ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 401

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

64e jaargang
4 oktober 2021


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2021/C 401/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2021/C 401/02

Zaak C-375/21: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 17 juni 2021 — Sdruzhenie Za Zemiata — dostap do pravosadie — Grazhdansko sdruzhenie s nestopanska tsel The Green Tank — Helleense Republiek — NS / Izpalnitelen direktor na Izpalnitelna agentsia po okolna sreda, TETS Maritsa-iztok 2 EAD

2

2021/C 401/03

Zaak C-403/21: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiliul Naţional de Soluţionare a Contestaţiilor (Roemenië) op 29 juni 2021 — SC NV Construct SRL / Judeţul Timiş

3

2021/C 401/04

Zaak C-409/21: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 2 juli 2021 — DELID EOOD/Izpalnitelen direktor na Darzhaven fond Zemedelie

4

2021/C 401/05

Zaak C-412/21: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Satu Mare (Roemenië) op 6 juli 2021 — Dual Prod/Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Cluj-Napoca — Comisia regională pentru autorizarea operatorilor de produse supuse accizelor armonizate

5

2021/C 401/06

Zaak C-431/21: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Bremen (Duitsland) op 15 juli 2021 — X GmbH & Co. KG / Finanzamt Bremen

5

2021/C 401/07

Zaak C-493/21: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (Ierland) op 11 augustus 2021 — K. M. / The Director of Public Prosecutions

6

 

Gerecht

2021/C 401/08

Zaak T-500/19: Beschikking van het Gerecht van 20 juli 2021 — Coravin/EUIPO — Cora (CORAVIN) (Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Vervallenverklaring van het oudere nationale merk dat de grondslag vormde voor de bestreden beslissing – Afdoening zonder beslissing)

7

2021/C 401/09

Zaak T-249/21 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 28 juli 2021 — SN / Parlement (Kort geding – Lid van het Europees Parlement – Terugvordering van ter dekking van de kosten van parlementaire medewerkers betaalde vergoedingen – Vordering tot opschorting van tenuitvoerlegging – Niet-inachtneming van de vormvoorschriften – Niet-ontvankelijkheid – Geen spoedeisendheid)

7

2021/C 401/10

Zaak T-377/21: Beroep ingesteld op 5 juli 2021 — Eurecna / Commissie

8

2021/C 401/11

Zaak T-379/21: Beroep ingesteld op 5 juli 2021 — Vendrame / Commissie

9

2021/C 401/12

Zaak T-411/21: Beroep ingesteld op 8 juli 2021 — Alfa Acciai / Commissie

10

2021/C 401/13

Zaak T-414/21: Beroep ingesteld op 10 juli 2021 — Ferriere Nord / Commissie

11

2021/C 401/14

Zaak T-415/21: Beroep ingesteld op 10 juli 2021 — Banca Popolare di Bari / Commissie

13

2021/C 401/15

Zaak T-437/21: Beroep ingesteld op 20 juli 2021 — Greenwich Polo Club/EUIPO — Lifestyle Equities (GREENWICH POLO CLUB)

13

2021/C 401/16

Zaak T-450/21: Beroep ingesteld op 30 juli 2021 — Spanje / Commissie

14

2021/C 401/17

Zaak T-485/21: Beroep ingesteld op 9 augustus 2021 — BNetzA / ACER

15

2021/C 401/18

Zaak T-491/21: Beroep ingesteld op 11 augustus 2021 — Hongarije / Commissie

17

2021/C 401/19

Zaak T-495/21: Beroep ingesteld op 13 augustus 2021 — Spanje / Commissie

18

2021/C 401/20

Zaak T-505/21: Beroep ingesteld op 16 augustus 2021 — Tinnus Enterprises/EUIPO — Mystic Products Import & Export (Vloeistofdistributie-installaties)

19


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2021/C 401/01)

Laatste publicatie

PB C 391 van 27.9.2021

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 382 van 20.9.2021

PB C 368 van 13.9.2021

PB C 357 van 6.9.2021

PB C 349 van 30.8.2021

PB C 338 van 23.8.2021

PB C 329 van 16.8.2021

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: https://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 17 juni 2021 — Sdruzhenie “Za Zemiata — dostap do pravosadie” — Grazhdansko sdruzhenie s nestopanska tsel “The Green Tank” — Helleense Republiek — NS / Izpalnitelen direktor na Izpalnitelna agentsia po okolna sreda, TETS “Maritsa-iztok 2” EAD

(Zaak C-375/21)

(2021/C 401/02)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen tot cassatie: Sdruzhenie “Za Zemiata — dostap do pravosadie” — Grazhdansko sdruzhenie s nestopanska tsel “The Green Tank” — Helleense Republiek — NS

Verwerende partijen in cassatie: Izpalnitelen direktor na Izpalnitelna agentsia po okolna sreda, TETS “Maritsa-iztok 2” EAD

Prejudiciële vragen

1)

Moeten artikel 4, lid 3, VEU junctis artikel 18 van richtlijn 2010/75/EU (1) alsmede de artikelen 13 en 23 van richtlijn 2008/50/EG (2) aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van een aanvraag voor een afwijking als bedoeld in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2010/75/EU moet nagaan of, rekening houdend met alle relevante wetenschappelijke gegevens over milieuverontreiniging, met inbegrip van de maatregelen in het kader van het betrokken luchtkwaliteitsplan in een bepaalde zone of agglomeratie overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2008/50/EG, het toestaan van de afwijking een risico kan vormen voor de naleving van milieukwaliteitsnormen?

2)

Moeten artikel 4, lid 3, VEU junctis artikel 18 van richtlijn 2010/75/EU alsmede de artikelen 13 en 23 van richtlijn 2008/50/EG aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van een aanvraag voor een afwijking als bedoeld in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2010/75/EU moet afzien van het vastleggen van minder strenge emissiegrenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen uit een installatie, voor zover een dergelijke afwijking in strijd zou zijn met de maatregelen die zijn opgenomen in het kader van het betrokken luchtkwaliteitsplan dat in de bepaalde zone of agglomeratie overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2008/50/EG werd vastgesteld, en een risico zou kunnen vormen voor het bereiken van het doel om de periode van overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen zo kort mogelijk te houden?

3)

Moeten artikel 4, lid 3, VEU junctis artikel 18 van richtlijn 2010/75/EU alsmede artikel 13 van richtlijn 2008/50/EU aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van een aanvraag voor een afwijking als bedoeld in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2010/75/EU moet nagaan of het vastleggen van minder strengere emissiegrenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen uit een installatie, rekening houdend met alle relevante wetenschappelijke gegevens over de milieuverontreiniging, met inbegrip van het cumulatieve effect met andere bronnen van de betreffende verontreinigende stof, zou bijdragen tot overschrijding van de betrokken luchtkwaliteitsnormen die overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2008/50/EG in een bepaalde zone of agglomeratie zijn vastgesteld en zo ja, of zij een afwijking die een risico zou vormen voor het naleven van milieukwaliteitsnormen, niet moet toestaan?


(1)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010, L 334, blz. 17).

(2)  Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008, L 152, blz. 1).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiliul Naţional de Soluţionare a Contestaţiilor (Roemenië) op 29 juni 2021 — SC NV Construct SRL / Judeţul Timiş

(Zaak C-403/21)

(2021/C 401/03)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Consiliul Naţional de Soluţionare a Contestaţiilor

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SC NV Construct SRL

Aanbestedende dienst: Judeţul Timiş

Andere partij in de procedure: SC Proiect Construct Regiunea Transilvania SRL

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de bepalingen van artikel 58 van richtlijn [2014/24] (1), het evenredigheidsbeginsel en het aansprakelijkheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst met betrekking tot activiteiten van ondergeschikt belang in de opdracht het recht heeft om de criteria inzake technische bekwaamheid vast te stellen, dat wil zeggen om te beoordelen of het al dan niet noodzakelijk is om in de aanbestedingsstukken criteria op te nemen inzake technische en beroepsbekwaamheid alsmede de bekwaamheid om de technische en beroepsactiviteit uit te oefenen die volgt uit de bepalingen van bijzondere wetten?

2)

Verzetten het transparantie- en het evenredigheidsbeginsel zich ertegen dat in de aanbestedingsstukken automatisch kwalificatiecriteria worden opgenomen die voortvloeien uit bijzondere wetten die van toepassing zijn op activiteiten in verband met de te gunnen opdracht, die niet in de aanbestedingsstukken waren opgenomen en die de aanbestedende dienst niet aan de ondernemers heeft willen opleggen?

3)

Verzetten artikel 63 van de richtlijn en het evenredigheidsbeginsel zich tegen de uitsluiting van de [aanbestedingsprocedure] van een inschrijver die geen ondernemer bij naam als onderaannemer heeft aangewezen om aan te tonen dat is voldaan aan bepaalde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid en de bekwaamheid om de technische en beroepsactiviteit uit te oefenen, die voortvloeien uit bepalingen van bijzondere wetten en die niet in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen, wanneer de betrokken inschrijver heeft gekozen voor een andere contractuele vorm van betrokkenheid van specialisten bij de opdracht, namelijk [een] opdracht voor leveringen/diensten, of [een] verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat de onderaannemers beschikbaar zijn voor de opdracht? Heeft de ondernemer het recht om zijn eigen organisatie en contractuele betrekkingen binnen de groep te bepalen, en is het mogelijk om bepaalde dienstverleners/leveranciers bij de opdracht te betrekken, wanneer deze niet behoren tot de entiteiten op wier capaciteit de inschrijver zich wil beroepen om aan te tonen dat aan de relevante criteria is voldaan?


(1)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 2 juli 2021 — DELID EOOD/Izpalnitelen direktor na Darzhaven fond “Zemedelie”

(Zaak C-409/21)

(2021/C 401/04)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster tot cassatie: DELID EOOD

Verweerder in cassatie: Izpalnitelen direktor na Darzhaven fond “Zemedelie”

Prejudiciële vragen

1)

Is het verenigbaar met artikel 17 van verordening nr. 1305/2013 (1) dat een nationale regeling zoals artikel 26 van Naredba nr. 9/2015, waarin een subsidiabiliteitsvereiste is vastgesteld voor aanvragers die steun aanvragen in het kader van submaatregel 4.1 “Investeringen in landbouwbedrijven” van de maatregel “Investeringen in materiële activa” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020, vereist dat een certificaat van registratie van een veehouderijbedrijf op naam van de aanvrager wordt overgelegd als bewijs van de uitoefening van een veehouderijactiviteit voorafgaand aan de steunaanvraag in een door de aanvrager georganiseerd bedrijf in de zin van artikel 4 van verordening nr. 1307/2013 (2), of is het voor de toepassing van de verordening voldoende dat de eigenaar van het landbouwbedrijf aantoont dat hij bezig is met het verkrijgen van de vereiste registratie van een veehouderijbedrijf op zijn naam?

2)

Moet een vereiste in een nationale bepaling, zoals artikel 8, lid 1, punt 2, van Naredba nr. 9 van 21 maart 2015 betreffende de toepassing van submaatregel 4.1 “Investeringen in landbouwbedrijven” van maatregel 4 “Investeringen in materiële activa” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020, op grond waarvan aanvragers moeten aantonen dat zij op het moment van de steunaanvraag beschikken over een minimale standaardopbrengst van het betreffende landbouwbedrijf, die niet lager mag zijn dan het equivalent in leva (BGN) van 8 000 EUR, verenigbaar worden geacht met de doelstelling van de steun in het kader van de maatregel “Investeringen in materiële activa” op grond van artikel 17 van verordening nr. 1305/201[3], met de prioriteiten van de Unie op het gebied van plattelandsontwikkeling overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 1305/2013 en met het begrip standaardopbrengst van een bedrijf in de zin van de ingetrokken verordening nr. 1242/2008 (3) van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet er dan van worden uitgegaan dat de nieuw geregistreerde eigenaren van landbouwbedrijven op het moment van de steunaanvraag in het kader van de maatregel “Investeringen in materiële activa” moeten worden uitgesloten van financiële steun op grond van verordening nr. 1306/2013 (4)?


(1)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 487).

(2)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608).

(3)  Verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (PB 2008, L 335, blz. 3).

(4)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Satu Mare (Roemenië) op 6 juli 2021 — Dual Prod/Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Cluj-Napoca — Comisia regională pentru autorizarea operatorilor de produse supuse accizelor armonizate

(Zaak C-412/21)

(2021/C 401/05)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul Satu Mare

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Dual Prod SRL

Verwerende partij: Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Cluj-Napoca — Comisia regională pentru autorizarea operatorilor de produse supuse accizelor armonizate

Prejudiciële vragen

1)

Kan artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake het vermoeden van onschuld, gelezen in samenhang met artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/118/EG (1), aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een juridische situatie als in de onderhavige zaak aan de orde is, waarin een bestuurlijk besluit tot schorsing van de vergunning voor de productie van alcohol kan worden vastgesteld op grond van louter vermoedens die in een lopende strafprocedure worden onderzocht, zonder dat er een definitieve strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken?

2)

Kan artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake het beginsel ne bis in idem, gelezen in samenhang met artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/118/EG, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een juridische situatie als in de onderhavige zaak aan de orde is, die inhoudt dat aan dezelfde persoon voor dezelfde feiten twee gelijkaardige sancties zijn opgelegd (schorsing van de vergunning voor de productie van alcohol), die uitsluitend verschillen [wat betreft de duur van de sancties]?


(1)  Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Bremen (Duitsland) op 15 juli 2021 — X GmbH & Co. KG / Finanzamt Bremen

(Zaak C-431/21)

(2021/C 401/06)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Bremen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: X GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Finanzamt Bremen

Prejudiciële vraag

Moeten artikel 43 VEG en artikel 49 VWEU, waarin de vrijheid van vestiging wordt gewaarborgd (of artikel 49 VEG en artikel 56 VWEU, waarin de vrijheid van dienstverrichting wordt gewaarborgd), aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling volgens welke de belastingplichtige in situaties die verband houden met grensoverschrijdende transacties verplicht is om gegevens betreffende de aard en inhoud van zijn commerciële relaties met nauw verbonden personen te registreren, met inbegrip van de economische en juridische gronden voor een met de nauw verbonden personen in overeenstemming met het arm’s-length-beginsel gesloten overeenkomst over prijzen en andere commerciële voorwaarden, en die erin voorziet dat, wanneer de belastingplichtige bedoelde geregistreerde gegevens niet overlegt wanneer de belastingadministratie daarom verzoekt of wanneer de overgelegde geregistreerde gegevens in wezen onbruikbaar zijn, niet alleen het weerlegbare vermoeden bestaat dat zijn in Duitsland belastbare inkomen, dat aan de hand van deze geregistreerde gegevens moet worden vastgesteld, hoger is dan het door hem aangegeven inkomen en, indien de belastingdienst in dergelijke gevallen een raming moet maken en dit inkomen slechts binnen een bepaald kader en met name alleen aan de hand van prijsklassen kan worden vastgesteld, dit kader ten nadele van de belastingplichtige kan worden benut, maar bovendien een toeslag moet worden vastgesteld die ten minste 5 percent en ten hoogste 10 percent van het vastgestelde extra bedrag aan inkomen doch ten minste 5 000 EUR en in het geval van te late overlegging van bruikbare geregistreerde gegevens maximaal 1 000 000 EUR en ten minste 100 EUR voor elke volledige dag vertraging bedraagt, waarbij van de vaststelling van een toeslag alleen kan worden afgezien wanneer de niet-nakoming van de registratieverplichtingen verschoonbaar is of wanneer de fout slechts gering is?


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (Ierland) op 11 augustus 2021 — K. M. / The Director of Public Prosecutions

(Zaak C-493/21)

(2021/C 401/07)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Appeal

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: K. M.

Verwerende partij: The Director of Public Prosecutions

Prejudiciële vragen

1.

Vereisen de bepalingen van artikel 89 en/of artikel 90 van de verordening (1) en de evenredigheidsvereisten zoals neergelegd in het Handvest en het Unierecht, dat de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken over een discretionaire bevoegdheid beschikt om de omvang van de inbeslagneming van de vangst en het vistuig aan te passen, te moduleren of te matigen, met name gelet op de in de artikelen 89 en 90 van verordening (EG) nr. 1224/2009 genoemde omstandigheden?

2.

Kan een bepaling van nationaal recht zoals section 28, lid 5, onder b) (2), gelet op de gevolgen die een automatische, verplichte inbeslagneming van alle vangsten en al het vistuig kan hebben voor het levensonderhoud van een kapitein, en waarbij die bepaling niet toestaat dat een nationale rechter onderzoekt in hoeverre die inbeslagneming gevolgen heeft voor het recht om in zijn levensonderhoud te voorzien van een persoon die na inbeschuldigingstelling is veroordeeld wegens een strafbaar feit dat inbreuk maakt op die section en op de verordening (behalve voor zover het om de bepaling van een mogelijk passende geldboete gaat), worden geacht verenigbaar te zijn met de bepalingen van de verordening, het Handvest en het Unierecht, gelet op het grondrecht van de kapitein om zijn beroep uit te oefenen?


(1)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB 2009, L 343, blz. 1).

(2)  van de Sea Fisheries and Maritime Jurisdiction Act 2006 (wet van 2006 op de zeevisserij en de maritieme rechtsmacht)


Gerecht

4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/7


Beschikking van het Gerecht van 20 juli 2021 — Coravin/EUIPO — Cora (CORAVIN)

(Zaak T-500/19) (1)

(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Vervallenverklaring van het oudere nationale merk dat de grondslag vormde voor de bestreden beslissing - Afdoening zonder beslissing”)

(2021/C 401/08)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Coravin, Inc. (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: F. Valentin, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Hanf, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Cora (Marne-la-Vallée, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Georges-Picot, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 12 april 2019 (zaak R 2385/2016-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Cora en Coravin

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 288 van 26.8.2019.


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/7


Beschikking van de president van het Gerecht van 28 juli 2021 — SN / Parlement

(Zaak T-249/21 R)

(“Kort geding - Lid van het Europees Parlement - Terugvordering van ter dekking van de kosten van parlementaire medewerkers betaalde vergoedingen - Vordering tot opschorting van tenuitvoerlegging - Niet-inachtneming van de vormvoorschriften - Niet-ontvankelijkheid - Geen spoedeisendheid”)

(2021/C 401/09)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: SN (vertegenwoordiger: P. Eleftheriadis, barrister)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Görlitz en M. Ecker, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van het Parlement van 21 december 2020 betreffende de terugvordering van het ten onrechte betaalde bedrag van 196 199,84 EUR, en van debetnota nr. 7010000021 van 15 januari 2021 ter uitvoering van dat besluit.

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/8


Beroep ingesteld op 5 juli 2021 — Eurecna / Commissie

(Zaak T-377/21)

(2021/C 401/10)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Eurecna SpA (Venetië, Italië) (vertegenwoordiger: R. Sciaudone, avvocato)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het besluit van de Commissie van 26 april 2021 (hierna: “bestreden besluit”) nietig te verklaren, waarbij de Commissie, ter bevestiging van haar eerdere weigeringsbesluit van 3 maart 2021, verzoeksters verzoek om toegang tot het eindverslag, met bijlagen, dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) na afloop van onderzoek OC/2019/0766 heeft opgesteld, heeft afgewezen;

de Commissie te gelasten het OLAF-verslag en de bijlagen daarbij over te leggen;

verweerster te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

Eerste middel: onjuiste uitlegging van de gevolgen van de toegang tot het OLAF-verslag.

Dienaangaande wordt betoogd dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard op grond dat de toegang tot het OLAF-verslag volgens artikel 10, lid 1, en artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 (1) niet “voor het publiek toegankelijk” kon worden gemaakt.

2.

Tweede middel: schending van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001.

In dit verband wordt betoogd dat verweerster artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, zoals uitgelegd in de rechtspraak, heeft geschonden, volgens welke wanneer de adressaat van een OLAF-verslag voornemens is voor de betrokken personen schadelijke maatregelen vast te stellen, deze personen recht hebben op toegang tot het betrokken verslag

3.

Derde middel: schending van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 en van het evenredigheidsbeginsel.

In dit verband wordt aangevoerd dat verzoekster nooit om de overdracht van persoonsgegevens van natuurlijke personen heeft verzocht, zodat eventuele persoonsgegevens in het verslag heel goed konden worden beschermd door een zeer eenvoudige handeling, namelijk het onleesbaar maken van de gegevens.

4.

Vierde middel: onjuiste toepassing en uitlegging van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001.

In dit verband wordt aangevoerd dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard omdat verweerster niet concreet heeft onderzocht of gedeeltelijke toegang kon worden verleend.

5.

Vijfde middel: schending van de motiveringsplicht.

In dit verband wordt betoogd dat verweerster niet heeft gemotiveerd waarom de uitzondering van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 van toepassing is.

6.

Zesde middel: onterechte uitsluiting van het bestaan van een openbaar belang bij de openbaarmaking.

In dit verband wordt betoogd dat verweerster het recht van verdediging ten onrechte heeft uitgelegd als een louter partijbelang, en eraan is voorbijgegaan dat verzoekster, om te kunnen antwoorden op de verzoeken om financiële teruggave van het directoraat-generaal Internationale samenwerking en ontwikkeling (DG DEVCO), toegang tot het OLAF-verslag nodig had.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/9


Beroep ingesteld op 5 juli 2021 — Vendrame / Commissie

(Zaak T-379/21)

(2021/C 401/11)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Michele Vendrame (Venetië, Italië) (vertegenwoordiger: R. Sciaudone, avvocato)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 26 april 2021 (hierna: “bestreden besluit”) nietig te verklaren, waarbij de Commissie, ter bevestiging van haar eerdere weigeringsbesluit van 3 maart 2021, verzoekers verzoek om toegang tot het eindverslag, met bijlagen, dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) na afloop van onderzoek OC/2019/0766 heeft opgesteld, heeft afgewezen;

de Commissie te gelasten het OLAF-verslag en de bijlagen daarbij over te leggen;

verweerster te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.

1.

Eerste middel: onjuiste uitlegging van de gevolgen van de toegang tot het OLAF-verslag.

Dienaangaande wordt betoogd dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard op grond dat de toegang tot het OLAF-verslag volgens artikel 10, lid 1, en artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 (1) niet “voor het publiek toegankelijk” kon worden gemaakt.

2.

Tweede middel: schending van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001.

In dit verband wordt betoogd dat verweerster artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, zoals uitgelegd in de rechtspraak, heeft geschonden, volgens welke wanneer de adressaat van een OLAF-verslag voornemens is voor de betrokken personen schadelijke maatregelen vast te stellen, deze personen recht hebben op toegang tot het betrokken verslag

3.

Derde middel: schending van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 en van het evenredigheidsbeginsel.

In dit verband wordt aangevoerd dat verzoeker nooit om de overdracht van persoonsgegevens van natuurlijke personen heeft verzocht, zodat eventuele persoonsgegevens in het verslag heel goed konden worden beschermd door een zeer eenvoudige handeling, namelijk het onleesbaar maken van de gegevens.

4.

Vierde middel: onjuiste toepassing en uitlegging van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001.

In dit verband wordt aangevoerd dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard omdat verweerster niet concreet heeft onderzocht of gedeeltelijke toegang kon worden verleend.

5.

Vijfde middel: schending van de motiveringsplicht.

In dit verband wordt betoogd dat verweerster niet heeft gemotiveerd waarom de uitzondering van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 van toepassing is.

6.

Zesde middel: onterechte uitsluiting van het bestaan van een openbaar belang bij de openbaarmaking.

In dit verband wordt betoogd dat verweerster het recht van verdediging ten onrechte heeft uitgelegd als een louter partijbelang, en eraan is voorbijgegaan dat het recht om zichzelf te verdedigen een hoeksteen van de rechtsstaat is en als zodanig de gemeenschap beschermt en waarborgt en niet slechts één individu.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/10


Beroep ingesteld op 8 juli 2021 — Alfa Acciai / Commissie

(Zaak T-411/21)

(2021/C 401/12)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Alfa Acciai SpA (Brescia, Italië) (vertegenwoordigers: D. Fosselard, D. Slater en G. Carnazza, avvocati)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

— i.

de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen tot betaling van vertragingsrente over het bedrag van 7 175 000 EUR tegen de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor haar basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet die gold op de eerste kalenderdag van de maand waarin de vervaldatum valt, vermeerderd met drieënhalf procentpunt, over de periode van 9 maart 2010 tot en met 14 november 2017, verminderd met 260 968,15 EUR rente, die verzoekster reeds heeft ontvangen, dus een bedrag van 2 222 073,29 euro, of, subsidiair, betaling van vertragingsrente, berekend op basis van de rentevoet die het Gerecht passend acht;

— ii.

de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen tot betaling van vertragingsrente over het in punt i) hierboven gevorderde bedrag, voor de periode van 14 november 2017 tot de datum van daadwerkelijke betaling, tegen de door de ECB voor haar basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet die gold op de eerste kalenderdag van de maand waarin de vervaldatum valt, vermeerderd met drieënhalf procentpunt, of, subsidiair, tegen de rentevoet die het Gerecht passend acht;

— iii.

subsidiair aan punt ii) de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen tot betaling van vertragingsrente over het onder i) genoemde bedrag voor de periode van 2 maart 2021 tot de datum van daadwerkelijke betaling, tegen de door de ECB voor haar basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet die gold op de eerste kalenderdag van de maand waarin de vervaldatum valt, vermeerderd met drieëneenhalf procentpunt, of, subsidiair, tegen de rentevoet die het Gerecht passend acht;

— iv.

daarnaast, of subsidiair, de mededeling van de Commissie van 30 april 2021 met referentie Ares(2021) 2904247 nietig verklaren;

— v.

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel betreffende het verzoek tot schadevergoeding: onjuiste uitvoering door de Commissie van het arrest van 21 september 2017, Ferriera Valsabbia e.a./Commissie (C-86/15 P en C-87/15 P, EU:C:2017:717), in strijd met artikel 266, lid 1, VWEU en artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

In dit verband wordt betoogd dat de Commissie niet het volledige bedrag aan vertragingsrente heeft betaald over de naar aanleiding van het arrest terugbetaalde geldboete.

2.

Tweede middel, betreffende het verzoek tot nietigverklaring: schending en onjuiste toepassing van de artikelen 266 VWEU en 296 VWEU. Schending en onjuiste toepassing van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De brief van de Commissie van 30 april 2021 is niet gemotiveerd. Onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfout.

In dit verband wordt betoogd dat de brief waarbij de Commissie heeft geweigerd om aan verzoekster moratoire interesten te betalen, ontoereikend is gemotiveerd en inbreuk maakt op de beginselen inzake verjaring.

3.

Derde middel, betreffende het verzoek tot nietigverklaring: schending en onjuiste toepassing van artikel 266 VWEU en gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 (1).

Dienaangaande wordt betoogd dat artikel 85 bis, lid 2, van gedelegeerde verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 (2), waarop de Commissie zich in haar brief van 30 april 2021 heeft gebaseerd, op het tijdstip van de terugbetaling van de geldboete niet meer van kracht was, en dus niet meer van toepassing was.


(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie 2012, L 362, blz. 1).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/11


Beroep ingesteld op 10 juli 2021 — Ferriere Nord / Commissie

(Zaak T-414/21)

(2021/C 401/13)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Ferriere Nord SpA (Osoppo, Italië) (vertegenwoordigers: W. Viscardini, G. Donà en B. Comparini, avvocati)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

1.

a)

de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, veroordelen (krachtens de artikelen 266, lid 2, 268 en 340, lid 2, VWEU) tot betaling van een bedrag van 1 096 814,68 EUR (dan wel uiterst subsidiair, elk ander bedrag dat het Gerecht zal vaststellen, zo nodig door toepassing van een ander percentage dan het hieronder vermelde) — zijnde het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de op 9 maart 2010 geldende herfinancieringsvoet van de Europese Centrale Bank (ECB) (1 %), vermeerderd met 3,5 procentpunt, voor de periode van 9 maart 2010 tot en met 25 oktober 2017 (verminderd met een bedrag van 129 847,10 EUR dat reeds is betaald uit hoofde van de “overeenkomstige” rente) — ter vergoeding van de schade die Ferriere Nord S.p.A. heeft geleden door de niet-betaling (in strijd met artikel 266, lid 1, VWEU) van de vertragingsrente die verschuldigd is over de geldboete [opgelegd bij beschikkingen van de Europese Commissie C(2009) 7492 definitief van 30 september 2009 en C(2009) 9912 definitief van 8 december 2009] die zij op 9 maart 2010 voorlopig heeft betaald en die de Commissie op 25 oktober 2017 aan Ferriere Nord S.p.A. heeft terugbetaald naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2017 in zaak C-88/15 P;

dientengevolge,

b)

de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, veroordelen tot betaling van een aanvullend bedrag als kapitalisatie van de onder a) bedoelde schadevergoeding, vanaf 25 oktober 2017 (of, uiterst subsidiair, vanaf een andere door het Gerecht te bepalen datum) tot de datum van volledige en daadwerkelijke betaling, te berekenen tegen de door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet, vermeerderd met 3,5 procentpunten (of, uiterst subsidiair, tegen een andere door het Gerecht te bepalen rentevoet);

2.

de brief van de Europese Commissie (directoraat-generaal Begroting) van 30 april 2021 met referentie Ares(2021)2904048 (krachtens artikel 263 VWEU) nietig verklaren;

3.

in ieder geval de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan, het ene strekkende tot schadevergoeding (1) en het andere tot nietigverklaring van de bestreden brief (2).

1.

Eerste middel: de Commissie heeft in strijd met artikel 266, lid 1, VWEU (en met artikel 83 van verordening nr. 1268/2012 (1) en/of, voor zover nodig, met artikel 86 van verordening nr. 2342/2002 (2)) onrechtmatig gehandeld.

Dienaangaande wordt aangevoerd dat de Commissie, om volledige uitvoering te geven (in de zin van artikel 266, lid 1, VWEU) aan het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2017 in zaak C-88/15 P (waarbij een beschikking van vaststelling op grond van artikel 101 VWEU van 2009 nietig is verklaard), Ferriere Nord niet alleen de in 2010 voorlopig betaalde geldboete had moeten terugbetalen, maar ook de vertragingsrente over die geldboete, te berekenen tegen het tarief van artikel 83, lid 2, onder b), van verordening nr. 1268/2012, dat wil zeggen de door de ECB voor haar basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet die gold op de eerste kalenderdag van de maand waarin de geldboete opeisbaar is geworden, vermeerderd met 3,5 procentpunten. In plaats daarvan heeft de Commissie op 25 oktober 2017 — bij wijze van rente — alleen de “overeenkomstige” rente in de zin van artikel 90, lid 4, van verordening nr. 1268/2012 betaald, namelijk de opbrengst die was verkregen van de bankrekening waarop zij het bedrag van de geldboete voorlopig had gestort. Het niet betalen van vertragingsrente is een inbreuk op het primaire Unierecht (artikel 266, lid 1, VWEU), die leidt tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie. Het bedrag van de om voornoemde redenen verschuldigde schadevergoeding moet dan worden gekapitaliseerd vanaf de datum waarop alleen de “overeenkomstige” rente is betaald tot de datum van daadwerkelijke betaling.

2.

Tweede middel: schending van artikel 46 van het Statuut en, dientengevolge, van artikel 266, lid 1, VWEU (en van artikel 83 van verordening nr. 1268/2012 en/of, voor zover nodig, van artikel 86 van verordening nr. 2342/2002)

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie in haar brief van 30 april 2021 heeft verklaard dat zij het voorlopige verzoek tot schadevergoeding van Ferriere Nord op grond van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie niet kon/wilde inwilligen wegens het verstrijken van de daarin vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar, aangezien volgens de instelling het ontstaansfeit voor haar niet-contractuele aansprakelijkheid (en dus het beginpunt van de verjaringstermijn) de voorlopige betaling van de geldboete in 2010 was. Ferriere Nord betoogt daarentegen dat de gebeurtenis die tot aansprakelijkheid leidt, het feit is dat de Commissie op 25 oktober 2017 — toen de geldboete overeenkomstig het arrest van 2017 werd terugbetaald — niet de in artikel 83 van verordening nr. 1268/2012 bedoelde vertragingsrente heeft betaald, en zich heeft beperkt tot de betaling van alleen de op grond van artikel 90 van die verordening “overeenkomstige” rente. Deze schending van artikel 266, lid 1, VWEU vormt een onrechtmatige gedraging van de Commissie en leidt tot haar niet-contractuele aansprakelijkheid, zodat de in artikel 46 van het Statuut bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf het tijdstip van die schending.


(1)  Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie 2012, L 362, blz. 1).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/13


Beroep ingesteld op 10 juli 2021 — Banca Popolare di Bari / Commissie

(Zaak T-415/21)

(2021/C 401/14)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Banca Popolare di Bari SpA (Bari, Italië) (vertegenwoordigers: A. Zoppini, G. Roberti, I. Perego en G. Parisi, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

veroordeling van de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, tot betaling aan verzoekster van het bedrag van 280 miljoen EUR ter vergoeding van haar materiële schade en een passend bedrag ter vergoeding van haar immateriële schade als gevolg van besluit (EU) 2016/1208 van de Commissie van 23 december 2015 betreffende steunmaatregel SA.39451 (2015/C) (ex 2015/NN) door Italië ten uitvoer gelegd ten gunste van Banca Tercas;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster de volgende middelen aan.

1.

Eerste middel: de handelwijze van de Commissie was onrechtmatig.

Verzoekster stelt in dit verband dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, omdat de Commissie bij de vaststelling van het besluit over geen enkele beoordelingsmarge beschikte, aangezien artikel 107, lid 1, VWEU een nauwkeurige en onvoorwaardelijke bepaling met rechtstreekse werking is, en blijk heeft gegeven van kennelijke beoordelingsfouten. Voorts heeft de Commissie zich gebaseerd op ontoereikend bewijs en heeft zij een onjuiste uitlegging gegeven van de Unierechtspraak die eerst door het Gerecht (arrest van 19 maart 2019, Italië e.a./Commissie, T-98/16, T-196/16 en T-198/16) en vervolgens door het Hof van Justitie (arrest van 2 maart 2021, Commissie/Italië e.a., C-425/19 P) is geformuleerd.

De door het besluit geschonden regels zijn regels die rechten aan particulieren toekennen, waardoor het besluit in strijd is met de vrijheid van ondernemerschap en het grondrecht op behoorlijk bestuur.

2.

Tweede middel: verzoeksters immateriële en materiële schade is veroorzaakt door de onrechtmatige handelwijze van de Commissie.

Dienaangaande betoogt verzoekster dat, bij gebrek aan andere mogelijke bijdragende factoren, het besluit van de Commissie de beslissende factor is die ten grondslag ligt aan het afgenomen vertrouwen van de clientèle van de bank en de door de bank geleden verliezen. Dat besluit heeft het project voor integratie van Tercas en Caripe en het interventieplan van het Fondo Interbancario di Tutela dei Depositi (Italiaans interbancair depositogarantiestelsel; “FITD”) verhinderd.


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/13


Beroep ingesteld op 20 juli 2021 — Greenwich Polo Club/EUIPO — Lifestyle Equities (GREENWICH POLO CLUB)

(Zaak T-437/21)

(2021/C 401/15)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Greenwich Polo Club, Inc. (Greenwich, Connecticut, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: R. Zammitt, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Lifestyle Equities CV (Amsterdam, Nederland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij voor het Gerecht

Betrokken merk: Uniebeeldmerk GREENWICH POLO CLUB — inschrijvingsaanvraag nr. 17 791 153

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 10 mei 2021 in zaak R 300/2020-1

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen en de inschrijving van het litigieuze merk gelasten voor de in geding zijnde waren (alsook voor de andere waren waarop het beroep geen betrekking heeft), dan wel, subsidiair, de zaak ter heroverweging terugverwijzen naar het EUIPO;

de betaling gelasten van de kosten die verzoekster in verband met het beroep heeft gemaakt.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/14


Beroep ingesteld op 30 juli 2021 — Spanje / Commissie

(Zaak T-450/21)

(2021/C 401/16)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: S. Jiménez García en J. Rodríguez de la Rúa Puig, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2021/988 van de Commissie van 16 juni 2021 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (1), voor zover het betrekking heeft op bepaalde uitgaven die het Koninkrijk Spanje heeft verricht;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan.

Eerste middel, ontleend aan schending van de regels betreffende de controles op de juistheid van de steunberekening, met inbegrip van de toepassing van administratieve sancties (essentiële controle), op grond dat de uitlegging door de Commissie van artikel 31, lid 3, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 (2), gelezen in samenhang met artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 (3), niet strookt met het evenredigheidsbeginsel.

Dit middel valt uiteen in vier onderdelen (A-D):

A: ongerechtvaardigde oplegging van administratieve sancties wegens niet-naleving van de eisen inzake identificatie en registratie van dieren vóór de door een lidstaat vastgestelde datum, overeenkomstig artikel 31, lid 3, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014.

B-D: ongerechtvaardigde oplegging van administratieve sancties als bedoeld in artikel 31, lid 3, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 met betrekking tot dieren waarvoor een niet-naleving met betrekking tot identificatie en registratie a priori is vastgesteld tijdens de administratieve controles van alle steunaanvraagdossiers van een lidstaat die, zoals het Koninkrijk Spanje, overeenkomstig artikel 21, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 (4) een systeem zonder aanvragen toepast, dat naar zijn aard elk risico voor het ELGF uitsluit.

Tweede middel, ontleend aan de correcte productie van statistieken van controles ter plaatse van voldoende kwaliteit (essentiële controle), met inbegrip van de omvang van de aselecte steekproef en de doeltreffendheid van de risicoanalyse, overeenkomstig artíkel 34 van uitvoeringsverordening nr. 809/2014.


(1)  PB 2021, L 218, blz. 9.

(2)  Gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB 2014, L 181, blz. 48).

(3)  Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (PB 2014, L 181, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/15


Beroep ingesteld op 9 augustus 2021 — BNetzA / ACER

(Zaak T-485/21)

(2021/C 401/17)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bundesnetzagentur für Elektrizität, Gas, Telekommunikation, Post und Eisenbahnen (BNetzA) (Duitsland) (vertegenwoordigers: Rechtsanwälte U. Karpenstein en K. Reiter)

Verwerende partij: Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

besluit nr. A-001-2021 (geconsolideerd) van het beroepspanel van verweerder van 28 mei 2021 (bestreden besluit) nietig te verklaren,

subsidiair, voor het geval dat het Gerecht het bestreden besluit niet in zijn geheel nietig verklaart, dit besluit nietig verklaren voor zover het de hieronder genoemde onderdelen en bepalingen van besluit nr. 30/2020 van 30 november 2020 van verweerder bevestigt:

(i)

artikel 1, lid 1, tweede zin, artikel 2, lid 2, onder j), en artikel 3 van bijlage I;

(ii)

artikel 7 van bijlage I;

(iii)

artikel 12, lid 2, van bijlage I;

(iv)

alle onderdelen en bepalingen waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de onder (i) tot en met (iii) genoemde bepalingen.

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.

1.

Eerste middel: de uitbreiding van de kostendelingsmethode tot andere netwerkelementen dan zoneoverschrijdende netwerkelementen is onverenigbaar met de vereisten van artikel 16, lid 13, van verordening (EU) 2019/943 (1) en artikel 74 van verordening (EU) 2015/1222 (2). In ieder geval ontbreekt de noodzakelijke rechtsgrondslag. Op zijn minst is het toepassingsgebied van de kostendelingsmethode ten onrechte gebaseerd op eisen van operationele veiligheid en op het beginsel “de vervuiler betaalt”.

2.

Tweede middel: het vereffeningsverbod is inzonderheid in strijd met artikel 16, leden 11 en 13, van verordening (EU) 2019/943. Bovendien maakt het de kostendelingsmethodologie innerlijk tegenstrijdig.

3.

Derde middel: het door verweerder naar eigen maatstaven vastgestelde voorlopige tolerantieniveau voor legitieme lusstromen is formeel en materieel in strijd met het Unierecht. Formeel gezien miskent verweerder de bevoegdheid van de transmissiesysteembeheerders en de nationale regulerende instanties om het tolerantieniveau vast te stellen. Bovendien wordt een voorlopig tolerantieniveau vastgesteld hoewel de door artikel 16, lid 13, tweede alinea, van verordening (EU) 2019/943 vereiste analyse van het niveau van de legitieme lusstromen door de transmissiesysteembeheerders ontbreekt. Materieel gezien is de kostendelingsmethodologie in strijd met het in artikel 16, lid 13, tweede alinea, van verordening (EU) 2019/943 neergelegde vereiste dat individuele tolerantieniveaus moeten worden vastgesteld voor “elke biedzonegrens”, doordat een uniform tolerantieniveau wordt vastgesteld dat gelijkelijk is verdeeld over de biedzones die de lusstromen veroorzaken. Op zijn minst mist het vastgestelde voorlopige tolerantieniveau de noodzakelijke rechtsgrondslag.

4.

Vierde middel: de kostendelingsmethodologie is gebaseerd op het feit dat lusstromen prioriteit krijgen boven interne stromen bij het bepalen van de oorzaken van netwerkcongestie, wat in strijd is met artikel 16, lid 13, van verordening (EU) 2019/943. Bovendien geeft dit verkeerde prikkels en is het onverenigbaar met het billijkheidsvereiste en het discriminatieverbod.

5.

Vijfde middel: de kostendelingsmethodologie is, minstens wanneer zij in haar geheel wordt beschouwd, in strijd met het Unierecht. Het ruime toepassingsgebied, het verbod op vereffening, het onaangepaste tolerantieniveau en de prioriteit die lusstromen boven interne stromen krijgen, hangen alle samen en versterken elkaar. Althans in hun geheel beschouwd leiden zij tot schending van het beginsel dat “de vervuiler betaalt”, van het discriminatieverbod en van het billijkheidsvereiste. Bovendien is de kostendelingsmethodologie, tenminste in haar totaal effect, onverenigbaar met de Uniedoelstelling het aandeel hernieuwbare energiebronnen te verhogen. De kostendelingsmethodologie is over het geheel genomen onevenredig en mist hoe dan ook de noodzakelijke rechtsgrondslag.

6.

Zesde middel: de onvoorwaardelijke verplichting die de kostendelingsmethodologie inhoudt voor de transmissiesysteembeheerders om binnen twaalf maanden na de tenuitvoerlegging van deze methodologie wijzigingsvoorstellen uit te werken en ter goedkeuring aan de regulerende instanties voor te leggen, is in strijd met artikel 16, lid 13, van verordening (EU) 2019/943 en artikel 74, lid 6, onder b), juncto artikel 9, lid 13, van verordening (EU) 2015/1222.


(1)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (PB 2019, L 158, blz. 54).

(2)  Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB 2015, L 197, blz. 24).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/17


Beroep ingesteld op 11 augustus 2021 — Hongarije / Commissie

(Zaak T-491/21)

(2021/C 401/18)

Procestaal: Hongaars

Partijen

Verzoekende partij: Hongarije (vertegenwoordigers: M. Z. Fehér en G. Koós, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2021/988 van de Commissie van 16 juni 2021 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (1), voor zover het betrekking heeft op Hongarije en steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling met betrekking tot de begrotingsjaren 2016-2019 onttrekt aan Uniefinanciering wegens het ontbreken van een essentiële controle (Plattelandsontwikkeling Elfpo, bosbouwmaatregelen);

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens de Hongaarse regering legt de Commissie artikel 30 van verordening (EU) nr. 1306/2013 (2) en artikel 28, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 (3) onjuist uit. De Hongaarse regering is van mening dat de redenering in punt 3.4.2 van de toelichting van de Commissie met als opschrift “Methoden voor de berekening van de steun voor plattelandsontwikkeling om dubbele financiering uit te sluiten”, in de versie van februari 2017, niet strookt met de genoemde bepalingen. De toelichting is niet juridisch bindend en de daarin aangevoerde uitlegging is daarenboven niet verenigbaar met het Unierecht.

Ter ondersteuning van haar beroep voert de Hongaarse regering in wezen één middel aan. Volgens haar vereisen artikel 30 van verordening (EU) nr. 1306/2013 en artikel 28, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 niet dat een controle wordt ingesteld voor de dubbele financiering die zou kunnen voortvloeien uit de steun die wordt verleend ten behoeve van vergroening en herbebossing, aangezien er volgens de geldende bepalingen van Unierecht geen gegrond risico van dubbele financiering bestaat met betrekking tot deze twee doeleinden.

Tot staving van haar betoog tracht de Hongaarse regering in de eerste plaats aan te tonen dat de gefinancierde uitgaven voor herbebossing een totaal ander doel dienen dan die voor vergroening. Vervolgens wijst de Hongaarse regering er in haar verzoekschrift op dat de context van beide steunmaatregelen ook totaal verschillend is. De subsidiabiliteitscriteria zijn verschillend voor de twee steunmaatregelen en de subsidiabele kosten zijn niet identiek.

Ten slotte is de Hongaarse regering van mening dat de Europese Commissie de draagwijdte van het algemeen verbod van dubbele financiering in artikel 30 van verordening (EU) nr. 1306/2013 onjuist uitlegt en er geen rekening mee houdt dat de geldende Unieregeling niet uitdrukkelijk bepaalt dat ten behoeve van herbebossing en vergroening verstrekte steun dubbele financiering vormt.


(1)  PB 2021, L 218, blz. 9.

(2)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/18


Beroep ingesteld op 13 augustus 2021 — Spanje / Commissie

(Zaak T-495/21)

(2021/C 401/19)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: L. Aguilera Ruiz en M. J. Ruiz Sánchez, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2021/988 van de Commissie van 16 juni 2021 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) [kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 4118] (1), voor zover het betrekking heeft op het Koninkrijk Spanje en verband houdt met het onderzoek betreffende het betaalorgaan van het Baskenland, dossiernummer AA/2018/003/ES/RLF, en een nettobedrag van 2 056 473,43 EUR;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat de opgelegde forfaitaire correctie voor een nettobedrag van 2 056 473,43 EUR in strijd is met artikel 5 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 (2) en de artikelen 28 en 29 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 (3). De Commissie heeft een kennelijke fout gemaakt bij haar beoordeling van een tekortkoming in een essentiële controle van de doeltreffendheid van de kruiscontroles en de kwaliteit van het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS).

De Commissie heeft de vastgestelde punctuele divergenties tussen een controle, via een beeldscherm, van de foto-interpretatie op basis van het LPIS en de latere verificaties ter plaatse met betrekking tot vier willekeurig geselecteerde percelen verward met de resultaten van de geprogrammeerde controles ter plaatse, te weten de verificaties van de percelen met prorata subsidiabiliteitscoëfficient in 2016, 2017 en 2018, die worden verricht in het kader van een plan met maatregelen om het LPIS te actualiseren. Hoewel het om onderscheiden en afzonderlijke handelingen gaat, komt de Commissie, door de resultaten van de ene en de andere handeling te extrapoleren, tot een gezamenlijke conclusie om de bestreden correctie toe te passen, die verzoeker onjuist en onevenredig acht.

2.

Het tweede middel berust op schending door de Commissie van de richtsnoeren voor de berekening van financiële correcties in het kader van de procedure voor de financiële en de conformiteitsgoedkeuring van de rekeningen [C(2015) 3675 van 8 juni 2015], waaruit blijkt dat de forfaitaire correctie niet had mogen worden opgelegd, omdat er geen sprake was van tekortkomingen in de kruiscontroles en het risico voor het Fonds als gevolg van tekortkomingen in de controles ter plaatse werd gekwantificeerd in het kader van de procedure. Naast het feit dat er geen sprake was van een tekortkoming in de kruiscontroles die een risico voor het Fonds oplevert dat de toegepaste correctie rechtvaardigt, is verzoeker met betrekking tot de controles ter plaatse van mening dat de Commissie de forfaitaire correctie ten onrechte heeft toegepast, aangezien het risico voor het Fonds werd geïndividualiseerd en gekwantificeerd in het kader van de procedure.


(1)  PB 2021, L 218, blz. 9.

(2)  Gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB 2014, L 181, blz. 48).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69).


4.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 401/19


Beroep ingesteld op 16 augustus 2021 — Tinnus Enterprises/EUIPO — Mystic Products Import & Export (Vloeistofdistributie-installaties)

(Zaak T-505/21)

(2021/C 401/20)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tinnus Enterprises LLC (Plano, Texas, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: T. Wuttke, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mystic Products Import & Export, SL (Badalona, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken model: verzoekende partij voor het Gerecht

Betrokken model: gemeenschapsmodel nr. 1 431 829-0010

Bestreden beslissing: beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 9 juni 2021 in zaak R 1003/2018-3

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

de bestreden beslissing wijzigen in de zin dat:

verzoeksters beroep wordt toegewezen;

de door verzoekster tot nietigverklaring ingestelde vordering ICD 10 296 tot nietigverklaring van het litigieuze model in haar geheel wordt afgewezen;

verzoekster tot nietigverklaring wordt verwezen in de kosten die verzoekster voor de kamer van beroep en de nietigheidsafdeling heeft gemaakt;

verzoekster tot nietigverklaring verwijzen in verzoeksters kosten en honoraria.

Aangevoerde middelen

schending van de beginselen die zijn geformuleerd in het arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO — Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T-515/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:155);

schending van de beginselen die zijn geformuleerd in het arrest van 8 maart 2018, DOCERAM (C-395/16, EU:C:2018:172);

schending van artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad;

onjuiste uitlegging van octrooiaanvraag EP 3 005 948 A2 en verzoeksters meervoudige modelaanvraag nr. 1 431 829-0001-0010.