzame economische ontwikkeling van de regio;

Q.

overwegende dat het geo-economische belang van de regio snel toeneemt als gevolg van de groeiende belangstelling voor de rijke en overvloedige natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van kritieke grondstoffen, de opkomende nieuwe maritieme routes en het potentieel daarvan voor zeevervoer; overwegende dat de landen in het noordpoolgebied weliswaar het recht hebben hulpbronnen op hun eigen grondgebied te gebruiken, maar ook de plicht hebben dit op een verantwoorde manier te doen; overwegende dat de verkenning en ontginning van hulpbronnen in het noordpoolgebied aanzienlijke risico’s met zich meebrengen voor de kwetsbare ecosystemen en plaatselijke bevolkingsgroepen in de regio; overwegende dat de EU en het VK in 2019 een groot deel van de uitvoer van energie, metalen, mineralen en vis van de Arctische landen hebben ingevoerd;

R.

overwegende dat de noordwestelijke doorvaart, de noordelijke zeeroute en de toekomstige transpolaire zeeroute als gevolg van de smeltende ijskappen vrijkomen; overwegende dat de natuurlijke hulpbronnen in het noordpoolgebied grotendeels onder de nationale jurisdictie van de Arctische staten vallen en dat er geen twijfel bestaat over de eigendom van deze hulpbronnen; overwegende dat de noodzaak om duurzame oplossingen te vinden en te ontwikkelen voor de productie en het vervoer van energie heeft geleid tot een toename van de mondiale vraag naar zeldzame aardmetalen, waardoor de aandacht is verlegd naar de grotendeels onontgonnen natuurlijke hulpbronnen in het noordpoolgebied; overwegende dat zich in het noordpoolgebied een grote voorraad van zeldzame aardmetalen bevindt; overwegende dat 90 % van de wereldwijde productie van zeldzame aardmetalen momenteel afkomstig is uit China;

S.

overwegende dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de duurzame ontwikkeling van het noordpoolgebied bij de Arctische staten ligt, maar dat externe factoren ongetwijfeld een aanzienlijke invloed hebben en de internationale gemeenschap derhalve verplicht is alles in het werk te stellen om het noordpoolgebied te beschermen en de stabiliteit en veiligheid van de regio te waarborgen;

T.

overwegende dat er meer dan vier miljoen mensen in het noordpoolgebied rond de Noordpool wonen, waaronder ruim veertig verschillende inheemse volkeren en lokale gemeenschappen en een half miljoen EU-burgers; overwegende dat het enige inheemse volk van de EU, de Sami, in de noordpoolgebieden van Finland en Zweden alsmede van Noorwegen en Rusland leeft; overwegende dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen een wezenlijke rol spelen bij het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van biodiversiteit; overwegende dat demografie belangrijk is voor de regionale ontwikkeling;

U.

overwegende dat samenwerking bij wetenschappelijk onderzoek meer dan ooit cruciaal is om de uitdagingen als gevolg van de ernstige aantasting van het milieu en klimaatverandering het hoofd te bieden;

V.

overwegende dat de EU meer dan 200 miljoen euro heeft bijgedragen aan onderzoek in het noordpoolgebied via het Horizon 2020-programma;

W.

overwegende dat de EU zich inzet voor de totstandbrenging van een open en veilig internationaal maritiem domein overeenkomstig de integrale EU-strategie en de strategie van de EU voor maritieme veiligheid;

X.

overwegende dat de betrekkingen van de EU met het noordpoolgebied berusten op geschiedenis, geografie, economie en onderzoek; overwegende dat het belang van duurzame ontwikkeling, cohesiebeleid en grensoverschrijdende samenwerking voor het verminderen van geopolitieke spanningen moet worden benadrukt; overwegende dat de EU, als wereldspeler, steeds weer opnieuw heeft laten zien dat zij zich inzet voor een vreedzaam, ecologisch schoon, coöperatief, duurzaam en welvarend noordpoolgebied, en streeft naar een duurzame toekomst voor de inwoners van het noordpoolgebied; overwegende dat de EU duidelijk heeft aangegeven bereid te zijn een nog prominentere rol te spelen;

Y.

overwegende dat de EU op verschillende manieren kan bijdragen aan de oplossing van potentiële nieuwe uitdagingen en de voorkoming van conflicten in het noordpoolgebied;

Z.

overwegende dat over het verzoek van de EU om volwaardig waarnemer te worden van de Arctische Raad, en waarvan de leden van de Arctische Raad in 2013 de ontvangst hebben bevestigd, nog steeds niet is besloten; overwegende dat het definitieve besluit is uitgesteld als gevolg van verzet van een aantal leden van de Arctische Raad; overwegende dat het Parlement eerder blijk heeft gegeven van steun voor dit verzoek; overwegende dat de EU actief deelneemt aan de werkzaamheden van de desbetreffende groepen, taskforces en deskundigengroepen van de Arctische Raad; overwegende dat het brede spectrum van regionale bevoegdheden, deskundigheid en bestaande initiatieven van de EU kan dienen als kader voor gezamenlijke projecten;

AA.

overwegende dat Frankrijk, Duitsland, Nederland, Polen, Spanje en Italië zich, als waarnemers in de Arctische Raad, van aanzienlijke betrokkenheid bij het noordpoolgebied en van grote belangstelling voor toekomstige dialoog en samenwerking met de Arctische Raad blijk geven; overwegende dat Estland en Ierland een verzoek hebben ingediend om toekenning van de status van waarnemer in de Arctische Raad;

AB.

overwegende dat IJsland en Noorwegen als betrokken en betrouwbare partners met de EU geassocieerd zijn via de EER en de Schengenakkoorden;

AC.

overwegende dat de stabiliteit van het noordpoolgebied lang relatief goed behouden is gebleven, maar steeds sterker wordt aangetast door de toenemende internationale belangstelling voor de regio en het veranderend veiligheidslandschap, waaronder door de toenemende hermilitarisering van de Russische Federatie in de regio; overwegende dat de economische en militaire investeringen van de Russische Federatie in het noordpoolgebied de investeringen van de overige Arctische staten doen verbleken; overwegende dat de Russische Federatie in de noordelijke regio’s nieuwe militaire bases heeft gevestigd en oude bases aldaar heeft gemoderniseerd, en daarmee de anti-access/area denial-capaciteit (A2/AD) op de strategische noordelijke zeeroute (NSR), die zij ten onrechte tot haar binnenwateren rekent, aanzienlijk heeft opgevoerd; overwegende dat Rusland zijn noordelijke vloot heeft opgewaardeerd tot een militair district en verschillende onderdelen van zijn strijdkrachten heeft opgeschaald, en onder meer heeft uitgerust met nieuwe onderzeeërs, nucleaire en op conventionele wijze aangedreven ijsbrekers en direct inzetbare radars en raketsystemen; overwegende dat Rusland het concept van “bastionverdediging”, dat gericht is op de bescherming van zijn strategische capaciteit van de Barentszzee tot de Beringstraat, nieuw leven heeft ingeblazen; overwegende dat Rusland zijn zee- en luchtpatrouilles, activiteiten van onderzeeërs en elektronische oorlogstactieken heeft opgevoerd, wat een zeer zorgwekkende ontwikkeling is; overwegende dat deze geopolitieke ontwikkelingen hebben geleid tot een toename van de oefeningen, inzet, patrouilles en capaciteitsinvesteringen in het noordpoolgebied; overwegende dat de militarisering van het gebied indruist tegen de geest van samenwerking die tot dusver kenmerkend is geweest voor de betrekkingen tussen de staten in het noordpoolgebied;

AD.

overwegende dat het Barentszzeegebied het voornaamste testgebied is voor proeven met ballistische raketsystemen en kruisraketsystemen en dat het gebied ten oosten van Novaya Zemlya het belangrijkste testgebied is voor kernproeven;

AE.

overwegende dat Rusland de soevereiniteit en territoriale integriteit van zijn vreedzame buurlanden heeft geschonden door de vrijheid van scheepvaart in de Zee van Azov, de Zwarte Zee en de Oostzee te belemmeren, hetgeen bij de beoordeling van toekomstige scenario’s voor de handhaving van de huidige vreedzame co-existentie in het noordpoolgebied, niet buiten beschouwing kan worden gelaten;

AF.

overwegende dat de verreikende projecten en initiatieven van China aanleiding geven tot grote bezorgdheid; overwegende dat China zijn eerste witboek inzake Arctisch beleid in januari 2018 heeft gepubliceerd en langdurige inspanningen levert om zijn positie in het noordpoolgebied te versterken, zichzelf tot “bijna-Arctische staat” heeft uitgeroepen, met de ambitie een “polaire macht” te worden, en de samenwerking met Rusland in het noordpoolgebied intensiveert; overwegende dat China een poolzijderoute voor handel via het noordpoolgebied heeft opgezet, als uitbreiding van zijn Gordel- en Weginitiatief, en regionale wetenschappelijke exploratiemissies heeft georganiseerd, onderzoekscentra in het noordpoolgebied heeft opgericht en 24 poolobservatiesatellieten heeft ontwikkeld; overwegende dat China actief deelneemt aan de Arctische Raad en een bilaterale samenwerking is aangegaan met afzonderlijke Arctische staten en andere belanghebbenden om steun te krijgen voor zijn initiatieven;

AG.

overwegende dat de meeste Arctische spelers hun strategieën hebben geactualiseerd in het licht van de snel veranderende situatie in het noordpoolgebied en het toenemend economisch en geostrategisch belang van de regio;

Internationale samenwerking als basis voor een veilig, stabiel, welvarend, toegankelijk en vreedzaam noordpoolgebied

1.

bevestigt nogmaals dat het noordpoolgebied van strategisch en politiek belang is voor de EU, als Arctisch belanghebbende en wereldspeler, en onderstreept het engagement van de EU om een verantwoordelijke actor te zijn en te streven naar een duurzame en vreedzame ontwikkeling van de regio op lange termijn door volledig samen te werken met de internationale partners; acht het van cruciaal belang dat alle belanghebbenden, waaronder de EU en haar lidstaten, optreden om vreedzame en intensieve internationale en regionale samenwerking, wetenschappelijk onderzoek, welvaart en lage spanningen in het noordpoolgebied te handhaven en om in te spelen op de zeer alarmerende effecten en gevolgen van de klimaatverandering in de regio; is van mening dat het noordpoolgebied een cruciale rol speelt bij het behoud van het milieuevenwicht van de planeet, is tevreden dat het gebied al lange tijd een plaats van vrede en vruchtbare internationale samenwerking is, en feliciteert de Arctische Raad met zijn 25e verjaardag als het belangrijkste forum voor samenwerking in het noordpoolgebied dat heeft aangetoond in staat te zijn een constructieve en positieve geest van samenwerking te handhaven;

2.

steunt de validiteit van de drie fundamentele pijlers van het geïntegreerde EU-beleid voor het noordpoolgebied, namelijk ambitieuze respons op klimaatverandering en bescherming van het Arctische milieu, bevordering van duurzame ontwikkeling en intensivering van internationale samenwerking; benadrukt het belang van een evenwichtig EU-beleid voor het noordpoolgebied en is van mening dat de EU bij uitstek geschikt is om het beleid voor het noordpoolgebied van de lidstaten te helpen coördineren en aan te vullen en benadrukt daarom de noodzaak van meer samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU met betrekking tot Arctische aangelegenheden; dringt er bij de EU op aan om waar nodig een Arctische dimensie op te nemen in haar sectoraal beleid;

3.

beklemtoont de belangrijke rol van de waarnemende staten in de Arctische Raad, die aanzienlijke ervaring hebben en al jarenlang betrokken zijn bij de wetenschappelijke en politieke samenwerking in het noordpoolgebied; is in dit opzicht verheugd over de voortdurende dialoog tussen de waarnemende staten en het voorzitterschap van de Arctische Raad; steunt het verzoek van de EU om volwaardig waarnemer te worden in de Arctische Raad en moedigt de leden van de Arctische Raad aan positief te reageren op het verzoek van de EU; onderstreept echter dat de EU reeds de facto waarnemer is in de Arctische Raad, met de mogelijkheid om, net zoals andere waarnemende leden, op voet van gelijkheid deel te nemen en bij te dragen;

4.

benadrukt dat de EU moet bijdragen aan versterkte multilaterale governance in het noordpoolgebied, een duurzaam gebruik van hulpbronnen moet bevorderen en het noordpoolgebied samen met de bevolking daarvan moet beschermen en in stand houden; verzoekt de EU met expertise en financiering een bijdrage te blijven leveren aan de Arctische Raad door haar betrokkenheid in de werkgroepen van de Arctische Raad en de verschillende projecten ervan te vergroten; is van mening dat de noordelijke regio moet worden gezien als een onderdeel van het noordelijke nabuurschap van de EU, met een grotere deelname aan bestaande fora; benadrukt dat de noordelijke dimensie een constructieve arena is voor grensoverschrijdende samenwerking, met een succesvol model voor sectorale samenwerking, waarbij de EU in gelijke mate bijdraagt aan het gezamenlijk beleid met Rusland, Noorwegen en IJsland, en andere waarnemers; verheugt zich op verdere praktische samenwerking op een groot aantal gebieden; wijst op de samenwerking tussen lokale en nationale overheids- en niet-overheidsactoren binnen de Raad voor het Europees-Arctische Barentsz-zeegebied (BEAC), waarvan de EU volwaardig lid is, over aangelegenheden die van bijzonder belang zijn voor de Barentszregio; merkt op dat de Raad voor het Europees-Arctische Barentsz-zeegebied een belangrijke rol heeft gespeeld bij het opbouwen van vertrouwen en wederzijds begrip in het noorden en tegelijkertijd de samenwerking tussen Arctische landen heeft versterkt; merkt op dat de EU ook moet streven naar deelname aan andere politieke fora die verband houden met de ontwikkeling van het noordpoolgebied;

5.

is ingenomen met de aanhoudende actualisering van het noordpoolbeleid van de EU, die rekening moet houden met het EU-belang in het noordpoolgebied en de gecombineerde uitdagingen van toegenomen internationale aandacht en klimatologische, geopolitieke en geo-economische veranderingen in de regio moet aanpakken; is van mening dat het beleid nieuwe spelers zoals China in aanmerking moet nemen en dat in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU de veiligheidsdimensie van het noordpoolgebied aan de orde moet komen; is met name van mening dat in het beleid een alomvattende benadering van veiligheid moet worden opgenomen, die specifiek de begrippen milieu en gezondheid omvat, alsook maritieme veiligheidskwesties; merkt op dat een dergelijk alomvattend, geactualiseerd beleid, gebaseerd op consensus tussen alle lidstaten, de EU in staat zal stellen in de regio een doeltreffende, proactieve en ambitieuzere rol te spelen, rekening houdend met de dringende uitdagingen in verband met klimaatverandering en het toenemende geopolitieke belang van het noordpoolgebied, maar ook de belangen zal dienen van de EU-burgers, voornamelijk die welke in het noordpoolgebied wonen, en van de inheemse volkeren in het bijzonder; benadrukt dat een dergelijk beleid zowel de interne als de externe dimensie van de EU-betrekkingen met het noordpoolgebied moet weerspiegelen en een duurzame connectiviteitsdimensie moet omvatten om belangrijke problemen op te lossen waarmee de inwoners van het noordpoolgebied worden geconfronteerd, zoals het waarborgen van hoogwaardige internetverbindingen;

6.

is van mening dat het nieuwe EU-beleid voor het noordpoolgebied breder moet worden gebruikt als een kans om de burgers, de academische wereld en het bedrijfsleven in de EU bewuster te maken van en meer te betrekken bij Arctische aangelegenheden; dringt aan op de oprichting van een uniek portaal voor het noordpoolgebied dat alle initiatieven en activiteiten van de EU-instellingen voor het noordpoolgebied bestrijkt;

7.

stelt vast dat de belangstelling voor het noordpoolgebied en zijn hulpbronnen toeneemt; is ernstig bezorgd over de negatieve gevolgen van klimaatverandering, met name het snel smeltende ijs en de overexploitatie van hulpbronnen, waardoor nieuwe elementen en realiteiten voor bepaalde vormen van economische ontwikkeling ontstaan en de steeds kwetsbaardere ecosystemen in het noordpoolgebied verder verstoord worden;

8.

benadrukt dat het alomvattende governancemodel op basis van het internationaal recht alle Arctische landen en de regio als geheel ten goede is gekomen en voor voorspelbaarheid en stabiliteit in de regio heeft gezorgd; onderstreept dat de bestaande regionale structuren het vertrouwen en de samenwerking tussen de Arctische staten bevorderen; benadrukt dat het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de Arctische landen is om de problemen op hun grondgebied aan te pakken; wijst er echter op dat externe krachten een belangrijke impact hebben op de huidige en toekomstige uitdagingen in de regio; herhaalt dat het internationaal recht de hoeksteen vormt van het rechtskader voor de regulering van de betrekkingen tussen landen in het noordpoolgebied, en onderstreept het belang van het Unclos dat de basis vormt voor alle maritieme activiteiten, en met name deel XV daarvan betreffende de vreedzame beslechting van maritieme geschillen en de verschillende procedures voor geschillenbeslechting, voor de afbakening van het continentaal plat van het noordpoolgebied en het oplossen van soevereiniteitskwesties binnen het noordpoolgebied met betrekking tot de territoriale zeeën; herhaalt zijn oproep aan de EU en de lidstaten om een grotere rol te spelen bij de effectieve tenuitvoerlegging van de internationale verdragen, en verzoekt de VS over te gaan tot ratificering van het Unclos; onderstreept tevens het belang van de internationale organen die zijn opgericht in het kader van het Unclos, waaronder de Commissie inzake de grenzen van het continentaal plat (CLCS), de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA) en het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee (Itlos), alsook van platforms zoals de Arctische Raad, de Conferentie van parlementsleden van het Noordpoolgebied, de Raad voor het Europees-Arctische Barentsz-zeegebied, de Noordelijke Dimensie en de Verenigde Naties, en blijft gehecht aan een sterke en actieve deelname aan parlementaire samenwerking in Arctische aangelegenheden;

9.

erkent de soevereiniteitsstatus van de Arctische landen en hun soevereine rechten overeenkomstig het internationaal recht; is van mening dat het waarborgen van de verwezenlijkingen van drie decennia van vreedzame samenwerking van cruciaal belang is; benadrukt dat het vermogen van de EU om oplossingen te bieden voor mogelijke veiligheidsuitdagingen ten volle moet worden benut; benadrukt dat gezien de veelheid aan complexe en onderling verweven kwesties in verband met de ontwikkeling van het noordpoolgebied op economisch, milieu- en veiligheidsgebied, voor de dialoog over de veiligheid van de regio mondiale, regionale en lokale fora vereist zijn;

Klimaatverandering in het noordpoolgebied

10.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de bevindingen in het speciaal verslag van de IPCC met als titel “The Ocean and Cryosphere in a Changing Climate” (De oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat), waarin wordt gesteld dat de opwarming van de aarde de afgelopen decennia heeft geleid tot een wijdverspreide krimp van de cryosfeer, met massaal verlies van ijsplaten en gletsjers, een vermindering van de sneeuwbedekking en de omvang en dikte van het ijs in het noordpoolgebied, en een toegenomen temperatuur van de permafrost; maakt zich grote zorgen over de gevolgen voor de volksgezondheid en de veiligheid van het ontdooien van permafrost, waardoor bacteriën en virussen die al eeuwen- of millennialang sluimeren, bloot komen te liggen;

11.

benadrukt dat het noordpoolgebied in een alarmerend tempo biodiversiteit verliest en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de bevindingen van het Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services van het IPBES; onderstreept dat het biodiversiteitsverlies niet alleen te wijten is aan de klimaatverandering, maar ook aan oceaanmijnbouw, die volgens het IPBES in het noordpoolgebied waarschijnlijk zal toenemen naarmate dit smelt;

12.

maakt zich zorgen over berichten dat bacteriën die vrijkomen door het ontdooien van permafrost koolstof vrijmaken die het klimaat aantasten, maar ook samen met virussen een ernstige bedreiging voor de gezondheid van dieren en mensen kunnen vormen; merkt op dat de klimaatverandering en de smeltende permafrost schadelijke gevolgen hebben voor het vermogen om in de regio te leven en te werken, zowel hebben geleid tot het verlies of de achteruitgang van bestaande infrastructuur, wegen en gebouwen, als tot een reeks industriële en vervoersongevallen, en tevens een bedreiging vormen voor culturele en erfgoedsites en de manier van leven van inheemse volkeren;

13.

benadrukt dat het beleid van de EU moet waarborgen dat bij maatregelen waarbij milieuproblemen worden aangepakt, rekening wordt gehouden met de belangen van de bewoners van het noordpoolgebied, waaronder de inheemse bevolking, met betrekking tot de bescherming en ontwikkeling van de regio;

14.

dringt er bij de EU op aan het voortouw te nemen bij het opstellen van een ambitieus klimaatactieplan voor het noordpoolgebied, waarin de wereldwijde beperking van de uitstoot van broeikasgassen en de aanpassing aan de klimaatverandering worden aangepakt en innovatieve oplossingen worden ondersteund die relevant zijn voor het noordpoolgebied;

Geopolitieke ontwikkelingen in het noordpoolgebied

15.

is ingenomen met het feit dat de stabiliteit van het noordpoolgebied lang relatief onaangetast is gebleven door conflicten in andere delen van de wereld en onderstreept het belang om overloopeffecten in het noordpoolgebied van geopolitieke ontwikkelingen in andere regio’s te voorkomen; merkt evenwel op dat de veiligheids- en militaire situatie in het noordpoolgebied de afgelopen jaren fundamenteel is veranderd, en erkent het strategisch belang van de regio; merkt op dat een veilig, stabiel, duurzaam, vreedzaam en welvarend noordpoolgebied een cruciale rol speelt in de veiligheid van Europa in ruimere zin en de strategische context; benadrukt voorts dat militaire activiteiten in de regio voorspelbaar en transparant moeten zijn en op een wijze moeten worden uitgevoerd die veiligheid en stabiliteit bevordert, aangezien toegenomen militarisering, in combinatie met verslechterde geopolitieke betrekkingen wereldwijd, kan leiden tot incidenten en grotere veiligheidsrisico’s; dringt daarom aan op een versterkte regionale dialoog, grensoverschrijdende samenwerking en terughoudendheid op militair gebied, en bepleit een onderhandelingsproces en vertrouwenwekkende maatregelen die gericht zijn op de langetermijndoelstelling om de militaire uitrusting in de regio te verminderen;

16.

wijst op de bijzondere geografische ligging van de Russische Federatie, waarvan de territoriale wateren en economische zones veel groter zijn dan die van alle andere Arctische landen; benadrukt in dit verband dat Rusland vanwege zijn specifieke geografische kenmerken een onvermijdelijke gesprekspartner is, maar daardoor ook een grotere verantwoordelijkheid heeft;

17.

neemt kennis van de prominente plaats die het noordpoolgebied inneemt in de militaire strategieën van alle actoren in de regio en dringt er bij hen op aan hun Arctisch beleid uit te voeren met volledige eerbiediging van het internationaal recht; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de geleidelijke militaire opbouw door Rusland, die van de Arctische staten het omvangrijkste is en onder meer betrekking heeft op de ontwikkeling van A2/AD-capaciteit, en de reactivering en heropbouw van maritieme kernwapens en een vloot ijsbrekers, waarvan volgens Russisch plan sommige met kruisraketten en elektronische oorlogssystemen zullen worden uitgerust; is van mening dat dergelijke acties niet gerechtvaardigd zijn door de militaire situatie ter plaatse en aanzienlijk verder gaan dan legitieme defensiedoeleinden, en waaruit derhalve de wil van Rusland blijkt om een strategische militaire superioriteit in het gebied te bereiken, hetgeen kan leiden tot instabiliteit en een verhoogd risico op confrontatie en afwijkt van het initiatief van Moermansk van 1987, dat tot doel had het noordpoolgebied om te vormen tot een internationale “vredeszone”; dringt er bij de circumpolaire landen op aan geen militaire of wetenschappelijke buitenposten in te richten;

18.

betreurt het dat Rusland, in plaats van de nadruk te leggen op de voordelen van samenwerking, gekozen heeft voor een veel concurrerender en zelfs confronterender visie op het noordpoolgebied, waarbij het het noordpoolgebied beschouwt als een gebied voor militaire, territoriale en economische expansie en een arena voor zijn ambitie als grootmacht;

19.

roept alle staten in het noordpoolgebied op een constructieve en voor alle partijen voordelige dialoog aan te gaan over alle kwesties, gaande van milieubescherming tot economische ontwikkeling en militaire operaties; onderstreept dat de EU en Rusland aanzienlijke gemeenschappelijke belangen hebben op een aantal gebieden die verband houden met het noordpoolgebied, onder meer maritieme veiligheid en grensoverschrijdende samenwerking met betrekking tot milieukwesties; benadrukt echter dat constructieve samenwerking in overeenstemming moet zijn met het beginsel van selectieve betrokkenheid, onder meer op het gebied van klimaatverandering en het milieu, geen gevaar mag opleveren voor de doelstellingen van sancties en beperkende maatregelen die zijn vastgesteld naar aanleiding van het optreden van de Russische regering in andere delen van de wereld en in overeenstemming moet zijn met de EU-strategie ten aanzien van de Russische Federatie; merkt op dat de Arctische Raad moet worden gezien als een platform voor het onderhouden en voortzetten van een open dialoog met Rusland over aangelegenheden die ook voor de EU van belang zijn;

20.

is van mening dat het feit dat China het noordpoolgebied opneemt in zijn economische ontwikkelingsprogramma’s, met de ambitie de noordelijke zeeroute via het noordpoolgebied te integreren in het Gordel- en Weginitiatief (als een “Polaire Zijderoute”), in aanmerking moet worden genomen in het geactualiseerde EU-beleid voor het noordpoolgebied en de EU deze ontwikkelingen nauwgezet moet volgen, aangezien dit duidelijk maakt dat het noordpoolgebied niet kan worden opgevat als een geïsoleerde regio die afgeschermd is van de mondiale geopolitiek; neemt kennis van de Chinese investeringen in onderzoek, nieuwe ijsbrekers en strategische infrastructuurprojecten in het noordpoolgebied, hetgeen doet denken aan de manier waarop het land in andere delen van de wereld opereert, en herinnert eraan dat de EU moet voorkomen dat het op dit gebied belangrijk terrein verliest aan derde landen; spreekt zijn bezorgdheid uit over China’s pogingen om te investeren in de zeehavens langs de noordelijke zeeroute en mijnbouwrechten te verwerven, als een manier om onder meer voor aanwezigheid in het noordpoolgebied te zorgen, en dringt er bij de Arctische landen op aan een grondige screening uit te voeren van buitenlandse investeringen in hun entiteiten en infrastructuur van strategisch belang;

Waarborging van de vrijheid van scheepvaart

21.

is verheugd over de vaststelling en inwerkingtreding op 1 januari 2017 van de internationale gedragscode voor schepen die in poolwateren varen (zeevaartcode voor het noordpoolgebied) van de IMO;

22.

roept op tot een beoordeling van de toepassing van de zeevaartcode voor het noordpoolgebied van de IMO, alsook van de toepassing van de normen en verplichtingen uit hoofde van de Solas- en Marpol-verdragen, om na te gaan of deze door de in het noordpoolgebied opererende entiteiten onverkort worden nageleefd en om leemten en zwakke plekken te identificeren die verder moeten worden aangepakt; dringt er bij alle Arctische kuststaten op aan snel de nodige maatregelen te nemen om de zeevaartcode voor het noordpoolgebied volledig te handhaven; moedigt niet-Solas-schepen aan om vrijwillig de veiligheidsmaatregelen van de zeevaartcode voor het noordpoolgebied ten uitvoer te leggen en andere maatregelen en richtsnoeren voor veilige en milieuvriendelijke navigatie en operaties in het noordpoolgebied te volgen;

23.

roept de Commissie en de lidstaten op om een sterkere rol op zich te nemen bij de bevordering van de effectieve tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van Parijs, het Verdrag van Minamata, het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, het Protocol van Göteborg, het Verdrag van Stockholm, de zeevaartcode voor het noordpoolgebied, het Verdrag van Aarhus, en het Verdrag inzake biodiversiteit;

24.

dringt aan op een gedeelde verantwoordelijkheid voor de veiligheid van mensen op zee en de duurzaamheid van het poolmilieu, gelet op de polaire scheepvaart die de komende jaren in omvang zal toenemen en van karakter zal veranderen; is in dit verband niet alleen ingenomen met de zeevaartcode voor het noordpoolgebied, maar ook met de routeringsmaatregelen van schepen die gericht zijn op een vermindering van het risico van incidenten, alsook met de verkeersvrije zones, om de veiligheid van de scheepvaart te verbeteren en het kwetsbare en unieke milieu te beschermen; benadrukt de rol van de EU en haar lidstaten bij het voorkomen en oplossen van conflicten in het noordpoolgebied, het opbouwen van civieleveiligheidsmechanismen en het versterken van de crisisbeheersingscapaciteiten en de opsporings- en reddingsinfrastructuur; benadrukt dat de EU expertise kan bijdragen op het gebied van maritieme beveiliging en veiligheid, met haar vaardigheden inzake en bekendheid met zeevervoer en navigatie; erkent dat er al aanzienlijke grensoverschrijdende samenwerking is bij opsporings- en reddingsoperaties; moedigt de EU aan haar bijdragen aan rampenpreventie, paraatheid en rampenrespons op te voeren, binnen de Arctische Raad, het forum voor kustwachtfuncties voor het noordpoolgebied (Arctic Coast Guard Forum) en de Raad voor het Europees-Arctische Barentsz-zeegebied; neemt evenwel met bezorgdheid kennis van de openstelling en de snelle groei van het maritieme verkeer en de energiewinning langs de noordelijke zeeroute, die hebben geleid tot geopolitieke spanningen en milieuproblemen; neemt kennis van de toenemende economische belangen van met name van Rusland en China bij de ontwikkeling van de noordelijke zeeroute, die de economische groei moet stimuleren en een wereldwijd concurrerend nationaal vervoersnetwerk moet worden; neemt kennis van de ontwikkeling van grootschalige energieprojecten, zoals de huidige Russisch-Chinese samenwerking met betrekking tot het LNG-project Yamal en het Arctisch LNG 2-project, en is bezorgd over het feit dat dergelijke projecten het aantal scheepvaartbewegingen via de noordelijke zeeroute aanzienlijk doen toenemen en een aanzienlijke druk uitoefenen op een reeds bedreigd Arctisch ecosysteem;

25.

wijst op het grote numerieke overwicht van Rusland op het gebied van ijsbrekers en China’s ontwikkeling van ijsbrekerprogramma’s en moedigt de lidstaten en andere partnerlanden ertoe aan in dit verband hun eigen capaciteit op te bouwen; is van mening dat de EU de bouw en inzet moet bevorderen van meer ijsbrekers en ijsbestendige schepen onder EU-vlag;

26.

onderstreept dat het maritieme toezicht en de uitwisseling van informatie in het noordpoolgebied moeten worden verbeterd; steunt verdere investeringen in ruimtebewaking en -navigatie, via het Copernicus- en het Galileo-satellietnetwerk, alsook in-situ-informatie van het Europees marien observatie- en datanetwerk (EMODnet), om de respons op noodsituaties, veilige navigatie en kennis van de klimaatverandering te verbeteren; merkt op dat de toenemende menselijke activiteit in de regio, met inbegrip van het groeiende toerisme, aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid met betrekking tot de menselijke veiligheid, met name in de context van barre weersomstandigheden en beperkte opsporings- en reddingscapaciteiten; is van mening dat internationale samenwerking en nauw partnerschap tussen de militaire, publieke en niet-gouvernementele sectoren van essentieel belang zijn om adequate civiele bescherming in de regio te kunnen bieden; onderstreept de noodzaak om beste praktijken op het gebied van opsporing en redding (SAR) te bevorderen en uit te wisselen en bij te dragen tot de interoperabiliteit van SAR-eenheden door middel van gezamenlijke oefeningen; beveelt de lidstaten aan te overwegen nieuwe projecten voor permanente gestructureerde samenwerking op te zetten, bijvoorbeeld op het gebied van opsporing en redding of milieurespons, die gericht zijn op de versterking van de capaciteiten van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) in het noordpoolgebied; moedigt de EU en de lidstaten aan om oefeningen uit te voeren waarbij wordt nagebootst hoe het mechanisme voor civiele bescherming in brede zin in het noordpoolgebied ten uitvoer kan worden gelegd;

27.

benadrukt dat het van cruciaal belang is dat de rechten van buitenlandse schepen uit hoofde van het Unclos, met name de artikelen 17-21 en 37-41, met inbegrip van het recht van onschuldige doorvaart, het recht van doortocht en de vrijheid van scheepvaart, in het noordpoolgebied volledig worden geëerbiedigd; veroordeelt het Russische optreden om de rechten van scheepvaart op de noordelijke zeeroutes te beperken door ze aan te wijzen als interne wateren onder zijn volledige soevereine controle, door regelgevende en administratieve belemmeringen op te werpen voor de buitenlandse scheepvaart langs de route, door het vereiste op te leggen dat Rusland toestemming verleent om zijn exclusieve economische zone en territoriale zee binnen te varen en door te varen en door geen uitdrukkelijke vrijstelling te verlenen voor schepen met soevereine immuniteit; benadrukt dat elke maatregel die de navigatievrijheid beperkt, in overeenstemming moet zijn met het Unclos en het internationaal gewoonterecht; verzoekt de Russische Federatie zich te houden aan de in het Unclos gecodificeerde regels en de verplichtingen na te komen die zijn aangegaan door zich aan te sluiten bij de jaarlijkse oproepen van de Algemene Vergadering van de VN dat staten die partij zijn hun maritieme aanspraken in overeenstemming brengen met het Unclos;

28.

onderstreept dat de ontwikkeling van noordelijke transportroutes duurzaam moet zijn en moet bijdragen tot een groenere transitie; merkt op dat met name nieuwe noordelijke spoorverbindingen de economieën van de noordelijke en de Baltische staten zouden stimuleren en de noord-zuiddimensie van de markttoegang zouden verbeteren; verzoekt de Commissie daarom kwesties op het gebied van het noordelijk vervoer aan te pakken en mogelijkheden te identificeren in het kader van het Partnerschap van de noordelijke dimensie voor vervoer en logistiek (NDPTL); onderstreept dat er betere verbindingen nodig zijn binnen de regio van de noordelijke dimensie om het afgelegen karakter hiervan te verminderen en connectiviteit te waarborgen als reactie op de wereldwijde ontwikkeling;

Duurzame ontwikkeling en exploitatie van strategische hulpbronnen

29.

onderstreept het belang van het noordpoolgebied voor de energiezekerheid van de EU, dringt met klem aan op een duurzame, wetenschappelijk onderbouwde exploitatie van energiebronnen in het noordpoolgebied, en benadrukt de noodzaak van een versterkt beleid voor in de EU opgewekte hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, waardoor de afhankelijkheid van de Unie van externe hulpbronnen aanzienlijk wordt verminderd en bijgevolg haar positie op het gebied van veiligheid verbetert; benadrukt dat de klimaatverandering moet worden bestreden door zich te houden aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

30.

merkt op dat als gevolg van klimaatverandering en de resulterende vermindering van ijs, de grotere toegankelijkheid van de enorme koolwaterstofbronnen in het noordpoolgebied de geostrategische dynamiek van het gebied verandert, met mogelijke gevolgen voor de internationale stabiliteit; roept de landen in de regio op alle huidige of toekomstige conflicten over de toegang tot natuurlijke hulpbronnen in het noordpoolgebied te blijven oplossen door middel van een constructieve dialoog overeenkomstig het internationaal recht, met name het Unclos, en in de geest van de Verklaring van Ilulissat van 2008;

31.

erkent de milieurisico’s van olie- en gaswinning in het noordpoolgebied; benadrukt dat economische ontwikkeling van het noordpoolgebied, met name de exploratie en exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, moet voldoen aan het internationaal recht alsook de desbetreffende internationale verdragen en regels, en aan strenge milieunormen, en dringt aan op de vaststelling van strikte eisen voor de exploratie en exploitatie van nieuwe koolwaterstofreserves in de regio; is in dit opzicht bezorgd over de pogingen, met name van Rusland, alsook van particuliere ondernemingen uit andere landen, om verregaande en zeer verreikende exploitatieprojecten op te zetten zonder een passende beoordeling van de milieueffecten daarvan te verrichten; dringt er derhalve bij alle Arctische staten op aan te zorgen voor een passende voorafgaande beoordeling van de milieueffecten van exploitatieprojecten; en benadrukt het belang van de naleving van reguleringsnormen;

32.

benadrukt dat de bescherming van het milieu en het beheer van door de mens veroorzaakte verontreiniging een belangrijke doelstelling in het noordpoolgebied moeten zijn; ontmoedigt de exploitatie van Arctische hulpbronnen als wetenschappelijk bewezen is dat hierdoor onherstelbare schade wordt toegebracht aan het ecosysteem van het noordpoolgebied en daarbuiten;

33.

is ingenomen met het werk van de Arctische Raad met betrekking tot het aanpakken van de vervuiling in het noordpoolgebied en verzoekt de EU in dit verband een actieve rol te spelen en bijstand te verlenen;

34.

maakt zich grote zorgen over de recente milieuramp die is veroorzaakt door Norilsk Nickel, met als gevolg de grootste olieramp ooit in het noordpoolgebied, maar ook over giftig afvalwater dat uit een bezinkingsbekken in de toendra wordt gepompt en andere lozingen die zich regelmatig voordoen maar niet voorkomen in de officiële statistieken; is ingenomen met de rechterlijke beslissingen om het bedrijf dat voor de ramp verantwoordelijk is, een boete op te leggen, maar spreekt tegelijk zijn bezorgdheid uit over de beperkte toegang van journalisten en deskundigen tot de ramplocaties en verzoekt de Russische autoriteiten transparante en doeltreffende procedures te ontwikkelen om dergelijke milieurampen te melden en op te sporen; betreurt het dat dergelijke ongevallen zich vaak voordoen op het grondgebied van inheemse volkeren, waardoor het voor hen onmogelijk wordt om hun traditionele manier van leven voort te zetten; verzoekt de EU milieuactivisten en journalisten die dergelijke zaken onderzoeken te ondersteunen en gebruik te maken van haar eigen middelen, zoals Copernicus, om dergelijke verontreinigingen in het noordpoolgebied op te sporen en een grondige beoordeling uit te voeren van de ecologische en menselijke gevolgen van uitsluitend winstgerichte exploitatie; moedigt samenwerking met de Arctische landen aan bij de ontwikkeling van snelle responssystemen voor het realtime-beheer van milieurampen, met name olierampen;

35.

betreurt het feit dat Russische bedrijven hun investeringen in milieubescherming en productiefaciliteiten blijven terugschroeven tot een absoluut minimum om op de kortst mogelijke termijn maximale winst te behalen, met als gevolg een aanhoudende uitstoot van giftige stoffen in de atmosfeer, die niet alleen het milieu, maar ook de meeste Arctische steden, zoals Norilsk, heeft verwoest, waardoor zij tot de meest vervuilde steden ter wereld behoren;

36.

is van oordeel dat het noordpoolgebied een centrale rol moet spelen in de Europese alliantie voor grondstoffen, door de Europese output van kritieke mineralen te stimuleren en de afhankelijkheid van China voor zeldzame aardmetalen te verminderen en mogelijkheden voor groene economische groei te ontwikkelen, hetgeen essentieel is voor de verdere ontwikkeling van groene technologie en voor de strijd tegen de klimaatverandering, die de belangrijkste bedreiging is voor de regio; si van mening dat besluiten van lokale overheden over het delven van minerale hulpbronnen op transparante wijze moeten worden genomen; is ingenomen met de initiatieven in het Europese noordpoolgebied op het gebied van duurzame mijnbouw en de vermindering van de kooldioxide-emissies via bijvoorbeeld de eerste productie van ijzer uit niet-fossiele bronnen ter wereld, het HYBRIT-project, rekening houdend met de toenemende vraag naar staal en de behoeften van een steeds meer geëlektrificeerde samenleving;

37.

merkt op dat het noordpoolgebied rijk is aan minerale hulpbronnen en onderstreept dat het Europese deel van het noordpoolgebied een belangrijke rol speelt voor de grondstoffenvoorziening in de EU, met, onder meer, essentiële hulpbronnen, technologie en knowhow die nodig zijn voor het realiseren van een groene transitie; merkt op dat de meeste kritieke grondstoffen van de EU zich bevinden in het noordpoolgebied, hetgeen, mits er sprake is van een correct en duurzaam beheer, de autonomie van de EU kan versterken; neemt kennis van het feit dat een de factoren die Peking ertoe heeft aangezet de controle over de Arctische reserves te verwerven, de wens is om een dominante positie in de toeleveringsketens van vitale hulpbronnen en belangrijke componenten van opkomende technologieën te behouden;

38.

dringt aan op een betere toegankelijkheid van de digitale infrastructuur in het noordpoolgebied, teneinde ondernemerschap en innovatie in het gebied te bevorderen en de economische ontwikkeling er te diversifiëren; onderstreept het feit dat het belangrijk is het gebruik te bevorderen van hernieuwbare energie in afgelegen Arctische gemeenschappen; moedigt verdere werkzaamheden aan op het gebied van innoverende energieoplossingen en de bijbehorende capaciteitsopbouw in het noordpoolgebied die gericht zijn op het voorkomen van klimaatverandering, rekening houdend met de behoeften van de samenleving; benadrukt het strategische belang van de onderzeese telecommunicatiekabels in de Noord-Atlantische Oceaan, die instaan voor meer dan 95 % van de internationale telecommunicatie; wijst nogmaals op het belang van versterkte trans-Atlantische samenwerking om de naleving van de internationale regelgeving voor onderzeese kabels, waaronder het Unclos, te beschermen en te waarborgen; benadrukt de rol die het noordpoolgebied met zijn klimatologische en geografische concurrentievoordelen in de digitale connectiviteit tussen Noord-Amerika, Europa en Azië en als locatie voor centra voor gegevensopslag, speelt; merkt op dat nieuwe digitale snelwegen door middel van uitgebreide glasvezelkabelsystemen en -infrastructuur ook betere digitale connectiviteit voor Arctische gemeenschappen mogelijk moeten maken, alsook gezondheidszorgondersteuning en sociale diensten (bv. telegezondheidsdiensten), online onderwijs en een gemakkelijkere toegang tot de wereldeconomie in het algemeen;

39.

erkent dat er te weinig wordt geïnvesteerd in het noordpoolgebied; is van mening dat de EU kan bijdragen aan de economische, sociale en duurzame ontwikkeling die ten goede komt aan de Arctische gemeenschappen, met name op het gebied van energie, vervoer en infrastructuur; is van mening dat de Arctische regio’s innovatieve sectoren huisvest die van essentieel belang zijn voor een duurzame ontwikkeling;

40.

benadrukt dat het vanwege de lange afstanden, de dunbevolkte gebieden, het ruwe klimaat en de demografische onevenwichtigheden van cruciaal belang is met investeringen in informatie- en communicatietechnologieën en vervoersinfrastructuur (via het spoor, over zee, over land en door de lucht) de connectiviteit, de toegankelijkheid en de integratie van gemeenschappen te verbeteren, teneinde de productiviteit en de handel binnen en buiten het noordpoolgebied te doen toenemen; is van mening dat betere vervoers- en breedbandconnectiviteit ook de mogelijkheden voor grensoverschrijdende arbeid, studentenmobiliteit en meer samenwerking zal vergroten; benadrukt het nut van plaatsgebonden instrumenten zoals slimme specialisatiestrategieën en territoriale samenwerking voor het realiseren van op maat gesneden duurzame investeringen in het noordpoolgebied en is van mening dat het desbetreffende EU-beleid verder moet worden ontwikkeld en gekoppeld aan het noordpoolbeleid van de EU; dringt aan op de oprichting van een speciaal investeringsplatform dat nauwere economische samenwerking tussen de economieën van de EU en het noordpoolgebied zou bevorderen, met medewerking van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;

41.

wijst op de rol van de particuliere sector bij de ontwikkeling van duurzame oplossingen voor het noordpoolgebied; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan investeringen van Europese bedrijven in belangrijke sectoren zoals de productie van hernieuwbare energie, logistiek en de ontwikkeling van het elektriciteitsnet, en tegelijkertijd investeringsmogelijkheden in kaart te brengen in het kader van de investerings- en financieringsinstrumenten van de EU om de toegang van Europese bedrijven tot de Arctische markt te vergemakkelijken; benadrukt het belang van handel en investeringen in digitale infrastructuur, innovatie en economische ontwikkeling in het noordpoolgebied, met nauwere samenwerking tussen regeringen, universiteiten en het bedrijfsleven; verzoekt de EU de technische handelsbelemmeringen te verminderen en haar samenwerking met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven te versterken, en moedigt verdere steun aan voor de Arctische Economische Raad; dringt erop aan dat ondernemingen die gevestigd zijn in of actief zijn binnen de EU, strikt de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten naleven met betrekking tot al hun zakelijke activiteiten en relaties met het noordpoolgebied, en doeltreffende zorgvuldigheidsprocessen op het gebied van mensenrechten en milieu waarborgen; roept deze entiteiten op te zorgen voor doeltreffend, zinvol en geïnformeerd overleg in alle stadia van het proces met zowel betrokken als potentieel betrokken belanghebbenden, met inbegrip van inheemse volkeren; benadrukt dat alle economische activiteiten in het noordpoolgebied duurzaam moeten zijn en dat bij al deze activiteiten rekening moet worden gehouden met de milieueffecten ervan, met name op de klimaatverandering, en de sociale gevolgen ervan; benadrukt dat duurzame regionale ontwikkeling verder moet worden bevorderd ten behoeve van degenen die in het noordpoolgebied wonen, koolstofarme activiteiten, kennis en een circulaire economie;

42.

steunt, als algemene regel, het in de CAO-visserijovereenkomst geformuleerde standpunt dat de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen alleen mag plaatsvinden wanneer er redelijke zekerheid bestaat dat er geen schade aan het milieu zal worden toegebracht, en onderstreept het belang van een voorzorgsbenadering in alle stadia voor de visserij in het Arctisch en sub-Arctisch gebied; benadrukt het belang van visserijbeheersmaatregelen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies om duurzaamheid op lange termijn te waarborgen; merkt op dat de kuststaten in het noordpoolgebied overeenstemming hebben bereikt over een kader voor het beheer van activiteiten in het noordpoolgebied, onder meer door zich ertoe te verbinden een regeling te treffen ten aanzien van overlappende aanspraken in maritieme gebieden; spreekt zijn steun uit voor de bestaande regionale organisaties voor visserijbeheer en wereldwijde overeenkomsten met betrekking tot visserij, scheepvaart en het mariene milieu; benadrukt dat de EU moet worden betrokken bij het beheer van de bestanden overeenkomstig het Unclos;

43.

merkt op dat een groot deel van de in de EU ingevoerde vis uit het noordpoolgebied komt en is zich er bewust van dat visserijgeschillen waarschijnlijk zullen toenemen, onder meer als gevolg van de uitputting van de visbestanden in sommige gebieden en de migratie van die bestanden naar andere gebieden, deels als gevolg van de klimaatverandering; is bijgevolg verheugd over de ondertekening van de CAO-visserijovereenkomst die erop gericht is duurzame ontwikkeling in het noordpoolgebied te verwezenlijken en waarmee een voorzorgsbenadering van het visserijbeheer in de volle zee van de centrale Noordelijke IJszee zal worden toegepast, en dringt aan op spoedige inwerkingtreding ervan; erkent het belang van de verklaring van Oslo inzake het voorkomen van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee, voor het bereiken van deze bindende overeenkomst; is ingenomen met de opname van vertegenwoordigers van inheemse organisaties in de delegaties; betreurt het echter dat die organisaties en ngo’s slechts deelnamen in de hoedanigheid van waarnemer;

Ten behoeve van lokale gemeenschappen handelen en de rechten van inheemse volkeren beschermen

44.

is ingenomen met de geboekte resultaten, maar herinnert eraan dat in de meeste Noordse landen de gemiddelden in het noordpoolgebied achterblijven bij de nationale gemiddelden wat betreft armoede, lage levensverwachting en zeer beperkte menselijke en economische ontwikkeling; is zich ervan bewust dat technologische transformatie en klimaatverandering van invloed zijn op de traditionele levensstijl en levenswijze van inheemse volkeren en herhaalt daarom zijn oproep om alle gemeenschappen en inwoners van het noordpoolgebied, en met name inheemse volkeren, die over lokale en praktische kennis beschikken, actief te betrekken bij de besluitvorming over ontwikkelingskeuzes; spreekt in dit verband zijn krachtige steun uit voor de volledige en doeltreffende uitvoering van artikel 19 van de Undrip, met name wat betreft de noodzaak om de vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van inheemse volkeren te krijgen voordat wetgevende of bestuurlijke maatregelen worden vastgesteld of uitgevoerd dan wel ontwikkelingsprojecten worden opgestart die op hen van invloed kunnen zijn;

45.

erkent dat de gevolgen van het smeltende ijs en de mildere temperaturen leiden tot verplaatsing van inheemse bevolkingsgroepen en daarmee een bedreiging vormen voor de inheemse levenswijze; erkent de wens van de bewoners en de regeringen van het noordpoolgebied met souvereine rechten en verantwoordelijkheden om een duurzame economische ontwikkeling te blijven nastreven, en tegelijk de traditionele inkomstenbronnen van de inheemse volkeren en de zeer kwetsbare Arctische ecosystemen te beschermen, rekening houdend met hun ervaring met het duurzame gebruik en de duurzame ontwikkeling van de verschillende hulpbronnen van de regio;

46.

benadrukt de noodzaak om de cultuur, tradities en talen van inheemse volken in stand te houden door programma’s voor capaciteitsopbouw op te zetten om de bekendheid met de diversiteit, geschiedenis en rechten van inheemse volkeren te vergroten, niet alleen voor inheemse jongeren maar ook voor niet-inheemse bevolkingsgroepen in de gehele regio; verzoekt de EU-delegaties in de Arctische staten een echte en inclusieve dialoog aan te gaan met inheemse volkeren op nationaal en regionaal niveau en als contactpunten voor inheemse volken op te treden; benadrukt dat het personeel van deze EU-delegaties goed bekend moet zijn met de rechten van inheemse volkeren, zoals bevestigd in het kader van de Undrip; is verheugd over de toenemende erkenning van de rechten van inheemse volkeren in het externe beleid van de EU; dringt aan op meer samenhang tussen het interne en externe Arctische beleid van de EU op dit gebied;

47.

herhaalt zijn oproep om alle inwoners van het noordpoolgebied, en met name inheemse volkeren, die beschikken over plaatselijke en praktische kennis actief te betrekken bij besluitvormingsprocessen met betrekking tot ontwikkelingskeuzes;

48.

betreurt de inspanningen van de Russische regering om het maatschappelijk middenveld ondergeschikt te maken, hetgeen zeer negatieve gevolgen heeft voor inheemse volkeren, door de autonomie van hun vertegenwoordigingen en partnerschappen op internationale fora te beperken, en de toegang tot externe middelen te blokkeren; constateert dat andere ngo’s, met inbegrip van milieuactivisten, met soortgelijke problemen worden geconfronteerd;

49.

stelt dat alle activiteiten in het noordpoolgebied, met inbegrip van het beheer en duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen van het noordpoolgebied, de rechten van inheemse volkeren en andere lokale bewoners moeten eerbiedigen en ten goede moeten komen; pleit in dit verband voor een sterkere band tussen bedrijven die actief zijn in het noordpoolgebied en lokale gemeenschappen om economische en onderzoeksmogelijkheden, banen en duurzame ontwikkeling van hulpbronnen tot stand te brengen, en steunt de toepassing van normen zoals het investeringsprotocol voor het noordpoolgebied en het Global Compact van de VN; herinnert aan de bestaande internationale instrumenten die de jurisdicties, rechten en verplichtingen van staten vaststellen voor het beheer en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen en dringt erop aan dat deze instrumenten volledig worden geëerbiedigd; benadrukt het belang van samenwerking tussen mensen, toegang tot onderwijs, zakelijke kansen en ondersteuning van de jongeren in het noordpoolgebied;

50.

benadrukt dat het van belang is in te spelen op de aspiraties, behoeften en uitdagingen van de plaatselijke bevolking, met name wat betreft samenwerking tussen mensen, connectiviteit, toegang tot internet, onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid, en daarbij vooral rekening te houden met jongeren en gemarginaliseerde groepen; benadrukt dat in het geactualiseerde noordpoolbeleid een ambitieuze genderdimensie moet worden opgenomen; dringt aan op verhoging van de financiering van programma’s als “North2North” en andere mobiliteitsprogramma’s die specifiek gericht zijn op jongeren die in het noordpoolgebied wonen, en op meer steun en middelen om de volkeren van het noordpoolgebied te helpen zich aan te passen aan de ingrijpende veranderingen als gevolg van de klimaatverandering;

51.

herhaalt zijn oproep aan alle resterende lidstaten om onverwijld het IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken te ratificeren;

Wetenschap en kennis

52.

verzoekt de Arctische staten hun verplichtingen op grond van het Verdrag inzake biologische diversiteit na te komen, met name inzake behoud in situ; verzoekt alle landen ervoor te zorgen dat inheemse volken en lokale gemeenschappen van het noordpoolgebied worden betrokken bij de gesprekken en de besluitvormingsprocessen van de relevante fora voor internationale klimaat- en biodiversiteitsdiplomatie; steunt de aanbeveling van inheemse volkeren om rechtstreeks toegang te hebben tot de middelen van het Groene Klimaatfonds voor hun initiatieven op het gebied van duurzame mitigatie en adaptatie;

53.

wijst op de belangrijke bijdragen van de EU en haar lidstaten aan de poolwetenschappen die noodzakelijk zullen zijn om de mondiale en lokale effecten van klimaatverandering te begrijpen, en het fundamentele belang van kennis voor politieke beslissingen en duurzame ontwikkeling in het noordpoolgebied; herhaalt de oproep van de 14e Conferentie van parlementsleden van het noordpoolgebied om de kennisbasis te versterken en de wetenschappelijke samenwerking te verbeteren met een nieuw initiatief voor een nieuw Internationaal Pooljaar; steunt internationale inspanningen inzake wetenschap, kennis en innovatie met een Arctische dimensie, en samenwerking op het gebied van onderzoek in het noordpoolgebied, zoals de sluiting en uitvoering van de Overeenkomst inzake de versterking van de internationale wetenschappelijke samenwerking in het noordpoolgebied;

54.

merkt op dat de EU een belangrijke financier van Arctisch onderzoek is geweest door middel van programma’s als Horizon 2020; benadrukt de noodzaak om de EU-financiering van Arctisch onderzoek en ontwikkeling te verhogen; dringt aan op meer zichtbaarheid en coördinatie van op het noordpoolgebied georiënteerde onderzoeken en innovatie, onder meer in het kader van Horizon Europa; verzoekt de Commissie een uitgebreid overzicht te geven van de EU-financiering voor de regio en de Arctische componenten van horizontale EU-programma’s en dringt er bij de EU op aan een ambitieus, toekomstgericht en ecologisch duurzaam investeringsplan voor het oordpoolgebied ten uitvoer te leggen; is van mening dat een dergelijk plan de financiering op belangrijke gebieden zoals wetenschappelijk onderzoek moet verhogen en meer middelen moet toewijzen aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie, ruimtevaart, digitale en vervoersinfrastructuur, ruimtetechnologie, duurzaam zeevervoer, duurzame winning en verwerking van grondstoffen, hernieuwbare energie en andere koolstofarme activiteiten en toerisme in het noordpoolgebied; wijst op de noodzaak om de synergieën tussen de bestaande financieringsinstrumenten te verbeteren om mogelijke overlappingen te voorkomen en zoveel mogelijke voordeel te halen uit de interactie tussen interne en externe EU-programma’s;

55.

merkt op dat het noordpoolgebied een enorm potentieel biedt voor innovatie en duurzaam gebruik van hulpbronnen, de ontwikkeling van praktijken die daarna wereldwijd kunnen worden toegepast, en dat het een proeftuin is voor onder meer geothermische, wind- en waterkrachtprojecten, koolstofvrije staalproductie en groenere batterijproductie; erkent de bijdrage van de ruimtevaartprogramma’s van de EU, zoals Copernicus, Galileo, het Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie en de satellietcommunicatie aan de veiligheid en beveiliging van het milieu, de scheepvaart en de mensen in het noordpoolgebied, door onder meer monitoring van de ijsontwikkeling, duurzaam beheer van mariene hulpbronnen, opsporing van verontreiniging, noodwaarschuwingsystemen, identificatie en tracering van maritieme bewegingen, opsporings- en reddingsdiensten mogelijk te maken; steunt voortdurende investeringen in de ontwikkeling van deze capaciteiten en adviseert hun toepassing in het noordpoolgebied in samenwerking en onder leiding van de Arctische staten die lid zijn van de EU en/of de NAVO;

Meer EU in het noordpoolgebied, meer noordpoolgebied in de EU

56.

is verheugd over de aanstelling van een speciale gezant voor Arctische aangelegenheden in 2017; steunt de voortzetting van het mandaat en prijst het werk dat de huidige speciale gezant heeft verricht; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) de samenwerking tussen diensten en de samenhang tussen de verschillende programma’s en investeringen in het noordpoolgebied te verbeteren en dringt er bij hen op aan voldoende middelen toe te wijzen om de ambitie van het EU-beleid voor het noordpoolgebied weer te geven; dringt er bij de Commissie op aan een specifieke werkgroep op te richten die Noord-Europa en het noordpoolgebied op een alomvattende wijze bestrijkt; merkt op dat de interne coördinatie van de EU op het gebied van Arctische aangelegenheden zowel op het niveau van de werkgroepen van de Commissie als tussen de relevante EU-agentschappen moet worden versterkt; moedigt de Commissie aan een coördinerende rol voor het beleid inzake het noordpoolgebied aan één vicevoorzitter toe te vertrouwen om overlapping van bevoegdheden te voorkomen; verzoekt de Raad een werkgroep voor Noord-Europa en het noordpoolgebied op te richten, en de EDEO een soortgelijke eenheid binnen zijn structuren op te richten; is van mening dat de rol van het Parlement moet worden versterkt in de formulering en tenuitvoerlegging van het noordpoolbeleid van de EU, en dat het noordpoolgebied meer aandacht moet krijgen in het Parlement, onder meer door de oprichting van een specifiek aangewezen interparlementaire delegatie met bijzondere verantwoordelijkheid voor de Arctische samenwerking; dringt aan op een breder debat over Arctische aangelegenheden binnen de EU-instellingen en in de lidstaten;

57.

is van mening dat de raadpleging in het kader van het nieuwe noordpoolbeleid van de EU moet worden gebruikt om de doeltreffendheid van het huidige EU-beleid te beoordelen;

58.

is van mening dat de EU als mondiale speler actief een beleidsdialoog moet aangaan, moet reageren op het toenemende strategische belang van het noordpoolgebied en haar rol als erkende en geloofwaardige speler in het noordpoolgebied moet blijven spelen, met inachtneming van de unieke reeks bestaande adviesfora voor het noordpoolgebied en succesvolle governancekadermechanismen; is van mening dat de EU moet dienen als een eerlijke bemiddelaar bij het bevorderen van regionale stabiliteit en welvaart; verzoekt de EU de dialoog en vertrouwenwekkende maatregelen in de bestaande multilaterale kaders voort te zetten en het noordpoolgebied als prioriteit op te nemen in de integrale EU-strategie; dringt voorts aan op een specifiek connectiviteitsbeleid voor het noordpoolgebied (digitalisering, navigatie, logistiek, vervoer); is er vast van overtuigd dat de Europese Green Deal een hoognodig langetermijnantwoord biedt op de toenemende uitdagingen van de klimaatverandering door middel van een versterkte investeringsagenda voor duurzame groei en lokale innovatieve initiatieven in het bijzonder en een aanzienlijke bijdrage zal leveren aan de oplossing van de strategische energieafhankelijkheid van de EU; verzoekt, met dit in gedachten, om de EU-beleidsdimensie voor het noordpoolgebied in de Europese Green Deal, de strategische agenda 2019-2024, de integrale strategie van de EU, de EU-connectiviteitsstrategie en de EU-biodiversiteitsstrategie, te integreren;

59.

benadrukt dat de EU en haar lidstaten constructieve betrekkingen met alle niet-Europese Arctische staten moeten onderhouden, en onderstreept dat de EU een op rechten gebaseerde benadering in haar samenwerking met de inheemse volkeren in het noordpoolgebied moet nastreven en bevorderen; benadrukt dat het belangrijk is dat de Arctische staten van de EU meer informatie uitwisselen over de huidige uitdagingen in de regio, hun hybride oorlogscapaciteiten verbeteren, blijven investeren in defensie, de samenhang met de huidige activiteiten in het noordpoolgebied verbeteren en gezamenlijk maritieme en luchtdomeinen ontwikkelen; verzoekt de EU en haar lidstaten om op het gebied van Arctische aangelegenheden nauwer samen te werken in regionale en internationale fora en roept de EU op om de lokale en regionale bestuursniveaus meer te betrekken bij de ontwikkeling van haar beleid dat van invloed is op de regio;

60.

is van mening dat meer coördinatie op EU-niveau, alsook overleg met EER-landen, de VS, Canada, en ook het VK, Japan, de Republiek Korea, India en andere partners die zich verbinden tot het waarborgen van vreedzame samenwerking en vrijheid van scheepvaart in het noordpoolgebied, het beste antwoord is op de toenemende samenwerking tussen China en Rusland in het noordpoolgebied;

61.

neemt kennis van het Arctisch veiligheidsinitiatief (ASI) van de VS en het Arctisch en noordelijk beleidskader van Canada en moedigt de EU aan om in voorkomend geval met haar gelijkgestemde bondgenoten samen te werken om te zorgen voor een goede coördinatie in de regio; verzoekt in dit verband om een robuuste EU-Arctische dialoog ter ondersteuning van de uitvoering van het EU-beleid voor het noordpoolgebied;

62.

is van oordeel dat de veiligheidskwesties in het noordpoolgebied ook deel moeten uitmaken van het overleg en de samenwerking met de NAVO, die het kader van de NAVO-Rusland-Raad kan gebruiken om misverstanden op te lossen, spanningen te de-escaleren en crises te voorkomen; erkent het belang van surveillance- en verkenningsoperaties in de regio en van de instelling van mechanismen om de uitwisseling van informatie te verbeteren; is van mening dat voorafgaande kennisgeving van militaire oefeningen in het noordpoolgebied de transparantie inzake militaire activiteiten in het gebied kan vergroten;

63.

merkt op dat het hoge noorden onder de verantwoordelijkheid valt van de geallieerd opperbevelhebber Europa van de NAVO en dat samenwerking met de NAVO noodzakelijk is om een overkoepelend veiligheidsconcept voor het noordpoolgebied vast te stellen; is in dit verband ingenomen met de conclusies van de reflectiegroep die door de secretaris-generaal van de NAVO is belast met een toekomstgericht reflectieproces om na te gaan hoe de politieke dimensie van het NAVO-bondgenootschap kan worden versterkt, waarbij de NAVO haar situationeel bewustzijn in het hoge noorden en het noordpoolgebied moet vergroten en een strategie moet ontwikkelen waarin rekening wordt gehouden met ruimere afschrikkings- en defensieplannen, inclusief bepalingen voor het aanpakken van agressieve acties van overheidsactoren;

64.

merkt op dat bij Trident Juncture in 2018, toen duidelijk gemaakt is dat de NAVO operationeel actief is in het noordpoolgebied, met name in het hoge noorden (de Noorse en de Barentszzee), het hoogste niveau van transparantie werd gewaarborgd; roept alle partijen die militaire activiteiten in het noordpoolgebied uitvoeren op om dergelijke praktijken te volgen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen, met inbegrip van het document van Wenen van de OVSE, om zo de risico’s te beperken, mogelijke misverstanden op te helderen en transparantie op te bouwen met betrekking tot de intenties;

65.

steunt de inspanningen om de weerbaarheid te versterken tegen mogelijke druk van China of andere actoren die geen prioriteit geven aan de winning van mineralen op een milieuvriendelijke en duurzame manier, met inachtneming van de internationale normen en de VN-verdragen; verzoekt de East Stratcom-taskforce van de EDEO toezicht te houden op campagnes die gericht zijn op het beïnvloeden van besluitvormingsprocessen met betrekking tot de winning van mineralen in de regio;

66.

benadrukt dat de EU en de VS gezamenlijk de veiligheid en stabiliteit in het noordpoolgebied moeten bevorderen en tegelijkertijd moeten investeren in hun permanente wetenschappelijke aanwezigheid in de regio en deze moeten uitbreiden;

67.

dringt erop aan dat het noordpoolgebied wordt opgenomen in de besprekingen over het strategisch kompas van de EU en benadrukt dat de ontwikkeling van het noordpoolgebied ook regelmatig moet worden besproken in het Politiek en Veiligheidscomité en tijdens Raadszittingen; dringt aan op meer reguliere gedachtewisselingen over Arctische kwesties als belangrijk onderdeel van het overleg tussen de EU en de NAVO;

68.

verzoekt om meer zichtbaarheid van de EU in het noordpoolgebied, om een versterkte politieke dialoog over bilaterale samenwerking met Faeröer en Groenland tot stand te brengen en, samen met de Deense autoriteiten, de mogelijkheid te overwegen EU-kantoren op Groenland en Faeröer op te richten;

69.

vraagt dat de doelstellingen van de nieuwe strategie voor het noordpoolgebied worden weerspiegeld in de programma’s van de EU, met specifieke financiering, projecten en relevante wetgeving, alsook in de werkzaamheden van de relevante EU-agentschappen;

70.

is van mening dat de maritieme strategie van de EU moet worden geactualiseerd om rekening te houden met nieuwe kansen en uitdagingen; is van mening dat soortgelijke beoordelingen en evaluaties moeten worden uitgevoerd met betrekking tot ander EU-beleid, waaronder het ruimtevaartbeleid van de EU, om na te gaan hoe de bestaande satellietprogramma’s kunnen worden uitgebreid om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van het noordpoolgebied, met inbegrip van het gebruik van Copernicus voor het traceren van verontreiniging;

o

o o

71.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1)  PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 41.

(2)  PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 71.

(3)  PB C 378 van 9.11.2017, blz. 174.

(4)  PB C 263 van 25.7.2018, blz. 136.

(5)  PB C 118 van 8.4.2020, blz. 32.

(6)  PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.

(7)  PB C 118 van 8.4.2020, blz. 15.

(8)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/129


P9_TA(2021)0414

Bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: geleerde lessen

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: geleerde lessen (verzoekschriften nrs. 2582/2013, 2551/2014, 0074/2015, 0098/2015, 1140/2015, 1305/2015, 1394/2015, 0172/2016, 0857/2016, 1056/2016, 1147/2016, 0535/2017, 1077/2017, 0356/2018, 0367/2018, 0371/2018, 0530/2018, 0724/2018, 0808/2018, 0959/2018, 0756/2019, 0758/2019, 0954/2019, 1124/2019, 1170/2019, 1262/2019, 0294/2020, 0470/2020, 0527/2020, 0608/2020, 0768/2020, 0988/2020, 1052/2020, 1139/2020, 1205/2020, 1299/2020, 0103/2021 en andere) (2020/2209(INI))

(2022/C 132/11)

Het Europees Parlement,

gezien de in de titel van deze resolutie vermelde verzoekschriften over kwesties in verband met handicaps, en gezien de eerdere beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften,

gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 19, 48, 67, lid 4, 153, 165, 168 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 3, 21, 24, 26, 34, 35, 41 en 47,

gezien de Europese pijler voor sociale rechten, met name de beginselen 1, 3, 10 en 17,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het Gehandicaptenverdrag), dat op 21 januari 2011 in werking is getreden, volgens Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (1),

gezien de algemene opmerkingen over het Gehandicaptenverdrag als gezaghebbende leidraad voor de tenuitvoerlegging ervan,

gezien de gedragscode tussen de Raad, de lidstaten en de Commissie tot vaststelling van interne regelingen voor de uitvoering door en de vertegenwoordiging van de Europese Unie met betrekking tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (2),

gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap van 2 oktober 2015 over het initiële verslag van de Europese Unie,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

gezien het strategisch onderzoek van de Europese Ombudsman naar de wijze waarop de Commissie ervoor zorgt dat personen met een handicap toegang hebben tot haar websites,

gezien de handeling van de Raad tot vaststelling van een herziene versie van het EU-kader dat is voorgeschreven door artikel 33, lid 2, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

gezien het strategisch onderzoek van de Europese Ombudsman naar de wijze waarop de Commissie toezicht houdt op EU-middelen die worden gebruikt voor de bevordering van het recht op zelfstandig wonen van personen met een handicap en ouderen,

gezien het door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten opgestelde verslag over de grondrechten 2020,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2019 getiteld “Vormgeving van de EU-agenda voor de rechten van gehandicapten 2020-2030”,

gezien de index voor gendergelijkheid 2020 van het Europees instituut voor gendergelijkheid,

gezien Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (3),

gezien Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (4),

gezien Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (5),

gezien Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (6),

gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (7),

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (8),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Een Unie van gelijkheid: Strategie voor de rechten van personen met een beperking 2021-2030” (COM(2021)0101),

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426, “de antidiscriminatierichtlijn”), en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 hierover (9),

gezien de aanbeveling van de Raad van 4 juni 1998 over een parkeerkaart voor personen met een handicap (10),

gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot invoering van een Europese kindergarantie (11),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 november 2020 over de beoordeling van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie 2010-2020 (SWD(2020)0291),

gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden (12),

gezien zijn resolutie van 18 juni 2020 over de Europese strategie inzake handicaps post-2020 (13),

gezien zijn resolutie van 8 juli 2020 over de rechten van personen met een verstandelijke handicap en hun familie tijdens de COVID-19-crisis (14),

gezien zijn resolutie van 29 april 2021 over de Europese Green Deal (15),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2021 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep in het licht van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (16),

gezien zijn resolutie van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap (17),

gezien zijn studie van 3 november 2016 getiteld “European Structural and Investment Funds and people with disabilities in the European Union”,

gezien zijn studie van 15 september 2017 getiteld “Inclusive education for learners with disabilities”,

gezien zijn studie van 9 oktober 2015 getiteld “The protection role of the Committee on Petitions in the context of the implementation of the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities” en de geactualiseerde versies van 2016, 2017 en 2018,

gezien zijn grondige analyse van 15 augustus 2016 getiteld “The European Accessibility Act”,

gezien zijn studie van 8 mei 2018 getiteld “Transport and tourism for persons with disabilities and persons with reduced mobility”,

gezien zijn studie van 15 juli 2020 getiteld “The Post-2020 European disability strategy”,

gezien artikel 54 en artikel 227, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

gezien de brief van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A9-0261/2021),

A.

overwegende dat circa 1 % van alle verzoekschriften die de Commissie verzoekschriften elk jaar ontvangt, betrekking heeft op diverse kwesties in verband met handicaps;

B.

overwegende dat er in de EU naar schatting 87 miljoen personen met een handicap zijn (18);

C.

overwegende dat 37 % van de mensen van 15 jaar en ouder in de EU (matige of ernstige) fysieke of zintuiglijke beperkingen heeft (19);

D.

overwegende dat uit verzoekschriften over kwesties in verband met handicaps blijkt met welke problemen personen met een handicap worden geconfronteerd, en dat hieruit tevens blijkt dat zij in hun dagelijks leven met discriminatie en belemmeringen te maken krijgen en niet de in het Gehandicaptenverdrag verankerde fundamentele vrijheden en grondrechten genieten, zoals toegang tot het openbaar vervoer en de bebouwde omgeving, het gebruik van gebarentalen, en financiering van en gelijke toegang tot onderwijs en beroepsopleiding;

E.

overwegende dat algemeen wordt erkend dat personen met een handicap in het dagelijks leven nog steeds te maken hebben met een veelvoud aan belemmeringen en discriminatie waardoor zij niet de fundamentele vrijheden en grondrechten genieten die zijn verankerd in de toepasselijke rechtskaders van de EU en de VN; overwegende dat hierbij onder meer moet worden gedacht aan de wederzijdse erkenning van de status van persoon met een handicap door de lidstaten (aangezien het vrije verkeer van personen met een handicap in de EU wordt belemmerd door een gebrek hieraan), toegang tot het openbaar vervoer, fysieke, zintuiglijke en cognitieve toegankelijkheid van de bebouwde omgeving, goederen, diensten en programma’s, het gebruik van gebarentalen en alle andere middelen en types van toegankelijke communicatie en informatie, financiering van en gelijke toegang tot onderwijs en beroepsopleiding, toegang tot de arbeidsmarkt, toegang tot individuele ondersteuning en opneming in de gemeenschap, en gelijke kansen en gelijke behandeling in arbeid en beroep;

F.

overwegende dat alle personen met een handicap gelijke rechten op voet van gelijkheid met anderen hebben ten aanzien van alle aspecten van het leven, en dat er niet mag worden getornd aan hun waardigheid en hun recht op gelijke behandeling, zelfstandig wonen, autonomie en volledige deelname aan de samenleving, waarbij zij mogen verwachten dat hun bijdrage aan de sociale en economische vooruitgang van de EU wordt geëerbiedigd en naar waarde wordt geschat;

G.

overwegende dat de verzoekschriften die door personen met een handicap of over kwesties in verband met handicaps bij het Parlement worden ingediend, als een bron van informatie dienen over de lacunes bij de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag zowel op nationaal als EU-niveau, en ertoe kunnen bijdragen wetgeving op alle beleidsterreinen te formuleren;

H.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften een “beschermende rol” vervult door te zorgen voor de naleving door de EU van het Gehandicaptenverdrag in het kader van de beleidsvorming en wetgevende maatregelen op EU-niveau; overwegende dat de Raad op zijn 3513e bijeenkomst op 16 januari 2017 heeft besloten de Commissie verzoekschriften te vragen om samen met de Europese Ombudsman, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het Europees Gehandicaptenforum een EU-kader op te stellen;

I.

overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken heeft onderstreept hoe belangrijk verzoekschriften over de rechten van personen met een handicap zijn in het licht van de rol en verantwoordelijkheden van het Parlement die zijn uiteengezet in het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag;

J.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften gezien haar rol de speciale taak heeft om de rechten van personen met een handicap in de EU te beschermen, waarbij de uitoefening van hun fundamentele vrijheden en grondrechten wordt gewaarborgd door het EU-recht en het Gehandicaptenverdrag; overwegende dat de beschikbare informatie over deze rechten ontoereikend en onvoldoende toegankelijk is;

K.

overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ten zeerste waardeert dat de Commissie verzoekschriften een essentiële rol vervult als brug tussen de mensen in de EU, het Parlement en de andere EU-instellingen, en als belangrijk instrument om burgers te betrekken bij de participatieve democratie; overwegende dat het recht op het indienen van een verzoekschrift bij het Parlement een van de grondrechten is van elk individu en elke organisatie die in de EU is gevestigd en tegelijkertijd een onmisbare directe bron van feitelijke informatie vormt;

L.

overwegende dat het recht op het indienen van verzoekschriften en de verzoekschriftenprocedure zichtbaarder en toegankelijker moeten zijn voor alle mensen en organisaties in de EU, met inbegrip van personen met een handicap; overwegende dat de Commissie verzoekschriften in dit verband moet zorgen voor meer zichtbaarheid en voldoende informatie door middel van gerichte informatie- en bewustmakingscampagnes, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap; overwegende dat het Parlement nog geen index van de doeltreffendheid van zijn verzoekschriftensysteem heeft ontwikkeld en ook geen statistische gegevens heeft verzameld over de behandeling van verzoekschriften;

M.

overwegende dat het Gehandicaptenverdrag het eerste internationale mensenrechtenverdrag is dat door de EU en al haar lidstaten is geratificeerd;

N.

overwegende dat het Facultatief Protocol bij het Gehandicaptenverdrag niet is geratificeerd door de EU en vijf lidstaten;

O.

overwegende dat een Unie van gelijkheid voor allen, in alle betekenissen van het woord, een van de prioriteiten in de politieke richtsnoeren van de huidige Commissie is;

P.

overwegende dat in verzoekschriften herhaaldelijk is gewezen op de beperkingen die personen met een handicap ondervinden bij de toegang tot onderwijs, waardoor zij minder aan onderwijsactiviteiten deelnemen dan het gemiddelde van de bevolking, wat op zijn beurt het risico van sociale en economische uitsluiting met zich meebrengt; overwegende dat een op de vier personen met een handicap het onderwijssysteem voortijdig verlaat (20);

Q.

overwegende dat de invoering van het ambt van commissaris voor Gelijkheid een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de nieuwe strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 (Europese strategie inzake handicaps 2021-2030);

R.

overwegende dat het Parlement in zijn resoluties regelmatig bij de lidstaten heeft aangedrongen op de uitvoering van passende beleidsmaatregelen om ervoor te zorgen dat personen met een handicap hun sociale, politieke en economische rechten volledig kunnen uitoefenen;

S.

overwegende dat de lidstaten de verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat alle mensen in de EU recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte voor een onafhankelijke, onpartijdige en vooraf bij wet ingestelde rechtbank en dat zij zich kunnen laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen;

T.

overwegende dat 24 lidstaten uitgebreid verslag hebben uitgebracht over de gemaakte voortgang bij de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag, waarbij toegankelijkheid een van de kernbeginselen van het Verdrag is, nadat de Commissie verzoekschriften de permanente vertegenwoordigingen van alle lidstaten om informatie had gevraagd over verzoekschrift nr. 0535/2017;

U.

overwegende dat de voorgestelde antidiscriminatierichtlijn, die door een horizontale aanpak meer bescherming tegen alle soorten discriminatie zou bieden, nog steeds in de Raad geblokkeerd is en dat dit al meer dan tien jaar duurt;

V.

overwegende dat toegankelijkheid een eerste vereiste is voor de uitoefening van alle andere in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten op voet van gelijkheid met anderen; overwegende dat de Commissie diverse maatregelen heeft voorgesteld voor het controleren van de uitvoering van de bestaande wetgeving inzake toegankelijkheid, alsmede nieuwe maatregelen om een Europa zonder belemmeringen tot stand te brengen;

W.

overwegende dat initiatieven op EU-niveau zoals de toegankelijkheidsprijs “Acces City Award” een stimulans vormen om de openbare ruimte aan te passen aan de behoeften van ouderen en personen met een handicap; overwegende dat deze wedstrijd steden onderscheidt die beloven bij hun politieke besluitvorming een inclusieve aanpak ten aanzien van personen met een handicap te volgen, hun rechten te eerbiedigen, rekening te houden met hun behoeften, en een maatschappelijke dialoog aan te gaan met gehandicapten- en ouderenorganisaties; overwegende dat de aanpassing van de openbare ruimte niet alleen een bijdrage zal leveren aan de bestrijding van sociale uitsluiting, maar ook aan de bevordering van economische groei;

X.

overwegende dat in verscheidene verzoekschriften de problemen worden geschetst die personen met een handicap ondervinden met de toegang tot de bebouwde omgeving, het vervoer, informatie- en communicatietechnologieën en -systemen (ICT) en andere voorzieningen en diensten die aan het publiek worden aangeboden, alsook de noodzaak om die toegang te verbeteren;

Y.

overwegende dat het absoluut noodzakelijk is dat de EU- instellingen ervoor zorgen dat hun websites over de nodige technische specificaties beschikken om toegankelijk te zijn voor personen met een handicap, zodat zij rechtstreeks correcte informatie kunnen krijgen over alle onderwerpen die hen als burgers aangaan, en zodat documenten, video’s en websites toegankelijker worden en alternatieve manieren van communicatie worden bevorderd;

Z.

overwegende dat bij het Parlement een interdepartementale werkgroep voor gebarentaal is opgericht om maatregelen te nemen om gevolg te geven aan het verzoek in verzoekschrift nr. 1056/2016 om het mogelijk te maken verzoekschriften in te dienen in de nationale gebarentalen die in de Europese Unie worden gebruikt;

AA.

overwegende dat de maatregelen die regeringen tijdens de uitzonderlijk grote gezondheidscrisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie nemen, te allen tijde de grondrechten en fundamentele vrijheden van de burgers moeten eerbiedigen en niet discriminerend mogen zijn ten aanzien van personen met een handicap;

AB.

overwegende dat uit verscheidene verzoekschriften blijkt dat de COVID-19-pandemie de situatie van personen met een handicap heeft verergerd en dat zelfs de meest fundamentele mensenrechten van personen met een handicap zijn geschonden, zoals de toegang tot gezondheidszorg, tot maatregelen ter bescherming tegen de verspreiding van de ziekte en tot onderwijs;

AC.

overwegende dat het Parlement moet waarborgen dat de COVID-19-maatregelen in overeenstemming zijn met het Handvest en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

AD.

overwegende dat instellingen voor personen met een handicap en ouderen, zoals dagcentra of scholen, door de moeilijke situatie tijdens de COVID-19-crisis soms tijdelijk zijn gesloten; overwegende dat de zorg voor personen met een verstandelijke beperking tijdens deze noodsituatie is afgewenteld op hun familieleden; overwegende dat personen met een handicap die verbleven in instellingen die open bleven, tijdens de pandemie zwaar zijn getroffen door hun afhankelijkheid van fysiek contact met verzorgers en ondersteunend personeel, een gebrek aan personeel, een gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen en ontsmettingsmiddelen, met hoge ziektecijfers en een toename van het aantal sterfgevallen als gevolg;

AE.

overwegende dat de lockdownmaatregelen bijzonder negatieve gevolgen hebben gehad voor personen met een handicap;

AF.

overwegende dat in verzoekschriften herhaaldelijk is gewezen op het feit dat de arbeidsmogelijkheden van personen met een handicap beperkt zijn; overwegende dat de gemiddelde kloof tussen de arbeidsparticipatie van mensen met en zonder handicap in de EU 25 % bedraagt (21);

AG.

overwegende dat de arbeidsparticipatie van personen met een handicap laag is, namelijk 50,6 %, ten opzichte van 74,8 % bij personen zonder handicap; overwegende dat de ongelijkheid tussen personen met en zonder handicap is toegenomen door de pandemie en de sociale en economische crisis;

AH.

overwegende dat werk in gesegregeerde instellingen niet bevorderlijk is voor de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt;

AI.

overwegende dat bijna een op de vier ondervraagde EU-burgers enige mate van functiebeperking als gevolg van gezondheidsproblemen heeft gemeld (22);

AJ.

overwegende dat het recht op sociale bescherming en arbeid, het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen met inachtneming van de EU-verordeningen en het Gehandicaptenverdrag, alsook andere kwesties die onder de bevoegdheid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken vallen, behoren tot de meest voorkomende zorgpunten in verband met de gelijke behandeling van personen met een handicap die in de door het Parlement ontvangen verzoekschriften tot uiting komen;

AK.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften veel verzoekschriften met betrekking tot Richtlijn 2000/78/EG van de Raad ontvangt over de niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van inclusief onderwijs, werkgelegenheid, beroepsopleiding, bevordering en arbeidsvoorwaarden van personen met een handicap; overwegende dat de lidstaten en de EU het Gehandicaptenverdrag hebben geratificeerd en dat artikel 24 daarvan bepaalt dat de ondertekenaars ervoor moeten zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot een leven lang leren, volwassenenonderwijs, beroepsopleiding, algemeen tertiair en secundair onderwijs en gratis en verplicht basisonderwijs;

AL.

overwegende dat toegang tot hoogwaardige banen, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg, sociale bescherming, ook over de grenzen heen, passende huisvesting, steun voor zelfstandig wonen en gelijke kansen voor deelname aan vrijetijdsactiviteiten en het gemeenschapsleven, essentieel zijn voor de levenskwaliteit van personen met een handicap;

AM.

overwegende dat de onlangs gepresenteerde Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 een welkome stap is in de richting van het verhelpen van de problemen waar personen met een handicap mee te maken hebben, maar dat zij nog steeds worden geconfronteerd met belemmeringen en discriminatie; overwegende dat in 2019 28,4 % van alle personen met een handicap (van 16 jaar en ouder) in de EU risico liep op armoede of sociale uitsluiting (23); overwegende dat de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 daar iets aan zal moeten doen;

AN.

overwegende dat in beginsel 17 van de Europese pijler van sociale rechten het volgende wordt gesteld: “personen met een handicap hebben recht op inkomenssteun waarmee een waardig leven wordt gewaarborgd, op diensten die hen in staat stellen om op de arbeidsmarkt en in de samenleving actief te zijn en op een werkomgeving die aan hun behoeften is aangepast”;

AO.

overwegende dat beschutte werkplaatsen gericht moeten zijn op inclusie, re-integratie en overgang naar de open arbeidsmarkt, maar vaak een gesegregeerde omgeving zijn waarin werkenden met een handicap niet de status van werknemer hebben en geen arbeidsrechten genieten, wat duidelijk in strijd is met het Gehandicaptenverdrag; overwegende dat inclusieve modellen van ondersteunde werkgelegenheid, indien zij op rechten zijn gebaseerd en als werkgelegenheid worden erkend, kunnen bijdragen tot de eerbiediging van de rechten van personen met een handicap en tot inclusie in en overgang naar de open arbeidsmarkt;

AP.

overwegende dat de door de COVID-19-pandemie ontstane economische crisis een ernstige bedreiging vormt voor de Europese economieën en het behoud van banen; overwegende dat personen uit kansarme groepen, met name personen met een handicap, bijzonder hard door de pandemie zijn getroffen; overwegende dat de COVID-19-preventiemaatregelen voor personen met een handicap zowel kansen als uitdagingen vormden wat de toegankelijkheid en inclusiviteit van de arbeidsmarkt betreft;

AQ.

overwegende dat de EU via het tijdelijke herstelinstrument NextGenerationEU respons en herstel in verband met COVID-19 moet ondersteunen waarbij rekening wordt gehouden met personen met een handicap; overwegende dat het essentiële belang en de veerkracht van het maatschappelijk middenveld en vrijwilligersorganisaties die werkzaam zijn in de gehandicaptensector tijdens de COVID-19-crisis andermaal zijn aangetoond;

AR.

overwegende dat de COVID-19-preventiemaatregelen nieuwe belemmeringen hebben opgeworpen voor personen met een handicap en de bestaande uitsluiting op alle gebieden van het arbeidsleven hebben verergerd; overwegende dat personen met een handicap meer risico lopen om hun werk te verliezen en moeite hebben om opnieuw werk te vinden; overwegende dat COVID-19 een negatief effect heeft gehad op de toegankelijkheid en inclusiviteit van de arbeidsorganisatie en de arbeidsregelingen, alsook op de arbeidsparticipatie en de arbeidsomstandigheden van personen met een handicap, en veel personen met een handicap heeft blootgesteld aan de negatieve gevolgen van telewerken;

AS.

overwegende dat in 2019 bijna 18 miljoen kinderen in de EU (22,2 % van de kinderpopulatie) leefden in huishoudens met een risico op armoede of sociale uitsluiting; overwegende dat kinderen met een handicap specifieke nadelen ondervinden, die ze bijzonder kwetsbaar maken; overwegende dat hieruit andermaal blijkt hoe belangrijk het is om kinderen in nood gratis en daadwerkelijke toegang te waarborgen tot hoogwaardige voorschoolse educatie en opvang, onderwijs- en schoolactiviteiten, minstens één gezonde maaltijd per schooldag en gezondheidszorg, alsook daadwerkelijke toegang tot gezonde voeding en adequate huisvesting, zoals bepaald in de aanbeveling van de Raad tot instelling van een Europese kindergarantie;

AT.

overwegende dat alle EU-lidstaten het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind hebben geratificeerd, waardoor het voor hen bindend is, en overwegende dat in artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de doelstelling van de EU is vastgesteld om erop toe te zien dat de rechten van het kind worden beschermd; overwegende dat het Handvest de bescherming van de rechten van het kind door de EU-instellingen en door de lidstaten garandeert wanneer zij het EU-recht toepassen; overwegende dat het Parlement zijn resolutie over de Europese kindergarantie met een grote meerderheid heeft aangenomen, en dat daarin met klem wordt gevraagd ervoor te zorgen dat alle kinderen van de vroege kinderjaren tot de adolescentie toegang hebben tot inclusief onderwijs, ook Romanikinderen, kinderen met een handicap, staatloze en migrantenkinderen en kinderen die leven in humanitaire noodsituaties;

AU.

overwegende dat werkgerelateerde discriminatie van personen met een handicap verband houdt met een gebrek aan inclusief onderwijs en inclusieve beroepsopleiding, evenals met de segregatie en discriminatie op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg en het gebrek aan toegang tot vervoer en andere diensten en producten;

AV.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie over gelijke behandeling in arbeid en beroep in het licht van het Gehandicaptenverdrag de tekortkomingen van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad aan het licht heeft gebracht;

AW.

overwegende dat Richtlijn (EU) 2019/1158 vereist dat de lidstaten beoordelen of de voorwaarden voor toegang tot en de gedetailleerde regelingen voor ouderschaps-, zorg- en arbeidsverlof moeten worden aangepast aan de specifieke behoeften van ouders in bijzonder kansarme situaties, zoals ouders met een handicap, alleenstaande, gescheiden of adoptieouders van kinderen met een handicap of een langdurige ziekte, of ouders in moeilijke omstandigheden;

AX.

overwegende dat personen met een handicap in hun dagelijks leven met tal van obstakels worden geconfronteerd, onder meer wanneer ze proberen persoonlijke bijstand te krijgen, deel uit te maken van de maatschappij, adequate en betaalbare toegankelijke huisvesting te vinden en betaalbare zorg en op de persoon toegesneden sociale opvang en gezondheidszorg te krijgen;

AY.

overwegende dat werkloosheid en een gebrek aan hoogwaardige en duurzame banen voor personen met een handicap de belangrijkste factoren zijn die bijdragen tot een hoog risico op armoede, sociale uitsluiting en dakloosheid onder personen met een handicap;

AZ.

overwegende dat in 2017 een derde van de volwassenen met een handicap in de EU in een huishouden woonde waarvan de financiële middelen niet toereikend waren om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te dekken; overwegende dat in 2019 bijna twee derde van de EU-bevolking met een arbeidsbeperking zonder sociale uitkeringen, toeslagen of pensioen het risico zou hebben gelopen in armoede te vervallen (24);

BA.

overwegende dat personen met een handicap een diverse groep vormen en dat zij vaak te maken krijgen met intersectionele discriminatie, en dat de cumulatieve effecten daarvan merkbare gevolgen hebben voor de werkgelegenheid;

BB.

overwegende dat de vorderingen op het gebied van de-institutionalisering verschillen van lidstaat tot lidstaat en dat er, hoewel er op dit vlak in de EU beleid is ingevoerd en aanzienlijke middelen zijn uitgetrokken, nog steeds een miljoen mensen in instellingen verblijven; overwegende dat er verscheidene verzoekschriften zijn ingediend over misbruik van EU-gelden voor de de-institutionalisering van personen met een handicap; overwegende dat de Europese Ombudsman in februari 2021 op eigen initiatief een onderzoek heeft ingesteld naar de rol van de Commissie, die erop moet toezien dat de lidstaten de EU-middelen gebruiken om van verzorgingstehuizen over te schakelen op het bevorderen van zelfstandig wonen van personen met een handicap en ouderen; overwegende dat de lidstaten het proces van de-institutionalisering moeten versnellen en dat de Commissie hun voortgang nauwlettend moet volgen;

BC.

overwegende dat bij het verzamelen van EU-statistieken over de bevolking geen rekening wordt gehouden met de aard van de handicap van een persoon en het aantal personen met een handicap dat in verzorgingstehuizen woont, waardoor de naleving van artikel 31 van het Gehandicaptenverdrag wordt belemmerd;

BD.

overwegende dat de lijst van uitkeringen en rechten die uit de gehandicaptenstatus voortvloeien, alsook de instanties die deze rechten vaststellen en erkennen, verschillen van lidstaat tot lidstaat;

BE.

overwegende dat het aantal personen met een handicap en personen die zorg en langdurige zorg nodig hebben in de EU naar verwachting drastisch zal toenemen, onder meer als gevolg van demografische uitdagingen en de toename van chronische gezondheidsproblemen; overwegende dat de meeste langdurige zorg momenteel wordt verleend door meestal onbetaalde en overwegend vrouwelijke mantelzorgers; overwegende dat beleidsmaatregelen om demografische uitdagingen aan te pakken en te reageren op groeiende zorg- en langetermijnbehoeften zo moeten worden ontworpen dat ze niet leiden tot een grotere druk op mantelzorgers;

BF.

overwegende dat een handicap vaak het gevolg is van arbeidsongevallen of wordt verworven door een chronische aandoening die verband houdt met beroepsziekten en blootstelling aan gevaren voor de gezondheid;

BG.

overwegende dat het streven naar een betere integratie en de bescherming van de rechten van personen met een handicap op alle beleidsterreinen tot uiting moet komen, ook in het proces van het Europees Semester;

BH.

overwegende dat de EU en de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om de in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten ten uitvoer te leggen, en bestaande maatregelen die discriminatie van personen met een handicap inhouden, moeten aanpassen of intrekken; overwegende dat de EU en de lidstaten de grondrechten van personen met een handicap op alle beleidsgebieden en in alle programma’s moeten beschermen en bevorderen;

BI.

overwegende dat 46 miljoen vrouwen en meisjes in de Europese Unie leven met een handicap (25);

BJ.

overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken hebben met meervoudige intersectionele discriminatie en uitdagingen als gevolg van het snijvlak van gender en handicap met seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, land van herkomst, klasse, migratiestatus, leeftijd, of ras of etnische afkomst; overwegende dat vrouwen met een handicap uit minderheidsgroepen vaker te maken krijgen met drievoudige discriminatie wegens hun kwetsbare situatie; overwegende dat discriminatie belemmeringen opwerpt voor hun deelname aan alle aspecten van het leven, onder meer sociaal-economische nadelen, sociale uitsluiting, gendergerelateerd geweld, gedwongen sterilisatie en abortus, gebrek aan toegang tot gemeenschapsdiensten, cultuur, sport en vrijetijdsbesteding, slechte huisvesting, institutionalisering en ontoereikende gezondheidszorg; overwegende dat deze belemmeringen hun kans verkleinen om ten volle deel te nemen en actief mee te werken aan de samenleving, onder meer in het onderwijs en op de arbeidsmarkt;

BK.

overwegende dat in de Europese Unie 20,6 % van de vrouwen met een handicap voltijds werkt, ten opzichte van 28,5 % van de mannen met een handicap (26); overwegende dat uit cijfers blijkt dat gemiddeld 29,5 % van de vrouwen met een handicap in de EU risico loopt op armoede en sociale uitsluiting, ten opzichte van 27,5 % van de mannen met een handicap (27);

BL.

overwegende dat in het Gehandicaptenverdrag wordt opgemerkt dat vrouwen en meisjes met een handicap een groter risico lopen op geweld, zowel binnen de huiselijke kring als daarbuiten; overwegende dat sommige lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) nog niet hebben geratificeerd; overwegende dat de uitbreiding van de vormen van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, van het VWEU tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld meer bescherming zal bieden aan vrouwen en meisjes met een handicap;

Governance en tenuitvoerlegging

1.

onderstreept dat op alle niveaus aan bewustmaking over de in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten van personen met een handicap moet worden gedaan teneinde hun rechten en waardigheid te beschermen en een vruchtbare samenwerking en uitwisseling van good practices tussen de lidstaten te bevorderen; wijst op de noodzaak van algemeen aanvaarde definities van handicap, de-institutionalisering, leven in de gemeenschap, zelfstandig wonen en inclusief onderwijs; moedigt de lidstaten aan om de coördinatiemechanismen te versterken;

2.

benadrukt dat de lidstaten zich meer moeten inspannen om personen met een handicap ondersteuning te bieden op de volgende prioritaire gebieden: gezondheid, onderwijs, toegankelijkheid, werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden, zelfstandig wonen, coördinatie, levensomstandigheden, sociale bescherming en bewustmaking;

3.

vraagt de lidstaten die het Facultatief Protocol bij het Gehandicaptenverdrag nog niet hebben geratificeerd, dat onverwijld te doen, en vraagt de EU het volledig te ratificeren; vraagt de Raad het nodige te doen opdat de EU tot het Facultatief Protocol toetreedt;

4.

is van oordeel dat het Facultatief Protocol een onscheidbaar onderdeel van het Gehandicaptenverdrag vormt; wijst erop dat het Facultatief Protocol burgers een forum biedt om te communiceren over vermeende schendingen van de bepalingen van het Verdrag door een staat die partij is bij het Verdrag, en het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap in staat stelt vertrouwelijk onderzoek te verrichten wanneer het informatie krijgt die wijst op een ernstige of systematische schending door een staat die partij is bij het Verdrag;

5.

verzoekt de Commissie met het oog op de volledige naleving van het Gehandicaptenverdrag een uitgebreide en transversale evaluatie van de wetgeving en de financieringsprogramma’s van de EU te verrichten en gehandicaptenorganisaties en de leden van het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag daar op constructieve wijze bij te betrekken;

6.

verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid en maatregelen rekening te houden met de diversiteit en de heterogeniteit van personen met een handicap;

7.

neemt nota van de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt met de effectieve tenuitvoerlegging en monitoring van het Gehandicaptenverdrag en met de aanpassing van de toegankelijkheidsmaatregelen aan de normen van het Gehandicaptenverdrag; verzoekt de lidstaten onverwijld bevoegde instanties aan te wijzen om als contactpunten te dienen, en coördinatiesystemen op alle bestuursniveaus in te voeren, overeenkomstig artikel 33 van het Gehandicaptenverdrag, teneinde dit ten uitvoer te leggen en te monitoren; benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een significant aantal personen met een handicap bij de werkzaamheden van deze instanties worden betrokken;

8.

steunt het voorstel van de Commissie om een gehandicaptenplatform op te richten om het beheer van de samenwerking op EU-niveau ter zake en van de uitvoering van de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 en de nationale strategieën inzake handicaps te versterken;

9.

herinnert eraan dat een nieuw gehandicaptenplatform van de EU moet stroken met de richtsnoeren die zijn vastgesteld in de Europese pijler voor sociale rechten;

10.

verzoekt de lidstaten meer bekendheid te geven aan het Gehandicaptenverdrag en de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 door nationale bewustmakingscampagnes over handicaps te organiseren die voor iedereen toegankelijk zijn en waarbij personen met een handicap alsook de familieleden en organisaties die hen vertegenwoordigen, betrokken worden; verzoekt de lidstaten ambitieuze tijdschema’s voor de uitvoering van de strategie vast te stellen; verzoekt de Commissie in het kader van de komende gedelegeerde handeling betreffende het herziene sociale scorebord een reeks gedetailleerde indicatoren te ontwikkelen om de voortgang bij de verwezenlijking van de doelen en doelstellingen van de strategie te meten, en om ervoor te zorgen dat de verbintenissen in deze documenten door alle betrokkenen worden nagekomen;

11.

is ingenomen met de oproep van de Commissie aan alle instellingen, organen, agentschappen en delegaties van de EU om “coördinatoren op het gebied van handicaps” aan te wijzen; herhaalt zijn verzoek om contactpunten in te richten in alle instellingen en agentschappen van de EU, met inbegrip van het Parlement en de Raad, met een centraal contactpunt bij het secretariaat-generaal van de Commissie, die worden ondersteund door een passend interinstitutioneel mechanisme; verzoekt de EU-instellingen bij de benoeming van de coördinatoren op het gebied van handicaps voorrang te geven aan personen met een handicap;

12.

is ingenomen met de plannen van de Commissie om de werking van het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag in 2022 te onderzoeken en op basis daarvan maatregelen voor te stellen; verzoekt de Commissie het EU-kader en de onafhankelijkheid ervan te versterken, vooral door te zorgen voor meer betrokkenheid en participatie van deskundigen, niet-gouvernementele organisaties, de sociale partners en in het bijzonder personen met een handicap, zonder discriminatie op grond van het soort handicap of andere persoonlijke omstandigheden; onderstreept dat het EU-kader gebaseerd moet zijn op gedetailleerde, actuele, hoogwaardige en naar soort handicap uitgesplitste gegevens, voortbouwend op de werkzaamheden van de Washingtongroep inzake handicapstatistieken;

13.

verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten opnieuw te bevestigen dat zij zich inzetten voor de verwezenlijking van inclusieve gelijkheid voor personen met een handicap, en het Gehandicaptenverdrag, met inbegrip van artikel 27 betreffende arbeid en werkgelegenheid, volledig uit te voeren;

14.

vraagt de Commissie en de lidstaten duidelijke doelen te stellen ter verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden van personen met een handicap, met eerbiediging van de beginselen van toegankelijkheid en non-discriminatie, en te investeren in gelijke kansen en de participatie van personen met een handicap op alle gebieden van het leven;

15.

wijst erop dat de Commissie verzoekschriften een specifieke rol vervult bij het waarborgen dat de EU het Gehandicaptenverdrag eerbiedigt bij de beleidsvorming en de vaststelling van wetgevingsmaatregelen; stelt vast dat de commissie in het kader van die verantwoordelijkheid een aantal verzoekschriften behandelt over kwesties in verband met handicaps, debatten, thematische workshops en openbare hoorzittingen over het onderwerp organiseert, resoluties en verslagen opstelt en bezoeken ter plaatse brengt;

16.

benadrukt dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot de nodige ondersteuning en bijstand bij het opstellen en indienen van verzoekschriften die aan de ontvankelijkheidscriteria voldoen teneinde via verzoekschriften aan het Parlement effectieve toegang tot de rechter te krijgen; dringt aan op een betere zichtbaarheid van het verzoekschriftenmechanisme door meer bewustmaking en betrokkenheid en deelname van personen met een handicap of hun vertegenwoordigers bij de behandeling van verzoekschriften;

17.

dringt er bij de lidstaten op aan nationale actieplannen te ontwikkelen om iets te doen aan de tekortkomingen in de toegang tot informatie over openbare veiligheid, afstandsonderwijs en online leren, persoonlijke bijstand, zorg en ondersteunende diensten voor personen met een handicap;

18.

verzoekt de Commissie verzoekschriften statistische gegevens over de behandeling van verzoekschriften te verzamelen en verschaffen, en benadrukt dat de commissie — net als alle commissies van het Parlement — ervoor moet zorgen dat zij in vertolking in gebarentaal kan voorzien om toegang tot informatie en participatie te waarborgen;

19.

vraagt de Commissie en de lidstaten het belang van toegankelijke en hoogwaardige ondersteunende diensten en systemen voor zelfstandig wonen beter te erkennen; benadrukt de noodzaak om strategieën en normen te bevorderen voor gepersonaliseerde en kwalitatief hoogwaardige ondersteuning voor afhankelijke personen met een handicap en hun verzorgers, met inbegrip van betere sociale bescherming en verschillende vormen van ondersteuning voor mantelzorgers; vraagt de Commissie een strategische EU-zorgagenda te presenteren als een verdere stap voorwaarts in de kwalitatieve empowering van de gezondheidszorgsector in de EU, met inbegrip van verleners van persoonlijke en huishouddiensten; herhaalt dat de zorgagenda ook rekening moet houden met de situatie van de 100 miljoen mantelzorgers in de EU, die 80 % van de langdurige zorg verstrekken, maar wier werk meestal geen erkenning krijgt;

20.

beveelt aan dat de Commissie verzoekschriften jaarlijks een verslag opstelt over de problemen die in verzoekschriften met betrekking tot personen met een handicap aan de orde worden gesteld en daarin aanbevelingen doet;

21.

verzoekt de Commissie de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 structureel te integreren in het proces van het Europees Semester, aangezien dat dient te worden gebruikt als bron van inspiratie voor de beleidsmaatregelen en -aanpak van de lidstaten, om de samenleving inclusiever te maken en om de arbeidsintegratie en sociale bescherming van mensen met een handicap te ondersteunen; verzoekt de Commissie een jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de mainstreaming van handicaps in het Europees Semester;

22.

verzoekt de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijke definitie van handicap vast te stellen, in overeenstemming met de in 2015 aangenomen slotopmerkingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie, en ervoor te zorgen dat de status van gehandicapte door alle lidstaten wederzijds wordt erkend, zodat het vrije verkeer van personen met een handicap en de uitoefening en erkenning van hun aan het EU-burgerschap verbonden rechten worden gewaarborgd;

23.

vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU en de lidstaten volledig voldoen aan alle relevante EU- en VN-verplichtingen inzake de rechten van personen met een handicap, met name het Gehandicaptenverdrag en de algemene toelichtingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op het Gehandicaptenverdrag, alsook aan de relevante maatregelen en financieringsregels van de EU, en vraagt de Commissie personen met een handicap en hun families en verzorgers te ondersteunen en de uitwisseling van best practices op dit gebied mogelijk te maken;

24.

benadrukt dat personeel bij justitie en politie meer en regelmatige bewustmakingsopleidingen moeten krijgen over crisisinterventie en -beheer en de-escalatie van conflicten bij interactie met personen met specifieke handicaps;

Gegevensbescherming

25.

vraagt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming — AVG) (28) correct ten uitvoer leggen en de nodige maatregelen te nemen om de gevoelige gegevens van personen met een handicap te beschermen;

26.

benadrukt dat de verwerking van persoonsgegevens volledig in overeenstemming moet zijn met de AVG; onderstreept dat de verwerking van genetische of biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon en van gegevens over de gezondheid (gevoelige persoonsgegevens) uit hoofde van de AVG verboden is, tenzij deze uitdrukkelijk is toegestaan bij de AVG;

Participatie

27.

onderstreept dat organisaties van personen met een handicap moeten worden geraadpleegd en actief moeten worden betrokken bij alle fasen van de planning, vaststelling, uitvoering en monitoring van alle soorten maatregelen, opdat deze maatregelen bijdragen aan de bevordering van hun grondrechten; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om organisaties van personen met een handicap op passende wijze te betrekken bij alle fasen van de uitvoering van de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030;

28.

wijst andermaal op het belang van de raadpleging en participatie van personen met een handicap en hun belangenorganisaties bij de vaststelling van maatregelen in verband met de COVID-19-pandemie, zoals herstel- en vaccinatieplannen, en bij elke mogelijke toekomstige crisis;

29.

benadrukt dat de volledige en effectieve participatie van personen met een handicap in alle facetten van het dagelijks leven en de samenleving van cruciaal belang is voor de uitoefening van hun grondrechten;

30.

herinnert eraan dat veel personen met een handicap nog steeds buiten het gemeenschapsleven staan en geen controle over hun dagelijks leven hebben, met name degenen die in verzorgingshuizen wonen, zoals ook is gebleken tijdens de COVID-19-pandemie, die de uitdagingen voor personen in instellingen aan het licht heeft gebracht en heeft verergerd; dringt er bij de lidstaten op aan om ondersteunende diensten in alle beleidsmaatregelen te mainstreamen opdat personen met een handicap het gelijke recht genieten om zelfstandig te wonen en deel uit te maken van de gemeenschap;

31.

dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat personen met een handicap zonder enige beperking bij het besluitvormingsproces worden betrokken; merkt op dat het Gehandicaptenverdrag volwaardige politieke participatie vereist, wat betekent dat personen met een handicap op gelijke voet met anderen moeten kunnen deelnemen aan verkiezingen en besluitvormingsprocessen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten in ondersteunde naturalisatieprocedures of specifieke ontheffingen van naturalisatietoetsen voor personen met een handicap voorzien om hun toegang tot burgerschap te waarborgen;

32.

herinnert aan het grote aantal Europese burgers dat hun kiesrechten niet heeft kunnen uitoefenen, onder meer tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement, wegens hun handicap of geestelijkegezondheidsproblemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom ervoor te zorgen dat het stemrecht van personen met een handicap bij Europese verkiezingen daadwerkelijk wordt gewaarborgd;

Vrij verkeer

33.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om uiterlijk eind 2023 een voorstel in te dienen voor de invoering van een EU-gehandicaptenkaart die in alle lidstaten wordt erkend, waarmee de proefprojecten inzake de EU-gehandicaptenkaart en de EU-parkeerkaart voor personen met een handicap worden uitgebreid; is van oordeel dat een EU-gehandicaptenkaart, die in alle lidstaten verplicht dient te zijn, een belangrijk instrument zal zijn om personen met een handicap te helpen hun recht op vrij verkeer uit te oefenen in een Europa zonder belemmeringen;

34.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ambitieus te zijn wat betreft de reikwijdte van de rechten die gebruikers van de kaart zullen hebben, en ervoor te zorgen dat de kaart in alle lidstaten op correcte wijze wordt ingevoerd, zo nodig door middel van bindende EU-wetgeving;

35.

merkt op dat er in sommige EU-landen waar al een gehandicaptenkaart is ingevoerd, misbruik is gemeld, hetgeen soms negatieve gevolgen heeft voor personen die daadwerkelijk in aanmerking komen; benadrukt daarom dat op alle niveaus aan bewustmaking moet worden gedaan en dat er maatregelen moeten worden genomen om misbruik van de nieuwe EU-gehandicaptenkaart te voorkomen;

36.

verzoekt de Commissie om personen met een handicap en hun familie en helpers in heel Europa vrij te stellen van tolheffing om hun bewegingsvrijheid te bevorderen, met name wanneer er meerdere trajecten nodig zijn om hun medische verzorging en welzijn te garanderen;

37.

verzoekt de Commissie het wetgevingskader inzake de deelname van personen met een handicap aan toerisme verder te versterken; merkt op dat 25 % van de kiezers in de EU stelt enige mate van beperking of handicap te hebben (29) en dat de totale omzet van toegankelijk toerisme voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in de EU in 2012 ongeveer 786 miljard EUR bedroeg (30);

38.

is bijzonder verheugd over de vaststelling van betere rechten voor treinreizigers met een handicap en beperkte mobiliteit, en met name over de geleidelijke afschaffing van de huidige vrijstellingen voor de lidstaten en de verkorting van de termijn waarbinnen personen met een handicap of beperkte mobiliteit vooraf om bijstand moeten verzoeken; vraagt de lidstaten om zo spoedig mogelijk te zorgen voor kortere kennisgevingstermijnen voor personen met een handicap die bij reizen bijstand nodig hebben, teneinde hen in staat te stellen hun recht op vrij verkeer gemakkelijker uit te oefenen, en om termijnen voor toegankelijkheid vast te stellen; vraagt dat de regels die bij de herschikking van Verordening (EG) nr. 1371/2007 zijn vastgesteld, in alle lidstaten snel ten uitvoer worden gelegd; verzoekt de Commissie te overwegen een voorstel in te dienen over de rechten van reizigers met een handicap in het vervoer in de stad en op het platteland, teneinde de nog bestaande lacunes weg te werken; vraagt dat er voor het vervoer over zee een even doeltreffend pakket wordt vastgesteld;

39.

verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen om op lokaal, regionaal en nationaal niveau de nodige voorwaarden te scheppen om personen met een handicap in staat te stellen op voet van gelijkheid met anderen gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer, zelfbeschikking en persoonlijke keuzes, zelfstandig te leven en in de maatschappij te participeren, zoals vastgesteld in artikel 19 van het Gehandicaptenverdrag; vraagt de lidstaten de informatie die door overheidsdiensten wordt verstrekt, beter toegankelijk te maken door open en toegankelijke formaten te gebruiken;

Toegankelijkheid

40.

neemt nota van het voorstel van de Commissie voor de oprichting van het centrum voor hulpbronnen “AccessibleEU” tegen 2022; verzoekt de Commissie een EU-agentschap voor toegankelijkheid (“Europese Toegangsraad”) op te richten dat tot taak zou hebben technische specificaties voor toegankelijkheid te ontwikkelen ter ondersteuning van specifieke EU-beleidsmaatregelen en -wetgeving, te overleggen met rechthebbenden, belanghebbenden en niet-gouvernementele organisaties, de lidstaten en de EU-instellingen te helpen om op geharmoniseerde wijze voor toegankelijkheid te zorgen ten bate van de interne markt, en aan bewustmaking te doen over het belang van toegankelijkheid voor gelijke samenlevingen;

41.

verzoekt de Commissie en de lidstaten zorgt te dragen voor de cognitieve, zintuiglijke en fysieke toegankelijkheid van EU-initiatieven voor de digitalisering van de arbeidsmarkt;

42.

betreurt dat toegang tot de bebouwde omgeving en fysieke toegankelijkheid niet zijn opgenomen in het toepassingsgebied van de Europese toegankelijkheidswet; verzoekt de Commissie de Europese toegankelijkheidswet als uitgangspunt te nemen bij het vaststellen van een degelijk EU-kader voor een toegankelijke en inclusieve omgeving met volledig toegankelijke openbare ruimten, diensten, met inbegrip van openbaar vervoer, communicatie en financiële diensten, en de bebouwde omgeving; is ingenomen met het initiatief “Access City Award van de Commissie”;

43.

is verheugd over de resultaten van de “European Access City”-wedstrijd; verzoekt de lidstaten soortgelijke wedstrijden op nationaal niveau in te voeren;

44.

herinnert eraan dat de meest voorkomende zorgen van indieners van verzoekschriften over de gelijke behandeling van personen met een handicap betrekking hebben op toegankelijkheid en sociale bescherming, alsook op arbeidsrechten en het recht op zelfstandig wonen in de gemeenschap; verzoekt de lidstaten daarom alle wetgeving op het gebied van toegankelijkheid, met inbegrip van Richtlijn (EU) 2019/882 (de Europese toegankelijkheidswet), volledig ten uitvoer te leggen en voortdurend te monitoren, teneinde belemmeringen voor werknemers met een handicap op effectief en definitief weg te nemen en ervoor te zorgen dat er toegankelijke diensten beschikbaar zijn en dat ze onder de juiste voorwaarden worden verleend; vraagt de lidstaten in dit verband om bij de omzetting van de Europese toegankelijkheidswet in nationale wetgeving rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de toegankelijkheid van diensten en de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving;

45.

benadrukt dat volledige toegankelijkheid moet worden gewaarborgd op alle openbare plaatsen in Europa; betreurt dat de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 momenteel in veel opzichten wordt veronachtzaamd, en met name dat er te veel openbare gebouwen met architecturale belemmeringen zijn, hetgeen een ergerlijke vorm van discriminatie vormt; verzoekt de Commissie toegankelijkheid in alle beleidsgebieden te integreren en verzoekt de lidstaten de bestaande wetgeving volledig ten uitvoer te leggen;

46.

betreurt dat in sommige lidstaten ontoegankelijke noodnummers ertoe hebben geleid dat sommige personen met een handicap niet in staat waren met essentiële hulpdiensten te communiceren; dringt er daarom bij de lidstaten op aan om Richtlijn (EU) 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie zorgvuldig ten uitvoer te leggen;

47.

verzoekt de lidstaten zorg te dragen voor een snelle uitvoering op alle niveaus van Richtlijn (EU) 2016/2102 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties, zodat personen met een handicap in een toegankelijk formaat, met inbegrip van de nationale gebarentalen, toegang krijgen tot alle informatie die zij nodig hebben; is verheugd dat de Commissie het initiatief heeft genomen tot een actieplan voor webtoegankelijkheid voor alle instellingen, organen en agentschappen van de EU om ervoor te zorgen dat EU-websites en de op deze websites en onlineplatformen gepubliceerde documenten voldoen aan de Europese normen inzake toegankelijkheid, die moeten worden uitgebreid; verzoekt alle instellingen, organen en agentschappen van de EU uiterlijk in 2022 de Europese normen inzake toegankelijkheid na te leven;

48.

dringt er bij de lidstaten op aan om de richtlijn audiovisuele mediadiensten, die veel vertraging heeft opgelopen, in nationaal recht om te zetten en, overeenkomstig artikel 7 daarvan, toegankelijke audiovisuele mediadiensten aan te bieden aan personen met een handicap;

49.

dringt er bij de EU-instellingen op aan om het niveau en de kwaliteit van de toegankelijkheidsvoorzieningen in al hun gebouwen te verhogen en de bestaande belemmeringen voor de toegankelijkheid van hun websites, debatten en documentatie weg te nemen, d.w.z. de geproduceerde informatie toegankelijk te maken, bijvoorbeeld door te zorgen voor vertaling in de gebarentalen van de verschillende lidstaten en door documenten in braille en in gemakkelijk leesbare taal te produceren;

50.

benadrukt hoe belangrijk het is om in alle relevante beleidslijnen en instrumenten snel aandacht te besteden aan toegankelijkheidsvraagstukken, ook wat betreft de regels voor overheidsopdrachten en de toegankelijkheid van verzoekschriften aan het Parlement;

51.

verzoekt de betrokken diensten van het Parlement hun inspanningen voort te zetten en het project inzake de interdepartementale werkgroep voor gebarentaal zo snel mogelijk af te ronden teneinde te voldoen aan de verzoeken van verzoekschrift nr. 1056/2016 om het mogelijk te maken verzoekschriften in te dienen in de nationale gebarentalen die in de EU worden gebruikt, opdat het grondrecht om verzoekschriften in te dienen, toegankelijker wordt voor gebruikers van gebarentalen;

52.

wijst erop dat er bij commissievergaderingen, plenaire zittingen en alle andere vergaderingen van het Europees Parlement in vertolking in gebarentaal en vertalingen in gemakkelijk leesbare taal moet worden voorzien zodat ze toegankelijk zijn voor personen met een handicap;

Bestrijding van discriminatie

53.

merkt op dat er geen wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus tussen de lidstaten bestaat; verzoekt de lidstaten in een geest van wederzijds vertrouwen samen te werken om de in een andere lidstaat toegekende status te erkennen; wijst op de doelstelling van de Commissie om met de lidstaten samen te werken om de reikwijdte van de wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus uit te breiden op gebieden zoals arbeidsmobiliteit en de voordelen die aan de dienstverleningsvoorwaarden verbonden zijn; benadrukt dat de voordelen van de EU-gehandicaptenkaart moeten worden uitgebreid zodat het ook mogelijk wordt om gebruik te maken van wederzijds erkende voordelen met betrekking tot de toegang tot gezondheidszorg; onderstreept in dit verband het belang van snelle maatregelen ter uitvoering van de Europese gehandicaptenkaart; wijst nogmaals op de noodzaak van een wederzijds begrip van de-institutionalisering en de toepassing daarvan, alsook van zelfstandig leven in de gemeenschap, teneinde de strategieën van de lidstaten en de EU-fondsen beter af te stemmen op het Gehandicaptenverdrag;

54.

erkent dat de Europese gehandicaptenkaart op vele gebieden zou kunnen worden toegepast, zowel wat betreft de toegang tot tal van diensten zonder discriminatie als wat betreft veiligheid in gevaarlijke situaties of in noodgevallen; wijst erop dat de kaart ervoor zou zorgen dat een persoon met een handicap onmiddellijk wordt herkend door de betrokken ordediensten;

55.

betreurt dat kinderen en volwassenen met een handicap volgens de WHO meer risico lopen om het slachtoffer van geweld te worden dan kinderen en volwassenen zonder handicap; wijst erop dat met name kinderen met een handicap in vergelijking met kinderen zonder handicap 3,7 keer meer kans maken om het slachtoffer te worden van enige vorm van geweld, 3,6 keer meer kans maken om slachtoffer te worden van fysiek geweld en 2,9 keer meer kans maken om slachtoffer te worden van seksueel geweld; onderstreept dat kinderen met geestelijke of verstandelijke beperkingen een van de meest kwetsbare groepen vormen en 4,6 keer meer kans maken om het slachtoffer te worden van seksueel geweld dan kinderen zonder handicap; vraagt daarom dat er een Europees kader wordt gecreëerd voor de bescherming van personen met een handicap tegen alle vormen van geweld;

56.

benadrukt dat er dringend EU-wetgeving moet komen om burgers in de EU te beschermen tegen alle vormen van discriminatie, en acht dit van wezenlijk belang voor de correcte uitvoering van het beleid in het kader van het Gehandicaptenverdrag; dringt er bij de lidstaten op aan om de horizontale antidiscriminatierichtlijn van de EU, die de Commissie in 2008 heeft voorgelegd, aan te nemen; verzoekt de Commissie met een alternatieve oplossing te komen om zo spoedig mogelijk voortuitgang te boeken bij het tegengaan van discriminatie in de hele EU, op alle gebieden van het leven;

57.

veroordeelt alle vormen van medische discriminatie jegens personen met een handicap ten stelligste; wijst erop dat de maatregelen die de lidstaten in dit verband vaststellen, moeten stroken met het Gehandicaptenverdrag, en gelijke en niet-discriminerende toegang tot de gezondheidszorg en sociale diensten moeten waarborgen; benadrukt dat bij de respons op toekomstige gezondheidscrises (van paraatheid tot behandeling) moet worden gewaarborgd dat personen met een handicap niet in de steek worden gelaten; verzoekt de betrokken autoriteiten in dit verband met klem om personen met een handicap dezelfde medische behandeling te verlenen als alle andere personen, met inbegrip van intensieve medische zorg, ook tijdens gezondheidscrises zoals de COVID-19-pandemie; wijst erop dat het belangrijk is dat de gezondheidszorg altijd een centrale rol speelt bij de bescherming van personen met een handicap;

58.

vraagt de Commissie nogmaals samen met het Hof van Justitie van de Europese Unie werk te maken van strategieën inzake communicatie en toegankelijkheid om ervoor te zorgen dat personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie toegang hebben tot het rechtsstelsel van de EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten door te gaan met empowermentprogramma’s voor personen met een handicap die hen in staat stellen gevallen van discriminatie te herkennen en te melden;

59.

veroordeelt elke vorm van discriminatie van personen met een handicap op de werkplek; verzoekt de lidstaten en de Commissie beleidsmaatregelen te nemen om pesterijen op grond van handicap op de werkplek te voorkomen; vraagt de lidstaten ook om, in samenwerking met de werkgevers, beleidsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat mensen met een handicap op de werkplek worden gecyberpest;

60.

benadrukt dat moet worden voorkomen dat personen wier handicap onverenigbaar is met detentie, in de gevangenis terechtkomen, en dat in alternatieven voor gevangenisstraf moet worden voorzien; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de grondbeginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, redelijke aanpassingen en toegankelijkheid worden geëerbiedigd ten aanzien van gedetineerden met een handicap;

61.

vraagt de lidstaten informatie en good practices uit te wisselen, met name met betrekking tot de overgang van institutionele zorg naar zelfstandig wonen, de verstrekking van toegankelijke en betaalbare huisvesting voor personen met een handicap en integratie in de samenleving;

62.

benadrukt dat redelijke huisvesting, toegankelijkheid en universeel ontwerp van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van discriminatie ten aanzien van personen met een handicap; onderstreept dat effectieve niet-discriminerende toegang gepaard moet gaan met het in kaart brengen en verwijderen van obstakels en belemmeringen voor de toegang van personen met een handicap tot goederen, diensten en voorzieningen die voor het grote publiek beschikbaar zijn; benadrukt dat effectieve, niet-discriminerende toegang voor personen met een handicap waar mogelijk moet worden geboden onder dezelfde voorwaarden als voor personen zonder handicap, en dat het gebruik van hulpmiddelen door personen met een handicap moet worden vergemakkelijkt, zo nodig met inbegrip van hulpmiddelen voor mobiliteit en toegang, zoals erkende geleidehonden en andere assistentiehonden (31); herinnert eraan dat toegankelijkheidsnormen moeten worden vastgesteld in overleg met personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties, aangezien hun deskundigheid van essentieel belang is voor het in kaart brengen van belemmeringen voor de toegankelijkheid; benadrukt dat redelijke huisvesting, toegankelijkheid en universeel ontwerp van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van discriminatie ten aanzien van personen met een handicap;

63.

wijst op de cruciale rol van familieleden die bijstand verlenen aan personen met een handicap en vaak in al hun zorg- en hulpbehoeften voorzien; benadrukt in dit verband dat het beleid en de strategieën op EU- en nationaal niveau familieleden en mantelzorgers stevig moeten ondersteunen; acht het van essentieel belang dat hun rol als mantelzorgers op Europees niveau wederzijds wordt erkend;

64.

wijst op het belang van het recht van personen met een handicap om hun grondrechten op voet van gelijkheid uit te oefenen; benadrukt dat moet worden erkend dat personen met een handicap in alle aspecten van het leven op voet van gelijkheid met anderen handelingsbekwaam zijn, overeenkomstig artikel 12 van het Gehandicaptenverdrag; verzoekt de lidstaten tijdig passende maatregelen te nemen om personen met wat voor handicap dan ook in alle fasen van de procedure effectieve, eerlijke en inclusieve toegang tot justitie en rechtshandhaving te bieden; benadrukt dat voorzieningen en diensten toegankelijk moeten zijn om gelijke toegang tot de rechter en de hele gerechtelijke procedure te waarborgen, zonder discriminatie;

65.

benadrukt dat er financiële steun nodig is opdat personen met een handicap helpers kunnen inhuren of in dienst kunnen nemen of familieleden financieel kunnen ondersteunen, omdat hun zorgdiensten tijd en geld kosten en omdat dit absoluut noodzakelijk is ter ondersteuning van personen met een handicap en hun mantelzorgers;

66.

wijst erop dat personen met een handicap sociaal gemarginaliseerd worden en worden uitgesloten van de arbeidsmarkt en het economisch en maatschappelijk leven; betreurt dat personen met een handicap, met name degenen met een grote zorgbehoefte, een groot risico lopen om in een instelling te belanden, aangezien de huidige financiële steun van de lidstaten niet toereikend is, met name om vanuit de gemeenschap verzorgde, mensgerichte ondersteuning te bieden waarmee de rechten van personen met een handicap kunnen worden beschermd (32);

67.

benadrukt dat artikel 19 van het Gehandicaptenverdrag voorziet in het recht om zelfstandig te wonen en deel uit te maken van de gemeenschap; vraagt de lidstaten een proces in gang te zetten dat leidt tot een verschuiving van de woonsituatie van personen met een handicap van institutionele settings naar een systeem dat deelname aan de maatschappij mogelijk maakt en waarin gemeenschapsdiensten worden geleverd op basis van individuele wensen en voorkeuren; verzoekt de lidstaten specifieke streefcijfers met duidelijke tijdschema’s in hun de-institutionaliseringsstrategieën op te nemen en voldoende middelen uit te trekken voor de uitvoering van deze strategieën;

68.

betreurt dat personen met een handicap en hun ondersteunende netwerk in de vaccinatiestrategie van de EU zijn uitgesloten van de prioritaire groepen; roept de lidstaten ertoe op personen met een handicap en hun ondersteunende netwerk prioritaire toegang tot vaccinatie te bieden; benadrukt in dit verband dat vaccinatie tegen COVID-19 gebaseerd moet zijn op de vrijwillige en geïnformeerde toestemming van personen met een handicap en dat de autonomie en handelingsbekwaamheid van alle personen met een handicap, met inbegrip van personen met een verstandelijke handicap, personen met psychosociale handicaps en autistische personen, niet mogen worden ondermijnd door maatregelen die geacht worden in het algemeen belang of het belang van de persoon te zijn;

69.

vraagt dat de EU en de lidstaten een onderzoek instellen naar de onevenredig hoge COVID-19-infectie- en -sterftecijfers in verpleeg- en verzorgingshuizen, woonvoorzieningen voor ouderen en personen met een handicap en andere sociale diensten, om inzicht te krijgen in de oorzaken, vast te stellen wie hiervoor verantwoordelijk was en de nodige maatregelen te nemen om dergelijke gevallen in de toekomst te voorkomen;

70.

vraagt dat de locaties waar wordt gevaccineerd, fysiek toegankelijk zijn en dat ter plaatse begeleiding en hulp wordt geboden aan wie die daar behoefte aan heeft; vraagt dat er waar in nodig gratis of goedkope gerichte programma’s voor toegankelijk vervoer wordt voorzien;

Werkgelegenheid en sociale zaken

71.

is bezorgd over de hoge werkloosheid onder personen met een handicap, met name onder vrouwen met een handicap, vergeleken met andere groepen in de EU; verzoekt de lidstaten een wetgevings- en beleidskader te bevorderen en te waarborgen voor de deelname van personen, en met name vrouwen, met een handicap aan de arbeidsmarkt, met inbegrip van personen met onzichtbare beperkingen, chronische aandoeningen en leerstoornissen;

72.

vraagt de lidstaten een intersectionele benadering te volgen, met name in hun beleid en maatregelen voor het creëren van inclusieve werkgelegenheid; betreurt dat meervoudige en intersectionele discriminatie onvoldoende aan bod komen in de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030; verzoekt de Commissie daarom bij de uitvoering van de strategie bijzondere nadruk te leggen op intersectionaliteit en duidelijke, meetbare en ambitieuze doelen voor diversiteit op de werkplek vast te stellen, die rekening houden met de heterogeniteit van personen met een handicap, om meervoudige en intersectionele discriminatie aan te pakken; benadrukt dat het belangrijk is om de efficiëntie van de strategie te monitoren met betrokkenheid van personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen;

73.

verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale ondernemingen die vooral werk bieden aan personen met een handicap, te bevorderen en te steunen, aangezien zij een hefboom zijn om het scheppen van fatsoenlijke banen te stimuleren;

74.

moedigt de lidstaten aan om personen met aanzienlijke en ernstige handicaps vroegtijdige toegang tot openbare pensioenregelingen te verlenen om het risico op armoede en sociale uitsluiting op hogere leeftijd tegen te gaan;

75.

verzoekt de lidstaten de onderontwikkeling en onderfinanciering van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening aan te pakken om de arbeidsparticipatie van personen met een handicap te verbeteren; dringt er bij de lidstaten op aan de banden tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening en wervingsbureaus te versterken;

76.

wijst erop dat beschutte werkplekken die conform het Gehandicaptenverdrag werken, een positieve rol spelen bij de overgang van personen met een handicap naar de open arbeidsmarkt;

77.

dringt er bij de lidstaten op aan om steun te verlenen voor op rechten gebaseerde, inclusieve en fatsoenlijke modellen voor individuele plaatsing en ondersteuning (“ondersteunde werkgelegenheid”) als middel voor personen met een handicap om, waar mogelijk, over te stappen naar de open arbeidsmarkt;

78.

verzoekt de Commissie zo snel mogelijk te beginnen met de herziening van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep en deze volledig te harmoniseren met de bepalingen van het Gehandicaptenverdrag, en een participatieve procedure te volgen om rechtstreekse en volledige betrokkenheid van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen te waarborgen;

79.

wijst erop dat steunregelingen voor aanwerving niet mogen leiden tot lagere lonen voor personen met een handicap, vooral niet wanneer er sprake is van medefinanciering door de overheid; wijst erop dat de aanwerving van personen met een handicap wat loon en arbeidstijd betreft, gebaseerd moet zijn op het arbeidskader dat voor andere werknemers geldt, waarbij dat kader op hun behoeften wordt afgestemd; is van mening dat personen met een handicap niet op de open arbeidsmarkt kunnen worden opgenomen zonder algemeen kader van arbeidswetgeving en bevordering van zowel loon- als collectieve onderhandelingen;

80.

wijst erop dat financiële bijstand nodig is opdat personen met een handicap gekwalificeerde helpers kunnen inhuren of in dienst kunnen nemen;

81.

dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor een passende coördinatie van de sociale zekerheid voor personen met een handicap, mede door ervoor te zorgen dat zij invaliditeitssteun blijven ontvangen om de aan hun handicap gerelateerde extra kosten te dekken, zelfs wanneer zij de arbeidsmarkt betreden of een bepaald inkomensniveau overschrijden, om hun integratie op de arbeidsmarkt te ondersteunen en hun waardigheid en gelijkheid te helpen waarborgen; is van mening dat dit moet gebeuren door een wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 en door raadpleging van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen;

82.

vraagt de lidstaten informatie en good practices uit te wisselen, met name met betrekking tot de overgang van institutionele zorg naar zelfstandig wonen, de verstrekking van toegankelijke en betaalbare huisvesting voor personen met een handicap en integratie in de samenleving;

83.

verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de aanhoudende arbeidsparticipatiekloof tussen mensen met en zonder handicap te dichten en de toegang van personen met een handicap tot hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen; is in dit verband verheugd dat de Commissie in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten voorstelt om die arbeidsparticipatiekloof op te nemen in het herziene sociale scorebord;

84.

verzoekt de lidstaten Richtlijn 2000/78/EG van de Raad volledig ten uitvoer te leggen; dringt er bij de lidstaten op aan om personen met een handicap meer kansen op een baan te bieden door de richtlijn, en met name artikel 5 betreffende redelijke aanpassingen, beter ten uitvoer te leggen en door EU-middelen en financiering uit hoofde van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te investeren in opleidingen en banencreatie voor personen met een handicap;

85.

benadrukt dat afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, beroepsprofilering, gelijktijdig werken en leren, steun voor inwerken en opleiding, en mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling een belangrijke rol spelen om personen met een handicap te helpen betaald werk te krijgen en behouden;

86.

vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkt en werkomgevingen open, inclusief en toegankelijk zijn voor personen met een handicap, arbeidsbemiddelingsdiensten te ondersteunen en aan bewustmaking te doen over inclusieve arbeidsmethoden, passende stimulansen te geven en ondersteunende maatregelen te nemen voor bedrijven, in het bijzonder micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, die personen met een handicap aanwerven en opleiden, en ervoor te zorgen dat algemene regelingen voor zelfstandigen toegankelijk zijn voor en ondersteuning bieden aan personen met een handicap;

87.

vraagt de lidstaten aanpassingen op de werkplek aan te moedigen en maatregelen te nemen om de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren; verzoekt de Commissie in het komende strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk speciale aandacht te besteden aan werknemers met een handicap en ambitieuze doelen te stellen;

88.

vraagt de EU-instellingen en de lidstaten een quotaregeling voor personen met een handicap in te voeren om inclusieve werkplekken te bevorderen;

Overheidsopdrachten en EU-middelen

89.

herinnert eraan dat de aanbestedingsprocedures in de lidstaten moeten worden toegepast en afgerond op een wijze die de grondrechten van de begunstigden, met inbegrip van personen met een handicap, volledig eerbiedigt; wijst erop dat de lidstaten bij het toepassen van de wetgeving inzake overheidsopdrachten volledig moeten voldoen aan het Gehandicaptenverdrag, met name wat betreft de keuze van de communicatiemiddelen, de technische specificaties, de gunningscriteria en de voorwaarden voor de uitvoering van de opdracht;

90.

herinnert eraan dat goede openbare voorzieningen, met name op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, essentieel zijn om de gelijke behandeling van personen met een handicap te waarborgen, ongeacht hun economische situatie; verzoekt de lidstaten de EU-middelen te gebruiken om deze voorzieningen en de bijbehorende infrastructuur te verbeteren, overeenkomstig de geest van de initiatieven React-EU en NextGenerationEU;

91.

vraagt de Commissie en de lidstaten in de definitieve tekst van de partnerschapsovereenkomsten met betrekking tot de Europese structuur- en investeringsfondsen en in de programma’s van deze fondsen doelstellingen en benaderingen op te nemen om de levensomstandigheden van personen met een handicap te verbeteren, met inachtneming van de beginselen van toegankelijkheid en non-discriminatie, en te investeren in gelijke kansen en de participatie van personen met een handicap op alle gebieden van het leven, met inbegrip van steun voor de overgang van leven in een instelling naar leven in de gemeenschap; verzoekt de Commissie het gebruik van EU-middelen overeenkomstig het Gehandicaptenverdrag nauwlettend te monitoren; benadrukt dat de definities van toegankelijkheid, participatie en leven in de gemeenschap geleidelijk moeten worden geharmoniseerd om de samenhang tussen de lidstaten te versterken;

92.

verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de kansen die betreffende EU-fondsen bieden voor het scheppen van banen en opleidingen voor personen met een handicap, om ervoor te helpen zorgen dat openbare ruimten en infrastructuur volledig toegankelijk zijn en dat door de EU gefinancierde maatregelen ten goede komen aan personen met een handicap; betreurt dat de EU-middelen in een aantal lidstaten nog steeds worden gebruikt om nieuwe, gescheiden omgevingen voor personen met een handicap te bouwen;

93.

onderstreept dat de hulpmiddelen die personen met een handicap nodig hebben, adequaat moeten worden gefinancierd zodat zij in hun dagelijks leven, voor hun werk en bij hun maatschappelijke participatie kunnen beschikken over de beste beschikbare technologie en hulpmiddelen;

94.

benadrukt dat EU-middelen nooit mogen worden gebruikt voor de financiering van ontoegankelijke producten, diensten of infrastructuur;

95.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat programma’s en strategieën voor plattelandsontwikkeling specifieke maatregelen omvatten om personen met een handicap die op het platteland wonen, te bereiken en hen te betrekken bij de opstelling en de uitvoering van die programma’s en strategieën;

Digitalisering

96.

verzoekt de lidstaten de mogelijkheden en het potentieel van digitalisering en digitale oplossingen te onderzoeken en de waarde van ondersteunende en adaptieve technologieën voor personen met een handicap te erkennen, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en ethische overwegingen; herinnert eraan dat het potentieel van het gebruik van digitale hulpmiddelen en ondersteunende technologieën afhankelijk is van de mogelijkheden van personen met een handicap om hun digitale vaardigheden te ontwikkelen; benadrukt dat de ontwikkeling van de nodige digitale vaardigheden en kennis van AI kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, de kans op toegang tot de arbeidsmarkt kan geven;

97.

wijst erop dat de COVID-19-pandemie heeft laten zien dat de digitale transformatie ten goede moet komen aan de hele bevolking, zonder enige vorm van discriminatie of uitsluiting; benadrukt het belang van informatie- en communicatietechnologie (ICT) voor mobiliteit, communicatie en de toegang tot openbare diensten; verzoekt de lidstaten daarom de participatie van personen met een handicap actief te bevorderen door hun de nodige middelen ter beschikking te stellen om hun toegang tot online overheidsdiensten te waarborgen;

98.

vraagt de EU-instellingen de hoogste toegankelijkheidsnormen te hanteren voor hun infrastructuur, diensten en digitale diensten, alles in het werk te stellen om hun documenten over wetgevingsprocedures op een gebruiksvriendelijke en toegankelijke manier te verspreiden en ervoor te zorgen dat personen met een handicap naar behoren en volledig toegang hebben tot hun websites en contactformulieren; moedigt de lidstaten aan om programma’s te ontwikkelen voor de inclusie van personen met een handicap in de samenleving door middel van sport, kunst, cultuur en vrijetijdsactiviteiten, en ter bevordering van hun deelname aan het politieke proces zonder enige beperking;

Onderzoek

99.

verzoekt de Commissie verder onderzoek te verrichten naar de impact en de gezondheidsgerelateerde effecten van nieuwe technologieën op personen met een handicap, zoals het effect van ledverlichting op lichtgevoelige personen;

100.

wijst erop dat voor de ontwikkeling van passend en doeltreffend beleid dat beoogt een toegankelijke samenleving voor alle personen met een handicap in de EU te creëren, vergelijkbare en betrouwbare EU-gegevens nodig zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom meer werk te maken van een gemeenschappelijk kader van Europese statistieken over personen en huishoudens, teneinde betrouwbare statistieken en gegevens te verzamelen over de deelname van personen met een handicap aan de verschillende onderwijsniveaus en -types en aan arbeid en sociale activiteiten;

101.

benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in innovatie en onderzoek met betrekking tot de arbeidsparticipatie en ondernemerschap van personen met een handicap, teneinde hun financiële zelfredzaamheid en hun deelname aan het economisch en maatschappelijk leven te ondersteunen;

102.

benadrukt de behoefte aan meer onderzoek en innovatie op het gebied van toegankelijke technologie om de inclusiviteit van de arbeidsmarkten voor personen met een handicap te vergroten; benadrukt het belang van informatie- en communicatietechnologie voor personen met een handicap wat mobiliteit, communicatie en de toegang tot overheidsdiensten betreft;

Onderwijs

103.

is verheugd dat de lidstaten bereid zijn een inclusief onderwijsbeleid te voeren; verzoekt de lidstaten de capaciteit van hun onderwijsstelsels om alle lerenden kwalitatief hoogwaardig en toegankelijk onderwijs te bieden, verder te vergroten door specifieke maatregelen en gepersonaliseerde ondersteuning te bevorderen, zoals toegankelijke en op maat gesneden leerplannen en leermiddelen, toegankelijke ICT en passend digitaal onderwijs; verzoekt de Commissie de kindergarantie een grotere rol toe te bedelen bij het waarborgen van de gelijke behandeling van kinderen met een handicap, en een prijs voor toegankelijke scholen in overweging te nemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom te investeren in cursussen voor onderwijspersoneel over de behoeften van personen met een handicap; wijst er andermaal op dat de uitvoering en toewijzing van de betreffende financieringsprogramma’s van de EU moeten bijdragen aan de transitie naar inclusief onderwijs; benadrukt dat de toegang van personen met een handicap tot onderwijs moet worden gewaarborgd, ook tijdens crises zoals de COVID-19-pandemie, en dat de lidstaten alle vormen van discriminatie en uitsluiting op dit gebied moeten tegengaan; benadrukt dat de deelname van jongeren met een handicap aan opleidingen moet worden vergroot en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de behoeften van deze jongeren, zodat zij een betere toegang tot de arbeidsmarkt krijgen; wijst erop dat kinderen uit taalminderheden en kinderen met speciale onderwijsbehoeften er baat bij hebben om gedurende de eerste jaren onderwijs te krijgen in hun moedertaal als zij moeite hebben met taalgebruik en communicatie; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat kinderen met speciale onderwijsbehoeften toegang hebben tot onderwijs in minderheidstalen;

104.

wijst erop dat inclusief onderwijs en inclusieve beroepsopleidingsprogramma’s twee van de belangrijkste voorwaarden zijn voor een meer inclusieve arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de komende EU-aanpak van microcredentials voor levenslang leren en inzetbaarheid toegankelijk en inclusief is, en dat daarbij wordt nagedacht over manieren om de uitoefening van het recht van personen met een handicap op arbeid te verbeteren; verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de kansen die de verbeterde jongerengarantie biedt voor werkgelegenheid, onderwijs, stages of leerlingplaatsen voor jongeren met een handicap, en te zorgen voor gelijke toegang voor personen met een handicap en beleid op maat;

105.

benadrukt het belang van vroegtijdige, geïndividualiseerde en uitgebreide ondersteuning van kinderen met een handicap, hun ouders en hun verzorgers; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan kinderen met een handicap en speciale onderwijsbehoeften;

106.

vestigt de aandacht op het belang van vroegtijdige interventie en op het feit dat kinderen met een handicap vanaf de eerste levensfasen moeten deelnemen aan en worden betrokken bij de samenleving; wijst erop dat de financieringsmogelijkheden voor inclusief onderwijs, voor zover dit mogelijk en raadzaam is, moeten worden verruimd, zowel voor de bevordering van de invloed van inclusief onderwijs op kinderen met of zonder handicap als voor de financiering van onderzoek naar inclusief onderwijs; is van mening dat het gebruik van nieuwe technologieën moet worden aangemoedigd, met inbegrip van ICT, mobiliteits- en andere hulpmiddelen en technologieën die geschikt zijn voor personen met een handicap; benadrukt dat onderwijs van cruciaal belang is voor de individuele ontwikkeling en dat toegankelijke leeromgevingen voor personen met een handicap hun de mogelijkheid bieden een volwaardige bijdrage te leveren aan alle facetten van de samenleving;

107.

benadrukt dat personen met een handicap volledig moeten worden geïntegreerd op de arbeidsmarkt door het bevorderen van inclusief onderwijs en vormen van flexibele arbeid die aan hun behoeften kunnen tegemoetkomen (zoals telewerken of slim werken), en door gehandicaptenorganisaties volledig te betrekken bij de ontwikkeling van inclusieve strategieën;

108.

wijst erop dat personen met een handicap vaak vaardigheden en kwalificaties van een hoog niveau hebben die niet worden benut, waardoor zij zich niet kunnen ontplooien en de sociale en economische waarde van hun inclusie in de maatschappij onbenut blijft;

109.

is ervan overtuigd dat de lidstaten kinderen met een handicap passende ondersteuning moeten bieden om het openbaar onderwijs in staat te stellen de ruggengraat te worden van individuele leertrajecten;

110.

erkent het cruciale belang van onderwijs en sport bij het opgroeien en de ontwikkeling van kinderen met een handicap, in het bijzonder kinderen met autisme; betreurt dat die essentiële activiteiten hun zijn ontnomen door het afstandsonderwijs tijdens de pandemie; hoopt dat het onderwijs voor die kinderen prioriteit krijgt in het heropeningsbeleid van de lidstaten;

111.

stelt voor om projecten op te zetten om aan bewustmaking te doen over de behoeften van personen met een handicap en daarbij op positieve wijze gebruik te maken van culturele tools, bijvoorbeeld door culturele evenementen te bevorderen, in het kader van een bredere educatieve strategie om de rechten van personen met een handicap te bevorderen en te beschermen;

112.

verzoekt de lidstaten de richtsnoeren na te leven die de Commissie in haar mededeling “De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen” heeft geformuleerd met betrekking tot de verplichting van regeringen om inclusief onderwijs in alle onderwijs- en opleidingssectoren te bevorderen overeenkomstig de toezeggingen uit hoofde van het Gehandicaptenverdrag; vraagt dat in het nationale, Europese en regionale onderwijsbeleid een inclusief systeem wordt opgenomen dat het mogelijk maakt leerlingen met een handicap in het formeel onderwijs te integreren teneinde iedere vorm van discriminatie te vermijden;

Bescherming van de rechten van vrouwen met een handicap

113.

is ingenomen met de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 en de verwijzingen daarin naar de specifieke uitdagingen waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd; vraagt dat de intersectie van gender en handicap wordt geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen, programma’s en initiatieven van de EU en in de nationale actieplannen van de lidstaten; dringt aan op een optimaal gebruik van de bestaande en toekomstige financieringsinstrumenten van de EU om toegankelijkheid en non-discriminatie te bevorderen;

114.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap zich volledig kunnen ontplooien, vooruit kunnen komen en hun lot in eigen handen kunnen nemen, en hun deelname aan de openbare besluitvorming te bevorderen; wijst erop dat passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat ten volle rekening wordt gehouden met hun standpunten en dat, naast specifieke adviesorganen inzake handicaps, de participatie van organisaties die vrouwen met een handicap vertegenwoordigen wordt bevorderd;

115.

verzoekt de Commissie en de lidstaten het gendergerelateerd geweld waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd, dringend aan te pakken via het Verdrag van Istanbul en door de vormen van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, van het VWEU uit te breiden tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie dit als rechtsgrondslag te gebruiken om bindende maatregelen en een holistische EU-kaderrichtlijn voor te stellen om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie er via de strategie voor gendergelijkheid en de strategie voor de rechten van slachtoffers voor te zorgen dat de behoeften van vrouwen met een handicap in aanmerking worden genomen in initiatieven die ondersteuning bieden aan slachtoffers, en ervoor te zorgen dat slachtoffersteun wordt opgezet in overeenstemming met het beginsel van toegankelijkheid;

116.

betreurt de discriminatie op grond van geslacht die vrouwen en meisjes met fysieke of cognitieve handicaps ervaren in de medische sector; is van mening dat vrouwen en meisjes met een handicap volledige en gelijke toegang moeten hebben tot medische behandelingen die aan hun specifieke behoeften tegemoetkomen, via handicapspecifieke gezondheidszorg- en algemene diensten; verzoekt de lidstaten medisch personeel te laten bijscholen over de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes met een handicap, en ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een handicap alle passende informatie krijgen om hen in staat te stellen vrijelijk beslissingen te nemen over hun gezondheid;

117.

dringt aan op universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; betreurt dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen in sommige landen worden aangevallen, hetgeen bijzonder schadelijk is voor vrouwen en meisjes met een handicap, die met bijkomende belemmeringen worden geconfronteerd bij de toegang tot gezondheidszorg; benadrukt dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om gedwongen sterilisatie te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor overheidsinvesteringen om volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor vrouwen en meisjes met een handicap te waarborgen; betreurt dat meisjes met een handicap vaak geen seksuele voorlichting krijgen; dringt er bij de lidstaten op aan uitgebreide en inclusieve voorlichting over seksualiteit en relaties te verzekeren;

118.

vraagt de lidstaten te zorgen voor een toegankelijk en niet-stereotiep onderwijssysteem, met inclusieve maatregelen op het gebied van onderwijs die vrouwen en meisjes met een handicap voorbereiden op de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor digitale vaardigheden en een leven lang leren, en de vrije studiekeuze van meisjes en vrouwen met een handicap te garanderen, zodat zij een baan kunnen kiezen die aan hun wensen tegemoetkomt en waarin zij zich volledig kunnen ontplooien, en waar zij niet worden beperkt door ontoegankelijkheid, vooroordelen en stereotypen; erkent het verband tussen onderwijs en latere werkgelegenheid; benadrukt de noodzaak van volledige toegang tot onderwijs om de werkgelegenheidskloof te dichten;

119.

verzoekt de Commissie en de lidstaten iets te doen aan de arbeidsparticipatiekloof waarmee vrouwen met een handicap worden geconfronteerd, met name door genderstereotypen aan te pakken, hun deelname aan de digitale economie te versterken, hun vertegenwoordiging in onderwijs, opleiding en banen in STEM-vakken en -beroepen te vergroten en belemmeringen voor de arbeidsparticipatie zoals seksuele intimidatie te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap deelnemen aan de besluitvorming en gelijke beloning voor gelijk werk ontvangen via bindende loontransparantiemaatregelen, om hun hoge risico op armoede onder werkenden te beperken en om arbeidsregelingen zoals flexibele werkregelingen en ouderschapsverlof aan te passen aan hun specifieke behoeften; verzoekt de Commissie en de lidstaten om via het actieplan voor de sociale economie bedrijfsmodellen en initiatieven voor de sociale economie te ondersteunen die erop gericht zijn de sociale en arbeidsintegratie van vrouwen met een handicap te verbeteren;

120.

merkt op dat het verzamelen van meer gegevens en informatie van cruciaal belang is om inzicht te krijgen in de situatie van vrouwen en meisjes met een handicap; dringt aan op relevante, nauwkeurige en uitgesplitste gegevens waarin rekening wordt gehouden met gender en handicaps, om inzicht te krijgen in de uitdagingen waarmee vrouwen met een handicap, met name op de arbeidsmarkt, worden geconfronteerd;

o

o o

121.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Comité van de Regio’s, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Verenigde Naties.

(1)  PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.

(2)  PB C 340 van 15.12.2010, blz. 11.

(3)  PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14.

(4)  PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70.

(5)  PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1.

(6)  PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36.

(7)  PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

(8)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(9)  PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.

(10)  PB L 167 van 12.6.1998, blz. 25.

(11)  PB L 223 van 22.6.2021, blz. 14.

(12)  PB C 316 van 6.8.2021, blz. 2.

(13)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 8.

(14)  PB C 371 van 15.9.2021, blz. 6.

(15)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0161.

(16)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0075.

(17)  PB C 363 van 28.10.2020, blz. 164.

(18)  Inleidende opmerkingen van commissaris Dali van 3 maart 2021 over de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030.

(19)  Eurostat, “Functional and activity limitations statistics”, gegevens geraadpleegd in december 2020.

(20)  Eurostat, “Archive: Disability statistics — access to education and training”, geraadpleegd op 29 juli 2021.

(21)  Bijlagen van 17 december 2019 bij het voorstel voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020 (COM(2019)0653), blz. 89.

(22)  Eurostat, “Functional and activity limitations statistics”, geraadpleegd op 6 juli 2021.

(23)  Eurostat, “Disability: higher risk of poverty or social exclusion”, geraadpleegd op 6 juli 2021.

(24)  Eurostat, “European Union Statistics on Income and Living Conditions”, geraadpleegd op 2 juli 2021.

(25)  Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van vrouwen met een handicap.

(26)  Gendergelijkheidsindex 2020.

(27)  Resolutie van het Europees Parlement over de EU-strategie inzake handicaps post-2020.

(28)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(29)  Studie in opdracht van het Parlement van 1 oktober 2018 getiteld “2018 Update of the study on the protection role of the Committee on Petitions in the context of the implementation of the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities”.

(30)  Presentatie van de Commissie van 10 januari 2014 getiteld “Economic impact and travel patterns of accessible tourism in Europe: Presentation of the key study findings”.

(31)  Verzoekschriften nrs. 1140/2015, 0857/2016, 0535/2017, 1140/2015 en 0988/2020.

(32)  https://www.edf-feph.org/independent-living-and-de-institutionalisation-policy/


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/151


P9_TA(2021)0415

Bankenunie — jaarverslag 2020

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de bankenunie — jaarverslag 2020 (2020/2122(INI))

(2022/C 132/12)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over de bankenunie — jaarverslag 2019 (1),

gezien de feedback van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) over de resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de bankenunie — jaarverslag 2019,

gezien het jaarverslag van de ECB over haar toezichtsactiviteiten in 2020 van 23 maart 2021 (2),

gezien het jaarverslag van de ECB over haar toezichtsactiviteiten in 2019 van 19 maart 2020 (3),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken (4),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020 met aanbevelingen aan de Commissie over het digitaal geldwezen: opkomende risico’s in verband met cryptovaluta — uitdagingen inzake regelgeving en toezicht op het gebied van financiële diensten, instellingen en markten (5),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020 over de verdere ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie (KMU): de toegang tot kapitaalmarktfinanciering verbeteren, met name voor kmo’s, en de deelname van kleine beleggers bevorderen (6),

gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over het versterken van de internationale rol van de euro (7),

gezien zijn resolutie van 10 februari 2021 over de Europese Centrale Bank — jaarverslag 2020 (8),

gezien het verslag van de taskforce op hoog niveau van het Eurosysteem inzake digitaal centralebankgeld van oktober 2020 over een digitale euro (9),

gezien het verslag van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) van 9 oktober 2020 getiteld “The Use of Supervisory and Regulatory Technology by Authorities and Regulated Institutions — Market developments and financial stability implications” (Het gebruik van toezicht- en regelgevingstechnologie door overheden en gereguleerde instellingen — Marktontwikkelingen en gevolgen voor de financiële stabiliteit) (10),

gezien de brief van 22 juli 2020 van de voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Eurogroep,

gezien de reactie van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB)/Europees bankentoezicht van augustus 2020 op de openbare raadpleging van de Europese Commissie over een nieuwe strategie voor het digitale geldwezen in Europa/FinTech-actieplan (11),

gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015, getiteld “De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie”,

gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

gezien het kaderakkoord van 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie,

gezien de aanbeveling van de ECB van 15 december 2020 over dividenduitkeringen tijdens de COVID-19-pandemie (12),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2020 over de aanpak van niet-renderende leningen in de nasleep van de COVID-19-pandemie (COM(2020)0822),

gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico’s van oktober 2020, getiteld “EU Non-bank Financial Intermediation Risk Monitor 2020” (EU-risicomonitor voor niet-bancaire financiële bemiddeling) (13),

gezien het verslag van de EBA van december 2020, getiteld “Risk Assessment of the European Banking System” (Risicobeoordeling van het Europese bankenstelsel) (14),

gezien de studie “Regulatory sandboxes and innovation hubs for FinTech” (Testomgevingen voor regelgeving en innovatiehubs voor financiële technologie), die zijn directoraat-generaal Intern Beleid (15) in september 2020 heeft gepubliceerd,

gezien de verklaring waarover de Eurogroep overeenstemming heeft bereikt tijdens haar bijeenkomst van 30 november 2020,

gezien de verklaringen waarover de Eurotop tijdens zijn bijeenkomsten van 30 november en 11 december 2020 overeenstemming heeft bereikt,

gezien de verklaring van de Eurotop in inclusieve samenstelling van 11 december 2020 over de hervorming van het ESM en de vervroegde invoering van het achtervangmechanisme voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds,

gezien het door de EBA gepubliceerde driemaandelijkse risicodashboard voor het vierde kwartaal van 2020 (16),

gezien het verslag van de ECB van november 2020 over de financiële stabiliteit in de eurozone (Financial Stability Review),

gezien het monitoringverslag van november 2020 over risicobeperkingsindicatoren, dat gezamenlijk is opgesteld door de diensten van de Europese Commissie, de ECB en de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) (17),

gezien het verslag van het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten van maart 2021 over de risico’s en kwetsbaarheden van het financiële stelsel van de EU (18),

gezien het economisch jaarverslag 2020 van de Bank voor Internationale Betalingen,

gezien het ontwerpmemorandum van overeenstemming tussen de EU en het VK tot vaststelling van een kader voor regelgevingssamenwerking op het gebied van financiële diensten,

gezien de briefings van januari 2021, getiteld “Review of the bank crisis management and deposit insurance frameworks” (Evaluatie van de crisisbeheersings- en depositoverzekeringskaders bij banken) en “Banking Union: Postponed Basel III reforms” (Bankenunie: uitgestelde Bazel III-hervormingen), en van oktober 2020, getiteld “European Parliament’s Banking Union reports in 2015-2019” (Verslagen over de bankenunie van het Europees Parlement in de periode 2015-2019), gepubliceerd door de afdeling Ondersteuning economische governance van zijn directoraat-generaal Intern Beleid,

gezien de raadpleging van de Commissie over de evaluatie van het crisisbeheersings- en depositoverzekeringskader (19),

gezien het verslag van de GAR van maart 2020, getiteld “Expectations for banks” (Verwachtingen voor banken) (20),

gezien document nr. 251 van de Occasional Paper Series van de ECB, getiteld “Liquidity in resolution: comparing frameworks for liquidity provision across jurisdictions” (Liquide middelen bij afwikkeling: vergelijking van kaders voor liquiditeitsverschaffing in alle rechtsgebieden) (21),

gezien het voortgangsverslag van het Duitse voorzitterschap van 23 november 2020 over de versterking van de bankenunie (22),

gezien het voortgangsverslag van het Kroatische voorzitterschap van 29 mei 2020 over de versterking van de bankenunie (23),

gezien de toespraak van Elke König, de voorzitter van de GAR, van januari 2021, getiteld “The crisis management framework for banks in the EU: what can be done with small and medium-sized banks?” (Het crisisbeheersingskader voor banken in de EU: wat kan er met kleine en middelgrote banken worden gedaan?) (24),

gezien het eindverslag van de FSB van 1 april 2021 over de evaluatie van de effecten van hervormingen rond het “too-big-to-fail”-probleem (25),

gezien het blogbericht van Elke König, voorzitter van de GAR, over de aanpak van de GAR ten aanzien van minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL), rekening houdend met de gevolgen van COVID-19 (26), en gezien haar verschijning in de Commissie economische en monetaire zaken op 27 oktober 2020 (27),

gezien het blogbericht van Andrea Enria, voorzitter van de Raad van toezicht van de ECB, van 9 oktober 2020, getiteld “Fostering the cross-border integration of banking groups in the banking union” (Bevordering van de grensoverschrijdende integratie van bankgroepen in de bankenunie) (28),

gezien het verslag van de EBA over de aanpak van de bevoegde autoriteiten inzake het toezicht op banken bij de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (29),

gezien het actieplan van de Commissie “voor een alomvattend EU-beleid voor de preventie van witwassen en financieren van terrorisme” dat op 7 mei 2020 werd gepubliceerd,

gezien het verslag van de EBA over het toekomstige kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme in de EU (30),

gezien het blogbericht van de denktank Bruegel van 7 december 2020, getiteld “Can the gap in the Europe’s internal market for banking services be bridged?” (Kan de kloof in de Europese interne markt voor bankdiensten worden overbrugd?) (31),

gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer, getiteld “Afwikkelingsplanning in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme”, dat op 14 januari 2021 werd gepubliceerd,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0256/2021),

A.

overwegende dat de banksector over het algemeen veerkrachtig op de COVID-19-crisis heeft gereageerd, op basis van de herziening van de regelgeving die sinds de wereldwijde financiële crisis is doorgevoerd, gefaciliteerd door het Europees Single Rulebook en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme in de bankenunie, en ondersteund door buitengewone steun- en kapitaalconserveringsmaatregelen van overheidswege;

B.

overwegende dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond dat een sterke banksector, samen met geïntegreerde kapitaalmarkten, van essentieel belang is voor het herstel van de Europese economie;

C.

overwegende dat de bankenunie, met het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), volledige afstemming tussen toezicht en het beheer van een bankencrisis waarborgt;

D.

overwegende dat voor een stabielere en convergente economische en monetaire unie met een beter concurrentievermogen een solide bankenunie met een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) en een meer ontwikkelde en veilige kapitaalmarktenunie (KMU) vereist is, hetgeen ook zou bijdragen tot het internationale beeld van de euro en tot een belangrijkere rol van de euro op de wereldmarkten;

E.

overwegende dat de bankenunie openstaat voor alle EU-lidstaten; overwegende dat Bulgarije en Kroatië zich hebben aangesloten bij het Europese wisselkoersmechanisme (ERM II) en zijn toegetreden tot de bankenunie;

F.

overwegende dat de bankenunie met haar twee bestaande pijlers moet worden voltooid, met name het Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) moet worden ingesteld, en dat dit een prioriteit blijft; overwegende dat gerichte hervormingen op het gebied van afwikkeling en depositoverzekering moeten bijdragen aan een grotere robuustheid van het bankwezen en algemene financiële stabiliteit moeten waarborgen;

G.

overwegende dat zowel de ECB als de GAR aandringen op de snelle voltooiing van de bankenunie, met name door de instelling van het EDIS;

H.

overwegende dat het gemeenschappelijk budgettair vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) uiterlijk in 2022 wordt ingevoerd, twee jaar eerder dan gepland, en dat dit een gemeenschappelijk systeembreed vangnet zal bieden voor banken in afwikkeling;

I.

overwegende dat het bankwezen in de EU vóór de COVID-19-crisis werd gekenmerkt door structurele inefficiëntie, in de vorm van een lage rendabiliteit, verminderde kostenefficiëntie, lage rentetarieven, overcapaciteit en onzekerheid ten aanzien van de duurzaamheid van bedrijfsmodellen; overwegende dat sommige problemen nog steeds onvoldoende worden aangepakt;

J.

overwegende dat, ondanks de algemene vermindering van het aantal niet-renderende leningen in de afgelopen jaren, meer inspanningen nodig zijn om het aanhoudende hoge aantal niet-renderende leningen in sommige financiële instellingen terug te dringen;

K.

overwegende dat de tekortkomingen die tijdens de COVID-19-crisis zijn vastgesteld, in aanmerking moeten worden genomen bij de herziening van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering en bij de verdere integratie van het bankwezen; overwegende dat aandacht voor de lessen die zijn getrokken uit de pandemie de weg kan effenen voor een betere kostenefficiëntie en duurzamere bedrijfsmodellen;

L.

overwegende dat de link tussen banken en staten nog altijd bestaat en het regelgevingskader van de EU inzake de prudentiële behandeling van staatsschulden moet stroken met de internationale norm; overwegende dat het niveau van blootstelling aan staatsschulden in een aantal banken is toegenomen; overwegende dat er een zekere nationale manoeuvreerruimte binnen het prudentiële wetgevingskader blijft bestaan, waardoor de Europese dimensie van de bankenunie wordt ondermijnd;

M.

overwegende dat klimaatverandering, milieubederf en de overgang naar een koolstofarme economie factoren zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de duurzaamheid van de balansen van banken, aangezien deze factoren mogelijk in verschillende regio’s en sectoren invloed kunnen hebben op investeringen; overwegende dat geavanceerde risicomodellen reeds veel van de risico’s in verband met klimaatverandering in kaart moeten brengen;

N.

overwegende dat de ECB in het kader van haar project inzake de gerichte toetsing van interne modellen heeft vastgesteld dat onder toezicht staande instellingen interne modellen, die zijn onderworpen aan toezichtsmaatregelen, kunnen blijven gebruiken;

O.

overwegende dat de drijfkracht van een technologische transformatie is toegenomen, wat de efficiëntie van banken en hun streven naar innovatie vergroot, maar hen tegelijkertijd blootstelt aan de nieuwe risico’s en uitdagingen van het digitale geldwezen op het vlak van cyberbeveiliging, reputatierisico’s, gegevensbescherming, witwasrisico’s en consumentenbescherming;

P.

overwegende dat de bescherming van consumenten en investeerders van het allergrootste belang is voor de versterking van de kapitaalmarktenunie, en dat strenge EU-regels inzake consumentenbescherming die hiervoor een sterke basis vormen, noodzakelijk zijn; overwegende dat de nationale regels ter uitvoering van de Europese eisen inzake consumentenbescherming in de bankenunie uiteenlopen, hetgeen wijst op de noodzaak van harmonisatie; overwegende dat de bankenunie nog steeds niet beschikt over doeltreffende instrumenten om de problemen aan te pakken waarmee consumenten worden geconfronteerd, zoals kunstmatige complexiteit, oneerlijke handelspraktijken, uitsluiting van kwetsbare bevolkingsgroepen van het gebruik van basisdiensten en de beperkte betrokkenheid van overheidsinstanties;

Q.

overwegende dat een verdere versterking en harmonisatie van het prudentiële toezicht en de prudentiële handhaving van de EU en het toezicht en de handhaving van de EU met betrekking tot witwaspraktijken noodzakelijk zijn om de integriteit van het financiële stelsel van de EU te beschermen en een prioriteit zijn;

R.

overwegende dat goede mondiale normen en beginselen belangrijk zijn voor de prudentiële regulering van banken; overwegende dat de normen van het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) tijdig en met voldoende inachtneming van de doelstellingen ervan moeten worden omgezet in Europees recht, waarbij in voorkomend geval naar behoren rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het Europese bankenstelsel en met het evenredigheidsbeginsel;

S.

overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU heeft geleid tot de verplaatsing van sommige bankdiensten naar de EU; overwegende dat het GTM een cruciale sturende en toezichthoudende rol heeft gespeeld door middel van zijn systematische richtsnoeren op het gebied van paraatheid en zijn coördinatie met belangrijke banken inzake hun operationele modellen; overwegende dat op middellange en lange termijn duidelijk zal worden of het bankwezen doeltreffend voorbereid is op de nieuwe realiteit;

T.

overwegende dat de EU en het VK zich momenteel ertoe verbonden hebben de samenwerking op het gebied van regelgeving en toezicht inzake financiële diensten te handhaven; overwegende dat deze op samenwerking gebaseerde aanpak langdurige betrekkingen tussen de EU en het VK moet ondersteunen;

U.

overwegende dat het huidige kader voor crisisbeheer niet zorgt voor een consistente aanpak bij het oplossen van de problemen van noodlijdende banken in de lidstaten, onder meer als gevolg van een verschillende interpretatie van de beoordeling van het algemeen belang door de GAR en nationale afwikkelingsautoriteiten, de beschikbaarheid in het kader van nationale insolventieprocedures van instrumenten die vergelijkbaar zijn met de afwikkelingsinstrumenten in het kader van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (32) en de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (33), en slecht afgestemde prikkels bij de keuze van een oplossing voor het aanpakken van het faillissement van een bank als gevolg van de verschillende voorwaarden voor toegang tot de voor afwikkeling en insolventie beschikbare financieringsbronnen;

V.

overwegende dat het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering moet zorgen voor een consistente en efficiënte aanpak voor alle banken, ongeacht hun omvang of bedrijfsmodel, en ertoe moet bijdragen de financiële stabiliteit te beschermen, het gebruik van belastinggeld tot een minimum te beperken en een gelijk speelveld in de hele EU te waarborgen, waarbij tegelijkertijd rekening moet worden gehouden met het subsidiariteitsbeginsel;

W.

overwegende dat de toezicht- en afwikkelingsvoorschriften en het afwikkelingsfonds gecentraliseerd zijn, terwijl de depositogarantiestelsels nationaal blijven en van lidstaat tot lidstaat verschillen; overwegende dat in de bepalingen van de richtlijn depositogarantiestelsels (34) wordt voorzien in minimale basismaatregelen voor de bescherming van deposanten; overwegende dat deposanten, wanneer een EDIS wordt ingesteld, echter in de hele bankenunie hetzelfde niveau van bescherming moeten genieten;

Algemene overwegingen

1.

is ingenomen met de toetreding van Bulgarije en Kroatië tot de bankenunie en de opname van de Bulgaarse lev en de Kroatische kuna in WKM II; neemt kennis van de besluiten van de ECB om een nauwe samenwerking met de Bulgaarse Nationale Bank en de Kroatische Nationale Bank tot stand te brengen; beklemtoont dat de Nationale Bank van Bulgarije en de Nationale Bank van Kroatië naar behoren zijn vertegenwoordigd in de raad van toezicht van de ECB en de plenaire vergadering en de uitgebreide bestuursvergaderingen van de GAR met dezelfde rechten en plichten als alle andere leden, met inbegrip van stemrechten;

2.

benadrukt dat deelname aan het WKM en de bankenunie onlosmakelijk verbonden is met de respectieve EU-normen en -wetgeving; spoort Bulgarije en Kroatië aan ook aanzienlijke vooruitgang te boeken bij de bestrijding van witwaspraktijken en financiële criminaliteit; herinnert eraan dat vóór de toetreding tot de gemeenschappelijke munt een alomvattende beoordeling van het bankwezen, met inbegrip van minder belangrijke instellingen, moet worden uitgevoerd;

3.

is ingenomen met de gesprekken in Denemarken en Zweden over een mogelijke toetreding tot de bankenunie en wijst erop dat samenwerking tussen nationale toezichthouders van het grootste belang is, met name met betrekking tot grensoverschrijdende activiteiten; beklemtoont het belang van het behouden van reeds bestaande en goed functionerende bedrijfsmodellen op het gebied van financiële stabiliteit;

4.

wijst erop dat de bankenunie, via het GTM en het GAM, de institutionele structuur voor een grotere marktintegratie heeft gecreëerd, maar dat er over het EDIS, de derde pijler van de bankenunie, nog steeds geen beslissing is genomen; is ingenomen met de mogelijke herziening van het afwikkelingskader en steunt de huidige ideeën over een verdere gerichte harmonisatie van insolventiewetten, teneinde de efficiëntie en samenhang van het crisisbeheer van banken in de EU te vergroten, en over de voltooiing van de derde pijler van de bankenunie door middel van een depositoverzekeringsstelsel dat erop gericht is het niveau van depositobescherming te verhogen en tegelijkertijd het moreel risico tot een minimum te beperken, de band tussen banken en overheden te verkleinen en gelijke bescherming voor alle deposanten in de bankenunie te waarborgen;

5.

neemt kennis van de verklaring van de Eurotop van 11 december 2020 waarin de Eurogroep wordt verzocht om op basis van consensus een stapsgewijs en tijdgebonden werkplan voor te bereiden met betrekking tot alle zaken die nog moeten worden afgehandeld om de bankenunie te voltooien; betreurt dat de lidstaten buiten de communautaire kaderregeling blijven handelen en daarmee de rol van het Parlement als medewetgever ondermijnen; verzoekt op de hoogte te worden gehouden van de lopende besprekingen over het EDIS op het niveau van de Eurogroep en de werkgroep op hoog niveau; herhaalt zijn verzoek om nauwere samenwerking met de voorzitter van de Eurogroep, met name door de economische dialogen met de voorzitter van de Eurogroep vaker te laten plaatsvinden, in navolging van het model en de frequentie van de monetaire dialogen;

6.

is van mening dat de banken veerkrachtiger op de huidige crisis hebben kunnen reageren omdat zij beter gekapitaliseerd waren, met minder hefboomwerking, dan tien jaar geleden, hetgeen een weergave is van de positieve effecten van de tot stand gebrachte institutionele structuur en van de hervormingen van de regelgeving na de financiële crisis van 2008; is desalniettemin van mening dat de banksector wordt gekenmerkt door een aantal structurele onvolkomenheden, die nog kunnen worden verergerd door de huidige crisis; uit met name zijn bezorgdheid over het grote aantal geërfde niet-renderende blootstellingen die veel instellingen voor de pandemie reeds hadden; wijst erop dat het aantal niet-renderende leningen sinds de oprichting van de bankenunie aanzienlijk is afgenomen en dat de neerwaartse trend in het aantal niet-renderende leningen zich ondanks de COVID-19-crisis in 2020 heeft voortgezet; is van mening dat de verslechterde kwaliteit van de activa van banken van invloed kan zijn op de reeds gematigde winstgevendheid, wat kan leiden tot insolventiezaken voor banken die sterk verbonden zijn met de zwaarst getroffen economische sectoren;

7.

merkt op dat de voltooiing van de bankenunie en de verdieping van de kapitaalmarktenunie voor betere omstandigheden zullen zorgen voor de financiering van de Europese economie, zowel voor huishoudens als voor ondernemingen die nog steeds grotendeels afhankelijk zijn van bankkredieten om investeringen en het scheppen van banen te bevorderen, het concurrentievermogen van de Europese markten verder te versterken en duurzame particuliere investeringen te bevorderen; benadrukt het stabiliserend effect dat kleine en middelgrote banken in crisissituaties hebben op de economie van de EU; acht het noodzakelijk om bij de ontwikkelingen op regelgevingsgebied een evenredige aanpak te volgen om de bankenunie en de kapitaalmarktenunie te voltooien;

8.

merkt op dat een volwaardige bankenunie, samen met een volledig geïntegreerde en sterke kapitaalmarktenunie, zou bijdragen aan de veerkracht van de Europese economie, de werking van de economische en monetaire unie zou ondersteunen en de internationale rol van de euro zou versterken; benadrukt het belang van een gelijk speelveld dat verhindert dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) worden benadeeld wat betreft toegang tot financiering, en de noodzaak nauwlettend toezicht te houden op de uitgifte van gesecuritiseerde producten; is van mening dat de volledige last van het herstel van de crisis niet op de schouders van de banken mag worden gelegd, maar dat een sterke kapitaalmarktenunie moet worden bevorderd die bijdraagt tot de heropleving en het veerkrachtige herstel van de Europese economie; beklemtoont dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit een drijfkracht kan zijn om de bankenunie te voltooien, aangezien de banksector een cruciale rol speelt bij het verstrekken van toegang tot krediet en het kanaliseren van de beschikbare financiering naar de reële economie, met name naar duurzame en sociaal verantwoorde investeringen; beklemtoont de rol van particuliere financiering en investeringen, naast overheidsinvesteringen, bij de ondersteuning van de klimaattransitie, zoals werd vastgesteld in het investeringsplan voor een duurzaam Europa; verzoekt de Commissie verdere inspanningen te leveren om de activiteiten op de financiële markten beter af te stemmen op duurzaamheidsdoelstellingen en ecologische, sociale en governancecriteria (ESG-criteria), met inbegrip van een wetgevingsvoorstel inzake de ontwikkeling van duurzaamheidsbeoordelingen op basis van die criteria; verzoekt de Commissie haar inspanningen op het gebied van duurzame financiering voort te zetten door de overblijvende gedelegeerde handelingen van de EU-taxonomieverordening (35) en de verordening informatieverschaffing (36) goed te keuren en, onder meer, een robuuste methodologie op basis van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” toe te passen;

9.

is van mening dat de goede relatie tussen het GTM en de GAR weliswaar vanaf de invoering van het systeem van fundamenteel belang is geweest, maar dat een versterkte aanpak van de samenwerking tussen de twee pijlers in de huidige context van bijzonder belang is om een gepast en tijdig optreden te waarborgen;

10.

benadrukt de essentiële bijdrage van tijdelijke maatregelen zoals overheidsgarantieregelingen, moratoria op de terugbetaling van leningen voor kredietnemers in financiële moeilijkheden, de liquiditeitsprogramma’s van de centrale banken en de gerichte langerlopende herfinancieringstransacties, het activa-aankoopprogramma en het pandemie-noodaankoopprogramma (PEPP) van de ECB bij de aanpak van de crisis; onderstreept dat deze buitengewone tijdelijke maatregelen gepaard moeten gaan met maatregelen om een verstorende invloed op de markten en de economie te beperken; beklemtoont voorts het belang van de flexibiliteit die regulatoren hebben geboden aan banken om hen in staat te stellen onder de pijler 2-richtsnoeren en met verminderde kapitaalvereisten te werken;

11.

beklemtoont het uitzonderlijke karakter van een pandemie en het tijdelijke karakter van de hulpmaatregelen die worden genomen als eerste inperkingsmaatregelen om de economische schade te beperken; merkt op dat economische steunmaatregelen afgestemd moeten blijven op de huidige en verwachte economische omstandigheden; dringt aan op een zorgvuldig voorbereide, geleidelijke en gerichte verschuiving van hulp bij pandemieën naar instrumenten ter ondersteuning van het herstel, waaronder hervormingen in de lidstaten door middel van herstel- en hervormingsplannen, aangezien een vroege of ongecoördineerde intrekking van de tijdelijke maatregelen ertoe zou kunnen leiden dat de tekortkomingen en kwetsbaarheden van de banksector van voor de crisis, met inbegrip van een toegenomen blootstelling van banken aan kredietrisico’s, met mogelijk gevolgen voor hun kapitaalposities, en hetgeen mogelijk de groei en het resultaat van het herstel ondermijnt, opnieuw hun opwachting maken;

12.

is ingenomen met de gerichte wijzigingen van de verordening kapitaalvereisten (VKV) die zijn ingevoerd als onderdeel van de “VKV snelle oplossingen” om de kredietverleningscapaciteit van banken aan huishoudens en bedrijven te ondersteunen (37) en zo de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie te beperken en te zorgen voor een vlotte wisselwerking tussen het regelgevingskader en andere maatregelen voor de aanpak van de crisis;

13.

merkt op dat het GTM in december 2020 een verklaring heeft gepubliceerd waarin het zijn eerdere aanbeveling over de uitbetaling van dividenden en de terugkoop van aandelen wijzigt en waarin wordt aanbevolen dat banken die voornemens zijn dividenden uit te betalen of aandelen terug te kopen winstgevend moeten zijn en solide kapitaaltrajecten moeten volgen; verzoekt het GTM een raming te verschaffen van de winstuitkeringen (dividenden en terugkoop van aandelen) en van de variabele beloning door de onder zijn bevoegdheid vallende bankinstellingen in het eerste en tweede trimester van 2021 en de gevolgen daarvan voor de kapitaalpositie van de banken te beoordelen; verzoekt het GTM te beoordelen of de beperkingen op winstuitkering tot na september 2021 nuttig kunnen zijn zo lang er fundamentele onzekerheden bestaan over het economisch herstel en de kwaliteit van de activa van banken; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar een juridisch bindend instrument voor dividenden en de terugkoop van aandelen als toezichtsinstrument in tijden van crisis;

14.

verzoekt de Commissie en de nationale en Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) zich op de verwachte verslechtering van de kwaliteit van activa van banken voor te bereiden; is ingenomen met het eerste gezamenlijke risicobeoordelingsverslag van de ETA’s van maart 2021, waarin banken worden geadviseerd om zich voor te bereiden door voorzieningsmodellen aan te passen om de tijdige erkenning van toereikende voorzieningsniveaus te waarborgen door goede kredietverleningspraktijken en toereikende risicowaardering te garanderen, waarbij in gedachten wordt gehouden dat steunmaatregelen van de overheid zoals moratoria op leningen en overheidsgarantieregelingen aflopen, en door conservatief beleid te voeren met betrekking tot dividenden en de terugkoop van aandelen; neemt kennis van de waarschuwing van de ETA’s aan het adres van de financiële instellingen om verdere maatregelen te nemen voor de aanpassing aan een klimaat met intrestvoeten die lange tijd laag blijven;

15.

neemt met bezorgdheid kennis van de heterogene toepassing door instellingen van de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS 9) met betrekking tot de voorzieningen voor verliezen, die tijdens de COVID-19-pandemie aan het licht is gekomen; verzoekt het GTM maatregelen te nemen om de consequente toepassing van rapportagenormen door alle instellingen in de bankenunie te waarborgen;

16.

is van mening dat een geïntegreerde bankenunie moet zijn gestoeld op een goed functionerende interne markt voor financiële retaildiensten; verzoekt de Commissie een beoordeling te maken van de obstakels en belemmeringen waarmee consumenten worden geconfronteerd wanneer zij op grensoverschrijdende basis gebruikmaken van retailbankproducten, zoals hypothecaire leningen, en oplossingen voor te stellen om te garanderen dat consumenten over de grenzen heen kunnen profiteren van financiële retaildiensten; wijst bovendien op de grote verschillen in hypotheekrentes binnen de Unie;

17.

is ingenomen met de versnelde digitalisering in de banksector, die banken in staat stelt hun klanten beter op afstand te bedienen en nieuwe producten aan te bieden, en die kansen biedt voor grotere kostenefficiëntie; benadrukt in dit verband dat de digitalisering in de banksector moet worden nagestreefd met volledige eerbiediging van de consumentenrechten en dat financiële inclusie moet worden behouden, met name voor kwetsbare groepen met een laag niveau van digitale of financiële geletterdheid; beklemtoont dat voor digitalisering aanzienlijke investeringen in IT-systemen, O&O en nieuwe operationele modellen nodig zijn, wat op de korte termijn tot een lagere winstgevendheid kan leiden; is groot voorstander van de nieuwe strategie voor het digitale geldwezen van de Commissie en is ingenomen met het in 2020 door de Commissie gelanceerde pakket digitaal geldwezen, dat de opschaling van innovatieve technologie over de grenzen heen zal vergemakkelijken en tegelijkertijd de veerkracht van de financiële sector zal waarborgen; kijkt uit naar de verdere ontwikkeling van de voorstellen voor een verordening en een richtlijn betreffende digitale operationele veerkracht voor de financiële sector (DORA), die ervoor zullen zorgen dat financiële instellingen passende waarborgen treffen om de gevolgen van ICT-gerelateerde incidenten te beperken; is van mening dat de succesvolle tenuitvoerlegging van deze verordening en richtlijn zal zorgen voor aanzienlijke overheids- en private investeringen en voor samenwerking op het gebied van innovatie met het oog op veiligere systemen met meer veerkracht; is van mening dat de digitalisering van de Europese banksector een kans is voor de Unie om buitenlands kapitaal aan te trekken en op de wereldmarkt te concurreren; wijst in dit verband op de toenemende verwevenheid tussen banken, cryptoactiva en digitale financiering;

18.

beklemtoont dat het belangrijk is dat op het gebied van regelgeving en toezicht technologische neutraliteit wordt gewaarborgd; beklemtoont dat het nodig is de uitdagingen en kansen aan te pakken die voortvloeien uit het gebruik van nieuwe, innovatieve technologieën op het gebied van bankentoezicht en toezicht op betalingssystemen;

19.

is ingenomen met de werkzaamheden van de ECB met betrekking tot de digitale euro, met inbegrip van haar verslag over dit onderwerp en de resultaten van haar openbare raadpleging; wijst erop dat de gevolgen voor de banksector, afhankelijk van het precieze ontwerp van een digitale euro, aanzienlijk kunnen zijn, met gevolgen voor onder andere betalingen, het vermogen van banken om looptijdtransformatie door te voeren en de algehele kredietverleningscapaciteit en winstgevendheid, en verzoekt de ECB daarom de implicaties van een digitale valuta voor de banksector en de mogelijke implicaties voor de financiële stabiliteit verder te analyseren; is ingenomen met de doelstelling om de digitale euro naast contant geld te gebruiken als een veilig en concurrerend digitaal betaalmiddel, en erkent de potentiële voordelen voor de burgers; ondersteunt de inspanningen van de ECB om een hoog niveau van privacy, gegevensbescherming, vertrouwelijkheid van betalingsgegegevens, cyberveerkracht en veiligheid te waarborgen; neemt kennis van de discussie over een digitale munt en erkent de toegevoegde waarde die een digitale valuta kan bieden bij het versterken van de internationale rol van de euro;

20.

neemt kennis van het feit dat de groep van presidenten van centrale banken en banktoezichthouders (Group of Central Bank Governors and Heads of Supervision — GHOS) in maart 2020 het tijdsschema voor de tenuitvoerlegging van de laatste elementen van het Bazel III-kader heeft herzien om de operationele capaciteit van banken en toezichthouders om te reageren op de onmiddellijke gevolgen van de COVID-19-pandemie te vergroten; beklemtoont het belang van goede mondiale normen voor de regelgeving voor banken en van de consistente en tijdige uitvoering ervan; kijkt uit naar het komende voorstel van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de definitieve Bazel III-normen; herinnert eraan dat bij de tenuitvoerlegging rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en waar nodig de specifieke kenmerken en diversiteit van de bankensector in de EU moet worden geëerbiedigd, en er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat de EU-verordening kapitaalvereisten in overeenstemming is met Bazel; benadrukt dat bij de huidige herziening het beginsel in acht moet worden genomen dat de totale kapitaalvereisten niet aanzienlijk worden verhoogd, en dat tegelijkertijd de financiële positie van Europese banken in het algemeen moet worden versterkt; herinnert aan zijn resolutie van 23 november 2016 over de afronding van Bazel III (38) en verzoekt de Commissie bij het opstellen van de wetgevingsvoorstellen gevolg te geven aan de daarin vervatte aanbevelingen; verzoekt de Commissie maatregelen in te voeren om de kredietverlening van banken aan de reële economie, met name aan kmo’s, te vergroten en het herstel en de digitale en ecologische transitie in Europa te financieren; benadrukt dat de EU, als zij haar economische soevereiniteit en strategische autonomie wil behouden, sterke en competitieve Europese banken nodig heeft om massale bankdiensten te kunnen aanbieden aan bedrijven van iedere omvang;

21.

benadrukt dat er sprake is van een aanzienlijke verwevenheid tussen de sector niet-bancaire financiële bemiddeling, en de “traditionele” banksector, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over systeemrisico’s gezien het gebrek aan passende regelgeving en passend toezicht op de eerste sector; beklemtoont dat de recente schok door de pandemie heeft aangetoond dat de niet-bancaire sector een versterkend effect kan hebben op de marktvolatiliteit en de ontwrichting van prijzen, met name wanneer de liquiditeit van de markt onder druk komt te staan; verzoekt de Commissie na te gaan of aanvullende macroprudentiële instrumenten nodig zijn, dat wil zeggen de ex ante-ontwikkeling van instrumenten voor liquiditeitsbeheer en een zorgvuldige analyse van bestaande hefboommaatregelen;

22.

neemt kennis van de onderlinge afhankelijkheid tussen banken en centrale tegenpartijen (CTP’s); wijst op de twijfels die ontstaan in verband met de verantwoordelijkheid van banken en CTP’s voor mogelijke verliezen wanneer alle financiële waarborgen zijn uitgeput en de gevolgen van deze verantwoordelijkheid voor de prudentiële vereisten van banken; wijst in dit verband op de risico’s van een buitensporige afhankelijkheid van Britse CTP’s en is ingenomen met de maatregelen die de Commissie het afgelopen jaar heeft genomen om de criteria voor de classificatie van CTP’s uit derde landen vast te stellen;

23.

betreurt het gebrek aan een volledig genderevenwicht in de financiële instellingen en organen van de EU, en met name het feit dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies in de banksector en de sector van de financiële dienstverlening; wijst erop dat een genderevenwicht in de raden van bestuur en op de werkvloer zowel maatschappelijke als economische voordelen oplevert; is van mening dat de selectie van kandidaten voor de financiële instellingen en organen van de EU moet geschieden op basis van verdienste en bekwaamheid en met het oog op een zo doeltreffend mogelijke werking van de betrokken instelling of het betrokken orgaan; verzoekt regeringen en alle instellingen en organen zo spoedig mogelijk prioriteit te geven aan het bereiken van een volledig genderevenwicht, onder meer door te voorzien in genderevenwichtige shortlists van kandidaten voor alle toekomstige benoemingen waarvoor de goedkeuring van het Parlement vereist is, ook bij de ECB en de belangrijkste financiële instellingen van de EU, waarbij ernaar wordt gestreefd ten minste één vrouwelijke en één mannelijke kandidaat per benoemingsprocedure in de shortlist op te nemen; herinnert aan zijn resolutie van 14 maart 2019 (39), die erop is gericht een genderevenwicht te waarborgen in de toekomstige lijst van kandidaten voor economische en monetaire aangelegenheden in de EU en herhaalt zijn voornemen om de lijsten van kandidaten waarbij het beginsel van genderevenwicht niet is nageleefd, niet in aanmerking te nemen;

24.

verzoekt de Commissie de selectiecriteria te herzien teneinde een groter aantal kandidaturen van vrouwen aan te trekken;

Toezicht

25.

erkent de rol die het Europees bankentoezicht speelt bij het verschaffen van tijdelijke verlichting aan banken op het gebied van kapitaal en op operationeel gebied als reactie op de COVID-19-pandemie, zodat banken financiële ondersteuning kunnen blijven bieden aan bedrijven en huishoudens en verliezen kunnen absorberen, en daarbij tegelijkertijd de hoge kwaliteit van het toezicht behoudt; neemt kennis van de bezorgdheid van het GTM over de hoge kosten, de lage winstgevendheid, de geslonken marktwaarderingen en de ontoereikende investeringen in nieuwe technologieën in de banksector; pleit voor richtsnoeren met betrekking tot de aanpak van het opnieuw opbouwen van die buffers en het verwachte tijdsschema hiervoor;

26.

beklemtoont dat het belangrijk is de transparantie en voorspelbaarheid van het EU-bankentoezicht te verbeteren en prijst in dat verband de recente praktijk waarbij bankspecifieke pijler 2-vereisten worden gepubliceerd; is van mening dat individuele vereisten de verwachtingen van het GTM betrouwbaarder maken en op meer kennis van zaken gebaseerde investeringsbeslissingen mogelijk maken;

27.

verwacht dat recente wijzigingen van de organisatiestructuur van het GTM het systeem zullen vereenvoudigen en technologische innovatie zullen integreren, en een meer op risico’s gebaseerd toezicht en interne institutionele samenwerking mogelijk zullen maken;

28.

wijst op het nut van de analyse van het GTM van november 2020 inzake de mogelijke kwetsbaarheden van de banksector in verschillende scenario’s, waarin wordt gekeken naar de gevolgen van de schok voor de kwaliteit van de activa en het kapitaal;

29.

merkt op dat een goed beheer van het kredietrisico een van de kernprioriteiten van het GTM moet blijven; deelt de bezorgdheid van het GTM dat banken hun kredietrisicomodellen zouden kunnen wijzigen en neemt in dat verband kennis van de toezichtsverwachtingen van het GTM met betrekking tot gepaste operationele voorbereidingen op de toename van het aantal niet-renderende leningen en met betrekking tot robuust beheer van het kredietrisico, zoals omschreven in zijn brieven aan de directeuren van belangrijke instellingen en in zijn COVID-19-kredietrisicostrategie; schaart zich achter het toegenomen GTM-toezicht op markten met een grote hefboomwerking; merkt op dat niet alle banken erin zijn geslaagd te voldoen aan de verwachtingen van het GTM voor kredietrisicobeheer, wat betekent dat verdere inspanningen vereist zijn;

30.

erkent dat de COVID-19-crisis het risico vergroot dat het aantal niet-renderende leningen verder toeneemt; neemt met bezorgdheid kennis van de voorspelling van de ECB dat de niet-renderende leningen in een ernstig maar plausibel scenario tegen eind 2022 zouden kunnen oplopen tot 1,4 biljoen EUR; benadrukt dat het waarborgen van een goed en tijdig beheer van de verslechterde kwaliteit van de activa op de balansen van de banken van cruciaal belang zal zijn om te voorkomen dat op korte termijn niet-renderende leningen worden opgebouwd; adviseert de lidstaten om verdere inspanningen te leveren om dit probleem aan te pakken; wijst in dit verband op de mededeling van de Commissie van 16 december 2020 over de aanpak van niet-renderende leningen in de nasleep van de COVID-19-pandemie (COM(2020)0822) om banken in staat te stellen huishoudens en bedrijven in de EU te steunen; verwacht dat de herziening van de richtlijn consumentenkrediet (40) een hoog niveau van consumentenbescherming zal waarborgen, namelijk door hier meer ambitieuze bepalingen in op te nemen inzake de bescherming van kredietnemers tegen wanpraktijken en door ervoor te zorgen dat die rechten zowel op bestaande als op toekomstige leningen van toepassing zijn; pleit voor het monitoren van alle potentiële cliff-effecten, met name op het moment dat tijdelijke hulpmaatregelen worden ingetrokken; verzoekt toezichthouders gedegen rekening te blijven houden met de neveneffecten die verkopen van grote omvang van niet-renderende leningen kunnen hebben op de prudentiële balans van banken die interne modellen gebruiken;

31.

beklemtoont dat banken de toepasselijke prudentiële regels en toezichtsrichtsnoeren met betrekking tot niet-renderende leningen moeten naleven en operationele capaciteit moeten behouden om noodlijdende debiteuren proactief aan te pakken en hun balansen te bewaken, en dat zij daarbij de vroege opsporing van slechte leningen moeten versnellen teneinde het risico te verminderen dat de kredietverleningscapaciteit wordt verzwakt op het moment dat er een grote vraag bestaat naar herstelgerelateerde investeringen; benadrukt de bestaande flexibiliteit die wordt geboden bij de uitvoering van ECB-richtsnoeren over niet-renderende leningen, onder meer de mogelijkheid om banken met een bijzonder groot aantal niet-renderende leningen meer tijd te geven om hun strategieën voor de vermindering van het aantal niet-renderende leningen in te dienen;

32.

herinnert eraan dat risicovermindering in de banksector zou bijdragen aan een stabielere, sterkere en meer op economische groei gerichte bankenunie; merkt in dit verband op dat de politieke overeenstemming die is bereikt over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake kredietservicers en kredietkopers, die de ontwikkeling van secundaire markten voor niet-renderende leningen in de EU zal aanmoedigen en die erop is gericht banken te helpen het aantal niet-renderende leningen op hun balans te verminderen;

33.

erkent de rol van banken bij het ondersteunen van bedrijven en de reële economie tijdens de pandemie in sommige lidstaten; benadrukt dat banken de financiële soliditeit en levensvatbaarheid van bedrijven zorgvuldig moeten beoordelen, proactief met noodlijdende debiteuren moeten samenwerken om hun blootstellingen te beheren, en levensvatbare sectoren en ondernemingen, met name kmo’s, financieringsopties, haalbare herstructureringsopties of gepaste alternatieve opties moeten bieden teneinde te garanderen dat wanbetalingen waar mogelijk worden vermeden en dat bedrijven en consumenten niet het risico lopen op een overmatige schuldenlast; benadrukt dat het prudentiële kader consequent moet worden gewijzigd om de toepassing van respijtmaatregelen mogelijk te maken en aan te moedigen op bedrijven en huishoudens waarin het vooruitzicht op herstel volgens banken hoog blijft, en dringt erop aan alle regelgevende belemmeringen voor de toepassing ervan weg te nemen; verzoekt banken met klem om voor niet-levensvatbare ondernemingen als laatste redmiddel het gestructureerde verlaten van de markt te overwegen; is van mening dat banken moeten zorgen voor adequate kredietoverdrachten van het Eurosysteem naar de reële economie; is ingenomen met de maatregelen die zijn uiteengezet in mededeling van de Commissie van 24 september 2020 over “Een kapitaalmarktenunie ten dienste van mensen en ondernemingen — Een nieuw actieplan”(COM(2020)0590) en de bijlage daarbij inzake de doorverwijzing van kmo’s naar alternatieve aanbieders van financiering in geval van een afgewezen kredietaanvraag;

34.

verzoekt de ETA’s volledig gebruik te maken van hun bevoegdheden om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, waaronder in voorkomend geval hun bevoegdheden voor productinterventie wanneer financiële en kredietproducten hebben geleid of waarschijnlijk zullen leiden tot benadeling van consumenten;

35.

onderstreept dat het belangrijk is de rechten van consumenten te beschermen, in het bijzonder voor wat betreft oneerlijke en agressieve voorwaarden en praktijken, bankkosten, de transparantie van productkosten, winstgevendheid en risico’s; merkt op dat de bankenunie nog steeds niet over doeltreffende instrumenten beschikt voor de aanpak van problemen waarmee consumenten worden geconfronteerd, zoals oneerlijke handelspraktijken en kunstmatige complexiteit; roept de EBA er in dit verband toe op meer aandacht te besteden aan haar taken met betrekking tot het naar behoren inzamelen en analyseren van en verslag uitbrengen over consumententrends, alsook haar taken met betrekking tot de beoordeling en coördinatie van initiatieven van de bevoegde autoriteiten op het vlak van financiële geletterdheid en financieel onderwijs; verzoekt de Commissie de oneerlijke clausules en praktijken die de banksector gebruikt in consumentenovereenkomsten grondig te analyseren en alle beschikbare middelen aan te wenden om te waarborgen dat de lidstaten de richtlijn oneerlijke bedingen (41) doeltreffend en snel uitvoeren;

36.

merkt op dat de verwachte kredietverliezen, in combinatie met het huidige lage rentepeil, negatieve gevolgen kunnen hebben voor de winstgevendheid van banken; wijst erop dat banken hun bedrijfsmodellen moeten aanpassen in de richting van duurzamere, meer kostenbesparende en technologisch geavanceerdere strategieën, en strategische sturing moeten geven aan en prudentieel toezicht moeten uitoefenen op bedrijfsfuncties, waarbij de consumentenrechten volledig moeten worden gerespecteerd; beklemtoont dat het belangrijk is dat beslissingen van banken omtrent voorzieningen, ter ondersteuning van hun kredietverleningscapaciteit, niet onnodig worden uitgesteld, met name wanneer de vraag naar krediet opnieuw toeneemt;

37.

is verontrust dat recente bankencrises hebben aangetoond dat kredietinstellingen stelselmatig onder valse voorwendselen obligaties en andere financiële producten hebben verkocht aan retailklanten; betreurt dat de handhaving van de bepalingen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken die betrekking hebben op consumentenbescherming voor wat betreft de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) fragmentarisch is geweest; verzoekt de Commissie met klem een beoordeling te maken van het misleidend verkopen van financiële producten door bankinstellingen en op basis van de resultaten daarvan gepaste voorstellen te doen, onder meer in de komende herziening van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken;

38.

is van mening dat de mogelijke voordelen van de consolidatie van banken, zowel binnen de EU als grensoverschrijdend, bij het aanpakken van lage winstgevendheid, overcapaciteit en de versnippering van de banksector nader moet worden gedocumenteerd; erkent de tendens in de banksector in de richting van consolidatie en wijst in dat verband op de ECB-gids over de op toezicht gebaseerde aanpak van consolidatie, die goed ontworpen en goed uitgevoerde bedrijfscombinaties ondersteunt; benadrukt de voordelen van het beschermen van de diversiteit/pluraliteit van financiële sectoren bij het opbouwen van systemisch vertrouwen en het behoud van financiële stabiliteit; verzoekt de Commissie rekening te houden met en gevolg te geven aan de conclusies van de evaluatie van de Raad voor financiële stabiliteit van 2021 van de effecten van “too big to fail”-hervormingen op het financiële stelsel;

39.

betreurt dat de kwestie van de thuis- en gastlanden een uitdaging blijft voor de voltooiing van de bankenunie en is van mening dat de invoering van het Europees depositoverzekeringsstelsel deel uitmaakt van de oplossing, in combinatie met verdere risicobeperkende maatregelen; is bezorgd dat als het aantal niet-renderende leningen stijgt naarmate de overheidssteun begint af te nemen, de landen van herkomst en van ontvangst maatregelen kunnen nemen om activa te beschermen en opnieuw tot afscherming kunnen overgaan; benadrukt dat banken over de grenzen heen moeten kunnen opereren en tegelijkertijd hun kapitaal en liquiditeit op een geconsolideerd niveau moeten kunnen beheren, met geloofwaardige en afdwingbare waarborgen voor lidstaten van ontvangst met betrekking tot de beschikbaarheid van middelen en de gevolgen voor de financiële stabiliteit, zodat zij verandering kunnen brengen in de risico’s die zij lopen en in een eventueel gebrek aan winstgevendheid; is van mening dat geleidelijke harmonisatie nodig is op gebieden waarop nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte van toepassing zijn, onder meer op het vlak van het insolventierecht om afwikkelingsplanning voor grensoverschrijdende bankgroepen binnen de bankenunie te vergemakkelijken;

40.

vindt het zorgwekkend dat naarmate de lidstaten steeds meer staatsobligaties verkopen, het aandeel staatsschuld in de balansen van banken eveneens toeneemt, hetgeen de vicieuze cirkel tussen banken en staten kan verergeren; is van mening dat de oprichting van NextGenerationEU hoogwaardige Europese activa met een laag risico zal opleveren, hetgeen het mogelijk zal maken het aandeel staatsobligaties in de balansen van banken opnieuw in evenwicht te brengen en de vicieuze cirkel tussen banken en staten zal verminderen; herinnert eraan dat NextGenerationEU een belangrijke rol zal spelen bij het herstel en als kans moet worden aangegrepen om in elke lidstaat het aantal investeringen te vergroten en de nodige hervormingen door te voeren met betrekking tot de overeengekomen criteria, alsook om te blijven bijdragen aan de versterking van het Europese bankwezen;

41.

is van mening dat voor het oplossen van de kwesties in verband met de lidstaat van herkomst/lidstaat van ontvangst, het doorbreken van de vicieuze cirkel tussen banken en staten en het ondersteunen van consolidatie-inspanningen van banken een pan-Europees vangnet moeten worden ingevoerd, alsmede de ontwikkeling en uitvoering van overeenkomsten over financiële steun binnen groepen als onderdeel van de herstelplannen van banken, en geleidelijke harmonisatie op gebieden waarop nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte van toepassing zijn, met inbegrip van insolventie, waarbij verder inspanningen moeten worden geleverd om het risico te verminderen;

42.

herhaalt dat het regelgevingskader inzake de prudentiële behandeling van staatsschulden in overeenstemming moet zijn met de internationale normen;

43.

benadrukt de belangrijke rol van robuuste interne governancestructuren binnen banken en wijst op de zwakke punten die daarin zijn aangetroffen tijdens de Procedure van het GTM voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder in 2020, die gericht was op de manier waarop banken met de crisis verband houdende risico’s voor kapitaal en liquiditeit hebben aangepakt, rekening houdend met uitzonderlijke omstandigheden met gevolgen voor individuele banken; prijst de gerichte aanpak die werd gehanteerd bij het verzamelen van gegevens voor de beoordeling van kapitaal en liquiditeit; beklemtoont dat moet worden gezorgd voor de hoogste normen en een gelijk speelveld bij de betrouwbaarheids- en deskundigheidsbeoordelingen van de leden van de raden van bestuur van banken, die momenteel vanwege de zeer uiteenlopende omzetting van de richtlijn kapitaalvereisten in de verschillende lidstaten op verschillende manieren worden uitgevoerd; pleit derhalve voor verdere harmonisatie op dat gebied; dringt erop aan dat de betrouwbaarheids- en deskundigheidsbeoordelingen door de bevoegde autoriteiten altijd vooraf moeten worden uitgevoerd, en niet achteraf; schaart zich achter het plan van de ECB om haar gids voor betrouwbaarheids- en deskundigheidsbeoordelingen in 2021 te herzien om haar toezichtsverwachtingen met betrekking tot de kwaliteit van de leden van de raden van bestuur uiteen te zetten; kijkt uit naar de voorstellen van de ECB voor een pakket maatregelen om het toezicht op betrouwbaarheid en deskundigheid te verbeteren; moedigt in dat verband aan dat wordt overwogen om de betrouwbaarheids- en deskundigheidsvereisten op te nemen in de verordening kapitaalvereisten;

44.

merkt op dat de op 29 januari 2021 gelanceerde EU-brede stresstest erop gericht is de kapitaaltrajecten van banken bij een verslechterende kwaliteit van activa te testen, in een scenario van een klimaat met lage rentevoeten; verzoekt de EBA het toepassingsgebied van latere stresstests uit te breiden, aangezien 51 in het kader van de test geselecteerde banken voor een steekproef te beperkt wordt geacht; benadrukt dat het uitvoeren van stresstests en het op een passend tijdstip beoordelen van de kwaliteit van activa van een voor steekproeven geselecteerd aantal minder belangrijke instellingen belangrijke oefeningen zijn om vertrouwen op te bouwen;

45.

is ingenomen met de inspanningen van het GTM om banken richtsnoeren en duidelijkheid te verschaffen voor zelfbeoordeling en passende verslaggeving inzake milieugerelateerde en aan de klimaatverandering verbonden risico’s; wijst erop dat verdere druk van toezichthouders nodig is zodat financiële instellingen klimaatgerelateerde en milieurisico’s naar behoren bekend maken; beschouwt de stresstest voor klimaatrisico’s van het GTM als een belangrijke stap om de praktijken van banken te evalueren en concrete gebieden voor verbetering vast te stellen; prijst in dat kader de aanbeveling van de ECB-gids inzake klimaatgerelateerde en milieurisico’s, waarin een strategische, alomvattende benadering voor de aanpak van klimaatgerelateerde risico’s wordt bevorderd; schaart zich achter het idee dat in 2021 zelfbeoordelingen en actieplannen van banken moeten worden voorbereid, gevolgd door een toezichthoudende toetsing van de maatregelen van banken in 2022; is van mening dat die zelfbeoordelingen en verslagen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en dat zij geen nadelige gevolgen mogen hebben voor de capaciteit en het concurrentievermogen van de banken; neemt kennis van het initiatief van de EBA om een EU-breed proefproject inzake klimaatrisico’s uit te voeren, en neemt nota van haar bevindingen dat er meer informatie nodig is over transitiestrategieën en broeikasgasemissies om banken en toezichthouders in staat te stellen klimaatrisico’s nauwkeuriger te beoordelen; herinnert eraan dat investeringen in en kredietverlening bij niet-duurzame economische activiteiten kunnen leiden tot gestrande activa of verzonken investeringen;

46.

wijst op de rol van de EBA bij het leiden, coördineren en monitoren van de strijd van de financiële sector van de EU tegen witwassen en terrorismefinanciering; is ingenomen met de inspanningen die de ECB de afgelopen twee jaar heeft geleverd om de uitwisseling van informatie tussen de GTM- en de toezichthouders op de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT) te verbeteren teneinde bij prudentiële toezichtsmaatregelen beter rekening te houden met AML-aspecten; dringt erop aan dat deze verantwoordelijkheid gepaard gaat met passende financiering en middelen; is ingenomen met de steun die EBA verleent aan de individuele werking van de uitvoering van toezichthoudende bevoegdheden op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld (AML) in de verschillende lidstaten en pleit voor verdere maatregelen om te waarborgen dat het toezicht op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT) risicogebaseerd, proportioneel en doeltreffend is; wijst op de verschillende benaderingen die nationale autoriteiten hanteren bij AML/CFT-toezicht en bij de toepassing van de EU-wetgeving, hetgeen tot regelgevingsarbitrage kan leiden; moedigt een gedeeltelijke omzetting van de bepalingen van de antiwitwasrichtlijn in een verordening aan; betreurt dat meerdere lidstaten de vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn nog niet volledig hebben omgezet in nationaal recht en dat in nog meer lidstaten de doeltreffende uitvoering ervan ernstige tekortkomingen vertoont; is ingenomen met het feit dat de Commissie inbreukprocedures is gestart en verzoekt de Commissie inbreukprocedures in te leiden voor de resterende gevallen waarin de antiwitwasrichtlijnen niet zijn omgezet en niet doeltreffend worden uitgevoerd; neemt kennis van het tweede mandaat van de EBA om een databank over de bestrijding van witwassen op te zetten, die naar verwachting in 2021 zal worden ontwikkeld, en om de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen Europese autoriteiten te verbeteren; wijst op de belangrijke rol van AML-colleges voor grensoverschrijdende groepen, die alle AML-autoriteiten omvatten van de jurisdicties waar de groep actief is, bij de beoordeling van de prestaties van de groep op het gebied van AML;

47.

is ingenomen met het op 7 mei 2020 gepubliceerde actieplan van de Commissie voor een alomvattend EU-beleid voor de preventie van witwassen en financieren van terrorisme; verzoekt de Commissie snel haar wetgevingspakket ter bestrijding van witwassen goed te keuren; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor de instelling van een Europese toezichthouder op de bestrijding van witwassen; wijst erop dat het toepassingsgebied van het AML-kader de emittenten en aanbieders van cryptoactiva moet omvatten; verzoekt de Commissie de totstandbrenging van een Europese financiële-inlichtingeneenheid (FIE) te overwegen;

48.

beklemtoont de belangrijke rol die de banksector speelt bij de bestrijding van belastingontwijking; herhaalt het standpunt van het Parlement dat er aanvullende audits en ken-uw-klant-vereisten nodig zijn voor transacties waarbij landen betrokken zijn die vermeld staan in bijlage I of II van de lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied;

49.

is ingenomen met het pakket digitaal geldwezen van de Commissie; is van mening dat de voorstellen van de Commissie inzake markten met cryptoactiva en digitale operationele veerkracht tijdig, nuttig en noodzakelijk zijn; beklemtoont dat digitaal geldwezen de financieringsmogelijkheden voor consumenten en bedrijven weliswaar doet toenemen, maar dat de consumentenbescherming en de financiële stabiliteit in stand moeten worden gehouden;

50.

neemt kennis van de terugtrekking van het VK uit de EU; erkent de vooruitgang die veel belangrijke banken hebben geboekt met betrekking tot hun operationele streefmodellen voor na de brexit, zoals overeengekomen met het GTM, en steunt de inspanningen van het GTM om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze modellen op het gebied van activa, personeel en boekingspraktijken; herhaalt dat in de context van de verplaatsing van bedrijven in de EU lege instellingen in de eurozone niet aanvaardbaar zijn; is van mening dat bestaande mazen in het rechtskader van de EU moeten worden aangepakt teneinde het toezicht te versterken en herinnert eraan dat het GTM de rechtstreekse verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor het prudentieel toezicht op systeemrelevante beleggingsondernemingen sinds de herziene verordening inzake beleggingsondernemingen (42) in juni 2021 in werking is getreden;

51.

wijst op het belang van het behoud van een gelijk speelveld in de regelgevingsruimte en van het voorkomen van een neerwaartse spiraal in de regelgeving; merkt in dat verband op dat het memorandum van overeenstemming (MoU) tussen de ECB en de Britse autoriteiten, dat is gebaseerd op het model waarover werd onderhandeld door de EBA, waar het prudentieel toezicht, behalve verzekerings- en pensioenstelsels, onder valt en dat op 1 januari 2021 in werking is getreden, een solide basis vormt voor samenwerking op het gebied van toezicht tussen het GTM en de Britse Prudential Regulation Authority, waarbij die samenwerking gericht is op de uitwisseling van informatie en wederzijdse behandeling van grensoverschrijdende bankgroepen en op het delen van verantwoordelijkheden in verband met het toezicht op bijkantoren;

52.

merkt op dat inachtneming van het evenredigheidsbeginsel essentieel is om ervoor te zorgen dat het toezicht op banken werkt, met name voor kleinere instellingen;

Afwikkeling

53.

vertrouwt erop dat de invoering van een achtervangmechanisme in het GAF in 2022, twee jaar eerder dan oorspronkelijk gepland, in de vorm van een doorlopende kredietlijn van het ESM een vangnet zal bieden voor afwikkeling van banken in de bankenunie en zo het kader voor crisisbeheer zal versterken en een belangrijke stap zal vormen in de richting van de voltooiing van de bankenunie; merkt op dat de combinatie van de aanzienlijke opbouw van het GAF en het gemeenschappelijk achtervangmechanisme de GAR toegang zal bieden tot een bedrag aan gecombineerde middelen dat aanzienlijk hoger is dan 100 miljard EUR; merkt op dat de risico’s in de bankenstelsels in verband met de oprichting van het EDIS verder moeten worden verminderd;

54.

dringt erop aan dat banken als enige verantwoordelijk worden geacht voor hun prestaties, in plaats van de belastingbetaler de last te laten dragen van een kader voor crisisbeheer;

55.

is ingenomen met het feit dat de GAR in 2020 geen afwikkelingsmaatregelen hoefde te nemen maar niettemin nauwgezet met het GTM samenwerkte in gevallen waar een crisis dreigde; neemt kennis van de hulpmaatregelen en de flexibiliteit die de GAR heeft geboden met het oog op het halen van MREL-streefcijfers zonder de afwikkelbaarheid in het gedrang te brengen; wijst erop dat de op de website van de GAR beschikbare informatie over dergelijke maatregelen uiterst beperkt blijft; verzoekt de GAR met klem zijn transparantie te vergoten en met name de richtsnoeren die worden gevolgd door interne afwikkelingsteams bij de toepassing van hulpmaatregelen in het kader van COVID-19 openbaar te maken; neemt kennis van het MREL-beleid van 2020 dat is ontwikkeld door de GAR en de specifieke verslaggeving voor MREL uit hoofde van de kaders van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken; waardeert de vooruitgang inzake de huidige afwikkelingsplanningscyclus voor 2021 en herhaalt dat de vaststelling van een proportioneel MREL een van de belangrijkste elementen is voor het verbeteren van de afwikkelbaarheid van banken en het waarborgen van bredere financiële stabiliteit;

56.

wijst erop dat de bestaande overlappingen tussen de vereisten voor het gebruik van vroegtijdige-interventiemaatregelen en de gewone toezichthoudende bevoegdheden van de ECB de uitvoering van vroegtijdige-interventiemaatregelen kunnen belemmeren; dringt er in dit verband op aan dat die overlapping moet worden weggenomen en vertrouwt erop dat de rechtsgrondslag voor elk instrument wordt verduidelijkt teneinde een gepaste en geleidelijke toepassing van de maatregelen te waarborgen; steunt in dit verband, rekening houdend met de aanbeveling van de Rekenkamer inzake gekwantificeerde drempels voor het initiëren van vroegtijdige-interventiemaatregelen, het gebruik van snelle toezichtsmaatregelen, waarbij automatisme wordt vermeden;

57.

acht het noodzakelijk de liquidatie van banken te vergemakkelijken waarvan de GAR of de nationale afwikkelingsautoriteit bij de afwikkeling bepaalt dat er geen sprake is van een algemeen belang; merkt op dat de strategie van verkoop van de onderneming een belangrijk instrument kan zijn dat door de GAR kan worden gebruikt als manier om waardeverliezen bij afwikkeling tot een minimum te beperken; erkent dat er behoefte is aan een meer geharmoniseerd kader voor het verlaten van de markt bij insolventie om onzekere situaties te voorkomen en te zorgen voor afstemming met betrekking tot de intrekking van een bankvergunning; erkent dat alternatieve maatregelen in het kader van depositogarantiestelsels ter financiering van overboekingen van deposito’s in dergelijke gevallen een belangrijke rol kunnen spelen, met name voor kleine en middelgrote banken, zolang ze niet nadelig zijn voor de bescherming van deposanten en het depositogarantiestelsel voldoende is gefinancierd, om de bijdragen van de belastingbetaler en de vernietiging van de waarde tot een minimum te beperken en de financiële stabiliteit te waarborgen, en in andere gevallen ook de kloof kunnen overbruggen tussen de bail-in-vereiste van 8 % om toegang te krijgen tot het afwikkelingsfonds en de daadwerkelijke verliesabsorptiecapaciteit van de bank, zonder deposito’s die zijn bedoeld voor overdracht; benadrukt dat dergelijke interventies moeten worden onderworpen aan een strenge minste kosten-test; verzoekt de Commissie derhalve meer duidelijkheid te scheppen over het minste kosten-beginsel en over de voorwaarden voor het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels;

58.

merkt op dat de huidige verscheidenheid van insolventieregelingen leiden tot onzekerheid over de uitkomsten van liquidatieprocedures; is van mening dat de bankenunie alleen doeltreffend kan functioneren als de insolventiewetgeving voor banken verder wordt geharmoniseerd; verzoekt de Commissie om, na zorgvuldige bestudering en bespreking met de nationale autoriteiten en parlementen, na te denken over het bevorderen van verdere harmonisatie van specifieke aspecten van bestaande nationale insolventiewetten, alsook over de voorwaarden voor het gebruik van externe financiering, om te zorgen voor overeenstemming tussen de maatregelen en een gelijk speelveld;

59.

acht het met name nuttig een gerichte aanpak te hanteren voor de harmonisatie van de rangorde van schuldeisers in insolventieprocedures bij banken, teneinde de reikwijdte van de financiering door de depositogarantiestelsels te vergroten bij afwikkeling en bij andere maatregelen dan uitbetalingen, zolang als de depositogarantiestelsels voldoende worden gefinancierd;

60.

acht het noodzakelijk afwikkeling voor meer banken mogelijk te maken, waarvoor een herziening van de beoordeling van het algemeen belang nodig is om de transparantie en ex-ante-voorspelbaarheid van het verwachte resultaat te vergroten, en zo de toepassing van afwikkelingsinstrumenten op een grotere groep banken, met name middelgrote banken, mogelijk te maken en de nodige duidelijkheid te bieden om meer samenhangende en proportionele MREL-niveaus te waarborgen; neemt kennis van de lopende werkzaamheden van de GAR in dit verband; pleit ervoor dat de verschillen tussen de beoordelingen van kritieke functies door interne afwikkelingsteams, zoals vermeld in het verslag van de Rekenkamer van 2021 over afwikkelingsplanning in het GAM, worden aangepakt; onderstreept voorts dat de staatssteunregels en de bankenmededeling van de Commissie van 2013 op coherente wijze opnieuw moeten worden bekeken om rekening te houden met de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging en verbetering van het kader voor crisisbeheer en om consistentie te bereiken met betrekking tot de vereisten van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, rekening houdend met recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie; neemt daarnaast kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer van 2021 aan de GAR om het één “rulebook” na te leven door in elk afwikkelingsplan wezenlijke belemmeringen voor afwikkelbaarheid vast te stellen en een behoorlijke procedure voor het wegnemen van deze belemmeringen te volgen;

61.

steunt het idee om in het kader van de herziening van het kader voor crisisbeheer rekening te houden met de rol van groepsherstel- en afwikkelingsplannen, en de praktische uitvoering daarvan, teneinde te zorgen voor een efficiëntere aanpak van het beheer van problemen bij grensoverschrijdend bankieren; neemt kennis van de voorstellen om bankgroepen de mogelijkheid te bieden om dochterondernemingen en moedermaatschappijen een formele overeenkomst te laten aangaan om elkaar liquiditeitssteun te bieden, en om die steun te koppelen aan de herstelplannen van de groep, teneinde het gebruik van bestaande bepalingen te vergemakkelijken op een manier waarmee een evenwicht wordt gevonden tussen de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst; is van mening dat de bevoegde autoriteiten indien nodig betrokken moeten worden bij de handhaving van dergelijke formele overeenkomsten; merkt op dat deze groepsherstel- en -afwikkelingsplannen ruimte zouden kunnen laten voor de afstemming van MREL en dat de bijdragen van banken aan de verschillende vangnetten daadwerkelijk risicogebaseerd zouden zijn, en een weerspiegeling zouden vormen van de waarschijnlijkheid dat die vangnetten zouden worden gebruikt, alsmede de mate waarin ze zouden worden gebruikt, in het kader van de crisisbeheersingsstrategie die de voorkeur heeft;

Depositoverzekering

62.

beklemtoont dat het belangrijk is dat deposanten in de hele bankenunie hetzelfde niveau van bescherming van hun spaargeld genieten, ongeacht de locatie van hun bank; wijst erop dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn depositogarantiestelsels, waarin tot 100 000 EUR aan bankdeposito’s wordt gegarandeerd, tot doel heeft bij te dragen aan een hoger niveau van depositobescherming; erkent de poging van de Commissie om het vertrouwen van de burgers in de bescherming van deposito’s verder te versterken door een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) in te voeren; erkent tegelijkertijd het belang van het EDIS om te zorgen voor een minder sterke koppeling tussen banken en staten;

63.

wijst erop dat het belangrijk is dat de bijdragen aan depositogarantiestelsels in verhouding staan tot het risico; waarschuwt dat de afwezigheid van een op risico’s gebaseerde aanpak een moreel risico en een risico op free-riding teweeg kan brengen, hetgeen leidt tot de subsidiëring van speculatieve bedrijfsmodellen door conservatieve bedrijfsmodellen; beklemtoont dat bijdragen aan een toekomstig EDIS eveneens in verhouding moeten staan tot het risico; wijst erop dat individuele risico’s in verschillende instellingen binnen de bankenunie nog steeds verschillen; wijst er nogmaals op dat alle leden van de bankenunie de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de richtlijn depositogarantiestelsels moeten omzetten teneinde homogene risicovermindering in de hele bankenunie te waarborgen;

64.

neemt kennis van de herziening van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering en de tussenoptie van een hybride EDIS als eerste stap in de richting naar de volledige voltooiing van het EDIS overeenkomstig het voorstel van de Commissie van 2015, gebaseerd op het idee van een nieuw centraal fonds dat naast middelen op nationaal DGS-niveau bestaat en gepaard gaat met een evenredige uitbreiding van de rol van de GAR; vraagt aandacht voor de sterkte onderlinge verbanden tussen crisisbeheer en het EDIS en het feit dat die samen moeten worden aangepakt om renationalisatie van de bankenunie te vermijden en een gelijk speelveld te behouden; wijst er in dit verband op dat de herziening van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering gericht moet zijn op het verbeteren van de samenhang en consistentie van het kader;

65.

verzoekt de Commissie verdere stappen te zetten om de onderhandelingen over het EDIS opnieuw op gang te brengen door middel van een op een routekaart gebaseerd werkplan; dringt aan op een krachtige toezegging van de kant van de lidstaten om te werken aan een overeenkomst die in overeenstemming is met de belangen van de Unie als geheel; verklaart zich ertoe te verbinden naar een akkoord over het EDIS toe te werken en tegelijkertijd te blijven werken aan risicoverminderende maatregelen;

66.

verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met de rol die institutionele protectiestelsels spelen bij het beschermen en stabiliseren van instellingen die er lid van zijn;

o

o o

67.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 45.

(2)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/publications/annual-report/pdf/ssm.ar2020~1a59f5757c.en.pdf

(3)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/publications/annual-report/pdf/ssm.ar2019~4851adc406.en.pdf.

(4)  PB C 23 van 21.1.2021, blz. 105.

(5)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 72.

(6)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 89.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0110.

(8)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0039.

(9)  https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/Report_on_a_digital_euro~ 4d7268b458.en.pdf

(10)  https://www.fsb.org/wp-content/uploads/P091020.pdf

(11)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/pub/pdf/ssm.esbceuropeanbankingsupervisionresponsetoeuropeancommissionpublicconsultationdigitalfinancestrategyeuropefintechactionplan2020~b2e6cd0dc4.en.pdf

(12)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/pub/pdf/en_ecb_ 2020_62_f_sign~6a404d7d9c..pdf

(13)  https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/reports/nbfi_monitor/esrb.202010_eunon-bankfinancialintermediationriskmonitor2020~89c25e1973.en.pdf

(14)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Risk%20Analysis%20and%20Data/Risk%20Assessment%20Reports/2020/December%202020/961060/Risk%20Assessment_Report_December_2020.pdf

(15)  Studie — “Regulatory Sandboxes and Innovation Hubs for FinTech: Impact on innovation, financial stability and supervisory convergence”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, september 2020.

(16)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Risk%20Analysis%20and%20Data/Risk%20dashboard/Q4%202020/972092/EBA%20Dashboard%20-%20Q4%202020.pdf

(17)  https://www.consilium.europa.eu/media/46978/joint-risk-reduction-monitoring-report-to-eg_november-2020_for-publication.pdf

(18)  https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/jc_2021_27_jc_ spring_2021_report_on_risks_and_vulnerabilities.pdf

(19)  https://ec.europa.eu/info/consultations/finance-2021-crisis-management-deposit-insurance-review-targeted_nl

(20)  https://srb.europa.eu/sites/default/files/efb_main_doc_final_web_0.pdf

(21)  https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/scpops/ecb.op251~65a080c5b3.en.pdf

(22)  https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-13091-2020-INIT/nl/pdf

(23)  https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8335-2020-ADD-1/en/pdf

(24)  https://srb.europa.eu/en/node/1118

(25)  https://www.fsb.org/wp-content/uploads/P010421-1.pdf

(26)  https://srb.europa.eu/en/node/967

(27)  https://www.europarl.europa.eu/committees/nl/product/product-details/20201021CAN58122

(28)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/blog/2020/html/ ssm.blog201009~bc7ef4e6f8.en.html

(29)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/News%20and%20Press/Press%20Room/Press%20Releases/2020/EBA%20acts%20to%20improve%20AML/CFT%20supervision%20in%20Europe/Report%20on%20CA%20approaches%20to%20AML%20CFT.pdf

(30)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Publications/Reports/2020/931093/EBA%20Report%20on%20the%20future%20of%20AML%20CFT%20framework%20in%20the%20EU.pdf

(31)  https://www.bruegel.org/2020/12/can-the-gap-in-the-europes-internal-market-for-banking-services-be-bridged/

(32)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(33)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

(34)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

(35)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(36)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(37)  Verordening (EU) 2020/873 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2020 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 575/2013 en (EU) 2019/876 wat betreft bepaalde aanpassingen in respons op de COVID-19-pandemie (PB L 204 van 26.6.2020, blz. 4).

(38)  PB C 224 van 27.6.2018, blz. 45.

(39)  PB C 23 van 21.1.2021, blz. 105.

(40)  Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).

(41)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29).

(42)  Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/167


P9_TA(2021)0416

Hervorming van het EU-beleid inzake schadelijke belastingpraktijken (met inbegrip van de hervorming van de Groep gedragscode)

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de hervorming van het EU-beleid inzake schadelijke belastingpraktijken (met inbegrip van de hervorming van de Groep gedragscode) (2020/2258(INI))

(2022/C 132/13)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen (1), met als doel schadelijke belastingconcurrentie in de Europese Unie te bestrijden,

gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2009 over de bevordering van goed bestuur in belastingzaken (COM(2009)0201),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2015 getiteld “Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden” (COM(2015)0302),

gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024),

gezien de conclusies van de Raad van 8 maart 2016 over de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2016 over verdere maatregelen om de transparantie te verhogen en belastingontduiking en -ontwijking te bestrijden (COM(2016)0451), die uitleg bevat over de wijze waarop de EU de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden opstelt,

gezien de conclusies van de Raad van 8 november 2016 over de criteria en het proces voor de opstelling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden,

gezien de resultaten van de bijeenkomst van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van 5 december 2017,

gezien het werkprogramma van 9 februari 2021 van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) tijdens het Portugese voorzitterschap (3),

gezien de recentste versie van de EU-lijst van de Raad van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van 26 februari 2021 (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2020 getiteld “Actieplan voor billijke en eenvoudige belastingheffing ter ondersteuning van de herstelstrategie” (COM(2020)0312),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2020 over goed fiscaal bestuur in de EU en daarbuiten (COM(2020)0313),

gezien zijn standpunt over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (5) en over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (6),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 mei 2021 over belastingheffing van ondernemingen in de 21e eeuw (COM(2021)0251),

gezien zijn resoluties van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (7), van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (8), en van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (9),

gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie (10),

gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (11),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over de herziening van de EU-lijst van belastingparadijzen (12) en gezien zijn vragen aan de Commissie en de Raad over de herziening van de EU-lijst van belastingparadijzen (O-000082/2020 — B9-0002/2021 en O-000081/2020 — B9-0001/2021),

gezien de follow-up van de Commissie van de bovengenoemde resoluties en aanbeveling van het Europees Parlement (13),

gezien het verslag dat het Centrum voor Europees economisch onderzoek (Zentrum für Europäische Wirtschaftsforschung — ZEW GmbH) heeft opgesteld voor de Commissie met als titel “The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates” (14),

gezien het voor de Commissie opgestelde verslag met als titel “Aggressive tax planning indicators” (15),

gezien de studie met als titel “An overview of shell companies in the European Union”, gepubliceerd door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Europees Parlement op 17 oktober 2018 (16),

gezien het verslag van februari 2021 van het VN-panel op hoog niveau inzake internationale financiële verantwoording, transparantie en integriteit (FACTI-panel) voor de verwezenlijking van de Agenda 2030, getiteld “Financial Integrity for Sustainable Development” (17),

gezien de lopende werkzaamheden van het inclusieve kader van de OESO/G20 inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (Base Erosion and Profit Shifting — BEPS) met betrekking tot de belastingproblematiek rond digitalisering,

gezien de aanvangseffectbeoordelingen inzake de bestrijding van het gebruik van brievenbusmaatschappijen en constructies voor belastingdoeleinden (18),

gezien het rapport van het Internationaal Monetair Fonds getiteld “Taxing Multinationals in Europe” (19),

gezien Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (de eerste “richtlijn bestrijding belastingontwijking I” of “ATAD I”) (20) en Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (“ATAD II”) (21),

gezien Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (de “interest- en royaltyrichtlijn”) (22),

gezien Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (de “moeder-dochterrichtlijn”) (23),

gezien Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (de “richtlijn betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen” of “DAC 1”) (24), Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (“DAC 3”) (25), Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (“DAC 4”) (26) en Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (“DAC 6”) (27),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0245/2021),

A.

overwegende dat de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen sinds 1997 het belangrijkste instrument van de EU is om schadelijke belastingmaatregelen te voorkomen; overwegende dat schadelijke belastingmaatregelen in de gedragscode worden gedefinieerd als maatregelen (met inbegrip van administratieve praktijken) die de locatie van economische activiteiten in de Unie in aanzienlijke mate beïnvloeden of kunnen beïnvloeden en die een belastingniveau opleveren dat beduidend lager is dan die welke normaal gesproken in de betrokken lidstaat van toepassing zijn;

B.

overwegende dat volgens het jaarverslag van de Commissie van 2021 inzake belastingen elk jaar naar schatting 36 à 37 miljard EUR aan inkomsten uit vennootschapsbelasting verloren gaat door belastingontwijking in de EU (28);

C.

overwegende dat het beleid ter bestrijding van belastingontwijking heeft geleid tot minder preferentiële regelingen in de wereld, en met name in de Unie; overwegende dat een preferentiële regeling volgens BEPS-actie 5 van de OESO een regeling is die een of andere vorm van belastingvoordeel biedt in vergelijking met de algemene belastingbeginselen van het betrokken land; overwegende dat een door een regeling geboden voordeel allerlei vormen kan aannemen, met inbegrip van een verlaging van het belastingtarief of de belastinggrondslag of preferentiële voorwaarden voor de betaling of terugbetaling van belastingen (29); overwegende dat er nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken zijn ontstaan, met name door de omvorming van preferentiële regelingen in agressieve algemene regelingen;

D.

overwegende dat agressieve fiscale planning inhoudt dat wordt geprofiteerd van de technische details van een belastingstelsel of van incongruenties tussen twee of meer belastingstelsels met als doel de verschuldigde belastingen te verminderen; overwegende dat belastingmaatregelen particuliere initiatieven die duurzame groei mogelijk maken niet mogen belemmeren; overwegende dat uit empirisch onderzoek blijkt dat het daadwerkelijke belastingniveau voor grote multinationals lager is dan voor binnenlandse kmo’s (30);

E.

overwegende dat de maatregelen van de Unie tegen schadelijke belastingpraktijken onder meer bestaan uit het vaststellen van wetgeving, zachte wetgeving en intergouvernementele samenwerking; overwegende dat het Parlement wordt geraadpleegd in verband met directe belastingen en dat het de soevereiniteit van de lidstaten op dat gebied eerbiedigt;

F.

overwegende dat er in het begin van de jaren 1990, na de oprichting van een comité van onafhankelijke deskundigen dat een verslag uitbracht met aanbevelingen over vennootschapsbelasting binnen de EU (het “verslag-Ruding”), in de hele Unie bezorgdheid rees in verband met schadelijke belastingpraktijken (31); overwegende dat de Raad van de Europese Unie in 1997 een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen heeft vastgesteld; overwegende dat een Groep gedragscode is opgericht in de Raad om belastingmaatregelen te beoordelen die binnen het toepassingsgebied van de gedragscode zouden kunnen vallen; overwegende dat uit empirisch onderzoek (32) blijkt dat de EU-lidstaten alles bij elkaar genomen de meeste inkomsten uit vennootschapsbelasting kwijtraken aan andere EU-lidstaten en niet aan derde landen; overwegende dat dit inkomstenverlies vooral te wijten is aan het gebrek aan wetgevende maatregelen tegen agressieve belastingpraktijken en schadelijke belastingconcurrentie binnen de EU;

G.

overwegende dat de Groep gedragscode erop is gericht belastingmaatregelen die binnen het toepassingsgebied van de gedragscode zouden kunnen vallen te beoordelen en dat de groep ruimte biedt voor samenwerking en onderlinge toetsing van potentieel schadelijke regelingen in de EU; overwegende dat de Groep gedragscode inmiddels een zeker gezag bij de lidstaten heeft verworven en druk op hen uitoefent om hervormingen door te voeren en daarmee ook derde landen aanspoort om aan de opstelling van de EU-lijst mee te werken;

H.

overwegende dat de Groep gedragscode erin geslaagd is preferentiële belastingregelingen te ontmoedigen; overwegende dat de belastingconcurrentie in Europa van invloed lijkt te zijn geweest op de daling van de vennootschapsbelastingtarieven, waardoor het gemiddelde vennootschapsbelastingtarief in Europa lager is dan het gemiddelde tarief in OESO-landen (33); overwegende dat de gedragscode door de vaststelling van beginselen voor eerlijke concurrentie heeft bijgedragen tot het voorkomen van agressieve belastingconcurrentie tussen de lidstaten; overwegende dat de Groep gedragscode er niet is in geslaagd de oneerlijke belastingregelingen die sommige lidstaten aan grote ondernemingen bieden, zoals schadelijke voorafgaande verrekenprijsafspraken (“fiscale rulings”), en het oneerlijke concurrentievoordeel dat daaruit voortvloeit volledig te doen verdwijnen; overwegende dat de recentste collegiale toetsingen van de Groep gedragscode gericht waren op intellectuele-eigendomsregelingen; overwegende dat de Groep gedragscode louter intergouvernementeel van aard blijft;

I.

overwegende dat beide pijlers van de toekomstige mondiale overeenkomst aansluiten bij de visie van de Commissie voor een kader voor de belastingheffing van ondernemingen zoals uiteengezet in haar recente mededeling over belastingheffing van ondernemingen in de 21e eeuw; overwegende dat de Commissie in die mededeling een voorstel voor een richtlijn heeft aangekondigd waarin de OESO-modelvoorschriften zijn opgenomen, met de nodige aanpassingen voor de uitvoering van pijler 2 inzake minimale effectieve belastingheffing;

J.

overwegende dat de Groep gedragscode erin geslaagd is een dialoog aan te gaan met rechtsgebieden van derde landen, waarbij deze worden verzocht hun schadelijke belastingpraktijken stop te zetten om te voorkomen dat zij op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (de “EU-lijst”) terechtkomen; overwegende dat de EU-lijst een instrument moet zijn om schadelijke belastingpraktijken in rechtsgebieden van derde landen te ontmoedigen teneinde wereldwijd eerlijke concurrentie te handhaven; overwegende dat de huidige EU-lijst slechts twaalf rechtsgebieden van derde landen omvat (34) en dat een aantal beruchte belastingparadijzen helaas niet op de lijst voorkomt; overwegende dat de EU-lijst wordt opgesteld op basis van de in de gedragscode vastgelegde criteria;

K.

overwegende dat de criteria voor de EU-lijst nog steeds afwijken van die welke worden gebruikt in de context van de collegiale toetsing van de EU van schadelijke belastingpraktijken, hoewel beide beoordelingen door de Groep gedragscode worden uitgevoerd; overwegende dat zes lidstaten landspecifieke aanbevelingen hebben ontvangen over de versterking van hun belastingstelsel tegen het risico van agressieve fiscale planning;

L.

overwegende dat de Commissie een mededeling over goed fiscaal bestuur in de EU en daarbuiten heeft aangenomen en dat zij voornemens is de gedragscode te hervormen en de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden te verbeteren;

M.

overwegende dat de EU-economie door de COVID-19-pandemie de ergste recessie in de moderne tijd doormaakt, waarbij pas recent de eerste tekenen van herstel zijn opgedoken; overwegende dat regeringen in de hele Unie als reactie op de COVID-19-pandemie snel belastingmaatregelen hebben getroffen om zowel bedrijven als huishoudens van liquide middelen te voorzien (35), wat heeft geleid tot minder belastinginkomsten voor de lidstaten; overwegende dat de belastingheffing van ondernemingen een instrument moet zijn om het herstel te ondersteunen door middel van eenvoudige, stabiele en kmo-vriendelijke belastingregels, waarbij het economisch herstel niet wordt belemmerd door een buitensporige belastingdruk;

Het huidige EU-beleid ter bestrijding van schadelijke belastingpraktijken in de Unie

1.

merkt op dat verschillende belastingschandalen, met name LuxLeaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en recenter de OpenLux-onthullingen, evenals publieke en parlementaire druk, de EU-beleidsagenda inzake schadelijke belastingpraktijken hebben bevorderd; benadrukt dat belastingontduiking en -ontwijking leiden tot een onaanvaardbaar verlies van belangrijke inkomsten voor de lidstaten, die momenteel nodig zijn om de verwoestende gevolgen van de pandemie het hoofd te bieden; herinnert aan de conservatieve ramingen van de OESO inzake grondslaguitholling en winstverschuiving, volgens dewelke jaarlijks 4 à 10 % van de inkomsten uit vennootschapsbelasting wereldwijd verloren gaan, oftewel 100 à 240 miljard USD (84 à 202 miljard EUR) per jaar (36); herinnert eraan dat de ramingen van het Parlement betreffende ontwijking van vennootschapsbelasting schommelen tussen 160 en 190 miljard EUR wanneer zowel grondslaguitholling en winstverschuiving als andere belastingregelingen in overweging worden genomen (37); roept de Commissie op om regelmatig de omvang van belastingontduiking en -ontwijking te beoordelen;

2.

is ingenomen met de substantiële maatregelen op EU- en internationaal niveau om de beginselen inzake fiscale transparantie te versterken, schadelijke belastingconcurrentie te bestrijden en te waarborgen dat maatregelen tegen schadelijke belastingpraktijken in acht worden genomen; is ingenomen met het interinstitutionele akkoord dat is bereikt over de wijziging van Richtlijn 2013/34/EU (38) wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (openbare verslaglegging per land); kijkt ernaar uit dat de Raad zijn standpunt in eerste lezing spoedig vaststelt zodat de richtlijn zo snel mogelijk kan worden aangenomen en in werking kan treden; wijst op de verscheidenheid aan EU-instrumenten die zijn aangenomen om schadelijke belastingpraktijken binnen de Unie aan te pakken, waaronder ATAD I en II, de interest- en royaltyrichtlijn, de moeder-dochterrichtlijn, de richtlijn betreffende administratieve samenwerking op het gebied van belastingen, en met name de DAC 3, 4 en 6 (over fiscale rulings, verslaglegging per land en regels inzake verplichte openbaarmaking voor intermediairs), de diverse aanbevelingen van de Commissie aan de Raad, de gedragscode, en de aanbevelingen van de Raad in het kader van het Europees semester inzake agressieve fiscale planning;

3.

herinnert eraan dat in de wetgeving van de Unie wordt voorzien in minimumnormen voor samenwerkingsacties en de uitwisseling van informatie op belastinggebied; is voorstander van verder overleg tussen de lidstaten om de administratieve samenwerking op belastinggebied te versterken; beklemtoont dat de nadruk moet liggen op de juiste uitvoering en monitoring van bestaande regels; benadrukt dat toereikende belastingniveaus en eenvoudige, duidelijke belastingwetten binnen de sociale markteconomie van de EU banen helpen scheppen, het concurrentievermogen van de EU verbeteren en bijdragen tot het bestrijden van belastingontduiking en belastingontwijking; erkent dat de lidstaten de discretionaire bevoegdheid hebben om hun belastingbeleid vast te stellen zoals zij dat willen, in het licht van hun eigen omstandigheden; herinnert er in dit verband aan dat de lidstaten hun bevoegdheden in overeenstemming met de Uniewetgeving moeten uitoefenen;

4.

merkt op dat er in de gedragscode wordt van uitgegaan dat belastingconcurrentie tussen landen niet per se problematisch is, maar dat er gemeenschappelijke beginselen moeten bestaan over de vraag in welke mate landen gebruik kunnen maken van hun belastingstelsel en -beleid om ondernemingen en winsten aan te trekken; benadrukt dat de Commissie erkent dat de belastingconcurrentie de voorbije twee decennia aanzienlijk van aard en van vorm is veranderd, dat de gedragscode niet is meegeëvolueerd met de nieuwe uitdagingen en dat de grenzen van wat nog rechtvaardig is, verder worden afgetast (39);

5.

is ingenomen met de interne en externe dimensie van de werkzaamheden van de Groep gedragscode inzake schadelijke belastingpraktijken; merkt op dat de externe dimensie van schadelijke belastingpraktijken voornamelijk door de Groep gedragscode wordt behandeld door de toepassing van het criterium inzake eerlijke belastingheffing; is van mening dat de procedure voor de opstelling van de EU-lijst moet worden herzien; beveelt aan om deze procedure te formaliseren in de EU-wetgeving, met name door middel van een bindend instrument; verzoekt de Commissie nadere informatie te verstrekken om de samenhang te beoordelen tussen de zwakke criteria inzake schadelijke belastingpraktijken die op de lidstaten worden toegepast en de strengere criteria, met name inzake economische substantie, die bij de opstelling van de lijst worden toegepast op rechtsgebieden van derde landen; benadrukt dat het transparantiecriterium ook bij de tenuitvoerlegging van de DAC-richtlijn door de lidstaten moet worden geëerbiedigd; merkt op dat de invloed van de Unie bij het bestrijden van belastingontduiking en schadelijke belastingpraktijken wereldwijd afhangt van het voorbeeld dat zij zelf binnen de EU geeft; is in dit verband ingenomen met de aankondiging over het opvoeren van de strijd tegen het misbruik van brievenbusmaatschappijen en kijkt uit naar het voorstel over materiële regels voor brievenbusmaatschappijen dat in de mededeling van de Commissie over belastingheffing van ondernemingen in de 21e eeuw wordt vermeld en dat gericht zal zijn op het aanpakken van agressieve fiscale planning die verband houdt met het gebruik van bedrijven met geen of minimale aanmerkelijke aanwezigheid en reële economische activiteit op een bepaald grondgebied;

6.

merkt op dat de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen sinds 1997 het belangrijkste instrument van de EU is om schadelijke belastingconcurrentie te voorkomen; herinnert eraan dat in 1998 binnen de OESO het forum schadelijke belastingmaatregelen is opgericht, dat de opdracht kreeg belastingpraktijken te monitoren en te evalueren, en hierbij bijzondere aandacht te besteden aan de kenmerken van preferentiële belastingregelingen; benadrukt dat de evaluaties van het forum een beslissende invloed hebben op de kwalificatie van schadelijke regelingen bij de opstelling van de EU-lijst; roept de Groep gedragscode op om bij de beoordeling van schadelijke belastingpraktijken onafhankelijk te blijven van het forum;

Aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden van de EU op het gebied van schadelijke belastingpraktijken

7.

is ingenomen met de voorgestelde hervorming van pijler 2 van het inclusief kader inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO/G20 (“inclusief kader”), die tot doel heeft de resterende uitdagingen inzake grondslaguitholling en winstverschuiving aan te pakken en regels vast te stellen waarmee rechtsgebieden belasting kunnen innen wanneer andere rechtsgebieden hun primaire heffingsbevoegdheid niet hebben uitgeoefend of wanneer een betaling aan een laag niveau van effectieve belastingheffing is onderworpen, met als doel schadelijke belastingpraktijken tegen te gaan en een effectieve belastingheffing op te leggen (40); kijkt in dit verband uit naar een wereldwijd bereikte consensus die aansluit bij het belang dat de Unie hecht aan eenvoudige en eerlijke belastingbeginselen en -normen;

8.

neemt nota van een nieuwe elan in de onderhandelingen over het inclusief kader van de OESO/G20 als gevolg van de recente voorstellen van de regering van de Verenigde Staten, evenals het recente akkoord over het inclusief kader en het communiqué van de ministers van Financiën van de G20, wat tegen midden 2021 een akkoord zou kunnen vergemakkelijken over pijler 2, waarbij meer dan 130 landen betrokken zijn; onderschrijft de toezegging van de G7 van 13 juni 2021 van een wereldwijde minimumbelasting van ten minste 15 % per land als basis voor verdere onderhandelingen, een toezegging die op 1 juli 2021 is herhaald in de verklaring inzake een tweepijleroplossing om de uitdagingen op belastinggebied aan te pakken die voortvloeien uit de digitalisering van de economie;

9.

roept de Commissie op om met een effectbeoordeling te komen van de toekomstige resultaten van de internationale onderhandelingen over belastingen; herinnert aan de toezegging van de Commissie om een soortgelijke oplossing als die van pijler 2 voor te stellen voor minimale effectieve belasting, ongeacht of er op het niveau van het inclusief kader van de OESO een akkoord wordt bereikt;

10.

dringt aan op de vaststelling van een definitie van “minimumniveau van economische substantie” die strookt met de mondiale norm van de OESO en latere werkzaamheden in verband met BEPS-actie 5, bij voorkeur op basis van een formulaire benadering, en die geleidelijk zou evolueren naarmate de gerapporteerde inkomsten toenemen; stelt voor om een dergelijk criterium te gebruiken om na te gaan of een belastingregeling mogelijk schadelijk is; herinnert eraan dat de Commissie in de mededeling over belastingheffing van ondernemingen in de 21e eeuw mogelijke nieuwe substantievereisten en indicatoren van reële economische activiteit met het oog op de belastingregels overweegt; wijst op de vereiste inzake economische substantie die reeds is opgenomen in het voor de EU-lijst gebruikte criterium inzake eerlijke belastingheffing; is echter van mening dat dit criterium ruimte laat voor interpretatie en te vaag is, aangezien het nog steeds mogelijk is beruchte belastingparadijzen na minimale hervormingen van de lijst te schrappen;

11.

verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor de opzet van eerlijke en transparante fiscale prikkels met minder risico op verstoring van de interne markt die eerlijke mededinging waarborgen en het scheppen van banen bevorderen, met name door te kijken naar het type (gebaseerd op winst of op kosten), de duur (tijdelijk of definitief), de geografische beperking (economische zones) en de intensiteit (volledige of gedeeltelijke vrijstellingen) van dergelijke prikkels; neemt kennis van een studie in opdracht van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven en de impact daarvan op inkomsten en groei (41);

12.

is ingenomen met het feit dat de Commissie erkent dat een toekomstige wereldwijde minimumbelastingnorm in de gedragscode moet worden overwogen, ongeacht of er op mondiaal niveau een consensus wordt bereikt, teneinde te verzekeren dat alle bedrijven een redelijk bedrag aan belastingen betalen wanneer zij op de interne markt winst genereren (42); merkt op dat de Commissie in haar recente mededeling over belastingheffing van ondernemingen in de 21e eeuw wetgevingsvoorstellen heeft aangekondigd die nodig zijn voor de uitvoering van pijler 2 op het niveau van de Unie, met inbegrip van een herziening van ATAD om de regels voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen aan te passen aan de overeengekomen “Income Inclusion Rule” in pijler 2, de herschikking van de interest- en royaltyrichtlijn, de hervorming van de gedragscode en de opname van pijler 2 in de toetsingscriteria voor derde landen die bij het opstellen van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden worden gebruikt; roept de Commissie in dit verband op om te garanderen dat de uitvoeringsvoorschriften inzake een minimaal effectief belastingtarief zo worden opgezet dat ze niet met buitensporige nalevingskosten gepaard gaan; onderkent dat het nationale effectieve belastingtarief van grote ondernemingen overeenkomstig de logica van het huidige pijler 2-voorstel niet lager mag zijn dan het minimale belastingtarief;

13.

herinnert eraan dat het voorstel tot wijziging van de interest- en royaltyrichtlijn sinds 2012 geblokkeerd is in de Raad, met name vanwege een meningsverschil over een minimale bronbelasting; verzoekt de Raad en het voorzitterschap om de onderhandelingen in dit verband te heropenen;

14.

benadrukt dat multinationale ondernemingen moeten worden belast op basis van een billijke en doeltreffende formule voor de toewijzing van belastingrechten tussen lidstaten; betreurt in dit verband dat de Raad niet heeft ingestemd met de voorstellen inzake een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting; spoort de Commissie aan om het tijdschema voor het toekomstige Befit-wetgevingsvoorstel af te stemmen op de internationale belastingagenda; maakt zich zorgen over het ontbreken van een duidelijke strategie om ervoor te zorgen dat het nieuwe kader voor de belastingregeling voor ondernemingen in de Unie door de lidstaten wordt gesteund;

15.

benadrukt dat hoewel de vennootschapsbelastingtarieven een neerwaartse tendens vertonen, de inning van vennootschapsbelasting als percentage van het bbp volgens het Internationaal Monetair Fonds (43) in de loop der tijd opvallend constant is gebleven;

16.

dringt erop aan dat bij de toekomstige tenuitvoerlegging van nieuwe EU-instrumenten tegen schadelijke belastingpraktijken voorrang moet worden gegeven aan het gebruik van bindende instrumenten, en alle door het VWEU geboden mogelijkheden moeten worden onderzocht om de besluitvorming efficiënter te maken; herinnert eraan dat de in artikel 116 VWEU vastgestelde procedure kan worden toegepast wanneer schadelijke belastingpraktijken de mededinging op de interne markt verstoren en dat deze Verdragsbepaling geen afbreuk doet aan de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten;

17.

verzoekt de Commissie de doeltreffendheid van octrooiboxen en andere intellectuele-eigendomsregelingen te evalueren in het kader van de nieuwe nexusbenadering die wordt omschreven in actie 5 betreffende schadelijke belastingpraktijken van het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving, met inbegrip van de impact op inkomstenderving; roept de Commissie op om met voorstellen te komen indien uit de evaluatie blijkt dat intellectuele-eigendomsregelingen geen impact hebben op reële economische activiteiten; merkt op dat de Amerikaanse regering voorstelt om zijn FDII-regeling (“Foreign-Derived Intangible Income”) in te trekken;

18.

benadrukt dat het fiscaal beleid van de lidstaten wordt gemonitord via het Europees semester; is van mening dat het Europees semester verder kan worden ontwikkeld als instrument om agressieve fiscale planning in de EU tegen te gaan via gerichte landspecifieke aanbevelingen;

Hervorming van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen

19.

is ingenomen met het feit dat de Groep gedragscode sinds de oprichting ervan 480 regelingen heeft beoordeeld, waarvan er ongeveer 130 (44) als schadelijk (45) zijn aangemerkt; erkent dat de collegiale toetsing van nationale belastingstelsels, die is uitgevoerd in het kader van de gedragscode, heeft bijgedragen tot het terugdringen van schadelijke belastingconcurrentie en heeft geleid tot een vermindering van het aantal preferentiële belastingregelingen in de Unie; verwacht mogelijk een soortgelijk effect op mondiaal niveau via de opstelling van de EU-lijst; waarschuwt echter voor de ontwikkeling van schadelijke niet-preferentiële regelingen; is dan ook van mening dat de huidige criteria in de gedragscode aan de hand waarvan schadelijke belastingpraktijken worden gedefinieerd, deels achterhaald zijn omdat ze te zeer gericht zijn op preferentiële regelingen; benadrukt dat de effectiviteit van de gedragscode moet worden verbeterd, gelet op de recente belastingschandalen en uitdagingen als mondialisering, digitalisering en het toenemende belang van immateriële activa;

20.

dringt er bij de Groep gedragscode op aan de huidige reikwijdte van zijn mandaat volledig te benutten; nodigt de Raad echter uit om de reikwijdte van het mandaat onverwijld en waar passend te blijven hervormen, en om met name per lidstaat alle indicatoren inzake agressieve fiscale planning te onderzoeken, met inbegrip van de algemene kenmerken van belastingstelsels, om te bepalen of de wetgeving van dat land schadelijke belastingmaatregelen omvat; verzoekt de Raad in dit verband om gevolg te geven aan de mededeling van de Commissie van juli 2020 over goed fiscaal bestuur in de EU en daarbuiten, waarin een hervorming van de gedragscode wordt bepleit met het oog op eerlijke belastingheffing in de EU; merkt op dat dit reeds gedeeltelijk wordt gedaan door de Groep gedragscode, met name voor regelingen inzake notionele interestaftrek en vrijstellingsregelingen voor inkomsten uit het buitenland, evenals in het kader van de opstelling van de EU-lijst;

21.

benadrukt dat de gedragscode een instrument van zachte wetgeving is dat tot doel heeft een EU-belastingkader te behouden dat een gelijk speelveld op belastinggebied mogelijk maakt op basis van collegiale toetsing en groepsdruk; betreurt echter dat de gedragscode niet bindend is; merkt op dat de lidstaten de intrekking van schadelijke regelingen kunnen uitstellen en dergelijke regelingen zelfs kunnen handhaven zonder hiervan gevolgen te ondervinden; dringt erop aan dat de documentatie in verband met de besluitvorming over de gedragscode openbaar wordt gemaakt;

22.

pleit voor een herziening van de criteria, het bestuur en het toepassingsgebied van de gedragscode door middel van een bindend instrument dat voortbouwt op de huidige intergouvernementele regelingen en dat een efficiëntere besluitvormingsprocedure omvat; is van mening dat bij de herziening van de gedragscode gebruik moet worden gemaakt van een democratisch, transparant en controleerbaar proces en een deskundigengroep moet worden betrokken die bestaat uit deskundigen uit het maatschappelijk middenveld, de Commissie en het Parlement; dringt erop aan dat het herziene instrument op transparantere en doeltreffendere wijze wordt toegepast en dat het Parlement voldoende wordt betrokken bij het ontwikkelen en vaststellen van nieuwe beleidsmaatregelen en criteria ter bestrijding van schadelijke belastingpraktijken;

23.

is van mening dat de criteria van de gedragscode dringend moeten worden hervormd en in de eerste plaats een criterium inzake een effectief belastingtarief moeten omvatten dat in overeenstemming is met het toekomstige internationaal overeengekomen minimale effectieve belastingtarief in het kader van pijler 2 van het inclusief kader, evenals strikte en progressieve vereisten inzake economische substantie en dat eerlijke mededinging mogelijk moet worden gemaakt, hetgeen de best mogelijke uitkomst zou zijn van ambitieuze inspanningen, hoofdzakelijk onder leiding van de Unie en de Verenigde Staten als haar belangrijkste partner;

24.

is van mening dat een breed scala van potentiële risicofactoren winstverschuiving mogelijk zou kunnen vergemakkelijken, zoals het aantal special purpose entities, de verplaatsing van immateriële activa en hoge niveaus van passieve inkomsten (royalty’s, rente, dividenden enz.);

25.

steunt het in het actieplan voor billijke en eenvoudige belastingheffing ter ondersteuning van de herstelstrategie uiteengezette voornemen van de Commissie om het toepassingsgebied van de gedragscode uit te breiden en er andere soorten regelingen en algemene aspecten van de nationale vennootschapsbelastingstelsels in op te nemen; pleit voor de opname van preferentiële regimes voor inkomstenbelasting en van speciale burgerschapsregelingen of maatregelen om zeer mobiele rijke personen en digitale nomaden aan te trekken, die kunnen leiden tot aanzienlijke verstoringen van de eengemaakte markt;

26.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen om ter vervanging van de huidige gedragscode een kader voor agressieve belastingregelingen en lage tarieven (Framework on Aggressive Tax Arrangements and Low-rates — FATAL) in te stellen en wel als volgt:

A.

Onverminderd de respectieve bevoegdheidsgebieden van de lidstaten en de Unie heeft dit kader betrekking op maatregelen die een aanzienlijke invloed hebben of kunnen hebben op de locatie van zakelijke activiteiten in de Unie en de verplaatsing van persoonlijk inkomen en kapitaal (regelingen voor personenbelasting).

Zakelijke activiteiten omvatten in dit verband tevens alle activiteiten die binnen een groep van ondernemingen worden uitgeoefend.

De belastingmaatregelen waarop het kader betrekking heeft, omvatten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijken.

B.

Binnen het in punt A omschreven toepassingsgebied worden belastingmaatregelen die voorzien in een beduidend lager effectief belastingniveau, inclusief belasting tegen nultarief, dan het niveau dat normaal gesproken van toepassing is in de betrokken lidstaat, of in een lager niveau dan het minimale effectieve belastingniveau dat is overeengekomen in het inclusieve kader inzake grondslaguitholling en winstverschuiving of in een internationaal forum waarin de EU vertegenwoordigd is, beschouwd als potentieel schadelijk en vallen zij derhalve onder deze code (primair criterium).

Een dergelijk belastingniveau kan via het nominale belastingtarief en/of de belastinggrondslag of andere relevante factoren voor het bepalen van het effectieve belastingtarief tot stand komen.

Bij de beoordeling of dergelijke maatregelen schadelijk zijn, wordt onder andere rekening gehouden met de volgende criteria:

1.

of de voordelen uitsluitend aan niet-ingezetenen of voor transacties met niet-ingezetenen worden toegekend; dan wel

2.

of de voordelen geheel losstaan van de binnenlandse economie, zodat zij geen gevolgen hebben voor de nationale belastinggrondslag; dan wel

3.

of de voordelen ook worden toegekend als er geen sprake is van reële economische activiteit en aanmerkelijke economische aanwezigheid in de lidstaat die deze voordelen aanbiedt, overeenkomstig de definitie van de Europese Commissie en op basis van een evenredige vereiste inzake substantie die geleidelijk evolueert naarmate de gerapporteerde inkomsten in de betrokken lidstaat toenemen. In dit verband zal bijzondere aandacht worden besteed aan intellectuele-eigendomsregelingen;

4.

of de regels voor het bepalen van de winst uit de activiteiten van een multinationale groep van ondernemingen afwijken van de internationaal aanvaarde beginselen, met name van de in de OESO overeengekomen regels; dan wel

5.

of de belastingmaatregelen onvoldoende transparant zijn, inclusief gevallen waar de wettelijke voorschriften op bestuursrechtelijk niveau op ondoorzichtige wijze minder stringent worden toegepast.

C.

Binnen het in punt A omschreven toepassingsgebied worden preferentiële regelingen inzake inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting die leiden tot een beduidend lager effectief belastingniveau, inclusief belasting tegen nultarief, dan het niveau dat normaal gesproken van toepassing is in de betrokken lidstaat beschouwd als potentieel schadelijk en vallen zij derhalve onder deze code. Ook kunnen algemene regelingen inzake personenbelasting en vermogensbelasting die kunnen leiden tot de verstoring van de interne markt onder het toepassingsgebied vallen en worden beoordeeld.

Standstill en terugdraaiing

Standstill

D.

De lidstaten verbinden zich ertoe geen nieuwe belastingmaatregelen in te voeren die schadelijk zijn in de zin van dit kader. Derhalve eerbiedigen de lidstaten bij het bepalen van hun toekomstige beleid de aan dit kader ten grondslag liggende beginselen en houden zij bij het beoordelen of nieuwe belastingmaatregelen al dan niet schadelijk zijn naar behoren rekening met de in de punten E tot en met I bedoelde toetsingsprocedure.

Terugdraaiing

E.

De lidstaten verbinden zich ertoe hun bestaande wetgeving en gevestigde praktijken opnieuw te beoordelen en daarbij rekening te houden met de aan dit kader ten grondslag liggende beginselen en de in de punten E tot en met I uiteengezette toetsingsprocedure. Indien nodig wijzigen de lidstaten dergelijke wetten en praktijken teneinde schadelijke maatregelen zo snel mogelijk af te schaffen, rekening houdend met de besprekingen van de Raad en de Commissie naar aanleiding van de toetsingsprocedure.

Toetsingsprocedure

Verstrekking van relevante informatie

F.

Overeenkomstig de beginselen van transparantie en openheid informeren de lidstaten elkaar en de Commissie over bestaande en voorgestelde belastingmaatregelen die binnen het toepassingsgebied van dit kader kunnen vallen. De lidstaten wordt met name verzocht om op verzoek van een andere lidstaat informatie te verstrekken over belastingmaatregelen die binnen het toepassingsgebied van dit kader lijken te vallen. Wanneer beoogde belastingmaatregelen door het parlement moeten worden goedgekeurd, dient dergelijke informatie pas te worden verstrekt na de bekendmaking in het parlement. De regelingen die binnen het toepassingsgebied van het kader worden geëvalueerd, worden ter informatie aan het Europees Parlement meegedeeld.

Onderzoek van schadelijke maatregelen

G.

Iedere lidstaat kan verzoeken om een belastingmaatregel van een andere lidstaat die binnen het toepassingsgebied van het kader kan vallen, te bespreken en er opmerkingen over te maken. Zo kan worden beoordeeld of de belastingmaatregelen in kwestie schadelijk zijn in het licht van de gevolgen die zij in de Unie kunnen hebben. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met alle in de punten B en C genoemde factoren.

H.

De Raad wijst tevens op de noodzaak om in die beoordeling zorgvuldig te evalueren welke effecten de belastingmaatregelen op de andere lidstaten hebben, onder andere in het licht van de daadwerkelijke belastingheffing op de betrokken activiteiten in de gehele Unie.

Voor zover de belastingmaatregelen gebruikt worden om de economische ontwikkeling van bepaalde regio’s te ondersteunen, wordt beoordeeld of de maatregelen in verhouding staan tot en gericht zijn op het beoogde doel. Bij de beoordeling hiervan wordt in het geval van de ultraperifere gebieden en kleine eilanden bijzondere aandacht besteed aan speciale kenmerken en beperkingen, zonder de integriteit en samenhang van de rechtsorde van de Unie, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid, te ondermijnen. Bij een dergelijke beoordeling wordt rekening gehouden met de progressieve vereisten inzake minimale aanmerkelijke economische aanwezigheid zoals bepaald in punt B.

Procedure

I.

De Raad en de Commissie richten samen een groep op om de belastingmaatregelen die binnen het toepassingsgebied van dit kader kunnen vallen te beoordelen en toezicht te houden op de verstrekking van informatie over die maatregelen. De Raad nodigt elke lidstaat en de Commissie uit om een vertegenwoordiger op hoog niveau en een plaatsvervanger te benoemen voor deze groep, die wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van een lidstaat. De groep komt regelmatig samen en selecteert en toetst de te beoordelen belastingmaatregelen overeenkomstig de in de punten E tot en met G vastgestelde bepalingen. De groep brengt regelmatig verslag uit over de beoordeelde maatregelen. Deze verslagen worden voor beraadslaging gestuurd naar de Raad en indien de Raad dat beslist, worden deze gepubliceerd. De documenten worden op verzoek voorgelegd aan het Parlement en worden openbaar gemaakt zodra de toetsingsprocedure is afgerond.

Handhaving

J.

Indien een lidstaat verzuimt om binnen twee jaar een regeling terug te draaien die in de context van dit kader als schadelijk is aangemerkt, hebben de lidstaten het recht om tegenmaatregelen te treffen om de stimulansen om belastingen te ontwijken tegen te gaan, en met name:

a)

niet-aftrekbaarheid van kosten;

b)

maatregelen inzake bronbelasting;

c)

beperking van de vrijstelling voor deelnemingen;

d)

speciale documentatievereisten, met name betreffende verrekenprijzen.

Geografische reikwijdte

K.

De Raad acht het wenselijk dat de beginselen die gericht zijn op het afschaffen van schadelijke belastingmaatregelen op een zo breed mogelijke geografische basis worden aangenomen. Daartoe verbinden de lidstaten zich ertoe de aanneming ervan in derde landen te bevorderen; zij verbinden zich er ook toe de aanneming ervan te bevorderen in gebieden waar het Verdrag niet van toepassing is. In dit verband gaan de Raad en de Commissie uit van criteria inzake fiscale transparantie, eerlijke belastingheffing en de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving teneinde een EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden op te stellen. Het criterium inzake eerlijke belastingheffing wordt gebaseerd op de in de punten B en C van dit kader genoemde factoren.

L.

De lidstaten met afhankelijke of geassocieerde gebieden of met speciale bevoegdheden of fiscale voorrechten ten aanzien van andere gebieden verbinden zich ertoe om er in het kader van hun grondwettelijke regelingen voor te zorgen dat deze beginselen in die gebieden worden toegepast. In dit verband maken die lidstaten de balans op van de situatie in de vorm verslagen aan de in punt H bedoelde groep, die deze in het kader van de hierboven omschreven toetsingsprocedure zal beoordelen.

Monitoring en herziening

M.

Teneinde een evenwichtige en doeltreffende toepassing van het kader te waarborgen, verzoekt de Raad de Commissie om jaarlijks verslag aan hem uit te brengen over de toepassing van het kader en van fiscale staatssteun. Het verslag wordt openbaar gemaakt. Twee jaar na de aanneming ervan herzien de Raad en de lidstaten de bepalingen van het kader;

27.

is ingenomen met de gedachtewisseling met Lyudmila Petkova, voorzitter van de Groep gedragscode, gehouden op 19 april 2021; nodigt de voorzitter van de Groep gedragscode uit om ten minste een keer per jaar deel te nemen aan een openbare hoorzitting voor het Parlement en om het voortgangsverslag voor te leggen aan de Raad;

28.

is ingenomen met de publicatie van de halfjaarlijkse verslagen van de Groep gedragscode aan de Raad; is van mening dat er een specifiek online instrument moet worden gecreëerd om te voorkomen dat men voor het verkrijgen van essentiële informatie over het belastingbeleid op EU-niveau alleen kan uitgaan van de conclusies van de Raad; waardeert de inspanningen die zijn geleverd om documenten en werk in verband met de Groep gedragscode vrij te geven; roept op om de openbare informatie beschikbaar te stellen op een gebruiksvriendelijk platform;

29.

roept de Groep gedragscode op om leden van het Europees Parlement als waarnemers uit te nodigen bij de besprekingen van de Groep gedragscode; spoort de Groep gedragscode aan om sommige vergaderingen te streamen voor het grote publiek wanneer het niet gaat om vertrouwelijke beraadslagingen;

o

o o

30.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  Bijlage I bij de Conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van 1 december 1997 inzake het belastingbeleid — Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2).

(2)  https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/03/08/ecofin-conclusions-code-conduct-business-taxation/

(3)  https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6004-2021-INIT/en/pdf

(4)  PB C 331 van 7.10.2020, blz. 3 en PB C 66 van 26.2.2021, blz. 40.

(5)  PB C 162 van 10.5.2019, blz. 182.

(6)  PB C 162 van 10.5.2019, blz. 152.

(7)  PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.

(8)  PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.

(9)  PB C 108 van 26.3.2021, blz. 8.

(10)  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 74.

(11)  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(12)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0022.

(13)  De gezamenlijke follow-up van de resolutie van het Europees Parlement (Commissie economische en monetaire zaken) met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie en de resolutie van het Europees Parlement (Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 1)) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, aangenomen door de Commissie op 16 maart 2016; de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement (Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAX2)) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, aangenomen door de Commissie op 16 november 2016; de follow-up van de niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement (Enquêtecommissie voor vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PANA)) van 12 december 2017 over de ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, aangenomen door de Commissie in april 2018; en de follow-up van 27 augustus 2019 van de resolutie van het Europees Parlement (Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3)) over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking.

(14)  Taxation Papers, werkdocument nr. 64 van 31 augustus 2016, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/taxation_customs/system/files/2016-11/taxation_paper_64.pdf

(15)  Tax Papers, werkdocument nr. 71 van het Instituut voor geavanceerde studies in samenwerking met het Centraal Planbureau en het Dondena-centrum, 2017, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/taxation_customs/system/files/2018-03/taxation_papers_71_atp_.pdf

(16)  Kiendl Krišto, I. en Thirion, E., An overview of shell companies in the European Union, Europees Parlement, directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, afdeling Evaluatie achteraf en afdeling Europese Meerwaarde, 17 oktober 2018, beschikbaar op: https://www.europarl.europa.eu/cmsdata/155724/EPRS_STUD_627129_Shell%20companies%20in%20the%20EU.pdf

(17)  https://www.un.org/pga/75/wp-content/uploads/sites/100/2021/02/FACTI_Panel_Report-compressed.pdf

(18)  https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12999-Belastingontwijking-bestrijding-van-het-gebruik-van-brievenbusmaatschappijen-en-constructies-voor-belastingdoeleinden_nl

(19)  Crivelli, E., De Mooij, R., De Vrijer, J.E.J., Hebous, S., Klemm, A., Taxing Multinationals in Europe, 2021 (https://www.imf.org/en/Publications/Departmental-Papers-Policy-Papers/Issues/2021/05/25/Taxing-Multinationals-in-Europe-50129)

(20)  PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.

(21)  PB L 144 van 7.6.2017, blz. 1.

(22)  PB L 157 van 26.6.2003, blz. 49.

(23)  PB L 345 van 29.12.2011, blz. 8.

(24)  PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1.

(25)  PB L 332 van 18.12.2015, blz. 1.

(26)  PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8.

(27)  PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1.

(28)  Annual Report on Taxation 2021 — Review of taxation policies in the EU Member States (https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/db46de2a-b785-11eb-8aca-01aa75ed71a1/language-en).

(29)  OESO (2015), Countering Harmful Tax Practices More Effectively, Taking into Account Transparency and Substance, Action 5, eindverslag 2015, project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO/G20, OECD Publishing, Parijs, beschikbaar op: http://dx.doi.org/10.1787/9789264241190-en

(30)  IMF-verslag, Taxing Multinationals in Europe, 2021, beschikbaar op: https://www.imf.org/en/Publications/Departmental-Papers-Policy-Papers/Issues/2021/05/25/Taxing-Multinationals-in-Europe-50129

(31)  Beschikbaar op: https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/0044caf0-58ff-4be6-bc06-be2af6610870

(32)  Tørsløv, T., Wier, L., en Zucman, G., The Missing Profits of Nations, werkpaper, april 2020, beschikbaar op: https://missingprofits.world/

(33)  IMF, op.cit. 2021.

(34)  Amerikaans-Samoa; Anguilla; Dominica; Fiji; Guam; Palau; Panama; Samoa; Trinidad en Tobago; Amerikaanse Maagdeneilanden; Vanuatu; de Seychellen.

(35)  Europese Commissie, Annual Report on Taxation 2021.

(36)  https://www.oecd.org/tax/beps/

(37)  Drover, R., Ferrett, B., Gravino, D., Jones, E. en Merler, S., Bringing transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union, Europees Parlement, directoraat-generaal Parlementair Onderzoek, afdeling Europese Meerwaarde, 24 november 2015. Beschikbaar op: https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/558773/EPRS_STU(2015)558773_EN.pdf

(38)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(39)  COM(2020)0313.

(40)  Project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO/G20, Tax Challenges Arising from Digitalisation — Report on Pillar One Blueprint: Inclusive Framework on BEPS, OECD Publishing, Parijs, 2020, blz. 12. Beschikbaar op: https://www.oecd.org/tax/beps/tax-challenges-arising-from-digitalisation-report-on-pillar-two-blueprint.pdf

(41)  Baert, P., Lange. F., Watson, J., The Role of Taxes on Investment to Increase Jobs in the EU — An Assessment of Recent Policy Developments in the Field of Corporate Taxes, mei 2019.

(42)  COM(2020)0313.

(43)  https://www.elibrary.imf.org/view/journals/087/2021/012/article-A001-en.xml

(44)  Gedachtewisseling van de Subcommissie belastingaangelegenheden (FISC) met Lyudmila Petkova, voorzitter van de Groep gedragscode, gehouden op 19 april 2021.

(45)  https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9639-2018-REV-4/en/pdf


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/179


P9_TA(2021)0417

De mensenrechtensituatie in Myanmar, waaronder de situatie van religieuze en etnische groepen

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de mensenrechtensituatie in Myanmar, met inbegrip van de situatie van religieuze en etnische groepen (2021/2905(RSP))

(2022/C 132/14)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en over de situatie van de Rohingya, met name die van 22 november 2012 (1), 20. april 2012 (2), 20 mei 2010 (3), 25 november 2010 (4), 7 juli 2016 (5), 15 december 2016 (6), 14 september 2017 (7), 14 juni 2018 (8), 13 september 2018 (9), 19 september 2019 (10) en 11 februari 2021 (11),

gezien de conclusies van de Raad van 22 februari 2021 over Myanmar,

gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 23 maart 2021 over de ontsporing van het geweld in Myanmar, en van 19 april 2021, 30 april 2021, 12 mei 2021 en 27 juli 2021 over de situatie in Myanmar,

gezien de verklaring van 30 april 2021 van de VV/HV namens de EU over de uitkomst van de bijeenkomst van de leiders van de Asean,

gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 3 maart 2021 over aanhoudende mensenrechtenschendingen door het leger, en van 23 mei 2021 over de recentste gebeurtenissen in Myanmar,

gezien Besluit (GBVB) 2021/1000 van de Raad van 21 juni 2021 tot wijziging van Besluit 2013/184/GBVB inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Myanmar (12),

gezien Besluit (GBVB) 2021/711 van de Raad van 29 april 2021 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Myanmar (13),

gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,

gezien artikel 34 van de grondwet van Myanmar van 2008, waarin de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging wordt erkend en burgers het recht wordt gegarandeerd om hun godsdienst vrij te belijden,

gezien de consensus in vijf punten die de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten op 24 april 2021 heeft bereikt,

gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 31 augustus 2021 over de mensenrechtensituatie voor Rohingya-moslims en andere minderheden in Myanmar,

gezien resolutie 75/287 van 18 juni 2021 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie in Myanmar,

gezien het verslag van 22 augustus 2019 van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie van de VN over Myanmar en met name over seksueel en gendergerelateerd geweld in Myanmar en de gevolgen op gendergebied van de etnische conflicten in het land,

gezien de verslagen van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, en gezien de verslagen van het toezichtmechanisme van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 16 september 2021 over de mensenrechtensituatie in Myanmar,

gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 23 september 2021 over Myanmar,

gezien de verklaring van 22 september 2021 van Thomas H. Andrews, speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Myanmar,

gezien de verslagen van de VN-Mensenrechtenraad over Myanmar en de mensenrechtensituatie voor Rohingya-moslims en andere minderheden,

gezien het verslag van het onafhankelijk onderzoeksmechanisme voor Myanmar van 1 juli 2021,

gezien het eindverslag en de aanbevelingen van de adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine (Annan-verslag),

gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 23 januari 2020 over het verzoek van de Republiek Gambia om voorlopige maatregelen te nemen in de zaak betreffende de toepassing van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Gambia vs Myanmar),

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

gezien het VN-Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide uit 1948,

gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het leger van Myanmar, bekend onder de naam Tatmadaw, op 1 februari 2021 president Win Myint en staatsadviseur Aung San Suu Kyi, alsook vooraanstaande regeringsleden hebben gearresteerd, via een staatsgreep de wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht in handen hebben genomen en voor de duur van een jaar de noodtoestand hebben uitgeroepen, hetgeen neerkomt op een duidelijke schending van de grondwet van Myanmar; overwegende dat de opperbevelhebber van het leger, Min Aung Hlaing, in augustus 2021 aankondigde dat hij zichzelf tot premier benoemde en meedeelde dat de noodtoestand werd verlengd tot augustus 2023;

B.

overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar in een officiële verklaring heeft aangegeven dat de wijdverbreide en systematische aanvallen van de militaire junta op de bevolking van Myanmar waarschijnlijk neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in het kader van het internationaal recht; overwegende dat de speciale rapporteur van de VN uitdrukkelijk heeft verklaard dat de ontwerpers en uitvoerders van de staatsgreep en deze schendingen ter verantwoording moeten worden geroepen;

C.

overwegende dat de militaire junta in mei 2021 eerste stappen heeft gezet om de politieke partij van Aung San Suu Kyi, die tot de staatsgreep van februari 2021 deel uitmaakte van de regering, te ontbinden;

D.

overwegende dat het comité ter vertegenwoordiging van de Pyidaungsu Hluttaw (CRPH) en de regering van nationale eenheid (NUG) zijn opgericht om de democratische wensen van de bevolking van Myanmar te behartigen;

E.

overwegende dat er als reactie op de staatsgreep in meerdere steden in Myanmar vreedzame protesten en demonstraties zijn gehouden; overwegende dat politici, overheidsambtenaren, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, geestelijken, vreedzame protesteerders en schrijvers sinds 1 februari 2021 onwettig zijn opgepakt of onder huisarrest zijn geplaatst; overwegende dat in het laatste verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN staat dat sinds de staatsgreep meer dan 1 120 mensen het leven hebben gelaten en de militaire autoriteiten ruim 8 000 mensen hebben gearresteerd, waaronder honderden politici, activisten en ambtenaren; overwegende dat 312 mensen door een rechtbank zijn berecht en dat 26 van hen, waaronder twee kinderen, ter dood zijn veroordeeld; overwegende dat naar verluidt minstens 120 gevangenen zijn omgekomen; overwegende dat de junta in juli 2021 al minstens 75 kinderen had gedood;

F.

overwegende dat het leger tegelijkertijd nog harder is gaan optreden tegen de media in Myanmar en een toenemend aantal journalisten willekeurig heeft gearresteerd, opgesloten en in beschuldiging gesteld, met als doel de media de mond te snoeren en de vrijheid van meningsuiting uit te bannen; overwegende dat de junta steeds meer gebruik maakt van bewakings- en censuurinstrumenten en beperkingen instelt op telecommunicatie en het internet;

G.

overwegende dat mensen die in hechtenis zitten wegens hun deelname aan prodemocratische demonstraties, op grote schaal worden gefolterd; overwegende dat het hierbij onder meer gaat om slagen, schijnexecuties met wapens, verbranding met sigaretten, verkrachting en dreigementen van verkrachting; overwegende dat foltering door de politie al eerder een probleem was in Myanmar, maar dat de Tatmadaw tegenwoordig systematisch dreigt met foltering, als een tactiek om de oppositie te onderdrukken;

H.

overwegende dat de junta in toenemende mate gebruik maakt van collectieve straffen en bijvoorbeeld de familieleden ontvoert van personen tegen wie een arrestatiebevel is uitgevaardigd maar die onvindbaar blijven voor de politie en het leger; overwegende dat er ook kinderen, soms nog peuters, worden gedood of ontvoerd, waarschijnlijk om hun ouders te dwingen zich over te leveren aan de autoriteiten;

I.

overwegende dat bepaalde etnische minderheden aanhanger zijn van het christendom (6,3 % van de bevolking, met name de Chin-, Kachin- en Karen-volkeren), de islam (2,1 %, hoofdzakelijk de Rohingya, Birmese Maleiers, inwoners van Rangoon en andere minderheden) en het hindoeïsme (0,5 %, voornamelijk Birmese Indiërs);

J.

overwegende dat de religieuze en etnische minderheden in Myanmar het slachtoffer zijn van schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en van andere mensenrechten;

K.

overwegende dat kerken worden gebombardeerd en geplunderd en dat priesters en predikanten worden gearresteerd; overwegende dat de legertroepen ook kampen hebben opgeslagen in kerkgebouwen en de functie van deze gebouwen als heilige toevluchtsoorden voor mensen in nood aldus nog meer ondermijnen;

L.

overwegende dat er in Myanmar talrijke etnische groepen leven; overwegende dat interne conflicten de afgelopen decennia tot de tragische dood van duizenden mensen hebben geleid;

M.

overwegende dat de Rohingya in de wet op het staatsburgerschap van Myanmar als “niet-onderdanen” of “buitenlandse ingezetenen” worden bestempeld, waardoor zij geen staatsburger kunnen zijn en hun situatie nog hachelijker wordt; overwegende dat de vervolging van de Rohingya-minderheid ondanks talrijke oproepen van de internationale gemeenschap nog altijd aan de gang is;

N.

overwegende dat de ruwweg 600 000 resterende Rohingya in de deelstaat Rakhine het slachtoffer zijn van aanhoudende discriminerende beleidsmaatregelen en praktijken, systematische schendingen van hun grondrechten, willekeurige arrestaties en opsluiting in overbevolkte kampen, en slechts heel beperkt toegang hebben tot onderwijs en gezondheidszorg; overwegende dat de onderdrukking van de Rohingya neerkomt op misdaden tegen de menselijkheid;

O.

overwegende dat de Rohingya en andere etnische minderheden, en dan vooral de vrouwen en meisjes uit deze bevolkingsgroepen, nog altijd een groot risico lopen op seksueel geweld, met name in de context van het aanslepende conflict tussen de Tatmadaw en het leger van Arakan;

P.

overwegende dat de humanitaire crisis in Myanmar verslechtert: alleen al in 2021 zijn meer dan 210 000 mensen intern ontheemd; de afgelopen acht maanden is het aantal mensen dat humanitaire hulp nodig heeft, verdrievoudigd tot drie miljoen; en de helft van de bevolking, dat wil zeggen ongeveer 20 miljoen mensen, leeft onder de armoedegrens;

Q.

overwegende dat de secretaris-generaal van de VN heeft gewaarschuwd voor het risico van een grootschalig gewapend conflict en heeft verklaard dat een collectief optreden noodzakelijk is om een in veel opzichten rampzalige situatie in en rond het centrum van Zuidoost-Azië te voorkomen;

R.

overwegende dat volgens het Wereldvoedselprogramma 6,2 miljoen mensen in Myanmar bedreigd worden door voedselonzekerheid en honger, terwijl dat er vóór de militaire staatsgreep “slechts”2,8 miljoen waren;

S.

overwegende dat de humanitaire situatie in Myanmar bovendien nog is verergerd door de COVID-19-crisis; overwegende dat de massale en willekeurige opsluiting van protesteerders, de overbevolkte gevangenissen en de algemene verwaarlozing van de gezondheid van gevangenen een rol hebben gespeeld in de toename van het aantal COVID-19-besmettingen;

T.

overwegende dat het leger de maatregelen tegen COVID-19 heeft aangewend om hard op te treden tegen prodemocratische activisten, mensenrechtenactivisten en journalisten; overwegende dat het recht op gezondheidszorg wordt ondergraven; overwegende dat de junta ziekenhuizen heeft gesloten en medische beroepsbeoefenaars in het vizier heeft genomen, met als gevolg dat het gezondheidsstelsel tijdens de COVID-19-epidemie in het land is ingestort; overwegende dat het leger medische benodigdheden en uitrusting hebben vernietigd en ettelijke medische infrastructuren hebben bezet, en dat de bevolking van Myanmar daardoor uit angst om te worden opgesloten of neergeschoten geen medische hulp zoekt;

U.

overwegende dat de Tatmadaw en zijn generaals illegaal geld verdienen met de onwettelijke verkoop van hout, edelstenen, aardgas en -olie, en van alle kanten worden beschuldigd van corruptie;

V.

overwegende dat de VN heeft laten weten dat het humanitaire responsplan 2021 van de VN voor Myanmar tot nog toe slechts 46 % van de nodige fondsen heeft ontvangen en dat de humanitaire operaties te lijden hebben onder een enorm gebrek aan financiering;

1.

veroordeelt ten stelligste de staatsgreep door de Tatmadaw die plaatsvond op 1 februari 2021 onder leiding van opperbevelhebber Min Aung Hlaing; roept de Tatmadaw op de uitslag van de democratische verkiezingen van november 2020 volledig te eerbiedigen, de burgerregering onverwijld opnieuw te installeren, de noodtoestand te beëindigen, het gebruik van geweld tegen vreedzame demonstranten een halt toe te roepen, het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vereniging te eerbiedigen, en alle verkozen parlementsleden in staat te stellen hun mandaat uit te oefenen; roept het leger van Myanmar op alle politieke gevangenen vrij te laten, de inperkingen van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging ongedaan te maken en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te eerbiedigen;

2.

dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van president Win Myint, staatsadviseur Aung San Suu Kyi en alle anderen die op basis van ongefundeerde beschuldigingen zijn gearresteerd; beschouwt de vrijlating van alle politieke leiders en gevangenen als een eerste essentiële stap in de richting van een vreedzame oplossing van de crisis en van het herstel van de legitieme autoriteiten;

3.

betuigt zijn steun aan de bevolking van Myanmar, die strijdt voor democratie, vrijheid en mensenrechten;

4.

veroordeelt de grootschalige gewelddadige reactie van de Tatmadaw op elke vorm van protest, alsook de grove schendingen van de mensenrechten die het leger heeft begaan en nog steeds begaat tegen de bevolking van Myanmar, ook tegen etnische en religieuze minderheden, welke neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid; uit zijn diepe bezorgdheid over de frequente aanvallen op kerken, moskeeën, scholen en medische voorzieningen, en over de arrestaties van religieuze leiders;

5.

steunt het comité ter vertegenwoordiging van de Pyidaungsu Hluttaw (CRPH) en de regering van nationale eenheid (NUG) als de enige legitieme behartigers van de democratische wensen van de bevolking van Myanmar en verzoekt de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (Asean) en de internationale gemeenschap hen te betrekken bij een werkelijke en inclusieve politieke dialoog en bij het streven naar een vreedzame oplossing van de crisis, waarbij eerbiediging van de rechtsstaat als uitgangspunt dient;

6.

dringt erop aan dat het Internationale Comité van het Rode Kruis onmiddellijk en regelmatig toegang krijgt tot de gedetineerden en de gevangenissen, zoals voorzien in de Verdragen van Genève; verzoekt de strijdkrachten en de politie de families van alle personen die worden vastgehouden in verband met de operaties van de veiligheidstroepen in Myanmar vóór en in de nasleep van 1 februari 2021 volledige informatie te verstrekken over het lot en de verblijfplaats van deze personen;

7.

herinnert eraan dat Myanmar een multi-etnisch karakter heeft; verzoekt de Tatmadaw met klem om de onvervreemdbare rechten van elke etnische groep volledig te eerbiedigen; dringt aan op een onmiddellijk, grondig, onafhankelijk en transparant onderzoek naar de misdrijven die het leger in het land heeft gepleegd en verlangt dat de daders worden berecht;

8.

is ontzet over de misdaden van de Tatmadaw tegen etnische en religieuze groeperingen in Myanmar; veroordeelt ten stelligste de aanvallen van de Tatmadaw in de staten Kayin, Kayah, Kachin, Shan en Chin die hebben geleid tot grootschalige ontheemding, de dood van burgers, waaronder kinderen, vernietiging van religieuze gebouwen en andere schendingen van de mensenrechten en het humanitair recht;

9.

veroordeelt de vervolging van christenen in het land; dringt er bij de Tatmadaw op aan de moord op en de arrestatie van christenen te staken en het beschieten en plunderen van kerken een halt toe te roepen; benadrukt dat de internationale gemeenschap haar diepe bezorgdheid heeft geuit over de gewelddadige aanvallen op christelijke gemeenschappen in Myanmar;

10.

veroordeelt andermaal de schendingen van de mensenrechten van en de stelselmatige en wijdverbreide aanvallen op de Rohingya-bevolking; onderstreept dat de EU de acties van de militaire leiders ten aanzien van de minderheden in het land, met name de Rohingya, nauwlettend zal blijven volgen; herhaalt zijn oproep aan de autoriteiten van Myanmar om voorwaarden te scheppen en waarborgen te bieden voor een veilige, vrijwillige, waardige en blijvende terugkeer — onder toezicht van de VN — van de Rohingya die willen terugkeren naar hun gebied van herkomst;

11.

veroordeelt ten stelligste de aanhoudende discriminatie van etnische minderheden, wier bewegingsvrijheid ernstig wordt beperkt en die verstookt blijven van elementaire voorzieningen in Myanmar;

12.

veroordeelt elk gebruik van geweld door de junta tegen zijn burgers alsmede andere vormen van intimidatie, met name gericht tegen voorvechters van de mensenrechten, activisten uit het maatschappelijk middenveld en journalisten; dringt er bij de junta op aan alle beperkingen op de telecommunicatie en het internet op te heffen, met inbegrip van onafhankelijke mediawebsites en socialemediaplatforms;

13.

dringt aan op onmiddellijke stopzetting van het geweld tegen arbeiders en vakbonden en verlangt dat de rechten van vakbonden en hun leden worden beschermd, met inbegrip van het recht om vrijelijk te opereren;

14.

dringt aan op onmiddellijke humanitaire toegang tot en bijstand aan kwetsbare gemeenschappen, waaronder vrouwen, kinderen en etnische minderheden, en op versterking van de positie van maatschappelijke organisaties en etnische gemeenschapsorganisaties, teneinde erop toe te kunnen zien dat humanitaire hulp daadwerkelijk terechtkomt bij mensen in nood; verzoekt de Commissie om heroriëntatie en intensivering van humanitaire hulp, met inbegrip van gezondheidszorg, via grensoverschrijdende kanalen, lokale humanitaire netwerken, etnische dienstverleners, gemeenschapsorganisaties en maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe ontwikkelingsprojecten met deze groepen het best kunnen worden uitgevoerd en de ontwikkelingshulp dienovereenkomstig te sturen;

15.

stelt met grote bezorgdheid vast dat de humanitaire crisis wordt verergerd door een derde COVID-19-golf in Myanmar, waarbij de besmettingsniveaus zorgwekkend hoog zijn onder de meest gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, waaronder de mensen die zich bevinden in de overbevolkte en onhygiënische gevangenissen in het land; dringt er bij de junta op aan opnieuw een beheersingsstrategie en een systeem voor het traceren van contacten tot stand te brengen, en ervoor te zorgen dat de mensen toegang hebben tot gezondheidsdiensten en vaccins; verzoekt de Commissie haar steun in dit verband op te voeren, onder meer door doses van het COVID-19-vaccin te verstrekken, en te waarborgen dat deze steun de burgers bereikt;

16.

is ontsteld over de aanvallen op en de intimidatie, arrestatie en foltering van gezondheidswerkers, met name tijdens de aanhoudende COVID-19-gezondheidscrisis; dringt er bij de junta op aan de beveiliging en veiligheid van alle gezondheidswerkers te waarborgen en onmiddellijk een einde te maken aan alle vormen van intimidatie van en aanvallen op deze mensen; benadrukt dat de autoriteiten van Myanmar verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van een volledig toegankelijke gezondheidszorg;

17.

veroordeelt de aanvallen van de militaire autoriteiten op medisch personeel en medische faciliteiten en veroordeelt eveneens de reactie van deze autoriteiten op de COVID-19-pandemie; benadrukt dat gezondheid en toegang tot gezondheidszorg en vaccinaties universele mensenrechten zijn;

18.

dringt er bij de Tatmadaw op aan de bevolking niet langer het recht te ontzeggen op bescherming tegen en behoorlijke behandeling van COVID-19, hetgeen tot een aanzienlijk verlies van mensenlevens in Myanmar kan leiden;

19.

verzoekt de regeringen van de buurlanden erop toe te zien dat hun autoriteiten niemand beletten de grens over te steken op zoek naar een toevluchtsoord; verzoekt deze regeringen er zorg voor te dragen dat hulporganisaties en lokale maatschappelijke organisaties toegang krijgen tot de gebieden langs hun grenzen met Myanmar waar zich intern ontheemden ophouden;

20.

benadrukt andermaal het maatschappelijk middenveld en degenen die zich inzetten voor democratie in Myanmar te steunen en verzoekt de EU en haar instellingen haar inspanningen gericht op bevordering van het maatschappelijk middenveld voort te zetten, ondanks de huidige en mogelijkerwijs aanhoudende beperkingen die worden opgelegd door de zittende militaire regering;

21.

verzoekt de Asean, haar leden en met name haar speciale gezant voor Myanmar om proactiever gebruik te maken van hun bijzondere rol in Myanmar, samen te werken met de speciale gezant van de VN en met alle betrokken partijen, met name met de NUG en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder vrouwen en etnische groepen, teneinde op zijn minst de effectieve en betekenisvolle tenuitvoerlegging van de consensus over vijf punten te bevorderen met het oog op een duurzame en democratische oplossing van de huidige crisis in de nabije toekomst;

22.

dringt er voorts bij China en Rusland op aan zich actief in te zetten voor internationale diplomatie en hun verantwoordelijkheid te nemen als permanente leden van de VN-Veiligheidsraad; verwacht van hen dat zij een constructieve rol spelen bij het volgen van de situatie in Myanmar;

23.

doet een dringend beroep op Myanmar om samen te werken met internationale inspanningen om de verantwoordingsplicht te waarborgen, onder meer door het onafhankelijke onderzoeksmechanisme voor Myanmar (IIMM) eindelijk volledige toegang tot het land te verlenen; verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap ervoor te zorgen dat het IIMM over de vereiste steun beschikt om zijn mandaat uit te voeren; herinnert eraan dat Myanmar verplicht is het bevel met voorlopige maatregelen van het Internationaal Gerechtshof na te leven;

24.

is ingenomen met de recente sanctieronden die de Raad heeft opgelegd aan leden van de Tatmadaw en hun ondernemingen, en verzoekt de Raad gerichte en strenge sancties te blijven opleggen om de levensaders van de junta door te snijden en er tegelijkertijd op toe te zien dat de bevolking van Myanmar geen schade lijdt; is van mening dat de internationale gemeenschap aanvullende maatregelen moet blijven nemen tegen en kosten moet opleggen aan het leger en zijn leiders, totdat zij hun koers wijzigen en zorgen voor een terugkeer naar de democratie; benadrukt dat alle EU-lidstaten de sancties tegen alle staatsbedrijven uit Myanmar moeten versterken en handhaven, met name tegen bedrijven in de hout- en edelstenensector; verlangt van de Commissie dat zij erop toeziet dat de nationale sancties die worden opgelegd aan lidstaten en geassocieerde landen wegens schending van EU-sancties doeltreffend zijn; benadrukt dat hiervoor een specifieke bevriezing van tegoeden en een verbod op internationale financiële overdrachten aan de twee staatsbanken, de Foreign Trade Bank van Myanmar en de Myanmar Investment and Commercial Bank, via welke alle buitenlandse valuta worden verzameld, nodig zou zijn, en dat aan de sanctielijst het staatsbedrijf Myanmar Oil and Gas Enterprise moet worden toegevoegd, dat de grootste instroom van buitenlandse valuta voor de junta genereert;

25.

dringt er bij de Raad op aan gerichte sancties te blijven opleggen aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de staatsgreep van februari 2021 en eventuele andere maatregelen te overwegen; verzoekt de Raad uitdrukkelijk de Staatsbestuursraad als geheel en niet de afzonderlijke leden op te nemen op de lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen;

26.

herhaalt zijn oproep aan in de EU gevestigde bedrijven met activiteiten of toeleveringsketens in Myanmar om strengere zorgvuldigheidseisen op het gebied van de mensenrechten in acht te nemen en ervoor te zorgen dat zij geen banden hebben met de veiligheidstroepen van Myanmar, noch hun afzonderlijke leden of entiteiten die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan, en dat zij niet direct dan wel indirect bijdragen aan de onderdrukking van de democratie en de mensenrechten door de junta; verzoekt in de EU gevestigde bedrijven hun conclusies openbaar te maken en te werken aan voortdurende verbetering van de arbeidsomstandigheden en milieunormen binnen hun ondernemingen in Myanmar;

27.

herhaalt zijn oproep om gerichte sancties te blijven toepassen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de wreedheden tegen de Rohingya;

28.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om spoedig een onderzoek in te stellen naar de handelspreferenties waarvan Myanmar gebruik kan maken, met name ten aanzien van ondernemingen die eigendom zijn van leden van het leger van Myanmar, en het Parlement naar behoren te informeren over de te nemen maatregelen; erkent dat er verbeteringen zijn opgetreden sinds Myanmar in 2013 opnieuw is opgenomen in de regeling Everything But Arms (EBA), bijvoorbeeld het scheppen van banen in de kledingsector, waarvan met name vrouwen geprofiteerd hebben; onderstreept evenwel dat het proces van versterkte betrokkenheid reeds in 2018 in gang was gezet, waarbij de nadruk lag op de naleving van internationale mensenrechtenverdragen en arbeidsrechten, en dat de staatsgreep de tijdens het democratiseringsproces geboekte vooruitgang heeft teruggedraaid, waardoor de voorwaarden voor de toekenning van EBA-preferenties zijn ondermijnd;

29.

verzoekt de EU-delegatie in Myanmar en de ambassades van de lidstaten nauwlettend toe te zien op de mensenrechtensituatie en de volksgezondheid in Myanmar, alsook op de situatie van politieke leiders en andere personen die momenteel gearresteerd zijn en gevangengehouden worden;

30.

verzoekt de lidstaten en de geassocieerde landen het embargo te handhaven op de directe en indirecte levering, verkoop en overdracht, met inbegrip van doorvoer, verzending en tussenhandel, van alle wapens, munitie en andere militaire, veiligheids- en bewakingsapparatuur en -systemen, alsmede op het verzorgen van trainingen, onderhoud en andere bijstand op militair en veiligheidsgebied; wijst erop dat nader onderzoek naar de situatie door het Internationaal Strafhof noodzakelijk is;

31.

waarschuwt voor het risico op een nog grotere humanitaire noodsituatie als gevolg van de escalatie van het geweld en de ernstige economische crisis, de armoede en het aantal ontheemden in het land; verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap dringend te voldoen aan hun financiële verplichtingen in het kader van het humanitaire responsplan 2021 van de VN voor Myanmar;

32.

verzoekt de VV/HV en de lidstaten de situatie in Myanmar krachtdadig aan te pakken, en verzoekt de VV/HV regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement, met name aan zijn Commissie buitenlandse zaken, onder meer over de situatie van religieuze en etnische groepen, teneinde te zorgen voor een adequate parlementaire dialoog over deze belangrijke en zorgwekkende situatie;

33.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de legitieme president en de regering van nationale eenheid van Myanmar, het comité ter vertegenwoordiging van de Pyidaungsu Hluttaw, de staatsadviseur van Myanmar, de Tatmadaw, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regeringen en parlementen van de Verenigde Staten, Bangladesh, het Verenigd Koninkrijk, Japan, India, Australië, Canada, de lidstaten van de Asean, de regeringen en parlementen van Rusland en China, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Asean, de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de Asean, de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, de hoge commissaris van de VN voor de vluchtelingen, alsmede aan de VN-mensenrechtenraad.

(1)  PB C 419 van 16.12.2015, blz. 189.

(2)  PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 79.

(3)  PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 154.

(4)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 120.

(5)  PB C 101 van 16.3.2018, blz. 134.

(6)  PB C 238 van 6.7.2018, blz. 112.

(7)  PB C 337 van 20.9.2018, blz. 109.

(8)  PB C 28 van 27.1.2020, blz. 80.

(9)  PB C 433 van 23.12.2019, blz. 124.

(10)  PB C 171 van 6.5.2021, blz. 12.

(11)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0054.

(12)  PB L 219 I van 21.6.2021, blz. 57.

(13)  PB L 147 van 30.4.2021, blz. 17.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/186


P9_TA(2021)0418

De zaak Paul Rusesabagina in Rwanda

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de zaak Paul Rusesabagina in Rwanda (2021/2906(RSP))

(2022/C 132/15)

Het Europees Parlement,

gezien zijn vorige resoluties over Rwanda, met name die van 11 februari 2021 over Rwanda, en met name de zaak Paul Rusesabagina (1),

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Rwanda in 1975 heeft geratificeerd,

gezien het Afrikaans Handvest inzake de rechten van mensen en volken,

gezien de beginselen en richtsnoeren inzake het recht op een eerlijk proces en rechtsbijstand in Afrika,

gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

gezien de VN-standaardminimumregels voor de behandeling van gevangenen (de “Nelson Mandela-regels”), zoals herzien in 2015,

gezien de Verklaring van Kampala over de gevangenisomstandigheden in Afrika,

gezien het verslag van de werkgroep universele periodieke doorlichting van de VN-Mensenrechtenraad over Rwanda van 25 maart 2021,

gezien de verklaringen van de internationale gemeenschap — onder meer van de Belgische regering, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Britse regering — waarin onregelmatigheden en het ontbreken van eerlijke processen in Rwanda aan de kaak worden gesteld,

gezien de verklaringen van de Federatie van Europese Balies, het Center for Human Rights van de American Bar Association en verscheidene gezaghebbende mensenrechtenorganisaties,

gezien de Overeenkomst van Cotonou,

gezien de Rwandese grondwet,

gezien de instrumenten van de VN en de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken,

gezien het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963,

gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat mensenrechtenverdediger, Belgisch staatsburger en Amerikaans ingezetene Paul Rusesabagina op 31 augustus 2020 in Kigali is gearresteerd en op 29 september 2021 door de Kamer voor internationale en grensoverschrijdende misdrijven van het Hooggerechtshof van Rwanda tot 25 jaar gevangenisstraf is veroordeeld; overwegende dat de heer Rusesabagina negen aanklachten in verband met terrorisme ten laste zijn gelegd en dat hij strafrechtelijk aansprakelijk is gesteld voor activiteiten die zijn toegeschreven aan de Mouvement rwandais pour le changement démocratique/Front de libération nationale (MRCD-FLN), een coalitie van politieke oppositiepartijen en haar militaire vleugel;

B.

overwegende dat de arrestatie van de heer Rusesabagina in augustus 2020 willekeurig was, onder valse voorwendselen heeft plaatsgevonden en gepaard is gegaan met onwettige overbrenging naar Rwanda, gedwongen verdwijning en incommunicado-detentie; overwegende dat voor zijn arrestatie geen arrestatiebevel is uitgevaardigd overeenkomstig artikel 37 van het Rwandese Wetboek van strafvordering van 2019 en dat er tot zijn veroordeling geen tenlastelegging is overgelegd, hetgeen in strijd is met artikel 68 van het Rwandese Wetboek van strafvordering; overwegende dat de heer Rusesabagina herhaaldelijk publiekelijk heeft verklaard dat hij niet naar zijn geboorteland kon terugkeren uit vrees voor vergelding;

C.

overwegende dat de minister van Justitie van Rwanda, Johnston Busingye, heeft toegegeven dat zijn regering een rol heeft gespeeld bij de gedwongen verdwijning en overbrenging van de heer Rusesabagina in augustus 2020, bij het betalen van de vlucht voor de overbrenging en bij de schending van het recht van de heer Rusesabagina op een eerlijk proces; overwegende dat de rechtbank op 10 maart 2021 heeft geoordeeld dat de overbrenging van de heer Rusesabagina legaal was en dat hij niet was ontvoerd;

D.

overwegende dat toen het vonnis werd uitgesproken, aanvullend bewijsmateriaal werd aangekondigd betreffende de beschuldiging dat de heer Rusesabagina geld had ingezameld voor de gewapende groepering FLN, bewijsmateriaal dat nog niet door de rechtbank was gehoord of tijdens het proces was overgelegd; overwegende dat een deel van genoemd bewijsmateriaal voortvloeide uit verklaringen die volgens de heer Rusesabagina onder dwang en zonder raadsman zijn afgelegd;

E.

overwegende dat het advocatenteam dat de heer Rusesabagina aanvankelijk vertegenwoordigde, niet door hem was gekozen en dat de advocaten van zijn keuze tot wie hij uiteindelijk vanaf april 2021 toegang kreeg, hem niet mochten ontmoeten, hetgeen in strijd is met artikel 68 van het Rwandese Wetboek van strafvordering;

F.

overwegende dat de medische toestand van de heer Rusesabagina tijdens zijn gevangenschap volgens berichten zeer zorgwekkend was, aangezien hij kanker heeft overleefd en aan een hart- en vaataandoening lijdt; overwegende dat hij volgens zijn advocaten twee kankerscreenings heeft gemist en dat de gevangenisautoriteiten hem de toegang tot door zijn Belgische arts voorgeschreven geneesmiddelen hebben ontzegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 12 en 14 van de Rwandese grondwet betreffende het recht op leven, het recht op lichamelijke integriteit en bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandelingen;

G.

overwegende dat de Rwandese autoriteiten in september 2020 hebben verzuimd de Belgische autoriteiten overeenkomstig het in het internationale recht vastgelegde beginsel van consulaire bijstand in kennis te stellen van de arrestatie van de heer Rusesabagina; overwegende dat het Rwandese gevangeniswezen (RCS) toegang heeft gekregen tot communicatie en juridische documenten die tussen de heer Rusesabagina en zijn advocaten zijn uitgewisseld; overwegende dat de Belgische minister van Buitenlandse Zaken verscheidene nota’s-verbaal aan haar Rwandese ambtgenoot heeft gericht met het verzoek de rechten van de heer Rusesabagina te eerbiedigen, maar dat de Rwandese regering al die verzoeken heeft afgewezen;

H.

overwegende dat in juli 2021 is bekendgemaakt dat de Rwandese autoriteiten de Pegasus-spyware van NSO Group hebben gebruikt om wellicht meer dan 3 500 activisten, journalisten en politici te bespioneren; overwegende dat de spyware volgens een forensisch onderzoek van haar telefoon ook is gebruikt om de telefoon van Carine Kanimba, de dochter van de heer Rusesabagina, te besmetten; overwegende dat de Rwandese autoriteiten dit hebben ontkend;

I.

overwegende dat Rwanda de Overeenkomst van Cotonou heeft ondertekend, waarin staat dat de eerbiediging van de mensenrechten een essentieel onderdeel vormt van de samenwerking tussen de EU en de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan; overwegende dat de versterking van de rechtsstaat en de versterking van de mensenrechten de voornaamste prioritaire gebieden zijn van de programmering van de EU voor Rwanda;

J.

overwegende dat de tweede ministeriële bijeenkomst tussen de Afrikaanse Unie en de EU op 25 en 26 oktober 2021 in Kigali zal plaatsvinden;

1.

herinnert de Rwandese regering aan haar verplichtingen om de fundamentele rechten te waarborgen, waaronder toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in het Afrikaans Handvest inzake de rechten van mensen en volken en andere internationale en regionale mensenrechteninstrumenten, waaronder de Overeenkomst van Cotonou, en met name de artikelen 8 en 96 daarvan;

2.

onderstreept dat Rwanda de onafhankelijkheid van zijn rechterlijke macht moet waarborgen en in zijn grondwet en wetgeving moet handhaven, aangezien alle regerings- en andere instellingen de plicht hebben om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te eerbiedigen en in acht te nemen;

3.

herinnert eraan dat de uitlevering van een verdachte aan een ander land alleen mag plaatsvinden via een uitleveringsprocedure waarop onafhankelijk toezicht wordt uitgeoefend, teneinde de wettigheid van het uitleveringsverzoek te waarborgen en te controleren of het recht van de verdachte op een eerlijk proces in het verzoekende land volledig gewaarborgd is;

4.

veroordeelt daarom ten stelligste de onwettige arrestatie, detentie en veroordeling van Paul Rusesabagina, die in strijd zijn met het internationale en het Rwandese recht; beschouwt de zaak van de heer Rusesabagina als exemplarisch voor de schendingen van de mensenrechten in Rwanda en plaatst vraagtekens bij de eerlijkheid van het vonnis, dat naar verluidt geen waarborgen bood voor een eerlijk proces overeenkomstig de internationale best practices op het vlak van vertegenwoordiging, het recht om te worden gehoord en het vermoeden van onschuld;

5.

vraagt dat de heer Rusesabagina onmiddellijk om humanitaire redenen wordt vrijgelaten en wordt gerepatrieerd, ongeacht of hij schuldig of onschuldig is; verlangt dat de EU-delegatie in Rwanda en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten dit verzoek met aandrang overbrengen bij hun contacten met de Rwandese autoriteiten;

6.

vraagt de Rwandese regering de fysieke integriteit en het psychische welzijn van de heer Rusesabagina onder alle omstandigheden te waarborgen en hem in staat te stellen zijn gewoonlijke geneesmiddelen te nemen; benadrukt dat de Rwandese regering het recht van de Belgische regering moet eerbiedigen om de heer Rusesabagina consulaire bijstand te verlenen teneinde zijn gezondheid en behoorlijke toegang tot verdediging te waarborgen;

7.

betreurt de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda en met name de gerichte vervolging van dissidente stemmen; veroordeelt politiek gemotiveerde processen en de vervolging van politieke tegenstanders; dringt er bij de Rwandese autoriteiten op aan de scheiding der machten, en met name de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, te waarborgen;

8.

vraagt de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten om de mensenrechtendialoog met Rwanda op het hoogste niveau te versterken in het kader van artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou, om ervoor te zorgen dat het land zijn bilaterale en internationale verplichtingen nakomt; benadrukt dat in het kader van het internationale ontwikkelingswerk in Rwanda veel meer prioriteit moet worden gegeven aan de mensenrechten, de rechtsstaat en transparant en responsief bestuur;

9.

verzoekt de Commissie de steun van de EU aan de Rwandese regering en overheidsinstellingen kritisch te herbekijken om ervoor te zorgen dat deze steun ten volle de mensenrechten bevordert en geen negatieve gevolgen heeft voor de vrijheid van meningsuiting en vereniging, het politiek pluralisme, de eerbiediging van de rechtsstaat en een onafhankelijk maatschappelijk middenveld;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de president van de Republiek Rwanda, de voorzitter van het Rwandese parlement en de Afrikaanse Unie en haar instellingen.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0055.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/189


P9_TA(2021)0419

De abortuswet in Texas, VS

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de abortuswet in Texas, VS (2021/2910(RSP))

(2022/C 132/16)

Het Europees Parlement,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 november 2020 getiteld “EU-genderactieplan (GAP) III — Een ambitieuze agenda inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen in het externe optreden van de EU” (JOIN(2020)0017),

gezien de WHO-richtsnoeren getiteld “Safe abortion: technical and policy guidance for health systems” (Veilige abortus: technische en beleidsrichtsnoeren voor gezondheidszorgstelsels),

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966,

gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989,

gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

gezien het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 2006,

gezien de verklaring van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 14 september 2021 getiteld “UN experts denounce further attacks against right to safe abortion and Supreme Court complicity”(VN-deskundigen hekelen verdere aanvallen op het recht op veilige abortus en de medeplichtigheid van het Hooggerechtshof),

gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de in 2015 overeengekomen duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN, en met name de doelstellingen 3 en 5 inzake de bevordering van respectievelijk gezondheid en gendergelijkheid,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”),

gezien de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (ICPD) van 1994 in Caïro en het bijbehorende actieprogramma, alsook de resultaten van de toetsingsconferenties daarover,

gezien de verklaring van Nairobi over het 25-jarig bestaan van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (ICPD25) van 1 november 2019 getiteld “Accelerating the Promise” en de nationale toezeggingen en de toezeggingen van partners, alsook de gezamenlijke acties die tijdens de top van Nairobi zijn aangekondigd,

gezien met name zijn resolutie van 24 juni 2021 over de situatie op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de EU, in verband met de gezondheid van vrouwen (1), waarin de toegang tot reproductieve gezondheidszorg een fundamentele pijler van de mensenrechten van vrouwen wordt genoemd, en de ontzegging daarvan een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes,

gezien het actieprogramma van Peking en de resultaten van de toetsingsconferenties daarvan,

gezien de grondwet van de Verenigde Staten van Amerika,

gezien het arrest Roe/Wade van 1973, bevestigd in de arresten Planned Parenthood/Casey, en Whole Woman’s Health/Hellerstedt, waarin het Amerikaanse grondwettelijk recht voor zwangere vrouwen is vastgelegd om, voordat de foetus buiten de baarmoeder levensvatbaar is, te beslissen of zij hun zwangerschap al dan niet voortzetten,

gezien wet 8 van de Senaat van Texas (Texas Senate Bill 8, SB8) van 2021 inzake abortus, met inbegrip van abortus na vaststelling van een hartslag bij een ongeboren kind; waarbij particulieren het recht wordt toegekend juridische stappen te ondernemen,

gezien de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 1 september 2021 waarbij werd geweigerd de Texaanse wet SB8 te blokkeren,

gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de staat Texas op 1 september 2021 SB8 heeft uitgevaardigd, waarbij vrouwen de toegang tot abortushulpverlening wordt ontzegd na het begin van de foetale hartslag, de facto slechts zes weken na de laatste menstruatiecyclus, waarbij twee afzonderlijke echo’s verricht moeten worden voordat de procedure kan worden uitgevoerd en er geen enkele uitzondering geldt, ook niet indien de zwangerschap het gevolg is van verkrachting of incest of indien er sprake is van foetale aandoeningen waardoor het kind na de geboorte zal overlijden; overwegende dat SB8 neerkomt op een bijna volledig verbod op abortus;

B.

overwegende dat zowel de VS als de EU het beginsel van de mensenrechten als onvervreemdbare en voor alle mensen geldende rechten moeten eerbiedigen;

C.

overwegende dat het fundamentele karakter van het trans-Atlantisch partnerschap inhoudt dat het is geworteld in onze gedeelde waarden, waaronder de eerbiediging van de mensenrechten;

D.

overwegende dat gendergelijkheid, empowerment van alle vrouwen en meisjes, het waarborgen van een gezond leven, het overal uitbannen van armoede en het bevorderen van het welzijn voor alle leeftijden fundamentele doelstellingen zijn die zijn vastgelegd in de SDG’s 1, 3 en 5; overwegende dat alle VN-lidstaten de verplichting zijn aangegaan om deze doelstellingen van de SDG’s te eerbiedigen en te bevorderen, met inbegrip van de doelstellingen 3.7 en 5.6 inzake seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

E.

overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten zijn gebaseerd op fundamentele mensenrechten en worden beschermd in het internationaal en Europees recht inzake de mensenrechten, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het CEDAW en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en dat zij een essentieel element van alomvattende gezondheidszorg vormen;

F.

overwegende dat het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen en het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap in augustus 2018 een gezamenlijke verklaring hebben uitgebracht, waarin wordt benadrukt dat de toegang tot veilige en legale abortus, evenals de bijbehorende diensten en voorlichting, een essentieel aspect zijn van de reproductieve gezondheid van vrouwen, en waarin landen worden opgeroepen een einde te maken aan de beperkingen ten aanzien van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen en meisjes, aangezien deze beperkingen een bedreiging vormen voor hun gezondheid en leven; overwegende dat de toegang tot abortus een mensenrecht is, terwijl het uitstellen en weigeren van abortus een vorm van gendergerelateerd geweld is en kan neerkomen op foltering en/of wrede, onmenselijke en vernederende behandeling; overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten doelstellingen zijn in het kader van de SDG’s 3 en 5 van de VN, en overwegende dat gendergerelateerd geweld en de uitbanning van alle schadelijke praktijken tegen vrouwen een doelstelling is in het kader van SDG 5;

G.

overwegende dat toegang tot uitgebreide seksuele en relationele voorlichting, en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van gezinsplanning, anticonceptiemethoden en veilige en legale abortus, alsook de autonomie en het vermogen van ieder mens om vrije en onafhankelijke beslissingen te nemen over zijn of haar lichaam en leven, een voorwaarde is voor zijn of haar onafhankelijkheid en dus van essentieel belang is voor het bereiken van gendergelijkheid op alle gebieden van het privéleven en het openbare leven, met inbegrip van deelname aan de arbeidsmarkt en de politiek, en voor het uitbannen van gendergerelateerd geweld; overwegende dat het beginsel “hun lichaam, hun keuze” van toepassing is;

H.

overwegende dat het actief betrekken van mannen en jongens bij seksuele en reproductieve gezondheid en rechten zowel een doel als een voorwaarde is voor het bereiken van duurzame gelijkheid;

I.

overwegende dat de verwezenlijking van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten een essentieel element van de menselijke waardigheid is en onlosmakelijk verbonden met de verwezenlijking van gendergelijkheid en de bestrijding van gendergerelateerd geweld; overwegende dat de deelname van vrouwen en meisjes aan de opstelling van wetten en beleidsmaatregelen die hen aangaan en betrekking hebben op hun mensenrechten, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en abortus, waarbij wordt gewaarborgd dat zij toegang hebben tot de rechter en rechtsmiddelen wanneer hun rechten worden geschonden, van essentieel belang is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid;

J.

overwegende dat het recht op eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit van een persoon centraal staat in het Handvest;

K.

overwegende dat het Amerikaanse Hooggerechtshof in de baanbrekende zaak Roe/Wade abortus in de VS heeft gelegaliseerd, waarbij in de VS het grondwettelijk recht voor zwangere vrouwen is vastgelegd om, voordat de foetus buiten de baarmoeder levensvatbaar is, te beslissen of zij hun zwangerschap al dan niet voortzetten; overwegende dat dit opnieuw werd bevestigd in de zaken Planned Parenthood/Casey en Whole Woman’s Health/Hellerstedt;

L.

overwegende dat 12 andere staten in de VS een verbod op abortus in een vroeg stadium van de zwangerschap hebben ingevoerd, maar dat deze verboden niet in werking zijn getreden doordat zij door federale rechtbanken ongrondwettig zijn verklaard;

M.

overwegende dat SB8 abortus na ongeveer zes weken zwangerschap verbiedt en overwegende dat, gezien het feit dat vóór SB8 ongeveer 85 tot 90 % van de vrouwen die abortushulpverlening in Texas kregen, ten minste zes weken zwanger was, de wet zal leiden tot de feitelijke beëindiging van abortushulpverlening in de staat;

N.

overwegende dat SB8 bedoeld is om overheidsfunctionarissen vrij te stellen van het handhaven van de wet, maar in plaats daarvan particulieren aanmoedigt om geld te verdienen door iedereen die abortushulpverlening verstrekt of een ander helpt bij het verkrijgen van dergelijke hulpverlening aan te klagen, wat hoogstwaarschijnlijk zal leiden tot gelegaliseerde intimidatie van zorgverleners, vrouwen die abortushulpverlening nodig hebben en iedereen die hen helpt, met inbegrip van hun dierbaren; overwegende dat SB8 in ieder geval een afschrikkend effect op zorgaanbieders zal hebben;

O.

overwegende dat het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen heeft vastgesteld dat het strafbaar stellen van abortus geen afschrikkende werking heeft; overwegende dat, zoals de werkgroep discriminatie van vrouwen en meisjes heeft opgemerkt, daar waar wettelijke beperkingen op abortus bestaan, een veilige beëindiging van de zwangerschap een voorrecht wordt van sociaal-economisch bevoordeelde vrouwen, terwijl vrouwen met beperkte middelen gedwongen worden gebruik te maken van onveilige en clandestiene abortussen, waarmee zij hun leven en gezondheid op het spel zetten; overwegende dat SB8, zoals reeds is waargenomen in andere gevallen van abortusbeperkingen, onevenredig grote gevolgen zal hebben voor personen die reeds te maken hebben met discriminatie of belemmeringen bij de toegang tot gezondheidszorg, met inbegrip van personen uit door raciale scheidslijnen gekenmerkte gemeenschappen, etnische minderheden, vrouwen zonder papieren en vrouwen met een laag inkomen of in plattelandsgebieden die niet over de middelen beschikken om te reizen teneinde toegang te krijgen tot deze diensten;

P.

overwegende dat het verbieden van abortus en het bijgevolg dwingen van vrouwen om een onveilige abortus te ondergaan leidt tot een toename van de moedersterfte, die volledig te voorkomen is;

Q.

overwegende dat Texas de afgelopen tien jaar al 26 abortusbeperkingen heeft ingevoerd, waaronder het dit jaar ingevoerde verbod op abortus na zes weken en een verbod op abortus dat in werking zou treden indien Roe/Wade zou worden herroepen; overwegende dat het aantal abortusklinieken in de staat in deze periode is gedaald van 46 in 2011 tot slechts 21 klinieken in 2017; overwegende dat dit betekent dat vrouwen geen toegang kunnen krijgen tot de zorg die zij nodig hebben;

R.

overwegende dat abortus al moeilijk toegankelijk was in Texas en in andere regio’s van de Verenigde Staten, en dat degenen die te maken hebben met hindernissen bij het verkrijgen van medische zorg — met inbegrip van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen, voornamelijk groepen met een lager inkomen — degenen zijn die de grootste gevolgen ondervinden van een verbod zoals SB8;

S.

overwegende dat, aangezien abortus in Texas praktisch verboden wordt, patiënten zich naar klinieken voor reproductieve gezondheid in omliggende staten begeven en de kwetsbare abortusinfrastructuur in de regio zwaar belasten; overwegende dat er jaarlijks meer dan 56 000 abortussen plaatsvinden in de staat Texas; overwegende dat de omliggende staten waarschijnlijk niet in staat zullen zijn om na de invoering van SB8 alle verwachte patiënten te behandelen bij wie er een abortus moet worden uitgevoerd;

T.

overwegende dat bij tienermeisjes tussen 15 en 19 jaar zwangerschaps- en bevallingscomplicaties wereldwijd de belangrijkste doodsoorzaak zijn; overwegende dat het Comité voor de Rechten van het Kind landen aanspoort abortus te decriminaliseren en ervoor te zorgen dat meisjes toegang hebben tot veilige abortusdiensten; overwegende dat tienerzwangerschappen de armoedecyclus verergeren; overwegende dat Texas de staat is met het op zes na hoogste percentage tienermoeders in de VS en de staat met het hoogste aantal tienermoeders dat meer dan een kind heeft; overwegende dat onder Latijns-Amerikaanse en Afro-Amerikaanse meisjes het percentage tienerzwangerschappen bijzonder hoog is, evenals bij meisjes met een laag opleidingsniveau, meisjes die in plattelandsgebieden wonen, in een pleeggezin verblijven en meisjes die in armoede leven; overwegende dat tienermoeders veel vaker geneigd zijn met hun opleiding te stoppen en veel frequenter te maken krijgen met werkloosheid; overwegende dat 65 % van de kinderen van jonge ouders in Texas in armoede leeft, en dat die kinderen een grotere kans hebben op een slechte gezondheid en op een laag onderwijsniveau;

U.

overwegende dat SB8 een van de strengste abortusmaatregelen in de VS is, waarbij abortus in de staat wordt verboden zodra foetale hartactiviteit kan worden vastgesteld en er alleen een uitzondering geldt voor medische noodgevallen, maar niet voor verkrachting, incest of foetale aandoeningen waardoor het kind na de geboorte zal overlijden; overwegende dat dit een vorm van gendergerelateerd geweld is die kan neerkomen op foltering of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling;

V.

overwegende dat het Centrum voor reproductieve rechten en zijn partners op 30 augustus 2021 een noodverzoek hebben ingediend bij het Amerikaanse Hooggerechtshof om de inwerkingtreding van de wet in Texas tegen te houden;

W.

overwegende dat meer dan 300 Texaanse advocaten zich hebben verzet tegen het wetsvoorstel, met het argument dat het de reeds lang bestaande regels en beginselen van het rechtsstelsel ondermijnt; overwegende dat meer dan 200 artsen uit heel Texas grote bezorgdheid hebben geuit over hun vermogen om gezondheidszorg te verlenen, waarbij zij waarschuwden dat de wet een “afschrikkend effect” zou veroorzaken waardoor artsen uit meer dan 30 vakgebieden, waaronder eerstelijnszorg, spoedeisende geneeskunde, verloskunde-gynaecologie en interne geneeskunde, zou worden verhinderd hun patiënten informatie te verstrekken over alle zwangerschapsopties uit angst voor lichtzinnige rechtszaken;

X.

overwegende dat VN-mensenrechtendeskundigen de aanneming van de SB8 hebben aangeklaagd als een alarmerende ontwikkeling, evenals de schade die het verbod zal berokkenen aan zwangere vrouwen in Texas en met name vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen, vrouwen met een laag inkomen, vrouwen die in plattelandsgebieden wonen, vrouwen die tot een raciale of etnische minderheid behoren en migrantenvrouwen, die onevenredig zwaar zullen worden getroffen door dit verbod, en de Amerikaanse regering ertoe hebben opgeroepen achteruitgang met betrekking tot de toegang tot abortus te voorkomen en in plaats daarvan positieve maatregelen te nemen om de toegang tot veilige en legale abortus te waarborgen;

Y.

overwegende dat het Amerikaanse Hooggerechtshof zich in een verhouding van vijf tegenover vier heeft uitgesproken tegen het blokkeren van de Texaanse wet, waarbij werd verklaard dat de partijen die de wet betwistten geen aandeel hadden in de “complexe en nieuwe antecedente procedurele kwesties” van de zaak;

Z.

overwegende dat het Amerikaanse Ministerie van Justitie op 9 september 2021 een rechtszaak tegen Texas heeft aangespannen met het argument dat het verbod in strijd is met het grondwettelijke recht van een individu op abortus vóór de levensvatbaarheid, en overwegende dat de federale districtsrechtbank op 1 oktober 2021 een preliminaire zitting in kort geding heeft gepland;

AA.

overwegende dat president Biden heeft verklaard dat het wetsvoorstel een “ongekende aanval op de grondwettelijke rechten van vrouwen” vormt, waarbij hij een “inspanning van de volledige regering” beloofde om de wet te bestrijden en erop aandrong dat “vrouwen in Texas toegang moeten krijgen tot veilige en legale abortus”, en overwegende dat hij in zijn verklaring heeft bevestigd dat de regering-Biden-Harris zich altijd zal inzetten om de toegang tot gezondheidszorg te beschermen en het recht van vrouwen te verdedigen om beslissingen te nemen over hun eigen lichaam en hun eigen toekomst te bepalen;

AB.

overwegende dat in het rapport van het Guttmacher Institute van september 2019 getiteld “Abortion Incidence and Service Availability in the United States, 2017” wordt gewezen op een verontrustende stijgende tendens van potentieel gevaarlijke niet-medische pogingen tot zelf-geïnduceerde abortus in Amerikaanse staten met beperkte toegang tot reproductieve gezondheidszorg;

1.

sluit zich aan bij de uitdrukkelijke veroordeling in de hele VS van de vaststelling door de Texaanse wetgevende macht van SB8, die feitelijk neerkomt op een volledig verbod op abortus, zonder uitzondering voor verkrachting, incest of foetale aandoeningen waardoor het kind na de geboorte zal overlijden, als een sterke aanval op de vrijheid en de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen, die fundamentele mensenrechten zijn, en als een schending van de grondwettelijke rechten van vrouwen in de VS; is ernstig bezorgd over de mate waarin dit verbod zal bijdragen tot het trauma dat wordt ervaren door slachtoffers van verkrachting en incest;

2.

verzoekt de regering van de staat Texas om SB8 snel in te trekken, om veilige, legale, kosteloze en kwalitatief hoogwaardige abortusdiensten in de staat te waarborgen en om deze diensten gemakkelijk toegankelijk te maken voor alle vrouwen en meisjes;

3.

betuigt zijn sterke solidariteit met en steun aan de vrouwen van Texas en degenen die betrokken zijn bij zowel de verstrekking als het bepleiten van abortusgezondheidszorg in deze moeilijke omstandigheden;

4.

is ingenomen met de inspanningen van president Joe Biden om de raad en het bureau van de White House Counsel opdracht te geven een inspanning van de volledige regering op touw te zetten om te reageren op het besluit, teneinde ervoor te zorgen dat vrouwen in Texas toegang hebben tot veilige en legale abortus, zoals beschermd op grond van het arrest Roe/Wade; stelt tevreden vast dat de regering van president Joe Biden op vrijdag 1 oktober 2021 bij een rechter heeft aangedrongen op een blokkering van het door Texas opgelegde verbod op abortus;

5.

betuigt zijn volledige steun en solidariteit aan gezondheidswerkers en degenen die betrokken zijn bij juridische beroepsprocedures tegen wet 8 van de Senaat van Texas, in de hoop dat hun werk zal leiden tot het herstel van het recht van Texaanse vrouwen op reproductieve gezondheidszorg; erkent de rol van ngo’s als dienstverleners en ook als pleitbezorgers van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de VS, en moedigt hen aan hun werk voort te zetten als pleitbezorgers van deze grondrechten; bevestigt dat deze ngo’s voldoende financiële middelen nodig hebben om te kunnen functioneren;

6.

onderstreept dat VN-deskundigen op 14 september 2021 hebben benadrukt dat “de mensenrechten van vrouwen grondrechten zijn die niet ondergeschikt kunnen worden gemaakt aan culturele, religieuze of politieke overwegingen”, en daaraan toevoegden “dat de invloed van ideologisch en religieus gemotiveerde inmenging in volksgezondheidskwesties bijzonder schadelijk is geweest voor de gezondheid en het welzijn van vrouwen en meisjes”;

7.

betreurt ten zeerste dat het Amerikaanse Hooggerechtshof op basis van een sterk verdeeld besluit (vier tegenover vijf) heeft geweigerd uitspraak te doen over het blokkeren van de invoering van de ongekende SB8; herinnert eraan dat dit besluit niet betekent dat de wet grondwettelijk wordt geacht;

8.

verzoekt president Joe Biden zijn inspanningen voort te zetten om de toegang tot veilige en legale abortus te waarborgen; moedigt verdere inspanningen aan om ervoor te zorgen dat abortus en anticonceptie worden geïntegreerd in de verstrekking van uitgebreide informatie en diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en dat deze universeel toegankelijk zijn, alsook om blijvende toegang te waarborgen in noodsituaties, zoals de COVID-19-pandemie;

9.

dringt er bij de regering van de Verenigde Staten op aan abortus volledig te decriminaliseren, hetgeen niet alleen vereist dat een einde wordt gemaakt aan de strafbaarheid van zwangere vrouwen en meisjes, zorgverleners en anderen die een beroep doen op abortusdiensten of deze diensten verlenen of eraan meewerken, maar ook dat abortus uit het strafrecht wordt geschrapt en dat alle andere bestraffende wetten, beleidsmaatregelen en praktijken worden afgeschaft;

10.

verzoekt de regering van de Verenigde Staten federale rechtsbescherming in te voeren voor universele toegang tot abortus; benadrukt dat gezondheid een mensenrecht is en dat het de plicht van de staat is om iedereen toegankelijke gezondheidszorg te bieden;

11.

verzoekt het Amerikaanse Congres om federale rechtsbescherming voor toegang tot abortus goed te keuren via de Women’s Health Protection Act (WHPA), die onlangs in een historische stemming in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden is aangenomen en die waarborgen bevat om abortus te beschermen tegen op het niveau van de staten opgelegde verboden en beperkingen;

12.

benadrukt dat zeer restrictieve wetgeving die een verbod op abortus inhoudt de behoefte aan abortus niet vermindert, maar ertoe leidt dat vrouwen een beroep moeten doen op clandestiene abortussen, moeten reizen om een abortus te verkrijgen of hun zwangerschap tegen hun wil moeten voldragen, hetgeen een schending van de mensenrechten en een vorm van gendergerelateerd geweld is en van invloed is op het recht van vrouwen en meisjes op leven, lichamelijke en geestelijke integriteit, gelijkheid, non-discriminatie en gezondheid;

13.

benadrukt dat alleen onderwijs, informatie en universele toegang tot anticonceptie, de uitroeiing van seksueel geweld en gedeelde verantwoordelijkheid voor anticonceptie het aantal ongeplande zwangerschappen kunnen verminderen; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan universele toegang tot op leeftijd afgestemde en empirisch onderbouwde seksuele en relationele voorlichting, tot een reeks hoogwaardige en universeel toegankelijke moderne anticonceptiemethoden en -middelen, tot advies over gezinsplanning en voorlichting over anticonceptie, en garanties voor veilige en legale abortuszorg;

14.

is ernstig bezorgd over het feit dat deze wet onevenredig grote gevolgen zal hebben voor mensen die kampen met sociaal-economische problemen, mensen die in plattelandsgebieden wonen, op basis van ras bejegende mensen, lhbtiq’ers en mensen die te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie, meestal kwetsbare groepen van vrouwen die als gevolg van financiële of logistieke belemmeringen het zich niet kunnen veroorloven om naar centra voor reproductieve gezondheid in buurstaten te reizen, waardoor zij een groter risico lopen om onveilige en levensbedreigende procedures te ondergaan en een groter risico lopen om zich gedwongen te zien hun zwangerschap tegen hun wil te voldragen;

15.

twijfelt ten zeerste aan de morele context en is bovendien bezorgd over de opzet van deze wet, die particuliere burgers in staat stelt en financiële stimulansen geeft om iedereen te vervolgen die mogelijk vrouwen geholpen heeft bij het verkrijgen van abortus, zoals abortusverleners of voorvechters van abortuszorg, waardoor de deuren wagenwijd worden opengezet voor pesterijen en lichtzinnige rechtszaken van anti-abortusmilities en het fundament wordt gelegd voor heksenjachten in de 21e eeuw;

16.

verzoekt de Amerikaanse regering een einde te maken aan op premies gebaseerde systemen om op staats- of individueel niveau een abortusverbod te handhaven, hetgeen een klimaat van angst en intimidatie creëert;

17.

is ernstig bezorgd over de gevolgen van de Texaanse wet voor andere Amerikaanse staten, die zullen worden aangemoedigd door het uitblijven van maatregelen van het Amerikaanse Hooggerechtshof en zullen proberen abortusverboden in het hele land goedgekeurd te krijgen, zoals reeds is gebleken in Florida;

18.

verklaart dat deze wet — een van de 26 beperkingen op abortus die de afgelopen tien jaar reeds in Texas zijn ingevoerd — een verdere poging vormt om de rechten van vrouwen, hun reproductieve vrijheid en hun recht op gezondheidszorg te ondermijnen, en geen rekening houdt met de grondwettelijke rechten van vrouwen, noch met de wil van het volk;

19.

is bezorgd dat deze wet niet alleen leidt tot een feitelijk verbod op abortus, maar ook een flagrante schending van de mensenrechten van vrouwen vormt, waarbij volledig voorbij wordt gegaan aan internationale mensenrechtennormen, met inbegrip van het non-regressiebeginsel, en dat met deze wet de toegang tot gezondheidszorg wordt beperkt door het aantal zorgfaciliteiten voor vrouwen te verminderen, hetgeen leidt tot een zorgkloof voor vrouwen en een verdere bedreiging vormt voor het leven van vrouwen;

20.

veroordeelt ten stelligste de achteruitgang van de rechten van vrouwen en van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de VS en wereldwijd, en verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de Commissie en alle EU-lidstaten alle instrumenten waarover zij beschikken aan te wenden ter versterking van hun acties om dit tegen te gaan; herinnert eraan dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten fundamentele mensenrechten zijn die moeten worden versterkt en op geen enkele manier kunnen worden afgezwakt of ingetrokken;

21.

onderstreept dat het recht van alle mensen op lichamelijke integriteit en autonomie moet worden beschermd, in overeenstemming met het actieprogramma van Peking en het ICPD-actieprogramma, en dat de toegang tot essentiële diensten om dit recht te kunnen uitoefenen, moet worden gewaarborgd; dringt aan op een alomvattende benadering voor het pakket van essentiële diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, met inbegrip van maatregelen om onveilige abortussen te voorkomen en te vermijden, alsook de verlening van zorg na abortus, hetgeen moet worden opgenomen in de nationale strategieën, beleidsmaatregelen en programma’s voor universele gezondheidszorg;

22.

is bezorgd over de aanstaande behandeling door het Hooggerechtshof van de zaak Roe/Wade en vreest dat deze baanbrekende uitspraak, die de rechten van vrouwen waarborgt, in de nabije toekomst ongedaan kan worden gemaakt; vreest dat dit ernstige en uitgebreide gevolgen zou hebben voor de toegang tot gezondheidszorg en de vrije keuze van vrouwen in andere staten, gezien het feit dat elf andere staten zogeheten “trigger laws” hebben waarmee het huidige recht op abortus wordt verboden en die automatisch in werking treden indien het arrest in de zaak Roe/Wade nietig wordt verklaard;

23.

is verheugd over de opheffing door de regering-Biden van het anti-abortusbeleid van de “Global Gag Rule” en haar voornemen om de Amerikaanse financiering aan het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA), het VN-agentschap voor seksuele en reproductieve gezondheid, te herstellen; dringt erop aan dat dit herstel van de financiering onverwijld in werking treedt;

24.

herinnert eraan dat een van de vijf pijlers van het genderactieplan III van de EDEO de bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten inhoudt; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan ervoor te zorgen dat mensenrechtenclausules, waaronder het recht op gratis en veilige abortus, in alle internationale betrekkingen met de VS worden geëerbiedigd en bevorderd;

25.

verzoekt de EU-delegatie in de VS toe te zien op de situatie van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in Texas en andere staten, en prioriteit te geven aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in haar contacten met de relevante Amerikaanse autoriteiten en bij de lokale uitvoering van het genderactieplan III;

26.

verzoekt de EU en de lidstaten alle mogelijke steun, met inbegrip van financiële steun, te bieden aan in de VS gevestigde maatschappelijke organisaties die de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het land beschermen en bevorderen, als een manier om hun universele inzet voor deze rechten te laten blijken; verzoekt de lidstaten voorts een toevluchtsoord te bieden aan alle gezondheidswerkers die mogelijk het risico lopen op juridische of andere vormen van intimidatie als gevolg van hun legitieme werk; herinnert eraan dat een volledig verbod op abortuszorg of het weigeren van abortuszorg een vorm van gendergerelateerd geweld is;

27.

verzoekt de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten deze schending van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen aan de kaak te stellen in zijn uitwisselingen met Amerikaanse ambtenaren;

28.

verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid deze schending van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen en hun recht op gezondheidszorg aan de kaak te stellen in zijn uitwisselingen met Amerikaanse ambtenaren;

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de president van de Verenigde Staten van Amerika en zijn regering, het Amerikaanse Congres, alsmede aan de gouverneur en de wetgevende macht van de staat Texas.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0314.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/196


P9_TA(2021)0420

De situatie in Belarus een jaar na het begin van de demonstraties en het gewelddadige neerslaan ervan

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de situatie in Belarus een jaar na het begin van de demonstraties en het gewelddadige neerslaan ervan (2021/2881(RSP))

(2022/C 132/17)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Belarus,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 24 mei 2021 en 25 juni 2021 over Belarus,

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 21 juni 2021 over Belarus,

gezien de toespraak van voorzitter Von der Leyen over de staat van de Unie van 2021,

gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Josep Borrell, van 26 maart 2021 over de steun van de EU aan het Internationaal Platform inzake Verantwoordingsplicht voor Belarus en van 15 juli 2021 over het harde optreden tegen het maatschappelijk middenveld in Belarus, zijn verklaring namens de EU van 30 juli 2021 over de instrumentalisering van migranten en vluchtelingen door het regime en zijn verklaring namens de EU van 8 augustus 2021, een jaar na de frauduleuze presidentsverkiezingen in Belarus van 9 augustus 2020,

gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 6 juli 2021 over de veroordeling van Viktar Babaryka en andere politieke processen, van 7 juli 2021 over het beperken van de diplomatieke aanwezigheid van Litouwen, van 30 augustus 2021 over de onderdrukking van journalisten en de media en van 6 september 2021 over de veroordeling van Maria Kalesnikava en Maksim Znak,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en alle mensenrechtenverdragen waarbij Belarus partij is,

gezien het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE),

gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus, Anaïs Marin, van 5 juli 2021 aan de VN-Mensenrechtenraad,

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 13 juli 2021 over de mensenrechtensituatie in Belarus,

gezien zijn aanbeveling van 16 september 2021 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de koers van de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland (1),

gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement 2020 aan de democratische oppositie in Belarus,

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Belarussische autoriteiten hun onderdrukking van het Belarussische volk meer dan een jaar na de zogenaamde verkiezingen van 9 augustus 2020 nog steeds voortzetten en dat daarbij vele burgers worden geïntimideerd, gearresteerd, gefolterd en veroordeeld voor het uiten van hun verzet tegen het regime of tegen de wijdverbreide schendingen van de mensenrechten die in Belarus plaatsvinden; overwegende dat de EU en haar lidstaten de uitslag van de presidentsverkiezingen niet hebben erkend;

B.

overwegende dat naar schatting ongeveer 40 000 Belarussen op een of ander ogenblik zijn vastgehouden vanwege protest tegen het regime; overwegende dat mensenrechtenverdedigers honderden gevallen van foltering en mishandeling hebben gedocumenteerd en dat meerdere personen nog vermist zijn of dood zijn teruggevonden; overwegende dat nog steeds sprake is van onmenselijke behandeling, foltering en opzettelijke weigering van medische zorg in Belarussische detentiecentra en gevangenissen, waar verscheidene demonstranten zijn gestorven; overwegende dat er verschillende gevallen van zelfmoordpogingen in de rechtbank en de gevangenis zijn gedocumenteerd; overwegende dat de gehele rechterlijke macht van het land een instrument van het regime lijkt te zijn geworden en wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat het regime overeind blijft; overwegende dat er meer dan 720 politieke gevangenen zijn in Belarus en meer dan 4 600 strafzaken lopen tegen Belarussische burgers, en dat terwijl er geen enkele zaak is geopend tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig zijn aan het geweld en de onderdrukking; overwegende dat mensenrechtenverdedigers, politici van de oppositie, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, onafhankelijke journalisten en andere activisten stelselmatig met geweld worden onderdrukt; overwegende dat duizenden Belarussen al dan niet onder dwang hun land hebben moeten verlaten en in het buitenland een veilig heenkomen hebben moeten zoeken;

C.

overwegende dat de lidstaten, met name Polen en Litouwen, onderdak, medische behandeling en beurzen hebben verstrekt aan duizenden asielzoekers die gevlucht zijn om aan vervolging door Loekasjenka vanwege hun democratische aspiraties te ontkomen;

D.

overwegende dat het Belarussische regime een repressiecampagne voert tegen het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers om alle resterende onafhankelijke stemmen in Belarus het zwijgen op te leggen; overwegende dat bijna 250 maatschappelijke organisaties zijn of worden opgeheven, waaronder het mensenrechtencentrum Vjasna, waartegen ongekend hardhandig werd opgetreden met de arrestatie en beschuldiging van zijn leiders, personeelsleden en vrijwilligers, onder wie Ales Bjaljatski, de voorzitter van Vjasna, Valjantsin Stefanovitsj, bestuurslid van Vjasna en vicevoorzitter van de Internationale Federatie voor de mensenrechten, Marfa Rabkova, coördinator van het netwerk van vrijwilligers van Vjasna, en Andrej Tsjapjoek, Leanid Soedalenka, Tatsjana Lasitsa, Maria Tarasenka, Oeladzimir Labkovitsj en andere personeelsleden en vrijwilligers van Vjasna;

E.

overwegende dat Belarussische rechtbanken meer dan 120 oneerlijke en willekeurige vonnissen hebben uitgesproken in politiek gemotiveerde processen, die vaak achter gesloten deuren en zonder behoorlijke rechtsgang zijn gevoerd; overwegende dat de Belarussische oppositieleider Viktar Babaryka tot 14 jaar gevangenisstraf is veroordeeld en dat de Belarussische oppositieleiders en politieke gevangenen Maria Kalesnikava, winnaar van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken en ontvanger van de International Women of Courage Award, en Maksim Znak, vooraanstaand advocaat, zijn veroordeeld tot respectievelijk 11 en 10 jaar gevangenisstraf omdat zij een staatsgreep zouden hebben beraamd; overwegende dat bijna 500 journalisten zijn gearresteerd en dat de Belarussische autoriteiten hun gewelddadige optreden en intimidatie ten aanzien van onafhankelijke Belarussische journalisten voortzetten en objectieve verslaggeving doelbewust trachten te belemmeren; overwegende dat het Belarussische regime op 27 augustus 2021 opdracht heeft gegeven tot stopzetting van de Belarussische Vereniging van journalisten, de grootste onafhankelijke organisatie van journalisten in het land, die in 2004 de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken heeft ontvangen; overwegende dat Jekaterina Andrejev en Daria Tsjoeltsova, twee Belsat-journalisten, nog steeds hun straf uitzitten in een strafkolonie in Belarus;

F.

overwegende dat de druk op de Belarussische vakbonden de afgelopen weken dramatisch is toegenomen, waarbij leiders en leden van de Belarussische onafhankelijke vakbond (BITU) en het Belarussische congres van democratische vakbonden (BKDP) werden gearresteerd, beboet en onderworpen aan huiszoekingen door de KGB; overwegende dat Belarus op de Global Rights Index 2021 van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen als een van de slechtste landen voor werkenden is gerangschikt;

G.

overwegende dat Aljaksandr Loekasjenka zijn campagne tegen de Poolse minderheid voortzet door Andżelika Borys en Andrzej Poczobut, twee leiders van de Poolse gemeenschap, gevangen te zetten, door Poolstalige scholen aan te vallen en door propagandacampagnes te voeren op basis van valse beschrijvingen van de geschiedenis;

H.

overwegende dat niets erop wijst dat de Belarussische autoriteiten een onderzoek voeren naar de duizenden meldingen van buitensporig politiegeweld die sinds augustus 2020 zijn gedaan of naar de dood van betogers; overwegende dat door de wijdverbreide straffeloosheid voor schendingen van de mensenrechten de hopeloze situatie van het Belarussische volk wordt bestendigd; overwegende dat het ontbreken van een rechtsstaat het recht van slachtoffers op een eerlijk proces in de weg staat; overwegende dat Belarus als enige land in Europa nog steeds de doodstraf voltrekt;

I.

overwegende dat op 23 mei 2021 Ryanairvlucht FR4978, een internationale passagiersvlucht tussen twee hoofdsteden in de EU (van Athene naar Vilnius), op last van Aljaksandr Loekasjenka onder dwang is omgeleid naar Minsk onder het valse voorwendsel van een bommelding, waarbij de veiligheid van meer dan 170 passagiers en bemanningsleden in gevaar werd gebracht en inbreuk werd gepleegd op internationale verdragen; overwegende dat de Belarussische autoriteiten de passagier Raman Pratasevitsj, een Belarussisch journalist en activist, en zijn vriendin Sofia Sapega in Minsk hebben vastgehouden;

J.

overwegende dat Loekasjenka er als vergelding voor de EU-sancties die als antwoord op de gedwongen omleiding van Ryanairvlucht FR4978 zijn opgelegd, in het openbaar mee heeft gedreigd de EU, en met name buurlanden Litouwen en Polen, te overspoelen met migranten en drugs; overwegende dat dit dreigement werd uitgevoerd door migranten in te zetten voor politieke doeleinden; overwegende dat het regime van Loekasjenka een regeling heeft bedacht om migranten uit Irak, Turkije en andere landen naar Minsk over te brengen en met de bijdrage van Belarussische grenswachters hen te helpen illegaal de Europese Unie binnen te komen; overwegende dat dit heeft geleid tot de binnenkomst van ongeveer 4 000 irreguliere migranten in Litouwen, meer dan 1 400 in Polen en ongeveer 400 in Letland; overwegende dat Polen, Letland en Litouwen de noodtoestand hebben afgekondigd aan de grens met Belarus; overwegende dat het aantal personen die aldus irregulier in de EU binnenkomt hoog blijft en dat daar nog steeds pogingen toe worden ondernomen; overwegende dat het Belarussische regime migranten met geweld tot op het grondgebied van de EU drijft en aan propaganda en desinformatie doet door de EU-lidstaten ervan te beschuldigen irreguliere migratie naar Belarus te stimuleren; overwegende dat Loekasjenka heeft voorgesteld een einde te maken aan de verplichting van Belarus om terugkerende migranten op te nemen en een wetsontwerp over de opschorting daarvan heeft ingediend bij het Belarussische parlement; overwegende dat ten minste vijf migranten door onderkoeling en uitputting zijn gestorven en dat verscheidene migranten wekenlang aan de buitengrens van de EU met Belarus gestrand zijn; overwegende dat Polen de toegang van maatschappelijke organisaties en de media tot het grensgebied, waar de noodtoestand is uitgeroepen, heeft beperkt; overwegende dat de situatie aan de EU-grens met Belarus gespannen blijft en dat er sprake is van veel verschillende provocaties van de kant van Belarussische functionarissen en militairen;

K.

overwegende dat de voorzitter van de Commissie in haar toespraak over de staat van de Unie op 15 september 2021 de instrumentalisering van migranten heeft gekwalificeerd als een hybride aanval van Belarus om de EU uit het lood te slaan;

L.

overwegende dat Vitali Sjisjov, een van de oprichters van het Belarussische Huis in Oekraïne, een organisatie die hulp biedt aan personen die Belarus hebben verlaten, op 3 augustus 2021 opgehangen werd teruggevonden in een park in Kiev;

M.

overwegende dat het Belarussische openbaar ministerie op 17 september 2021 het onderzoek naar de dood van Raman Bandarenka heeft opgeschort;

N.

overwegende dat na de recente dodelijke schietpartij in Minsk waarbij Andrej Zeltser en een KGB-agent om het leven kwamen, meer dan honderd mensen die op sociale media op de gebeurtenis reageerden door het regime zijn gearresteerd en gedwongen bekentenissen moesten afleggen;

O.

overwegende dat de Belarussische atlete Kristina Timanovskaja de Olympische Spelen van Tokio vroegtijdig moest verlaten na kritiek op haar trainers en dat zij vanwege angst voor haar veiligheid politiebescherming heeft gezocht op de luchthaven van Tokio en een humanitair visum heeft gekregen van Polen; overwegende dat het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft besloten dat de Belarussische trainers Artoer Sjimak en Joeri Maisevitsj de Olympische Spelen van Tokio moesten verlaten en dat het een onderzoek heeft geopend;

P.

overwegende dat Rusland en Belarus, in een reeds gespannen klimaat, in september 2021 onder de noemer “Zapad 2021” een grootschalige gezamenlijke militaire oefening hebben gehouden met 200 000 personeelsleden, waardoor de druk op de grenzen van de EU nog is toegenomen; overwegende dat Rusland en Belarus in Grodno, op 15 kilometer van de grens met Polen, een gemeenschappelijk opleidingscentrum voor luchtmacht en luchtverdediging hebben opgericht; overwegende dat Loekasjenka en Vladimir Poetin op 9 september 2021 in Moskou bijeen zijn gekomen en de goedkeuring van 28 verdere programma’s voor integratie op economisch en fiscaal gebied hebben aangekondigd, evenals de totstandbrenging van een “gemeenschappelijke defensiesfeer”, een nieuwe stap in de richting van de fusie van de Belarussische en Russische strijdkrachten en de mogelijk permanente stationering van Russische troepen in Belarus; overwegende dat Loekasjenka plannen heeft aangekondigd om tegen 2025 voor 1 miljard USD wapens uit Rusland aan te kopen, waaronder raketafweersystemen van het type S-400; overwegende dat Loekasjenka en Poetin op 9 september 2021 ook zijn overeengekomen een eengemaakte olie- en gasmarkt tot stand te brengen en hun economische integratie te verdiepen, waardoor het risico toeneemt dat Loekasjenka de soevereiniteit van Belarus zal blijven afstaan in ruil voor verdere steun van Rusland;

Q.

overwegende dat het Belarussische regime zijn deelname aan het Oostelijk Partnerschap op 28 juni 2021 heeft opgeschort;

R.

overwegende dat het regime van Loekasjenka het afgelopen jaar verscheidene personeelsleden van ambassades en diplomaten van de lidstaten en van de EU heeft verplicht het land te verlaten, waardoor er nog meer diplomatieke communicatiekanalen werden afgesloten;

S.

overwegende dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft besloten Belarus toegang te verlenen tot bijna 1 miljard USD aan nieuwe bijzondere trekkingsrechten, in het kader van een ruimere toewijzing van 650 miljard USD aan alle IMF-leden;

T.

overwegende dat Belarus met de commerciële exploitatie van de Belarussische kerncentrale in Astravets is begonnen zonder gevolg te geven aan alle veiligheidsaanbevelingen uit het verslag van de EU-stresstest van 2018; overwegende dat Belarus zich niet transparant opstelt en geen betrouwbare informatie verstrekt over de incidenten in de kerncentrale, waardoor wordt bevestigd dat de Belarussische kerncentrale niet veilig is en een ernstige bedreiging voor de nucleaire veiligheid vormt;

U.

overwegende dat de Raad op 21 juni 2021 het vierde pakket beperkende maatregelen tegen Belarussische personen en entiteiten heeft vastgesteld naar aanleiding van de gedwongen en onwettige landing van Ryanairvlucht FR4978 in Minsk; overwegende dat de Raad op 4 juni 2021 heeft besloten om alle Belarussische luchtvaartmaatschappijen de toegang tot het EU-luchtruim en EU-luchthavens te ontzeggen; overwegende dat de Europese Unie tot dusver sancties heeft opgelegd aan 15 entiteiten en 166 personen, onder wie Aljaksandr Loekasjenka, alsook gerichte economische sancties tegen verschillende sectoren van de Belarussische economie; overwegende dat in de Belarussische economie het reële bbp in 2020 met 0,9 % is gedaald, en overwegende dat het in 2021 naar verwachting verder zal dalen met 2,7 %; overwegende dat China blijft samenwerken met en blijft investeren in Belarus, met name in het Chinees-Belarussische “Great Stone Industrial Park”;

1.

blijft vastberaden solidair met het Belarussische volk en met de vreedzame betogers die opkomen voor een vrij en democratisch Belarus; herinnert eraan dat de Europese Unie en haar lidstaten de resultaten van de presidentsverkiezingen van 2020 niet hebben erkend vanwege de grootschalige vervalsing en falsificatie en dat zij Aljaksandr Loekasjenka niet erkennen als de president van Belarus;

2.

blijft de onderdrukking, foltering en mishandeling van het vreedzame volk van Belarus, de onderdrukking van de media en van de toegang tot het internet, alsook het geweld tegen en de arrestatie en intimidatie van journalisten, bloggers en andere onafhankelijke stemmen in Belarus veroordelen; blijft oproepen tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en intrekking van alle aanklachten tegen alle politieke gevangenen en personen die willekeurig zijn opgepakt, en eist dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan het geweld en de repressie door de autoriteiten van Belarus;

3.

benadrukt dat de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, de rechtsstaat en een goed functionerende onafhankelijke rechterlijke macht in Belarus moeten worden gewaarborgd, dat er een einde moet worden gemaakt aan alle repressie, vervolging, mishandeling, seksueel en op gender gebaseerd geweld, gedwongen verdwijningen en foltering, en dat de doodstraf onmiddellijk en definitief moet worden afgeschaft; dringt erop aan dat er een einde wordt gemaakt aan de discriminatie van vrouwen en kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap en lhbtqi’ers;

4.

veroordeelt de politieke processen en strenge en onrechtvaardige vonnissen die onlangs zijn uitgesproken tegen oppositieleiders Maria Kalesnikava en Maksim Znak en andere politieke gevangenen en gedetineerden; betreurt dat de rechtszittingen achter gesloten deuren zijn gehouden en dat de aanwezigheid van diplomaten van de EU en de lidstaten werd belemmerd;

5.

blijft de represailles van de autoriteiten tegen het mensenrechtencentrum Vjasna veroordelen en roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en intrekking van alle aanklachten tegen Ales Bjaljatski, Valjantsin Stefanovitsj, Marfa Rabkova, Andrej Tsjapjoek, Leanid Soedalenka, Tatsjana Lasitsa, Maria Tarasenka, Oeladzimir Labkovitsj en andere personeelsleden en vrijwilligers van Vjasna;

6.

veroordeelt de repressie en vijandige acties van de autoriteiten tegen vertegenwoordigers van de Poolse minderheid en tegen Poolstalige scholen in Belarus; dringt in dit verband aan op onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Andżelika Borys, journalist Andrzej Poczobut en andere politieke gevangenen;

7.

veroordeelt het gedrag van de Belarussische trainers Artoer Sjimak en Joeri Maisevitsj tijdens de Olympische Spelen van Tokio; herinnert aan de vervolgingen van Belarussische atleten voor hun deelname aan vreedzame demonstraties en herinnert aan de vermeende banden tussen de Belarussische ijshockeyfederatie en de moord op Raman Bandarenka; dringt er bij het IOC en andere internationale sportcommissies en -federaties op aan hun ethische en gedragscode na te leven bij hun contacten met vertegenwoordigers van Belarus;

8.

herhaalt zijn verzoek aan de EDEO, de Commissie en de nationale diplomatieke vertegenwoordigingen van de EU-lidstaten in Belarus om de situatie van de afzonderlijke politieke gevangenen in Belarus nauwlettend te volgen, daarover aan het Parlement verslag uit te brengen, de gevangenen te ondersteunen en zich in te spannen om hen vrij te krijgen;

9.

roept op tot ondubbelzinnige steun aan de Belarussische democratische oppositie bij de organisatie van vrije en eerlijke verkiezingen, onder internationaal toezicht door het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de OVSE en geschraagd door onafhankelijke en vrije media en een sterk maatschappelijk middenveld;

10.

is van mening dat de kaping en de gedwongen landing van Ryanairvlucht FR4978 in Minsk een daad van staatsterrorisme vormen en roept de EU derhalve op om beperkende maatregelen te nemen tegen de verantwoordelijke personen of entiteiten in Belarus en Rusland, met het oog op de bestrijding van terrorisme;

11.

spoort de Europese Raad aan om tijdens zijn volgende vergadering op 21 en 22 oktober 2021 overeenstemming te bereiken over een alomvattende en strategische benadering ten aanzien van sancties tegen het Belarussische regime, die een verschuiving moet omvatten van een stapsgewijze naar een resolutere benadering ten aanzien van sancties vanwege de systematische aard van de onderdrukking en de ernstige mensenrechtenschendingen;

12.

is ingenomen met het besluit van de Raad om het vierde pakket beperkende maatregelen vast te stellen en dringt er bij de Raad op aan om zo snel mogelijk op te schieten met het vijfde pakket sancties tegen personen en entiteiten die betrokken zijn bij het harde optreden en de repressie in Belarus en tegen personen en entiteiten die betrokken zijn bij mensenhandel, en om het feit dat de sancties worden omzeild aan te pakken;

13.

betreurt dat de opgelegde economische sancties slechts gedeeltelijk effect hebben gehad op het regime van Loekasjenka en geen grote impact hebben gehad op belangrijke sectoren zoals de potassector en de sector aardolieproducten; roept de Raad op om de gerichte economische sancties van de EU verder aan te scherpen, met bijzondere aandacht voor belangrijke economische sectoren in Belarus en voor staats- en privébedrijven die het regime van Loekasjenka steunen en financieren, om aanvullende sectoren, zoals de staal-, hout- en chemische sector, evenals alle overige staatsbanken en belangrijke bedrijven zoals Belaruskali en Beltelecom, op te nemen in het sanctiepakket en om de invoer te verbieden van goederen die vaak worden geproduceerd door gedetineerden in strafkolonies; is ingenomen met de bijkomende sancties die de VS, het VK en Canada Belarus een jaar na de frauduleuze presidentsverkiezingen in het land hebben opgelegd; dringt er daarom bij de EU op aan haar maatregelen te coördineren met de Verenigde Staten, de G7-partners en andere gelijkgezinde democratieën;

14.

verzoekt de lidstaten om de ambtenaren van de Belarussische KGB collectief tot personae non gratae te verklaren op het grondgebied van de Europese Unie; herhaalt dat de EU bijzondere aandacht moet besteden aan de geldstromen uit Belarus en verzoekt de EU-instellingen om verslag uit te brengen aan het Parlement over de bezittingen van de entourage van Loekasjenka en de bezittingen die gelinkt zijn aan de corrupte oligarchen van Loekasjenka; herhaalt zijn oproep aan de EU om deze acties te coördineren met de Verenigde Staten, de G7-partners en andere gelijkgezinde landen;

15.

betreurt de uitwijzing van diplomaten van de EU en de lidstaten uit Belarus, met name het hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Belarus en ambassadeurs en diplomaten uit Litouwen, Letland en Polen; verzoekt de lidstaten als politiek signaal aan het regime van Loekasjenka hun ambassadeurs in Minsk terug te roepen voor overleg en de accreditatie van Belarussische diplomaten in de EU te weigeren; benadrukt dat Belarussische parlementsleden en ambtenaren niet mogen worden uitgenodigd voor internationale of bilaterale evenementen; dringt er bij de EDEO op aan zijn werkmethoden te herzien en te zorgen voor een actieve rol voor het hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Belarus, dat momenteel naar Brussel is teruggeroepen, en aanvullende maatregelen te nemen om te zorgen voor een veilige werkomgeving voor EU-diplomaten en het personeel van de EU-delegatie in Minsk, en met name voor bescherming tegen propaganda-aanvallen door het regime van Loekasjenka;

16.

veroordeelt ten zeerste dat het regime van Loekasjenka met het oog op politieke doelstellingen mensen tot instrumenten degradeert, hetgeen in strijd is met de internationale normen en de bilaterale verdragen van Belarus met zijn EU-buurlanden; onderstreept dat de door de Belarussische staat gesteunde illegale grensoverschrijdingen aan de buitengrenzen van de EU, in combinatie met een desinformatiecampagne, een vorm van hybride oorlogvoering is die gericht is op het intimideren en destabiliseren van de EU; betuigt zijn sterke solidariteit met Litouwen, Polen en Letland, alsook met andere EU-lidstaten waarop het Belarussische regime het vizier richt; herhaalt dat de meest getroffen landen de buitengrenzen van de EU doeltreffend moeten beschermen, in overeenstemming met het relevante internationale recht, in het bijzonder het Verdrag van Genève, alsook het EU-recht inzake asiel, waaronder het Handvest van de grondrechten;

17.

is ingenomen met de steun die de lidstaten, Noorwegen en de EU-instellingen en -agentschappen, met name Europol, Frontex en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, hebben verleend aan de lidstaten die getroffen zijn door de migratiecrisis die het Belarussische regime heeft teweeggebracht, en spoort deze aan die steun voort te zetten, onder meer door verdere noodhulp van de EU toe te kennen, en nodigt de lidstaten die nog geen gebruik hebben gemaakt van die hulp uit om dat alsnog te doen; roept de lidstaten en EU-instellingen op om dringend iets te doen aan de multidimensionale crisis aan de grens met Belarus, migranten te helpen die aan de grens met Belarus gestrand zijn en hun de nodige steun te verlenen; is bezorgd over het gebrek aan transparantie aan de grens tussen Polen en Belarus en spoort de Poolse autoriteiten aan om op transparante wijze te waarborgen dat wetgeving, beleid of praktijken aan de Pools-Belarussische grens in overeenstemming zijn met het EU-recht en dat maatschappelijke organisaties en de media toegang krijgen tot de grensregio, en om samen te werken met Frontex teneinde de huidige crisis gezamenlijk op te lossen; verzoekt de EU, haar lidstaten en internationale organisaties meer inspanningen te leveren om deze door de staat gelaste mensenhandelstromen te ontmantelen, onder meer door diplomatieke druk uit te oefenen op de landen van herkomst van migranten en door sancties op te leggen aan de Belarussische functionarissen, personen en entiteiten die erbij betrokken zijn, alsook aan internationale criminele netwerken die op het grondgebied van de EU actief zijn en verantwoordelijk zijn voor het overbrengen van migranten naar eindbestemmingen; benadrukt dat Belarus onlangs zijn visumregeling met Pakistan, Jordanië, Egypte en Zuid-Afrika heeft opgeschort, waardoor visumvrij reizen van deze landen naar Belarus mogelijk is;

18.

verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om een gemeenschappelijke benadering te hanteren ten aanzien van deze situatie, op basis van het relevante EU- en internationale recht en de beginselen van solidariteit, transparantie, verantwoordingsplicht en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; verzoekt de Commissie dringend gerichte wetgevingsvoorstellen in te dienen die de lidstaten de nodige waarborgen bieden om snel en doeltreffend te reageren op campagnes van derde landen voor de instrumentalisering van migratie, met name door te zorgen voor een sterke en doeltreffende bescherming van de buitengrenzen van de EU, door doeltreffende maatregelen te nemen om irreguliere grensoverschrijdingen te voorkomen en door te voorzien in manieren om misbruik van het asielstelsel door vijandige derde landen of criminele netwerken te stoppen;

19.

is bezorgd over het feit dat er mensen aan de grens tussen Belarus en de EU zijn omgekomen en spreekt zijn medeleven uit met de naaste en verdere familie van de overledenen; verzoekt de autoriteiten van Polen, Letland, Litouwen en andere getroffen lidstaten ervoor te zorgen dat het asiel- en terugkeerrecht van de EU en het internationaal recht inzake mensenrechten ook tijdens de noodsituatie volledig worden nageleefd, met inbegrip van de toegang tot asiel en een zo groot mogelijke toegang van de media, maatschappelijke organisaties en rechtsbijstandverleners tot het grensgebied, en rekening te houden met de richtsnoeren van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) en de organen van de Raad van Europa; verzoekt de Commissie als de hoedster van de Verdragen toe te zien op de naleving van het toepasselijke EU-recht;

20.

roept de lidstaten op tot betere samenwerking op het gebied van grensbeheer, bestrijding van mensenhandel, sigarettensmokkel en andere veiligheidsproblemen die het Belarussische regime heeft veroorzaakt of in de hand heeft gewerkt; steunt het voorstel van de Commissie om bepaalde artikelen van de EU-overeenkomst met de Republiek Belarus inzake de versoepeling van de afgifte van visa op te schorten ten aanzien van specifieke categorieën ambtenaren die banden hebben met het regime van Loekasjenka, zonder dat dit gevolgen heeft voor de gewone burgers van Belarus; dringt erop aan dat de lijst met betrokken personen wordt uitgebreid en dat nu reeds wordt overwogen om er categorieën personen in op te nemen die kunnen worden onderworpen aan individuele beperkende maatregelen als onderdeel van toekomstige sanctiepakketten;

21.

betreurt de onvoorwaardelijke toewijzing van bijzondere trekkingsrechten ter hoogte van 910 miljoen USD door het IMF, die niet ten goede komt aan de bevolking van Belarus, maar de belangen van de onwettige leider van het land dient; verzoekt de EU-lidstaten samen te werken met internationale partners in multilaterale organisaties zoals het IMF om de uitbetaling van middelen aan het regime van Loekasjenka te beperken en alle samenwerking met het regime te bevriezen; neemt kennis van de voortdurende investeringen in Belarus door niet-democratische landen, met name Rusland en China;

22.

wijst er opnieuw op dat de steun van Rusland voor het brute optreden tegen de bevolking van Belarus dringen moet worden aangetoond, evenals zijn betrokkenheid bij de hybride acties van het regime van Loekasjenka tegen de EU, met inbegrip van het gebruik van migranten voor politieke doeleinden, en dat het Kremlin voor dergelijke acties ter verantwoording moet worden geroepen;

23.

wijst bezorgd op de agressieve wijze waarop de militaire oefening “Zapad 2021” is verlopen en op het gebrek aan mogelijkheden om deze oefening te observeren; herhaalt dat deze oefening, net als andere soortgelijke grootschalige oefeningen, de offensieve houding en de vastberadenheid van Rusland onderstreept om zijn capaciteiten op vijandige wijze te gebruiken; herhaalt zijn oproep tot strategische autonomie van de EU en een echte Europese defensie-unie als onderdeel van een versterkte NAVO;

24.

veroordeelt dat Loekasjenka en Vladimir Poetin zich voortdurend met elkaar inlaten om routekaarten op te stellen voor meer integratie van Belarus en Rusland, met inbegrip van de gestage militarisering van Belarus, en beschouwt dit als een schending van de soevereiniteit van Belarus, aangezien de Belarussische burgers aldus het recht wordt ontnomen om de toekomst van hun land te bepalen; wijst op de onwettigheid van het bewind van Loekasjenka en verwerpt alle overeenkomsten die Loekasjenka namens de Belarussische staat heeft gesloten, met name na het verstrijken van zijn ambtstermijn op 5 november 2020; wijst er nogmaals op dat de EU duidelijk moet maken dat als Rusland zijn huidige beleid ten aanzien van Belarus voortzet, de EU Rusland aanvullende inperkings- en afschrikkende maatregelen zal moeten opleggen; verzoekt de EU-instellingen regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de inmenging van het Kremlin in Belarus, ook over de wijze waarop het de situatie uitbuit om te komen tot een diepere politieke, militaire en economische controle van Belarus;

25.

is teleurgesteld over het feit dat de EU er tot op heden niet in is geslaagd een alomvattende strategie ten aanzien van het Belarussische regime tot stand te brengen, en spoort de Raad, de Commissie en de VV/HV aan om een alomvattende strategie ten aanzien van Belarus te ontwikkelen, op basis van de huidige noodhulp aan slachtoffers van onderdrukking, strategische en langdurige politieke, technische en financiële steun aan het Belarussische maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, onafhankelijke media, vakbonden en democratische krachten in het land en daarbuiten, samenwerking met buurlanden op het gebied van dringende humanitaire kwesties, nauwe samenwerking met internationale partners, relevante multilaterale organisaties (bijv. de VN, OVSE) en internationale donoren, en gezamenlijke internationale maatregelen om de straffeloosheid aan te pakken; verzoekt de EDEO het voortouw te nemen bij de coördinatie van een dergelijk coherent beleid met de lidstaten en andere EU-instellingen;

26.

dringt er bij de Commissie, de Raad, de VV/HV en de lidstaten op aan de situatie in Belarus aan de orde te blijven stellen in alle relevante Europese en internationale organisaties, in het bijzonder de OVSE, de VN en de gespecialiseerde VN-organen, teneinde de internationale acties ten aanzien van de situatie in Belarus op te voeren en het hoofd te bieden aan de belemmering van dergelijke acties door Rusland en andere landen;

27.

blijft de Belarussische bevolking ondersteunen bij haar legitieme eisen en aspiraties voor vrije en eerlijke verkiezingen, fundamentele vrijheden en mensenrechten, democratische vertegenwoordiging en politieke participatie in een vrij en soeverein Belarus;

28.

prijst het systematische en consistente werk van de Belarussische democratische krachten in Belarus en in ballingschap, met name de leider van de democratische oppositie, Svjatlana Tsichanovskaja, de coördinatieraad en de schaduwregering; herhaalt dat het dringend noodzakelijk is de contacten en de samenwerking met deze krachten te onderhouden en uit te breiden; is in dit verband ingenomen met het besluit van Litouwen om de democratische vertegenwoordiging van Belarus in Vilnius officiële accreditatie te verlenen en verzoekt de overige lidstaten dit voorbeeld te volgen; dringt er bij de EU op aan haar goede diensten aan te bieden om in Brussel een bureau voor de democratische vertegenwoordiging van Belarus te helpen installeren;

29.

verzoekt de EU op operationeel niveau samen te werken met de vertegenwoordigers van de democratische krachten van Belarus om de werkzaamheden af te ronden met het oog op de goedkeuring van een routekaart voor de uitvoering van een omvattend plan van 3 miljard EUR voor economische steun aan een toekomstig democratisch Belarus op gebieden als capaciteitsopbouw voor belangenbehartiging, capaciteitsopbouw voor hervormingen, capaciteitsopbouw voor investeringsbeheer en capaciteitsopbouw op het gebied van staatsbestuur voor de democratische krachten van Belarus; verzoekt de EU de nodige voorbereidingen te treffen voor de dialoog met de democratische krachten van Belarus en regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de geboekte vooruitgang, onder meer over de vaststelling van een EU-strategie voor haar toekomstige betrekkingen met een democratisch Belarus en over een uitgebreide reeks maatregelen om de democratische krachten van Belarus voor te bereiden op de uitvoering van dit plan;

30.

herhaalt zijn oproep om de vertegenwoordigers van democratisch Belarus officieel uit te nodigen voor de komende top van het Oostelijk Partnerschap en hen te betrekken bij bilaterale en voorbereidende bijeenkomsten op hoog niveau op EU- en nationaal niveau, alsook bij parlementaire zittingen en interparlementaire bijeenkomsten met het Europees Parlement en de nationale parlementen; wijst nogmaals op het belang van specifiek voor Belarus gevormde groepen binnen alle nationale parlementen van de EU-lidstaten, het Oostelijk Nabuurschap en de G7-landen; dringt aan op meer betrokkenheid met en een grotere aanwezigheid van vertegenwoordigers van het Belarussische maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie in de multilaterale organen van het Oostelijk Partnerschap, met name in het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap en de Parlementaire Vergadering Euronest;

31.

herinnert aan zijn eerdere initiatief inzake een missie op hoog niveau, waaraan zou moeten worden deelgenomen door voormalige hoge Europese ambtenaren, en die ten doel zou moeten hebben alle mogelijke manieren te verkennen om het geweld een halt toe te roepen en ervoor te zorgen dat politieke gevangenen worden vrijgelaten, en waarmee een bijdrage zou kunnen worden geleverd aan het scheppen van een gunstig klimaat voor een inclusieve binnenlandse politieke dialoog in Belarus; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de VV/HV om samen met internationale partners een internationale conferentie op hoog niveau te organiseren onder de titel “De toekomst van democratisch Belarus” over de oplossing van de crisis in het land en over de toezegging van een financieel pakket van meerdere miljarden euro ter ondersteuning van toekomstige hervormingsinspanningen en de herstructurering van de Belarussische economie; vraagt de Commissie om het Parlement op de hoogte te houden van de vorderingen op dit gebied;

32.

benadrukt dat er een omvattend onderzoek moet worden uitgevoerd naar de misdaden die door het regime van Loekasjenka tegen de bevolking van Belarus zijn gepleegd, met inbegrip van de moord op Raman Bandarenka en op andere Belarussische burgers; wacht op de resultaten van het onderzoek van de Oekraïense autoriteiten naar de dood van Vitali Sjisjov; spoort alle lidstaten aan om het beginsel van universele jurisdictie actief toe te passen en rechtszaken voor te bereiden tegen Belarussische functionarissen die verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig zijn aan geweld en onderdrukking, onder meer Aljaksandr Loekasjenka;

33.

zegt toe de goede werking van het Platform van het Europees Parlement voor de strijd tegen straffeloosheid in Belarus te waarborgen en te zorgen voor de coördinatie van een internationale respons op de ontwikkelingen in Belarus op de korte termijn; verzoekt het platform tijdens zijn volgende bijeenkomst te schetsen hoe de EU verder kan bijdragen aan een processtrategie en samen met partners kan deelnemen aan het internationale strafproces, waaronder universele jurisdictie, om Aljaksandr Loekasjenka en leden van zijn regime persoonlijk te veroordelen voor de op grote schaal gepleegde misdaden tegen de bevolking van Belarus; dringt er in het bijzonder op aan te overwegen de Belarussische zaak voor het Internationaal Gerechtshof te brengen op basis van het Verdrag van Chicago, het Verdrag van Montreal en het VN-Verdrag tegen foltering, die door het regime van Loekasjenka zijn geschonden;

34.

herinnert alle EU-bedrijven die actief zijn in Belarus aan zijn eerdere oproep om bijzondere zorgvuldigheid aan de dag te leggen en hun verantwoordelijkheid voor de eerbiediging van de mensenrechten te nemen, overeenkomstig de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten; verzoekt hen af te zien van nieuwe investeringen en publiekelijk bij de Belarussische autoriteiten te protesteren tegen de voortdurende onderdrukking van werknemers en van burgers in het algemeen;

35.

dringt er bij de Commissie, de EDEO en de EU-lidstaten op aan de rechtstreekse steun aan de Belarussische oppositie, het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten en onafhankelijke mediaorganisaties binnen en buiten Belarus te verhogen; benadrukt dat het belangrijk is de betrekkingen met die personen en organisaties in stand te houden, ondanks de aankondiging van het Belarussische regime dat het zijn samenwerking met het Oostelijk Partnerschap zal beëindigen; verbindt zich ertoe zijn eigen activiteiten ter ondersteuning van de democratie op te voeren; vraagt nogmaals om een gericht EU-bijstandsprogramma om het maatschappelijk middenveld, onafhankelijke media, de academische wereld en de Belarussische oppositie in ballingschap te helpen, evenals slachtoffers van politieke onderdrukking en politiegeweld en diegenen die het repressieve regime ontvluchten;

36.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EDEO samen te werken met internationale partners, zoals het Moskou-Mechanisme van de OVSE en de VN-Mensenrechtenraad, alsook met mensenrechtenactivisten en maatschappelijke organisaties in het land zelf, om te waarborgen dat mensenrechtenschendingen worden gedocumenteerd en gemeld, dat de daders ter verantwoording worden geroepen en dat er gerechtigheid komt voor de slachtoffers; verwelkomt en steunt de oprichting van het Internationaal Platform inzake Verantwoordingsplicht voor Belarus en dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan de werking ervan te ondersteunen, evenals die van de VN-Mensenrechtenraad en andere internationale initiatieven om daders ter verantwoording te roepen; steunt verdere besprekingen over een eventueel in Den Haag op te richten internationaal tribunaal voor mensenrechtenschendingen in Belarus;

37.

benadrukt het enorme belang van de oprichting van volksambassades van Belarus wereldwijd en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan verdere steun te verlenen om de rechten en belangen van Belarussische burgers in het buitenland en de belangen van een democratisch Belarus te beschermen, bijvoorbeeld door te zoeken naar manieren om de volksambassades van Belarus te financieren;

38.

spoort de lidstaten aan de procedures voor het verkrijgen van een visum of een verblijfsvergunning voor personen die Belarus om politieke redenen ontvluchten en personen die medische behandeling nodig hebben vanwege het geweld dat tegen hen is gepleegd verder te vereenvoudigen, en deze personen en hun gezinsleden alle nodige ondersteuning en bijstand te verlenen; verzoekt de lidstaten en de Commissie beurzen toe te kennen aan Belarussische studenten en academici aan wie de toegang tot hun universiteit is ontzegd of die gevangen zijn gezet wegens hun prodemocratische houding;

39.

benadrukt hoe belangrijk het is de nucleaire veiligheidsrisico’s van de Belarussische kerncentrale in Astravets aan te pakken; dringt erop aan dat Belarus volledig transparant is als het gaat om de nucleaire veiligheid van de Belarussische kerncentrale en zich ertoe verbindt volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen die in het kader van de collegiale toetsing door de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid met betrekking tot de kerncentrale zijn gedaan; is in afwachting daarvan voorstander van een verbod op de invoer van energie uit de Belarussische kerncentrale op de EU-markt en van de opname van dit verbod in het EU-mechanisme voor koolstofgrenscorrectie;

40.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de autoriteiten van de Republiek Belarus en van de Russische Federatie en aan de vertegenwoordigers van de Belarussische democratische oppositie.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0383.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/205


P9_TA(2021)0421

De humanitaire situatie in Tigray

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2021 over de humanitaire situatie in Tigray (2021/2902(RSP))

(2022/C 132/18)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 26 november 2020 over de situatie in Ethiopië (1),

gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Josep Borrell, en de commissaris voor Crisisbeheersing, Janez Lenarčič, van 25 juni 2021 over de moord op drie humanitaire hulpverleners in Tigray,

gezien de gezamenlijke verklaring van de VV/HV en commissaris Lenarčič van 24 juni 2021 over de luchtaanval in de regio Tigray,

gezien de verklaring van de VV/HV namens de Europese Unie van 4 oktober 2021 over het besluit met betrekking tot de uitwijzing van zeven functionarissen van de Verenigde Naties,

gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en de VS van 10 juni 2021 naar aanleiding van de rondetafelbijeenkomst over de humanitaire noodsituatie in Tigray,

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 12 juli 2021 over Ethiopië,

gezien Resolutie 47/13 van de VN-Mensenrechtenraad van 13 juli 2021 getiteld “Situation of human rights in the Tigray region of Ethiopia” (Mensenrechtensituatie in de regio Tigray in Ethiopië),

gezien Resolutie 2417 van de VN-Veiligheidsraad van 24 mei 2018, waarin uithongering van burgers als methode van oorlogvoering wordt veroordeeld, evenals de onrechtmatige ontzegging van humanitaire toegang tot de burgerbevolking,

gezien de opmerkingen van VN-secretaris-generaal António Guterres aan de VN-Veiligheidsraad van 26 augustus 2021 ter gelegenheid van de bijeenkomst over Ethiopië,

gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 13 september 2021,

gezien de verklaring van de Amerikaanse president Joe Biden van 17 september 2021 over het presidentieel besluit met betrekking tot de crisis in Ethiopië,

gezien de verklaring van VN-secretaris-generaal António Guterres van 30 september 2021 naar aanleiding van de uitwijzing van zeven VN-functionarissen uit Ethiopië,

gezien de grondwet van de Federale Democratische Republiek Ethiopië, aangenomen op 8 december 1994, en met name de bepalingen in hoofdstuk 3 inzake fundamentele rechten en vrijheden, mensenrechten en democratische rechten,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien het Afrikaans Handvest inzake de rechten van de mens en de volkeren,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN,

gezien het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 1949, en de bijbehorende aanvullende protocollen van 1977 en 2005,

gezien het Vluchtelingenverdrag van de VN van 1951 en het bijbehorende protocol van 1967,

gezien Resolutie 2286 van de VN-Veiligheidsraad van 3 mei 2016 over de bescherming van gewonden en zieken, medisch personeel en humanitair personeel in gewapende conflicten,

gezien Resolutie 47/13 van de VN-Mensenrechtenraad van 13 juli 2021 over de mensenrechtensituatie in de regio Tigray in Ethiopië,

gezien de resolutie van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren van 12 mei 2021 over de onderzoeksmissie naar de regio Tigray van de Federale Democratische Republiek Ethiopië,

gezien de tweede herziening van de Overeenkomst van Cotonou,

gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering van de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en de EU van 11 maart 2021 over democratie en de eerbiediging van de grondwettelijke orde in de EU- en de ACS-landen,

gezien het rapport van Amnesty International van 10 augustus 2021 getiteld ““I don’t know if they realised I was a person”: Rape and other sexual violence in the conflict in Tigray, Ethiopia” (“Ik weet niet of ze beseften dat ik een mens was”: verkrachting en andere vormen van seksueel geweld in het conflict in Tigray, Ethiopië),

gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het unilaterale staakt-het-vuren dat de Ethiopische regering op 28 juni 2021 heeft afgekondigd geen einde heeft gemaakt aan de gevechten en dat de partijen bij het conflict nieuwe offensieven hebben gelanceerd; overwegende dat het conflict zich nu verspreidt naar de naburige regio’s van Afar en Amhara en dat er een risico bestaat dat de gevolgen ervan zich zullen uitbreiden tot de hele Hoorn van Afrika; overwegende dat dit conflict, dat reeds elf maanden aan de gang is, een door de mens veroorzaakte crisis teweeg heeft gebracht en dat dit wijdverbreide menselijke leed volledig had kunnen worden voorkomen;

B.

overwegende dat reeds vóór het begin van de gevechten 15,2 miljoen mensen in Ethiopië humanitaire hulp nodig hadden, waarvan 2 miljoen in de regio Tigray; overwegende dat bijna één miljoen mensen in omstandigheden leven die aan hongersnood grenzen, en dat 5,2 miljoen van de 6 miljoen inwoners van Tigray worden geconfronteerd met acute voedselonzekerheid als rechtstreeks gevolg van het geweld; overwegende dat 91 % van de bevolking dringend humanitaire hulp nodig heeft en dat 100 000 kinderen de komende twaalf maanden te maken zullen krijgen met levensbedreigende, ernstige, acute ondervoeding; overwegende dat de VN reeds in juni 2021 heeft gewaarschuwd dat 5,5 miljoen mensen in Tigray en de aangrenzende regio’s Amhara en Afar voedselhulp nodig hadden en dat 350 000 mensen van honger dreigden te sterven; overwegende dat in de regio Tigray 100 000 intern ontheemden en 96 000 Eritrese vluchtelingen verblijven; overwegende dat er verscheidene grote vluchtelingenkampen zijn, die volgens ngo’s voor 44 % uit kinderen bestaan; overwegende dat sinds juli 2021 ongeveer 1,9 miljoen mensen in Tigray ontheemd zijn geraakt als gevolg van het conflict;

C.

overwegende dat er meerdere en ernstige gevallen gemeld zijn van vermeende grove schendingen van de mensenrechten, het humanitair recht en het vluchtelingenrecht door alle partijen bij het conflict; overwegende dat in deze meldingen sprake is van aanvallen op burgers, buitengerechtelijke executies, foltering, gedwongen verdwijningen, massale opsluitingen, systematische plunderingen en de systematische en opzettelijke vernieling van basisdiensten, watersystemen, gewassen en bestaansmiddelen;

D.

overwegende dat de Ethiopische regering weliswaar heeft verklaard zich te zullen inzetten om daders van seksueel geweld ter verantwoording te roepen (2), maar dat Ethiopische en Eritrese troepen evenals de regionale strijdkrachten van Amhara zich nog altijd regelmatig schuldig maken aan verkrachting en andere vormen van seksueel geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes, naast doodsbedreigingen, het gebruik van etnisch gemotiveerde laster en gevangenschap met het oog op seksuele slavernij; overwegende dat humanitaire organisaties en nationale zorgverleners die slachtoffers van seksueel geweld helpen, door regeringstroepen en -functionarissen zijn geïntimideerd en bedreigd;

E.

overwegende dat er sinds het begin van het conflict in Tigray meerdere gevallen van buitengerechtelijke executies gemeld zijn, waaronder grootschalige moordpartijen die naar verluidt hebben plaatsgevonden in Mai-Kadra op de avond van 9 november 2020, in Axum op 28 november 2020 en in Mahbere Dego in januari 2021; overwegende dat de Sudanese autoriteiten in augustus 2021 hebben gemeld dat de lichamen van circa vijftig mensen waren gevonden in de rivier de Tekeze, die aan de grens tussen het westen van Tigray en Sudan stroomt; overwegende dat er bewijs voorligt van meer dan 250 vermeende moordpartijen in Tigray sinds het begin van de burgeroorlog in november 2020; overwegende dat het Volksbevrijdingsfront van Tigray in augustus 2021 ook buitengerechtelijke executies heeft uitgevoerd in de naburige regio’s van Tigray, zoals in Chenna en Kobo;

F.

overwegende dat volgens betrouwbare bronnen zowel het Volksbevrijdingsfront van Tigray als de Ethiopische Nationale Defensiemacht zich in Tigray aan mensenrechtenschendingen schuldig hebben gemaakt; overwegende dat Eritrese troepen Tigray en andere delen van Ethiopië zijn binnengevallen en zich ook aan grove mensenrechtenschendingen schuldig hebben gemaakt; overwegende dat de meeste beschuldigingen betrekking hebben op schendingen door de Ethiopische Nationale Defensiemacht en de Eritrese troepen;

G.

overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, op 13 september 2021 heeft gesproken over schendingen “door alle partijen”; overwegende dat de EU het werk van Michelle Bachelet consequent heeft gesteund;

H.

overwegende dat het eindrapport van het gezamenlijke onderzoek van het VN-Bureau voor de mensenrechten en de Ethiopische mensenrechtencommissie naar vermeende schendingen van de mensenrechten, het humanitair recht en het vluchtelingenrecht door alle partijen bij het conflict in Tigray op 1 november 2021 zal worden gepubliceerd;

I.

overwegende dat er naast de plundering en vernietiging van gewassen ook zwermen woestijnsprinkhanen zijn waargenomen ten zuidwesten van Mekele in Tigray; overwegende dat het aanhoudende conflict en de humanitaire situatie de preventie- en vaccinatie-inspanningen in verband met COVID-19 in veel gebieden onmogelijk hebben gemaakt;

J.

overwegende dat de afgelopen maand slechts 10 % van de humanitaire hulpgoederen voor de belegerde regio Tigray is toegelaten in het gebied; overwegende dat er dagelijks honderd vrachtwagens nodig zijn om voldoende humanitaire hulpgoederen te leveren in Tigray; overwegende dat sinds 12 juli 2021 slechts 525 vrachtwagens tot in Tigray zijn doorgedrongen als gevolg van gesloten grenzen, door de strijdkrachten gecontroleerde toegangswegen, vernielde infrastructuur zoals bruggen, de onveilige situatie voor de bestuurders, een ernstig gebrek aan brandstof en contant geld om terug te keren naar de bevoorradingspunten en langdurige vertragingen bij het opsporen en uitklaren van humanitaire hulpgoederen;

K.

overwegende dat het tot doelwit maken van hulpverleners als een oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de menselijkheid wordt beschouwd; overwegende dat drie medewerkers van Artsen zonder Grenzen op 25 juni 2021 zijn vermoord terwijl zij hulp verleenden aan de meest hulpbehoevenden; overwegende dat sinds november 2020 ten minste 23 hulpverleners zijn gedood in de regio; overwegende dat Ethiopische regeringstroepen op 22 juni 2021 na een luchtaanval op een markt in Togoga ambulances hebben tegengehouden die hulp kwamen bieden; overwegende dat het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (UNOCHA) heeft gemeld dat Eritrese regeringstroepen op 17 juni 2021 een vaccinatieteam in Asgede Woreda hebben tegengehouden en aangevallen; overwegende dat de plundering van gezondheidszorgvoorzieningen in Tigray naar verluidt regelmatig voorkomt; overwegende dat humanitaire organisaties en nationale zorgverleners die slachtoffers van seksueel geweld helpen, door regeringstroepen en -functionarissen zijn geïntimideerd en bedreigd;

L.

overwegende dat meer dan twee miljoen mensen ontheemd zijn geraakt; overwegende dat naar verluidt bijna 76 500 mensen in Afar en naar schatting 200 000 mensen in Amhara ontheemd zijn sinds Tigrese troepen deze regio’s zijn binnengevallen; overwegende dat 55 000 Ethiopische vluchtelingen en asielzoekers naar verluidt onderdak zoeken in Sudan;

M.

overwegende dat een aantal vluchtelingenkampen in Tigray is vernield; overwegende dat Eritrese vluchtelingen die in Tigray wonen, geconfronteerd worden met ontvoering en gedwongen terugkeer; overwegende dat in de vluchtelingenkampen in Tigray geen gezondheidszorg beschikbaar is en een tekort aan schoon drinkwater dreigt;

N.

overwegende dat er meldingen zijn van de rekrutering van kinderen door de oorlogvoerende partijen, met inbegrip van de Tigrese strijdkrachten, om mee te vechten in het conflict; overwegende dat het inzetten van kindsoldaten een oorlogsmisdaad vormt;

O.

overwegende dat de Ethiopische autoriteiten zich schuldig hebben gemaakt aan willekeurige gevangenneming, gedwongen verdwijningen en andere misbruiken, zoals het sluiten van bedrijven, ten aanzien van de etnische Tigrese bevolking in de hoofdstad van Ethiopië; overwegende dat het aanzetten tot haat en discriminatie, en toenemende ophitsende retoriek tegen Tigray openlijk worden gebruikt in heel Ethiopië, onder meer door hooggeplaatste regeringsfunctionarissen;

P.

overwegende dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Ethiopië op 30 september 2021 zeven VN-medewerkers (van Unicef, het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens (OHCHR) en het UNOCHA) tot persona non grata in Ethiopië heeft verklaard;

Q.

overwegende dat er in Tigray en de naburige regio’s periodieke beperkingen en onderbrekingen zijn van het internet en van telecommunicatiediensten; overwegende dat er aanvallen op journalisten zijn geweest en dat de vergunningen van verschillende mediabedrijven zijn opgeschort, waardoor toezicht op de situatie ter plaatse wordt belemmerd; overwegende dat basisdiensten, met inbegrip van elektriciteits- en bankdiensten, nog steeds beperkt zijn;

R.

overwegende dat de huidige toestand van instabiliteit in Ethiopië het gevolg is van een lange geschiedenis van etnische verdeeldheid en etnische spanningen;

S.

overwegende dat de eenheid van Ethiopië, als een multi-etnische staat, van groot belang is voor de stabiliteit van de regio en het Afrikaanse continent in het algemeen;

T.

overwegende dat Ethiopië, met een bevolking van meer dan 110 miljoen mensen en een strategische positie in de buurt van de Hoorn van Afrika, een erg belangrijk land op het Afrikaanse continent is en een potentiële partner van strategisch belang is voor de EU en haar lidstaten;

U.

overwegende dat de EU, als grootste humanitaire donor ter wereld, onverminderd solidair is met mensen in nood via haar humanitaire financiering; overwegende dat de EU sinds het begin van het conflict in Ethiopië onverminderd pleit voor volledige en onbelemmerde humanitaire toegang, in overeenstemming met het internationale humanitaire recht;

V.

overwegende dat de onlangs aangenomen mededeling over het humanitaire optreden van de EU voorziet in versterking van processen die in ons extern optreden stelselmatig prioriteit toekennen aan bevordering en toepassing van het internationale humanitaire recht;

W.

overwegende dat het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI — Europa in de wereld) menselijke ontwikkeling, bestuur en vredesopbouw in Ethiopië als prioritaire actiegebieden aanwijst, waarbij 65 % van het meerjarig indicatief programma voor deze doeleinden is bestemd;

X.

overwegende dat de Commissie in reactie op de recente ontwikkelingen van de crisis humanitaire acties ter waarde van 5 miljoen EUR in Amhara en Afar heeft opgezet, en dat dit bedrag deel uitmaakt van een totaalbedrag van 53,7 miljoen EUR dat in 2021 reeds is vrijgemaakt en aanbesteed voor humanitaire hulp aan mensen in nood in Ethiopië; overwegende dat 118 miljoen EUR is vrijgemaakt voor bijstand aan Tigray en Ethiopische vluchtelingen in Sudan; overwegende dat de EU naar aanleiding van het aanhoudende conflict de uitbetaling van begrotingssteun aan Ethiopië heeft opgeschort;

Y.

overwegende dat de EU via haar directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp (DG ECHO) in september 2021 heeft geprobeerd een humanitaire luchtbrug tot stand te brengen om dringend noodzakelijke humanitaire goederen naar de regio Tigray te brengen, maar daarbij door de Ethiopische regering zwaar is tegengewerkt; overwegende dat daardoor slechts één humanitaire vlucht in het kader van de EU-luchtbrug heeft kunnen plaatsvinden en slechts een klein deel van de humanitaire vracht kon worden geleverd;

Z.

overwegende dat de EU op 21 juni 2021 Annette Weber als de nieuwe speciale vertegenwoordiger van de EU voor de Hoorn van Afrika heeft aangewezen; overwegende dat de Finse minister van Buitenlandse Zaken, Pekka Haavisto, de regio eerder dit jaar twee keer heeft bezocht, met een mandaat van de VV/HV, teneinde de huidige crisis in Ethiopië en de regionale impact ervan te bespreken;

AA.

overwegende dat de Afrikaanse Unie op 26 augustus 2021 de voormalige president van Nigeria, Olusegun Obasanjo, als bemiddelaar voor het conflict heeft aangewezen;

AB.

overwegende dat de nieuwe Ethiopische regering in december 2018 de Ethiopische Verzoeningscommissie en het Ministerie van Vrede in het leven heeft geroepen; overwegende dat geen van beide instellingen — in de moeilijke omstandigheden na hun oprichting — tot nu toe hun mandaat, d.w.z. het bevorderen van vrede en het voorkomen en oplossen van gewapende conflicten in Ethiopië, hebben kunnen vervullen;

AC.

overwegende dat tijdens het huidige conflict de Ethiopische Welvaartspartij (Ethiopian Prosperity Party) onder leiding van Abiy Ahmed zichzelf tot winnaar van de algemene verkiezingen heeft uitgeroepen — verkiezingen die werden geboycot en waarvan de uitslag door sommige oppositiepartijen is verworpen; overwegende dat er in Tigray geen verkiezingsproces heeft plaatsgevonden; overwegende dat de EU geen verkiezingswaarnemingsmissie heeft gestuurd;

AD.

overwegende dat Ethiopië de Overeenkomst van Cotonou heeft ondertekend en dat in artikel 96 van deze overeenkomst is bepaald dat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden een essentieel onderdeel vormt van de samenwerking in het kader van de ACS-EU;

1.

eist de onmiddellijke stopzetting van de vijandelijkheden door alle partijen, hetgeen een absolute voorwaarde is voor de zeer noodzakelijke verbetering van de humanitaire situatie in Tigray en andere regio’s, met name Afar en Amhara; dringt aan op een onmiddellijke terugkeer naar de grondwettelijke orde en op de instelling van een mechanisme voor toezicht op het staakt-het-vuren;

2.

verzoekt alle betrokken nationale, regionale en lokale actoren onmiddellijke en ongehinderde humanitaire toegang en hulp aan de getroffen bevolking in Tigray mogelijk te maken, zodat er een einde komt aan de feitelijke blokkade van humanitaire hulp en kritieke voorraden van onder meer voedsel, geneesmiddelen en brandstof, en bijstand aan de bevolking in nood in de regio’s van Amhara en Afar te faciliteren;

3.

veroordeelt met klem het doelbewust tot doelwit maken van burgers door alle strijdende partijen, alsook de berichten over de rekrutering van kinderen door de oorlogvoerende partijen, met inbegrip van de Tigrese strijdkrachten, en het aanhoudende gebruik van verkrachting en seksueel geweld; geeft nogmaals aan dat moedwillige aanvallen op burgers en de rekrutering en inzet van kindsoldaten oorlogsmisdaden vormen;

4.

veroordeelt de moorden op burgers, vluchtelingen en humanitaire en medische hulpverleners; roept de strijdkrachten van alle partijen ertoe op de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair en vluchtelingenrecht te eerbiedigen en de bescherming van de bevolking in de getroffen gebieden te verzekeren; dringt erop aan dat verantwoording wordt afgelegd voor misdrijven die tijdens het huidige conflict zijn gepleegd en dat de verantwoordelijken worden opgespoord en voor de rechter worden gebracht; pleit ervoor dat onderzoek wordt ingesteld naar personen die worden verdacht van verkrachting of seksuele slavernij op verdenking van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, zoals verkrachting, seksuele slavernij, foltering en vervolging;

5.

dringt er bij het Volksbevrijdingsfront van Tigray op aan zijn offensief te staken en zijn troepen onmiddellijk terug te trekken uit de regio’s van Amhara en Afar; verzoekt de regionale regering van Amhara haar troepen terug te trekken uit het westen van Tigray, en verzoekt de Eritrese regering haar troepen onmiddellijk en permanent uit Ethiopië terug te trekken; verzoekt de buurlanden om af te zien van iedere politieke of militaire interventie die het conflict verder zou kunnen aanwakkeren;

6.

dringt aan op de oprichting van een onafhankelijke en onpartijdige onderzoekscommissie om de aanvallen te onderzoeken die gericht waren op specifieke etnische en religieuze groepen, die als doel hadden aan te zetten tot geweld tussen gemeenschappen en die de vrede en veiligheid van de Ethiopische bevolking in gevaar brachten; verzoekt de Ethiopische regering ervoor te zorgen dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze daden, hiervoor verantwoording afleggen;

7.

herinnert eraan dat de Ethiopische regering verantwoordelijk is voor de veiligheid van alle vluchtelingen en intern ontheemden op Ethiopisch grondgebied; verzoekt de Ethiopische autoriteiten onmiddellijke en passende bescherming en bijstand te verlenen aan de duizenden ontheemde Eritrese vluchtelingen en asielzoekers uit de kampen in Tigray, en het lot en de verblijfplaats van de duizenden niet-geregistreerde Eritrese vluchtelingen te achterhalen; betreurt de haatuitingen en ophitsende taal van hooggeplaatste functionarissen, en roept alle betrokken partijen op hun woorden zorgvuldig te kiezen, teneinde een verdere escalatie te voorkomen en meer menselijk lijden te vermijden; dringt erop aan dat de internationale en regionale grenzen open blijven voor veilig en vrij verkeer van burgers; merkt op dat Ethiopië voor migranten een belangrijk land van herkomst, doorreis en bestemming is; dringt erop aan dat de federale regering van Ethiopië en de regionale autoriteiten de bevolking beschermen en hun grondrechten waarborgen;

8.

dringt er bij de Ethiopische autoriteiten op aan onmiddellijk rekenschap te geven van de gedwongen verdwijningen van alle burgers, degenen die worden vastgehouden zonder geloofwaardig bewijs van een misdrijf vrij te laten en een einde te maken aan elke discriminerende behandeling; betreurt het gebruik van haatzaaiende uitlatingen door prominenten die geweld, intimidatie en discriminatie ten aanzien van Tigrese of andere gemeenschappen kunnen aanwakkeren en zo wantrouwen kunnen creëren en etnische conflicten kunnen veroorzaken, en dringt er bij de nationale, lokale en regionale autoriteiten op aan een meer inclusieve dialoog te voeren en niet aan te zetten tot geweld;

9.

moedigt de autoriteiten aan een gerechtelijk orgaan voor herstelrecht op te richten dat belast zou worden met het onderzoeken van mensenrechtenschendingen die tijdens het conflict hebben plaatsgevonden, met inbegrip van de omstandigheden, toepasselijke factoren en context van eventuele schendingen, waarbij slachtoffers de kans krijgen te getuigen en waarbij een onpartijdig historisch overzicht van het verleden kan worden opgesteld, en verzoekt het orgaan een beleid voor herstelbetalingen te ontwerpen, en aanbevelingen te formuleren voor maatregelen ter voorkoming van toekomstige schendingen van de mensenrechten;

10.

veroordeelt met klem alle aanvallen op hulpverleners en kritieke infrastructuur, zoals ziekenhuizen en medische voorzieningen, en de wijdverspreide plundering en vernietiging van humanitaire hulpgoederen; veroordeelt met klem dat ambulances die na de luchtaanvallen medische bijstand kwamen verlenen aan de gewonden, zijn tegengehouden;

11.

betreurt dat in Ethiopië zeven VN-medewerkers die actief zijn op het gebied van mensenrechten en humanitaire hulp (van Unicef, het OHCHR, het UNOCHA en het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden) door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Ethiopië tot persona non grata zijn verklaard; maakt zich zorgen over de veiligheid en het welzijn van onafhankelijke hulpverleners op het gebied van humanitaire hulp en mensenrechten in de regio en over de neutraliteit van de verdeling van humanitaire hulp in Tigray; is ingenomen met de krachtige verklaring van de EU en haar 27 lidstaten van 30 september 2021, waarin de uitzetting van deze werknemers krachtig wordt veroordeeld en de regering wordt opgeroepen haar besluit te herroepen;

12.

verzoekt de Ethiopische regering het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof te ondertekenen en te ratificeren; roept de oorlogvoerende partijen ertoe op onafhankelijke mensenrechtenwaarnemers en -onderzoekers onbeperkte toegang te waarborgen, met inbegrip van onderzoekers van de VN en de Afrikaanse Unie;

13.

onderstreept het belangrijke werk van journalisten in de regio, en roept alle partijen op de pers onbelemmerd toegang te geven en journalisten in staat te stellen hun werk in veilige omstandigheden te doen;

14.

dringt erop aan dat fundamentele openbare diensten zoals de elektriciteitsvoorziening en bancaire diensten volledig worden hervat, en dat de beperkingen op communicatiekanalen en internettoegang in Tigray worden opgeheven; geeft aan dat het belangrijk is dat de kinderen in Tigray en daarbuiten onderwijs krijgen en naar school kunnen;

15.

wijst nogmaals op het belang van Ethiopië voor de stabiliteit van de Hoorn van Afrika en het continent in het algemeen; herinnert eraan dat de EU en andere internationale gesprekspartners hebben aangeboden als bemiddelaar tussen de partijen bij het Ethiopische conflict op te treden, maar dat Ethiopië dit steeds heeft afgewezen; roept alle strijdende partijen ertoe op om zonder voorafgaande voorwaarden aan te schuiven aan de onderhandelingstafel; dringt aan op een inclusieve nationale politieke dialoog onder leiding van Ethiopië om een oplossing voor de crisis te vinden, met deelname van vertegenwoordigers van alle getroffen gebieden (Tigray, Amhara, Benishangul-Gumuz, Afar, Oromia, Sidama, Somali, de regio van de Zuidelijke naties, nationaliteiten en volkeren (SNNPR) en Gambella);

16.

wijst erop dat de situatie alleen kan worden opgelost met vreedzame middelen en een inclusieve dialoog tussen alle oorlogvoerende partijen, een effectief staakt-het-vuren en de bescherming van de mensenrechten;

17.

herhaalt dat de EU bereid is een dialoog tot stand te brengen en daaraan deel te nemen en deze te ondersteunen, in nauwe samenwerking met anderen, teneinde de deur voor dialoog open te houden en te proberen het fundament te leggen voor gesprekken tussen de twee voornaamste strijdende partijen;

18.

ondersteunt de regionale bemiddelingsinspanningen, zoals die van de bemiddelaar van de Afrikaanse Unie, president Obasanjo; is voorts verheugd dat de EU een nieuwe speciale vertegenwoordiger voor de Hoorn van Afrika heeft aangewezen;

19.

betreurt dat de VN-Veiligheidsraad tot nu toe geen aandacht heeft geschonken aan de situatie in Tigray; verzoekt de EU en haar lidstaten met klem de VN-Veiligheidsraad ertoe aan te zetten regelmatig openbare vergaderingen aan Tigray te wijden en doortastend op te treden met het oog op onbelemmerde humanitaire toegang, bescherming van de bevolking, beëindiging van de grove schendingen van het internationale recht, en het ter verantwoording roepen van degenen die zich aan gruweldaden schuldig maken; verzoekt de VN-Veiligheidsraad te overwegen VN-blauwhelmen naar de regio te sturen;

20.

dringt er bij de EU-lidstaten op aan de VV/HV aan te moedigen om vóór het einde van het jaar in de VN-Mensenrechtenraad een tussentijdse briefing over Tigray te houden om de bevindingen van het rapport van het gezamenlijk onderzoek van het OHCHR en de Ethiopische mensenrechtencommissie te presenteren; benadrukt dat het gezamenlijk onderzoek de basis moet helpen te leggen voor een robuust internationaal onderzoeksmechanisme dat met spoed door de VN-Mensenrechtenraad moet worden ingesteld;

21.

verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken van de EU snel, vastberaden en eensgezind te handelen om de nodige maatregelen te treffen teneinde de ernst en de urgentie van de situatie ter plaatse in Tigray op doeltreffende wijze aan de orde te stellen;

22.

is ingenomen met het besluit van de Commissie van december 2020 om de uitbetaling van begrotingssteun aan de Ethiopische regering uit te stellen en steunt dit besluit; is verheugd over de diplomatieke inspanningen en de herhaalde verklaringen van de VV/HV en de Commissie waarin wordt aangedrongen op verantwoordingsplicht en ongehinderde humanitaire toegang, en het misbruik door alle partijen wordt veroordeeld; herhaalt met klem dat de EU het belangrijke werk van Michelle Bachelet als Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten steunt;

23.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan te overwegen maatregelen vast te stellen, bijvoorbeeld via de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten, om de mensenrechten te beschermen en ervoor te zorgen dat plegers van mensenrechtenschendingen ter verantwoording worden geroepen;

24.

beklemtoont dat de EU aan de kant van de bevolking van Ethiopië staat; benadrukt zich in te willen zetten voor een vreedzame oplossing van het conflict; stelt evenwel voor dat de Commissie sancties oplegt aan leden van de Ethiopische regering, van de regering van Eritrea en van het Volksbevrijdingsfront van Tigray en anderen die verantwoordelijk zijn voor daden die het conflict doen voortduren en tot verdere verslechtering leiden van de humanitaire situatie van miljoenen Ethiopiërs indien de humanitaire situatie tegen eind oktober 2021 niet aanzienlijk is verbeterd, in het bijzonder na de vorming van een nieuwe Ethiopische regering;

25.

verzoekt de lidstaten de uitvoer van wapens en bewakingstechnologie naar Ethiopië die worden gebruikt om aanvallen op burgers te faciliteren en mensenrechtenschendingen te plegen, stop te zetten;

26.

neemt tevreden kennis van het Amerikaanse presidentieel besluit over de Ethiopische crisis van 17 september 2021, dat zich richt op degenen die verantwoordelijk zijn voor en betrokken zijn bij het voortduren van het conflict in Ethiopië, de belemmering van humanitaire toegang, de verhindering van een staakt-het-vuren en het plegen van mensenrechtenschendingen; betreurt echter dat de VS zijn begrotingssteun heeft voortgezet en dat dit ertoe heeft geleid dat de acties van de VS minder doeltreffend en vastberaden zijn geweest dan de acties van de EU;

27.

is zeer verheugd over de levensreddende steun van de Commissie in de regio en is voorstander van een verdere uitbreiding ervan; dringt aan op de beschikbaarstelling van aanvullende middelen ten bedrage van ten minste 30 miljoen EUR uit de reserve voor solidariteit en noodhulp van de EU om te voorzien in de meest acute behoeften van de mensen die getroffen worden door het conflict, zowel in Tigray als in de andere gebieden die rechtstreekse gevolgen ondervinden door de verspreiding van het Noord-Ethiopische conflict, met bijzondere aandacht voor de aangrenzende regio’s Afar en Amhara;

28.

dringt er bij de EU en de leiders van haar lidstaten op aan tijdens de komende top waarop de leiders van de Afrikaanse Unie en de EU bijeenkomen prioriteit te geven aan de mensenrechtensituatie en de humanitaire situatie in Tigray en het noorden van Ethiopië, en roept ertoe op concrete acties vast te stellen en een betere coördinatie op het gebied van strategie en communicatie te bevorderen;

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Europese Dienst voor extern optreden, de federale regering en het parlement van Ethiopië, de autoriteiten van Tigray, de regering van de Republiek Sudan, de regering van de Staat Eritrea, de regeringen van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit, de Afrikaanse Unie en haar lidstaten, het Pan-Afrikaans Parlement en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0330.

(2)  Verklaring van 12 augustus 2021 naar aanleiding van het meest recente rapport van Amnesty International over de vermeende verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld in de regio Tigray van de Federale Democratische Republiek Ethiopië.


III Voorbereidende handelingen

Europees Parlement

Dinsdag, 5 oktober 2021

24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/212


P9_TA(2021)0397

Milieu: de Aarhus-verordening ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (COM(2020)0642 — C9-0321/2020 — 2020/0289(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2022/C 132/19)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0642),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0321/2020),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 januari 2021 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 juli 2021 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie juridische zaken,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0152/2021),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (2);

2.

neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 123 van 9.4.2021, blz. 66.

(2)  Dit standpunt vervangt de amendementen aangenomen op 20 mei 2021 (Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0254).


P9_TC1-COD(2020)0289

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 oktober 2021 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2021/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1367/2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2021/1767.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

De Commissie blijft vastbesloten ervoor te zorgen dat de EU haar internationale verplichtingen in aangelegenheden in verband met het Verdrag van Aarhus nakomt en erkent in dat verband de door het Comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus op 17 maart 2021 geuite bezorgdheid en bevindingen in zaak ACCC/C/2015/128 (1) met betrekking tot staatssteun. In de bevindingen wordt de EU verzocht “de nodige wetgevende, regelgevende en andere maatregelen te nemen om te waarborgen dat de Aarhusverordening wordt gewijzigd of dat nieuwe wetgeving van de Europese Unie wordt vastgesteld, teneinde het publiek duidelijk toegang tot administratieve of gerechtelijke procedures te verschaffen om besluiten van de Europese Commissie inzake staatssteun uit hoofde van artikel 108, lid 2, VWEU aan te vechten die in strijd zijn met het Unierecht inzake het milieu, overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, van het Verdrag”.

De Commissie analyseert momenteel de implicaties van de bevindingen en beoordeelt de beschikbare opties. De Commissie zal deze beoordeling uiterlijk eind 2022 voltooien en bekend maken. Indien van toepassing zal de Commissie tegen eind 2023 maatregelen voorstellen om dit probleem aan te pakken, in het licht van de verplichtingen van de EU en haar lidstaten uit hoofde van het Verdrag van Aarhus en rekening houdend met de staatssteunregels van de Unie.


(1)  Voor de zaak ACCC/C/2015/128 zie https://unece.org/env/pp/cc/accc.c.2015.128_european-union, punt 131.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/215


P9_TA(2021)0398

Instelling van een delegatie in de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK en tot vaststelling van het aantal leden

Besluit van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over de instelling van een delegatie in de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK en tot vaststelling van het aantal leden (2021/2917(RSO))

(2022/C 132/20)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

gezien de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (1) (“handels- en samenwerkingsovereenkomst EU-VK”), en met name artikel 11,

gezien zijn resolutie van 28 april 2021 over het resultaat van de onderhandelingen tussen de EU en het VK (2), met name de paragrafen 8 en 9,

gezien zijn besluit van 17 april 2019 over het aantal interparlementaire delegaties, delegaties in gemengde parlementaire commissies, delegaties in parlementaire samenwerkingscommissies en multilaterale parlementaire vergaderingen (3),

gezien zijn besluit van 17 juli 2019 over het aantal leden van de interparlementaire delegaties (4),

gezien artikel 223 van zijn Reglement,

1.

merkt op dat artikel 11 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK voorziet in de oprichting van een Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK bestaande uit leden van het Europees Parlement en leden van het parlement van het Verenigd Koninkrijk, die:

a)

relevante informatie over de uitvoering van die overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten kan opvragen bij de bij artikel 7 van die overeenkomst opgerichte Partnerschapsraad EU-VK, die vervolgens de Parlementaire Vergadering EU-VK de gevraagde informatie verstrekt;

b)

wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Partnerschapsraad EU-VK; en

c)

de Partnerschapsraad EU-VK aanbevelingen kan doen;

2.

besluit een Delegatie in de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK met 35 leden in te stellen;

3.

besluit onder verwijzing naar het besluit van de Conferentie van voorzitters van 11 juli 2019 inzake de samenstelling van de bureaus van de parlementaire delegaties, dat het bureau van de delegatie mag bestaan uit maximaal twee ondervoorzitters;

4.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan het parlement van het Verenigd Koninkrijk.

(1)  PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10.

(2)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0141.

(3)  PB C 158 van 30.4.2021, blz. 536.

(4)  PB C 165 van 4.5.2021, blz. 23.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/216


P9_TA(2021)0399

Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij EU/Groenland en Denemarken ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van Groenland en de regering van Denemarken anderzijds, en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (06566/2021 — C9-0154/2021 — 2021/0037(NLE))

(Goedkeuring)

(2022/C 132/21)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06566/2021),

gezien de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van Groenland en de regering van Denemarken anderzijds en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (06380/2021),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9-0073/2020),

gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 5 oktober 2021 (1) over het ontwerp van besluit,

gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,

gezien het advies van de Begrotingscommissie,

gezien de aanbeveling van de Commissie visserij (A9-0233/2021),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst en van het protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, van Groenland en van Denemarken.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0400.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/217


P9_TA(2021)0400

Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij EU/Groenland en Denemarken (resolutie)

Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van Groenland en de regering van Denemarken anderzijds, en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (06566/2021 — C9-0154/2021 — 2021/0037M(NLE))

(2022/C 132/22)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06566/2021),

gezien de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van Groenland en de regering van Denemarken anderzijds, en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (06380/2021),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9-0073/2020),

gezien titel II van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) (1),

gezien Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (2),

gezien zijn wetgevingsresolutie van 5 oktober 2021 (3) over het ontwerp van besluit,

gezien artikel 62 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee,

gezien het Verdrag van de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC),

gezien het Verdrag van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO),

gezien het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR),

gezien de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee,

gezien het Protocol (nr. 34) betreffende de speciale regeling voor Groenland,

gezien de Verklaring van Ottawa over de oprichting van de Arctische Raad,

gezien zijn standpunt van 31 januari 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (“LGO-besluit”) (4),

gezien het verslag van 9 augustus 2019 getiteld “Ex ante and ex post evaluation study of the Fisheries Partnership Agreement between the European Union and Greenland” (ex-ante- en ex-postevaluatie van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en Groenland),

gezien artikel 105, lid 2, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0235/2021),

A.

overwegende dat de EU duurzaamheidsdoelstellingen heeft vastgelegd in het kader van de Europese Green Deal, de biodiversiteitsstrategie voor 2030 en de “van boer tot bord”-strategie, alsook internationale verbintenissen is aangegaan, onder meer inzake de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), en met name SDG 14 over de bescherming van hulpbronnen en het mariene milieu;

B.

overwegende dat de klimaatverandering gevolgen heeft voor mariene ecosystemen en hulpbronnen;

C.

overwegende dat in artikel 62 van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee is bepaald dat een kuststaat, door middel van overeenkomsten of regelingen, andere staten toegang moet verlenen tot de overschotten van de toegestane vangsten (overschotbestanden);

D.

overwegende dat bij de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee de commerciële visserij gedurende 16 jaar verboden is;

E.

overwegende dat de EU en Groenland, via Denemarken, deel uitmaken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) NEAFC en NAFO;

F.

overwegende dat de EU nauwe betrekkingen onderhoudt met Groenland; overwegende dat Groenland deel uitmaakt van de met de EU geassocieerde landen en gebieden overzee en dat er sinds 1984 visserijpartnerschappen tussen de EU en Groenland bestaan;

G.

overwegende dat visserijproducten uit Groenland krachtens het Protocol (nr. 34) betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland op de Europese markt preferentiële tarieven genieten, welke gekoppeld zijn aan de toegang van Europese vaartuigen tot de Groenlandse visserijzones;

H.

overwegende dat de bijzondere aard van deze partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij (PODV) inhoudt dat jaarlijks over vangstmogelijkheden wordt onderhandeld en dat de overeenkomst het mogelijk maakt om quota uit te wisselen met Noorwegen en de Faeröer;

I.

overwegende dat de ex-postevaluatie van het vorige protocol en de ex-ante-evaluatie tot de conclusie leidden dat onderhandeld moest worden over een nieuwe overeenkomst en een nieuw protocol met een betere correlatie tussen vangstmogelijkheden en wetenschappelijk advies, meer flexibiliteit voor de vangsten, een looptijd voor het protocol van zes jaar en een verlaagd quotum voor bijvangsten;

J.

overwegende dat een PODV met Groenland belangrijk is voor Europese vaartuigen die in de Groenlandse wateren vissen, en voor de vloten van de lidstaten die direct of indirect profiteren van de overeenkomst en de overdracht van quota;

K.

overwegende dat de nieuwe overeenkomst en het bijbehorende protocol twaalf Europese vaartuigen toestaan gebruik te maken van de vangstmogelijkheden in de Groenlandse wateren voor acht soorten (kabeljauw, pelagische roodbaars, demersale roodbaars, Groenlandse heilbot/zwarte heilbot, Noordse garnaal, grenadiervis, lodde en makreel), voor een periode van vier jaar, die met twee jaar kan worden verlengd, met een jaarlijkse financiële tegenprestatie van de EU van 16 521 754 EUR, waarvan 2 931 000 EUR bestemd is voor de ondersteuning en ontwikkeling van de visserijsector van Groenland;

De vorige overeenkomst en het bijbehorende protocol

1.

neemt kennis van de sociaal-economische voordelen op het vlak van directe en indirecte werkgelegenheid en bruto toegevoegde waarde van de activiteiten van de Europese vloot in de Groenlandse wateren, zowel voor de Groenlandse als voor de Europese visserijsector;

2.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat de totale toegestane vangsten die Groenland voor verscheidene in het vorige protocol vermelde bestanden heeft vastgesteld, hoger zijn dan het wetenschappelijk advies; benadrukt dat het aandeel van de EU in deze vangstmogelijkheden slechts een relatief klein deel uitmaakt;

3.

is ingenomen met het feit dat de Groenlandse autoriteiten de financiële bijdrage voor de Groenlandse visserijsector gebruiken voor administratie, controle of wetenschappelijk onderzoek;

4.

is echter bezorgd over het gebrek aan wetenschappelijke gegevens die nodig zijn om de toestand van de bestanden nauwkeurig te kunnen inschatten;

De nieuwe overeenkomst en het bijbehorende protocol

5.

wijst op het complexe karakter van de onderhandelingen en de context ervan, gekenmerkt door de gelijktijdige onderhandelingen over de overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk en de daaruit voortvloeiende onzekerheid, alsook door interne politieke kwesties in Groenland; wijst erop dat Groenland de quota van de Europese vaartuigen aanvankelijk met 30 % wilde verlagen; merkt op dat die voorgestelde vermindering van de vangstmogelijkheden werd ingegeven door de wens van Groenland om zijn visserijsector verder te ontwikkelen;

6.

stelt vast dat de quota met gemiddeld 5 % zijn verlaagd ten opzichte van het vorige protocol;

7.

betreurt het dat de Europese exploitanten bijna vier maanden hebben verloren vóór de voorlopige toepassing van de overeenkomst, die pas op 22 april 2021 werd ondertekend als gevolg van de verkiezingen in Groenland en de noodzaak om een regering te vormen;

8.

merkt op dat de vangstmogelijkheden voor makreel afhankelijk zijn van de deelname van kuststaten als ondertekenaars aan de regeling van de kuststaten voor het beheer van makreel, en dat de vangstmogelijkheden voor roodbaars in overeenstemming moeten zijn met de beheersovereenkomst en de besluiten die op NEAFC-niveau zijn genomen;

9.

stelt vast dat in het protocol 600 ton bijvangst is vermeld, wat een aanzienlijke daling betekent ten opzichte van het vorige protocol; wijst erop dat alle vangsten, met inbegrip van bijvangsten en teruggooi, uitgesplitst naar soort, moeten worden geregistreerd en gerapporteerd overeenkomstig de toepasselijke Groenlandse wetgeving;

10.

is ingenomen met de duurzaamheidsdoelstellingen van de overeenkomst en de samenwerking bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

11.

maakt zich zorgen over de duur van 4 + 2 jaar en de onzekerheid over de verlenging van het protocol na vier jaar, met onduidelijke vooruitzichten voor Europese vaartuigen als mogelijk gevolg;

12.

merkt op dat de financiële tegenprestatie van de Unie hoger is dan in het vorige protocol, dat het aandeel van de sectorale steun gelijk blijft en dat de referentieprijzen van vismachtigingen voor de reders hoger zijn;

Groenland als strategische speler in de Noord-Atlantische Oceaan en het noordpoolgebied

13.

merkt op dat de brexit de betrekkingen tussen de landen aan het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan heeft gedestabiliseerd;

14.

stelt dat het vertrek van het VK uit de EU en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de visserij in de Noordzee en het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan niet mogen worden misbruikt om de verdeling van de quota in de noordelijke overeenkomsten te manipuleren, maar dat daarentegen de historisch gegroeide verdeling van de vangstmogelijkheden moet worden geëerbiedigd, altijd op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en adviezen;

15.

wijst op de geostrategische ligging van Groenland in het noordpoolgebied; benadrukt het belang van de betrekkingen met Groenland in het kader van een EU-strategie voor het noordpoolgebied en in de strijd ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee;

Aanbevelingen en verzoeken aan de Commissie

16.

beveelt de Commissie aan en verzoekt haar:

(a)

het Europees Parlement te informeren over de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en het protocol;

(b)

ervoor te zorgen dat de uitvoering van de overeenkomst en het protocol bijdraagt tot de beperking van de opwarming van de aarde, de aanpassing aan de toenemende gevolgen ervan, het behoud en herstel van de biodiversiteit en de duurzaamheidsdoelstellingen van de Green Deal, en is afgestemd op de doelstellingen van het GVB;

(c)

ervoor te zorgen dat de voorzorgsbenadering wordt toegepast op de momenteel beviste bestanden en doelbestanden zoals kabeljauw, roodbaars en Groenlandse heilbot/zwarte heilbot;

(d)

het verzamelen en analyseren van gegevens te verbeteren en de controle te actualiseren op het gebruik van de financiële bijdrage van de Unie voor sectorale steun, om te zorgen voor een duurzaam beheer van de door de Unie beviste bestanden en te waarborgen dat de aan de Europese vaartuigen toegewezen quota overeenstemmen met de “overschotten”;

(e)

te zorgen voor verbeteringen van de beschikbare gegevens over de omvang van de vloot en de visserij-inspanning van de Groenlandse vloten voor zelfvoorziening en kleinschalige visserij;

(f)

ervoor te zorgen dat het protocol over vier jaar met twee jaar wordt verlengd, en alles in het werk te stellen zodat de Europese vaartuigen permanent in de Groenlandse wateren kunnen blijven vissen;

(g)

alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de jaarlijkse vaststelling van de quota niet leidt tot een verlaging van de in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden, tenzij uit wetenschappelijk advies blijkt dat het absoluut noodzakelijk is deze te verlagen;

(h)

de ongebruikte quota als gevolg van de vertraging bij de voorlopige toepassing van de overeenkomst geheel of gedeeltelijk over te dragen naar 2022, in overeenstemming met het beste wetenschappelijke advies;

(i)

Groenland aan te moedigen de regeling van de kuststaten voor het beheer van makreel te ondertekenen;

(j)

bijzondere aandacht te besteden aan verloren visnetten, het verzamelen van zwerfvuil op zee, de mariene ecosystemen en kwetsbare soorten, habitatidentificatie en bijvangsten van vogels, met name in het kader van de sectorale steun;

(k)

de band tussen de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij EU-Groenland en het LGO-besluit te verbeteren;

(l)

de duidelijkheid en transparantie van de verschillende internationale instrumenten voor het beheer van de bestanden in de regio, zoals de ROVB’s en de regelingen van de kuststaten voor het beheer van bepaalde bestanden, te verbeteren; benadrukt in dit verband het belang van het opvolgen van wetenschappelijke aanbevelingen, onder meer inzake de effecten van de klimaatverandering, en van het verbeteren van de besluitvormingsprocessen in ROVB’s, met inbegrip van vangstcontrolevoorschriften;

(m)

een langetermijnreflectie op te zetten om de betrekkingen met onze partners in de regio te formaliseren en de instabiliteit als gevolg van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie te verminderen, met name op het gebied van visserij;

(n)

op lange termijn na te denken over het verband tussen de PODV met Groenland en de visserijovereenkomsten met Noorwegen, en met name over hun onderlinge afhankelijkheid;

(o)

bij de vaststelling van het geostrategische standpunt van de EU in verband met de Noordelijke IJszee ten volle rekening te houden met de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij;

o

o o

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en die van Groenland en Denemarken.

(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81.

(3)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0399.

(4)  PB C 411 van 27.11.2020, blz. 698.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/221


P9_TA(2021)0401

Voorstel tot herbenoeming van Julia Laffranque tot lid van het bij artikel 255 VWEU ingestelde comité

Besluit van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over de voordracht van Julia Laffranque als lid van het comité dat is opgericht overeenkomstig artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2021/2171(INS))

(2022/C 132/23)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 255, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 128 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (B9-0478/2021),

A.

overwegende dat Julia Laffranque voldoet aan de voorwaarden die worden genoemd in artikel 255, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

1.

stelt voor om Julia Laffranque tot lid van het comité te benoemen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de president van het Hof van Justitie.

24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/222


P9_TA(2021)0402

Benoeming van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)

Besluit van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over de voordracht voor de benoeming van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (N9-0058/2021 — C9-0369/2021 — 2021/0902(NLE))

(Goedkeuring)

(2022/C 132/24)

Het Europees Parlement,

gezien de door de raad van toezichthouders van de Europese Autoriteit voor effecten en markten opgestelde shortlist van geschikte kandidaten voor de functie van voorzitter van 26 november 2020,

gezien de brief van de Raad van 29 september 2021 waarin wordt voorgesteld Verena Ross te benoemen tot voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (C9-0369/2021),

gezien artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (1),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken (2),

gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen (3),

gezien artikel 131 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0272/2021),

A.

overwegende dat het mandaat van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten is geëindigd op 31 maart 2021;

B.

overwegende dat de Raad op 29 september 2021 heeft voorgesteld Verena Ross te benoemen tot voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten voor een mandaat van vijf jaar, overeenkomstig artikel 48, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1095/2010;

C.

overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 30 september 2021 een hoorzitting heeft gehouden met Verena Ross, waar zij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.

hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Verena Ross tot voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Autoriteit voor effecten en markten, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

(2)  PB C 23 van 21.1.2021, blz. 105.

(3)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0017.


24.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/223


P9_TA(2021)0403

Tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van bepaalde industrieproducten in de Canarische Eilanden *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2021 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van bepaalde industrieproducten in de Canarische Eilanden (COM(2021)0392 — C9-0351/2021 — 2021/0209(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging)

(2022/C 132/25)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2021)0392),

gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9-0351/2021),

gezien artikel 82 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9-0267/2021),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.