ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 108

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

64e jaargang
26 maart 2021


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2019-2020
Vergaderingen van 25 t/m 28 maart 2019
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 438 van 18.12.2020 .
De aangenomen teksten van 26 maart 2019 betreffende de kwijtingen voor het begrotingsjaar 2017 zijn bekendgemaakt in PB L 249 van 27.9.2019 .
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 26 maart 2019

2021/C 108/01

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (2018/2899(RSP))

2

2021/C 108/02

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (2018/2121(INI))

8

 

Woensdag 27 maart 2019

2021/C 108/03

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 (MON-87751-7) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D060916/01 — 2019/2603(RSP))

63

2021/C 108/04

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot vernieuwing van de vergunning voor het in de handel brengen van producten houdende, bestaand uit of geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs 1507 x NK603 (DAS-Ø15Ø7-1 x MON-ØØ6Ø3-6) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D060917/01 — 2019/2604(RSP))

69

2021/C 108/05

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (DEZA a.s.) (D060865/01 — 2019/2605(RSP))

75

2021/C 108/06

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.) (D060866/01 — 2019/2606(RSP))

80

2021/C 108/07

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van chroomtrioxide overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Lanxess Deutschland GmbH en andere) (D060095/03 — 2019/2654(RSP))

85

2021/C 108/08

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over de ontwikkelingen na de Arabische Lente: de aangewezen weg voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika (2018/2160(INI))

90

 

Donderdag 28 maart 2019

2021/C 108/09

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de noodsituatie in Venezuela (2019/2628(RSP))

103

2021/C 108/10

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de situatie van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, met name in Malta en Slowakije (2018/2965(RSP))

107

2021/C 108/11

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over recente ontwikkelingen in het dieselgate-schandaal (2019/2670(RSP))

120

 

AANBEVELINGEN

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 26 maart 2019

2021/C 108/12

Aanbeveling van het Europees Parlement van 26 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de nieuwe brede overeenkomst tussen de EU en Oezbekistan (2018/2236(INI))

126

2021/C 108/13

Aanbeveling van het Europees Parlement van 26 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de institutionele kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat (2018/2262(INI))

133

 

Donderdag 28 maart 2019

2021/C 108/14

Aanbeveling van het Europees Parlement van 28 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (2018/2237(INI))

141


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 26 maart 2019

2021/C 108/15

Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann (2018/2277(IMM))

150


 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 26 maart 2019

2021/C 108/16

P8_TA(2019)0222
Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (COM(2018)0184 — C8-0149/2018 — 2018/0089(COD))
P8_TC1-COD(2018)0089
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG
(Voor de EER relevante tekst)

152

2021/C 108/17

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09547/2018 — C8-0021/2019 — 2018/0080(NLE))

179

2021/C 108/18

P8_TA(2019)0225
Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG (COM(2018)0639 — C8-0408/2018 — 2018/0332(COD))
P8_TC1-COD(2018)0332
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG
(Voor de EER relevante tekst)

180

2021/C 108/19

P8_TA(2019)0226
Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (COM(2016)0864 — C8-0495/2016 — 2016/0380(COD))
P8_TC1-COD(2016)0380
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking)

187

2021/C 108/20

P8_TA(2019)0227
Interne markt voor elektriciteit ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (COM(2016)0861 — C8-0492/2016 — 2016/0379(COD))
P8_TC1-COD(2016)0379
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking)

190

2021/C 108/21

P8_TA(2019)0228
Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (herschikking) (COM(2016)0863 — C8-0494/2016 — 2016/0378(COD))
P8_TC1-COD(2016)0378
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (herschikking)

193

2021/C 108/22

P8_TA(2019)0229
Risicoparaatheid in de elektriciteitssector ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG (COM(2016)0862 — C8-0493/2016 — 2016/0377(COD))
P8_TC1-COD(2016)0377
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG

195

2021/C 108/23

P8_TA(2019)0230
Etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009 (COM(2018)0296 — C8-0190/2018 — 2018/0148(COD))
P8_TC1-COD(2018)0148
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009
(Voor de EER relevante tekst)

196

2021/C 108/24

P8_TA(2019)0231
Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt (COM(2016)0593 — C8-0383/2016 — 2016/0280(COD))
P8_TC1-COD(2016)0280
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG

231

2021/C 108/25

P8_TA(2019)0232
Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud (COM(2015)0634 — C8-0394/2015 — 2015/0287(COD))
P8_TC1-COD(2015)0287
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten

234

2021/C 108/26

P8_TA(2019)0233
Overeenkomsten voor de verkoop van goederen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0637 — C8-0379/2017 — 2015/0288(COD))
P8_TC1-COD(2015)0288
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG

236

2021/C 108/27

P8_TA(2019)0234
Visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) (COM(2018)0143 — C8-0123/2018 — 2018/0069(COD))
P8_TC1-COD(2018)0069
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee)

238

2021/C 108/28

P8_TA(2019)0235
Onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid en tot wijziging van Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad (COM(2018)0381 — C8-0244/2018 — 2018/0205(COD))
P8_TC1-COD(2018)0205
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad

241

2021/C 108/29

P8_TA(2019)0236
Speciale voorschriften voor de maximumlengte van cabines ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad wat betreft de termijn voor de uitvoering van de speciale voorschriften voor de maximumlengte in het geval dat cabines betere prestaties op het vlak van aerodynamica, energie-efficiëntie en veiligheid leveren (COM(2018)0275 — C8-0195/2018 — 2018/0130(COD))
P8_TC1-COD(2018)0130
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad wat betreft de termijn voor de uitvoering van de speciale voorschriften voor de maximumlengte voor cabines die betere prestaties op het vlak van aerodynamica, energie-efficiëntie en veiligheid leveren

243

2021/C 108/30

P8_TA(2019)0237
Koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans (COM(2018)0355 — C8-0209/2018 — 2018/0180(COD))
P8_TC1-COD(2018)0180
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU-klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en informatieverschaffing over duurzaamheid over benchmarks

245

2021/C 108/31

P8_TA(2019)0238
Specifieke bepalingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden (COM(2018)0374 — C8-0229/2018 — 2018/0199(COD))
P8_TC1-COD(2018)0199
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden

247

 

Woensdag 27 maart 2019

2021/C 108/32

P8_TA(2019)0295
Middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat de middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief betreft (COM(2019)0055 — C8-0041/2019 — 2019/0027(COD))
P8_TC1-COD(2019)0027
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat de middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief betreft

309

2021/C 108/33

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns (herschikking) (COM(2018)0346 — C8-0381/2018 — 2018/0176(CNS))

310

2021/C 108/34

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit nr. 940/2014/EU wat betreft de producten die voor een vrijstelling of vermindering van de octroi de mer in aanmerking komen (COM(2018)0825 — C8-0034/2019 — 2018/0417(CNS))

311

2021/C 108/35

P8_TA(2019)0298
Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (COM(2018)0460 — C8-0275/2018 — 2018/0243(COD))
P8_TC1-COD(2018)0243
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

312

2021/C 108/36

P8_TA(2019)0299
Instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (COM(2018)0465 — C8-0274/2018 — 2018/0247(COD))
P8_TC1-COD(2018)0247
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)

409

2021/C 108/37

P8_TA(2019)0300
Kader voor herstel en afwikkeling van centrale tegenpartijen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012 en (EU) 2015/2365 (COM(2016)0856 — C8-0484/2016 — 2016/0365(COD))
P8_TC1-COD(2016)0365
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012 en (EU) nr. 2015/2365
(Voor de EER relevante tekst)

442

2021/C 108/38

P8_TA(2019)0301
Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP) (COM(2018)0113 — C8-0103/2018 — 2018/0048(COD))
P8_TC1-COD(2018)0048
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP)
(Voor de EER relevante tekst)

534

2021/C 108/39

P8_TA(2019)0302
Markten voor financiële instrumenten: aanbieders van crowdfundingdiensten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (COM(2018)0099 — C8-0102/2018 — 2018/0047(COD))
P8_TC1-COD(2018)0047
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten
(Voor de EER relevante tekst)

563

2021/C 108/40

P8_TA(2019)0303
Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Cohesiefonds ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (COM(2018)0372 — C8-0227/2018 — 2018/0197(COD))
P8_TC1-COD(2018)0197
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

566

2021/C 108/41

P8_TA(2019)0304
Emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 (herschikking) (COM(2017)0676 — C8-0395/2017 — 2017/0293(COD))
P8_TC1-COD(2017)0293
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (herschikking)

599

2021/C 108/42

P8_TA(2019)0305
Vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu (COM(2018)0340 — C8-0218/2018 — 2018/0172(COD))
P8_TC1-COD(2018)0172
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu

602

2021/C 108/43

P8_TA(2019)0306
EU-bemestingsproducten***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 (COM(2016)0157 — C8-0123/2016 — 2016/0084(COD))
P8_TC1-COD(2016)0084
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003

604

2021/C 108/44

P8_TA(2019)0307
Bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (COM(2018)0171 — C8-0130/2018 — 2018/0081(COD))
P8_TC1-COD(2018)0081
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

606

2021/C 108/45

P8_TA(2019)0308
Gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/106/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (COM(2017)0648 — C8-0391/2017 — 2017/0290(COD))
P8_TC1-COD(2017)0290
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/106/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten
(Voor de EER relevante tekst)

608

2021/C 108/46

P8_TA(2019)0309
Openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198 — C8-0146/2016 — 2016/0107(COD))
P8_TC1-COD(2016)0107
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren
(Voor de EER relevante tekst)

623

2021/C 108/47

P8_TA(2019)0310
Gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (COM(2018)0375 — C8-0230/2018 — 2018/0196(COD))
P8_TC1-COD(2018)0196
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa [Am. 1]

638

2021/C 108/48

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over de Gedelegeerde Verordening van de Commissie van 14 december 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (C(2018)08466 — 2018/2996(DEA))

875

2021/C 108/49

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 14 december 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa (C(2018)08465 — 2018/2994(DEA))

876

 

Donderdag 28 maart 2019

2021/C 108/50

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo) (COM(2016)0277 — C8-0177/2016 — 2016/0139(COD))

877

2021/C 108/51

P8_TA(2019)0320
Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017)0753 — C8-0019/2018 — 2017/0332(COD))
P8_TC1-COD(2017)0332
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)

878

2021/C 108/52

P8_TA(2019)0321
Verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU (COM(2016)0723 — C8-0475/2016 — 2016/0359(COD))
P8_TC1-COD(2016)0359
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie)

930

2021/C 108/53

P8_TA(2019)0322
Voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen en doorgifte van televisie- en radioprogramma's ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s (COM(2016)0594 — C8-0384/2016 — 2016/0284(COD))
P8_TC1-COD(2016)0284
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad

932

2021/C 108/54

P8_TA(2019)0323
Vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013 (COM(2018)0366 — C8-0237/2018 — 2018/0190(COD))
P8_TC1-COD(2018)0190
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013
(Voor de EER relevante tekst)

934

2021/C 108/55

P8_TA(2019)0324
Erasmus: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Erasmus: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (COM(2018)0367 — C8-0233/2018 — 2018/0191(COD))
P8_TC1-COD(2018)0191
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Erasmus Erasmus+: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 [Am. 1. Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst.]
(Voor de EER relevante tekst)

965

2021/C 108/56

P8_TA(2019)0325
Totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen (COM(2018)0353 — C8-0207/2018 — 2018/0178(COD))
P8_TC1-COD(2018)0178
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen
(Voor de EER relevante tekst)

1005

2021/C 108/57

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2020 (2019/2003(BUD))

1032


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2019-2020

Vergaderingen van 25 t/m 28 maart 2019

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 438 van 18.12.2020.

De aangenomen teksten van 26 maart 2019 betreffende de kwijtingen voor het begrotingsjaar 2017 zijn bekendgemaakt in PB L 249 van 27.9.2019.

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag 26 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/2


P8_TA(2019)0239

Grondrechten van mensen van Afrikaanse afkomst

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (2018/2899(RSP))

(2021/C 108/01)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de tweede en de vierde tot en met de zevende alinea van de preambule, artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en artikel 6,

gezien de artikelen 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (1),

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (2),

gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (3),

gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (4),

gezien de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II), die in december 2017 werd gepubliceerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en het verslag van het FRA over ervaringen van mensen van Afrikaanse afkomst met rassendiscriminatie en racistisch geweld in de EU (5),

gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2016 (6),

gezien de oprichting in juni 2016 van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid,

gezien de gedragscode ter bestrijding van onrechtmatige haatuitingen op het internet, die de Commissie en grote IT-bedrijven alsmede andere platforms en socialemediabedrijven op 31 mei 2016 overeengekomen zijn,

gezien algemene aanbeveling nr. 34 van 3 oktober 2011 van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie betreffende rassendiscriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst,

gezien resolutie 68/237 van de Algemene Vergadering van de VN van 23 december 2013, waarin de periode 2015-2024 is uitgeroepen tot het internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse herkomst,

gezien resolutie 69/16 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 november 2014 houdende het activiteitenprogramma voor de tenuitvoerlegging van het internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst,

gezien de verklaring van Durban en het actieprogramma van de internationale conferentie van 2001 over racisme, waarin wordt erkend dat mensen van Afrikaanse afkomst al eeuwenlang te maken hebben met racisme, discriminatie en onrecht,

gezien de algemene beleidsaanbevelingen van de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI),

gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 19 september 2001 betreffende de Europese code voor politie-ethiek (7),

gezien de mensenrechtennota van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 25 juli 2017, getiteld “Afrophobia: Europe should confront this legacy of colonialism and the slave trade”,

gezien protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inzake non-discriminatie,

gezien de vraag aan de Commissie over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (O-000022/2019 — B8-0016/2019),

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat naast “mensen van Afrikaanse afkomst” ook begrippen worden gebruikt als “Afro-Europese”, “Afrikaans-Europese” of “Afro-Caribische” mensen, en dat daarmee personen van Afrikaanse afkomst of personen met Afrikaanse voorouders worden aangeduid die geboren zijn in Europa, Europees burger zijn of in Europa wonen;

B.

overwegende dat de begrippen “afrofobie”, “afrifobie” en “tegen mensen met een donkere huidskleur gericht racisme” duiden op een specifieke vorm van racisme, met inbegrip van geweld en discriminatie, die zijn voedingsbodem heeft in misstanden uit het verleden en negatieve stereotypering, en die leidt tot uitsluiting en ontmenselijking van personen van Afrikaanse afkomst; overwegende dat dergelijke praktijken een gelijkenis vertonen met de repressieve structuren uit de tijd van het kolonialisme en de trans-Atlantische slavenhandel en dat dit ook door de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa wordt erkend;

C.

overwegende dat er naar schatting 15 miljoen mensen van Afrikaanse afkomst in Europa wonen (8), maar dat gelijkheidsgegevens in de EU-lidstaten niet systematisch worden verzameld, dat de gegevens niet gebaseerd zijn op zelfidentificatie, en dat migranten van de tweede of derde generatie of nog latere generaties vaak niet worden meegeteld;

D.

overwegende dat volgens het FRA met name minderheden die afkomstig zijn uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara te maken krijgen met racisme en discriminatie op alle gebieden van het leven (9);

E.

overwegende dat uit de onlangs door het FRA uitgevoerde tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II) (10) blijkt dat jonge respondenten van Afrikaanse afkomst in de leeftijdscategorie 16-24 jaar in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête vaker te maken kregen met door haat ingegeven intimidatie (32 %) dan oudere respondenten, en dat cyberintimidatie het vaakst voorkomt bij jonge respondenten en afneemt naarmate de leeftijd stijgt;

F.

overwegende dat de geschiedenis talloze voorbeelden kent van onrecht tegen Afrikanen en personen van Afrikaanse afkomst, waaronder slavernij, gedwongen arbeid, apartheid, bloedbaden en genociden in het kader van het Europese kolonialisme en de trans-Atlantische slavenhandel, maar dat deze misstanden in de lidstaten op institutioneel niveau nog altijd nauwelijks worden erkend en grotendeels worden genegeerd;

G.

overwegende dat bij bepaalde Europese tradities, zoals het zwart schminken van gezichten, wordt vastgehouden aan discriminerende stereotypen, waardoor diepgewortelde stereotyperingen van mensen van Afrikaanse afkomst blijven bestaan, hetgeen het gevaar van discriminatie verergert;

H.

overwegende dat het belangrijke werk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling en van het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) moet worden toegejuicht en ondersteund;

I.

overwegende dat uit het jaarverslag van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (ODIHR) over haatmisdrijven (11) blijkt dat mensen van Afrikaanse afkomst dikwijls het slachtoffer zijn van racistisch geweld, maar dat er in veel landen geen juridische bijstand of financiële ondersteuning wordt geboden aan de slachtoffers van dergelijke gewelddadige aanvallen;

J.

overwegende dat de regeringen de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten van hun burgers, en overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en monitoren van geweld, waaronder afrofoob geweld, en voor het vervolgen van personen die zich daaraan schuldig maken derhalve ook op de regeringen rust;

K.

overwegende dat er slechts in beperkte mate gegevens beschikbaar zijn over rassendiscriminatie in het onderwijs; overwegende dat echter is gebleken dat kinderen van Afrikaanse afkomst in de lidstaten lagere cijfers krijgen dan hun blanke klasgenoten en dat het percentage vroegtijdige schoolverlaters onder kinderen van Afrikaanse afkomst hoger ligt (12);

L.

overwegende dat volwassenen en kinderen van Afrikaanse afkomst in hechtenis steeds vaker het slachtoffer worden van tal van geweldsincidenten, meermaals met dodelijke afloop; overwegende dat machtsmisbruik aan de orde van de dag is doordat raciale profilering en discriminerende aanhouding, fouillering en controle routinematig worden ingezet in het kader van rechtshandhaving, misdaadpreventie;

M.

overwegende dat er rechtsmiddelen tegen discriminatie bestaan en dat er krachtig en specifiek beleid nodig is om structurele discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa tegen te gaan, onder meer op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, gezondheid, het strafrechtelijk systeem en politieke participatie en wat betreft de gevolgen van beleid en praktijken op het gebied van migratie en asiel;

N.

overwegende dat personen van Afrikaanse afkomst op de Europese woningmarkt worden gediscrimineerd en veelal in arme wijken terechtkomen, waar de huizen klein en van slechte kwaliteit zijn en dat er dus sprake is van ruimtelijke segregatie;

O.

overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst in de loop van de geschiedenis een aanzienlijke bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van de Europese samenleving, maar op de arbeidsmarkt vaak worden gediscrimineerd;

P.

overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst onevenredig vaak tot de lagen van de Europese bevolking behoren met de laagste inkomens;

Q.

overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst in de Europese Unie sterk ondervertegenwoordigd zijn in de politieke en wetgevende instellingen, zowel op Europees niveau als op nationaal en lokaal niveau;

R.

overwegende dat het nog altijd voorkomt dat Europese of nationale politici van Afrikaanse afkomst in de publieke ruimte op schandelijke wijze worden aangevallen;

S.

overwegende dat het racisme en de discriminatie waar mensen van Afrikaanse afkomst mee te maken krijgen een structureel karakter hebben en dikwijls samengaan met andere vormen van discriminatie en onderdrukking op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

T.

overwegende er in Europa de laatste tijd steeds meer gerichte afrofobe aanvallen plaatsvinden tegen onderdanen van derde landen, met name vluchtelingen en migranten;

1.

verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen te erkennen dat mensen van Afrikaanse afkomst te maken hebben met racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat, en in zijn algemeenheid minder in staat zijn om hun mensenrechten en grondrechten uit te oefenen, en dat er dus sprake is van structureel racisme; verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen voorts te erkennen dat mensen van Afrikaanse afkomst, als individu en als groep, recht hebben op bescherming tegen deze ongelijkheden, onder meer door de vaststelling van positieve maatregelen ter bevordering van de volledige en gelijke uitoefening van hun rechten;

2.

is van mening dat actieve en betekenisvolle sociale, economische, politieke en culturele participatie door mensen van Afrikaanse afkomst essentieel is voor het aanpakken van afrofobie en voor het waarborgen van de sociale inclusie van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa;

3.

roept de Commissie op een EU-kader te ontwikkelen voor nationale strategieën voor de integratie en sociale inclusie van mensen van Afrikaanse afkomst;

4.

is fel gekant tegen alle fysieke en verbale aanvallen op mensen van Afrikaanse afkomst, of deze nu plaatsvinden in het openbaar of in de privésfeer;

5.

spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan de geschiedenis van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa formeel te erkennen, met inbegrip van in het verleden en het heden begane wandaden en misdrijven tegen de menselijkheid, zoals slavernij, de trans-Atlantische slavenhandel en andere misstanden ten tijde van het Europees kolonialisme, maar ook de belangrijke prestaties en positieve bijdragen van mensen van Afrikaanse afkomst, en er aandacht aan te schenken middels de officiële erkenning op Europees en nationaal niveau van de internationale dag voor de herdenking van de slachtoffers van slavernij en de trans-Atlantische slavenhandel, en de instelling van Black History Months;

6.

roept de lidstaten en de Europese instellingen op officieel aandacht te schenken aan het door de VN uitgeroepen internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse herkomst en doeltreffende maatregelen te nemen met het oog op de uitvoering van het activiteitenprogramma daarvan in een geest van erkenning, gerechtigheid en ontwikkeling;

7.

herinnert eraan dat sommige lidstaten inspanningen hebben geleverd om zinvolle en doeltreffende rechtsmiddelen in te voeren met het oog op in het verleden begane wandaden en misdrijven tegen de menselijkheid die gericht waren tegen mensen van Afrikaanse afkomst, in gedachten houdend dat de gevolgen ervan ook nu nog merkbaar zijn;

8.

verzoekt de EU-instellingen en de overige lidstaten dit voorbeeld te volgen en wijst erop dat dit wellicht gepaard zou moeten gaan met een bepaalde mate van genoegdoening, bijvoorbeeld in de vorm van het publiekelijk aanbieden van excuses of het teruggeven of vergoeden van gestolen goederen aan de landen van herkomst;

9.

dringt er bij de lidstaten op aan hun koloniale archieven vrij te geven;

10.

roept de EU-instellingen en de lidstaten op etnische discriminatie en haatmisdrijven stelselmatig te bestrijden, en met andere belangrijke actoren doeltreffende en empirisch onderbouwde juridische en beleidsmaatregelen te ontwikkelen als antwoord op deze praktijken; is van mening dat er, overeenkomstig de nationale wettelijke kaders en de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, uitsluitend gegevens over etnische discriminatie en haatmisdrijven verzameld zouden mogen worden om de onderliggende oorzaken van xenofobe en discriminerende uitlatingen en handelingen in kaart te brengen en aan te pakken;

11.

verzoekt de lidstaten nationale racismebestrijdingsstrategieën te ontwikkelen voor de aanpak van de problemen op het gebied van onderwijs, huisvesting, gezondheid, werkgelegenheid, politiewerk, sociale diensten, het rechtsstelsel, politieke participatie en vertegenwoordiging waar mensen van Afrikaanse afkomst mee te maken hebben; verzoekt de lidstaten tevens om ervoor zorgen dat mensen van Afrikaanse afkomst vaker in de media en in televisieprogramma's verschijnen, om zo de ondervertegenwoordiging van mensen van Afrikaanse afkomst en het gebrek aan rolmodellen voor kinderen van Afrikaanse afkomst op adequate wijze aan te pakken;

12.

wijst op de belangrijke rol van organisaties uit het maatschappelijk middenveld in de strijd tegen racisme en discriminatie, en dringt erop aan dat er op Europees, nationaal en lokaal niveau meer financiële middelen voor deze organisaties beschikbaar worden gesteld;

13.

verzoekt de Commissie om zowel in haar lopende financieringsprogramma's als in de programma's die voor de volgende meerjarige periode worden opgezet, aandacht te besteden aan mensen van Afrikaanse afkomst;

14.

roept de Commissie op om binnen de relevante diensten van de Commissie een speciaal team in het leven te roepen met een bijzondere focus op mensen van Afrikaanse afkomst;

15.

verzoekt de lidstaten met klem om het kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht ten uitvoer te leggen en naar behoren te handhaven, en in het bijzonder de door vooroordelen ingegeven motieven voor misdrijven op grond van ras, nationale afkomst of etnische afkomst in het strafrecht op te nemen als een verzwarende omstandigheid, om zo de registratie, vervolging en bestraffing van en het onderzoek naar haatmisdrijven tegen mensen van Afrikaanse afkomst te garanderen;

16.

verzoekt de lidstaten effectief op haatmisdrijven te reageren en onder meer onderzoek te doen naar de door vooroordelen ingegeven motieven die aan de basis liggen van misdrijven op grond van ras, nationale afkomst of etnische afkomst, en te waarborgen dat haatmisdrijven tegen mensen van Afrikaanse afkomst worden geregistreerd, onderzocht, vervolgd en bestraft;

17.

dringt er bij de lidstaten op aan alle vormen van raciale en etnische profilering in het kader van rechtshandhaving, terrorismebestrijdingsmaatregelen en immigratiecontrole een halt toe te roepen, en onrechtmatige discriminerende praktijken en gewelddaden tegen te gaan door autoriteiten opleidingen te bieden op het gebied van de bestrijding van racisme en vooroordelen;

18.

wenst dat de lidstaten racistische en afrofobe tradities veroordelen en ontmoedigen;

19.

verzoekt de lidstaten te bewaken dat raciale vooroordelen binnen hun strafrechtelijke stelsels, onderwijssystemen en sociale diensten geen rol spelen, en roept de lidstaten op proactieve maatregelen te nemen om gelijke rechtspleging te waarborgen en de betrekkingen tussen rechtshandhavingsinstanties en minderheden te verbeteren, om gelijke toegang tot onderwijs te waarborgen en de betrekkingen tussen onderwijsinstanties en minderheden te verbeteren, en om gelijke toegang tot sociale dienstverlening te waarborgen en de betrekkingen tussen instanties voor sociale dienstverlening en minderheden te verbeteren, met name zwarte gemeenschappen en mensen van Afrikaanse afkomst;

20.

dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat volwassenen en kinderen van Afrikaanse afkomst gelijke toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardige zorg en scholing, zonder discriminatie en segregatie, en waar nodig te voorzien in passende maatregelen op het gebied van leerondersteuning; spoort de lidstaten aan om de geschiedenis van mensen van Afrikaanse afkomst op te nemen in de onderwijscurricula, een volledig beeld te geven van het kolonialisme en de slavernij en daarbij te erkennen dat deze praktijken, zowel in het verleden als in het heden, hun weerslag hebben gehad op mensen van Afrikaanse afkomst, en ervoor te zorgen dat leerkrachten naar behoren zijn opgeleid om dit deel van de geschiedenis te onderwijzen en om te gaan met diversiteit in de klas;

21.

roept de EU-instellingen en de lidstaten op werkgelegenheid, ondernemerschap en initiatieven ter versterking van de economische positie van mensen van Afrikaanse afkomst te stimuleren en te steunen, om de bovengemiddelde werkloosheidspercentages en de discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst aan te pakken;

22.

dringt er bij de lidstaten op aan om discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst op de woningmarkt tegen te gaan en concrete maatregelen nemen om de ongelijke toegang tot huisvesting aan te pakken, en passende huisvesting te waarborgen;

23.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat migranten, vluchtelingen en asielzoekers de EU via veilige en reguliere wegen kunnen binnenkomen, daarbij rekening houdend met de bestaande wetgeving en praktijken;

24.

verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om er op doeltreffende wijze voor te zorgen dat niet wordt samengewerkt met organisaties of groeperingen die zich bezighouden met of anderszins te maken hebben met slavernij, smokkel, foltering en uitbuiting van Afrikaanse migranten of andere migranten met een donkere huidskleur, en dat dergelijke organisaties of groeperingen geen Europese middelen of steun ontvangen;

25.

roept de Europese instellingen op een strategie inzake diversiteit en inclusie op de werkvloer vast te stellen, die, ter aanvulling van bestaande inspanningen, voorziet in een strategisch plan voor de vertegenwoordiging van etnische en raciale minderheden in hun personeelsbestand;

26.

verzoekt de Europese partijen en politieke stichtingen, alsook de parlementen op alle niveaus in de EU, initiatieven ter bevordering van de politieke participatie van mensen van Afrikaanse afkomst te steunen en te ontplooien;

27.

vraagt de Commissie om bij de bestrijding van afrofobie op internationaal niveau nauw samen te werken met internationale actoren zoals de OVSE, de VN, de Afrikaanse Unie en de Raad van Europa, alsmede andere internationale partners;

28.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(2)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(3)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(4)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(5)  “Being Black in Europe”, november 2018, verslag over geselecteerde resultaten van EU-MIDIS II.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0056.

(7)  https://search.coe.int/cm/Pages/result_details.aspx?ObjectID=09000016805e297e

(8)  Zie het schaduwverslag 2014-2015 van het Europese Netwerk Tegen Racisme over afrofobie in Europa: http://www.enar-eu.org/IMG/pdf/shadowreport_afrophobia_final_with_corrections.pdf

(9)  Zie de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II) (2017): http://fra.europa.eu/en/publication/2017/eumidis-ii-main-results

(10)  Ibidem.

(11)  Zie het meest recente, in 2016 gepubliceerde jaarverslag: http://hatecrime.osce.org/2016-data

(12)  FRA-advies 11.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/8


P8_TA(2019)0240

Verslag over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (2018/2121(INI))

(2021/C 108/02)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de artikelen 107, 108, 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien zijn besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3) (1),

gezien de resolutie van de commissie TAXE van 25 november 2015 (2) en de resolutie van de commissie TAX2 van 6 juli 2016 (3) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie (4),

gezien de resultaten van de Enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, die op 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie werden voorgelegd (5),

gezien de follow-up van de Commissie van elk van de bovengenoemde resoluties (6),

gezien de talrijke onthullingen door onderzoeksjournalisten, zoals LuxLeaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en, recenter, de cum-ex-schandalen, evenals de witwaszaken waar in het bijzonder banken in Denemarken, Estland, Duitsland, Letland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij betrokken zijn,

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader (7),

gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová (8),

gezien de studies die zijn opgesteld door de onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) getiteld “Citizenship by investment (CBI) and residency by investment (RBI) schemes in the EU: state of play, issues and impacts”, “Money laundering and tax evasion risks in free ports and customs warehouses” en “An overview of shell companies in the European Union” (9),

gezien de studies getiteld “VAT fraud: economic impact, challenges and policy issues” (10), “Cryptocurrencies and blockchain — Legal context and implications for financial crime, money laundering and tax evasion” en “Impact of Digitalisation on International Tax Matters” (11),

gezien de studies van de Commissie naar indicatoren voor agressieve belastingplanning (12),

gezien het door de commissie TAX3 verkregen bewijs in 34 hoorzittingen met experts en uitwisselingen van standpunten met commissarissen en ministers en tijdens dienstreizen naar Washington, Riga, het eiland Man, Estland en Denemarken,

gezien het gemoderniseerde en robuustere kader voor de vennootschapsbelasting dat tijdens deze zittingsperiode is ingevoerd, met name de richtlijnen bestrijding belastingontwijking (ATAD I (13) en ATAD II (14)) en de evaluaties van de richtlijn administratieve samenwerking (15),

gezien de voorstellen van de Commissie, in afwachting van goedkeuring, in het bijzonder die voor gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (C(C)CTB) (16), het digitale belastingpakket (17) en openbare rapportage per land (18), alsmede het standpunt van het Parlement over deze stukken,

gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een Groep gedragscode inzake belastingregelingen voor ondernemingen en gezien de regelmatige verslagen van deze groep aan de Raad Ecofin,

gezien de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden die de Raad op 5 december 2017 heeft aangenomen en heeft gewijzigd op basis van de voortdurende monitoring van toezeggingen van derde landen,

gezien de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 over de nieuwe eisen tegen belastingontwijking in de EU-wetgeving betreffende met name financiering en investeringen (C(2018)1756),

gezien de modernisering van het btw-kader, met name de definitieve btw-regeling,

gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over wegen naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude (19),

gezien het onlangs goedgekeurde nieuwe EU-kader voor de bestrijding van witwaspraktijken, in het bijzonder na de goedkeuring van de vierde (20) en vijfde (21) herziening van de antiwitwasrichtlijn,

gezien de door de Commissie tegen 28 lidstaten ingestelde inbreukprocedures wegens het niet naar behoren omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving,

gezien het actieplan van de Commissie van 2 februari 2016 ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering (COM(2016)0050) (22),

gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 over de versterking van het Uniekader voor prudentieel en antiwitwastoezicht voor financiële instellingen (COM(2018)0645),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over de dringende noodzaak om een zwarte lijst van derde landen op te stellen in het kader van de antiwitwasrichtlijn (23),

gezien het platform voor de financiële-inlichtingeneenheden van de EU (EU-FIE's) op 15 december 2016 een inventarisatie en analyse van de hiaten heeft gemaakt van de bevoegdheden van de Europese FIE's en hun belemmeringen bij het verkrijgen en uitwisselen van informatie, en gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 juni 2017 over de verbetering van de samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden van de EU (SWD(2017)0275),

gezien de aanbeveling van de Europese Bankautoriteit (EBA) en de Commissie van 11 juli 2018 aan de Maltese Financial Intelligence Analysis (FIAU) over de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan de richtlijn inzake de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme te voldoen,

gezien de brief d.d. 7 december 2018 van de voorzitter van het TAX3-comité aan de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU, zijne excellentie Daniel Azzopardi, waarin wordt verzocht om uitleg over het bedrijf “17 Black”,

gezien de onderzoeken inzake staatssteun en besluiten van de Commissie (24),

gezien het voorstel voor een ri–chtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2018 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218),

gezien het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk,

gezien de resultaten van verschillende G7-, G8-, en G20-topontmoetingen over internationale belastingaangelegenheden,

gezien de resolutie over het actieprogramma van Addis Abeba die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 juli 2015 heeft goedgekeurd,

gezien het verslag van de groep op hoog niveau over illegale geldstromen uit Afrika dat tijdens de conferentie van de Commissie van de Afrikaanse Unie (AUC)/Economische Commissie voor Afrika (ECA) is opgesteld op gezamenlijk verzoek van de Afrikaanse ministers van Financiën, Planning en Economische Ontwikkeling,

gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024), waarin de Commissie de EU ook oproept “het goede voorbeeld te geven”,

gezien zijn resoluties van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden (25) en die van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU (26),

gezien de verplichting die in artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is opgenomen, om het recht op het privéleven te allen tijde te eerbiedigen,

gezien het verslag van de Commissie van 23 januari 2019 inzake burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie (COM(2019)0012),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 januari 2019 getiteld “Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU” (COM(2019)0008),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017, getiteld “EU-ontwikkelingspartnerschappen en de uitdaging van internationale belastingverdragen”,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (A8-0170/2019),

1.    Algemene inleiding: voorbereiding

1.1.    Wijzigingen

1.

stelt dat de bestaande belastingregels dikwijls geen gelijke tred houden met de toenemende vaart van de economie; herinnert eraan dat huidige internationale en nationale belastingregels grotendeels zijn ontstaan in de vroege 20e eeuw; stelt dat de regels dringend en voortdurend moeten worden hervormd, zodat de internationale, EU-, en nationale belastingstelsels klaar zijn voor de nieuwe economische, sociale en technologische uitdagingen van de 21e eeuw; merkt op dat de huidige belastingstelsels en boekhoudmethoden niet zijn toegerust om gelijke tred te houden met deze ontwikkelingen en ervoor te zorgen dat alle marktdeelnemers hun eerlijke aandeel aan belastingen betalen;

2.

benadrukt dat het Europees Parlement een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de bestrijding van financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking, zoals onder meer aan het licht is gebracht met de LuxLeaks, Panama Papers, Paradise Papers, Football Leaks, Bahamas Leaks en het cum-ex-schandaal, met name door het werk van de Bijzondere Commissies TAXE, TAX2 (27) en TAX3, de onderzoekscommissie van PANA en de Commissie economische en monetaire zaken (ECON);

3.

is verheugd dat de Commissie tijdens haar huidige zittingsperiode 26 wetgevingsvoorstellen heeft ingediend om een aantal van de mazen te dichten, de strijd tegen financiële misdrijven en agressieve fiscale planning te verhogen en de efficiëntie van de belastinginning en fiscale rechtvaardigheid te verbeteren; betreurt het gebrek aan vooruitgang in de Raad met betrekking tot de belangrijkste initiatieven tot hervorming van de vennootschapsbelasting, die nog niet zijn afgerond als gevolg van het gebrek aan echte politieke wil; roept op tot een snelle goedkeuring van EU-initiatieven die nog niet zijn afgerond en tot een zorgvuldige controle op de uitvoering om de efficiëntie en een goede handhaving te waarborgen, teneinde gelijke tred te houden met de beweeglijkheid van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning;

4.

herinnert eraan dat een belastingrechtsgebied alleen zeggenschap heeft over belastingaangelegenheden die verband houden met zijn grondgebied, terwijl economische stromen en sommige belastingbetalers, zoals multinationale ondernemingen en zeer vermogende particulieren, mondiaal opereren;

5.

benadrukt dat het definiëren van belastinggrondslagen vereist dat men een volledig beeld heeft van de situatie van een belastingplichtige, met inbegrip van de componenten die buiten het belastingrechtsgebied vallen, en dat wordt bepaald welke component verwijst naar welk rechtsgebied; merkt op dat het eveneens noodzakelijk is dat dergelijke belastinggrondslagen worden toegewezen aan belastingrechtsgebieden om dubbele belasting en dubbele niet-belasting te voorkomen; bevestigt dat voorrang moet worden gegeven aan het uitsluiten van dubbele niet-belastingheffing en dat ervoor moet worden gezorgd dat de kwestie van dubbele belasting wordt aangepakt;

6.

is van mening dat alle EU-instellingen, alsook de lidstaten zich moeten inspannen om de burgers uit te leggen wat zij op het gebied van belastingen doen en welke maatregelen zij nemen om bestaande problemen en hiaten te verhelpen; is van mening dat de EU een brede strategie moet vaststellen, waarbij de EU de lidstaten met relevant beleid steunt om van hun huidige schadelijke belastingstelsels over te gaan naar een belastingstelsel dat verenigbaar is met het rechtskader van de EU en de geest van de EU-verdragen;

7.

merkt op dat de economische stromen (28) en mogelijkheden om de fiscale woonplaats te wijzigen aanzienlijk zijn toegenomen; waarschuwt dat sommige nieuwe verschijnselen (29) inherent ondoorzichtig zijn of ondoorzichtigheid vergemakkelijken, waardoor ruimte ontstaat voor belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld;

8.

betreurt het feit dat sommige EU-lidstaten de belastinggrondslag van andere lidstaten confisqueren door elders gegenereerde winsten aan te trekken, waardoor ondernemingen hun belastinggrondslag kunstmatig kunnen verlagen; wijst erop dat deze praktijk niet alleen schadelijk is voor het beginsel van EU-solidariteit, maar ook leidt tot een herverdeling van rijkdom richting multinationals en hun aandeelhouders ten koste van EU-burgers; ondersteunt het belangrijke werk van academici en journalisten die helpen om deze praktijken aan het licht te brengen;

1.2.    Het doel van belastingheffing en het effect van belastingfraude, belastingontduiking, schadelijke belastingpraktijken en witwaspraktijken op Europese samenlevingen

9.

is van mening dat eerlijke belastingheffing en de vastberaden bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken van cruciaal belang zijn voor het vormgeven van een eerlijke maatschappij en een sterke economie, alsook voor de bescherming van het sociaal contract en de rechtsstaat; merkt op dat een eerlijk en efficiënt belastingstelsel van groot belang is om ongelijkheid aan te pakken, niet alleen door middel van overheidsinvesteringen om sociale mobiliteit te ondersteunen, maar ook door inkomensongelijkheid te verminderen; wijst erop dat belastingbeleid van grote invloed kan zijn op werkgelegenheidsbesluiten, investeringsniveaus en de bereidheid van bedrijven om uit te breiden;

10.

benadrukt dat bovenal prioriteit moet worden verleend aan het verkleinen van de belastingkloof die het resultaat is van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken en de gevolgen hiervan voor de nationale en EU-begrotingen, teneinde een gelijk speelveld en fiscale rechtvaardigheid voor alle belastingbetalers te waarborgen en het vertrouwen in de democratische beleidsvorming te versterken, door ervoor te zorgen dat fraudeurs geen concurrentievoordeel hebben ten opzichte van eerlijke belastingbetalers;

11.

benadrukt dat gemeenschappelijke inspanningen op EU- en nationaal niveau van cruciaal belang zijn om de EU- en nationale begrotingen te beschermen tegen verliezen als gevolg van niet-betaalde belastingen; wijst erop dat landen slechts met volledig en doeltreffend geïnde belastinginkomsten kunnen zorgen voor, onder meer, kwaliteitsvolle publieke diensten, met inbegrip van betaalbaar onderwijs, gezondheid en huisvesting, veiligheid, criminaliteitsbestrijding en noodhulp, sociale zekerheid en zorg, handhaving van beroeps- en milieunormen, de strijd tegen klimaatverandering, bevordering van gendergelijkheid, openbaar vervoer, en essentiële infrastructuur, teneinde sociaal evenwichtige ontwikkeling te bevorderen en, indien nodig, te herstellen met het oog op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

12.

is van mening dat recente ontwikkelingen op het gebied van belastingheffing en belastinginning, waarbij het belastingeffect is verschoven van rijkdom naar inkomen, van kapitaalinkomsten naar inkomsten uit arbeid en consumptie, van multinationals naar kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), en van de financiële sector naar de reële economie, een disproportioneel effect hebben gehad op vrouwen en mensen met een laag inkomen, die doorgaans sterker afhankelijk zijn van inkomsten uit arbeid en een groter deel van hun inkomen aan consumptie besteden (30); wijst erop dat de percentages van belastingontduiking hoger zijn onder de allerrijksten (31); dringt er bij de Commissie op aan om in haar wetgevingsvoorstellen op het gebied van belastingheffing en de bestrijding van witwaspraktijken rekening te houden met het effect op sociale ontwikkeling, inclusief gendergelijkheid en andere eerdergenoemde beleidsterreinen;

1.3.    Risico's en voordelen van contante transacties

13.

benadrukt dat contante transacties nog steeds een zeer hoog risico geven op witwaspraktijken en belastingontduiking, inclusief btw-fraude, ondanks de voordelen ervan, zoals toegankelijkheid en snelheid; stelt vast dat een aantal lidstaten al beperkingen op contante betalingen heeft ingesteld; wijst er eveneens op dat terwijl regels inzake de controle van liquide middelen aan de buitengrenzen van de EU zijn geharmoniseerd, de regels inzake de bewegingen van contanten binnen de EU-grenzen van lidstaat tot lidstaat variëren;

14.

merkt op dat fragmentatie en de verschillende aard van deze maatregelen de goede werking van de interne markt mogelijk kunnen verstoren; dringt er daarom bij de Commissie op aan met een voorstel te komen over Europese beperkingen op contante betalingen, zonder contant geld af te schaffen als betaalmiddel; wijst er voorts op dat eurobiljetten met een hoge nominale waarde een groter risico op witwaspraktijken met zich meebrengen; is ingenomen met de aankondiging van de Europese Centrale Bank (ECB) in 2016 aankondigde dat ze geen nieuwe biljetten van 500 EUR meer zou uitgeven (hoewel de bestaande voorraad een wettig betaalmiddel blijft); dringt er bij de ECB op aan een tijdschema op te stellen om de mogelijkheid om met biljetten van 500 euro te betalen geleidelijk af te schaffen;

1.4.    Kwantitatieve evaluatie

15.

benadrukt dat belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning resulteren in verloren middelen voor nationale en Europese begrotingen (32); erkent dat de kwantificering van deze verliezen niet eenvoudig is; merkt echter op dat verhoogde transparantievereisten niet alleen betere gegevens zouden opleveren, maar ook zouden bijdragen aan het verminderen van de ondoorzichtigheid;

16.

wijst erop dat in diverse beoordelingen is geprobeerd om de grootte van de verliezen als gevolg van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te kwantificeren; herinnert eraan dat geen van deze verslagen op zichzelf een voldoende volledig beeld geeft als gevolg van de aard van de gegevens of het ontbreken daarvan; wijst erop dat sommige van de recente beoordelingen elkaar aanvullen, op basis van verschillende, maar aanvullende methodologieën;

17.

merkt op dat de Commissie een raming maakt van de btw-belastingkloof in de EU, maar dat momenteel slechts vijftien lidstaten hun eigen nationale ramingen opstellen; roept elke lidstaat op om onder begeleiding van de Commissie een alomvattende raming van de belastingkloof op te stellen die niet beperkt is tot de btw en een beoordeling van de kosten van alle belastingfaciliteiten omvat;

18.

betreurt eens te meer “het ontbreken van betrouwbare en objectieve statistieken over de omvang van belastingontwijking en belastingontduiking” en benadrukt dat “het van belang is adequate en transparante methoden te ontwikkelen om de omvang van deze verschijnselen te beoordelen, evenals het effect ervan op de overheidsfinanciën, de economische activiteiten en de overheidsinvesteringen van landen” (33); wijst op het belang van politiek en financieel onafhankelijke bureaus voor de statistiek met het oog op het waarborgen van de betrouwbaarheid van de statistische gegevens; dringt erop aan om technische bijstand van Eurostat te vragen voor de verzameling van uitgebreide en nauwkeurige statistieken, zodat ze in een vergelijkbaar en eenvoudig te coördineren digitaal formaat worden verstrekt;

19.

herinnert in het bijzonder aan de in 2015 opgestelde empirische beoordeling van de omvang van de jaarlijkse inkomstenderving als gevolg van agressieve belastingplanning door vennootschappen in de EU; merkt op dat de beoordeling varieert van 50 miljard tot 70 miljard EUR (bedrag dat verloren gaat aan winstverschuiving alleen, en neerkomt op minstens 17 % van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting in 2013 en 0,4 % van het bbp) tot 160-190 miljard EUR (verhoogd met de geïndividualiseerde belastingregelingen van de grootste multinationale ondernemingen en ondoelmatige inning);

20.

verzoekt de Raad en de lidstaten prioriteit te geven aan projecten, met name met steun van het Fiscalis-programma, die erop gericht zijn de omvang van de belastingontwijking te beoordelen om de huidige belastingkloof beter aan te pakken; benadrukt dat het Europees Parlement een verhoging van het Fiscalis-programma heeft goedgekeurd (34); verzoekt de lidstaten om, onder coördinatie van de Commissie, een schatting te maken van hun belastingverschillen en de resultaten jaarlijks te publiceren;

21.

merkt op dat in het werkdocument van het IMF (35) de wereldwijde verliezen als gevolg van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) en in verband met belastingparadijzen op ongeveer 600 miljard USD per jaar wordt geschat; merkt op dat de ramingen van het IMF voor de lange termijn 400 miljard dollar bedragen voor de OESO-landen (1 % van hun BBP) en 200 miljard USD voor de ontwikkelingslanden (1,3 % van hun bbp);

22.

is ingenomen met de recente ramingen van de niet-waargenomen economie (“non-observed economy”, NOE), vaak de schaduweconomie genoemd, in het overzicht van belastingbeleid in de Europese Unie van 2017 (36), die een bredere indicatie van belastingontduiking verschaft; benadrukt dat de waarde van de NOE economische activiteiten meet die misschien niet worden vastgelegd in de elementaire gegevensbronnen die worden gebruikt voor het opstellen van nationale rekeningen;

23.

wijst erop dat elk jaar bijna 40 % van de winst van multinationals wordt verlegd naar belastingparadijzen wereldwijd, waarbij sommige landen van de Europese Unie de grootste verliezers van deze winstverschuiving lijken te zijn, omdat 35 % van de verschoven winsten afkomstig is uit EU-landen, gevolgd door ontwikkelingslanden (30 %) (37); wijst erop dat ongeveer 80 % van de winsten die vanuit diverse EU-lidstaten worden verschoven naar of via enkele andere EU-lidstaten wordt gesluisd; brengt in herinnering dat multinationals soms tot wel 30 % minder belasting betalen dan binnenlandse concurrenten, en dat agressieve belastingplanning de concurrentiepositie van binnenlandse bedrijven, en met name kmo's, ondermijnt;

24.

merkt op dat de recentste ramingen met betrekking tot belastingontduiking binnen de EU uitkomen op ongeveer 825 miljard EUR per jaar (38);

25.

wijst erop dat de door de Commissie TAX3 gehoorde multinationals hun eigen ramingen van effectieve belastingtarieven opstellen (39); wijst erop dat deze ramingen door sommige deskundigen in twijfel worden getrokken;

26.

roept op tot het verzamelen van statistieken over grote transacties in vrijhavens, douane-entrepots en speciale economische zones, evenals openbaarmakingen door tussenpersonen en klokkenluiders;

1.5.    Belastingfraude, belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning

27.

herinnert eraan dat in de strijd tegen belastingontduiking en -fraude illegale praktijken worden aangepakt, terwijl de strijd tegen belastingontwijking zich richt op situaties waarin a priori mazen in de wetgeving worden benut binnen de grenzen van de wet — tenzij ze door de belastingdienst of uiteindelijk de rechterlijke instanties als onwettig worden beschouwd — maar die indruisen tegen de geest ervan; dringt daarom aan op een vereenvoudiging van het belastingkader;

28.

herinnert eraan dat een verbeterd stelsel voor de belastingheffing in de EU-landen waarschijnlijk minder misdrijven met zich mee zal brengen in verband met belastingontduiking en het daaruit voortvloeiende witwassen van geld;

29.

herinnert eraan dat agressieve belastingplanning wordt getypeerd als een opzet van het belastingstelsel dat gericht is op het verminderen van de belastingverplichting door gebruik te maken van de technische aspecten van een belastingstelsel of van arbitrage tussen twee of meer nationale belastingstelsels die indruisen tegen de geest van de wet;

30.

is verheugd over het antwoord van de Commissie op zijn oproepen in de resoluties TAXE, TAX2 en PANA om agressieve belastingplanning en schadelijke belastingpraktijken beter in kaart te brengen;

31.

verzoekt de Commissie en de Raad een alomvattende en nauwkeurige definitie van indicatoren voor agressieve belastingplanning voor te stellen en vast te stellen, voortbouwend op zowel de kenmerken die in de vijfde herziening van de richtlijn inzake administratieve samenwerking zijn vastgesteld (DAC6) (40) als de relevante studies en aanbevelingen van de Commissie (41); benadrukt dat deze duidelijke indicatoren in voorkomend geval mogen worden gebaseerd op normen die op internationaal niveau zijn vastgesteld; roept de lidstaten op om deze indicatoren te gebruiken om een halt toe te roepen aan alle schadelijke belastingpraktijken die voortvloeien uit de bestaande mazen in de belastingwetgeving; roept de Commissie en de Raad op deze indicatoren regelmatig bij te werken als zich nieuwe regelingen of praktijken voor agressieve belastingplanning voordoen;

32.

benadrukt de gelijkenis tussen belastingplichtige bedrijven en vermogende particulieren bij het gebruik van bedrijfsstructuren en soortgelijke structuren zoals trusts en offshore-locaties voor agressieve belastingplanning; wijst op de rol van tussenpersonen (42) bij het opzetten van dergelijke regelingen op het gebied van agressieve belastingplanning; herinnert er in dit verband aan dat voor de vermogende particulieren het grootste deel van hun inkomen eerder in de vorm van vermogenswinsten komt dan in de vorm van inkomsten uit arbeid;

33.

is ingenomen met de beoordeling door de Commissie en de opname van indicatoren voor agressieve belastingplanning in haar landenverslagen van het Europees semester 2018; roept ertoe op dat een dergelijke beoordeling een vast onderdeel wordt om te zorgen voor een gelijk speelveld op de interne markt van de EU en voor meer stabiele overheidsinkomsten op de lange termijn; verzoekt de Commissie te zorgen voor een duidelijke follow-up om praktijken van agressieve belastingplanning een halt toe te roepen, indien gewenst in de vorm van formele aanbevelingen;

34.

herhaalt zijn oproep aan ondernemingen, als belastingbetalers, om hun fiscale verplichtingen volledig na te komen en af te zien van agressieve belastingplanning die tot grondslaguitholling en winstverschuiving leidt, en om een eerlijke belastingstrategie, evenals het niet-nastreven van schadelijke belastingpraktijken, te zien als een belangrijk onderdeel van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, met inachtneming van de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake zaken en mensenrechten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, teneinde het vertrouwen van belastingbetalers in belastingstelsels te waarborgen;

35.

dringt er bij de lidstaten die aan de procedure voor nauwere samenwerking deelnemen op aan, zo spoedig mogelijk overeenstemming te bereiken over een belasting op financiële transacties, en daarbij te onderkennen dat een mondiale oplossing de voorkeur zou verdienen;

2.    Vennootschapsbelasting

36.

herinnert eraan dat door de globalisering en digitalisering de mogelijkheden om op basis van het regelgevingskader een bedrijfs- of verblijfslocatie te kiezen, zijn toegenomen;

37.

herinnert eraan dat belasting betaald moet worden in de rechtsgebieden waar de feitelijke inhoudelijke en daadwerkelijke economische activiteiten worden ontplooid en de economische waarde wordt gecreëerd of, in geval van indirecte belastingen, waar de consumptie plaatsvindt; benadrukt dat dit kan worden gerealiseerd door de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in de EU goed te keuren en daarbij te zorgen voor een passende en eerlijke verdeling, met inachtneming van, onder meer alle materiële activa;

38.

merkt op dat de EU in ATAD I een exitheffing heeft ingevoerd, waardoor lidstaten de economische waarde van vermogenswinsten die op het grondgebied van die staat zijn gecreëerd, kunnen belasten, ook als deze winsten op het tijdstip van vertrek nog niet zijn gerealiseerd; is van mening dat het beginsel van belastingheffing op winsten die in de lidstaten worden gemaakt voordat ze de Unie verlaten, moet worden versterkt, bijvoorbeeld door middel van gecoördineerde bronbelasting op rente en royalty's om de bestaande hiaten te dichten en te voorkomen dat winsten de EU onbelast verlaten; verzoekt de Raad de onderhandelingen over het voorstel inzake interest en royalty's (43) te hervatten; wijst erop dat in belastingverdragen de bronbelasting vaak wordt verlaagd teneinde dubbele belastingheffing te voorkomen (44);

39.

bevestigt opnieuw dat de aanpassing van internationale belastingregels een antwoord moet zijn op de ontwijking die voortvloeit uit het mogelijke gebruik van de wisselwerking tussen nationale belastingbepalingen en netwerken van belastingverdragen, met als resultaat een uitholling van de belastinggrondslag en een dubbele niet-belastingheffing, terwijl er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat er geen sprake is van dubbele belasting;

2.1.    BEPS-actieplan en uitvoering ervan in de EU: ATAD

40.

erkent dat het door de G20/OESO geleide BEPS-project was bedoeld om de oorzaken en omstandigheden die tot BEPS-praktijken hebben geleid op gecoördineerde wijze aan te pakken door de samenhang van de belastingregels over de grenzen heen te verbeteren, de materiële eisen te versterken en de transparantie en zekerheid te vergroten; wijst er echter op dat de mate van bereidheid en inzet om samen te werken aan het BEPS-actieplan van de OESO verschilt tussen landen en per desbetreffende specifieke actie;

41.

merkt op dat het uit 15 punten bestaande BEPS-actieplan van de G20/OESO, bedoeld om op gecoördineerde wijze de oorzaken en omstandigheden aan te pakken waardoor BEPS-praktijken worden voortgebracht, wordt uitgevoerd en gecontroleerd en dat er via het Inclusief Kader verdere besprekingen plaatsvinden, in een bredere context dan alleen de oorspronkelijke deelnemende landen; roept de lidstaten daarom op om een hervorming van zowel het mandaat als de werking van het Inclusief Kader te ondersteunen om ervoor te zorgen dat de resterende mazen in de belastingwetgeving en onopgeloste belastingkwesties onder het huidige internationale kader vallen; is ingenomen met het initiatief van het Inclusief Kader om de discussie aan te gaan en tot een mondiale consensus te komen voor een betere verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen landen;;

42.

merkt op dat de acties moeten worden uitgevoerd; neemt kennis van de beleidsnota (45) van het Inclusieve Kader inzake BEPS, dat erop is gericht mogelijke oplossingen te formuleren voor de geïdentificeerde uitdagingen in verband met belasting van de digitale economie;

43.

wijst erop dat sommige landen onlangs eenzijdige tegenmaatregelen hebben genomen tegen schadelijke belastingpraktijken (zoals de Britse Diverted Profit Tax (belasting op omgeleide winst) en de bepalingen van de belastinghervorming in de VS: Global Immangible Low Taxed Income (GILTI)) om ervoor te zorgen dat de buitenlandse inkomsten van multinationals naar behoren worden belast tegen een minimaal effectief belastingtarief in het land van vestiging van de moederonderneming; dringt erop aan dat de EU deze maatregelen beoordeelt; merkt op dat de EU, in tegenstelling tot deze unilaterale maatregelen, in het algemeen multilaterale en consensuele oplossingen voor een billijke toewijzing van belastingrechten bevordert; benadrukt dat de EU bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan een mondiale oplossing als het gaat om belastingheffing op de digitale sector, maar desalniettemin een belasting op digitale diensten voorstelt, aangezien de mondiale discussies slechts traag vorderen;

44.

herinnert eraan dat het EU-“anti-belastingsontwijkingspakket” van 2016 een aanvulling vormt op de bestaande bepalingen om de 15 BEPS-acties op een gecoördineerde manier binnen de gehele interne markt van de EU ten uitvoer te leggen;

45.

is verheugd over de vaststelling door de EU van ATAD I en ATAD II; neemt er nota van dat zij voor eerlijkere belastingheffing zorgen doordat zij in de hele EU een minimumniveau van bescherming tegen ontwijking van vennootschapsbelasting bieden en tegelijkertijd zorgen voor een eerlijker en stabieler klimaat voor bedrijven, zowel vanuit het oogpunt van vraag als aanbod; is ingenomen met de bepalingen inzake hybride mismatches om dubbele niet-heffing te voorkomen, teneinde bestaande mismatches weg te nemen en geen nieuwe mismatches te creëren tussen lidstaten en met derde landen;

46.

is verheugd over de bepalingen inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc's) in ATAD I om ervoor te zorgen dat de winsten van verbonden ondernemingen die in landen met een lage of geen belastingheffing zijn geparkeerd, daadwerkelijk worden belast; erkent dat zij voorkomen dat de afwezigheid of diversiteit van nationale cfc-regels binnen de Unie de werking van de interne markt verstoort, naast de situaties van volstrekt kunstmatige constructies, zoals herhaaldelijk door het Parlement is gevraagd; betreurt het naast elkaar bestaan van twee benaderingen voor de uitvoering van cfc-regels in ATAD I en roept de lidstaten op om alleen de eenvoudigere en meest efficiënte cfc-regels uit te voeren, zoals in artikel 7, lid 2, onder a), van ATAD I;

47.

is ingenomen met de algemene antimisbruikregel voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting in ATAD I, waarmee lidstaten constructies die kunstmatig zijn buiten beschouwing kunnen laten, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden met als enige doel een belastingvoordeel te verkrijgen; herhaalt zijn oproep om een algemene en gemeenschappelijke stringente antimisbruikregel vast te stellen in de bestaande wetgeving en met name in de moeder-dochterrichtlijn, de fusierichtlijn en de rente- en royaltyrichtlijn;

48.

herhaalt zijn oproep om een heldere definitie van “vaste inrichting” en “aanmerkelijke economische aanwezigheid”, zodat ondernemingen de belastingplicht in een lidstaat waar zij economische activiteiten ontplooien niet kunnen omzeilen;

49.

dringt erop aan dat de werkzaamheden van het gezamenlijk EU-forum voor verrekenprijzen over de ontwikkeling van goede praktijken en het toezicht van de Commissie op de tenuitvoerlegging door de lidstaten worden afgerond;

50.

herinnert aan zijn bezorgdheid over het gebruik van verrekenprijzen bij agressieve belastingplanning en herinnert derhalve aan de noodzaak van adequate maatregelen en verbeteringen van het kader voor verrekenprijzen om deze kwestie aan te pakken; benadrukt dat zij de economische realiteit moeten weerspiegelen, zekerheid, duidelijkheid en eerlijkheid moeten bieden voor de lidstaten en voor bedrijven die binnen de Unie actief zijn, en het risico van misbruik van de regels voor winstverschuiving moeten verminderen, rekening houdend met de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten 2010 (46); wijst er evenwel op dat, zoals is benadrukt door deskundigen en in publicaties, de toepassing van het “onafhankelijke entiteiten-concept” of het “arm's length-beginsel” een van de belangrijkste factoren vormt die schadelijke belastingpraktijken mogelijk maakt (47);

51.

benadrukt dat de EU-acties die gericht zijn op het aanpakken van BEPS en agressieve belastingplanning, de belastingautoriteiten hebben uitgerust met een geactualiseerd instrumentarium om een eerlijke belastinginning te waarborgen, waarbij het concurrentievermogen van EU-bedrijven gehandhaafd blijft; benadrukt dat de belastingautoriteiten verantwoordelijk moeten zijn voor een doeltreffend gebruik van de instrumenten zonder de verantwoordelijke belastingplichtigen, met name kmo's, extra lasten op te leggen;

52.

erkent dat door de nieuwe informatiestroom naar de belastingautoriteiten na de goedkeuring van ATAD I en DAC4 er een behoefte is aan adequate middelen om ervoor te zorgen dat deze informatie zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt en de huidige belastingkloof effectief wordt verkleind; roept alle lidstaten op te waarborgen dat de door de autoriteiten gehanteerde instrumenten voldoende en adequaat zijn om deze informatie te gebruiken en om informatie uit verschillende bronnen en gegevensreeksen te combineren en na te trekken;

2.2.    Ondersteuning van EU-acties om agressieve belastingplanning te bestrijden en aanvulling van het BEPS-actieplan

2.2.1.    Onderzoek van belastingstelsels van de lidstaten en het algemene belastingklimaat — agressieve belastingplanning binnen de EU (Europees semester)

53.

is verheugd over het feit dat de belastingstelsels van de lidstaten en het algemene belastingklimaat deel zijn gaan uitmaken van het Europees semester, overeenkomstig de oproep van het Parlement in die zin (48); is ingenomen met de studies en gegevens van de Commissie (49), die het mogelijk maken om situaties die economische indicatoren voor agressieve belastingplanning opleveren, beter aan te pakken, die een duidelijke indicatie geven van de blootstelling aan belastingplanning en die voor alle lidstaten een rijke gegevensbank over dit verschijnsel verschaffen; wijst erop dat de lidstaten, in de geest van loyale samenwerking, de totstandbrenging van agressieve belastingplanningsconstructies die niet verenigbaar zijn met het rechtskader van de EU en de geest van de EU-verdragen, niet mogen faciliteren;

54.

dringt erop aan dat deze nieuwe belastingindicatoren voor het Europees semester dezelfde status krijgen als de indicatoren met betrekking tot uitgavencontrole; onderstreept dat het gunstig is het Europees semester te voorzien van deze fiscale dimensie, aangezien het de mogelijkheid biedt bepaalde schadelijke belastingpraktijken aan te pakken die door de ATAD-richtlijn en andere bestaande Europese verordeningen tot nu toe niet zijn aangepakt;

55.

is verheugd over het feit dat de DAC6 de kenmerken van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies vastlegt waarvan tussenpersonen verslag moeten uitbrengen aan de belastingautoriteiten, zodat ze door laatstgenoemden kunnen worden beoordeeld; is verheugd over het feit dat de kenmerken van dergelijke constructies kunnen worden geactualiseerd als zich nieuwe constructies of praktijken voordoen; wijst erop dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn nog niet is verstreken en dat de bepalingen moeten worden gecontroleerd om te zorgen dat zij efficiënt zijn;

56.

verzoekt de Groep gedragscode jaarlijks verslag uit te brengen aan de Raad en het Parlement over de belangrijkste in de lidstaten gerapporteerde constructies, zodat de beleidsmakers gelijke tred kunnen houden met de nieuwe belastingregelingen die worden uitgewerkt en de nodige tegenmaatregelen kunnen nemen die eventueel nodig kunnen zijn;

57.

roept zowel de EU-instellingen als de lidstaten op ervoor te zorgen dat overheidsopdrachten belastingontwijking door leveranciers niet vergemakkelijken; wijst erop dat de lidstaten moeten controleren of en ervoor zorgen dat ondernemingen of andere juridische entiteiten die bij aanbestedingen en aanbestedingscontracten betrokken zijn, niet deelnemen aan belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning; verzoekt de Commissie de bestaande aanbestedingspraktijken in het kader van de EU-aanbestedingsrichtlijn te verduidelijken en indien nodig een actualisering voor te stellen van de richtlijn die de toepassing van belastinggerelateerde overwegingen als criteria voor uitsluiting of zelfs als selectiecriteria bij overheidsopdrachten niet verbiedt;

58.

verzoekt de Commissie een voorstel te publiceren dat de lidstaten ertoe zou verplichten ervoor te zorgen dat marktdeelnemers die deelnemen aan openbare aanbestedingsprocedures voldoen aan een minimumniveau van transparantie met betrekking tot belastingen, met name openbare verslaglegging per land en transparante eigendomsstructuren;

59.

verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen tot intrekking van de octrooiboxen en verzoekt de lidstaten niet-schadelijke en, indien nodig, rechtstreekse steun voor O&O op hun grondgebied te bevorderen; benadrukt dat belastingvoordelen voor ondernemingen zorgvuldig moeten worden gecreëerd en alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een positief effect op de werkgelegenheid en groei duidelijk en het risico op het ontstaan van nieuwe mazen in het belastingstelsel wordt uitgesloten;

60.

herhaalt in de tussentijd zijn oproep om ervoor te zorgen dat de huidige octrooiboxen daadwerkelijk verband houden met economische activiteiten, zoals uitgaventests, en dat zij de concurrentie niet verstoren; wijst op de toenemende rol van immateriële activa in de waardeketen; is ingenomen met de verbeterde definitie van O&O-kosten in het voorstel voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB); herhaalt het standpunt van het Parlement inzake belastingvoordelen voor werkelijke O&O-uitgaven in plaats van belastingaftrek met betrekking tot O&O;

2.2.2.    Betere samenwerking op het gebied van belasting, inclusief de CCCTB

61.

benadrukt dat het belastingbeleid in de Europese Unie gericht moet zijn op zowel de bestrijding van belastingontwijking en agressieve belastingplanning, als op het faciliteren van grensoverschrijdende economische activiteiten door samenwerking tussen belastingautoriteiten en slimme fiscale beleidsvorming;

62.

onderstreept dat er tal van belastinggerelateerde obstakels zijn die grensoverschrijdende economische activiteiten belemmeren; wijst in dit verband op zijn resolutie van 25 oktober 2012 over de twintig belangrijkste zorgpunten van Europese burgers en ondernemingen ten aanzien van de werking van de interne markt (50), dringt er bij de Commissie op aan een actieplan goed te keuren waarin deze obstakels met voorrang worden aangepakt;

63.

is verheugd over de herlancering van het CCCTB-project, met de goedkeuring door de Commissie van onderling samenhangende voorstellen inzake de CCTB en de CCCTB; benadrukt dat de CCCTB, wanneer deze volledig ten uitvoer is gelegd, het mogelijk zal maken de hiaten tussen de nationale belastingstelsels, met name met betrekking tot verrekenprijzen, te dichten;

64.

verzoekt de Raad de twee voorstellen snel goed te keuren en gelijktijdig ten uitvoer te leggen, rekening houdend met het advies van het Parlement, dat reeds het concept van virtuele vaste inrichting en toewijzingsformules omvat, waardoor de resterende mazen in de wetgeving die belastingontwijking mogelijk maken, worden gedicht en het speelveld in het licht van de digitalisering wordt gelijkgetrokken; betreurt dat bepaalde lidstaten blijven weigeren om een oplossing te zoeken, en dringt er bij de lidstaten op aan hun meningsverschillen te overbruggen;

65.

herinnert eraan dat de toepassing van de C(C)CTB gepaard zou moeten gaan met de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke boekhoudregels en een passende harmonisering van administratieve praktijken;

66.

herinnert eraan dat de CCTB en CCCTB gelijktijdig in alle lidstaten moeten worden ingevoerd om de praktijk van winstverschuiving te beëindigen en het beginsel in te voeren dat er belasting wordt betaald wanneer er winst wordt gegenereerd; verzoekt de Commissie om, als de Raad zou nalaten een unaniem besluit te nemen over het voorstel tot oprichting van een CCCTB, een nieuw voorstel in te dienen op basis van artikel 116 van het VWEU, volgens hetwelk het Europees Parlement en de Raad de gewone wetgevingsprocedure volgen om de nodige wetgeving vast te stellen;

2.2.3.    Digitale belasting voor ondernemingen

67.

merkt op dat het fenomeen digitalisering een nieuwe marktsituatie heeft gecreëerd, waarbij digitale en gedigitaliseerde bedrijven kunnen profiteren van lokale markten zonder dat zij fysiek, en dus belastbaar, aanwezig zijn op die markt, waardoor een ongelijk speelveld ontstaat en traditionele bedrijven in een nadelige positie komen; merkt op dat digitale bedrijfsmodellen in de EU te maken hebben met een lagere gemiddelde effectieve belastingdruk dan traditionele bedrijfsmodellen (51);

68.

wijst in dit verband op de geleidelijke verschuiving van materiële productie naar immateriële activa in de waardeketens van multinationals, zoals wordt weerspiegeld in de relatieve groeipercentages van royalty's en inkomsten uit licentievergoedingen over de laatste vijf jaar (bijna 5 % per jaar), vergeleken met handel in goederen en directe buitenlandse investeringen (DBI) (minder dan 1 %per jaar) (52); betreurt dat digitale bedrijven in sommige lidstaten bijna geen belasting betalen, ondanks hun aanzienlijke digitale aanwezigheid en grote inkomsten in die lidstaten;

69.

is van mening dat de EU een aantrekkelijk ondernemersklimaat mogelijk moet maken om te zorgen voor een goed werkende digitale eengemaakte markt, en daarbij te zorgen voor een eerlijke belasting van de digitale economie; herinnert eraan dat als het gaat om de digitalisering van de hele economie er bij de locatie van de waardecreatie rekening moet worden gehouden met de input van gebruikers alsook met informatie die is verzameld over online-consumentengedrag;

70.

onderstreept dat het ontbreken van een gemeenschappelijke Uniestrategie voor het aanpakken van de belasting van de digitale economie ertoe zal leiden — en er reeds toe heeft geleid — dat de lidstaten unilaterale oplossingen zullen kiezen die zullen leiden tot regelgevingsarbitrage, tot versplintering van de interne markt, en tot een last voor bedrijven die grensoverschrijdend opereren, alsook voor belastingautoriteiten;

71.

wijst op de leidende rol van de Commissie en enkele lidstaten in het mondiale debat over de belasting op de gedigitaliseerde economie; spoort de lidstaten aan hun proactieve werkzaamheden op OESO- en VN-niveau voort te zetten, met name via de door het Inclusieve Kader inzake BEPS in zijn beleidsnota voorgestelde procedure (53); herinnert er echter aan dat de EU niet op een wereldwijde oplossing mag wachten maar onmiddellijk moet optreden;

72.

is verheugd over het door de Commissie op 21 maart 2018 goedgekeurde digitale belastingpakket; noemt het evenwel betreurenswaardig dat Denemarken, Finland, Ierland en Zweden hun voorbehoud of fundamentele oppositie ten aanzien van het pakket “belasting op digitale diensten” tijdens de ECOFIN-vergadering van 12 maart 2019 hebben gehandhaafd (54);

73.

benadrukt dat het akkoord over wat een digitale vaste inrichting inhoudt — het enige tot op heden bereikte akkoord — een stap in de goede richting is, doch geen oplossing vormt voor de toewijzing van belastinggrondslagen;

74.

dringt er bij de lidstaten op aan de invoering van een digitale belasting te overwegen binnen het kader van nauwere samenwerking, ter voorkoming van de verdere fragmentatie van de eengemaakte markt, waarvan reeds sprake is in afzonderlijke lidstaten die overwegen nationale maatregelen in te voeren;

75.

begrijpt dat de zogenaamde tijdelijke oplossing niet optimaal is; meent dat zij de zoektocht naar een betere oplossing op mondiaal niveau zal helpen versnellen, terwijl het speelveld op de lokale markten enigszins wordt gelijkgetrokken; roept de EU-lidstaten op om de langetermijnoplossing voor de belasting van de digitale economie (inzake de aanmerkelijke digitale aanwezigheid) zo snel mogelijk te bespreken, goed te keuren en ten uitvoer te leggen, zodat de EU op mondiaal niveau toonaangevend kan blijven; benadrukt dat de door de Commissie voorgestelde langetermijnoplossing als basis moet dienen voor verdere werkzaamheden op internationaal niveau;

76.

wijst erop dat EU-burgers warm voorstander van een belasting op digitale diensten zijn; herinnert eraan dat uit enquêtes is gebleken dat 80 % van de burgers uit Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Nederland, Zweden en Denemarken een digitaledienstenbelasting en vindt dat de EU vooruit moet lopen op internationale inspanningen; onderstreept bovendien dat een meerderheid van de ondervraagde burgers een breed toepassingsgebied voor een digitaledienstenbelasting wenst (55);

77.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de digitaledienstenbelasting een tijdelijke maatregel blijft door een “vervalclausule” op te nemen in het voorstel voor een richtlijn van de Raad van 21 maart 2018 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting voor inkomsten die voortvloeien uit het aanbieden van bepaalde digitale diensten (56) (COM(2018)0148), en door de discussie over een Aanmerkelijke Digitale Aanwezigheid te versnellen;

2.2.4.    Effectieve belastingheffing

78.

merkt op dat de nominale tarieven van de vennootschapsbelasting op EU-niveau zijn gedaald, van gemiddeld 32 % in 2000 tot 21,9 % in 2018 (57), hetgeen neerkomt op een afname van 32 %; is bezorgd over de gevolgen van deze concurrentie voor de duurzaamheid van belastingstelsels en de mogelijke overloopeffecten op andere landen; merkt op dat het eerste het eerste door de G20/OESO geleide BEPS-project dit fenomeen ongemoeid laat; is ingenomen met de aankondiging van het Inclusieve Kader inzake BEPS (58) dat het voor 2020 op een onbevooroordeelde manier zal gaan kijken naar belastingbevoegdheden die de mogelijkheid van rechtsgebieden zouden vergroten om winsten te belasten wanneer het andere rechtsgebied met belastingbevoegdheden een laag effectief belastingtarief op deze winsten toepast, hetgeen zou neerkomen op een minimale effectieve belasting; wijst erop dat, zoals vermeld in het Inclusieve Kader inzake BEPS, het huidige door de OESE geleide werkzaamheden niets veranderen aan het feit dat landen of rechtsgebieden de vrijheid hebben om hun eigen belastingtarieven vast te stellen of zelfs helemaal geen vennootschapsbelasting te heffen (59);

79.

is ingenomen met de nieuwe wereldwijde standaard van de OESO over de toepassing van de factor substantiële activiteiten op rechtsgebieden zonder belastingen of met slechts nominale belastingen (60), die grotendeels is geïnspireerd door de werkzaamheden van de EU tijdens het proces voor het opstellen van de EU-lijst (Eerlijk criterium 2.2 van de EU-lijst);

80.

wijst op de discrepanties tussen de ramingen van effectieve belastingtarieven door grote bedrijven — vaak gebaseerd op belastingregels (61) — en de belasting die daadwerkelijk door grote multinationals wordt betaald; merkt op dat de traditionele sectoren gemiddeld een effectief vennootschapsbelastingtarief van 23 % betalen, terwijl de digitale sector ongeveer 9,5 % betaalt (62);

81.

wijst op de uiteenlopende methodologieën om effectieve belastingtarieven te beoordelen, hetgeen het onmogelijk maakt om effectieve belastingtarieven binnen de EU en wereldwijd op een betrouwbare manier te vergelijken; wijst erop dat sommige schattingen van effectieve belastingtarieven in de EU variëren van 2,2 % tot 30 % (63); dringt er bij de Commissie op aan haar eigen methodologie te ontwikkelen en de effectieve belastingtarieven in de lidstaten geregeld openbaar te maken;

82.

dringt er bij de Commissie op aan het fenomeen van afnemende nominale belastingtarieven en de gevolgen ervan voor de effectieve belastingtarieven in de EU te beoordelen, en oplossingen voor te stellen, zowel binnen de EU als, in voorkomend geval, richting derde landen, met inbegrip van krachtige antimisbruikregels, defensieve maatregelen, zoals regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, en een aanbeveling om belastingverdragen te wijzigen;

83.

is van mening dat de wereldwijde coördinatie met betrekking tot de belastinggrondslag die voortvloeit uit het BEPS-project van de OESO vergezeld moet gaan van een betere coördinatie op het gebied van belastingtarieven met het oog op grotere efficiëntie;

84.

verzoekt de lidstaten het mandaat van de Groep gedragscode te actualiseren om hierin ook het onderzoeken van het concept van minimale effectieve belasting van bedrijfswinsten op te nemen, teneinde zo voort te bouwen op de OESO-werkzaamheden “Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy”;

85.

neemt kennis van de verklaring van de Franse minister van Financiën tijdens de TAX3-vergadering van 23 oktober 2018 over de noodzaak om het concept van een minimumbelasting te bespreken; is verheugd over de bereidheid van Frankrijk om het debat over minimumbelasting op te nemen als een van de prioriteiten van het Franse voorzitterschap van de G7 in 2019, zoals tijdens de ECOFIN-vergadering van 12 maart 2019 werd herhaald;

2.3.    Administratieve samenwerking wat betreft directe belastingen

86.

benadrukt dat de richtlijn administratieve samenwerking (DAC) sinds juni 2014 vier keer is gewijzigd;

87.

roept de Commissie op om voorstellen te beoordelen en in te dienen om hiaten in de tweede richtlijn administratieve samenwerking te dichten, met name door harde activa en cryptovaluta op te nemen in het toepassingsgebied van de richtlijn, door straffen voor te schrijven voor niet-naleving of valse verslaglegging door financiële instellingen, alsook door meer types financiële instellingen en types rekeningen op te nemen waarover momenteel geen verslag wordt uitgebracht, zoals pensioenfondsen;

88.

herhaalt zijn verzoek om een ruimer toepassingsgebied met betrekking tot de uitwisseling van fiscale rulings en ruimere toegang voor de Commissie, en om meer harmonisatie van de praktijken inzake fiscale ruling van verschillende nationale belastingautoriteiten;

89.

verzoekt de Commissie haar eerste beoordeling van DAC3 in dit verband snel bekend te maken, met name wat betreft het aantal uitgewisselde rulings en het aantal keren dat de nationale belastingdiensten toegang hebben gehad tot informatie die in het bezit is van een andere lidstaat; dringt erop aan dat bij de beoordeling ook wordt gekeken naar de gevolgen van de bekendmaking van belangrijke informatie over fiscale rulings (het aantal rulings, de namen van de begunstigden, het effectieve belastingtarief dat uit elke ruling voortvloeit); roept de lidstaten op om binnenlandse fiscale rulings openbaar te maken;

90.

betreurt dat de voor belastingheffing verantwoordelijke commissaris niet onderkent dat het noodzakelijk is om het bestaande systeem voor de informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten uit te breiden;

91.

herhaalt voorts zijn verzoek om te zorgen voor gelijktijdige belastingcontroles van personen met gemeenschappelijke of complementaire belangen (met inbegrip van moederondernemingen en hun dochterondernemingen) en zijn verzoek om de fiscale samenwerking tussen de lidstaten verder te versterken door middel van een verplichting om op groepsverzoeken over belastingzaken in te gaan; herinnert eraan dat tegenover de belastingdiensten het zwijgrecht niet kan worden ingeroepen bij administratieve onderzoeken en dat medewerking verplicht is (64);

92.

is van mening dat gecoördineerde inspecties ter plaatse en gezamenlijke audits deel moeten uitmaken van het Europees kader voor samenwerking tussen belastingdiensten;

93.

benadrukt dat niet alleen de uitwisseling en verwerking van informatie, maar ook de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de belastingdiensten bijdraagt tot een efficiëntere belastinginning; roept de lidstaten op om prioriteit te geven aan de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de belastingdiensten, in het bijzonder wat betreft de digitalisering van belastingdiensten;

94.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de procedures voor een digitaal systeem voor het indienen van belastingaangiften te harmoniseren om grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken en bureaucratie te verminderen;

95.

verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van DAC4 snel te evalueren en na te gaan of de nationale belastingdiensten daadwerkelijk toegang hebben tot informatie per land die in het bezit is van een andere lidstaat; verzoekt de Commissie na te gaan hoe DAC4 zich verhoudt tot actie 13 van het BEPS-actieplan van de G20 voor de uitwisseling van informatie per land;

96.

is ingenomen met de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen op basis van de wereldwijde standaard die door de OESO is ontwikkeld met Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Zwitserland; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bepalingen van het Verdrag aan te passen aan de gewijzigde DAC;

97.

benadrukt voorts de bijdrage die wordt geleverd via het Fiscalis 2020-programma, dat tot doel heeft de samenwerking tussen deelnemende landen, hun belastingdiensten en hun ambtenaren te verbeteren; benadrukt de toegevoegde waarde van gezamenlijke acties op dit gebied en de rol van het mogelijke programma bij de ontwikkeling en exploitatie van belangrijke trans-Europese IT-systemen;

98.

herinnert de lidstaten aan al hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag (65), met name om loyaal, oprecht en prompt samen te werken; dringt er daarom in het licht van grensoverschrijdende gevallen, met name de zogenaamde cum-ex-dossiers, op aan dat de nationale belastingautoriteiten van alle lidstaten centrale contactpunten (SPOC: Single Point of Contact) aanwijzen, overeenkomstig het SPoC-systeem van de Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration (JITSIC) in het kader van de OESO (66), om de samenwerking bij de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te vergemakkelijken en te versterken; verzoekt de Commissie daarnaast om de samenwerking tussen de SPoC's van de lidstaten te vergemakkelijken en te coördineren;

99.

beveelt aan dat de autoriteiten van de lidstaten die door hun tegenhangers in andere lidstaten in kennis worden gesteld van mogelijke inbreuken op de wetgeving, verplicht zijn om tijdig een officiële kennisgeving van ontvangst en, in voorkomend geval, een inhoudelijk antwoord te geven op de maatregelen die naar aanleiding van de bovengenoemde kennisgeving zijn genomen;

2.4.    Dividendstripping en couponwassen

100.

constateert dat cum-ex-transacties een wereldwijd probleem vormen en ook in Europa al sinds de jaren negentig bekend zijn maar dat er geen gecoördineerde maatregelen tegen zijn genomen; betreurt de belastingfraude die aan het licht werden gebracht door het zogenaamde “cum-ex-dossiers”-schandaal, dat volgens sommige ramingen van de media tot openbaar gemaakte verliezen aan belastinginkomsten van de lidstaten heeft geleid, tot een bedrag van wel 55,2 miljard EUR; benadrukt dat het consortium van Europese journalisten Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië en Frankrijk als vermeende belangrijkste doelmarkten voor cum-ex-handelspraktijken aanwijst, gevolgd door België, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië;

101.

benadrukt dat de complexiteit van belastingstelsels kan leiden tot mazen in de wetgeving die constructies voor belastingfraude zoals cum-ex in de hand werken;

102.

merkt op dat de systematische fraude rond de cum-ex- en cum-cum-constructies gedeeltelijk mogelijk was omdat de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten de aanvragen om terugbetaling van belastingen niet voldoende hebben gecontroleerd en geen duidelijk en volledig beeld hebben van het feitelijke eigendom van aandelen; roept de lidstaten op om alle desbetreffende autoriteiten toegang te geven tot volledige en actuele informatie over de eigendom van aandelen; verzoekt de Commissie te beoordelen of EU-actie op dit gebied nodig is en een wetgevingsvoorstel in te dienen als uit de beoordeling blijkt dat er behoefte is aan een dergelijke actie;

103.

onderstreept dat de onthullingen lijken te wijzen op mogelijke tekortkomingen in nationale belastingwetgeving en in de huidige systemen voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten; dringt er bij de lidstaten op aan effectief gebruik te maken van alle communicatiekanalen, nationale gegevens en gegevens die beschikbaar worden gesteld door het versterkte kader voor informatie-uitwisseling;

104.

benadrukt dat de grensoverschrijdende aspecten van de cum-ex-dossiers multilateraal moeten worden behandeld; waarschuwt dat de invoering van nieuwe bilaterale verdragen inzake informatie-uitwisseling en bilaterale samenwerkingsmechanismen tussen afzonderlijke lidstaten het al ingewikkelde kluwen van internationale regels nog moeilijker af te wikkelen zou maken, nieuwe mazen zou introduceren en zou bijdragen aan een gebrek aan transparantie;

105.

dringt er bij alle lidstaten op aan de praktijken rond dividendbetalingen in hun rechtsgebied grondig te onderzoeken en te analyseren, de mazen in hun belastingwetgeving te identificeren die mogelijkheden creëren voor misbruik door belastingfraudeurs en belastingontwijkers, alle mogelijke grensoverschrijdende aspecten van deze praktijken te analyseren en een einde te maken aan al deze schadelijke belastingpraktijken; verzoekt lidstaten in dit opzicht beste praktijken uit te wisselen;

106.

verzoekt de lidstaten en hun financiële toezichthoudende autoriteiten de noodzaak te beoordelen om uitsluitend fiscaal gedreven financiële praktijken, zoals dividendarbitrage of dividendstripping en soortgelijke constructies, te verbieden, tenzij de emittent bewijst dat deze financiële praktijken een wezenlijk economisch doel hebben anders dan ongerechtvaardigde belastingteruggave en/of belastingontwijking; dringt er bij de EU-wetgevers op aan de mogelijkheid te overwegen om deze maatregel op EU-niveau toe te passen;

107.

dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk werk te maken van een voorstel voor een Europese financiële politiemacht binnen het kader van Europol met eigen opsporingscapaciteiten, alsook van een Europees kader voor grensoverschrijdend belastingonderzoek en onderzoek naar andere grensoverschrijdende financiële misdrijven;

108.

concludeert dat uit de cum-ex-dossiers blijkt dat het dringend noodzakelijk is de samenwerking tussen de belastingautoriteiten van EU-lidstaten te verbeteren, met name wat betreft het delen van informatie; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan hun samenwerking te verbeteren op het gebied van het opsporen, stoppen, onderzoeken en vervolgen van belastingfraude en constructies voor belastingontduiking, zoals cum-ex en, in voorkomend geval, cum-cum, met inbegrip van uitwisseling van beste praktijken, en op EU-niveau oplossingen te ondersteunen waar dit gerechtvaardigd is;

2.5.    Transparantie met betrekking tot vennootschapsbelasting

109.

is verheugd over de goedkeuring van DAC4 die voorziet in rapportage per land aan belastingautoriteiten, in overeenstemming met de norm van BEPS-actie 13;

110.

herinnert eraan dat openbare rapportage per land een van de belangrijkste maatregelen is om meer transparantie te realiseren inzake belastinginformatie van ondernemingen; benadrukt dat het voorstel voor openbare rapportage per land door bepaalde ondernemingen en bedrijfstakken aan de medewetgevers is voorgelegd net na het “Panama Papers”-schandaal van 12 april 2016 en dat het Parlement zijn standpunt hierover heeft vastgesteld (67); herinnert eraan dat het Parlement op 4 juli 2017 heeft opgeroepen om de reikwijdte van de verslaglegging uit te breiden en commercieel gevoelige informatie te beschermen, met inachtneming van de concurrentiepositie van EU-ondernemingen;

111.

herinnert aan het standpunt van het Parlement in de aanbevelingen van PANA waarin het oproept tot uitgebreide openbare verslaglegging per land om de fiscale transparantie en het publieke toezicht op multinationale ondernemingen te verbeteren; dringt er bij de Raad op aan een gemeenschappelijk akkoord te bereiken teneinde een openbare verslaglegging per land vast te stellen, een van de belangrijkste maatregelen om meer transparantie voor alle burgers te bereiken met betrekking tot de belastinginformatie van ondernemingen;

112.

betreurt het gebrek aan vooruitgang en samenwerking van de Raad sinds 2016; dringt erop aan dat in de Raad spoedig vooruitgang wordt geboekt, zodat deze de onderhandelingen met het Parlement kan beginnen;

113.

herinnert eraan dat openbaar toezicht van belang is voor onderzoekers (68), onderzoeksjournalisten, beleggers en andere belanghebbenden, en hen in staat stelt risico's, aansprakelijkheden en kansen te beoordelen, teneinde eerlijk ondernemerschap te bevorderen; herinnert eraan dat soortgelijke bepalingen reeds bestaan voor de banksector krachtens artikel 89 van Richtlijn 2013/36/EU (CDRIV) (69) en voor de winningsindustrie en de houtindustrie uit hoofde van Richtlijn 2013/34/EU (70); wijst erop dat sommige particuliere belanghebbenden vrijwillig nieuwe rapportage-instrumenten ontwikkelen om de transparantie op belastinggebied te vergroten, zoals de Global Reporting Initiative-norm “Openbaarmaking van belastingen en betalingen aan regeringen”, als onderdeel van hun beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

114.

herinnert eraan dat de maatregelen inzake transparantie van de vennootschapsbelasting geacht moeten worden verband te houden met artikel 50, lid 1, van het VWEU betreffende de vrijheid van vestiging, en benadrukt dat bovengenoemd artikel dan ook de passende rechtsbasis vormt voor het voorstel voor een openbare rapportage per land, zoals vastgesteld in de effectbeoordeling van de Commissie die is gepubliceerd op 12 april 2016 (COM(2016)0198);

115.

wijst erop dat, gezien de beperkte capaciteit van ontwikkelingslanden om te voldoen aan vereisten via de bestaande procedures voor informatie-uitwisseling, transparantie van groot belang is om de belastingdiensten van deze landen eenvoudiger toegang tot informatie te verschaffen;

2.6.    Regels inzake staatssteun

116.

herinnert eraan dat de directe belastingen op ondernemingen onder de werkingssfeer van de staatssteun vallen (71) wanneer fiscale maatregelen onderscheid maken tussen belastingbetalers, in tegenstelling tot fiscale maatregelen van algemene aard die zonder onderscheid van toepassing zijn op alle ondernemingen;

117.

verzoekt de Commissie, en met name het directoraat-generaal Concurrentie, na te gaan of er maatregelen kunnen worden genomen om de lidstaten ervan te weerhouden dergelijke staatssteun toe te kennen in de vorm van een belastingvoordeel;

118.

is verheugd over de nieuwe proactieve en open benadering van de Commissie met betrekking tot onderzoeken naar illegale staatssteun tijdens de huidige zittingsperiode, die heeft geleid tot een aantal zeer ingrijpende zaken die door de Commissie zijn afgerond;

119.

betreurt het dat ondernemingen overeenkomsten kunnen sluiten met overheden om in een bepaald land bijna geen belasting te hoeven betalen, ondanks het feit dat zij in dit land substantiële werkzaamheden uitvoeren; wijst in dit verband op een fiscale ruling tussen de Belastingdienst en Royal Dutch Shell plc, die in strijd lijkt te zijn met de Nederlandse belastingwetgeving op de enkele grond dat het hoofdkantoor na de fusie van de twee voormalige moederondernemingen in Nederland zou zijn gevestigd, hetgeen resulteert in een vrijstelling van Nederlandse bronbelasting op dividenden; wijst erop dat tegelijkertijd uit recente onderzoeken blijkt dat de onderneming ook geen winstbelasting in Nederland betaalt; roept de Commissie nogmaals op om onderzoek te doen naar dit geval van mogelijk illegale overheidssteun;

120.

is ingenomen met het feit dat de Commissie sinds 2014 de fiscale rulingpraktijken van de lidstaten onderzoekt naar aanleiding van beschuldigingen over gunstige fiscale behandeling van bepaalde ondernemingen, en sinds 2014 negen formele onderzoeken heeft gestart. In zes ervan werd de conclusie getrokken dat de fiscale ruling illegale staatssteun was (72); merkt op dat één ervan werd afgesloten met de conclusie dat de dubbele niet-belasting van bepaalde winst geen staatssteun vormde (73), terwijl de andere twee zijn nog niet afgerond (74);

121.

betreurt het dat de Commissie, bijna vijf jaar na de LuxLeaks-onthullingen, enkel een formeel onderzoek (75) heeft ingesteld naar een van de ruim vijfhonderd door Luxemburg verstrekte fiscale rulings die dankzij het onder leiding van het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten (ICIJ) uitgevoerde LuxLeaks-onderzoek aan het licht zijn gekomen;

122.

merkt op dat ondanks het feit dat de Commissie constateerde dat McDonald's heeft geprofiteerd van dubbele niet-belasting op bepaalde winsten in de EU, er geen besluit op grond van de EU-staatssteunregels kon worden genomen, aangezien de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de dubbele niet-belasting voortkwam uit verschillen tussen de Luxemburgse en Amerikaanse belastingwetgeving en het verdrag tussen Luxemburg en de Verenigde Staten tot het vermijden van dubbele belasting (76); neemt kennis van de aankondiging van Luxemburg dat het zijn verdragen tot het vermijden van dubbele belasting zal aanpassen aan de internationale belastingwetgeving;

123.

is bezorgd over het feit dat de Commissie heeft geoordeeld dat de dubbele niet-belastingheffing die McDonald's heeft bedongen het gevolg is van een discrepantie tussen de Luxemburgse en Amerikaanse belastingwetgeving en het verdrag tussen Luxemburg en de Verenigde Staten betreffende het vermijden van dubbele belasting, een discrepantie waarvan McDonald's profiteerde door middel van arbitrage tussen de jurisdicties; is verder bezorgd over het feit dat een dergelijke door arbitrage aangestuurde belastingontwijking in de EU mogelijk wordt gemaakt;

124.

is bezorgd over de omvang van de niet-betaalde belasting voor alle lidstaten gedurende lange perioden (77); herinnert eraan dat de terugvordering van onrechtmatige steun tot doel heeft naar de vroegere situatie terug te keren en dat de berekening van het precieze bedrag van de terug te betalen steun deel uitmaakt van de op nationale autoriteiten rustende uitvoeringsverplichting; verzoekt de Commissie om werkbare tegenmaatregelen, waaronder boetes, te onderzoeken en vast te stellen, om te helpen voorkomen dat de lidstaten een selectieve gunstige fiscale behandeling aanbieden die staatssteun vormt en niet in overeenstemming is met de EU-regels;

125.

dringt nogmaals bij de Commissie aan op richtsnoeren om te verduidelijken wat belastinggerelateerde staatssteun en “passende” verrekenprijzen zijn; verzoekt de Commissie eveneens de rechtsonzekerheid voor zowel belastingplichtigen als belastingdiensten weg te nemen en bijgevolg een kader te bieden voor de belastingpraktijken van de lidstaten op dit gebied;

126.

betreurt dat de Commissie er niet in slaagt gebruik te maken van staatssteunregels tegen belastingmaatregelen die ernstige concurrentieverstoringen teweegbrengen, en dat ze deze regels enkel toepast in selectieve gevallen met bepaalde kenmerken om de praktijk in het land in kwestie te veranderen; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om ongepaste staatssteun terug te vorderen, onder meer voor alle ondernemingen die worden genoemd in het Luxleaks-schandaal, zodat er weer een gelijk speelveld wordt gecreëerd; roept de Commissie er tevens toe op verdere richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten en aan marktdeelnemers over de toepassing van de staatssteunregels en welke gevolgen dit heeft voor de praktijken van ondernemingen op het gebied van fiscale planning;

127.

dringt aan op een hervorming van het mededingingsrecht om het toepassingsgebied van de staatssteunregels uit te breiden zodat krachtiger kan worden opgetreden tegen schadelijke fiscale staatssteun voor multinationale ondernemingen, waaronder fiscale rulings;

2.7.    Brievenbusfirma's

128.

merkt op dat er geen eenduidige definitie van brievenbusfirma's bestaat, d.w.z. ondernemingen die in een rechtsgebied zijn geregistreerd voor uitsluitend belastingontwijking of belastingontduiking en zonder enige significante economische aanwezigheid; benadrukt echter dat eenvoudige criteria zoals reële economische activiteit of de fysieke aanwezigheid van personeel dat voor de onderneming werkt, kunnen helpen om brievenbusfirma's op te sporen en ertegen op te treden; herhaalt zijn oproep voor een duidelijke definitie;

129.

benadrukt dat, zoals het Parlement heeft voorgesteld in zijn standpunt voor de interinstitutionele onderhandelingen over de wijzigingsrichtlijn betreffende grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen (78), lidstaten moeten worden verplicht ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende omzettingen overeenkomen met de daadwerkelijke nastreving van een echte economische activiteit, ook in de digitale sector, teneinde het opzetten van brievenbusfirma's te voorkomen;

130.

roept de lidstaten op te verlangen dat financiële informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten vóór de uitvoering van grensoverschrijdende omzettingen, fusies of splitsingen;

131.

beveelt aan om elke entiteit die een offshoreconstructie opricht aan de bevoegde instanties de legitieme redenen voor dit besluit te laten meedelen, om te waarborgen dat offshorerekeningen niet worden gebruikt voor witwaspraktijken of belastingontduiking;

132.

eist dat de daadwerkelijke eigenaren aan de belastingautoriteiten worden bekendgemaakt;

133.

wijst op nationale maatregelen om commerciële relaties met brievenbusfirma's specifiek te verbieden; wijst met name op de Letse wetgeving, waarin een brievenbusfirma wordt gedefinieerd als een entiteit die geen daadwerkelijke economische activiteit heeft en niet over bewijzen van het tegendeel beschikt, als een onderneming die is geregistreerd in een rechtsgebied waar ondernemingen geen financiële overzichten hoeven in te dienen en/of geen vestiging heeft in het land waar zij gevestigd is; wijst er evenwel op dat het verbod op brievenbusfirma's in Letland volgens het EU-recht niet kan worden gebruikt om in EU-lidstaten gevestigde brievenbusfirma's te verbieden, omdat dit als discriminerend zou worden beschouwd (79); verzoekt de Commissie wijzigingen op de huidige EU-wetgeving voor te stellen die het mogelijk maken brievenbusfirma's te verbieden, zelfs als zij gevestigd zijn in EU-lidstaten;

134.

wijst erop dat het hoge niveau van inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen als percentage van het bbp in zeven lidstaten (België, Cyprus, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland) slechts voor een klein deel kan worden verklaard door de reële economische activiteiten die in deze lidstaten plaatsvinden (80);

135.

benadrukt het hoge niveau van buitenlandse directe investeringen in diverse lidstaten, met name in Luxemburg, Malta, Cyprus, Nederland en Ierland (81); wijst erop dat deze buitenlandse directe investeringen vaak in handen zijn van voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten (special purpose entity (SPE)) die vaak dienen om mazen in de wetgeving te benutten; verzoekt de Commissie de rol van SPE's bij buitenlandse directe investeringen te beoordelen;

136.

merkt op dat economische indicatoren zoals een ongewoon hoog niveau aan buitenlandse directe investeringen, alsmede buitenlandse directe investeringen die in handen zijn van SPE's, indicatoren zijn voor agressieve belastingplanning (82);

137.

merkt op dat de antimisbruikregels in de richtlijn bestrijding belastingontwijking (kunstmatige regelingen) betrekking hebben op brievenbusfirma's, terwijl de CCTB en CCCTB ervoor zouden zorgen dat de inkomsten worden toegekend aan de plaats waar de werkelijke economische activiteit plaatsvindt;

138.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om gecoördineerde, bindende, afdwingbare en substantiële vereisten inzake economische activiteit en toetsing van de uitgaven op te stellen;

139.

verzoekt de Commissie om binnen twee jaar de geschiktheid te controleren van de onderling samenhangende wetgevings- en beleidsinitiatieven die gericht zijn op het aanpakken van het gebruik van brievenbusfirma's in de context van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld;

3.    Btw

140.

onderstreept de noodzaak van harmonisatie van de btw-regels op EU-niveau voor zover dat nodig is om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen en concurrentievervalsing te voorkomen (83);

141.

benadrukt dat btw een belangrijke bron van belastinginkomsten is voor de nationale begrotingen; merkt op dat de btw-inkomsten in de 28 lidstaten van de EU in 2016 1 044 miljard EUR bedroegen, wat overeenkomt met 18 % van alle belastinginkomsten in de lidstaten; merkt op dat de jaarlijkse EU-begroting voor 2017 157 miljard EUR bedroeg;

142.

betreurt het echter dat elk jaar grote bedragen van de verwachte btw-inkomsten verloren gaan als gevolg van fraude; benadrukt dat volgens de statistieken van de Commissie de btw-kloof (dat wil zeggen het verschil tussen de verwachte btw-inkomsten en de werkelijk geïnde btw, waarmee een schatting kan worden gemaakt van de misgelopen btw als gevolg van fraude, maar ook als gevolg van faillissementen, misrekeningen en belastingontwijking) in de EU in 2016 147 miljard EUR bedroeg, wat neerkomt op meer dan 12 % van de totale verwachte btw-inkomsten (84), hoewel de situatie veel ernstiger is in een aantal lidstaten waar de kloof in de buurt van 20 % ligt of zelfs daarboven, hetgeen tekenend is voor de grote verschillen tussen de manieren waarop lidstaten de btw-kloof aanpakken;

143.

merkt op dat de Commissie schat dat ongeveer 50 miljard EUR, of 100 EUR per EU-burger per jaar, verloren gaat door grensoverschrijdende btw-fraude (85); wijst erop dat Europol bovendien schat dat ongeveer 60 miljard EUR van de btw-fraude verband houdt met de financiering van georganiseerde misdaad en terrorisme; wijst op de toegenomen harmonisering en vereenvoudiging van btw-stelsels in de EU, hoewel de samenwerking tussen lidstaten nog steeds niet voldoende nog doeltreffende is; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan hun samenwerking te intensifiëren om btw-fraude beter te bestrijden; verzoekt de volgende Commissie prioriteit te geven aan de invoering en tenuitvoerlegging van het definitieve btw-stelsel, teneinde dit te verbeteren;

144.

dringt aan op betrouwbare statistieken om de btw-kloof in te schatten en benadrukt de behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak voor het verzamelen en delen van gegevens binnen de EU; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat geharmoniseerde statistieken regelmatig in de lidstaten worden verzameld en gepubliceerd;

145.

onderstreept dat fraudeurs misbruik hebben gemaakt van het huidige btw-stelsel (overgangsregeling) door een vrijstelling toe te passen op intracommunautaire leveringen binnen de EU en uitvoer, met name bij de btw-carrouselfraude of intracommunautaire ploffraude;

146.

neemt kennis van het feit dat volgens de Commissie bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn, momenteel 11 % hogere nalevingskosten hebben in vergelijking met bedrijven die alleen in eigen land handel drijven; merkt met name kmo's lijden onder buitenproportionele btw-nalevingskosten, wat een van de redenen is waarom kmo's terughoudend zijn geweest bij het benutten van de voordelen van de eengemaakte markt; verzoekt de Commissie en de lidstaten oplossingen uit te werken om de aan grensoverschrijdende handel verbonden btw-nalevingskosten te verlagen;

3.1.    Modernisering van het btw-kader

147.

is daarom ingenomen met het btw-actieplan van de Commissie van 6 april 2016 voor hervorming van het in december 2016 door de Commissie goedgekeurde btw-kader en 13 wetgevingsvoorstellen die betrekking hebben op de verschuiving naar het definitieve btw-stelsel, de btw-belemmeringen voor e-commerce wegnemen, het btw-stelsel voor kmo's herzien, het btw-tarievenbeleid moderniseren en de btw-kloof aanpakken;

148.

is verheugd over het feit dat in 2015 een mini-éénloketsysteem (MOSS) voor btw inzake telecommunicatie, uitzendingen en elektronische diensten is ingevoerd als een vrijwillig systeem voor de registratie, aangifte en betaling van btw; is verheugd over de uitbreiding van het MOSS naar andere leveringen van goederen en diensten aan eindgebruikers met ingang van 1 januari 2021;

149.

merkt op dat de Commissie schat dat de hervorming om de btw te moderniseren de administratieve rompslomp naar verwachting met 95 % zal verminderen, wat neerkomt op een geraamd bedrag van 1 miljard EUR;

150.

is met name ingenomen met het feit dat de Raad op 5 december 2017 nieuwe regels heeft aangenomen die het voor onlinebedrijven eenvoudiger maken om aan de btw-verplichtingen te voldoen; is in het bijzonder ingenomen met het feit dat de Raad het advies van het Parlement heeft overgenomen met betrekking tot de invoering van aansprakelijkheid van onlineplatforms voor de inning van de btw op de afstandsverkopen die zij faciliteren; is van mening dat deze maatregel zal zorgen voor een gelijk speelveld met bedrijven van buiten de EU, aangezien veel goederen die worden ingevoerd voor afstandsverkopen, momenteel btw-vrij de EU binnenkomen; roept de lidstaten op om de nieuwe regels tegen 2021 correct in te voeren;

151.

is verheugd over de op 4 oktober 2017 (86) en 24 mei 2018 (87) goedgekeurde definitieve voorstellen voor een btw-stelsel; is met name ingenomen met het voorstel van de Commissie om het bestemmingsbeginsel toe te passen op belastingheffing, wat betekent dat de btw zou worden betaald aan de belastingautoriteiten in de lidstaat van de eindconsument tegen het in die lidstaat geldende tarief;

152.

is met name verheugd over de vooruitgang die de Raad heeft geboekt in de richting van de definitieve btw-regeling door op 4 oktober 2018 de snelle oplossingen (88) aan te nemen; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat er geen waarborgen met betrekking tot de fraudegevoelige aspecten van het voorstel zijn aangenomen dat aansluit op het standpunt van het Parlement (89) inzake het voorstel wat betreft de gecertificeerd belastingplichtige (90), zoals geformuleerd in zijn advies van 3 oktober 2018 (91); betreurt ten zeerste dat de Raad het besluit over de invoering van de status gecertificeerd belastingplichtige heeft uitgesteld tot de goedkeuring van de definitieve btw-regeling;

153.

verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat de CTP-status overeenstemt met de status van geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) die wordt afgegeven door de douaneautoriteiten;

154.

dringt aan op een minimaal op EU-niveau transparante coördinatie inzake de definitie van de CTP-status, met inbegrip van een regelmatige beoordeling door de Commissie van de wijze waarop de lidstaten de CTP-status toekennen; dringt aan op uitwisseling van informatie tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten over weigeringen om de CTP-status aan bepaalde ondernemingen te verlenen, teneinde de samenhang en gemeenschappelijke normen te verbeteren;

155.

is bovendien verheugd over de herziening van de speciale regelingen voor kmo's (92), die essentieel zijn om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen, aangezien btw-vrijstellingsregelingen momenteel alleen beschikbaar zijn voor binnenlandse entiteiten, en kunnen bijdragen tot de verlaging van de btw-nalevingskosten voor kmo's; verzoekt de Raad rekening te houden met het advies van het Parlement van 11 september 2018 (93), met name wat betreft de verdere administratieve vereenvoudiging voor kmo's; roept de Commissie derhalve op om een online portaal op te zetten waar kmo's zich moeten registreren indien zij gebruik willen maken van de vrijstelling in een andere lidstaat, en om een één enkel loket op te zetten waar kleine ondernemingen btw-aangifte kunnen doen voor de verschillende lidstaten waar zij actief zijn;

156.

neemt kennis van de goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een veralgemeende verleggingsregeling (94), dat tijdelijke vrijstellingen van de normale btw-regels mogelijk maakt om carrouselfraude beter te voorkomen in die lidstaten die het zwaarst worden getroffen door dit soort fraude; verzoekt de Commissie de toepassing en de mogelijke risico's en voordelen van deze nieuwe wetgeving nauwlettend te volgen; benadrukt evenwel dat de veralgemeende verleggingsregeling de snelle uitvoering van een definitief btw-stelsel onder geen beding mag vertragen;

157.

merkt op dat de uitbreiding van e-commerce vaak een belangrijke uitdaging vormt voor de belastingautoriteiten, bijvoorbeeld vanwege de afwezigheid van fiscale identificatie in de EU, en de registratie van btw-aangiften ruim onder de reële waarde van de aangegeven transacties; is verheugd over de geest van de voorgestelde uitvoeringsvoorschriften inzake afstandsverkopen die op 11 december 2018 door de Commissie zijn goedgekeurd (COM(2018)0819 en COM(2018)0821), volgens welke met name vanaf 2021 grote onlineplatformen de verantwoordelijkheid moeten dragen ervoor te zorgen dat btw wordt geïnd bij de verkoop van goederen door niet-EU-ondernemingen aan EU-consumenten die plaatsvindt op hun platformen;

158.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan toe te zien op elektronische handelstransacties waar handelaren van buiten de EU bij betrokken zijn die geen btw zouden opgeven (bijvoorbeeld door onrechtmatig gebruik te maken van de “steekproef”-regeling) of die de waarde opzettelijk onderschatten teneinde btw-afdracht te vermijden of deze te verminderen; is van mening dat dergelijke praktijken de integriteit en de soepele werking van de eengemaakte markt van de EU in gevaar brengen; verzoekt de Commissie, indien gewenst en nodig, snel wetgevingsvoorstellen in te dienen;

3.2.    De btw-kloof, de bestrijding van btw-fraude en de administratieve samenwerking op btw-gebied

159.

herhaalt zijn oproep om de factoren die bijdragen tot de belastingkloof, zoals btw, aan te pakken;

160.

is ingenomen met de inbreukprocedure die de Commissie op 8 maart 2018 heeft ingeleid tegen Cyprus, Griekenland en Malta, en op 8 november 2018 tegen Italië en Isle of Man, inzake oneigenlijke btw-praktijken in verband met de aankoop van jachten en vliegtuigen, om ervoor te zorgen dat deze landen geen vermeende onwettelijke gunstige btw-regeling meer hanteren voor privéjachten en-vliegtuigen, wat de concurrentie in de maritieme en luchtvaartsector verstoort;

161.

is ingenomen met de wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op btw-gebied; is ingenomen met de monitoringbezoeken die de Commissie in 2017 aan tien lidstaten heeft gebracht, in het bijzonder met de hieruit voortgekomen aanbeveling om de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (VIES) te verhogen;

162.

merkt op dat de Commissie onlangs bijkomende controlehulpmiddelen en een versterkte rol voor Eurofisc heeft voorgesteld, alsook mechanismen voor nauwere samenwerking tussen douane- en belastingdiensten; roept alle lidstaten op actiever deel te nemen aan het Transactional Network Analysis-systeem in het kader van Eurofisc;

163.

is van mening dat de deelname van alle lidstaten aan Eurofisc verplicht moet zijn en een voorwaarde om EU-middelen te ontvangen; sluit zich aan bij de bezorgdheid van de Europese Rekenkamer over btw-teruggave in de cohesie-uitgaven (95) en over het fraudebestrijdingsprogramma van de EU (96);

164.

dringt er bij de Commissie op aan de mogelijkheden van het realtime verzamelen en mededelen van transactionele btw-gegevens door de lidstaten te onderzoeken, aangezien dit de doeltreffendheid van Eurofisc zou vergroten en verdere ontwikkeling van nieuwe strategieën voor de bestrijding van btw-fraude mogelijk zou maken; roept alle relevante autoriteiten op verschillende statistische en dataminingtechnologieën te gebruiken om onregelmatigheden, verdachte relaties en patronen te identificeren, waardoor belastingdiensten een breed spectrum van niet-nalevingsgedrag op een proactieve, doelgerichte en kosteneffectieve manier beter kunnen aanpakken;

165.

is ingenomen met de vaststelling van de Richtlijn betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Unie (97), waarin duidelijk uiteen is gezet welke problemen gemoeid zijn met de grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten, Eurojust, Europol, het Europees Openbaar Ministerie (EOM), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Commissie bij de bestrijding van btw-fraude; roept het EOM, OLAF, Eurofisc, Europol en Eurojust op nauw samen te werken om hun inspanningen tegen btw-fraude te coördineren en nieuwe frauduleuze praktijken te identificeren en aan te passen;

166.

wijst echter op de noodzaak van een betere samenwerking tussen de bestuurlijke, rechterlijke en wetshandhavende autoriteiten in de EU, zoals door experts is opgemerkt bij de hoorzitting op 28 juni 2018, alsook in een onderzoek dat in opdracht van de TAX3-commissie is uitgevoerd;

167.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie om de bevoegdheden van het EOM uit te breiden tot grensoverschrijdende misdrijven; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat het EOM zo snel mogelijk en niet later dan in 2022 van start kan gaan, en te zorgen voor nauwe samenwerking met de reeds bestaande instellingen, organen, agentschappen en kantoren van de Unie, belast met de bescherming van de financiële belangen van de Unie; dringt erop aan exemplarische, afschrikkende en evenredige sancties op te leggen; is van mening dat iedereen die betrokken is bij georganiseerde btw-fraudepraktijken streng moet worden gestraft om de perceptie van straffeloosheid te vermijden;

168.

is van mening dat een van de belangrijkste factoren die frauduleus gedrag op btw-gebied in de hand werkt, ligt bij de kaswinst die een fraudeur kan maken; roept de Commissie dan ook op om het voorstel (98) te analyseren waarin experts opperen om alle gegevens over grensoverschrijdende transacties via blockchaintechnologie vast te leggen en om geen fiduciair geld meer te gebruiken voor btw-betalingen, maar alleen beveiligde digitale valuta's (specifiek voor dat doel);

169.

is ingenomen met het feit dat de Raad importfraude in dit verband aan de orde heeft gesteld (99); is van mening dat een gedegen integratie van de gegevens van douaneaangiften in het VIES de lidstaten van bestemming in staat stelt om de douane- en btw-gegevens tegen elkaar af te zetten en zo te verzekeren dat btw wordt afgedragen in het land van bestemming; verzoekt de lidstaten deze nieuwe wetgeving uiterlijk 1 januari 2020 op een effectieve en tijdige manier in te voeren;

170.

is van mening dat de administratieve samenwerking tussen belastingdiensten suboptimaal is (100); verzoekt de lidstaten Eurofisc opdracht te geven om nieuwe strategieën te ontwikkelen voor het volgen van goederen onder douaneregeling 42, het mechanisme dat de importeur in staat stelt een btw-vrijstelling te verkrijgen wanneer de ingevoerde goederen bedoeld zijn om uiteindelijk naar een zakelijke klant te worden vervoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van invoer;

171.

benadrukt het belang van de invoering van een register van uiteindelijk begunstigden van ondernemingen in het kader van de vijfde antiwitwasrichtlijn als een belangrijk instrument om btw-fraude aan te pakken; dringt er bij de lidstaten op aan de bevoegdheden en kwalificaties van politie- en belastingdiensten, aanklagers en rechters om met dit soort fraude om te gaan, te versterken;

172.

uit zijn bezorgdheid over de resultaten van het onderzoek (101) dat in opdracht van de TAX3-commissie is uitgevoerd en waarin staat dat de voorstellen van de Commissie de importfraude wel zullen terugdringen, maar niet helemaal uit de wereld zullen helpen; merkt op dat het probleem van de algemene onderwaardering en handhaving van EU-regels in het geval van niet-EU-belastingplichtigen niet wordt opgelost; verzoekt de Commissie om voor deze leveringen alternatieve inningsmethoden voor de langere termijn te onderzoeken; benadrukt dat het geen blijvende oplossing is om te blijven rekenen op de goede wil van niet-EU-belastingplichtigen om EU-btw te innen; is van mening dat dergelijke alternatieve inningsmodellen niet alleen gericht moeten zijn op verkooptransacties via elektronische platforms, maar op alle verkooptransacties door niet-EU-belastingplichtigen, ongeacht hun bedrijfsmodel;

173.

dringt er bij de Commissie op aan de gevolgen van de invoering van het definitieve stelsel voor btw-inkomsten in de lidstaten nauwlettend te volgen; verzoekt de Commissie grondig onderzoek te doen naar mogelijk nieuwe frauderisico's in het uiteindelijke btw-stelsel, in het bijzonder het risico dat het type carrouselfraude waarbij de klant ontbreekt mogelijk wordt vervangen door een soort fraude waarbij de leverancier ontbreekt; benadrukt in dit verband dat onder meer het douanevervoersysteem de handel binnen de EU zeker kan vergemakkelijken; wijst er evenwel op dat misbruik mogelijk is en dat criminele organisaties, door de betaling van belastingen en heffingen te omzeilen, een enorm verlies kunnen veroorzaken, zowel voor de lidstaten als voor de EU (door het vermijden van btw); dringt er daarom bij de Commissie op aan toezicht te houden op het douanevervoersysteem en te komen met voorstellen op basis van de aanbevelingen van met name OLAF, Europol en Eurofisc;

174.

is van mening dat een grote meerderheid van de Europese burgers duidelijke Europese en nationale wetgeving verlangt die het mogelijk maakt dat degenen die de door hen verschuldigde belasting niet betalen, worden geïdentificeerd en bestraft, en dat de ontbrekende belasting tijdig wordt terugbetaald;

4.    Belastingheffing voor particulieren

175.

benadrukt dat natuurlijke personen over het algemeen geen gebruikmaken van het vrije verkeer met het oog op belastingfraude, belastingontduiking of agressieve fiscale planning; onderstreept echter dat er natuurlijke personen zijn wier belastinggrondslag groot genoeg is om meerdere fiscale rechtsgebieden te overspannen;

176.

betreurt dat zeer vermogende particulieren en ultrarijken, die complexe belastingstructuren gebruiken waaronder het opzetten van ondernemingen, nog steeds mogelijkheden hebben om met de hulp van een vermogensbeheerder en andere tussenpersonen hun inkomsten, fondsen of aankopen zodanig langs verschillende fiscale rechtsgebieden te sluizen dat zij hun belastingplicht geheel of gedeeltelijk weten te ontlopen; betreurt dat sommige EU-lidstaten regelingen hebben ingevoerd om zeer vermogende particulieren aan te trekken zonder dat zij werkelijke economische activiteit genereren;

177.

merkt op dat de nominale tarieven voor arbeidsinkomen in de hele EU gewoonlijk hoger liggen dan de tarieven voor inkomen uit kapitaal; constateert dat de bijdrage van vermogensbelastingen aan de totale belastinginkomsten in het algemeen vrij beperkt is gebleven: namelijk 4,3 % van de totale belastinginkomsten in de EU (102);

178.

merkt op dat belastingfraude door bedrijven, belastingontduiking en agressieve fiscale planning er spijtig genoeg toe leiden dat de belastingplicht deels wordt afgewend op eerlijke belastingbetalers die zich wel aan de regels houden;

179.

dringt er bij de lidstaten op aan afschrikkende, doeltreffende en evenredige sancties op te leggen voor gevallen van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, en ervoor te zorgen dat deze sancties worden gehandhaafd;

180.

betreurt dat sommige lidstaten een dubieus belastingklimaat hebben geschapen waarin personen die om belastingtechnische redenen inwoner zijn geworden, kunnen profiteren van voordelen op het gebied van inkomstenbelasting, en dat zij op die manier de belastinggrondslag van andere lidstaten ondermijnen en een beleid voeren dat nadelig is voor hun eigen burgers; wijst erop dat een dergelijk fiscaal klimaat voordelen kan omvatten die niet gelden voor de eigen onderdanen, zoals niet-belasting van buitenlandse bezittingen en inkomsten, forfaitaire belasting op buitenlandse inkomsten, belastingvrijstellingen op een deel van de in het land verdiende inkomsten, of lagere belastingtarieven op naar het land van herkomst overgemaakte pensioenen;

181.

herinnert eraan dat de Commissie in haar mededeling van 2001 heeft voorgesteld om speciale regelingen voor hooggekwalificeerde expats op te nemen in de lijst van schadelijke belastingpraktijken van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) (103), maar heeft sindsdien geen gegevens verstrekt over de omvang van het probleem; dringt er bij de Commissie op aan de kwestie opnieuw te bekijken en, in het bijzonder de risico's van dubbele belastingheffing en dubbele niet-belastingheffing bij dergelijke regelingen te beoordelen;

4.1.    Regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen

182.

is verontrust over het feit dat de meeste lidstaten een regeling voor burgerschap of verblijf door investeringen hebben (104), beter bekend als goudenvisum- of -paspoortprogramma's of programma's voor investeerders, waarbij burgers uit de EU en derde landen het burgerschap of een verblijfsvergunning kunnen krijgen in ruil voor een financiële investering;

183.

wijst erop dat de investeringen die in het kader van deze programma's worden gedaan niet noodzakelijkerwijs bijdragen tot de reële economie van de lidstaten die burgerschap of een verblijfsvergunning verstrekken, en dat van de aanvragers vaak niet verlangd wordt enige tijd door te brengen op het grondgebied waar de investering wordt gedaan, en dat zelfs wanneer een dergelijke eis wel bestaat, doorgaans niet wordt gecontroleerd of eraan wordt voldaan; benadrukt dat dergelijke regelingen schadelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie en bijgevolg in strijd zijn met het beginsel van loyale samenwerking;

184.

merkt op dat ten minste 5 000 niet-EU-burgers het EU-burgerschap hebben gekregen door middel van een regeling voor burgerschap door investeringen (105); merkt op dat, volgens een onderzoek (106), ten minste 6 000 personen burgerschap hebben verkregen en er bijna 100 000 verblijfsvergunningen zijn verstrekt;

185.

vreest dat burgerschap en verblijf door investeringen in het kader van deze regelingen worden verstrekt zonder gedegen veiligheidsscreening van de aanvragers, onder wie onderdanen van derde landen met een hoog risico, en dat deze regelingen bijgevolg veiligheidsrisico's voor de Unie inhouden; betreurt dat de ondoorzichtigheid rondom de herkomst van het geld in verband met de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen politieke, economische en veiligheidsrisico's voor Europese landen met zich meebrengt

186.

benadrukt dat er aanzienlijke andere risico's kleven aan regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, zoals devaluatie van het EU- en nationale burgerschap en mogelijke corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking; merkt op dat het besluit van een lidstaat om regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen uit te voeren, overloopeffecten heeft op andere lidstaten; herhaalt zijn bezorgdheid over het toekennen van burgerschap of een verblijfsvergunning via deze regelingen zonder dat een grondig cliëntenonderzoek is uitgevoerd, voor zover dit überhaupt wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten;

187.

merkt op dat de in de vijfde antiwitwasrichtlijn vastgelegde verplichting, op grond waarvan meldingsplichtige entiteiten aanvragers van burgerschap of verblijf door investeringen als een hoge risicofactor moeten beschouwen gedurende hun due diligence-proces, de lidstaten niet ontslaat van hun verantwoordelijkheid om zelf versterkte zorgvuldigheidsnormen vast te stellen en te hanteren; merkt op dat op nationaal en EU-niveau diverse formele onderzoeken zijn gestart naar corruptie en witwassen die rechtstreeks in verband zouden staan met regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen;

188.

onderstreept dat tegelijkertijd de economische duurzaamheid en levensvatbaarheid van investeringen die in het kader van deze regelingen zijn gedaan onzeker blijven; benadrukt dat burgerschap en alle rechten die hieraan verbonden zijn, nooit te koop zouden mogen zijn;

189.

merkt op dat van regelingen voor burgerschap en verblijf van sommige lidstaten gretig gebruikt is gemaakt door Russische onderdanen en onderdanen van landen die onder Russische invloed staan; benadrukt dat deze regelingen door Russische onderdanen die na de illegale annexatie van de Krim en de agressie van Rusland op de Krim op de sanctielijst zijn geplaatst, kunnen worden gebruikt om EU-sancties te omzeilen;

190.

uit kritiek op het feit dat deze programma's vaak ook voorzien in fiscale voordelen of speciale fiscale regelingen voor de begunstigden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat deze voordelen mogelijk indruisen tegen de doelstelling dat alle burgers op eerlijke wijze belasting afdragen;

191.

is bezorgd over het gebrek aan transparantie over het aantal aanvragers en hun herkomst, het aantal mensen dat het burgerschap of een verblijfsvergunning krijgt via deze regelingen, de bedragen die in het kader van deze regelingen worden geïnvesteerd en de herkomst van deze bedragen; waardeert dat sommige lidstaten expliciet de naam en nationaliteit bekendmaken van de personen die via deze regelingen het burgerschap of een verblijfsvergunning krijgen; moedigt andere lidstaten aan dit goede voorbeeld te volgen;

192.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen volgens de OESO kunnen worden gebruikt om de zorgvuldigheidsprocedures van de gezamenlijke rapportagestandaard (Common Reporting Standard, CRS) te ondermijnen, wat tot onjuiste of onvolledige verslagen conform de CRS kan leiden, met name wanneer niet alle jurisdictie betreffende fiscale vestigingsplaats bekend is bij de financiële instantie; merkt op dat de visumregelingen die volgens de OESO potentieel een hoog risico vormen voor de integriteit van de CRS regelingen betreffen die een belastingbetaler recht geven op een laag inkomstenbelastingtarief van minder dan 10 % op financiële activa in het buitenland, en dat daaraan geen verplichting verbonden is om minimaal 90 dagen fysiek tijd door te brengen in het rechtsgebied dat de gouden-visumregeling aanbiedt;

193.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat Malta en Cyprus regelingen (107) hebben die potentieel een hoog risico vormen voor de integriteit van de CRS.

194.

concludeert dat de potentiële economische voordelen van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen niet opwegen tegen de ernstige veiligheidsrisico's en risico's van witwassen en belastingontduiking die daaraan kleven;

195.

verzoekt de lidstaten alle huidige regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen zo snel mogelijk uit te faseren;

196.

benadrukt dat de lidstaten er in de tussentijd een fysieke aanwezigheid in het land als voorwaarde moeten stellen om voor de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen in aanmerking te komen, en er streng op moeten toezien dat een uitgebreid cliëntenonderzoek wordt uitgevoerd voor al degenen die in het kader van deze regelingen het burgerschap of een verblijfsvergunning aanvragen, conform de vijfde antiwitwasrichtlijn; benadrukt dat de vijfde antiwitwasrichtlijn uitgebreid cliëntenonderzoek voor politiek geëxponeerde personen (PEP's) vereist; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat regeringen de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor de zorgvuldigheidsprocedures ten aanzien van aanvragers van de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen; verzoekt de Commissie om zorgvuldig en consequent een vinger aan de pols te houden bij de implementatie en toepassing van het grondige cliëntenonderzoek in het kader van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, tot het moment dat deze in elke lidstaat worden ingetrokken;

197.

merkt op dat het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor of het burgerschap van een lidstaat de begunstigde toegang geeft tot een brede waaier van rechten op het hele grondgebied van de Unie, waaronder het recht van vrij verkeer en vrij verblijf in het Schengengebied; verzoekt de lidstaten die regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen toepassen daarom naar behoren na te gaan wat het karakter van de aanvragers is en hun aanvraag te weigeren als zij veiligheidsrisico's vormen, waaronder op het witwassen van geld, totdat deze regelingen definitief worden ingetrokken; waarschuwt verder voor de gevaren van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen die daarmee gepaard gaande gezinshereniging mogelijk maken, waarbij gezinsleden van begunstigden van deze regelingen burgerschap of verblijf kunnen verwerven met minimale of geen controles;

198.

verzoekt alle lidstaten in deze context om transparante gegevens met betrekking tot hun regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen samen te stellen en bekend te maken, waaronder het aantal weigeringen en de redenen voor weigering; verzoekt de Commissie om, tot de regelingen uiteindelijk zijn ingetrokken, richtsnoeren te verstrekken en toe te zien op betere gegevensverzameling en informatie-uitwisseling tussen lidstaten in het kader van hun regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, onder meer over aanvragers van wie de aanvraag is geweigerd op grond van veiligheidsproblemen;

199.

is van mening dat totdat de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen definitief zijn ingetrokken, lidstaten dezelfde verplichtingen moeten opleggen aan tussenpersonen in de handel van burgerschap en verblijf als aan meldingsplichtige entiteiten in het kader van de antiwitwaswetgeving, en verzoekt de lidstaten om belangenverstrengeling in verband met regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen te voorkomen, aangezien daar sprake van kan zijn wanneer bedrijven die de regering hebben ondersteund bij het ontwerp, het beheer en de promotie van deze regelingen ook advies en ondersteuning hebben geboden aan particulieren door deze regelingen te screenen op geschiktheid en namens hen een aanvraag voor het burgerschap of een verblijfsvergunning in te dienen;

200.

is ingenomen met het verslag van de Commissie van 23 januari 2019 inzake burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie (COM(2019)0012); wijst erop dat beide soorten regelingen volgens het verslag ernstige veiligheidsrisico's voor de lidstaten en de Unie als geheel inhouden, met name wat betreft veiligheid, witwaspraktijken, corruptie, het omzeilen van EU-regels en belastingontduiking, en dat deze ernstige risico's verder worden versterkt door de tekortkomingen die deze regelingen vertonen op het gebied van transparantie en governance; verneemt met zorg dat de Commissie vreest dat de maatregelen die de lidstaten nemen niet altijd voldoende zijn om de risico's die deze regelingen met zich meebrengen te beperken;

201.

neemt kennis van het voornemen van de Commissie om een groep van deskundigen op te zetten om de transparantie, governance en veiligheid van deze regelingen onder de loep te nemen; is ingenomen met het feit dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden om in het kader van het opschortingsmechanisme voor de visumvrijstelling het effect te beoordelen van door visumvrije landen gehanteerde burgerschapsregelingen voor investeerders; verzoekt de Commissie om het delen van informatie tussen lidstaten over verworpen aanvragen te coördineren; verzoekt de Commissie om een beoordeling van de risico's die gepaard gaan met de verkoop van burgerschap en verblijf als onderdeel van haar volgende supranationale risicobeoordeling; roept de Commissie op te beoordelen in welke mate EU-burgers van deze regelingen gebruik hebben gemaakt;

4.2.    Vrijhavens, douane-entrepots en andere speciale economische zones

202.

is ingenomen met het feit dat vrijhavens conform de vijfde antiwitwasrichtlijn meldingsplichtige entiteiten worden en dat deze verplicht zullen zijn om een cliëntenonderzoek uit te voeren en verdachte transacties te melden bij de financiële inlichtingeneenheden (FIE's);

203.

merkt op dat vrijhavens in de EU kunnen worden aangewezen volgens de procedure voor vrije zones; merkt op dat vrije zones afgebakende gebieden zijn binnen het douanegebied van de Unie waarin goederen van buiten de Unie kunnen worden ingevoerd zonder dat deze onderworpen zijn aan invoerrechten, andere opslagen (d.w.z. btw) of commercieel beleid;

204.

herinnert aan het feit dat vrijhavens dienstdoen als entrepot in vrije zones en oorspronkelijk bedoeld waren als tussentijdse opslagplaats van handelsgoederen; betreurt het feit dat ze inmiddels vaak worden gebruikt voor de (veelal permanente (108)) opslag van vervangende activa, zoals kunst, edelstenen, antiek, goud en wijnverzamelingen, en via onbekende geldbronnen worden gefinancierd; beklemtoont dat vrijhavens of vrije zones niet mogen worden misbruikt voor belastingontduiking of om dezelfde effecten als belastingparadijzen te verwezenlijken;

205.

merkt op dat de redenen voor het gebruik van vrijhavens niet alleen veilige opslag omvatten, maar ook een hoge mate van geheimhouding en uitgestelde invoerrechten en andere belastingen, zoals btw en gebruikersbelastingen;

206.

onderstreept dat er in de EU (109) meer dan 80 vrije zones zijn plus nog eens vele duizenden andere entrepots onder de “speciale opslagregeling”, vooral “douane-entrepots”, die dezelfde mate van geheimhouding en (indirecte) belastingvoordelen (110) kunnen bieden;

207.

merkt op dat douane-entrepots volgens het douanewetboek van de Unie vrijwel dezelfde rechtsgrondslag hebben als vrijhavens; beveelt daarom aan deze dezelfde rechtsgrondslag te geven als vrijhavens met wettelijke maatregelen die de inherente risico's van witwassen en belastingontduiking ondervangen, zoals in de vijfde antiwitwasrichtlijn; is van mening dat douane-entrepots moeten worden uitgerust met voldoende en gekwalificeerd personeel dat de nodige onderzoeken kan uitvoeren naar de activiteiten die ze aanbieden;

208.

merkt op dat de witwasrisico's in vrijhavens rechtstreeks verband houden met de witwasrisico's in de markt van de vervangende activa;

209.

merkt op dat directe-belastingautoriteiten volgens de vijfde richtlijn administratieve samenwerking sinds 1 januari 2018 op verzoek toegang krijgen tussen een breed pakket inlichtingen over uiteindelijke begunstigden die conform de vijfde antiwitwasrichtlijn is verzameld; merkt op dat de antiwitwaswetgeving van de EU berust op het vertrouwen in betrouwbare cliëntenonderzoeken en de consequente melding van verdachte transacties door meldingsplichtige entiteiten, die als antiwitwaspoortwachters zullen fungeren; merkt bezorgd op dat deze “toegang op verzoek” tot inlichtingen van vrijhavens in specifieke gevallen mogelijk slechts een beperkt effect heeft (111);

210.

verzoekt de Commissie te onderzoeken in welke mate vrijhavens en scheepvaartvergunningen voor belastingontduiking worden misbruikt (112); verzoekt de Commissie daarnaast met een wetgevingsvoorstel te komen waarin de automatische uitwisseling van inlichtingen over uiteindelijk belanghebbenden en transacties in vrijhavens, douane-entrepots of specifieke economische regio's tussen de desbetreffende autoriteiten (zoals handhavings-, belasting- en douaneautoriteiten, en Europol) wordt geregeld, en verplichte traceerbaarheid in te voeren;

211.

verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een dringende uitfasering van het systeem van vrijhavens in de EU;

212.

merkt op dat het einde van het bankgeheim heeft geleid tot de opkomst van investeringen in nieuwe activa, zoals kunst, hetgeen de laatste jaren voor een snelle groei van de kunstmarkt heeft gezorgd; benadrukt dat in vrije zones voor een veilige en op grote schaal buiten beschouwing gelaten opslagruimte wordt geboden waar onbelast handel kan worden gedreven en eigen inbreng kan worden verborgen, terwijl kunst zelf een ongereguleerde markt blijft, onder meer door de moeilijkheden bij het bepalen van de marktprijzen en het vinden van deskundigen; wijst erop dat het bijvoorbeeld gemakkelijker is om een waardevol schilderij naar de andere kant van de wereld te sturen dan een vergelijkbare som geld;

4.3.    Fiscale amnestie

213.

herinnert eraan (113) dat fiscale amnestie met zeer grote terughoudendheid of helemaal niet moet worden toegepast, aangezien het uitsluitend een bron van gemakkelijke en snelle belastinginning op de korte termijn vormt, die vaak wordt gebruikt om begrotingsgaten te dichten, maar die ingezetenen er ook toe kan aanzetten de belastingen te ontduiken en te wachten op de volgende amnestie in het kader waarvan ze ontsnappen aan afschrikkende sancties of boetes; verzoekt de lidstaten die met amnestieregelingen werken om begunstigden verplicht te stellen nadere uitleg te geven over de herkomst van de fondsen die zij eerder niet hadden aangegeven;

214.

verzoekt de Commissie om amnestieprogramma's die lidstaten in het verleden hebben aangeboden te beoordelen, met name hoeveel belastinggeld zo alsnog is geïnd en welke impact ze op de middellange en lange termijn hebben gehad op de stabiliteit van de belastinggrondslag; dringt er bij de lidstaten op aan erop toe te zien dat relevante gegevens met betrekking tot de begunstigden van fiscale amnestie in het verleden en in de toekomst naar behoren worden gedeeld met de rechterlijke, handhavings- en belastingautoriteiten, en om naleving van de regels voor de bestrijding van witwassen en van terrorismefinanciering en de mogelijke vervolging van andere financiële misdaden te verzekeren;

215.

meent dat de Groep gedragscode elke fiscale-amnestieregeling verplicht moet screenen en goedkeuren voordat een lidstaat deze aanbiedt; is van mening dat een belastingbetaler of uiteindelijk begunstigde van een bedrijf die al gebruik heeft gemaakt van een of meer amnestieregelingen nooit meer in aanmerking mag komen voor een volgende amnestieregeling; verzoekt de nationale autoriteiten die gegevens bijhouden over degenen die van fiscale amnestie hebben geprofiteerd om een effectieve uitwisseling op te zetten met gegevens van politie, justitie of andere bevoegde autoriteiten die zich met misdaadonderzoek bezighouden (anders dan btw-fraude of belastingontduiking);

4.4.    Administratieve samenwerking

216.

erkent het feit dat administratieve samenwerking op het gebied van de kaders voor directe belastingen nu betrekking heeft op zowel individuele belastingbetalers, als belastingplichtige bedrijven;

217.

benadrukt dat de internationale normen inzake administratieve samenwerking minimumnormen zijn; is daarom van mening dat de lidstaten meer moeten doen dan alleen die minimumnormen naleven; roept de lidstaten daarnaast op om alle hindernissen voor administratieve en wetgevingssamenwerking te elimineren;

218.

is ingenomen met het feit dat met de vaststelling van de internationale norm voor automatische uitwisseling van inlichtingen zoals ingevoerd in de eerste richtlijn voor administratieve samenwerking plus de intrekking van de richtlijn uit 2003 over spaargelden één EU-mechanisme is ontstaan voor de uitwisseling van inlichtingen;

5.    Bestrijding van witwaspraktijken

219.

benadrukt dat geld op diverse manieren kan worden witgewassen en dat het witgewassen geld afkomstig kan zijn van diverse illegale activiteiten, variërend van corruptie tot wapenhandel en mensensmokkel, de handel in verdovende middelen, en belastingontduiking en fraude, en gebruikt kan worden voor het financieren van terrorisme; merkt bezorgd op dat de opbrengsten uit criminele activiteiten in de EU worden geschat op 110 miljard EUR per jaar (114), wat neerkomt op 1 % van het totale bbp van de Unie; wijst erop dat de Commissie inschat dat de witwaspraktijken in sommige lidstaten in 70 % van de gevallen een grensoverschrijdend karakter hebben (115); merkt verder op dat de VN (116) de omvang van witwaspraktijken inschat op 2 à 5 % van het internationale bbp, oftewel ongeveer 715 miljard en 1,87 triljoen EUR per jaar;

220.

beklemtoont dat meerdere recente witwaszaken in de Unie tot kapitaal, regerende elites en/of burgers uit Rusland en met name uit het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) konden worden herleid; maakt zich zorgen over de dreiging voor de Europese veiligheid en stabiliteit van illegaal geld uit Rusland en de GOS-staten dat met het oog op witwaspraktijken en vervolgens het financieren van criminele activiteiten het Europees financieel systeem wordt binnengesluisd; beklemtoont dat dit geld een gevaar vormt voor de veiligheid van de burgers van de EU, en voor gezagsgetrouwe burgers en bedrijven verstoringen en oneerlijke concurrentievoordelen creëert; is van oordeel dat, naast kapitaalvlucht, die niet kan worden ingedamd zonder dat oplossingen worden gevonden voor de economische en administratieve problemen van de landen van herkomst, en witwaspraktijken voor puur criminele redenen, deze vijandige activiteiten, die erop gericht zijn de Europese democratieën en hun economieën en instellingen te verzwakken, zo omvangrijk zijn dat ze een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het Europese continent; dringt aan op betere samenwerking tussen de lidstaten daar waar het gaat om toezicht op kapitaal dat vanuit Rusland de Unie wordt binnengebracht;

221.

roept eens te meer op (117) tot EU-brede sancties voor mensenrechtenschendingen naar het voorbeeld van de Amerikaanse wereldwijde Magnitsky-wet, die het mogelijk moet maken een visumverbod en doelgerichte sancties op te leggen zoals de bevriezing van eigendommen en belangen in eigendommen binnen EU-rechtsgebied voor individuele openbare ambtenaren of personen die optreden in een openbare hoedanigheid die verantwoordelijk zijn voor handelingen van corruptie of ernstige mensenrechtenschendingen; verwelkomt de goedkeuring door het Parlement van het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie (118); dringt aan op meer en nauwlettender toezicht op de bankportefeuilles van niet-ingezetenen en het deel daarvan dat zijn oorsprong heeft in landen die geacht worden een veiligheidsrisico te vormen voor de Unie;

222.

is ingenomen met de vaststelling van de vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn; benadrukt dat deze een grote sprong voorwaarts betekenen voor het vergroten van de effectiviteit van de inspanningen van de Unie om het witwassen van geld uit criminele activiteiten te bestrijden en de financiering van terroristische activiteiten tegen te gaan; stelt vast dat het Uniekader voor de bestrijding van witwassen voornamelijk gestoeld is op een preventieve aanpak van witwaspraktijken, met de nadruk op detectie en melding van verdachte transacties;

223.

betreurt het feit dat bepaalde lidstaten niet de deadline hebben gehaald voor het omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving (deels of helemaal) en dat de Commissie hierdoor genoodzaakt was om inbreukprocedures tegen hen in te leiden, ook met verwijzing naar het Europees Hof van Justitie (119); verzoekt deze lidstaten om dit zo snel mogelijk op te lossen; dringt er bij de lidstaten in het bijzonder op aan hun wettelijke plicht te respecteren om zich te houden aan de deadline van 10 januari 2020 voor het omzetten van de vijfde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving; beklemtoont en steunt de conclusies van de Raad van 23 november 2018 waarin de lidstaten wordt gevraagd de vijfde antiwitwasrichtlijn vóór de deadline van 2020 om te zetten in hun nationale wetgeving; verzoekt de Commissie volledig gebruik te maken van alle instrumenten die haar ter beschikking staan om de lidstaten te ondersteunen bij het op zo kort mogelijke termijn in hun nationale wetgeving omzetten, én in de praktijk toepassen, van de vijfde antiwitwasrichtlijn, en daar toezicht op uit te oefenen;

224.

wijst nogmaals op het cruciale belang van cliëntenonderzoeken als onderdeel van de verplichting voor meldingsplichtige entiteiten om hun klanten zorgvuldig te identificeren, en na te gaan waar hun fondsen vandaan komen en wie de uiteindelijk belanghebbenden zijn van de activa, alsook om anonieme rekeningen te blokkeren; betreurt het feit dat sommige financiële instellingen en hun desbetreffende bedrijfsmodellen witwaspraktijken actief mogelijk hebben gemaakt; verzoekt de particuliere sector alles te doen wat in zijn vermogen licht om de financiering van terrorisme actief te bestrijden en terroristische activiteiten te voorkomen; verzoekt de financiële instellingen hun interne procedures actief tegen het licht te houden om het risico van witwassen te voorkomen;

225.

verwelkomt het actieplan dat de Raad op 4 december 2018 heeft goedgekeurd, dat diverse niet-wetgevingsmaatregelen omvat om witwaspraktijken en terrorismefinanciering in de EU beter te bestrijden; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen van de vooruitgang van de tenuitvoerlegging van het actieplan;

226.

is bezorgd over het ontbreken van concrete procedures om de oprechtheid van de leden van de raad van bestuur van de ECB te beoordelen en te toetsen, met name wanneer zij formeel beschuldigd zijn van criminele activiteiten; roept ertoe op mechanismen in te voeren om het gedrag en het fatsoen van de leden van de raad van bestuur van de ECB te controleren en te toetsen, en hen te beschermen in geval van machtsmisbruik door de autoriteit die de nominatiebevoegdheid heeft;

227.

veroordeelt het feit dat systematische fouten bij de handhaving van de antiwitwasvoorschriften in combinatie met onvoldoende toezicht hebben geleid tot enkele geruchtmakende gevallen van witwaspraktijken bij Europese banken die terug te voeren waren op een systematische inbreuk op de meest fundamentele voorschriften voor de identificatie van klanten en voor cliëntenonderzoek;

228.

wijst nogmaals op het feit dat de identificatie van klanten en cliëntenonderzoek essentiële elementen zijn die bij zakelijke relaties steeds moeten terugkeren en dat de transacties van klanten continu heel aandachtig gecontroleerd moeten worden op verdachte of ongebruikelijke activiteiten; wijst in dit verband nogmaals op de verplichting voor meldingsplichtige entiteiten om hun nationale financiële inlichtingeneenheid proactief en onmiddellijk op de hoogte te stellen van verdachte witwastransacties, daaraan gerelateerde basisdelicten of de financiering van terrorisme; betreurt het feit dat natuurlijke personen met een hoge leidinggevende positie op grond van de vijfde antiwitwasrichtlijn, als laatste redmiddel, ondanks de inspanningen van het Parlement, nog altijd als uiteindelijke begunstigde van een bedrijf of trust kunnen worden geregistreerd terwijl de daadwerkelijke begunstigde eigenaar niet bekend is of het onderwerp is van verdenkingen; verzoekt de Commissie bij de volgende herziening van de antiwitwasvoorschriften in de EU een duidelijke beoordeling uit te voeren van de gevolgen van deze bepaling voor de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over uiteindelijke begunstigden in de lidstaten en voor te stellen de bepaling te schrappen indien blijkt dat deze vatbaar is voor misbruik ter bescherming van de identiteit van uiteindelijke begunstigden;

229.

stelt vast dat in enkele lidstaten niet nader toegelichte mechanismen voor toezicht op vermogen bestaan voor het traceren van de opbrengsten van criminele activiteiten; benadrukt dat deze mechanismen in veel gevallen een rechterlijke beslissing is die vereist dat een persoon die redelijkerwijs wordt verdacht van betrokkenheid bij, of van het hebben van connecties met een persoon die betrokken is bij, ernstige misdaden, de aard en omvang van zijn belangen in specifieke eigendommen verklaart, en ook verklaart hoe de eigendom daarvan was verkregen, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat het gekende wettelijk verkregen inkomen van de respondent onvoldoende zou zijn om hem in staat te stellen die eigendom te verwerven; verzoekt de Commissie de effecten en haalbaarheid van dergelijke mechanismen op het niveau van de Unie te onderzoeken;

230.

is verheugd over het feit dat meerdere lidstaten besloten hebben de uitgifte van aandelen aan toonder te verbieden en om de reeds in omloop zijnde aandelen aan toonder om te zetten in effecten op naam; verzoekt de lidstaten te bekijken of er, in het licht van de nieuwe bepalingen van de vijfde antiwitwasrichtlijn betreffende het melden van de uiteindelijke begunstigde en de in kaart gebrachte risico's, noodzaak bestaat om in hun eigen rechtsgebied vergelijkbare mechanismen in te voeren;

231.

benadrukt de dringende noodzaak om een doeltreffender systeem voor de uitwisseling van communicatie en informatie tussen gerechtelijke autoriteiten binnen de Unie uit te werken ter vervanging van de traditionele instrumenten van wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken, die leiden tot langdurige en omslachtige procedures, wat schadelijk is voor grensoverschrijdende onderzoeken naar witwaspraktijken en andere ernstige misdrijven; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de behoefte aan wetgevingsactie op dit gebied te beoordelen;

232.

verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van en aan het Parlement verslag uit te brengen over de rol van wettelijke regelingen zoals Special Purpose Vehicles (SPV's), Special Purpose Entities (SPE's) en Non Charitable Purpose Trusts (NCPT's) en de witwasrisico's die zij vertegenwoordigen, met name in het VK en van de Kroon afhankelijke gebieden en overzeese gebiedsdelen;

233.

verzoekt de lidstaten met klem bij de uitgifte van staatsobligaties op de financiële markten de wetgeving inzake de bestrijding van witwaspraktijken volledig na te leven; is van oordeel dat bij dergelijke financiële verrichtingen verder de “due diligence”-regels strikt moeten worden opgevolgd;

234.

merkt op dat alleen al tijdens het mandaat van de TAX3-commissie drie betreurenswaardige gevallen van witwaspraktijken via EU-banken aan het licht zijn gekomen: ING Bank N.V. heeft onlangs grove nalatigheid bij de uitvoering van de wetgeving tegen witwassen en terrorismefinanciering toegegeven en met het Nederlandse Openbaar Ministerie een schikking van 775 miljoen EUR getroffen (120); ABLV Bank in Letland heeft zichzelf vrijwillig failliet verklaard nadat de ABLV van het Financial Crimes Enforcement Network (FinCEN) van de Verenigde Staten in dat land geen correspondentrekening meer mocht aanhouden vanwege vermoedelijke witwaspraktijken (121), en na een onderzoek naar 15 000 klanten en ongeveer 9,5 miljoen transacties met vestigingen in Estland heeft Danske Bank toegegeven dat er sprake was van ernstige tekortkomingen in het goede bestuur en de controlesystemen waardoor de vestigingen in Estland voor verdachte transacties gebruikt konden worden (122);

235.

stelt met bezorgdheid vast dat de “Trojka Laundromat”-zaak ook publiekelijk aan het licht heeft gebracht hoe 4,6 miljard USD vanuit Rusland en andere landen door Europese banken en bedrijven werd gesluisd; onderstreept dat de Trojka Dialog, voorheen een van de grootste Russische particuliere investeringsbanken, en het netwerk dat de heersende Russische elite in staat heeft gesteld om illegale opbrengsten heimelijk te gebruiken voor de verwerving van aandelen in staatsbedrijven en de aankoop van onroerend goed in Rusland en in het buitenland, alsook van luxeproducten, in het schandaal centraal staan; betreurt voorts dat verschillende Europese banken naar verluidt bij deze verdachte transacties betrokken waren, namelijk Danske Bank, Swedbank AB, Nordea Bank Abp, ING Groep NV, Credit Agricole SA, Deutsche Bank AG, KBC Group NV, Raiffeisen Bank International AG, ABN Amro Group NV, Coöperatieve Rabobank U.A. en de Nederlandse eenheid van Turkiye Garanti Bankasi A.S.;

236.

merkt op dat in het geval van Danske Bank transacties ter waarde van ruim 200 miljard EUR via haar vestigingen in Estland liepen (123), terwijl de bank niet had voorzien in adequate interne procedures met betrekking tot de bestrijding van witwassen en cliëntenonderzoek, hetgeen de bank zelf heeft toegegeven en is bevestigd door de autoriteiten voor financieel toezicht van zowel Estland als Denemarken; is van mening dat dit geval het bewijs is van een volslagen gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, zowel bij de bank als bij de bevoegde nationale autoriteit; verzoekt de bevoegde autoriteiten om met spoed bij alle Europese banken een evaluatie uit te voeren van hun interne procedures met betrekking tot de bestrijding van witwassen en cliëntenonderzoek, zodat een passende handhaving van de witwaswetgeving van de Unie kan worden gewaarborgd;

237.

merkt verder op dat 6 200 klanten van de Danske Bank-vestigingen in Estland betrokken bleken te zijn bij verdachte transacties, dat ongeveer 500 klanten in verband zijn gebracht met openbaar gemaakte witwaspraktijken, dat 177 klanten in verband zijn gebracht met het Russische Laundromat-schandaal, dat 75 klanten in verband zijn gebracht met het Azerbeidzjaanse Laundromat-schandaal en dat 53 klanten bedrijven met dezelfde adressen en directeuren bleken te zijn (124); roept de relevante nationale autoriteiten op de bestemmingen na te gaan van de als verdacht bestempelde transacties door de 6 200 klanten van de Estse tak van Danske Bank om te bevestigen dat het witgewassen geld niet gebruikt is voor nog andere criminele activiteiten; roept de betreffende nationale autoriteiten op naar behoren samen te werken in deze kwestie aangezien de ketens van verdachte transacties duidelijk grensoverschrijdend zijn;

238.

wijst op het feit dat de ECB de vergunning van de Maltese Pilatus Bank heeft ingetrokken nadat in de Verenigde Staten de voorzitter en enig aandeelhouder, Ali Sadr Hashemi Nejad, was aangehouden op verdenking van onder meer witwassen; benadrukt dat de EBA heeft geconcludeerd dat de Maltese Financial Intelligence Analysis Unit (FIAU) de EU-wetgeving had overtreden omdat ze had nagelaten effectief toezicht uit te oefenen op Pilatus Bank, onder meer vanwege tekortkomingen in de procedures en een gebrek aan toezichthoudende activiteiten; stelt vast dat de Commissie de Maltese FIAU op 8 november 2018 een formeel advies heeft doen toekomen, waarin het de eenheid oproept aanvullende maatregelen te nemen om aan haar wettelijke verplichtingen te voldoen (125); verzoekt de Maltese FIAU gevolg te geven aan de respectieve aanbevelingen;

239.

neemt nota van de brief van de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU aan de TAX3-commissie naar aanleiding van de door deze commissie geuite bezorgdheid in verband met de vermeende betrokkenheid van een aantal Maltese PEP's bij een mogelijk nieuw geval van witwassen en belastingontduiking rondom het in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) gevestigde bedrijf “17 Black” (126); betreurt het vage karakter van de ontvangen antwoorden; maakt zich zorgen over de klaarblijkelijke politieke desinteresse van de Maltese autoriteiten; vindt het met name zorgwekkend dat volgens de “17 Black”-onthullingen PEP's in de hoogste regionen van de Maltese regering bij het schandaal betrokken lijken te zijn; verzoekt de Maltese autoriteiten de VAE om bewijzen te vragen in de vorm van letters met verzoeken om juridische bijstand; verzoekt de VAE met de Maltese en de Europese autoriteiten samen te werken en erop toe te zien dat het geld dat op de bankrekeningen van “17 Black” bevroren is niet wordt vrijgegeven voordat een grondig onderzoek heeft plaatsgevonden; wijst in het bijzonder op het klaarblijkelijke gebrek aan onafhankelijkheid van zowel de Maltese FIAU, als de Maltese commissaris van politie; betreurt het feit dat er tot nu toe geen maatregelen zijn genomen tegen de PEP's die bij de vermeende corruptiezaken betrokken zijn; beklemtoont dat het Maltese onderzoek baat zou hebben bij de instelling — op basis van een ad-hocovereenkomst (127) — van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT), teneinde iets te doen aan de serieuze twijfels omtrent de onafhankelijkheid en de kwaliteit van de lopende nationale onderzoeken, met ondersteuning van Europol en Eurojust;

240.

merkt op dat onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia werd vermoord op het ogenblik dat ze werkte aan het grootste informatielek dat ze ooit onder ogen had gekregen, met informatie die afkomstig was van de servers van ElectroGas, de onderneming die de elektriciteitscentrale van Malta exploiteert; merkt verder op dat de eigenaar van “17 Black”, die grote sommen geld moest overschrijven naar Maltese PEP's die verantwoordelijk zijn voor deze elektriciteitscentrale, ook bestuurder en aandeelhouder van ElectroGas is;

241.

is bezorgd over de toename van witwaspraktijken in de context van andere vormen van zakelijke activiteiten, met name de fenomenen van “flying money” en “notorious streets”; benadrukt dat een betere coördinatie en nauwere samenwerking tussen lokale en regionale administratieve en handhavingsautoriteiten nodig is om deze kwesties in Europese steden aan te pakken;

242.

is zich ervan bewust dat het huidige rechtskader voor de bestrijding van witwaspraktijken tot nu toe ingevuld is door richtlijnen en stoelt op een minimale harmonisatie, wat qua nationaal toezicht en nationale handhaving heeft geleid tot praktische verschillen tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie om bij een toekomstige herziening van de antiwitwaswetgeving in het kader van de verplichte effectrapportage te onderzoeken of een verordening wellicht een passendere wetshandeling is dan een richtlijn; roept in deze context op om de antiwitwaswetgeving snel om te zetten in een verordening wanneer uit de effectbeoordeling blijkt dat dit gerechtvaardigd is;

5.1.    Samenwerking tussen antiwitwas- en prudentiële toezichthouders in de Europese Unie

243.

is verheugd over het feit dat de voorzitter van de Commissie, naar aanleiding van recente gevallen van schending of vermeende schending van de antiwitwasregels, in zijn Staat van de Unie van 12 september 2018 aanvullende maatregelen heeft aangekondigd;

244.

wijst met klem op de noodzaak van meer controle van en permanent toezicht op de leden van de raden van bestuur en de aandeelhouders van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en verzekeringsmaatschappijen in de Unie, en benadrukt in het bijzonder hoe moeilijk het is om bankvergunningen of gelijkwaardige specifieke vergunningen in te trekken;

245.

steunt de werkzaamheden van de gezamenlijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van het directoraat-generaal Justitie en consumenten en het directoraat-generaal Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie van de Commissie, de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en de voorzitter van het Gemengd Comité tegen het witwassen van geld van de ETA's, teneinde de huidige tekortkomingen op te sporen en maatregelen voor te stellen om een doeltreffende samenwerking en coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de toezichthoudende en handhavingsinstanties mogelijk te maken;

246.

komt tot de conclusie dat het huidige niveau van coördinatie van het toezicht op financiële instellingen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, met name in gevallen met grensoverschrijdende effecten, niet voldoende is om de huidige uitdagingen in deze sector aan te pakken en dat het vermogen van de Unie om gecoördineerde antiwitwasregels en -praktijken te handhaven momenteel ontoereikend is;

247.

roept op tot een beoordeling van langetermijndoelstellingen die leiden tot een versterkt antiwitwaskader, zoals vermeld in de discussienota over mogelijke elementen van een routekaart voor naadloze samenwerking tussen antiwitwas- en bedrijfseconomische toezichthouders in de Europese Unie (128), zoals de instelling van een mechanisme op EU-niveau om de activiteiten van toezichthouders voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering op entiteiten uit de financiële sector beter te coördineren, met name in situaties waarin deze grensoverschrijdende effecten kunnen hebben, en een mogelijke centralisatie van toezicht op witwassen via een bestaand of nieuw EU-orgaan dat bevoegd is om geharmoniseerde regels en praktijken in EU-lidstaten te handhaven; steunt verdere inspanningen gericht op centralisatie van het toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken en is van oordeel dat een dergelijk mechanisme voldoende personele en financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld om zijn taken doeltreffend uit te voeren;

248.

herinnert eraan dat de ECB bevoegd en verantwoordelijk is voor het intrekken van de vergunning van kredietinstellingen voor ernstige inbreuken op de regelgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering; stelt evenwel vast dat de ECB volledig afhankelijk is van nationale toezichthouders voor de bestrijding van witwassen voor informatie over dergelijke inbreuken die nationale autoriteiten vaststellen; roept de nationale autoriteiten voor de bestrijding van witwassen dan ook op tijdig kwalitatief hoogwaardige informatie aan de ECB ter beschikking te stellen zodat zij haar functie naar behoren kan vervullen; verwelkomt in dit verband het multilateraal akkoord over de praktische modaliteiten voor de uitwisseling van informatie tussen de ECB en alle bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de inachtneming van de verplichtingen krachtens de regelgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering door krediet- en financiële instellingen;

249.

is van oordeel dat bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op antiwitwasmaatregelen niet afzonderlijk kunnen worden behandeld; beklemtoont dat de ETA's ten gevolge van hun besluitvormingsprocedures, een gebrek aan bevoegdheden en te weinig middelen slechts beperkt in staat zijn een grotere rol te spelen bij de bestrijding van witwaspraktijken; beklemtoont dat de EBA bij deze bestrijding het voortouw zou moeten nemen, alsook voor nauwe coördinatie moet zorgen met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa), en met het oog daarop op zo kort mogelijke termijn voldoende personele en materiële middelen moet krijgen om haar in staat te stellen daadwerkelijk een bijdrage te leveren aan de stelselmatige en doeltreffende preventie van het gebruik van het financiële systeem voor witwaspraktijken, waaronder door het uitvoeren van risicobeoordelingen van bevoegde autoriteiten en toetsingen binnen haar algemene kader; dringt erop aan meer ruchtbaarheid aan deze toetsingen te geven en — met name — het Parlement en de Raad stelselmatig relevante informatie te verstrekken in gevallen waarin op nationaal of EU-niveau ernstige tekortkomingen worden geconstateerd (129);

250.

wijst op het toenemende belang van nationale financiële toezichthouders; spoort de Commissie aan om na overleg met de EBA een voorstel te doen voor mechanismen ter facilitering van nauwere samenwerking en coördinatie tussen autoriteiten belast met financieel toezicht; vindt, wat de lange termijn betreft, dat de toezichtpraktijken van de verschillende met de bestrijding van witwassen belaste nationale instanties nauwer op elkaar moeten worden afgestemd;

251.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 over de versterking van het Uniekader voor bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken voor financiële instellingen (COM(2018)0645) en het daarin vervatte voorstel over de herziening van de ETA's ter versterking van de toezichtconvergentie; is van oordeel dat de EBA op het niveau van de Unie een leidende, coördinerende en toezichthoudende rol moet vervullen om het financieel systeem doeltreffend te beschermen tegen witwaspraktijken en de risico's van terrorismefinanciering, in het licht van de ongewenste potentiële gevolgen voor de financiële stabiliteit van de Unie van het misbruik van de financiële sector voor witwas- of terrorismefinancieringsdoeleinden, en in het licht van de ervaring die de EBA — als autoriteit met de bevoegdheid om in alle lidstaten toezicht uit te oefenen — reeds heeft opgedaan bij het beschermen van de banksector tegen dergelijke vormen van misbruik;

252.

neemt nota van de zorgen van de EBA met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn kapitaalvereisten (2013/36/EU) betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (130); is verheugd over de suggesties van de EBA om de tekortkomingen in het huidige rechtskader van de Unie aan te pakken; verzoekt de lidstaten de onlangs aangenomen wijzigingen van de richtlijn kapitaalvereisten snel in de nationale wetgeving om te zetten;

5.2.    Samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden (FIE's)

253.

herinnert eraan dat de lidstaten krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn geautomatiseerde gecentraliseerde mechanismen op te zetten die een snelle identificatie van houders van bank- en betaalrekeningen mogelijk maken, en ervoor te zorgen dat elke FIE in staat is om informatie die in deze gecentraliseerde mechanismen wordt bewaard, tijdig aan elke andere FIE te verstrekken; beklemtoont het belang van het tijdig toegang hebben tot informatie, teneinde financiële criminaliteit te voorkomen en te verhinderen dat onderzoeken moeten worden stopgezet; verzoekt de lidstaten de invoering van deze mechanismen te bespoedigen, zodat de FIE's van de lidstaten doeltreffend met elkaar kunnen samenwerken om witwaspraktijken op te sporen en tegen te gaan; verzoekt de FIE's van de lidstaten met klem het FIU.net-systeem te gebruiken; wijst erop dat gegevensbescherming ook in dit kader belangrijk is;

254.

is van oordeel dat een bijdrage leveren aan het doeltreffend bestrijden van witwaspraktijken alleen mogelijk is indien de nationale FIE's voldoende middelen en capaciteiten ter beschikking worden gesteld;

255.

wijst er in het bijzonder op dat niet alleen samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten, maar ook samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten en de FIE's van derde landen van essentieel belang is voor een doeltreffende bestrijding van witwaspraktijken; neemt nota van de politieke akkoorden over de interinstitutionele onderhandelingen (131) met het oog op de vaststelling in de toekomst van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ;

256.

roept de Commissie op gespecialiseerde opleidingen te ontwikkelen voor FIE's, met name gezien het feit dat een aantal lidstaten over minder capaciteit beschikken; neemt akte van de bijdrage van de Egmont-groep, die uit 159 FIE's bestaat en tot doel heeft hun operationele samenwerking te versterken door de voortzetting en uitvoering van tal van projecten aan te moedigen; wacht op de beoordeling van de Commissie van het kader voor samenwerking van FIE's met derde landen, en van de hindernissen voor en de mogelijkheden tot uitbreiding van de samenwerking tussen FIE's in de Unie, met inbegrip van de mogelijkheid om een coördinatie- en ondersteuningsmechanisme op te richten; herinnert eraan dat deze beoordeling vóór 1 juni 2019 afgerond moet zijn; dringt er bij de Commissie op aan deze mogelijkheid te overwegen om een wetgevingsvoorstel te doen voor een FIE van de EU, waarbij een hub wordt gecreëerd voor gezamenlijk onderzoekswerk en coördinatie, met een eigen takenpakket, autonomie en onderzoeksbevoegdheden inzake grensoverschrijdende financiële criminaliteit, evenals een vroeg waarschuwingsmechanisme; is van mening dat een FIE van de EU een brede rol moet vervullen bij het coördineren, bijstaan en ondersteunen van de FIE's van de lidstaten in grensoverschrijdende gevallen, teneinde de informatie-uitwisseling te vergroten en te zorgen voor gezamenlijke analyses van grensoverschrijdende gevallen en intensieve coördinatie van de werkzaamheden;

257.

roept de Commissie op om samen met de lidstaten actief te zoeken naar mechanismen om de samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten en de FIE's van derde landen te verbeteren en te versterken; roept de Commissie op om in dit verband passende maatregelen te nemen in de relevante internationale fora, zoals de OESO en de Financiële-actiegroep (FATF); is van mening dat in een eventueel daaruit voortvloeiende overeenkomst de bescherming van persoonsgegevens naar behoren in aanmerking moet worden genomen;

258.

verzoekt de Commissie om het Parlement en de Raad in een rapport erover te informeren of de verschillen in status en organisatie tussen de FIE's van de lidstaten een belemmering vormen voor de samenwerking bij de bestrijding van de zware grensoverschrijdende misdaad;

259.

wijst erop dat de niet-standaardisering van de formaten voor het melden van verdachte transacties en van de drempels voor de desbetreffende meldingen tussen de lidstaten en met betrekking tot de verschillende meldingsplichtige entiteiten tot problemen bij de verwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE's leidt; verzoekt de Commissie — met ondersteuning van de EBA — na te gaan hoe op zo kort mogelijke termijn gestandaardiseerde meldingsformaten voor meldingsplichtige entiteiten kunnen worden opgezet om de verwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE's in gevallen met een grensoverschrijdend karakter te vergemakkelijken en te verbeteren, en te overwegen de drempels voor verdachte transacties te standaardiseren;

260.

verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om geautomatiseerde terugzoeksystemen met meldingen van verdachte transacties op te zetten waarin de FIE's van de lidstaten transacties en hun initiatiefnemers en ontvangers die herhaaldelijk in verschillende lidstaten als verdacht zijn gemeld, kunnen opzoeken;

261.

moedigt de bevoegde autoriteiten en de FIE's aan om met de financiële instellingen en andere meldingsplichtige entiteiten in contact te treden om de melding van verdachte activiteiten te verbeteren en defensieve melding te verminderen, wat helpt ervoor te zorgen dat de FIE's nuttiger, doelgerichter en vollediger informatie ontvangen om hun taken naar behoren uit te voeren, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de algemene verordening gegevensbescherming wordt nageleefd;

262.

herinnert er eens te meer aan dat het belangrijk is betere kanalen te ontwikkelen voor dialoog, communicatie en de uitwisseling van informatie tussen overheden en specifieke particuliere belanghebbenden, in het algemeen bekend als publiek-private partnerschappen (PPP's), met name voor meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in de richtlijn bestrijding witwaspraktijken, en beklemtoont verder de positieve resultaten van het enige grensoverschrijdende PPP, te weten het publiek-private partnerschap Financiële inlichtingen van Europol, dat de strategische uitwisseling van informatie tussen banken, FIE's, handhavende autoriteiten en nationale regelgevende instanties in de lidstaten bevordert;

263.

steunt de continu verbetering van de uitwisseling van informatie tussen FIE's en handhavende autoriteiten, met inbegrip van Europol; is van oordeel dat een dergelijk partnerschap ook tot stand moet worden gebracht met betrekking tot nieuwe technologieën, inclusief virtuele activa, om de in de lidstaten reeds bestaande acties te formaliseren; roept het Europees Comité voor gegevensbescherming op meer duidelijkheid te verschaffen aan marktdeelnemers die als onderdeel van hun zorgvuldigheidsverplichtingen persoonsgegevens verwerken, teneinde ze in staat te stellen de toepasselijke gegevensbeschermingsregels in acht te nemen;

264.

beklemtoont dat meer en betere samenwerking tussen nationale toezichthouders en FIE's essentieel is voor een doeltreffende bestrijding van witwaspraktijken en belastingontduiking; benadrukt daarnaast dat de strijd tegen witwaspraktijken en belastingontduiking ook een goede samenwerking tussen FIE's en douane-autoriteiten vereist;

265.

roept de Commissie op verslag uit te brengen over de stand van zaken van en de verbeteringen bij de FIE's van de lidstaten met betrekking tot de verspreiding, uitwisseling en verwerking van informatie, naar aanleiding van de PANA-aanbevelingen (132) en het verslag waarin het platform van FIE's van de lidstaten de problemen in kaart brengt;

5.3.    Meldingsplichtige entiteiten (toepassingsgebied)

266.

is verheugd over het feit dat de vijfde antiwitwasrichtlijn de lijst van meldingsplichtige entiteiten heeft uitgebreid met aanbieders van wisseldiensten tussen virtuele en chartale valuta, aanbieders van een bewaarportemonnee, kunsthandelaren en vrijhavens;

267.

verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de handhaving van grondig cliëntenonderzoek te verbeteren, met name om beter te verduidelijken dat de verantwoordelijkheid voor de correcte uitvoering hiervan altijd bij de meldingsplichtige entiteit ligt, zelfs wanneer deze wordt uitbesteed, en om te voorzien in sancties in geval van nalatigheid of belangenconflicten in gevallen van uitbesteding; onderstreept dat meldingsplichtige entiteiten krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn in het kader van grondig cliëntenonderzoek in verband met zakelijke betrekkingen of transacties met landen die door de Commissie met betrekking tot witwaspraktijken als landen met een hoog risico zijn aangemerkt, versterkte controles te verrichten en daarover stelselmatig verslag uit te brengen;

5.4.    Registers

268.

is verheugd over de toegang tot informatie over uiteindelijke begunstigden en andere informatie uit grondig cliëntenonderzoek die in het kader van krachtens de richtlijn administratieve samenwerking aan de belastingautoriteiten wordt verleend; herinnert eraan dat deze toegang noodzakelijk is om de belastingautoriteiten in staat te stellen hun taken naar behoren uit te voeren;

269.

merkt op dat de antiwitwaswetgeving van de Unie de lidstaten verplicht om centrale registers op te zetten met volledige gegevens over de uiteindelijk begunstigden van bedrijven en trusts, en dat deze wetgeving ook voorziet in de onderlinge koppeling van deze registers; is ingenomen met het feit dat de lidstaten op grond van de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn ervoor te zorgen dat de informatie over uiteindelijk begunstigden in alle gevallen toegankelijk is voor het publiek;

270.

stelt evenwel vast dat — met betrekking tot trusts — de nationale registers in principe uitsluitend toegankelijk zullen zijn voor personen die kunnen aantonen dat ze een gewettigd belang bij toegang hebben; benadrukt dat het de lidstaten vrij staat de registers van uiteindelijke begunstigden voor trusts open te stellen voor het publiek, zoals het Parlement al eerder heeft aanbevolen; roept de lidstaten op om vrij toegankelijke en open gegevensregisters op te zetten; wijst er nogmaals op dat de eventueel te verlangen vergoeding niet hoger mag zijn dan de administratieve kosten (met inbegrip van de kosten voor onderhoud en ontwikkeling van de registers) van het toegankelijk maken van de informatie;

271.

benadrukt dat de Commissie voor de koppeling van de registers moet zorgen; is van mening dat de Commissie nauwlettend moet toezien op de werking van dit gekoppelde systeem en binnen een redelijke termijn moet beoordelen of het goed functioneert en of het moet worden aangevuld met een openbaar EU-register van uiteindelijk begunstigden, of met een ander instrument dat eventuele tekortkomingen afdoende verhelpt; roept de Commissie op om in de tussentijd technische richtsnoeren op te stellen en uit te geven om convergentie van formaat, interoperabiliteit en koppeling van de registers van de lidstaten te bevorderen; is van oordeel dat in het kader van de toepassing van de vijfde antiwitwasrichtlijn ten aanzien van uiteindelijke begunstigden van trusts dezelfde mate van transparantie moet worden betracht als ten aanzien van bedrijven, mét garanties voor passende vrijwaringsmaatregelen;

272.

vindt het zorgwekkend dat de informatie in de registers van uiteindelijke begunstigden niet altijd compleet en/of nauwkeurig is; verzoekt de lidstaten dan ook erop toe te zien dat registers van uiteindelijke begunstigden controlemechanismen bevatten om de nauwkeurigheid van de gegevens te verzekeren; verzoekt de Commissie om bij haar controles de controlemechanismen van de lidstaten en de betrouwbaarheid van de gegevens te beoordelen;

273.

dringt aan op een striktere en preciezere definitie van uiteindelijk begunstigden om ervoor te zorgen dat alle natuurlijke personen die uiteindelijk eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over een juridische entiteit, worden geïdentificeerd;

274.

herinnert eraan dat er heldere regels moeten komen om een duidelijke identificatie van de uiteindelijke begunstigden te bevorderen, waaronder een verplichting dat de oprichting van een trust of soortgelijke constructie schriftelijk is vastgelegd en dat deze is geregistreerd in de lidstaat waar de trust is opgezet, wordt beheerd of actief is;

275.

onderstreept het probleem van het witwassen van geld door investeringen in onroerend goed in Europese steden via buitenlandse lege vennootschappen; herinnert eraan dat de Commissie de noodzaak en evenredigheid van de harmonisatie van de informatie in de grond- en onroerendgoedregisters moet beoordelen en de noodzaak van de koppeling van deze registers moet beoordelen; verzoekt de Commissie het verslag indien nodig vergezeld te laten gaan van een wetgevingsvoorstel; is van mening dat de lidstaten moeten beschikken over voor het publiek toegankelijke informatie over de uiteindelijke begunstigden van land en vastgoed;

276.

herhaalt zijn standpunt over de ontwikkeling van registers van uiteindelijke begunstigden van levensverzekeringscontracten, zoals geformuleerd tijdens de interinstitutionele onderhandelingen over de vijfde antiwitwasrichtlijn; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar en nodig is informatie over de uiteindelijke begunstigden van levensverzekeringscontracten en financiële instrumenten aan de relevante autoriteiten ter beschikking te stellen;

277.

merkt op dat de Commissie in het kader van de vijfde antiwitwasrichtlijn een analyse moet uitvoeren van de haalbaarheid van specifieke maatregelen en mechanismen op het niveau van de Unie en de lidstaten die het mogelijk maken om informatie over de uiteindelijk begunstigden van ondernemingen en andere rechtspersonen met rechtspersoonlijkheid buiten de Unie te verzamelen en er toegang toe te krijgen; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor een dergelijk mechanisme in te dienen indien de haalbaarheidsanalyse positief uitvalt;

5.5.    Technologische risico's en virtuele activa, waaronder virtuele en cryptovaluta

278.

onderstreept het positieve potentieel van nieuwe gedistribueerde grootboektechnologieën (DLT's), zoals blockchaintechnologie; stelt tegelijkertijd vast dat er steeds meer misbruik wordt gemaakt van nieuwe betalings- en overschrijvingsmethoden die op deze technologieën zijn gebaseerd om de opbrengsten van misdrijven wit te wassen of om andere financiële misdrijven te plegen; erkent dat de snelle technologische ontwikkelingen moeten worden gevolgd om ervoor te zorgen dat de wetgeving misbruik van nieuwe technologieën en anonimiteit, die criminele activiteiten in de hand werkt, op doeltreffende wijze aanpakt, zonder de positieve aspecten ervan in te perken;

279.

verzoekt de Commissie de relevante cryptospelers die momenteel niet onder het toepassingsgebied van de vijfde antiwitwasrichtlijn vallen aan een grondig onderzoek te onderwerpen en de lijst van meldingsplichtige entiteiten, waarbij met name moet worden gedacht aan dienstverleners op het gebied van transacties met één of meerdere virtuele valuta, in voorkomend geval uit te breiden; verzoekt de lidstaten ondertussen de bepalingen van de vijfde antiwitwasrichtlijn die inhouden dat verleners van portemonneediensten voor virtuele valuta en de uitwisseling van diensten hun klanten moeten identificeren, hetgeen het anonieme gebruik van virtuele valuta erg moeilijk zou maken, zo snel mogelijk in nationaal recht om te zetten;

280.

verzoekt de Commissie de technologische ontwikkelingen, waaronder de snelle uitbreiding van innovatieve zakelijke Fintech-modellen en de uitrol van opkomende technologieën zoals kunstmatige intelligentie, DLT's, cognitieve computing en machineleren, nauwlettend in de gaten te houden, teneinde de technologische risico's en eventuele leemten in kaart te brengen en beter bestand te zijn tegen cyberaanvallen of systeemfalen, in concreto middels een betere gegevensbescherming; spoort de bevoegde autoriteiten en de Commissie aan de mogelijke systeemrisico's van DLT-applicaties aan een grondige beoordeling te onderwerpen;

281.

beklemtoont dat de ontwikkeling en het gebruik van virtuele activa een langetermijntrend is die zich waarschijnlijk zal voortzetten en in de komende jaren verder zal toenemen, met name middels het gebruik van virtuele tokens voor allerlei toepassingen, zoals corporate financing; verzoekt de Commissie een passend kader op het niveau van de EU voor de omgang met deze ontwikkelingen uit te werken en zich daarbij te laten leiden door de werkzaamheden ter zake op internationaal vlak, maar ook door Europese instanties zoals de ESMA; is van mening dat dit kader de nodige beschermingsmaatregelen moet bevatten ten aanzien van de specifieke risico's van virtuele activa en tegelijkertijd voldoende ruimte moet laten voor innovatie;

282.

merkt met name op dat de ondoorzichtigheid van virtuele activa zou kunnen worden gebruikt om witwaspraktijken en belastingontduiking te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie in dit verband duidelijkheid te verschaffen omtrent de voorwaarden waaronder virtuele activa in MiFID2 als een bestaand of nieuw financieel instrument zouden kunnen worden aangemerkt, alsook over de omstandigheden waarin de EU-wetgeving van toepassing is op de uitgifte van digitale tokens;

283.

verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar een verbod op bepaalde anonimiteitsmaatregelen voor specifieke virtuele activa en, in voorkomend geval, te overwegen virtuele activa onder de regels voor financiële instrumenten te laten vallen; is van oordeel dat FIE's de mogelijkheid zouden moeten hebben om adressen van virtuele en cryptovaluta te koppelen aan de identiteit van de eigenaar van de virtuele activa; vindt dat de Commissie moet bekijken of het mogelijk is te komen tot de verplichte registratie van gebruikers van virtuele activa; herinnert eraan dat sommige lidstaten al verschillende soorten maatregelen hebben vastgesteld voor specifieke segmenten van die sector, zoals de uitgifte van digitale tokens, die voor de EU een bron van inspiratie zouden kunnen zijn voor acties in de toekomst;

284.

benadrukt dat de FATF er onlangs op heeft gewezen dat alle landen dringend gecoördineerde actie moeten ondernemen om het gebruik van virtuele activa voor misdaad en terrorisme te voorkomen, en er bij alle rechtsgebieden op aandringt om juridische en praktische stappen te ondernemen om misbruik van virtuele activa te voorkomen (133); dringt er bij de Commissie op aan de aanbevelingen en normen van de FATF voor het regelen van virtuele activa snel in het Europese rechtskader op te nemen; benadrukt dat de Unie zich hard moet blijven maken voor een coherent en gecoördineerd internationaal regelgevend kader voor virtuele valuta, voortbouwend op inspanningen die zij heeft ondernomen binnen de G20;

285.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op korte termijn een evaluatie uit te voeren van het verband tussen elektronische gokactiviteiten enerzijds en het witwassen van geld en fiscale misdrijven anderzijds; is van mening dat die evaluatie met voorrang moet worden uitgevoerd; stelt vast dat de e-gamingsector in meerdere rechtsgebieden in opkomst is, waaronder in enkele van de Britse Kroon afhankelijke gebieden, zoals het Isle of Man, en daar reeds goed is voor 18 % van het nationaal inkomen;

286.

neemt kennis van het werk van deskundigen op het gebied van elektronische identificatie en klantidentificatieprocessen op afstand, waarbij kwesties worden onderzocht zoals de mogelijkheid voor financiële instellingen om elektronische identificatie (e-ID) te gebruiken en de overdraagbaarheid van klantidentificatie om klanten digitaal te identificeren; verzoekt de Commissie in dit verband in kaart te brengen wat de potentiële voordelen zijn van het invoeren van een Europees e-ID-systeem; herhaalt eens te meer dat het belangrijk is een goed evenwicht te handhaven tussen data- en privacybescherming enerzijds en de noodzaak voor bevoegde autoriteiten om met het oog op strafrechtelijke onderzoeken toegang te hebben tot informatie anderzijds;

5.6.    Sancties

287.

beklemtoont dat de antiwitwaswetgeving van de EU vereist dat de lidstaten sancties vaststellen voor inbreuken op de antiwitwasregels; benadrukt dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn; dringt aan op de invoering, in de lidstaten, van vereenvoudigde procedures voor de implementatie van in verband met inbreuken op de witwaswetgeving opgelegde sancties;

288.

verzoekt de lidstaten met klem toe te zeggen dat ze zo snel mogelijk informatie zullen verstrekken over de aard en de waarde van de opgelegde sancties, naast informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de inbreukpleger; roept de lidstaten op om ook sancties en maatregelen op te leggen aan de leden van raad van bestuur en andere natuurlijke personen die onder nationaal recht verantwoordelijk zijn voor een inbreuk op de regels inzake de bestrijding van witwaspraktijken (134);

289.

verzoekt de Commissie elke twee jaar verslag uit te brengen aan het Parlement over de nationale wetgeving en praktijken op het gebied van sancties voor inbreuken op de wetgeving inzake de bestrijding van witwaspraktijken;

290.

is verheugd over de goedkeuring van Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van beslissingen tot bevriezing en confiscatie (135), die erop gericht is de grensoverschrijdende ontneming van criminele vermogensbestanddelen te vergemakkelijken, hetgeen de capaciteit van de Unie zal helpen versterken om de georganiseerde misdaad en terrorisme te bestrijden en de financieringsbronnen voor criminelen en terroristen in de hele Unie af te snijden;

291.

is ingenomen met de goedkeuring van Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (136), waarmee nieuwe strafrechtelijke bepalingen worden ingevoerd en doeltreffendere en snellere grensoverschrijdende samenwerking tussen de bevoegde instanties mogelijk moet worden gemaakt om het witwassen van geld en de daarmee samenhangende financiering van terrorisme en georganiseerde misdaad op doeltreffender wijze te voorkomen; merkt op dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2014/42/EU (137) in voorkomend geval de opbrengsten van en de hulpmiddelen die werden gebruikt of bestemd waren om te worden gebruikt bij het plegen of het bijdragen aan het plegen van deze strafbare feiten, bevriezen of in beslag nemen;

5.7.    Internationale dimensie

292.

stelt vast dat de Commissie overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn in kaart moeten brengen welke derde hoogrisicolanden met strategische tekortkomingen te kampen hebben in hun systeem voor de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme;

293.

is van mening dat het weliswaar goed is om rekening te houden met de werkzaamheden die op internationaal niveau, en met name in de FATF, worden ondernomen om derde landen met een hoog risico op te sporen met het oog op de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, maar dat het een conditio sine qua non is dat de Unie over een autonome lijst van derde landen met een hoog risico beschikt; verwelkomt in dit kader de Gedelegeerde verordening van de Commissie van 13 februari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (C(2019)1326), en betreurt het dat de Raad hiertegen bezwaar heeft gemaakt; verwelkomt daarnaast de Gedelegeerde Verordening van 31 januari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen (138);

294.

verwelkomt de goedkeuring door de Commissie van de op 22 juni 2018 gepubliceerde methode voor de identificatie van derde landen met een hoog risico in het kader van Richtlijn (EU) 2015/849) (139); verwelkomt de beoordeling door de Commissie van “prioriteit 1”-landen van 31 januari 2019;

295.

beklemtoont dat voor consistentie en complementariteit moet worden gezorgd van de antiwitwaslijst van hoogrisicolanden en de Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden; herhaalt zijn oproep om de Commissie een centrale rol toe te kennen in het beheer van beide lijsten; verzoekt de Commissie te zorgen voor transparantie van het proces van screening van rechtsgebieden;

296.

maakt zich zorgen over de beschuldigingen als zouden de bevoegde autoriteiten in Zwitserland hun taken op het gebied van de aanpak van witwaspraktijken en terrorismefinanciering niet naar behoren uitvoeren (140); verzoekt de Commissie met deze elementen rekening te houden wanneer zij de lijst van hoogrisicolanden actualiseert, alsook in de bilaterale betrekkingen tussen Zwitserland en de Unie;

297.

verzoekt de Commissie technische bijstand te verlenen aan derde landen om doeltreffende systemen te ontwikkelen voor de bestrijding van het witwassen van geld en die systemen voortdurend te verbeteren;

298.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de EU in de FATF met één stem spreekt en een actieve bijdrage levert aan het lopende proces van reflectie over de hervorming ervan, met het oog op de terbeschikkingstelling van meer middelen en vergroting van haar legitimiteit; verzoekt de Commissie het personeel van het Europees Parlement als waarnemer op te nemen in de delegatie van de Commissie bij de Financiële-actiegroep;

299.

roept de Commissie op om een wereldwijd initiatief te leiden voor de oprichting van openbare centrale registers van uiteindelijke begunstigden in alle rechtsgebieden; benadrukt in dit verband de cruciale rol van internationale organisaties zoals de OESO en de VN;

6.    Internationale dimensie van belastingheffing

300.

wijst erop dat een Europees eerlijk belastingstelsel een eerlijker belastingomgeving in de hele wereld vereist; herhaalt zijn oproep om toezicht te houden op lopende belastinghervormingen van derde landen;

301.

erkent de inspanningen die sommige derde landen zich hebben getroost om resoluut tegen BEPS op te treden; benadrukt echter dat dergelijke hervormingen in overeenstemming moeten blijven met de bestaande WTO-regels;

302.

acht de informatie die tijdens het commissiebezoek aan Washington D.C. is verzameld over de belastinghervormingen in de VS en de mogelijke gevolgen daarvan voor de internationale samenwerking, van bijzonder belang; wijst erop dat sommige bepalingen van de Amerikaanse Tax Cuts and Jobs Act van 2017 volgens sommige deskundigen onverenigbaar zijn met de bestaande WTO-regels; merkt op dat een aantal onderdelen van de belastinghervormingen in de VS erop gericht is om, eenzijdig en zonder enige wederkerigheid, transnationale winsten die toe te schrijven zijn aan Amerikaans grondgebied nieuw leven in te blazen (in de veronderstelling dat deze voor minstens 50 % op Amerikaans grondgebied worden gegenereerd); is verheugd over het feit dat de Commissie momenteel bezig is met de beoordeling van de mogelijke gevolgen van met name de BEAT-, GILTI- en FDII (141)-bepalingen van de nieuwe belastinghervorming in de VS voor de regelgeving en de handel; verzoekt de Commissie het Parlement in te lichten over de resultaten van de beoordeling;

303.

stelt vast dat er twee soorten intergouvernementele overeenkomsten (IGA's) met betrekking tot de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) zijn ontwikkeld om de FATCA te helpen zich aan de internationale wetgeving te houden (142); merkt op dat slechts één van de IGA-modellen een wederkerig karakter heeft; betreurt het dat deze overeenkomsten wat wederkerigheid betreft aan alle kanten rammelen, gezien het feit dat de VS in de regel veel meer informatie van de regeringen van andere landen krijgt dan dat ze zelf verstrekt; roept de Commissie op een inventarisatie uit te voeren om de mate van wederkerigheid bij de uitwisseling van informatie tussen de VS en de lidstaten in kaart te brengen;

304.

verzoekt de Raad de Commissie te mandateren met de VS te onderhandelen over een overeenkomst om met betrekking tot de FATCA wederkerigheid te waarborgen;

305.

herhaalt de voorstellen in zijn resolutie van 5 juli 2018 over de nadelige gevolgen van de FATCA voor EU-burgers en met name “accidental Americans” (143), waarin de Commissie wordt opgeroepen actie te ondernemen teneinde ervoor te zorgen dat de grondrechten van alle burgers, en met name die van “accidental Americans”, worden gerespecteerd;

306.

verzoekt de Commissie en de Raad een gezamenlijke EU-aanpak van de FATCA te presenteren om de rechten van Europese burgers (met name “accidental Americans”) te beschermen en te zorgen voor wederkerigheid bij de automatische uitwisseling van informatie met de VS, het liefst op basis van de CRS; verzoekt de Commissie en de Raad om ondertussen na te denken over tegenmaatregelen, zoals — in voorkomend geval — een inhouding aan de bron om voor een 'level playing field' te zorgen indien de VS in het kader van de FATCA niet akkoord gaat met wederkerigheid;

307.

roept de Commissie en de lidstaten op om toezicht te houden op nieuwe vennootschapsbelastingen van landen die met de EU samenwerken op basis van een internationale overeenkomst (144);

6.1.    Belastingparadijzen en rechtsgebieden die agressieve belastingplanning in de EU en in derde landen faciliteren

308.

herinnert aan het belang van een gemeenschappelijke EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (hierna de “EU-lijst”) op basis van volledige, transparante, robuuste, objectief controleerbare en algemeen aanvaarde criteria, die regelmatig wordt bijgewerkt;

309.

betreurt het feit dat bij het opstellen van de hier bedoelde EU-lijst in eerste instantie uitsluitend naar derde landen is gekeken; neemt er nota van dat de Commissie in het kader van het Europees Semester vast heeft gesteld dat de belastingstelsels van sommige lidstaten tekortkomingen hebben die de deur openzetten voor agressieve belastingplanning; is desalniettemin ingenomen met de verklaring van de voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie op 10 oktober 2018, waarin verwezen wordt naar de mogelijkheid om de lidstaten te screenen volgens dezelfde criteria als die waarmee wordt gewerkt voor de EU-lijst waarover momenteel wordt besproken in de context van de herziening van het mandaat van de Groep gedragscode (145);

310.

is verheugd over de goedkeuring door de Raad op 5 december 2017 van de eerste EU-lijst en het voortdurende toezicht op de door derde landen gedane toezeggingen; merkt op dat de lijst meerdere keren is bijgewerkt op basis van de beoordeling van deze toezeggingen en dat dit erin heeft geresulteerd dat diverse landen van de EU-lijst zijn geschrapt; merkt op dat de lijst nu, ten gevolge van de herziening van 12 maart 2019, de volgende fiscale rechtsgebieden omvat: de Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans-Samoa, Aruba, Barbados, Belize, Bermuda, Dominica, Fiji, Guam, de Marshalleilanden, Oman, Samoa, Trinidad en Tobago, de Verenigde Arabische Emiraten en Vanuatu;

311.

stelt vast dat er nog twee andere rechtsgebieden zijn toegevoegd aan de grijze lijst (Australië en Costa Rica) (146);

312.

stelt vast dat acht grote “pass-through”-economieën (Nederland, Luxemburg, Hongkong, de Britse Maagdeneilanden, Bermuda, de Kaaimaneilanden, Ierland en Singapore) optreden als gastland voor meer dan 85 % van de wereldwijde investeringen in special purpose entities, die vaak om fiscale redenen worden opgericht (147); betreurt dat slechts één van hen (Bermuda) momenteel is opgenomen in de EU-lijst van rechtsgebieden die niet-coöperatief zijn op belastinggebied (148);

313.

beklemtoont dat de screening- en controleprocessen ondoorzichtig zijn en dat het onduidelijk is of ten aanzien van de landen die van de lijst verwijderd zijn inhoudelijke vooruitgang is geboekt;

314.

onderstreept dat de beoordeling door de Raad en de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen gebaseerd is op criteria die voortvloeien uit een door de Commissie bijgehouden technisch scorebord en dat het Parlement juridisch niet bij dit proces betrokken was; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband het Parlement voorafgaand aan de indiening van voorstellen tot wijziging van de lijst gedetailleerd te informeren; roept de Raad op om regelmatig een voortgangsverslag te publiceren over de vorderingen met betrekking tot de zwarte en grijze lijsten van rechtsgebieden als onderdeel van de regelmatige update van de Groep gedragscode aan de Raad;

315.

verzoekt de Commissie en de Raad een ambitieuze en objectieve methodologie te ontwikkelen die niet stoelt op toezeggingen, maar op een beoordeling van de effecten van stipt en correct ten uitvoer gelegde wetgeving in de landen in kwestie;

316.

betreurt ten zeerste het gebrek aan transparantie bij het oorspronkelijke proces voor het opstellen van de lijst, alsook de niet-objectieve toepassing van de door Ecofin vastgestelde criteria daarvoor; hamert erop dat het proces niet het onderwerp mag zijn van politieke beïnvloeding; is echter ingenomen met de verbetering van de transparantie door de openbaarmaking van brieven aan rechtsgebieden die door de Groep gedragscode zijn gescreend, alsook met de reeks ontvangen toezeggingsbrieven; dringt erop aan dat alle resterende niet openbaar gemaakte brieven openbaar worden gemaakt om ervoor te zorgen dat de naleving van de gedane toezeggingen wordt gecontroleerd en de toezeggingen naar behoren ten uitvoer worden gelegd; is van oordeel dat rechtsgebieden die weigeren hun toezeggingen openbaar te maken de verdenking op zich laden niet te zullen samenwerken met betrekking tot fiscale aangelegenheden;

317.

is ingenomen met de recente verduidelijkingen van de Groep gedragscode over eerlijke belastingcriteria, met name wat betreft het ontbreken van economische inhoud voor rechtsgebieden zonder vennootschapsbelastingtarief of met een tarief van bijna 0 %; roept de lidstaten op om te werken aan de geleidelijke verbetering van de EU-criteria voor de opstelling van een lijst met alle schadelijke belastingmaatregelen, met name door een gedetailleerde economische analyse uit te voeren in het kader waarvan gekeken wordt of belastingontduiking wordt gefaciliteerd, of een land een belastingtarief van 0 % kent en of er geen vennootschapsbelasting geheven wordt, als op zichzelf staand criterium (149);

318.

is ingenomen met de nieuwe wereldwijde standaard van de OESO voor de toepassing van de factor substantiële activiteiten op rechtsgebieden zonder belastingen of met slechts nominale belastingen (150), die grotendeels geïnspireerd is door de werkzaamheden van de EU tijdens het proces voor het opstellen van de EU-lijst (151); verzoekt de lidstaten de G20 aan te sporen tot het hervormen van de zwartelijstcriteria van de OESO zodat deze verder gaan dan loutere belastingtransparantie, alsook tot het aanpakken van belastingontduiking en agressieve belastingplanning;

319.

neemt kennis van en is ingenomen met het werk dat door de onderhandelingsteams van de EU en het VK is verzet in verband met de kwestie van belastingheffing, zoals vermeld in bijlage IV bij het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (152); maakt zich zorgen over de onregelmatigheden die zich mogelijk al kort na de terugtrekking van het VK uit de EU tussen de twee partijen kunnen voordoen in beleid tegen financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking, en nieuwe economische, fiscale en veiligheidsrisico's met zich mee kunnen brengen; verzoekt de Commissie en de Raad onmiddellijk op dergelijke risico's te reageren en erop toe te zien dat de belangen van de EU worden beschermd;

320.

wijst erop dat de toekomstige betrekkingen overeenkomstig artikel 79 van de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk (153) een klimaat van open en eerlijke mededinging met zich mee moeten brengen door middel van bepalingen op het gebied van overheidssteun, mededinging, sociale en arbeidsnormen, milieunormen, klimaatverandering en belastingaangelegenheden; neemt met bezorgdheid kennis van de aankondiging van de Britse premier Theresa May dat in het Verenigd Koninkrijk “de laagste vennootschapsbelasting in de G20” zal worden ingevoerd; vraagt het VK om ook in de toekomst een sterke bijdrage te leveren aan de mondiale inspanningen ter waarborging van een betere en efficiëntere belastingheffing, alsook om als lid van de internationale gemeenschap financiële misdrijven te blijven bestrijden; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om het VK, zodra het een derde land is geworden, mee te nemen in de beoordeling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden en de EU-lijst van rechtsgebieden met tekortkomingen in hun regelingen voor de bestrijding van witwaspraktijken, alsook om toezicht te houden op de economische betrekkingen van het VK met zijn direct van de Kroon afhankelijke gebieden en overzeese gebieden;

321.

benadrukt dat het VK, ongeacht wat er na de uiterste datum van terugtrekking gebeurt, lid zal blijven van de OESO, aangezien het gebonden is aan zijn aanbevelingen in het kader van het BEPS-actieplan van de OESO en andere maatregelen op het gebied van goed fiscaal bestuur;

322.

dringt er in het specifieke geval van Zwitserland, waarvoor geen precieze termijn is voorzien vanwege een eerdere overeenkomst tussen Zwitserland en de EU, op aan dat het land tegen eind 2019 in bijlage I wordt opgenomen, op voorwaarde dat Zwitserland, na de juiste escalatieprocedure, zijn niet-conforme belastingstelsels, die een ongelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse inkomsten en belastingvoordelen voor bepaalde soorten bedrijven mogelijk maken, tegen die tijd niet intrekt;

323.

stelt bezorgd vast dat derde landen niet-conforme belastingstelsels mogen intrekken om ze vervolgens te vervangen door nieuwe stelsels die potentieel schadelijk zijn voor de EU; beklemtoont dat dit in het bijzonder kan gebeuren in het geval van Zwitserland; verzoekt de Raad Zwitserland, en elk ander derde land (154) dat soortgelijke wetswijzingen aanbrengt (155), opnieuw aan een grondige beoordeling te onderwerpen;

324.

merkt op dat de onderhandelingen tussen de EU en Zwitserland over de herziening van de bilaterale benadering van wederzijdse markttoegang nog aan de gang zijn; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de definitieve overeenkomst tussen de EU en Zwitserland een clausule in verband met goed fiscaal bestuur omvat, mét specifieke regels voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, de automatische uitwisseling van informatie over belastingheffing, algemene toegang tot informatie over uiteindelijke begunstigden (in voorkomend geval), en bepalingen inzake de bestrijding van witwaspraktijken; verzoekt de onderhandelaars van de EU te komen tot een overeenkomst die onder andere de tekortkomingen (156) in het Zwitserse systeem voor de uitoefening van toezicht elimineert en klokkenluiders beschermt;

325.

is ingenomen met de herziene EU-lijst van 12 maart 2019 (157); is ingenomen met de beschikbaarstelling van de uitvoerige beoordeling van de toezeggingen en hervormingen van jurisdicties die opgenomen waren in bijlage II toen de eerste EU-lijst werd vrijgegeven, op 5 december 2017; is ingenomen met het feit dat jurisdicties die voorheen op basis van in 2017 gedane toezeggingen opgenomen waren in bijlage II, nu in bijlage I zijn opgenomen omdat de toegezegde hervormingen eind 2018 of niet binnen de overeengekomen termijn waren uitgevoerd;

326.

is er bezorgd over dat Oostenrijkse ingezetenen met bankrekeningen bij kredietinstellingen in Liechtenstein niet onder de wet inzake gemeenschappelijke rapportagestandaarden vallen als hun inkomsten uit kapitaal afkomstig zijn uit vermogensstructuren (privéstichtingen, vestigingen, trusts en dergelijke), en als de kredietinstelling in Liechtenstein zorg draagt voor de belastingheffing in overeenstemming met bilaterale verdragen; verzoekt Oostenrijk zijn wet ter zake te wijzigen en aldus het achterpoortje in de gezamenlijke rapportagestandaard te sluiten;

327.

merkt ter illustratie op dat volgens gegevens van de OESO over rechtstreekse buitenlandse investeringen Luxemburg en Nederland samen meer investeringen van buitenaf kennen dan de VS, en dat het overgrote deel daarvan naar special-purpose entities (SPE's) zonder waarneembare inhoudelijke economische activiteiten gaat, en dat Ierland meer investeringen van buitenaf kent dan Duitsland of Frankrijk; wijst erop dat de buitenlandse investeringen in Malta volgens het Maltese Bureau voor de Statistiek 1 474 % van de omvang van zijn economie bedragen;

328.

verwijst naar een studie waarin werd aangetoond dat de belastingontwijking via zes EU-lidstaten tot een verlies van 42,8 miljard EUR aan belastinginkomsten in de andere 22 lidstaten leidt (158), hetgeen betekent dat de nettobetalingspositie van die landen kan worden verrekend met de verliezen die zij veroorzaken voor de belastinggrondslag van die andere lidstaten; merkt op dat bijvoorbeeld Nederland de Unie netto in totaal 11,2 miljard EUR kost, hetgeen betekent dat het land andere lidstaten van belastinginkomsten berooft ten gunste van multinationals en hun aandeelhouders;

329.

herinnert eraan dat, om de aanpak van belastingfraude, belastingontwijking en witwaspraktijken door de Unie en de lidstaten te versterken, alle beschikbare gegevens, ook macro-economische gegevens, doeltreffend moeten worden gebruikt;

330.

herinnert eraan dat de Commissie kritiek heeft uitgeoefend op zeven lidstaten (159) — België, Cyprus, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland — wegens onvolkomenheden in hun belastingsystemen die de deur openzetten voor agressieve belastingplanning, erop wijzend dat zij de integriteit van de Europese interne markt ondermijnen; is van oordeel dat ook kan worden gesteld dat deze rechtsgebieden agressieve belastingplanning wereldwijd faciliteren; benadrukt dat de Commissie heeft erkend dat enkele van de hier genoemde lidstaten maatregelen ter verbetering van hun belastingstelsels hebben genomen om aan de kritiekpunten van de Commissie tegemoet te komen (160); merkt op dat in een recent onderzoek (161) vijf lidstaten van de EU als belastingparadijzen voor ondernemingen zijn aangemerkt: Cyprus, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland; benadrukt dat de criteria en methodologie die zijn gebruikt om deze lidstaten als zodanig aan te merken onder meer bestaan uit een uitgebreide beoordeling van hun schadelijke belastingpraktijken, maatregelen die agressieve belastingplanning mogelijk maken en verstoring van de economische stromen, en dat deze beoordeling is gebaseerd op Eurostat-gegevens, waaronder een combinatie van hoge inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen, royalty's, rente en dividendstromen; roept de Commissie op om momenteel ten minste deze vijf lidstaten als belastingparadijzen in de EU aan te merken totdat er substantiële belastinghervormingen worden doorgevoerd;

331.

verzoekt de Raad een uitvoerige beoordeling vrij te geven van de toezeggingen van rechtsgebieden die uit eigen beweging hervormingen hebben beloofd en die opgenomen waren in bijlage II toen de eerste EU-lijst werd vrijgegeven, op 5 december 2017;

6.2.    Tegenmaatregelen

332.

roept de EU en haar lidstaten eens te meer op doeltreffende en ontmoedigende tegenmaatregelen te nemen tegen niet-coöperatieve rechtsgebieden, als stimulans voor goede samenwerking op het gebied van belastingen en voor 'compliance' door de landen op de EU-lijst in bijlage I;

333.

betreurt het feit dat het wat de meeste van de door de Raad voorgestelde tegenmaatregelen betreft aan de lidstaten is of ze deze al dan niet daadwerkelijk willen treffen; vindt het zorgwekkend dat meerdere deskundigen (162) tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie op 15 mei 2018 hebben benadrukt dat tegenmaatregelen niet-coöperatieve rechtsgebieden mogelijkerwijs onvoldoende stimuleren tot 'compliance', aangezien een aantal van de meest notoire belastingparadijzen helemaal niet op de EU-lijst voorkomen; is van oordeel dat dit ondermijnend werkt voor de geloofwaardigheid van het proces voor het opstellen van een lijst, zoals sommige deskundigen ook hebben gezegd;

334.

verzoekt de lidstaten één enkel pakket krachtige tegenmaatregelen vast te stellen, zoals inhoudingen aan de bron, uitsluiting van overheidsopdrachten, oplegging van strengere auditvereisten en toepassing van automatische CFC-regels op bedrijven die in niet-coöperatieve rechtsgebieden gevestigd zijn, tenzij de belastingbetalers daar echte economische activiteiten naartoe brengen;

335.

verzoekt zowel de belastingdiensten, als de belastingbetalers samen te werken om de relevante feiten te verzamelen indien de gecontroleerde buitenlandse onderneming wezenlijke reële economische activiteiten uitoefent en een aanzienlijke economische aanwezigheid heeft die wordt ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, zoals blijkt uit relevante feiten en omstandigheden;

336.

merkt op dat ontwikkelingslanden mogelijkerwijs over onvoldoende middelen beschikken om uitvoering te geven aan nieuw overeengekomen internationale of Europese belastingnormen; verzoekt de Raad dan ook tegenmaatregelen zoals de vermindering van ontwikkelingshulp, uit te sluiten;

337.

stelt vast dat tegenmaatregelen cruciaal zijn voor het aanpakken van belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken; merkt daarnaast op dat het economische gewicht dat de Europese Unie in de schaal legt ertoe kan dienen niet-coöperatieve rechtsgebieden en belastingbetalers ervan te weerhouden misbruik te maken van fiscale achterdeurtjes en de door die rechtsgebieden mogelijk gemaakte schadelijke belastingpraktijken;

338.

roept de Europese financiële instellingen (163) op te overwegen om per project meer en betere zorgvuldigheid te betrachten in de in bijlage II van de EU-lijst vermelde rechtsgebieden om te voorkomen dat EU-middelen worden geïnvesteerd in of gekanaliseerd via entiteiten in derde landen die niet voldoen aan de fiscale normen van de EU; neemt nota van de goedkeuring door de EIB van haar herziene beleid “Group Policy Towards Weakly Regulated, Non-Transparent and Non-Cooperative Jurisdictions and Tax Good Governance” en roept ertoe op dit beleid regelmatig te actualiseren en er — in overeenstemming met de EU-normen — strengere vereisten inzake transparantie in op te nemen; verzoekt de EIB om dit beleid openbaar te maken zodra zij dit heeft vastgesteld; dringt aan op een gelijk speelveld en vindt het belangrijk dat voor alle Europese financiële instellingen dezelfde normen gelden;

6.3.    Positie van de EU als wereldleider

339.

herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om na voorafgaande coördinatie een leidende rol te spelen in de wereldwijde strijd tegen belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld, met name via initiatieven van de Commissie in alle betrokken internationale fora, waaronder de VN, de G20 en de OESO, die op fiscaal gebied een spilfunctie hebben gespeeld, in het bijzonder na de internationale financiële crisis;

340.

herinnert eraan dat multilaterale maatregelen en internationale samenwerking tussen landen, inclusief ontwikkelingslanden, met inachtneming van het wederkerigheidsbeginsel, dé manier is om concrete resultaten te behalen; betreurt het feit dat sommige wetgevingsvoorstellen die verder gaan dan de BEPS-aanbevelingen van de OESO en als uitgangspunt zouden kunnen dienen voor verdere vruchtbare werkzaamheden op internationaal niveau, in de Raad worden tegengehouden;

341.

is van mening dat de oprichting van een intergouvernementeel fiscaal orgaan in VN-verband, dat goed uitgerust moet zijn en de beschikking moet hebben over voldoende middelen en, in voorkomend geval, handhavingsbevoegdheden, ervoor zou zorgen dat alle landen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de uitwerking en hervorming van de wereldwijde belastingagenda (164) voor de doeltreffende bestrijding van schadelijke belastingpraktijken, en voor een passende verdeling van de heffingsbevoegdheid; neemt nota van het feit dat er onlangs meerdere keren toe is opgeroepen het VN-Comité van deskundigen inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden op te waarderen tot een intergouvernementeel wereldwijd VN-belastingorgaan (165); benadrukt dat het modelverdrag van de VN inzake belastingheffing zorgt voor een eerlijker verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen het bronland en het vestigingsland;

342.

roept op tot een intergouvernementele top over de resterende noodzakelijke wereldwijde belastinghervormingen om de internationale samenwerking te versterken en druk uit te oefenen op alle landen, met name hun financiële centra, om te voldoen aan de normen inzake transparantie en eerlijke belastingheffing; verzoekt de Commissie het initiatief voor een dergelijke top te nemen, die de aanzet moet geven tot een tweede pakket internationale belastinghervormingen in het verlengde van het BEPS-actieplan en de oprichting van het bovengenoemde intergouvernementele belastingorgaan mogelijk moet maken;

343.

neemt nota van het werk van de Commissie en haar bijdragen aan het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden van de OESO en het Inclusief Kader inzake BEPS, in het bijzonder om wereldwijd beter fiscaal bestuur te bevorderen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de internationale normen voor goed fiscaal bestuur in de EU ook in de toekomst volledig worden nageleefd;

6.4.    Ontwikkelingslanden

344.

is van mening dat steun aan ontwikkelingslanden bij de bestrijding van belastingontduiking en agressieve belastingplanning, alsmede corruptie en geheimhouding, die illegale geldstromen vergemakkelijken, van het allergrootste belang is voor de versterking van de beleidscoherentie voor ontwikkeling in de EU en de verbetering van de belastingcapaciteit van ontwikkelingslanden en het vermogen om hun eigen middelen te mobiliseren voor duurzame economische ontwikkeling; beklemtoont dat de belastingautoriteiten van ontwikkelingslanden meer financiële en technische bijstand moet worden geboden met het oog op het tot stand brengen van stabiele en moderne kaders voor belastingheffing;

345.

is verheugd over de samenwerking tussen de EU en de Afrikaanse Unie (AU) in het kader van het Addis Tax Initiative (ATI), het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en het Kimberleyproces; verzoekt de Commissie en de lidstaten de landen van de AU te helpen bij het ten uitvoer leggen van transparantiebeleid; spoort de nationale en regionale belastingautoriteiten in dit verband aan automatisch informatie uit te wisselen; wijst nog eens op het belang van nauwe en versterkte samenwerking tussen Interpol en Afripol;

346.

wijst erop dat de lidstaten — in nauwe samenwerking met de Commissie — regelmatig de overloopeffecten moeten analyseren van de materiële gevolgen van het belastingbeleid en bilaterale belastingverdragen op andere lidstaten en op ontwikkelingslanden, en erkent dat op dit gebied reeds bepaalde werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het kader van het platform voor goed fiscaal bestuur; verzoekt alle lidstaten dergelijke analyses van overloopeffecten te verrichten onder toezicht van de Commissie;

347.

dringt er bij de lidstaten op aan bilaterale overeenkomsten inzake belastingheffing tussen lidstaten en met derde landen te herzien en bij te werken om de mazen te dichten die aanzetten tot fiscaal geïnspireerde handelspraktijken met het oog op belastingontwijking;

348.

herinnert eraan dat rekening moet worden gehouden met de specifieke juridische kenmerken en kwetsbaarheden van ontwikkelingslanden, met name in het kader van de automatische uitwisseling van informatie, d.w.z. wat betreft de overgangsperiode en hun behoefte aan ondersteuning bij hun capaciteitsopbouw;

349.

merkt op dat nauwere samenwerking met regionale organisaties nodig is, met name met de AU, om illegale geldstromen en corruptie in de particuliere en de publieke sector te bestrijden;

350.

is verheugd over de gelijkwaardige deelname van alle landen die betrokken zijn bij het Inclusief Kader, dat meer dan 115 landen en rechtsgebieden samenbrengt om samen te werken bij de tenuitvoerlegging van het BEPS-pakket van de OESO/G20; roept de lidstaten op om een hervorming van zowel het mandaat als de werking van het Inclusief Kader te ondersteunen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de belangen van de ontwikkelingslanden; herinnert evenwel aan de uitsluiting van meer dan 100 ontwikkelingslanden van de onderhandelingen over de BEPS-maatregelen;

351.

onderkent dat ook onder ontwikkelingslanden belastingparadijzen voorkomen; verwelkomt het voorstel van de Commissie voor versterkte samenwerking met derde landen bij de aanpak van terrorismefinanciering en in het bijzonder de invoering van een importvergunning voor antiek;

352.

herinnert eraan dat de officiële ontwikkelingshulp die tot doel heeft de armoede terug te dringen, meer moet worden gebruikt voor de totstandbrenging van een passend regelgevingskader en voor het versterken van de belastingdiensten en de instanties die belast zijn met de bestrijding van illegale geldstromen; vindt dat deze hulp moet worden geboden in de vorm van technische knowhow op het gebied van beheer van middelen, financiële kennis en corruptiebestrijdingsregels; dringt erop aan dat deze hulp ook gericht moet zijn op bevordering van de regionale samenwerking op de gebieden belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld; benadrukt dat deze hulp ook steun moet omvatten aan het maatschappelijk middenveld en de media in ontwikkelingslanden om te zorgen voor publieke controle op het nationale belastingbeleid;

353.

verwacht van de Commissie dat zij voldoende middelen ter beschikking stelt om de aanpak “meer innen — beter besteden” ten uitvoer te leggen, met name via haar vlaggenschipprogramma's (166);

354.

pleit voor een gecoördineerd extern optreden van de EU en haar lidstaten op alle beleidsniveaus teneinde derde landen en met name ontwikkelingslanden in staat te stellen een evenwichtige economische groei te realiseren en te voorkomen dat zij afhankelijk zijn van één enkele sector, met name de financiële sector;

355.

herinnert eraan dat ontwikkelingslanden eerlijk moeten worden behandeld bij de onderhandelingen over belastingverdragen, waarbij rekening moet worden gehouden met hun specifieke situatie en moet worden gezorgd voor een eerlijke toewijzing van belastingrechten op basis van echte economische activiteit en waardecreatie; dringt er in dit verband op aan het VN-model voor belastingverdragen als minimumnorm te hanteren en bij onderhandelingen over verdragen transparantie te waarborgen; erkent dat het OESO-model voor belastingverdragen meer rechten verleent aan het land van vestiging;

356.

verzoekt de Commissie in het nieuwe verdrag met de ACS-landen, waarover moet worden onderhandeld wanneer de huidige Overeenkomst van Cotonou in februari 2020 verstrijkt, bepalingen over de aanpak van financiële misdaad, belastingontduiking en agressieve belastingplanning op te nemen; wijst erop dat dergelijke bepalingen alleen doeltreffend ten uitvoer kunnen worden gelegd indien op belastinggebied transparantie wordt betracht;

6.5.    EU-overeenkomsten met derde landen

357.

wijst erop dat goed fiscaal bestuur een mondiale uitdaging is die bovenal mondiale oplossingen vereist; herinnert daarom aan zijn standpunt dat in alle nieuwe relevante EU-overeenkomsten met derde landen een clausule inzake goed fiscaal bestuur moet worden opgenomen om ervoor te zorgen dat deze overeenkomsten niet door ondernemingen of tussenpersonen kunnen worden misbruikt om belastingen te ontwijken of te ontduiken of illegale opbrengsten wit te wassen, zonder dat dit ten koste gaat van de exclusieve bevoegdheden van de EU; is van mening dat deze clausule specifieke regels moet bevatten voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, transparantievereisten en bepalingen ter bestrijding van witwaspraktijken;

358.

spoort de lidstaten aan hun bilaterale betrekkingen met de respectieve derde landen op gecoördineerde manier te gebruiken, in voorkomend geval met ondersteuning van de Commissie, om tot meer bilaterale samenwerking te komen tussen FIE's, belastingautoriteiten en bevoegde autoriteiten met het oog op het bestrijden van financiële misdaad;

359.

merkt op dat de vrijhandelsovereenkomsten (FTA's) van de EU, parallel aan de politieke overeenkomsten waarin deze clausule inzake goed fiscaal bestuur is opgenomen, belastingvrijstellingen bevatten die beleidsruimte bieden voor de tenuitvoerlegging van de aanpak van de EU ter bestrijding van belastingontduiking en witwaspraktijken, bijvoorbeeld door aan te dringen op goed fiscaal bestuur en door een doeltreffend gebruik van de EU-lijst van op belastinggebied niet-coöperatieve rechtsgebieden; merkt voorts op dat vrijhandelsovereenkomsten ook tot doel hebben de desbetreffende internationale normen en de handhaving ervan in derde landen te bevorderen;

360.

is van mening dat de EU geen overeenkomsten moet sluiten met op belastinggebied niet-coöperatieve rechtsgebieden als opgenomen in bijlage I van de EU-lijst totdat het rechtsgebied de EU-normen voor goed fiscaal bestuur naleeft; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de niet-naleving van de EU-normen voor goed fiscaal bestuur de goede werking van vrijhandelsovereenkomsten of van politieke overeenkomsten in gevallen waarin al een overeenkomst is ondertekend, in het gedrang brengt;

361.

wijst er nogmaals op dat clausules inzake goed fiscaal bestuur en transparantie, alsook de uitwisseling van informatie, moeten worden opgenomen in alle nieuwe relevante EU-overeenkomsten met derde landen, en onderdeel moeten vormen van onderhandelingen over de herziening van bestaande overeenkomsten, gezien het feit dat dit kerninstrumenten zijn van het extern beleid van de EU, maar dat er, afhankelijk van het specifieke beleidsgebied, verschillende bevoegdheidsniveaus bij betrokken zijn;

6.6.    Door de lidstaten gesloten bilaterale belastingverdragen

362.

merkt op dat sommige deskundigen van mening zijn dat veel belastingverdragen die door EU-lidstaten zijn gesloten, de fiscale rechten van landen met een laag inkomen of laag middeninkomen beperken (167); verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten zich bij onderhandelingen over belastingverdragen te houden aan het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU; onderstreept dat het sluiten van belastingverdragen tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

363.

merkt op dat de verliezen door belastingontwijking significant groter zijn in landen met een laag inkomen of een middeninkomen, met name in Afrika bezuiden de Sahara, Latijns-Amerika en de Caraïben, en in Zuid-Azië, dan in andere regio's (168); verzoekt de lidstaten dan ook opnieuw te onderhandelen over hun bilaterale belastingverdragen met derde landen, teneinde daar antimisbruikbepalingen in op te nemen, “verdragshopping” te voorkomen en een race naar de bodem tussen ontwikkelingslanden te verhinderen;

364.

verzoekt de Commissie alle geldende en door de lidstaten met derde landen ondertekende belastingverdragen te herzien om ervoor te zorgen dat ze allemaal in overeenstemming zijn met nieuwe mondiale normen, zoals het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving; merkt op dat dit Multilateraal Verdrag op de OESO gebaseerde normen bevat die niet werden vastgesteld met inachtneming van de behoeften of uitdagingen van ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie aanbevelingen te doen aan de lidstaten met betrekking tot hun bestaande bilaterale belastingverdragen om ervoor te zorgen dat daarin algemene antimisbruikregels worden opgenomen, waarbij wordt gekeken naar echte economische activiteit en waardecreatie;

365.

is zich ervan bewust dat bilaterale belastingverdragen geen rekening houden met de huidige realiteit van de digitale economie; verzoekt de lidstaten hun bilaterale belastingverdragen te actualiseren op basis van de aanbeveling van de Commissie betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (169);

6.7.    Dubbele belasting

366.

is ingenomen met het versterkte kader inzake het voorkomen van dubbele niet-belasting; beklemtoont dat de eliminatie van dubbele belastingheffing van groot belang is om ervoor te zorgen dat eerlijke belastingbetalers billijk worden behandeld en dat hun vertrouwen niet wordt ondermijnd; verzoekt de lidstaten zich te houden aan de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing die zij hebben gesloten, en oprecht en voortvarend samen te werken bij gevallen van gemelde dubbele belastingheffing;

367.

is verheugd over de goedkeuring van Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen voor de beslechting van belastinggeschillen in de EU, waarmee de norm van BEPS-actie 14 ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat de termijn voor de omzetting van de richtlijn (30 juni 2019) nog niet is verstreken en dat de bepalingen moeten worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat zij efficiënt en effectief zijn;

368.

verzoekt de Commissie informatie te verzamelen en vrij te geven over het aantal ingediende en opgeloste belastinggeschillen, gesorteerd per soort geschil per jaar en per betrokken land, om het mechanisme te controleren en ervoor te zorgen dat het efficiënt en effectief is;

6.8.    Ultraperifere gebieden

369.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ultraperifere gebieden van de EU de BEPS-minimumnormen en de richtlijn bestrijding belastingontwijking toepassen;

370.

merkt op dat de Commissie een diepgaand onderzoek heeft geopend om na te gaan of Portugal de regionale steunregeling voor de vrijhandelszone van Madeira toepast (170);

7.    Intermediairs

371.

is verheugd over de brede definitie van zowel “intermediair” (171) als “meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie” in de onlangs goedgekeurde zesde richtlijn administratieve samenwerking (172); pleit voor een actualisering van die richtlijn, teneinde er bijvoorbeeld ook regelingen voor dividendarbitrage, met inbegrip van de restitutie van dividend- en vermogensaanwasbelasting, onder te laten vallen; verzoekt de Commissie de uitbreiding van de meldingsplicht in het kader van de zesde richtlijn administratieve samenwerking tot nationale gevallen nog eens tegen het licht te houden; herinnert eraan dat intermediairs krachtens de zesde richtlijn administratieve samenwerking verplicht zijn regelingen op basis van structurele leemten in de belastingwetgeving te melden aan de belastingautoriteiten, in het bijzonder tegen de achtergrond van het toenemende aantal grensoverschrijdende belastingontwijkingsstrategieën; is van oordeel dat regelingen waarvan de relevante nationale autoriteiten vinden dat ze schadelijk zijn op geanonimiseerde wijze moeten worden aangepakt en openbaar gemaakt;

372.

herhaalt dat intermediairs een cruciale rol spelen bij het vergemakkelijken van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme en voor deze acties aansprakelijk moeten worden gesteld;

373.

wijst nogmaals op de noodzaak van een betere samenwerking tussen de belastingdiensten en de financiële toezichthouders om te komen tot gezamenlijk en doeltreffend toezicht op de rol van financiële intermediairs, in het licht van het gegeven dat bepaalde door fiscale overwegingen ingegeven financiële instrumenten een risico kunnen vormen voor de stabiliteit van de financiële markt en de integriteit van de markt;

374.

is van mening dat de Unie in haar voortrekkersrol ook het goede voorbeeld moet geven, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat intermediairs die agressieve belastingplanning en belastingontwijking bevorderen in verband met deze aangelegenheden geen sturende of adviserende rol mogen spelen naar de beleidsvormende instellingen van de Unie toe;

375.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de ogen niet te sluiten voor en iets te doen aan de risico's van belangenconflicten die ontstaan wanneer juridische adviesdienstverstrekkers, belastingadviseurs en auditors zowel bedrijven, als overheden als klanten hebben; beklemtoont dat belangenconflicten verschillende vormen kunnen hebben, zoals openbare aanbestedingen die betaalde adviesverlening met betrekking tot deze diensten vereisen, informele of onbetaalde adviesverlening, officiële advies- en deskundigengroepen, en draaideurconstructies; beklemtoont in dit verband dat ondubbelzinnig moet worden aangegeven welke diensten aan een bepaalde klant worden geleverd en dat een helder onderscheid tussen deze diensten moet worden aangebracht; herhaalt zijn in eerdere verslagen (173) geformuleerde verzoeken met betrekking tot dit onderwerp;

376.

is verheugd over de controle op de handhaving van Richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (174) en van Verordening (EU) Nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie (175), in het bijzonder de bepaling betreffende wettelijke auditors of auditkantoren die de wettelijke controles van de jaarrekeningen van organisaties van openbaar belang uitvoeren; wijst erop dat moet worden gegarandeerd dat de regels naar behoren worden toegepast;

377.

verzoekt de lidstaten de invoering te overwegen van een fiscale aangifteplicht voor alle fiscale en financiële intermediairs als bedoeld in actiepunt 12 van het BEPS-project die in het kader van hun beroepsactiviteiten kennis nemen van het bestaan van misleidende of agressieve transacties, mechanismen of structuren;

378.

pleit er ter voorkoming van belangenconflicten en het tot een minimum beperken van de verlening van niet-auditdiensten voor dat om de zeven jaar van auditor wordt veranderd;

379.

herhaalt dat aan financiële instellingen, adviseurs en andere intermediairs die willens en wetens, stelselmatig en herhaaldelijk faciliterend optreden voor, uitvoering geven aan of betrokken zijn bij witwaspraktijken of belastingontduikingsactiviteiten, of die kantoren, filialen of dochterondernemingen vestigen in landen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden met als doel hun klanten agressieve belastingplanningsregelingen aan te bieden, doeltreffende, proportionele en afschrikkende sancties moeten worden opgelegd; vindt dat de vergunningen van de instellingen en personen in kwestie aan een serieuze toetsing moeten worden onderworpen in het geval dat zij veroordeeld worden voor deelname aan frauduleuze handelingen of zij ervan op de hoogte zijn dat hun klanten zich aan frauduleuze handelingen schuldig maken, en dat, in voorkomend geval, hun activiteiten op de interne markt aan banden moeten worden gelegd;

380.

wijst erop dat het beroepsgeheim niet kan worden ingeroepen voor het bieden van bescherming aan of het verdoezelen van illegale praktijken, of voor het schenden van de geest van de wet; benadrukt dat het beroepsgeheim van advocaten het conform de regels melden van verdachte transacties of andere potentieel illegale handelingen niet in de weg mag staan, onverminderd de rechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het strafrecht;

381.

verzoekt de Commissie richtsnoeren voor de beroepsgroep op te stellen met betrekking tot de interpretatie en toepassing van het beginsel van beroepsgeheim en een duidelijke scheidslijn aan te brengen tussen traditionele juridische advisering en de uitvoering van financiële transacties door advocaten, in overeenstemming met de jurisprudentie van de Europese rechtbanken;

8.    Bescherming van klokkenluiders en journalisten

382.

is van mening dat de bescherming van klokkenluiders in zowel de particuliere, als de publieke sector van groot belang is om ervoor te zorgen dat onwettige activiteiten en misbruik van de wet worden voorkomen of niet tot bloei komen; erkent dat klokkenluiders een cruciale rol vervullen bij het versterken van democratie in samenlevingen, bij de bestrijding van corruptie en andere ernstige misdrijven of illegale activiteiten, en bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie; benadrukt dat klokkenluiders voor onderzoekjournalisten vaak een cruciale bron van informatie zijn en daarom tegen elke vorm van intimidatie en vergelding moeten worden beschermd; wijst op het belang van het aanbieden van alle meldingskanalen;

383.

is van mening dat de vertrouwelijkheid van onderzoeksjournalistieke bronnen, waaronder klokkenluiders, moet worden beschermd om de rol van de onderzoeksjournalistiek als waakhond in democratische samenlevingen te waarborgen;

384.

is derhalve van oordeel dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden van deze geheimhoudingsplicht moet kunnen worden afgeweken, wanneer de openbaarmaking van informatie over de identiteit van de melder een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of gerechtelijke procedures, dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing dienen te zijn; is van oordeel dat in passende sancties moet worden voorzien als de plicht tot geheimhouding van de identiteit van de melder wordt geschonden (176);

385.

merkt op dat de Amerikaanse False Claims Act in een stevig kader voor de beloning van klokkenluiders voorziet in gevallen waarin de overheid geld terugvordert dat door fraude verloren was gegaan (177); onderstreept dat klokkenluiders volgens een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Justitie rechtstreeks verantwoordelijk waren voor het opsporen en melden van 3,4 miljard van de in totaal teruggevorderde 3,7 miljard Amerikaaanse dollar; verzoekt de lidstaten bij de relevante autoriteiten en particuliere entiteiten veilige en vertrouwelijke communicatiekanalen in te richten voor meldingen van klokkenluiders;

386.

verzoekt de Commissie in kaart te brengen welke goede praktijken op het gebied van het beschermen van en het bieden van stimulansen aan klokkenluiders er in de wereld (178) zijn en, in voorkomend geval en indien nodig, te overwegen de bestaande wetgeving tegen het licht te houden om soortgelijke regelingen in de EU nog doeltreffender te maken;

387.

pleit voor de oprichting van een algemeen EU-fonds waarmee passende financiële ondersteuning wordt gegeven aan klokkenluiders die het risico lopen hun inkomen te verliezen ten gevolge van onthullingen van criminele handelingen of feiten met een duidelijk openbaar belang;

388.

vindt het verontrustend dat klokkenluiders hun zorgen vaak niet durven te melden uit angst voor vergelding en wijst erop dat als vergeldingsmaatregelen niet worden ontmoedigd of onbestraft blijven, dit een afschrikkend effect kan hebben op potentiële klokkenluiders; is van mening dat de erkenning in de vijfde antiwitwasrichtlijn van het recht van klokkenluiders om op een veilige manier een klacht in te dienen bij de respectieve bevoegde autoriteiten, in het bijzonder bij één enkel contactpunt in complexe internationale gevallen, wanneer zij worden blootgesteld aan een dreiging of vergelding, alsook van hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte, een aanzienlijke verbetering inhoudt van de situatie van personen die intern binnen de onderneming of aan een FIE vermoedens van witwassen of financiering van terrorisme melden; verzoekt de lidstaten de bepalingen inzake de bescherming van klokkenluiders in de vijfde antiwitwasrichtlijn binnen de geldende termijnen in nationale wetgeving om te zetten en op passende wijze te handhaven;

389.

is ingenomen met het resultaat van de interinstitutionele onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, en roept de lidstaten op de nieuwe normen zo spoedig mogelijk vast te stellen om klokkenluiders te beschermen door middel van maatregelen zoals duidelijke rapportagekanalen, vertrouwelijkheid, rechtsbescherming en sancties voor degenen die proberen klokkenluiders te vervolgen;

390.

herinnert eraan dat EU-ambtenaren die als klokkenluiders meldingen doen, bescherming genieten krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van diezelfde Unie (179), en verzoekt de lidstaten vergelijkbare regelingen voor hun nationale ambtenaren vast te stellen;

391.

is van oordeel dat niet-openbaarmakingsclausules in arbeidscontracten en ontslagregelingen werknemers er geenszins van mogen weerhouden verdachte gevallen van inbreuken op wetgeving en de mensenrechten (180) te melden aan de bevoegde autoriteiten; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken voorstellen te doen voor wetgeving houdende een verbod op onrechtmatige niet-openbaarmakingsclausules;

392.

merkt op dat de TAX3-commissie de klokkenluiders in de zaken Julius Bär en Danske Bank heeft uitgenodigd om te getuigen tijdens openbare parlementaire hoorzittingen (181); vindt het zorgwekkend dat de bescherming van klokkenluiders in financiële instellingen niet geheel bevredigend is en dat angst voor vergelding door zowel werkgevers, als autoriteiten kan betekenen dat klokkenluiders zich niet melden met informatie over inbreuken op wetgeving; betreurt het ten zeerste dat de klokkenluider van de Danske Bank zijn inzichten in de zaak van de Danske Bank niet vrij en volledig kon delen wegens juridische beperkingen;

393.

betreurt het dat de Deense financiële toezichthouder geen contact heeft opgenomen met de klokkenluider die melding maakte van massale witwasactiviteiten bij de Danske Bank; is van mening dat dit verzuim een grove nalatigheid van de Deense financiële toezichthouder is met betrekking tot zijn plicht om naar aanleiding van ernstige beschuldigingen van grootschalige en systematische witwaspraktijken via een bank een behoorlijk onderzoek in te stellen; roept de bevoegde autoriteiten van de EU en de lidstaten op om ten volle gebruik te maken van de door klokkenluiders verstrekte informatie en om snel en resoluut te handelen op basis van de informatie die van hen is verkregen;

394.

verzoekt de lidstaten in de Raad van Europa nauw samen te werken voor de bevordering en omzetting in de nationale wetgeving van alle landen die bij de Raad van Europa aangesloten zijn van de aanbeveling inzake de bescherming van klokkenluiders; verzoekt de Commissie en de lidstaten in andere internationale fora het voortouw te nemen bij de bevordering van de goedkeuring van bindende internationale normen voor de bescherming van klokkenluiders;

395.

merkt op dat het niet alleen essentieel is om de identiteit van klokkenluiders geheim te houden met het oog op de bescherming van de persoon in kwestie die een melding doet, maar dat daarnaast anonieme meldingen verder moeten worden beschermd tegen algemene dreigementen en aanvallen waarmee degenen die zich aangevallen voelen de anonieme melder in diskrediet proberen te brengen;

396.

erkent de moeilijkheden die journalisten ondervinden bij het onderzoeken van of het verslag uitbrengen over gevallen van witwaspraktijken, belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning; vindt het zorgwekkend dat onderzoeksjournalisten vaak het onderwerp zijn van bedreigingen en intimidatie, waaronder juridische intimidatie in de vorm van strategische rechtszaken tegen publieke inspraak; verzoekt de lidstaten de bescherming van journalisten te verbeteren, in het bijzonder van journalisten die onderzoek doen naar financiële misdaad;

397.

verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een financiële steunregeling voor onderzoeksjournalistiek op te zetten, eventueel door de invoering van een permanent en specifiek daarvoor bestemd begrotingsonderdeel voor de ondersteuning van onafhankelijke kwaliteitsmedia en onafhankelijke onderzoeksjournalistiek in het nieuwe meerjarig financieel kader;

398.

veroordeelt krachtig het gebruik van geweld tegen journalisten; herinnert er met ontzetting aan dat in de afgelopen jaren in Malta en Slowakije journalisten die betrokken waren bij het onderzoek naar dubieuze activiteiten met een witwascomponent zijn vermoord (182); onderstreept dat volgens de Raad van Europa misbruik en misdaden jegens journalisten de vrijheid van meningsuiting ernstig aantasten en het verschijnsel van zelfcensuur versterken;

399.

verzoekt de Maltese autoriteiten alle beschikbare middelen in te zetten om vooruitgang te boeken bij de identificatie van de aanstichters van de moord op de onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia; is ingenomen met het initiatief van 26 internationale organisaties voor mediavrijheid en van journalisten om aan te dringen op het openen van een onafhankelijk openbaar onderzoek naar de moord op Daphne Caruana Galizia en na te gaan of deze moord had kunnen worden voorkomen; verzoekt de Maltese regering dit onafhankelijk openbaar onderzoek zonder uitstel op te starten; merkt op dat de Maltese regering contact heeft opgenomen met internationale instellingen zoals Europol, de FBI en het Nederlands Forensisch Instituut, teneinde haar deskundigheid te versterken;

400.

verwelkomt de aanklacht die de Slowaakse autoriteiten hebben ingediend tegen de vermeende aanstichter van de moorden op Ján Kuciak en Martina Kušnírová en de vermeende daders van de moorden; moedigt de Slowaakse autoriteiten aan hun onderzoek naar de moorden voort te zetten en ervoor te zorgen dat alle aspecten van de zaak volledig worden onderzocht, met inbegrip van eventuele politieke verbanden met de misdaden; verzoekt de Slowaakse autoriteiten een diepgaand onderzoek in te stellen naar gevallen van grootschalige belastingontduiking, btw-fraude en witwaspraktijken die aan het licht zijn gebracht door het onderzoek van Ján Kuciak;

401.

betreurt het feit dat onderzoeksjournalisten, waaronder Daphne Caruana Galizia, vaak het slachtoffer zijn van onrechtmatige rechtszaken die bedoeld zijn om hen te censureren, te intimideren en het zwijgen op te leggen door hen te belasten met de kosten van de juridische verdediging totdat zij gedwongen worden hun kritiek of oppositie op te geven; herinnert eraan dat deze onrechtmatige rechtszaken een bedreiging vormen voor de fundamentele democratische rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid om informatie te verspreiden en te ontvangen;

402.

roept de lidstaten op mechanismen in te voeren ter voorkoming van strategische rechtszaken tegen publieke inspraak; is van mening dat deze mechanismen naar behoren rekening moeten houden met het recht op een goede naam en reputatie; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is op dit gebied concrete maatregelen te nemen, en wat de aard van die maatregelen zou kunnen zijn;

403.

betreurt het dat Zwitserse smaadwetten worden gebruikt om kritische stemmen in Zwitserland en overal ter wereld het zwijgen op te leggen omdat de bewijslast niet op de eisende partij, maar op de verwerende partij rust; beklemtoont dat dit niet alleen gevolgen heeft voor journalisten en klokkenluiders, maar ook voor rapporterende entiteiten in de Europese Unie en meldingsplichtige personen in het kader van het register van uiteindelijke begunstigden, aangezien in gevallen waarin zich de verplichting voordoet een Zwitserse uiteindelijke begunstigde te melden de rapporterende persoon in Zwitserland zou kunnen worden aangeklaagd wegens aansprakelijkheid en smaad, hetgeen strafbare feiten zijn (183);

9.    Institutionele aspecten

9.1.    Transparantie

404.

is verheugd over het werk van het platform voor goed fiscaal bestuur; merkt op dat het mandaat van het platform geldt tot 16 juni 2019; dringt erop aan dat het wordt verlengd of vernieuwd om ervoor te zorgen dat de lidstaten en de Commissie luisteren naar de zorgen en expertise van het maatschappelijk middenveld; moedigt de Commissie aan om het aantal deskundigen dat is uitgenodigd voor de deskundigengroep inzake witwassen en terrorismefinanciering uit te breiden met deskundigen uit de particuliere sector (bedrijfsleven en ngo's);

405.

benadrukt dat de Europese Ombudsman het mandaat heeft om de toepassing door de EU-instellingen van de EU-regels inzake de toegang van het publiek tot documenten te onderzoeken, met inbegrip van de werkmethoden van de Raad of de Groep gedragscode op het gebied van belastingen;

406.

herinnert aan de resultaten van het initiatiefonderzoek van de Ombudsman naar de werkmethoden van de Raad en zijn aanbeveling van 9 februari 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de praktijk van de Raad om wetgevingsdocumenten niet algemeen toegankelijk te maken, het onevenredig gebruik van de “LIMITÉ”-status en het systematisch niet-registreren van de identiteit van de lidstaten die een standpunt innemen in een wetgevingsprocedure, wanbeheer vormen (184);

407.

herinnert eraan dat belastingen onverminderd een nationale bevoegdheid zijn en dat het Europees Parlement in deze aangelegenheden over een zeer beperkte bevoegdheid beschikt;

408.

wijst erop dat kwesties als belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning evenwel niet doeltreffend kunnen worden aangepakt door de lidstaten afzonderlijk; betreurt het dan ook dat de TAX3-commissie ondanks verzoeken aan de Raad niet de beschikking heeft gekregen over relevante documenten; is uiterst bezorgd over het gebrek aan politieke wil van de lidstaten in de Raad om belangrijke stappen te zetten bij de bestrijding van witwaspraktijken, belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, of om zich te houden aan het VEU en het beginsel van loyale samenwerking in acht te nemen (185) door voldoende transparantie en samenwerking met de andere EU-instellingen te garanderen;

409.

betreurt dat de bestaande regels voor de toegang tot geclassificeerde en overige vertrouwelijke informatie die door de Raad, de Commissie of de lidstaten ter beschikking wordt gesteld van het Europees Parlement geen volledige rechtszekerheid bieden, maar gewoonlijk worden geïnterpreteerd als zouden geaccrediteerde parlementaire medewerkers niet gemachtigd zijn in een afgesloten ruimte niet-geclassificeerde “overige vertrouwelijke informatie” te raadplegen en te analyseren; verzoekt daarom om de opname — in een via onderhandelingen tot stand gebracht interinstitutioneel akkoord — van een duidelijk geformuleerde bepaling die waarborgt dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers op basis van het “need-to-know”-beginsel, ter ondersteuning van de leden, recht krijgen op toegang tot documenten;

410.

betreurt het feit dat de vertegenwoordigers van het voorzitterschap van de Raad, ondanks herhaalde uitnodigingen, geweigerd hebben voor de TAX3-commissie te verschijnen om verslag uit te brengen over de vooruitgang die geboekt is met de toepassing van de aanbevelingen van de TAXE-, TAX3- en PANA-commissies; beklemtoont dat werkcontacten tussen het voorzitterschap van de Raad en bijzondere commissies en onderzoekscommissies van het Europees Parlement de normale praktijk dienen te zijn;

9.2.    Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen

411.

neemt kennis van de toegenomen communicatie van de Groep gedragscode en is met name verheugd over de halfjaarlijkse publicatie van zijn verslag aan de Raad, alsook over de brieven die naar rechtsgebieden zijn gestuurd en de toezeggingen die zijn ontvangen in het kader van het EU-proces voor het opstellen van lijsten;

412.

betreurt echter het ondoorzichtige karakter van de onderhandelingen over het EU-proces voor het opstellen van lijsten en roept de lidstaten op te zorgen voor transparantie bij de komende actualisering van de lijsten;

413.

is verheugd over het feit dat de voorzitter van de Groep gedragscode voor de TAX3-commissie is verschenen, waarmee werd teruggekomen op het eerdere standpunt van de Groep gedragscode; merkt ook op dat sinds de start van de werkzaamheden van de TAX3-commissie compilaties van de werkzaamheden van de Groep gedragscode beschikbaar zijn gesteld (186); betreurt echter dat deze documenten niet eerder zijn gepubliceerd maar in essentiële tekstgedeelten werden geschrapt;

414.

benadrukt dat de bovengenoemde aanbevelingen van de Ombudsman ook van toepassing zijn op de Groep gedragscode, die de nodige informatie moet verstrekken, met name over schadelijke belastingmaatregelen van de lidstaten en het EU-proces voor het opstellen van lijsten;

415.

verzoekt de Groep gedragscode aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat haar vergaderingen transparant zijn, in het bijzonder door het — niet later dan zes maanden na de vergadering — openbaar maken van de standpunten van de verschillende lidstaten over de punten op de agenda;

416.

verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de toepassing van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen en over de toepassing van fiscale staatssteun, zoals vastgesteld in artikel N van de gedragscode (187);

417.

is van mening dat het mandaat van de Groep gedragscode moet worden geactualiseerd, aangezien het zich niet alleen bezighoudt met de beoordeling van schadelijke EU-belastingmaatregelen, wat meer is dan alleen maar een technische bijdrage te leveren aan de besluiten van de Raad; dringt erop aan dat, op basis van de aard van de werkzaamheden van de Groep, die ook van politieke aard zijn, dergelijke taken opnieuw worden ondergebracht in een kader dat democratische controle of toezicht mogelijk maakt, te beginnen met de toepassing van transparantie;

418.

dringt er in dit verband op aan dat het ondoorzichtige karakter van de samenstelling van de Groep gedragscode wordt verbeterd door een lijst van zijn leden te publiceren;

9.3.    Handhaving van de EU-wetgeving

419.

dringt erop aan dat het nieuwgekozen Parlement het initiatief neemt voor een algemene evaluatie van de vorderingen met betrekking tot de toegang tot documenten waarom de commissies TAXE, TAX2, PANA en TAX3 hebben verzocht, waarbij de verzoeken worden vergeleken met de verzoeken die door de Raad en andere EU-instellingen zijn ingewilligd, en zo nodig de nodige procedurele en/of juridische maatregelen neemt;

420.

roept op tot het creëren van een nieuw EU-centrum voor de coherentie en coördinatie van het fiscaal beleid (TPCCC) binnen de structuur van de Commissie, dat het belastingbeleid van de lidstaten op Unieniveau moet kunnen beoordelen en monitoren en moet kunnen waarborgen dat de lidstaten geen nieuwe schadelijke belastingmaatregelen ten uitvoer leggen;

9.4.

Medewerking van niet-institutionele deelnemers

421.

verwelkomt de deelname aan en de input van belanghebbende partijen in de hoorzittingen van de TAX3-commissie, zoals vermeld in deel IV.3 van het overzicht van activiteiten gedurende het mandaat van de commissie in kwestie; betreurt het dat andere belanghebbenden geweigerd hebben aan hoorzittingen van de TAX3-commissie deel te nemen, zoals vermeld in deel IV.4 van het activiteitenoverzicht; merkt op dat geen ontmoedigende sancties konden worden gevonden voor zaken waarin geen reden was gegeven voor deze weigering;

422.

verzoekt de Raad en de Commissie overeenstemming te bereiken over de opstelling van een openbaar toegankelijke en regelmatig bijgewerkte lijst van niet-coöperatieve niet-institutionele partijen in het interinstitutioneel akkoord over een verplicht transparantieregister voor lobbyisten; is van mening dat in de tussentijd een register moet worden bijgehouden van de beroepsuitoefenaars en organisaties die zonder rechtvaardiging hebben geweigerd de hoorzittingen van de TAXE-, TAX2-, PANA- en TAX3-commissies bij te wonen; verzoekt de EU-instellingen hier rekening mee te houden bij contacten in de toekomst met de belanghebbenden in kwestie en hun passen voor toegang tot hun gebouwen in te trekken;

9.5.    Het enquête- en onderzoeksrecht van het Parlement

423.

is van mening dat het van essentieel belang is voor de uitoefening van het democratische toezicht op de uitvoerende macht dat het Parlement dezelfde onderzoeks- en enquêtebevoegdheden krijgt als de nationale parlementen van de EU; is van mening dat het Parlement, om zijn taak te kunnen uitoefenen, bevoegd moet zijn om getuigen op te roepen en hen te verplichten om te verschijnen, en bevoegd moet zijn om te verplichten tot het overleggen van documenten;

424.

is van mening dat de lidstaten, opdat deze rechten zouden kunnen worden uitgeoefend, moeten overeenkomen om sancties op te leggen aan individuen die niet verschijnen of geen documenten overleggen in overeenstemming met het nationale recht inzake nationale parlementaire enquêtes en onderzoeken;

425.

verzoekt de Raad en de Commissie met klem te zorgen voor een tijdige afronding van de onderhandelingen over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement houdende gedetailleerde bepalingen betreffende de uitoefening van het recht van onderzoek van het Parlement;

9.6.    Eenparigheid van stemmen t.o.v. gekwalificeerde meerderheid

426.

roept de Commissie nogmaals op, zo nodig, gebruik te maken van de in artikel 116 VWEU vastgelegde procedure die het mogelijk maakt de unanimiteitsvereiste te wijzigen ingeval de Commissie vaststelt dat een dispariteit tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt verstoort;

427.

is verheugd over de bijdrage van de Commissie in de vorm van haar mededeling getiteld “Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU”, met een voorstel voor een routekaart om stemming met gekwalificeerde meerderheid voor te stellen voor specifieke en dringende fiscale beleidskwesties waarbij essentiële wetgevingsdossiers en initiatieven ter bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking agressieve belastingplanning in de Raad geblokkeerd zijn ten nadele van een grote meerderheid van lidstaten; is verheugd over de steun die sommige lidstaten aan dit voorstel hebben gegeven (188);

428.

benadrukt dat alle scenario's open moeten blijven en niet alleen een verschuiving van eenparigheid van stemmen naar stemming met gekwalificeerde meerderheid door middel van een passerelle-clausule; verzoekt de Europese Raad dit punt toe te voegen aan de agenda van een topontmoeting vóór eind 2019, teneinde een productief debat te kunnen voeren over de vraag hoe het besluitvormingsproces over fiscale beleidskwesties kan worden gefaciliteerd in het belang van de werking van de interne markt;

9.7.    Vervolgactie

429.

is van mening dat de werkzaamheden van de TAXE-, TAX2-, PANA- en TAX3-commissies in de komende parlementaire zittingsperiode moeten worden voortgezet in een permanente structuur binnen het Parlement, bijvoorbeeld in de vorm van een subcommissie van de Commissie economische en monetaire zaken (ECON), om commissieoverschrijdende participatie mogelijk te maken;

o

o o

430.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad Economische en Monetaire Zaken, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese toezichthoudende autoriteiten, het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Centrale Bank, Moneyval, de lidstaten, de nationale parlementen, de VN, de G20, de Financiële-actiegroep en de OESO.

(1)  Besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3), Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0048.

(2)  Resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.

(3)  Resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.

(4)  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 74.

(5)  Aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(6)  De gezamenlijke follow-up van 16 maart 2016 over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid, de resoluties van TAXE 1, de follow-up van 16 november 2016 van de resolutie van TAXE 2 en de follow-up van april 2018 van de resolutie van PANA.

(7)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0475.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0183.

(9)  Scherrer A. en Thirion E., Citizenship by Investment (CBI) and Residency by Investment (RBI) schemes in the EU, EPRS, PE 627.128, Europees Parlement, oktober 2018; Korver R., Money laundering and tax evasion risks in free ports, EPRS, PE 627.114, Europees Parlement, oktober 2018; en Kiendl Kristo I. en Thirion E., An overview of shell companies in the European Union, EPRS, PE 627.129, Europees Parlement, oktober 2018.

(10)  Lamensch M. en Ceci, E., VAT fraud: Economic impact, challenges and policy issues, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A — Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 15 oktober 2018.

(11)  Houben R. en Snyers A, Cryptocurrencies and blockchain, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A — Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 5 juli 2018 en Hadzhieva E., Impact of Digitalisation on International Tax Matters, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A — Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 15 februari 2019.

(12)  Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators — Final Report (Taxation paper No 61, 27 januari 2016), The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates (Taxation paper No 64, 25 oktober 2016) en Aggressive tax planning indicators — Final Report (Taxation paper No 71, 7 maart 2018).

(13)  Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.

(14)  Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen, PB L 144 van 7.6.2017, blz. 1.

(15)  Met betrekking tot respectievelijk de automatische uitwisseling van fiscale rulings (Richtlijn (EU) 2015/2376 van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 332 van 18.12.2015, blz. 1, DAC3), uitwisseling van landenrapporten tussen belastingautoriteiten (Richtlijn (EU) 2016/881 van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8, DAC4), toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten, uiteindelijke begunstigden en andere cliëntenonderzoek (Richtlijn (EU) 2016/2258 van 6 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 342 van 16.12.2016, blz. 1, DAC5), verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (Richtlijn (EU) 2018/822 van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1, DAC6).

(16)  Voorstel van 25 oktober 2016 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB),COM(2016)0685 en een voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2016)0683.

(17)  Het pakket bestaat uit de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 getiteld “Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen” (COM(2018)0146), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten (COM(2018)0148) en de aanbeveling van de Commissie van 21 maart 2018 betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (C(2018)1650).

(18)  Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2016 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198).

(19)  PB C 224 van 27.6.2018, blz. 107.

(20)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(21)  Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43.

(22)  Mededeling van de Commissie van 2 februari 2016 aan het Europees Parlement en de Raad inzake een actieplan ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering, COM(2016)0050.

(23)  Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0216.

(24)  Met betrekking tot Fiat, Starbucks en de Belgische fiscale rulings voor overwinst, en besluiten om onderzoeken in te stellen naar McDonalds, Apple en Amazon.

(25)  PB C 265 van 11.8.2017, blz. 59.

(26)  Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0014.

(27)  Overeenkomstig de interne regels van het Parlement mogen voor de namen van commissie afkortingen worden gebruikt van maximaal vier letters. Bijgevolg wordt naar de voormalige tijdelijke commissies betreffende belastingheffing verwezen als TAXE, TAX2, PANA en TAX3. Opgemerkt zij echter dat het mandaat tot “de oprichting van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect” uitsluitend betrekking heeft op TAXE2.

(28)  Bijvoorbeeld financialisering

(29)  Bijvoorbeeld het gebruik van softwareprogramma's om automatisch contant geld van elektronische kassa's of point-of-sale-systemen af te romen (“zapping”), of het groeiende gebruik van externe payroll-processors waardoor fraudeurs verschuldigde belastingen kunnen wegsluizen.

(30)  Gunnarsson A., Schratzenstaller M. en Spangenberg U., Gender equality and taxation in the European Union, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling C — Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, 15 maart 2017. Grown C. en Valodia I (redacteuren), Taxation and Gender Equity: A Comparative Analysis of Direct and Indirect Taxes in Developing and Developed Countries, Routledge, 2010, blz. 32 — 74, blz. 309 — 310, en blz. 315; Action Aid, Value-Added Tax (VAT), Progressive taxation policy briefing, 2018; en Stotsky J. G., Gender and Its Relevance to Macroeconomic Policy: A Survey, IMF Working Paper, WP/06/233, blz. 42.

(31)  Hoorzitting van TA X 3 van 24 januari 2018 over de belastingkloof in de EU: zie figuur 4.

(32)  Paragraaf 49 van zijn standpunt van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027, Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.

(33)  Zie paragraaf 59 van de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(34)  In het meerjarig financieel kader 2021-2027 — standpunt van het Parlement met het oog op een overeenkomst en de op 17 januari 2019 door het Europees Parlement goedgekeurde wijzigingen op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belasting (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0039).

(35)  Crivelli E., De Mooij R. A., en Keen M., Base Erosion, Profit Shifting and Developing Countries, 2015.

(36)  Tax Policies in the European Union 2017 Survey, ISBN 978-92-79-72282-0.

(37)  Tørsløv T. R., Wier L. S. and Zucman G., The missing profits of nations, National Bureau of Economic Research, Working Paper 24701, 2018.

(38)  Murphy R., “The European Tax Gap”, 2019, http://www.taxresearch.org.uk/Documents/EUTaxGapJan19.pdf

(39)  Verslag van het werkbezoek aan Washington

D.C.Volledig verslag van de openbare hoorzitting van TA X 3 van 27 november 2018.

(40)  Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1.

(41)  Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators — Final Report (Taxation paper No 61, 27 januari 2016) en Tax policies in the EU — 2017 Survey

(42)  Soms ook wel “enablers” of “promoters” van belastingontduiking genoemd.

(43)  Voorstel voor een richtlijn van de Raad van 11 november 2011 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (COM(2011) 0714).

(44)  Hearson M., The European Union’s Tax Treaties with Developing Countries: leading By Example?, 27 september 2018.

(45)  Beleidsnota als goedgekeurd door het Inclusief Kader inzake BEPS getiteld “Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy”, gepubliceerd op 29 januari 2019.

(46)  Zie OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten 2017 van 10 Juli 2017.

(47)  Openbare hoorzitting van 24 januari 2019 over de beoordeling van de belastingkloof en “Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy”, Beleidsnota van de OESO, gepubliceerd op 29 januari 2019.

(48)  Resolutie van 25 november 2015 van het Europees Parlement over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51, paragraaf 96.

(49)  Bovenvermeld. De studies geven een overzicht van de blootstelling van de lidstaten aan structuren van agressieve belastingplanning die van invloed zijn op hun belastinggrondslag (erosie of toename), en hoewel er geen op zichzelf staande indicator van het verschijnsel is, bestaat er niettemin een reeks indicatoren die als een geheel van bewijzen worden gezien.

(50)  PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 1.

(51)  Zoals blijkt uit de effectbeoordeling van 21 maart 2018 bij het digitale belastingpakket (SWD(2018)0081), volgens welke gedigitaliseerde bedrijven gemiddeld slechts een belastingtarief van 9,5 % betalen, tegen 23,2 % voor traditionele bedrijfsmodellen.

(52)  UNCTAD, World Investment Report, 2018.

(53)  Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy — Beleidsnota, gepubliceerd op 29 januari 2019.

(54)  Conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken, 12 maart 2019.

(55)  KiesKompas, Public Perception towards taxing digital companies in six countries, December 2018.

(56)  COM(2018)0148.

(57)  Taxation Trends in the European Union, Tabel 3: Top statutory corporate income tax rates (including surcharges), 1995-2018, Europese Commissie, 2018.

(58)  Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy — Beleidsnota, goedgekeurd door het Inclusieve Kader inzake BEPS op 23 januari 2019.

(59)  Ibidem.

(60)  OESO, Resumption of Application of Substantial Activities Factor to No or only Nominal Tax Jurisdictions — Inclusive Framework on BEPS: Actie 5, 2018.

(61)  Openbare hoorzitting van 27 november 2018 over vermeende agressieve belastingplanningsregelingen binnen de EU.

(62)  mededeling van de Commissie getiteld “Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen” (COM(2018)0146).

(63)  Openbare hoorzitting van 24 januari 2019 over de evaluatie van de belastingkloof.

(64)  EHRM, arrest van 16 juni 2015 (nr. 787/14), van WeereltNederland.

(65)  Artikel 4, lid 3, van het VEU.

(66)  Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration.

(67)  Zie ook de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(68)  Openbare hoorzitting van 24 januari 2019 over de evaluatie van de belastingkloof.

(69)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 63.

(70)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19.

(71)  Zoals het Europese Hof van Justitie in 1974 al heeft verklaard.

(72)  Besluit van 20 juni 2018 betreffende de staatssteun die Luxemburg heeft verleend ten gunste van ENGIE (SA.44888);besluit van 4 oktober 2017 betreffende de staatssteun die Luxemburg heeft verleend aan Amazon (SA.38944);besluit van 30 augustus 2016 betreffende de verleende staatssteun van Ierland aan Apple (SA.38373);besluit van 11 januari 2016 betreffende vrijstelling van overwinst in België, art. 185, lid 2, onder b), WIB92 (SA.37667);besluit van 21 oktober 2015 betreffende de verleende staatssteun van Nederland aan Starbucks (SA.38374);en besluit van 21 oktober 2015 betreffende de staatssteun die Luxemburg heeft verleend aan Fiat (SA.38375).Er lopen procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Gerecht met betrekking tot alle zes beslissingen.

(73)  Besluit van 19 september 2018 betreffende mogelijke steun voor McDonald’s — Luxemburg (SA.38945).

(74)  “Mogelijke staatssteun ten faveure van Inter IKEA”, geopend op 18 december 2017 (SA.46470)en “Britse belastingregeling voor multinationals (regels voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen)” geopend op 26 oktober 2018 (SA.44896).

(75)  Besluit van 7 maart 2019 betreffende mogelijke steun voor Huhtamaki — Luxemburg (SA.50400).

(76)  http://europa.eu/rapid/press-release_IP-18-5831_en.htm

(77)  Zoals in de geval van het besluit van 30 augustus 2016 (SA.38373)betreffende steunmaatregel die Ierland ten gunste van Apple ten uitvoer heeft gelegd. De fiscale rulings werden afgegeven door Ierland op 29 januari 1991 en 23 mei 2007.

(78)  Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).

(79)  werkbezoek van TAX3 aan Riga (Letland), 30-31 augustus 2018, Verslag werkbezoek.

(80)  Kiendl Kristo I. en Thirion E., An overview of shell companies in the European Union, EPRS, PE 627.129, Europees Parlement, oktober 2018, blz. 23.

(81)  Kiendl Kristo I. en Thirion E., ibid., blz. 23. Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators — Final Report (Taxation paper nr. 61, 27 januari 2016); “The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates” (Taxation paper nr. 64, 25 oktober 2016) en “Aggressive tax planning indicators — Final Report” (Taxation paper nr. 71, 7 maart 2018).

(82)  IHS, Aggressive tax planning indicators, opgesteld voor de Europese Commissie, DG TAXUD Taxation papers, werkdocument nr. 71, 7 maart 2018.

(83)  Artikel 113 VWEU

(84)  Studie en verslagen over de btw-kloof in de 28 lidstaten van de EU: 2018 eindverslag / TAXUD/2015/CC/131.

(85)  Zie het persbericht van de Commissie.

(86)  COM(2017)0569, COM(2017)0568 and COM(2017)0567.

(87)  COM(2018)0329.

(88)  Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft harmonisering en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel en tot invoering van het definitieve stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (COM(2017) 0569).

(89)  Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft harmonisering en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel en tot invoering van het definitieve stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten, P8_TA(2018)0366.

(90)  Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen.

(91)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0367.

(92)  Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen(COM(2018)0021).

(93)  Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen, Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0319.

(94)  Voorstel voor een richtlijn van de Raad van 21 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel (COM(2016)0811).

(95)  Snelle evaluatie door de Europese Rekenkamer, “Vergoeding van btw op cohesiegebied — een foutgevoelig en suboptimaal gebruik van EU-middelen”, 29 november 2018.

(96)  Advies nr. 9/2018 van de Europese Rekenkamer van 22 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU.

(97)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, met name de artikelen 3 en 15.

(98)  Ainsworth, R. T., Alwohabi, M., Cheetham, M. en Tirand, C.: “A VATCoin Solution to MTIC Fraud: Past Efforts, Present Technology, and the EU’s 2017 Proposal”, Boston University School of Law, Law and Economics Series Paper, No 18-08, 26 maart 2018. Zie ook: Ainsworth, R. T., Alwohabi, M. en Cheetham, M.: “VATCoin: Can a Crypto Tax Currency Prevent VAT Fraud?”, Tax Notes International, Vol 84, 14 november 2016.

(99)  Verordening (EU) 2017/2454 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 348 van 29.12.2017, blz. 1).

(100)  Lamensch M. en Ceci, E., VAT fraud: Economic impact, challenges and policy issues, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A — Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 15 oktober 2018.

(101)  Ibid.

(102)  Gunnarson A., Spangenberg U. en Schratzenstaller M., Gender equality and taxation in the European Union, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling C — Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, 17 januari 2017.

(103)  Mededeling van de Commissie getiteld “Fiscaal beleid in de Europese Unie: prioriteiten voor de komende jaren”' (COM(2001)0260).

(104)  Achttien lidstaten hebben een vorm van een regeling voor verblijf door investeringen. Vier daarvan hebben ook een regeling voor burgerschap door investeringen: Bulgarije, Cyprus, Malta en Roemenië. Tien lidstaten voorzien niet in dergelijke regelingen: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden. Bron: Scherrer A. en Thirion E., Citizenship by Investment (CBI) and Residency by Investment (RBI) schemes in the EU, EPRS, PE 627.128, Europees Parlement, oktober 2018,blz. 12-13 en 55-56; ISBN: 978-92-846-3375-3.

(105)  Zie voornoemd onderzoek. Andere studies laten hogere cijfers zien, inclusief regelingen voor verblijf door investeringen.

(106)  Inside the Murky World of Golden Visas, 10 oktober 2018.

(107)  Citizenship by Investment: Scheme for Naturalisation of Investors by Exception (Cyprus), Residence by Investment (Cyprus), Individual Investor Programme (Malta) en Residence and Visa programme (Malta).

(108)  Korver R.,'Money Laundering and tax evasion risks in free ports', EPRS, PE: 627.114, oktober 2018; ISBN: 978-92-846-3333-3.

(109)  Lijst met vrije zones in de EU van de Commissie.

(110)  Korver R., op. cit.

(111)  Korver R., op. cit.

(112)  Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).

(113)  Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).

(114)  From illegal markets to legitimate businesses: the portfolio of organised crime in Europe, Final report of Project OCP — Organised Crime Portfolio, maart 2015.

(115)  http://www.europarl.europa.eu/news/en/press-room/20171211IPR90024/new-eu-wide-penalties-for-money-laundering, voorstel van de Commissie van 21 december 2016 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (COM(2016)0826).

(116)  UNODC

(117)  Zie bijvoorbeeld de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over corruptie en mensenrechten in derde landen (PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82), paragrafen 35 en 36, en de Resultaten van de 3662e vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken in Brussel op 10 december 2018

(118)  Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 februari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0121.

(119)  De Commissie Griekenland en Roemenië op 19 juli 2018 naar het Europees Hof van Justitie heeft verwezen vanwege het niet in hun nationale wetgeving omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn. Ierland had slechts een heel beperkt deel van de regels omgezet en ook naar het Hof van Justitie is verwezen. Op 7 maart 2019 heeft de Commissie een gemotiveerd advies gestuurd aan Oostenrijk en Nederland en een ingebrekestelling aan de Republiek Tsjechië, Hongarije, Italië, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk vanwege hun onvermogen om de vierde antiwitwasrichtlijn volledig om te zetten.

(120)  Netherlands' Public Prosecution Service, 4 September 2018

(121)  Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, afdeling Ondersteuning economische governance, diepgaande analyse “Money laundering — Recent cases from a EU banking supervisory perspective”, april 2018, PE 614.496.

(122)  Bruun & Hjejle: Report on the Non-Resident Portfolio at Danske Bank’s Estonian Branch, Kopenhagen, 19 september 2018.

(123)  Ibid.

(124)  Ibid.

(125)  Advies van de Commissie van 8 november 2018 gericht tot de Maltese Financial Intelligence Analysis Unit, op basis van artikel 17, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, over de maatregelen die nodig zijn om aan het recht van de Unie te voldoen (C(2018)7431).

(126)  Brief van de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU van 20 december 2018 in antwoord op de brief van de voorzitter van de TAX3-commissie van 7 december 2018.

(127)  Op basis van de bijlage bij de resolutie van de Raad betreffende een modelovereenkomst ter instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT) (PB C 18 van 19.1.2017, blz. 1).

(128)  Reflection paper on possible elements of a Roadmap for seamless cooperation between Anti Money Laundering and Prudential Supervisors in the European Union, 31 August 2018.

(129)  Op het moment van de stemming in de TAX3-commissie op 27 februari 2019 vonden er nog interinstitutionele onderhandelingen plaats.

(130)  Letter to Tiina Astola of 24 September 2018 on the request to investigate a possible breach of Union law under Article 17 of Regulation (EU) No 1093/2010.

(131)  COM(2018)0213.

(132)  Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).

(133)  FATF, Regulation of virtual assets, 19 October 2018

(134)  Verslag van het bezoek van de TAX3-commissie aan Estland en Denemarken van 6 t/m 8 februari 2019.

(135)  PB L 303 van 28.11.2018, blz. 1.

(136)  PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22.

(137)  Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39).

(138)  C(2019)0646.

(139)  SWD(2018)0362.

(140)  Tijdens de TAX3-hoorzitting op 1 oktober 2018 over de betrekkingen met Zwitserland op het gebied van fiscale aangelegenheden en de bestrijding van witwaspraktijken gaf een aantal panelleden aan dat Zwitserland geen uitvoering geeft aan de FATF-aanbevelingen 9 en 40.

(141)  Respectievelijk “Base Erosion and Anti-Abuse Tax” (BEAT), “Global Intangible Low Tax Income” (GILTI) en “Foreign-Derived Intangible Income” (FDII).

(142)  Meer bepaald: IGA-model 1, in het kader waarvan buitenlandse financiële instellingen relevante informatie aan hun thuisland rapporteren, die ze vervolgens overmaken aan de Amerikaanse belastingdienst, en IGA-model 2, in het kader waarvan buitenlandse financiële instellingen niet rapporteren aan de regeringen van hun thuisland maar rechtstreeks aan de Amerikaanse belastingdienst.

(143)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0316.

(144)  Als genoemd in de TAX3-hoorzitting op 1 oktober 2018.

(145)  Gedachtewisseling — tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie — met Fabrizia Lapecorella, voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen, op 10 oktober 2018.

(146)  Conclusies van de Raad van 12 maart 2019 over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied, beschikbaar op https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7441-2019-INIT/nl/pdf

(147)  https://www.oxfam.org/en/research/hook-how-eu-about-whitewash-worlds-worst-tax-havens

(148)  Conclusies van de Raad van 12 maart 2019 over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied, beschikbaar op https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7441-2019-INIT/nl/pdf

(149)  Werken aan eerlijke belastingcriteria 2.1 en 2.2 van Conclusies van de Raad 14166/16 van 8 november 2016.

(150)  OESO,'Resumption of Application of Substantial Activities Factor to No or only Nominal Tax Jurisdictions Inclusive Framework on BEPS': Action 5, 2018.

(151)  Eerlijk belastingcriterium 2.2 van de EU-lijst.

(152)  De tekst van het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is te raadplegen op: https://ec.europa.eu/commission/publications/draft-agreement-withdrawal-united-kingdom-great-britain-and-northern-ireland-european-union-and-european-atomic-energy-community-agreed-negotiators-level-14-november-2018_en

(153)  De tekst van de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk is te raadplegen op: https://www.consilium.europa.eu/media/37059/20181121-cover-political-declaration.pdf

(154)  Waaronder Andorra en Liechtenstein.

(155)  Hoorzitting van de TAX3-commissie over de betrekkingen met Zwitserland op het gebied van fiscale aangelegenheden en de bestrijding van witwaspraktijken, op 1 oktober 2018, en gedachtewisseling met Fabrizia Lapecorella, voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen, op 10 oktober 2018.

(156)  Ibid.

(157)  De herziene EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied — Conclusies van de Raad 7441/19 van 12 maart 2019.

(158)  In het eerste deel van “The missing profits of nations” van Tørsløv T.R., Wier L.S. and Zucman G. wordt op basis van moderne macro-economische modellen en onlangs gepubliceerde betalingsbalansgegevens geconcludeerd dat het verlies aan belastinginkomsten wereldwijd om en nabij de 200 miljard Amerikaanse dollar bedraagt en dat de via de rechtsgebieden van belastingparadijzen gekanaliseerde rechtstreekse buitenlandse investeringen 10 tot 30 % bedragen van alle rechtstreekse buitenlandse investeringen. Deze cijfers zijn een stuk hoger dan die waar tot dusver op basis van andere methoden vanuit werd gegaan.

(159)  Country Report Belgium 2018;

Country Report Cyprus 2018;

Country Report Hungary 2018;

Country Report Ireland 2018;

Country Report Luxembourg 2018;

Country Report Malta 2018;

Country Report The Netherlands 2018.

(160)  Zie Landverslag België 2019; Landverslag Cyprus 2019; Landverslag Hongarije 2019; Landverslag Ierland 2019; Landverslag Luxemburg 2019; Landverslag Malta 2019; Landverslag Nederland 2019 (https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/file_import/2019-european-semester-country-report-netherlands_nl_0.pdf)

(161)  https://www.oxfam.org/en/research/hook-how-eu-about-whitewash-worlds-worst-tax-havens

(162)  Bijdragen van Alex Cobham (Tax Justice Network) en Johan Langerock (Oxfam) tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie over de aanpak van schadelijke belastingpraktijken in de EU en in derde landen op 15 mei 2018.

(163)  Te weten de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.

(164)  De resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79), en de aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).

(165)  De G77 heeft in 2017 aangedrongen op de oprichting van een dergelijk orgaan.

(166)  Discussienota van de Europese Commissie: A Contribution to the Third Financing for Development Conference in Addis Ababa.

(167)  Action Aid, Verslag over misbruikte belastingverdragen, februari 2016.

(168)  Cobham A. en Janský P., 2017. 'Global distribution of revenue loss from tax avoidance'.

(169)  C(2018)1650.

(170)  Een diepgaand onderzoek van de Commissie om na te gaan of Portugal de regionale steunregeling voor de vrijhandelszone van Madeira heeft toegepast in overeenstemming met haar besluiten van 2007 en 2013 tot goedkeuring ervan, namelijk door na te gaan of de belastingvrijstellingen die door Portugal aan in de vrijhandelszone van Madeira gevestigde ondernemingen zijn verleend, in overeenstemming zijn met de besluiten van de Commissie en de EU-staatssteunregels; benadrukt dat de Commissie nagaat of Portugal aan de voorwaarden van de regelingen heeft voldaan, d.w.z. of de winst van de ondernemingen die profiteren van de verlagingen van de inkomstenbelasting uitsluitend afkomstig is van activiteiten op Madeira en of de begunstigde ondernemingen daadwerkelijk arbeidsplaatsen op Madeira hebben gecreëerd en behouden;

(171)  In sommige wetgeving soms ook wel “enablers”, “promoters” of “faciliteerders” genoemd.

(172)  Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1).

(173)  Zie bijvoorbeeld de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, en in het bijzonder paragraaf 143 (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).

(174)  PB L 158 van 27.5.2014, blz. 196.

(175)  PB L 158 van 27.5.2014, blz. 77.

(176)  Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2018 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218 — C8-0159/2018 — 2018/0106(COD)).

(177)  Hoorzitting van de TAX3-commissie op 21 november 2018.

(178)  Met name de desbetreffende Amerikaanse wetgeving.

(179)  Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).

(180)  Zoals geopperd door de Raad van Europa in zijn Aanbeveling CM/Rec(2014)7 van het comité van ministers aan lidstaten over de bescherming van klokkenluiders (aangenomen op 30 april 2014).

(181)  Rudolf Elmer, hoorzitting op 1 oktober 2018; Howard Wilkinson, hoorzitting op 21 november 2018.

(182)  Daphne Caruana Galizia, vermoord in Malta op 16 oktober 2017; Ján Kuciak, samen met zijn partner Martina Kušnírová vermoord in Slowakije op 21 februari 2018.

(183)  Hoorzitting van de TAX3-commissie op 1 oktober 2018.

(184)  Aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak OI/2/2017/TE over de transparantie van het wetgevingsproces van de Raad.

(185)  Artikel 4, lid 3, van het VEU.

(186)  zoals in het verslag van de Groep gedragscode aan de Raad van juni 2018 wordt herhaald: de procedurele richtsnoeren voor het monitoringproces voor toezeggingen met betrekking tot de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (doc. 6213/18); een compilatie van alle overeengekomen richtsnoeren sinds de oprichting van de Groep in 1998 (doc. 5814/18 REV1); een compilatie van alle door de voorzitter van de Groep gedragscode ondertekende brieven waarin wordt verzocht om toezeggingen van de rechtsgebieden (doc. 6671/18); een compilatie van de toezeggingsbrieven die in ruil daarvoor zijn ontvangen, wanneer het betrokken rechtsgebied toestemming heeft gegeven (doc. 6972/18 en addenda); en een overzicht van de afzonderlijke maatregelen die de groep sinds 1998 heeft beoordeeld (doc. 9639/9).

(187)  De code bevindt zich in bijlage I bij de conclusies van de Raad-ECOFIN van 1 december 1997 over fiscaal beleid, waarvan overweging N betrekking heeft op de controle en herziening van de bepalingen van de code (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 1).

(188)  TAX3-hoorzitting met de Spaanse staatssecretaris van Financiën op 19 februari 2019.


Woensdag 27 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/63


P8_TA(2019)0313

Genetisch gemodificeerde soja MON 87751 (MON-87751-7)

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 (MON-87751-7) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D060916/01 — 2019/2603(RSP))

(2021/C 108/03)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 (MON-87751-7) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D060916/01,

gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

gezien de stemming van 7 maart 2019 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 20 juni 2018 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is goedgekeurd en op 2 augustus 2018 is gepubliceerd (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, 2017/0035(COD)),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Monsanto Europe SA/NV op 26 september 2014 namens Monsanto Company, Verenigde Staten, bij de bevoegde nationale instantie van Nederland en in overeenstemming met de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad een aanvraag heeft ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 (“de aanvraag”), en overwegende dat de aanvraag eveneens betrekking had op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt;

B.

overwegende dat de EFSA op 20 juni 2018 een gunstig advies met betrekking tot de vergunning voor het in handel brengen heeft uitgebracht (5);

C.

overwegende dat de genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 is ontwikkeld om bestand te zijn tegen bepaalde schadelijke schubvleugeligen en hiertoe de Bt-eiwitten Cry1A.105 en Cry2Ab2 tot expressie brengt;

Bt-toxinen

D.

overwegende dat studies hebben aangetoond dat Bt-toxinen adjuvans-eigenschappen kunnen hebben die de allergene eigenschappen van andere levensmiddelen versterken; overwegende dat sojabonen zelf talrijke plantaardige allergenen produceren en dat het specifieke gevaar bestaat dat de Bt-eiwitten de reactie van het immuunsysteem op deze verbindingen tijdens de fase van consumptie kunnen versterken;

E.

overwegende dat een lid van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo-panel van de EFSA) eerder heeft gesteld dat er weliswaar bij geen enkele toepassing waarbij Bt-eiwitten tot expressie worden gebracht, onbedoelde gevolgen zijn aangetroffen, maar dat dit komt doordat dergelijke gevolgen niet kunnen worden vastgesteld met de toxicologische studies die de EFSA vandaag de dag aanbeveelt en uitvoert om te beoordelen of gg-gewassen veilig zijn, omdat de studies geen proeven bevatten die voor dit doel geschikt zijn (6);

F.

overwegende dat het ggo-panel van de EFSA in verband met de huidige vergunning voor het in handel brengen zelf toegeeft dat er maar weinig kennis en experimenteel bewijsmateriaal voorhanden is over de mogelijkheid dat de nieuw tot expressie gebrachte eiwitten als adjuvanten optreden (7);

G.

overwegende dat in studies wordt benadrukt dat er aanvullend onderzoek en langetermijnstudies nodig zijn naar de adjuvans-eigenschappen van Bt-toxinen; overwegende dat de invoer van Bt-toxinen bevattende gg-gewassen voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders niet mag worden toegelaten zolang er onduidelijkheid heerst over de rol en de adjuvans-eigenschappen van Bt-toxinen;

Onderzoeken naar toxiciteit en diervoederonderzoeken over 90 dagen

H.

overwegende dat er twee 28-daagse onderzoeken naar toxiciteit bij herhaalde toediening zijn uitgevoerd op muizen, één met het eiwit Cry1a.105 en één met het eiwit Cry2Ab2;

I.

overwegende dat deze toxiciteitsonderzoeken zijn uitgevoerd met de geïsoleerde eiwitten, niet met een combinatie van beide eiwitten, en dat de geïsoleerde eiwitten afkomstig waren van bacteriën en bijgevolg niet identiek waren met de door de plant geproduceerde eiwitten; overwegende dat de studies met andere woorden niet de blootstelling in praktijkomstandigheden imiteerden;

J.

overwegende dat de twee toxiciteitsonderzoeken niet volledig voldeden aan de toepasselijke voorschriften van de OESO, in die zin dat de coagulatieonderzoeken gebaseerd waren op een relatief klein aantal stalen en dat er geen functionele observatietests noch bewegingsactiviteitstests zijn uitgevoerd; overwegende dat het cruciaal is dat tijdens de procedure voor het al dan niet toekennen van een vergunning aan al deze voorschriften wordt voldaan;

K.

overwegende dat tijdens het diervoederonderzoek over 90 dagen meerdere statistisch beduidende verschillen zijn vastgesteld tussen de controlegroep en de testgroep, en dat deze verschillen volgens de opmerkingen van de bevoegde instantie van een lidstaat nader hadden moeten worden onderzocht (8);

L.

overwegende dat het 90 dagen durende diervoederonderzoek met ratten de volgende tekortkomingen vertoonde: in de studie werden geen twee verschillende doseringen van het testmateriaal gebruikt, hoewel dit volgens Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie (9) verplicht is, en het testmateriaal werd niet onderzocht op mogelijke verontreiniging met andere genetisch gemodificeerde organismen (ggo's);

M.

overwegende dat in het diervoederonderzoek geroosterd en ontvet sojameel als testmateriaal werd gebruikt, hoewel de hoogste chronische blootstelling in het menselijke voedingspatroon volgens de EFSA te wijten is aan sojamelk (10); overwegende dat het expressieniveau van de Bt-eiwitten in het sojameel niet werd gemeten, hetgeen betekent dat de resultaten van de studie niet kunnen worden gekoppeld aan specifieke Bt-toxinegehalten;

Opmerkingen van de bevoegde instanties van de lidstaten

N.

overwegende dat de bevoegde instanties van de lidstaten tijdens de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend (11) en er onder meer op hebben gewezen dat heel wat vragen omtrent de veiligheid en mogelijke toxiciteit van gg-sojabonen onbeantwoord blijven, dat de gecombineerde gevolgen van beide eiwitten samen niet zijn onderzocht, dat er rekening moet worden gehouden met aanvullende informatie voordat de risicobeoordeling kan worden afgerond, dat het milieumonitoringplan niet voldoet aan de in bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (12) opgenomen doelstellingen en moet worden aangepast voordat er een vergunning wordt verleend, en dat er geen reden is om aan te nemen dat de consumptie van Cry-eiwitten veilig is en geen gevaar inhoudt voor mensen, dieren of het milieu;

O.

overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, op grond waarvan de partijen ervoor moeten zorgen dat activiteiten die binnen hun rechtsgebied of onder hun controle worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten (13); overwegende dat het besluit over het al dan niet verlengen van de vergunning voor genetisch gemodificeerde sojaboon onder de jurisdictie van de Unie valt;

P.

overwegende dat bij de beoordeling van de aanvraag bestaande gegevens over de gevolgen van de teelt van de gg-sojaboon MON 87751 voor producerende en exporterende landen in aanmerking moeten worden genomen, zoals één van de lidstaten vraagt; overwegende dat diezelfde lidstaat aanbeveelt om een studie uit te voeren ter beoordeling van de manier waarop de invoer van bepaalde producten de gewaskeuze in Europa en daarmee ook de uit deze agrosysteemkeuzes resulterende biodiversiteit beïnvloedt (14);

Q.

overwegende dat de bevoegde instanties van verscheidene lidstaten kritiek hebben geuit op de degelijkheid van het plan voor monitoring na het in de handel brengen;

Gebrek aan democratische legitimiteit

R.

overwegende dat de stemming van 7 maart 2019 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd, wat betekent dat er geen gekwalificeerde meerderheid voorstander was van het verlenen van een vergunning;

S.

overwegende dat de Commissie meermaals (15) haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat zij sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft vastgesteld die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook voorzitter Juncker deze praktijk heeft betreurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (16);

T.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing heeft verworpen (17), en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

U.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

V.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten mogen hebben op de menselijke gezondheid, de diergezondheid of het milieu, en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle relevante bepalingen van het Unierecht en alle andere ter zake dienende factoren in aanmerking moet nemen;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (18) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

herhaalt zich te willen inzetten om vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van dat Commissievoorstel;

5.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo's op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

6.

verzoekt de Commissie voorstellen voor ggo-vergunningen in te trekken als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, zowel voor gebruik in de teelt als voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), 2018. Wetenschappelijk advies inzake de beoordeling van genetisch gemodificeerde sojaboon MON 87751 voor levensmiddelen en diervoeders, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 (aanvraag EFSA-GMO-NL-2014–121). EFSA Journal (2018); 16(8):5346, 32 blz. doi: 10.2903/j.efsa.2018.5346.

(4)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van die “events” (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 108).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 111).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van de genetisch gemodificeerde mais MON 810 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 76).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van de genetisch gemodificeerde mais MON 810 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 80).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van de genetisch gemodificeerde mais Bt11 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 70).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van de genetisch gemodificeerde mais 1507 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 73).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 83).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de “events” Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 298 van 23.8.2018, blz. 34).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 307 van 30.8.2018, blz. 71).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 307 van 30.8.2018, blz. 67).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 337 van 20.9.2018, blz. 54).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 55).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 60).

Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 122).

Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 127).

Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 133).

Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0051).

Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6), en genetisch gemodificeerde mais die van twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0052).

Resolutie van 3 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0197).

Resolutie van 30 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0221).

Resolutie van 30 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de events of het enkele event 1507, 59122, MON 810 en NK603, en tot intrekking van Beschikkingen 2009/815/EG, 2010/428/EU en 2010/432/EU, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0222).

Resolutie van 24 oktober 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × MON 810 (MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0416).

Resolutie van 24 oktober 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 en genetisch gemodificeerde mais die twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, 1507, MON 88017 en 59122 combineert, en tot intrekking van Besluit 2011/366/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0417).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/327/EU betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerd koolzaad Ms8, Rf3 en Ms8 × Rf3, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0057).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 5307 (SYN-Ø53Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0058).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87403 (MON-874Ø3-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0059).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB614 × LLCotton25 × MON 15985 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0060).

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 4114 (DP-ØØ4114-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0196).

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87411 (MON-87411-9) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0197).

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × 1507 × GA21 en subcombinaties Bt11 × MIR162 × 1507, MIR162 × 1507 × GA21 en MIR162 × 1507 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0198).

(5)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5346

(6)  https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2018.5309 blz. 34.

(7)  Antwoord van de EFSA op opmerkingen van de lidstaten, blz. 109, bijlage G: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2014-00719

(8)  Bijlage G, opmerkingen van de lidstaten, blz. 27 http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2014-00719

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie van 3 april 2013 betreffende vergunningaanvragen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 641/2004 van de Commissie en (EG) nr. 1981/2006 van de Commissie (PB L 157 van 8.6.2013, blz. 1).

(10)  EFSA-advies, blz. 22, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5346

(11)  Bijlage G, opmerkingen van de lidstaten, http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2014-00719

(12)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

(13)  Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, 1992, artikel 3, https://www.cbd.int/convention/articles/default.shtml?a=cbd-03

(14)  Bijlage G, opmerkingen van de lidstaten, blz. 67 http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2014-00719

(15)  Zie bijvoorbeeld de toelichting van de Commissie bij haar wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden, alsook haar toelichting bij het wetgevingsvoorstel van 14 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011.

(16)  Onder andere in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, die opgenomen is in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014), en in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(17)  PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.

(18)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/69


P8_TA(2019)0314

Genetisch gemodificeerde mais 1507 x NK603 (DAS-Ø15Ø7-1 x MON-ØØ6Ø3-6)

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot vernieuwing van de vergunning voor het in de handel brengen van producten houdende, bestaand uit of geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs 1507 x NK603 (DAS-Ø15Ø7-1 x MON-ØØ6Ø3-6) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D060917/01 — 2019/2604(RSP))

(2021/C 108/04)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × NK603 (DAS-Ø15Ø7-1 × MON-ØØ6Ø3-6) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D060917/01,

Gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

gezien de stemming van 7 maart 2019 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 20 juni 2018 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is goedgekeurd en op 25 juli 2018 is gepubliceerd (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, 2017/0035(COD)),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat bij Beschikking 2007/703/EG van de Commissie (5) een vergunning werd verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × NK603; overwegende dat de vergunning ook betrekking heeft op het in de handel brengen van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais 1507 × NK603, voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere mais, met uitzondering van de teelt;

B.

overwegende dat Pioneer Overseas Corporation en Dow AgroSciences Europa op 20 oktober 2016 namens respectievelijk Pioneer Hi-Bred International Inc. en Dow AgroSciences LLC overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gezamenlijke aanvraag hebben ingediend bij de Commissie voor de verlening van die vergunning;

C.

overwegende dat de EFSA overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 25 juli 2018 een positief advies over deze aanvraag heeft uitgebracht;

D.

overwegende dat de EFSA in haar advies stelt dat het literatuuronderzoek door de aanvragers 120 publicaties heeft opgeleverd, en dat de aanvragers na toepassing van vooraf door henzelf vastgelegde toelatings- en opnamecriteria slechts één van deze publicaties — een advies van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo-panel van de EFSA) — als relevant beschouwden;

E.

overwegende dat de EFSA van mening was dat het literatuuronderzoek door de aanvragers in de toekomst voor verbetering vatbaar was, maar desondanks zelf geen systematisch literatuuronderzoek heeft uitgevoerd en zich heeft beperkt tot de beoordeling van het door de aanvragers verrichte literatuuronderzoek, en overwegende dat de EFSA op basis hiervan heeft besloten dat er geen nieuwe publicaties zijn geïdentificeerd waarin eventuele problemen voor de veiligheid worden aangekaart;

F.

overwegende dat de EFSA zich ook voor de andere te beoordelen elementen (onder meer bio-informatica-gegevens en monitoring na het in de handel brengen) en voor de globale beoordeling eenvoudigweg beperkt tot de informatie die de aanvragers verstrekken, hetgeen als gevolg heeft dat de EFSA de beoordeling van de aanvragers overneemt;

G.

overwegende dat de EFSA haar advies heeft goedgekeurd in de veronderstelling dat de DNA-sequentie van de twee transformatiestappen in de genetisch gemodificeerde mais NK603 x MON 810 identiek is aan de sequentie van de oorspronkelijk beoordeelde transformatiestappen; overwegende dat deze veronderstelling niet lijkt te berusten op door de aanvragers verstrekte gegevens of door de aanvragers verstrekt bewijsmateriaal, maar simpelweg op een verklaring van de aanvragers;

H.

overwegende dat de EFSA erkent dat in de door de aanvragers voorgestelde jaarlijkse milieumonitoringverslagen na het in de handel brengen voornamelijk sprake is van algemeen toezicht op ingevoerd genetisch gemodificeerd plantenmateriaal; overwegende dat er volgens de EFSA verdere discussie nodig is met aanvragers en risicobeheerders over de praktische uitvoering van de milieumonitoringverslagen na het in de handel brengen, onder meer in verband met het verzamelen van reële gegevens inzake blootstelling en/of negatieve gevolgen, naar analogie van wat er gebeurt in bestaande monitoringsystemen;

I.

overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais 1507 × NK603 het cry1F-gen tot expressie brengt, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten, evenals het pat-gen en het cp4-epsps-gen, die de mais tolerant maken voor respectievelijk op glufosinaat-ammonium gebaseerde en op glyfosaat gebaseerde herbiciden;

J.

overwegende dat genetisch gemodificeerde Bt-gewassen het insecticidetoxine tot expressie brengen in elke cel gedurende de gehele levensduur, ook in de delen die door mensen en dieren worden geconsumeerd; overwegende dat uit diervoederonderzoeken blijkt dat genetisch gemodificeerde Bt-gewassen toxische effecten kunnen hebben (6); overwegende dat er is aangetoond dat het Bt-toxine in genetisch gemodificeerde gewassen aanzienlijk verschilt van het Bt-toxine dat in de natuur voorkomt (7); overwegende dat er bezorgdheid bestaat in verband met de mogelijkheid dat de doelwitorganismen (schadelijke schubvleugelige insecten) Cry-eiwitresistent worden, hetgeen gewijzigde praktijken voor de bestrijding van schadelijke organismen tot gevolg kan hebben in de landen waar de maissoort wordt gekweekt;

K.

overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting en derhalve onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (8); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 is verstreken (9);

L.

overwegende dat nog altijd niet alle vragen over de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat beantwoord zijn; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend is, en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie daarentegen glyfosaat heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen (10);

M.

overwegende dat het gebruik van de complementaire herbiciden, in dit geval glyfosaat en glufosinaat, tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze residuen een onvermijdelijk bestanddeel van de oogst uitmaken;

N.

overwegende dat er moet worden van uitgegaan dat genetisch gemodificeerde mais zal worden blootgesteld aan hogere en herhaalde doses glyfosaat en glufosinaat, wat niet alleen zal leiden tot een grotere aanwezigheid van residuen in de oogst maar ook van invloed kan zijn op de samenstelling en de agronomische eigenschappen van de genetisch gemodificeerde maisplant;

O.

overwegende dat gegevens over de hoeveelheden residuen van herbiciden en hun metabolieten essentieel zijn voor een grondige risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat residuen afkomstig van besproeiing met herbiciden beschouwd worden als een kwestie die niet onder de bevoegdheid van het ggo-panel van de EFSA valt; overwegende dat noch de effecten van het besproeien van genetisch gemodificeerde mais met herbiciden, noch het cumulatieve effect van besproeien met zowel glyfosaat als glufosinaat zijn beoordeeld;

P.

overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit en er bijgevolg moet voor zorgen dat activiteiten die binnen haar rechtsgebied of onder haar controle worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten (11); overwegende dat het besluit over het al dan niet verlengen van de toelating van genetisch gemodificeerde mais onder de jurisdictie van de Unie valt;

Q.

overwegende dat de lidstaten tijdens de overlegperiode van drie maanden opmerkingen hebben ingediend over onder meer de volgende kwesties: de niet-naleving van de richtsnoeren van de EFSA met betrekking tot de milieumonitoringverslagen na het in de handel brengen alsook de talrijke tekortkomingen in deze verslagen, zoals het negeren van het feit dat in Europa een wilde variant van mais voorkomt (teosinte) en het ontbreken van informatie over wat er in het milieu met Bt-toxinen gebeurt; twijfels bij de betrouwbaarheid van gegevens die dienen om de bevindingen van de risicobeoordeling te bevestigen; de ontoereikendheid van het voorgestelde monitoringplan; een literatuuronderzoek dat te wensen over laat, waarbij belangrijke studies worden weggelaten en bepaalde literatuur onterecht als irrelevant wordt afgedaan; de totale afwezigheid van gegevens waarmee wordt aangetoond dat de sequentie van de maissoort die de transformatiestapcombinatie 1507 x NL603 bevat, identiek is met de sequentie van de oorspronkelijk beoordeelde transformatiestappen (12);

R.

overwegende dat de stemming van 7 maart 2019 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd, wat betekent dat er voor het verlenen van een vergunning geen gekwalificeerde meerderheid werd gevonden;

S.

overwegende dat de Commissie meermaals (13) haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat zij sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook voorzitter Juncker deze praktijk heeft betreurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (14);

T.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing heeft verworpen (15), en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

U.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie in de mate van het mogelijk zo moet handelen dat er niet wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

V.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit om de vergunning te verlengen alle relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking moet nemen;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met een van de doelen van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (16) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

herhaalt zich te willen inzetten om vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van dat Commissievoorstel;

5.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot aanvragen voor toelating van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

6.

verzoekt de Commissie voorstellen voor ggo-vergunningen in te trekken als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, zowel voor gebruik in de teelt als voor gebruik in levensmiddelen en diervoeder;

7.

verzoekt de Commissie vast te houden aan haar verbintenissen in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, en vraagt haar met name geen enkele vergunning te verlenen voor de invoer voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerant zijn gemaakt voor een herbicide dat niet is toegestaan voor gebruik binnen de Unie;

8.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en commerciële toepassingen daarvan in de landen waar deze gewassen worden geteeld;

9.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  Ggo-panel van de EFSA, 2018. Scientific Opinion on the assessment of genetically modified maize 1507 x NK603 for renewal of authorisation under Regulation (EG) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-RX-008). EFSA Journal 2018; 16(7):5347.

(4)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van die “events” (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 108).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 111).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van de genetisch gemodificeerde mais MON 810 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 76).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van de genetisch gemodificeerde mais MON 810 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 80).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van de genetisch gemodificeerde mais Bt11 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 70).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van de genetisch gemodificeerde mais 1507 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 73).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 83).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de “events” Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 298 van 23.8.2018, blz. 34).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 307 van 30.8.2018, blz. 71).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 307 van 30.8.2018, blz. 67).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 337 van 20.9.2018, blz. 54).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 55).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 60).

Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 122).

Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 127).

Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 133).

Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0051).

Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6), en genetisch gemodificeerde mais die van twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0052).

Resolutie van 3 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0197).

Resolutie van 30 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0221).

Resolutie van 30 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de “events” 1507, 59122, MON 810 en NK603, en tot intrekking van Beschikkingen 2009/815/EG, 2010/428/EU en 2010/432/EU, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0222).

Resolutie van 24 oktober 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × MON 810 (MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0416).

Resolutie van 24 oktober 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 en genetisch gemodificeerde mais die twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, 1507, MON 88017 en 59122 combineert, en tot intrekking van Besluit 2011/366/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0417).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/327/EU betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerd koolzaad Ms8, Rf3 en Ms8 × Rf3, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0057).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 5307 (SYN-Ø53Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0058).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87403 (MON-874Ø3-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0059).

Resolutie van 31 januari 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB614 × LLCotton25 × MON 15985 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0060).

Resolutie van 13 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 4114 (DP-ØØ4114-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0196).

Resolutie van 13 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87411 (MON-87411-9) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0197).

Resolutie van 13 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × 1507 × GA21 en subcombinaties Bt11 × MIR162 × 1507, MIR162 × 1507 × GA21 en MIR162 × 1507 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0198).

(5)  Beschikking 2007/703/EG van de Commissie van 24 oktober 2007 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507×NK603 (DAS-Ø15Ø7-1×MON-ØØ6Ø3-6) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 285 van 31.10.2007, blz. 47).

(6)  Zie bijvoorbeeld El-Shamei Z.S., Gab-Alla A.A., Shatta A.A., Moussa E.A., Rayan A.M., Histopathological Changes in Some Organs of Male Rats Fed on Genetically Modified Corn (Ajeeb YG). Journal of American Science 2012, 8(9), blz. 1127-1123. https://www.researchgate.net/publication/235256452_Histopathological_Changes_in_Some_Organs_of_Male_Rats_Fed_on_Genetically_Modified_Corn_Ajeeb_YG

(7)  Székács A., Darvas B., Comparative aspects of Cry toxin usage in insect control. In: Ishaaya I., Palli S.R., Horowitz A.R. (eds.), Advanced Technologies for Managing Insect Pests. Dordrecht, Nederland: Springer, 2012, blz. 195-230. https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-4497-4_10

(8)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(9)  https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/active-substances/?event=as.details&as_id=79

(10)  IARC Monographs, deel 112: Some organophosphate insecticides and herbicides, 20 maart 2015 (http://monographs.iarc.fr/ENG/Monographs/vol112/mono112.pdf).

(11)  Artikel 3, https://www.cbd.int/convention/articles/default.shtml?a=cbd-03

(12)  Zie het EFSA-vragenregister, bijlage G bij vraag nr. EFSA-Q-2018-00509,

online te raadplegen op: https://www.efsa.europa.eu/en/register-of-questions

(13)  Zie bijvoorbeeld de toelichting van de Commissie bij haar wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden, alsook haar toelichting bij het wetgevingsvoorstel van 14 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011.

(14)  Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014), en in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(15)  PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.

(16)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/75


P8_TA(2019)0315

Bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) (DEZA a.s.)

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (DEZA a.s.) (D060865/01 — 2019/2605(RSP))

(2021/C 108/05)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (DEZA a.s.) (D060865/01,

gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1) (“de Reach-verordening”), en met name artikel 64, lid 8,

gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (Committee for Risk Assessment, RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (Committee for Socio-economic Analysis, SEAC) (2), overeenkomstig artikel 64, lid 5, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1907/2006,

gezien Verordening (EU) 2018/2005 van de Commissie van 17 december 2018 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), dibutylftalaat (DBP), benzylbutylftalaat (BBP) en diisobutylftalaat (DIBP) (3),

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (4),

gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit XXX van de Commissie voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5),

gezien het arrest van het Gerecht van de Europese Unie in zaak T-837/16 (6),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat DEHP in 2008 is toegevoegd aan de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden ingedeeld als zeer zorgwekkende stof uit hoofde van de Reach-verordening (7) omdat het als giftig voor de voortplanting is ingedeeld;

B.

overwegende dat DEHP in 2011 in bijlage XIV bij de Reach-verordening is opgenomen (8) wegens die indeling, wegens het wijdverbreide gebruik ervan en wegens het grote productievolume in de Unie (9), met 21 februari 2015 als verbodsdatum;

C.

overwegende dat bedrijven die DEHP wilden blijven gebruiken, uiterlijk in augustus 2013 een autorisatieaanvraag moesten indienen; overwegende dat DEZA, dat zijn aanvraag vóór die termijn heeft ingediend, toestemming heeft gekregen om DEHP te blijven gebruiken in afwachting van het besluit betreffende de autorisatie als bedoeld in artikel 58 van de Reach-verordening;

D.

overwegende dat de Commissie in januari 2015 de adviezen van het RAC en het SEAC heeft ontvangen; overwegende dat de vertraging die de Commissie bij de opstelling van het besluit heeft opgelopen, de facto tot gevolg heeft gehad dat het gebruik van DEHP ruim vier jaar na de verbodsdatum nog steeds wordt getolereerd;

E.

overwegende dat in 2014 is vastgesteld dat DEHP hormoonontregelende eigenschappen voor mens en dier heeft; overwegende dat de lijst van in aanmerking komende stoffen dienovereenkomstig is geactualiseerd, in 2014 (10) wat het milieu betreft en in 2017 (11) wat de menselijke gezondheid betreft;

F.

overwegende dat bij Verordening (EU) 2018/2005 een beperking op het gebruik van DEHP en andere ftalaten in veel voorwerpen is opgelegd wegens een onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid; overwegende dat het RAC er in de context van die beperking op heeft gewezen dat “uit de onzekerheidsbeoordeling blijkt dat de gevaren en dus de risico's van de vier ftalaten wellicht onderschat worden” (12);

G.

overwegende dat Verordening (EU) 2018/2005 bepaalde aanvragen vrijstelt voor zover deze geen onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid inhouden; overwegende dat, de uitvoer van formuleringen die DEHP bevatten terzijde gelaten, het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie daarom van bijzonder belang is voor die vrijgestelde aanvragen;

H.

overwegende dat die toepassingen echter een onaanvaardbaar risico voor het milieu kunnen inhouden, met name door de hormoonontregelende eigenschappen van DEHP;

I.

overwegende dat de Reach-verordening, gelet op overweging 16 daarvan, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (13), als hoofddoel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen;

J.

overwegende dat de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen door geschikte alternatieve stoffen of technieken volgens artikel 55 en overweging 12 van de Reach-verordening een centrale doelstelling van autorisatie is;

K.

overwegende dat artikel 62, lid 4, onder d), van de Reach-verordening bepaalt dat de aanvrager een chemischeveiligheidsrapport overeenkomstig bijlage I moet indienen;

L.

overwegende dat in het advies van het RAC in dit geval ernstige tekortkomingen in de door de aanvrager verstrekte informatie zijn vastgesteld (14); overwegende dat voor één vorm van gebruik helemaal geen informatie werd verstrekt (15);

M.

overwegende dat het RAC en de Commissie tot de conclusie zijn gekomen dat de aanvrager niet overeenkomstig artikel 60, lid 2, heeft aangetoond dat het risico afdoende wordt beheerst; overwegende dat het RAC ook heeft geconcludeerd dat het risico, in strijd met artikel 60, lid 10, niet tot het laagste technisch en praktisch haalbare niveau is beperkt;

N.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie op basis van artikel 60, lid 7, van de Reach-verordening autorisatie wordt geweigerd voor de ene vorm van gebruik waarvoor in de aanvraag geen informatie is verstrekt;

O.

overwegende dat de door het RAC vermelde tekortkomingen elders in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie worden erkend (“beperkte informatie over blootstelling op de werkplek”) (16), maar dat, in plaats van dat de autorisatie evenzo overeenkomstig artikel 60, lid 7, wordt geweigerd, de aanvrager wordt gevraagd de ontbrekende gegevens 18 maanden na de vaststelling van het besluit te verstrekken in zijn herbeoordelingsverslag (17);

P.

overwegende dat het in artikel 61 bedoelde herbeoordelingsverslag niet tot doel heeft bedrijven meer tijd te geven om lacunes op te vullen in de informatie die aanvankelijk moest worden verstrekt, maar wel ervoor te zorgen dat de informatie die aanvankelijk in de aanvraag is verstrekt, na zekere tijd nog steeds actueel is, met name als het erom gaat of er nieuwe alternatieven beschikbaar zijn;

Q.

overwegende dat het Gerecht duidelijk heeft gesteld dat de voorwaarden voor autorisatie in artikel 60, leden 8 en 9, niet rechtmatig kunnen worden gebruikt om mogelijke tekortkomingen of lacunes in de door de aanvrager verstrekte informatie te verhelpen (18);

R.

overwegende dat artikel 60, lid 4, bepaalt dat moet worden aangetoond dat de sociaaleconomische voordelen van het gebruik van de stof zwaarder wegen dan het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn;

S.

overwegende dat in het advies van het SEAC werd gewezen op ernstige tekortkomingen in de sociaaleconomische analyse die de aanvrager heeft voorgelegd, en dat daar ook in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie op wordt gewezen (19);

T.

overwegende dat een aanvrager krachtens artikel 55 en artikel 60, lid 4, moet aantonen dat er geen geschikte alternatieven zijn voor de toepassingen waarvoor hij een aanvraag heeft ingediend;

U.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie wordt erkend dat gebruik 2 niet specifiek genoeg is (20); overwegende dat het SEAC in de aanvraag ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de beschikbaarheid van alternatieven (21) (22);

V.

overwegende dat de aanvrager zich op zijn status als fabrikant van de stof beroept, maar dat dit geen legitieme rechtvaardiging is om onvoldoende informatie te verstrekken over de geschiktheid van alternatieven voor de vormen van gebruik waarop de aanvraag betrekking heeft;

W.

overwegende dat een lid van het SEAC zich officieel van de conclusie van het SEAC over het ontbreken van geschikte alternatieven heeft gedistantieerd omdat de verstrekte gegevens onvolledig waren (23);

X.

overwegende dat artikel 60, lid 5, niet zo kan worden uitgelegd dat de geschiktheid van de alternatieven vanuit het oogpunt van de aanvrager de enige en bepalende factor is; overwegende dat artikel 60, lid 5, geen uitputtende lijst bevat van de informatie waarmee rekening moet worden gehouden bij de analyse van alternatieven; overwegende dat artikel 60, lid 4, onder c), ook vereist dat rekening wordt gehouden met informatie uit bijdragen van derden; overwegende dat uit informatie die tijdens de openbare raadpleging is verstrekt, toen reeds bleek dat er alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen in kwestie (24);

Y.

overwegende dat het Gerecht de Commissie eraan heeft herinnerd dat zij om op wettige wijze een vergunning krachtens artikel 60, lid 4, te verlenen, een voldoende hoeveelheid substantiële en betrouwbare informatie moet controleren om te concluderen dat er geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen waarop de aanvraag betrekking heeft of dat de op de datum van goedkeuring resterende onzekerheden over het ontbreken van beschikbare alternatieven van de vergunning verwaarloosbaar zijn (25);

Z.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie staat dat het met vertraging is vastgesteld omdat rekening is gehouden met “de nieuwe beschikbare informatie afkomstig van de beperkingsprocedure” (26); overwegende dat het daarom verbazingwekkend is dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie geen rekening is gehouden met de beschikbaarheid van alternatieven, die in het beperkingsdossier duidelijk is gedocumenteerd (27); overwegende dat de in het beperkingsvoorstel vermelde alternatieven ook relevant zijn voor de vormen van gebruik waarop het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betrekking heeft (28);

AA.

overwegende dat de Commissie ten slotte geen rekening heeft gehouden met het feit dat DEHP officieel is erkend als hormoonontregelende stof die de menselijke gezondheid en het milieu aantast; overwegende dat de Commissie met deze informatie rekening had moeten houden bij de sociaaleconomische beoordeling overeenkomstig artikel 60, lid 4, omdat de baten van een weigering om autorisatie te verlenen anders worden onderschat;

AB.

overwegende dat de door de Commissie voorgestelde autorisatie dus in strijd is met artikel 60, lid 4, en artikel 60, lid 7, van de Reach-verordening;

AC.

overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie achterblijvers zou belonen en negatieve gevolgen zou hebben voor bedrijven die in alternatieven hebben geïnvesteerd (29);

AD.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie staat dat “de Commissie nota heeft genomen” van de resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015; overwegende dat veel van de structurele tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het hoofdstuk van de Reach-verordening over autorisatie waarop het Parlement in die resolutie heeft gewezen, ook het onderhavige ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie ondeugdelijk maken (30);

AE.

overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (31) heeft herhaald dat “de overgang naar een circulaire economie een strikte toepassing van de afvalhiërarchie vereist en waar mogelijk de eliminatie van zorgwekkende stoffen, in het bijzonder wanneer veiliger alternatieven voorhanden zijn of zullen worden ontwikkeld”;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1907/2006;

2.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen waarin de autorisatieaanvraag wordt verworpen;

3.

verzoekt de Commissie snel een einde te maken aan het gebruik van DEHP in alle resterende toepassingen, in het bijzonder omdat er veiligere alternatieven voor zacht pvc en DEHP beschikbaar zijn;

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Adviezen van het RAC en het SEAC over gebruik 1: https://echa.europa.eu/documents/10162/60f338a5-09ac-423a-b7c1-2511ee2d9b77; over gebruik 2: https://echa.europa.eu/documents/10162/1ce96eb6-9e30-447d-a9ff-dc315f75f124; over gebruik 3: https://echa.europa.eu/documents/10162/bfbf6ddc-dd94-456b-bbff-32d7d32e6c92

(3)  PB L 322 van 18.12.2018, blz. 14.

(4)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(5)  PB C 366 van 27.10.2017, blz. 96.

(6)  http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?oqp=&for=&mat=or&lgrec=en&jge=&td=%3BALL&jur=C%2CT%2CF&num=T-837%252F16&page=1&dates=&pcs=Oor&lg=&pro=&nat=or&cit=none%252CC%252CCJ%252CR%252C2008E%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252Ctrue%252Cfalse%252Cfalse&language=nl&avg=&cid=5266270

(7)  https://echa.europa.eu/documents/10162/c94ac248-378f-4058-9907-205b497c286e

(8)  Verordening (EU) nr. 143/2011 van de Commissie van 17 februari 2011 tot wijziging van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), (PB L 44 van 18.2.2011, blz. 2).

(9)  https://echa.europa.eu/documents/10162/6f89a308-c467-4836-ae1e-9c6163a9ae10

(10)  https://echa.europa.eu/documents/10162/30b654ce-1de3-487a-8696-e05617c3173b

(11)  https://echa.europa.eu/documents/10162/88c20879-606b-03a6-11e4-9edb90e7e615

(12)  “Uit de onzekerheidsbeoordeling blijkt dat de gevaren en dus de risico's van de vier ftalaten wellicht onderschat worden. De DNEL's voor DEHP en BBP zijn wellicht lager dan de huidige afgeleide doses. In een aantal experimentele en epidemiologische studies is sprake van mogelijke effecten op het immuunsysteem, het metabolisme en de neurologische ontwikkeling. Uit sommige van deze studies blijkt dat reproductietoxiciteit wellicht niet het gevoeligste eindpunt is en dat de geselecteerde DNEL's misschien niet voldoende bescherming bieden tegen deze andere effecten. Bovendien heeft het Comité lidstaten (MSC) bevestigd dat deze vier ftalaten hormoonontregelende stoffen zijn met betrekking tot de menselijke gezondheid, en de Commissie overweegt ze vast te stellen als stoffen die even zorgwekkend zijn in de zin van artikel 57, onder f), van de Reach-verordening. Dit leidt tot nog meer onzekerheid met betrekking tot het risico van deze stoffen.” Zie https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66, blz. 9.

(13)  Zaak C-558/07, S.P.C.M. SA e.a. tegen Secretary of State for the Environment, Food and Rural Affairs, ECLI:EU:C:2009:430, punt 45.

(14)  “Het RAC is van oordeel dat de blootstellingsgegevens in het chemischeveiligheidsrapport niet representatief zijn voor het uitgebreide toepassingsgebied van de aanvraag. Daardoor kan het RAC geen goed onderbouwde beoordeling van de blootstelling verrichten. De volgende evaluaties zijn alleen gebaseerd op een gebrekkige database en zijn daardoor van weinig betekenis voor de volgende risicobeoordeling” — zie advies van het RAC over gebruik 2, blz. 10: https://echa.europa.eu/documents/10162/1ce96eb6-9e30-447d-a9ff-dc315f75f124

(15)  Ontwerpbesluit, overweging 19.

(16)  Ontwerpbesluit, overweging 17.

(17)  Ontwerpbesluit, overweging 17.

(18)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, zaak T-837/16, punten 82 en 83.

(19)  “een kwantitatieve beoordeling van de gevolgen van het voortgezette gebruik voor de menselijke gezondheid was niet mogelijk vanwege beperkingen in de beschikbare informatie” — ontwerpbesluit, overweging 5.

(20)  Ontwerpbesluit, overweging 18.

(21)  “de conclusie van de aanvrager over de geschiktheid en beschikbaarheid van alternatieven […] is niet voldoende gerechtvaardigd” — advies van het SEAC over gebruik 2, blz. 18 — https://echa.europa.eu/documents/10162/1ce96eb6-9e30-447d-a9ff-dc315f75f124

(22)  “in de beoordeling van alternatieven wordt niet specifiek gekeken naar de uiteenlopende situaties die onder het zeer brede toepassingsgebied van deze aanvraag vallen, en wordt dan ook niet aangetoond dat de alternatieven technisch niet haalbaar zijn” — advies van het SEAC over gebruik 2, blz. 19.

(23)  https://echa.europa.eu/documents/10162/03434073-5619-4395-8293-92ddaf6c85ad

(24)  https://echa.europa.eu/comments-public-consultation-0004-02 — zie met name regel 58;

(25)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, ECLI:EU:T:2019:144, punt 86.

(26)  Ontwerpbesluit, overweging 3.

(27)  “Voor alle toepassingen in het kader van dit voorstel zijn momenteel technisch haalbare alternatieven met een lager risico beschikbaar tegen vergelijkbare prijzen” — https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66

(28)  https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66 — p. 69; zie “aanvragen” in de tabel, die ook gebruik buitenshuis betreft.

(29)  Zie bijvoorbeeld: https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Non-phthalate-plasticizer-for-extreme-applications-302; https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Safe-plasticizer-for-demanding-outdoor-applications-298; http://grupaazoty.com/en/wydarzenia/plastyfikatory-nieftalanowe.html

(30)  Zie met name de overwegingen N, O, P en R van die resolutie.

(31)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0353.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/80


P8_TA(2019)0316

Bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.)

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.) (D060866/01 — 2019/2606(RSP))

(2021/C 108/06)

Het Europees Parlement,

gezien over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.) (D060866/01,

gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1) (“de Reach-verordening”), en met name artikel 64, lid 8,

gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (Committee for Risk Assessment, RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (Committee for Socio-economic Analysis, SEAC) (2), overeenkomstig artikel 64, lid 5, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1907/2006,

gezien Verordening (EU) 2018/2005 van de Commissie van 17 december 2018 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), dibutylftalaat (DBP), benzylbutylftalaat (BBP) en diisobutylftalaat (DIBP) (3),

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (4),

gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit XXX van de Commissie voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5),

gezien het arrest van het Gerecht van de Europese Unie in zaak T-837/16 (6),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat DEHP in 2008 is toegevoegd aan de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden ingedeeld als zeer zorgwekkende stof uit hoofde van de Reach-verordening (7) omdat het als giftig voor de voortplanting is ingedeeld;

B.

overwegende dat DEHP in 2011 in bijlage XIV bij de Reach-verordening is opgenomen (8) wegens die indeling, wegens het wijdverbreide gebruik ervan en wegens het grote productievolume in de Unie (9), met 21 februari 2015 als verbodsdatum;

C.

overwegende dat bedrijven die DEHP wilden blijven gebruiken, uiterlijk in augustus 2013 een autorisatieaanvraag moesten indienen; overwegende dat Grupa Azoty, dat zijn aanvraag vóór die termijn heeft ingediend, toestemming heeft gekregen om DEHP te blijven gebruiken in afwachting van het besluit betreffende de autorisatie als bedoeld in artikel 58 van de Reach-verordening;

D.

overwegende dat de Commissie in januari 2015 de adviezen van het RAC en het SEAC heeft ontvangen; overwegende dat de vertraging die de Commissie bij de opstelling van het besluit heeft opgelopen, de facto tot gevolg heeft gehad dat het gebruik van DEHP ruim vier jaar na de verbodsdatum nog steeds wordt getolereerd;

E.

overwegende dat in 2014 is vastgesteld dat DEHP hormoonontregelende eigenschappen voor mens en dier heeft; overwegende dat de lijst van kandidaten dienovereenkomstig is geactualiseerd, in 2014 (10) wat het milieu betreft en in 2017 (11) wat de menselijke gezondheid betreft;

F.

overwegende dat bij Verordening (EU) 2018/2005 een beperking op het gebruik van DEHP en andere ftalaten in veel voorwerpen is opgelegd wegens een onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid; overwegende dat het RAC er in de context van die beperking op heeft gewezen dat “uit de onzekerheidsbeoordeling blijkt dat de gevaren en dus de risico's van de vier ftalaten wellicht onderschat worden” (12);

G.

overwegende dat bij Verordening (EU) 2018/2005 een beperking op het gebruik van DEHP en andere ftalaten in de meeste voorwerpen is opgelegd, met een vrijstelling voor bepaalde toepassingen; overwegende dat, de uitvoer van formuleringen die DEHP bevatten terzijde gelaten, het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie daarom van bijzonder belang is voor die vrijgestelde aanvragen;

H.

overwegende dat die toepassingen echter een onaanvaardbaar risico voor het milieu kunnen inhouden, met name door de hormoonontregelende eigenschappen van DEHP;

I.

overwegende dat de Reach-verordening, gelet op overweging 16 daarvan, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (13), als hoofddoel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen;

J.

overwegende dat de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen door geschikte alternatieve stoffen of technieken volgens artikel 55 en overweging 12 van de Reach-verordening een centrale doelstelling van autorisatie is;

K.

overwegende dat artikel 62, lid 4, onder d), van de Reach-verordening bepaalt dat de aanvrager een chemischeveiligheidsrapport overeenkomstig bijlage I moet indienen;

L.

overwegende dat in dit geval in het advies van het RAC ernstige tekortkomingen in de door de aanvrager verstrekte informatie zijn vastgesteld (14);

M.

overwegende dat het RAC en de Commissie tot de conclusie zijn gekomen dat de aanvrager niet overeenkomstig artikel 60, lid 2, heeft aangetoond dat het risico afdoende wordt beheerst; overwegende dat het RAC ook heeft geconcludeerd dat het risico, in strijd met artikel 60, lid 10, niet tot het laagste technisch en praktisch haalbare niveau is beperkt;

N.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie weliswaar wordt erkend dat er slechts “beperkte informatie over blootstelling op de werkplek” is ingediend (15), maar dat, in plaats van dat de autorisatie overeenkomstig artikel 60, lid 7, wordt geweigerd, de aanvrager wordt gevraagd de ontbrekende gegevens 18 maanden na de vaststelling van dat besluit te verstrekken in zijn herbeoordelingsverslag (16);

O.

overwegende dat het in artikel 61 bedoelde herbeoordelingsverslag niet tot doel heeft bedrijven meer tijd te geven om lacunes op te vullen in de informatie die aanvankelijk moest worden verstrekt, maar wel ervoor te zorgen dat de informatie die aanvankelijk in de aanvraag is verstrekt, na zekere tijd nog steeds actueel is, met name als het erom gaat of er nieuwe alternatieven beschikbaar zijn;

P.

overwegende dat het Gerecht duidelijk heeft gesteld dat de voorwaarden voor autorisatie in artikel 60, leden 8 en 9, niet rechtmatig kunnen worden gebruikt om mogelijke tekortkomingen of lacunes in de door de aanvrager verstrekte informatie te verhelpen (17);

Q.

overwegende dat artikel 60, lid 4, bepaalt dat moet worden aangetoond dat de sociaaleconomische voordelen van het gebruik van de stof zwaarder wegen dan het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn;

R.

overwegende dat in het advies van het SEAC werd gewezen op ernstige tekortkomingen in de sociaaleconomische analyse die de aanvrager heeft voorgelegd, en dat daar ook in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie op wordt gewezen (18);

S.

overwegende dat een aanvrager krachtens artikel 55 en artikel 60, lid 4, moet aantonen dat er geen geschikte alternatieven zijn voor de toepassingen waarvoor hij een aanvraag heeft ingediend;

T.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie wordt erkend dat gebruik 2 niet specifiek genoeg is (19); overwegende dat het SEAC in de aanvraag ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de beschikbaarheid van alternatieven (20)(21);

U.

overwegende dat de aanvrager zich op zijn status als fabrikant van de stof beroept, maar dat dit geen legitieme rechtvaardiging is om onvoldoende informatie te verstrekken over de geschiktheid van alternatieven voor de vormen van gebruik waarop de aanvraag betrekking heeft;

V.

overwegende dat een lid van het SEAC zich officieel van de conclusie van het SEAC over het ontbreken van geschikte alternatieven heeft gedistantieerd omdat de verstrekte gegevens onvolledig waren (22);

W.

overwegende dat artikel 60, lid 5, niet zo kan worden uitgelegd dat de geschiktheid van de alternatieven vanuit het oogpunt van de aanvrager de enige en bepalende factor is; overwegende dat artikel 60, lid 5, geen uitputtende lijst bevat van de informatie waarmee rekening moet worden gehouden bij de analyse van alternatieven; overwegende dat artikel 60, lid 4, onder c), ook vereist dat rekening wordt gehouden met informatie uit bijdragen van derden; overwegende dat uit informatie die tijdens de openbare raadpleging is verstrekt, toen reeds bleek dat er alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen in kwestie (23);

X.

overwegende dat het Gerecht de Commissie eraan heeft herinnerd dat zij om op wettige wijze een vergunning krachtens artikel 60, lid 4, te verlenen, een voldoende hoeveelheid substantiële en betrouwbare informatie moet controleren om te concluderen dat er geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen waarop de aanvraag betrekking heeft of dat de op de datum van goedkeuring resterende onzekerheden over het ontbreken van beschikbare alternatieven van de vergunning verwaarloosbaar zijn (24);

Y.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie staat dat het met vertraging is vastgesteld omdat rekening is gehouden met “de nieuwe beschikbare informatie afkomstig van de beperkingsprocedure” (25); overwegende dat het daarom verbazingwekkend is dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie geen rekening is gehouden met de beschikbaarheid van alternatieven, die in het beperkingsdossier duidelijk is gedocumenteerd (26); overwegende dat de in het beperkingsvoorstel vermelde alternatieven ook relevant zijn voor de vormen van gebruik waarop het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betrekking heeft (27);

Z.

overwegende dat de aanvrager zelf heeft aangekondigd dat hij nu van het gebruik van orthoftalaten, waaronder DEHP, is afgestapt (28);

AA.

overwegende dat de Commissie ten slotte geen rekening heeft gehouden met het feit dat DEHP officieel is erkend als hormoonontregelende stof die de menselijke gezondheid en het milieu aantast; overwegende dat de Commissie met deze informatie rekening had moeten houden bij de sociaaleconomische beoordeling overeenkomstig artikel 60, lid 4, omdat de baten van een weigering om autorisatie te verlenen anders worden onderschat;

AB.

overwegende dat de door de Commissie voorgestelde autorisatie dus in strijd is met artikel 60, lid 4, en artikel 60, lid 7, van de Reach-verordening;

AC.

overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie achterblijvers zou belonen en negatieve gevolgen zou hebben voor bedrijven die in alternatieven hebben geïnvesteerd (29);

AD.

overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie staat dat “de Commissie nota heeft genomen” van de resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015; overwegende dat veel van de structurele tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het hoofdstuk van de Reach-verordening over autorisatie waarop het Parlement in die resolutie heeft gewezen, ook het onderhavige ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie ondeugdelijk maken (30);

AE.

overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (31) heeft herhaald dat “de overgang naar een circulaire economie een strikte toepassing van de afvalhiërarchie vereist en waar mogelijk de eliminatie van zorgwekkende stoffen, in het bijzonder wanneer veiliger alternatieven voorhanden zijn of zullen worden ontwikkeld”;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1907/2006;

2.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen waarin de autorisatieaanvraag wordt verworpen;

3.

verzoekt de Commissie snel een einde te maken aan het gebruik van DEHP bij alle resterende toepassingen, in het bijzonder omdat er veiligere alternatieven voor zacht pvc en DEHP beschikbaar zijn;

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Adviezen van het RAC en het SEAC over gebruik 1 — https://echa.europa.eu/documents/10162/99c8c723-b76e-4ca4-a747-6e1b59a8d7f7; en gebruik 2 — https://echa.europa.eu/documents/10162/29db4e36-94dd-41bd-b9ea-9d0f08fbbac7

(3)  PB L 322 van 18.12.2018, blz. 14.

(4)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(5)  PB C 366 van 27.10.2017, blz. 96.

(6)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, T-837/16, ECLI:EU:T:2019:144, zie http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?oqp=&for=&mat=or&lgrec=en&jge=&td=%3BALL&jur=C%2CT%2CF&num=T-837%252F16&page=1&dates=&pcs=Oor&lg=&pro=&nat=or&cit=none%252CC%252CCJ%252CR%252C2008E%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252Ctrue%252Cfalse%252Cfalse&language=nl&avg=&cid=5501489

(7)  https://echa.europa.eu/documents/10162/c94ac248-378f-4058-9907-205b497c286e

(8)  Verordening (EU) nr. 143/2011 van de Commissie van 17 februari 2011 tot wijziging van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), (PB L 44 van 18.2.2011, blz. 2).

(9)  https://echa.europa.eu/documents/10162/6f89a308-c467-4836-ae1e-9c6163a9ae10

(10)  https://echa.europa.eu/documents/10162/30b654ce-1de3-487a-8696-e05617c3173b

(11)  https://echa.europa.eu/documents/10162/88c20879-606b-03a6-11e4-9edb90e7e615

(12)  “Uit de onzekerheidsbeoordeling blijkt dat de gevaren en dus de risico's van de vier ftalaten wellicht onderschat worden. De DNEL's voor DEHP en BBP zijn wellicht lager dan de huidige afgeleide doses. In een aantal experimentele en epidemiologische studies is sprake van mogelijke effecten op het immuunsysteem, het metabolisme en de neurologische ontwikkeling. Uit sommige van deze studies blijkt dat reproductietoxiciteit wellicht niet het gevoeligste eindpunt is en dat de geselecteerde DNEL's misschien niet voldoende bescherming bieden tegen deze andere effecten. Bovendien heeft het Comité lidstaten (MSC) bevestigd dat deze vier ftalaten hormoonontregelende stoffen zijn met betrekking tot de menselijke gezondheid, en de Commissie overweegt ze vast te stellen als stoffen die even zorgwekkend zijn in de zin van artikel 57, onder f), van de Reach-verordening. Dit leidt tot nog meer onzekerheid met betrekking tot het risico van deze stoffen.” Zie https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66, blz. 9.

(13)  Zaak C-558/07, S.P.C.M. SA e.a. tegen Secretary of State for the Environment, Food and Rural Affairs, punt 45, ECLI:EU:C:2009:430.

(14)  “Het RAC is van oordeel dat de blootstellingsgegevens in het chemischeveiligheidsrapport niet representatief zijn voor het uitgebreide toepassingsgebied van de aanvraag. Daardoor kan het RAC geen goed onderbouwde beoordeling van de blootstelling verrichten. De volgende evaluaties zijn alleen gebaseerd op een gebrekkige database en zijn daardoor van weinig betekenis voor de volgende risicobeoordeling” — zie advies van het RAC over gebruik 2, blz. 10.

(15)  Ontwerpbesluit, artikel 17.

(16)  Ontwerpbesluit, artikel 17.

(17)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, zaak T-837/16, punten 82 en 83, ECLI:EU:T:2019:144.

(18)  “een kwantitatieve beoordeling van de gevolgen van het voortgezette gebruik voor de menselijke gezondheid was niet mogelijk vanwege beperkingen in de beschikbare informatie” — ontwerpbesluit, overweging 5.

(19)  Ontwerpbesluit, overweging 18.

(20)  “de conclusie van de aanvrager over de geschiktheid en beschikbaarheid van alternatieven […] is niet voldoende gerechtvaardigd” — advies van het SEAC over gebruik 2, blz. 18.

(21)  “in de beoordeling van alternatieven wordt niet specifiek gekeken naar de uiteenlopende situaties die onder het zeer brede toepassingsgebied van deze aanvraag vallen, en wordt dan ook niet aangetoond dat de alternatieven technisch niet haalbaar zijn” — advies van het SEAC over gebruik 2, blz. 19.

(22)  Zie minderheidsstandpunt: https://echa.europa.eu/documents/10162/7211effb-0e5a-430b-a1f1-15114cb9fcc9

(23)  https://echa.europa.eu/comments-public-consultation-0003-02, see in particular line 56.

(24)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, zaak T-837/16, punt 86, ECLI:EU:T:2019:144.

(25)  Ontwerpbesluit, overweging 3.

(26)  “Voor alle toepassingen in het kader van dit voorstel zijn momenteel technisch haalbare alternatieven met een lager risico beschikbaar tegen vergelijkbare prijzen” — https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66

(27)  https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66, blz. 69 — zie “aanvragen” in de tabel die ook gebruik buitenshuis betreft.

(28)  http://grupaazoty.com/en/wydarzenia/plastyfikatory-nieftalanowe.html

(29)  Zie bijvoorbeeld https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Non-phthalate-plasticizer-for-extreme-applications-302; https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Safe-plasticizer-for-demanding-outdoor-applications-298

(30)  Zie met name de overwegingen N, O, P en R van die resolutie.

(31)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0353.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/85


P8_TA(2019)0317

Bepaalde vormen van gebruik van chroomtrioxide

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van chroomtrioxide overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Lanxess Deutschland GmbH en andere) (D060095/03 — 2019/2654(RSP))

(2021/C 108/07)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van chroomtrioxide overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Lanxess Deutschland GmbH en andere) (D060095/03,

gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1) (“de Reach-verordening”), en met name artikel 64, lid 8,

gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (Committee for Risk Assessment, RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (Committee for Socio-economic Analysis, SEAC) (2), overeenkomstig artikel 64, lid 5, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1907/2006,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie (3) controleren,

gezien het arrest van het Gerecht in zaak T-837/16 (4) van 7 maart 2019,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat chroomtrioxide in 2010 is toegevoegd aan de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden ingedeeld als zeer zorgwekkende stof uit hoofde van de Reach-verordening (5) omdat het is ingedeeld als kankerverwekkend (categorie 1A) en mutageen (categorie 1B);

B.

overwegende dat chroomtrioxide in 2013 in bijlage XIV bij de Reach-verordening is opgenomen (6) wegens die indeling, de grote hoeveelheden die momenteel in gebruik zijn, het grote aantal locaties waar het in de Unie wordt gebruikt en het risico van een aanzienlijke blootstelling van werknemers (7), met als verbodsdatum 21 september 2017;

C.

overwegende dat bedrijven die chroomtrioxide wilden blijven gebruiken, uiterlijk op 21 maart 2016 een autorisatieaanvraag moesten indienen;

D.

overwegende dat Lanxess en zes andere ondernemingen (hieronder “de indieners van de aanvraag”) een consortium hebben gevormd waarvan meer dan 150 ondernemingen lid zijn, zonder dat het exacte ledenaantal gekend is, voor de indiening van een gezamenlijke aanvraag (8);

E.

overwegende dat, na de gezamenlijke indiening van een aanvraag vóór de uiterste datum van 21 maart 2016, de aanvragers en hun gebruikers verderop in de keten chroomtrioxide voort mochten blijven gebruiken, in afwachting van het autorisatiebesluit op grond van artikel 58 van de Reach-verordening, voor de vormen van gebruik waarvoor de aanvraag was ingediend;

F.

overwegende dat de Commissie in januari 2016 de adviezen van het RAC en het SEAC heeft ontvangen in september 2016; overwegende dat de vertraging die de Commissie bij de opstelling van het besluit heeft opgelopen, de facto tot gevolg heeft gehad dat het gebruik van chroomtrioxide anderhalf jaar na de verbodsdatum nog steeds wordt getolereerd;

G.

overwegende dat de primaire doelstelling van de Reach-Verordening, in het licht van overweging 16 ervan, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (9), is om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te waarborgen;

H.

overwegende dat overeenkomstig artikel 55 en in het licht van overweging 12 van de Reach-verordening, een centrale doelstelling van de autorisatie bestaat in de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen door veiliger alternatieve stoffen of technologieën;

I.

overwegende dat het RAC heeft bevestigd dat het niet mogelijk is een afgeleide dosis zonder effect voor de carcinogene eigenschappen van chroomtrioxide te bepalen, en dat deze stof daarom voor de toepassing van artikel 60, lid 3, onder a), van de Reach-verordening als “stof zonder drempelwaarde” wordt beschouwd; overwegende dat dit betekent dat er voor deze stof geen theoretisch “veilig niveau van blootstelling” kan worden bepaald of worden gebruikt als benchmark om te beoordelen of het risico van het gebruik ervan afdoende wordt beheerst;

J.

overwegende dat het RAC van oordeel is dat de verlening van deze autorisatie zou leiden tot 50 statistische gevallen van dodelijke kanker per jaar;

K.

overwegende dat artikel 60, lid 4, van de Reach-verordening bepaalt dat een autorisatie voor het gebruik van een stof waarvan de risico's niet afdoende worden beheerst, alleen mag worden verleend als wordt aangetoond dat de sociaaleconomische voordelen zwaarder wegen dan het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu van het gebruik van de stof en als er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn;

L.

overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het gebruik van 20 000 ton chroomtrioxide per jaar;

M.

overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een zeer groot aantal gebruikers verderop in de keten (meer dan 4 000 locaties), die actief zijn in industriële sectoren die variëren van cosmetica tot lucht- en ruimtevaart, van levensmiddelenverpakkingen tot motorvoertuigen en van sanitaire voorzieningen tot de bouw, met een ongekend aantal werknemers dat wordt blootgesteld (meer dan 100 000 werknemers);

N.

overwegende dat de aanvraag formeel betrekking heeft op zes vormen van gebruik; overwegende dat de gebruiksbeschrijvingen evenwel zo generisch zijn dat zij een zeer ruim toepassingsgebied beslaan, of zelfs een “uiterst breed toepassingsgebied” (10); overwegende dat dit zowel de sociaaleconomische beoordeling als de beoordeling van geschikte alternatieven verzwakt;

O.

overwegende dat artikel 62, lid 4, onder d), van de Reach-verordening bepaalt dat de aanvragers een chemischeveiligheidsrapport overeenkomstig bijlage I moeten indienen; overwegende dat dit een beoordeling van de blootstelling moet omvatten (11);

P.

overwegende dat het RAC een groot verschil heeft geconstateerd tussen het toepassingsgebied van de ingediende aanvraag en de daarin verstrekte informatie (12);

Q.

overwegende dat het RAC grote lacunes heeft vastgesteld in de door de aanvragers verstrekte informatie met betrekking tot de blootstellingsscenario's voor werknemers (13);

R.

overwegende dat het verzuim van de aanvragers om de nodige informatie over de blootstellingsscenario's voor werknemers te verstrekken, in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie werd erkend (14);

S.

overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie, in plaats van te concluderen dat de aanvraag niet in overeenstemming is met artikel 60, lid 7, van de Reach-verordening, eenvoudigweg vereist dat de aanvragers de ontbrekende gegevens verstrekken in hun evaluatieverslag, jaren na de vaststelling van het ontwerpbesluit, verstrekken (15);

T.

overwegende dat het evaluatieverslag, overeenkomstig artikel 61 van de Reach-verordening, niet bedoeld is om ondernemingen extra tijd te geven om lacunes op te vullen in de informatie die vooraf had moeten worden verstrekt (aangezien deze informatie van essentieel belang is voor de besluitvorming), maar bedoeld is om ervoor te zorgen dat de aanvankelijk in de aanvraag verstrekte informatie nog actueel is;

U.

overwegende dat het Gerecht duidelijk heeft gesteld dat de voorwaarden voor autorisatie in artikel 60, leden 8 en 9, van de Reach-verordening niet kunnen worden gebruikt om mogelijke tekortkomingen of lacunes in de autorisatieaanvraag te remediëren (16);

V.

overwegende dat in het advies van het SEAC bovendien werd gewezen op ernstige onzekerheden in de analyse van alternatieven die de aanvragers hebben voorgelegd, en dat daar ook in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie op wordt gewezen (17);

W.

overwegende dat een aanvrager krachtens artikel 55 en artikel 60, lid 4, van de Reach-verordening moet aantonen dat er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn voor de toepassingen waarvoor hij een aanvraag heeft ingediend;

X.

overwegende dat is aangetoond dat er geschikte alternatieven beschikbaar zijn voor vele van de toepassingen die vallen onder de gebruiksvormen waarvoor om autorisatie wordt verzocht (18),

Y.

overwegende dat het Gerecht de Commissie eraan heeft herinnerd dat zij om op wettige wijze een vergunning krachtens artikel 60, lid 4, van de Reach-verordening te verlenen, een voldoende hoeveelheid substantiële en betrouwbare informatie moet controleren om te concluderen dat er geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen waarop de aanvraag betrekking heeft of dat de op de datum van goedkeuring van de vergunning resterende onzekerheden over het ontbreken van beschikbare alternatieven slechts verwaarloosbaar zijn (19);

Z.

overwegende dat in dit geval de onzekerheden met betrekking tot de analyse van alternatieven verre van verwaarloosbaar waren (20);

AA.

overwegende dat het feit dat de gebruiksvormen waarvoor de aanvragers hebben besloten een aanvraag in te dienen, zeer ruim zijn, geen legitieme rechtvaardiging kan zijn voor een onvolledige analyse van alternatieven;

AB.

overwegende dat artikel 62 van de Reach-verordening niet voorziet in een ontheffing van de verplichting tot informatieverstrekking voor ondernemingen die samen een aanvraag indienen als consortium;

AC.

overwegende dat de door de Commissie voorgestelde autorisatie bijgevolg in strijd is met artikel 60, leden 7 en 4, van de Reach-verordening;

AD.

overwegende dat bovendien een aantal gebruikers verderop in de keten die onder het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie vallen, reeds een afzonderlijke autorisatieaanvraag hebben ingediend; overwegende dat het RAC en het SEAC reeds een advies over een aantal van deze aanvragen hebben uitgebracht; overwegende dat sommige autorisaties voor gebruikers verderop in de keten reeds zijn verleend;

AE.

overwegende dat er evenwel specifieke toepassingen kunnen zijn onder de zeer brede gebruiksvormen in de door de aanvragers ingediende gezamenlijke aanvraag waarvoor gebruikers verderop in de keten geen afzonderlijke autorisatieaanvraag hebben ingediend, maar waarvoor aan de voorwaarden van artikel 60, lid 4, van de Reach-verordening voldaan kan zijn;

AF.

overwegende dat deze aanvragen betrekking kunnen hebben op belangrijke gebieden;

AG.

overwegende dat het daarom bij wijze van uitzondering passend zou zijn gebruikers verderop in de keten die nog geen specifieke aanvraag hebben ingediend, de kans te geven binnen een korte termijn een afzonderlijke aanvraag in te dienen;

1.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen;

2.

verzoekt de Commissie zorgvuldig te beoordelen of met volledige naleving van de Reach-verordening autorisaties kunnen worden verleend voor specifieke, duidelijk gedefinieerde toepassingen waarop de door de aanvragers ingediende aanvraag betrekking heeft;

3.

verzoekt de Commissie bij wijze van uitzondering aan gebruikers verderop in de keten wier gebruik onder de door de aanvragers ingediende aanvraag valt, zonder dat voor dit gebruik reeds een aparte autorisatieaanvraag is ingediend, en waarvoor de benodigde gegevens ontbreken, de mogelijkheid te verlenen binnen een korte termijn de ontbrekende gegevens in te dienen;

4.

dringt er bij het RAC en het SEAC op aan deze in een tweede stadium aangevulde aanvragen snel te beoordelen, met inbegrip van een behoorlijke controle op de opname in deze aanvragen van alle in artikel 62 van de Reach-verordening genoemde noodzakelijke informatie;

5.

dringt er bij de Commissie op aan snel besluiten te nemen met betrekking tot deze aanvragen, met volledige naleving van de Reach-verordening;

6.

verzoekt het RAC en het SEAC niet langer aanvragen te accepteren die niet de informatie bevatten die overeenkomstig artikel 62 van de Reach-verordening moet worden verstrekt;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Gebruik 1: https://echa.europa.eu/documents/10162/a43a86ab-fcea-4e2b-87d1-78a26cde8f80

Gebruik 2: https://echa.europa.eu/documents/10162/dc9ea416-266e-4f49-88cb-35576f574f4a

Gebruik 3:https://echa.europa.eu/documents/10162/fab6fe18-3d69-483b-8618-f781d18d472e

Gebruik 4: https://echa.europa.eu/documents/10162/0f5571f8-d3aa-4031-9454-843cd7f765a8

Gebruik 5: https://echa.europa.eu/documents/10162/6ee57573-de19-43b5-9153-dad5d9de3c1e

Gebruik 6: https://echa.europa.eu/documents/10162/ab92f048-a4df-4d06-a538-1329f666727a

(3)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(4)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, T-837/16, ECLI:EU:T:2019:144. http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?oqp=&for=&mat=or&lgrec=en&jge=&td=%3BALL&jur=C%2CT%2CF&num=T-837%252F16&page=1&dates=&pcs=Oor&lg=&pro=&nat=or&cit=none%252CC%252CCJ%252CR%252C2008E%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252Ctrue%252Cfalse%252Cfalse&language=nl&avg=&cid=5266270

(5)  https://echa.europa.eu/documents/10162/6b11ec66-9d90-400a-a61a-90de9a0fd8b1

(6)  Verordening (EU) nr. 348/2013 van de Commissie van 17 april 2013 tot wijziging van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), (PB L 108 van 18.4.2013, blz. 1).

(7)  https://echa.europa.eu/documents/10162/13640/3rd_a_xiv_recommendation_20dec2011_en.pdf

(8)  http://www.jonesdayreach.com/SubstancesDocuments/CTAC%20Press%20Release%20Conclusion%20plus%20Annex%20+%20Cons%20Agt+amendm.PDF

(9)  Arrest van het Hof van 7 juli 2009, S.P.C.M. SA e.a. tegen Secretary of State for the Environment, Food and Rural Affairs, C-558/07, ECLI:EU:C:2009:430, punt 45.

(10)  Zie het advies van het RAC/SEAC over gebruik 2, blz. 25, of over gebruik 5, blz. 61.

(11)  Reach, bijlage I, punt 5.1.

(12)  Het RAC wijst op het verschil in elk gebruik waarop de aanvraag betrekking heeft, tussen a) het totale aantal potentiële locaties waarop de aanvraag volgens de aanvrager betrekking kan hebben (opgave van maximaal 1 590 locaties in de sociaaleconomische analyse) voor gebruik 2, b) het aantal CTAC-leden (meer dan 150) en c) de gemeten blootstellingsgegevens die worden verstrekt (van 6 tot 23 locaties voor de gebruiken 1 tot en met 5).

(13)  Volgens het RAC vloeit de grootste onzekerheid voort uit het ontbreken van een duidelijk verband tussen de operationele voorwaarden, de risicobeheersmaatregelen en de blootstellingswaarden voor specifieke taken en locaties, dat de aanvraag een legitiem karakter kan geven. Het RAC beschouwt dit als een aanzienlijk zwak punt van de aanvraag (RAC-advies over gebruik 2, blz. 12).

(14)  Daarin wordt gesteld dat het RAC heeft geconcludeerd dat er grote onzekerheid bestaat over de blootstelling van werknemers als gevolg van de beperkte beschikbaarheid van gemeten blootstellingsgegevens; dat het RAC voorts heeft geconcludeerd dat een overheersend gebrek aan contextuele informatie het moeilijk heeft gemaakt om een verband te leggen tussen de operationele voorwaarden en de risicobeheersmaatregelen die in de aanvraag worden beschreven, en de blootstellingsniveaus die er zouden zijn voor specifieke taken en locaties, zodat het RAC geen verdere beoordeling kan uitvoeren; dat deze onzekerheden betrekking hebben op de betrouwbaarheid en de representativiteit van de blootstellingsgegevens en op het verband hiervan met de bestaande specifieke risicobeheersmaatregelen (ontwerpbesluit, overweging 7).

(15)  Ontwerpbesluit, overweging 25 en artikel 8.

(16)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, ECLI:EU:T:2019:144, punten 82 en 83.

(17)  'Daarin wordt gesteld dat het SEAC, gezien het zeer brede toepassingsgebied van de beoogde vormen van gebruik, niet kon uitsluiten dat er onzekerheid bestaat over de technische haalbaarheid van alternatieven voor een beperkt aantal specifieke toepassingen die vallen onder de beschrijving van de gebruiksvormen waarop de aanvraag betrekking heeft (ontwerpbesluit, overweging 14).

(18)  Alternatieven voor de toepassingen 2 t/m 5

PVD CROMATIPIC plasmacoating, zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Eco-friendly-chrome-plating-based-on-nanotechnologies-94

EHLA-Process, zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Effective-Protection-against-Wear-Corrosion-with-the-EHLA-Process--185

TripleHard, zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/TripleHard-REACH-compliant-hard-chrome-is-the-best-in-the-market-96

Hexigone Inhibitors, zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Chrome-and-Zinc-free-Corrosion-Inhibitor-for-Coatings-Highly-Effective-Drop-In-Replacement-of-Hexavalent-Chromate--95

SUPERCHROME PVD COATING, zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/SUPERCHROME-PVD-COATING-a-green-alternative-to-hexavalent-chrome-plating-10

Oerlikon Balzers ePD, zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/Oerlikon-Balzers-ePD-Reach-compliant-Chrome-look-for-plastic-parts-on-a-new-level-69

(19)  Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, ECLI:EU:T:2019:144, punt 86.

(20)  In het SEAC-advies wordt gesteld dat toepassingen waarvoor vervanging reeds mogelijk is, volgens de aanvrager sowieso niet onder de aanvraag vallen; dat de aanvrager evenwel geen dergelijke toepassingen of de daarmee verband houdende technische eisen specificeert; dat het SEAC de aanpak van de aanvrager om deze kwestie op te lossen niet volledig geschikt acht en dat het benadrukt dat de aanvrager concreter moet aantonen vervanging reeds heeft plaatsgevonden waar zij werkelijk reeds haalbaar is; dat dit had kunnen worden gerealiseerd door een nauwkeuriger en gebruiksspecifiekere beoordeling van alternatieven uit te voeren (SEAC-advies over gebruik 2, blz. 25).


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/90


P8_TA(2019)0318

Ontwikkelingen na de Arabische Lente: de aangewezen weg voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over de ontwikkelingen na de Arabische Lente: de aangewezen weg voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika (2018/2160(INI))

(2021/C 108/08)

Het Europees Parlement,

gezien het document getiteld “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa — Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid”, dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) (1), en gezien de uitvoeringsverslagen van 2017 en 2018,

gezien Verordening (EU) nr. 232/2014 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (ENI),

gezien Verordening (EU) nr. 235/2014 (3) van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot instelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld,

gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2018 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (COM(2018)0460),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 november 2015, getiteld “Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid”(JOIN(2015)0050) en het gezamenlijk verslag van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (JOIN(2017)0018),

gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 maart 2011, getiteld “Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied” (COM(2011)0200), en van 25 mei 2011, getiteld “Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” (COM(2011)0303),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2017 getiteld “Elementen voor een EU-strategie voor Syrië” (JOIN(2017)0011) en de conclusies van de Raad over Syrië van 3 april 2017, die samen de nieuwe EU-strategie voor Syrië vormen,

gezien de partnerschapsprioriteiten die zijn vastgesteld tussen de Europese Unie en een aantal landen in het Midden-Oosten, waaronder Egypte, Libanon en Jordanië,

gezien de slotverklaring van de NAVO-topontmoeting in 2018,

gezien de Mediterrane Dialoog van de NAVO en het permanente crisisbeheer en de gezamenlijke inspanningen voor veiligheid in de regio,

gezien de EU-totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM),

gezien het pakket thematische richtsnoeren van de EU inzake mensenrechten, onder meer inzake mensenrechtendialogen met derde landen en inzake mensenrechtenverdedigers,

gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele mensen (LGBTI), die de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013 heeft aangenomen,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 januari 2017, getiteld “Migratie langs de centrale Middellandse Zeeroute — Migrantenstromen beheersen en levens redden” (JOIN(2017)0004),

gezien het mondiaal pact inzake migratie,

gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

gezien het actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019, aangenomen door de Raad op 20 juli 2015, en de tussentijdse evaluatie daarvan die dateert van juni 2017,

gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 21 september 2015 getiteld “Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)” (SWD(2015)0182),

gezien de aanbeveling van de Commissie rechten van de vrouw van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, met als titel “De deelname van vrouwen aan besluitvorming en aan leidinggevende functies: Uitdagingen en vooruitzichten”, die werd goedgekeurd tijdens de 13e Algemene vergadering in mei 2017 in Rome,

gezien het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking van september 1995, het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (Conferentie van Caïro) van september 1994, en de resultaten van hun toetsingsconferenties,

gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (4),

gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de veiligheidsuitdagingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en de vooruitzichten voor politieke stabiliteit (5),

gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Tunesië in de huidige regionale context (6),

gezien zijn resolutie van 18 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020 (7),

gezien zijn aanbeveling van 30 mei 2018 aan de Raad, de Commissie en de VV/HV over Libië (8),

gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 (9),

gezien de bijeenkomsten van de Associatieraad EU-Tunesië van 11 mei 2017 en 15 mei 2018, de Associatieraad EU-Algerije van 14 mei 2018 en de Associatieraad EU-Egypte van 25 juli 2017,

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 6 februari 2017 en 15 oktober 2018 over Libië en van 3 april 2017 en 16 april 2018 over Syrië,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0077/2019),

A.

overwegende dat de Arabische opstanden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MONA) in 2011 een moment waren van massaal protest tegen autoritaire regimes en de verslechtering van de sociaaleconomische omstandigheden; overwegende dat een groot deel van de betogers jonge vrouwen en mannen waren die streefden naar democratie, vrijheid en de rechtsstaat en een betere en inclusievere toekomst, erkenning van hun waardigheid, meer sociale inclusie en betere economische vooruitzichten; overwegende dat de omverwerping van enkele regimes en, in enkele gevallen, de invoering van democratische hervormingen grote hoop en verwachtingen hebben gewekt;

B.

overwegende dat de meerderheid van de bevolking in het Midden-Oosten en Noord-Afrika jonger is dan 35; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de regio nog altijd een van de hoogste ter wereld is; overwegende dat dit leidt tot uitsluiting, ontzegging van politieke rechten en een braindrain naar andere landen; overwegende dat dit aan de basis lag van de protesten van 2011 en in enkele landen opnieuw tot protesten leidt; overwegende dat jongeren in kwetsbare omstandigheden, zonder inspraak of vooruitzichten, doelgroepen voor radicale bewegingen kunnen vormen;

C.

overwegende dat met name in olie-invoerende landen de wereldwijde financiële crisis, de daling van de olieprijzen, demografische ontwikkelingen, conflicten en terrorisme de situatie na de gebeurtenissen van 2011 nog hebben verergerd; overwegende dat het economisch model waardoor die landen worden gekenmerkt niet langer houdbaar is en leidt tot een vertrouwenscrisis die door de betrokken regeringen dringend moet worden aangepakt, met het oog op de sluiting van een nieuw sociaal contract met hun respectieve burgers; overwegende dat de toenemende sociale gevolgen van de afname van overheidssubsidies, de afbouw van banen in de overheidssector en in openbare diensten, de verspreiding van armoede en milieuproblemen, vooral in afgelegen gebieden en kansarme gemeenschappen, oorzaken zijn geweest van voortdurende onrust en spontane protesten in de regio, die in de komende jaren wellicht nog zullen toenemen;

D.

overwegende dat het, acht jaar na de Arabische Lente en de politieke omwentelingen die in de Maghreb- en de Masjraklanden tot zeer uiteenlopende ontwikkelingen qua politiek bestel en stabiliteit hebben geleid, van essentieel belang is om na te gaan hoe we moeten reageren op de legitieme democratische aspiraties en het verlangen naar duurzame stabiliteit in de regio, en op de dringende behoefte aan banen, de rechtsstaat, de verbetering van de levensomstandigheden en duurzame veiligheid; overwegende dat het belangrijk is de balans op te maken van de inspanningen en de beleidsstandpunten van de EU als respons op de Arabische Lente en een evaluatie te verrichten van het vermogen van de EU om haar beleid daadwerkelijk uit te voeren; overwegende dat het van essentieel belang is het beleidskader van de EU ten aanzien van de landen van het zuidelijk nabuurschap, de toekomstige doelstellingen daarvan en de middelen om deze te verwezenlijken, opnieuw te bekijken en aan te passen, en daarbij rekening te houden met de uiteenlopende omstandigheden in de diverse landen van de regio;

E.

overwegende dat een gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten en de EU hun vermogen om een positieve invloed uit te oefenen op de Maghreb- en de Masjraklanden belemmert; overwegende dat het optreden van de individuele lidstaten in de regio gecoördineerd moet worden met en moet aansluiten op de doelstellingen van de EU; overwegende dat de EU de in de artikelen 8 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde doelstellingen moet nastreven; overwegende dat de EU haar politieke en diplomatieke invloed moet versterken; overwegende dat de politieke en economische stabiliteit en de veerkracht van de Maghreb- en de Masjraklanden op de lange termijn van fundamenteel strategisch belang is voor de EU en derhalve een geïntegreerde, op de toekomst gerichte langetermijnaanpak vergt wat betreft het beleidskader en de doelstellingen daarvan, in overeenstemming met de behoeften van de burgers in de partnerlanden en met de strategische belangen van de EU;

F.

overwegende dat met het EU-beleid ten aanzien van de landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten twee hoofddoelen worden nagestreefd, namelijk elk land aansporen tot politieke en economische hervormingen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van dat land, en regionale samenwerking tussen de landen van de regio onderling en met de EU aanmoedigen;

G.

overwegende dat de EU een centrale rol moet spelen bij de bevordering van conflictpreventie, -bemiddeling en -oplossing, de bescherming en bevordering van de mensenrechten, de rechtsstaat en de ruimte voor het maatschappelijke middenveld, alsook van democratisch, sociaal en eerlijk economisch bestuur in de Maghreb en de Masjrak; overwegende dat een open maatschappelijk middenveld en de werkzaamheden van mensenrechtenverdedigers als actoren voor maatschappelijke verandering van fundamenteel belang zijn voor de veerkracht en welvaart van de regio op de lange termijn;

H.

overwegende dat elke detentie die het gevolg is van de uitoefening van de rechten of vrijheden die in het internationaal recht gewaarborgd zijn, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, neerkomt op willekeurige detentie die verboden is uit hoofde van het internationaal recht; overwegende dat mensenrechtenverdedigers, journalisten, juristen, politieke activisten uit de oppositie en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in het algemeen in aanzienlijke delen van de regio steeds meer worden blootgesteld aan stelselmatige vervolging, bedreigingen, aanvallen, represaillemaatregelen, strafrechtelijke intimidatie, willekeurige detentie, foltering en mishandeling; overwegende dat de EU en de lidstaten hun inspanningen aanzienlijk moeten opvoeren om passend te reageren op deze ontwikkeling;

I.

overwegende dat er in de regio talrijke gewapende conflicten spelen en dat duizenden mensen zijn vermoord of verdwenen en dat miljoenen zijn ontheemd; overwegende dat ISIS/Da'esh en andere jihadistische groeperingen zich schuldig hebben gemaakt aan gruweldaden, waaronder brutale executies en onbeschrijflijk seksueel geweld, ontvoeringen, folteringen, gedwongen bekeringen en de onderwerping van vrouwen en meisjes als slaven; overwegende dat kinderen worden aangeworven en gebruikt in terroristische aanslagen; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over het welzijn van de bevolking in de door ISIS/Da'esh gecontroleerde gebieden en over het feit dat zij tijdens de bevrijdingscampagne mogelijkerwijs als menselijk schild zal worden ingezet; overwegende dat deze misdaden mogelijk neerkomen op oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

J.

overwegende dat de EU naar aanleiding van de ontwikkelingen in de regio haar nabuurschapsbeleid in 2015 heeft herzien; overwegende dat de herziening voorziet in een sterkere betrokkenheid van de lidstaten bij het Europees nabuurschapsbeleid (ENB);

K.

overwegende dat weerbaarheid van de staat en van de samenleving tot de belangrijkste prioriteiten behoren van de integrale strategie van de EU; overwegende dat in deze strategie wordt erkend dat een weerbare samenleving, gekenmerkt door democratie, vertrouwen in de instellingen en duurzame ontwikkeling de kern vormt van een weerbare staat, terwijl repressieve staten op lange termijn inherent broos zijn;

L.

overwegende dat voor de landen waarmee de EU associatieovereenkomsten heeft gesloten, de wettelijk bindende toezeggingen van deze overeenkomsten, ook in verband met mensenrechten, de grondslag moeten vormen van de betrekkingen, en met name van de partnerschapsprioriteiten die werden afgesproken tussen de EU en bepaalde nabuurschapslanden;

M.

overwegende dat kinderarbeid volgens Unicef de belangrijkste dreiging is voor kinderen die in de conflictgebieden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika wonen; overwegende dat 2,1 miljoen kinderen in Syrië en 700 000 Syrische vluchtelingenkinderen geen toegang hebben tot onderwijs; overwegende dat ten gevolge van het aanhoudende geweld, ontheemding, natuurrampen, toenemende economische ongelijkheid en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, alsook hoge werkloosheids- en armoedepercentages in verschillende MONA-landen 28 miljoen kinderen humanitaire hulp nodig hebben;

1.

stelt met bezorgdheid vast dat acht jaar na de eerste opstanden de meeste legitieme verwachtingen van de vreedzame betogers voor waardigheid, mensenrechten en progressieve sociale, economische en politieke hervormingen in de meeste landen nog niet zijn ingelost; erkent dat er in sommige gevallen een aantal positieve ontwikkelingen zijn geweest en dat er enige democratische vooruitgang is geboekt, maar wijst erop dat deze nog steeds ontoereikend zijn; veroordeelt de aanhoudende en voortdurende schendingen van de mensenrechten, de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden en de wijdverbreide discriminatie van minderheden; is ernstig bezorgd over de aanhoudende nijpende sociaaleconomische situatie in de regio en met name over de hoge werkloosheid (die vooral vrouwen en jongeren treft) en sociale uitsluiting, die op grote schaal leiden tot ontgoocheling en rechteloosheid, vooral bij jongeren die daardoor tot wanhoop worden gedreven en illegale migratie als uitweg zien, of kwetsbaarder worden voor radicalisering; wijst erop dat de economische situatie in deze landen ook van grote invloed is op hun veiligheidssituatie; betreurt de aanhoudende corruptie, het nepotisme en het gebrek aan verantwoordingsplicht in de regio;

2.

wijst erop dat de welvaart op de lange termijn van de landen van de Arabische Lente staat of valt met hun vermogen om de universele rechten van de mens te beschermen en democratische en transparante instellingen te creëren en te bestendigen die zich inzetten voor de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers; is derhalve ernstige bezorgd over de aanhoudende schendingen van de mensenrechten, de krimpende of verdwijnende ruimte voor de democratie en het maatschappelijk middenveld, het terugdraaien van vooruitgang op het gebied van de vrijheid van meningsuiting — zowel online als offline — en de vrijheid van vereniging en vergadering, de repressie van mensenrechtenverdedigers en de onderdrukking van de media, mede door misbruik van antiterrorismewetgeving en bewakingstechnologie, en de beknotting van de rechtsstaat in een aantal MONA-landen; stelt met bezorgdheid vast dat het leger en de veiligheidsdiensten een geheel eigen rol spelen in en verantwoordelijkheid dragen voor de verslechtering van het politieke traject in verschillende landen in de nasleep van de Arabische Lente en dat zij hardnekkig en dominant de touwtjes in handen houden over de staat en de economische middelen; verzoekt de EU en de lidstaten derhalve deze fundamentele dimensie op passende wijze op te nemen in hun contacten met de regio; verzoekt de EU en de lidstaten om in overleg met de regeringen van derde landen een einde te stellen aan dergelijke praktijken en repressieve wetgeving in te trekken, en er daarnaast voor te zorgen dat exportgoederen van Europese bewakingstechnologie en technische bijstand behoorlijk worden doorgelicht; dringt er bij de EU op aan voorrang te geven aan de ondersteuning van inspanningen van de parlementen en het maatschappelijk middenveld om te komen tot een grotere verantwoordingsplicht en transparantie van de veiligheidsdiensten en het leger;

3.

is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van de EU en van de lidstaten om de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, alsook de economische ontwikkeling en het belangrijke verband tussen democratie en duurzame veiligheid in de landen van de Arabische Lente te bevorderen, en erkent dat dit een zeer complexe taak is; is echter van mening dat, ondanks een beleid dat al vijftien jaar lang focust op de landen in het zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeegebied, en ondanks hernieuwde beleidsinspanningen en een verhoging van de budgettaire middelen na de Arabische Lente (of Arabische Lentes), de doelstellingen en het beleid van de EU nog niet voldoende zijn gerealiseerd (en de situatie soms zelfs is verslechterd) en dat het echte proces van sociaaleconomische inclusie nog moet beginnen; benadrukt dat de EU bij haar externe optreden ten aanzien van de landen van de Arabische Lente rekening moet houden met de realiteit op het terrein en haar beleidsstrategieën en de tenuitvoerlegging daarvan dienovereenkomstig moet aanpassen; is van mening dat een gebrek aan leiderschap en initiatief van de EU bij het werken aan de oplossing van aanslepende conflicten haar vermogen om diplomatieke invloed uit te oefenen in de regio heeft verzwakt; verzoekt de EU haar volle steun te verlenen aan het vredesproces van de VN voor de oplossing van conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika;

4.

wijst op de schade en het leed dat extremisme en terrorisme de regio hebben berokkend en beklemtoont dat de stabiliteit van de regio ernstig wordt bedreigd door geweld en dat samenwerking inzake veiligheid binnen de regio en met de EU en haar lidstaten, met volledige eerbiediging van de internationale mensenrechtenwetgeving, van het grootste belang blijft om terroristische organisaties zoals Da'esh te overwinnen en er op die manier voor te zorgen dat de mensen in de regio in vrede en in een omgeving van stabiliteit en vooruitgang kunnen leven; is derhalve ingenomen met de EU-initiatieven die bedoeld zijn om de terreurdreiging in het Midden-Oosten en Noord-Afrika aan te pakken; onderstreept dat het belangrijk is de capaciteit te versterken van overheidsactoren die een sleutelrol spelen in de bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme en dat het van essentieel belang is om te werken aan partnerschappen tussen de autoriteiten, jongeren en gemeenschappen om iets te doen aan de onderliggende factoren die gemeenschappen vatbaar kunnen maken voor gewelddadig extremisme en om de diepere oorzaken van de conflicten aan te pakken;

5.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat, ondanks aanzienlijke politieke en budgettaire investeringen en voortdurende politieke en economische inspanningen, de EU niet in staat is geweest om daadwerkelijke, betekenisvolle politieke en economische invloed uit te oefenen, de invloed van het EU-beleid beperkt is gebleven en de EU door de landen in de regio niet wordt beschouwd als een speler die voor een doorbraak kan zorgen; wijst op de ontevredenheid van het maatschappelijk middenveld, lokale ngo's en jongeren in het algemeen over de manier waarop de EU er niet in slaagt haar visie ten volle in de praktijk te vertalen; is bezorgd over de steeds complexere politieke situatie in de Maghreb en de Masjrak, en stelt de opkomst vast van nieuwe en herrijzende politieke en economische spelers in de regio, zoals Rusland en China, naast de tegenstrijdige belangen en financiering door de Golfstaten en Iran, die doelstellingen nastreven die mogelijk in strijd zijn met die van de EU; dringt bij de EU aan op een grotere inzet en een duidelijker visie, zodat zij een centralere rol kan spelen in de regio; verzoekt de Unie meer in dialoog te treden met de organisaties van het maatschappelijk middenveld om een beleid te voeren dat beter inspeelt op de verwachtingen van alle betrokken democratische actoren; beklemtoont dat de EU in dialoog moet treden met alle politieke actoren in de MONA-landen;

6.

wijst uitdrukkelijk op het belang van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ), het enige politieke forum dat de EU-lidstaten en alle landen uit het Middellandse Zeegebied samenbrengt; beklemtoont dat de UMZ, die onlangs haar tiende verjaardag heeft gevierd, een grotere rol moet spelen bij de gezamenlijke aanpak van onze gemeenschappelijke uitdagingen; stelt met voldoening vast dat het derde Regionaal Forum van de UMZ, dat op 8 oktober 2018 plaatsvond en de tiende verjaardag herdacht van de Parijse top voor het Middellandse Zeegebied, erkende dat het zinvol is om de interacties tussen de UMZ en andere actoren in het Euro-mediterrane gebied verder te ontwikkelen; verzoekt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de hoge vertegenwoordiger om opnieuw na te denken over het project van de UMZ en het nieuw leven in te blazen; spoort hen ertoe aan dit project te gebruiken als een middel om de samenwerking tussen de EU en de landen uit het Middellandse Zeegebied te bevorderen;

7.

betreurt dat partnerschapsprioriteiten worden gesloten met andere landen zonder dat daaraan voorwaarden zijn verbonden en ondanks het feit dat de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat in die landen nog altijd ernstig achteruitgaan;

8.

is van mening dat het beleid ten aanzien van de Maghreb- en de Masjraklanden veel te lang werd belemmerd door een aanpak die te veel was gebaseerd op de verwachtingen en doelstellingen van de EU, niet ten volle rekening hield met de belangen en realiteiten van de partnerlanden, te weinig aandacht had voor het aanmoedigen en de eigen verantwoordelijkheid van de begunstigde landen en te weinig oog had voor de aspiraties van de bevolking die diende te profiteren van het EU-beleid en voor de specifieke politieke toestand in de verschillende landen; betreurt dat de aanvankelijke inspanningen om na de Arabische Lente (of Arabische Lentes) strengere voorwaarden en stimulansen voor de begunstigde landen in te voeren via het “meer voor meer”-beginsel er niet toe hebben geleid dat de EU zwaarder kon wegen om echte verandering te brengen op het gebied van democratie, de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden, economische en sociale ontwikkeling en duurzame veiligheid in de meeste van deze landen; beklemtoont dat differentiatie en meer wederzijdse eigen verantwoordelijkheid de hoekstenen van het ENB zijn, waarmee verschillende niveaus van betrokkenheid worden erkend en rekening wordt gehouden met de belangen van elk land met betrekking tot de aard en het bereik van zijn partnerschap met de Unie; pleit voor een consequentere toepassing van het “meer voor meer”-beginsel door in bilaterale betrekkingen op beleids-, programma- en projectniveau concrete doelstellingen en ijkpunten voor meer steun vast te stellen; herinnert eraan dat duurzame democratisering uitsluitend kan worden bereikt als dit doel overal in de desbetreffende landen wordt nagestreefd, dus zowel in de steden als op het platteland, en wijst erop dat stabiliteit de ontwikkeling van democratie ondersteunt en dat een goed getimed voorbereidingsproces met onder meer een brede raadpleging en inspraak voor de desbetreffende maatschappelijke groepen en leiders de verwezenlijking van deze doelstelling ten goede zal komen; onderstreept voorts dat democratisering tegelijkertijd de economische ontwikkeling en de kracht van de rechtsstaat ondersteunt;

9.

erkent de aanvankelijke inspanningen van de EDEO en de Commissie, in samenwerking en dialoog met het Europees Parlement, om het EU-beleidskader voor de landen van de Arabische Lente grondig te hervormen, teneinde haar politieke invloed in de Maghreb en de Masjrak te kunnen versterken; verwijst naar de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en de meerwaarde daarvan voor het realiseren van synergieën bij het optreden op EU-niveau, waarbij wordt voortgebouwd op politieke, economische en sociale dialoog, meer de nadruk wordt gelegd op het verband tussen sociaaleconomische ontwikkeling en duurzame veiligheid, en wordt gezorgd voor adequate ondersteuning en uitvoering via de financiële instrumenten voor het externe optreden van de EU; neemt kennis van de herziening in 2015 van het ENB om rekening te houden met de veranderende scenario's in de regio; wijst met klem op het belang van diepgaande, jaarlijkse rapportage per land over de tenuitvoerlegging van het ENB; herinnert ook aan de cruciale steun die het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) heeft geboden bij de tenuitvoerlegging van het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten en de landenstrategieën, hetgeen de EU in staat heeft gesteld om strategischer op te treden in dit gebied, inclusief het zuidelijk nabuurschap, en de verantwoordingsplicht, zichtbaarheid en doeltreffendheid heeft verbeterd;

10.

beklemtoont dat moet worden gestreefd naar het doeltreffendste gebruik van de beschikbare middelen om de effecten van het extern optreden van de EU te optimaliseren, en dat die doeltreffendheid moet worden bereikt via de coherentie en complementariteit van de externe financieringsinstrumenten van de Unie;

11.

wijst op de complexiteit van een passende reactie op de migratie- en vluchtelingenstromen van en via de Maghreb en de Masjrak, een op veiligheid gericht standpunt inzake migratie, de uitdaging van terrorisme en de legitieme bezorgdheid over de kwetsbaarheid van bepaalde landen in de regio, en op de noodzaak om meer rekening te houden met de klimaatverandering en de uitdagingen ingevolge het ontbreken van een samenhangende aanpak door de lidstaten; is bezorgd dat deze factoren ertoe leiden dat het optreden van de EU ten aanzien van de regio vooral gebaseerd is op een ideologie van stabiliteit op de korte termijn, waarbij andere belangrijke aspecten uit het oog worden verloren; meent dat wanneer stabiliteit en veiligheid de belangrijkste doelstellingen worden, dit leidt tot een kortzichtige beleidsvisie op de kortere termijn en het optreden van de EU ter bevestiging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden de vereiste intensiteit ontneemt; wijst erop dat de bevordering van de veerkracht van staat en samenleving niet mag leiden tot de bestendiging van autoritaire regimes; herhaalt dat mensenrechten niet ondergeschikt zijn aan migratiebeheer of terrorismebestrijding en is ervan overtuigd dat een geloofwaardige en coherente stabiliteit en duurzame veiligheid alleen kunnen worden verwezenlijkt via het nastreven van belangen en beginselen op de lange termijn, zoals een inclusieve economische en sociale vooruitgang die iedereen ten goede komt en een versterking van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, in het kader van een op de mens gerichte, conflictgevoelige benadering; herinnert er echter aan dat stabiliteit op lange termijn in die landen alleen kan worden verwezenlijkt via een evenwicht tussen veiligheidsoverwegingen en ontwikkeling gebaseerd op de rechtsstaat en de mensenrechten;

12.

verzoekt de EU de onderliggende oorzaken van migratie, zoals conflicten, milieuproblemen, extreme armoede en sociale uitsluiting, aan te pakken en de politieke samenwerking veeleer te richten op een evenwichtiger en gelijk partnerschap met de regio, waarin jeugdbeleid en investeringen voor kleine en middelgrote ondernemingen centraal staan;

13.

stelt vast dat bepaalde landen miljoenen vluchtelingen opvangen, van wie de meesten vrouwen en kinderen zijn die in armoede leven, waardoor huiselijk geweld, uitbuiting van vrouwen en jonge meisjes voor prostitutie, gedwongen kindhuwelijken en kinderarbeid in de gemeenschap nog worden verergerd;

14.

verzoekt de Europese instellingen, de EU-lidstaten en de nationale ontwikkelingsagentschappen te streven naar een eensgezind Europees standpunt ten aanzien van de regio, waarin onze gezamenlijke belangen centraal staan, om te zorgen voor een enkele en samenhangende Europese strategie, zodat het volledige potentieel van de EU als een betekenisvolle bondgenoot voor democratische, economische en sociale hervormingen kan worden gerealiseerd;

15.

stelt met ernstige bezorgdheid vast dat het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in de gehele regio geconfronteerd worden met toenemende bedreigingen, represaillemaatregelen, strafrechtelijke intimidatie, willekeurige detentie, foltering en mishandeling, alsook andere vormen van vervolging; onderstreept dat de werkzaamheden van mensenrechtenverdedigers van cruciaal belang zijn voor de langdurige ontwikkeling en stabiliteit van de regio; herhaalt in die context zijn oproep tot de volledige tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren voor mensenrechtenverdedigers; beklemtoont dat leiders en diplomaten van de EU en de lidstaten op alle niveaus gevallen van individuele mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen bij regeringen van derde landen dienen aan te kaarten, indien nodig via openbare verklaringen, demarches en regelmatige dialoog, via ontmoetingen met mensenrechtenverdedigers, door bezoeken te brengen aan gedetineerde mensenrechtenverdedigers en door als waarnemers op te treden in rechtszaken van mensenrechtenverdedigers; wijst er uitdrukkelijk op dat de EU en de lidstaten hun financiële middelen en hun capaciteit ter ondersteuning van mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen moeten optrekken, via noodsubsidies en via de ondersteuning van regelingen voor de bescherming van het maatschappelijk middenveld zoals ProtectDefenders.eu; verwelkomt de voortdurende inspanningen van het Europees Fonds voor Democratie en het EIDHR ter bevordering van democratie en eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden in het zuidelijke nabuurschap van de EU; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan actief samen te werken met en steun te verlenen aan de kwetsbaarste mensenrechtenverdedigers en actoren van het maatschappelijk middenveld in de gehele regio, met inbegrip van de mensen in afgelegen en plattelandsgebieden, verdedigers van de rechten van LGBTI, inheemse volkeren, milieu- en grondrechten, verdedigers van vluchtelingen- en arbeidsrechten, en vrouwen, die worden geconfronteerd met genderspecifieke risico's en bedreigingen;

16.

is ingenomen met het concept van gedeelde verantwoordelijkheid in het herziene ENB; is echter bezorgd dat dit autoritaire regimes in sommige partnerlanden in staat zou stellen om voor bepaalde prioriteiten te kiezen op basis van hun nationale agenda, in plaats van voort te gaan op de weg naar democratisering; benadrukt daarom het belang van een beleidskader voor de lange termijn en synergieën bij de programmering voor de landen van de Arabische Lente, gebaseerd op het primaat van de democratie, de betrokkenheid van alle democratische politieke krachten en het primaat van de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele waarden; herhaalt dat het versterken van deze aspecten, samen met de ontwikkeling van een aantrekkelijk economisch klimaat en de ondersteuning van positieve hervormingen, in het belang is van zowel de partnerlanden en hun bevolking als de EU, en dringt aan op strengere voorwaarden in gevallen van stelselmatige mensenrechtenschendingen door de autoriteiten; herinnert eraan dat partnerlanden die bereid zijn hervormingen en een nauwere politieke dialoog na te streven en die meer willen bereiken, nieuwe stimulansen moeten krijgen, en meer steun die toereikend is voor hun aspiraties en engagement, en verzoekt om een op prestaties gebaseerde aanpak in die zin, die gebaseerd is op inclusieve dialoog, duidelijke prioriteiten en doelstellingen; dringt erop aan dat de begrotingssteun van de EU in gevallen waar de autoriteiten stelselmatig de mensenrechten schenden moet worden bestemd voor het plaatselijke maatschappelijk middenveld;

17.

ondersteunt het verlangen van de meerderheid van de bevolking in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waaronder de meerderheid van de jongeren, naar de totstandkoming van vrije, stabiele, welvarende, inclusieve en democratische landen die hun nationale en internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomen; is verheugd over de democratische processen in de regio en het aanhoudende partnerschap met de EU; verzoekt de EU dit in aanmerking te nemen in al haar beleidsgebieden, teneinde de coherentie te bevorderen en de partnerlanden doeltreffender bijstand te verlenen; wijst erop dat het, wil een politieke transformatie volledig duurzaam zijn, belangrijk en noodzakelijk is voor een land om in het reine te komen met zijn verleden, en wijst in dit verband op de belangrijke werkzaamheden van de “waarheids- en waardigheidscommissie” in Tunesië, die een model is voor de hele regio;

18.

betreurt dat bilaterale samenwerking op het gebied van onderzoek en justitie betreffende zaken van detentie, geweld of overlijden van EU-burgers in bepaalde gevallen ontoereikend is geweest, zoals voor de Italiaanse onderzoeker Giulio Regeni; meent dat het van essentieel belang is verdere samenwerking in andere sectoren te koppelen aan substantiële verbeteringen op dit gebied;

19.

is ervan overtuigd dat, wanneer nog niet is voldaan aan de voorwaarden om te onderhandelen over diepe en brede vrijhandelsruimten (DCFTA's) die afhankelijk zijn van democratische vooruitgang, of wanneer die voorwaarden niet tegemoetkomen aan de aspiraties van de respectieve landen, de EU de toegang tot duurzame handel en investeringen moet vergroten, met name ten voordele van de bevolking en de economieën van de landen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied, en steun moet verlenen voor productiecapaciteiten, de modernisering van infrastructuurvoorzieningen en het scheppen van een aantrekkelijk economische klimaat, met bijzondere aandacht voor de binnenlandse en regionale markt, het creëren van fatsoenlijke banen, en het bevorderen van sociale bescherming en inclusieve sociaaleconomische ontwikkeling;

20.

is van mening dat er, gezien de moeilijkheden die de EU ondervindt om te komen tot een toekomstgerichte, op rechten gebaseerde en mensgerichte visie op haar migratie- en asielbeleid, een toenemend risico bestaat dat sommige landen in de regio gebruikmaken van migratiebeheersing en de rol die zij daarin spelen om hun invloed in de politieke en beleidsdialoog met de EU te vergroten; is van mening dat de MONA-landen meer steun moeten krijgen om de toestroom van immigranten uit Sub-Saharaans Afrika te verwerken en is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de EU om de diepere oorzaken van migratie aan te pakken, maar herinnert eraan dat er meer inspanningen nodig zijn om daarin te slagen; acht het belangrijk om de partners uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika te betrekken bij de toepassing van gezamenlijke oplossingen voor kwesties zoals de strijd tegen mensenhandel; is echter bezorgd over de mogelijke instrumentalisering van het buitenlands beleid van de EU als “migratiebeheer”, en benadrukt dat alle pogingen om op het gebied van migratie samen te werken met de landen van de Arabische Lente, met inbegrip van landen van herkomst en doorreis, hand in hand moeten gaan met de verbetering van de mensenrechtenomstandigheden in deze landen en de naleving van het internationale mensenrechten- en vluchtelingenrecht; beklemtoont dat de migratiestromen een uitdaging zijn die de landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (landen van herkomst en van doorreis) met de EU-landen (landen van bestemming) delen; benadrukt bovendien het belang van een beleidskader dat democratische, politieke en sociaaleconomische inclusie als elkaar versterkende factoren bevordert, mede om de voorwaarden te creëren voor een veilig, waardig leven voor de mensen in de regio en gedwongen verplaatsingen te beperken;

21.

wijst op het risico dat het EU-beleid in de regio en de aanpak van de lidstaten in het kader van hun bilaterale betrekkingen kunnen worden ondermijnd door ongecoördineerd en unilateraal optreden, en dat het vermogen van de EU om politieke invloed uit te oefenen hierdoor in het gedrang kan komen; verwelkomt in deze context het voorstel van de voorzitter van de Commissie om de unanimiteitsregel voor de besluitvorming op bepaalde terreinen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in de Raad te overstijgen, om de EU te helpen in haar buitenlandse betrekkingen met één stem te spreken, zich achter één duidelijke strategie te scharen en aan invloed te winnen; is van mening dat de sterkere betrokkenheid van de lidstaten bij het ENB, die is voorzien in de desbetreffende beleidsherziening van 2015, weliswaar positief is, maar beter moet worden nagestreefd; benadrukt dat er tussen verschillende lidstaten en hun bevolking, en tal van landen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied belangrijke en hechte banden bestaan; roept de EU-lidstaten er in dit verband toe op hun optreden in de regio beter te coördineren en te onderzoeken op welke manier ze doeltreffender kunnen optreden;

22.

verzoekt de Unie en de lidstaten rekening te houden met het Europees acquis inzake corruptiebestrijding en hun programma's voor justitiële samenwerking met de partnerlanden in de regio te versterken ter bevordering van de uitwisseling van goede werkwijzen en de vaststelling van een doeltreffend arsenaal aan rechtsinstrumenten in de strijd tegen corruptie; is van mening dat hervormingen van het openbaar bestuur en de overheidssector in het zuidelijke nabuurschap voorrang moeten krijgen, samen met de strijd tegen corruptie, en dat een en ander moet worden nagestreefd met behulp van ruimere financiële middelen, sterkere capaciteitsopbouw en nauwere samenwerking met de lidstaten, alsook ondersteuning van maatschappelijke organisaties op het gebied van corruptiebestrijding, transparantie en verantwoordingsplicht;

23.

herhaalt dat de bevordering en bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat tot de fundamentele beginselen van het buitenlands beleid van de EU behoren; uit zijn bezorgdheid over de aanhoudende uitvoer van wapens en veiligheidsuitrusting uit EU-lidstaten, waaronder ook bewakingstechnologie die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, naar autoriteiten in de regio die de mensenrechten en het internationaal humanitair recht niet eerbiedigen; dringt er bij de lidstaten op aan zich strikt te houden aan Gemeenschappelijk Standpunt 2008/994/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (10), waarin onder meer wordt gesteld dat uitvoervergunningen moeten worden geweigerd wanneer er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologieën zullen worden gebruikt voor binnenlandse repressie of bij het begaan van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht; herhaalt zijn standpunt zoals vastgesteld in zijn amendementen op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een EU-regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel, de technische bijstand en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik dat werd aangenomen op 17 januari 2018 (11); dringt er bij de EU-lidstaten op aan dit dossier met de grootste aandacht te behandelen tijdens de pogingen om in de Raad tot overeenstemming te komen;

24.

is van mening dat in de partnerschapsprioriteiten die tussen de EU en partnerlanden uit hoofde van het ENB overeengekomen zijn, uitdrukkelijk moet worden verwezen naar de bijbehorende associatieovereenkomst, met name de mensenrechtenbepaling daarvan, zodat ervoor wordt gezorgd dat de mensenrechten een essentieel en transversaal aspect vormen van de overeengekomen partnerschapsprioriteiten, dat op alle niveaus moet worden besproken, met name op het hoogste politieke niveau, en niet alleen in subcommissievergaderingen op laag niveau;

25.

pleit voor meer inclusiviteit en vraagt dat het lokale maatschappelijk middenveld nauwer zou worden betrokken bij de vaststelling van de behoeften in de partnerlanden; is ingenomen met de inspanningen van de EDEO en de Commissie om de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te verbreden tot de particuliere sector, en moedigt hen aan om meer te doen op dit gebied; beklemtoont dat de participatie van onafhankelijke vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van niet geregistreerde mensenrechtengroeperingen en mensenrechtenverdedigers, moet worden gegarandeerd en betreurt dat deze participatie met name wordt verhinderd waar dialoog en steun verlopen via door de overheid gecontroleerde instanties of alleen gericht zijn op regeringsgezinde organisaties; is van mening dat de EU de toegang tot beschikbare middelen voor kleine en lokale maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de sociale partners, moet vergemakkelijken en dat zij de aanvraagprocedures moet stroomlijnen en zich moet richten op lokale maatschappelijke organisaties; wijst erop dat bij de gesprekspartners van lokale maatschappelijke organisaties de indruk leeft dat de EU vooral gericht is op grote, internationale maatschappelijke organisaties; verzoekt de EU meer middelen te investeren in het bevorderen van de capaciteitsopbouw van lokale maatschappelijke organisaties, het faciliteren van versterkte partnerschappen tussen deze organisaties en grote, internationale maatschappelijke organisaties, en het verbeteren van de capaciteit van de sociale partners om een sociale dialoog te voeren met de overheid, om de plaatselijke betrokkenheid te vergroten;

26.

roept de EDEO op meer inspanningen te doen om beste praktijken uit te wisselen inzake de rol van vrouwen in het openbare leven;

27.

onderstreept dat betrokkenheid en empowerment van vrouwen in de publieke ruimte en op politiek, economisch en cultureel gebied in de MONA-landen van essentieel belang zijn voor de bevordering van stabiliteit, vrede en economische welvaart op lange termijn; benadrukt dat in de landen waar de Arabische lente tot voortdurend conflict heeft geleid, de betrokkenheid van vrouwen bij het vredesproces en bij bemiddeling essentieel is om een niet-gewelddadige samenleving te herstellen; is van oordeel dat, met dit doel voor ogen, gendergelijkheid en de toegang van vrouwen tot onderwijs essentieel zijn;

28.

beklemtoont dat het versterken van de lokale overheden de democratie en de beginselen van de rechtsstaat helpt te verspreiden; vraagt derhalve dat de decentralisatieprocessen worden aangemoedigd en dat de actiemiddelen van de regio's worden uitgebreid door de uitbouw van lokale autonomie; steunt en moedigt partnerschappen met de EU-lidstaten aan, alsook projecten voor gedecentraliseerde samenwerking door de lokale overheden van de lidstaten ter bevordering van het gemeentelijk en regionaal bestuur in de landen van de regio;

29.

herinnert eraan dat het belangrijk is om voldoende zichtbaarheid te geven aan de inspanningen en de bijstand en investeringen van de EU in de regio door middel van betere strategische communicatie, publieksdiplomatie, contacten tussen burgers, culturele diplomatie, samenwerking op onderwijskundig en universitair gebied, en pr-activiteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen; vraagt met name om herstel van het mandaat van een speciale vertegenwoordiger van de EU voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied, die een leidende rol zou spelen bij de samenwerking van de EU met de regio en de EU meer zichtbaarheid zou geven;

30.

is van mening dat, om het vermogen van de EU om politieke en beleidseffecten teweeg te brengen te vergroten en de betrokkenheid en brede steun van de begunstigde landen te bevorderen, elke EU-delegatie regelmatig overleg zou moeten organiseren met deskundigen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, en met name adviesraden op hoog niveau zou moeten oprichten die de maatschappelijke, economische en politieke diversiteit van het betrokken land weerspiegelen, met deelnemers uit de economische, culturele en academische sector, de media en het maatschappelijk middenveld en vooraanstaande jeugdleiders, evenals sociale partners en belangrijke mensenrechtenverdedigers uit het betrokken land, en die een bijdrage moeten leveren met betrekking tot de beleidsprioriteiten en beleidsarchitectuur van de EU;

31.

is ervan overtuigd dat het optreden van de EU in de regio zich primair moet richten op jonge mensen, waarbij wordt gekozen voor een intersectionele benadering; vraagt om het jeugdbeleid te integreren in alle beleidsmaatregelen van de Unie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika; is van mening dat het van cruciaal belang is om duurzame oplossingen te bedenken die aangepast zijn aan de omvang van het jeugdwerkloosheidsprobleem en onderstreept het belang van de bevordering van kansen op fatsoenlijk werk, ondernemerschap en zelfstandige arbeid; stelt in die context voor dat elke EU-delegatie informele jongerenraden opricht met jonge leiders uit de politieke, sociale, economische en culturele sector, de media en het maatschappelijk middenveld, die input en advies moeten geven over de beleidsprioriteiten en het vermogen van de EU om invloed uit te oefenen in het land, en een element van verantwoordingsplicht toevoegen met betrekking tot de beleidskeuzes; verzoekt de Europese politieke families en denktanks de uitwisselingen met actieve lokale jongeren uit de MONA-landen te intensiveren, om hun empowerment, opleiding en capaciteitsopbouw te bevorderen en hen in staat te stellen zich kandidaat te stellen bij lokale verkiezingen en nieuwe aanjagers van positieve verandering te worden in hun respectieve landen;

32.

roept de EU op om bijstand te verlenen aan haar partners door de onderliggende oorzaken van radicalisering, zoals armoede, werkloosheid, sociale en politieke uitsluiting en het onvermogen van de samenleving om de behoeften van de bevolking te vervullen en kansen voor jongeren te creëren, aan te pakken met behulp van betere samenwerking met het Midden-Oosten en Noord-Afrika waarin mensen, en dan vooral jongeren, centraal worden gesteld; pleit ervoor dat de EU de toegang van jongeren tot ondernemerschap ondersteunt, bijvoorbeeld door investeringen in startersbedrijven aan te moedigen en te ondersteunen; is van mening dat de EU in haar optreden ten aanzien van de regio een grotere klemtoon moet leggen op inclusieve economische en sociale ontwikkeling die voor banencreatie zorgt, de inzetbaarheid van jongeren, het creëren van opleidingen die beter op de arbeidsmarkt zijn afgestemd en de hervorming van het arbeidsrecht, alsook hervormingen die gericht zijn op sterke stelsels voor universele sociale bescherming, met specifieke aandacht voor de kwetsbaarste groepen; verzoekt de EU meer middelen te investeren in maatregelen die gericht zijn op een betere toegang tot essentiële dienstverlening van goede kwaliteit voor iedereen, zoals onderwijs en gezondheidszorg, en meer te doen om de sociale dialoog te verbeteren en wetgevingshervormingen te bevorderen inzake de vrijheid van vereniging en van vreedzame vergadering, de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, de bestrijding van corruptie en het verzekeren van de toegang tot middelen en informatie als belangrijke ingrediënten voor stabiliteit en voor een open, dynamische en weerbare samenleving;

33.

is zeer verontrust over de escalatie van de spanningen in de regio; hekelt de instrumentalisering van religieuze verschillen voor het aanstoken tot politieke crises en sektarisch geweld;

34.

verzoekt de EU de landen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika sterk te steunen in hun strijd tegen de gevaren van religieuze radicalisering waaraan vooral werkloze jongeren worden blootgesteld;

35.

is van oordeel dat er regelingen moeten komen om een eind te maken aan de financiering van terrorisme via offshore-entiteiten waar staten en financiële instellingen bij betrokken zijn, en om de wapenhandel en het kopen en verkopen van energiebronnen en grondstoffen waarbij terroristische groepen de winst opstrijken een halt toe te roepen;

36.

wijst op de uitdagingen van de klimaatverandering, woestijnvorming en watertekort die verregaande gevolgen hebben voor de regio; spoort de beleidsmakers en alle actoren in de EU en in de regio er sterk toe aan hun samenwerking met de partnerlanden, inclusief lokale autoriteiten en maatschappelijke organisaties, te versterken op het gebied van energiezekerheid, de bevordering van hernieuwbare energiebronnen en duurzame energie en doelstellingen van energie-efficiëntie, om bij te dragen aan de verwezenlijking van de Overeenkomst van Parijs; wijst erop dat de regio de mogelijkheid heeft om verdere stappen te zetten in zijn energietransitie door meer gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, die een groot economisch potentieel hebben voor veel MONA-landen; wijst op de mogelijkheden voor duurzame groei en nieuwe arbeidsplaatsen die een en ander met zich mee zou brengen, evenals kansen voor regionale samenwerking inzake energie en klimaatverandering; wijst in dit verband op de kansen die recente ontdekkingen van aardgasreserves in het oostelijke Middellandse Zeegebied kunnen bieden aan alle betrokken landen;

37.

wijst op het feit dat de openstelling van de particuliere sector en de verdere differentiëring van de economieën kan bijdragen tot de broodnodige creatie van banen in de regio, met name voor jongeren en vrouwen; is verheugd over de positieve tekenen van herstel van het toerisme in het gebied; erkent het grote potentieel daarvan voor de bevordering van duurzame groei en banen en vraagt de EU in het bijzonder aandacht en ondersteuning te geven aan gebieden met uitdagingen op het gebied van infrastructuur en/of veiligheid; verzoekt de EU haar steun te verhogen aan de landen die een grotere bereidheid tonen om vooruitgang te boeken op het gebied van democratisering, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, door alle financiële instrumenten die zij tot haar beschikking heeft aan te wenden, van macrofinanciële bijstand tot het ENI, het Europees plan voor externe investeringen en het toekomstige Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI);

38.

herinnert eraan dat meer gebruik moet worden gemaakt van de grotendeels onbenutte mogelijkheden voor innovatie en dynamiek van de particuliere sector in de regio; spoort de EU aan om de dialoog en de financiële en technische bijstand in dit verband te versterken; is verheugd over initiatieven zoals Startup Europe Mediterranean (SEMED) om een netwerk te creëren en in kaart te brengen van startersbedrijven, investeerders, universiteiten, onderzoeksinstellingen en beleidsmakers op beide oevers van de Middellandse Zee, als een belangrijke maatregel om de samenwerking inzake innovatie, banencreatie en duurzame economische groei te stimuleren;

39.

beklemtoont dat het belangrijk is om alle hervormingen en investeringen, evenals het EU-optreden ten aanzien van het gebied, te koppelen aan het behalen van de SDG's en duurzame ontwikkeling in het algemeen;

40.

herinnert aan de toegevoegde waarde van parlementaire diplomatie en van de regelmatige bilaterale interparlementaire bijeenkomsten van het Parlement met zijn tegenhangers uit het zuidelijke nabuurschap als instrument voor de uitwisseling van ervaringen en de bevordering van wederzijds begrip; wijst in dit verband op het belang van de gemengde parlementaire commissies als uniek instrument voor de formulering van een ambitieus gezamenlijk beleid van de EU en haar nauwste partners; moedigt de nationale parlementen van de EU aan om bilaterale interparlementaire bijeenkomsten te houden binnen het kader van het Europees nabuurschapsbeleid; onderstreept eens te meer dat de politieke partijen in de nationale parlementen en in het Europees Parlement in dit verband een rol kunnen spelen; is van mening dat de dialoog tussen het Europees Parlement, de nationale parlementen van de EU en de parlementen van het zuidelijk nabuurschap een waardevolle kans kunnen bieden om de regionale dialoog en samenwerking in het zuidelijk nabuurschap te bevorderen; verwijst in deze context ook naar de belangrijke rol die de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied kan spelen als platform waar regionale integratie en een ambitieuze politieke en economische agenda voor deze organisatie nieuw leven kan worden ingeblazen; wijst op de overlappingen tussen de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied en de Parlementaire Vergadering voor het Middellandse Zeegebied; meent dat de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied binnen het regionale kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied een grotere rol zou moeten spelen en zou moeten zorgen voor transparantie en parlementair toezicht op de activiteiten van de EMZ, met name op projecten die haar naam dragen;

41.

benadrukt dat vrouwen drijvende krachten kunnen zijn bij het bevorderen en opbouwen van vrede, bij conflictoplossing en in stabilisatieprocessen, en benadrukt de essentiële rol van vrouwen bij het voorkomen van radicalisering, het aanpakken van gewelddadig extremisme en het bestrijden van terrorisme; herinnert eraan dat de deelname van vrouwen aan de vormgeving en tenuitvoerlegging van deze strategieën op alle besluitvormingsniveaus bijdraagt tot de doeltreffendheid en duurzaamheid van beleidsmaatregelen en programma's; verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan de vrouwen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en aan organisaties die hun rechten verdedigen en bevorderen; benadrukt de behoefte aan gemakkelijke toegang tot de rechter en overgangsjustitie die toegespitst is op vrouwelijke overlevers van conflictgerelateerd seksueel geweld;

42.

herhaalt het verzoek van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied om steun voor een Euro-mediterraan project over de genderkloof, met onder andere een analyse van de vertegenwoordiging van vrouwen in nationale en regionale parlementen en in lokale instellingen; is van mening dat de Commissie rechten van de vrouw van de genoemde Parlementaire Vergadering en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Europees Parlement jaarlijks moeten worden geïnformeerd over de indicatoren voor de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in het Euro-mediterrane gebied;

43.

herinnert eraan dat vrouwenrechten, vrouwenemancipatie, gendergelijkheid, kinderrechten, vrijheid van godsdienst of overtuiging, en het recht op non-discriminatie van etnische en religieuze minderheden en kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperking en LGBTQI, grondrechten zijn en kernbeginselen van het externe optreden van de EU;

44.

pleit ervoor de dimensie van gendergelijkheid en vrouwenrechten in het ENB te versterken, in overeenstemming met de prioriteiten van GAP II; is ingenomen met de recente hervormingen die in sommige landen zijn goedgekeurd in verband met de straffeloosheid van verkrachters die nadien met hun slachtoffer trouwen, geweld tegen vrouwen en het erfrecht; vraagt om de naleving van de hervormde wetgeving streng te controleren; is echter bezorgd dat de situatie voor vrouwen in de meeste landen van de Arabische Lente in het algemeen niet is verbeterd; onderstreept dat betrokkenheid en empowerment van vrouwen in de publieke ruimte en op politiek, economisch en cultureel gebied in de MONA-landen van essentieel belang zijn voor de bevordering van stabiliteit, vrede en economische welvaart op lange termijn; acht het met dit doel voor ogen absoluut noodzakelijk dat vrouwen toegang krijgen tot onderwijs; uit voorts zijn bezorgdheid over het feit dat de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt in de regio tot de laagste ter wereld behoort, hetgeen sociale uitsluiting veroorzaakt en in het algemeen een aanzienlijk verlies voor de economie betekent; wijst erop dat het belangrijk is dit probleem te behandelen als een fundamenteel onderdeel van duurzame economische groei en sociale samenhang; merkt ook op dat vrouwenrechtenverdedigers geconfronteerd worden met willekeurige detentie, strafrechtelijke intimidatie, lastercampagnes en pesterijen;

45.

hekelt de wijdverspreide vervolging van LGBTI en de verdedigers van hun rechten in de gehele regio, met strafrechtelijke intimidatie, foltering, fysieke aanvallen en lastercampagnes; verzoekt de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten om actief en consequent de ondeelbaarheid van de mensenrechten, ook de rechten van LGBTQI, te verdedigen in het kader van hun samenwerking met de MONA-landen, en te benadrukken dat aan deze rechten moet worden vastgehouden in de handelwijze van de staat en in de wetgeving;

46.

verzoekt de MONA-landen actief bij te dragen aan de strijd tegen elke vorm van geweld tegen vrouwen; roept de MONA-landen op het Verdrag van Istanbul, een instrument dat het mogelijk maakt te strijden tegen geweld tegen vrouwen en meisjes, onder meer huiselijk geweld en genitale verminking van vrouwen, te ondertekenen en te ratificeren; roept de landen die dit nog niet hebben gedaan op hun wetgevingsbepalingen te herzien door er een paragraaf over gendergerelateerd geweld en eermisdrijven aan toe te voegen en tegelijkertijd bedreigingen te straffen en in strengere straffen te voorzien voor alle dergelijke misdrijven;

47.

spoort de MONA-landen aan tot de tenuitvoerlegging van het actieprogramma van Peking voor de toegang van vrouwen tot onderwijs en gezondheid als fundamentele mensenrechten, met inbegrip van toegang tot gezinsplanning en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, zoals toegang tot kosteloze anticonceptie, veilige en legale abortus, en seksuele en relationele voorlichting voor meisjes en jongens;

48.

is bezorgd over beperkingen in de toegang tot openbare gezondheidszorg en met name de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes in plattelandsgebieden;

49.

dringt er bij al deze landen op aan het CEDAW te ratificeren en alle bestaande voorbehouden op te heffen; verzoekt deze landen eveneens gepaste maatregelen te nemen om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de maatschappij te vergroten, bijvoorbeeld door nationale actieplannen met doeltreffende gendergelijkheidsmaatregelen aan te nemen, in overleg met vrouwenorganisaties en andere betrokken partijen uit het maatschappelijk middenveld;

50.

is van mening dat de EU een omvattender benadering moet ontwikkelen van de bijstand aan onderwijshervormingen in partnerlanden en dat zij relevante middelen en programma's moet wijden aan vroegschoolse educatie, met inbegrip van voorschools onderwijs, om ervoor te zorgen dat in de gehele samenleving en al vanaf zeer jonge leeftijd competenties en vaardigheden, ook digitale vaardigheden, passend beroepsonderwijs en -opleiding en onderwijsprogramma's voor ondernemerschap, kritisch denken en sociaal bewustzijn worden ontwikkeld; beklemtoont dat onderwijs van goede kwaliteit belangrijk is als middel om jonge mensen de regie te geven over hun eigen leven en om de sociale samenhang te versterken;

51.

is verheugd over de programma's die het secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied heeft opgesteld, zoals Med4Jobs, om een antwoord te bieden op de inzetbaarheid van jongeren en vrouwen op de arbeidsmarkt in de mediterrane landen; verzoekt de lidstaten van de Unie voor het Middellandse Zeegebied hun secretariaat-generaal te vragen zijn activiteiten toe te spitsen op de economische en sociale ontwikkeling van de MONA-landen teneinde de consolidatie van hun overgangsproces te ondersteunen, en daarbij te voorzien in een prominente plaats voor vrouwen en jonge meisjes;

52.

dringt er nogmaals bij de Commissie op aan gevolg te geven aan het voorstel van het Parlement voor de invoering van een ambitieus Euro-Mediterraan Erasmusprogramma dat los staat van Erasmus+, met een specifieke financiering en een ambitieuze opzet qua reikwijdte en beschikbare middelen, waarbij de nadruk niet alleen op lager, middelbaar en hoger onderwijs ligt, maar ook op beroepsopleiding en levenslang leren; herhaalt dat investeren in de jeugd een solide basis zal leggen voor de langdurige veerkracht en welvaart van de regio; wenst dat de Commissie en het Parlement de reikwijdte en de participatie aan het Bezoekersprogramma van de Europese Unie vergroten en de deelname van jongeren en vrouwelijke politieke leiders faciliteren; roept de EU voorts op om hervormingen met het oog op de modernisering van de onderwijsstelsels in deze landen te ondersteunen;

53.

herinnert aan zijn steun voor de financiering van academische en beroepsopleidingsprogramma's met de bedoeling in de regio een grote kweekvijver van professionele vaardigheden aan te leggen, evenals zijn steun aan maatregelen zoals het VET-mobiliteitshandvest van Erasmus+, dat zoveel mogelijk moet worden uitgebreid naar alle landen van de regio via flexibele en evoluerende instrumenten zoals mobiliteitspartnerschappen;

54.

veroordeelt eens te meer de wreedheden en de grootschalige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht tijdens het conflict, met name die gepleegd door de troepen van het regime van Assad, ook met de steun van zijn bondgenoten, en door de bewegingen die op de VN-lijst van terroristische organisaties staan; betreurt ten zeerste dat herhaalde regionale en internationale pogingen om de oorlog te beëindigen hebben gefaald en dringt aan op hernieuwde en intensieve mondiale samenwerking om tot een vreedzame en duurzame oplossing voor het conflict te komen; benadrukt dat er geen sprake kan zijn van verdraagzaamheid of straffeloosheid ten aanzien van de verschrikkelijke misdaden die in Syrië zijn gepleegd; roept nogmaals op tot onafhankelijke, onpartijdige, grondige en geloofwaardige onderzoeken en vervolging van de verantwoordelijken, en ondersteunt de werkzaamheden van het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme voor de internationale misdrijven die sinds maart 2012 in de Syrische Arabische Republiek zijn gepleegd (IIIM); roept voorts op tot ondersteuning van maatschappelijke organisaties en ngo's die bewijsmateriaal van mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitaire recht verzamelen en helpen te bewaren;

55.

betreurt dat sinds de herziening van het ENB in 2015 slechts in één verslag, dat van 18 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (JOIN(2017)0018), een evaluatie is verricht van de ontwikkelingen in het nabuurschap op regionaal niveau, ondanks de toezegging in de mededeling van 2015 over de herziening van het ENB om naast de landspecifieke rapportage regelmatig verslagen op het niveau van het nabuurschap op te stellen met onder meer informatie over de fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, gendergelijkheid en mensenrechtenaangelegenheden; vraagt om in de landspecifieke en regionale verslagen passende beoordelingen op te nemen van de resultaten en de mensenrechteneffecten van het beleid van de EU en de lidstaten;

56.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de VV/HV.

(1)  https://eeas.europa.eu/archives/docs/top_stories/pdf/eugs_review_web.pdf

(2)  PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27.

(3)  PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85.

(4)  PB C 265 van 11.8.2017, blz. 110.

(5)  PB C 265 van 11.8.2017, blz. 98.

(6)  PB C 204 van 13.6.2018, blz. 100.

(7)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0119.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0227.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.

(10)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

(11)  PB C 458 van 19.12.2018, blz. 187.


Donderdag 28 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/103


P8_TA(2019)0327

Noodsituatie in Venezuela

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de noodsituatie in Venezuela (2019/2628(RSP))

(2021/C 108/09)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, in het bijzonder zijn resolutie van 3 mei 2018 over de presidentsverkiezingen in Venezuela (1), van 5 juli 2018 over de migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan de grenzen van het land met Colombia en Brazilië (2), en van 25 oktober 2018 (3) en 31 januari 2019 over de situatie in Venezuela (4), in de laatste waarvan Juan Guaidó wordt erkend als de rechtmatige interim-president van Venezuela,

gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Venezuela van 10 januari 2019, 26 januari 2019 en 24 februari 2019, en de laatste conclusies van de Raad,

gezien de verklaring van 20 april 2018 van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) over de verslechterende humanitaire situatie in Venezuela, en de gezamenlijke verklaring van de OAS-lidstaten over Venezuela van 24 januari 2019,

gezien de verklaring van de Groep van Lima van 25 februari 2019,

gezien de verklaringen over Venezuela van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 25 januari 2019 en 20 maart 2019,

gezien de grondwet van Venezuela, in het bijzonder artikel 233 daarvan,

gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Venezuela kampt met een diepe en ongekende politieke, economische, institutionele, maatschappelijke en multidimensionale humanitaire crisis, tekorten aan geneesmiddelen en voedsel, massale mensenrechtenschendingen, hyperinflatie, politieke onderdrukking, corruptie en geweld; overwegende dat de levensomstandigheden ernstig zijn verslechterd en 87 % van de bevolking nu in armoede leeft; overwegende dat 78 % van de kinderen in Venezuela het risico loopt ondervoed te raken; overwegende dat 31 op de 1 000 kinderen voor de leeftijd van 5 jaar overlijden; overwegende dat meer dan een miljoen kinderen niet meer naar school gaan;

B.

overwegende dat de EU ervan overtuigd blijft dat een vreedzame en democratische politieke oplossing de enige duurzame uitweg uit de crisis biedt; overwegende dat elke speculatie of strategie omtrent militair ingrijpen in Venezuela tot geweld in het land zou leiden of dit geweld zou verergeren en een rampzalige uitwerking op de gehele regio zou hebben;

C.

overwegende dat de reeds beperkte voedselvoorraad in Venezuela dreigt te bederven; overwegende dat mensen moeilijk aan water, voedsel en geneesmiddelen raken; overwegende dat, volgens de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen (UNHCR) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), sinds 2015 meer dan 2,7 miljoen Venezolanen het land zijn ontvlucht, en dat hun aantal tegen het einde van het jaar tot 5 miljoen kan stijgen als de crisis blijft aanslepen;

D.

overwegende dat op 23 februari 2019 de in Colombia en Brazilië opgeslagen humanitaire hulp fel is geweigerd en in bepaalde gevallen is vernietigd door militaire en paramilitaire troepen van het illegale regime van Maduro; overwegende dat er bij het repressieve optreden een aantal doden is gevallen, tientallen mensen gewond zijn geraakt en honderden mensen zijn gearresteerd; overwegende dat de Venezolaanse militaire operaties, georganiseerde misdaad en terroristen een risico vormen voor de stabiliteit van de regio, in het bijzonder voor het grondgebied van buurland Colombia;

E.

overwegende dat begin maart Venezuela is getroffen door een enorme, meer dan 100 uur durende stroomuitval, waardoor de al dramatische crisis in de gezondheidszorg verder is verergerd, doordat ziekenhuizen door hun drinkwaterreserves zijn geraakt en hun diensten zijn ingestort, en plunderingen hebben plaatsgevonden; overwegende dat volgens de organisatie Doctors for Health ten minste 26 mensen in ziekenhuizen zijn gestorven door het gebrek aan elektriciteit; overwegende dat op 25 maart 2019 opnieuw sprake was van een langdurige stroomuitval, waardoor Caracas en twintig andere regio's in het land volledig in het duister zijn gehuld;

F.

overwegende dat al vele jaren sprake is van stroomuitvallen, die een rechtstreeks gevolg zijn van slecht beheer, gebrekkig onderhoud en corruptie door het illegale regime van Maduro;

G.

overwegende dat in februari 2019 een delegatie van vier leden van de Fractie van de Europese Volkspartij die officieel was uitgenodigd door de Nationale Vergadering en de interim-president Juan Guaidó, het land is uitgezet;

H.

overwegende dat het illegale regime van Maduro op 6 maart 2019 de Duitse ambassadeur heeft gelast het land te verlaten, onder beschuldiging van aanhoudende pogingen tot inmenging in binnenlandse zaken; overwegende dat een aantal buitenlandse en lokale journalisten eveneens is gearresteerd, waarbij hun media-apparatuur in beslag is genomen, en na vrijlating het land is uitgezet;

I.

overwegende dat Juan Guaidó, Ricardo Hausmann heeft benoemd als nationale vertegenwoordiger bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij;

J.

overwegende dat de Venezolaanse inlichtingendienst op 21 maart 2019 de stafchef van Juan Guaidó, Roberto Marrero, heeft gearresteerd, en met geweld het huis van Sergio Vergara, lid van de Nationale Vergadering voor de deelstaat Táchira, is binnengedrongen, wat neerkomt op een schending van zijn parlementaire onschendbaarheid;

K.

overwegende dat op 23 maart 2019 twee vliegtuigen van de Russische luchtmacht met militaire uitrusting en minstens 100 militairen geland zijn op de internationale luchthaven Simón Bolívar, in Maiquetía, en dat dit soort feiten de afgelopen maanden vaker heeft plaatsgevonden;

L.

overwegende dat op 21 maart 2019 de Venezolaanse rechter Afiuni Mora een vijfjarige gevangenisstraf is opgelegd op beschuldiging van “spirituele corruptie”; overwegende dat deze rechter in het verleden reeds een lange gevangenisstraf had uitgezeten en nog onder onbillijk huisarrest stond;

M.

overwegende dat op 15 maart 2019 bericht werd dat Tomasz Surdel, de correspondent van de Poolse krant Gazeta Wyborcza voor Venezuela, hardhandig aangevallen was in zijn auto in Caracas, naar verluidt door de speciale actietroepen van de Venezolaanse staatspolitie;

N.

overwegende dat de Cubaanse politie en militaire inlichtingendienst het strategische element zijn dat het voortbestaan van het illegale regime van Maduro mogelijk maakt;

1.

bevestigt zijn erkenning van Juan Guaidó als de rechtmatige interim-president van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, overeenkomstig artikel 233 van de Venezolaanse grondwet, en spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de Nationale Vergadering, het enige rechtmatige democratische orgaan van Venezuela; drukt zijn volledige steun uit voor het stappenplan van Juan Guaidó, om een einde te maken aan wederrechtelijke inbezitneming, om een nationale overgangsregering te vormen en om vervroegde presidentsverkiezingen te houden; is verheugd dat een groot deel van de internationale gemeenschap en de overgrote meerderheid van de EU-lidstaten de legitimiteit van Juan Guaidó hebben erkend, en roept de overige lidstaten op dit onverwijld te doen;

2.

veroordeelt de felle repressie en het geweld, die hebben geleid tot doden en gewonden; spreekt zijn solidariteit uit met de Venezolaanse bevolking en betuigt zijn oprechte medeleven aan de familieleden en vrienden van de slachtoffers;

3.

herhaalt zijn diepe bezorgdheid over ernstige humanitaire noodsituatie, die de levens van Venezolanen diepe schade toebrengt;

4.

herhaalt zijn verzoek om volledige erkenning van de door de rechtmatige interim-president van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, Juan Guaidó, benoemde diplomatieke vertegenwoordigers, als ambassadeurs bij de EU en haar lidstaten; is erover verheugd dat de raad van bestuur van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij Ricardo Hausmann hebben erkend als gouverneur van Venezuela; betreurt de opschorting van jaarvergadering 2019 van de raad van bestuur van de IDB door de Chinese gastheren ervan;

5.

keurt het misbruik van rechtshandhaving af en de wrede repressie door veiligheidstroepen, die de toevoer van humanitaire hulp hebben belemmerd; veroordeelt de inzet van irreguliere gewapende groepen om burgers en wetgevers die zich inspannen voor het verdelen van de bijstand, aan te vallen en te intimideren; steunt de leden van het Venezolaanse leger die geweigerd hebben de burgerbevolking tijdens deze crisis te onderdrukken en die gedeserteerd zijn; erkent de inspanningen van de Colombiaanse autoriteiten om deze aan de Venezolaanse grondwet en bevolking loyale militairen bescherming en zorg te bieden;

6.

veroordeelt ten sterkste de intimidatie, opsluiting en uitzetting van meerdere journalisten die verslag uitbrengen over de situatie in Venezuela; herhaalt zijn reeds eerder geformuleerde verzoeken aan het illegale regime van Maduro om onmiddellijk een einde te maken aan de repressie tegen politieke leiders, journalisten en leden van de oppositie, met inbegrip van Sacharovprijswinnaar Leopoldo López; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die opgepakt zijn op grond van het feit dat zij familieleden zijn van interim-president Guaidó, of leden van zijn team;

7.

veroordeelt de invallen door de veiligheidsdiensten van Maduro en de arrestatie van Roberto Marrero, stafchef van interim-president Juan Guaidó, alsook het met geweld binnendringen van de woning van Sergio Vergara, lid van de Nationale Vergadering; roept op tot de onmiddellijke vrijlating van Marrero; veroordeelt de ontvoering van Juan Requesens, lid van de Nationale Vergadering, en roept op tot zijn onmiddellijke vrijlating;

8.

herhaalt zijn standpunt vóór een vreedzame oplossing voor het land door middel van vrije, transparante en geloofwaardige presidentsverkiezingen op basis van een overeengekomen kalender, eerlijke voorwaarden voor alle spelers, met inbegrip van een neutrale Nationale Verkiezingsraad, transparantie en de aanwezigheid van geloofwaardige internationale waarnemers;

9.

prijst de inspanningen van de landen van de Groep van Lima, die fungeert als een vooraanstaand regionaal mechanisme dat zich inspant voor een democratische oplossing voor de crisis onder leiding van Juan Guaidó als rechtmatige interim-president van Venezuela;

10.

vestigt de aandacht op de toegenomen migratiecrisis in de hele regio, en erkent de inspanningen en de solidariteit van de buurlanden; verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met deze landen, niet alleen door humanitaire hulp te verstrekken maar ook door meer middelen ter beschikking te stellen en door middel van ontwikkelingsbeleid;

11.

uit zijn diepe bezorgdheid over de aanwezigheid van terroristische bendes en georganiseerde misdaad in Venezuela, en de uitbreiding en grensoverschrijdende werking daarvan, in het bijzonder in de richting van Colombia, hetgeen de stabiliteit van de gehele regio in gevaar brengt;

12.

roept op tot bijkomende sancties tegen onwettig vermogen van nationale autoriteiten in het buitenland en tegen personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en repressie; is van mening dat de EU-autoriteiten de bewegingsvrijheid van deze personen en van hun nauwste verwanten consequent moeten beperken, en hun vermogensbestanddelen en visa moeten bevriezen;

13.

neemt kennis van de oprichting van de Internationale Contactgroep, die niet door het illegale regime van Maduro mag worden gebruikt als strategie om de oplossing van de crisis uit te stellen om aan de macht te kunnen blijven; merkt op dat er tot nu toe nog geen praktische resultaten zijn bereikt door de Contactgroep, waarvan het enige doel zou moeten zijn om de omstandigheden te creëren die kunnen leiden tot vervroegde presidentsverkiezingen en de verstrekking van humanitaire hulp kunnen faciliteren om in te kunnen spelen op de dringende behoeften van de Venezolaanse bevolking; verzoekt de Internationale Contactgroep samen te werken met de Groep van Lima, als vooraanstaande regionale speler; verzoekt in dit verband de EDEO om in samenwerking met het Europees Parlement zijn expertise aan te bieden op het gebied van verkiezingsbijstand;

14.

roept de lidstaten, de VV/HV en de landen uit de regio op om de mogelijkheid te onderzoeken om een internationale donorconferentie te houden met als doel brede financiële steun te verwerven voor wederopbouw en de overgang naar democratie;

15.

staat volledig achter de oproep van de secretaris-generaal van de VN om een onafhankelijk en volledig onderzoek uit te voeren naar de gemelde slachtoffers; herinnert aan de inzet van de EU voor effectief multilateralisme in het kader van de VN om een humanitaire ramp met grotere gevolgen te voorkomen; spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de rol van het ICC in de strijd tegen straffeloosheid en om de plegers van geweld en mensenrechtenschendingen voor de rechter te brengen, en voor de opening van een onderzoek volgend op het voorafgaand onderzoek naar misdrijven door het illegale Maduro-regime, waaronder een aantal ernstige misdrijven tegen de menselijkheid;

16.

hekelt de invloed van het Cubaanse regime in Venezuela, dat met zijn agenten heeft bijgedragen aan de destabilisering van de democratie de toename van de politieke repressie tegen de Venezolaanse democratische krachten; wijst erop dat een dergelijke inmenging gevolgen kan hebben voor de betrekkingen tussen de EU en Cuba, met inbegrip van de Overeenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de rechtmatige interim-president alsook de Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de regeringen en parlementen van de landen van de Groep van Lima, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0199.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0313.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0436.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0061.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/107


P8_TA(2019)0328

Stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de situatie van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, met name in Malta en Slowakije (2018/2965(RSP))

(2021/C 108/10)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 2, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het advies over vragen ten aanzien van de benoeming van rechters van het constitutioneel hof van de Slowaakse Republiek, uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 110e plenaire vergadering (Venetië, 10-11 maart 2017),

gezien het advies over constitutionele regelingen, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsinstanties in Malta, uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 117e plenaire vergadering (Venetië, 14-15 december 2018),

gezien het verslag van 23 januari 2019 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld “Burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie” (COM(2019)0012),

gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het te koop aanbieden van het EU-burgerschap (1) en de gezamenlijke persverklaring van 29 januari 2014 van de Europese Commissie en de autoriteiten van Malta over het Maltese Individual Investor Programme (IIP),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (2) en zijn resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (3),

gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over de rechtsstaat in Malta (4),

gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen (5), alsook zijn daaraan voorafgaande resoluties van 13 april 2016 over de situatie in Polen (6), van 14 september 2016 over de recente ontwikkelingen in Polen en hun impact op de grondrechten als vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (7), en van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen (8),

gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová (9),

gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie (10),

gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust (11), alsook zijn daaraan voorafgaande resoluties van 10 juni 2015 (12), 16 december 2015 (13) en van 17 mei 2017 (14) over de situatie in Hongarije,

gezien zijn resolutie van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië (15),

gezien het verslag van 22 maart 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie begrotingscontrole aan Slowakije, van 7 tot 9 maart 2018,

gezien het verslag van 30 januari 2019 van de onderzoeksmissie van de Commissie begrotingscontrole naar Slowakije van 17 tot 19 december 2018,

gezien het verslag van 11 januari 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Enquêtecommissie die onderzoek moest doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PANA), aan Malta, van 30 november tot 1 december 2017,

gezien het verslag van 16 november 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan Slowakije, van 17 tot 20 september 2018,

gezien de hoorzittingen en gedachtewisselingen die zijn gehouden door de werkgroep met een algemeen mandaat om toezicht te houden op de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, en om specifieke probleemgevallen aan te pakken, in het bijzonder in Malta en Slowakije (werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat) die op 4 juni 2018 in het leven is geroepen door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, met name met de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en zijn Comité van deskundigen inzake de evaluatie van maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme (Moneyval), de Groep van Staten tegen corruptie (GRECO), nationale instellingen en autoriteiten, vertegenwoordigers van de Europese Commissie, EU-agentschappen zoals Europol, en verscheidene belanghebbenden zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en klokkenluiders in Malta en Slowakije,

gezien de brief van de premier van Malta van 13 maart 2019;

gezien de vraag aan de Commissie over de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije (O-000015/2019 — B8-0017/2019),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat op 4 juni 2018 in het leven geroepen is met een algemeen mandaat om toezicht te houden op de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, en om specifieke probleemgevallen aan te pakken, in het bijzonder op Malta en in Slowakije;

B.

overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat, de democratie, mensenrechten, fundamentele vrijheden en de in de EU-Verdragen en internationale mensenrechteninstrumenten vervatte waarden en beginselen verplichtingen zijn die rusten op de Unie en haar lidstaten, en nagekomen dienen te worden;

C.

overwegende dat artikel 6, lid 3, VEU bevestigt dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie;

D.

overwegende dat de EU functioneert op grond van de veronderstelling van het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten eerbiedigen, als vervat in het EVRM, het Handvest van de grondrechten en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

E.

overwegende dat de systematische weigering van een lidstaat om de fundamentele waarden na te leven van de Europese Unie en de Verdragen tot welke zij vrijwillig is toegetreden, niet kan worden gerechtvaardigd door een beroep te doen op de nationale soevereiniteit of subsidiariteit;

F.

overwegende dat de werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat (ROLMG) een aantal vergaderingen heeft belegd met verschillende belanghebbenden, met het accent op de situatie in Malta en Slowakije; overwegende dat de ROLMG ook een gedachtewisseling heeft gehad over de veiligheid van journalisten in Bulgarije na de moord op Viktoria Marinova; overwegende dat tijdens deze vergadering ook de tijdelijke detentie van de journalisten Attila Biro en Dimitar Stoyanov, die onderzoek verrichtten naar de beschuldigingen van fraude met betrekking tot EU-fondsen in Roemenië en Bulgarije, aan de orde is gesteld;

G.

overwegende dat de moorden op Daphne Caruana Galizia in Malta, op Ján Kuciak en zijn verloofde Martina Kušnírová in Slowakije, en de moord op Viktoria Marinova in Bulgarije, de Europese publieke opinie hebben geschokt en een afschrikkend effect hebben gehad op journalisten in de EU;

H.

overwegende dat de onderzoeken naar deze moorden tot dusverre geleid hebben tot de identificering van verschillende verdachten, maar niet tot conclusies over de mogelijke opdrachtgevers van de moorden, terwijl vooral hierover duidelijkheid moet worden verschaft; overwegende dat in Malta drie personen in staat van beschuldiging zijn gesteld en de politiële en justitiële onderzoeken naar de moord nog steeds gaande zijn;

I.

overwegende dat de ROLMG geen volledig overzicht heeft gekregen van de stand van zaken van de onderzoeken omdat de autoriteiten legitiem beroep hebben gedaan op vertrouwelijkheid, om de voortgang van het onderzoek in zulke moordzaken te kunnen garanderen;

J.

overwegende dat de ROLMG talrijke punten van zorg heeft kunnen onderzoeken betreffende de rechtsstaat in Malta en Slowakije, en met name de probleemgebieden die de aandacht hadden van Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak;

K.

overwegende dat de ROLMG regelmatig is geïnformeerd, ook door de verwanten van Daphne Caruana Galizia, over het verzoek voor een volledig en onafhankelijk openbaar onderzoek naar haar moord, met name naar de omstandigheden die tot de moord hebben geleid, de respons van de autoriteiten, en de maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat een dergelijke moord niet meer plaatsvindt;

L.

overwegende dat het niveau van samenwerking met Europol in deze onderzoeken van geval tot geval verschilt;

M.

overwegende dat, met name in het geval van Malta, de vorige directeur van Europol heeft gewezen op een suboptimale samenwerking tussen de Maltese autoriteiten en Europol; volgens zijn opvolger is de situatie zodanig verbeterd dat er inmiddels sprake is van een bevredigende samenwerking; overwegende dat vertegenwoordigers van Europol de leden van ROLMG hebben laten weten dat het onderzoek na de arrestatie van de drie verdachten is voortgezet; overwegende dat deskundigen van Europol zijn aangewezen voor specifieke taken in het justitiële onderzoek;

N.

overwegende dat, ten aanzien van de inbeslagname van het telefoontoestel van de journalist Pavla Holcová in Slowakije, het nog steeds niet duidelijk is op welke wijze het toestel is verkregen en in hoeverre Europol toegang heeft gekregen tot de aan het toestel ontleende gegevens, hoewel Europol heeft laten weten dat het zou helpen bij de analyse;

O.

overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over de bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad in de EU, onder meer in Malta en Slowakije, dat hierdoor het vertrouwen van de burgers in de overheidsinstellingen dreigt te worden ondermijnd, wat kan leiden tot gevaarlijke interconnectie van criminele groepen en overheidsinstanties;

P.

overwegende dat een groot Europees consortium van onderzoeksjournalisten de door Daphne Caruana Galizia gepubliceerde onderzoeken nader heeft bestudeerd en daarover veel heeft gepubliceerd;

Q.

overwegende met name dat de bestrijding van het witwassen in de EU niet adequaat is, onder meer als gevolg van bestaande leemten in de uitvoering van de antiwitwaswetgeving van de EU, zoals aan het licht is gekomen in recente gevallen van tekortschietende handhaving van deze wetgeving, waarbij grote bankinstellingen in verschillende lidstaten betrokken zijn;

R.

overwegende dat in de aanbeveling van de Europese Bankautoriteit (EBA) van juli 2018 aan de Financial Intelligence Analysis Unit (FIAU) van Malta wordt geconcludeerd dat er sprake is van algemene en systematische tekortkomingen bij de bestrijding van witwassen op Malta, met name in het geval van de bank Pilatus, en tegelijkertijd wordt erkend dat het actieplan van de FIAU een stap in de juiste richting is; overwegende dat de Commissie naderhand heeft vastgesteld dat de FIAU van Malta zijn verplichtingen uit hoofde van de antiwitwaswetgeving van de EU niet is nagekomen en niet volledig gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de EBA; overwegende dat de Commissie in november 2018 haar aanbeveling over deze zaak dienovereenkomstig heeft uitgebracht;

S.

overwegende dat Malta over een grote bankensector beschikt, waaronder enkele bijzondere bankinstellingen die niet aan alle wettelijke normen en vereisten voldoen, zoals blijkt uit het geval van de bank Pilatus waarvan de licentie door de Europese Centrale Bank (ECB) is ingetrokken;

T.

overwegende dat het onderzoeksrapport “Egrant” niet openbaar is gemaakt; overwegende dat de beschikbare conclusies niet bevestigen dat de minister-president van Malta en zijn echtgenote eigenaar zijn van Egrant Inc.; overwegende dat uitsluitend de minister-president, de minister van Justitie, de stafchef van de minister-president en de woordvoerder van de minister-president toegang hebben tot de volledige niet-geschoonde versie van het onderzoeksrapport;

U.

overwegende dat vervolgens geen onderzoek is gestart om duidelijkheid te verkrijgen over wie de eindbegunstigde van Egrant is;

V.

overwegende dat de onthullingen betreffende de eindbegunstigde van de onderneming “17 Black” — thans naar verluidt de CEO van Tumas Group, aan wie de Maltese regering de opdracht heeft gegund voor de bouw van de energie-installatie van Electrogas op Malta — nogmaals de noodzaak benadrukken van meer transparantie ten aanzien van de financiële belangen en banden van de leden van de regering, zoals de stafchef van de minister-president, de huidige minister van Toerisme en de voormalige minister van Energie;

W.

overwegende dat de stafchef van de minister-president, de huidige minister van Toerisme en de voormalige minister van Energie de enige actieve hoge overheidsfunctionarissen van een EU-lidstaat zijn die in de Panama Papers genoemd worden als eindbegunstigden van een rechtspersoon; overwegende dat laatstgenoemde aan een delegatie van het Europees Parlement verklaringen heeft afgelegd over het gebruik van zijn rechtspersonen die strijdig zijn met documenten die in de Panama Papers zijn gepubliceerd;

X.

overwegende dat een gebrek aan veiligheid voor journalisten en een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld als gevolg van pesterijen en intimidatie, de controle op de uitvoerende macht ondermijnen en de maatschappelijke betrokkenheid van burgers doen afkalven;

Y.

overwegende dat journalisten, en met name, maar niet uitsluitend, onderzoeksjournalisten, in toenemende mate worden geconfronteerd met strategische rechtszaken tegen publieke inspraak, die erop zijn gericht hun werk te bemoeilijken;

Z.

overwegende dat de familie van Daphne Caruana Galizia te maken heeft met haatcampagnes en smaadprocedures, zelfs na haar dood, onder meer van leden van de Maltese regering, en dat de vice-minister-president heeft laten weten dat hij het intrekken van deze smaadprocedures niet noodzakelijk acht;

AA.

overwegende dat de familie en vrienden van Daphne Caruana Galizia, alsmede maatschappelijke activisten, ook te maken hebben met een voortdurende situatie waarin bij haar geïmproviseerde herdenkingsmonument voorwerpen van eerbetoon worden weggehaald en vernietigd;

AB.

overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies over Malta, dat tijdens de 117e plenaire vergadering van 14-15 december 2018 (16) is uitgebracht, wijst op de positieve verplichting van staten om journalisten te beschermen in geval van kwesties die rechtstreeks verband houden met de rechtsstaat, en benadrukt dat het een internationale verplichting is van de regering van Malta om ervoor te zorgen dat de media en het maatschappelijk middenveld een actieve rol kunnen spelen bij het ter verantwoording roepen van autoriteiten (17);

AC.

overwegende dat de Commissie van Venetië benadrukt heeft dat de Maltese autoriteiten een positieve stap hebben gezet met de oprichting van het Comité voor rechterlijke benoemingen (JAC) in 2016, en erop heeft gewezen dat er desalniettemin verschillende punten van zorg blijven in verband met het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name de organisatie van de bevoegdheid tot vervolging en de justitiële structuur, in verband met de algemene scheiding van machten en het machtsevenwicht in het land, waar de macht thans duidelijk bij de uitvoerende macht ligt, met name bij de minister-president, die over een reeks verreikende bevoegdheden beschikt, onder meer in diverse benoemingsprocedures, zoals voor de leden van de rechterlijke macht, en dat deze niet gekoppeld zijn aan robuuste controles en waarborgen (18);

AD.

overwegende dat de Commissie van Venetië heeft verklaard dat de huidige verdeling van de vervolgingsbevoegdheid tussen de politie en de procureur-generaal op Malta een ambivalent systeem vormt dat problematisch is uit het oogpunt van de machtenscheiding; overwegende dat de Commissie ook heeft opgemerkt dat de procureur-generaal, die niet alleen beschikt over de bevoegdheid om te vervolgen maar ook de juridisch adviseur van de regering en voorzitter van de FIAU is, een zeer machtige positie bekleedt, wat problematisch is uit het oogpunt van het beginsel van democratische controles en waarborgen en de machtenscheiding (19);

AE.

overwegende dat de delegatie van de Commissie van Venetië heeft opgemerkt dat een toekomstige scheiding van de rollen van de procureur-generaal thans algemeen aanvaard is na het verslag van 2013 van de Commissie voor een algemene hervorming van het justitiële stelsel (20); overwegende dat de regering van Malta de aanvang van het wetgevingsproces om deze scheiding tot stand te brengen heeft aangekondigd;

AF.

overwegende dat de Commissie van Venetië heeft verklaard dat, naast de taken van de procureur-generaal en de politie op het gebied van vervolging, magistraten ook de mogelijkheid hebben om onderzoeken te starten, en dat er naar het schijnt geen coördinatie plaatsvindt tussen deze onderzoeken en politieonderzoeken (21);

AG.

overwegende dat de Commissie van Venetië ook heeft benadrukt dat de Vaste Commissie tegen corruptie te leiden heeft onder gebreken met betrekking tot haar samenstelling, aangezien de minister-president de leden benoemt, zelfs als hij verplicht is de oppositie te raadplegen, en ook wat betreft de geadresseerden van haar verslagen, namelijk de minister van Justitie die niet over onderzoeksbevoegdheden beschikt, als gevolg waarvan slechts in een zeer klein aantal gevallen de verslagen leiden tot daadwerkelijk onderzoek en feitelijke vervolging (22);

AH.

overwegende dat de Commissie van Venetië heeft geoordeeld dat de benoemingsprocedure voor het hoofd van de politie moet worden gebaseerd op een openbaar vergelijkend onderzoek; het hoofd van de politie moet in de ogen van het algemene publiek politiek neutraal zijn (23);

AI.

overwegende dat Malta een proces is gestart dat gericht op het in kaart brengen van mogelijke constitutionele hervormingen, onder toezicht van de president, waarbij verschillende politieke krachten en het maatschappelijk middenveld zijn betrokken; hervormingen vereisen een tweederdemeerderheid in het parlement om te worden uitgevoerd;

AJ.

overwegende dat het monitoren door het Europees Parlement van verslechterende situaties in lidstaten op het gebied van de rechtsstaat een cruciaal onderdeel is van de Europese democratie, en het model van de werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat het Parlement in staat stelt een nauwgezette follow-up te verrichten en te overleggen met autoriteiten en het maatschappelijk middenveld in de lidstaten;

AK.

overwegende dat ondanks breed gesteunde resoluties van het Europees Parlement (24), de Commissie nog steeds geen voorstel heeft ingediend voor een omvattend en onafhankelijk mechanisme om de situatie betreffende democratie, de rechtsstaat en grondrechten jaarlijks in alle lidstaten te monitoren;

AL.

overwegende dat het gebruik van burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders door EU-lidstaten ernstige risico's oplevert voor de bestrijding van witwassen, het wederzijds vertrouwen en de integriteit van de Schengenruimte, het mogelijk maakt dat onderdanen van derde landen toegang verkrijgen louter op grond van rijkdom in plaats van nuttige kennis, vaardigheden of humanitaire overwegingen, en resulteert in het daadwerkelijk verkopen van EU-burgerschap; overwegende dat de Commissie uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van Malta niet langer onderschrijft;

AM.

overwegende dat de Commissie een verslag heeft gepubliceerd over burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders dat de bestaande praktijken in kaart brengt en bepaalde risico's identificeert die dergelijke regelingen voor de EU opleveren, met name in verband met veiligheid, witwassen, belastingontduiking en corruptie;

AN.

overwegende dat de Maltese regering een vertrouwelijke overeenkomst heeft gesloten met het particuliere bedrijf Henley & Partners om de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van Malta uit te voeren en daarmee het onmogelijk maakt om te controleren of de overeengekomen procedures, verkoopvolumes, en verdere voorwaarden stroken met het Maltese recht, het EU-recht, het internationale recht en met veiligheidsoverwegingen;

AO.

overwegende dat de uitvoering van de vestigingsvereisten voor aanvragers van de Maltese burgerschaps- en verblijfsregelingen niet overeenstemt met de voorwaarden voor dergelijke regelingen die in 2014 met de Commissie zijn overeengekomen; overwegende dat de Commissie geen effectieve maatregelen heeft getroffen om dit niet-naleven van de vestigingsvereisten aan te pakken;

AP.

overwegende dat de beschuldigingen ten aanzien van de verkoop van medische en Schengenvisa in Libië en Algerije door Maltese functionarissen, niet volledig zijn onderzocht (25);

AQ.

overwegende dat journalisten in Slowakije tijdens het bezoek van de ROLMG-delegatie hebben laten weten dat zij in een omgeving werkzaam zijn waar volledige onafhankelijkheid en veiligheid niet altijd kan worden gegarandeerd; overwegende dat in het geval van RTVS (Radio en Televisie Slowakije) er sprake is van gevallen van vermeende politieke bemoeienis met journalistieke werkzaamheden, bijvoorbeeld in de vorm van het uitvaardigen van korte richtsnoeren voor nieuwsuitzendingen;

AR.

overwegende dat de nationale perswet in Slowakije momenteel herzien wordt en dit de gelegenheid biedt om de mediavrijheid en veiligheid van journalisten te versterken; overwegende dat het huidige wetgevingsvoorstel de mediavrijheid zou kunnen beperken;

AS.

overwegende dat er meldingen zijn van corruptie en fraude in Slowakije, onder meer met betrekking tot EU-landbouwfondsen, met de betrokkenheid van het betaalorgaan voor de landbouw, die grondig en onafhankelijk onderzoek verdienen, en waarvan enkele daadwerkelijk door OLAF worden onderzocht en in verband waarmee de Commissie begrotingscontrole van het Parlement in december 2018 een onderzoeksmissie heeft gezonden naar Slowakije; overwegende dat Slowakije de hoogste percentages van opgespoorde onregelmatigheden en fraude van alle EU-lidstaten kent (26);

AT.

overwegende dat de leden van de ROLMG bezorgd zijn over de onpartijdigheid van de rechtshandhaving en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Slowakije, met name in verband met de politisering en het gebrek aan transparantie in de selectie- en benoemingsprocedures, zoals voor de positie van de korpschef van de politie;

AU.

overwegende dat de minister-president van Slowakije en andere belangrijke leden van de regering, alsook de adjunct-procureur-generaal en de korpschef, na de moord op Ján Kuciak zijn afgetreden;

AV.

overwegende dat het wetgevingsproces in Slowakije inzake de hervorming van de selectieprocedure voor rechters van het constitutioneel hof nog niet is afgerond, en het komende selectieproces ter vervanging van de negen aftredende rechters zal plaatsvinden op grond van de bestaande procedures; overwegende dat deze selectieprocedure momenteel geblokkeerd is in het Slowaakse parlement;

AW.

overwegende dat tijdens hun bezoek de leden van de ROLMG-delegatie nota hebben genomen van de getoonde inzet van diverse leden van het personeel van de Slowaakse overheidsinstanties en actoren van het maatschappelijk middenveld om de normen van de rechtsstaat te handhaven;

AX.

overwegende dat op de Wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder grenzen Slowakije op de 27e plaats staat, vergeleken met de 17e plaats in 2017, Malta gezakt is van de 47e plaats naar de 65e plaats, en Bulgarije als de laagst gerangschikte EU-lidstaat gezakt is van de 109e plaats in 2017 naar de 111e plaats;

AY.

overwegende dat op de jaarlijkse corruptieperceptie-index van Transparency International Malta op de 51e plaats staat (46e plaats in 2017), Slowakije op de 57e plaats (54e plaats in 2017) en Bulgarije op de 77e plaats (71e plaats in 2017); overwegende dat alle drie landen significant lager scoren dan het EU-gemiddelde (27);

ALGEMENE OPMERKINGEN

1.

veroordeelt krachtig de aanhoudende pogingen van de regeringen van een toenemend aantal lidstaten om de rechtsstaat te verzwakken en de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondermijnen; maakt zich zorgen over het feit dat de meeste lidstaten weliswaar in overeenstemming met de normen van de Raad van Europa wetgeving hebben aangenomen om de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen, maar dat wijze waarop deze normen worden toegepast vaak tekortschiet;

2.

brengt in herinnering dat de rechtsstaat deel uitmaakt van en voorwaarde is voor de bescherming van alle in artikel 2 VEU neergelegde waarden; roept alle betrokken actoren op EU- en nationaal niveau, waaronder overheden, parlementen en de rechterlijke macht, op om zich krachtiger in te zetten voor het behoud en de versterking van de rechtsstaat;

3.

stelt met grote bezorgdheid vast dat journalisten steeds vaker bedreigd worden, dat de mediavrijheid steeds meer onder druk komt te staan, dat er steeds minder eerbied is voor het beroep van journalist en dat de positie van journalisten verslechtert, en dat er in deze sector sprake is van economische concentratie en een toename van desinformatie; herinnert eraan dat sterke democratieën die gebaseerd zijn op het beginsel van de rechtsstaat alleen maar kunnen bestaan als er ook sprake is van een krachtige en onafhankelijke vierde macht;

4.

verzoekt de Raad om alle voorstellen van de Commissie en het Parlement met betrekking tot inbreukprocedures en de procedure van artikel 7 VEU te bespreken en een follow-up te geven, en met name om snel in actie te komen met betrekking tot het met redenen omklede voorstel van de Commissie van 20 december 2017 over Polen, en bovendien de situatie in Hongarije als prioritair punt op de agenda van de Raad te plaatsen, en het Parlement in alle stadia van de procedure onverwijld en ten volle te informeren en het Parlement uit te nodigen om zijn met redenen omkleed voorstel over Hongarije in de Raad toe te lichten;

ONDERZOEKEN EN RECHTSHANDHAVING

5.

verzoekt de regering van Malta om onverwijld een volledig en onafhankelijk openbaar onderzoek in te stellen naar de moord op Daphne Caruana Galizia, met speciale aandacht voor de omstandigheden die toelieten dat deze moord werd gepleegd, de respons van de openbare autoriteiten op de moord en de maatregelen die genomen kunnen worden om dergelijke moorden in de toekomst te voorkomen;

6.

dringt er met klem bij de Maltese regering op aan om op eenduidige wijze en in het openbaar alle haatzaaiende uitlatingen en elke bezoedeling van de herinnering van wijlen Daphne Caruana Galizia te veroordelen; pleit voor harde maatregelen tegen overheidsfunctionarissen die haat aanwakkeren;

7.

acht het van het grootste belang dat er, in overleg met maatschappelijke organisaties en met de familie van Daphne Caruana Galizia, een oplossing gevonden wordt voor de gedenkplaats ter ere van Daphne Caruana Galizia in Valletta, zodat zij ongestoord kan worden herdacht;

8.

dringt er bij de Maltese autoriteiten op aan het volledige en onbewerkte “Egrant”-rapport te publiceren;

9.

dringt er bij de regeringen van Malta en Slowakije op aan om te waarborgen dat alle aanwijzingen van strafbare feiten onverwijld en ten volle door de rechtshandhavingsinstanties worden onderzocht, onder meer als deze aanwijzingen afkomstig zijn van klokkenluiders en journalisten, en in het bijzonder te waarborgen dat onderzoek wordt gedaan naar de vermeende gevallen van corruptie, financiële misdrijven, witwaspraktijken, fraude en belastingontwijking, die door Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak onder de aandacht werden gebracht;

10.

verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten een onafhankelijk internationaal openbaar onderzoek in te stellen naar de moord op Daphne Caruana Galizia en de vermeende gevallen van corruptie, financiële misdrijven, witwassen van geld, fraude en belastingontduiking die door haar zijn gemeld en waarbij huidige en voormalige hoge ambtenaren van Malta betrokken zijn;

11.

betreurt dat de leden van de ROLMG tijdens hun werkbezoek niet alle leden van de regering van Malta hebben kunnen ontmoeten, zoals de minister van Toerisme en voormalig minister van Energie en dat zij evenmin een ontmoeting konden hebben met vertegenwoordigers van Nexia BT, zoals de beherend vennoot van de onderneming;

12.

stelt met bezorgdheid vast dat de Maltese autoriteiten bij de Duitse federale recherche-informatiedienst (“Bundeskriminalamt”) geen officieel verzoek om wederzijdse rechtshulp hebben ingediend om toegang te krijgen tot de gegevens op de laptops en harde schijven nadat deze door de familie van Daphne Caruana Galizia aan de Duitse autoriteiten waren gegeven;

13.

verwelkomt de aanklacht die de Slowaakse autoriteiten hebben ingediend tegen de vermeende aanstichter van de moord op Ján Kuciak en Martina Kušnírová en de vermeende daders van de moorden; dringt er bij de rechtshandhavingsinstanties op aan om het onderzoek op zowel nationaal als internationaal niveau met alle beschikbare middelen voort te zetten, onder meer door de overeenkomst tot instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam te verlengen tot na april 2019, en erop toe te zien dat alle aspecten van de zaak volledig worden onderzocht, met inbegrip van mogelijke politieke connecties met de misdaden;

14.

merkt op dat er in het kader van het onderzoek naar de moord op Ján Kuciak en Martina Kušnírová andere mogelijke strafbare feiten naar boven zijn gekomen, bijvoorbeeld een vermeend plan om de aanklagers Peter Šufliarsky en Maroš Žilinka en de advocaat Daniel Lipšicn te vermoorden; merkt op dat het latere onderzoek op grond van een besluit van de procureur-generaal en de speciale aanklager moet worden uitgevoerd door de politie-inspectiedienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vanwege de mogelijke betrokkenheid van politieagenten bij het doorzoeken politiedatabanken op gegevens van de betrokken personen; zal de ontwikkelingen in dit verband blijven volgen;

15.

is ingenomen met de oprichting van het Ján Kuciak-onderzoekscentrum, het Daphne-project dat eind 2018 door een aantal journalisten werd opgezet en het Daphne-project Forbidden Stories, dat in maart 2018 werd opgezet door 18 consortia van onderzoeksjournalisten, met als doel om na de dood van Daphne haar werk voort te zetten; merkt op dat het Daphne-project zes maanden na de oprichting in zijn eerste publicatie met nieuwe onthullingen kwam;

16.

verzoekt de Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding diepgaand onderzoek te doen naar alle zaken die in 2018 onder de aandacht van de delegaties ad hoc van het Europees Parlement zijn gebracht, met name beschuldigingen van corruptie en fraude, onder meer met betrekking tot EU-landbouwfondsen, en mogelijke verkeerde stimulansen voor landroof;

17.

dringt er bij de Maltese autoriteiten op aan een onderzoek te starten naar de onthullingen in het kader van de Panama Papers en de verbanden tussen de in Dubai gevestigde onderneming “17 Black” en de minister van Toerisme en voormalig minister van Energie en de stafchef van de minister-president;

18.

dringt er bij de Maltese en de Slowaakse regering en bij alle EU-lidstaten en hun rechtshandhavingsinstanties op aan om de strijd tegen georganiseerde misdaad en corruptie te intensiveren, om het vertrouwen van de burgers in openbare instanties te herstellen;

19.

wijst op de aanneming op 22 maart 2019 van het addendum bij het tweede nalevingsverslag over Slowakije van GRECO betreffende corruptiepreventie met betrekking tot parlementsleden, rechters en openbare aanklagers; roept de regering van Slowakije op om alle aanbevelingen volledig uit te voeren;

20.

wijst op de aanneming op 23 maart 2019 van het vijfde evaluatieverslag over Malta van GRECO; roept de regering van Malta op om onverwijld toestemming te geven voor de publicatie van dit verslag en om alle aanbevelingen volledig uit te voeren;

21.

is zeer bezorgd over de rol die de Slowaakse regering mogelijkerwijs heeft gespeeld bij de ontvoering van een Vietnamese burger uit Duitsland en dringt aan op de opstelling van een omvattend onderzoeksrapport, in samenwerking met de Duitse autoriteiten, over onder meer de vermeende betrokkenheid van de voormalig minister van Binnenlandse Zaken;

22.

geeft uiting aan zijn bezorgdheid over beschuldigingen van corruptie, belangenverstrengeling, straffeloosheid en draaideurconstructies in gezaghebbende kringen in Slowakije; is verbijsterd dat een voormalige hooggeplaatste politiefunctionaris van het nationale agentschap voor strafzaken (NAKA) en het voormalige hoofd van politie na hun ontslagneming benoemd zijn als adviseurs van de minister van Binnenlandse Zaken, onder meer in de Tsjechische Republiek; merkt op dat het voormalige hoofd van politie inmiddels zijn taak als adviseur van de minister van Binnenlandse Zaken heeft neergelegd, nadat er persberichten naar buiten kwamen over een opdracht tot het doorzoeken van een politiedatabank op gegevens van Ján Kuciak voordat deze werd vermoord, en waartoe het voormalige hoofd van politie opdracht zou hebben gegeven;

23.

is verheugd over de inzet van de Slowaakse en Maltese burgers en maatschappelijke organisaties in de strijd voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; dringt er bij de regeringen van Slowakije en Malta op aan deze betrokkenheid van de burgers te stimuleren en niet te ontmoedigen;

24.

dringt er bij de regeringen van Malta, Slowakije en Bulgarije op aan om elke vorm van samenwerking met Europol te blijven ondersteunen, onder meer door Europol ten volle te betrekken bij onderzoeken en proactief volledige toegang te bieden tot onderzoeksdossiers;

25.

verzoekt de Commissie om duidelijke sturing te geven inzake het rechtskader en de modaliteiten voor de uitwisseling van gegevens en bewijsmateriaal tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten onderling en tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en de EU-agentschappen, onder meer door gebruikmaking van het Europees onderzoeksbevel;

26.

stelt vast dat het huidige mandaat en de huidige begrotings- en personele middelen van Europol en Eurojust te beperkt zijn om deze agentschappen in staat te stellen om ten volle en op proactieve wijze EU-meerwaarde te bieden bij de uitvoering van strafrechtelijke onderzoeken, zoals de onderzoeken naar de moorden op Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak en Martina Kušnírová; roept ertoe op om op korte termijn meer middelen aan Europol en Eurojust toe te wijzen om dit soort onderzoek te kunnen verrichten;

27.

benadrukt dat de rechtshandhavingsinstanties en de justitiële autoriteiten van de lidstaten deel uitmaken van een Europees samenwerkingssysteem; is van oordeel dat de EU-instellingen, -organen en -instanties daarom op eigen initiatief in actie moeten komen om tekortkomingen bij de nationale autoriteiten aan te pakken en vindt het zorgwekkend dat de EU-instellingen, -organen en -instanties veelal pas in actie komen nadat journalisten of klokkenluiders bepaalde zaken onder de aandacht hebben gebracht;

28.

dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om de begroting van Europol te verhogen, dit in overeenstemming met de tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 vastgestelde operationele en strategische behoeften van het agentschap, en om het mandaat van Europol te versterken, zodat Europol in staat wordt gesteld om actiever deel te nemen aan onderzoek naar invloedrijke criminele organisaties in landen waar de onafhankelijkheid en de kwaliteit van het onderzoek niet buiten kijf staan en bijvoorbeeld in dergelijke gevallen het initiatief kan nemen tot de instelling van gezamenlijke onderzoeksteams;

29.

verzoekt Eurojust en het toekomstige Europees Openbaar Ministerie (EOM) om zo goed mogelijk samen te werken als het gaat om onderzoek dat betrekking heeft op de financiële belangen van de EU, met name met betrekking tot landen die niet deelnemen aan het EOM; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen met het oog hierop om te werken aan een spoedige instelling van het EOM, en is van oordeel dat alle lidstaten die nog geen kennis hebben gegeven van hun voornemen om deel te nemen aan het EOM dat alsnog moeten doen;

30.

verzoekt de Commissie om een follow-up te geven aan de resoluties van het Parlement waarin de Commissie werd verzocht om beste praktijken op het gebied van opsporingstechnieken in EU in kaart te brengen, om aan de hand daarvan te komen tot gemeenschappelijke onderzoeksmethoden in de EU (28);

CONSTITUTIONELE PROBLEMEN IN MALTA EN SLOWAKIJE

31.

is ingenomen met de verklaringen van de regering van Malta over de uitvoering van de aanbevelingen die werden gedaan in het recente verslag van de Commissie van Venetië;

32.

is ingenomen met de oprichting van een groep waarin leden van de regering en de oppositie zitting hebben en die zich bezighoudt met de mogelijkheden voor een grondwetsherziening;

33.

is ingenomen met de recente aankondiging van de regering van Malta betreffende de aanvang van de wetgevingsprocessen om verschillende aanbevelingen van de Commissie van Venetië uit te voeren; dringt er bij de regering en het parlement van Malta op aan om zonder uitzondering alle aanbevelingen van de Commissie van Venetië ten uitvoer te leggen, en waar nodig dit ook met terugwerkende kracht te doen, om ervoor te zorgen dat alle besluiten, standpunten en structuren uit heden en verleden in overeenstemming zijn met deze aanbevelingen, en met name

de onafhankelijkheid en controlerende bevoegdheden van en de criteria die gelden voor de leden van het Maltese parlement te versterken en aan te scherpen, met name door invoering van strengere regels inzake incompatibiliteiten en door te zorgen voor een passend salaris en onpartijdige ondersteuning;

vacatures voor rechterlijke posten openbaar te maken (par. 44);

de samenstelling van het JAC aldus te wijzigen dat de helft van de leden bestaat uit rechters die gekozen worden door vakgenoten, en het JAC te bevoegdheid toe te kennen kandidaten een rangorde toe te kennen op basis van hun verdienste en deze kandidaten rechtstreeks bij de president van Malta voor te dragen voor benoeming, en dit op dezelfde wijze te doen bij de benoeming van de opperrechter (par. 44);

de Commissie voor rechtsbedeling de bevoegdheid toe te kennen om rechters of magistraten te schorsen en te voorzien in de mogelijkheid om tegen disciplinaire maatregelen van die commissie bij een rechter in beroep te gaan (par. 53);

het ambt van onafhankelijk hoofd van het openbaar ministerie in te stellen, met verantwoordelijkheid voor alle strafvervolgingen, dat de huidige taken op het gebied van vervolging overneemt van de procureur-generaal, alsmede de taken op het gebied van vervolging van de politie en op het gebied van onderzoek door een rechter, zoals aanbevolen door de Commissie van Venetië (par. 61 t/m 73); te bepalen dat dit mogelijk nieuw in te stellen hoofd van het openbaar ministerie onderworpen is aan rechterlijke toetsing, met name als het gaat om besluiten om niet tot vervolging over te gaan (par. 68 en 73);

de PCAC te hervormen, enerzijds door een benoemingsprocedure in te voeren die minder afhankelijk is van de uitvoerende macht, met name de minister-president, en anderzijds door erop toe te zien dat de PCAC-rapporten ook daadwerkelijk tot vervolging leiden; na te denken over de mogelijkheid om de PCAC rechtstreeks te laten rapporteren aan het nieuwe hoofd van het openbaar ministerie (par. 72);

een constitutionele hervorming door te voeren om te waarborgen dat de uitspraken van het Constitutioneel Hof, zonder dat het Parlement hierbij een rol hoeft te spelen, leiden tot nietigverklaring van bepalingen die ongrondwettelijk worden bevonden (par. 79);

de praktijk van het in deeltijd uitoefenen van het ambt van parlementslid af te schaffen, het salaris van parlementsleden te verhogen, de benoeming van parlementsleden in officiële organen te beperken, ervoor te zorgen dat parlementsleden kunnen beschikken over voldoende ondersteunend personeel en dat aan parlementsleden kennis en advies geboden wordt, en op veel minder ruime schaal gebruik te maken van gedelegeerde wetgeving (par. 94);

ervoor te zorgen dat verzoeken om informatie van de ombudsman volledig worden ingewilligd door de autoriteiten, dat de verslagen van de ombudsman in het parlement worden besproken, dat het ambt van ombudsman in de grondwet wordt vastgelegd en dat de wet op de vrijheid van informatie wordt geactualiseerd (par. 100 en 101);

de procedure voor de benoeming van permanente secretarissen te hervormen, namelijk door de selectie niet meer te laten plaatsvinden door de minister-president, maar door een onafhankelijke commissie voor ambtenarenzaken, die besluit op basis van verdienste (par.119 en 120);

de praktijk van “vertrouwensposities of vertrouwenspersonen” verregaand te beperken en in verband hiermee duidelijke rechtsregels vast te stellen en een wijziging van de grondwet door te voeren, als basis en kader voor de regulering van deze praktijk (par. 129);

de procedure voor de benoeming van commissaris van politie te wijzigen, met name door bij deze procedure uit te gaan van de verdiensten van kandidaten, en hiervoor een openbaar vergelijkend onderzoek te organiseren (par. 134);

34.

merkt op dat er momenteel een selectie- en benoemingsprocedure loopt voor rechters aan het grondwettelijk hof van Slowakije, aangezien de ambtstermijn van negen van de dertien rechters in februari afloopt; benadrukt dat de regels voor deze selectie- en benoemingsprocedure en de kwalificaties en functie-eisen moeten voldoen aan de hoogst mogelijke normen op het gebied van transparantie, controle en verantwoordingsplicht, in overeenstemming met de conclusies van de Commissie van Venetië over dit onderwerp (29); is bezorgd over het feit dat momenteel geen vooruitgang wordt geboekt in het Slowaakse parlement wat betreft deze selectieprocedure;

35.

dringt aan op de transparante, ondubbelzinnige en objectieve toepassing van regels en procedures voor de selectie in 2019 van het nieuwe Slowaakse hoofd van politie, die de onafhankelijkheid en neutraliteit van dit ambt moeten waarborgen; merkt op dat het selectieproces is gestart en dat de kandidaten spoedig zullen deelnemen aan hoorzittingen voor de bevoegde commissie van het Slowaakse parlement; wenst dat deze hoorzittingen openbaar zijn;

BURGERSCHAPS- EN VERBLIJFSREGELINGEN EN VISA VOOR INVESTEERDERS

36.

dringt er bij de regering van Malta op aan haar burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders te beëindigen, en opdracht te geven voor een onafhankelijk en internationaal onderzoek naar de gevolgen van deze regelingen voor de Maltese handhavingscapaciteit op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld, voor de grensoverschrijdende criminaliteit en voor de integriteit van het Schengengebied;

37.

verzoekt de regering van Malta om jaarlijks een afzonderlijke lijst te publiceren van alle personen die het Maltese en het EU-burgerschap hebben gekocht en erop te letten dat er op deze lijst geen personen staan die hun Maltese staatsburgerschap op een ander manier hebben gekregen; verzoekt de regering van Malta te waarborgen dat al deze nieuwe burgers vóór de koop van het staatsburgerschap daadwerkelijk een volledig jaar in Malta hebben verbleven, zoals overeengekomen met de Europese Commissie voordat het programma van start ging; verzoekt de Commissie om alles te doen wat in haar vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de hierover gemaakte afspraken in de toekomst worden nageleefd;

38.

is tevreden dat de Commissie in februari 2019, toen zij om opheldering over deze kwestie werd gevraagd, duidelijk heeft aangegeven dat zij de Maltese burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders op geen enkele wijze steunt;

39.

doet derhalve een beroep op de regering van Malta om haar contract met Henley & Partners, de particuliere onderneming die momenteel de Maltese burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders ten uitvoer legt, volledig openbaar te maken en te beëindigen, en ervoor te zorgen dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de overheidsfinanciën;

40.

verzoekt de Commissie te onderzoeken of de bestaande contracten tussen de autoriteiten van de lidstaten en particuliere ondernemingen die de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders beheren en uitbesteden, verenigbaar zijn met het EU- en internationaal recht en met eisen inzake de veiligheid;

41.

is verheugd over de publicatie van het verslag van de Commissie over de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders, maar is bezorgd over het gebrek aan gegevens in dat verslag; roept de Commissie op om de omvang en de gevolgen van de verschillende burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de EU te blijven monitoren, en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan de zorgvuldigheidsprocedures, de profielen en activiteiten van de begunstigden, de mogelijke gevolgen voor grensoverschrijdende criminaliteit en de integriteit van het Schengengebied; verzoekt de lidstaten zo snel mogelijk een einde te maken aan alle huidige burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders; roept de Commissie intussen op om in het Schengenevaluatiemechanisme uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor te leggen waarin duidelijke grenzen worden gesteld aan de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders;

42.

verzoekt de Commissie om, voortbouwend op haar verslag over burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in diverse EU-lidstaten, specifiek onderzoek te doen naar de gevolgen van de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van de Maltese regering voor de integriteit van het Schengengebied;

43.

verzoekt Europol en het Europees grens- en kustwachtagentschap om een gemeenschappelijke dreigingsanalyse uit te voeren met betrekking tot de gevolgen van burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van de EU-lidstaten voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en voor de integriteit van het Schengengebied;

44.

verzoekt de Maltese regering om een grondig onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen in verband met grootschalige verkoop van Schengenvisa en visa op medische gronden, almede naar de vermeende betrokkenheid van (voormalige) hooggeplaatste Maltese regeringsfunctionarissen, zoals de stafchef van de minister-president en Neville Gafa;

VEILIGHEID VAN JOURNALISTEN EN ONAFHANKELIJKHEID VAN DE MEDIA

45.

dringt er bij de regering van Slowakije op aan de veiligheid van journalisten te waarborgen; betreurt het gebrek aan transparantie inzake media-eigendom; heeft twijfels over de onafhankelijkheid en kwaliteit van de publieke media na het vertrek van een aantal RTVS-journalisten; merkt met bezorgdheid op dat het huidige voorstel voor de perswet de mediavrijheid zou kunnen beperken;

46.

is bezorgd over de uitspraken van Slowaakse politici die het belang van onafhankelijke journalistiek en onafhankelijke publieke media in twijfel trekken, zoals de uitspraken die de voormalige minister-president in het openbaar heeft gedaan, onder meer tijdens een persconferentie op 2 oktober 2018;

47.

herhaalt zijn dringende verzoek aan de betrokken leden van de Maltese regering om te waarborgen dat de procedures wegens smaad tegen Daphne Caruana Galizia, waar haar rouwende familie nog steeds mee geconfronteerd wordt, per direct worden stopgezet, om de wetgeving inzake smaad niet te gebruiken om banktegoeden van kritische journalisten te bevriezen, en om de wetgeving inzake smaad die wordt gebruikt om journalisten bij hun werkzaamheden te belemmeren te hervormen;

48.

verzoekt de Commissie om voorstellen in te dienen ter voorkoming van zogenaamde “strategische rechtszaken tegen publieke inspraak”;

DE REACTIE VAN DE EU

49.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een dialoog met de Maltese regering aan te gaan in de context van het EU-kader voor de rechtsstaat;

50.

neemt nota van de inspanningen van de Commissie en de Raad om ervoor te zorgen dat alle lidstaten de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten volledig in acht nemen; is echter bezorgd over de beperkte effecten van het EU-kader voor de rechtsstaat van de Commissie en van de procedures die tot dusver op grond van artikel 7, lid 1, VEU zijn ingeleid; benadrukt dat het blijvende verzuim om ernstige en aanhoudende schendingen van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden aan te pakken andere lidstaten heeft aangemoedigd om dezelfde weg te volgen; betreurt het besluit van de Commissie om de publicatie van haar voorstel tot versterking van het EU-kader voor de rechtsstaat uit te stellen tot juli 2019;

51.

herinnert aan de noodzaak van een onpartijdige en systematische beoordeling van de situatie met betrekking tot de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in alle lidstaten; benadrukt dat een dergelijke beoordeling gebaseerd moet zijn op objectieve criteria; herinnert aan zijn resoluties van 10 oktober 2016 en 14 november 2018, waarin wordt opgeroepen tot een omvattend, permanent en objectief EU-mechanisme voor de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; is van mening dat dit een eerlijk, evenwichtig, rechtmatig en preventief mechanisme zou zijn om eventuele schendingen van de in artikel 2 VEU genoemde waarden aan te pakken, en onderstreept dat het nu dringender dan ooit nodig is om een dergelijk mechanisme in te voeren;

52.

betreurt dat de Commissie nog steeds geen voorstel voor een omvattend EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten heeft ingediend en verzoekt de Commissie om dit tijdig te doen, met name door een voorstel tot goedkeuring van het interinstitutioneel akkoord over het EU-pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in te dienen;

53.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, herinnert aan het verslag hierover dat het Parlement in januari 2019 heeft aangenomen en dringt er bij de Raad op aan om zo spoedig mogelijk constructief met de onderhandelingen te beginnen;

54.

wijst erop dat het belangrijk is dat het Parlement ad-hocdelegaties naar de lidstaten stuurt, omdat dat een doeltreffende manier is om schendingen van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te monitoren; pleit voor de totstandbrenging, binnen de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, van een permanente structuur die belast wordt met de monitoring van dergelijke schendingen in de lidstaten;

55.

dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om systemische corruptie krachtig te bestrijden en effectieve instrumenten te ontwikkelen voor de preventie, bestrijding en bestraffing van corruptie en voor de strijd tegen fraude, alsmede voor de periodieke controle op de besteding van overheidsmiddelen; geeft nogmaals uiting aan zijn teleurstelling over het feit dat de Commissie de afgelopen jaren heeft afgezien van het publiceren van EU-corruptiebestrijdingsverslagen en wijst erop dat de thematische overzichten over corruptiebestrijding die zij in het kader van het Europees Semester publiceert onvoldoende waarborgen bieden dat corruptiebestrijding ook daadwerkelijk op de politieke agenda wordt geplaatst; dringt er daarom bij de Commissie op aan om haar jaarlijkse monitoring en verslaglegging op het gebied van corruptiebestrijding met betrekking tot alle lidstaten en alle EU-instellingen onmiddellijk te hervatten;

56.

is ingenomen met het akkoord tussen de ECB en de nationale toezichthoudende instanties over een nieuw samenwerkingsmechanisme voor de uitwisseling van informatie; spoort alle deelnemende autoriteiten aan om op ruime schaal van dat mechanisme gebruik te maken, om een vlotte en doeltreffende samenwerking op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken te waarborgen;

57.

herinnert zijn Voorzitter eraan dat er nog altijd geen gevolg is gegeven aan zijn oproep om een Europese Daphne Caruana Galizia-prijs voor onderzoeksjournalistiek in het leven te roepen die jaarlijks wordt uitgereikt voor uitzonderlijke prestaties op het gebied van onderzoeksjournalistiek in Europa;

58.

is ingenomen met het besluit van het Parlement om het stageprogramma voor onderzoeksjournalisten van het Parlement te vernoemen naar Ján Kuciak;

o

o o

59.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)  PB C 482 van 23.12.2016, blz. 117.

(2)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0456.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0438.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0055.

(6)  PB C 58 van 15.2.2018, blz. 148.

(7)  PB C 204 van 13.6.2018, blz. 95.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0442.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0183.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0204.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0340.

(12)  PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46.

(13)  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 127.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0216.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0446.

(16)  Malta — Opinion on Constitutional arrangements and separation of powers (Malta — Advies over constitutionele regelingen, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsinstanties), uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 117e plenaire vergadering (Venetië, 14-15 december 2018).

(17)  Advies van de Commissie van Venetië, punt 142.

(18)  Ibid., punten 107-112.

(19)  Ibid., punt 54.

(20)  Ibid., punt 59.

(21)  Ibid., punt 71.

(22)  Ibid., punt 72.

(23)  Ibid., punt 132.

(24)  Resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162); resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (Aangenomen teksten, — P8_TA(2018)0456).

(25)  http://nao.gov.mt//loadfile/77c82f0e-89b3-44b4-85d4-e48ecfd251b0

(26)  https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR19_01/ SR_FRAUD_RISKS_NL.pdf

(27)  https://www.transparency.org/cpi2018

https://www.transparency.org/news/feature/corruption_perceptions_index_2017

(28)  https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1539189225045&uri=CELEX:52011IP0459

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52016IP0403

(29)  https://www.venice.coe.int/webforms/documents/?pdf=CDL-AD(2017)001-e


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/120


P8_TA(2019)0329

Recente ontwikkelingen in het dieselgateschandaal

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over recente ontwikkelingen in het dieselgate-schandaal (2019/2670(RSP))

(2021/C 108/11)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement (1),

gezien zijn Besluit (EU) 2016/34 van 17 december 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector (2),

gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (3),

gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (4),

gezien Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (5),

gezien Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (6),

gezien Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (7),

gezien zijn resolutie van 27 oktober 2015 over emissiemetingen in de automobielsector (8),

gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector (9) (gebaseerd op het tussentijds verslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector),

gezien het eindverslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector van 2 maart 2017,

gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector (10),

gezien de briefingnota van de Europese Rekenkamer van 7 februari 2019 over de reactie van de EU op het dieselgate-schandaal,

gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2018 in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 (11),

gezien de aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 1275/2018/EWM,

gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over een Europa dat beschermt: schone lucht voor iedereen (12),

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Parlement de Commissie om een uitvoerig verslag had gevraagd over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector (hierna “de EMIS-commissie”);

B.

overwegende dat de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Elżbieta Bieńkowska, op 18 oktober 2018 een brief heeft gestuurd naar de voormalige voorzitter van de EMIS-commissie, met daarin een tabel met de follow-upmaatregelen die de Commissie in reactie op het verzoek om een “uitvoerig verslag over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie” had genomen;

C.

overwegende dat in de bij deze brief gevoegde tabel enkel de in de aanbevelingen aangekaarte kwesties aan de orde worden gesteld en dat de conclusies van de EMIS-commissie, en met name de conclusies die betrekking hebben op gevallen van wanbeheer en inbreuken op het EU-recht, niet worden behandeld; overwegende dat commissaris Bieńkowska meermaals in de tabel heeft onderstreept dat bepaalde kwesties die in de aanbevelingen aan de orde komen, niet onder haar bevoegdheid vallen;

D.

overwegende dat de Europese Ombudsman de door een lid van het Europees Parlement ingediende klacht op 12 oktober 2018 gegrond verklaarde en concludeerde dat de weigering van de Commissie om alle standpunten van de vertegenwoordigers van de lidstaten in verband met milieugegevens openbaar te maken, neerkwam op wanbeheer;

E.

overwegende dat dit belemmerende gedrag van de Commissie het werk van de EMIS-commissie aanzienlijk heeft vertraagd en onder meer tot gevolg heeft gehad dat de leden van het Europees Parlement tijdens de hoorzittingen minder informatie tot hun beschikking hadden voor de ondervraging van de vertegenwoordigers van de Commissie;

F.

overwegende dat het Gerecht van de Europese Unie op 13 december 2018 besloot het door Parijs, Brussel en Madrid ingestelde beroep (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16) toe te wijzen en Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie gedeeltelijk nietig te verklaren, omdat daarin buitensporig hoge maximale stikstofemissiewaarden waren vastgesteld in het kader van de tests voor nieuwe lichte personen- en bedrijfsvoertuigen;

G.

overwegende dat de Commissie op 22 februari 2019 besloot tegen de uitspraak in beroep te gaan, waardoor de door het Hof vastgestelde termijn mogelijk wordt opgeschoven en de zogenoemde “conformiteitsfactoren” in stand kunnen worden gehouden;

H.

overwegende dat de Commissie op 6 december 2016 besloot een inbreukprocedure in te leiden tegen zeven lidstaten, namelijk Duitsland, Griekenland, Litouwen, Luxemburg, Spanje, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk, omdat deze lidstaten hadden verzuimd sanctieregelingen vast te stellen om autofabrikanten ervan te weerhouden inbreuk te maken op de EU-regelgeving inzake voertuigemissies of dergelijke sancties op te leggen in het kader van de Volkswagen-zaak;

I.

overwegende dat de Commissie op 17 mei 2017 een tweede inbreukprocedure inleidde betreffende de door Fiat Chrysler Automobiles (FCA) gehanteerde emissiebeperkingsstrategieën en de niet-nakoming door Italië van de verplichting om corrigerende maatregelen te treffen en sancties op te leggen aan deze fabrikant;

J.

overwegende dat deze procedures, waarvan er momenteel nog vier lopen tegen respectievelijk Duitsland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk, bijna twee jaar geleden zijn ingeleid, maar de Commissie niettemin nog altijd op nadere informatie van de lidstaten wacht, die zij via aanvullende aanmaningsbrieven tracht te verkrijgen;

K.

overwegende dat bepaalde lidstaten in dit verband niet oprecht met de Commissie lijken mee te werken;

L.

overwegende dat de voorzitter van de Rekenkamer, Klaus-Heiner Lehne, in de persmededeling van 16 oktober 2018 over het werkprogramma van de Europese Rekenkamer voor 2019 aankondigde dat de Rekenkamer onderzoek gaat doen naar de door de EU gebruikte methode voor het meten van voertuigemissies, om vast te stellen of de EU “doet wat ze belooft”;

M.

overwegende dat uit de briefingnota van de Europese Rekenkamer van 7 februari 2019 over de reactie van de EU op het dieselgate-schandaal is gebleken dat er nog altijd veel sterk vervuilende auto's rondrijden en dat de lopende terugroepacties van voertuigen, evenals de in dit verband in gang gezette software-updates, slechts een beperkt effect hebben gehad op de NOx-emissies;

N.

overwegende dat Duitsland Duitse autofabrikanten verplicht autobezitters een inwisselingsprogramma of de inbouw van selectieve katalytische hardware aan te bieden;

O.

overwegende dat de nasleep van sterk vervuilende dieselvoertuigen nog altijd grotendeels niet is aangepakt, aangezien deze voertuigen de luchtkwaliteit nog jarenlang negatief zullen blijven beïnvloeden indien geen gecoördineerde maatregelen worden genomen door de Commissie en de lidstaten om de schadelijke emissies die de voertuigen uitstoten terug te dringen, met name in regio's waarnaar veel van deze voertuigen worden geëxporteerd;

P.

overwegende dat de terugroepacties in de lidstaten volgens de informatie die de Commissie van de lidstaten heeft ontvangen betrekking hebben op een beperkt aantal auto's van de volgende merken: Volkswagen, Renault, Daimler, Opel en Suzuki;

Q.

overwegende dat ook modellen van bepaalde andere merken volgens verschillende niet-gouvernementele organisaties en de media verdacht emissiegedrag hebben vertoond of de vervuilingsnormen waarin het EU-recht voorziet, hebben overschreden;

R.

overwegende dat enkele lidstaten, namelijk Bulgarije, Hongarije, Ierland, Slovenië en Zweden, de Commissie nog altijd geen informatie over hun terugroepprogramma's hebben doen toekomen;

S.

overwegende dat de reactie van de Commissie op het dieselgate-schandaal niet alleen de herziening van Richtlijn 2007/46/EG omvatte, maar ook een voorstel voor een richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten (COM(2018)0184); overwegende dat dergelijke bindende wetgeving van cruciaal belang is om te waarborgen dat consumenten duidelijke rechten hebben en zinvolle collectieve maatregelen kunnen nemen, met name aangezien de aanbeveling van 2013 inzake collectief beroep in de meeste de lidstaten nauwelijks ten uitvoer is gelegd; overwegende dat in de Verenigde Staten, waar het systeem voor groepsvorderingen goed is ontwikkeld, slachtoffers van dieselgate tussen 5 000 en 10 000 USD aan schadevergoeding hebben ontvangen, terwijl Europese consumenten nog altijd geen behoorlijke vergoeding hebben ontvangen; overwegende dat het desbetreffende dossier een van de vele dossiers is die door de Raad worden geblokkeerd;

T.

overwegende dat Commissievoorzitter Juncker een herziening heeft voorgesteld van Verordening (EU) nr. 182/2011 van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (13), om de lidstaten ertoe te verplichten transparanter te zijn wat betreft de standpunten die ze op commissieniveau innemen; overwegende dat de onnodige vertraging door de lidstaten van de procedure had kunnen worden voorkomen indien de procedure voor de goedkeuring van de RDE-test transparanter was geweest, zoals in de conclusies van de EMIS-commissie wordt uitgelegd; overwegende dat ook dit dossier een van de vele dossiers is die door de Raad worden geblokkeerd;

U.

overwegende dat de Europese Investeringsbank en Volkswagen AG na een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) tot een overeenkomst zijn gekomen met betrekking tot een deel van een lening van 400 miljoen EUR voor een subproject die in 2009 werd verstrekt en in februari 2014 volledig volgens schema werd terugbetaald;

V.

overwegende dat de Europese Investeringsbank volgens deze overeenkomst haar onderzoek zal afronden en dat Volkswagen AG op haar beurt gedurende een uitsluitingsperiode van 18 maanden vrijwillig niet aan projecten van de Europese Investeringsbank zal deelnemen;

Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.

herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 8, van het Verdrag betreffende de Europese Unie “als college verantwoording [aflegt] aan het Europees Parlement”; betreurt het daarom dat de Commissie, als college, het Parlement geen uitvoerig verslag heeft doen toekomen waarin zowel de conclusies als de aanbevelingen van de EMIS-commissie aan de orde worden gesteld;

2.

noemt het betreurenswaardig dat de brief van de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Elżbieta Bieńkowska, aan de voormalige voorzitter van de EMIS-commissie ontoereikend is, aangezien volgens de brief niet alle kwesties onder de bevoegdheid van de commissaris vallen en de conclusies van de EMIS-commissie hierin niet aan de orde worden gesteld;

3.

verzoekt de Commissie onverwijld een uitvoerig verslag te verstrekken waarin, zoals in de resolutie van het Parlement wordt gevraagd, niet alleen de aanbevelingen worden behandeld, maar ook het belangrijkste onderdeel van het parlementair onderzoek, dat wil zeggen de conclusies van de EMIS-commissie, en met name de conclusies die betrekking hebben op gevallen van wanbeheer en inbreuken op het EU-recht; meent dat de Commissie duidelijke politieke conclusies moet trekken op basis van de conclusies van de EMIS-commissie;

4.

merkt op dat in de aanbeveling van de Europese Ombudsman wordt bevestigd dat de Commissie de werkzaamheden van een officiële parlementaire onderzoekscommissie op significante wijze heeft belemmerd; is van oordeel dat de Commissie duidelijke politieke conclusies moet trekken uit deze nalatigheid;

5.

verzoekt de Commissie de notulen van de vergaderingen van de technische comités in het algemeen en van het technisch comité motorvoertuigen in het bijzonder vrij te geven;

6.

verzoekt de Commissie richtsnoeren te publiceren voor het terugroepen van voertuigen, waarin in detail wordt uiteengezet op welke manier ervoor kan worden gezorgd dat teruggeroepen voertuigen weer aan de toepasselijke EU-wetgeving voldoen, onder meer door aanpassing van de hardware indien software-updates niet volstaan om te waarborgen dat aan de emissienormen wordt voldaan;

7.

verzoekt de Commissie in deze richtsnoeren maatregelen op te nemen om ervoor te zorgen dat sterk vervuilende voertuigen niet in omloop blijven op de tweedehandsmarkt, ook niet in andere lidstaten of derde landen;

8.

verzoekt de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858 toe te zien op de vormgeving en tenuitvoerlegging van de controles door de lidstaten in het kader van het markttoezicht;

9.

verzoekt de Commissie haar werkzaamheden in het kader van het eerste stadium van de inbreukprocedures tegen Duitsland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk voort te zetten, aangezien deze procedures ruim twee jaar geleden zijn ingesteld, en daarnaast met redenen omklede adviezen uit te brengen;

10.

is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de Commissie niet bevoegd is om, als onderdeel van het tweede RDE-pakket, de NOx-emissiegrenswaarden van de Euro 6-norm te wijzigen; stelt vast dat het Hof van Justitie verder heeft geconcludeerd dat de Commissie de noodzaak om de NOx-emissiegrenswaarden middels de introductie van conformiteitsfactoren aan te passen onvoldoende technisch heeft onderbouwd; is van oordeel dat de NOx-emissiegrenswaarden van de Euro 6-norm in acht moeten worden genomen onder normale gebruiksomstandigheden en dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie is om RDE-tests te ontwerpen die een beeld geven van emissies onder reële rijomstandigheden;

11.

betreurt het dat de Commissie heeft besloten tegen de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 in beroep te gaan en vraagt de Commissie in het licht van de recente ontwikkelingen op haar besluit terug te komen;

12.

vraagt de Commissie het Parlement op de hoogte te stellen indien de door het Hof vastgestelde termijn wordt opgeschoven en de conformiteitsfactoren daardoor in stand kunnen worden gehouden;

13.

verzoekt de Commissie de huidige, in Verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde maximale emissiewaarden na te leven, waaraan overeenkomstig de verordening onder reële omstandigheden moet worden voldaan, en geen nieuwe aanpassingscoëfficiënten (d.w.z. conformiteitsfactoren) in te voeren waardoor deze wettelijke grenswaarden worden versoepeld;

14.

betreurt het dat het verslag over het onderzoek van het OLAF naar de “Antrieb RDI”-lening van de EIB aan Volkswagen AG nooit openbaar is gemaakt en dat de door de EIB genomen maatregelen ontoereikend waren;

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

15.

verzoekt de lidstaten de Commissie onverwijld te voorzien van alle informatie die zij nodig heeft om een verslag over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie op te stellen;

16.

noemt de uiteenlopende benaderingen van en het gebrek aan coördinatie door de lidstaten met betrekking tot het terugroepen van voertuigen en het aanbieden van inwisselingsprogramma's betreurenswaardig; is van oordeel dat deze uiteenlopende benaderingen afbreuk doen aan de belangen van consumenten, de bescherming van het milieu, de gezondheid van burgers en de werking van de interne markt;

17.

verzoekt de lidstaten met klem de nodige maatregelen in te voeren om het grote aantal sterk vervuilende auto's terug te roepen of uit de markt te halen, en volledig met de Commissie mee te werken aan een gemeenschappelijke benadering voor terugroepacties op basis van richtsnoeren van de Commissie;

18.

betreurt het dat de eisen voor Duitse autofabrikanten in Duitsland met betrekking tot inwisselingsprogramma's en aanpassingen aan de hardware van voertuigen niet in andere landen of voor andere autofabrikanten in de Unie worden gehanteerd;

19.

verzoekt de lidstaten en de autofabrikanten ten aanzien van de verplichte aanpassingen aan de hardware van niet-conforme dieselvoertuigen, waaronder de inbouw van selectieve katalytische hardware voor het terugdringen van de emissies van stikstofdioxide (NO2) en het schoon maken van het huidige wagenpark voor onderlinge coördinatie te zorgen; is van oordeel dat de kosten van deze aanpassingen voor rekening moeten komen van de verantwoordelijke autofabrikant;

20.

verzoekt de lidstaten die nog geen informatie over hun terugroepprogramma's aan de Commissie hebben verstrekt, dit onverwijld te doen;

21.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de controles in het kader van het markttoezicht doeltreffend zijn en bij het testen van auto's die reeds in gebruik zijn genomen, zoals in het verslag van de Rekenkamer wordt voorgesteld, meer parameters in aanmerking te nemen dan enkel de RDE-parameters, om ervoor te zorgen dat fabrikanten hun voertuigen niet met behulp van hun eigen voorzieningen op deze RDE-tests kunnen afstemmen;

22.

verzoekt de bij de desbetreffende inbreukprocedures betrokken lidstaten volledig met de Commissie mee te werken en haar van alle nodige informatie te voorzien;

23.

verzoekt de lidstaten te verhinderen dat autofabrikanten nieuwe speelruimte in de volgens de wereldwijde testprocedure voor lichte voertuigen (WLTP) uitgevoerde laboratoriumtests vinden die hen in staat stelt hun CO2-emissies terug te dringen;

24.

wijst de lidstaten erop dat zij ervoor moeten zorgen dat autodealers uitsluitend gebruikmaken van de in het kader van de WLTP vastgestelde CO2-waarden voor alle auto's die zij verkopen om verwarring bij consumenten te vermijden, en benadrukt dat de lidstaten hun voertuigenbelasting en belastingprikkels op de WLTP-waarden moeten afstemmen, met inachtneming van het beginsel dat de WLTP geen negatieve gevolgen mag hebben voor consumenten;

25.

verzoekt de Raad van de Europese Unie met klem zijn verantwoordelijkheid te nemen en dringend een algemene benadering vast te stellen inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en het voorstel tot herziening van Verordening (EU) nr. 182/2011;

26.

benadrukt het belang van een hoog en uniform niveau van consumentenbescherming in de interne markt ten aanzien van eventuele toekomstige manipulatie door autofabrikanten die leidt tot hogere emissies dan verwacht, en roept de lidstaten op de ontwikkeling van eerlijke, betaalbare en tijdige procedures voor collectief verhaal te ondersteunen;

27.

verzoekt de lidstaten en de Commissie resolute stappen te zetten om de toegang tot emissievrije en emissiearme voertuigen in alle lidstaten te bevorderen, en tegelijkertijd een toename van oude, zeer vervuilende voertuigen in lidstaten met een laag inkomen te voorkomen;

28.

benadrukt hierbij dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van oplaadinfrastructuur, ook in particuliere en overheidsgebouwen overeenkomstig de richtlijn energieprestatie van gebouwen (14), en het concurrentievermogen van elektrische voertuigen essentieel zijn om de aanvaarding door de consument te verhogen;

29.

verzoekt de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie met klem de eerste plenaire vergadering van het Europees Parlement van april 2019 bij te wonen om eventuele onbeantwoorde vragen over de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie, de aanbeveling van de Europese Ombudsman en andere elementen van deze resolutie te beantwoorden;

o

o o

30.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 113 van 19.5.1995, blz. 1.

(2)  PB L 10 van 15.1.2016, blz. 13.

(3)  PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(4)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(5)  PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1.

(6)  PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1.

(7)  PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1.

(8)  PB C 355 van 20.10.2017, blz. 11.

(9)  PB C 204 van 13.6.2018, blz. 21.

(10)  PB C 298 van 23.8.2018, blz. 140.

(11)  Arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2018, Ville de Paris, Stad Brussel en Ayuntamiento de Madrid tegen Europese Commissie, Gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 (ECLI:EU:T:2018:927).

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0186.

(13)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(14)  Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).


AANBEVELINGEN

Europees Parlement

Dinsdag 26 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/126


P8_TA(2019)0224

Brede overeenkomst EU-Oezbekistan

Aanbeveling van het Europees Parlement van 26 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de nieuwe brede overeenkomst tussen de EU en Oezbekistan (2018/2236(INI))

(2021/C 108/12)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Besluit (EU) 2018/… van de Raad van 16 juli 2018 tot machtiging van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid tot het openen en het voeren van onderhandelingen, namens de Unie, over de onder de bevoegdheid van de Unie vallende bepalingen van een brede overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds (10336/18),

gezien het besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 juli 2018, tot machtiging van de Europese Commissie tot het openen en het voeren van onderhandelingen, namens de lidstaten, over de onder de bevoegdheid van de lidstaten vallende bepalingen van een brede overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds (10337/18),

gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad van 16 juli 2018 (10601/18 EU Restricted), die op 6 augustus 2018 aan het Parlement zijn toegestuurd,

gezien de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan, die in 1999 in werking is getreden,

gezien het in januari 2011 ondertekende memorandum van overeenstemming over energie tussen de Europese Unie en Oezbekistan,

gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van de mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), die de Raad in 2013 heeft aangenomen,

gezien zijn wetgevingsresolutie van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel (1),

gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel (2),

gezien zijn resolutie van 23 oktober 2014 over de mensenrechten in Oezbekistan (3),

gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië (4) en zijn resolutie van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië (5),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 september 2018, getiteld “Versterken van de banden tussen Europa en Azië — Bouwstenen voor een EU-strategie” (JOIN(2018)0031),

gezien het bezoek van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement van september 2018 aan Oezbekistan en het bezoek van de Subcommissie mensenrechten van het Parlement van mei 2017 aan Oezbekistan, alsook de regelmatige bezoeken aan het land van de Delegatie in de parlementaire samenwerkingscomités EU-Kazachstan, EU-Kirgizië, EU-Oezbekistan en EU-Tadzjikistan, en voor de betrekkingen met Turkmenistan en Mongolië,

gezien de uitkomst van de dertiende bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en Centraal-Azië, die op 10 november 2017 werd gehouden in Samarkand en tijdens welke de bilaterale agenda (economie, connectiviteit, veiligheid en de rechtsstaat) en regionale kwesties aan de orde kwamen,

gezien het gezamenlijke communiqué van de veertiende bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en Centraal-Azië, die op 23 november 2018 werd gehouden in Brussel, getiteld “De EU en Centraal-Azië — Samenwerken aan een toekomst van inclusieve groei, duurzame connectiviteit en sterkere partnerschappen” (6),

gezien de aanhoudende ontwikkelingshulp van de EU aan Oezbekistan, die voor de periode 2014-2020 168 miljoen EUR bedraagt, de financiële bijstand van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), en andere EU-maatregelen ter ondersteuning van vrede en veiligheid en ter vermindering van nucleair afval in het land,

gezien de verklaring van de conferentie over Afghanistan van 26 en 27 maart 2018 in Tasjkent, die georganiseerd werd door Oezbekistan en gezamenlijk werd voorgezeten door Oezbekistan en Afghanistan, getiteld “Vredesproces, veiligheidssamenwerking en regionale connectiviteit”,

gezien de strategie voor acties op vijf prioritaire gebieden met betrekking tot de ontwikkeling van Oezbekistan (“de ontwikkelingsstrategie”) voor 2017-2021,

gezien de stappen die Oezbekistan, na onafhankelijk te zijn geworden van de Sovjet-Unie, heeft genomen richting een opener samenleving en meer openheid ten aanzien van zijn buurlanden,

gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling,

gezien artikel 113 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0149/2019),

A.

overwegende dat de EU en Oezbekistan op 23 november 2018 onderhandelingen zijn gestart over een brede versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst ter vervanging van de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Oezbekistan om de samenwerking op gebieden van wederzijds belang te versterken en te verdiepen, op basis van de gedeelde waarden van democratie, de rechtsstaat, eerbiediging van de fundamentele vrijheden en goed bestuur, teneinde duurzame ontwikkeling en de internationale veiligheid te bevorderen en mondiale uitdagingen, zoals terrorisme, klimaatverandering en georganiseerde misdaad, op doeltreffende wijze aan te pakken;

B.

overwegende dat de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst pas in werking kan treden als deze is goedgekeurd door het Parlement;

1.

beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) aan:

Betrekkingen tussen de EU en Oezbekistan

a)

zich verheugd te tonen over de door Oezbekistan gedane toezeggingen en genomen stappen richting een opener samenleving en de oprechte betrokkenheid van het land bij de politieke dialoog met de EU, aangezien deze zaken ertoe hebben geleid dat er onderhandelingen over een brede versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst zijn gestart; te benadrukken dat de EU er belang bij heeft haar betrekkingen met Oezbekistan op basis van gemeenschappelijke waarden te versterken en de rol van Oezbekistan te erkennen als belangrijke culturele en politieke brug tussen Europa en Azië;

b)

te zorgen voor een regelmatige, diepgaande dialoog en toezicht te houden op de volledige doorvoering van politieke en democratische hervormingen met het oog op de totstandbrenging van een onafhankelijke rechterlijke macht, met inbegrip van de opheffing van alle beperkingen van de onafhankelijkheid van advocaten, en een daadwerkelijk onafhankelijk parlement dat het resultaat is van zuiver competitieve verkiezingen, alsook met het oog op de bescherming van de mensenrechten, gendergelijkheid en mediavrijheid, de depolitisering van de veiligheidsdiensten, waarbij wordt gewaarborgd dat zij zich ertoe verbinden de rechtsstaat te eerbiedigen, en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het hervormingsproces; ingenomen te zijn met de nieuw verkregen bevoegdheden van het parlement van Oezbekistan, alsook met de mechanismen ter versterking van het parlementair toezicht; de autoriteiten aan te sporen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het verslag dat de OVSE/het ODIHR naar aanleiding van de parlementaire verkiezingen van 2014 hebben opgesteld;

c)

te benadrukken dat er voldoende steun moet worden geboden voor duurzame hervormingen en de doorvoering ervan op basis van bestaande en toekomstige overeenkomsten, teneinde tastbare resultaten te boeken en politieke, maatschappelijke en economische kwesties aan de orde te stellen, met name om het bestuur te verbeteren, ruimte te maken voor een daadwerkelijk divers en onafhankelijk maatschappelijk middenveld, de eerbiediging van de mensenrechten te versterken, alle minderheden en kwetsbare personen te beschermen, met inbegrip van personen met een beperking, verantwoordingsplicht voor mensenrechtenschendingen en andere misdaden te garanderen en belemmeringen die het ondernemerschap in de weg staan, weg te nemen;

d)

kennis te nemen van de verbintenissen van Oezbekistan ten aanzien van de lopende structurele, bestuurlijke en economische hervormingen ter verbetering van het ondernemingsklimaat, het rechtsstelsel en de veiligheidsdiensten, de arbeidsomstandigheden, en de administratieve verantwoordingsplicht en efficiëntie, en Oezbekistan hierin te ondersteunen, alsook te benadrukken hoe belangrijk het is dat deze beloften volledig en verifieerbaar worden waargemaakt; de liberalisering van transacties in vreemde valuta en van de valutamarkt toe te juichen; te onderstrepen dat het brede hervormingsplan van Oezbekistan, de ontwikkelingsstrategie voor 2017-2021, moet worden uitgevoerd en ondersteund met maatregelen ter vergemakkelijking van externe handel en ter verbetering van het ondernemingsklimaat; in aanmerking te nemen dat arbeidsmigratie en overmakingen in Oezbekistan belangrijke manieren zijn om armoede tegen te gaan;

e)

de Oezbeekse regering met klem te verzoeken erop toe te zien dat mensenrechtenactivisten, maatschappelijke organisaties, internationale waarnemers en mensenrechtenorganisaties hun werkzaamheden vrij kunnen uitvoeren in een juridisch sluitend en politiek veilig klimaat, met name door de inschrijvingsprocedures te vergemakkelijken en mensen toegang te geven tot rechtsmiddelen wanneer hun inschrijving wordt geweigerd; de regering op te roepen toestemming te geven voor stelselmatige, ongehinderde en onafhankelijke waarneming van de omstandigheden in gevangenissen en detentiecentra; de regering aan te sporen de speciale rapporteur van de VN inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing uit te nodigen een bezoek te brengen aan het land, uitvoering te geven aan de in 2003, naar aanleiding van het laatste bezoek van de speciale rapporteur uitgebrachte aanbeveling, en de nationale wetten en praktijken in overeenstemming te brengen met het internationaal recht en de internationale normen, onder meer aan de hand van een onafhankelijk toezichtsmechanisme waarmee detentiecentra ongehinderd kunnen worden bezocht, zodat in kaart kan worden gebracht hoe de gevangenen er worden behandeld; de autoriteiten te verzoeken een grondig onderzoek in te stellen naar alle vermeende gevallen van foltering of onmenselijke behandeling;

f)

de opkomst van een tolerante, inclusieve, pluralistische en democratische samenleving onder leiding van een geloofwaardige regering te stimuleren door geleidelijke liberalisering en socio-economische vooruitgang ten bate van de burgers te ondersteunen, met volledige inachtneming van de leidende beginselen van de VN inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten;

g)

zich verheugd te tonen over de vrijlating van politieke gevangenen, maar de autoriteiten op te roepen hen te verzekeren van volledige rehabilitatie en toegang tot rechtsmiddelen en medische hulp; aan te dringen op de vrijlating van alle politieke gevangenen en andere personen die nog altijd om politieke redenen worden vastgehouden of vervolgd, zoals mensenrechtenactivisten, activisten uit het maatschappelijk middenveld, religieuze activisten, journalisten en politici van de oppositie; bezorgdheid aan de dag te leggen ten aanzien van de verschillende rechtszittingen die plaatsvinden met gesloten deuren en de regering met klem te verzoeken deze praktijk een halt toe te roepen; de regering met klem te verzoeken binnen afzienbare tijd wijzigingen aan te brengen in de bepalingen van haar wetboek van strafrecht inzake extremisme die regelmatig worden misbruikt om dissidenten te bestraffen; zich verheugd te tonen over de toezegging om “schendingen van de gevangenisvoorschriften” niet langer als reden aan te wenden voor de willekeurige verlenging van de gevangenisstraffen van politieke gevangenen; ervoor te zorgen dat alle politieke gevangenen die zijn veroordeeld voor strafbare feiten of andere delicten een kopie van hun vonnis ontvangen, zodat zij hun recht op beroep kunnen uitoefenen en een aanvraag voor rehabilitatie kunnen indienen; zich ingenomen te tonen met de versoepeling van bepaalde beperkingen van de vrijheid van vreedzame vergadering en voorts, ter eerbiediging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, aan te sporen tot de opheffing van beperkingen van deze rechten en vrijheden, zoals het vasthouden van vreedzame betogers; zich verheugd te tonen over het recente bezoek van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

h)

er kennis van te nemen dat er in de index voor persvrijheid van verslaggevers zonder grenzen tussen 2016 en 2018 slechts een kleine verbetering te zien is met betrekking tot de situatie in Oezbekistan en hun bezorgdheid te blijven tonen over de censuur, de blokkering van websites, de zelfcensuur van journalisten en bloggers, online en offline intimidatie en politiek gemotiveerde aanklachten in het land; de autoriteiten op te roepen ervoor te zorgen dat de media niet langer onder spanning staan en in de gaten worden gehouden, dat er een einde komt aan het blokkeren van onafhankelijke websites en dat internationale media correspondenten mogen uitzenden naar het land; steun te bieden voor en zich verheugd te tonen over maatregelen om de onafhankelijkheid van de media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te bevorderen, onder meer door bepaalde beperkingen van hun werkzaamheden op te heffen en door buitenlandse en internationale media en ngo's toestemming te verlenen opnieuw hun opwachting te maken in het land; zich ingenomen te tonen met de nieuwe wet inzake de inschrijving van ngo's, die aanleiding heeft gegeven voor de versoepeling van bepaalde inschrijvingsprocedures evenals van bepaalde vereisten met betrekking tot geavanceerde toestemming voor het organiseren van activiteiten of het houden van vergaderingen; de autoriteiten met klem te verzoeken deze wet volledig ten uitvoer te leggen, onder meer door alle belemmeringen voor de inschrijving van internationale organisaties weg te nemen, en de autoriteiten voorts aan te sporen de resterende beperkingen aan te pakken die de werkzaamheden van ngo's in de weg staan, zoals omslachtige inschrijvingsvereisten en opdringerig toezicht;

i)

hun ingenomenheid te tonen met de geboekte vooruitgang op het gebied van de uitbanning van kinderarbeid en de geleidelijke afschaffing van dwangarbeid, alsook met de recente bezoeken van speciale VN-rapporteurs aan Oezbekistan en de heropening van het land voor internationale ngo's die op deze gebieden actief zijn; erop te wijzen dat door de regering gesteunde dwangarbeid in onder andere de katoen- en zijde-industrie nog altijd een probleem is; te verwachten dat de regering van Oezbekistan stappen onderneemt om alle vormen van dwangarbeid uit te bannen, de onderliggende oorzaken van het verschijnsel aan te pakken, met name het systeem van verplichte quota, en lokale autoriteiten die onder dwang werknemers uit de overheidssector en studenten inzetten, ter verantwoording te roepen; te benadrukken dat er meer inspanningen moeten worden geleverd en nadere gerechtelijke stappen moeten worden genomen om de geboekte voortuitgang te consolideren en dwangarbeid af te schaffen; in dit verband verdere samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) aan te sporen; de autoriteiten aan te sporen de speciale VN-rapporteur voor hedendaagse vormen van slavernij de mogelijkheid te bieden een bezoek te brengen aan het land; het belang te onderstrepen van inspanningen om in het land een duurzame katoentoeleveringsketen te ontwikkelen, alsook moderne, milieuvriendelijke katoenteelttechnieken en landbouwpraktijken; binnenlandse katoentelers te ondersteunen, zowel op het gebied van milieubescherming als bij de verbetering van landbouwpraktijken en de efficiëntie van hun productie;

j)

de autoriteiten aan te sporen de inspanningen om de werkloosheid in het land terug te dringen op te voeren, en onder meer de private sector open te stellen en de positie van kleine en middelgrote ondernemingen te versterken; zich in dit verband ingenomen te tonen met de uitbreiding van het opleidingsprogramma voor leidinggevenden en de ontwikkeling van verdere opleidingsprogramma's voor ondernemers te stimuleren; in dit verband het potentieel en het relatief hoge opleidingsniveau van de jongere generatie van de bevolking in herinnering te brengen; aan te sporen tot de bevordering van onderwijsprogramma's op het gebied van ondernemerschap; eraan te herinneren hoe belangrijk EU-programma's als Erasmus+ zijn als het gaat om het bevorderen van de interculturele dialoog tussen de EU en Oezbekistan en het scheppen van mogelijkheden voor de versterking van de positie van studenten die, als aanjagers van maatschappelijke veranderingen, aan deze programma's deelnemen;

k)

door te gaan met de jaarlijkse mensenrechtendialogen die door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) worden georganiseerd, en er in dit verband op aan te dringen dat specifieke kwesties, onder meer met betrekking tot politieke gevangenen, worden opgelost; jaarlijks, voorafgaand aan iedere dialoogronde, concrete gebieden te kiezen en de mate van verwezenlijking van doelstellingen op grond van EU-normen te beoordelen, en in alle andere bijeenkomsten en beleidsmaatregelen mensenrechtenkwesties aan de orde te stellen; de naleving van internationale, door Oezbekistan geratificeerde mensenrechteninstrumenten, met name binnen de VN, de OVSE en de IAO, te bevorderen en te evalueren; blijvende bezorgdheid aan de dag leggen ten aanzien van de heersende problematiek en de gebrekkige doorvoering van bepaalde hervormingen; de autoriteiten aan te sporen om vrijwillige seksuele relaties tussen personen van hetzelfde geslacht niet langer strafbaar te stellen en te streven naar een klimaat van verdraagzaamheid ten aanzien van de LGBTI-gemeenschap; de Oezbeekse autoriteiten te verzoeken de rechten van vrouwen te bevorderen en hoog in het vaandel te houden;

l)

ervoor te zorgen dat het paspoortstelsel wordt herzien; zich ingenomen te tonen met de afschaffing van het systeem van de uitreisvisa die Oezbeekse burgers voorheen nodig hadden om het Gemenebest van Onafhankelijke Staten te mogen verlaten; zich ingenomen te tonen met de aankondiging van Oezbekistan dat burgers van EU-lidstaten met ingang van januari 2019 niet langer een visum nodig hebben om het land binnen te komen;

m)

er bij de autoriteiten op aan te dringen dat het lokale zorgstelsel wordt verbeterd en dat er meer overheidsgelden worden vrijgemaakt om verbeteringen tot stand te brengen, aangezien de situatie aanzienlijk achteruit is gegaan sinds het land onafhankelijk werd verklaard;

n)

de autoriteiten met klem te verzoeken de nodige ondersteuning te bieden aan de Republiek Karakalpakstan, alsook de hulp en steun in te roepen van internationale partners, zodat Oezbekistan, en in het bijzonder de autonome Republiek Karakalpakstan, de economische en maatschappelijke gevolgen van de milieuramp in het Aralmeer verder kan aanpakken, evenals de gevolgen ervan voor de volksgezondheid, door duurzame beleidslijnen en praktijken op het gebied van waterbeheer en -behoud en een geloofwaardig plan voor de geleidelijke sanering van de regio vast te stellen; zich verheugd te tonen over positieve ontwikkelingen ten aanzien van de regionale samenwerking op het gebied van water, en met name van de samenwerking met Tadzjikistan en Kazachstan, alsook over de oprichting van het multipartnertrustfonds van de VN inzake menselijke veiligheid voor de regio rondom het Aralmeer en de inzet die de autoriteiten aan de dag hebben gelegd; de inspanningen om de irrigatie-infrastructuur te verbeteren te blijven steunen;

o)

kennis te nemen van het nieuwe buitenlandse beleid van Oezbekistan, hetgeen geleid heeft tot een betere samenwerking met buurlanden en internationale partners, met name met betrekking tot de bevordering van stabiliteit en veiligheid in de regio, grens- en waterbeheer, grensafbakening en energie; de positieve betrokkenheid van Oezbekistan bij het vredesproces in Afghanistan te steunen;

p)

zich ingenomen te tonen met de aanhoudende inzet van Oezbekistan voor de kernwapenvrije zone in Centraal-Azië; in herinnering te brengen dat de EU heeft beloofd Oezbekistan te helpen bij het omgaan met giftig en radioactief afval; Oezbekistan aan te sporen het Verdrag tot verbod van kernwapens te ondertekenen;

q)

rekening te houden met de belangrijke rol die Oezbekistan zal spelen bij de komende herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië en daarbij het beginsel van differentiatie toe te passen;

r)

de terechte redenen van Oezbekistan tot bezorgdheid omtrent de veiligheid van het land te onderkennen en de samenwerking te intensiveren ter ondersteuning van crisisbeheer, conflictpreventie, geïntegreerd grensbeheer en inspanningen ter bestrijding van gewelddadige radicalisering, terrorisme, georganiseerde misdaad en illegale handel in drugs, en daarbij de rechtsstaat te eerbiedigen, alsook de mensenrechten te beschermen;

s)

zorg te dragen voor doeltreffende samenwerking in de strijd tegen corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking;

t)

de steunverlening aan Oezbekistan uit de externe financieringsinstrumenten van de EU, alsook uit de leningen van de EIB en de EBWO, te koppelen aan de vooruitgang met betrekking tot de hervormingen;

u)

de effectieve tenuitvoerlegging van de belangrijkste internationale verdragen, die nodig is om voor een SAP+-status in aanmerking te komen, te ondersteunen;

v)

Oezbekistan te ondersteunen in zijn inspanningen om toe te treden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), teneinde het land beter in de wereldeconomie te integreren en het ondernemingsklimaat aldaar te verbeteren, om zo meer directe buitenlandse investeringen (DBI's) aan te trekken;

w)

rekening te houden met de ontwikkeling van betrekkingen met andere derde landen in het kader van de “Eén gordel, één route”-strategie (OBOR — One Belt, One Road) van China; erop te hameren dat de aan dit initiatief gerelateerde mensenrechten geëerbiedigd moeten worden, onder meer door de ontwikkeling van richtsnoeren op dit gebied;

Nieuwe brede overeenkomst

x)

gebruik te maken van de onderhandelingen over de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst om een daadwerkelijke, duurzame overgang te ondersteunen naar een democratischer regime waarin de autoriteiten beter ter verantwoording kunnen worden geroepen en de grondrechten van alle burgers worden gewaarborgd en beschermd, en waarbij het zwaartepunt in het bijzonder ligt bij het waarborgen van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten en onafhankelijkheid van de advocatuur; te waarborgen dat Oezbekistan vóór het einde van de onderhandelingen goede vooruitgang boekt bij het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging vreedzame vergadering, in overeenstemming met de internationale normen, onder meer door de belemmeringen weg te nemen die alle nieuwe groeperingen ervan beletten zich in te schrijven en hun werkzaamheden in het land te starten te starten en buitenlandse financiering te ontvangen;

y)

te onderhandelen over een moderne, alomvattende en ambitieuze overeenkomst tussen de EU en Oezbekistan ter vervanging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst van 1999, om contacten van mens tot mens, de politieke samenwerking en de handels- en investeringsbetrekkingen te bevorderen, de samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling, milieubescherming, connectiviteit, mensenrechten en beheer te verbeteren, en daarnaast bij te dragen aan de duurzame economische en maatschappelijke ontwikkeling van Oezbekistan;

z)

nogmaals hun inzet uit te spreken voor de bevordering van democratische normen en beginselen betreffende goed bestuur en de rechtsstaat, alsook voor de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en van activisten die deze vrijheden verdedigen;

aa)

de inspanningen van Oezbekistan om multilaterale en internationale samenwerking tot stand te brengen op het gebied van mondiale en regionale kwesties, zoals internationale veiligheid en de bestrijding van gewelddadig extremisme, georganiseerde misdaad, handel in verdovende middelen, waterbeheer, de verslechtering van het milieu, klimaatverandering en migratie, te ondersteunen;

ab)

te waarborgen dat de regionale samenwerking en de vreedzame oplossing van de bestaande conflicten door de brede overeenkomst worden bevorderd en dat daarmee het pad wordt geëffend voor goede en zuivere nabuurschapsbetrekkingen;

ac)

de bepalingen die verband houden met economische en handelsbetrekkingen te verbeteren door zich enerzijds meer te richten op bepalingen op het gebied van de mensenrechten, zich te verbinden tot naleving van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en te voorzien in mechanismen voor de beoordeling en de aanpak van schadelijke gevolgen voor de mensenrechten en anderzijds de beginselen van de markteconomie onder de aandacht te brengen, waaronder het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van onafhankelijke, transparantie instellingen, sociale dialoog en de toepassing van de arbeidsnormen van de IAO, teneinde zorg te dragen voor duurzame directe buitenlandse investeringen en bij te dragen aan de diversificatie van de economie; de samenwerking op het gebied van de strijd tegen corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking te intensiveren en ervoor te zorgen dat de activa die momenteel in verschillende EU- en EER-lidstaten zijn bevroren ten gunste van de Oezbeekse bevolking, die uiteindelijk het meest onder corruptie te lijden heeft, worden gerepatrieerd;

ad)

bepaalde aspecten van interparlementaire samenwerking binnen een parlementair samenwerkingscomité met meer bevoegdheden op het gebied van democratie, de rechtstaat en de mensenrechten te versterken, waaronder de rechtstreekse verantwoordingsplicht van vertegenwoordigers van de samenwerkingsraad en het parlementair samenwerkingscomité;

ae)

zowel tijdens de onderhandelingen als in de tenuitvoerleggingsfase van de overeenkomst de betrokkenheid van alle betrokken actoren, waaronder het maatschappelijk middenveld, te waarborgen;

af)

voorwaarden vast te stellen voor een eventuele opschorting van de samenwerking indien een essentieel onderdeel van de overeenkomst door een van de partijen wordt geschonden, met name als het gaat om de eerbiediging van de democratie, de mensenrechten en de rechtstaat, en ervoor te zorgen dat het Europees Parlement in dergelijke gevallen wordt geraadpleegd; een onafhankelijk toezicht- en klachtenmechanisme in het leven te roepen dat getroffen bevolkingsgroepen en hun vertegenwoordigers van een doeltreffend instrument voorziet om de schadelijke gevolgen voor de mensenrechten aan te pakken en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging;

ag)

ervoor te zorgen dat het Europees Parlement nauw betrokken is bij de monitoring van de tenuitvoerlegging van alle onderdelen van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, eens die in werking treedt, en dat er in dit verband raadplegingen worden gehouden, zodat het Parlement en het maatschappelijk middenveld adequaat door de EDEO kunnen worden geïnformeerd over de tenuitvoerlegging van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en op passende wijze kunnen reageren;

ah)

ervoor te zorgen dat alle onderhandelingsdocumenten, met inachtneming van de geheimhoudingsregels, worden overgedragen aan het Europees Parlement, zodat het Parlement naar behoren toezicht kan houden op het onderhandelingsproces; te voldoen aan de interinstitutionele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 218, lid 10, VWEU, en het Parlement periodiek te ondervragen;

ai)

pas nadat het Parlement zijn goedkeuring heeft gegeven, voorlopig toepassing te geven aan de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst;

aj)

een algemene bewustmakingscampagne op te zetten waarin de aandacht wordt gevestigd op de verwachte positieve kanten van samenwerking voor Europese en Oezbeekse burgers, onder meer om contacten tussen mensen te bevorderen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsmede aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Oezbekistan.

(1)  PB C 238 van 6.7.2018, blz. 394.

(2)  PB C 238 van 6.7.2018, blz. 51.

(3)  PB C 274 van 27.7.2016, blz. 25.

(4)  PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.

(5)  PB C 58 van 15.2.2018, blz. 119.

(6)  https://eeas.europa.eu/headquarters/headquarters-homepage/54354/joint-communiqué-european-union-–-central-asia-foreign-ministers-meeting-brussels-23-november_en


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/133


P8_TA(2019)0241

Institutionele kaderovereenkomst EU-Zwitserland

Aanbeveling van het Europees Parlement van 26 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de institutionele kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat (2018/2262(INI))

(2021/C 108/13)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het besluit van de Raad van 6 mei 2014 tot machtiging voor het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Zwitserland over een institutioneel kader voor de bilaterale betrekkingen, en de start van de onderhandelingen op 22 mei 2014,

gezien de conclusies van de Raad van 28 februari 2017 over de betrekkingen van de EU met de Zwitserse Bondsstaat,

gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2010 en 20 december 2012 over de betrekkingen van de EU met de EVA-landen,

gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van 1 januari 1994 (1),

gezien de verwerping door de Zwitserse bevolking van het referendum over deelname aan de EER met 50,3 % in december 1992, het initiatief “EU membership negotiations: let the people decide” met 74 % in juni 1997 en het initiatief “Yes to Europe!” met 77 % in maart 2001,

gezien de Overeenkomst tussen de EU en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, getekend op 23 november 2017 (2),

gezien het kader voor samenwerking tussen het Europees Defensieagentschap (EDA) en Zwitserland, getekend op 16 maart 2012,

gezien de overeenkomst tussen Zwitserland en Eurojust over justitiële samenwerking, die is getekend op 27 november 2008 en in werking is getreden op 22 juli 2011,

gezien de overeenkomst tussen Zwitserland en Europol over samenwerking tussen politieautoriteiten bij de voorkoming en bestrijding van zware en georganiseerde internationale criminaliteit en terrorisme, die is getekend op 24 september 2004 en in werking is getreden op 1 maart 2006, en de uitbreiding van het toepassingsgebied daarvan van 1 januari 2008,

gezien de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, meer in het bijzonder bijlage I over het vrije verkeer van personen (3), en bijlage III over de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties,

gezien het protocol van 27 mei 2008 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie (4),

gezien de Overeenkomst van 25 juni 2009 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de vereenvoudiging van de controles en formaliteiten bij het goederenvervoer en inzake douaneveiligheidsmaatregelen (5),

gezien het Zwitserse federale volksinitiatief van 9 februari 2014, waarbij 50,3 % van de Zwitserse bevolking steun verleende aan voorstellen voor het opnieuw invoeren van immigratiequota met de Europese Unie, voor nationale preferentie bij het invullen van vacatures en voor het beperken van het recht van immigranten op sociale voorzieningen,

gezien de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zwitserland van 1972 (6), die in de loop der jaren is aangepast en geactualiseerd,

gezien de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, die in werking is getreden op 1 juni 2002 (7),

gezien de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, die in werking is getreden op 1 juni 2002 (8),

gezien de onderhandelingen over overeenkomsten tussen de EU en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit, en inzake voedselveiligheid, productveiligheid en volksgezondheid,

gezien het Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2047 van de Commissie van 20 december 2018 betreffende de gelijkwaardigheid van het wettelijk en toezichtkader dat van toepassing is op effectenbeurzen in Zwitserland in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (9),

gezien de 37e gezamenlijke parlementaire vergadering tussen de EU en Zwitserland, die op 4 en 5 juli 2018 is gehouden in Brussel,

gezien zijn resoluties over Zwitserland, met name van 9 september 2015 over de EER en Zwitserland: belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt (10), en de ontwerpresolutie van zijn Commissie interne markt en consumentenbescherming over hetzelfde onderwerp van 24 april 2018,

gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over het Jaarverslag over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2017 (11),

gezien artikel 108, lid 4, en artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0147/2019),

A.

overwegende dat de huidige betrekkingen van Zwitserland met de EU zijn gestoeld op een complexe reeks van zo'n twintig sectorale bilaterale overeenkomsten en ongeveer honderd andere overeenkomsten; overwegende dat Zwitserland slechts ten dele deelgenoot is in de vier vrijheden; overwegende dat deze overeenkomsten de samenwerking tussen de EU en Zwitserland in het verleden hebben verdiept op het gebied van de interne markt, interne veiligheid en asiel, vervoer en belastingaangelegenheden, maar dat deze complexe reeks van overeenkomsten in de toekomst verouderd kan raken, waardoor de tenuitvoerlegging ervan minder relevant wordt, tenzij overeenstemming wordt bereikt over een overkoepelend kader;

B.

overwegende dat volgens gegevens van Eurostat Zwitserland in 2017 de op twee na grootste EU-partner was wat betreft de uitvoer van goederen, en de op drie na grootste partner op het gebied van de invoer van goederen;

C.

overwegende dat de Raad heeft gesteld dat een overkoepelende institutionele overeenkomst met Zwitserland gericht moet zijn op het beschermen van de homogeniteit van de interne markt en moet zorgen voor rechtszekerheid voor autoriteiten, burgers en marktdeelnemers;

D.

overwegende dat de Zwitserse Bondsraad een institutionele overeenkomst met de EU wenst te sluiten die in rechtszekerheid op het gebied van markttoegang voorziet en de welvaart, de onafhankelijkheid en het rechtsstelsel van Zwitserland behoudt (12); overwegende dat de Zwitserse Bondsraad een raadpleging van belanghebbenden heeft aangekondigd op basis van de tekst waarover de onderhandelaars op 23 november 2018 overeenstemming hebben bereikt;

E.

overwegende dat een goed werkende en doeltreffende interne markt, op basis van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen, noodzakelijk is om de groei en het concurrentievermogen te stimuleren en banen te scheppen met als doel om de Europese economie nieuw leven in te blazen; overwegende dat de lidstaten en Zwitserland de interne markt slechts ten volle kunnen benutten indien de wetgeving op dit gebied naar behoren wordt omgezet, ten uitvoer wordt gelegd en wordt gehandhaafd;

F.

overwegende dat Zwitserland te kennen heeft gegeven bindende materiële bepalingen inzake staatssteun over te willen laten aan een toekomstige overeenkomst betreffende markttoegang en toegang te willen hebben tot de interne markt voor elektriciteit;

G.

overwegende dat de Bondsraad op 28 september 2018 de tweede Zwitserse bijdrage aan een aantal EU-lidstaten van 1,3 miljard CHF over een periode van tien jaar heeft goedgekeurd, en nu in afwachting is van de goedkeuring door de Bondsvergadering;

H.

overwegende dat Zwitserland lid is van het Europees Milieuagentschap;

I.

overwegende dat Zwitserland zijn deelname aan de Europese programma's voor satellietnavigatie Galileo en EGNOS heeft geratificeerd;

J.

overwegende dat de deelname van Zwitserland aan het Horizon 2020-kaderprogramma van de EU en aan de voorganger daarvan, het zevende kaderprogramma, voor alle betrokken partijen waardevol is geweest vanwege de hoge kwaliteit van de voorstellen;

K.

overwegende dat Zwitserland en de EU op 27 mei 2015 een aanvullend protocol bij de overeenkomst inzake belasting en spaarinkomsten hebben getekend op grond waarvan beide partijen automatisch inlichtingen moeten uitwisselen over de financiële rekeningen van elkaars inwoners vanaf september 2018; overwegende dat de EU Zwitserland heeft opgenomen in Bijlage II bij de conclusies van de Raad van 5 december 2017 betreffende landen die hebben toegezegd de beginselen van goed bestuur in belastingzaken te zullen toepassen om kwesties in verband met transparantie, eerlijke belastingheffing en BEPS-bestrijdingsmaatregelen (tegen grondslaguitholling en winstverschuiving) aan te pakken;

L.

overwegende dat Zwitserland aan geselecteerde delen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) deelneemt en heeft deelgenomen aan civiele en militaire vredeshandhavingsmissies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), met name in Oekraïne en Mali; overwegende dat het op 16 maart 2012 getekende samenwerkingskader tussen de EDA en Zwitserland de mogelijkheid biedt om informatie uit te wisselen en voorziet in gezamenlijke activiteiten op het gebied van onderzoek en technologie en bewapeningsprojecten en -programma's;

M.

overwegende dat Zwitserland deel heeft uitgemaakt van het Schengengebied sinds de toetreding ervan in december 2008;

N.

overwegende dat Zwitserland deelneemt aan het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS), en Eurodac, de EU-databank voor vingerafdrukken in verband met asiel, en zal deelnemen aan het toekomstige inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van burgers die de buitengrenzen van de EU overschrijden en aan het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS), dat is gericht op veiligheidsmaatregelen vóór vertrek en op de screening ten aanzien van irreguliere migratie van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen;

O.

overwegende dat Zwitserland op grond van de Dublin-associatieovereenkomst betrokken is bij onderdelen van het EU-acquis inzake asiel; overwegende dat Zwitserland sinds 2010 financieel en operationeel heeft bijgedragen aan Frontex;

P.

overwegende dat in 2017 de Zwitserse bevolking van 8,48 miljoen inwoners uit 2,13 miljoen buitenlandse onderdanen bestond, van wie 1,4 miljoen afkomstig was uit de lidstaten van de EU en de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA); overwegende dat 320 000 EU-onderdanen ieder dag naar Zwitserland pendelen; overwegende dat 750 000 Zwitserse onderdanen in het buitenland wonen, van wie 450 000 in de EU;

Q.

overwegende dat Zwitserland in 2009 akkoord ging met de voortzetting van de bilaterale overeenkomst uit 1999 tussen de EU en Zwitserland over het vrije verkeer van personen, dat aan zowel Zwitserse als EU-burgers het recht geeft om vrijelijk hun arbeids- en woonplaats te kiezen op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen;

R.

overwegende dat buitenlandse bedrijven zich verplicht aan de Zwitserse minimale arbeidsvoorwaarden moeten houden wanneer zij buitenlandse werknemers in Zwitserland detacheren; overwegende dat de hoofdaannemer de wettelijke verantwoordelijkheid draagt om ervoor te zorgen dat onderaannemers de Zwitsers arbeidsmarktvoorschriften naleven;

S.

overwegende dat Zwitserland in 2002 “begeleidende maatregelen” invoerde met als verklaarde doelstelling de Zwitserse lonen, arbeidsomstandigheden en sociale normen te beschermen; overwegende dat deze maatregelen volgens de EU niet in overeenstemming zijn met de overeenkomst over het vrije verkeer van personen;

T.

overwegende dat de tenuitvoerlegging van de burgerrechtenrichtlijn (2004/38/EG) en de rechten van EU-burgers op sociale zekerheid en hun rechten zich te vestigen in Zwitserland tot zorgen hebben geleid;

U.

overwegende dat Zwitserland sinds 1960 lid van de EVA en sinds 2002 lid van de Verenigde Naties is;

V.

overwegende dat het zogenaamde initiatief tot zelfbeschikking (“Zwitsers recht, geen buitenlandse rechters”) op 25 november 2018 via een referendum met 66 % en door alle kantons werd verworpen;

W.

overwegende dat Zwitserland een politiek neutraal land is en als zodanig het gastland was van een aantal internationale onderhandelingen waarmee werd beoogd vreedzame oplossingen te vinden voor gewapende conflicten overal ter wereld;

X.

overwegende dat de Commissie haar besluit om effectenbeurzen in Zwitserland te erkennen en daarmee ook te onderwerpen aan de verplichting om aandelen te verhandelen zoals vastgelegd in de richtlijn (2004/39/EG) en verordening ((EU) nr. 600/2014) betreffende markten voor financiële instrumenten, eind 2018 met zes maanden heeft verlengd;

Y.

overwegende dat de Interparlementaire Unie (IPU) in Genève is gevestigd;

Z.

overwegende dat in Zwitserland de hoofdkantoren van 25 grote internationale organisaties en conferenties gevestigd zijn, de meeste in Genève;

AA.

overwegende dat in Zwitserland honderden internationale niet-gouvernementele organisaties gevestigd zijn die de VN en andere niet-gouvernementele organisaties advies verstrekken;

AB.

overwegende dat Zwitserland voornemens is om op 20 oktober 2019 federale verkiezingen te houden;

1.

beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

(a)

benadrukt dat Zwitserland en de EU een nauw, breed en alomvattend partnerschap onderhouden, dat beide partijen voordelen biedt en dat gebaseerd is op een gemeenschappelijke culturele geschiedenis en gedeelde waarden, en dat de economische, politieke, sociale, milieu-, wetenschappelijke en interpersoonlijke banden en relaties voorbeeldig zijn, waarin de unieke culturele en geografische nabijheid tussen de twee partijen doorklinkt;

(b)

benadrukt dat Zwitserland in grote mate met de EU is geïntegreerd, een gelijkgestemde partner is en wordt geconfronteerd met dezelfde Europese, regionale en mondiale uitdagingen als de EU; is verheugd over de verklaring van Zwitserland dat het in hun belang is om de bilaterale benadering te vernieuwen en te consolideren en de banden verder aan te halen;

(c)

merkt op dat de EU Zwitserlands belangrijkste handelspartner is, goed voor 52 % van de uitvoer en meer dan 71 % van de invoer van dit land, en dat de handel in goederen in het kader van de huidige bilaterale handelsovereenkomsten maar liefst 1 miljard CHF per dag oplevert (13); merkt op dat Zwitserland de op twee na belangrijkste handelspartner van de EU is, die 7 % van de EU-handel vertegenwoordigt; is van mening dat de aanzienlijke mate van integratie van Zwitserland in de interne markt van de EU een belangrijke factor voor economische groei vormt, waardoor de EU de belangrijkste economische en handelspartner van Zwitserland is;

(d)

benadrukt dat de EU zich in de onderhandelingen over de institutionele kaderovereenkomst (IFA) zeer flexibel heeft getoond en dat dit door alle betrokken partijen moet worden onderkend;

(e)

dringt erop aan de institutionele kaderovereenkomst zo snel mogelijk te sluiten om samenhang aan te brengen in de bestaande complexe reeks bilaterale overeenkomsten met inbegrip van de oprichting van een mechanisme voor geschillenbeslechting; is verheugd dat de onderhandelaars overeenstemming hebben bereikt over de definitieve tekst van de overeenkomst; dringt er bij de Zwitserse Bondsraad op aan een besluit te nemen ten aanzien van het sluiten van de overeenkomst zodra de raadpleging van de belanghebbenden hierover tot een positieve uitkomst heeft geleid;

(f)

brengt in herinnering dat de totstandbrenging van een gemeenschappelijk institutioneel kader voor de bestaande en toekomstige overeenkomsten die Zwitserland in staat stellen deel te nemen aan de interne markt van de EU, dat leidt tot homogeniteit en rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen, een voorwaarde blijft voor de verdere ontwikkeling van een sectorale benadering; benadrukt dat na vier jaar van onderhandelingen de tijd is gekomen om de institutionele kaderovereenkomst te sluiten; is van mening dat door de sluiting van de overeenkomst, het volledige potentieel van het brede partnerschap tussen de EU en Zwitserland kan worden bereikt;

(g)

erkent de behoefte aan een institutionele kaderovereenkomst, aangezien de betrekkingen tussen de EU en Zwitserland gebaseerd zijn op een complex stelsel van 120 sectorspecifieke overeenkomsten en alle partijen baat zouden hebben bij meer samenhang en rechtszekerheid;

(h)

verzoekt de partijen om zo snel mogelijk een interparlementaire vergadering te organiseren met wetgevers uit zowel de EU als Zwitserland om alle kwesties die verband houden met deze overeenkomst te bespreken;

(i)

betreurt dat de Commissie de onderhandelingstekst van de institutionele kaderovereenkomst tussen de EU en Zwitserland, die al in november 2018 was afgewerkt, pas op 6 februari 2019 heeft doen toekomen aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel;

(j)

erkent dat de nauwe betrekkingen tussen de EU en Zwitserland verder reiken dan economische integratie en de uitbreiding van de interne markt, en bijdragen tot stabiliteit en welvaart ten voordele van alle burgers en ondernemingen, inclusief kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); onderstreept dat de goede werking van de interne markt moet worden gegarandeerd met als doel een gelijk speelveld te creëren en banen te scheppen;

(k)

is van mening dat de sluiting van een institutionele kaderovereenkomst met Zwitserland van groot belang is, aangezien deze zou leiden tot rechtszekerheid voor zowel Zwitserland als de EU, dynamische overname van het EU-acquis, een betere toegang tot de interne markt voor Zwitserland ten bate van beide partijen, en de rechtsspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in geval van onopgeloste geschillen in verband met de toepassing of interpretatie van de institutionele kaderovereenkomst;

(l)

is ingenomen met het besluit van de Commissie van 20 december 2018 om effectenbeurzen in Zwitserland te erkennen en daarmee ook te onderwerpen aan de verplichting om aandelen te verhandelen zoals vastgelegd in de richtlijn (14) en verordening (15) betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID II/MiFIR); benadrukt dat deze gelijkwaardigheid op 30 juni 2019 verloopt, maar kan worden verlengd op voorwaarde dat vooruitgang is geboekt met het oog op de sluiting van een overeenkomst voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk institutioneel kader;

(m)

benadrukt, net als de Raad, dat het vrije verkeer van personen een grond- en niet-onderhandelbare pijler van het EU-beleid en de interne markt is, en dat de vier vrijheden van de interne markt ondeelbaar zijn; betreurt de onevenredige eenzijdige “begeleidende maatregelen” van Zwitserland, die sinds 2004 van kracht zijn; verzoekt Zwitserland, die de begeleidende maatregelen belangrijk vindt, een oplossing te zoeken die volledig in overeenstemming met de relevante EU-instrumenten is; roept Zwitserland eveneens op om te overwegen de periode voor de toepassing van de overgangsmaatregelen met betrekking tot werknemers uit Kroatië te verkorten, gezien de voordelen van het vrije verkeer van personen tussen de EU en Zwitserland;

(n)

neemt kennis van de uitvoering van het “domestic preference light”-initiatief, en de conclusie van de Raad dat de daaruit voortvloeiende tekst, die op 16 december 2016 door de Zwitserse Bondsvergadering is aangenomen, kan worden uitgevoerd op een wijze die verenigbaar is met de rechten van EU-burgers uit hoofde van de overeenkomst over het vrije verkeer van personen, indien in de vereiste uitvoeringsbeschikking duidelijkheid wordt verstrekt over openstaande kwesties, zoals het recht op informatie met betrekking tot vacatures en de naleving van de rechten van grensarbeiders; herinnert er evenwel aan dat migratie van burgers uit derde landen niet mag worden verward met het vrije verkeer van personen overeenkomstig de Verdragen; onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de beschikking nauwlettend moet worden gevolgd, teneinde te beoordelen of zij in overeenstemming is met de overeenkomst over het vrije verkeer van personen;

(o)

wijst op het feit dat Zwitserland in grote mate profiteert van de ontwikkelingen op het gebied van democratie en concurrentievermogen in zijn Europese buurlanden en benadrukt dat de financiële bijdragen van Zwitserland aan programma's zoals het Cohesiefonds daarom in zijn eigen belang zijn en moeten worden voortgezet, en is verheugd over de positieve effecten van deze bijdrage in de ontvangende lidstaten; herinnert eraan dat de deelname aan de interne markt Zwitserland aanzienlijke voordelen oplevert; benadrukt dat de toekomstige Zwitserse bijdrage aan EU-cohesie van essentieel belang is en aanzienlijk moet worden vergroot, naar het voorbeeld van de EER/Noorwegen;

(p)

is verheugd over het intense debat dat binnen Zwitserland wordt gevoerd over de samenwerking met de EU; stelt evenwel voor dat Zwitserland zijn burgers nog betere uitleg probeert te geven over de vele concrete voordelen die de toegang tot de interne markt biedt en de noodzaak van nauwere samenwerking met de EU;

(q)

dringt erop aan dat zodra de institutionele kaderovereenkomst is gesloten, deze onverwijld ter goedkeuring aan het Europees Parlement, de lidstaten en het Zwitserse parlement wordt voorgelegd, en, in overeenstemming met de Zwitserse grondwet, in een referendum aan de Zwitserse kiezers wordt voorgelegd;

(r)

merkt op dat 1,4 miljoen EU-burgers in Zwitserland wonen, terwijl meer dan 450 000 Zwitserse onderdanen in de EU leven;

(s)

herinnert eraan dat het Zwitserse parlement in 2016, naar aanleiding van het referendum van 9 februari 2014, een amendement heeft aangenomen op de wet inzake buitenlandse ingezetenen ter uitvoering van artikel 121 bis van de federale grondwet, dat op 1 juli 2018 in werking is getreden; benadrukt dat het van essentieel belang is dat de Bondsraad bijzondere aandacht besteedt aan de uitvoering van artikel 121 bis teneinde het recht van EU-burgers op vrij verkeer niet in het gedrang te brengen;

(t)

betreurt eventuele kantonale of nationale initiatieven die tot de beperking van de toegang van EU-werknemers, met name grensarbeiders, tot de Zwitserse arbeidsmarkt zouden kunnen leiden, hetgeen een ondermijning zou betekenen van de rechten van EU-burgers op grond van de overeenkomst over het vrije verkeer van personen en van de samenwerking tussen de EU en Zwitserland;

(u)

is zeer verheugd over de politieke intentieverklaring om de overeenkomst inzake overheidsopdrachten en de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zwitserland van 1972 te moderniseren, en staat achter de ambitie om een herzien handelspartnerschap tot stand te brengen waarvan gebieden als diensten die niet onder het toepassingsgebied van de IFA vallen en die slecht gedeeltelijk worden gedekt door de overeenkomst inzake vrij verkeer van personen, waaronder digitale diensten, intellectuele-eigendomsrechten, handelsfacilitatie, wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen en openbare aanbestedingen, evenals een hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling deel gaan uitmaken; verzoekt om verdere samenwerking om geografische aanduidingen beter te beschermen en het in het ontwerp van institutionele kaderovereenkomst opgenomen moderne en betrouwbare mechanisme voor geschillenbeslechting tussen staten uit te breiden opdat de toekomstige bilaterale handelsbetrekkingen hieronder komen te vallen en handelsbelemmeringen tussen de partijen op een doeltreffende manier kunnen worden opgelost;

(v)

is zich ervan bewust dat er momenteel geen brede dienstenovereenkomst tussen de EU en Zwitserland van kracht is en dat diensten slechts gedeeltelijk worden gedekt door de overeenkomst inzake vrij verkeer van personen, waaruit blijkt dat er ruimte voor verdere ontwikkeling is;

(w)

neemt kennis van de herziene wet inzake openbare aanbestedingen die in 2017 in het kanton Ticino is aangenomen, die in overeenstemming moet zijn met de overeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie inzake overheidsopdrachten en de relevante sectorale overeenkomst tussen de EU en Zwitserland, die in 2002 in werking is getreden; moedigt aanbestedende diensten ten zeerste aan om leveranciers en dienstverleners uit de EU op niet-discriminerende wijze te behandelen, zelfs in het geval van overheidsopdrachten onder de drempel;

(x)

dringt erop aan dat de huidige praktijk waarbij taxibedrijven uit de EU-lidstaten onbeperkt hun diensten in Zwitserland kunnen aanbieden mag worden voortgezet, aangezien deze praktijk al lang bijdraagt tot de economische ontwikkeling in Zwitserse grensgebieden en beide partijen tot voordeel strekt;

(y)

is van mening dat wederkerigheid en billijke verhoudingen tussen de EER en Zwitserland noodzakelijk zijn, opdat beide partijen profijt kunnen trekken van hun deelname aan de interne markt;

(z)

wijst erop dat de samenwerking in het kader van de overeenkomst tussen de EU en Zwitserland inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling in het algemeen bevredigend is; is verheugd over de laatste herziening van deze overeenkomst in 2017 en hoopt dat de komende herzieningen snel kunnen worden volbracht wanneer de toekomstige institutionele kaderovereenkomst haar volledige potentieel zal hebben bereikt;

(aa)

is verheugd over de nieuwe belastingwetgeving die preferentiële fiscale regelingen aan banden zal leggen en praktijken dichter bij de internationale normen zal brengen, en hoopt op een positieve uitkomst van het komende referendum in Zwitserland; benadrukt de noodzaak om samenwerking te blijven verbeteren om belastingontwijking tegen te gaan en fiscale rechtvaardigheid te verhogen;

ab)

verzoekt Zwitserland om zijn werkzaamheden voor de strategie voor een digitaal (Zwitserland voort te zetten, om tot harmonisatie te komen met de digitale eengemaakte markt van de EU;

(ac)

erkent de bijdrage van het nauwe partnerschap tussen de EU en Zwitserland aan de bilaterale sectorale overeenkomsten inzake het vrij verkeer van personen, pensioenen, milieu, statistieken, justitiële en politiële samenwerking, het Schengengebied, asiel (Dublin), het GBVB/GVDB, satellietnavigatie, onderzoek, de burgerluchtvaart, wegvervoer, wederzijdse markttoegang voor overeengekomen goederen en diensten, verwerkte landbouwproducten, harmonisatie van wetgeving, wederzijdse erkenning, de bestrijding van fraude, en belastingheffing; wijst er echter op dat het hoog tijd is het partnerschap te versterken en een meer omvattende en substantiële stap te nemen wat betreft bilaterale betrekkingen door de kaderovereenkomst zo snel mogelijk te sluiten;

(ad)

is ingenomen met het feit dat de bevordering van vrede, bemiddeling en de vreedzame oplossing van conflicten zeer lang een belangrijk onderdeel van het Zwitserse buitenlands beleid zijn geweest; is verheugd over de belangrijke rol van Zwitserland bij vredesopbouw en zijn betrokkenheid bij het vinden van oplossingen voor crises, de bevordering van dialoog, de ontwikkeling van vertrouwenwekkende maatregelen en verzoening; is ingenomen met de rol van Zwitserland als bemiddelaar bij de tenuitvoerlegging van complexe federale structuren, vredesonderhandelingen en constitutionele regelingen teneinde het vreedzaam samenleven van verschillende etnische groepen te vergemakkelijken;

(ae)

is verheugd over de deelname en steun van Zwitserland aan en veiligheids- en defensiemissies van de EU, zoals EUFOR Althea, EULEX Kosovo, EUTM Mali en EUBAM Libië, en aan het werk van het Europees Defensieagentschap; is ingenomen met de nauwe samenwerking met Zwitserland op het gebied van humanitaire hulp, civiele bescherming, terrorismebestrijding en klimaatverandering;

(af)

erkent de Zwitserse bijdrage en samenwerking op het vlak van massamigratie naar het Schengengebied en de uitvoering van de Europese agenda inzake migratie; moedigt Zwitserland aan partij te worden bij het mondiaal pact inzake migratie en verwacht dat dit zal gebeuren na het debat in het Zwitserse parlement;

(ag)

dringt er bij Zwitserland op aan de relevante EU-richtlijnen toe te passen om zijn huidige niveau van sociale bescherming en lonen te behouden wat de grensoverschrijdende verlening van diensten betreft;

(ah)

benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de institutionele kaderovereenkomst tussen de EU en Zwitserland een clausule in verband met goed fiscaal bestuur omvat, waarin specifieke regels zijn opgenomen voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, evenals transparantievereisten betreffende de automatische uitwisseling van gegevens over belastingheffing en uiteindelijke begunstigden, en bepalingen inzake de bestrijding van witwaspraktijken;

(ai)

is verheugd over het besluit van Zwitserland om in april 2018 toe te treden tot de Taskforce voor gezamenlijke actie op het gebied van cybercriminaliteit (J-CAT) van Europol, hetgeen een proactieve stap vormt bij de bestrijding van internationale cybercriminaliteitsdreigingen;

(aj)

is verheugd over de deelname van Zwitserland aan het volledige Horizon 2020-programma, en hoopt op verdere samenwerking bij toekomstige onderzoeksprogramma's;

(ak)

dringt er bij Zwitserland op aan onderhandelingen te beginnen over zijn deelname aan de Erasmus-programma's;

(al)

is ingenomen met de vooruitgang bij de aanleg van de spoorwegverbinding door de Alpen, ook wel de “New Railway Link through the Alps” (NRLA/ NEAT) genoemd, een door Zwitserland gefinancierde investering die ook voordelig voor de EU is;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de Bondsvergadering en de Bondsraad van de Zwitserse Bondsstaat.

(1)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(2)  PB L 322 van 7.12.2017, blz. 3.

(3)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6.

(4)  PB L 124 van 20.5.2009, blz. 53.

(5)  PB L 199 van 31.7.2009, blz. 24.

(6)  PB L 300 van 31.12.1972, blz. 189.

(7)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 73.

(8)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 91.

(9)  PB L 327 van 21.12.2018, blz. 77.

(10)  PB C 316 van 22.9.2017, blz. 192.

(11)  PB C 252 van 18.7.2018, blz. 164.

(12)  https://www.eda.admin.ch/dam/dea/en/documents/fs/11-FS-Institutionelle-Fragen_en.pdf

(13)  https://www.eda.admin.ch/dam/dea/en/documents/abkommen/InstA-Wichtigste-in-Kuerze_en.pdf

(14)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(15)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84.


Donderdag 28 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/141


P8_TA(2019)0330

Besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit

Aanbeveling van het Europees Parlement van 28 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (2018/2237(INI))

(2021/C 108/14)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's), en met name SDG's 1, 16 en 17, die gericht zijn op de bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling (1),

gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000,

gezien Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (2),

gezien het Besluit (GBVB) 2015/528 van de Raad van 27 maart 2015 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena) en tot intrekking van Besluit 2011/871/GBVB (3),

gezien Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (4),

gezien Verordening (EU) 2017/2306 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (5),

gezien de interinstitutionele verklaring betreffende financieringsbronnen voor bijstandsmaatregelen uit hoofde van artikel 3 bis van Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, die als bijlage bij Verordening (EU) 2017/2306 (6) is gevoegd,

gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (7),

gezien het Gemeenschappelijke Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (8), en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (9),

gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (10),

gezien het voorstel van 13 juni 2018 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (HR(2018) 94),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017, 14 december 2017 en 28 juni 2018,

gezien het document “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa — Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid”, dat op 28 juni 2016 werd gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017, 25 juni 2018 en 19 november 2018 over veiligheid en defensie in het kader van de integrale EU-strategie,

gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld “Discussienota over de toekomst van de Europese defensie” (COM(2017)0315),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de EDEO van 5 juli 2016 getiteld “Elementen voor een EU-breed strategisch kader voor steun aan de hervorming van de veiligheidssector”,

gezien speciaal verslag nr. 20 van 18 september 2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld “De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur: het accent van de EU-steun moet worden verlegd”,

gezien zijn resolutie van 21 mei 2015 over de financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (11),

gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie (12),

gezien zijn resoluties van 13 december 2017 (13) en 12 december 2018 (14) over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB),

gezien artikel 113 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0157/2019),

A.

overwegende dat de EU de ambitie heeft om wereldwijd de vrede te bevorderen, en streeft naar de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

B.

overwegende dat de Unie, in een strategische omgeving die de afgelopen jaren aanzienlijk is verslechterd, een toenemende verantwoordelijkheid draagt om haar eigen veiligheid te waarborgen;

C.

overwegende dat de gecompliceerde veiligheidsproblematiek waar de EU mee te maken heeft, vereist dat de EU beschikt over strategische autonomie, hetgeen in juni 2016 door de 28 staatshoofden en regeringsleiders is erkend in de integrale EU-strategie, en dat hiertoe instrumenten moeten worden ingesteld waarmee de EU beter in staat is om de vrede te bewaren, conflicten te voorkomen, vreedzame, rechtvaardige en inclusieve samenlevingen te bevorderen, en de internationale veiligheid te versterken; overwegende dat wordt erkend dat veilige en vreedzame samenlevingen een voorwaarde vormen voor duurzame ontwikkeling;

D.

overwegende dat de Europese Vredesfaciliteit (hierna “EV” of “de faciliteit” genoemd) niet is bedoeld om het externe optreden van de Europese Unie te militariseren, maar om meer synergieën en efficiëntie te bewerkstelligen door te voorzien in een pakketsgewijze aanpak voor de operationele financiering van het externe optreden dat reeds bestaat en niet kan worden gefinancierd uit de Uniebegroting;

E.

overwegende dat de EU en haar instellingen uit hoofde van het Verdrag verplicht zijn een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) ten uitvoer te leggen, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42, daarbij de Europese identiteit en onafhankelijkheid versterkend, teneinde vrede, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld te bevorderen; overwegende dat de voorgestelde faciliteit gezien moet worden als een positieve stap in deze richting, en de VV/HV aangespoord moet worden om door te gaan met de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging ervan;

F.

overwegende dat de EU 's werelds grootste verstrekker van humanitaire en ontwikkelingshulp is, en dat zij ernaar streeft de koppeling tussen veiligheid en ontwikkeling te versterken, om duurzame vrede te bewerkstelligen;

G.

overwegende dat Uniefinanciering en -instrumenten moeten worden gebruikt om beter samen te werken, vaardigheden te ontwikkelen en in de toekomst missies in te zetten, alsook om de vrede te bewaren, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid aan te pakken; benadrukt dat de EV, met name, de militaire missies van de EU moet financieren, de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties moet versterken, en moet bijdragen tot de financiering van door een regionale of internationale organisatie of derde staten geleide vredesondersteunende operaties;

H.

overwegende dat het financieren van operaties op militair of defensiegebied voor de EU in het verleden problematisch is geweest; overwegende dat het Parlement meermaals heeft aangedrongen op financiering die flexibeler en doeltreffender is en uiting geeft aan solidariteit en vastberadenheid; overwegende dat aanvullende instrumenten en middelen noodzakelijk zijn, wil de EU haar rol als belangrijke speler op het gebied van veiligheid op het wereldtoneel kunnen vervullen; overwegende dat deze instrumenten onder adequate parlementaire controle moeten staan en moeten worden vastgelegd in EU-wetgeving;

I.

overwegende dat de deelname van vrouwen aan vredesprocessen nog steeds een van de onderdelen van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid is waarbij de minste vooruitgang is geboekt, ondanks het feit dat vrouwen de voornaamste slachtoffers zijn van humanitaire en veiligheidscrises en dat wanneer vrouwen een uitgesproken rol spelen in een vredesproces er 35 % meer kans is op een overeenkomst die minstens 15 jaar standhoudt;

J.

overwegende dat interne en externe veiligheid steeds meer met elkaar verweven raken; overwegende dat de EU aanzienlijke stappen heeft gezet om de samenwerking tussen haar lidstaten op het gebied van defensie te versterken; overwegende dat de EU altijd heeft gepleit voor de inzet van “zachte macht” en dit zal blijven doen; overwegende dat een veranderende en verontrustende realiteit echter vereist dat de EU niet enkel een “civiele macht” blijft, maar ook haar militaire capaciteiten ontwikkelt en versterkt, die moeten worden ingezet op een manier die consistent en in samenhang is met alle andere externe activiteiten van de EU; overwegende dat derde landen zich niet kunnen ontwikkelen als er geen vrede en veiligheid heerst; overwegende dat het leger hierbij een belangrijke rol speelt, vooral in landen waar de civiele autoriteiten vanwege de veiligheidssituatie niet in staat zijn om hun taken uit te voeren; overwegende dat de faciliteit er zeker voor zal kunnen zorgen dat de EU meer betrokken zal zijn bij partnerlanden en het externe optreden van de EU doeltreffender zal maken, zodat de EU in de toekomst een relevante speler wordt wat betreft het bieden van stabiliteit en veiligheid;

K.

overwegende dat het externe optreden van de EU niet aangewend mag worden voor “migratiebeheer” en dat alle inspanningen om samen te werken met derde staten hand in hand moeten gaan met het verbeteren van de mensenrechtensituatie in deze landen;

L.

overwegende dat non-proliferatie en ontwapening aanzienlijk zullen bijdragen tot de vermindering van conflicten en tot meer stabiliteit, overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en de daaraan gerelateerde resolutie van het Europees Parlement over nucleaire veiligheid en non-proliferatie (15); overwegende dat een wereld zonder massavernietigingswapens een veiligere wereld zal zijn; overwegende dat de EU een leidende rol vervult bij het uitbannen van kernwapens en haar rol op dit gebied moet vergroten;

M.

overwegende dat de Verdragen niet voorzien in enig extern militair optreden van de Unie buiten het kader van het GVDB om; overwegende dat een werkelijk GBVB voor alle EU-lidstaten de mogelijkheden van de EU om op het gebied van buitenlands beleid op te treden, vergroot; overwegende dat extern militair optreden in het kader van het GVDB enkel de vorm aan kan nemen van missies voor vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid buiten de Unie overeenkomstig de beginselen van het VN-Handvest, als bedoeld in artikel 42, lid 1, van het VEU;

N.

overwegende dat steun aan militaire vredesondersteunende operaties van partners tot nu toe extrabudgettair werd gefinancierd via de Vredesfaciliteit voor Afrika, die is opgericht in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en er ook door wordt gefinancierd; overwegende dat steun via de Vredesfaciliteit voor Afrika momenteel beperkt is tot operaties onder leiding van de Afrikaanse Unie (AU) of Afrikaanse regionale organisaties;

O.

overwegende dat verwacht wordt dat de nieuwe Europese vredesfaciliteit de Unie in staat zal stellen op mondiaal niveau rechtstreeks bij te dragen aan internationale organisaties en aan de financiering van door derde staten geleide vredesondersteunende operaties, ook buiten Afrika en de AU;

P.

overwegende dat de voorgestelde faciliteit het Athenamechanisme en de Vredesfaciliteit voor Afrika zal vervangen; overwegende dat de faciliteit een aanvulling zal zijn op het initiatief voor capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling door EU-activiteiten op defensiegebied zoals AU-vredesmissies, de gemeenschappelijke kosten van haar eigen militaire GVDB-operaties en de militaire capaciteitsopbouw van partners te financieren, die overeenkomstig artikel 41, lid 2, van het VEU niet kunnen worden gefinancierd uit de EU-begroting;

Q.

overwegende dat bij in het kader van de faciliteit uitgevoerde operaties de beginselen en waarden die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten moeten worden nageleefd, en het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten in acht moeten worden genomen; overwegende dat operaties die vanuit het oogpunt van menselijke veiligheid, gezondheid en veiligheid, vrijheid, privacy, integriteit en waardigheid ethisch niet aanvaardbaar zijn, aan een grondige beoordeling moeten worden onderworpen en moeten worden heroverwogen;

R.

overwegende dat het huidige aandeel gemeenschappelijke kosten zeer laag blijft (naar schatting ongeveer 5-10 % van alle kosten) en dat het hoge aandeel van door de lidstaten gedragen kosten en verantwoordelijkheden bij militaire operaties op basis van het principe “de kosten worden gedragen waar ze worden gemaakt” indruist tegen de beginselen van solidariteit en lastenverdeling, waardoor de lidstaten minder geneigd zijn actief deel te nemen aan GVDB-operaties;

S.

overwegende dat de voorgestelde gemiddelde jaarlijkse toewijzing voor de EV 1 500 000 000 EUR bedraagt, terwijl de totale uitgaven in het kader van het Athenamechanisme en de Vredesfaciliteit voor Afrika schommelden tussen de 250 000 000 en 500 000 000 EUR per jaar; overwegende dat in het voorstel niet voldoende wordt verduidelijkt of gewaarborgd waar de bijkomende 1 000 000 000 EUR per jaar eventueel aan zal worden besteed;

T.

overwegende dat wordt verwacht dat de EV, als extrabudgettair mechanisme dat wordt gefinancierd door jaarlijkse bijdragen van de lidstaten volgens een verdeelsleutel op basis van het bni, de EU in staat zal stellen om een groter deel van de gemeenschappelijke kosten (35-45 %) van militaire missies en operaties te financieren, zoals momenteel het geval is met het Athenamechanisme; overwegende dat daarnaast wordt verwacht dat de EV ervoor zal zorgen dat er permanent EU-middelen beschikbaar zijn, waardoor passende programma's voor crisisparaatheid gewaarborgd worden en middelen gemakkelijker snel kunnen worden ingezet, en er meer flexibiliteit komt wanneer er snel moet worden gereageerd; overwegende dat het Parlement al lange tijd heeft aangedrongen op een ambitieuze opname en uitbreiding van het Athenamechanisme voor de gemeenschappelijke financiering van GVDB-missies en operaties; overwegende dat het voorstel voor een besluit van de Raad echter niet hetzelfde bindende karakter heeft als de interne overeenkomst over de Vredesfaciliteit voor Afrika, wat betekent dat lidstaten kunnen besluiten het EV-optreden niet te financieren;

U.

overwegende dat door de verhoging van de gemeenschappelijke kosten, de voorgestelde faciliteit zal zorgen voor meer solidariteit en een betere verdeling van de lasten tussen de lidstaten, en bijdrages van lidstaten aan GVDB-operaties, vooral van lidstaten met een gebrek aan financiële of operationele middelen, zal bevorderen;

V.

overwegende dat de Raad zich in zijn conclusies van 19 november 2018 terughoudend opstelde ten opzichte van het voorstel voor een EV; overwegende dat het desalniettemin belangrijk is om te streven naar de vaststelling van een ambitieus voorstel waarin alle voorgestelde componenten besloten liggen, waaronder het Athenamechanisme;

W.

overwegende dat alle militaire taken in het kader van de faciliteit, zoals gezamenlijke ontwapeningsoperaties, humanitaire en reddingstaken, militaire advies- en bijstandstaken, conflictpreventie- en vredeshandhavingstaken, taken van strijdkrachten in crisisbeheersing, waaronder vredestichting en stabilisering na conflicten, en terrorismebestrijding, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden zoals vermeld in artikel 43, lid 1, van het VEU, waarbij de mensenrechten volledig in acht worden genomen, tot de onder het GVDB vallende taken behoren; overwegende dat de in artikel 41, lid 2, van het VEU opgenomen uitzondering enkel van toepassing is op de beleidsuitgaven die voortvloeien uit deze militaire missies; overwegende dat alle andere beleidsuitgaven die voortvloeien uit het GVDB, waaronder uitgaven die voortvloeien uit enig ander in artikel 42 van het VEU bedoeld optreden, moeten worden bekostigd uit de Uniebegroting; overwegende dat de administratieve uitgaven van de EV ten laste moeten komen van de begroting van de Unie;

X.

overwegende dat in het kader van artikel 41, lid 2, van het VEU alle beleidsuitgaven die voortvloeien uit het GBVB ten laste moeten komen van de Uniebegroting, behalve uitgaven die voortvloeien uit operaties met gevolgen op militair of defensiegebied; overwegende dat in artikel 2, onder a) en d), van het voorstel voor een besluit is bepaald dat de EV moet bijdragen in respectievelijk de financiering van operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, en ander operationeel optreden van de Unie dat gevolgen heeft op militair of defensiegebied;

Y.

overwegende dat de Unie uit hoofde van artikel 21, lid 2, onder d), van het VEU, een gemeenschappelijk beleid en optreden moet bepalen en voeren en zich moet beijveren voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen om de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied te ondersteunen, met uitbanning van de armoede als voornaamste doel;

Z.

overwegende dat in artikel 208, lid 1, tweede alinea, van het VWEU is bepaald dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie tot hoofddoel heeft de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen; overwegende dat in dezelfde alinea is bepaald dat de Unie bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, rekening houdt met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking; overwegende dat deze tweede zin een Verdragsbepaling vormt, en dus voor de EU een grondwettelijk plicht, die wordt aangeduid met de term “beleidscoherentie voor ontwikkeling” (PCD);

AA.

overwegende dat militaire en civiele missies buiten de Unie van elkaar gescheiden moeten blijven om ervoor te zorgen dat civiele missies enkel uit de Uniebegroting worden gefinancierd;

AB.

overwegende dat de EU de personeelsleden van GVDB-missies een status moet verlenen die vergelijkbaar is met die van gedetacheerde nationaal deskundigen door hun in het kader van de personeelsstatuten van de Unie een uniforme status en de best mogelijke bescherming te bieden; overwegende dat alle vergoedingen die voortvloeien uit die status en alle reis- en verblijfkosten en uitgaven voor gezondheidszorg als administratieve uitgaven ten laste moeten komen van de EU-begroting;

AC.

overwegende dat de Europese Rekenkamer (ERK) een speciaal verslag heeft gepubliceerd over de door de Vredesfaciliteit voor Afrika ondersteunde Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur, die volgens het voorstel in de EV zal worden opgenomen en worden uitgebreid; overwegende dat de ERK van mening is dat er bij deze steun te weinig prioriteiten werden gesteld en dat deze steun slechts een beperkt effect heeft gehad; overwegende dat er gezien de ambitieuze verhoging van de middelen voor de nieuwe faciliteit naar behoren rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van de ERK;

AD.

overwegende dat het voorstel niet vergezeld ging van een evaluatie van de financiële gevolgen met betrekking tot de administratieve uitgaven; overwegende dat de administratieve uitgaven voor de EV wezenlijke gevolgen hebben voor de EU-begroting; overwegende dat er naast het personeel dat momenteel werkt voor de te vervangen instrumenten geen extra personeel moet worden aangenomen of gedetacheerd bij de EV; overwegende dat de uit het samenbrengen van de huidige afzonderlijke instrumenten in één administratieve structuur voortvloeiende synergieën het beheer van de grotere geografische omvang van de EV moeten bevorderen; overwegende dat extra personeel enkel moet worden aangenomen als en wanneer de bijdragen van alle deelnemende lidstaten voor een missie of maatregel daadwerkelijk zijn verzameld; overwegende dat de korte termijn van de inkomsten vraagt om overeenkomstig korte termijnen bij de contracten van personeel dat door de faciliteit wordt aangenomen of bij de faciliteit wordt gedetacheerd voor een specifieke missie of maatregel; overwegende dat er bij de faciliteit geen personeel moet worden aangenomen of gedetacheerd uit lidstaten die met betrekking tot een specifieke missie of maatregel in het kader van artikel 31, lid 1, van het VEU een formele verklaring hebben afgelegd;

AE.

overwegende dat de VV/HV het Parlement regelmatig moet raadplegen over de belangrijkste aspecten en keuzes op het gebied van het GBVB en het GVDB en over het verdere verloop daarvan; overwegende dat het Parlement tijdig geraadpleegd en geïnformeerd moet worden zodat het zijn mening kan geven en vragen kan stellen, ook inzake PCD, aan de VV/HV en de Raad voordat besluiten worden genomen of beslissende acties worden ondernomen; overwegende dat het de taak van de VV/HV is om rekening te houden met de mening van het Parlement, ook inzake PCD, en deze te integreren in zijn of haar voorstellen, om beslissingen of delen van beslissingen waar het Parlement tegen is te heroverwegen, of dergelijke voorstellen in te trekken, niettegenstaande de mogelijkheid dat in een dergelijk geval een lidstaat het betreffende initiatief kan overnemen, en om met betrekking tot het GVDB besluiten van de Raad voor te stellen wanneer de VV/HV hiertoe wordt uitgenodigd door het Parlement; overwegende dat het Parlement een jaarlijks debat moet houden met de VV/HV over de door de faciliteit gefinancierde operaties;

1.

beveelt de Raad aan:

a)

de bijdrage aan de faciliteit van lidstaten die artikel 31, lid 1, van het VEU inroepen niet te verlagen, aangezien dit de verdeelsleutel op basis van het bni waarop het financieringsmechanisme en de algehele financiering van de faciliteit is gebaseerd, zou ondermijnen;

b)

in zijn besluit te verwijzen naar de rol van het Parlement als kwijtingsautoriteit, zoals momenteel het geval is voor het EOF en dus ook voor de Vredesfaciliteit voor Afrika, overeenkomstig de relevante bepalingen van de voor het EOF geldende financiële verordeningen, met het oog op behoud van consistentie van het externe optreden van de EU in het kader van het EOF en andere relevante beleidsdomeinen van de Unie in lijn met artikel 18 van het VEU en artikel 21, lid 2, onder d), van het VEU, juncto artikel 208 van het VWEU;

c)

werk te maken van de instelling, binnen het Europees Parlement, van een mechanisme dat volgens strikt geregelde procedures tijdig toegang geeft tot informatie, inclusief originele documenten, met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de EV, gewijzigde begrotingen, overdrachten, actieprogramma's (ook tijdens de voorbereidende fase), tenuitvoerlegging van ondersteuningsmaatregelen (waaronder ad-hocmaatregelen), overeenkomsten met uitvoerende actoren, verslagen over de uitvoering van ontvangsten en uitgaven, de jaarrekening, de financiële staat, het evaluatieverslag en het jaarverslag van de ERK;

d)

ermee in te stemmen om toegang tot alle vertrouwelijke documenten op te nemen in de onderhandelingen over het herziene Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over de toegang van het Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid;

e)

te waarborgen dat door de faciliteit gefinancierde operaties, actieprogramma's, ad-hocbijstandsmaatregelen en ander operationeel optreden op geen enkele manier de in artikel 21 van het VEU vastgelegde grondbeginselen schenden of gebruikt worden om deze te schenden, of gebruikt worden om het internationale recht te schenden, met name het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

f)

de herziening van het Athenamechanisme zo mogelijk voor het einde van dit jaar af te ronden, en het mechanisme naadloos in te lijven in de EV zonder de operationele doeltreffendheid en flexibiliteit van het mechanisme te verliezen;

g)

ervoor te zorgen dat de door het samenbrengen van afzonderlijke instrumenten tot een enkel instrument verkregen verhoogde efficiëntie en verbeterde doeltreffendheid niet verloren gaan wanneer aan het voorstel de nodige aanpassingen worden gedaan;

h)

onderstaande amendementen op te nemen in de tekst:

in overweging 4 en artikel 1 wordt “gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid” vervangen door “gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid”;

een nieuwe overweging (10 bis) wordt toegevoegd: “(10 bis) De in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken op het vlak van advies en bijstand op militair gebied kunnen de vorm aannemen van versterking van de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties om vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid aan te pakken, waarbij het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten, de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik strikt worden nageleefd.”;

een nieuwe overweging (10 ter) wordt toegevoegd: “(10 ter) De in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken inzake conflictpreventie en vredeshandhaving kunnen de vorm aannemen van bijdragen in de financiering van vredesondersteunende operaties onder leiding van een regionale of internationale organisatie of van derde staten.”;

een nieuwe overweging (10 quater) wordt toegevoegd: “(10 quater) Bij operaties die worden ondersteund met EU-financiering dient VN-resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid in acht te worden genomen.”;

in artikel 2 wordt punt a) als volgt gewijzigd: “a) bij te dragen in de financiering van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) die gevolgen hebben op militair of defensiegebied;”;

in artikel 2 wordt punt b) als volgt gewijzigd: “b) de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties te versterken om vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid en cyberbeveiliging aan te pakken;”;

aan artikel 3, lid 2, wordt een nieuw punt toegevoegd: “2 bis. In bijlage I bis (nieuw) staat ter informatie vermeld hoe de administratieve uitgaven voor deze faciliteit die ten laste komen van de EU-begroting per jaar worden uitgesplitst.”;

in artikel 5 wordt punt c) als volgt gewijzigd: “c) “operatie”: een militaire operatie waartoe is besloten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid op grond van artikel 42 van het VEU voor het uitvoeren van de in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, met inbegrip van een taak die op grond van artikel 44 van het VEU aan een groep lidstaten is toevertrouwd;”;

aan het einde van artikel 6 wordt een nieuwe alinea toegevoegd: “Alle civiele aspecten, middelen of missies in het kader van het GBVB en met name het GVDB, of delen daarvan, worden uitsluitend uit de EU-begroting gefinancierd.”;

artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: “Een lidstaat, de hoge vertegenwoordiger of de hoge vertegenwoordiger met steun van de Commissie kan voorstellen voor op grond van titel V van het VEU door de faciliteit te financieren optreden van de Unie indienen. De hoge vertegenwoordiger stelt het Europees Parlement tijdig in kennis van deze voorstellen.”;

in artikel 10 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: “1. Overeenkomstig artikel 21, lid 3, en artikel 26, lid 2, van het VEU, wordt de samenhang tussen het in het kader van de faciliteit te financieren optreden van de Unie en ander optreden van de Unie in het kader van andere relevante beleidsdomeinen gewaarborgd. Het in het kader van de faciliteit te financieren optreden van de Unie vertoont tevens samenhang met de doelstellingen van die andere beleidsdomeinen van de Unie met betrekking tot derde landen en internationale organisaties.”;

aan artikel 10, lid 3, wordt een nieuw punt toegevoegd: “3 bis. De hoge vertegenwoordiger brengt twee keer per jaar verslag uit aan het Europees Parlement over de in lid 1 bedoelde samenhang.”;

aan artikel 11, lid 2, wordt een nieuw punt toegevoegd: “2 bis. De faciliteit beschikt over een verbindingsofficier voor het Europees Parlement. Bovendien houdt de adjunct-secretaris-generaal GVDB en crisisrespons een jaarlijkse gedachtewisseling met het betrokken parlementaire orgaan om regelmatig verslag uit te brengen.”;

in artikel 12 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: “1. Er wordt een comité voor de faciliteit (hierna “het comité”) opgericht waarin elke deelnemende lidstaat één vertegenwoordiger heeft. Vertegenwoordigers van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en van de Commissie worden uitgenodigd om de vergaderingen van het comité bij te wonen, zonder dat zij deelnemen aan de stemmingen. Vertegenwoordigers van het Europees Defensieagentschap (EDA) kunnen worden uitgenodigd om vergaderingen van het comité bij te wonen waarin onderwerpen worden besproken die verband houden met het werkterrein van het EDA, zonder dat zij deelnemen aan of aanwezig zijn bij de stemmingen. Vertegenwoordigers van het Europees Parlement kunnen worden uitgenodigd om vergaderingen van het comité bij te wonen, zonder dat zij deelnemen aan of aanwezig zijn bij de stemmingen.”;

in artikel 13 wordt lid 8 als volgt gewijzigd: “8. De beheerder waarborgt de continuïteit van zijn functies door middel van de bestuurlijke structuur van de in artikel 9 bedoelde bevoegde militaire structuren van de EDEO.”;

aan artikel 13, lid 8, wordt een nieuw punt toegevoegd: “8 bis. De beheerder brengt verslag uit aan het Europees Parlement.”;

aan artikel 16, lid 8, wordt een nieuw punt toegevoegd: “8 bis. De operationeel commandanten brengen verslag uit aan het Europees Parlement.”;

in artikel 34 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: “1. De beheerder stelt aan het comité de benoeming van een intern controleur van de faciliteit voor, en van ten minste één plaatsvervangend intern controleur, voor een periode van vier jaar, die tot maximaal acht jaar kan worden verlengd. De intern controleurs moeten de nodige beroepskwalificaties hebben en voldoende waarborgen bieden inzake veiligheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De intern controleur mag noch de ordonnateur noch de rekenplichtige zijn; hij mag niet deelnemen aan de voorbereiding van de financiële staten.”;

in artikel 47 wordt lid 4 als volgt gewijzigd: “4. De eindbestemming van gemeenschappelijk gefinancierde uitrusting en infrastructuur wordt door het comité goedgekeurd, met inachtneming van de operationele behoeften, de mensenrechten, de beoordeling van het veiligheids- en omleidingsrisico met betrekking tot geautoriseerd eindgebruik en eindgebruikers, en financiële criteria. Wat de eindbestemming betreft:

i)

kan infrastructuur via de faciliteit worden verkocht of overgedragen aan het gastland, een lidstaat of een derde;

ii)

kan uitrusting via de faciliteit worden verkocht aan een lidstaat, het gastland of een derde, dan wel door de faciliteit, een lidstaat of deze derde opgeslagen en onderhouden worden voor een volgende operatie.”;

in artikel 47 wordt lid 6 als volgt gewijzigd: “6. De verkoop of de overdracht aan het gastland of aan een derde geschiedt overeenkomstig het internationale recht, met inbegrip van de relevante mensenrechtenbepalingen en de “berokken geen schade”-beginselen, en overeenkomstig de geldende veiligheidsvoorschriften ter zake en de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.”;

in artikel 48 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: “1. De hoge vertegenwoordiger kan de Raad een concept voor een eventueel actieprogramma of ad-hocbijstandsmaatregel voorleggen. De hoge vertegenwoordiger stelt het Europees Parlement in kennis van deze concepten.”;

in artikel 49 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: “1. Actieprogramma's worden goedgekeurd door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de goedgekeurde actieprogramma's zodra deze zijn aangenomen door de Raad.”;

in artikel 50 wordt lid 3 als volgt gewijzigd: “3. Voor verzoeken die buiten bestaande actieprogramma's vallen, kan de Raad op voorstel van de hoge vertegenwoordiger een ad-hocbijstandsmaatregel goedkeuren. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de goedgekeurde ad-hocbijstandsmaatregelen zodra deze zijn aangenomen door de Raad.”;

aan artikel 52, lid 2, wordt na punt e) een nieuw punt toegevoegd: “e bis) een gedetailleerde lijst van door de faciliteit gefinancierde uitrusting.”;

in artikel 53, lid 1, wordt punt b) als volgt gewijzigd: “b) daadwerkelijk aan de troepenmacht van de betrokken derde staat worden geleverd, op voorwaarde dat is vastgesteld dat de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik in acht zijn genomen;”;

in artikel 53, lid 1, wordt punt d) als volgt gewijzigd: “d) worden gebruikt in overeenstemming met het beleid van de Unie, met inachtneming van het internationaal recht, met name inzake de mensenrechten, en eindgebruikerscertificaten, met name clausules inzake heroverdrachten;”;

in artikel 53, lid 1, wordt punt e) als volgt gewijzigd: “e) worden beheerd met inachtneming van eventuele restricties of beperkingen op het gebruik, de verkoop of de overdracht ervan zoals bepaald door de Raad of het comité, en overeenkomstig de relevante eindgebruikerscertificaten, de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.”;

in artikel 54 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: “1. Alle uitvoerend actoren waaraan de uitvoering van de uitgaven via de faciliteit is toevertrouwd, eerbiedigen de beginselen van goed financieel beheer en transparantie, voeren de nodige risicobeoordelingen en controles op het eindgebruik uit, en houden terdege rekening met de fundamentele waarden van de EU en het internationale recht, met name wat betreft de mensenrechten en de “berokken-geen-schade”-beginselen. Alle uitvoerend actoren worden vooraf onderworpen aan een risicobeoordeling om de mogelijke risico's voor de mensenrechten en de bestuursrisico's in kaart te brengen.”;

2.

beveelt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan:

a)

het Parlement te raadplegen over de aanbevolen amendementen en erop toe te zien dat de opvattingen van het Parlement in aanmerking worden genomen, overeenkomstig artikel 36 van het VEU;

b)

bij het opstellen van voorstellen voor meerjarige actieprogramma's of ad-hocbijstandsmaatregelen de opvattingen van het Parlement overeenkomstig artikel 36 van het VEU ten volle in aanmerking te nemen, ook door voorstellen waar het Parlement tegen is in te trekken;

c)

een volledige evaluatie van de financiële gevolgen van het besluit aan te leveren, gezien de implicaties van het besluit voor de EU-begroting, waarbij met name aanvullende personeelsbehoeften worden aangegeven;

d)

ontwerpbesluiten van de Raad met betrekking tot de EV gelijktijdig in te dienen bij het Parlement voor raadpleging en bij de Raad of het Politiek en Veiligheidscomité, zodat het Parlement voldoende tijd heeft om zijn mening te geven; ontwerpbesluiten van de Raad te wijzigen indien het Parlement hierom verzoekt;

e)

toe te zien op de complementariteit met bestaande fondsen, programma's en instrumenten van de EU, en de samenhang tussen de EV en alle andere aspecten van het extern optreden van de EU, overeenkomstig artikel 18 van het VEU, met name met betrekking tot het initiatief van capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (CBSD) en het voorgestelde instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), die te allen tijde ten uitvoer moeten worden gelegd in het kader van het bredere hervormingsprogramma voor de veiligheidssector, dat belangrijke onderdelen inzake behoorlijk bestuur, bepalingen inzake gendergerelateerd geweld en, met name, bepalingen inzake civiel toezicht op het beveiligingssysteem en democratische controle op de strijdkrachten moet bevatten;

f)

regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid, het Parlement te raadplegen over het aanbevolen onderdeel inzake gender, waarmee aandacht wordt gegeven aan de rol van vrouwen bij het voorkomen en oplossen van conflicten en bij de wederopbouw en vredesonderhandelingen in de nasleep van een conflict, en regelmatig een beoordeling uit te voeren van de maatregelen die zijn genomen om kwetsbare mensen, waaronder vrouwen en meisjes, te beschermen tegen geweld in conflictsituaties;

g)

toe te zien op de samenhang tussen de EV en alle andere aspecten van het extern optreden van de EU, met inbegrip van haar ontwikkelings- en humanitaire beleid, overeenkomstig artikel 18 van het VEU en met het oog op het bevorderen van de ontwikkeling van de desbetreffende derde landen, en het terugdringen en uitbannen van de armoede in deze landen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie.

(1)  https://sustainabledevelopment.un.org/

(2)  PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1.

(3)  PB L 84 van 28.3.2015, blz. 39.

(4)  PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1.

(5)  PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.

(6)  PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.

(7)  PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(8)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

(9)  PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.

(10)  PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(11)  PB C 353 van 27.9.2016, blz. 68.

(12)  PB C 224 van 27.6.2018, blz. 18.

(13)  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 36.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0514.

(15)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 202.


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Dinsdag 26 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/150


P8_TA(2019)0221

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann

Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann (2018/2277(IMM))

(2021/C 108/15)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek van de minister van Justitie van het Koninkrijk Denemarken om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann, dat op 6 november 2018 werd ingediend door de permanente vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Unie in verband met een strafrechtelijke procedure op grond van § 260, lid 1, punt 1, § 291, lid 1, en § 293, lid 1, juncto § 21 van het Deense wetboek van strafrecht, en van de ontvangst waarvan op 28 november 2018 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Jørn Dohrmann te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1),

gezien § 57 van de grondwet van het Koninkrijk Denemarken,

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0178/2019),

A.

overwegende dat de openbaar aanklager van Viborg een verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann, Deens lid van het Europees Parlement, heeft ingediend in verband met de in § 260, lid 1, punt 1), § 291, lid 1, en § 293, lid 1, juncto § 21 van het Deense wetboek van strafrecht genoemde strafbare feiten; overwegende, meer bepaald, dat het lid wordt verdacht van het onrechtmatig uitoefenen van dwang, het wederrechtelijk beschadigen van een goed dat aan een ander toebehoort en een poging tot het wederrechtelijk gebruiken van een goed dat aan een ander toebehoort;

B.

overwegende dat Jørn Dohrmann op 26 april 2017 in de nabijheid van zijn woning in Vamdrup een camera heeft afgepakt van een cameraman die van een afstand van circa 195 meter filmopnamen maakte van het huis van Dohrmann voor een televisiedocumentaire over een aantal Deense leden van het Europees Parlement; overwegende dat Jørn Dohrmann heeft gedreigd de camera kapot te gooien; overwegende dat Dohrmann genoemde camera (onder meer de microfoon, het scherm en de kabel) heeft beschadigd; overwegende dat hij de camera met geheugenkaart heeft ingenomen omdat hij de opnames wilde bekijken, hetgeen een vorm van wederrechtelijk gebruik is, maar dat hij daarvan werd weerhouden door de politie, die ter plaatse kwam en de camera en de geheugenkaart, die door Dohrmann uit de camera was verwijderd, in beslag nam;

C.

overwegende dat de cameraman in eerste instantie werd aangeklaagd op grond van § 264a van het Deense wetboek van strafrecht vanwege het wederrechtelijk fotograferen van personen die zich op hun eigen grondgebied bevinden; overwegende dat de openbaar aanklager heeft geadviseerd de aanklacht te laten vallen omdat opzet niet bewezen kon worden (en opzet een bestanddeel is van de delictsomschrijving van § 264a van het Deense wetboek van strafrecht en dus voor een veroordeling bewezen moet worden);

D.

overwegende dat de politie van Zuidoost-Jutland erop heeft gewezen dat de organisatie waarbij de journalist in dienst was en die de eigenaar van de camera was in casu compensatie voor de geleden schade vordert ter hoogte van 14 724,71 DKK, en dat zaken waarin sprake is van wederrechtelijke beschadiging, diefstal, toe-eigening e.d. waarop een boete staat, via de rechter moeten worden beslecht als de benadeelde partij een schadevergoeding vordert;

E.

overwegende dat de openbaar aanklager in de zaak tegen Jørn Dohrmann in eerste instantie adviseerde tot het opleggen van een boete ter hoogte van 20 000 DKK in plaats van een vrijheidsstraf, zonder verdere formele aanklacht;

F.

overwegende dat Jørn Dohrmann de beschuldigingen ontkent; overwegende dat het openbaar ministerie heeft aangegeven dat het in dat geval niet consistent is om te streven naar een buitengerechtelijke schikking met een vaste boete;

G.

overwegende dat de bevoegde autoriteit een verzoek heeft ingediend om opheffing van de immuniteit van het EP-lid om hem te kunnen vervolgen;

H.

overwegende dat de leden van het Europees Parlement uit hoofde van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

I.

overwegende dat in § 57, lid 1, van de Deense grondwet is bepaald dat leden van het Deense parlement, behoudens in geval van betrapping op heterdaad, niet kunnen worden aangeklaagd en niet op enigerlei wijze gevangen kunnen worden genomen zonder dat het Deense parlement daarmee instemt; overwegende dat deze bepaling bescherming biedt tegen strafvervolging door het openbaar ministerie, maar niet tegen particuliere strafvervolging; overwegende dat als aan de voorwaarden wordt voldaan om de zaak te schikken via buitengerechtelijke geschillenbeslechting met een vaste boete, instemming van het Deense parlement niet nodig is;

J.

overwegende dat de reikwijdte van de immuniteit die aan leden van het Deense parlement wordt geboden, feitelijk overeenkomt met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een lid van het Parlement is uitgebracht “in de uitoefening van [zijn of haar] ambt”, zodat een verband vereist is tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk;

K.

overwegende dat de bewuste feiten geen betrekking hebben op een mening die Jørn Dohrmann in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en dus niet duidelijk of rechtstreeks van invloed zijn op de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement;

L.

overwegende dat er geen bewijs of reden is om fumus persecutionis te vermoeden;

1.

besluit de immuniteit van Jørn Dohrmann op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van het Koninkrijk Denemarken en aan Jørn Dohrmann.

(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


III Voorbereidende handelingen

Europees Parlement

Dinsdag 26 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/152


P8_TA(2019)0222

Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (COM(2018)0184 — C8-0149/2018 — 2018/0089(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/16)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0184),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0149/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door de Oostenrijkse Bondsraad en de Zweedse Rijksdag, en waarin het ontwerp van wetgevingshandeling in strijd met het subsidiariteitsbeginsel wordt geacht,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 september 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 10 oktober 2018 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0447/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 66.

(2)  PB C 461 van 21.12.2018, blz. 232.


P8_TC1-COD(2018)0089

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité der Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze richtlijn heeft ten doel het voor bevoegde vertegenwoordigende instanties die de collectieve belangen van consumenten vertegenwoordigen, mogelijk te maken verhaal te halen door het instellen van representatieve vorderingen in geval van inbreuken op bepalingen van het Unierecht. De bevoegde vertegenwoordigende instanties moeten om de beëindiging of het verbod van een inbreuk of om de bevestiging dat een inbreuk heeft plaatsgevonden, kunnen verzoeken, en verhaal kunnen halen, onder meer in de vorm van schadeloosstelling , terugbetaling van het betaalde bedrag , reparatie , vervanging, terugname, prijsvermindering of beëindiging van de overeenkomst , al naar gelang de mogelijkheden die de nationale wetgeving biedt. [Am. 1]

(2)

Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) maakte het voor bevoegde vertegenwoordigende instanties mogelijk om representatieve vorderingen in te stellen die hoofdzakelijk strekten tot de beëindiging en het verbod van inbreuken op het Unierecht die de collectieve belangen van consumenten schaden. Die richtlijn bood echter onvoldoende oplossingen voor problemen in verband met de handhaving van consumentenrecht. Om onrechtmatige praktijken beter tegen te gaan , goed en verantwoord ondernemen te bevorderen en ervoor te zorgen dat consumenten minder schade lijden, moet het mechanisme voor de bescherming van collectieve belangen van consumenten worden verbeterd. Gelet op het grote aantal wijzigingen is het omwille van de duidelijkheid passend om Richtlijn 2009/22/EG te vervangen. Er is een grote behoefte aan optreden door de Unie overeenkomstig artikel 114 VWEU, teneinde de toegang tot de rechter en een goede rechtsbedeling te waarborgen, omdat daarmee de kosten en lasten in verband met individuele vorderingen zullen afnemen. [Am. 2]

(3)

Een representatieve vordering moet een effectieve en efficiënte manier bieden om de collectieve belangen van consumenten te beschermen tegen zowel binnenlandse als grensoverschrijdende inbreuken . Zij moet het mogelijk maken dat bevoegde vertegenwoordigende instanties optreden om ervoor te zorgen dat de relevante bepalingen van het Unierecht worden nageleefd en hindernissen overwinnen worden overwonnen waarmee consumenten in geval van individuele vorderingen te maken hebben, zoals de onzekerheid over hun rechten en de beschikbare procedurele mechanismen, eerdere ervaringen met niet-succesvolle vorderingen, buitengewoon lange procedures, psychologische barrières om actie te ondernemen en het negatieve evenwicht tussen de verwachte kosten en baten van de individuele vordering , en daarmee een bijdrage leveren aan de rechtszekerheid voor zowel eisers als gedaagden, en tevens aan de rechtszekerheid binnen het rechtsstelsel . [Am. 3]

(4)

Het is belangrijk te zorgen voor de noodzakelijke balans tussen toegang tot de rechter en procedurele waarborgen tegen misbruik van procesrecht, die de mogelijkheid voor ondernemingen om op de interne markt te opereren, zouden kunnen belemmeren zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Om misbruik van representatieve vorderingen te voorkomen, moeten elementen als punitieve schadevergoeding en gebrek aan beperkingen met betrekking tot het recht een vordering in te stellen namens de benadeelde consumenten, worden vermeden en duidelijke regels worden vastgesteld inzake diverse procedurele aspecten, zoals de aanwijzing van bevoegde vertegenwoordigende instanties, de herkomst van hun financiële middelen en de aard van de informatie die ter ondersteuning van de representatieve vordering wordt vereist. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan nationale regels inzake de verwijzing in proceskosten. De in het ongelijk gestelde partij dient in de proceskosten te worden verwezen. Het gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij echter niet veroordelen tot het betalen van kosten die onnodig zijn gemaakt of die niet in verhouding staan tot de vordering [Am. 4]

(5)

Inbreuken die de collectieve belangen van consumenten schaden, hebben vaak grensoverschrijdende gevolgen. Wanneer er in de Unie meer effectieve en efficiënte vorderingen zouden kunnen worden ingesteld, zouden consumenten meer vertrouwen in de interne markt hebben en hun rechten beter kunnen uitoefenen.

(6)

De richtlijn dient een reeks gebieden te bestrijken, zoals gegevensbescherming, financiële diensten, reizen en toerisme, energie, telecommunicatie, en milieu en gezondheid . Zij dient inbreuken te omvatten op bepalingen van het Unierecht die de collectieve belangen van consumenten beschermen, ongeacht of deze laatsten in de relevante Uniewetgeving worden aangeduid als consumenten dan wel als reizigers, gebruikers, klanten, niet-professionele beleggers, niet-professionele beleggers cliënten, of anderszins , alsook de collectieve belangen van personen op wie gegevens betrekking hebben (“betrokkenen”) in de zin van de algemene verordening gegevensbescherming . Om een passende reactie te waarborgen op de zich qua vorm en omvang snel ontwikkelende inbreuken op het Unierecht, moet telkens wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld die relevant is voor de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, worden overwogen of de bijlage bij de onderhavige richtlijn niet moet worden gewijzigd zodat deze richtlijn op die handeling van toepassing wordt. [Am. 5]

(6 bis)

Deze richtlijn is van toepassing op representatieve vorderingen die worden ingesteld wegens inbreuken met grote gevolgen voor consumenten die verband houden met de in bijlage I opgenomen bepalingen van het recht van de Unie. Gevolgen worden geacht groot te zijn als twee consumenten geraakt worden. [Am. 6]

(7)

De Commissie heeft wetgevingsvoorstellen vastgesteld voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en Verordening (EG) nr. 2027/97 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage en voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer. Het is daarom passend te bepalen dat de Commissie één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn beoordeelt of de Unieregels op het gebied van de rechten van vliegtuigpassagiers en treinreizigers een afdoende niveau van consumentenbescherming bieden dat vergelijkbaar is met dat waarin deze richtlijn voorziet en de eventuele noodzakelijke conclusies trekt met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn.

(8)

Voortbouwend op Richtlijn 2009/22/EG dient deze richtlijn zowel op binnenlandse als grensoverschrijdende inbreuken betrekking te hebben, met name wanneer de consumenten op wie een inbreuk betrekking heeft in een of meer andere lidstaten wonen dan de lidstaat van vestiging van de handelaar die inbreuk maakt. Zij dient ook betrekking te hebben op inbreuken die zijn gestaakt voordat de representatieve vordering werd ingesteld of voltooid, aangezien het nog altijd noodzakelijk kan zijn herhaling van de praktijk te voorkomen, vast te stellen dat een bepaalde praktijk een inbreuk inhield en verhaal door de consument te vergemakkelijken.

(9)

Deze richtlijn mag geen regels vaststellen van internationaal privaatrecht betreffende de rechtsmacht, de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of toepasselijk recht. Op de in deze richtlijn vermelde representatieve vorderingen zijn de bestaande rechtsinstrumenten van de Unie van toepassing , waarbij een toename van forumshopping wordt voorkomen . [Am. 7]

(9 bis)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing de voorschriften van de Unie inzake internationaal privaatrecht in grensoverschrijdende zaken. Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking — Brussel I), Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) en Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) zijn van toepassing op de in deze richtlijn vermelde representatieve vorderingen. [Am. 8]

(10)

Aangezien alleen bevoegde entiteiten vertegenwoordigende instanties representatieve vorderingen kunnen instellen, moeten zij voldoen aan de door deze richtlijn vastgestelde criteria, om ervoor te zorgen dat de collectieve belangen van consumenten passend worden vertegenwoordigd. Met name moeten zij naar behoren zijn opgericht volgens het recht van een lidstaat, waarbij het bij voorbeeld kan bijvoorbeeld moet gaan om vereisten ten aanzien van het aantal leden en de mate van permanentie of om vereisten inzake transparantie over relevante aspecten van hun structuur, zoals hun oprichtingsstatuten, beheersstructuur, doelstellingen en werkmethoden. Ook mogen zij geen winstoogmerk hebben en dienen zij een legitiem belang te hebben bij het verzekeren van de naleving van het desbetreffende Unierecht. Deze criteria dienen zowel op de van tevoren aangewezen bevoegde entiteiten van toepassing te zijn, als op de entiteiten met een ad hoc-bevoegdheid die met het oog op een specifieke vordering in het leven zijn geroepen. Voorts moeten de bevoegde vertegenwoordigende instanties onafhankelijk zijn, onder meer in financieel opzicht, van marktdeelnemers. Daarnaast moeten bevoegde vertegenwoordigende instanties beschikken over een vaste procedure ter voorkoming van belangenconflicten. De lidstaten mogen geen criteria hanteren die verder gaan dan de in deze richtlijn vastgestelde criteria [Am. 9]

(11)

Met name onafhankelijke overheidsinstanties en consumentenorganisaties dienen actief ervoor te zorgen dat de relevante bepalingen van het Unierecht worden nageleefd en zijn bij uitstek geschikt om als bevoegde instanties op te treden. Aangezien deze instanties toegang hebben tot diverse informatiebronnen met betrekking tot de praktijken van handelaren ten opzichte van consumenten en qua activiteiten verschillende prioriteiten hebben, moeten lidstaten vrij zijn om te beslissen om welke soorten maatregelen elk van deze bevoegde instanties in het kader van representatieve vorderingen kan verzoeken.

(12)

Aangezien zowel gerechtelijke als administratieve procedures effectief en efficiënt kunnen bijdragen tot de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, wordt het aan de lidstaten overgelaten om te bepalen of de representatieve vordering kan worden ingesteld in het kader van een gerechtelijke dan wel een administratieve procedure of in het kader van deze beide procedures, afhankelijk van het desbetreffende rechtsgebied of de desbetreffende economische sector. Dit doet geen afbreuk aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, in het kader waarvan de lidstaten ervoor moeten zorgen dat consumenten en ondernemingen het recht hebben om bij een gerechtelijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen tegen een administratief besluit dat ingevolge nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn is genomen. Daarbij moeten partijen ook een besluit kunnen verkrijgen tot opschorting van de uitvoering van het bestreden besluit, overeenkomstig het nationale recht.

(13)

Om de procedurele effectiviteit van representatieve vorderingen te vergroten, dienen bevoegde entiteiten de mogelijkheid te hebben om in het kader van een enkele representatieve vordering dan wel in het kader van afzonderlijke representatieve vorderingen om verschillende maatregelen te verzoeken. Deze maatregelen moeten ook kunnen bestaan in voorlopige maatregelen tot staking van een praktijk of het verbod van een praktijk wanneer deze niet plaats heeft gevonden, maar het gevaar bestaat dat deze consumenten ernstige of onomkeerbare schade zou berokkenen, maatregelen waarbij wordt vastgesteld dat een bepaalde praktijk een rechtsinbreuk inhoudt en die praktijk zo nodig wordt gestaakt of in het vervolg wordt verboden, alsook maatregelen waarbij de aanhoudende gevolgen van de inbreuk worden opgeheven, waaronder herstel. Wanneer zij maar een enkele vordering instellen, dienen bevoegde instanties bij de instelling van de vordering om alle relevante maatregelen te kunnen verzoeken dan wel eerst om het relevante bevel en vervolgens en indien passend om een bevel tot herstel te kunnen verzoeken.

(14)

Een bevel is gericht op de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, ongeacht het eventuele verlies of de eventuele schade die individuele consumenten feitelijk hebben geleden. Bij een bevel kunnen handelaren worden verplicht tot het nemen van specifieke maatregelen, zoals het verstrekken van informatie aan consumenten die eerder in strijd met wettelijke verplichtingen werd achtergehouden. Bij besluiten waarbij wordt vastgesteld dat een praktijk een inbreuk inhoudt, mag de vraag of de praktijk met opzet of door nalatigheid plaatsvond, geen rol spelen.

(15)

De bevoegde entiteit instantie die de representatieve vordering krachtens deze richtlijn instelt, dient partij bij de procedure te zijn. De consumenten op wie de inbreuk betrekking heeft, moeten over passende mogelijkheden beschikken om voordeel te hebben van informatie krijgen over de relevante resultaten van de representatieve vordering en over de manier waarop zij daarvan kunnen profiteren . Een krachtens deze richtlijn uitgevaardigd bevel mag geen afbreuk doen aan individuele vorderingen die zijn ingesteld door consumenten die schade hebben geleden door de praktijk waarop het bevel van toepassing is. [Am. 10]

(16)

Bevoegde vertegenwoordigende instanties dienen ook om maatregelen te kunnen verzoeken tot opheffing van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk. Deze maatregelen dienen de vorm aan te nemen van een bevel tot herstel waarbij de handelaar wordt verplicht om te zorgen voor onder andere schadeloosstelling, reparatie, vervanging , terugname , prijsvermindering, beëindiging van de overeenkomst of terugbetaling van de betaalde prijs, al naargelang dat passend en op grond van nationale wetgeving mogelijk is.

(17)

De schadevergoeding die consumenten wordt toegekend in een situatie van massaschade mag niet hoger zijn dan het bedrag dat de handelaar overeenkomstig de toepasselijke nationale of Uniewetgeving verschuldigd is om de feitelijke schade te dekken die zij hebben geleden. Met name moet punitieve schadevergoeding, die tot overcompensatie leidt van de geleden schade ten gunste van de eisende partij, worden vermeden. [Am. 11]

(18)

De lidstaten kunnen moeten van bevoegde vertegenwoordigende instanties eisen dat zij voldoende informatie verstrekken ter ondersteuning van een representatieve vordering tot herstel, zoals een beschrijving van de groep consumenten waarop een inbreuk betrekking heeft en de feitelijke en juridische kwesties die in het kader van de representatieve vordering moeten worden opgelost. Van de bevoegde instantie mag niet worden geëist dat deze alle consumenten op wie een inbreuk betrekking heeft individueel identificeert alvorens de vordering in te stellen. Bij representatieve vorderingen tot herstel moet de rechter of administratieve autoriteit zo vroeg mogelijk in de procedure nagaan of de zaak geschikt is om het voorwerp van een representatieve vordering te vormen, gelet op de aard van de inbreuk en de kenmerken van de door de betrokken consumenten geleden schade. Met name moeten de vorderingen controleerbaar en uniform zijn, moeten de gevraagde maatregelen een gemeenschappelijk karakter hebben, en moet de regeling inzake financiering door derden van de bevoegde instantie transparant zijn en mag er daarbij geen sprake zijn van enig belangenconflict. De lidstaten moeten tevens waarborgen dat de rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid heeft om kennelijk ongegronde zaken in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure te verwerpen. [Am. 12]

(19)

Lidstaten moeten kunnen beslissen of hun rechter of nationale autoriteit bij wie een representatieve vordering tot herstel is ingediend, bij wijze van uitzondering in plaats van een bevel tot herstel een declaratoir besluit mag uitvaardigen inzake de aansprakelijkheid van de handelaar jegens de consumenten die schade hebben geleden door een inbreuk, waarop individuele consumenten zich bij een volgende vordering tot herstel rechtstreeks kunnen beroepen. Deze mogelijkheid moet beperkt blijven tot naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de kwantificering van de individuele schadeloosstelling die moet worden toegekend aan elk van de consumenten op wie de representatieve vordering betrekking heeft, complex is en het niet efficiënt zou zijn deze in het kader van de representatieve vordering uit te voeren. Declaratoire besluiten mogen niet worden uitgevaardigd in situaties die niet complex zijn, met name niet wanneer de betrokken consumenten kunnen worden geïdentificeerd en de consumenten een vergelijkbare schade hebben geleden met betrekking tot een bepaalde periode of aankoop. Evenzo mogen er geen declaratoire besluiten worden uitgevaardigd wanneer het bedrag van de door elk van de consumenten geleden schade zo klein is dat het niet waarschijnlijk is dat individuele consumenten individueel herstel zullen vorderen. De rechter of nationale autoriteit dient zijn keuze voor een declaratoir besluit in plaats van een bevel tot herstel in een specifiek geval, naar behoren te motiveren. [Am. 13]

(20)

Wanneer consumenten op wie eenzelfde praktijk betrekking heeft, geïdentificeerd kunnen worden en vergelijkbare schade hebben geleden met betrekking tot bepaalde een periode of aankoop, zoals in het geval van langdurige consumentenovereenkomsten, kan de rechter of administratieve autoriteit de groep consumenten op wie de inbreuk betrekking heeft, in de loop van de behandeling van de representatieve vordering duidelijk definiëren. Met name zou de rechter of administratieve autoriteit de handelaar die inbreuk maakt, kunnen vragen om relevante informatie te verstrekken, zoals de identiteit van de betrokken consumenten en de duur van de praktijk. Om redenen van snelheid en efficiëntie zouden lidstaten in deze gevallen kunnen overwegen om consumenten overeenkomstig hun nationale wetgeving de mogelijkheid te bieden rechtstreeks voordeel te genieten van een bevel tot herstel na de uitvaardiging daarvan, zonder dat zij vóór de uitvaardiging van het bevel tot herstel hun individuele mandaat hoeven te verlenen. [Am. 14]

(21)

In zaken waarin het om een geringe waarde gaat, zullen consumenten waarschijnlijk geen vordering instellen om hun rechten te doen gelden, aangezien het individuele voordeel niet zou opwegen tegen de vereiste inspanning. Wanneer eenzelfde praktijk een aantal consumenten betreft, kan het gecumuleerde verlies echter aanzienlijk zijn. In dergelijke gevallen kan een rechter of autoriteit van mening zijn dat het onevenredig is om de schadevergoeding aan de betrokken consumenten uit te keren, bijvoorbeeld omdat dit te belastend of onuitvoerbaar is. De schadevergoeding die via een representatieve vordering is verkregen, zou daarom beter de bescherming van collectieve belangen van consumenten ten goede komen en moeten worden aangewend voor een relevant publiek doel, zoals een fonds voor rechtsbijstand aan consumenten, voorlichtingscampagnes of consumentenbewegingen. [Am. 15]

(22)

Maatregelen die gericht zijn op de opheffing van de aanhoudende gevolgen van een inbreuk kunnen alleen worden gevorderd op basis van een definitief besluit waarbij een inbreuk is vastgesteld op het binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallend Unierecht, die het collectieve belang van consumenten schaadt, zoals een in het kader van de representatieve vordering uitgevaardigd definitief bevel. Maatregelen tot opheffing van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk kunnen met name worden gevorderd op basis van definitieve besluiten van een rechter of administratieve autoriteit in het kader van handhavingsactiviteiten die worden geregeld bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (5).

(23)

Deze richtlijn voorziet in een procedureel mechanisme, dat niet van invloed is op de regels tot vaststelling van materiele materiële rechten van consumenten op contractuele en niet-contractuele rechtsmiddelen wanneer hun belangen door een inbreuk zijn geschonden, zoals het recht op schadevergoeding, beëindiging van de overeenkomst, terugbetaling, vervanging , terugname , reparatie of prijsvermindering. Een representatieve vordering waarbij op grond van deze richtlijn herstel wordt gevorderd, kan alleen worden ingesteld wanneer het Unierecht of het nationale recht in dergelijke materiële rechten voorziet. [Am. 16]

(24)

Deze richtlijn beoogt minimumharmonisatie en vervangt bestaande nationale mechanismen voor collectief verhaal niet. Rekening houdend met de rechtstradities van de lidstaten, laat deze richtlijn het aan de beslissing van deze laatstgenoemde over of zij de hierin bedoelde representatieve vordering vorm geven als onderdeel van een bestaand of toekomstig mechanisme voor collectief verhaal dan wel als een alternatief daarvoor, mits het nationale mechanisme voldoet aan de in deze richtlijn vastgestelde modaliteiten. Deze richtlijn belet de lidstaten niet hun bestaande kaders te behouden en verplicht de lidstaten evenmin tot het wijzigen van hun bestaande kaders. De lidstaten krijgen de mogelijkheid om de in deze richtlijn opgenomen regels in hun eigen systeem voor collectief verhaal te integreren of ze in een afzonderlijke procedure op te nemen. [Am. 17]

(25)

Bevoegde vertegenwoordigende instanties dienen volledig transparant te zijn over de bron van financiering van hun activiteit in het algemeen en over de middelen ter ondersteuning van een specifieke representatieve vordering tot herstel, om rechters of administratieve autoriteiten in staat te stellen te beoordelen of er een belangenconflict kan bestaan tussen de derde partij-financier en de bevoegde instantie en om het gevaar van misbruik van procesrecht te vermijden, alsook om te beoordelen of de derde partij-financier bevoegde instantie over voldoende middelen beschikt om aan zijn financiële verplichtingen jegens de bevoegde instantie de belangen van de betrokken consumenten te dienen en de proceskosten te voldoen dragen als de vordering uitmondt in een afwijzing . De informatie die de bevoegde instantie in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure aan de rechter of administratieve autoriteit verstrekt die de representatieve vordering beoordeelt, moet deze in staat stellen om te beoordelen of de derde partij procedurele beslissingen van de bevoegde entiteit instantie in het algemeen en in het kader van de representatieve vordering kan beïnvloeden, onder meer in geval van schikkingen, en of de derde partij financiële middelen verstrekt voor een representatieve vordering tot herstel jegens een verweerder die zijn concurrent is of jegens een verweerder van wie hij afhankelijk is. Als van een van deze situaties sprake blijkt te zijn, dient de rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid te hebben om de bevoegde instantie ertoe te verplichten om de desbetreffende financiering te weigeren en om, zo nodig, de procesbevoegdheid van de bevoegde instantie in een specifiek geval te verwerpen. De lidstaten moeten voorkomen dat advocatenkantoren bevoegde vertegenwoordigende instanties oprichten. Indirecte financiering van de vordering door middel van donaties, waaronder donaties van handelaren in het kader van initiatieven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, komt in aanmerking als financiering door derden, mits voldaan is aan de vereisten inzake transparantie, onafhankelijkheid en het ontbreken van belangenconflicten als bedoeld in de artikelen 4 en 7. [Am. 18]

(26)

Collectieve buitengerechtelijke schikkingen , zoals bemiddeling, waarbij benadeelde consumenten herstel wordt geboden, moeten worden aangemoedigd, zowel vóór de instelling van de representatieve vordering als tijdens eender welk stadium daarvan. [Am. 19]

(27)

Lidstaten kunnen bepalen dat een bevoegde instantie en een handelaar die een schikking hebben getroffen over herstel voor consumenten die het slachtoffer zijn van een beweerdelijk illegale praktijk van die handelaar, gezamenlijk een rechter of administratieve autoriteit kunnen verzoeken om die schikking goed te keuren. Een dergelijk verzoek mag door de rechter of administratieve autoriteit alleen worden toegelaten wanneer er geen andere representatieve vordering inzake dezelfde praktijk aanhangig is. Een bevoegde rechter of administratieve autoriteit die een dergelijke collectieve schikking goedkeurt, dient rekening te houden met de belangen en rechten van alle betrokken partijen, met inbegrip van individuele consumenten. De betrokken individuele consumenten dienen de mogelijkheid te krijgen om te aanvaarden of te weigeren door een dergelijke schikking gebonden te zijn. Schikkingen moeten onherroepelijk zijn en bindend voor alle partijen [Am. 20]

(28)

De rechter en de administratieve autoriteiten dienen de bevoegdheid te hebben de handelaar die inbreuk maakt en de bevoegde instantie die de representatieve vordering heeft ingesteld, uit te nodigen om onderhandelingen te beginnen teneinde tot een schikking te komen over het herstel dat de betrokken consumenten moet worden geboden. Bij het besluit of partijen worden uitgenodigd om een geschil buitengerechtelijk te beslechten, moet rekening worden gehouden met het soort inbreuk waarop de vordering betrekking heeft, de kenmerken van de betrokken consumenten, de mogelijke vormen van het te bieden herstel, de bereidheid van partijen om te schikken en de snelheid van de procedure.

(29)

Teneinde herstel voor individuele consumenten dat wordt gevorderd op basis van in het kader van representatieve vorderingen afgegeven declaratoire definitieve besluiten inzake de aansprakelijkheid van de handelaar jegens de consumenten die schade van een inbreuk hebben ondervonden, te vereenvoudigen, moet de rechter of administratieve autoriteit die het besluit heeft uitgevaardigd, de bevoegdheid krijgen om van de bevoegde instantie en de handelaar te verlangen dat zij tot een collectieve schikking komen. [Am. 21]

(30)

Elke buitengerechtelijke schikking die wordt bereikt in het kader van een representatieve vordering of is gebaseerd op een definitief declaratoir besluit, moet door de relevante rechter of administratieve autoriteit worden goedgekeurd, om ervoor dat te zorgen dat deze rechtmatig en billijk is, rekening houdend met de belangen en rechten van alle betrokken partijen. De betrokken individuele consumenten dienen de mogelijkheid te krijgen om te aanvaarden of te weigeren door een dergelijke schikking gebonden te zijn. Schikkingen moeten bindend zijn voor alle partijen, onverminderd eventuele andere rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van het recht van de Unie of het nationale recht genieten. [Am. 22]

(31)

Voor het welslagen van een representatieve vordering is het essentieel dat consumenten daarover worden geïnformeerd. Consumenten moeten worden geïnformeerd over aanhangige representatieve vorderingen, het feit dat een praktijk van een handelaar als een rechtsinbreuk is aangemerkt, hun rechten naar aanleiding van de vaststelling van een inbreuk en eventuele vervolgstappen die door de betrokken consumenten moeten worden genomen, met name voor het verkrijgen van herstel. Voor de afschrikking van handelaren die op de rechten van consumenten inbreuk maken, zijn ook de reputatierisico’s in verband met de verspreiding van informatie over de inbreuk van belang.

(32)

Om doeltreffend te zijn, dient de informatie te passen bij de omstandigheden van het geval en daarmee in verhouding te staan. De handelaar die inbreuk maakt, dient lidstaten moeten ervoor zorgen dat de rechter en de administratieve autoriteit van de in het ongelijk gestelde partij kunnen verlangen dat deze alle betrokken consumenten te informeren naar behoren informeert over definitieve bevelen tot onherroepelijke besluiten betreffende staking en bevelen tot herstel herstel die in het kader van een met betrekking tot de representatieve vordering zijn uitgevaardigd, alsook over en dat in geval van een door een rechter of administratieve autoriteit goedgekeurde schikking beide partijen worden geïnformeerd . Dergelijke informatie kan bijvoorbeeld worden verstrekt via de een website van de handelaar, sociale media, online marktplaatsen, of bekende kranten, waaronder kranten die uitsluitend via elektronische communicatiemiddelen worden verspreid. Zo mogelijk moeten consumenten individueel worden geïnformeerd via elektronische of papieren brieven. Deze informatie moet op verzoek worden verstrekt in een formaat dat toegankelijk is voor personen met een handicap. De kosten van het informeren van de consumenten moeten door de in het ongelijk gestelde partij worden gedragen. [Am. 23]

(32 bis)

De lidstaten moeten worden aangespoord om een gratis nationaal register van representatieve vorderingen op te zetten, waarmee de naleving van de transparantieverplichtingen verder kan worden verbeterd. [Am. 24]

(33)

Om de rechtszekerheid te vergroten, inconsistentie bij de toepassing van het Unierecht te vermijden en de effectiviteit en procedurele efficiëntie van representatieve vorderingen en mogelijke vervolgvorderingen tot herstel te vergroten, mag moet de vaststelling van een inbreuk of een niet-inbreuk in een door een administratieve autoriteit of rechterlijke instantie uitgevaardigd definitief besluit, met inbegrip van een definitief bevel krachtens deze richtlijn, niet opnieuw het voorwerp van een geschil vormen in het kader van volgende rechtsvorderingen inzake dezelfde inbreuk door dezelfde handelaar, wat betreft de aard van de inbreuk en de materiele, persoonlijke, temporele en territoriale werkingssfeer daarvan, als bepaald bij dat definitieve besluit bindend zijn voor alle aan de representatieve vordering deelnemende partijen. Het onherroepelijke besluit moet geen afbreuk doen aan eventuele andere rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van het recht van de Unie of het nationale recht genieten. Het door de procedure verkregen herstel moet ook bindend zijn voor andere zaken die betrekking hebben op dezelfde praktijk, dezelfde handelaar en dezelfde consument . Wanneer een vordering die is gericht op maatregelen tot het beëindigen van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk, met inbegrip van herstelmaatregelen, wordt ingesteld in een andere lidstaat dan de lidstaat waar een definitief besluit waarbij de betreffende inbreuk of niet-inbreuk is vastgesteld, werd uitgevaardigd, dient er op grond moet dat besluit in gelijksoortige zaken dienen als bewijs voor het bestaan, respectievelijk niet-bestaan, van dat besluit een weerlegbaar vermoeden te bestaan dat de inbreuk heeft plaatsgevonden de inbreuk. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de vaststelling van het bestaan of niet-bestaan van een inbreuk bij een onherroepelijk besluit van een rechter van een lidstaat, in het kader van een andere vordering tot herstel tegen dezelfde handelaar wegens dezelfde inbreuk bij de nationale rechter van een andere lidstaat opgevat moet worden als een weerlegbaar vermoeden van het bestaan, respectievelijk niet-bestaan, van een dergelijke inbreuk. . [Am. 25]

(34)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat individuele vorderingen tot herstel kunnen worden gebaseerd op een definitief declaratoir besluit dat in het kader van een representatieve vordering is uitgevaardigd. Dergelijke vorderingen moeten via snelle en vereenvoudigde procedures kunnen worden ingesteld.

(35)

Vorderingen tot herstel die zijn gebaseerd op de vaststelling van een inbreuk bij een definitief bevel of bij een definitief declaratoir besluit inzake de aansprakelijkheid van de handelaar op grond van deze richtlijn jegens de consumenten die schade hebben geleden, mogen niet worden belemmerd door nationale regels inzake verjaringstermijnen. De instelling van een representatieve vordering moet leiden tot opschorting of onderbreking van de verjaringstermijnen voor eventuele vorderingen tot herstel voor de consumenten waarop deze representatieve vordering betrekking heeft. [Am. 26]

(36)

Representatieve vorderingen waarbij om een bevel wordt gevraagd, moeten met de nodige procedurele snelheid worden behandeld. Een verzoek om een bevel bij wege van voorlopige voorziening moet altijd via een versnelde procedure worden behandeld teneinde eventuele schade of verdere schade als gevolg van de inbreuk te voorkomen.

(37)

Bewijsmateriaal vormt een belangrijk element bij de vaststelling of een bepaalde praktijk een rechtsinbreuk vormt, de vaststelling of er gevaar van herhaling bestaat, de vaststelling op welke consumenten een inbreuk betrekking heeft, het besluit inzake herstel en het passend informeren van consumenten op wie een representatieve vordering betrekking heeft over de aanhangige procedure en de definitieve resultaten daarvan. Betrekkingen tussen ondernemingen en consumenten worden echter gekenmerkt door informatieasymmetrie en het kan zijn dat de handelaar als enige over de noodzakelijke informatie beschikt, waardoor deze voor de bevoegde instantie niet toegankelijk is. Bevoegde instanties moet daarom het recht worden gegeven om de bevoegde rechter of administratieve autoriteit te verzoeken om openbaarmaking door de handelaar van informatie die relevant voor hun vordering is of die nodig is om de betrokken consumenten naar behoren over de representatieve vordering te informeren, zonder dat zij de individuele bewijsstukken hoeven te specificeren. De noodzaak, reikwijdte en evenredigheid van een dergelijke openbaarmaking moeten zorgvuldig worden beoordeeld door de rechter of administratieve autoriteit die de representatieve vordering beoordeelt, rekening houdend met de bescherming van de legitieme belangen van derden en onverminderd het toepasselijke Unierecht en de toepasselijke nationale regels inzake vertrouwelijkheid.

(38)

Om ervoor te zorgen dat de representatieve vorderingen doeltreffend zijn, moeten handelaren die inbreuk maken, doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties kunnen verwachten wanneer zij niet voldoen aan een definitief besluit naar aanleiding van de representatieve vordering.

(39)

Gelet op het feit dat met representatieve vorderingen een algemeen belang wordt nagestreefd in de zin van de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, moeten lidstaten ervoor zorgen dat de kosten van de procedures bevoegde vertegenwoordigende instanties er niet ervan van weerhouden om krachtens deze richtlijn representatieve vorderingen in te stellen. Dit laat echter onverlet dat de partij van wie de collectieve vordering wordt afgewezen de door de in het gelijk gestelde partij gedragen noodzakelijke proceskosten dient te vergoeden (het beginsel dat de verliezer betaalt), onder de voorwaarden van het toepasselijke nationale recht. De rechter of de administratieve autoriteit moeten de in het ongelijk gestelde partij echter niet veroordelen tot het betalen van kosten die onnodig zijn gemaakt of die niet in verhouding staan tot de vordering. [Am. 27]

(39 bis)

De lidstaten dienen erop toe te zien dat resultaatafhankelijke honoraria worden voorkomen en dat vergoedingen voor advocaten en de wijze waarop deze worden berekend geen stimulans vormen voor het voeren van rechtszaken die niet in het belang van consumenten of andere betrokken partijen zijn of consumenten belemmeren om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheid om een collectieve vordering in te stellen. De lidstaten die resultaatafhankelijke honoraria toestaan, moeten waarborgen dat dergelijke honoraria er niet voor zorgen dat consumenten niet een volledige vergoeding krijgen uitgekeerd. [Am. 28]

(40)

Samenwerking en uitwisseling van informatie , goede praktijken en ervaringen tussen bevoegde vertegenwoordigende instanties van verschillende lidstaten is nuttig gebleken voor de aanpak van grensoverschrijdende inbreuken. Het is nodig de maatregelen op het gebied van capaciteitsopbouw en samenwerking in stand te houden en uit te breiden tot een groter aantal bevoegde vertegenwoordigende instanties in de Unie, zodat vaker representatieve acties met grensoverschrijdende gevolgen worden ingesteld. [Am. 29]

(41)

Om inbreuken met grensoverschrijdende implicaties effectief aan te pakken, moet ervoor worden gezorgd dat de procesbevoegdheid van de bevoegde instanties die in een lidstaat van tevoren zijn aangewezen om in een andere lidstaat representatieve vorderingen in te stellen, wederzijds wordt erkend. Voorts moeten bevoegde instanties uit verschillende lidstaten hun krachten ten overstaan van een enkel forum kunnen bundelen in een enkele representatieve vordering, overeenkomstig de desbetreffende regels inzake rechterlijke bevoegdheid. Omwille van efficiëntie en effectiviteit zou een bevoegde instantie de mogelijkheid moeten hebben om een representatieve vordering in te stellen namens andere bevoegde instanties die consumenten uit verschillende lidstaten vertegenwoordigen.

(41 bis)

Om de mogelijkheid van een procedure voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen op het niveau van de Unie te onderzoeken, moet de Commissie onderzoeken of het mogelijk is een Europese Ombudsman voor collectief verhaal in te stellen. [Am. 30]

(42)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze richtlijn moet dan ook worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met deze rechten en beginselen, waaronder die met betrekking tot het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, alsook het recht van verweer.

(43)

Op het gebied van milieurecht houdt deze richtlijn rekening met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (“Verdrag van Aarhus”).

(44)

De doelstellingen van deze richtlijn, te weten de invoering van een mechanisme inzake representatieve vorderingen voor de bescherming van de collectieve belangen van consumenten teneinde een hoog niveau van consumentenbescherming in de Unie en de goede werking van de interne markt te waarborgen, kunnen niet voldoende worden gerealiseerd door maatregelen van uitsluitend de lidstaten, maar vanwege de grensoverschrijdende gevolgen van representatieve vorderingen beter worden gerealiseerd op het niveau van de Unie. Daarom kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(45)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (6) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(46)

Het is passend om bepalingen voor de toepassing van deze richtlijn in de tijd vast te stellen,

(47)

Richtlijn 2009/22/EG dient derhalve te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn bevat regels op grond waarvan bevoegde vertegenwoordigende instanties representatieve vorderingen kunnen instellen ten behoeve van de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, met name om een hoog niveau van bescherming en toegang tot de rechter te verwezenlijken en te handhaven en tegelijkertijd te zorgen voor passende waarborgen ter vermijding voorkoming van misbruik van procesrecht. [Am. 31]

2.   Deze richtlijn belet de lidstaten niet bepalingen vast te stellen of te handhaven waarbij bevoegde vertegenwoordigende instanties of eventuele andere betrokkenen overheidsinstanties andere procedurele middelen worden geboden om vorderingen in te stellen met het oog op de bescherming van de collectieve belangen van consumenten op nationaal niveau. De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor verlaging van het niveau van consumentenbescherming op de door het Unierecht bestreken gebieden. [Am. 32]

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op representatieve vorderingen met grote gevolgen voor consumenten die worden ingesteld inzake inbreuken door handelaren op de in bijlage I vermelde bepalingen van Unierecht die ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten. schaden of kunnen schaden. Zij is van toepassing op binnenlandse en grensoverschrijdende inbreuken, ook wanneer deze inbreuken zijn beëindigd voordat de representatieve vordering werd ingesteld of voordat de representatieve vordering werd afgesloten. [Am. 33]

2.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan voorschriften waarbij contractuele en niet-contractuele rechtsmiddelen worden vastgesteld waarover consumenten met betrekking tot dergelijke inbreuken krachtens de Unie- of nationale wetgeving beschikken.

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de voorschriften van de Unie inzake internationaal privaatrecht, in het bijzonder voorschriften met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht de erkenning en de tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken en regels betreffende het recht dat van toepassing is op contractuele en niet-contractuele verbintenissen, van toepassing op de in deze richtlijn vermelde representatieve vorderingen . [Am. 34]

3 bis.     Deze richtlijn laat andere vormen van collectief verhaal uit hoofde van het nationale recht onverlet. [Am. 35]

3 ter.     Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, met name het recht op een eerlijk en onpartijdig proces en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. [Am. 36]

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)

“consument”: iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;

(1 bis)

“consumentenorganisatie”: elke groep die zich ten doel stelt de belangen van consumenten te beschermen tegen onrechtmatige handelingen of onrechtmatig nalaten door handelaren; [Am. 37]

(2)

“handelaar”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, ongeacht of deze in publieke of private handen is, die in civiele capaciteit krachtens het burgerlijk recht handelt voor doeleinden die betrekking hebben op zijn handel, bedrijf, ambacht of beroep, waaronder via een andere persoon die in zijn naam of namens hem handelt; [Am. 38]

(3)

“collectieve belangen van consumenten”: de belangen van een aantal consumenten; of van personen op wie gegevens betrekking hebben (“betrokkenen”) in de zin van Verordening (EU) 2016/679 (de algemene verordening gegevensbescherming) [Am. 39]

(4)

“representatieve vordering”: een vordering ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten waarbij de betrokken consumenten geen partij zijn;

(5)

“praktijk”: een handelen of nalaten door een handelaar;

(6)

“definitief besluit”: een besluit van een rechter van een lidstaat waartegen geen of niet meer beroep kan worden ingesteld dan wel een besluit van een administratieve autoriteit dat niet meer door de rechter kan worden getoetst;

(6 bis)

“consumentenrecht”: het recht van de Unie en het nationale recht ter bescherming van de belangen van consumenten. [Am. 40]

Hoofdstuk 2

Representatieve vorderingen

Artikel 4

Bevoegde vertegenwoordigende instanties [Am. 41]

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat representatieve vorderingen kunnen worden ingesteld door bevoegde instanties die, op hun verzoek, daartoe van tevoren door de lidstaten zijn aangewezen en op een openbaar toegankelijke lijst zijn geplaatst. De lidstaten of hun rechtbanken wijzen binnen hun respectieve grondgebied/jurisdictie ten minste een bevoegde vertegenwoordigende instantie aan die bevoegd is om representatieve vorderingen in de zin van artikel 3, lid 4, in te stellen.

De lidstaten wijzen een instantie als bevoegde vertegenwoordigende instantie aan wanneer deze aan elk van de volgende criteria voldoet: [Am. 42]

a)

zij is naar behoren opgericht volgens het recht van een lidstaat;

b)

zij heeft er uit haar statuut of ander governancedocument en uit haar permanente activiteiten op het gebied van de verdediging en bescherming van de belangen van consumenten blijkt dat zij een legitiem belang heeft bij ervoor te zorgen dat het waarborgen van de naleving van de bepalingen van het Unierecht waarop deze richtlijn betrekking heeft, in acht worden genomen; [Am. 43]

c)

zij heeft geen winstoogmerk.

(c bis)

zij handelt onafhankelijk van andere instanties en van personen die geen consumenten zijn en voor wie de uitkomst van de representatieve vordering in economisch opzicht van belang kan zijn, en met name onafhankelijk van marktdeelnemers; [Am. 44]

(c ter)

zij heeft geen financiële banden met advocatenkantoren die de belangen van eisers behartigen die verder gaan dan een normaal dienstencontract; [Am. 45]

(c quater)

zij heeft interne procedures ingevoerd ter voorkoming van belangenconflicten tussen de bevoegde instantie zelf en haar financiers; [Am. 46]

De lidstaten verlangen van bevoegde vertegenwoordigende instanties dat zij in eenvoudige en duidelijke taal en op passende wijze, bijvoorbeeld op hun website, duidelijk maken hoe zij worden gefinancierd, hoe hun organisatorische structuur en hun bestuursstructuur eruitzien, wat hun doelstellingen en werkmethodes zijn en wat voor activiteiten zij ontplooien.

De lidstaten beoordelen regelmatig of een bevoegde entiteit vertegenwoordigende instantie nog aan deze criteria voldoet. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde vertegenwoordigende instantie haar status uit hoofde van deze richtlijn verliest wanneer zij niet langer aan een of meer van de in lid 1 genoemde criteria voldoet.

De lidstaten stellen een lijst op van vertegenwoordigende instanties die aan de in lid 1 bedoelde criteria voldoen en maken deze lijst openbaar. Zij doen deze lijst aan de Commissie toekomen en werken deze zo nodig bij.

De Commissie publiceert de lijsten van vertegenwoordigende instanties die zij van de lidstaten ontvangt op een publiek toegankelijk onlineportaal. [Am. 47]

1 bis.     De lidstaten kunnen bepalen dat reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn overeenkomstig het nationaal recht aangewezen overheidsinstanties voor de status van vertegenwoordigende instantie in de zin van dit artikel in aanmerking blijven komen. [Am. 48]

2.   De lidstaten kunnen een bevoegde instantie op haar verzoek ad hoc aanwijzen met het oog op een bepaalde representatieve vordering, wanneer zij voldoet aan de in lid 1 genoemde criteria. [Am. 49]

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat met name consumentenorganisaties en onafhankelijke consumentenorganisaties die aan de in lid 1 vermelde criteria voldoen en openbare instanties in aanmerking komen voor de status van bevoegde vertegenwoordigende instantie. De lidstaten kunnen consumentenorganisaties die leden uit meer dan één lidstaat vertegenwoordigen, aanwijzen als bevoegde vertegenwoordigende instantie. [Am. 50]

4.   De lidstaten kunnen regels vaststellen die nader omschrijven welke bevoegde instanties al de in de artikelen 5 en 6 bedoelde maatregelen kunnen vorderen en welke bevoegde instanties slechts een of meer van deze maatregelen kunnen vorderen. [Am. 51]

5.   De vervulling door een bevoegde instantie van de in lid 1 bedoelde criteria doet geen afbreuk aan het recht de verpliching van de rechter of administratieve autoriteit om te onderzoeken of de doelstelling van de bevoegde instantie rechtvaardigt dat zij in een specifiek geval een vordering instelt overeenkomst overeenkomstig artikel 4 en artikel 5, lid 1. [Am. 52]

Artikel 5

Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat uitsluitend overeenkomstig artikel 4, lid 1, aangewezen bevoegde vertegenwoordigende instanties representatieve vorderingen kunnen instellen bij nationale rechters of administratieve autoriteiten, mits er een direct verband bestaat tussen de voornaamste doelstellingen van de instantie en de krachtens het Unierecht toegekende rechten die beweerdelijk zijn geschonden en ten aanzien waarvan de vordering is ingesteld.

Het staat de bevoegde vertegenwoordigende instanties vrij om te kiezen voor elke procedure waarin het nationale recht of het Unierecht voorziet, om het hoogste niveau van bescherming van de belangen van consumenten te waarborgen.

De lidstaten bepalen dat er uitsluitend een vordering kan worden ingesteld als er voor een rechter of administratieve autoriteit van de lidstaat geen andere vordering is ingesteld ter zake van dezelfde praktijk, dezelfde handelaar en dezelfde consumenten. [Am. 53]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde vertegenwoordigende instanties , waaronder vooraf daartoe aangewezen overheidsinstanties, het recht hebben representatieve vorderingen in te stellen waarbij de volgende maatregelen worden gevraagd: [Am. 54]

a)

een bevel, als voorlopige maatregel, tot staken van de illegale praktijk dan wel, wanneer de praktijk nog niet heeft plaatsgevonden, maar op het punt staat plaats te vinden, waarbij de illegale praktijk wordt verboden; [Am. 56]

b)

een bevel waarbij wordt vastgesteld dat de praktijk een rechtsinbreuk inhoudt en waarbij, indien noodzakelijk, het staken van de praktijk wordt gelast, of waarbij, wanneer de praktijk nog niet heeft plaatsgevonden, maar op het punt staat plaats te vinden, de praktijk wordt verboden.

Om een vordering tot uitvaardiging een bevel in te kunnen stellen, hoeven bevoegde vertegenwoordigende instanties geen mandaat van de betrokken individuele consumenten te verkrijgen of bewijs over te leggen van door de betrokken consumenten daadwerkelijk geleden verlies of schade, noch van opzet of onachtzaamheid van de handelaar. [Am. 55]

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde vertegenwoordigende instanties het recht hebben representatieve vorderingen in te stellen waarbij maatregelen worden gevraagd om de aanhoudende gevolgen van de inbreuk op te heffen. Deze maatregelen worden gevorderd op grond van een definitief besluit waarbij wordt vastgesteld dat een praktijk een inbreuk op het in bijlage I vermelde Unierecht inhoudt die de collectieve belangen van consumenten schaadt, waaronder een in lid 2, onder b), bedoeld definitief bevel. [Am. 57]

4.   Onverminderd artikel 4, lid 4, zorgen de lidstaten ervoor dat bevoegde instanties in het kader van een enkele representatieve vordering zowel maatregelen tot opheffing van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk kunnen vorderen, als de in lid 2 bedoelde maatregelen. [Am. 58]

Artikel 5 bis

Register van collectieve vorderingen

1.     De lidstaten kunnen een nationaal register van collectieve vorderingen opzetten, dat door geïnteresseerden langs elektronische weg of op andere wijze en zonder kosten geraadpleegd moet kunnen worden.

2.     De websites waarop de registers gepubliceerd worden, bieden toegang tot omvattende en objectieve informatie over de beschikbare methoden om schadevergoeding te verkrijgen, onder meer buitengerechtelijke methoden, en over lopende representatieve vorderingen.

3.     De nationale registers worden aan elkaar gekoppeld. Artikel 35 van Verordening (EG) 2017/2394 is van toepassing. [Am. 59]

Artikel 6

Maatregelen tot herstel

1.   Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 3, zorgen de lidstaten ervoor dat bevoegde entiteiten vertegenwoordigende instanties het recht hebben om representatieve vorderingen in te stellen waarbij om een bevel tot herstel wordt verzocht dat de handelaar verplicht om te zorgen voor, onder meer, schadeloosstelling, reparatie, vervanging, prijsvermindering, beëindiging van de overeenkomst of terugbetaling van het betaalde bedrag, al naar gelang het geval. Een lidstaat kan al dan niet voorschrijven dat de betrokken individuele consumenten een mandaat moeten verlenen alvorens een declaratoir besluit wordt genomen of een bevel tot herstel wordt uitgevaardigd. [Am. 60]

Indien een lidstaat voor het instellen van een representatieve vordering geen mandaat van individuele consumenten verlangt, biedt deze lidstaat desondanks personen die niet hun gewone verblijfplaats hebben in de lidstaat waar de vordering wordt ingesteld, de mogelijkheid zich in de procedure te voegen als zij binnen de daarvoor gestelde termijn hun uitdrukkelijke mandaat hebben verleend voor het instellen van de representatieve vordering. [Am. 61]

De bevoegde vertegenwoordigende instantie verstrekt voldoende informatie als vereist krachtens nationaal recht ter ondersteuning van de vordering ter ondersteuning van de vordering alle noodzakelijke informatie die krachtens het nationale recht wordt verlangd , waaronder een omschrijving van de consumenten waarop de vordering betrekking heeft en van de feitelijke en juridische kwesties die moeten worden opgelost. [Am. 62]

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten een rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid verlenen om, in naar behoren gemotiveerde gevallen, waarin vanwege de kenmerken van de individuele schade van de betrokken consumenten de kwantificering van individueel herstel complex is, in plaats van een bevel tot herstel, een declaratoir besluit uit te vaardigen inzake de aansprakelijkheid van de handelaar jegens de consument die schade heeft geleden door een inbreuk op het in bijlage I vermelde Unierecht. [Am. 63]

3.   Lid 2 geldt niet in gevallen waarin:

a)

de consumenten op wie de inbreuk betrekking heeft, kunnen worden geïdentificeerd en vergelijkbare schade hebben geleden als gevolg van dezelfde praktijk met betrekking tot een bepaalde periode of aankoop. In dergelijke gevallen vormt het vereiste dat de betrokken individuele consumenten een mandaat verlenen geen voorwaarde voor het inleiden van de vordering. De vergoeding is bestemd voor de betrokken consumenten;

b)

de consumenten een verlies van geringe waarde hebben geleden en het onevenredig zou zijn om de vergoeding aan hen uit te keren. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat er geen mandaat van de betrokken individuele consumenten is vereist. De vergoeding is bestemd voor een openbaar doel dat de collectieve belangen van consumenten dient. [Am. 64]

4.   De uit hoofde van een definitief besluit overeenkomstig de leden lid 1, 2 en 3 verkregen vergoeding doet geen afbreuk aan eventuele aanvullende eventuele rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van Unie- of nationale wetgeving kunnen genieten. Bij de toepassing van deze bepaling wordt het beginsel van het gezag van gewijsde geëerbiedigd. [Am. 65]

4 bis.     De maatregelen tot herstel hebben ten doel de betrokken consumenten volledige vergoeding van de door hen geleden schade te bieden. Indien er na vergoeding van de schade een niet-opgevraagd bedrag resteert, besluit de rechter aan welke begunstigde dat bedrag toekomt. Niet-opgevraagde bedragen komen niet toe aan de bevoegde vertegenwoordigende instantie of de handelaar. [Am. 66]

4 ter.     Met name is punitieve schadevergoeding die leidt tot overcompensatie van de schade van de eisende partij verboden. Zo is schadevergoeding die consumenten wordt toegekend in geval van massaschade niet hoger dan het bedrag dat de handelaar overeenkomstig de toepasselijke nationale of Uniewetgeving verschuldigd is om de feitelijke schade te dekken die de consumenten individueel hebben geleden. [Am. 67]

Artikel 7

Financiering Ontvankelijkheid van een representatieve vordering [Am. 68]

1.   De bevoegde vertegenwoordigende instantie die een bevel tot herstel vordert als bedoeld in artikel 6, lid 1, vermeldt legt aan de rechter of administratieve autoriteit in een vroeg het vroegste stadium van de vordering de bron een volledig financieel overzicht voor van de middelen alle financieringsbronnen die zij voor haar activiteiten in het algemeen aanwendt en de middelen die zij ter ondersteuning van de vordering aanwendt , om aan te tonen dat er geen sprake is van belangenverstrengeling . Zij toont aan dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om de belangen van de betrokken consumenten zo goed mogelijk te dienen en om de eventuele kosten van de tegenpartij te dragen wanneer de vordering mocht worden afgewezen. [Am. 69]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat in gevallen waarin een representatieve vordering tot herstel door een derde partij wordt gefinancierd, het de derde partij verboden is om: De nationale rechter kan de representatieve vordering niet-ontvankelijk verklaren als hij vaststelt dat de financiering door de derde partij ten doel heeft: [Am. 70]

a)

besluiten van de bevoegde vertegenwoordigende instantie in het kader van een representatieve vordering, onder meer waaronder het inleiden van representatieve vorderingen en besluiten inzake schikkingen, te beïnvloeden; [Am. 71]

b)

een collectieve vordering te financieren tegen een verweerder die een concurrent is van de financier of tegen een verweerder waarvan de financier afhankelijk is;

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat rechters en administratieve autoriteiten de bevoegdheid hebben om de in lid 2 bedoelde omstandigheden te beoordelen en om de bevoegde instantie in voorkomend geval ertoe te verplichten de betreffende financiering te weigeren en om, zo nodig, de procesbevoegdheid van de bevoegde instantie in een specifiek geval te verwerpen zich een oordeel vormen over de afwezigheid van een belangenconflict als bedoeld in lid 1, en dat zij de in lid 2 bedoelde omstandigheden beoordelen ten tijde van de beslissing over de ontvankelijkheid van de representatieve vordering , alsmede in een later stadium van de procedure als de omstandigheden zich pas dan voordoen . [Am. 72]

3 bis.     De lidstaten waarborgen tevens dat de rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid heeft om kennelijk ongegronde zaken in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure te verwerpen. [Am. 73]

Artikel 7 bis

Het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij betaalt

De lidstaten waarborgen dat de partij die in een zaak met betrekking tot een collectieve vordering in het ongelijk gesteld wordt, de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij vergoedt, onder de voorwaarden van het toepasselijke nationale recht. Het gerecht wijst de in het ongelijk gestelde partij echter geen vergoeding toe voor kosten die onnodig zijn gemaakt of die niet in verhouding staan tot de vordering. [Am. 74]

Artikel 8

Schikkingen

1.   Lidstaten kunnen bepalen dat een bevoegde vertegenwoordigende instantie en een handelaar die een schikking hebben getroffen over herstel voor consumenten die het slachtoffer zijn van een beweerdelijk illegale praktijk van die handelaar, gezamenlijk een rechter of administratieve autoriteit kunnen verzoeken om die schikking goed te keuren. Een dergelijk verzoek wordt door de rechter of administratieve autoriteit alleen in behandeling genomen wanneer er bij de rechter of administratie autoriteit van dezelfde lidstaat geen representatieve vordering aanhangig is met betrekking tot dezelfde handelaar en dezelfde praktijk. [Am. 75]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit in het kader van een representatieve vordering te allen tijde de bevoegde instantie en de verweerder, na deze te hebben geraadpleegd, kan uitnodigen om binnen een redelijke termijn tot een schikking te komen over herstel.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit die het in artikel 6, lid 2, bedoelde definitieve besluit heeft uitgevaardigd, de bevoegdheid heeft om van partijen bij de representatieve vordering te verlangen dat zij binnen een redelijke termijn tot een schikking komen over het herstel dat consumenten op grond van dit definitieve besluit moet worden geboden.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde schikkingen worden door de rechter of administratieve autoriteit getoetst. De rechter of administratieve autoriteit beoordeelt de rechtmatigheid en de billijkheid van de schikking, waarbij rekening wordt gehouden met de rechten en belangen van alle partijen, met inbegrip van de betrokken consumenten.

5.   Wanneer de in lid 2 bedoelde schikking niet binnen de gestelde termijn wordt bereikt of de bereikte schikking niet wordt goedgekeurd, zet de rechter of administratieve autoriteit de behandeling van de representatieve vordering voort.

6.   De betrokken individuele consumenten krijgen de mogelijkheid om te aanvaarden dan wel te weigeren door de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde schikkingen gebonden te zijn. Het uit hoofde van een overeenkomstig lid 4 goedgekeurde schikking verkregen herstel is bindend voor alle partijen en doet geen afbreuk aan eventuele aanvullende eventuele rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van Unie- of nationale wetgeving kunnen genieten. [Am. 76]

Artikel 9

Informatie over representatieve vorderingen

-1     De lidstaten zorgen ervoor dat de vertegenwoordigende instanties:

a)

de consumenten informeren over de vermeende schending van aan het recht van de Unie ontleende rechten en over hun voornemen om de staking van die schending te vorderen of een vordering tot schadevergoeding in te stellen;

b)

de betrokken consumenten reeds vooraf in kennis stellen van de mogelijkheid om zich in de procedure te voegen om ervoor te zorgen dat de relevante documenten en andere in het kader van de vordering noodzakelijke gegevens bewaard blijven;

c)

zo nodig informatie verstrekken over vervolgstappen en eventuele juridische gevolgen. [Am. 77]

1.   De lidstaten Als een schikking of onherroepelijk besluit voordelen heeft voor consumenten die daar wellicht niet van op de hoogte zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit de handelaar die inbreuk maakt in het ongelijk gestelde partij of beide partijen ertoe verplicht om de betrokken consumenten op zijn eigen kosten te informeren over de definitieve besluiten waarbij wordt voorzien in de in de artikelen 5 en 6 bedoelde maatregelen, alsmede over de in artikel 8 bedoelde schikkingen, op een wijze die past bij de omstandigheden van het geval en binnen gespecificeerde termijnen, onder meer, waar passend, door al de betrokken consumenten individueel op de hoogte te stellen. De lidstaten kunnen bepalen dat aan deze verplichting om de consumenten te informeren kan worden voldaan door middel van publicatie op een openbaar toegankelijke en gebruikersvriendelijke website [Am. 78]

1 bis.     De in het ongelijk gestelde partij draagt de kosten van het informeren van de consumenten, overeenkomstig het in artikel 7 neergelegde beginsel. [Am. 79]

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat een uitleg in begrijpelijke taal van het onderwerp van de representatieve vordering, de juridische gevolgen ervan en, indien relevant, de door de betrokken consumenten te nemen vervolgstappen. De modaliteiten voor het informeren van de consumenten en de daarvoor geldende termijn worden in samenspraak met de rechter of administratieve autoriteit vastgesteld. [Am. 80]

2 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat als een rechter heeft besloten dat de vordering ontvankelijk is, aan het publiek op toegankelijke wijze, onder meer via de media en online via een openbare website, informatie ter beschikking wordt gesteld over komende, lopende en afgeronde vorderingen. [Am. 81]

2 ter.     De lidstaten zien erop toe dat publieke mededelingen van bevoegde instanties over vorderingen feitelijk zijn en zowel rekening houden met het recht van consumenten op informatie als met het recht van gedaagden op bescherming van de goede naam en het zakengeheim. [Am. 82]

Artikel 10

Gevolgen van definitieve besluiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de vaststelling van een inbreuk die de collectieve belangen van consumenten schaadt bij een definitief besluit van een administratieve autoriteit of een rechter, met inbegrip van een definitief bevel als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), geacht wordt onweerlegbaar het bestaan van die inbreuk vast te stellen met het oog op eventuele andere vorderingen waarbij herstel wordt gevorderd bij hun nationale rechter jegens in het kader van andere vorderingen tot herstel voor de nationale rechter tegen dezelfde handelaar op grond van dezelfde feiten beschouwd wordt als bewijs voor het bestaan respectievelijk niet-bestaan van die inbreuk, om te waarborgen dat dezelfde handelaar inzake dezelfde inbreuk schade niet twee keer aan de betrokken consumenten wordt vergoed . [Am. 83]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat een definitief besluit als bedoeld in lid 1, dat in een andere lidstaat is uitgevaardigd, door hun nationale rechters of administratieve autoriteiten geacht wordt een weerlegbaar vermoeden op te leveren ten minste beschouwd wordt als bewijs dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden. [Am. 84]

2 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat de vaststelling van het bestaan of niet-bestaan van een inbreuk bij een onherroepelijk besluit van een rechter van een lidstaat, in het kader van een andere vordering tot herstel tegen dezelfde handelaar wegens dezelfde inbreuk bij de nationale rechter van een andere lidstaat opgevat moet worden als een weerlegbaar vermoeden van het bestaan, respectievelijk niet-bestaan, van een dergelijke inbreuk. [Am. 85]

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat worden aangespoord om een definitief declaratoir besluit als bedoeld in artikel 6, lid 2, geacht wordt onweerlegbaar de aansprakelijkheid vast te stellen van de handelaar jegens de consumenten die schade door de inbreuk hebben geleden, met het oog op eventuele gegevensbank op te richten met definitieve besluiten inzake vorderingen waarbij tot herstel, wordt gevorderd bij hun nationale rechter jegens dezelfde handelaar inzake die inbreuk. De lidstaten zorgen ervoor dat voor dergelijke vorderingen waarvan gebruik gemaakt kan worden bij andere maatregelen tot herstel, die consumenten individueel instellen, snelle en eenvoudige procedures beschikbaar zijn en om hun beste praktijken op dit gebied te delen . [Am. 86]

Artikel 11

Opschorting van de verjaringstermijn

De lidstaten Overeenkomstig het nationale recht zorgen de lidstaten ervoor dat de indiening van een representatieve vordering als bedoeld in de artikelen 5 en 6 tot gevolg heeft dat de verjaringstermijnen die van toepassing zijn op eventuele vorderingen tot herstel voor de betrokken consumenten personen worden opgeschort of onderbroken, wanneer voor de relevante rechten een verjaringstermijn krachtens het Unierecht of het nationale recht bestaat. [Am. 87]

Artikel 12

Snelheid van de procedure

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 5 en 6 bedoelde representatieve vorderingen met de nodige snelheid worden behandeld.

2.   Representatieve vorderingen waarbij bij wijze van voorlopige maatregel om een bevel wordt verzocht, als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder a), worden behandeld via een versnelde procedure.

Artikel 13

Bewijsmateriaal

De lidstaten zorgen ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit, op verzoek van een bevoegde instantie van de partijen die redelijkerwijs beschikbare feiten , voldoende bewijs en bewijzen heeft overgelegd die volstaan om de representatieve vordering te onderbouwen een inhoudelijke toelichting ter onderbouwing van haar standpunt heeft overgelegd en naar verder specifiek en duidelijk omschreven bewijsmateriaal heeft verwezen waarover de verweerder andere partij de beschikking heeft, in overeenstemming met het nationaal procesrecht kan gelasten, dat zo nauwkeurig mogelijk omschreven als redelijkerwijs mogelijk is op basis van de verweerder beschikbare feiten, dat deze partij dergelijk bewijsmateriaal overlegt, onverminderd de toepasselijke Unie- en nationale regels inzake vertrouwelijkheid. Dit bevel moet evenredig en passend zijn in het betreffende geval, en mag het evenwicht tussen de twee betrokken partijen niet verstoren. [Am. 88]

De lidstaten zorgen ervoor dat de rechterlijke instanties slechts gelasten tot het overleggen van bewijsmateriaal in een omvang als evenredig is. Om te bepalen of het overleggen van bewijsmateriaal waarom een vertegenwoordigende instantie verzoekt evenredig is, houdt de rechter rekening met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen, en met name met de vraag in hoeverre het verzoek om overlegging van bewijsmateriaal gesteund wordt door de beschikbare feiten en de vraag of het bewijsmateriaal waarvan overlegging gevraagd wordt vertrouwelijke informatie bevat. [Am. 89]

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om in het kader van schadevorderingen overlegging te gelasten van bewijsmateriaal dat vertrouwelijke gegevens bevat, indien zij dat bewijsmateriaal relevant achten voor de schadevordering. [Am. 90]

Artikel 14

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn wanneer de in het kader van een representatieve vordering uitgevaardigde definitieve besluiten niet worden nageleefd en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze regels worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat sancties onder meer de vormen vorm kunnen aannemen van boetes. [Am. 91]

3.   Bij de beslissing over de aanwending van de inkomsten uit boetes houden de lidstaten rekening met de collectieve belangen van consumenten . De lidstaten kunnen bepalen dat deze inkomsten worden toegewezen aan een fonds dat is opgericht om representatieve vorderingen te financieren . [Am. 92]

4.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [datum van omzetting van deze richtlijn] van de in lid 1 bedoelde bepalingen in kennis en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.

Artikel 15

Bijstand voor bevoegde vertegenwoordigende instanties [Am. 93]

1.   De lidstaten worden aangespoord om, in overeenstemming met artikel 7, te waarborgen dat bevoegde vertegenwoordigende instanties over voldoende middelen beschikken voor representatieve vorderingen. Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor de toegang tot de rechter te zorgen vergemakkelijken en waarborgen dat proceskosten in verband met representatieve vorderingen voor bevoegde instanties geen financiële belemmering vormen om het recht de in de artikelen 5 en 6 bedoelde maatregelen te vorderen, doeltreffend uit te oefenen, zoals de beperking van de toepasselijke gerechts- of administratieve kosten of het zo nodig bieden van toegang tot rechtshulp aan deze instanties of het met dit oogmerk verstrekken van publieke middelen daaraan. [Am. 94]

1 bis.     De lidstaten bieden structurele steun aan instanties die optreden als bevoegde instanties in de zin van deze richtlijn. [Am. 95]

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in gevallen waarin de bevoegde instanties verplicht zijn de betrokken consumenten te informeren over de aanhangige representatieve vordering, de daarmee verband houdende kosten op de handelaar kunnen worden verhaald indien de vordering slaagt.

3.   De lidstaten en de Commissie ondersteunen en bevorderen de samenwerking tussen bevoegde instanties en de uitwisseling en verspreiding van hun beste praktijken en ervaringen met betrekking tot de aanpak van grensoverschrijdende en binnenlandse inbreuken.

Artikel 15 bis

Vertegenwoordiging in rechte en het honorarium van de advocaat

De lidstaten zien erop toe dat vergoedingen voor advocaten en de wijze waarop deze worden berekend, geen stimulans vormen voor het voeren van rechtszaken die, gelet op de belangen van elk van de partijen, onnodig zijn. In het bijzonder verbieden de lidstaten resultaatafhankelijke honoraria. [Am. 96]

Artikel 16

Grensoverschrijdende representatieve vorderingen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elke bevoegde vertegenwoordigende instantie die van tevoren in een lidstaat is aangewezen overeenkomstig artikel 4, lid 1, de rechters en administratieve autoriteiten van een andere lidstaat kan adiëren na overlegging van de in dat artikel bedoelde openbaar toegankelijke lijst. De rechters of administratieve autoriteiten aanvaarden deze lijst als bewijs van kunnen de procesbevoegdheid van de bevoegde vertegenwoordigende instantie beoordelen, onverminderd hun recht om na te gaan of de doelstelling van de bevoegde vertegenwoordigende instantie het instellen van een vordering in een specifiek geval rechtvaardigt. [Am. 97]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de inbreuk gevolgen heeft of waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor consumenten uit verschillende lidstaten, de representatieve vordering bij een bevoegde rechter of administratieve autoriteit van een lidstaat kan worden ingesteld door meerdere bevoegde instanties uit verschillende lidstaten, die gezamenlijk optreden of worden vertegenwoordigd door een enkele bevoegde instantie, ten behoeve van de bescherming van de collectieve belangen van die consumenten uit verschillende lidstaten.

2 bis.     Een lidstaat waar een procedure inzake collectief verhaal plaatsvindt kan van de in deze lidstaat wonende consumenten een mandaat verlangen, en verlangt van individuele consumenten die in een andere lidstaat woonachtig zijn een mandaat als de vordering grensoverschrijdend is. In dergelijke omstandigheden wordt in het eerste stadium van de procedure aan de rechter of de administratieve autoriteit een geconsolideerde lijst verstrekt van alle consumenten uit andere lidstaten die een dergelijk mandaat hebben verleend. [Am. 98]

3.   Met het oog op grensoverschrijdende representatieve vorderingen en onverminderd de rechten die andere instanties krachtens nationaal recht zijn toegekend, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de lijst van bevoegde instanties die van tevoren zijn aangewezen. De lidstaten delen de Commissie de naam en de doelstelling van deze bevoegde instanties mee. De Commissie maakt deze informatie openbaar en zorgt dat deze actueel blijft.

4.   Wanneer een lidstaat of de Commissie of de handelaar bezwaren opwerpt met betrekking tot de vervulling door een bevoegde vertegenwoordigende instantie van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde criteria, onderzoekt de lidstaat die deze instantie heeft aangewezen deze bezwaren en herroept hij, indien passend, de aanwijzing wanneer een of meer van de criteria niet zijn vervuld. [Am. 99]

Artikel 16 bis

Openbaar register

De lidstaten waarborgen dat de relevante nationale bevoegde autoriteiten een openbaar register opzetten van onrechtmatige handelingen die het voorwerp zijn geweest van een bevel overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. [Am. 100]

Hoofdstuk 3

Slotbepalingen

Artikel 17

Intrekking

Richtlijn 2009/22/EG wordt met ingang van [datum van toepassing van deze richtlijn] ingetrokken, onverminderd artikel 20, lid 2.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 18

Monitoring en evaluatie

1.   Niet eerder dan vijf jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de belangrijkste bevindingen. De evaluatie zal worden verricht conform de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie. In het verslag beoordeelt de Commissie met name het toepassingsgebied van deze richtlijn als gedefinieerd in artikel 2 en bijlage I.

2.   Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn beoordeelt de Commissie of de regels op het gebied van de rechten van vliegtuigpassagiers en treinreizigers een afdoende niveau van consumentenbescherming bieden dat vergelijkbaar is met dat waarin deze richtlijn voorziet. De Commissie is voornemens om, wanneer dat het geval is, passende voorstellen te doen, die met name kunnen bestaan in het schrappen van de in de punten 10 en 15 van bijlage I genoemde handelingen uit het toepassingsgebied van deze richtlijn als gedefinieerd in artikel 2. [Am. 101]

3.   De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks, voor het eerst uiterlijk vier jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn, de volgende informatie die nodig is voor de opstelling van het in lid 1 bedoelde verslag:

a)

het aantal representatieve vorderingen dat uit hoofde van deze richtlijn is ingesteld bij administratieve en justitiële autoriteiten;

b)

het soort bevoegde instantie dat de vorderingen instelt;

c)

het soort inbreuk dat via de representatieve vorderingen wordt aangepakt, de partijen bij de representatieve vorderingen en de economische sector waarop de representatieve vorderingen betrekking hebben;

d)

de lengte van de procedures, vanaf de inleiding van een vordering tot en met de vaststelling van de bevelen als bedoeld in artikel 5, de bevelen tot herstel of de declaratoire besluiten als bedoeld in artikel 6 of de definitieve goedkeuring van de schikking als bedoeld in artikel 8;

e)

de resultaten van de representatieve vorderingen;

f)

het aantal bevoegde instanties dat deelneemt aan het in artikel 15, lid 3, bedoelde mechanisme voor samenwerking en uitwisseling van beste praktijken.

Artikel 18 bis

Evaluatieclausule

Onverminderd artikel 16 beoordeelt de Commissie of grensoverschrijdende representatieve vorderingen het best op Unieniveau aangepakt kunnen worden door de instelling van een Europese Ombudsman voor collectief verhaal. Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn stelt de Commissie hierover een verslag op en dient zij dit verslag, indien passend vergezeld van een voorstel ter zake, in bij het Europees Parlement en de Raad. [Am. 102]

Artikel 19

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van [6 maanden na de termijn voor omzetting].

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 20

Overgangsbepalingen

1.   De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn toe op inbreuken die een aanvang hebben genomen na [datum van toepassing van deze richtlijn].

2.   De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2009/22/EG toe op inbreuken die een aanvang hebben genomen vóór [datum van toepassing van deze richtlijn].

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 66.

(2)  PB C 461 van 21.12.2018, blz. 232.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.

(4)  PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30.

(5)  PB L 345 van 27.12.2017.

(6)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

BIJLAGE I

LIJST VAN IN ARTIKEL 2, LID 1, BEDOELDE BEPALINGEN

(1)

Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29(1).

(2)

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29).

(3)

Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80 van 18.3.1998, blz. 27).

(4)

Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171 van 7.7.1999, blz. 12).

(5)

Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (“Richtlijn inzake elektronische handel”) (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

(6)

Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik: artikelen 86 tot en met 100 (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(7)

Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51).

(8)

Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37): artikel 13.

(9)

Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16).

(10)

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1).

(11)

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).

(12)

Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1).

(13)

Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21): artikel 1, artikel 2, punt c), en artikelen 4 tot 8.

(14)

Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).

(15)

Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14).

(16)

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).

(17)

Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3): artikelen 22, 23 en 24.

(18)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(19)

Richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PB L 33 van 3.2.2009, blz. 10).

(20)

Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).

(21)

Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).

(22)

Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (UCITS) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(23)

Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11).

(24)

Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).

(25)

Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

(26)

Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46);

(27)

Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1): artikelen 183, 184, 185 en 186.

(28)

Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1): artikelen 9, 10, 11 en artikelen 19 tot en met 26.

(29)

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

(30)

Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).

(31)

Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1).

(32)

Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1).

(33)

Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

(34)

Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(35)

Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(36)

Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18).

(37)

Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22).

(38)

Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 172 van 30.6.2012, blz. 10).

(39)

Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(40)

Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63): artikel 13.

(41)

Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen (verordening ODR consumenten) (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 1): artikel 14.

(42)

Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).

(43)

Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).

(44)

Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34): artikelen 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, hoofdstuk 10 en bijlagen I en II.

(45)

Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014 blz. 349).

(46)

Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214): artikelen 3 tot en met 18 en artikel 20, lid 2.

(47)

Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 1).

(48)

Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).

(49)

Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98-121).

(50)

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(51)

Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en –diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).

(52)

Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19).

(53)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(54)

Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).

(55)

Verordening (EU) 2017/1128 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende grensoverschrijdende portabiliteit van online-inhoudsdiensten in de interne markt (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 1).

(56)

Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12)

(57)

Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 8).

(58)

Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).

(59)

Verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2018 inzake de aanpak van ongerechtvaardigde geoblocking en andere vormen van discriminatie van klanten op grond van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging in de interne markt, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2006/2004 en (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 60 van 2.3.2018, blz. 1).

(59 bis)

Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4). [Am. 103]

(59 ter)

Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 357). [Am. 104]

(59 quater)

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1). [Am. 105]

(59 quinquies)

Richtlijn 2014/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van niet-automatische weegwerktuigen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 107). [Am. 106]

(59 sexies)

Verordening (EEG) nr. 2136/89 van de Raad van 21 juni 1989 tot vaststelling van gemeenschappelijke normen voor het in de handel brengen van sardineconserven en van verkoopbenamingen voor conserven van sardines en van sardineachtigen. [Am. 107]

(59 septies)

Verordening (EG) Nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005. [Am. 108]


(1)  Genoemde richtlijn, werd gewijzigd bij Richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999 tot wijziging van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 141 van 4.6.1999, blz. 20).

BIJLAGE II

CORRELATIETABEL

Richtlijn 2009/22/EG

Deze richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 3

Artikel 2, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 2, onder a) en b)

Artikel 12

Artikel 5, lid 2, tweede alinea

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 5, lid 3

Artikel 9

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 14

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 3

Artikel 4, leden 1 tot en met 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 5

Artikel 5, lid 4

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 13

Artikel 15

Artikel 4

Artikel 16

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 18

Artikel 7

Artikel 1, lid 2

Artikel 8

Artikel 19

Artikel 9

Artikel 17

Artikel 20

Artikel 10

Artikel 21

Artikel 11

Artikel 22


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/179


P8_TA(2019)0223

Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst EU-Israël (toetreding van Kroatië) ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09547/2018 — C8-0021/2019 — 2018/0080(NLE))

(Goedkeuring)

(2021/C 108/17)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Raad (09547/2018),

gezien het ontwerpprotocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09548/2018),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0021/2019),

gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0164/2019),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Staat Israël.

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/180


P8_TA(2019)0225

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG (COM(2018)0639 — C8-0408/2018 — 2018/0332(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/18)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0639),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0408/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Deense parlement en het Lagerhuis en het Hogerhuis van het Verenigd Koninkrijk, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien de resultaten van de onlineraadpleging die door de Europese Commissie is uitgevoerd tussen 4 juli 2018 en 16 augustus 2018,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie juridische zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0169/2019);

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 305.


P8_TC1-COD(2018)0332

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van de ontwerpwetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De beslissing om de zomertijd in te voeren werd in het verleden door de lidstaten afzonderlijk genomen. Voor de werking van de interne markt was het daarom belangrijk dat voor de hele Unie een gemeenschappelijke begin- en einddatum van de zomertijd werd vastgesteld om het verzetten van de klok in de lidstaten te coördineren . Overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) passen alle lidstaten op dit moment halfjaarlijkse omschakelingen tussen winter- en de zomertijd toe vanaf . De standaardtijd wordt op de laatste zondag van maart omgeschakeld naar de zomertijd tot de laatste zondag van oktober van hetzelfde jaar. [Am. 1]

(2)

In zijn resolutie van 8 februari 2018 , in het kader van verschillende verzoekschriften, burgerinitiatieven en parlementaire vragen, heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een grondige evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om het belang benadrukt van het handhaven van een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven en van een uniforme EU-tijdsregeling . [Am. 2]

(3)

De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen , te zorgen voor voorspelbaarheid en zekerheid op de lange termijn en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd. [Am. 3]

(3 bis)

Het publieke debat over de zomertijdregeling is niet nieuw en sinds de invoering van de zomertijd zijn er verschillende initiatieven geweest om deze praktijk stop te zetten. Sommige lidstaten hielden nationale raadplegingen en de meeste bedrijven en belanghebbenden hebben een stopzetting van deze praktijk gesteund. De door de Europese Commissie georganiseerde raadpleging heeft tot dezelfde conclusie geleid. [Am. 4]

(3 ter)

In dit verband kan de situatie van de veehouders als voorbeeld dienen aangezien de zomertijd aanvankelijk onverenigbaar werd geacht met de werkmethoden in de landbouw, met name doordat de werkdag zelfs in de standaardtijd al heel vroeg begon. Ook meende men dat de halfjaarlijkse omschakeling naar de zomertijd het moeilijker maakte om producten of dieren op de markt te brengen. En ten slotte werd ervan uitgegaan dat de melkproductie zou dalen doordat de koeien hun natuurlijke melkritme volgden. De moderne landbouwuitrusting en -praktijken hebben de landbouw echter zodanig veranderd dat de meeste van deze punten van bezorgdheid niet langer relevant zijn, hoewel er over het bioritme van dieren en de arbeidsomstandigheden van de landbouwers nog steeds bezorgdheid bestaat. [Am. 5]

(4)

Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat . Ongeveer 4,6 miljoen burgers hebben deelgenomen aan de openbare raadpleging van de Commissie, het grootste aantal reacties dat ooit door de Commissie werd ontvangen. Een aantal burgerinitiatieven heeft de bezorgdheid van het publiek over de halfjaarlijkse bijstelling van de klok benadrukt en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling zomertijdregeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier worden opgeheven. [Am. 6]

(4 bis)

De chronobiologie toont aan dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd van invloed is op het bioritme van het menselijk lichaam, wat een nadelig effect kan hebben op de menselijke gezondheid. Recent wetenschappelijk bewijs wijst duidelijk op een verband tussen bijstellingen van de tijd en hart- en vaatziekten, inflammatoire immuunziekten of hypertensie, als gevolg van de verstoring van het bioritme. Bepaalde groepen, zoals kinderen en ouderen, zijn bijzonder kwetsbaar. Daarom moet in het belang van de volksgezondheid de omschakeling tussen winter- en zomertijd worden afgeschaft. [Am. 7]

(4 ter)

Het grondgebied van de lidstaten — behalve de overzeese gebieden — ligt verspreid over drie verschillende tijdzones met een verschillende standaardtijd, namelijk GMT, GMT+1 en GMT+2. Aangezien de Europese Unie zich over een groot gebied van het noorden naar het zuiden uitstrekt, lopen de effecten van tijd op het daglicht binnen de Unie uiteen. Het is dan ook belangrijk dat de lidstaten rekening houden met de geografische aspecten van tijd, d.w.z. de natuurlijke tijdzones en de geografische ligging, voordat ze hun tijdzone veranderen. De lidstaten moeten burgers en belanghebbenden raadplegen voordat ze hun tijdzone veranderen. [Am. 8]

(4 quater)

Uit een aantal burgerinitiatieven is gebleken dat burgers zich zorgen maken over het halfjaarlijkse verzetten van de klok, en de lidstaten moeten de tijd en de gelegenheid krijgen om hun eigen openbare raadplegingen en effectbeoordelingen uit te voeren teneinde een beter inzicht te krijgen in de gevolgen van de afschaffing van de omschakeling tussen winter- en zomertijd in alle regio's. [Am. 9]

(4 quinquies)

Door de zomertijd vindt de zichtbare zonsondergang tijdens de zomermaanden plaats op een later tijdstip. In de opvatting van veel Unieburgers betekent dit dat er tot 's avonds laat zonlicht is. Een terugkeer naar de “standaardtijd” zou tot gevolg hebben dat de zonsondergang tijdens de zomer een uur vroeger zou plaatsvinden en dat de periode van het jaar waarin er tot 's avonds laat daglicht beschikbaar is aanzienlijk zou worden ingeperkt. [Am. 10]

(4 sexies)

In tal van studies is onderzoek gedaan naar het verband tussen de omschakeling naar de zomertijd en het risico op hartaanvallen, de verstoring van het bioritme, slaapgebrek, gebrek aan concentratie en aandacht, een groter risico op ongelukken, minder tevredenheid met het bestaan en zelfs het aantal zelfdodingen. Langer daglicht, activiteiten in de buitenlucht na het werk of na school en de blootstelling aan zonlicht hebben echter duidelijk enige positieve langetermijneffecten op het algemene welzijn. [Am. 11]

(4 septies)

De omschakeling tussen winter- en zomertijd heeft ook negatieve gevolgen voor het welzijn van dieren, hetgeen in de landbouwsector bijvoorbeeld zichtbaar is doordat de melkproductie van koeien afneemt. [Am. 12]

(4 octies)

Er wordt algemeen aangenomen dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd voor energiebesparing zorgt. Dit was vorige eeuw aanvankelijk inderdaad de reden om de winter- en zomertijd in te voeren. Uit onderzoek blijkt echter dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd weliswaar marginaal bevorderlijk zou kunnen zijn voor het verminderen van de energieconsumptie in de Unie als geheel, maar dat dit niet het geval is in elke lidstaat. De besparing op energie voor verlichting ten gevolge van de omschakeling naar de zomertijd wordt mogelijk ook tenietgedaan doordat meer energie gebruikt wordt voor verwarming. Bovendien zijn de resultaten moeilijk te interpreteren omdat ze sterk worden beïnvloed door externe factoren zoals de meteorologie, het gedrag van energiegebruikers of de lopende energietransitie. [Am. 13]

(5)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig uiterlijk 1 april 2020 in kennis te stellen van hun eventuele voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden op de laatste zondag van oktober 2021 . [Am. 14]

(6)

Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd. [Am. 15]

(6 bis)

Het besluit over welke standaardtijd in elke lidstaat moet worden toegepast, moet worden voorafgegaan door raadplegingen en studies waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van burgers, geografische variaties, regionale verschillen, standaard werkregelingen en andere factoren die relevant zijn voor de specifieke lidstaat. Daarom moeten de lidstaten over voldoende tijd beschikken om de impact van het voorstel te analyseren en te kiezen voor de oplossing die het beste past bij hun bevolking, terwijl rekening wordt gehouden met de goede werking van de interne markt. [Am. 16]

(6 ter)

Een verandering van tijd die losstaat van seizoensverschuivingen brengt overgangskosten met zich mee, met name voor IT-systemen in de vervoerssector en andere sectoren. Om de overgangskosten aanzienlijk te verminderen, is een redelijke voorbereidingsperiode vereist voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. [Am. 17]

(7)

Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019 2021 , zodat op 31 de laatste zondag in maart 2019 2021 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 de laatste zondag in oktober 2019 2021 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 2021 zal toepassen, coördineren. [Am. 18]

(7 bis)

Met het oog op een geharmoniseerde uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten met elkaar samen te werken en op onderling afgestemde en gecoördineerde wijze besluiten te nemen over de door hen beoogde tijdsregelingen. Daarom moet een coördinatiemechanisme worden ingevoerd, bestaand uit een aangewezen vertegenwoordiger per lidstaat en een vertegenwoordiger van de Commissie. Binnen het coördinatiemechanisme moeten de potentiële effecten van elk voorgenomen besluit over de standaardtijden van een lidstaat op de werking van de interne markt besproken en beoordeeld, om ernstige verstoringen te voorkomen. [Am. 19]

(7 ter)

De Commissie dient te beoordelen of de beoogde tijdschema’s in de verschillende lidstaten de goede werking van de interne markt aanzienlijk en blijvend kunnen belemmeren. Indien die beoordeling er niet toe leidt dat de lidstaten hun geplande tijdsregelingen heroverwegen, moet de Commissie de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt met hoogstens 12 maanden kunnen uitstellen en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen. Om die reden, en om de correcte toepassing van deze richtlijn te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn met niet meer dan 12 maanden uit te stellen. [Am. 20]

(8)

Er moet worden toegezien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. De resultaten van dat toezicht moeten door de Commissie worden gepresenteerd in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag moet worden opgesteld op basis van informatie die door de lidstaten aan de Commissie wordt meegedeeld binnen een termijn die haar in staat stelt tijdig verslag uit te brengen.

(9)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn met betrekking tot geharmoniseerde tijdsregelingen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het beginsel van evenredigheid zoals bedoeld in datzelfde artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

(10)

De geharmoniseerde tijdsregeling moet worden toegepast overeenkomstig de bepalingen betreffende het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen als gespecificeerd in artikel 355 VWEU.

(11)

Richtlijn 2000/84/EG moet derhalve worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of -tijden.

2.   Niettegenstaande In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 2021 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 de laatste zondag van oktober 2019 van dat jaar om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2 uiterlijk op 1 april 2020 aan de Commissie mee . [Am. 21]

Artikel 2

1.   Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe. Er wordt hierbij een coördinatiemechanisme vastgesteld, met het oog op het waarborgen van een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van tijdsregelingen in de hele Unie. [Am. 22]

2.   Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het coördinatiemechanisme bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en één vertegenwoordiger van de Commissie. [Am. 23]

2 bis.     Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van zijn besluit overeenkomstig artikel 1, lid 2, komt het coördinatiemechanisme bijeen om de mogelijke gevolgen van de geplande wijziging voor de werking van de interne markt te beoordelen en te bespreken, om aanzienlijke verstoringen te voorkomen. [Am. 24]

2 ter.     Indien de Commissie op basis van de in lid 2 bis bedoelde beoordeling van oordeel is dat de beoogde wijziging de goede werking van de interne markt aanzienlijk zal aantasten, brengt zij de kennisgevende lidstaat hiervan op de hoogte. [Am. 25]

2 quater.     Uiterlijk op 31 oktober 2020 besluit de kennisgevende lidstaat om al dan niet vast te houden aan zijn voornemen. Indien de kennisgevende lidstaat besluit vast te houden aan zijn voornemen, licht hij in detail toe hoe de negatieve effecten van de wijziging op de werking van de interne markt zullen worden aangepakt. [Am. 26]

Artikel 3

1.   De Commissie brengt legt uiterlijk op 31 december 2024 2025 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit een evaluatieverslag voor over de toepassing en tenuitvoerlegging van deze richtlijn , indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel voor een herziening ervan op basis van een grondige effectbeoordeling, waarbij alle relevante belanghebbende betrokken worden . [Am. 27]

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 2025 de relevante informatie. [Am. 28]

Artikel 4

1.   De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 2021 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019 2021 .

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. [Am. 29]

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4 bis

1.     De Commissie zal, in nauwe samenwerking met het in artikel 2 bedoelde coördinatiemechanisme, nauwlettend toezicht houden op de geplande tijdsregelingen in de hele Unie.

2.     Wanneer de Commissie vaststelt dat de beoogde tijdsregelingen, waarvan de lidstaten overeenkomstig artikel 1, lid 2, kennis hebben gegeven, de goede werking van de interne markt aanzienlijk en blijvend kunnen belemmeren, is zij bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn met niet meer dan 12 maanden uit te stellen en zo nodig een wetgevingsvoorstel in te dienen. [Am. 30]

Artikel 4 ter

1.     De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.     De in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] tot … [datum van toepassing van deze richtlijn].

3.     Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.     Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.     Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.     Een overeenkomstig artikel 4 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 31]

Artikel 5

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019 2021 .

Artikel 6

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 305.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.

(3)  Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de zomertijd (PB L 31 van 2.2.2001, blz. 21).


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/187


P8_TA(2019)0226

Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (COM(2016)0864 — C8-0495/2016 — 2016/0380(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2021/C 108/19)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0864),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0495/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Hongaarse parlement, de Oostenrijkse Federale Raad en de Poolse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (3),

gezien de brief van 7 september 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0044/2018),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.

(3)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P8_TC1-COD(2016)0380

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/944.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE DEFINITIE VAN INTERCONNECTOR

“De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers in verband met de herschikte elektriciteitsrichtlijn en de herschikte elektriciteitsverordening, en komt terug op de definitie van “interconnector” die wordt gebruikt in Richtlijn 2009/72/EG en in Verordening (EG) nr. 714/2009. De Commissie is het ermee eens dat de elektriciteitsmarkten anders zijn dan markten zoals die van aardgas, bijvoorbeeld doordat er producten worden verhandeld die momenteel moeilijk kunnen worden opgeslagen en die worden geproduceerd door zeer uiteenlopende productie-installaties, waaronder installaties op distributieniveau. Bijgevolg verschilt de rol van connecties met derde landen in de elektriciteitssector aanzienlijk van die in gassector en kunnen er verschillende regelgevende benaderingen worden gekozen.

De Commissie zal de gevolgen van dit akkoord nader onderzoeken en waar nodig richtsnoeren geven voor de toepassing van de wetgeving.

Met het oog op juridische duidelijkheid wenst de Commissie het volgende te benadrukken:

De overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsrichtlijn heeft betrekking op uitrusting om elektriciteitssystemen onderling te koppelen. Deze formulering maakt geen onderscheid tussen verschillende regelgevingskaders of technische situaties en omvat dus a priori alle elektrische connecties met derde landen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Met betrekking tot de overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsverordening benadrukt de Commissie dat de integratie van de markten voor elektriciteit een hoge mate van samenwerking tussen netbeheerders, marktdeelnemers en toezichthouders vereist. Hoewel de reikwijdte van de toepasselijke regels kan variëren volgens de mate van integratie met de interne elektriciteitsmarkt, dient de nauwe integratie van derde landen in de interne elektriciteitsmarkt, zoals deelname aan marktkoppelingsprojecten, te berusten op overeenkomsten waarbij de toepassing van het relevante recht van de Unie verplicht wordt gesteld.”

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER ALTERNATIEVE GESCHILLENBESLECHTING

De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers over artikel 26 om op EU-niveau te regelen dat leveranciers van energiediensten verplicht moeten deelnemen aan alternatieve geschillenbeslechting. De Commissie betreurt dit besluit, omdat haar voorstel deze keuze aan de lidstaten had overgelaten in lijn met de benadering die is gevolgd in Richtlijn 2013/11/EU betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen (richtlijn ADR consumenten) en rekening houdende met het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel.

Het is niet de taak van de Commissie om de modellen voor individuele alternatieve geschillenbeslechting die de lidstaten hebben opgezet, te vergelijken en te beoordelen. Daarom zal de Commissie de nationale raamwerken voor alternatieve geschillenbeslechting op hun algemene doeltreffendheid beoordelen in het kader van haar algemene verplichting om toe te zien op de omzetting en de daadwerkelijke toepassing van het Unierecht.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/190


P8_TA(2019)0227

Interne markt voor elektriciteit ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (COM(2016)0861 — C8-0492/2016 — 2016/0379(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2021/C 108/20)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0861),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0492/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, de Duitse Bondsdag, het Spaanse parlement, de Franse Senaat, het Hongaarse parlement, de Oostenrijkse Bondsraad, de Poolse Sejm, de Poolse Senaat, de Roemeense Kamer van Afgevaardigden en de Roemeense Senaat, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het beginsel van subsidiariteit,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (3),

gezien de brief van 13 juli 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0042/2018),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

neemt kennis van de aan deze resolutie gehechte verklaringen van de Commissie;

3.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.

(3)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P8_TC1-COD(2016)0379

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/943.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE DEFINITIE VAN INTERCONNECTOR

“De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers in verband met de herschikte elektriciteitsrichtlijn en de herschikte elektriciteitsverordening, en komt terug op de definitie van “interconnector” die wordt gebruikt in Richtlijn 2009/72/EG en in Verordening (EG) nr. 714/2009. De Commissie is het ermee eens dat de elektriciteitsmarkten anders zijn dan markten zoals die van aardgas, bijvoorbeeld doordat er producten worden verhandeld die momenteel moeilijk kunnen worden opgeslagen en die worden geproduceerd door zeer uiteenlopende productie-installaties, waaronder installaties op distributieniveau. Bijgevolg verschilt de rol van connecties met derde landen in de elektriciteitssector aanzienlijk van die in de gassector en kunnen er verschillende regelgevende benaderingen worden gekozen.

De Commissie zal de gevolgen van dit akkoord nader onderzoeken en waar nodig richtsnoeren geven voor de toepassing van de wetgeving.

Met het oog op juridische duidelijkheid wenst de Commissie het volgende te benadrukken:

De overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsrichtlijn heeft betrekking op uitrusting om elektriciteitssystemen onderling te koppelen. Deze formulering maakt geen onderscheid tussen verschillende regelgevingskaders of technische situaties en omvat dus a priori alle elektrische connecties met derde landen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Met betrekking tot de overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsverordening benadrukt de Commissie dat de integratie van de markten voor elektriciteit een hoge mate van samenwerking tussen netbeheerders, marktdeelnemers en toezichthouders vereist. Hoewel de reikwijdte van de toepasselijke regels kan variëren volgens de mate van integratie met de interne elektriciteitsmarkt, dient de nauwe integratie van derde landen in de interne elektriciteitsmarkt, zoals deelname aan marktkoppelingsprojecten, te berusten op overeenkomsten waarbij de toepassing van het relevante recht van de Unie verplicht wordt gesteld.”

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE ROUTEKAARTEN VOOR DE MARKTHERVORMING

De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers met betrekking tot artikel 20, lid 3, bepalende dat lidstaten met geconstateerde zorgpunten in verband met de toereikendheid van hulpbronnen een routekaart publiceren met een tijdschema voor het vaststellen van maatregelen die gericht zijn op het wegnemen van eventuele vastgestelde verstorende effecten van regelgeving en/of tekortkomingen van de markt als onderdeel van het proces van staatssteun.

Krachtens artikel 108 VWEU is de Commissie exclusief bevoegd om de verenigbaarheid van staatssteunmaatregelen met de interne markt te beoordelen. Deze verordening heeft geen invloed op en doet geen afbreuk aan de exclusieve bevoegdheid die het VWEU aan de Commissie toekent. Daarom kan de Commissie, in voorkomende gevallen, parallel aan het proces van goedkeuring van capaciteitsmechanismen uit hoofde van de staatssteunregels een advies over markthervormingsplannen uitbrengen, met dien verstande dat beide processen juridisch van elkaar gescheiden zijn.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/193


P8_TA(2019)0228

Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (herschikking) (COM(2016)0863 — C8-0494/2016 — 2016/0378(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2021/C 108/21)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0863),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0494/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Duitse Bondsdag, de Franse Senaat en de Roemeense Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (3),

gezien de brief van 13 juli 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0040/2018),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.

(3)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P8_TC1-COD(2016)0378

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/942.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/195


P8_TA(2019)0229

Risicoparaatheid in de elektriciteitssector ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG (COM(2016)0862 — C8-0493/2016 — 2016/0377(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/22)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0862),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0493/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0039/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen

(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.


P8_TC1-COD(2016)0377

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/941.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/196


P8_TA(2019)0230

Etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009 (COM(2018)0296 — C8-0190/2018 — 2018/0148(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/23)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0296),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114 en 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0190/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0086/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 280.


P8_TC1-COD(2018)0148

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie is vastbesloten een energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid op te bouwen. Brandstofefficiëntie is een cruciaal aspect van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie en is essentieel voor de matiging van de vraag naar energie.

(2)

De Commissie heeft de doeltreffendheid geëvalueerd (4) van Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) en geconstateerd dat de bepalingen moeten worden bijgewerkt om de doeltreffendheid ervan te verhogen.

(3)

Het is passend Verordening (EG) nr. 1222/2009 te vervangen door een nieuwe verordening waarin in 2011 ingevoerde wijzigingen worden verwerkt, en waarin een aantal bepalingen wordt gewijzigd en versterkt teneinde de inhoud ervan te verduidelijken en bij te werken, rekening houdend met de technologische vooruitgang van de voorbije jaren op het gebied van banden. Aangezien de vraag en het aanbod wat betreft brandstofefficiëntie nauwelijks zijn veranderd, is het in dit stadium niet dienstig om de brandstofefficiëntieklassen te wijzigen. Daarnaast moeten worden onderzocht wat de oorzaken voor dit gebrek aan ontwikkeling zijn en welke rol aankoopfactoren zoals prijs, prestaties, enzovoort daarbij spelen. [Am. 1]

(4)

De vervoersector neemt een derde van het energieverbruik van de Unie voor zijn rekening. Het wegvervoer was in 2015 verantwoordelijk voor ongeveer 22 % van de totale uitstoot van broeikasgassen in de Europese Unie. Banden veroorzaken 5 tot 10 % van het brandstofverbruik van een voertuig, vooral door hun rolweerstand. Een beperking van de rolweerstand van banden zou dus een aanzienlijke bijdrage leveren tot de brandstofefficiëntie van het wegvervoer en bijgevolg tot de beperking van de emissies alsook tot het koolstofvrij maken van de vervoersector . [Am. 2]

(4 bis)

Om de uitdaging van het verminderen van de CO2-uitstoot van het wegvervoer te aan te gaan, is het voor de lidstaten passend om in samenwerking met de Commissie stimulansen te bieden voor het innoveren van een nieuw technologische proces voor brandstofefficiënte en veilige C1-, C2- en C3-banden. [Am. 3]

(5)

Banden hebben een aantal kenmerken die elkaar onderling beïnvloeden samenhangen . Het verbeteren van één parameter, zoals de rolweerstand, kan nadelige gevolgen hebben voor andere parameters, zoals de grip op nat wegdek, en het verbeteren van de grip op nat wegdek kan dan weer nadelige gevolgen hebben voor de rolgeluidemissies. De bandenfabrikanten moeten worden aangemoedigd om alle parameters te optimaliseren boven de reeds gehaalde normen. [Am. 4]

(6)

Brandstofefficiënte banden kunnen rendabel zijn omdat de hogere aankoopprijs van de banden, die het gevolg is van hogere productiekosten, meer dan gecompenseerd wordt door de brandstofbesparing.

(7)

In Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad (6) worden minimumeisen voor de rolweerstand van banden vastgesteld. Door de ontwikkeling van de technologie is het mogelijk het energieverlies door de rolweerstand van banden nog sterker te beperken dan in deze minimumeisen is vastgesteld. Om de invloed van het wegvervoer op het milieu te beperken, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden bijgewerkt om eindgebruikers aan te moedigen brandstofefficiëntere banden te kopen door bijgewerkte geharmoniseerde informatie over deze parameter te verstrekken.

(7 bis)

Door de verbetering van de etikettering van banden wordt de consument in staat gesteld relevantere en meer vergelijkbare informatie te verkrijgen over brandstofefficiëntie, veiligheid en geluid, en om kosteneffectieve en milieuvriendelijke aankoopbeslissingen te nemen bij de aankoop van nieuwe banden. [Am. 5]

(8)

Verkeerslawaai is hinderlijk en heeft schadelijke gevolgen voor de gezondheid. In Verordening (EG) nr. 661/2009 worden minimumeisen voor de rolgeluidemissies van banden vastgesteld. Door de ontwikkeling van de technologie is het mogelijk de rolgeluiden van banden nog sterker terug te dringen dan in deze minimumeisen is vastgesteld. Om het verkeerslawaai terug te dringen, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden bijgewerkt om eindgebruikers aan te moedigen banden met lagere rolgeluidemissies te kopen door geharmoniseerde informatie over deze parameter te verstrekken.

(9)

Door de verstrekking van geharmoniseerde informatie over de rolgeluidemissies kunnen ook gemakkelijker maatregelen worden genomen om verkeerslawaai te beperken, en wordt bijgedragen tot een beter besef van het effect van banden op het verkeerslawaai in het kader van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (7).

(10)

In Verordening (EG) nr. 661/2009 worden minimumeisen voor de grip van banden op nat wegdek vastgesteld. Door de ontwikkeling van de technologie is het mogelijk de grip op nat wegdek sterker te verbeteren dan in deze eisen is vastgesteld en de remafstand op nat wegdek derhalve te verkorten. Om de verkeersveiligheid te verbeteren, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden bijgewerkt om eindgebruikers aan te moedigen banden met goede grip op nat wegdek te kopen door geharmoniseerde informatie over deze parameter te verstrekken.

(11)

Om te zorgen voor overeenstemming met het internationale kader wordt in Verordening (EG) nr. 661/2009 verwezen naar VN/ECE-reglement 117 (8), dat betrekking heeft op de relevante meetmethoden voor de rolweerstand, het geluid, de grip op nat wegdek en de prestaties op sneeuw van banden.

(12)

Om de verkeersveiligheid te verbeteren in de lidstaten van de Unie met koude klimaatomstandigheden en de eindgebruiker informatie te verstrekken over de prestaties van banden die specifiek ontworpen zijn voor het rijden op sneeuw en ijs, dient te worden vereist dat op het etiket voorgeschreven informatie over winterbanden wordt vermeld. Winterbanden hebben specifieke parameters die niet volledig vergelijkbaar zijn met die van andere typen banden. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers weloverwogen en geïnformeerde beslissingen kunnen nemen, moeten op het etiket informatie over de grip op sneeuw, de grip op ijs en de QR-code worden vermeld. De Commissie moet zowel een schaal voor de prestaties met betrekking tot de grip op sneeuw als een schaal voor de prestaties met betrekking tot de grip op ijs ontwikkelen. Deze schalen moeten zijn gebaseerd op VN/ECE-Reglement nr. 117 en ISO 19447 voor respectievelijk sneeuw en ijs. Een band die aan de in VN/ECE-reglement nr. 117 genoemde minimale sneeuwindexwaarden voldoet, moet zijn voorzien van het “3PMSF”-logo (drie bergtoppen met een sneeuwvlok). Een band die aan de in ISO 19447 genoemde minimale ijsindexwaarden voldoet, moet zijn voorzien van het in deze norm overeengekomen ijsbandlogo. [Am. 6].

(13)

De slijtage van banden tijdens het gebruik is een belangrijke bron van microplastics, die schadelijk zijn voor het milieu; derhalve wordt in de mededeling van de Commissie “Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie” (9) aangegeven dat het onopzettelijk vrijkomen van microplastics uit banden moet worden tegengegaan, onder andere door voorlichtingsmaatregelen zoals etikettering en minimumeisen voor banden. Er is momenteel echter geen geschikte testmethode voorhanden om de De toepassing van etiketteringsvoorschriften ten aanzien van de mate van slijtage van banden te meten zou daarom aanzienlijke voordelen voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich meebrengen . Daarom moet de Commissie opdracht geven tot de ontwikkeling van een dergelijke methode, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met alle geavanceerde, internationaal ontwikkelde of voorgestelde normen of verordeningen , evenals met de resultaten van industrieel onderzoek , teneinde zo spoedig mogelijk een geschikte testmethode vast te stellen. [Am. 7]

(14)

Coverbanden maken een wezenlijk deel uit van de markt voor banden voor zware bedrijfsvoertuigen. Door banden te voorzien van een nieuw loopvlak wordt de levensduur ervan verlengd en wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van doelstellingen van de circulaire economie zoals afvalvermindering. Het toepassen van etiketteringsvoorschriften op coverbanden zou aanzienlijke energiebesparingen opleveren. Aangezien er op dit moment echter nog geen geschikte testmethode voorhanden is om de prestaties van coverbanden te meten, moet in deze verordening in de toekomstige opname ervan worden voorzien.

(15)

Het energie-etiket op grond van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad (10), waarbij het energieverbruik van producten wordt ingedeeld in een schaal van “A” tot en met “G”, wordt door meer dan 85 % van de consumenten in de Unie als duidelijk en transparant informatiehulpmiddel erkend en is doeltreffend gebleken voor het bevorderen van efficiëntere producten. Voor het bandenetiket moet zoveel mogelijk hetzelfde ontwerp gebruikt blijven worden, terwijl rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de bandenparameters. [Am. 8]

(16)

Vergelijkbare informatie over bandenparameters in de vorm van een standaardetiket zal naar alle waarschijnlijkheid de aankoopbeslissingen van eindgebruikers beïnvloeden in de richting van veiligere, duurzame, geluidsarmere en brandstofefficiëntere banden. Dit zal op zijn beurt de bandenfabrikanten ertoe aanzetten om deze parameters te optimaliseren, wat de weg effent voor duurzamere consumptie en productie. [Am. 9]

(17)

Het is van belang dat meer informatie over de brandstofefficiëntie en andere parameters van banden wordt verstrekt aan alle eindgebruikers, inclusief kopers van vervangingsbanden en kopers van banden die op nieuwe voertuigen zijn gemonteerd, alsmede aan wagenparkbeheerders en vervoersbedrijven, omdat zij de parameters van verschillende bandenmerken zonder etikettering en geharmoniseerde testmethoden niet gemakkelijk kunnen vergelijken. Bij voertuigen geleverde banden dienen derhalve te allen tijde te worden geëtiketteerd.

(18)

Momenteel is een etiket expliciet vereist voor banden voor auto's (C1-banden) en bestelwagens (C2-banden), maar niet voor zware bedrijfsvoertuigen (C3-banden). Het brandstofverbruik van C3-banden is hoger dan dat van C1- en C2-banden en er worden jaarlijks meer kilometers mee afgelegd, waardoor er aanzienlijke mogelijkheden zijn om het brandstofverbruik en de uitstoot van zware bedrijfsvoertuigen te doen dalen.

(19)

Het volledig onder het toepassingsgebied van deze verordening laten vallen van C3-banden is ook in overeenstemming met het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de monitoring en rapportering van CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (11) en van het voorstel van de Commissie inzake CO2-normen voor zware bedrijfsvoertuigen (12).

(20)

Veel eindgebruikers nemen aankoopbeslissingen met betrekking tot banden zonder de band in het echt te zien en dus ook zonder het etiket te zien dat erop is aangebracht. In al dit soort situaties moet het etiket aan de eindgebruiker worden getoond voordat de definitieve aankoopbeslissing wordt genomen. Door in de verkooppunten een etiket aan te brengen op de banden en dit etiket ook in het technische reclamemateriaal op te nemen, krijgen distributeurs en potentiële eindgebruikers op het moment en de plaats van de aankoopbeslissing geharmoniseerde informatie over de relevante bandenparameters.

(21)

Sommige eindgebruikers kiezen hun banden alvorens zich naar een verkooppunt te begeven of kopen banden per postorder of via internet. Om ook deze eindgebruikers in staat te stellen een geïnformeerde keuze te maken op basis van geharmoniseerde informatie over de brandstofefficiëntie, de grip op nat wegdek, de rolgeluidemissies en andere parameters, moeten de etiketten worden opgenomen in al het technische reclamemateriaal, met inbegrip van het materiaal dat op het internet beschikbaar is.

(22)

Aan potentiële eindgebruikers moet informatie worden verstrekt waarin elk onderdeel van het etiket en de relevantie ervan worden uitgelegd. Deze informatie moet in het technische reclamemateriaal, zoals bijvoorbeeld op websites van leveranciers, worden opgenomen. Onder technisch reclamemateriaal mag niet worden verstaan reclame op reclameborden, in kranten en tijdschriften, op de radio of de televisie. [Am. 10]

(23)

De brandstofefficiëntie, de grip op nat wegdek, de rolgeluidemissie en andere parameters met betrekking tot banden dienen te worden gemeten met behulp van betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende, geavanceerde meet- en berekeningsmethoden. Voor zover mogelijk moeten deze methoden het gemiddelde consumentengedrag weerspiegelen en solide zijn, om de bewuste en onbewuste omzeiling ervan te ontmoedigen. Bandenetiketten dienen de comparatieve prestaties van banden bij werkelijk gebruik weer te geven, binnen de beperkingen die de noodzaak van betrouwbare, accurate en reproduceerbare laboratoriumtests met zich meebrengt, zodat eindgebruikers verschillende banden kunnen vergelijken en de testkosten voor de fabrikanten worden beperkt.

(24)

Het is van essentieel belang dat de leveranciers en distributeurs de bepalingen inzake bandenetikettering naleven om een gelijk speelveld tot stand te brengen in de Unie. De lidstaten moeten daarom toezicht houden op de naleving via markttoezicht en regelmatige controles achteraf, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (13).

(25)

Teneinde het toezicht op de conformiteit te vergemakkelijken, te voorzien in een nuttig instrument voor eindgebruikers en handelaren op alternatieve wijzen productinformatiebladen te laten aanvragen, moeten banden worden opgenomen in de op grond van Verordening (EU) 2017/1369 opgezette productendatabank. Verordening (EU) 2017/1369 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(26)

Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten inzake markttoezicht en de verplichtingen van de leveranciers om de productconformiteit te controleren, dienen de leveranciers de vereiste informatie inzake productconformiteit elektronisch ter beschikking te stellen in de productendatabank.

(27)

Om het vertrouwen van de eindgebruiker in het bandenetiket te behouden, mogen geen andere etiketten worden gebruikt waarmee het bandenetiket wordt nagebootst. Aanvullende etiketten, markeringen, symbolen of opschriften die wat betreft de op het bandenetiket vermelde parameters misleidend of verwarrend kunnen zijn voor de eindgebruiker, dienen om dezelfde reden niet te worden toegestaan.

(28)

De sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(29)

Teneinde de energie-efficiëntie, de beperking van de klimaatverandering en de milieubescherming te bevorderen, mogen de lidstaten stimulansen voor het gebruik van energie-efficiënte producten creëren. De lidstaten kunnen vrij beslissen over de aard van dergelijke stimulansen. Dergelijke stimulansen dienen te voldoen aan de staatssteunregels van de Unie en mogen niet tot ongerechtvaardigde marktbelemmeringen leiden. Deze verordening doet geen afbreuk aan het resultaat van enigerlei toekomstige, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ingeleide staatssteunprocedure ten aanzien van dergelijke stimulansen.

(30)

Teneinde de inhoud en het formaat van het etiket te wijzigen, eisen in te voeren met betrekking tot coverbanden, winterbanden, slijtage en kilometrage, en de bijlagen aan te passen aan de technische vooruitgang, moet de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen hun deskundigen systematisch toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 12]

(30 bis)

Gegevens over de kilometrage en slijtage van banden zullen, wanneer een geschikte testmethode beschikbaar wordt, een nuttig instrument zijn om consumenten te informeren over de duurzaamheid, levensduur en het onopzettelijk vrijkomen van microplastics van de band die zij aanschaffen. Daarnaast kan de eindconsument aan de hand van informatie over de kilometrage een weloverwogen beslissing nemen over banden met een langere levensduur, wat de bescherming van het milieu ten goede komt en hem tegelijkertijd in staat stelt een schatting te maken van de exploitatiekosten van zijn banden op langere termijn. Derhalve moeten prestatiegegevens met betrekking tot de kilometrage en slijtage worden toegevoegd aan het etiket wanneer een relevante, zinvolle en reproduceerbare testmethode beschikbaar wordt voor de toepassing van deze verordening. Het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technologieën op dit gebied moeten worden voortgezet. [Am. 13]

(31)

Banden die al vóór de datum van toepassing van de voorschriften van deze verordening in de handel waren, hoeven niet van een nieuw etiket te worden voorzien.

(32)

Om het vertrouwen in het etiket te versterken en de nauwkeurigheid ervan te waarborgen, moet de verklaring van leveranciers op het etiket met betrekking tot de waarden voor rolweerstand, grip op nat wegdek , grip op sneeuw en geluid het typegoedkeuringsproces ingevolge Verordening (EG) nr. 661/2009 doorlopen. [Am. 14]

(32 bis)

De afmetingen van het etiket moeten dezelfde blijven als de afmetingen die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1222/2009. De details over de grip op sneeuw en de grip op ijs en de QR-code moeten in het etiket worden opgenomen. [Am. 15]

(33)

De Commissie moet een evaluatie van deze verordening verrichten. Ingevolge punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016 moet die evaluatie worden uitgevoerd op basis van de vijf criteria efficiëntie, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde, en een basis verschaffen voor effectbeoordelingen van eventuele verdere maatregelen.

(34)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk verbetering van de veiligheid en de economische en milieuefficiëntie van het wegvervoer door het verstrekken van informatie aan eindgebruikers die hen in staat stelt brandstofefficiëntere, veiligere en stillere banden te kiezen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt omdat daarvoor geharmoniseerde informatie voor eindgebruikers nodig is, en aangezien deze derhalve met het oog op een geharmoniseerd regelgevingskader en een gelijk speelveld voor fabrikanten, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie hiertoe maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Een verordening blijft het geschikte rechtsinstrument, aangezien hierbij duidelijke en gedetailleerde regels worden opgelegd die niet op uiteenlopende wijze door de lidstaten kunnen worden omgezet, waardoor een hogere mate van harmonisering in de hele Unie wordt gewaarborgd. Doordat het regelgevingskader op het niveau van de Unie en niet op het niveau van de lidstaten wordt geharmoniseerd, dalen de kosten voor leveranciers, ontstaat een gelijk speelveld en wordt het vrije verkeer van goederen op de hele interne markt gewaarborgd. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(35)

Verordening (EG) nr. 1222/2009 moet derhalve worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en onderwerp

1.   Deze verordening heeft tot doel de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de economische en milieuefficiëntie van het wegvervoer te verbeteren door het gebruik van brandstofefficiënte, veilige en geluidsarme banden aan te moedigen het gebruik van brandstofefficiënte , veilige, duurzame en geluidsarme banden te bevorderen om zo de effecten op het milieu en de gezondheid te doen afnemen en tegelijkertijd de veiligheid en economische efficiëntie van het wegvervoer te verbeteren. [Am. 16]

2.   Bij deze verordening wordt een kader vastgesteld om via etiketten geharmoniseerde informatie te verstrekken over bandenparameters, waardoor eindgebruikers een geïnformeerde keuze kunnen maken bij de aankoop van banden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op in de handel gebrachte C1-, C2- en C3-banden. [Am. 17]

2.   Deze verordening is ook van toepassing op coverbanden zodra er middels een gedelegeerde handeling ingevolge artikel 12 een geschikte testmethode voor het meten van de prestaties van dergelijke banden aan de bijlagen is toegevoegd.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

professionele terreinbanden;

b)

banden die enkel zijn ontworpen voor montage op voertuigen die voor het eerst zijn geregistreerd vóór 1 oktober 1990;

c)

T-reservebanden voor tijdelijk gebruik;

d)

banden van de snelheidscategorie onder 80 km/h;

e)

banden met een nominale velgdiameter van hoogstens 254 mm of van minstens 635 mm;

f)

banden met trekkrachtbevorderende voorzieningen (bv. spijkerbanden);

g)

banden die enkel zijn ontworpen voor montage op voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor races.

Artikel 3

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“C1-, C2- en C3-banden”: bandenklassen die gedefinieerd zijn in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 661/2009;

2)

“coverband”: een gebruikte band die weer geschikt voor gebruik is gemaakt door middel van de vervanging van het versleten loopvlak door nieuw materiaal;

3)

“T-reservebanden voor tijdelijk gebruik”: reservebanden voor tijdelijk gebruik die ontworpen zijn voor een hogere druk dan die van standaard- en versterkte banden;

4)

“etiket”: een grafisch diagram, in gedrukte of elektronische vorm, ook in de vorm van een sticker, waarop symbolen staan om eindgebruikers te informeren over de prestaties van een band of partij banden met betrekking tot de parameters in bijlage I;

5)

“verkooppunt”: een plaats waar banden worden uitgestald of opgeslagen en te koop worden aangeboden aan eindgebruikers, met inbegrip van autotoonzalen, met betrekking tot aan eindgebruikers te koop aangeboden banden die niet op de voertuigen gemonteerd zijn;

6)

“technisch reclamemateriaal”: documentatie, in gedrukte of elektronische vorm, geproduceerd door de leverancier om reclamemateriaal aan te vullen met ten minste de technische informatie overeenkomstig bijlage V;

7)

“productinformatieblad”: een standaarddocument met de in bijlage IV beschreven informatie, in gedrukte of elektronische vorm;

8)

“technische documentatie”: documentatie die volstaat om markttoezichtautoriteiten in staat te stellen de juistheid van het etiket en het productinformatieblad van een product te beoordelen, met inbegrip van de in bijlage III beschreven informatie;

9)

“productendatabank”: de op grond van Verordening (EU) 1369/2017 opgezette databank die bestaat uit een openbaar, consumentgericht gedeelte waarin informatie over individuele productparameters toegankelijk is langs elektronische weg, een internetportaal voor toegankelijkheid en een conformiteitsgedeelte, met duidelijk omschreven voorschriften inzake toegankelijkheid en beveiliging;

10)

“verkoop op afstand”: het voor verkoop, huur of huurkoop aanbieden van producten via postorder, catalogus, internet, telemarketing of een andere methode waarbij kan worden aangenomen dat de potentiële eindgebruiker het product niet uitgestald ziet;

11)

“fabrikant”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product vervaardigt of een product laat ontwerpen of vervaardigen en dat product onder zijn naam of handelsmerk in de handel brengt;

12)

“importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product uit een derde land in de Unie in de handel brengt;

13)

“gemachtigde vertegenwoordiger”: een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken te vervullen;

14)

“leverancier”: een in de Unie gevestigde fabrikant, een gemachtigde vertegenwoordiger van een fabrikant die niet in de Unie is gevestigd of een importeur die een product in de Unie in de handel brengt;

15)

“distributeur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen, met uitzondering van de leverancier, die een product in de handel brengt;

16)

“op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie;

17)

“in de handel brengen”: een product voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden;

18)

“eindgebruiker”: een consument, een wagenparkbeheerder of een wegvervoersonderneming die een band koopt of voornemens is een band te kopen;

19)

“parameter”: een in bijlage I vermelde bandenparameter, zoals rolweerstand, grip op nat wegdek, rolgeluidemissies, sneeuw, of ijs, kilometrage of slijtage, die bij gebruik van de banden een aanzienlijke invloed heeft op het milieu, de verkeersveiligheid of de gezondheid. [Am. 18]

20)

“bandentype”: een versie van een band waarvan alle eenheden over dezelfde, voor het etiket en het productinformatieblad relevante, technische kenmerken en dezelfde typeaanduiding beschikken;

Artikel 4

Verantwoordelijkheden van bandenleveranciers

1.   Wat betreft C1-, C2- en C3-banden die in de handel worden gebracht, zorgen leveranciers ervoor dat , zonder dat er kosten in rekening worden gebracht : [Am. 19]

a)

elke afzonderlijke band vergezeld gaat van een etiket in overeenstemming met bijlage II in de vorm van een sticker, waarop de informatie en klasse van elke parameter wordt vermeld, zoals uiteengezet in bijlage I, en van een productinformatieblad zoals uiteengezet in bijlage IV; of [Am. 20]

b)

elke partij van één band of meerdere identieke banden vergezeld gaat van een etiket in overeenstemming met bijlage II in gedrukte vorm, waarop de informatie en klasse van elke parameter wordt vermeld, zoals uiteengezet in bijlage I, en van een productinformatieblad zoals uiteengezet in bijlage IV.

2.   Met betrekking tot banden waarvoor via internet reclame wordt gemaakt of die via internet worden verkocht maken leveranciers het etiket beschikbaar en zorgen zij ervoor dat het etiket bij de aankoop zichtbaar in de nabijheid van de prijs wordt getoond en dat het productinformatieblad toegankelijk is. Het etiket kan worden weergegeven in de vorm van een ingebouwde afbeelding, na een muisklik, mouseover of uitvergroting van het beeld op het aanraakscherm, of vergelijkbare technieken . [Am. 21]

3.   Leveranciers zorgen ervoor dat bij elke visuele advertentie voor een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond. [Am. 22]

4.   Leveranciers zorgen ervoor dat bij al het technische reclamemateriaal met betrekking tot een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond en aan de eisen van bijlage V voldoet wordt voldaan . [Am. 23]

5.   Leveranciers zorgen ervoor dat de waarden, de daaraan gekoppelde klassen , de typeaanduiding en alle extra informatie over de prestaties die zij op het etiket vermelden met betrekking tot de essentiële parameters zoals uiteengezet in bijlage I, het typegoedkeuringsproces ingevolge Verordening (EG) nr. 661/2009 hebben doorlopen evenals de parameters van de technische documentatie zoals uiteengezet in bijlage III aan de typegoedkeuringsinstanties zijn voorgelegd voordat zij een band in de handel brengen . De typegoedkeuringsinstantie bevestigt de ontvangst van de documenten van de leverancier en controleert deze documenten . [Am. 24]

6.   Leveranciers zorgen ervoor dat de door hen verstrekte etiketten en productinformatiebladen juist zijn.

7.   Leveranciers stellen op verzoek technische documenten overeenkomstig bijlage III ter beschikking van de autoriteiten van de lidstaten of een geaccrediteerde derde . [Am. 25]

8.   Leveranciers werken samen met de markttoezichtautoriteiten en nemen op eigen initiatief of op verzoek van de markttoezichtautoriteiten onmiddellijk maatregelen ter correctie van een onder hun verantwoordelijkheid vallende situatie die niet strookt met de voorschriften van deze verordening.

9.   Leveranciers verstrekken of tonen geen andere etiketten, merktekens, symbolen of opschriften die niet voldoen aan de voorschriften van deze verordening indien dit zou kunnen leiden tot misleiding of verwarring bij de eindgebruikers met betrekking tot de essentiële parameters.

10.   Leveranciers verstrekken of tonen geen etiketten waarmee het etiket waarin deze verordening voorziet, wordt nagebootst.

Artikel 5

Verantwoordelijkheden van bandenleveranciers in verband met de productendatabank

1.   Met ingang van 1 januari 2020 negen maanden na … [gelieve de datum van inwerkingtreding van deze verordening in te voegen] voeren leveranciers, alvorens een band in de handel te brengen die na die datum is geproduceerd , de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/1369 bepaalde informatie in de productendatabank in , met uitzondering van de gemeten technische parameters van het model .

2.   Uiterlijk op 30 juni 2020 twaalf maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen] voert de leverancier voor banden die in de handel worden gebracht worden geproduceerd tussen [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen] en 31 december 2019 negen maanden minus een dag na [de datum van de inwerkingtreding van deze verordening invoegen] , de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/1369 bepaalde informatie met betrekking tot die banden in de productendatabank in , met uitzondering van de gemeten technische parameters van het model .

2 bis.     Indien de banden in de handel worden gebracht vóór … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen], kan de leverancier de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/1369 bepaalde informatie met betrekking tot die banden in de productendatabank invoeren. [Am. 58]

3.   Tot op het moment van het invoeren van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie in de productendatabank stelt de leverancier, binnen tien dagen na een verzoek van de markttoezichtautoriteiten, een elektronische versie van de technische documentatie ter beschikking voor inspectie.

4.   Een band waaraan wijzigingen worden aangebracht die van betekenis zijn voor het etiket of het productinformatieblad, wordt beschouwd als een nieuw bandentype. De leverancier geeft in de databank aan wanneer hij eenheden van een bandentype niet meer in de handel brengt.

5.   De leverancier bewaart de informatie betreffende dat bandentype in het conformiteitsgedeelte van de databank gedurende vijf jaar nadat de laatste eenheid van dat bandentype in de handel is gebracht.

Artikel 6

Verantwoordelijkheden van bandendistributeurs

1.   Distributeurs zorgen ervoor dat:

a)

het door leveranciers overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), geleverde etiket overeenkomstig bijlage II in de vorm van een sticker op een duidelijke zichtbare plaats is aangebracht op de banden in het verkooppunt; of [Am. 26]

b)

vóór de verkoop van een band, die tot een partij van één band of meerdere identieke banden behoort, het in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde etiket aan de eindgebruiker wordt getoond voorgelegd en in het verkooppunt in de onmiddellijke nabijheid van de band op een duidelijk zichtbare plaats is aangebracht; [Am. 27]

b bis)

het etiket wordt rechtstreeks op de band aangebracht en is volledig leesbaar, en het zicht op het etiket mag door niets worden belemmerd. [Am. 28]

2.   Distributeurs zorgen ervoor dat bij elke visuele advertentie voor een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond. [Am. 29]

3.   Distributeurs zorgen ervoor dat bij al het technische reclamemateriaal met betrekking tot een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond en aan de eisen van bijlage V voldoet wordt voldaan . [Am. 30]

4.   Distributeurs zorgen ervoor dat, als de te koop aangeboden banden niet zichtbaar zijn voor de eindgebruiker, zij de eindgebruiker vóór de verkoop een exemplaar van het etiket verstrekken.

5.   Distributeurs zorgen ervoor dat bij elke op papier gebaseerde verkoop op afstand het etiket wordt getoond en dat de eindgebruiker toegang tot het productinformatieblad heeft via een gratis toegankelijke website of om een gedrukt exemplaar van dat blad kan verzoeken.

6.   Distributeurs die gebruikmaken van op telemarketing gebaseerde verkoop op afstand informeren de eindgebruikers specifiek over de klassen van de essentiële parameters op het etiket, en stellen hen ervan in kennis dat zij toegang tot het volledige etiket en het productinformatieblad hebben via een gratis toegankelijke website of door om een gedrukt exemplaar te verzoeken.

7.   Met betrekking tot banden waarvoor via internet reclame wordt gemaakt of die rechtstreeks via internet worden verkocht maken distributeurs het etiket beschikbaar en zorgen distributeurs zij ervoor dat het etiket bij de aankoop in de nabijheid van de prijs wordt getoond en dat het productinformatieblad toegankelijk is. Het etiket kan worden weergegeven in de vorm van een ingebouwde afbeelding, na een muisklik, mouseover of uitvergroting van het beeld op het aanraakscherm, of door middel van vergelijkbare technieken . [Am. 31]

Artikel 7

Verantwoordelijkheden van leveranciers en distributeurs van voertuigen

Als eindgebruikers voornemens zijn een nieuwe auto te kopen, verstrekken leveranciers en distributeurs van voertuigen hun het etiket voor de bij het voertuig aangeboden banden en het relevante technische reclamemateriaal.

Artikel 8

Test- en meetmethoden

De uit hoofde van de artikelen 4, 6 en 7 vereiste informatie inzake de op het etiket vermelde parameters wordt verkregen door overeenkomstig de in bijlage I bedoelde test- en meetmethoden testmethoden en de in bijlage VI bedoelde procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria toe te passen. [Am. 32]

Artikel 9

Controleprocedure

De lidstaten controleren volgens de procedure van bijlage VII de conformiteit van de opgegeven klassen voor elk van de in bijlage I vermelde essentiële parameters.

Artikel 10

Verplichtingen van de lidstaten

1.   De lidstaten verhinderen het in de handel brengen of het in gebruik nemen, op hun grondgebied, van banden die in overeenstemming zijn met deze verordening, niet.

2.   De lidstaten mogen geen maatregelen nemen die de verkoop bevorderen van banden die inzake brandstofefficiëntie of grip op nat wegdek niet voldoen aan klasse B, in de zin van bijlage I, respectievelijk delen A en B. Fiscale en budgettaire maatregelen worden niet beschouwd als stimulansen voor de toepassing van deze verordening.

2 bis.     De lidstaten zien erop toe dat de nationale markttoezichtautoriteiten een systeem installeren van routinematige en ad-hocinspecties van verkooppunten met als doel de naleving van deze verordening te garanderen. [Am. 33]

3.   De lidstaten stellen de regels voor sancties en handhavingsmechanismen vast die worden toegepast wanneer deze verordening of de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen niet worden nageleefd, en zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

4.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 juni 2020 in kennis van nog niet bij de Commissie aangemelde regels als bedoeld in lid 3, en stellen de Commissie onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.

Artikel 11

Markttoezicht in de Unie en controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen

1.   [De artikelen 16 tot en met 29 van Verordening (EG) nr. 765/2008/verordening inzake naleving en handhaving voorgesteld in COM(2017)0795] zijn van toepassing op producten die onder deze verordening en de desbetreffende op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen vallen.

2.   De Commissie ondersteunt en moedigt de samenwerking en de uitwisseling van informatie betreffende markttoezicht met betrekking tot de etikettering van producten aan tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met het markttoezicht op of de controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen, alsmede tussen die autoriteiten en de Commissie, met name door de “ADCO”-deskundigengroep (Administratieve Coöperatie voor Markttoezicht) inzake bandenetikettering hierbij nauwer te betrekken.

3.   In de krachtens [artikel 13 van Verordening (EG) nr. 765/2008/verordening inzake naleving en handhaving voorgesteld onder COM(2017)0795] vastgestelde algemene markttoezichtprogramma's van de lidstaten worden maatregelen opgenomen om de doeltreffende handhaving van deze verordening te waarborgen en deze programma's worden versterkt . [Am. 34]

Artikel 11 bis

Coverbanden

De Commissie stelt uiterlijk … [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen door nieuwe informatievereisten in te voeren in de bijlagen voor coverbanden, mits een geschikte en uitvoerbare testmethode beschikbaar is. [Am. 35]

Artikel 12

Gedelegeerde handelingen

De Commissie is overeenkomstig artikel 13 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)

veranderingen aan te brengen in de inhoud en opmaak van het etiket;

a bis)

parameters en informatievereisten vast te stellen met betrekking tot winterbanden; [Am. 37]

a ter)

een geschikte testmethode in te voeren om de prestaties van banden met betrekking tot de grip op sneeuw en ijs te meten; [Am. 38]

b)

parameters of informatievereisten op te nemen in de bijlagen, met name met betrekking tot kilometrage en slijtage, op voorwaarde dat er geschikte testmethoden beschikbaar zijn; [Am. 39]

c)

de waarden, berekeningsmethoden en vereisten van de bijlagen aan te passen aan de technische vooruitgang.

Indien passend voert De Commissie voert bij het voorbereiden van gedelegeerde handelingen tests uit met representatieve groepen van klanten in de Unie om te waarborgen dat zij het ontwerp en de inhoud van de etiketten van specifieke productgroepen banden goed begrijpen. [Am. 40]

Artikel 13

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14

Evaluatie en verslaglegging

Uiterlijk op 1 juni 2026 2022 voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening , die wordt vervolledigd met een effectbeoordeling en legt een consumentenonderzoek, en dient zij een verslag voor aan in bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening. [Am. 41]

In dat verslag wordt beoordeeld in welke mate deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen eindgebruikers daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gegeven banden met betere prestaties te kiezen, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten ervan op het bedrijfsleven, het brandstofverbruik, de veiligheid, broeikasgasemissies, en activiteiten op het gebied van markttoezicht en het consumentenbewustzijn . Ook zullen daarin de kosten en de baten van onafhankelijke en verplichte verificatie door derden van de op het etiket vermelde informatie worden beoordeeld, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de ervaring die in het ruimere kader van Verordening (EG) nr. 661/2009 is opgedaan. [Am. 42]

Artikel 15

Wijziging van Verordening (EU) 2017/1369

Artikel 12, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1369 wordt vervangen door:

“a)

de markttoezichtautoriteiten ondersteunen bij de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen, met inbegrip van de handhaving daarvan, en uit hoofde van Verordening (EU) [verwijzing naar de onderhavige verordening invoegen]”.

Artikel 16

Intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

Verordening (EG) nr. 1222/2009 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen overeenkomstig de in bijlage VIII opgenomen concordantietabel.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juni 2020 … [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] . [Am. 43]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 280.

(2)  PB C […] van […], blz. […].

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.

(4)  COM(2017)0658.

(5)  Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46).

(6)  Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).

(8)  PB L 307 van 23.11.2011, blz. 3.

(9)  COM(2018)0028.

(10)  Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).

(11)  COM(2017)0279.

(12)  Verwijzing invoegen zodra het voorstel is goedgekeurd.

(13)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

(14)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

BIJLAGE I

Testen, indelen in klassen en meten van bandenparameters

Deel A: Brandstofefficiëntieklassen

De brandstofefficiëntieklasse wordt vastgesteld en op het etiket aangegeven op basis van de rolweerstandscoëfficiënt (RRC), volgens de hieronder gespecificeerde schaal van “A” tot en met “G”, en gemeten overeenkomstig bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, waarbij de testlaboratoria op elkaar worden afgestemd volgens de procedure van bijlage VI. [Am. 44]

Als een bandentype voor meer dan één bandenklasse wordt goedgekeurd (bv. C1 en C2), wordt dit bandentype ingedeeld in de brandstofefficiëntieklasse van de hoogste bandenklasse (bv. C2, niet C1).

De F-klasse voor C1-, C2- en C3-banden mag na de volledige toepassing van de bepaling inzake de typegoedkeuringsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 661/2009 niet meer in de handel worden gebracht en wordt in het grijs op het etiket weergegeven. [Am. 45]

C1-banden

C2-banden

C3-banden

RRC in kg/t

Energie-

efficiëntie-

klasse

RRC in kg/t

Energie-

efficiëntie-

klasse

RRC in kg/t

Energie-

efficiëntie-

klasse

RRC ≤ 5,4 6,5

A

RRC ≤4,4

A

RRC ≤ 3,1 4,0

A

5,5 6,6 RRC ≤ 6,5 7,7

B

4,5 ≤ RRC ≤5,5

B

3,2 ≤ RRC ≤ 4,0 4,1 ≤ RRC ≤ 5,0

B

6,6 7,8 RRC7,7 9,0

C

5,6 ≤ RRC ≤6,7

C

4,1 ≤ RRC ≤ 5,0 5,1 ≤ RRC ≤ 6,0

C

7,8 ≤ RRC ≤ 9,0 Leeg

D

6,8 ≤ RRC ≤ 8,0 Leeg

D

5,1 ≤ RRC ≤ 6,0 6,1 ≤ RRC ≤ 7,0

D

9,1 ≤ RRC ≤10,5

E

8,1 ≤ RRC ≤9,2

E

6,1 ≤ RRC ≤ 7,0 7,1 ≤ RRC ≤ 8,0

E

RRC ≥ 10,6 10,6 ≤ RRC ≤ 12,0

F

RRC ≥ 9,3 9,3  ≤ RRC ≤ 10,5

F

RRC ≥ 7,1 RRC ≥ 8,1

F

[Am. 46]

Deel B: Klassen grip op nat wegdek

1.

De klasse grip op nat wegdek wordt vastgesteld en op het etiket aangegeven op basis van de index van grip op nat wegdek (G), volgens de in onderstaande tabel gespecificeerde schaal van “A” tot en met “G”, en wordt berekend overeenkomstig punt 2 en gemeten overeenkomstig bijlage 5 bij VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 47]

1 bis.

De F-klasse voor C1-, C2- en C3-banden mag na de volledige toepassing van de bepaling inzake de typegoedkeuringsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 661/2009 niet meer in de handel worden gebracht en wordt in het grijs op het etiket weergegeven. [Am. 48]

2.

Berekening van de index van grip op nat wegdek (G)

G = G(T) - 0,03

waarbij:

G(T) = de index van grip op nat wegdek van de kandidaatband, gemeten in één testcyclus

C1-banden

C2-banden

C3-banden

G

Klasse grip op nat wegdek

G

Klasse grip op nat wegdek

G

Klasse grip op nat wegdek

1,68 1,55 ≤ G

A

1,53 1,40 ≤ G

A

1,38 1,25 ≤ G

A

1,55 ≤ G ≤ 1,67 1,40 ≤ G ≤ 1,54

B

1,40 ≤ G ≤ 1,52 1,25 ≤ G ≤ 1,39

B

1,25 ≤ G ≤ 1,37 1,10 ≤ G ≤ 1,24

B

1,40 ≤ G ≤ 1,54 1,25 ≤ G ≤ 1,39

C

1,25 ≤ G ≤ 1,39 1,10 ≤ G ≤ 1,24

C

1,10 ≤ G ≤ 1,24 0,95 ≤ G ≤ 1,09

C

1,25 ≤ G ≤ 1,39 Leeg

D

1,10 ≤ G ≤ 1,24 Leeg

D

0,95 ≤ G ≤ 1,09 0,80 ≤ G ≤ 0,94

D

1,10 ≤ G ≤1,24

E

0,95 G ≤1,09

E

0,80 ≤ G ≤ 0,94 0,65 ≤ G ≤ 0,79

E

G ≤1,09

F

G ≤0,94

F

0,65 ≤ G ≤ 0,79 G ≤ 0,64

F

Leeg

G

Leeg

G

G ≤ 0,64

G

[Am. 49]

Deel C: Klassen en gemeten waarde van de rolgeluidemissie [Am. 50]

De gemeten waarde van de rolgeluidemissie (N) wordt uitgedrukt in decibel en berekend overeenkomstig bijlage 3 bij VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 51]

De rolgeluidemissieklasse moet als volgt worden vastgesteld en op het etiket worden aangegeven op basis van overeenkomstig de grenswaarden (LV) in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 661/2009 fase 2 zoals vastgesteld in VN/ECE-reglement nr. 117 . [Am. 52]

N in dB

Rolgeluidemissieklasse

Image 1

N ≤ LV — 6 N ≤ LV — 3

Image 2

LV — 6 < N ≤ LV — 3 LV — 3 < N ≤ LV

Image 3

N > LV — 3 N > LV

[Am. 53]

Deel D: Grip op sneeuw

De prestaties op sneeuw worden getest op het etiket vermeld overeenkomstig bijlage 7 bij VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 54]

Een band die aan de in VN/ECE-reglement nr. 117 genoemde minimale sneeuwindexwaarden voldoet, wordt ingedeeld als sneeuwband, en het volgende pictogram wordt kan op het etiket worden vermeld. [Am. 55]

Image 4

Deel E: Grip op ijs

De prestaties op ijs worden getest op het etiket vermeld overeenkomstig ISO 19447. [Am. 56]

Een band die aan de in ISO 19447 genoemde minimale ijsindexwaarden voldoet en is goedgekeurd overeenkomstig de vereisten in VN/ECE-reglement nr. 117 met betrekking tot prestaties op sneeuw , wordt ingedeeld als ijsband, en het volgende pictogram wordt kan op het etiket worden vermeld. [Am. 57]

Image 5

BIJLAGE II

Opmaak van het etiket

1.   ETIKETTEN

1.1.

De volgende informatie wordt op de etiketten vermeld overeenkomstig de onderstaande afbeeldingen.

Image 6

Image 7

Image 8

I.

Naam van de leverancier of het handelsmerk;

II.

De typeaanduiding van de leverancier, d.w.z. de doorgaans alfanumerieke code waarmee een specifiek bandentype wordt onderscheiden van andere typen met hetzelfde handelsmerk of dezelfde leveranciersnaam;

III.

QR-code;

IV.

Brandstofefficiëntie;

V.

Grip op nat wegdek;

VI.

Rolgeluidemissies;

VII.

Grip op sneeuw;

VIII.

Grip op ijs.

2.   ONTWERP VAN HET ETIKET

2.1.

Het etiket moet overeenstemmen met het onderstaande model:

Image 9

2.2.

Het etiket is minimaal 90 mm breed en 130 mm hoog. Als het etiket op groter formaat wordt afgedrukt, moet de inhoud evenredig met bovenstaande specificaties blijven.

2.3.

Het etiket moet aan de volgende voorschriften beantwoorden:

(a)

De gebruikte kleuren zijn: cyaan, magenta, geel en zwart — en worden volgens het volgende voorbeeld gebruikt: 00-70-X-00: 0 % cyaan, 70 % magenta, 100 % geel, 0 % zwart;

(b)

De onderstaande cijfers verwijzen naar de legenda van punt 2.1.:

(1)

Rand van het etiket: lijndikte: 1,5 pt — kleur: X-10-00-05;

(2)

Calibri regular 8 pt;

(3)

Europese vlag: breedte: 15 mm, hoogte: 10 mm;

(4)

Kop: breedte: 51,5 mm, hoogte: 13 mm;

Tekst “MERK”:Calibri regular 15 pt, 100 % wit;

Tekst “Modelnummer”:Calibri regular 13 pt, 100 % wit;

(5)

QR-code: breedte: 13 mm, hoogte: 13 mm;

(6)

Schaal van “A” tot en met “F”:

Pijlen: hoogte: 5,6 mm, tussenruimte: 0,78 mm, dikte zwarte lijn: 0,5 pt — kleuren:

A: X-00-X-00;

B: 70-00-X-00;

C: 30-00-X-00;

D: 00-00-X-00;

E: 00-30-X-00;

F: 00-70-X-00.

(7)

Lijn: breedte: 88 mm, hoogte: 2 pt — kleur: X-00-00-00;

(8)

Pictogram rolgeluidemissie:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 25,5 mm, hoogte: 17 mm — kleur: X-10-00-05;

(9)

Pijl:

Pijl: breedte: 20 mm, hoogte: 10 mm, 100 % zwart;

Tekst: Helvetica Bold 20 pt, 100 % wit;

Tekst van de eenheid: Helvetica Bold 13 pt, 100 % wit;

(10)

Pictogram ijs:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 15 mm, hoogte: 15 mm — dikte lijn: 1,5 pt — kleur: 100 % zwart;

(11)

Pictogram sneeuw:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 15 mm, hoogte: 15 mm — dikte lijn: 1,5 pt — kleur: 100 % zwart;

(12)

“A” tot en met “G”: Calibri regular 13 pt — 100 % zwart;

(13)

Pijlen:

Pijlen: breedte: 11,4 mm, hoogte: 9 mm, 100 % zwart;

Tekst: Calibri Bold 17 pt, 100 % wit;

(14)

Pictogram brandstofefficiëntie:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 19,5 mm, hoogte: 18,5 mm — kleur: X-10-00-05;

(15)

Pictogram grip op nat wegdek:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 19 mm, hoogte: 19 mm — kleur: X-10-00-05.

(c)

De achtergrond is wit.

2.4.

De bandenklasse moet op het etiket vermeld zijn in het formaat dat in de afbeelding van punt 2.1. is weergegeven.

BIJLAGE III

Technische documentatie

De in artikel 4, lid 7, bedoelde technische documentatie omvat het volgende:

(a)

de naam en het adres van de leverancier;

(b)

de identificatie en handtekening van de persoon die gemachtigd is om de leverancier te binden;

(c)

de naam van de leverancier of het handelsmerk;

(d)

het bandentype;

(e)

de afmetingen, belastingsindex en snelheidscategorie van de band;

(f)

de verwijzingen naar de toegepaste meetmethoden.

BIJLAGE IV

Productinformatieblad

De informatie in het productinformatieblad van de banden moet in de productbrochure of andere bij het product verstrekte documenten worden opgenomen en omvat het volgende:

(a)

de naam van de leverancier of het handelsmerk;

(b)

de typeaanduiding van de leverancier;

(c)

de brandstofefficiëntieklasse van de band overeenkomstig bijlage I;

(d)

de klasse grip op nat wegdek van de band overeenkomstig bijlage I;

(e)

de klasse en de waarde (dB) van de rolgeluidemissie overeenkomstig bijlage I;

(f)

of de band een sneeuwband is;

(g)

of de band een ijsband is.

BIJLAGE V

Informatie in het technische reclamemateriaal

1.

De informatie over de banden in het technische reclamemateriaal moet in de onderstaande volgorde worden weergegeven:

(a)

de brandstofefficiëntieklasse (letter “A” tot en met “F”);

(b)

de klasse grip op nat wegdek (letter “A” tot en met “G”);

(c)

de klasse en de gemeten waarde (dB) van de rolgeluidemissie;

(d)

of de band een sneeuwband is;

(e)

of de band een ijsband is.

2.

De informatie in punt 1 moet aan de volgende vereisten voldoen:

(a)

gemakkelijk leesbaar zijn;

(b)

gemakkelijk te begrijpen zijn;

(c)

wanneer een bepaald type band, door verschillen in afmetingen of andere parameters, in verschillende klassen kan worden ingedeeld, wordt het verschil tussen de slechtst en de best presterende band vermeld.

3.

Leveranciers moeten eveneens het volgende vermelden op hun websites:

(a)

een link naar de specifieke website van de Commissie in verband met deze verordening;

(b)

een toelichting bij de op het etiket gebruikte pictogrammen;

(c)

een verklaring waarin zij benadrukken dat in de eerste plaats het gedrag van de bestuurder bepalend is voor het brandstofverbruik en de verkeersveiligheid, en met name dat:

ecologisch verantwoord rijden het brandstofverbruik aanzienlijk kan doen dalen;

de bandendruk regelmatig moet worden gecontroleerd om de grip op nat wegdek en de brandstofefficiëntie te optimaliseren;

de remafstanden altijd strikt in acht moeten worden genomen.

BIJLAGE VI

Procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria met het oog op het meten van de rolweerstand

1.   Definities

In de procedure voor het op elkaar afstemmen van de laboratoria wordt verstaan onder:

1.

“referentielaboratorium”: een laboratorium dat deel uitmaakt van het netwerk van laboratoria waarvan de naam met het oog op de afstemmingsprocedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, en dat de in deel 3 vastgestelde nauwkeurigheid van de testresultaten kan bereiken met zijn referentiemachine;

2.

“kandidaatlaboratorium”: een laboratorium dat deelneemt aan de afstemmingsprocedure maar dat geen referentielaboratorium is;

3.

“afstemmingsband”: een band die wordt getest voor het uitvoeren van de afstemmingsprocedure;

4.

“set afstemmingsbanden”: een set van vijf of meer afstemmingsbanden voor het afstemmen van één enkele machine;

5.

“toegewezen waarde”: een theoretische waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (RRC) van één afstemmingsband, zoals gemeten door een theoretisch laboratorium dat representatief is voor het netwerk van referentielaboratoria dat gebruikt wordt voor de afstemmingsprocedure;

6.

“machine”: elke as voor het testen van banden in één specifieke meetmethode. Als bijvoorbeeld twee assen op dezelfde trommel werken, dan worden deze niet als één machine beschouwd.

2.   Algemene bepalingen

2.1.   Principe

De gemeten (m) rolweerstandscoëfficiënt in een referentielaboratorium (l), (RRCm, l ), wordt afgestemd op de toegewezen waarden van het netwerk van referentielaboratoria.

De gemeten (m) rolweerstandscoëfficiënt verkregen door een machine in een kandidaatlaboratorium (c), RRCm, c , wordt afgestemd op een referentielaboratorium naar keuze.

2.2.   Eisen inzake de keuze van banden

Voor de afstemmingsprocedure wordt een set van vijf of meer afstemmingsbanden gekozen, overeenkomstig de onderstaande criteria. Eén set wordt gekozen voor C1- en C2-banden samen, en één set voor C3-banden.

(a)

De set afstemmingsbanden wordt zodanig gekozen dat ze de reeks verschillende RRC’s van C1- en C2-banden samen, of van C3-banden, omvatten. Het verschil tussen de hoogste RRCm van de bandenset en de laagste RRCm van de bandenset moet voor en na afstemming minstens gelijk zijn aan:

(i)

3 kg/t voor C1- en C2-banden; en

(ii)

2 kg/t voor C3-banden.

(b)

De RRCm in de kandidaat- of referentielaboratoria (RRCm, c of RRCm, l ) op basis van de opgegeven RRC-waarden van elke afstemmingsband van de set wordt gelijkmatig verdeeld.

(c)

De belastingsindexwaarden moeten die van de te testen banden omvatten, waarbij erop moet worden toegezien dat de rolweerstandswaarden ook die van de te testen banden omvatten.

Voordat een afstemmingsband wordt gebruikt, moet hij worden gecontroleerd en worden vervangen wanneer:

(a)

hij in een zodanige staat verkeert dat hij voor verdere tests niet meer kan worden gebruikt; en/of

(b)

er RRCm, c - of RRCm, l -afwijkingen zijn van meer dan 1,5 % ten opzichte van eerdere metingen, na correctie voor eventueel verloop van de machine.

2.3.   Meetmethode

Het referentielaboratorium meet elke afstemmingsband vier keer en behoudt de drie laatste resultaten voor verdere analyse, overeenkomstig deel 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, en volgens de voorwaarden van deel 3 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan.

Het kandidaatlaboratorium meet elke afstemmingsband (n + 1) keer, waarbij n gespecificeerd is in deel 5, en behoudt de laatste n resultaten voor verdere analyse, overeenkomstig deel 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, en volgens de voorwaarden van deel 3 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan.

Bij elke meting van een afstemmingsband moet de band/wielcombinatie van de machine worden genomen en moet de volledige testprocedure van punt 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan opnieuw van voren af aan worden gevolgd.

Het kandidaat- of referentielaboratorium berekent:

(a)

de gemeten waarde van elke afstemmingsband voor elke meting, zoals gespecificeerd in bijlage 6, punten 6.2 en 6.3, van VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan (d.w.z. gecorrigeerd voor een temperatuur van 25 oC en een trommeldiameter van 2 m);

(b)

het gemiddelde van de laatste drie (voor referentielaboratoria) of n (voor kandidaatlaboratoria) gemeten waarden voor elke afstemmingsband; en

(c)

de standaardafwijking (σm):

Image 10

waarbij:

i = een getal van 1 tot p voor het aantal afstemmingsbanden;

j = een getal van 2 tot n+1 voor de n laatste herhalingen van elke meting van een bepaalde afstemmingsband;

n+1 = het aantal keren dat een bandenmeting wordt herhaald (n+1=4 voor referentielaboratoria en n+1≥4 voor kandidaatlaboratoria);

p = het aantal afstemmingsbanden (p ≥ 5).

2.4.   Gegevensformaat dat moet worden gebruikt voor de berekeningen en resultaten

De gemeten RRC-waarden, gecorrigeerd op basis van trommeldiameter en temperatuur, worden afgerond op twee decimalen.

Vervolgens worden de berekeningen gemaakt met alle cijfers: er vindt geen verdere afronding plaats, tenzij van de uiteindelijke afstemmingsvergelijkingen.

Alle standaardafwijkingswaarden worden weergegeven tot op drie decimalen.

Alle RRC-waarden worden weergegeven tot op twee decimalen.

Alle afstemmingscoëfficiënten (A1l, B1l, A2c en B2c) worden afgerond en weergegeven tot op vier decimalen.

3.   Eisen voor referentielaboratoria en vaststelling van de toegewezen waarden

De toegewezen waarden van elke afstemmingsband worden vastgesteld door een netwerk van referentielaboratoria. Om de twee jaar beoordeelt het netwerk de stabiliteit en geldigheid van de toegewezen waarden.

Elk referentielaboratorium dat aan het netwerk deelneemt, moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan en mag de volgende standaardafwijking (σm) hebben:

(a)

niet meer dan 0,05 kg/t voor C1- en C2-banden; en

(b)

niet meer dan 0,05 kg/t voor C3-banden.

De sets afstemmingsbanden, die moeten beantwoorden aan de specificaties van punt 2.2, worden door elk referentielaboratorium van het netwerk gemeten overeenkomstig punt 2.3.

De toegewezen waarde van elke afstemmingsband is het gemiddelde van de waarden die de referentielaboratoria van het netwerk voor deze afstemmingsband hebben gemeten.

4.   Procedure voor de afstemming van een referentielaboratorium op de toegewezen waarden

Elk referentielaboratorium (l) moet zich afstemmen op elke nieuwe set van toegewezen waarden en in ieder geval na elke belangrijke wijziging van de machine en bij elk verloop in de monitoringsgegevens van de controleband van de machine.

De afstemming gebeurt aan de hand van een lineaire regressietechniek, uitgevoerd op alle afzonderlijke gegevens. De regressiecoëfficiënten, A1 l en B1l, worden als volgt berekend:

Image 11

waarbij:

RRC = de toegewezen waarde van de rolweerstandscoëfficiënt;

RRCm, l = de door het referentielaboratorium individueel gemeten waarde “l” van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties op basis van de temperatuur en de trommeldiameter).

5.   Eisen voor kandidaatlaboratoria

Kandidaatlaboratoria moeten de afstemmingsprocedure minstens om de twee jaar voor elke machine herhalen en in ieder geval na elke belangrijke wijziging van de machine en bij elk verloop in de monitoringsgegevens van de controleband van de machine.

Een gemeenschappelijke set van vijf verschillende banden, die moeten beantwoorden aan de specificaties van punt 2.2, wordt eerst door het kandidaatlaboratorium en later door één referentielaboratorium gemeten overeenkomstig punt 2.3. Op verzoek van het kandidaatlaboratorium mogen meer dan vijf afstemmingsbanden worden getest.

De set afstemmingsbanden wordt door het kandidaatlaboratorium aan het geselecteerde referentielaboratorium verstrekt.

Het kandidaatlaboratorium (c) moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan en moet bij voorkeur standaardafwijkingen (am) hebben als volgt:

(a)

niet meer dan 0,075 kg/t voor C1- en C2-banden; en

(b)

niet meer dan 0,06 kg/t voor C3-banden.

Als de standaardafwijking (σm) van het kandidaatlaboratorium bij vier metingen hoger is dan de bovenstaande waarden, waarbij de laatste drie voor de berekeningen worden gebruikt, wordt het aantal metingen (n+1) voor de gehele partij als volgt verhoogd:

n+1 = 1+(σm/γ)2, afgerond tot op de dichtstbijzijnde hogere gehele waarde

waarbij:

γ = 0,043 kg/t voor C1- en C2-banden

γ = 0,035 kg/t voor C3-banden

6.   Procedure voor de afstemming van een kandidaatlaboratorium

Eén referentielaboratorium (i) van het netwerk berekent de lineaire regressiefunctie over alle afzonderlijke gegevens van het kandidaatlaboratorium (c). De regressiecoëfficiënten, A2c en B2c, worden als volgt berekend:

Image 12

waarbij:

RRCm, l = de door het referentielaboratorium (i) individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties op basis van de temperatuur en de trommeldiameter).

RRCm, c = de door het kandidaatlaboratorium (c) individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties op basis van de temperatuur en de trommeldiameter).

Als de determinatiecoëfficiënt R2 lager is dan 0,97, wordt het kandidaatlaboratorium niet afgestemd.

De afgestemde RRC van door het kandidaatlaboratorium geteste banden wordt als volgt berekend:

Image 13

BIJLAGE VII

Controleprocedure

Voor elk bandentype of elke bandengroep dient te worden gecontroleerd of de door de leverancier opgegeven brandstofefficiëntieklasse, de klasse en de opgegeven waarde voor de grip op nat wegdek en de rolgeluidemissie, en alle extra informatie over de prestaties op het etiket in overeenstemming zijn met deze verordening, overeenkomstig een van de volgende procedures:

(a)

eerst wordt één band of één set banden getest:

1.

als de gemeten waarden beantwoorden aan de in tabel 1 vastgestelde maximale toleranties voor de opgegeven klassen of de opgegeven waarde van de rolgeluidemissies, is de band geslaagd voor de test;

2.

als de gemeten waarden niet beantwoorden aan de in tabel 1 vastgestelde maximale toleranties voor de opgegeven klassen of de opgegeven waarde van de rolgeluidemissies, worden drie extra banden of bandensets getest. De gemiddelde meetwaarde van de drie extra geteste banden of bandensets wordt gebruikt om na te gaan of de opgegeven informatie in overeenstemming is met de in tabel 1 vastgestelde maximale toleranties;

(b)

wanneer de op het etiket vermelde klassen of waarden zijn afgeleid van de resultaten van typegoedkeuringstests die zijn verkregen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 of VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, kunnen de lidstaten gebruikmaken van de gegevens die zijn verkregen uit productieconformiteitstests van banden.

Bij het beoordelen van de meetgegevens die zijn verkregen uit productieconformiteitstests moet rekening worden gehouden met de toegestane toleranties in tabel 1.

Tabel 1

Gemeten parameter

Controletoleranties

Rolweerstandscoëfficiënt (brandstofefficiëntie)

De afgestemde gemeten waarde mag de bovengrens (de hoogste RRC) van de opgegeven klasse met niet meer dan 0,3  kg/1 000  kg overschrijden.

Rolgeluidemissies

De gemeten waarde mag de opgegeven waarde N met niet meer dan 1 dB(A) overschrijden.

Grip op nat wegdek

De gemeten waarde G(T) mag niet lager zijn dan de ondergrens (de laagste G-waarde) van de opgegeven klasse.

Grip op sneeuw

De gemeten waarde mag niet lager zijn dan de minimale sneeuwprestatie-index.

Grip op ijs

De gemeten waarde mag niet lager zijn dan de minimale ijsprestatie-index.

BIJLAGE VIII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1222/2009

De onderhavige verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, punt 1

Artikel 3, punt 1

Artikel 3, punt 2

Artikel 3, punt 2

Artikel 3, punt 3

Artikel 3, punt 3

Artikel 3, punt 4

Artikel 3, punt 4

Artikel 3, punt 5

Artikel 3, punt 6

Artikel 3, punt 5

Artikel 3, punt 7

Artikel 3, punt 8

Artikel 3, punt 9

Artikel 3, punt 6

Artikel 3, punt 10

Artikel 3, punt 7

Artikel 3, punt 11

Artikel 3, punt 8

Artikel 3, punt 12

Artikel 3, punt 9

Artikel 3, punt 13

Artikel 3, punt 10

Artikel 3, punt 14

Artikel 3, punt 11

Artikel 3, punt 15

Artikel 3, punt 16

Artikel 3, punt 12

Artikel 3, punt 17

Artikel 3, punt 13

Artikel 3, punt 18

Artikel 3, punt 19

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1, onder a)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 6

Artikel 4, lid 5

Artikel 4, lid 6

Artikel 4, lid 7

Artikel 4, lid 8

Artikel 4, lid 9

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 1, onder a)

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 1, onder b)

Artikel 6, lid 1, onder b)

Artikel 6, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 4

Artikel 5, lid 3

Artikel 6, lid 5

Artikel 6, lid 6

Artikel 6, lid 7

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 9, lid 2

Artikel 10

Artikel 10, lid 2

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12, onder a)

Artikel 12, onder b)

Artikel 12, onder c)

Artikel 11, onder a)

Artikel 11, onder b)

Artikel 11, onder c)

Artikel 12, onder d)

Artikel 12

Artikel 11

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/231


P8_TA(2019)0231

Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt (COM(2016)0593 — C8-0383/2016 — 2016/0280(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/24)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0593),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0383/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, artikel 53, lid 1, artikel 62 en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 januari 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 8 februari 2017 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0245/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 27.

(2)  PB C 207 van 30.6.2017, blz. 80.


P8_TC1-COD(2016)0280

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/790.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER ORGANISATOREN VAN SPORTEVENEMENTEN

“De Commissie erkent het belang van organisatoren van sportevenementen en hun rol bij de financiering van sportactiviteiten in de Unie. Gezien de maatschappelijke en economische dimensies van sport in de Unie zal de Commissie een analyse maken van de uitdagingen waarmee organisatoren van sportevenementen in de digitale omgeving worden geconfronteerd, met een bijzondere nadruk op problemen in verband met illegale sportuitzendingen online.”


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/234


P8_TA(2019)0232

Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud (COM(2015)0634 — C8-0394/2015 — 2015/0287(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/25)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0634),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0394/2015),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0375/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 264 van 20.7.2016, blz. 57.


P8_TC1-COD(2015)0287

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/770.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/236


P8_TA(2019)0233

Overeenkomsten voor de verkoop van goederen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0637 — C8-0379/2017 — 2015/0288(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/26)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0635), en het gewijzigd voorstel (COM(2017)0637),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0379/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016 (1) en 15 februari 2018 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0043/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 264 van 20.7.2016, blz. 57.

(2)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 58.


P8_TC1-COD(2015)0288

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/771.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/238


P8_TA(2019)0234

Visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) (COM(2018)0143 — C8-0123/2018 — 2018/0069(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/27)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0143),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0123/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2018 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0381/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaringen van de Commissie;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 283 van 10.8.2018, blz. 95.


P8_TC1-COD(2018)0069

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/982.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de recreatievisserij

De Commissie herinnert eraan dat een van de doelstellingen van de ministeriële verklaring MedFish4Ever, die in maart 2017 is aangenomen, erin bestaat zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2020 een reeks basisregels vast te stellen om een doeltreffend beheer van de recreatievisserij in het hele Middellandse Zeegebied te waarborgen.

In lijn met deze doelstelling bevat de middellangetermijnstrategie 2017-2020 van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) onder meer de volgende in het GFCM-gebied uit te voeren acties: beoordelen van de effecten van de recreatievisserij en nagaan wat de beste beheersmaatregelen zijn om deze activiteiten te reguleren. In dit verband is binnen de GFCM een werkgroep voor de recreatievisserij opgericht die een geharmoniseerde regionale methode voor de beoordeling van de recreatievisserij moet uitwerken.

De Commissie zal in het kader van de GFCM blijven streven naar de verwezenlijking van de doelstelling van de MedFish4Ever-verklaring.

Verklaring van de Commissie betreffende rood koraal

De Commissie herinnert eraan dat de instandhoudingsmaatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het regionale adaptieve beheersplan voor de exploitatie van rood koraal in de Middellandse Zee [Aanbeveling GFCM/41/2017/5] van tijdelijke aard zijn. Die maatregelen, die het onder meer mogelijk maken vangstbeperkingen in te voeren, zullen in 2019 door het wetenschappelijk adviescomité (SAC) van de GFCM worden beoordeeld met het oog op de herziening ervan door de GFCM tijdens haar 43e jaarlijkse bijeenkomst (november 2019).


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/241


P8_TA(2019)0235

Onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid en tot wijziging van Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad (COM(2018)0381 — C8-0244/2018 — 2018/0205(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/28)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0381),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114, 192, lid 1, en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0244/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie(s) goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie juridische zaken (A8-0324/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (2);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 99.

(2)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 23 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0399).


P8_TC1-COD(2018)0205

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1010.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/243


P8_TA(2019)0236

Speciale voorschriften voor de maximumlengte van cabines ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad wat betreft de termijn voor de uitvoering van de speciale voorschriften voor de maximumlengte in het geval dat cabines betere prestaties op het vlak van aerodynamica, energie-efficiëntie en veiligheid leveren (COM(2018)0275 — C8-0195/2018 — 2018/0130(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/29)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0275),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0195/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1)

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0042/2019),

1.

stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 286.


P8_TC1-COD(2018)0130

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad wat betreft de termijn voor de uitvoering van de speciale voorschriften voor de maximumlengte voor cabines die betere prestaties op het vlak van aerodynamica, energie-efficiëntie en veiligheid leveren

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2019/984.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/245


P8_TA(2019)0237

Koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans (COM(2018)0355 — C8-0209/2018 — 2018/0180(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/30)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0355),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0209/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0483/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.


P8_TC1-COD(2018)0180

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU-klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en informatieverschaffing over duurzaamheid over benchmarks

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2089.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/247


P8_TA(2019)0238

Specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden (COM(2018)0374 — C8-0229/2018 — 2018/0199(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/31)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0374),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 178, artikel 209, lid 1, artikel 212, lid 2, en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0229/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie begrotingscontrole en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0470/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 116.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 137.

(3)  Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 16 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0021).


P8_TC1-COD(2018)0199

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 178, artikel 209, lid 1, artikel 212, lid 2, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en artikel 174, tweede en derde alinea, VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's te verkleinen en de achterstand te verkleinen van de minst begunstigde regio's, te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan bepaalde categorieën regio's, waaronder grensoverschrijdende regio's expliciet zijn vermeld plattelandsgebieden , de regio's die een industriële overgang doormaken, regio's met een geringe bevolkingsdichtheid en insulaire en berggebieden . [Am. 1]

(2)

In Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn de gemeenschappelijke bepalingen voor het EFRO en enkele andere fondsen vastgelegd en in Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] van het Europees Parlement en de Raad (5) zijn bepalingen betreffende de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van EFRO-steun vastgelegd. Er moeten nu specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg), in het kader waarvan een of meer lidstaten en hun regio's grensoverschrijdend samenwerken met het oog op effectieve programmering, met inbegrip van bepalingen over technische bijstand, toezicht, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsmede financieel beheer. [Am. 2]

(3)

Teneinde de een op samenwerking gebaseerde en harmonieuze ontwikkeling van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen en de bestaande verschillen te verkleinen , moet het EFRO in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) steun verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. Bij dit proces moeten de beginselen inzake meerlagig bestuur en partnerschap in aanmerking worden genomen en moeten plaatsgebonden benaderingen worden versterkt. [Am. 3]

(3 bis)

De verschillende componenten van Interreg moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, zoals beschreven in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die in september 2015 werd goedgekeurd. [Am. 4]

(4)

De component grensoverschrijdende samenwerking moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio's door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het onbenutte groeipotentieel in grensgebieden te exploiteren, zoals aangetoond in de mededeling van de Commissie “Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU” (6) (“mededeling over grensregio's”). De grensoverschrijdende component moet derhalve worden beperkt tot samenwerking rond landgrenzen; grensoverschrijdende samenwerking rond zeegrenzen moet in land- of zeegrenzen omvatten, zonder afbreuk te doen aan de transnationale nieuwe component worden opgenomen voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden . [Am. 5]

(5)

De component grensoverschrijdende samenwerking heeft ook betrekking op samenwerking tussen een of meer lidstaten of hun regio's, en een of meer landen of regio's, of andere gebieden buiten de Unie. Het opnemen van interne en externe grensoverschrijdende samenwerking in het kader van deze verordening moet voor de programma-autoriteiten in de lidstaten en voor de autoriteiten van partners en begunstigden buiten de Unie tot een flinke vereenvoudiging en stroomlijning van de toepasselijke bepalingen leiden in vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020. [Am. 6]

(6)

De component transnationale samenwerking en maritieme samenwerking moet tot doel hebben de samenwerking te versterken door middel van acties die bijdragen tot de geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van het cohesiebeleid van de Unie, en moet tevens maritieme grensoverschrijdende samenwerking omvatten. Tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 moest met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. T ransnationale samenwerking moet grotere transnationale gebieden op het vasteland van de Unie bestrijken, terwijl maritieme samenwerking gebieden rond zeebekkens moest bestrijken en grensoverschrijdende samenwerking langs zeegrenzen moest integreren. Teneinde eerdere maritieme grensoverschrijdende samenwerking in een groter kader van maritieme samenwerking te kunnen blijven uitvoeren, is maximale flexibiliteit nodig, met name door het te bestrijken gebied, de specifieke doelstellingen voor een dergelijke samenwerking, de vereisten voor een projectpartnerschap vast te stellen en subprogramma's en specifieke directiecomités op te zetten en, in voorkomend geval , gebieden rond zeebekkens die een grotere geografische reikwijdte hebben dan de gebieden die onder grensoverschrijdende programma's vallen . [Am. 7]

(7)

Op basis van de ervaringen met grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in de ultraperifere gebieden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, waar de combinatie van beide componenten in één programma per samenwerkingsgebied voor programma-autoriteiten en begunstigden niet tot voldoende vereenvoudiging heeft geleid, moet een specifieke aanvullende component ultraperifere gebieden worden vastgesteld om ultraperifere gebieden in staat te stellen zo doeltreffend en eenvoudig mogelijk samen te werken met naburige derde landen, landen en gebieden samen te werken overzee (LGO's) of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken . [Am. 8]

(8)

Op basis van de positieve ervaringen met de programma's voor interregionale samenwerking in het kader van Interreg enerzijds, en het gebrek aan dergelijke samenwerking bij programma's in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moet de component anderzijds, vormt interregionale samenwerking, met zich meer in het bijzonder richten op de verbetering door middel van de effectiviteit van het cohesiebeleid. Die component moet derhalve tot twee programma's worden beperkt, één om alle mogelijke uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingswijzen en capaciteitsopbouw capaciteitsontwikkeling voor programma's in het kader van beide doelstellingen mogelijk te maken en om (Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) te stimuleren die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) zijn of worden opgezet, en één om de analyse van ontwikkelingstrends te verbeteren. Projectgebaseerde samenwerking in de gehele Unie moet in de nieuwe component betreffende investeringen in interregionale innovatie worden opgenomen en moet nauw aansluiten bij de uitvoering van de mededeling van de Commissie “Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei” (8), en investeren in werkgelegenheid en groei ) , tussen steden en regio's een belangrijke component met het oog op het vinden van gemeenschappelijke oplossingen in het kader van het cohesiebeleid en het opbouwen van blijvende partnerschappen. De bestaande programma's en met name om platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering of landbouw en voedingsmiddelen. Geïntegreerde territoriale ontwikkeling gericht op functionele stedelijke gebieden of stedelijke gebieden moet ten slotte in programma's in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” en in één begeleidend instrument, het “Stedelijk Europa-initiatief”, worden geconcentreerd. De twee programma's in het kader van de component interregionale samenwerking moeten voor de gehele Unie gelden en ook openstaan voor de deelname van derde landen. de bevordering van projectgebaseerde samenwerking , met inbegrip van de bevordering van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) , evenals macroregionale strategieën moeten daarom worden voortgezet. [Am. 9]

(8 bis)

Het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie moet worden gebaseerd op slimme specialisatie, en worden ingezet ter ondersteuning van platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering, circulaire economie, sociale innovatie, milieu of landbouw- en voedingsmiddelen, en om degenen die bij strategieën voor slimme specialisatie betrokken zijn te helpen clusteren om innovatie op te schalen en innovatieve producten, processen en ecosystemen naar de Europese markt te brengen. Er zijn aanwijzingen dat nog steeds sprake is van systematische tekortkomingen in het stadium van het testen en valideren van de demonstratie van nieuwe technologieën (bv. sleuteltechnologieën), met name wanneer innovatie het resultaat is van de integratie van complementaire regionale specialisaties die innovatieve waardeketens creëren. Deze tekortkomingen zijn met name kritiek in het stadium tussen de proefprojecten en de volledige marktintroductie. Op sommige strategische technologische en industriële gebieden kunnen kmo's momenteel niet rekenen op een uitstekende en open, verbonden pan-Europese demonstratie-infrastructuur. De programma's in het kader van het initiatief voor interregionale samenwerking moeten de gehele Europese Unie bestrijken en moeten ook openstaan voor deelname van LGO's, derde landen, hun regio's, en organisaties voor regionale integratie en samenwerking, met inbegrip van de ultraperifere aangrenzende regio's. Synergieën tussen investeringen in interregionale innovatie en andere relevante EU-programma's zoals die in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020, de digitale markt voor Europa en het programma voor de eengemaakte markt moeten worden bevorderd, aangezien zij de impact van investeringen zullen vergroten en ervoor zorgen dat de waarde voor burgers wordt verhoogd. [Am. 10]

(9)

Er moeten gemeenschappelijke objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden subsidiabel zijn. De aanwijzing van subsidiabele regio's en gebieden op het niveau van de Unie moet daarom worden gebaseerd op de gemeenschappelijke indeling van de regio's die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (9). [Am. 11]

(10)

Het is nodig samenwerking in alle mogelijke dimensies met de naburige derde landen van de Unie verder te ondersteunen of, waar nodig, tot stand te brengen, aangezien zulke samenwerking een belangrijke beleidsinstrument voor regionale ontwikkeling is en de regio's van de lidstaten die aan derde landen grenzen, daarvan profijt moeten trekken. Te dien einde moeten het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, IPA (10), NDICI (11) en OCTP (12), programma's ondersteunen in het kader van grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking en maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. De steunverlening uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie moeten op wederkerigheid en evenredigheid zijn gebaseerd. Voor het IPA III-CBC en het NDICI-CBC moet de steunverlening uit het EFRO worden aangevuld met ten minste een gelijkwaardige gelijkwaardig bedrag uit het IPA III-CBC en het NDICI-CBC, tot een maximumbedrag als vastgesteld in de respectieve rechtshandeling. , dat wil zeggen maximaal 3 % van de financiële toewijzing in het kader van het IPA III en maximaal 4 % van de financiële toewijzing in het kader van het geografische nabuurschapsprogramma uit hoofde van artikel 4, lid 2, onder a), van het NDICI. [Am. 12]

(10 bis)

Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan regio's die nieuwe buitengrenzen van de Unie gaan vormen, teneinde voor de lopende samenwerkingsprogramma's voldoende continuïteit te waarborgen. [Am. 13]

(11)

Steunverlening uit het IPA III moet voornamelijk gericht zijn op het ondersteunen van begunstigden van het IPA bij de versterking van democratische instellingen en de rechtsstaat, de hervorming van justitie en het openbaar bestuur, de naleving van grondrechten en de bevordering van gendergelijkheid, tolerantie, sociale inclusie en non-discriminatie , evenals regionale en lokale ontwikkeling . IPA-steun moet gericht blijven op het ondersteunen van de inspanningen van de begunstigden van het IPA om de regionale, macroregionale en grensoverschrijdende samenwerking, alsmede de territoriale ontwikkeling te verbeteren, onder andere door het uitvoeren van macroregionale strategieën van de Unie. Daarnaast moet IPA-steun zich richten op veiligheid, migratie en grensbeheer, waarbij toegang tot internationale bescherming wordt gewaarborgd, relevante informatie wordt gedeeld, grenscontrole wordt versterkt en gezamenlijke inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie en migrantensmokkel worden geleverd. [Am. 14]

(12)

Wat de NDICI-steun betreft, moet de Unie met naburige landen bijzondere betrekkingen ontwikkelen die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op samenwerking. Deze verordening en het NDICI moeten derhalve de interne en externe aspecten van de relevante macroregionale strategieën ondersteunen. Die initiatieven zijn van strategisch belang en bieden zinvolle politieke kaders voor de verdieping van de betrekkingen met en tussen de partnerlanden, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht, gedeelde betrokkenheid en verantwoordelijkheid.

(12 bis)

Het ontwikkelen van synergieën met het externe optreden en de ontwikkelingsprogramma's van de Unie moet tevens bijdragen tot een maximaal effect waarbij het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wordt nageleefd. Coherentie op alle terreinen van het EU-beleid is van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling. [Am. 15]

(13)

Het is belangrijk dat de EDEO en de Commissie bij de voorbereiding van de strategische programmering en van Interreg-programma's met EFRO- en NDICI-steun hun rol blijven vervullen, zoals vastgelegd in Besluit 2010/427/EU van de Raad (13).

(14)

Gezien de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden in de Unie moeten maatregelen worden vastgesteld betreffende de verbetering van de voorwaarden waaronder deze regio's toegang tot de structuurfondsen kunnen krijgen. Derhalve moeten sommige bepalingen van deze verordening aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's worden aangepast om de hun samenwerking met hun buurlanden derde landen en LGO's te vereenvoudigen en te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de mededeling van de Commissie “Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU” (14). [Am. 16]

(14 bis)

Deze verordening maakt het voor landen en gebieden overzee (LGO's) mogelijk om deel te nemen aan Interreg-programma's. De specifieke kenmerken en uitdagingen van de LGO's moeten in aanmerking worden genomen om hun daadwerkelijke toegang en deelname te vergemakkelijken. [Am. 17]

(15)

Het is nodig de middelen die aan elk van de verschillende componenten van Interreg moeten worden toegewezen, vast te stellen, met inbegrip van het aandeel van elke lidstaat in de totale bedragen voor de grensoverschrijdende samenwerking, de transnationale samenwerking en maritieme samenwerking, de samenwerking tussen ultraperifere gebieden en de interregionale samenwerking en de mogelijkheden voor de lidstaten, wat de flexibiliteit tussen deze componenten betreft. In vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020 moet het aandeel voor grensoverschrijdende samenwerking worden verminderd, terwijl het aandeel voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking wegens de integratie van maritieme samenwerking moet worden vergroot, en er moet een nieuwe component samenwerking tussen ultraperifere gebieden worden gecreëerd. Vanwege de globalisering moet samenwerking die gericht is op de bevordering van investeringen in werkgelegenheid en groei en gezamenlijke investeringen met andere regio's , echter ook worden bepaald door de gemeenschappelijke kenmerken en ambities van de regio's en niet noodzakelijkerwijs door grenzen; daarom moeten voldoende aanvullende middelen ter beschikking worden gesteld van het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie, teneinde te kunnen inspelen op de situatie op de wereldmarkt . [Am. 18]

(16)

Teneinde de steun uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie zo doeltreffend mogelijk te gebruiken, moet een mechanisme worden ingesteld om de teruggave van dergelijke steun organiseren, wanneer programma's voor externe samenwerking niet kunnen worden vastgesteld of moeten worden beëindigd; dit geldt ook voor programma's in samenwerking met derde landen die geen steun ontvangen uit een financieringsinstrument van de Unie. Door middel van dat mechanisme moet gestreefd worden naar een optimale werking van de programma's en een maximale coördinatie tussen die instrumenten.

(17)

In het kader van Interreg moet het EFRO tot de specifieke doelstellingen in het kader het cohesiebeleid bijdragen. De lijst van de specifieke doelstellingen uit hoofde van de verschillende thematische doelstellingen moet echter aan de specifieke behoeften van Interreg worden aangepast, door aanvullende specifieke doelstellingen uit hoofde van de beleidsdoelstelling “een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten” vast te stellen om steun van het ESF-type mogelijk te maken.

(18)

In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdend Peace-Plus-programma worden voortgezet en voortbouwen op de werkzaamheden van eerdere programma's van de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdend met het praktische belang van het programma, is het noodzakelijk om te waarborgen dat, wanneer het functioneert ter ondersteuning van vrede en verzoening, het EFRO ook bijdraagt tot de bevordering van sociale , economische en economische regionale stabiliteit en samenwerking in de betrokken regio's, met name door maatregelen ter bevordering van de samenhang tussen de gemeenschappen. Gezien de specifieke kenmerken van het programma moet het op een geïntegreerde manier worden beheerd, waarbij de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk als externe bestemmingsontvangsten in het programma worden opgenomen. Bovendien mogen bepaalde voorschriften voor de selectie van concrete acties in deze verordening niet op dat programma van toepassing zijn voor wat betreft concrete acties ter ondersteuning van vrede en verzoening. [Am. 19]

(19)

In deze verordening moeten twee specifieke doelstellingen voor Interreg worden toegevoegd, één om de specifieke doelstelling van de versterking van de institutionele capaciteit te ondersteunen, waarbij de juridische en administratieve samenwerking wordt verbeterd, met name wanneer deze samenhangt met de uitvoering van de mededeling over grensregio's, en de samenwerking tussen burgers en instellingen en de ontwikkeling en coördinatie van macroregionale en zeebekkenstrategieën te intensiveren, en één om specifieke onderwerpen op het gebied van externe samenwerking aan te pakken, zoals veiligheid, beveiliging, beheer van grensoverschrijdingen en migratie.

(20)

Het grootste gedeelte van de steun van de Unie moet aan een beperkt aantal beleidsdoelstellingen worden besteed om het effect van Interreg zo groot mogelijk te maken. Synergieën en complementariteit tussen de componenten van Interreg moeten worden versterkt. [Am. 20]

(21)

Bepalingen over de voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma's, alsmede over territoriale ontwikkeling, over de selectie van concrete acties, over toezicht en evaluatie, over de programma-autoriteiten, over audit van concrete acties en over transparantie en communicatie moeten aan de specifieke kenmerken van de Interreg-programma's worden aangepast in vergelijking met de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. Deze specifieke bepalingen moeten eenvoudig en duidelijk worden gehouden om overregulering en extra administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden te voorkomen. [Am. 21]

(22)

De bepalingen over de criteria die voor concrete acties gelden om als echt gezamenlijk en coöperatief te worden beschouwd, over het partnerschap binnen een concrete Interreg-actie en over de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner, zoals tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegd, moeten worden voortgezet. Interreg-partners moeten echter in alle vier dimensies (ontwikkeling, samenwerken inzake ontwikkeling en uitvoering, evenals personeelsvoorziening en of financiering,) samenwerken of beide, en in het kader van de samenwerking tussen ultraperifere gebieden in drie van de vier dimensies , aangezien het eenvoudiger moet worden steun van het EFRO en van financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie zowel op programmaniveau als op het niveau van een concrete actie te combineren. [Am. 22]

(22 bis)

In programma's voor grensoverschrijdende samenwerking vormen people-to-people- en kleinschalige projecten een belangrijk en succesvol instrument om grensobstakels en grensoverschrijdende obstakels uit de weg te ruimen, lokale interpersoonlijke contacten te bevorderen en zo grensgebieden en hun burgers dichter bij elkaar te brengen. People-to-people- en kleinschalige projecten worden uitgevoerd op vele terreinen, waaronder cultuur, sport, toerisme, algemeen onderwijs en beroepsopleidingen, economie, wetenschap, milieubescherming en ecologie, gezondheidszorg, vervoer en projecten voor kleinschalige infrastructuur, administratieve samenwerking en publieksvoorlichting. Zoals ook blijkt uit het advies van het Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking  (15) , bieden people-to-people- en kleinschalige projecten een grote Europese toegevoegde waarde en dragen zij aanzienlijk bij tot de algemene doelstelling van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking. [Am. 23]

(23)

Sinds de start van Interreg zijn er worden people-to-people- en kleinschalige projecten ondersteund via fondsen voor kleinschalige projecten in het leven geroepen of soortgelijke instrumenten die niet onder specifieke bepalingen vielen , zodat ; de voorschriften voor deze fondsen moeten worden verduidelijkt. Zoals ook blijkt uit het advies van het Comité van de Regio's over Om de toegevoegde waarde en de voordelen van people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking (16) , spelen dergelijke fondsen voor kleinschalige projecten een belangrijke rol bij het opbouwen van vertrouwen tussen burgers en instellingen, bieden zij een grote Europese toegevoegde waarde en dragen zij aanzienlijk bij tot de algemene doelstelling van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking doordat belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie worden overwonnen en grensgebieden en de bewoners ervan met elkaar geïntegreerd raken. te behouden , ook met betrekking tot lokale en regionale ontwikkeling, en om het beheer van de financiering van kleine projecten door de eindontvangers, die vaak niet gewend zijn EU-financiering aan te vragen, te vereenvoudigen, moet onder een bepaalde drempel het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en vaste bedragen verplicht worden gesteld. [Am. 24]

(24)

Vanwege de deelneming van meer dan één lidstaat en de daaruit voortvloeiende hogere administratieve kosten, met name onder meer voor de regionale contactpunten (of “steunpunten”), die dienstdoen als belangrijke contactpunten voor projectaanvragers en -uitvoerders en rechtstreeks in verbinding staan met de gezamenlijke secretariaten of de relevante autoriteiten, maar in het bijzonder ook voor controles en vertalingen, moet het maximumbedrag van de uitgaven voor technische bijstand hoger zijn dan in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”. Ter compensatie van de hogere administratieve kosten moeten de lidstaten worden aangespoord om de administratieve lasten van de tenuitvoerlegging van gezamenlijke projecten waar mogelijk te verminderen. Bovendien moeten Interreg-programma's met beperkte steun van de Unie of programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking een bepaald minimumbedrag voor technische bijstand ontvangen om voldoende financiering voor doeltreffende activiteiten inzake technische bijstand te garanderen. [Am. 25]

(25)

Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moeten de fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor toezicht worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de fondsen in de praktijk worden verzameld.

(25 bis)

De Commissie, lidstaten en regio's moeten bij het terugdringen van de administratieve lasten nauw samenwerken om de verbeterde evenredige regelingen voor het beheers- en controlesysteem voor een Interreg-programma in de zin van artikel 77 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] te kunnen benutten. [Am. 26]

(26)

Op basis van ervaringen in de programmeringsperiode 2014-2020 moet het systeem waarbij een duidelijke hiërarchie van subsidiabiliteitsregels voor uitgaven is vastgesteld, worden voortgezet, waarbij het beginsel wordt gehandhaafd dat subsidiabiliteitsregels voor uitgaven op Unieniveau of voor een Interreg-programma in zijn geheel worden vastgesteld ter voorkoming van mogelijke contradicties of inconsistenties tussen de verschillende verordeningen dan wel tussen verordeningen en de nationale regelgeving. Aanvullende voorschriften die door één lidstaat zijn vastgesteld en alleen op de begunstigden in die lidstaat van toepassing zijn, moeten tot een strikt minimum worden beperkt. Met name de voor de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegde bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie (17) moeten in deze verordening worden geïntegreerd.

(27)

De lidstaten moeten worden aangemoedigd om in voorkomend geval de taken van de beheersautoriteit toe te vertrouwen aan een overdragen aan een nieuwe of, indien van toepassing, bestaande EGTS of om een dergelijke groepering, net als andere grensoverschrijdende juridische entiteiten, verantwoordelijk te stellen voor het beheer van een subprogramma, of een geïntegreerde territoriale investering of een of meer fondsen voor kleinschalige projecten of als enige partner te laten optreden. als enige partner laten optreden. De lidstaten moeten regionale en lokale autoriteiten en andere overheidsinstanties van verschillende lidstaten in staat stellen om dergelijke groeperingen voor samenwerking met rechtspersoonlijkheid op te zetten en moeten lokale en regionale autoriteiten bij de werking daarvan betrekken. [Am. 27]

(28)

Om de voor de programmeringsperiode 2014-2020 ingestelde betalingsketen voort te zetten, d.w.z. van de Commissie via de certificeringsautoriteit naar de eerstverantwoordelijke partner, moet die betalingsketen onder de boekhoudfunctie worden voortgezet. De steun van de Unie moet aan de eerstverantwoordelijke partner worden betaald, tenzij dit tussen de eerstverantwoordelijke en de andere partners tot dubbele vergoedingen voor omzetting naar euro en terug naar een andere valuta of omgekeerd leidt. Tenzij anders aangegeven, moet de eerstverantwoordelijke partner ervoor zorgen dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en volgens dezelfde procedure als die welke voor de eerstverantwoordelijke partner geldt. [Am. 28]

(29)

Uit hoofde van artikel [63, lid 9,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] moet in sectorspecifieke regelgeving rekening worden gehouden met de behoeften van de programma's voor Europese territoriale samenwerking (Interreg), met name wat betreft de auditfunctie. De bepalingen over het jaarlijks auditoordeel, het jaarlijkse controleverslag en de audits van concrete acties moeten derhalve worden vereenvoudigd en worden aangepast aan die programma's waarbij meer dan één lidstaat is betrokken. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

(30)

Met betrekking tot de terugvordering wegens onregelmatigheden moet een duidelijke keten van financiële aansprakelijkheid worden vastgesteld van de enige of andere partners via de eerstverantwoordelijke partner en de beheersautoriteit naar de Commissie. Er moet een bepaling worden opgenomen betreffende de aansprakelijkheid van lidstaten, derde landen, partnerlanden of landen en gebieden overzee (LGO's), wanneer terugvordering van de enige of andere of eerstverantwoordelijke partner niet mogelijk is, in de zin dat de lidstaat dan aan de beheersautoriteit terugbetaald. In het kader van Interreg-programma's is derhalve geen ruimte voor oninbare bedragen op het niveau van begunstigden. De voorschriften moeten echter worden verduidelijkt voor het geval dat een lidstaat, derde land, partnerland of LGO niet aan de beheersautoriteit terugbetaald. Ook de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner voor terugbetaling moeten worden verduidelijkt. De beheersautoriteit mag met name Bovendien moeten de procedures in verband met terugvorderingen worden vastgesteld en overeengekomen door het toezichtcomité. De beheersautoriteit mag de eerstverantwoordelijke partner er echter niet toe verplichten in de een ander land een gerechtelijke procedure te starten. [Am. 30]

(30 bis)

Het is passend om financiële discipline aan te moedigen. Tegelijkertijd moet bij regelingen voor de vrijmaking van begrotingsvastleggingen rekening worden gehouden met de complexiteit van Interreg-programma's en de tenuitvoerlegging ervan. [Am. 31]

(31)

Om zowel in de deelnemende lidstaten als in derde landen, partnerlanden of LGO's een zoveel mogelijk gemeenschappelijke reeks regels toe te passen, moet deze verordening ook van toepassing zijn op de deelname van derde landen, partnerlanden of LGO's, tenzij er in een specifiek hoofdstuk van deze verordening specifieke regels zijn vastgelegd. Naast Interreg-programma-autoriteiten kunnen ook vergelijkbare autoriteiten in derde landen, partnerlanden of LGO's bestaan. Het beginpunt voor de subsidiabiliteit van uitgaven moet samenhangen met de ondertekening van de financieringsovereenkomst door het desbetreffende derde land, partnerland of LGO. Voor de uitbesteding aan begunstigden in het derde land, partnerland of LGO gelden de voorschriften voor overheidsopdrachten voor extern optreden van Verordening (EU, Euratom) [nieuwe FR-Omnibus] van het Europees Parlement en de Raad (18). De procedures voor de sluiting van een financieringsovereenkomst met elk van de derde landen, partnerlanden of LGO's, alsmede van de overeenkomst tussen de beheersautoriteit en elk derde land, partnerland of LGO betreffende steun uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie of in geval van overdracht van een aanvullende bijdrage van een derde land, partnerland of LGO naar het Interreg-programma anders dan nationale medefinanciering moeten worden vastgelegd.

(32)

Hoewel Interreg-programma's waarin derde landen, partnerlanden of LGO's deelnemen, in gedeeld beheer moeten worden uitgevoerd, mag samenwerking tussen ultraperifere gebieden in indirect beheer worden uitgevoerd. Er moeten specifieke voorschriften worden opgesteld over hoe die programma's geheel of gedeeltelijk in indirect beheer moeten worden uitgevoerd. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

(33)

Op basis van de ervaringen tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 met grote infrastructuurprojecten in het kader van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van het Europees nabuurschapsinstrument moeten de procedures worden vereenvoudigd. De Commissie moet zich echter bepaalde rechten voorbehouden betreffende de selectie van dergelijke projecten.

(34)

Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de lijsten van Interreg-programma's en de lijst van het totale bedrag aan steun van de Unie voor elk Interreg-programma vast te stellen en te wijzigen en om besluiten tot goedkeuring van Interreg-programma's en wijzigingen daarvan vast te stellen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (19). Hoewel deze handelingen van algemene aard zijn, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast, aangezien deze alleen de technische uitvoering van de bepalingen betreffen.

(35)

Om eenvormige voorwaarden voor de vaststelling of wijziging van Interreg-programma's te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Indien van toepassing moeten programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking moeten echter, indien van toepassing, voldoen aan de comitéprocedures die in de Verordeningen (EU) [IPA III] en (EU) [NDICI] zijn vastgelegd betreffende het eerste goedkeuringsbesluit van die programma's. [Am. 33]

(36)

Teneinde bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU de bijlage betreffende het model voor Interreg-programma's te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 zijn vastgelegd. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(36 bis)

Het bevorderen van Europese territoriale samenwerking is een belangrijke prioriteit van het cohesiebeleid van de Unie. Steun aan kmo's ten behoeve van kosten die bij projecten voor Europese territoriale samenwerking worden gemaakt, is reeds vrijgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie  (20) (algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV)). Bijzondere bepalingen voor regionale steun voor investeringen door zowel kleine als grote ondernemingen zijn ook opgenomen in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020  (21) en in het deel regionale steun van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De opgedane ervaring leert dat steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking doorgaans slechts beperkte gevolgen heeft voor de concurrentie en het handelsverkeer tussen de lidstaten, zodat de Commissie dergelijke steun verenigbaar kan verklaren met de interne markt en de verstrekte financiering voor projecten voor Europese territoriale samenwerking vrijgesteld kan worden. [Am. 34]

(37)

Aangezien het doel van deze verordening, namelijk het stimuleren van samenwerking tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen, partnerlanden of LGO's, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten maar beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

AFDELING I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN INTERREG-COMPONENTEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)” met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten en hun regio's binnen de Unie en tussen lidstaten , hun regio's en respectievelijk aangrenzende derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO's) , of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, of een groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie . [Am. 35]

2.   Daarnaast bevat deze verordening de nodige bepalingen om te zorgen voor de effectieve programmering, met inbegrip van technische bijstand, toezicht, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsook het financiële beheer van programma's in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (“Interreg-programma's”) die worden ondersteund door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

3.   Met betrekking tot steun van het “instrument voor pretoetredingssteun” (“IPA III”), het “instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking” (“NDICI”) en de financiering voor alle LGO's voor de periode 2021-2027 die is vastgesteld als een programma bij besluit van de Raad (EU) XXX (“OCTP”), aan Interreg-programma's (de drie instrumenten samen: “de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie”), worden in deze verordening aanvullende specifieke doelstellingen gedefinieerd, alsook de integratie van deze fondsen in de Interreg-programma's, de criteria voor derde landen, partnerlanden en LGO's en hun regio's om in aanmerking te komen voor de steun en een aantal specifieke uitvoeringsvoorschriften.

4.   Met betrekking tot de steun uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie (samen de “Interreg-fondsen” genoemd) voor Interreg-programma's worden in deze verordening specifieke doelstellingen voor Interreg gedefinieerd, alsook de organisatie, de criteria voor derde landen, partnerlanden en LGO's en hun regio's om in aanmerking te komen voor de steun, de financiële middelen en de criteria voor de toewijzing ervan.

5.   Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] zijn van toepassing op Interreg-programma's, tenzij anders is bepaald in die verordeningen of in deze verordening of wanneer de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] alleen van toepassing kunnen zijn op de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1)

“begunstigde van het IPA”: een land of gebied dat is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) [IPA III];

2)

“derde land”: een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is en geen steun ontvangt uit de Interreg-fondsen;

3)

“partnerland”: een begunstigde van het IPA of een land of gebied dat wordt bestreken door het “geografische gebied nabuurschapsbeleid” zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) [NDICI] en de Russische Federatie en steun ontvangt van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie;

4)

“grensoverschrijdende juridische entiteit”: een juridische entiteit , met inbegrip van een Euroregio, die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door de territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen. [Am. 36]

4 bis)

“organisatie voor regionale integratie en samenwerking”: groep lidstaten of regio's in eenzelfde geografisch gebied die gericht is op nauwe samenwerking inzake kwesties van gemeenschappelijk belang. [Am. 37]

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar een “lidstaat”, dit gelezen als “lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is” en wanneer wordt verwezen naar “elke lidstaat” of “lidstaten”, moet dit worden opgevat als “de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's die deelnemen aan een bepaald Interreg-programma”.

Voor de toepassing van deze verordening moet, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar “de fondsen” als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onder a),] van die verordening, of naar het “EFRO”, worden beschouwd dat het respectieve financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie hier eveneens onder valt.

Artikel 3

Componenten van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

In het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)” ondersteunen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie de volgende componenten:

1)

grensoverschrijdende samenwerking tussen aan elkaar grenzende regio's ter bevordering van de geïntegreerde geïntegreerde en harmonieuze regionale ontwikkeling (component 1): [Am. 38]

a)

interne grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van twee of meer lidstaten of tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen die zijn vermeld in artikel 4, lid 3; of [Am. 39]

b)

externe grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende: [Am. 40]

i)

begunstigden van het IPA; of

ii)

partnerlanden die steun ontvangen in het kader van NDICI; of

iii)

de Russische Federatie, teneinde haar deelname mogelijk te maken aan grensoverschrijdende samenwerking die ook door het NDICI wordt ondersteund;

2)

transnationale samenwerking en maritieme samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij lokale, regionale en nationale programmapartners in de lidstaten, derde landen, partnerlanden en Groenland LGO's betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie (“component 2”); wanneer enkel naar transnationale samenwerking wordt verwezen: “component 2A”; wanneer enkel naar maritieme samenwerking wordt verwezen: “component 2B”); [Am. 41]

3)

onderlinge samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden of LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking , om hun regionale integratie en harmonieuze ontwikkeling in de regio te vergemakkelijken (“component 3”); [Am. 42]

4)

interregionale samenwerking om de effectiviteit van het cohesiebeleid te versterken (“component 4”) door het bevorderen van:

a)

de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw in verband met:

i)

de uitvoering van Interreg-programma's;

i bis)

de uitvoering van gemeenschappelijke interregionale ontwikkelingsprojecten; [Am. 43]

i ter)

capaciteitsontwikkeling tussen partners in de gehele Unie in samenhang met: [Am. 44]

ii)

de uitvoering van programma's in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”, met name met betrekking tot interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;

ii bis)

de vaststelling en verspreiding van goede praktijken teneinde deze vooral over te dragen naar operationele programma's in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”; [Am. 45]

ii ter)

de uitwisseling van ervaringen betreffende de vaststelling, de overdracht en de verspreiding van beste praktijken inzake duurzame stedelijke ontwikkeling, met inbegrip van onderlinge banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden; [Am. 46]

iii)

de oprichting, de werking en het gebruik van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS);

iii bis)

de opzet, de werking en het gebruik van het Europees grensoverschrijdend mechanisme als bedoeld in Verordening (EU) [nieuw Europees grensoverschrijdend mechanisme]; [Am. 47]

b)

de analyse van ontwikkelingstrends met betrekking tot de doelstellingen “territoriale samenhang”;

5)

investeringen in interregionale innovatie door commercialisering en opschaling van interregionale innovatieve projecten met het potentieel om de ontwikkeling van Europese waardeketens te stimuleren (“component 5”). [Am. 48]

AFDELING II

GEOGRAFISCHE DEKKING

Artikel 4

Geografische dekking voor grensoverschrijdende samenwerking

1.   Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het EFRO te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen land- of zeegrenzen met derde landen of partnerlanden , behoudens eventuele aanpassingen om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld . [Am. 49]

2.   Regio's aan maritieme grenzen die door middel van een vaste verbinding over de zee verbonden zijn, worden ook ondersteund in het kader van grensoverschrijdende samenwerking. [Am. 50]

3.   Interne programma's voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen regio's in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio's van NUTS-niveau 3, alsook Liechtenstein, Andorra , Monaco en Monaco San Marino . [Am. 51]

4.   Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het IPA III of NDICI te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van het betrokken partnerland of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden aan alle landgrenzen land- of zeegrenzen tussen lidstaten en partnerlanden die in het kader van IPA III of NDICI in aanmerking komen. [Am. 52]

Artikel 5

Geografische dekking voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking [Am. 53]

1.   Voor transnationale samenwerking en de samenwerking op maritiem gebied, zijn de door het EFRO te ondersteunen regio's de regio's van NUTS-niveau 2 van de Unie die aangrenzende functionele gebieden bestrijken, behoudens eventuele aanpassingen om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van deze samenwerking in grotere coherente gebieden op basis van de programma's die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld, en indien van toepassing rekening houdend met macroregionale strategieën of zeegebiedstrategieën. [Am. 54]

2.   Interreg-programma's voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking kunnen de volgende landen of gebieden omvatten: [Am. 55]

a)

regio's in IJsland, Noorwegen, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk, alsook Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino;

b)

Groenland de LGO's die steun ontvangen in het kader van het LGO-programma ; [Am. 56]

c)

de Faeröer;

d)

regio's van partnerlanden in het kader van IPA III of NDICI;

ongeacht of zij worden gefinancierd uit de EU-begroting.

3.   De in lid 2 genoemde regio's, derde landen, of partnerlanden of LGO's zijn regio's van NUTS-niveau 2 of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden. [Am. 57]

Artikel 6

Geografische dekking voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden

1.   Voor de samenwerking tussen ultraperifere gebieden worden alle regio's die zijn opgenomen in artikel 349, eerste alinea, VWEU, ondersteund door het EFRO.

2.   De Interreg-programma's voor ultraperifere regio's kunnen door het NDICI ondersteunde aangrenzende partnerlanden en/of bestrijken, door het OCTP ondersteunde LGO's, bestrijken organisaties voor regionale samenwerking, of een combinatie van twee ervan of alle drie . [Am. 58]

Artikel 7

Geografische dekking voor interregionale samenwerking en investeringen in interregionale innovatie [Am. 59]

1.   Voor Interreg-programma's van component 4 of voor investeringen in interregionale innovatie in het kader van component 5 wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO , met inbegrip van de ultraperifere gebieden . [Am. 60]

2.   Interreg-programma's van component 4 kunnen het geheel of een deel van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde derde landen, partnerlanden, andere gebieden of LGO's bestrijken, ongeacht of zij worden ondersteund door de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. Derde landen mogen aan deze programma's deelnemen, op voorwaarde dat zij een financiële bijdrage leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten. [Am. 61]

Artikel 8

Lijst van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen

1.   Voor de toepassing van de artikelen 4, 5 en 6, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen, uitgesplitst naar elke component en elk Interreg-programma. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden respectievelijk als “Interreg-IPA III-CBC-programma's” of als “Interreg-nabuurschap-CBC-programma's” in de lijst opgenomen.

2.   De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling bevat ook een lijst waarin de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie zijn vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan alle buitengrenzen die onder de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie vallen. , alsmede een lijst met deze regio's van NUTS-niveau 3 die in aanmerking zijn genomen voor toewijzingsdoeleinden in het kader van component 2B als bedoeld in artikel 9, lid 3, onder a). [Am. 62]

3.   Regio's van derde landen of landen of gebieden buiten de Europese Unie die geen steun ontvangen uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, moeten eveneens worden vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

AFDELING III

MIDDELEN EN MEDEFINANCIERINGSPERCENTAGES

Artikel 9

EFRO-middelen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

1.   De EFRO-middelen middelen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)” bedragen 8 430 000 000 EUR 11 165 910 000 EUR (prijzen 2018) van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027 en die vermeld zijn in artikel [102 103 , lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. [Am. 64]

2.   De 10 195 910 000 EUR (91,31 %) van de in lid 1 bedoelde middelen worden als volgt toegewezen: [Am. 65]

a)

52,7 % (d.w.z. in totaal 4 440 000 000 EUR 7 500 000 000 EUR (67,16 % ) voor grensoverschrijdende samenwerking (component 1); [Am. 66]

b)

31,4 % (d.w.z. in totaal 2 649 900 000 EUR 1 973 600 880 EUR (17,68 % ) voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking (component 2); [Am. 67]

c)

3,2 % (d.w.z. in totaal 270 100 000 EUR 357 309 120 EUR ( 3,2 %) voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden (component 3); [Am. 68]

d)

1,2 % (d.w.z. in totaal 100 000 000 EUR 365 000 000 EUR (3,27 % ) voor interregionale samenwerking (component 4); [Am. 69]

e)

11,5 % (d.w.z. in totaal 970 000 000 EUR) voor investeringen in interregionale innovatie (component 5). [Am. 70]

3.   De Commissie stelt elke lidstaat op de hoogte van zijn aandeel, opgesplitst naar jaar, van de totale bedragen voor de componenten 1, 2 en 3.

De bevolkingsomvang in de volgende regio's wordt gebruikt als criterium voor de verdeling per lidstaat:

a)

regio's van NUTS-niveau 3 voor component 1 en de regio's van NUTS-niveau 3 die zijn vermeld in de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de uitvoeringshandeling voor component 2B; [Am. 71]

b)

regio's van NUTS-niveau 2 voor de componenten component  2 A en 3. [Am. 72]

b bis)

regio's van NUTS-niveau 2 en 3 voor component 3. [Am. 73]

4.   Elke lidstaat kan tot 15 % van zijn financiële toewijzingen aan elk van de componenten 1, 2 en 3 overdragen van een van deze componenten naar een of meer van de andere componenten.

5.   Op basis van de volgens lid 3 meegedeelde bedragen deelt elke lidstaat de Commissie mee of en hoe hij gebruik heeft gemaakt van de in lid 4 bedoelde mogelijkheid tot overdracht en vermeldt daarbij de daaruit resulterende verdeling van zijn deel over de Interreg-programma's waaraan de lidstaat deelneemt.

5 bis.     970 000 000 EUR (8,69 %) van de in lid 1 bedoelde middelen wordt toegewezen aan het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie als bedoeld in artikel 15 bis (nieuw).

Indien de Commissie op 31 december 2026 niet alle in lid 1 bedoelde beschikbare middelen voor in het kader van dat initiatief geselecteerde projecten heeft vastgelegd, worden de resterende niet-vastgelegde saldi naar evenredigheid herverdeeld over de componenten 1 tot en met 4. [Am. 74]

Artikel 10

Transversale bepalingen voor fondsen

1.   De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het document met de meerjarige strategie met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die door het EFRO en het NDICI of IPA III worden ondersteund. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Met betrekking tot de door het EFRO en het NDICI ondersteunde Interreg-programma's worden in die uitvoeringshandeling de in artikel 12, lid 2, van Verordening (EU) [NDICI] bedoelde elementen vastgesteld.

2.   De bijdrage van het EFRO aan externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die ook worden gesteund met gebruikmaking van de financiële middelen in het kader van IPA III die zijn toegewezen aan grensoverschrijdende samenwerking (“IPA III CBC”) of de financiële middelen in het kader van NDICI die zijn toegewezen aan grensoverschrijdende samenwerking voor het geografische gebied nabuurschapsbeleid (“NDICI CBC”), wordt vastgesteld door de Commissie en de betrokken lidstaten. De EFRO-bijdrage die voor elke lidstaat wordt vastgesteld, wordt vervolgens niet over de betrokken lidstaten herschikt.

3.   Er wordt steun uit het EFRO verleend aan individuele externe grensoverschrijdend Interreg-programma's op voorwaarde dat het IPA III CBC en het NDICI CBC ten minste gelijkwaardige bedragen verstrekken in het kader van het relevante strategische programmeringsdocument. Voor deze gelijkwaardigheid bijdrage geldt een maximumbedrag dat is vastgesteld in de IPA III-wetgevingshandeling of de NDICI-wetgevingshandeling. [Am. 75]

Wanneer de herziening van het desbetreffende strategische programmeringsdocument in het kader van IPA III of NDICI echter leidt tot vermindering van het bijbehorende bedrag voor de resterende jaren, moet elke betrokken lidstaat kiezen uit de volgende opties:

a)

verzoeken om het mechanisme uit hoofde van artikel 12, lid 3;

b)

het Interreg-programma voortzetten met de overblijvende steun uit het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC; of

c)

de opties a) en b) combineren.

4.   De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma's wordt opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderdelen voor het begrotingsjaar 2021.

5.   Wanneer de Commissie een specifieke financiële toewijzing heeft opgenomen ter ondersteuning van partnerlanden of regio's in het kader van Verordening (EU) [NDICI] en LGO's in het kader van Besluit van de Raad [het LGO-besluit], of beide, bij de versterking van hun samenwerking met de aangrenzende ultraperifere regio's van de Unie overeenkomstig artikel [33, lid 2,] van Verordening (EU) [NDICI] en/of artikel [87] van het [OCTP-besluit], kan het EFRO ook bijdragen in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening, waar passend en op basis van wederkerigheid en evenredigheid met betrekking tot het niveau van financiering van de NDICI en/of het OCTP, door middel van acties die worden uitgevoerd door een partnerland of -regio's of een andere entiteit uit hoofde van Verordening (EU) [NDICI], door een land, gebied of een andere entiteit uit hoofde van het [LGO-besluit] of door een ultraperifere regio van de Unie, met name in het kader van een of meer gezamenlijke Interreg-programma's van de component 2, 3 of 4 of in het kader van de in artikel 60 bedoelde samenwerkingsmaatregelen die zijn vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig deze verordening.

Artikel 11

Lijst van Interreg-programmamiddelen

1.   Op basis van de informatie die zij op grond van artikel 9, lid 5, van de lidstaten heeft ontvangen, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin een lijst van alle Interreg-programma's is opgenomen en het totaalbedrag van de totale EFRO-steun voor elk programma en, indien van toepassing, de totale steun uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie is aangegeven. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.   Die uitvoeringshandeling bevat ook een lijst van de overeenkomstig artikel 9, lid 5, overgemaakte bedragen, uitgesplitst naar lidstaat en naar financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie.

Artikel 12

Teruggave van middelen en beëindiging

1.   In 2022 en 2023 wordt de jaarlijkse bijdrage uit het EFRO voor de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's waarvoor uiterlijk op 31 maart van de respectieve jaren geen programma bij de Commissie is ingediend en die niet opnieuw is toegewezen aan een ander programma dat is ingediend in dezelfde categorie externe grensoverschrijdende Interreg-programma's, toegewezen aan de interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan de betrokken lidstaat/lidstaten deelneemt/deelnemen.

2.   Als er uiterlijk op 31 maart 2024 nog steeds externe grensoverschrijdende Interreg-programma's zijn die niet bij de Commissie zijn ingediend, wordt de volledige in artikel 9, lid 5, vermelde bijdrage uit het EFRO aan die programma's voor de resterende jaren tot en met 2027, voor zover die niet opnieuw is toegewezen aan een ander extern grensoverschrijdend Interreg-programma dat ook steun ontvangt uit respectievelijk het IPA III CBC of het NDICI CBC, toegewezen aan de interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan de betrokken lidstaat/lidstaten deelneemt/deelnemen.

3.   Reeds door de Commissie goedgekeurde externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden beëindigd of de toewijzing aan de programma's wordt verminderd in overeenstemming met de van toepassing zijnde regels en procedures, in het bijzonder als:

a)

geen van de onder het respectieve Interreg-programma vallende partnerlanden de desbetreffende financieringsovereenkomst binnen de overeenkomstig artikel 57 vastgestelde termijnen heeft ondertekend;

b)

het in naar behoren gemotiveerde gevallen, wanneer het Interreg-programma niet kan worden uitgevoerd als gepland omdat zich tussen de deelnemende landen problemen hebben voorgedaan. [Am. 76]

In dat geval wordt de in lid 1 vermelde bijdrage uit het EFRO die overeenstemt met nog niet vastgelegde jaartranches, of jaartranches die zijn vastgelegd en die gedurende hetzelfde begrotingsjaar geheel of ten dele zijn vrijgemaakt, voor zover die niet is opnieuw is toegewezen aan een ander extern grensoverschrijdend Interreg-programma dat ook steun ontvangt uit respectievelijk het IPA III CBC of NDICI CBC, toegewezen aan de interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan die lidstaat/lidstaten deelneemt/deelnemen.

4.   Wat een reeds door de Commissie goedgekeurd Interreg-programma van component 2 betreft, wordt de deelname van een partnerland of van Groenland een LGO beëindigd, indien zich een van de situaties als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a) en b), voordoet.

De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, de overige deelnemende partnerlanden verzoeken om een van de volgende elementen: [Am. 77]

a)

dat het Interreg-programma in zijn geheel wordt beëindigd, met name wanneer de belangrijkste gezamenlijke ontwikkelingsproblemen ervan niet kunnen worden verwezenlijkt zonder de deelname van die partner of Groenland dat LGO ; [Am. 78]

b)

dat de toewijzing voor dat Interreg-programma wordt verminderd, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften en procedures;

c)

dat het Interreg-programma doorgaat zonder de deelname van het betrokken partnerland of van Groenland een LGO . [Am. 79]

Wanneer de toewijzing aan het Interreg-programma wordt verminderd overeenkomstig het bepaalde onder b) van de tweede alinea van dit lid, wordt de bijdrage uit het EFRO die overeenstemt met nog niet vastgelegde jaartranches, toegewezen aan een ander Interreg-programma van component 2 waaraan een of meer van de betrokken lidstaten deelneemt of, als een lidstaat enkel deelneemt aan één Interreg-programma van component 2, aan één of meer interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan die lidstaat deelneemt.

5.   De uit hoofde van dit artikel verlaagde bijdrage uit het IPA III, NDICI of OCTP wordt respectievelijk gebruikt overeenkomstig de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit [LGO] van de Raad.

6.   Wanneer een derde land , partnerland of een partnerland LGO dat met nationale middelen bijdraagt aan een Interreg-programma, waarbij het niet gaat om de nationale medefinanciering van steun uit het EFRO of uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, deze bijdrage vermindert tijdens de uitvoering van het Interreg-programma, hetzij in het algemeen of in verband met gezamenlijke concrete acties die reeds zijn geselecteerd en na ontvangst van het document zoals bedoeld in artikel 22, lid 6, verzoeken de deelnemende lidstaat of lidstaten om één van de in lid 4, tweede alinea, van dit artikel vermelde opties. [Am. 80]

Artikel 13

Medefinancieringspercentages

Het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma bedraagt niet meer dan 70 80  %, tenzij met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's of Interreg-programma's van componenten component 3 een hoger percentage is vastgesteld in de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit (EU) [OCTP] van de Raad, of in elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld. [Am. 81]

HOOFDSTUK II

Specifieke doelstellingen voor Interreg en thematische concentratie

Artikel 14

Specifieke doelstellingen voor Interreg

1.   Het EFRO, binnen zijn toepassingsgebied zoals neergelegd in artikel 4 van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie dragen bij tot de beleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel [4, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], door middel van gezamenlijke acties in het kader van de Interreg-programma's.

2.   In geval van het Peace-Plus-programma, wanneer het optreedt ter ondersteuning van vrede en verzoening, levert het EFRO, als specifieke doelstelling onder beleidsdoelstelling 4, ook een bijdrage aan het bevorderen van de sociale, economische en regionale stabiliteit in de betrokken regio's, met name door maatregelen die de samenhang tussen gemeenschappen verbeteren. Die specifieke doelstelling wordt door een afzonderlijke prioriteit ondersteund.

3.   In aanvulling op de specifieke doelstellingen van het EFRO zoals vastgesteld in artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], kunnen dragen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie als volgt bijdragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen in het kader van BD 4: [Am. 82]

a)

verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid over de grenzen heen;

b)

verbetering van de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, opleiding en een leven lang leren over de grenzen heen met het oog op de verhoging van het opleidingsniveau en de bijbehorende vaardigheidsniveaus die over de grenzen heen erkend moeten worden;

c)

verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare gezondheidszorg over de grenzen heen;

d)

verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de langdurige zorgverlening over de grenzen heen;

e)

bevordering van sociale insluiting en bestrijding van armoede, onder meer door bevordering van gelijke kansen en de bestrijding van discriminatie over de grenzen heen.

4.   In het kader van de componenten 1, 2 en 3 kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de specifieke doelstelling voor Interreg “een beter bestuur voor Interreg”, met name door middel van de volgende acties:

a)

onder Interreg-programma's van component 1 en 2B: [Am. 83]

i)

versterking van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties, met name die welke belast zijn met het beheer van een bepaald gebied, en van de belanghebbenden;

ii)

verbetering van de efficiëntie van het openbaar bestuur door de bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers , met inbegrip van people-to-people-projecten, het maatschappelijk middenveld en instellingen, met name om een oplossing te vinden voor juridische en andere obstakels in grensregio's; [Am. 84]

b)

onder Interreg-programma's van de componenten 1, 2 en 3: verbetering van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden bij de uitvoering van macroregionale en zeebekkenstrategieën;

c)

in het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's en Interreg-programma's van component 2 en 3 die worden ondersteund door de Interreg-fondsen, in aanvulling op de punten a) en b): het opbouwen van wederzijds vertrouwen, met name door de bevordering van intermenselijke contacten, de verbetering van duurzame democratie en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en hun rol bij hervormingsprocessen en democratische transities;

5.   In het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's en Interreg-programma's van component  1, 2 en 3 verlenen kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg “een veiliger, zekerder Europa”, met name door acties op het gebied van het beheer van grensoverschrijdingen, mobiliteit en migratie, met inbegrip van de bescherming en economische en sociale integratie van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten . [Am. 85]

Artikel 15

Thematische concentratie

1.   Ten minste 60 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan maximaal drie van de beleidsdoelstellingen die zijn uiteengezet in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

2.   Een aanvullende Ten hoogste 15 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg “een beter bestuur voor Interreg”of en ten hoogste 10 % daarvan kan worden toegewezen aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg “een veiliger, zekerder Europa”. [Am. 86]

3.   Wanneer een Interreg-programma van component  1 of 2A een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, worden draagt ten minste 80 % van de totale toewijzingen van het EFRO en evenals , indien van toepassing, de totale een gedeelte van de toewijzingen van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen bij aan de doelstellingen van die strategie. [Am. 87]

4.   Wanneer een Interreg-programma van component 2B een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, wordt ten minste 70 % van de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie. [Am. 88]

5.   Voor Interreg-programma's van component 4 worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg “een beter bestuur voor Interreg”.

Artikel 15 bis

Investeringen in interregionale innovatie

1.     De in artikel 9, lid 5 bis, bedoelde middelen worden toegewezen aan een nieuw initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie dat bestemd is voor:

a)

de commercialisering en opschaling van gemeenschappelijke innovatieve projecten die de ontwikkeling van Europese waardeketens kunnen stimuleren;

b)

het samenbrengen van onderzoekers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie en sociale innovatie;

c)

proefprojecten om nieuwe oplossingen voor ontwikkeling op regionaal en lokaal niveau vast te stellen of te testen die gebaseerd zijn op strategieën voor slimme specialisatie; of

d)

de uitwisseling van ervaringen met innovatie om de opgedane ervaring op het gebied van regionale of lokale ontwikkeling te kunnen benutten.

2.     Om het beginsel van Europese territoriale samenhang te handhaven, met een ongeveer gelijk aandeel van de financiële middelen, zijn deze investeringen gericht op het scheppen van banden tussen minder ontwikkelde regio's en leidende regio's door de capaciteit van regionale innovatieve ecosystemen in minder ontwikkelde regio's te vergroten om de bestaande of opkomende EU-waarde te integreren en te bevorderen, evenals de capaciteit om deel te nemen aan partnerschappen met andere regio's.

3.     De Commissie zorgt voor de uitvoering van die investeringen in direct of indirect beheer. Zij wordt ondersteund door een deskundigengroep bij de opstelling van een werkprogramma op lange termijn en daarmee verband houdende oproepen.

4.     Voor investeringen in interregionale innovatie wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO. Derde landen mogen aan deze investeringen deelnemen, op voorwaarde dat zij een financiële bijdrage leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten. [Am. 89]

HOOFDSTUK III

Programmering

AFDELING I

VOORBEREIDING, GOEDKEURING EN WIJZIGING VAN INTERREG-PROGRAMMA'S

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van Interreg-programma's

1.   De doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)” wordt uitgevoerd via Interreg-programma's in gedeeld beheer, met uitzondering van programma's van component 3, die geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd, en programma's na raadpleging van component 5 die in direct of indirect beheer worden uitgevoerd de belanghebbenden . [Am. 90]

2.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden , LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking stellen een Interreg-programma op overeenkomstig het model zoals vermeld in de bijlage voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027. [Am. 91]

3.   De deelnemende lidstaten bereiden een Interreg-programma voor in samenwerking met de programmapartners als bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. Bij de voorbereiding van de Interreg-programma's die betrekking hebben op macroregionale of zeegebiedstrategieën houden de lidstaten en de programmapartners rekening met de thematische prioriteiten van de relevante macroregionale en zeegebiedstrategieën en raadplegen zij de relevante actoren. De lidstaten en de programmapartners zetten een mechanisme ex ante op om ervoor te zorgen dat alle actoren op macroregionaal niveau en op het niveau van de zeegebieden, programma-autoriteiten in het kader van Europese territoriale samenwerking, regio's en landen aan het begin van de programmeringsperiode worden samengebracht om gezamenlijk een besluit te nemen over de prioriteiten voor elk programma. Deze prioriteiten worden waar nodig afgestemd op de actieplannen voor macroregionale of zeegebiedstrategieën. [Am. 92]

De deelnemende derde landen, partnerlanden of LGO's betrekken, indien van toepassing, hier eveneens de programmapartners bij die gelijkwaardig zijn aan die waarnaar in dat artikel wordt verwezen.

4.   De lidstaat waar de kandidaat-beheersautoriteit gevestigd is, dient een Interreg-programma of meer Interreg-programma's uiterlijk [datum van inwerkingtreding plus negen twaalf maanden;] in bij de Commissie namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden , LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking . [Am. 93]

Een Interreg-programma dat steun wordt ondersteund door een extern financieringsinstrument van de Unie, wordt uiterlijk zes twaalf maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende strategische programmeringsdocumenten uit hoofde van artikel 10, lid 1, of indien dit vereist is uit hoofde van de respectieve basishandeling van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is. [Am. 94]

5.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's bevestigen schriftelijk hun instemming met de inhoud van een Interreg-programma voordat het bij de Commissie wordt ingediend. Deze instemming omvat ook een verbintenis van alle deelnemende lidstaten en indien van toepassing, van derde landen, partnerlanden of LGO's, om de nodige medefinanciering voor de uitvoering van het Interreg-programma te verstrekken evenals, indien van toepassing, de toezegging voor een financiële bijdrage van de betreffende derde landen, partnerlanden of LGO's.

In afwijking van de eerste alinea worden voor Interreg-programma's waarbij ultraperifere gebieden en derde landen, partnerlanden of LGO's betrokken zijn, de respectieve derde landen, partnerlanden of LGO's door de betrokken lidstaten geraadpleegd voordat de Interreg-programma's bij de Commissie worden ingediend. In dit geval mag de instemming met de inhoud van de Interreg-programma's en de eventuele bijdrage van de derde landen, partnerlanden of LGO's ook worden vastgelegd in de formeel goedgekeurde notulen van de overlegvergaderingen met de derde landen, partnerlanden of LGO's of van de beraadslagingen van de regionale samenwerkingsorganisaties.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 62 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de veranderingen die zich tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële elementen daarvan voordoen.

Artikel 17

Inhoud van Interreg-programma's

1.   Elk Interreg-programma bevat een gezamenlijke strategie voor de bijdrage van het programma tot de in artikel [4, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstellingen en de in artikel 14, leden 4 en 5, van deze verordening vermelde specifieke doelstellingen voor Interreg en de mededeling van de resultaten ervan.

2.   Elk Interreg-programma bestaat uit prioriteiten.

Elke prioriteit komt overeen met een enkele beleidsdoelstelling of, indien van toepassing, met respectievelijk één of beide specifieke doelstellingen voor Interreg of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling of, indien van toepassing, met respectievelijk één of beide specifieke doelstellingen voor Interreg, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Meer dan één prioriteit kan overeenkomen met dezelfde beleidsdoelstelling of specifieke doelstelling voor Interreg.

3.   In naar behoren gemotiveerde gevallen en in overleg met de Commissie kan de De betrokken lidstaat kan besluiten tot de overdracht aan Interreg-programma's van tot [x] 20  % van het bedrag aan steun uit het EFRO dat is toegewezen aan het desbetreffende programma in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor dezelfde regio, teneinde de efficiëntie van de programma-uitvoering te vergroten en grootschaligere concrete acties te verwezenlijken. Elke lidstaat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht en zet voor de Commissie de redenen voor zijn besluit uiteen. Het overgemaakte bedrag vormt een afzonderlijke prioriteit of afzonderlijke prioriteiten. [Am. 95]

4.   Voor elk Interreg-programma wordt het volgende vastgesteld:

a)

het programmagebied (met inbegrip van een kaart daarvan als een afzonderlijk document);

b)

een samenvatting van de voornaamste gemeenschappelijke problemen, met name rekening houdend met: [Am. 96]

i)

economische, sociale en territoriale verschillen;

ii)

gemeenschappelijke investeringsbehoeften en complementariteit met andere vormen van steun en te verwezenlijken potentiële synergieën ; [Am. 97]

iii)

lessen uit ervaringen uit het verleden en de wijze waarop zij in het programma in aanmerking zijn genomen ; [Am. 98]

iv)

macroregionale strategieën en zeegebiedstrategieën, indien het programmagebied als geheel of gedeeltelijk door één of meer strategieën wordt gedekt;

c)

een motivering voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen en specifieke doelstellingen voor Interreg, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun bijbehorende prioriteiten , waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt; [Am. 99]

d)

voor elke prioriteit, behalve voor technische bijstand, specifieke doelstellingen;

e)

voor elke specifieke doelstelling:

i)

de gerelateerde actietypes, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing , respectievelijk de reeks criteria en de overeenkomstige transparante selectiecriteria voor een dergelijke concrete actie ; [Am. 100]

ii)

outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

iii)

de voornaamste doelgroepen; [Am. 101]

iv)

beoogde specifieke grondgebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of andere territoriale instrumenten;

v)

het voorgenomen gebruik van financieringsinstrumenten; [Am. 102]

vi)

indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen per interventietype;

f)

voor de prioriteit ten aanzien van technische bijstand, het geplande gebruik overeenkomstig de artikelen [30], [31] en [32] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en de desbetreffende interventietypes;

g)

een financieringsplan dat de volgende tabellen bevat (zonder verdeling per deelnemende lidstaat, derde land, partnerland of LGO, tenzij anders vermeld):

i)

een tabel met de totale financiële toewijzingen voor het EFRO en, indien van toepassing, voor elk financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie voor de gehele programmeringsperiode en per jaar;

ii)

een tabel met de totale financiële toewijzingen voor elke prioriteit uit het EFRO en, indien van toepassing, voor elk financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie per prioriteit, de nationale medefinanciering en of de nationale medefinanciering is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

h)

de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] bedoelde relevante programmapartners te betrekken bij de voorbereiding van het Interreg-programma en de rol van die programmapartners bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van dat programma;

i)

de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het Interreg-programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, de communicatieactiviteiten op sociale media, de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie.

5.   De in lid 4 bedoelde informatie wordt als volgt verstrekt:

a)

met betrekking tot de onder g) bedoelde tabellen en wat betreft de steun uit financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, worden die fondsen als volgt opgezet:

i)

voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die worden ondersteund door het IPA III en het NDICI, als één bedrag (“IPA III CBC” of “nabuurschap CBC”), waarbij de bijdragen van [Rubriek 2 Cohesie en waarden, subplafond Economische, sociale en territoriale samenhang] en [Rubriek 6 Nabuurschap en internationaal beleid] worden gecombineerd);

ii)

voor Interreg-programma's van de component 2 en 4 die worden ondersteund door het IPA III, NDICI of OCTP, als één bedrag (“Interreg-fondsen”), waarbij de bijdragen uit [Rubriek 2] en [Rubriek 6] worden gecombineerd, of uitgesplitst per financieringsinstrument “EFRO”, “IPA III”, “NDICI” en “OCTP”, overeenkomstig de keuze van de programmapartners;

iii)

voor Interreg-programma's van component 2 die worden ondersteund door het OCTP, uitgesplitst naar financieringsinstrument (“EFRO” en “OCTP Groenland” “OCTP” ); [Am. 103]

iv)

voor Interreg-programma's van component 3 die worden ondersteund door het NDICI, uitgesplitst naar financieringsinstrument (“EFRO”, “NDICI” en “OCTP”, naargelang van het geval).

b)

de in lid 4, onder g), ii), bedoelde tabel bevat enkel de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025. [Am. 104]

6.   Met betrekking tot lid 4, onder e), vi), en onder f), worden de interventietypes gebaseerd op een nomenclatuur die is opgenomen in bijlage [I] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

7.   Het Interreg-programma moet:

a)

de beheersautoriteit, de auditautoriteit en de instantie waaraan de Commissie de betalingen verricht, identificeren;

b)

de procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat vastleggen alsook, indien van toepassing, de ondersteunende beheersstructuren in de lidstaten of derde landen ; [Am. 105]

c)

de verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten, en indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's vaststellen in het geval van financiële correcties die door de beheersautoriteit of de Commissie worden opgelegd.

8.   De beheersautoriteit brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 7, onder a), bedoelde informatie waarvoor geen programmawijziging nodig is.

9.   In afwijking van lid 4 wordt de inhoud van Interreg-programma's van component 4 aangepast aan het specifieke karakter van die Interreg-programma's, met name als volgt:

a)

de onder a) bedoelde informatie is niet vereist;

b)

de onder b) tot en met h) vereiste informatie wordt in de vorm van een kort overzicht verstrekt;

c)

voor elke specifieke doelstelling in het kader van andere prioriteiten dan technische bijstand worden de volgende gegevens verstrekt:

i)

de vastlegging van één enkele begunstigde of een beperkte lijst van begunstigden en de toekenningsprocedure;

ii)

gerelateerde actietypes en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen;

iii)

outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

iv)

de voornaamste doelgroepen;

v)

een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen per interventietype.

Artikel 18

Goedkeuring van Interreg-programma's

1.   De Commissie beoordeelt volledig transparant elk Interreg-programma en de mate waarin het Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en, in het geval van steun uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie en, indien van toepassing, de samenhang ervan met het in artikel 10, lid 1, van deze verordening bedoelde meerjarig strategiedocument of het desbetreffende strategische programmeringskader uit hoofde van het de respectieve basishandeling van één of meer van die instrumenten. [Am. 106]

2.   De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het Interreg-programma is ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is, opmerkingen formuleren.

3.   Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden , LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking evalueren het Interreg-programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie. [Am. 107]

4.   De Commissie stelt uiterlijk zes drie maanden na indiening van de herziene versie van elk Interreg-programma door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast. [Am. 108]

5.   Met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's keurt de Commissie haar besluiten uit hoofde van lid 4 goed na raadpleging van het in overeenstemming met artikel [16] van Verordening (EU) [IPA III] opgerichte “IPA III-Comité” en van het in overeenstemming met artikel [36] van Verordening (EU) [NDICI] opgerichte “comité van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking”.

Artikel 19

Wijziging van Interreg-programma's

1.   De Na raadpleging van de lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], kan de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op de verwezenlijking van de doelstellingen is. [Am. 109]

2.   De Commissie beoordeelt de mate waarin de wijziging Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en kan binnen drie maanden een maand na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. [Am. 110]

3.   Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden , LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking evalueren het gewijzigde programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie. [Am. 111]

4.   De Commissie keurt de wijziging van een Interreg-programma uiterlijk zes drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, goed. [Am. 112]

5.    Na raadpleging van de lidstaat lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], kan de lidstaat tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 10  % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 5  % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma. [Am. 113]

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren.

Zij worden beschouwd als niet-ingrijpend en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het Interreg-programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De beheersautoriteit dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 4, onder g), ii), bedoelde herziene tabel in.

6.   Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het Interreg-programma niet beïnvloeden, is geen goedkeuring van de Commissie vereist. De beheersautoriteit stelt de Commissie van dergelijke correcties in kennis.

AFDELING II

TERRITORIALE ONTWIKKELING

Artikel 20

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

Voor de Interreg-programma's zijn de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van territoriale of lokale ontwikkelingsstrategieën, als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en/of verantwoordelijk zijn voor de selectie van de in het kader van deze strategieën als bedoeld in artikel [23, lid 4,] van die verordening te ondersteunen concrete acties, hetzij grensoverschrijdende juridische entiteiten of EGTS.

Een grensoverschrijdende juridische entiteit of een EGTS die een geïntegreerde territoriale investering als bedoeld in artikel 24 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] of een ander territoriaal instrument op grond van artikel [22], onder c), van die verordening uitvoert, kan eveneens de enige begunstigde overeenkomstig artikel 23, lid 5, van deze verordening zijn, mits er sprake is van een scheiding van functies binnen de grensoverschrijdende juridische entiteit of de EGTS.

Artikel 21

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling

Interreg-programma's kunnen vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (“CLLD”) uit hoofde van artikel [22], onder b), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] omvatten, mits de desbetreffende plaatselijke actiegroepen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming, en ten minste twee deelnemende landen waarvan er één een lidstaat is.

AFDELING III

CONCRETE ACTIES EN FONDSEN VOOR KLEINSCHALIGE PROJECTEN

Artikel 22

Selectie van concrete acties in het kader van Interreg

1.   Concrete acties in het kader van Interreg worden door een overeenkomstig artikel 27 opgericht toezichtcomité geselecteerd in overeenstemming met de strategie en doelstellingen van het programma.

Dat toezichtcomité kan voor de selectie van concrete acties één of, met name in het geval van subprogramma's, meerdere directiecomités oprichten, die optreden onder zijn verantwoordelijkheid. Directiecomités passen het partnerschapsbeginsel van artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] toe en betrekken partners uit alle deelnemende lidstaten. [Am. 114]

Wanneer een concrete actie geheel of gedeeltelijk buiten het programmagebied wordt uitgevoerd [binnen of buiten de Unie], is voor de selectie van die concrete actie de uitdrukkelijke goedkeuring van de beheersautoriteit in het toezichtcomité of, indien van toepassing, in het directiecomité vereist.

2.   Voor de selectie van concrete acties moet het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.

De criteria en procedures waarborgen de prioritering van de te selecteren concrete acties teneinde ervoor te zorgen dat de bijdrage uit de middelen van de Unie financiering van de Unie optimaal bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Interreg-programma en de uitvoering van de samenwerkingscomponent van de concrete acties in het kader van de Interreg-programma's, als bedoeld in artikel 23, leden 1 en 4.

3.   De beheersautoriteit raadpleegt stelt de Commissie en houdt rekening met haar opmerkingen in kennis voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité. Hetzelfde geldt voor eventuele latere wijzigingen van deze criteria. [Am. 115]

4.   Bij de selectie van de concrete acties heeft Voor het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité de concrete acties selecteert, heeft de beheersautoriteit de volgende taken: [Am. 116]

a)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties in overeenstemming zijn met het Interreg-programma en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;

b)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet in strijd zijn met de desbetreffende strategieën die overeenkomstig artikel 10, lid 1, zijn vastgesteld of de strategieën die zijn vastgesteld voor een of meer van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie;

c)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verwezenlijking van doelstellingen vertegenwoordigen;

d)

verifiëren dat de begunstigde de nodige financiële middelen en instrumenten heeft om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken;

e)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (22) vallen, worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad (23).

f)

verifiëren dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit;

g)

waarborgen dat een geselecteerde concrete actie binnen het toepassingsgebied van het betrokken Interreg-fonds valt en aan een interventietype wordt toegewezen;

h)

waarborgen dat concrete acties geen activiteiten omvatten die deel uitmaakten van een concrete actie waarvoor een verplaatsing in overeenstemming met artikel [60] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] gold of die zouden neerkomen op een overdracht van een productieve activiteit overeenkomstig [artikel 59, lid 1, onder a),] van die verordening.

i)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet worden beïnvloed door een met redenen omkleed advies van de Commissie met betrekking tot een inbreukprocedure overeenkomstig artikel 258 van het VWEU dat de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven of de uitvoering van concrete acties in gevaar brengt;

j)

de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar.

5.   Het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité keurt de voor de selectie van concrete acties in het kader van Interreg gebruikte methoden en criteria goed, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan, onverminderd [artikel 27, lid 3, onder b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] betreffende de CLLD en artikel 24 van deze verordening.

6.   Voor elke concrete actie in het kader van Interreg verstrekt de beheersautoriteit de eerstverantwoordelijke of enige partner een document waarin de voorwaarden voor steun voor de actie zijn vermeld, met inbegrip van de specifieke vereisten betreffende de producten of diensten die moeten worden geleverd, het financieringsplan, de uitvoeringstermijn en, indien van toepassing, de toe te passen methode voor de vaststelling van de kosten van de concrete actie en de voorwaarden voor betaling van de subsidie.

In dit document worden eveneens de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner met betrekking tot terugvorderingen op grond van artikel 50 vastgesteld. Deze verplichtingen De procedures in verband met terugvorderingen worden vastgesteld en overeengekomen door het toezichtcomité. Een eerstverantwoordelijke partner die is gevestigd in een andere lidstaat, derde land, partnerland of LGO, dan de partner is niet verplicht om door middel van een gerechtelijke procedure terug te vorderen. [Am. 117]

Artikel 23

Partnerschap binnen concrete acties in het kader van Interreg

1.   Bij concrete acties die in het kader van de componenten 1, 2 en 3 worden geselecteerd, zijn actoren uit ten minste twee deelnemende landen of LGO's betrokken, waarvan er ten minste één begunstigde uit een lidstaat afkomstig is. [Am. 118]

Begunstigden van steun uit hoofde van een Interreg-fonds en partners die geen financiële steun ontvangen uit hoofde van die fondsen (begunstigden en partners samen: “partners”) vormen een partnerschap binnen concrete acties in het kader van Interreg.

2.   Een concrete actie in het kader van Interreg kan in één land of LGO's worden uitgevoerd, mits de gevolgen voor en de voordelen van het programmagebied zijn vastgesteld in de aanvraag voor de concrete actie. [Am. 119]

3.   Lid 1 is niet van toepassing op concrete acties in het kader van het grensoverschrijdend Peace-plus-programma wanneer het optreedt ter ondersteuning van vrede en verzoening.

4.   De partners werken samen bij de ontwikkeling, en uitvoering en financiering van concrete acties in het kader van en Interreg, evenals bij de personeelsvoorziening voor concrete acties in het kader van Interreg daarvoor en/of financiering daarvan. Er wordt getracht het aantal partners voor elke concrete actie in het kader van Interreg te beperken tot maximaal tien . [Am. 120]

Voor concrete acties in het kader van Interreg-programma's van component 3 moeten de partners uit ultraperifere regio's en derde landen, partnerlanden of LGO slechts voor drie twee van de vier in de eerste alinea vermelde aspecten samenwerken. [Am. 121]

5.   Als er twee of meer partners zijn, wordt één van hen door de gezamenlijke partners aangewezen als eerstverantwoordelijke partner.

6.   Een grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS kan de enige partner zijn van een concrete actie in het kader van een Interreg-programma van de componenten 1, 2 en 3 zijn, mits de leden daarvan bestaan uit partners uit ten minste twee deelnemende landen of LGO's . [Am. 122]

De grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS bestaat uit leden uit ten minste drie deelnemende landen in het kader van een Interreg-programma van component 4.

Een juridische entiteit die een financieringsinstrument of, indien van toepassing, een fonds van fondsen uitvoert, kan de enige begunstigde van een concrete actie in het kader van Interreg zijn zonder toepassing van de in lid 1 vermelde vereisten inzake de samenstelling ervan.

7.   Een enige partner is geregistreerd in een lidstaat die deelneemt aan het Interreg-programma.

Een enige partner kan evenwel geregistreerd zijn in een lidstaat die niet aan dat programma deelneemt, mits aan de voorwaarden van artikel 23, wordt voldaan. [Am. 123]

Artikel 24

Fonds voor kleinschalige projecten

1.   De totale bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie aan een fonds of meer fondsen voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 000 000 EUR of, als dat minder is, 15 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma en bedraagt in het kader van een Interreg-programma voor grensoverschrijdende samenwerking ten minste 3  % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma. [Am. 124]

De eindontvangers van een fonds voor kleinschalige projecten ontvangen steun uit het EFRO, of indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie via de begunstigde en voeren de kleinschalige projecten uit binnen dat fonds voor kleinschalige projecten (“kleinschalige project”).

2.   De begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten is een grensoverschrijdende juridische publiek- of privaatrechtelijke instantie, een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid of een EGTS natuurlijke persoon, die verantwoordelijk is voor het opzetten of het opzetten en uitvoeren van concrete acties . [Am. 125]

3.   In het document waarin de voorwaarden voor de steun aan een fonds voor kleinschalige projecten worden, naast de in artikel 22, lid 6 neergelegde elementen, de elementen vastgesteld die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de begunstigde:

a)

een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure vaststelt;

b)

objectieve criteria voor de selectie van kleinschalige projecten toepast, waarbij belangenconflicten worden vermeden;

c)

steunaanvragen beoordeelt;

d)

projecten selecteert en het steunbedrag voor elk kleinschalig project vaststelt;

e)

verantwoordelijk is voor de uitvoering van de concrete actie en op zijn niveau alle bewijsstukken bewaart die nodig zijn voor het auditspoor overeenkomstig bijlage [XI] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];

f)

de lijst van de eindontvangers die profiteren van de concrete actie, bekendmaakt.

De begunstigde zorgt ervoor dat de eindontvangers voldoen aan de in artikel 35 vastgestelde vereisten.

4.   De selectie van kleine projecten wordt niet beschouwd als het delegeren van taken door de beheersautoriteit aan een intermediaire instantie als bedoeld in artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

5.   Personeelskosten en andere directe kosten die overeenstemmen met de kostencategorieën van de artikelen 39 tot en met 42, evenals indirecte kosten die op het niveau van de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds of de fondsen voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het respectieve fonds of de respectieve fondsen voor kleinschalige projecten. [Am. 126]

6.   Wanneer de overheidsbijdrage aan een klein project niet meer bedraagt dan 100 000 EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages, behalve voor projecten waarvoor de steun staatssteun vormt. [Am. 127]

Wanneer de totale kosten van elke concrete actie niet meer bedragen dan 100 000 EUR, kan het steunbedrag voor een of meer kleinschalige projecten worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting, die per geval wordt opgesteld en vooraf wordt goedgekeurd door de instantie die de concrete actie selecteert. [Am. 128]

Indien er gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, mogen de kostencategorieën waarop de vaste percentages van toepassing zijn, worden terugbetaald in overeenstemming met [artikel 48, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

Artikel 25

Taken van de eerstverantwoordelijke partner

1.   De eerstverantwoordelijke partner:

a)

stelt de regelingen met de andere partners vast in een overeenkomst waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen die een goed financieel beheer garanderen van de respectieve Uniemiddelen die zijn toegewezen aan de concrete actie in het kader van Interreg, met inbegrip van regelingen voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen;

b)

neemt de verantwoordelijkheid op zich om de uitvoering van de gehele concrete actie in het kader van Interreg te garanderen;

c)

garandeert dat de door alle partners gedeclareerde uitgaven zijn gedaan voor de uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg en overeenkomen met de tussen alle partners overeengekomen activiteiten en in overeenstemming zijn met het document dat door de beheersautoriteit is verstrekt ingevolge artikel 22, lid 6.

2.   Tenzij anders bepaald in regelingen die zijn vastgelegd overeenkomstig lid 1, onder a), ziet de eerstverantwoordelijke partner erop toe dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds zo spoedig mogelijk integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en integraal ontvangen volgens dezelfde procedure als die welke voor de eerstverantwoordelijke partner geldt . Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast waardoor die bedragen voor de andere partners worden verminderd. [Am. 129]

3.   Een begunstigde in een aan een Interreg-programma deelnemend(e) deelnemende lidstaat, derde land, partnerland of LGO kan worden aangewezen als de eerstverantwoordelijke partner. [Am. 130]

De aan een Interreg-programma deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden of LGO's kunnen overeenkomen dat een partner die geen steun ontvangt uit het EFRO of financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, kan worden aangewezen als eerstverantwoordelijke partner. [Am. 131]

AFDELING IV

TECHNISCHE BIJSTAND

Artikel 26

Technische bijstand

1.   Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages op de jaarlijkse gedeelten van de voorfinanciering krachtens artikel 49, lid 2, onder a) en b), van deze verordening toe te passen voor 2021 en 2022 en vervolgens op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens [artikel 85, lid 3, onder a) of onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] voor de volgende jaren, in voorkomend geval . [Am. 132]

2.   Het percentage dat uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie wordt vergoed voor technische bijstand, is als volgt:

a)

voor interne Interreg-programma's voor grensoverschrijdende samenwerking die worden gesteund door het EFRO: 6 7  %; [Am. 133]

b)

voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die worden gesteund door het IPA III CBC of NDICI CBC: 10 %;

c)

voor Interreg-programma's van component 2, 3 en 4 voor zowel het EFRO als, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie: 7 8  %. [Am. 134]

3.   Voor Interreg-programma's met een totale toewijzing van 30 000 000 EUR tot 50 000 000 EUR wordt het bedrag dat resulteert uit het percentage voor technische bijstand, verhoogd met een aanvullend bedrag van 500 000 EUR. De Commissie voegt dat bedrag toe aan de eerste tussentijdse betaling.

4.   Voor Interreg-programma's met een totale toewijzing van minder dan 30 000 000 EUR worden het in EUR uitgedrukte bedrag dat nodig is voor technische bijstand, en het daaruit resulterende percentage vastgesteld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het betrokken Interreg-programma.

HOOFDSTUK IV

Toezicht, evaluatie en communicatie

AFDELING I

TOEZICHT

Artikel 27

Toezichtcomité

1.   De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden , LGO's of organisaties voor regionale integratie en LGO's samenwerking die deelnemen aan dat programma, richten binnen drie maanden na de datum van kennisgeving aan de lidstaat van het besluit van de Commissie tot vaststelling van een Interreg-programma, in overleg met de beheersautoriteit een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het Interreg-programma (“toezichtcomité”), [Am. 135]

2.   Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, of van de beheersautoriteit.

Wanneer in het reglement van orde van het toezichtcomité een roulerend voorzitterschap is vastgesteld, wordt het toezichtcomité voorgezeten door een vertegenwoordiger van een derde land, partnerland of LGO, en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van de beheersautoriteit, en vice versa. [Am. 136]

3.   Elk lid van het toezichtcomité heeft het recht om te stemmen.

4.   Elk toezichtcomité stelt zijn reglement van orde tijdens zijn eerste vergadering vast.

Het reglement van orde van het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité voorkomt belangenconflicten bij de selectie van concrete acties in het kader van Interreg.

5.   Het toezichtcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert alle vraagstukken die invloed hebben op de vooruitgang die wordt geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

6.   De beheersautoriteit publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité, en alle de samenvatting van gegevens en informatie evenals alle besluiten die met het comité worden gedeeld op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website. [Am. 137]

Artikel 28

Samenstelling van het toezichtcomité

1.   De samenstelling van het toezichtcomité van elk Interreg-programma wordt kan worden overeengekomen door de lidstaten en, indien van toepassing, door de aan dat programma deelnemende derde landen, partnerlanden en LGO's, waarbij wordt gezorgd voor gestreefd naar een evenwichtige vertegenwoordiging van de relevante autoriteiten, intermediaire instanties en vertegenwoordigers van de programmapartners zoals bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] uit de lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's. [Am. 138]

Bij de samenstelling van het toezichtcomité wordt rekening gehouden met het aantal deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's in het betrokken Interreg-programma. [Am. 139]

Het toezichtcomité omvat ook vertegenwoordigers van regionale en lokale overheden evenals andere instanties die gezamenlijk zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS. [Am. 140]

2.   De beheersautoriteit publiceert de ledenlijst een lijst van de autoriteiten of instanties die zijn aangewezen als leden van het toezichtcomité op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website. [Am. 141]

3.   Vertegenwoordigers van de Commissie nemen kunnen met raadgevende stem deel deelnemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 142]

3 bis.     Vertegenwoordigers van instanties die zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS, kunnen met raadgevende stem deelnemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 143]

Artikel 29

Functies van het toezichtcomité

1.   Het toezichtcomité onderzoekt:

a)

de vooruitgang die is geboekt bij het uitvoeren van het programma en het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen van het Interreg-programma;

b)

vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het Interreg-programma en de genomen maatregelen;

c)

met betrekking tot financieringsinstrumenten, de in artikel [52, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgesomde elementen van de ex-antebeoordeling en het in artikel 53, lid 2, van die verordening bedoelde strategiedocument;

d)

de vooruitgang bij de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

e)

de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid;

f)

de voortgang bij de uitvoering van concrete acties in het kader van Interreg die van strategisch belang zijn en, indien van toepassing, van grote infrastructuurprojecten;

g)

de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing , waarbij het indien noodzakelijk verdere ondersteunende maatregelen voorstelt . [Am. 144]

2.   In aanvulling op de taken betreffende de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 22, hecht het toezichtcomité zijn goedkeuring aan:

a)

de methoden en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na overleg met kennisgeving aan de Commissie in overeenstemming met artikel 22, lid 2, van deze verordening, onverminderd [artikel 27, lid 3, onder b), c) en d)], van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; [Am. 145]

b)

het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daarvan;

c)

een voorstel van de beheersautoriteit tot wijziging van een Interreg-programma, met inbegrip van voorstellen voor een overdracht in overeenstemming met artikel 19, lid 5;

d)

een eindverslag over de prestaties.

Artikel 30

Evaluatie

1.   De Commissie kan een evaluatie organiseren om de prestaties van de Interreg-programma’s te onderzoeken.

De evaluatie kan schriftelijk worden uitgevoerd.

2.   Op verzoek van de Commissie verstrekt de beheersautoriteit binnen één maand drie maanden de informatie over de in artikel 29, lid 1, genoemde elementen aan de Commissie: [Am. 146]

a)

de vooruitgang die is geboekt bij het uitvoeren van het programma en het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen, eventuele vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het respectieve Interreg-programma en de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken;

b)

de vooruitgang bij de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

c)

de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden.

3.   Het resultaat van de evaluatie wordt vastgelegd in overeengekomen notulen.

4.   De beheersautoriteit geeft gevolg aan door de Commissie aangehaalde kwesties en stelt de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen.

Artikel 31

Indiening van gegevens

1.   Elke beheersautoriteit dient bij de Commissie uiterlijk op 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, en 30 september en 30 november van elk jaar de cumulatieve gegevens voor het respectieve Interreg-programma elektronisch in bij de Commissie overeenkomstig artikel 31, lid 2, onder a), van deze verordening, evenals een maal per jaar de gegevens overeenkomstig artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening op basis van het in bijlage [VII] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgenomen model. [Am. 147]

De gegevens worden ingediend met behulp van de bestaande systemen voor gegevensrapportage, voor zover die systemen in de vorige programmeringsperiode betrouwbaar zijn gebleken. [Am. 148]

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens worden voor elke prioriteit opgesplitst per specifieke doelstelling en hebben betrekking op:

a)

het aantal geselecteerde concrete acties in het kader van Interreg, de totale subsidiabele kosten ervan, de bijdrage van de respectieve Interreg-fondsen en het totaal van de door de partners aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype;

b)

de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties in het kader van Interreg en de door de afgeronde concrete acties in het kader van Interreg bereikte waarden. [Am. 149]

3.   Voor financieringsinstrumenten worden ook gegevens versterkt over:

a)

subsidiabele uitgaven per type financieel product;

b)

het bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen;

c)

het bedrag, per type financieel product, van particuliere en overheidsmiddelen die in aanvulling op de fondsen zijn gemobiliseerd;

d)

rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van de Interreg-fondsen aan de in artikel 54 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] bedoelde financieringsinstrumenten en de teruggevloeide middelen die zijn toe te rekenen aan steun uit de Interreg-fondsen als bedoeld in artikel 56.

4.   De gegevens die in overeenstemming met dit artikel worden ingediend, zijn bijgewerkt tot het einde van de maand die voorafgaand aan de maand waarin zij worden ingediend.

5.   De beheersautoriteit publiceert alle aan de Commissie verstrekte gegevens op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.

Artikel 32

Eindverslag over de prestaties

1.   Elke beheersautoriteit dient uiterlijk op 15 februari 2031 een eindverslag over de prestaties van het respectieve Interreg-programma bij de Commissie in.

Het eindverslag over de prestaties wordt ingediend aan de hand van het model dat overeenkomstig artikel [38, lid 5,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is opgesteld.

2.   In het eindverslag over de prestaties wordt beoordeeld in hoeverre de programmadoelstellingen zijn bereikt op basis van de in artikel 29 genoemde elementen, met uitzondering van lid 1, onder c), van dat artikel.

3.   De Commissie onderzoekt het eindverslag over de prestaties en deelt de beheersautoriteit binnen vijf maanden na de datum van ontvangst van dat verslag haar opmerkingen mee. Als dergelijke opmerkingen worden gemaakt, verstrekt de beheersautoriteit alle nodige informatie in verband met die opmerkingen, en stelt de beheersautoriteit de Commissie, indien van toepassing, binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van de aanvaarding van het verslag.

4.   De beheersautoriteit publiceert het eindverslag over de prestaties op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.

Artikel 33

Indicatoren voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

1.   Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat in bijlage [I] bij Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], en, waar nodig, programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren] die het meest geschikt worden geacht om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma Europese territoriale samenwerking (Interreg) te meten, worden gebruikt overeenkomstig artikel [12, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], en artikel 17, lid 3 4 , onder d e ), ii), en artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening. [Am. 150]

1 bis.     Waar nodig en in door de beheersautoriteit naar behoren gemotiveerde gevallen worden programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren gebruikt naast de indicatoren die overeenkomstig de eerste alinea zijn geselecteerd. [Am. 151]

2.   Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de streefdoelen voor 2029 zijn cumulatief.

AFDELING II

EVALUATIE EN COMMUNICATIE

Artikel 34

Evaluatie tijdens de programmeringsperiode

1.   De beheersautoriteit voert ten hoogste eenmaal per jaar een evaluatie van elk Interreg-programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van het respectieve Interreg-programma. [Am. 152]

2.   Daarnaast voert de beheersautoriteit voor elk programma uiterlijk 30 juni 2029 een evaluatie uit voor elk Interreg-programma om het effect ervan te beoordelen.

3.   De beheersautoriteit laat evaluaties uitvoeren door functioneel onafhankelijke deskundigen.

4.   De beheersautoriteit zorgt wil zorgen voor de procedures die nodig zijn voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens. [Am. 153]

5.   De beheersautoriteit stelt een evaluatieplan op dat meer dan één Interreg-programma kan bestrijken.

6.   De beheersautoriteit dient het evaluatieplan uiterlijk een jaar na de goedkeuring van het Interreg-programma in bij het toezichtcomité.

7.   De beheersautoriteit publiceert alle evaluaties op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.

Artikel 35

Verantwoordelijkheden van de beheersautoriteiten en partners met betrekking tot transparantie en communicatie

1.   Elke beheersautoriteit identificeert een communicatiemedewerker voor elk Interreg-programma waarvoor zij verantwoordelijk is.

2.   De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het Interreg-programma voor een website met informatie over elk Interreg-programma waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, activiteiten, beschikbare financieringsmogelijkheden en verwezenlijkingen van het programma.

3.   Artikel [44, leden 2 tot en met 7 6 ] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] inzake de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit is van toepassing. [Am. 154]

4.   Iedere partner van een concrete actie in het kader van Interreg of elke instantie die een financieringsinstrument uitvoert, erkent de steun van een Interreg-fonds, met inbegrip van hergebruikte middelen voor financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], aan de concrete actie in het kader van Interreg door:

a)

op de professionele website van de partner, indien deze bestaat, een korte beschrijving, in verhouding tot de ontvangen steun die verstrekt is door een Interreg-fonds, van de concrete actie in het kader van Interreg op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie;

b)

te zorgen voor een verklaring waarin op zichtbare wijze de steun uit het Interreg-fonds in de verf wordt gezet op documenten en communicatiemateriaal over de uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg, die worden gebruikt voor het publiek of voor deelnemers;

c)

een plaat of bord op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal waarvan de totale kosten meer bedragen dan 100 000 50 000  EUR, van start gaat; [Am. 155]

d)

voor concrete acties die niet onder c) vallen, ten minste één affiche of en, indien van toepassing, elektronisch beeldscherm (minimaal in A3 2 -formaat) met informatie over de concrete actie in het kader van Interreg met vermelding van de steun uit een Interreg-fonds, op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen; [Am. 156]

e)

voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer dan 10 000 000 5 000 000  EUR bedragen, een communicatie-evenement te organiseren en de Commissie en de bevoegde beheersautoriteit daar tijdig bij te betrekken. [Am. 157]

De term “Interreg” wordt gebruikt naast het embleem van de Europese Unie in overeenstemming met artikel [42] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

5.   Voor fondsen voor kleinschalige projecten en financieringsinstrumenten zorgt de begunstigde ervoor dat de eindontvangers voldoen aan de in lid 4, onder c), vastgestelde vereisten.

6.   Wanneer de begunstigde de in artikel [42] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] of in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde verplichtingen niet nakomt, noch zijn verzuim tijdig herstelt, past de lidstaat beheersautoriteit een financiële correctie toe door maximaal 5 % van de bijdrage van de fondsen aan de betrokken concrete actie in te trekken. [Am. 158]

HOOFDSTUK V

Subsidiabiliteit

Artikel 36

Regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven

1.   Een concrete actie in het kader van Interreg kan geheel of gedeeltelijk buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie in het kader van een Interreg bijdraagt tot de doelstellingen van het respectieve Interreg-programma.

2.   Onverminderd de subsidiabiliteitsregels die zijn vastgesteld in de artikelen [57 tot en met 62] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], de artikelen [4 en 6] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] of dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond hiervan vastgestelde handelingen, stellen de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's enkel aanvullende regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor het Interreg-programma vast — door middel van een gezamenlijk besluit in het toezichtcomité — voor uitgavencategorieën die niet onder die bepalingen vallen. Die aanvullende voorschriften hebben betrekking op het programmagebied als geheel.

Wanneer een Interreg-programma concrete acties selecteert op basis van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, worden die aanvullende voorschriften vastgesteld voordat de eerste oproep tot het indienen van voorstellen bekend is gemaakt. In alle andere gevallen worden die aanvullende voorschriften vastgesteld voordat de eerste concrete acties worden geselecteerd.

3.   Voor aangelegenheden die niet vallen onder de subsidiabiliteitsregels zoals vastgesteld in de artikelen [57 tot en met 62] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], de artikelen [4 en 6] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] en dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond hiervan vastgestelde handelingen of bepalingen die overeenkomstig lid 4 zijn vastgesteld, zijn de nationale regels van de lidstaat en, indien van toepassing, van de derde landen, partnerlanden en LGO's waar de uitgaven zijn gedaan, van toepassing.

4.   In geval van een verschil van mening tussen de beheersautoriteit en de auditautoriteit met betrekking tot de subsidiabiliteit als zodanig van een geselecteerde concrete actie in het kader van het respectieve Interreg-programma, prevaleert het advies van de beheersautoriteit, waarbij rekening moet worden gehouden met het advies van het toezichtcomité.

5.   LGO's komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO in het kader van de Interreg-programma's, maar mogen deelnemen aan deze programma's onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

Artikel 37

Algemene bepalingen inzake de subsidiabiliteit van de kostencategorieën

1.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's kunnen in het toezichtcomité van een Interreg-programma overeenkomen dat uitgaven die onder één of meer van de in de artikelen 38 tot en met 43 bedoelde categorieën vallen, niet subsidiabel zijn in het kader van een of meer prioriteiten van een Interreg-programma.

2.   Alle door of namens de Interreg-partner gedane uitgaven die overeenkomstig deze verordening subsidiabel zijn, dienen betrekking te hebben op de kosten van het opzetten of het opzetten en uitvoeren van een concrete actie of een deel van een concrete actie.

3.   De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

a)

boetes, financiële sancties, gerechtskosten en kosten van geschillen;

b)

kosten van geschenken, met uitzondering van geschenken van niet meer dan 50 EUR per stuk in verband met promotie, communicatie, reclame of informatie;

c)

kosten in verband met schommelingen van wisselkoersen.

Artikel 38

Personeelskosten

1.   Personeelskosten omvatten de bruto arbeidskosten van het personeel van de Interreg-partner in een van de volgende vormen van dienstverband:

a)

voltijds;

b)

deeltijds met een vast percentage werktijd per maand;

c)

deeltijds met een flexibel percentage werktijd per maand; of

d)

op uurbasis.

2.   Personeelskosten zijn beperkt tot:

a)

salarisbetalingen met betrekking tot de activiteiten die de entiteit niet zou ondernemen indien de betrokken concrete actie niet was uitgevoerd en die zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst of -contract, een benoemingsbesluit (alle hierna “arbeidsdocument” genoemd), of bij wet, en die verband houden met de in de functiebeschrijving van het betrokken personeelslid aangegeven verantwoordelijkheden;

b)

andere kosten die direct verband houden met de salarisbetalingen door de werkgever, zoals belastingen en socialezekerheidsbijdragen, met inbegrip van pensioenpremies, die vallen onder Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (24), op voorwaarde dat die kosten:

i)

zijn vastgelegd in een arbeidsdocument of bij wet;

ii)

in overeenstemming zijn met de wetgeving waar het arbeidsdocument naar verwijst en met de normale praktijk in het land en/of de organisatie waar het individuele personeelslid feitelijk werkt; en

iii)

niet door de werkgever kunnen worden teruggevorderd.

Ten aanzien van punt a) kunnen betalingen aan natuurlijke personen die voor de Interreg-partner werken onder een andersoortig contract dan een arbeidsovereenkomst of -contract gelijkgesteld worden aan salarisbetalingen, en kunnen dergelijke andersoortige contracten als arbeidsdocument worden beschouwd.

3.   Personeelskosten kunnen worden vergoed hetzij:

a)

overeenkomstig [artikel 48, lid 1, eerste alinea, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] (aangetoond door arbeidsdocument en salarisafrekeningen); of

b)

in het kader van de vereenvoudigde kostenopties zoals bedoeld in [artikel 48, lid 1, eerste alinea, onder b) tot en met e),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; of

c)

op basis directe personeelskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage overeenkomstig artikel [50, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] van maximaal 20 % van de andere directe kosten dan de directe personeelskosten van die concrete actie , zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is . [Am. 159]

4.   Personeelskosten voor personen die in deeltijd aan de concrete actie werken, worden berekend als hetzij:

a)

het vaste percentage van de bruto arbeidskosten overeenkomstig artikel [50, lid 2,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; of

b)

een flexibel aandeel in de bruto arbeidskosten, overeenkomstig een aantal aan de concrete actie bestede uren dat per maand varieert, op basis van een werktijdregistratiesysteem dat 100 % van de arbeidstijd van de werknemer bestrijkt.

5.   Voor deeltijdopdrachten overeenkomstig lid 4, onder b), wordt de vergoeding van de personeelskosten berekend op basis van een uurtarief bepaald door middel van hetzij:

a)

het delen van de bruto meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten door de maandelijkse arbeidstijd vastgesteld werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig het in het arbeidsdocument, uitgedrukt in uren arbeidscontract vermelde toepasselijke recht en artikel 50, lid 2, onder b) , van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] ; of [Am. 160]

b)

het delen van de meest recente bekende jaarlijkse bruto arbeidskosten door 1 720 (uren), overeenkomstig artikel 50, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

6.   Wat betreft personeelskosten van personen die volgens het arbeidsdocument op uurbasis werken, zijn dergelijke kosten subsidiabel op basis van toepassing van het in het arbeidsdocument overeengekomen uurtarief op het aantal feitelijk aan de concrete actie bestede uren, aan de hand van een systeem voor de registratie van werktijden. Indien de in artikel 38, lid 2, onder b), bedoelde salariskosten nog niet in het overeengekomen uurtarief zijn begrepen, kunnen zij bij dat uurtarief worden opgeteld, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. [Am. 161]

Artikel 39

Kantoor- en administratieve kosten

Kantoor- en administratieve kosten zijn beperkt tot 15 % van de totale directe kosten van een concrete actie en tot de volgende posten: [Am. 162]

a)

kantoorhuur;

b)

verzekeringen en belastingen in verband met de gebouwen waarin het personeel is gevestigd en de uitrusting van het kantoor (bv. brand- en diefstalverzekeringen);

c)

nutsvoorzieningen (bv. elektriciteit, verwarming, water);

d)

kantoorbenodigdheden;

e)

algemene boekhouding van de begunstigde organisatie;

f)

archieven;

g)

onderhoud, reiniging en reparaties;

h)

veiligheid;

i)

IT-systemen;

j)

communicatie (bv. telefoon, fax, internet, postdiensten, visitekaartjes);

k)

bankkosten voor het openen en beheren van rekeningen wanneer voor de uitvoering van een concrete actie een afzonderlijke rekening moet worden geopend;

l)

kosten voor transnationale financiële transacties.

Artikel 40

Reis- en verblijfskosten

1.   Reis- en verblijfskosten zijn beperkt tot de volgende posten:

a)

reiskosten (bv. tickets, de reis- en autoverzekeringen, brandstof, de kilometerstand, tolheffing en parkeerrechten);

b)

de kosten van maaltijden;

c)

verblijfskosten;

d)

visumkosten;

e)

dagvergoedingen,

ongeacht of deze kosten in of buiten het programmagebied zijn gemaakt en betaald.

2.   Alle in lid 1, onder a) tot en met d), genoemde uitgavenposten die al door een dagvergoeding worden gedekt, worden niet vergoed in aanvulling op die dagvergoeding.

3.   Reis- en verblijfskosten van externe deskundigen en dienstverleners vallen onder de in artikel 41 bedoelde kosten voor externe expertise en diensten.

4.   Rechtstreekse betaling van de uitgaven voor kosten in het kader van dit artikel door een medewerker van de begunstigde wordt aangetoond door een bewijs van vergoeding door de begunstigde aan die werknemer. Deze kostencategorie kan worden gebruikt voor de reiskosten van het personeel dat verantwoordelijk is voor een concrete actie en van andere belanghebbenden met het oog op de uitvoering en promotie van de concrete actie in het kader van Interreg en het programma. [Am. 163]

5.   Reis- en verblijfskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage, met een maximum van 15 % van de directe kosten, met uitzondering van de directe personeelskosten, van die concrete actie. [Am. 164]

Artikel 41

Kosten voor externe expertise en diensten

Kosten voor externe expertise en diensten blijven omvatten, maar zijn niet beperkt tot de volgende diensten en deskundigheid van een publiek- of privaatrechtelijke instantie of een natuurlijke persoon, anders dan de begunstigde van de concrete actie , elke partner daaronder begrepen : [Am. 165]

a)

studies of enquêtes (bv. evaluaties, strategieën, conceptnota's, ontwerpen, handboeken);

b)

opleiding;

c)

vertalingen;

d)

IT-systemen en ontwikkeling, aanpassing en updates van websites;

e)

promotie, communicatie, publiciteit of informatie die verband houdt met de uitvoering van een concrete actie of met een samenwerkingsprogramma als zodanig;

f)

financieel beheer;

g)

diensten met betrekking tot de organisatie en uitvoering van evenementen of vergaderingen (met inbegrip van huur, catering en vertolking);

h)

deelname aan evenementen (bv. inschrijvingskosten);

i)

notariële diensten, juridisch advies en technische en financiële deskundigheid, andere advies- en accountantsdiensten;

j)

intellectuele-eigendomsrechten;

k)

verificaties uit hoofde van artikel [68, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en artikel 45, lid 1, van deze verordening;

l)

kosten voor de boekhoudfunctie op het niveau van het programma overeenkomstig artikel [70] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en artikel 46 van deze verordening;

m)

auditkosten op het niveau van het programma overeenkomstig de artikelen [72] en [75] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en de artikelen 47 en 48 van deze verordening;

n)

verstrekking van garanties door een bank of andere financiële instelling wanneer dit vereist wordt door wetgeving van de Unie of nationale wetgeving of in een programmeringsdocument van het toezichtcomité;

o)

reis- en verblijfkosten van externe deskundigen, sprekers, voorzitters van vergaderingen en dienstverleners; [Am. 166]

p)

andere specifieke expertise en diensten die nodig zijn voor concrete acties.

Artikel 42

Kosten voor apparatuur

1.   Kosten van uitrusting die is gekocht, gehuurd of geleased door de begunstigde van de concrete actie, afgezien van de in artikel 39 bedoelde uitrusting omvatten, maar zijn niet beperkt tot het volgende: [Am. 167]

a)

kantoorapparatuur;

b)

IT-apparatuur en software;

c)

meubilair en uitrusting;

d)

laboratoriumbenodigdheden;

e)

machines en instrumenten;

f)

gereedschappen of apparaten;

g)

voertuigen;

h)

andere specifieke uitrusting die nodig is voor concrete acties.

2.   Kosten voor de aanschaf van tweedehands uitrusting en apparatuur kunnen subsidiabel zijn onder de volgende voorwaarden:

a)

er is geen andere steun voor ontvangen uit de Interreg-fondsen of uit de in de lijst in [artikel 1, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgenomen fondsen;

b)

deze prijs is niet hoger dan de algemeen aanvaarde marktprijs voor dergelijke uitrusting;

c)

de technische eigenschappen beantwoorden aan de eisen van de concrete actie en aan de geldende normen en standaarden.

Artikel 43

Kosten voor infrastructuur en werken

Kosten voor infrastructuur en werken zijn beperkt tot het volgende:

a)

de aankoop van land overeenkomstig [artikel 58, lid 1, onder c b ),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; [Am. 168]

b)

bouwvergunningen;

c)

bouwmaterialen;

d)

arbeid;

e)

gespecialiseerde interventies (bv. bodemsanering, ontmijning).

HOOFDSTUK VI

Interreg-programma-autoriteiten, beheer, controle en audit

Artikel 44

Intereg-programma-autoriteiten

1.   De lidstaten en, indien van toepassing, de derde landen, partnerlanden , LGO's en LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking die deelnemen aan een Interreg-programma wijzen, voor de toepassing van artikel [65] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] één enkele beheersautoriteit en één enkele auditautoriteit aan. [Am. 169]

2.   De beheersautoriteit en de auditautoriteit zijn kunnen in dezelfde lidstaat gevestigd zijn . [Am. 170]

3.   Met betrekking tot het Peace-Plus-programma wordt de speciale EU-programma-instantie, wanneer deze wordt aangewezen als de beheersautoriteit, beschouwd als zijnde gevestigd in een lidstaat.

4.   De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, kunnen een EGTS aanwijzen als beheersautoriteit van dat programma.

5.   Wanneer een Interreg-programma van component 2B of component 1 lange grenzen met heterogene ontwikkelingsproblemen en -behoeften bestrijkt, kunnen de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en de LGO die deelnemen aan een Interreg-programma, subprogrammagebieden vaststellen. [Am. 171]

6.   Als de beheersautoriteit een of meer intermediaire instantie instanties aanwijst in het kader van een Interreg-programma overeenkomstig artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], voert /voeren de betrokken intermediaire instantie (s) de taken uit in meer dan één deelnemende lidstaat , of in hun respectieve lidstaten, of, indien van toepassing, in meer dan één derde land, partnerland of LGO. [Am. 172]

Artikel 45

Functies van de beheersautoriteit

1.   De beheersautoriteit van een Interreg-programma vervult de functies die zijn vastgesteld in de artikelen [66], [68] en [69] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], met uitzondering van de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 66, lid 1, onder a) en artikel 67 en de betalingen aan begunstigden als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b). Deze taken worden uitgevoerd in het hele grondgebied dat door dat programma wordt bestreken, behoudens afwijkingen die in hoofdstuk VIII van deze verordening zijn vastgesteld.

1 bis.     In afwijking van artikel 87, lid 2, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] vergoedt de Commissie bij wijze van tussentijdse betaling 100 % van de in de betalingsaanvraag opgenomen bedragen, hetgeen wordt berekend door het medefinancieringspercentage van het programma toe te passen op de totale subsidiabele uitgaven of de overheidsbijdrage, in voorkomend geval. [Am. 173]

1 ter.     Indien de beheersautoriteit de verificaties als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder a), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] niet in het gehele programmagebied verricht, wijst elke lidstaat de instantie of persoon aan die deze verificaties met betrekking tot de begunstigden op zijn grondgebied verricht. [Am. 174]

1 quater.     In afwijking van artikel 92 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen niet van toepassing op de Interreg-programma's. De rekeningen worden aan het einde van een programma goedgekeurd op basis van het eindverslag over de prestaties. [Am. 175]

2.   De beheersautoriteit stelt na overleg met de aan het Interreg-programma deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's een gezamenlijk secretariaat in met personeel, rekening houdend met het partnerschap van het programma.

Het gezamenlijke secretariaat verleent de beheersautoriteit en het toezichtcomité bijstand bij de uitvoering van hun respectieve functies. Het gezamenlijke secretariaat verstrekt ook informatie aan potentiële begunstigden over financieringsmogelijkheden in het kader van Interreg-programma's en verleent bijstand aan de begunstigden en partners bij de uitvoering van concrete acties.

3.   In afwijking van [artikel 70, lid 1, onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] worden in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven door de begunstigden in euro omgerekend aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin die uitgaven overeenkomstig [artikel 68, lid 1, onder a),] van die verordening ter controle zijn voorgelegd aan de beheersautoriteit.

Artikel 46

De boekhoudfunctie

1.   De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, moeten overeenstemming bereiken over de regelingen voor de uitvoering van de boekhoudfunctie.

2.   De boekhoudfunctie omvat de taken als bedoeld in [artikel 70, lid 1, onder a) en b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en bestrijkt eveneens de door de Commissie verrichte betalingen en, als algemene regel, de betalingen aan de eerstverantwoordelijke partner in overeenstemming met [artikel 68, lid 1, onder b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

Artikel 47

Functies van de auditautoriteit

1.   De auditautoriteit van een Interreg-programma vervult de in dit artikel en in artikel 48 bedoelde functies die zijn vastgesteld in het hele grondgebied dat door dat Interreg-programma wordt bestreken, behoudens afwijkingen die in hoofdstuk VIII zijn vastgesteld.

Een deelnemende lidstaat kan echter aangeven wanneer de auditautoriteit moet worden vergezeld door een auditor van die deelnemende lidstaat.

2.   De auditautoriteit van een Interreg-programma is verantwoordelijk voor het uitvoeren van systeemaudits en audits over concrete acties teneinde de Commissie op onafhankelijke wijze zekerheid te bieden over de doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen en over de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

3.   Wanneer een Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 48, lid 1, een gemeenschappelijke steekproef selecteert, voert de auditautoriteit audits uit van door de Commissie geselecteerde concrete acties om een onafhankelijke zekerheid aan de Commissie te verschaffen dat de beheers- en controlesystemen doeltreffend functioneren.

4.   Auditwerkzaamheden worden verricht overeenkomstig internationaal aanvaarde auditnormen.

5.   De auditautoriteit dient elk jaar uiterlijk op 15 februari na het einde van het boekjaar een jaarlijks auditoordeel overeenkomstig artikel [63, lid 7,] van Verordening [FR-Omnibus] in bij de Commissie dat is opgesteld aan de hand van het model in bijlage [XVI] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en gebaseerd op alle uitgevoerde auditwerkzaamheden, en waarin de volgende aspecten worden behandeld:

a)

de volledigheid, waarheidsgetrouwheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningen;

b)

de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven;

c)

het beheers- en controlesysteem van het Interreg-programma.

Wanneer het Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 48, lid 1, een steekproef selecteert, heeft het jaarlijkse auditoordeel uitsluitend betrekking op de in de eerste alinea, onder a) en c), bedoelde onderdelen.

De termijn van 15 februari kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de lidstaat waar de betrokken beheersautoriteit gevestigd is.

6.   De auditautoriteit dient elk jaar uiterlijk op 15 februari na het einde van het boekjaar een jaarlijks controleverslag overeenkomstig artikel [63, lid 5, onder b)] van het Financieel Reglement in bij de Commissie, dat is opgesteld aan de hand van het model in bijlage XVII bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], het in lid 5 bedoelde auditoordeel ondersteunt en dat een samenvatting van de bevindingen bevat, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de fouten en tekortkomingen in het systeem, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen en het daaruit volgende totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage voor de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

7.   Wanneer het Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 48, lid 1, een steekproef selecteert, stelt de auditautoriteit het in lid 6 van dit artikel bedoelde jaarlijkse controleverslag dat aan de eisen van artikel 63, lid 5, onder b), van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] voldoet, op basis van het model in bijlage XVII bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is opgesteld en het in lid 5 van dit artikel bedoelde auditoordeel ondersteund.

Dat verslag bevat een samenvatting van de bevindingen, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de fouten en tekortkomingen in de systemen, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen, de resultaten van de audits van concrete acties die door de auditautoriteit zijn uitgevoerd in verband met de gemeenschappelijke steekproef als bedoeld in artikel 48, lid 1, en de door de Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor individuele onregelmatigheden die door de auditautoriteit zijn geconstateerd voor deze concrete acties.

8.   De auditautoriteit zendt de systeemauditverslagen naar de Commissie zodra de vereiste contradictoire procedure met de betrokken geauditeerden is voltooid.

9.   Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en de auditautoriteit regelmatig, en ten minste een maal per jaar, bijeen om de auditstrategie, het jaarlijkse controleverslag, en het auditoordeel te onderzoeken, hun auditplannen en -methoden op elkaar af te stemmen, en van gedachten te wisselen over kwesties in verband met de verbetering van de beheers- en controlesystemen.

Artikel 48

Audit van concrete acties

1.   De Commissie selecteert een gemeenschappelijke steekproef van concrete acties (of andere steekproefeenheden) met behulp van een statistische steekproefmethode voor de audits van concrete acties die voor elk boekjaar door de auditautoriteiten moeten worden uitgevoerd voor de Interreg-programma's die steun ontvangen uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie.

De gemeenschappelijke steekproef moet representatief zijn voor alle Interreg-programma's die de populatie vormen.

Met het oog op de selectie van de gemeenschappelijke steekproef, kan de Commissie groepen van Interreg-programma's stratificeren aan de hand van hun specifieke risico's.

2.   De programma-autoriteiten verstrekken de informatie die nodig is voor het samenstellen van een gemeenschappelijke steekproef, uiterlijk op 1 september na het einde van elk boekjaar aan de Commissie.

Deze informatie wordt verstrekt in een gestandaardiseerd elektronisch formaat, moet volledig zijn en verenigbaar zijn met de bij de Commissie gedeclareerde kosten voor het referentieboekjaar.

3.   Onverminderd de verplichting tot het uitvoeren van een audit zoals bedoeld in artikel 47, lid 2, voeren de auditautoriteiten voor onder de gemeenschappelijke steekproef vallende Interreg-programma's geen aanvullende audits uit van concrete acties in het kader van deze programma's, tenzij op verzoek van de Commissie overeenkomstig lid 8 van dit artikel of in gevallen waarin een auditautoriteit specifieke risico's heeft vastgesteld.

4.   De Commissie stelt de auditinstanties van de betrokken Interreg-programma's tijdig, in het algemeen uiterlijk op 1 oktober na het einde van elk boekjaar, op de hoogte van de geselecteerde gemeenschappelijke steekproef zodat deze autoriteiten de mogelijkheid hebben de audits van de concrete acties uit te voeren.

5.   De betrokken auditautoriteiten dienen, ten laatste in de jaarlijkse controleverslagen die overeenkomstig artikel 47, leden 6 en 7, bij de Commissie moeten worden ingediend, informatie in over de resultaten van deze audits, alsmede over financiële correcties voor afzonderlijke onregelmatigheden die worden ontdekt.

6.   Na beoordeling van de resultaten van audits van overeenkomstig lid 1 geselecteerde concrete acties berekent de Commissie een algeheel geëxtrapoleerd foutenpercentage met betrekking tot de Interreg-programma's die zijn opgenomen in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, voor de toepassing van haar eigen procedure voor het verkrijgen van zekerheid.

7.   Wanneer het in lid 6 bedoelde algehele geëxtrapoleerde foutenpercentage meer dan 2 3,5  % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, berekent de Commissie een algeheel resterend foutenpercentage, met inachtneming van door de respectieve Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor individuele onregelmatigheden die zijn ontdekt tijdens de audits van uit hoofde van lid 1 geselecteerde concrete acties. [Am. 176]

8.   Wanneer het in lid 7 bedoelde algehele resterend foutenpercentage meer dan 2 3,5  % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, bepaalt de Commissie of het nodig is de auditautoriteit van een specifiek Interreg-programma of een groep Interreg-programma's die het meest beïnvloed zijn, te verzoeken aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten, teneinde het foutenpercentage verder te evalueren en de vereiste corrigerende maatregelen voor de Interreg-programma's die bij de geconstateerde onregelmatigheden betrokken zijn, te beoordelen. [Am. 177]

9.   Op basis van de beoordeling van de resultaten van de aanvullende auditwerkzaamheden waarom overeenkomstig lid 8 is verzocht, kan de Commissie verzoeken dat er aanvullende financiële correcties worden toegepast voor de Interreg-programma's die bij de geconstateerde onregelmatigheden betrokken zijn. In dergelijke gevallen voeren de Interreg-programma-autoriteiten de nodige financiële correcties uit in overeenstemming met artikel [97] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

10.   Elke auditautoriteit van een Interreg-programma waarvoor de in lid 2 bedoelde informatie ontbreekt of onvolledig is of niet is ingediend binnen de in lid 2, eerste alinea, vastgelegde termijn voert een afzonderlijke steekproefprocedure uit voor het respectieve Interreg-programma in overeenstemming met artikel 73 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

HOOFDSTUK VII

Financieel beheer

Artikel 49

Betalingen en voorfinanciering

1.   De EFRO-steun en, indien van toepassing, de steun uit de instrumenten voor financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor elk Interreg-programma worden, overeenkomstig artikel 46, lid 2, op één enkele rekening zonder nationale subrekeningen betaald.

2.   De Commissie keert voorfinanciering uit op basis van de totale steun uit elk Interreg-fonds, zoals uiteengezet in het besluit tot goedkeuring van elk Interreg-programma uit hoofde van artikel 18, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen, in jaarlijkse tranches als volgt en vóór 1 juli van de jaren 2022 tot en met 2026, of in het jaar van het goedkeuringsbesluit, uiterlijk 60 dagen nadat dit besluit wordt aangenomen:

a)

2021: 1 3  %; [Am. 178]

b)

2022: 1 2,25  %; [Am. 179]

c)

2023: 1 2,25  %; [Am. 180]

d)

2024: 1 2,25  %; [Am. 181]

e)

2025: 1 2,25  %; [Am. 182]

f)

2026: 1 2,25  %. [Am. 183]

3.   Indien externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden ondersteund door het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC, wordt de voorfinanciering voor alle fondsen die een dergelijk Interreg-programma ondersteunen, verricht overeenkomstig Verordening (EU) [IPA III] of [NDICI] of elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld. [Am. 184]

Het bedrag van de voorfinanciering kan in twee tranches worden uitgekeerd, indien dat nodig is voor de begroting.

Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het voor grensoverschrijdende Interreg-programma is toegezonden binnen een termijn van 24 36  maanden, te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering door de Commissie. Een dergelijke terugbetaling wordt beschouwd als interne bestemmingsontvangsten en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC aan het programma. [Am. 185]

Artikel 50

Terugvorderingen

1.   De beheersautoriteit zorgt ervoor dat elk bedrag dat als gevolg van een onregelmatigheid wordt betaald, wordt teruggevorderd van de eerstverantwoordelijke of de enige partner. De partners betalen onverschuldigd betaalde bedragen terug aan de eerstverantwoordelijke partner.

2.   Als de eerstverantwoordelijke partner er niet in slaagt terugbetaling van andere partners te verkrijgen of als de beheersautoriteit er niet in slaagt terugbetaling van de eerstverantwoordelijke of de enige partner te verkrijgen, betaalt de lidstaat, het derde land, partnerland of LGO op wiens grondgebied de betrokken partner gevestigd is of, in het geval van een EGTS, geregistreerd is, onverschuldigd aan die partner betaalde bedragen terug aan de beheersautoriteit. De beheersautoriteit is verantwoordelijk voor de terugbetaling van de betrokken bedragen aan de algemene begroting van de Unie, overeenkomstig de verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden of LGO's, zoals vastgesteld in het Interreg-programma.

3.   Zodra de lidstaat, het derde land, partnerland of LGO, de onverschuldigd aan een partner betaalde bedragen heeft terugbetaald aan de beheersautoriteit, kan de lidstaat, het derde land, partnerland of LGO een terugvorderingsprocedure voortzetten of inleiden tegen deze partner op grond van zijn nationale wetgeving. In geval van een geslaagde terugvordering kan een lidstaat, derde land, partnerland of LGO gebruikmaken van deze bedragen voor de nationale medefinanciering van het desbetreffende Interreg-programma. De lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO heeft geen verslagleggingsverplichtingen ten aanzien van de programma-autoriteiten, het toezichtcomité of de Commissie met betrekking tot dergelijke nationale terugvorderingen.

4.   Indien een lidstaat, derde land, partnerland of LGO, de onverschuldigde betalingen aan een partner niet overeenkomstig lid 3 heeft terugbetaald aan de beheersautoriteit, zijn deze bedragen onderwerp van een door de gedelegeerd ordonnateur afgegeven invorderingsopdracht, die indien mogelijk wordt uitgevoerd door verrekening met de bedragen die aan de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO verschuldigd zijn in het kader van latere betalingen binnen hetzelfde Interreg-programma of, in het geval van een derde land, partnerland of LGO, in het kader van latere betalingen aan programma's in het kader van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. Die terugvordering vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie aan het respectieve Interreg-programma. Het teruggevorderde bedrag wordt aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [177, lid 3,] van Verordening (EU, Euratom) nr. [FR-omnibus].

HOOFDSTUK VIII

Deelname van derde landen, partnerlanden , LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking aan Interreg-programma's in gedeeld beheer [Am. 186]

Artikel 51

Toepasselijke bepalingen

De hoofdstukken I tot en met VII en hoofdstuk X zijn van toepassing op de deelname van derde landen, partnerlanden , LGO's of organisaties voor regionale integratie en LGO's samenwerking aan Interreg-programma's die onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van dit hoofdstuk. [Am. 187]

Artikel 52

Interreg-programma-autoriteiten en hun functies

1.   Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, staan hetzij toe dat de beheersautoriteit van dat programma haar functies uit kan oefenen op hun respectieve grondgebied of wijzen een nationale autoriteit aan als contactpunt voor de beheersautoriteit of een nationale controleur om beheersverificaties te verrichten als bedoeld in [artikel 68, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] op hun respectieve grondgebied.

2.   Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, staan hetzij toe dat de auditautoriteit van dat programma haar functies uit kan oefenen op hun respectieve grondgebied of wijzen een nationale auditautoriteit of -instantie aan die functioneel onafhankelijk is van de nationale autoriteit.

3.   Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, delegeren kunnen personeel delegeren aan het gezamenlijke secretariaat van dat programma en/of zetten , in overleg met de beheersautoriteit, op hun respectieve grondgebied een filiaal van het gezamenlijke secretariaat op. [Am. 188]

4.   De nationale autoriteit of een orgaan dat is gelijkgesteld aan de communicatiemedewerker van het Interreg-programma als bedoeld in artikel 35, lid 1, ondersteunen kunnen de beheersautoriteit en de partners in het betreffende derde land, partnerland of LGO ondersteunen met betrekking tot de in artikel 35, leden 2 tot en met 7, bedoelde taken. [Am. 189]

Artikel 53

Beheersmethoden

1.   Externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die door het EFRO en het IPA III CBC of NDICI CBC worden ondersteund, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of partnerland.

Het Peace-Plus-programma wordt zowel in Ierland als in het Verenigd Koninkrijk in gedeeld beheer uitgevoerd.

2.   Interreg-programma's van de component 2 en 4 die bijdragen uit het EFRO en één of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie combineren, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in de lidstaten en in een eventueel deelnemende deelnemend derde land , partnerland of partnerland LGO of, met betrekking tot component 3, in eender welk LGO, ongeacht of deze LGO steun ontvangt uit een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. [Am. 190]

3.   Interreg-programma's van component 3 die bijdragen uit het EFRO en één of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie combineren, worden op een van de volgende wijzen uitgevoerd:

a)

in gedeeld beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of LGO of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie ; [Am. 191]

b)

alleen in gedeeld beheer in de lidstaten en in het deelnemende een deelnemend derde land of LGO , of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie, met betrekking tot EFRO-uitgaven buiten de Unie voor één of meer concrete acties, terwijl de bijdragen van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie in indirect beheer worden beheerd; [Am. 192]

c)

in indirect beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemende derde land of LGO. [Am. 193]

Wanneer een Interreg-programma's Interreg-programma van component 3 geheel of gedeeltelijk in indirect beheer wordt uitgevoerd, is voorafgaande overeenstemming tussen de betrokken lidstaten en regio's vereist en is artikel 60 van toepassing. [Am. 194]

3 bis.     Gezamenlijke oproepen tot het indienen van voorstellen om financiering uit bilaterale of meerlandenprogramma's in het kader van NDICI en Europese territoriale samenwerking beschikbaar te stellen, kunnen bekendgemaakt worden indien de respectieve beheersautoriteiten daarmee instemmen. In de oproep wordt de geografische reikwijdte en de verwachte bijdrage ervan aan de doelstellingen van de respectieve programma's gespecificeerd. De beheersautoriteiten besluiten of de regels in het kader van NDICI, dan wel de regels in het kader van Europese territoriale samenwerking van toepassing zijn op de oproep. Zij kunnen besluiten een eerstverantwoordelijke beheersautoriteit aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de beheers- en controletaken die verband houden met de oproep. [Am. 195]

Artikel 54

Subsidiabiliteit

1.   In afwijking van artikel [57, lid 2,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] komen de uitgaven in aanmerking voor een bijdrage uit financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie indien zij zijn gedaan door een partner of de particuliere partner van concrete PPP-acties bij de voorbereiding en uitvoering van concrete acties in het kader van Interreg vanaf 1 januari 2021 en betaald na de datum waarop de financieringsovereenkomst met het respectieve derde land, partnerland of LGO werd gesloten.

Uitgaven voor technische bijstand die worden beheerd door in een lidstaat gevestigde programma-autoriteiten, komen echter in aanmerking vanaf 1 januari 2021, ook indien deze uitgaven worden gedaan voor acties ten gunste van derde landen, partnerlanden of LGO's.

2.   Wanneer een Interreg-programma echter concrete acties selecteert op basis van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, kunnen dergelijke oproepen aanvragen voor een bijdrage uit instrumenten voor financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie bevatten, zelfs wanneer die zijn gestart vóór de desbetreffende financieringsovereenkomst was ondertekend, en het is mogelijk dat concrete acties al vóór die data zijn geselecteerd.

De beheersautoriteit hoeft het in artikel 22, lid 6, bedoelde document echter niet vóór die data te verstrekken.

Artikel 55

Grote infrastructuurprojecten

1.   Onder deze afdeling vallende Interreg-programma's kunnen “grote infrastructuurprojecten” ondersteunen, d.w.z. concrete acties die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvatten die bestemd zijn om een specifieke, ondeelbare functie met duidelijk vastgestelde doelstellingen van gemeenschappelijk belang te vervullen met de bedoeling grensoverschrijdende investeringen en baten te realiseren en waarbij een begrotingsonderdeel van minstens 2 500 000 EUR is toegewezen voor het verwerven van infrastructuur.

2.   Elke begunstigde die een groot infrastructuurproject of een gedeelte daarvan uitvoert, past de toepasselijke aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten toe.

3.   Wanneer de selectie van één of meer grote infrastructuurprojecten op de agenda staat van een toezichtcomité of, indien van toepassing, een directiecomité, zendt de beheersautoriteit uiterlijk twee maanden vóór de datum van de vergadering een conceptnota voor elk van deze projecten aan de Commissie. De conceptnota telt maximaal drie vijf bladzijden en bevat de naam, de locatie, de begroting, de eerstverantwoordelijke partner en de overige partners, alsmede de belangrijkste doelstellingen en verwachte prestaties daarvan , en bevat een geloofwaardig bedrijfsplan waaruit blijkt dat voortzetting van het project of de projecten ook zonder de verstrekking van middelen uit de Interreg-fondsen mogelijk is . Als de conceptnota met betrekking tot een of meer grote infrastructuurprojecten niet binnen de vastgestelde termijn aan de Commissie is toegezonden, kan de Commissie verlangen dat de voorzitter van het toezichtcomité of het directiecomité de betrokken projecten van de agenda van de vergadering schrapt. [Am. 196]

Artikel 56

Aanbestedingen

1.   Wanneer voor de uitvoering van een concrete actie aanbestedingen van diensten, leveringen of werken door een begunstigde nodig zijn, zijn de volgende regels van toepassing:

a)

als de begunstigde een aanbestedende overheidsdienst of een aanbestedende instantie is in de zin van recht van de Unie dat van toepassing is op openbare aanbestedingsprocedures, kan hij nationale wetten, voorschriften en administratieve bepalingen toepassen die zijn goedgekeurd in samenhang met recht van de Unie;

b)

indien de begunstigde een overheidsinstantie van een partnerland in het kader van IPA III of NDICI is waarvoor de medefinanciering is overgedragen aan de beheersautoriteit, kan hij nationale wetten, voorschriften en administratieve bepalingen toepassen, mits de financieringsovereenkomst dit mogelijk maakt en de opdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste inschrijving of, indien van toepassing, aan de goedkoopste inschrijving, waarbij belangenconflicten vermeden worden.

2.   Voor het plaatsen van goederen, werkzaamheden of diensten in alle andere gevallen dan die bedoeld in lid 1, zijn de aanbestedingsprocedures in het kader van de artikelen [178] en [179] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] en hoofdstuk 3 van bijlage 1 (punten 36 tot en met 41) bij die verordening van toepassing.

Artikel 57

Financieel beheer

De besluiten van de Commissie tot goedkeuring van de Interreg-programma's die ook worden ondersteund door een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, voldoen aan de voorwaarden voor de vaststelling van financieringsbesluiten zoals bedoeld in artikel [110, lid 2,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus].

Artikel 58

Sluiting van financieringsovereenkomsten in gedeeld beheer

1.   Met het oog op de uitvoering van een Interreg-programma in een derde land, partnerland of LGO, in overeenstemming met artikel [112, lid 4,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] wordt een financieringsovereenkomst tussen de Commissie namens de Unie en elk deelnemend derde land, partnerland of LGO, dat wordt vertegenwoordigd in overeenstemming met zijn nationale rechtskader.

2.   Elke financieringsovereenkomst wordt uiterlijk op 31 december van het jaar volgende op het jaar waarin de eerste vastlegging in de begroting is gedaan, gesloten en wordt geacht te zijn gesloten op de datum waarop de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft.

Een financieringsovereenkomst treedt in werking:

a)

wanneer de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft; of

b)

wanneer het derde land, partnerland of LGO de ratificatieprocedure volgens zijn nationale rechtskader heeft afgerond en de Commissie hiervan in kennis heeft gesteld.

3.   Wanneer meer dan één derde land, partnerland of LGO betrokken zijn bij een Interreg-programma moet vóór die datum ten minste één financieringsovereenkomst worden ondertekend door beide partijen. De andere derde landen, partnerlanden of LGO's kunnen respectieve financieringsovereenkomsten uiterlijk op 30 juni van het tweede jaar volgende op het jaar waarin de eerste vastlegging in de begroting is gedaan, ondertekenen.

4.   De lidstaat waar de beheersautoriteit van het relevante Interreg-programma gevestigd is:

a)

kan de financieringsovereenkomst ook ondertekenen; of

b)

ondertekent, op dezelfde datum, een uitvoeringsovereenkomst met elk derde land, partnerland of LGO dat deelneemt aan dat Interreg-programma, waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen met betrekking tot de uitvoering en het financieel beheer ervan zijn vastgelegd.

Bij de verzending van het ondertekende exemplaar van de financieringsovereenkomst of een kopie van de uitvoeringsovereenkomst aan de Commissie, zendt de lidstaat waar de beheersautoriteit is gevestigd, ook een apart document met een lijst van de geplande grote infrastructuurprojecten als bedoeld in artikel 55, met vermelding van de voorgenomen naam, locatie, begroting en eerstverantwoordelijke partner daarvan.

5.   Een overeenkomstig lid 4, onder b), ondertekende uitvoeringsovereenkomst omvat ten minste de volgende elementen:

a)

gedetailleerde regelingen voor betalingen;

b)

financieel beheer;

c)

bijhouden van bescheiden;

d)

de rapportageverplichtingen;

e)

verificaties, controles en audits;

f)

onregelmatigheden en terugvorderingen.

6.   Wanneer de lidstaat waar de beheersautoriteit van het Interreg-programma gevestigd is, besluit tot ondertekening van de financieringsovereenkomst overeenkomstig van lid 4, onder a), wordt de financieringsovereenkomst beschouwd als een instrument voor de uitvoering van de begroting van de Unie overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement en niet als een internationale overeenkomst als bedoeld in de artikelen 216 tot en met 219 VWEU.

Artikel 59

Andere bijdragen van derde landen, partnerlanden of LGO's dan medefinanciering

1.   Wanneer een derde land, partnerland of LGO een andere financiële bijdrage aan het Interreg-programma dan zijn medefinanciering van de steun van de Unie aan het Interreg-programma overmaakt aan de beheersautoriteit worden de voorschriften met betrekking tot de financiële bijdrage opgenomen in het volgende document:

a)

wanneer de lidstaat de financieringsovereenkomst uit hoofde van artikel 58, lid 4, onder a), ondertekent in een afzonderlijke uitvoeringsovereenkomst die hetzij wordt ondertekend tussen de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, en het derde land, partnerland of LGO, hetzij rechtstreeks tussen de beheersautoriteit en de bevoegde autoriteit in het derde land, partnerland of LGO;

b)

wanneer de lidstaat een uitvoeringsovereenkomst ondertekend overeenkomstig artikel 58, lid 4, onder b), voor een van de volgende elementen:

i)

een specifiek deel van die uitvoeringsovereenkomst; of

ii)

een aanvullende uitvoeringsovereenkomst die is ondertekend door dezelfde partijen waarnaar onder a) wordt verwezen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), i), kunnen delen van de overeenkomst, indien van toepassing, zowel de overgedragen financiële bijdrage als de steun van de Unie aan het Interreg-programma bestrijken.

2.   Een uitvoeringsovereenkomst uit hoofde van lid 1 bevat ten minste de elementen betreffende de in artikel 58, lid 5, genoemde medefinanciering van het derde land, partnerland, of LGO.

Daarnaast bevat de uitvoeringsovereenkomst de volgende twee elementen:

a)

het bedrag van de aanvullende financiële bijdrage;

b)

het beoogde gebruik en de voorwaarden voor het gebruik ervan, met inbegrip van de voorwaarden voor aanvragen voor die aanvullende bijdrage.

3.   Met betrekking tot het Peace-Plus-programma maakt de financiële bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan activiteiten van de Unie in de vorm van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in [artikel 21, lid 2, onder e)] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] deel uit van de begrotingskredieten voor rubriek 2 “Cohesie en waarden”, subplafond “Economische, sociale en territoriale samenhang”.

Deze bijdrage wordt onderworpen aan een specifieke financieringsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 58. De Commissie en het Verenigd Koninkrijk, alsook Ierland zijn partijen bij deze specifieke financieringsovereenkomst.

Deze overeenkomst moet worden ondertekend vóór het begin van de uitvoering van het programma zodat de speciale instantie voor EU-programma's alle wetgeving van de Unie voor de uitvoering van het programma kan toepassen.

HOOFDSTUK IX

Specifieke bepalingen voor direct of indirect beheer

Artikel 60

Samenwerking met ultraperifere gebieden

1.   Indien na raadpleging van de belanghebbenden een Interreg-programma van component 3 gedeeltelijk of geheel in indirect beheer wordt uitgevoerd overeenkomstig respectievelijk artikel 53, lid 3, onder b), of artikel 53, lid 3, onder c) , van deze verordening , worden de uitvoeringstaken toevertrouwd aan een van de instanties die zijn vermeld in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus], met name aan een dergelijke instantie die gevestigd is in de deelnemende lidstaat, met inbegrip van de beheersautoriteit van het betrokken Interreg-programma. [Am. 197]

2.   In overeenstemming met [artikel 154, lid 6, onder c)] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] kan de Commissie besluiten niet over te gaan tot een in de leden 3 en 4 van dat artikel bedoelde ex-antebeoordeling wanneer de begrotingsuitvoeringstaken, zoals bedoeld in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] zijn toevertrouwd aan een beheersautoriteit van een Interreg-programma voor ultraperifere gebieden dat is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 37, lid 1, van deze verordening en in overeenstemming met artikel [65] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

3.   Wanneer in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening [FR-Omnibus] bedoelde begrotingsuitvoeringstaken zijn toevertrouwd aan een lidstaatsorganisatie, is artikel [157] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] van toepassing.

4.   Wanneer een door een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden medegefinancierd(e) programma of actie wordt uitgevoerd door een derde land, partnerland of LGO of door een van de andere instanties die in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] zijn vermeld of waarnaar in Verordening (EU) [NDICI] en/of Besluit van de Raad [het LGO-besluit] wordt verwezen, zijn de desbetreffende bepalingen van deze instrumenten van toepassing, en met name de hoofdstukken I, III en V van titel II van Verordening (EU) [NDICI].

Artikel 61

Investeringen in interregionale innovatie

Op initiatief van de Commissie kan het EFRO steun verlenen aan investeringen in interregionale innovatie, zoals omschreven in artikel 3, lid 5, waarbij onderzoekers, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en overheden samen worden gebracht die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie. [Am. 198]

Artikel - 61 bis

Vrijstelling van aanmeldingsverplichting overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU

De Commissie kan verklaren dat steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking die door de EU worden ondersteund, verenigbaar is met de interne markt en niet onderworpen is aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU. [Am. 199]

HOOFDSTUK X

Slotbepalingen

Artikel 62

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om de in artikel 16, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend met ingang van [de dag na de bekendmaking = datum van inwerkingtreding] tot en met 31 december 2027.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 16, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 16, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Artikel 63

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel [108, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] ingestelde comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 64

Overgangsbepalingen

Verordening (EU) nr. 1299/2013 of handelingen die op grond daarvan zijn vastgesteld, blijven van toepassing op programma's en concrete acties die worden gesteund door het EFRO in de programmeringsperiode 2014-2020.

Artikel 65

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 116.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 137.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.

(4)  [Referentie].

(5)  [Referentie].

(6)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, “Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU”, COM(2017)0534 van 20.9.2017.

(7)  Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19).

(8)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's “Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei”, COM(2017) 376 final van 18.7.2017.

(9)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).

(11)  Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).

(12)  Besluit (EU) XXX van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).

(13)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(14)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank — Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU, COM(2017)0623 van 24.10.2017.

(15)   Advies van het Europees Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking van 12 juli 2017 (PB C 342 van 12.10.2017, blz. 38).

(16)  Advies van het Europees Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking van 12 juli 2017 (PB C 342 van 12.10.2017, blz. 38).

(17)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot specifieke regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor samenwerkingsprogramma's (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 45).

(18)  [Referentie].

(19)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(20)   Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(21)   Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1).

(22)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(23)  Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).

(24)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

BIJLAGE

MODEL VOOR INTERREG-PROGRAMMA'S

CCI

[15 tekens]

Titel

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot en met

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer van het besluit tot wijziging van het programma

[20]

Datum inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het programma

 

Onder het programma vallende NUTS-regio's

 

Component van Interreg

 

1.   Programmastrategie: belangrijkste ontwikkelingsproblemen en beleidsreacties

1.1.

Programmagebied (niet vereist voor Interreg-programma's van component 4)

Referentie: artikel 17, lid 4, onder a), artikel 17, lid 9, onder a)

Tekstveld [2 000 ]

1.2.

Samenvatting van de belangrijkste gemeenschappelijke problemen, rekening houdend met economische, sociale en territoriale ongelijkheden, gezamenlijke investeringsbehoeften en complementair met andere vormen van steun, geleerde lessen uit ervaringen uit het verleden en macroregionale strategieën en zeegebiedstrategieën, indien het programmagebied als geheel of gedeeltelijk door één of meer strategieën wordt gedekt.

Referentie: Artikel 17, lid 4, onder b), Artikel 17, lid 9, onder b)

Tekstveld [50 000 ]

1.3.

Motivering van de selectie van beleidsdoelstellingen en specifieke doelstellingen voor Interreg, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt

Referentie: artikel 17, lid 4, onder c)

Tabel 1

Geselecteerde beleidsdoelstelling of specifieke doelstelling voor Interreg

Geselecteerde specifieke doelstelling

Prioriteit

Motivering van de selectie

 

 

 

[2 000 per doelstelling]

2.   Prioriteiten [300]

Referentie: artikel 17, lid 4, onder d) en e)

2.1.   Titel van de prioriteit (herhaald voor elke prioriteit)

Referentie: artikel 17, lid 4, onder d)

Tekstveld: [300]


Dit is een prioriteit in het kader van een overdracht uit hoofde van artikel 17, lid 3

2.1.1.

Specifieke doelstelling (herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling, voor andere prioriteiten dan technische bijstand)

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e)

2.1.2

Gerelateerde types acties, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties van strategisch belang, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), i), en lid 9, onder c), ii)

Tekstveld [7 000 ]

Lijst met geplande concrete acties van strategisch belang

Tekstveld [2 000 ]

Voor Interreg-programma's van component 4:

Referentie: artikel 17, lid 9, onder c), i)

Definitie van één enkele begunstigde of een beperkte lijst van begunstigden en de toekenningsprocedure

Tekstveld [7 000 ]

2.1.3   Indicatoren

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), ii), artikel 17, lid 9, onder c), iii)

Tabel 2: Outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

ID

[5]

Indicator

Meeteenheid

[255]

Mijlpaal (2024)

[200]

Uiteindelijk streefdoel (2029)

[200]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 3: Resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

ID

Indicator

Meeteenheid

Uitgangswaarde

Referentiejaar

Uiteindelijk streefdoel (2029)

Gegevensbron

Opmerkingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.1.4   De voornaamste doelgroepen

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), iii), artikel 17, lid 9, onder c), iv)

Tekstveld [7 000 ]

2.1.5   Beoogde specifieke gebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van ITI, CLLD of andere territoriale instrumenten

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), iv)

Tekstveld [7 000 ]

2.1.6   Gepland gebruik van financieringsinstrumenten

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), v)

Tekstveld [7 000 ]

2.1.7   Indicatieve uitsplitsing van de EU-programmamiddelen naar interventietype

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), vi), artikel 17, lid 9, onder c), v)

Tabel 4: Dimensie 1 — steunverleningsgebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 


Tabel 5: Dimensie 2 — financieringsvorm

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 


Tabel 6: Dimensie 3 — territoriale uitvoeringsmechanismen en territoriale focus

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

2.T.   Prioriteit voor technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 4, onder f), ETS

Tekstveld [8 000 ]


Nr. van de prioriteit

Fonds

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

3.   Financieringsplan

Referentie: artikel 17, lid 4, onder g)

3.1   Financiële toewijzingen per jaar

Referentie: artikel 17, lid 4, onder g), i), artikel 17, lid 5, onder a), i)-iv)

Tabel 7

Fonds

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III CBC  (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

Nabuurschap CBC  (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III  (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI  (4)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP Groenland  (5)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP  (6)

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen  (7)

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2   Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering

Referentie: artikel 17, lid 4, onder g), ii), artikel 17, lid 5, onder a), i)-iv), artikel 17, lid 5, onder b)

Tabel 8 (*1)

BD-nr. of TB

Prioriteit

Fonds

(voorzover van toepassing)

Berekeningsgrondslag voor de EU-steun (totaal of publiek)

EU-bijdrage

(a)

Nationale bijdrage

(b)=(c)+(d)

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

(e)=(a)+(b)

Medefinancieringspercentage

(f)=(a)/(e)

Bijdragen van derde landen

(ter informatie)

Nationale overheid

(c)

Nationaal particulier

(d)

 

Prioriteit 1

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III CBC  (8)

 

 

 

 

 

 

 

 

Nabuurschap CBC  (9)

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III  (10)

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI  (11)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP Groenland  (12)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP  (13)

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen  (14)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

(fondsen als hierboven)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nabuurschap CBC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP Groenland

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

4.   Maatregel die is genomen om de relevante partners te betrekken bij de opstelling van het Interreg-programma en de rol van die programmapartners bij de uitvoering, het toezicht en de evaluatie

Referentie: artikel 17, lid 4, onder h)

Tekstveld [10 000 ]

5.   Aanpak van de communicatie en zichtbaarheid voor het Interreg-programma, met inbegrip van de geplande begroting

Referentie: artikel 17, lid 4, onder i)

Tekstveld [10 000 ]

6.   Uitvoeringsbepalingen

6.1.   Programma-autoriteiten

Referentie: artikel 17, lid 7, onder a)

Tabel 10

Programma-autoriteiten

Naam van de instelling [255]

Naam van de contactpersoon [200]

E-mail [200]

Beheersautoriteit

 

 

 

Nationale autoriteit (voor programma's met deelnemende derde landen, indien van toepassing)

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Groep auditors die is samengesteld uit vertegenwoordigers (voor programma's met deelnemende derde landen, indien van toepassing)

 

 

 

Instantie waaraan de Commissie de betalingen verricht

 

 

 

6.2.   Procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat

Referentie: artikel 17, lid 7, onder b)

Tekstveld [3 500 ]

6.3   Verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen en LGO's, in het geval van financiële correcties die door de beheersautoriteit of de Commissie worden opgelegd

Referentie: artikel 17, lid 7, onder c)

Tekstveld [10 500 ]


(1)  Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.

(2)  Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.

(3)  Componenten 2 en 4.

(4)  Componenten 2 en 4.

(5)  Componenten 2 en 4.

(6)  Componenten 3 en 4.

(7)  EFRO, IPA III, NDICI of OCTP, indien als één bedrag in het kader van de componenten 2 en 4.

(8)  Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.

(9)  Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.

(10)  Componenten 2 en 4.

(11)  Componenten 2 en 4.

(12)  Componenten 2 en 4.

(13)  Componenten 3 en 4.

(14)  EFRO, IPA III, NDICI of OCTP, indien als één bedrag in het kader van de componenten 2 en 4.

(*1)  Voorafgaand aan de tussentijdse evaluatie omvat deze tabel enkel de bedragen met betrekking tot de jaren 2021-2025.

AANHANGSELS

Kaart van het programmagebied

Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Financiering die geen verband houdt met kosten

Aanhangsel 1:

Kaart van het programmagebied

Aanhangsel 2:

Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(Artikel 88 van de GB-verordening)

Datum voor de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de SCO zal worden toegepast in % (raming)

Type(s) concrete actie

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

Type SCO (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bijbehorende standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

 

 

Code

Beschrijving

Code

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.   Bijzonderheden per type concrete actie (in te vullen voor elk type concrete actie)

Heeft de beheersautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

Zo ja, gelieve te specificeren welk extern bedrijf:
Ja/Nee — Naam van het externe bedrijf

Types concrete actie:

1.1.

Beschrijving van het type concrete actie

 

1.2

Betrokken prioriteit/specifieke doelstelling(en)

 

1.3

Naam van de indicator (1)

 

1.4

Meeteenheid voor de indicator

 

1.5

Standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.6

Bedrag

 

1.7

Categorieën kosten die worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8

Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (J/N)

 

1.9

Verrekeningsmethode

 

1.10

Verificatie van de verwezenlijking van de meeteenheid

beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de meeteenheid te verifiëren

beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

beschrijf wat de regelingen zijn om de gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11

Mogelijk averechtse prikkels of problemen als gevolg van deze indicator, de wijze waarop deze kunnen worden verminderd, en het geraamde risiconiveau

 

1.12

Totaalbedrag (nationale en EU) dat naar verwachting zal worden vergoed

 

C:   Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.

Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering, enz.):

 

2.

Gelieve aan te geven waarom de voorgestelde methode en berekening relevant zijn voor het type concrete actie:

 

3.

Gelieve aan te geven hoe de berekeningen werden gemaakt, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en bij deze bijlage worden gevoegd in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie:

 

4.

Gelieve uit te leggen hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages:

 

5.

Beoordeling door de auditautoriteit(en) van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen:

 

Aanhangsel 3: Financiering die geen verband houdt met kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(Artikel 89 van de GB-verordening)

Datum voor de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het totale bedrag dat wordt gedekt door financiering die geen verband houdt met kosten

Type(s) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden behaald

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het totale bedrag dat wordt gedekt

 

 

 

 

 

 

 

B.   Bijzonderheden per type concrete actie (in te vullen voor elk type concrete actie)

Types concrete actie:

1.1.

Beschrijving van het type concrete actie

 

1.2

Betrokken prioriteit/specifieke doelstelling(en)

 

1.3

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4

Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5

Definitie van de indicator van de prestaties

 

1.6

Meeteenheid voor indicator van de prestaties

 

1.7

Tussentijdse prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie met tijdschema voor terugbetaling

Tussentijdse prestaties

Datum

Bedragen

 

 

 

 

 

 

1.8

Totaalbedrag (met inbegrip van EU- en nationale financiering)

 

1.9

Verrekeningsmethode

 

1.10

Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, waar van toepassing, de tussentijdse prestaties)

beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren

beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

beschrijf welke regelingen er zijn om de gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11

Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 


(1)  Er zijn verschillende aanvullende indicatoren (bijvoorbeeld een outputindicator en resultaatindicator) mogelijk voor één type concrete actie. In deze gevallen moeten de velden 1.3 t/m 1.11 worden ingevuld voor elke indicator.


Woensdag 27 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/309


P8_TA(2019)0295

Middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat de middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief betreft (COM(2019)0055 — C8-0041/2019 — 2019/0027(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/32)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2019)0055),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0041/2019),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 maart 2019 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0085/2019),

A.

overwegende dat het om redenen van urgentie gerechtvaardigd is om tot stemming over te gaan vóór het verstrijken van de in artikel 6 van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bedoelde termijn van acht weken;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


P8_TC1-COD(2019)0027

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat de middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief betreft

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/711.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/310


P8_TA(2019)0296

Algemene regeling inzake accijns *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns (herschikking) (COM(2018)0346 — C8-0381/2018 — 2018/0176(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging — herschikking)

(2021/C 108/33)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0346),

gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0381/2018),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (1),

gezien de brief van 22 februari 2019 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 104 en 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0117/2019),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/311


P8_TA(2019)0297

Producten die voor een vrijstelling of vermindering van de “octroi de mer” in aanmerking komen *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit nr. 940/2014/EU wat betreft de producten die voor een vrijstelling of vermindering van de “octroi de mer” in aanmerking komen (COM(2018)0825 — C8-0034/2019 — 2018/0417(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging)

(2021/C 108/34)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0825),

gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0034/2019),

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0112/2019),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/312


P8_TA(2019)0298

Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (COM(2018)0460 — C8-0275/2018 — 2018/0243(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/35)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0460),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 209, artikel 212, en artikel 322, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0275/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van de Rekenkamer van 13 december 2018 (1),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018 (2),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 6 december 2018 (3),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking, alsook de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie internationale handel, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0173/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen

(1)  PB C 45 van 4.2.2019, blz. 1.

(2)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 163.

(3)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 295.


P8_TC1-COD(2018)0243

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 209, 212, en 322, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het algemene doel van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (hierna “het instrument” genoemd) is het verschaffen van een financieel kader dat het wereldwijd hooghouden en uitdragen van de waarden , beginselen en fundamentele belangen van de Unie met het oog op de verwezenlijking van ondersteunt overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van het externe optreden van de Unie, zoals verankerd in artikel 3, lid 5, artikel 8 en artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). [Am. 1]

(2)

Overeenkomstig artikel 21 VEU streeft de Unie naar samenhang tussen de diverse onderdelen van haar externe optreden en tussen het externe optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen, en zet zij zich in voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen. Het brede spectrum van acties in het kader van deze verordening wordt geacht bij te dragen tot de doelstellingen van dat artikel van het VEU.

(2 bis)

Overeenkomstig artikel 21 VEU dient de toepassing van deze verordening te berusten op de beginselen van het externe optreden van de Unie, te weten de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid en de beginselen van gelijkheid en solidariteit, en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht. Met deze verordening wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen in het kader van het externe optreden van de Unie, met inbegrip van het beleid van de Unie inzake mensenrechten en het strategisch kader en actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie. Het optreden van de Unie moet gericht zijn op naleving van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. [Am. 2]

(3)

Overeenkomstig artikel 8 VEU ontwikkelt de Unie bijzondere betrekkingen met haar buurlanden, die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op samenwerking. Deze verordening wordt geacht tot die doelstelling bij te dragen.

(3 bis)

In overeenstemming met artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dienen de Unie en de lidstaten de samenwerking met derde landen en de bevoegde internationale organisaties op het gebied van cultuur te bevorderen. Deze verordening moet helpen de in dat artikel opgenomen doelstellingen te verwezenlijken. [Am. 3]

(4)

Hoofddoel van het beleid voor ontwikkelingssamenwerking van de EU, zoals bepaald in artikel 208 VWEU , is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen. Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie draagt ook bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, met name het stimuleren van de duurzame economische, sociale en milieuontwikkeling van ontwikkelingslanden, met als hoofddoel de uitbanning van de armoede, zoals bepaald in artikel 21, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de Europese Unie VEU, en de handhaving van langdurige vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, zoals bepaald in artikel 21, lid 2, onder c), VEU . [Am. 4]

(5)

De Unie garandeert een coherent beleid inzake ontwikkeling zoals vereist in artikel 208 VWEU. De Unie moet rekening houden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in ander beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, een cruciale factor in de strategie inzake de doelstellingen die zijn vastgesteld in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (hierna “Agenda 2030” genoemd), die in september 2015 door de Verenigde Naties is aangenomen (5). Om de in de Agenda 2030 verankerde beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling te waarborgen, moet op alle niveaus — nationaal, binnen de EU, in andere landen en mondiaal — rekening worden gehouden met de effecten van beleidsmaatregelen op duurzame ontwikkeling. Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten moeten elkaar aanvullen en versterken. [Am. 5]

(6)

Dit instrument voorziet in maatregelen ter ondersteuning van de genoemde doelstellingen en het externe beleid en bouwt voort op de acties die voorheen werden gesteund in het kader van Verordening (EU) nr. 233/2014 (6); het Intern Akkoord van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) (7) en de uitvoeringsverordening (8); Verordening (EU) nr. 232/2014 (9); Verordening (EU) nr. 230/2014 (10); Verordening (EU) nr. 235/2014 (11); Verordening (EU) nr. 234/2014 (12); Verordening (Euratom) nr. 237/2014 (13); Verordening (EU) nr. 236/2014 (14); Besluit nr. 466/2014/EU; Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 (15) en Verordening (EU) 2017/1601 (16).

(7)

De globale context voor optreden is het streven naar een op regels en waarden gebaseerde wereldorde, met multilateralisme als basisbeginsel en de Verenigde Naties als kern. De Agenda 2030 vormt samen met de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering (17) (“de overeenkomst van Parijs”) en de actieagenda van Addis Abeba (18) het antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale uitdagingen en trends op het gebied van duurzame ontwikkeling. De Agenda 2030, waarvan de duurzameontwikkelingsdoelen de kern vormen, is een transformerend politiek kader voor wereldwijde armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling , en bevordering van vreedzame, rechtvaardige en inclusieve samenlevingen, waarbij tegelijkertijd de klimaatverandering wordt bestreden en wordt bijgedragen aan de instandhouding van oceanen en bossen . De Agenda 2030 is universeel van toepassing en biedt een uitgebreid gedeeld actiekader voor zowel de EU, haar lidstaten, als haar partners. Doel is het vinden van een evenwicht tussen de economische, de sociale , de culturele, de onderwijs- en de milieudimensie van duurzame ontwikkeling en het onderkennen van de essentiële onderlinge verbanden tussen doelstellingen en streefcijfers. De Agenda 2030 streeft ernaar dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten en streeft ernaar degenen die het verst achterop liggen, het eerst te bereiken . De uitvoering van de Agenda 2030 zal nauw worden gecoördineerd met de andere internationale verplichtingen van de Unie. Bij de maatregelen acties die in het kader van deze verordening worden uitgevoerd, zullen de in de Agenda 2030, de overeenkomst van Parijs en de actieagenda van Addis Abeba opgenomen beginselen en doelstellingen gevolgd moeten worden en zal een bijdrage moeten worden geleverd aan de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, waarbij bijzondere aandacht worden wordt besteed aan de onderlinge verbanden tussen de duurzameontwikkelingsdoelstellingen deze doelstellingen en aan geïntegreerde maatregelen die wederzijdse voordelen kunnen opleveren en waarmee meerdere doelstellingen op coherente wijze kunnen worden verwezenlijkt , zonder dat andere doelstellingen worden ondergraven . [Am. 6]

(8)

De uitvoering toepassing van deze verordening moet uitgaan van zijn gebaseerd op de vijf prioriteiten die zijn vastgelegd in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie (hierna “de integrale strategie” genoemd) (19), die op 19 juni 2016 werd gepresenteerd en die de visie van de Unie weerspiegelt en het kader biedt voor een eensgezind en verantwoordelijk extern optreden, in samenwerking met anderen, ter bevordering van haar waarden en belangen. De Unie moet partnerschappen versterken, de politieke dialoog bevorderen en gezamenlijke antwoorden bieden op uitdagingen van mondiaal belang. Het optreden van de Unie moet alle aspecten van de fundamentele belangen en de , beginselen en waarden van de Unie ondersteunen, met inbegrip van bevordering van de democratie en de mensenrechten, het leveren van een bijdrage aan de uitbanning van armoede, handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten, bemiddeling en wederopbouw na conflicten waarbij in alle fasen aandacht wordt besteed aan de belangen van vrouwen, waarborging van de nucleaire veiligheid, versterking van de internationale veiligheid, bestrijding aanpak van de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding en het bijstaan van bevolkingen, landen en regio's die te kampen hebben met door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, het ondersteunen creëren van voorwaarden voor de totstandbrenging van een internationaal juridisch kader ter bescherming van personen die als gevolg van de klimaatverandering ontheemd zijn geraakt, bevordering van inclusief kwaliteitsonderwijs, ondersteuning van een eerlijk, duurzaam en op regels en waarden gebaseerd handelsbeleid als instrument voor ontwikkeling en voor het verbeteren van de rechtsstaat en de mensenrechten , economische en culturele diplomatie en economische samenwerking, de bevordering van innovatie, digitale oplossingen en technologieën en , bescherming van cultureel erfgoed, met name in conflictgebieden, aanpak van mondiale bedreigingen voor de volksgezondheid, en bevordering van de internationale dimensie van het beleid van de Unie. Bij het bevorderen van haar fundamentele belangen , beginselen en waarden moet de Unie voldoen aan de beginselen van eerbiediging van strenge sociale , arbeids- en milieunormen, onder meer met betrekking tot de klimaatverandering, alsook van de rechtsstaat en het internationaal recht , met inbegrip van het humanitair recht en , het internationaal recht en inzake de mensenrechten, en deze bevorderen. [Am. 7]

(9)

De toepassing van deze verordening moet tevens gebaseerd zijn op d e nieuwe Europese consensus over ontwikkeling (hierna “de consensus” genoemd) (20), die op 7 juni 2017 is ondertekend, en voorziet in een kader voor een gemeenschappelijke benadering van ontwikkelingssamenwerking door de Unie en haar lidstaten voor de uitvoering van de Agenda 2030 en de actieagenda van Addis Abeba. Uitbannen van armoede, tegengaan van discriminatie en ongelijkheid, niemand aan zijn lot overlaten en de weerbaarheid vergroten staan centraal in het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking , beschermen van het milieu en bestrijden van de klimaatverandering, en vergroten van de weerbaarheid moeten ten grondslag liggen aan de toepassing van deze verordening . [Am. 8]

(9 bis)

Naast de VN-Agenda 2030, de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, de actieagenda van Addis Abeba, de integrale EU-strategie, de Europese consensus inzake ontwikkeling en het Europees nabuurschapsbeleid, die het primaire beleidskader vormen, moeten de volgende documenten en toekomstige herzieningen daarvan gevolgd worden bij de toepassing van deze verordening:

het strategisch kader en actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie,

de EU-richtsnoeren inzake de mensenrechten,

de geïntegreerde benadering van de EU tot externe conflicten en crises en de alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties van 2013,

de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid,

het EU-programma voor de preventie van gewelddadige conflicten,

de conclusies van de Raad van 20 juni 2011 inzake conflictpreventie,

het Concept inzake versterking van de bemiddelings- en dialoogcapaciteit van de EU,

het EU-brede strategische kader voor steun aan de hervorming van de veiligheidssector (SSR),

de EU-strategie tegen illegale vuurwapens, handvuurwapens en lichte wapens (SALW), en munitie daarvoor,

het EU-concept voor steun voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie (DDR),

de conclusies van de Raad van 19 november 2007 inzake een antwoord van de EU op onstabiele situaties, en de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, inzake veiligheid en ontwikkeling, tevens van 19 november 2007,

de verklaring van de Europese Raad van 25 maart 2004 inzake de bestrijding van terrorisme, de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie van 30 november 2005, en de conclusies van de Raad van 23 mei 2011 inzake een sterkere koppeling tussen de interne en externe aspecten van terrorismebestrijding,

de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen,

de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten,

de nieuwe stedelijke agenda van de VN,

het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

het Vluchtelingenverdrag,

het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

de resultaten van het actieprogramma van Peking en het actieprogramma van de internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD),

het stappenplan van de UNCTAD over de duurzame herschikking van staatsschulden (april 2015),

de richtsnoeren inzake buitenlandse schulden en mensenrechten van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens,

het mondiale pact inzake vluchtelingen,

het mondiale pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie, dat op 10 december 2018 in Marrakesh is goedgekeurd,

het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind. [Am. 9]

(10)

Met het oog op de uitvoering van het nieuwe internationale kader van de Agenda 2030, de integrale strategie en de consensus moet deze verordening gericht zijn op grotere samenhang en grotere doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie door haar inspanningen te concentreren in een gestroomlijnd instrument om de tenuitvoerlegging van de verschillende beleidslijnen inzake extern optreden te verbeteren.

(11)

In overeenstemming met de integrale strategie en het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering (2015-2030), dat op 18 maart 2015 is aangenomen (21), moet worden erkend dat het noodzakelijk is over te schakelen van crisisrespons en -beheersing naar een structurelere , preventieve langetermijnbenadering waarmee situaties van kwetsbaarheid, door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, en langdurige crises doeltreffender kunnen worden aangepakt. Een grotere inzet en een collectieve aanpak zijn vereist voor risicobeperking, preventie, mitigatie en paraatheid; en er zijn nog meer inspanningen nodig om snelle respons en duurzaam herstel te bevorderen. Deze verordening moet derhalve bijdragen tot de versterking van de weerbaarheid en de koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, met name via acties voor snelle respons en relevante geografische en thematische programma's, waarbij wordt voorzien in passende voorspelbaarheid, transparantie en verantwoordingsplicht, evenals samenhang, consistentie en complementariteit met humanitaire hulp, met volledige inachtneming van het internationaal humanitair recht en zonder de verstrekking van humanitaire hulp te belemmeren overeenkomstig de beginselen van humaniteit, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid in en na noodsituaties . [Am. 10]

(12)

In overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie inzake de doeltreffendheid van ontwikkeling, zoals goedgekeurd in Busan in 2011 en bevestigd tijdens het forum op hoog niveau van Nairobi in 2016, en die in herinnering zijn gebracht in de consensus, moet de Unie in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid kader van de Unie haar officiële ontwikkelingshulp en bij alle vormen van steunverlening de beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp toepassen, te weten eigen verantwoordelijkheid van ontwikkelingslanden voor de ontwikkelingsprioriteiten, resultaatgerichtheid, inclusieve ontwikkelingspartnerschappen, alsmede wederzijdse transparantie en verantwoordingsplicht , in aanvulling op de beginselen van aanpassing en harmonisatie . [Am. 11]

(13)

Overeenkomstig de duurzameontwikkelingsdoelstellingen moet deze verordening bijdragen aan versterkt toezicht en rapportage, met de nadruk op resultaten, in termen van outputs, uitkomsten en effecten in de partnerlanden die externe financiële bijstand van de Unie krijgen. Zoals overeengekomen in de consensus zal moet ten minste 20 % van de officiële ontwikkelingshulp in het kader van deze verordening worden besteed aan sociale integratie en menselijke ontwikkeling, waaronder gendergelijkheid met speciale aandacht voor sociale basisvoorzieningen, zoals gezondheidszorg, onderwijs, voeding, water, sanitaire voorzieningen en hygiëne en sociale bescherming, met name ten behoeve van de meest gemarginaliseerde personen, rekening houdend met gendergelijkheid, de versterking van de positie van vrouwen en kinderrechten als horizontale kwesties . [Am. 12]

(14)

Indien mogelijk en relevant, moeten Om te zorgen voor betere daadwerkelijke verantwoordingsplicht en transparantie van de begroting van de Unie , moet de Commissie duidelijke toezichts- en evaluatiemechanismen opzetten om een doeltreffende beoordeling van de voortgang op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening te waarborgen. D e resultaten van het externe optreden van de Unie moeten worden gemonitord en geëvalueerd op basis van vooraf gedefinieerde, transparante, landenspecifieke en meetbare indicatoren die zijn afgestemd op de kenmerken en doelstellingen van het instrument, bij voorkeur op basis van het resultatenkader van het partnerland. De Commissie moet haar acties geregeld aan toezicht onderwerpen en regelmatig de vorderingen evalueren en de resultaten daarvan openbaar maken, met name in de vorm van een jaarlijks verslag aan het Europees Parlement en de Raad. [Am. 13]

(15)

Deze verordening moet bijdragen tot de collectieve doelstelling van de Unie om 0,7 % van het bruto nationaal inkomen te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) gedurende de looptijd van de Agenda 2030. Die toezegging moet worden gebaseerd op een duidelijk stappenplan voor de Unie en haar lidstaten waarin uiterste termijnen en modaliteiten voor de verwezenlijking van de doelstelling zijn opgenomen. In dit verband moet ten minste 95 % van de financiering in het kader van deze verordening bijdragen aan acties die voldoen aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp zoals bepaald door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO. [Am. 14]

(16)

Om ervoor te zorgen dat middelen beschikbaar worden gesteld daar waar zij het meest nodig zijn, met name voor de minst ontwikkelde landen en de landen die in een kwetsbare situatie en conflicten verkeren, zou deze verordening een bijdrage moeten leveren tot de collectieve doelstelling om 0,2 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie te reserveren voor de minst ontwikkelde landen gedurende de looptijd van de Agenda 2030. Deze toezegging moet worden gebaseerd op een duidelijk stappenplan voor de EU en haar lidstaten waarin uiterste termijnen en modaliteiten voor de verwezenlijking van de doelstelling zijn opgenomen. [Am. 15]

(16 bis)

Conform de bestaande toezeggingen in het EU-genderactieplan II moet ten minste 85 % van de via officiële ontwikkelingshulp gefinancierde geografische en thematische programma's gendergelijkheid als hoofddoelstelling of belangrijke doelstelling hebben, zoals vastgesteld in de OESO-DAC. Een verplichte evaluatie van de uitgaven moet ervoor zorgen dat een aanzienlijk deel van deze programma’s gendergelijkheid en de rechten en versterking van de positie van vrouwen en meisjes als hoofddoelstelling hebben. [Am. 16]

(16 ter)

In deze verordening moet bijzondere aandacht worden besteed aan de rol van kinderen en jongeren in verband met de verwezenlijking van Agenda 2030. Bij het extern optreden van de Unie in het kader van deze verordening moet speciale aandacht uitgaan naar de behoeften en de versterking van de positie van deze groep en zal een bijdrage worden geleverd aan de verwezenlijking van hun potentieel als belangrijke aanjagers van verandering door te investeren in menselijke ontwikkeling en sociale inclusie. [Am. 17]

(16 quater)

De bevolking van de landen van Afrika ten zuiden van de Sahara bestaat voornamelijk uit adolescenten en jongeren. Elk land moet zelf beslissen over zijn bevolkingsbeleid. De bevolkingsdynamiek moet echter op een alomvattende manier worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de huidige en toekomstige generaties hun volledige potentieel op een duurzame manier kunnen verwezenlijken. [Am. 18]

(17)

Deze verordening moet de noodzaak weerspiegelen om op strategische prioriteiten te focussen, zowel geografisch (het Europese nabuurschap en Afrika, de landen die kwetsbaar zijn en die steun het meest nodig hebben , met name de minst ontwikkelde landen ) als thematisch ( duurzame ontwikkeling, de uitbanning van armoede, democratie en mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur, veiligheid, veilige, ordelijke en reguliere migratie, het terugdringen van ongelijkheid, gendergelijkheid, de aanpak van de aantasting van het milieu en klimaatverandering en mensenrechten mondiale bedreigingen voor de volksgezondheid ). [Am. 19]

(17 bis)

Deze verordening dient een bijdrage te leveren aan de weerbaarheid van de staten en gemeenschappen op het gebied van mondiale volksgezondheid door het aanpakken van mondiale bedreigingen voor de volksgezondheid, het versterken van de gezondheidsstelsels, de totstandbrenging van universele gezondheidszorg, het voorkomen en bestrijden van overdraagbare ziekten, en het waarborgen van toegang tot betaalbare geneesmiddelen en vaccins voor iedereen. [Am. 20]

(18)

Deze De bijzondere betrekkingen met de buurlanden van de Unie overeenkomstig artikel 8, VEU moeten worden gehandhaafd en verbeterd door middel van de toepassing van deze verordening. Deze verordening moet de weerbaarheid van de staten en gemeenschappen in het nabuurschap van de Unie helpen versterken overeenkomstig de in de integrale strategie aangegane verbintenissen. De verordening dient ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid, als herzien in 2015, en de uitvoering van regionale samenwerkingskaders, zoals grensoverschrijdende samenwerking en de externe aspecten van relevante macroregionale en zeegebiedstrategieën en daaraan gerelateerd beleid in het oostelijk en zuidelijk nabuurschap, met inbegrip van de noordelijke dimensie en de regionale samenwerking in het Zwarte Zeegebied . Deze initiatieven bieden aanvullende politieke kaders voor de verdieping van de betrekkingen met en tussen de partnerlanden, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht, gedeelde betrokkenheid en verantwoordelijkheid. [Am. 21]

(19)

Het Europees nabuurschapsbeleid, als herzien in 2015 (22), beoogt de verdieping van de democratie , de bevordering van de mensenrechten en de eerbiediging van de rechtsstaat, de stabilisering van de buurlanden en de versterking van de weerbaarheid, met name door het stimuleren bevorderen van politieke, economische ontwikkeling en sociale hervormingen , als de belangrijkste politieke prioriteiten van de Unie. Om zijn doel te verwezenlijken, is moet de tenuitvoerlegging van het herziene Europese nabuurschapsbeleid via deze verordening toegespitst zijn op vier de volgende prioritaire gebieden: goed bestuur, democratie, de rechtsstaat en mensenrechten, met bijzondere nadruk op vergroting van de participatie van het maatschappelijk middenveld; sociaal-economische economische ontwikkeling , met inbegrip van de bestrijding van jeugdwerkloosheid, alsook onderwijs en milieuduurzaamheid ; veiligheid; migratie en mobiliteit, met inbegrip van het aanpakken van de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding en het ondersteunen van bevolkingen, landen en regio's die worden geconfronteerd met een hogere migratiedruk. Deze verordening moet de uitvoering van de associatieovereenkomsten van de Unie en diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten met nabuurschapslanden ondersteunen . Differentiatie en meer wederzijdse eigen verantwoordelijkheid zijn de hoeksteen van het Europese nabuurschapsbeleid, waarmee verschillende niveaus van betrokkenheid worden erkend en rekening wordt gehouden met de belangen van elk land met betrekking tot de aard en het bereik van zijn partnerschap met de Unie. De op prestaties gebaseerde aanpak is een van de belangrijkste pijlers van het Europees nabuurschapsbeleid. In het geval van een ernstige of aanhoudende uitholling van de democratie in een van de partnerlanden, moet de steun worden opgeschort. Steun voor het nabuurschap is van cruciaal belang voor het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen, zoals irreguliere migratie en klimaatverandering, evenals voor het verspreiden van welvaart, veiligheid en stabiliteit door middel van economische ontwikkeling en beter bestuur. De zichtbaarheid van de bijstand van de Unie ten behoeve van de nabuurschapsregio moet worden vergroot . [Am. 22]

(20)

Deze verordening dient de uitvoering te ondersteunen van een gemoderniseerde associatieovereenkomst met de landen van Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS), en de EU en de ACS-partners in staat te stellen verder sterke allianties te ontwikkelen inzake grote en gedeelde mondiale uitdagingen. Deze verordening moet met name steun bieden voor de voortzetting van de samenwerking tussen de EU en de Afrikaanse Unie in overeenstemming met de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU , inclusief de toezegging van Afrika en de Unie om kinderrechten te bevorderen en de positie van de Europese en Afrikaanse jeugd te versterken, en voortbouwen op de toekomstige overeenkomst tussen de EU en de ACS na 2020, onder meer door een continentale aanpak ten aanzien van Afrika en een voor beide partijen gunstig, gelijkwaardig partnerschap tussen de EU en Afrika . [Am. 23]

(20 bis)

Deze verordening moet tevens bijdragen tot de handelsgerelateerde aspecten van de externe betrekkingen van de Unie, zoals samenwerking met derde landen voor passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen van tin, tantaal en goud, het Kimberleyproces, het Duurzaamheidspact, de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad  (23) (SAP-verordening), samenwerking in het kader van de wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt) en “hulp voor handel”-initiatieven om te zorgen voor consistentie en wederzijdse ondersteuning tussen het handelsbeleid en de ontwikkelingsdoelstellingen en -acties van de Unie. [Am. 24]

(21)

De Unie moet ervoor zorgen dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt, zodat haar externe optreden optimaal effect sorteert. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang , consistentie en complementariteit tussen de externe financieringsinstrumenten van de Unie, met name het instrument voor pretoetredingssteun III (24), het instrument voor humanitaire hulp (25), het besluit betreffende de landen en gebieden overzee (26), het Europees instrument voor nucleaire veiligheid ter aanvulling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking op basis van het Euratom-Verdrag (27), het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de nieuwe Europese vredesfaciliteit (28), die buiten de EU-begroting valt, alsook door synergieën met andere beleidslijnen en programma’s van de Unie , met inbegrip van trustfondsen en beleid en programma's van de EU-lidstaten . Dit omvat in voorkomend geval ook de samenhang en complementariteit met de macrofinanciële bijstand. Met het oog op een maximale impact van de gecombineerde interventies ten behoeve van een gemeenschappelijke doelstelling moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid om financiering te combineren met andere programma's van de Unie, mits de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. [Am. 25]

(22)

De financiering in het kader van deze verordening moet worden gebruikt voor acties in het kader van de internationale dimensie van Erasmus en Creatief Europa , die moeten worden uitgevoerd volgens Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad (“de Erasmusverordening”) (29) en Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad (“de Creatief Europa-verordening”)  (30). [Am. 26]

(22 bis)

De internationale dimensie van het Erasmus+-programma moet worden versterkt, teneinde de mogelijkheden voor mobiliteit en samenwerking te verbeteren voor personen en organisaties uit minder ontwikkelde landen in de wereld, om zo de capaciteitsopbouw in derde landen, de ontwikkeling van vaardigheden, en de uitwisseling tussen personen te ondersteunen, terwijl tegelijkertijd een groot aantal mogelijkheden moet worden geboden voor samenwerking en mobiliteit met ontwikkelde en opkomende landen. [Am. 27]

(22 ter)

Aangezien het van groot belang is om in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en met de EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen aandacht te besteden aan onderwijs en cultuur, dient deze verordening ertoe bij te dragen inclusief en billijk kwaliteitsvol onderwijs te waarborgen, de mogelijkheden voor levenslang leren voor iedereen te bevorderen, de internationale culturele betrekkingen aan te halen en de rol van cultuur bij de bevordering van Europese waarden te erkennen door middel van specifieke, gerichte acties die een duidelijk effect moeten hebben op de rol van de Unie op het wereldtoneel. [Am. 28]

(23)

De voornaamste aanpak voor in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen moeten de geografische programma's zijn, om zo het effect van de bijstand en het optreden van de Unie dichter bij de partnerlanden en de bevolking te brengen. Deze algemene aanpak moet en tegelijkertijd thematische prioriteiten, zoals mensenrechten, het maatschappelijk middenveld en duurzaamheid, te ondersteunen . De doelstellingen in het kader van de geografische en thematische programma's moeten onderling samenhangend en consistent zijn en worden aangevuld met thematische programma's en acties voor snelle respons, indien van toepassing. Er dient te worden voorzien in doeltreffende complementariteit tussen de geografische en thematische programma's en de programma's en acties voor snelle respons. Teneinde terdege rekening te houden met de kenmerken van elk programma moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU, aan de Commissie worden gedelegeerd ter aanvulling van de bepalingen van deze verordening in de vorm van de uiteenzetting van de strategie van de Unie, de prioritaire gebieden, de gedetailleerde doelstellingen, de verwachte resultaten, de specifieke prestatie-indicatoren en de specifieke financiële toewijzing voor elk programma. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016  (31) . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen. [Am. 29]

(24)

Overeenkomstig de consensus dienen de Unie en haar lidstaten de gezamenlijke programmering te vergroten door hun middelen en capaciteiten te bundelen en zo een groter gezamenlijk effect te sorteren. De gezamenlijke programmering moet voortbouwen op de inzet, de inspraak en de eigen inbreng van de partnerlanden. De EU en haar lidstaten moeten er in voorkomend geval naar streven om steun aan de partnerlanden te bieden door middel van een gezamenlijke tenuitvoerlegging toepassing . De gezamenlijke toepassing moet inclusief zijn en openstaan voor alle Uniepartners die instemmen met en kunnen bijdragen aan een gezamenlijke visie, dus ook voor instanties en ontwikkelingsfinancieringsinstellingen van de lidstaten, de lokale overheden, de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld. [Am. 30]

(24 bis)

In het geval van een ernstige of aanhoudende uitholling van de democratie, mensenrechten en rechtsstaat in een van de partnerlanden kan de steun gedeeltelijk of geheel worden opgeschort door middel van een gedelegeerde handeling. De Commissie moet bij haar besluitvorming naar behoren rekening houden met de relevante resoluties van het Europees Parlement. [Am. 31]

(24 ter)

Deze verordening moet wederom benadrukken dat nucleaire veiligheid een belangrijk onderdeel vormt van het externe optreden van de Unie en de verwezenlijking vergemakkelijken van de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking die worden gespecificeerd in Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad  (32) (“de EINS-verordening”). Daarom moet, als een partnerland het voortdurend nalaat de elementaire normen voor nucleaire veiligheid na te leven, zoals de bepalingen van de relevante internationale verdragen in het kader van het IAEA, de verdragen van Espoo en Aarhus en de latere amendementen hierop, het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en de aanvullende protocollen hierbij, de toezeggingen met betrekking tot de uitvoering van stresstests en verwante maatregelen en de doelstellingen voor samenwerking die worden gespecificeerd in de EINS-verordening, de hulp uit hoofde van deze verordening voor het land in kwestie worden heroverwogen en mogelijk zelfs gedeeltelijk of geheel worden opgeschort. [Am. 32]

(25)

Hoewel de democratie , de mensenrechten en de mensenrechten fundamentele vrijheden , met inbegrip van de bescherming van kinderen, minderheden, personen met een handicap en LGBTI-personen, alsook gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, en meisjes consequent in de hele tenuitvoerlegging toepassing van deze verordening moeten worden en vaste onderdelen moeten worden, moet de steun van de Unie in het kader van de thematische programma's voor de mensenrechten en de democratie en maatschappelijke organisaties en lokale overheden een specifieke aanvullende rol spelen vanwege het mondiale karakter ervan en het feit dat deze steun niet afhankelijk is van de toestemming van regeringen of overheidsorganen van de betrokken derde landen. Hierbij moet de Unie bijzondere aandacht besteden aan landen en noodsituaties waar de mensenrechten en fundamentele vrijheden het meest worden bedreigd en waar de schending van deze rechten en vrijheden het meest flagrant en systematisch is, en aan situaties waarin de ruimte voor het maatschappelijk middenveld op het spel staat. De bijstand van de Unie in het kader van deze verordening moet zodanig worden vormgegeven dat de weg wordt vrijgemaakt voor steun aan en samenwerking en partnerschappen met het maatschappelijk middenveld inzake gevoelige vraagstukken met betrekking tot mensenrechten en democratie, waarbij de flexibiliteit en het vereiste reactievermogen tot stand worden gebracht om te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden, de behoeften van begunstigden, of perioden van crisis, en waarbij zo nodig een bijdrage wordt geleverd aan de capaciteitsopbouw van het maatschappelijk middenveld. In dergelijke gevallen moeten de politieke prioriteiten gericht zijn op het bevorderen van de eerbiediging van het internationaal recht, en op het voorzien van het lokale maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden die zich bezighouden met mensenrechten met de nodige actiemiddelen ter bevordering van activiteiten die in uiterst lastige omstandigheden worden uitgevoerd. Deze verordening moet maatschappelijke organisaties ook de mogelijkheid bieden snel en efficiënt kleine subsidies te ontvangen als dat nodig is, met name in bijzonder lastige situaties, bijvoorbeeld in kwetsbare of crisissituaties en bij spanningen tussen gemeenschappen . [Am. 33]

(25 bis)

Overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 21 VEU en artikel 8 VWEU moet de uitvoering van deze verordening uitgaan van de beginselen van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes, en gericht zijn op de bescherming en bevordering van de rechten van vrouwen in overeenstemming met het genderactieplan II, de conclusies van de Raad over vrouwen, vrede en veiligheid van 10 december 2018, het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa en doelstelling 5 van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling. [Am. 34]

(25 ter)

Deze verordening heeft ten doel de bevordering van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid in de wereld aan te pakken en te mainstreamen, onder meer door steun te verlenen aan organisaties die zich inzetten voor de bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (toegang tot hoogwaardige en toegankelijke informatie, onderwijs en diensten) en die strijden tegen gendergerelateerd geweld en discriminatie, en door de nauwe verbondenheid van vrede, veiligheid, ontwikkeling en gendergelijkheid te erkennen en aan de orde te stellen. Dit werk moet in overeenstemming zijn met de relevante internationale en Europese beginselen en verdragen en de uitvoering daarvan bevorderen. [Am. 35]

(26)

Het maatschappelijk middenveld moet een breed spectrum van actoren omvatten met diverse meerdere rollen en mandaten, waarbij alle niet-overheidsstructuren zijn betrokken die geen winstoogmerk hebben, die onpartijdig en geweldloos zijn, en waardoor mensen gedeelde doelstellingen en idealen proberen na te streven, hetzij van politieke, culturele, sociale , religieuze, ecologische of economische aard , of autoriteiten ter verantwoording roepen . Deze organisaties zijn werkzaam op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau en omvatten stedelijke en rurale, formele en informele organisaties. Andere instanties of actoren die niet specifiek zijn uitgesloten uit hoofde van deze verordening moeten kunnen worden gefinancierd wanneer dit noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening . [Am. 36]

(26 bis)

Overeenkomstig de consensus inzake ontwikkeling moeten de Unie en haar lidstaten de bijdrage stimuleren die maatschappelijke organisaties en lokale overheden leveren aan duurzame ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, onder meer op het gebied van democratie, de rechtsstaat, fundamentele vrijheden en mensenrechten en sociale rechtvaardigheid, en in hun rol als verstrekkers van sociale basisvoorzieningen aan bevolkingen die deze het meest nodig hebben. Zij dienen de diverse rollen van maatschappelijke organisaties en lokale overheden te erkennen, waarbij lokale overheden als pleitbezorgers van een territoriale aanpak van ontwikkeling optreden, onder meer met betrekking tot decentralisatieprocessen, participatie, toezicht en verantwoordingsplicht. De Unie en haar lidstaten moeten meer manoeuvreerruimte en een gunstig klimaat voor maatschappelijke organisaties bevorderen en hun steun voor de capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties en lokale overheden verder versterken, zodat deze meer zeggenschap hebben in het proces van duurzame ontwikkeling en de politieke, sociale en economische dialoog kunnen uitdiepen, met inbegrip van programma's gericht op voorzieningen voor het maatschappelijk middenveld. [Am. 37]

(26 ter)

De Unie ondersteunt maatschappelijke organisaties en stimuleert een grotere strategische betrokkenheid van deze organisaties in alle externe instrumenten en programma's, met inbegrip van geografische programma's en acties voor snelle respons in het kader van deze verordening, in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 15 oktober 2012 over de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen. [Am. 38]

(27)

Bij deze verordening worden voor dit instrument de financiële middelen vastgesteld die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (33).

(28)

Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering, de bescherming van het milieu en de bestrijding van het verlies aan biodiversiteit, in overeenstemming met de door de Unie aangegane verbintenissen om de overeenkomst van Parijs , het Verdrag inzake biologische diversiteit en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en moet ertoe bijdragen dat klimaatactie klimaat- en milieuactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het streefcijfer van 25 % algemene streefdoel van de begrotingsuitgaven van de Unie voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald , en acties ondersteunen met duidelijke en aanwijsbare voordelen in meerdere sectoren . Naar verwachting zal 25 % 45  % van de totale financiële middelen in het kader van deze verordening bijdragen tot klimaatdoelstellingen , milieubeheer en -bescherming, biodiversiteit en het tegengaan van woestijnvorming, terwijl 30 % van de totale financiële middelen moet worden besteed aan mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering . De relevante acties zullen worden vastgesteld tijdens de tenuitvoerlegging toepassing van deze verordening, en de totale bijdrage van deze verordening moet het voorwerp zijn van relevante evaluaties en toetsingen. Het optreden van de Unie in dat opzicht moet gericht zijn op de naleving van de overeenkomst van Parijs en de verdragen van Rio en niet bijdragen tot aantasting van het milieu of schade toebrengen aan het milieu of het klimaat. Bij acties en maatregelen die bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstelling met betrekking tot het klimaat moet bijzondere nadruk worden gelegd op steun voor aanpassing aan klimaatverandering in arme, zeer kwetsbare landen en rekening worden gehouden met het verband tussen klimaat, vrede en veiligheid, de versterking van de positie van vrouwen en de bestrijding van armoede. Deze verordening moet bijdragen tot een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en duurzame en veilige mijnbouw, bosbeheer en landbouw bevorderen . [Am. 39]

(29)

Verder is het van essentieel belang dat de S amenwerking met de partnerlanden op het gebied van migratie verder wordt geïntensiveerd, zodat de vruchten kan leiden tot wederzijdse voordelen van een goed beheerde ordelijke, veilige en reguliere verantwoorde migratie kunnen worden geplukt en en tot een doeltreffende aanpak van irreguliere migratie doeltreffend kan worden aangepakt en gedwongen ontheemding . Deze samenwerking dient bij te dragen aan het bevorderen van veilige en legale trajecten voor migratie en asiel, het waarborgen van de toegang tot internationale bescherming, alsmede het aanpakken van de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding , het aangaan van een dialoog met diasporagemeenschappen , door beter het verbeteren van het grensbeheer en grotere het leveren van inspanningen in de strijd tegen voor de aanpak van irreguliere migratie, mensenhandel en migrantensmokkel, alsmede het werken aan veilige, waardige en duurzame en samenwerking inzake terugkeer, overname en re-integratie, in voorkomend geval, op conflictbewuste wijze, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht en met volledige inachtneming van de humanitaire en mensenrechtenverplichtingen. Derhalve moet doeltreffende samenwerking van derde landen met de Unie op dit gebied een integraal onderdeel vormen van de algemene beginselen van deze verordening. Een grotere coherentie uit hoofde van het internationaal recht en het Unierecht. Samenhang tussen het migratie- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is van belang om ervoor te zorgen dat ontwikkelingshulp de partnerlanden bijstaat om migratie doeltreffender te beheren armoede en ongelijkheid te bestrijden, rechten en vrijheden te bevorderen en bij te dragen tot een ordelijk, veilig en verantwoord migratiebeheer . Deze verordening moet bijdragen tot een gecoördineerde, geïntegreerde en gestructureerde benadering van migratie, en daarbij maximaal synergieën en het noodzakelijke hefboomeffect positieve effecten van migratie en mobiliteit op ontwikkeling creëren. [Am. 40]

(30)

Deze verordening moet de Unie in staat stellen om te reageren op de uitdagingen, behoeften en kansen die verband houden met migratie, in complementariteit met het migratiebeleid migratie- en asielbeleid van de Unie. Om daartoe bij te dragen, teneinde de bijdrage van migratie aan ontwikkeling te maximaliseren, en onverminderd onvoorziene omstandigheden nieuwe opkomende uitdagingen of nieuwe behoeften , zal ten hoogste 10 % van de financiële middelen worden besteed aan de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding en de ondersteuning van migratiebeheer en bestuur een grotere betrokkenheid bij het bevorderen van veilige, ordelijke, reguliere en verantwoorde migratie en de uitvoering van gepland en goed beheerd migratiebeleid en -beheer , met inbegrip van de bescherming van de rechten van migranten en vluchtelingen op basis van het internationaal recht en het Unierecht overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening. Deze verordening moet ook bijdragen aan de aanpak van de braindrain en tegemoetkomen aan de behoeften van ontheemden en gastgemeenschappen, met name door het bieden van toegang tot basisdiensten en bestaansmogelijkheden. [Am. 41]

(30 bis)

Informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en -diensten vormen een bewezen drijvende kracht achter duurzame ontwikkeling en inclusieve groei. Ze kunnen, zelfs in de armste landen, cruciaal zijn voor het verbeteren van de levensstandaard van burgers, met name door de positie van vrouwen en meisjes te versterken, democratisch bestuur en transparantie te bevorderen en de productiviteit en werkgelegenheid te stimuleren. Connectiviteit en betaalbaarheid blijven echter een probleem, zowel tussen als binnen bepaalde regio's, aangezien er grote verschillen bestaan tussen landen met hogere en lagere inkomens en tussen stedelijke en plattelandsgebieden. Deze verordening moet de Unie daarom helpen de digitalisering verder te integreren in het ontwikkelingsbeleid van de Unie. [Am. 42]

(30 ter)

In de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die op 25 september 2015 bij resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd vastgesteld, wordt het belang benadrukt van het bevorderen van vreedzame en inclusieve samenlevingen, zowel als duurzameontwikkelingsdoelstelling op zich (SDG 16) als voor de verwezenlijking van andere doelen van het ontwikkelingsbeleid. SDG 16.a roept specifiek op tot versterking van alle bevoegde nationale instellingen, ook via internationale samenwerking, voor de opbouw van capaciteit op alle niveaus, met name in ontwikkelingslanden, om geweld te voorkomen en terrorisme en criminaliteit te bestrijden. [Am. 43]

(30 quater)

De Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling heeft in het communiqué van de vergadering op hoog niveau van 19 februari 2016 de richtsnoeren voor de verslaglegging over officiële ontwikkelingshulp met betrekking tot vrede en veiligheid bijgewerkt. De financiering van de overeenkomstig deze verordening ondernomen acties geldt als officiële ontwikkelingshulp indien is voldaan aan de criteria van bovengenoemde of later door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand overeengekomen richtsnoeren voor verslaglegging. [Am. 44]

(30 quinquies)

De capaciteitsopbouw ter ondersteuning van ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling moet uitsluitend in uitzonderlijke gevallen worden ingezet wanneer de doelstellingen van de verordening niet door middel van andere activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking kunnen worden verwezenlijkt. Steun voor de veiligheidssector, in uitzonderlijke omstandigheden ook voor de krijgsmacht, in derde landen waar conflictpreventie, crisisbeheer of stabilisatie moet plaatsvinden, is essentieel om passende voorwaarden te scheppen voor de uitbanning van armoede en voor ontwikkeling. Goed bestuur, doeltreffende democratische controle en civiel toezicht op het veiligheidssysteem, ook op de krijgsmacht, alsmede naleving van de mensenrechten en de rechtsstaat, zijn te allen tijde essentieel voor een goed functionerende staat, en moeten worden bevorderd in het kader van bredere ondersteuning van de hervorming van de veiligheidssector in derde landen. [Am. 45]

(30 sexies)

Deze verordening moet voortbouwen op de conclusies van de voor juni 2020 aangevraagde evaluatie door de Commissie, die onder meer bestaat uit een brede en openbare raadpleging met verschillende belanghebbenden ter beoordeling van de samenhang tussen de door de Unie en haar lidstaten gefinancierde capaciteitsopbouw ter ondersteuning van ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling in het kader van de verwevenheid tussen veiligheid en ontwikkeling enerzijds, en de integrale strategie en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties anderzijds. [Am. 46]

(30 septies)

De Unie moet een conflictbewuste en genderbewuste benadering bevorderen in alle acties en programma's die onder deze verordening vallen, met als doel negatieve effecten te vermijden en de positieve effecten te maximaliseren. [Am. 47]

(31)

Op deze verordening moeten de door het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 VWEU goedgekeurde horizontale financiële regels van toepassing zijn. Deze voorschriften zijn neergelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (34) (“het Financieel Reglement”) en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de Uniebegroting, door subsidies, aanbestedingen, prijzen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, begrotingssteun, trustfondsen, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties, en zij voorzien in controles van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322, VWEU, vastgestelde regels hebben tevens betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten en derde landen, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat essentieel is voor goed financieel beheer en doeltreffende EU-financiering.

(32)

De financieringsvormen en uitvoeringswijzen toepassingswijzen voor deze verordening moeten worden gekozen op basis van de behoeften en voorkeuren van de partner en de specifieke context, hun relevantie en duurzaamheid en hun vermogen om aan de beginselen van doeltreffendheid van ontwikkeling te voldoen en de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten te boeken, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de kosten van controles, de administratieve belasting en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, financiering op basis van een vast percentage en eenheidskosten worden overwogen, alsmede niet aan kosten gekoppelde financiering als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement . De rol van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) als stichting voor de mondiale ondersteuning van democratie, het maatschappelijk middenveld en de mensenrechten die wordt aangestuurd via de Europese instellingen, moet in het kader van deze verordening worden versterkt en uitgebreid. Het EFD moet de administratieve flexibiliteit en financiële mogelijkheden krijgen om gerichte subsidies te verstrekken aan maatschappelijke actoren in de Europese buurlanden die bijdragen aan de tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid, met name wanneer het gaat om de ontwikkeling van democratie, mensenrechten, vrije verkiezingen en de rechtsstaat . [Am. 48]

(33)

Het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ (EFDO+), dat voortbouwt op de succesvolle voorganger ervan, het EFDO (35), moet een geïntegreerd financieringspakket verstrekken dat capaciteit voor wereldwijde financiering biedt in de vorm van subsidies, garanties en financieringsinstrumenten. Het EFDO+ moet het plan voor externe investeringen ondersteunen en een combinatie bieden van blendingfinanciering en begrotingsgaranties die worden gedekt door de garantie voor extern optreden, inclusief die voor soevereine risico's in verband met leningen die eerder werden uitgevoerd in het kader van het externe leningsmandaat van de Europese Investeringsbank. Gezien haar rol op grond van de Verdragen en haar decennialange ervaring met de ondersteuning van het beleid van de Unie moet de Europese Investeringsbank voor de Commissie een natuurlijke partner blijven voor de uitvoering toepassing van activiteiten in het kader van de garantie voor extern optreden. Ook andere multilaterale ontwikkelingsbanken of nationale ontwikkelingsbanken van de EU beschikken over vaardigheden en kapitaal die een aanzienlijke toegevoegde waarde kunnen creëren ten aanzien van de effecten van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, en deze verordening moet er dan ook in hoge mate op gericht zijn hun deelname aan het EFDO+ te bevorderen. [Am. 49]

(34)

Het EFDO+ is bedoeld voor de ondersteuning van investeringen die bijdragen tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, door de bevordering van duurzame en inclusieve economische , culturele en sociale ontwikkeling en van de sociaal-economische veerkracht van partnerlanden, met bijzondere aandacht voor de uitbanning van armoede, conflictpreventie en de bevordering van vreedzame, rechtvaardige en inclusieve samenlevingen, duurzame en inclusieve groei economische vooruitgang, de bestrijding van klimaatverandering — door middel van mitigatie en aanpassing — en van milieuvervuiling , het stimuleren van , waardig werk, met inachtneming van de relevante IAO-normen en economische kansen, in het bijzonder voor vrouwen, jongeren en kwetsbare personen. De nadruk moet worden gelegd op het bieden van inclusief en billijk kwaliteitsvol onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden en ondernemerschap door het versterken van onderwijs- en culturele structuren, onder meer voor kinderen in humanitaire noodsituaties en situaties van gedwongen ontheemding. Het moet ook gericht zijn op het ondersteunen van een stabiel investeringsklimaat, industrialisering , sociaal-economische sectoren en , coöperaties, sociale ondernemingen, micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, alsook op het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, aangezien tekortkomingen op dit gebied vaak de specifieke sociaal-economische dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding zijn , in overeenstemming met de desbetreffende indicatieve programmeringsdocumenten. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren, de minst ontwikkelde landen en arme landen met een zware schuldenlast. Er moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan een betere verstrekking van essentiële openbare basisdiensten, voedselzekerheid en een betere levenskwaliteit van de snel groeiende stedelijke bevolking, onder meer middels adequate, veilige en betaalbare huisvesting. Het EFDO+ moet partnerschappen van profit- en non-profitorganisaties aanmoedigen als een middel waarmee investeringen uit de particuliere sector kunnen worden verschoven naar duurzame ontwikkeling en de uitbanning van armoede. De strategische betrokkenheid van maatschappelijke organisaties en van de delegaties van de Unie in partnerlanden moet ook in alle fasen van de projectcyclus worden bevorderd om maatwerkoplossingen te helpen vinden voor het bevorderen van de sociaal-economische ontwikkeling van gemeenschappen, het scheppen van werkgelegenheid en nieuwe zakelijke mogelijkheden. Investeringen moeten worden gebaseerd op conflictanalyses, met name gericht zijn op de onderliggende oorzaken van conflicten, kwetsbaarheid en instabiliteit, het potentieel voor de bevordering van vrede maximaliseren en het risico dat conflicten verergeren tot een minimum beperkten . [Am. 50]

(35)

Het EFDO+ moet voor maximale extra financiering zorgen, marktfalen en suboptimale investeringssituaties aanpakken, innoverende producten leveren en middelen aantrekken uit de particuliere sector teneinde bijdragen in de vorm van particuliere financiering ten behoeve van plaatselijke duurzame ontwikkeling te optimaliseren . De betrokkenheid van de particuliere sector bij de samenwerking van de Unie met de partnerlanden door middel van het EFDO+ moet resulteren in meetbare en aanvullende ontwikkelingseffecten , waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de bescherming van het milieu, de rechten van plaatselijke gemeenschappen en bestaanszekerheid, zonder verstoring van de lokale markt en zonder oneerlijke concurrentie met lokale economische actoren. Dit moet kostenefficiënt zijn en stoelen op wederzijdse verantwoordingsplicht en het delen van risico's en kosten. Het EFDO+ moet , met inachtneming van de beginselen van verantwoordingsplicht en transparantie, fungeren als één loket voor financieringsvoorstellen van financiële instellingen en publieke of private investeerders, dat een breed gamma van financiële ondersteuning ter beschikking stelt voor in aanmerking komende investeringen. [Am. 51]

(35 bis)

Een EU-garantie voor overheidsinvesteringen in de publieke sector moet deel uitmaken van het EFSD+. Die EU-garantie mag niet worden uitgebreid tot overheidsinvesteringen die bestaan in het doorlenen aan de particuliere sector of het verstrekken van leningen aan of ten behoeve van subnationale entiteiten die toegang hebben tot subnationale financiering zonder overheidsgaranties. Om de capaciteitsplanning van de EIB te vergemakkelijken, wordt een gegarandeerd minimumvolume aan dergelijke overheidsinvesteringen aan de EIB toegewezen. [Am. 52]

(36)

Een garantie voor extern optreden moet worden opgezet op basis van de bestaande EFDO-garantie en het Garantiefonds voor extern optreden. De garantie voor extern optreden moet de EFDO+-operaties ondersteunen die worden gedekt door begrotingsgaranties, macrofinanciële bijstand en leningen aan derde landen op grond van Besluit 77/270/Euratom van de Raad (36). Deze operaties moeten worden ondersteund door toewijzingen in het kader van deze verordening, samen met toewijzingen in het kader van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad (37) (“de IPA III-verordening”) en de EINS-verordening, die ook de voorzieningen en verplichtingen moeten dekken die voortkomen uit macrofinanciële bijstand en leningen aan derde landen als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de EINS-verordening. Bij de financiering van EFDO+-operaties moeten bij voorrang projecten worden gefinancierd die veel waardige werkgelegenheid en bestaanszekerheid opleveren en een kosten-batenverhouding hebben die de duurzaamheid van de investeringen vergroot en de hoogst mogelijke garantie van duurzaamheid en ontwikkelingseffecten voor de lange termijn waarborgen op basis van eigen verantwoordelijkheid op lokaal niveau . De door de garantie voor extern optreden gesteunde acties moeten gepaard gaan met een grondige ex-antebeoordeling ex-ante-beoordeling van de ecologische, financiële en sociale aspecten, als passend waaronder de effecten op de mensenrechten en de bestaanszekerheid van de betrokken gemeenschappen, de effecten op ongelijkheden, en het in kaart brengen van manieren om deze ongelijkheden aan te pakke n, in overeenstemming met de vereisten inzake betere regelgeving , rekening houdend met het beginsel van vrije en voorafgaande geïnformeerde toestemming van de betrokken gemeenschappen met betrekking tot grondgerelateerde investeringen . De garantie voor extern optreden moet niet worden gebruikt om essentiële overheidsdiensten te verlenen; dit blijft een verantwoordelijkheid van de overheid. Tevens dienen ex-post-beoordelingen te worden uitgevoerd om de ontwikkelingseffecten van de EFDO+-verrichtingen te meten. . [Am. 53]

(37)

Om te voorzien in flexibiliteit, de aantrekkelijkheid voor de particuliere sector te vergroten , eerlijke mededinging te bevorderen en het effect van de investeringen te maximaliseren, moet een afwijking van de regels betreffende de wijzen van uitvoering van de begroting van de Unie, zoals vastgelegd in het Financieel Reglement, worden toegestaan in verband met de in aanmerking komende tegenpartijen. Deze in aanmerking komende tegenpartijen kunnen ook instanties zijn die niet zijn belast met de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap en kunnen ook privaatrechtelijke organen van een partnerland zijn. [Am. 54]

(38)

Om meer resultaten te boeken met de garantie voor extern optreden moeten de lidstaten en de partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte kunnen voorzien in bijdragen in de vorm van een garantie of contanten. Bijdragen in de vorm van een garantie mogen niet hoger zijn dan 50 % van het bedrag dat door de Unie wordt gewaarborgd. Voor de financiële verplichtingen die voortvloeien uit deze garantie, moeten geen voorzieningen worden getroffen en de liquiditeitsbuffer moet door het gemeenschappelijke voorzieningsfonds worden verstrekt.

(39)

Externe acties worden vaak uitgevoerd toegepast in een uiterst explosieve context die snelle en voortdurende aanpassing vereist aan de veranderende behoeften van de Uniepartners en de mondiale uitdagingen op het gebied van de mensenrechten en fundamentele vrijheden , democratie en goed bestuur, veiligheid en stabiliteit, klimaatverandering en milieu, oceanen, en de migratiecrisis en migratie, met inbegrip van de dieperliggende oorzaken daarvan zoals armoede en ongelijkheid, en het effect — met name op ontwikkelingslanden — van het toenemende aantal ontheemde personen . Om het beginsel van voorspelbaarheid te verzoenen met de noodzaak om snel te reageren op nieuwe behoeften moet de financiële uitvoering toepassing van de programma's kunnen worden aangepast. Om het vermogen van de EU te vergroten om te reageren op onvoorziene behoeften behoeften die niet door de programma's en programmeringsdocumenten worden gedekt , voortbouwend op het succes van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), moet een van tevoren bepaald, niet-toegewezen bedrag worden gereserveerd als buffer voor nieuwe problemen en prioriteiten. Dit bedrag moet in naar behoren gemotiveerde gevallen beschikbaar worden gesteld in overeenstemming met de in deze verordening vastgestelde procedures. [Am. 55]

(40)

Met inachtneming van het beginsel dat de begroting van de Unie jaarlijks wordt vastgesteld, moet deze verordening de mogelijkheid openlaten om de door het Financieel Reglement reeds voor andere beleidsgebieden toegestane flexibiliteit toe te passen, namelijk overdrachten en hertoewijzing van middelen, om de middelen van de Unie efficiënt te gebruiken, zowel voor de burgers van de Unie als voor de partnerlanden, en het effect van de middelen van de Unie die beschikbaar zijn voor het externe optreden te maximaliseren.

(41)

Volgens artikel 83 van Besluit …/… van de Raad (LGO-besluit) komen in de landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering in het kader van deze verordening, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van deze verordening en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Voorts moet de samenwerking tussen de partnerlanden en de landen en gebieden overzee, alsook de in artikel 349 VWEU genoemde ultraperifere gebieden van de Unie op gebieden van gezamenlijk belang worden aangemoedigd.

(42)

Om de eigen democratische verantwoordelijkheid van de partnerlanden voor hun ontwikkelingsprocessen te vergroten en de houdbaarheid van externe hulp te verbeteren dient de Unie, waar relevant, de voorkeur te geven aan de eigen instellingen, hulpbronnen, kennis, systemen en procedures van de partnerlanden voor alle aspecten van de projectcyclus voor samenwerking , waarbij de inzet van lokale hulpbronnen en kennis, alsook de volledige betrokkenheid, van lokale overheden en het maatschappelijk middenveld, worden gewaarborgd. De Unie moet ook opleidingsprogramma's aanbieden aan ambtenaren van lokale overheden en maatschappelijke organisaties over het indienen van aanvragen van Uniefinanciering, om hen te helpen ervoor te zorgen dat hun projecten beter aan de voorwaarden voldoen en efficiënter zijn. Deze programma's moeten worden uitgevoerd in het desbetreffende land, beschikbaar zijn in de taal van dat land en een aanvulling vormen op eventuele bestaande onderwijsprogramma's op afstand, en zo gerichte opleidingen aanbieden die aansluiten op de behoeften van het land in kwestie . [Am. 56]

(43)

Jaarlijkse of meerjarige actieplannen en maatregelen als bedoeld in artikel 19 zijn werkprogramma's overeenkomstig het Financieel Reglement. Jaarlijkse of meerjarige actieplannen bestaan uit een reeks maatregelen die in één document worden samengevoegd.

(44)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (38), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (39), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (40) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (41) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door doeltreffende en evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden zoals fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (42). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF en de Europese Rekenkamer, alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen. Daarom moeten overeenkomsten met derde landen en gebieden en met internationale organisaties, alsmede contracten of overeenkomsten die voortvloeien uit de uitvoering van deze verordening, bepalingen bevatten die de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen om dergelijke audits, controles en inspecties ter plaatse uit te voeren, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, en die waarborgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van Uniemiddelen, gelijkwaardige rechten verlenen.

(44 bis)

Teneinde bij te dragen aan de internationale bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking, fraude, corruptie en witwassen van geld, moet alle financiering via deze verordening op volledig transparante wijze worden verleend. Verder mogen de in aanmerking komende tegenpartijen noch activiteiten met illegale doeleinden ondersteunen, noch deelnemen aan financierings- of investeringsverrichtingen die worden uitgevoerd door middel van een vehikel dat in een niet-coöperatief rechtsgebied of een belastingparadijs is gevestigd. De tegenpartijen moeten zich ook onthouden van ieder gebruik van regelingen voor belastingontwijking of agressieve belastingplanning. [Am. 57]

(45)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de desbetreffende bepalingen van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (43). [Am. 58]

(46)

Met het oog op de aanvulling of wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de voorzieningspercentages die zijn vastgelegd in artikel 26, lid 3, de samenwerkings- en actiegebieden die zijn opgenomen in de bijlagen II, III en IV, de prioritaire gebieden van de EFDO+-acties die zijn opgenomen in bijlage V, het beheer van het EFDO+ als beschreven in bijlage VI, de herziening of aanvulling van de indicatoren in bijlage VII, voor zover dit noodzakelijk wordt geacht, en de aanvulling van deze verordening met bepalingen inzake de vaststelling van een toezichts- en evaluatiekader VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van het uiteenzetten van de strategie van de Unie, de prioritaire gebieden, de gedetailleerde doelstellingen, de verwachte resultaten, de specifieke prestatie-indicatoren en de specifieke financiële toewijzing en samenwerkingsvormen voor elk geografisch en thematisch programma, evenals voor actieplannen of maatregelen die geen deel uitmaken van de programmeringsdocumenten en een operationeel kader voor mensenrechten beogen, het in het leven roepen van een operationeel kader voor risicobeheer, het nemen van beslissingen ten aanzien van behoeften die niet door de programma's of programmeringsdocumenten worden gedekt, het nemen van beslissingen ten aanzien van het opschorten van steun, het inrichten van een prestatiegebaseerd kader, het vaststellen van de voorzieningspercentages, het vaststellen van een monitoring- en evaluatiekader, en het uitbreiden van het toepassingsgebied van de acties tot landen en gebieden die niet onder deze verordening vallen. Met het oog op de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de samenwerkings- en actiegebieden die zijn opgenomen in de bijlagen II, III en IV, de prioritaire gebieden van de EFDO+-verrichtingen en de investeringsvensters die zijn opgenomen in bijlage V, evenals de indicatoren in bijlage VII. [Am. 59]

(47)

Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (44) moet dit programma worden geëvalueerd aan de hand van informatie die wordt verzameld op basis van specifieke voorschriften inzake toezicht, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, moeten worden vermeden. Waar passend kunnen In die voorschriften moeten ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van het programma op het terrein worden geëvalueerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau van relevante belanghebbenden en deskundigen , en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen. [Am. 60]

(48)

De verwijzingen naar instrumenten van de Unie in artikel 9 van Besluit 2010/427/EU van de Raad (45) , die bij deze verordening worden vervangen, moeten worden gelezen als verwijzingen naar deze verordening en de Commissie moet garanderen dat deze verordening wordt uitgevoerd overeenkomstig de rol van de EDEO zoals bepaald in het genoemde besluit Gezien de brede aard en het ruime toepassingsgebied van deze verordening en teneinde samenhang te waarborgen tussen de beginselen, doelstellingen en uitgaven in het kader van deze verordening en van andere externe financieringsinstrumenten, zoals de EINS-verordening, of instrumenten die onlosmakelijk verbonden zijn met extern beleid, zoals de IPA III-verordening, moet een horizontale stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken diensten van de Commissie en EDEO en onder voorzitterschap van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) of een vertegenwoordiger van die dienst, verantwoordelijk zijn voor de aansturing, de coördinatie en het beheer van het beleid, de programma's, de doelstellingen en de acties in het kader van deze verordening om consistentie, efficiëntie, transparantie en verantwoording te garanderen in de externe financiering van de Unie. De VV/HV dient te zorgen voor de algemene politieke coördinatie van het externe optreden van de Unie. Voor alle acties, met inbegrip van acties voor snelle respons en buitengewone steunmaatregelen, en gedurende de volledige cyclus van programmering, planning en toepassing van het instrument, moeten de hoge vertegenwoordiger en de EDEO samenwerken met alle relevante leden en diensten van de Commissie, vastgesteld op basis van de aard en doelstellingen van de geplande actie, waarbij wordt voortgebouwd op hun deskundigheid. Alle voorstellen moeten volgens de Commissieprocedures worden voorbereid en ter fine van besluit aan de Commissie worden voorgelegd. . [Am. 61]

(48 bis)

De toepassing van deze verordening dient, in voorkomend geval, complementair te zijn aan en in overeenstemming te zijn met de door de Unie vastgestelde maatregelen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van hoofdstuk II van titel V, VEU, en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het vijfde deel van het VWEU. [Am. 62]

(49)

Bij de hieronder vastgestelde beoogde maatregelen moeten de door beperkende maatregelen van de Unie vastgestelde voorwaarden en procedures nauwgezet in acht worden genomen, [Am. 63]

(49 bis)

Het Europees Parlement dient volledig betrokken te zijn bij de ontwerp-, programmerings-, toezichts- en evaluatiefase van de instrumenten opdat de politieke en democratisch controle, alsook de verantwoordingsplicht ten aanzien van de financiering door de Unie op het gebied van het externe optreden, zijn gewaarborgd. Er dient een betere dialoog tussen de instellingen tot stand te worden gebracht teneinde te waarborgen dat het Europees Parlement op structurele en soepele wijze politieke controle kan uitoefenen gedurende de toepassing van deze verordening, als gevolg waarvan zowel de efficiëntie als de legitimiteit wordt versterkt, [Am. 64]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (hierna “het instrument” genoemd) vastgesteld.

In deze verordening worden de doelstellingen van het instrument, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Tevens worden het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ (hierna “EFDO+” genoemd) en een garantie voor extern optreden vastgesteld.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“landenprogramma”: een indicatief programma dat betrekking heeft op één land;

2)

“meerlandenprogramma”: een indicatief programma dat betrekking heeft op meer dan één land;

3)

“grensoverschrijdende samenwerking”: samenwerking tussen een of meer lidstaten en een of meer derde landen en gebieden langs de buitengrenzen van de Unie;

4)

“regionaal programma”: een indicatief meerlandenprogramma dat betrekking heeft op meer dan één derde land binnen hetzelfde geografische gebied als vastgesteld in artikel 4, lid 2;

5)

“transregionaal programma”: een indicatief meerlandenprogramma dat betrekking heeft op meer dan één derde land uit verschillende gebieden als vastgesteld in artikel 4, lid 2;

6)

“juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 197, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement;

6 bis)

“maatschappelijke organisaties”: alle niet-overheidsstructuren die geen winstoogmerk hebben en geweldloos zijn, waardoor mensen gedeelde doelstellingen en idealen proberen na te streven, hetzij van politieke, culturele, sociale, economische, religieuze of ecologische aard, of autoriteiten ter verantwoording roepen, en die werkzaam zijn op lokaal, nationaal, regionaal of internationaal niveau en stedelijke en rurale, alsook formele en informele organisaties kunnen omvatten; in het kader van het thematische programma inzake mensenrechten en democratie omvat het “maatschappelijk middenveld” personen of groepen die los van de staat staan en zich voor de bevordering van de mensenrechten en democratie inzetten, met inbegrip van mensenrechtenactivisten, zoals bepaald in de VN-Verklaring inzake het recht en de verantwoordelijkheid van individuele personen, groepen en organen van de samenleving om algemeen erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden te bevorderen en te beschermen; [Am. 65]

6 ter)

“lokale overheden”: overheden of overheidsorganen die op subnationaal niveau actief zijn (bijvoorbeeld op gemeentelijk, gemeenschaps-, districts-, provinciaal of regionaal niveau); [Am. 66]

7)

“investeringsvenster”: een afgebakend gebied dat in aanmerking komt voor steun van het EFDO+-garantiefonds voor investeringsportefeuilles in specifieke regio's, landen of sectoren;

8)

“contribuant”: een lidstaat, een internationale financiële instelling of een overheidsinstantie van een lidstaat, een overheidsagentschap of andere publieke of private entiteiten die met contanten of garanties bijdragen aan het gemeenschappelijke voorzieningsfonds; [Am. 67]

8 bis)

“additionaliteit”: het beginsel volgens welk de garantie voor extern optreden moet bijdragen tot duurzame ontwikkeling door verrichtingen die zonder deze garantie niet hadden kunnen worden verwezenlijkt of die positieve resultaten opleveren die uitstijgen boven hetgeen zonder die garantie zou zijn verwezenlijkt, alsook het aantrekken van financiering uit de particuliere sector en het verhelpen van marktfalen of suboptimale investeringssituaties, alsook het verbeteren van de kwaliteit, duurzaamheid, impact of schaal van een investering. Het beginsel zorgt er ook voor dat investerings- en financieringsverrichtingen die door de garantie voor extern optreden worden gedekt, niet in de plaats komen van de steun van een lidstaat, particuliere financiering of andere financiële steun van de Unie of internationale financiële steun, en vermijden dat andere openbare of particuliere investeringen worden verdrongen. Projecten die door de garantie voor extern optreden worden ondersteund, hebben in de regel een hoger risicoprofiel dan het portfolio van investeringen dat door in aanmerking komende tegenpartijen wordt ondersteund in het kader van hun normale investeringsbeleid zonder de garantie voor extern optreden; [Am. 68]

8 ter)

“geïndustrialiseerde landen”: andere derde landen dan ontwikkelingslanden, zoals vermeld in de lijst van ontvangers van officiële ontwikkelingsbijstand (ODA) van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO (OESO-DAC); [Am. 69]

8 quater)

“armoede”: alle omstandigheden waarin mensen achtergesteld zijn en binnen de samenleving en de lokale context als kansarm worden beschouwd; de kernaspecten van armoede houden verband met economische, persoonlijke, politieke en sociaal-culturele mogelijkheden, alsmede de mogelijkheid om zich te beschermen; [Am. 70]

8 quinquies)

“genderbewustzijn”: handelen teneinde de maatschappelijke en culturele factoren te begrijpen en in acht te nemen die een rol spelen bij op geslacht gebaseerde uitsluiting en discriminatie op alle terreinen van het openbare en het privéleven; [Am. 71]

8 sexies)

“conflictbewustzijn”: handelen in de wetenschap dat alle initiatieven die worden uitgevoerd in door conflicten getroffen omgevingen, een wisselwerking met dat conflict zullen hebben en dat een dergelijke wisselwerking positieve of negatieve consequenties kan hebben; conflictbewustzijn betekent ook dat bij acties van de Unie (politieke acties of acties met betrekking tot beleid of externe hulp) negatieve effecten op de dynamiek van conflicten zo veel mogelijk worden voorkomen en positieve effecten zo veel mogelijk wordt geoptimaliseerd, zodat kan worden bijgedragen aan conflictpreventie, structurele stabiliteit en vredesopbouw. [Am. 72]

Verwijzingen naar mensenrechten hebben tevens betrekking op de fundamentele vrijheden. [Am. 73]

In de context van artikel 15 kunnen de “meest behoeftige landen” ook de in bijlage I opgenomen landen omvatten. [Am. 74]

Artikel 3

Doelstellingen

1.   Het algemene doel van deze verordening is het wereldwijd hooghouden en uitdragen van vaststellen van het financieel kader dat de Unie in staat stelt haar waarden , beginselen en fundamentele belangen van de Unie met het oog op de verwezenlijking van wereldwijd hoog te houden en uit te dragen, in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen van het externe optreden van de Unie, zoals verankerd in artikel 3, lid 5, artikel 8 en artikel 21 VEU , evenals in de artikelen 11 en 208 VWEU . [Am. 75]

2.   In overeenstemming met lid 1 zijn de specifieke doelstellingen van deze verordening de volgende:

a)

ondersteunen en bevorderen van dialoog en samenwerking met derde landen en regio's in het nabuurschap, in Afrika ten zuiden van de Sahara, Azië en het Stille-Oceaangebied, en in Amerika en het Caribisch Gebied;

a bis)

bijdragen tot de verwezenlijking van de internationale verbintenissen en doelstellingen waar de Unie zich toe heeft verbonden, met name de Agenda 2030, de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de overeenkomst van Parijs; [Am. 76]

a ter)

opbouwen van bijzondere en betere betrekkingen met de landen in het zuidelijk en oostelijk nabuurschap van de Unie op basis van samenwerking, vrede en veiligheid, wederzijdse verantwoordingsplicht en gemeenschappelijke verbintenissen tot de universele waarden van democratie, de rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten, sociaal-economische integratie, milieubescherming en klimaatactie; [Am. 77]

a quater)

nastreven van de terugdringing en, op de lange termijn, uitbanning van armoede, met name in de minst ontwikkelde landen (MOL's); duurzame sociale en economische ontwikkeling mogelijk maken; [Am. 78]

b)

op mondiaal niveau, consolideren en ondersteunen van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, ondersteunen van het maatschappelijk middenveld organisaties en lokale overheden, , bevorderen van stabiliteit en vrede , voorkomen van conflicten en bevorderen van rechtvaardige en inclusieve samenlevingen, versterken van multilateralisme, internationale rechtvaardigheid en verantwoording, en aanpakken van andere wereldwijde en regionale uitdagingen, waaronder migratie en mobiliteit klimaatverandering en aantasting van het milieu alsook behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid zoals beschreven in bijlage III, met inbegrip van de bevordering van vertrouwenscheppende maatregelen en goede relaties met naburige landen ; [Am. 79]

b bis)

beschermen, bevorderen en versterken van de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat en gender- en sociale gelijkheid, ook in bijzonder lastige omstandigheden en noodsituaties, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenactivisten over de hele wereld; [Am. 80]

c)

snel kunnen inspelen op: situaties van crisis, instabiliteit en conflicten; problemen op het gebied van weerbaarheid en de koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingsmaatregelen; en de behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid ontwikkelingsactie . [Am. 81]

Het verwezenlijken van deze doelstellingen wordt gemeten aan de hand van relevante indicatoren zoals bedoeld in artikel 31.

3.   Ten minste 92 95  % van de financiering in het kader van deze verordening voldoet aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp zoals bepaald door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO. Deze verordening draagt bij tot de collectieve doelstelling om 0,2 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie te besteden ten behoeve van de minst ontwikkelde landen en 0,7 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie te besteden als officiële ontwikkelingshulp gedurende de looptijd van de Agenda 2030 . [Am. 82]

3 bis.     Ten minste 20 % van de uit hoofde van deze verordening gefinancierde officiële ontwikkelingshulp in alle programma's, zowel geografische als thematische, wordt jaarlijks en voor de duur van de acties gereserveerd voor sociale inclusie en menselijke ontwikkeling, teneinde de verstrekking van sociale basisdiensten, zoals gezondheidszorg, onderwijs, voeding en sociale bescherming, te ondersteunen en te versterken, met name ten behoeve van de meest gemarginaliseerde personen en met een nadruk op vrouwen en kinderen. [Am. 83]

3 ter.     Ten minste 85 % van de uit hoofde van deze verordening via officiële ontwikkelingshulp gefinancierde programma's, zowel geografische als thematische, heeft gendergelijkheid en de rechten en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes als hoofd- of belangrijke doelstelling, zoals uiteengezet in de OESO-DAC. Een aanzienlijk deel van deze programma’s heeft gendergelijkheid en de rechten en versterking van de positie van vrouwen en meisjes als hoofddoelstelling. [Am. 84]

Artikel 4

Werkingssfeer en structuur

1.   De steun van de Unie in het kader van deze verordening wordt uitgevoerd toegepast door middel van: [Am. 85]

a)

geografische programma's;

b)

thematische programma's;

c)

acties voor snelle respons.

2.   De geografische programma's omvatten op één of meer landen gerichte samenwerking in de volgende gebieden:

a)

nabuurschap;

b)

Afrika ten zuiden van de Sahara;

c)

Azië en de Stille Oceaan;

d)

Amerika en het Caribisch Gebied;

Geografische programma's kunnen betrekking hebben op alle derde landen, behalve kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten zoals gedefinieerd in Verordening (EU) …/… (46) (IPA) en landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in Besluit (EU) …/… van de Raad. Er kunnen ook geografische programma's met een continentaal of transregionaal toepassingsgebied tot stand worden gebracht, meer in het bijzonder een pan-Afrikaans programma waaronder de Afrikaanse landen onder de punten a) en b) vallen, alsook een programma waarin de onder de punten b), c) en d) vermelde landen van Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan zijn opgenomen. [Am. 86]

Geografische programma's in de nabuurschapsregio kunnen betrekking hebben op alle in bijlage I vermelde landen en gebieden.

Ter verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen worden de geografische programma's gebaseerd op de samenwerkingsgebieden die zijn vermeld in bijlage II.

3.   De thematische programma's omvatten maatregelen die verband houden met het nastreven van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen op mondiaal niveau, op de volgende gebieden:

a)

mensenrechten en democratie;

b)

maatschappelijk middenveld maatschappelijke organisaties en lokale overheden ; [Am. 87]

c)

stabiliteit en vrede;

d)

wereldwijde uitdagingen;

d bis)

behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid. [Am. 88]

Thematische programma's kunnen betrekking hebben op alle derde landen. , alsmede De landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in hebben volledige toegang tot de thematische programma's overeenkomstig Besluit (EU) …/… van de Raad. Hun daadwerkelijke deelname wordt gewaarborgd, rekening houdend met hun specifieke kenmerken en de specifieke uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd. [Am. 89]

Ter verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen worden de thematische programma's gebaseerd op de actiegebieden die zijn vermeld in bijlage III.

4.   De acties voor snelle respons maken het mogelijk snel actie te ondernemen om:

a)

bij te dragen tot vrede, stabiliteit en conflictpreventie in noodsituaties, bij dreigende crisis, tijdens een crisis en na een crisis; [Am. 90]

b)

bij te dragen tot de versterking van de weerbaarheid van staten, met inbegrip van lokale overheden, samenlevingen, gemeenschappen en individuele personen en tot de koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingsmaatregelen. [Am. 91]

c)

de behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid aan te pakken. [Am. 92]

De acties voor snelle respons kunnen betrekking hebben op alle derde landen, alsmede de landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in Besluit (EU) …/… van de Raad.

Ter verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen worden de acties voor snelle respons gebaseerd op de actiegebieden die zijn vermeld in bijlage IV.

5.   Maatregelen Acties in het kader van deze verordening worden hoofdzakelijk uitgevoerd toegepast via geografische programma's. [Am. 93]

De via thematische programma's uitgevoerde toegepaste maatregelen vormen een aanvulling op de maatregelen die worden gefinancierd op grond van de geografische programma's en bieden steun aan wereldwijde en regio-overschrijdende initiatieven die gericht zijn op voor het bereiken van internationaal overeengekomen doelstellingen, in het bijzonder de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, de bescherming van als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a bis), alsook mondiale collectieve goederen of de aanpak van mondiale uitdagingen. Maatregelen Acties kunnen ook onafhankelijk worden uitgevoerd via thematische programma's , ook indien er geen geografisch programma bestaat of indien dit is opgeschort of indien er geen overeenkomst met betrekking tot de maatregel is gesloten met het betrokken partnerland, of wanneer de maatregel niet adequaat kan worden uitgevoerd door middel van geografische programma's. [Am. 94]

Acties voor snelle respons vormen een aanvulling op de geografische en thematische programma's en op acties die worden gefinancierd uit hoofde van Verordening (EG) nr . 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 (de “verordening humanitaire hulp”). Die . Deze acties worden zodanig opgezet en uitgevoerd toegepast dat zij, in voorkomend geval, in het kader van geografische of thematische programma's kunnen worden voortgezet. [Am. 95]

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanvulling of wijziging van de bijlagen II, III en IV.

Artikel 5

Samenhang, consistentie en complementariteit

1.   Bij de uitvoering toegepast van deze verordening worden consistentie , samenhang , synergieën en complementariteit met andere alle gebieden van het externe optreden van de Unie gewaarborgd, met inbegrip van andere externe financieringsinstrumenten, in het bijzonder de IPA III-verordening, alsook de in het kader van hoofdstuk II van titel V, VEU, en het vijfde deel van het VWEU, vastgestelde maatregelen, en met andere relevante beleidslijnen en programma's van de Unie gewaarborgd, evenals de beleidscoherentie voor ontwikkeling. De Unie houdt bij de toepassing van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking. [Am. 96]

1 bis.     De Unie en de lidstaten coördineren hun respectieve steunprogramma's teneinde de uitvoering daarvan doeltreffender en doelmatiger te maken en overlapping bij de financiering te voorkomen. [Am. 97]

1 ter.     Bij de toepassing van deze verordening houden de Commissie en de EDEO rekening met de standpunten van het Europees Parlement. [Am. 98]

2.   Acties die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad vallen, worden niet op grond van deze verordening gefinancierd.

3.   Waar passend kunnen ook andere programma's van de Unie bijdragen tot maatregelen in het kader van deze verordening, op voorwaarde dat die bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Waar passend kan deze verordening ook bijdragen tot maatregelen in het kader van andere programma's van de Unie, op voorwaarde dat die bijdragen niet dezelfde kosten dekken. In dergelijke gevallen wordt in het desbetreffende werkprogramma bepaald welk pakket regels van toepassing is.

Artikel 6

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering toepassing van deze verordening voor de periode 2021-2027 bedragen 89 200 000  82 451 miljoen EUR in prijzen van 2018 (93 154 miljoen  EUR in lopende prijzen ) [100 %] . [Am. 99]

2.   Het in lid 1 genoemde bedrag wordt als volgt toegewezen:

a)

68 000 63 687  miljoen EUR in prijzen van 2018 (71 954 miljoen EUR in lopende prijzen) [77,24 %] voor geografische programma'sa's: [Am. 100]

nabuurschapsbeleid: ten minste 22 000 20 572  miljoen EUR in prijzen van 2018 (23 243 miljoen EUR in lopende prijzen) [24,95 %] ; [Am. 101]

Afrika ten zuiden van de Sahara: ten minste 32 000 30 723  miljoen EUR in prijzen van 2018 (34 711 miljoen EUR in lopende prijzen) [37,26 %] ; [Am. 102]

Azië en Stille Oceaan: 8 851 miljoen EUR in prijzen van 2018 ( 10 000 miljoen EUR in lopende prijzen) [10,73 %], waarvan ten minste 620 miljoen EUR in prijzen van 2018 (700 miljoen EUR in lopende prijzen) voor de Stille Oceaan ; [Am. 103]

Amerika en Caribisch gebied: 3 540 miljoen EUR in prijzen van 2018 ( 4 000 miljoen EUR in lopende prijzen) [4,29 %], waarvan 1 062 miljoen EUR in prijzen van 2018 (1 200 miljoen EUR in lopende prijzen) voor het Caribisch gebied ; [Am. 104]

b)

7 000 9 471  miljoen EUR in prijzen van 2018 (10 700 miljoen EUR in lopende prijzen) [11,49 %] voor thematische programma's: [Am. 105]

mensenrechten en democratie: ten minste 1 500 1 770  miljoen EUR in prijzen van 2018 (2 000 miljoen EUR in lopende prijzen) [2,15 %], waarbij maximaal 25 % van het programma wordt besteed aan de financiering van EU-verkiezingswaarnemingsmissies ; [Am. 106]

maatschappelijk middenveld maatschappelijke organisaties en lokale overheden : 1 500 2 390  miljoen EUR in prijzen van 2018 (2 700 miljoen EUR in lopende prijzen) [2 , 90 %], waarvan 1 947 miljoen EUR in prijzen van 2018 (2 200 miljoen EUR in lopende prijzen) [2,36 %] voor maatschappelijke organisaties en 443 miljoen EUR in prijzen van 2018 (500 miljoen EUR in lopende prijzen) [0,54 %] voor lokale overheden ; [Am. 107]

stabiliteit en vrede: 885 miljoen EUR in prijzen van 2018 ( 1 000 miljoen EUR in lopende prijzen) [1,07 %] ; [Am. 108]

mondiale uitdagingen: 3 000 3 983 miljoen EUR in prijzen van 2018 (4 500  miljoen EUR in lopende prijzen) [4,83 %] ; [Am. 109]

behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid: 443 miljoen EUR in prijzen van 2018 (500 miljoen EUR in lopende prijzen) [0,54 %]; [Am. 110]

c)

4 000 3 098 miljoen EUR in prijzen van 2018 (3 500  miljoen EUR in lopende prijzen) [3,76 %] voor acties voor snelle respons.:

stabiliteit en conflictpreventie in noodsituaties, dreigende crisis-, crisis- en postcrisissituaties: 1 770 miljoen EUR in prijzen van 2018 (2 000 miljoen EUR in lopende prijzen) [2,15 %];

vergroting van de weerbaarheid van staten, samenlevingen, gemeenschappen en personen en de koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingsactie: 1 328 miljoen EUR in prijzen van 2018 (1 500 miljoen EUR in lopende prijzen) [1,61 %]. [Am. 111]

3.   De in lid 2 genoemde bedragen worden overeenkomstig artikel 15 aangevuld met de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten van 10 200 6 196 miljoen EUR in prijzen van 2018 (7 000  miljoen EUR in lopende prijzen) [7,51 %] . [Am. 112]

4.   De in lid 2, onder a), genoemde bedragen stemmen overeen met ten minste 75 % van het in lid 1 genoemde bedrag.

4 bis.     De in artikel 9 bedoelde acties worden gefinancierd tot een bedrag van 270 miljoen EUR. [Am. 113]

4 ter.     De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader toegestaan tijdens de begrotingsprocedure, nadat de instellingen overeenstemming hebben bereikt over de prioriteiten. [Am. 114]

Artikel 7

Beleidskader

De associatieovereenkomsten, partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, multilaterale overeenkomsten handelsovereenkomsten en andere overeenkomsten die een juridisch bindende relatie met de partnerlanden vaststellen, de aanbevelingen en handelingen die zijn vastgesteld door de krachtens deze overeenkomsten opgerichte organen, alsmede relevante multilaterale overeenkomsten, wetgevingshandelingen van de Unie, conclusies van de Europese Raad, conclusies van de Raad, en verklaringen van topontmoetingen of en andere internationale verklaringen en conclusies van bijeenkomsten op hoog niveau met partnerlanden, de desbetreffende resoluties en standpunten van het Europees Parlement, mededelingen van de Commissie of de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de verdragen en resoluties van de Verenigde Naties, vormen het algemene beleidskader voor de uitvoering toepassing van deze verordening. [Am. 115]

Artikel 8

Algemene beginselen

1.   De Unie bevordert, ontwikkelt en bestendigt door middel van dialoog en samenwerking met de partnerlanden en -regio's, door haar optreden in de Verenigde Naties en andere internationale fora en door samenwerking met het maatschappelijk middenveld, lokale autoriteiten en particuliere spelers de beginselen waarop zij is gegrondvest, namelijk de democratie, de rechtsstaat , goed bestuur, en de eerbiediging universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, door middel de eerbiediging van dialoog de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en samenwerking met solidariteit en de naleving van de partnerlanden beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en -regio's het internationaal recht. De financiering uit hoofde van deze verordening is in overeenstemming met deze beginselen en met de verplichtingen van de Unie krachtens het internationaal recht . [Am. 116]

1 bis.     Overeenkomstig de artikelen 2 en 21 VEU is de bijdrage van de Unie tot de democratie en de rechtsstaat en de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal humanitair recht. [Am. 117]

2.   Een op rechten gebaseerde aanpak die alle mensenrechten — zowel burgerrechten als politieke of economische, sociale en culturele rechten — omvat, wordt toegepast om de beginselen van de mensenrechten te integreren in de uitvoering, de rechthebbenden bij het doen gelden van hun rechten te ondersteunen, waarbij met name aandacht wordt besteed aan armere gemarginaliseerde en meer kwetsbare groepen, waaronder minderheden, vrouwen, kinderen en jongeren, ouderen, inheemse volkeren, LGBTI's en mensen met een handicap, en de partnerlanden bij te staan bij het nakomen van hun internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten. Deze verordening bevordert gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen , jongeren en kinderen, inclusief met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten . [Am. 118]

3.   De Unie ondersteunt onder meer de uitvoering van bilaterale, regionale en multilaterale samenwerking en dialoog, partnerschapsovereenkomsten en driehoekssamenwerking.

De Unie bevordert een multilaterale, op regels en waarden gebaseerde benadering van mondiale collectieve publieke goederen en uitdagingen en werkt hiertoe samen met de lidstaten, partnerlanden, internationale organisaties , met inbegrip van internationale financiële instellingen en VN-agentschappen, -fondsen en -programma's, en andere donoren. [Am. 119]

De Unie bevordert de samenwerking met internationale en regionale organisaties en andere donoren. [Am. 120]

Voorts wordt in de betrekkingen met de partnerlanden rekening gehouden met hun resultaten bij de uitvoering van hun verbintenissen, internationale overeenkomsten , in het bijzonder de Overeenkomst van Parijs, en contractuele betrekkingen met de Unie , in het bijzonder associatieovereenkomsten, partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en handelsovereenkomsten . [Am. 121]

4.   De samenwerking tussen de Unie en de lidstaten, enerzijds, en de partnerlanden, anderzijds, wordt gebaseerd op en bevordert de beginselen van doeltreffendheid van ontwikkeling, waar van toepassing ongeacht de samenwerkingsvorm , zoals eigen verantwoordelijkheid van partnerlanden voor de ontwikkelingsprioriteiten, resultaatgerichtheid, inclusieve partnerschappen, transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht. transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht , alsmede aanpassing aan de prioriteiten van de partnerlanden . De Unie bevordert doeltreffende en efficiënte mobilisering en benutting van middelen. [Am. 122]

In overeenstemming met het beginsel van inclusief partnerschap zorgt de Commissie er in voorkomend geval voor dat de relevante belanghebbenden van de partnerlanden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en lokale overheden, terdege worden geraadpleegd en op tijd toegang hebben tot relevante informatie, zodat zij een zinvolle rol kunnen spelen bij de opzet, uitvoering toepassing en daarmee verband houdende monitoring van programma's. [Am. 123]

In overeenstemming met het beginsel van eigen inbreng geeft de Commissie, waar passend, de voorkeur aan systemen van de partnerlanden voor de uitvoering toepassing van programma's. [Am. 124]

5.   Om de complementariteit en de doeltreffendheid van hun optreden te bevorderen, coördineren de Unie en de lidstaten hun beleid en plegen zij overleg over hun steunprogramma's, ook in internationale organisaties en tijdens internationale conferenties.

6.   In programma's en acties in het kader van deze verordening worden klimaatverandering, milieubescherming overeenkomstig artikel 11 VWEU, rampenrisicovermindering en -paraatheid, menselijke ontwikkeling, conflictpreventie en vredesopbouw, gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, jongeren en kinderen, non-discriminatie, onderwijs en cultuur, en digitalisering als horizontale thema's geïntegreerd en wordt rekening gehouden met de onderlinge verbanden tussen de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, ter bevordering van geïntegreerde maatregelen die wederzijdse voordelen kunnen opleveren en waarmee meerdere doelstellingen op coherente wijze kunnen worden verwezenlijkt. Deze programma's en acties worden gebaseerd op een analyse van capaciteiten, risico's en zwakke punten en in de opzet worden weerbaarheid en conflictbewustzijn geïntegreerd op basis van een mens- en gemeenschapsgerichte benadering . Het leidende beginsel is dat niemand aan zijn lot mag worden overlaten overgelaten en dat geen schade mag worden berokkend . [Am. 125]

7.   Met Onverminderd de partners andere doelstellingen van het externe optreden van de Unie wordt met de partners een meer gecoördineerde, omvattende en gestructureerde aanpak van migratie ontwikkeld, waarvan de doeltreffendheid regelmatig wordt geëvalueerd , zonder aan de toewijzing van ontwikkelingshulp aan derde landen de voorwaarde te verbinden van samenwerking op het gebied van migratiebeheer, en met volledige eerbiediging van de mensenrechten, inclusief het recht van elk individu om zijn of haar land van herkomst te verlaten . [Am. 126]

7 bis.     De Commissie ziet erop toe dat de in het kader van deze verordening vastgestelde acties met betrekking tot veiligheid, stabiliteit en vrede, met name ten aanzien van de capaciteitsopbouw van militaire actoren ter ondersteuning van ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling, de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad, alsook cyberveiligheid, worden uitgevoerd in overeenstemming met het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal humanitair recht. De Commissie kan samen met de begunstigde partners stappenplannen ontwikkelen om de institutionele en operationele naleving van normen inzake transparantie en mensenrechten door militaire actoren te verbeteren. De Commissie houdt nauwlettend toezicht op, evalueert en brengt verslag uit over de uitvoering van deze acties voor elke doelstelling overeenkomstig artikel 31 teneinde de naleving van de mensenrechtenverplichtingen te waarborgen. Voor deze acties hanteert de Commissie een conflictgevoelige benadering, inclusief een rigoureuze en systematische ex-anteconflictanalyse, met volledige integratie van genderanalyse, naast de bepalingen inzake risicobeheer in artikel 8, lid 8, onder b). In overeenstemming met artikel 34 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening door een operationeel kader in te richten op basis van de bestaande richtsnoeren, om te waarborgen dat bij de ontwikkeling en toepassing van de in dit artikel bedoelde maatregelen rekening wordt gehouden met de mensenrechten, met name op het vlak van de voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en van de eerbiediging van een deugdelijke procesvoering, zoals het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging. [Am. 127]

8.   De Commissie verstrekt regelmatig informatie aan en overlegt voert regelmatig zinvolle beleidsdialogen met het Europees Parlement, op eigen initiatief en op verzoek van het Parlement. [Am. 128]

8 bis.     De Commissie wisselt regelmatig informatie uit met het maatschappelijk middenveld en de lokale overheden. [Am. 129]

8 ter.     De Commissie stelt overeenkomstig artikel 34 een gedelegeerde handeling vast om deze verordening aan te vullen door de vaststelling van een passend kader voor risicobeheer, met inbegrip van een beoordeling en risicobeperkende maatregelen voor elke doelstelling van de verordening. [Am. 130]

8 quater.     Transparantie en verantwoording, met een sterke nadruk op verslaglegging en controle, vormen de grondslag voor het gehele instrument. Dit omvat een transparant controlesysteem, inclusief verstrekking van informatie over de ontvangers van middelen en de tijdige uitvoering van betalingen. [Am. 131]

Artikel 9

Capaciteitsopbouw van militaire actoren ter ondersteuning van ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling

1.   Krachtens artikel 41, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie mag de De financiële bijstand van de Unie op grond van deze verordening mag niet worden gebruikt ter financiering van de aanschaf van wapens of munitie of van operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied. Alle apparatuur, diensten of technologie die in het kader van deze verordening worden geleverd, worden onderworpen aan strenge controles op overdracht overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, de verordening producten voor tweeërlei gebruik en alle andere toepasselijke beperkende maatregelen van de Unie. Overeenkomstig Verordening (EU) …/… [EU-verordening inzake de handel in goederen die gebruikt kunnen worden voor de doodstraf en foltering] mag deze verordening niet worden gebruikt om de levering te financieren van materiaal dat gebruikt kan worden voor foltering, mishandeling of andere schendingen van de mensenrechten. [Am. 132]

2.   Om duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen zijn stabiele, vreedzame en inclusieve samenlevingen vereist; daarom kan de bijstand van de Unie in het kader van deze verordening in de in lid 4 beschreven uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt in de context van een bredere hervorming van de veiligheidssector of voor capaciteitsopbouw van militaire actoren in partnerlanden, om ontwikkelingsactiviteiten te kunnen uitvoeren en de nodige veiligheid daarvoor te creëren overeenkomstig de overkoepelende doelstelling van duurzame ontwikkeling . [Am. 133]

3.   De bijstand in het kader van dit artikel kan met name betrekking hebben op programma's voor capaciteitsopbouw ter ondersteuning van ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling, waaronder opleiding, begeleiding en advies, alsmede levering van uitrusting, verbetering van infrastructuur en rechtstreeks met deze bijstand verband houdende diensten.

4.   Bijstand in het kader van dit artikel wordt alleen verstrekt:

a)

wanneer niet aan de vereisten kan worden voldaan door een beroep te doen op niet-militaire actoren om de doelstellingen van de Unie in het kader van deze verordening te bereiken en er sprake is van een bedreiging voor het functioneren van staatsinstellingen of voor de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en de staatsinstellingen er niet in slagen die bedreiging het hoofd te bieden; en

b)

wanneer er tussen het betrokken partnerland en de Unie een consensus is dat militaire actoren van cruciaal belang zijn voor het behouden, scheppen of herstellen van de voorwaarden die essentieel zijn voor duurzame ontwikkeling, bijvoorbeeld in crises en in contexten en situaties die worden gekenmerkt door fragiliteit of destabiliseringwanneer er tussen het betrokken partnerland en de Unie een consensus is dat militaire actoren van cruciaal belang zijn voor het behouden, scheppen of herstellen van de voorwaarden die essentieel zijn voor duurzame ontwikkeling, bijvoorbeeld in crises en in contexten en situaties die worden gekenmerkt door fragiliteit of destabilisering , en die militaire actoren niet betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten of een bedreiging vormen voor het functioneren van overheidsinstellingen . [Am. 134]

5.   De bijstand van de Unie in het kader van dit artikel mag niet worden gebruikt voor de financiering van capaciteitsopbouw van militaire actoren voor andere doeleinden dan activiteiten in verband met ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling. Deze bijstand mag met name niet worden gebruikt voor de financiering van:

a)

periodieke defensie-uitgaven;

b)

de aankoop van wapens en munitie of andere uitrusting die is ontworpen om te doden;

c)

opleiding die is bedoeld om specifiek de gevechtscapaciteit van de strijdkrachten te vergroten.

6.   Bij het opzetten en uitvoeren toepassen van maatregelen in het kader van dit artikel bevordert de Commissie de zeggenschap van het partnerland. De Commissie ontwikkelt ook de noodzakelijke elementen en goede praktijken voor duurzaamheid en aflegging van verantwoording op middellange en lange termijn en bevordert de rechtsstaat en de gevestigde beginselen van internationaal recht. De Commissie zorgt ervoor dat deze maatregelen directe voordelen op het gebied van menselijke veiligheid opleveren voor de bevolking, geïntegreerd zijn in een breder beleid voor de hervorming van de veiligheidssector met krachtige democratische en parlementaire toezichts- en verantwoordingselementen, onder meer in de vorm van een betere dienstverlening op het gebied van beveiliging, en dat zij aansluiten bij vredes- en ontwikkelingsstrategieën voor de lange termijn die zijn ontworpen om de onderliggende oorzaken van het conflict aan te pakken. De Commissie ziet er verder op toe dat acties die gericht zijn op het hervormen van strijdkrachten, ertoe bijdragen dat deze transparanter zijn, meer verantwoording afleggen en beter de mensenrechten eerbiedigen van de personen die onder hun gezag vallen. Voor maatregelen die gericht zijn op het leveren van materiaal aan de strijdkrachten van partnerlanden licht de Commissie per maatregel toe welk soort materiaal zal worden geleverd. De Commissie past de bepalingen van artikel 8, lid 8 ter (nieuw), toe om ervoor te zorgen dat dit materiaal alleen door de beoogde begunstigden zal worden gebruikt . [Am. 135]

7.   De Commissie draagt zorg voor passende risicobeoordelings-, toezichts- en evaluatieprocedures met betrekking tot de maatregelen in het kader van dit artikel voert in het kader van de evaluatie als bedoeld in artikel 32, en meer in het bijzonder met het oog op een tussentijdse evaluatie, gezamenlijke evaluaties met de lidstaten uit. De resultaten worden meegenomen in het ontwerp van de programma's en de toewijzing van middelen, en maken het externe optreden van de Unie nog samenhangender en meer complementair . [Am. 136]

TITEL II

TENUITVOERLEGGING TOEPASSING VAN DEZE VERORDENING [Am. 137]

Hoofdstuk I

Programmering

Artikel 9 bis

Toepassingsgebied van de geografische programma's

1.     De samenwerkingsactiviteiten van de Unie uit hoofde van dit artikel worden door middel van lokale, nationale, regionale, transregionale en continentale activiteiten uitgevoerd.

2.     Ter verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen worden de geografische programma's opgesteld voor de volgende samenwerkingsgebieden:

a)

goed bestuur, democratie, de rechtsstaat, mensenrechten, fundamentele vrijheden en het maatschappelijk middenveld;

b)

uitbanning van armoede, terugdringing van ongelijkheid en menselijke ontwikkeling;

c)

migratie en mobiliteit;

d)

milieu en klimaatverandering;

e)

inclusieve en duurzame economische groei en waardig werk;

f)

veiligheid, stabiliteit en vrede;

g)

partnerschap.

3.     Nadere gegevens over de in lid 2 bedoelde samenwerkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage II. [Am. 138]

Artikel 9 ter

Toepassingsgebied van de thematische programma's

1.     De thematische programma's bestrijken de volgende actiegebieden:

a)

mensenrechten, fundamentele vrijheden en democratie:

beschermen en bevorderen van de mensenrechten en mensenrechtenactivisten in landen en noodsituaties waar de mensenrechten en fundamentele vrijheden het meest worden bedreigd, onder meer door op flexibele en alomvattende wijze in dringende behoeften aan bescherming van mensenrechtenactivisten te voorzien,

eerbiedigen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden voor allen, bijdragen aan de totstandbrenging van samenlevingen waarin participatie, non-discriminatie, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en verantwoordingsplicht prevaleren,

consolideren en ondersteunen van de democratie, met aandacht voor alle aspecten van democratisch bestuur, waaronder het versterken van het democratisch pluralisme en de participatie van burgers, inclusief door de ondersteuning van burgerorganisaties voor verkiezingswaarneming en hun regionale netwerken wereldwijd, het creëren van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld en het ondersteunen van een geloofwaardig, inclusief en transparant electoraal proces gedurende de gehele verkiezingscyclus, met name door middel van de EU-verkiezingswaarnemingsmissies (EU EOM's),

bevorderen van effectief multilateralisme en strategische partnerschappen om bij te dragen aan de versterking van de capaciteit van internationale, regionale en nationale kaders en om lokale actoren meer slagkracht te bezorgen om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te bevorderen en te beschermen,

bevorderen van nieuwe regio-overschrijdende synergieën en netwerkactiviteiten tussen organisaties van het lokale maatschappelijk middenveld en tussen het maatschappelijk middenveld en andere organen en -instanties op het gebied van de mensenrechten, om de uitwisseling van beste praktijken inzake mensenrechten en democratie te maximaliseren en een positieve dynamiek tot stand te brengen;

b)

maatschappelijke organisaties en lokale overheden:

ondersteunen van een inclusief, participerend, slagkrachtig en onafhankelijk maatschappelijk middenveld in de partnerlanden,

bevorderen van de dialoog met en tussen maatschappelijke organisaties,

steun verlenen aan de capaciteitsopbouw van lokale overheden en hun deskundigheid inzetten om een territoriale aanpak voor ontwikkeling te bevorderen,

verhogen van de bewustwording, kennis en betrokkenheid van de burgers van de Unie ten aanzien van de in artikel 3 van deze verordening genoemde doelstellingen,

ondersteunen van de deelname van het maatschappelijk middenveld aan belangenbehartiging bij de totstandkoming van openbaar beleid en aan overleg met overheden en internationale instellingen,

ondersteunen van maatschappelijke organisaties bij de bewustmaking van consumenten en burgers met betrekking tot milieuvriendelijke en op eerlijke handel gebaseerde productie en consumptie, om hen te stimuleren duurzamer keuzes te maken;

c)

stabiliteit en vrede:

bijstand voor conflictpreventie, vredesopbouw en crisisparaatheid,

bijstand voor het aanpakken van mondiale en transregionale dreigingen en opkomende dreigingen;

d)

mondiale uitdagingen:

gezondheid,

onderwijs,

gendergelijkheid,

kinderen en jongeren,

migratie en gedwongen ontheemding,

waardig werk, sociale bescherming en ongelijkheid,

cultuur,

waarborgen van een gezond milieu en aanpak van de klimaatverandering,

duurzame energie,

duurzame en inclusieve groei, waardig werk en betrokkenheid van de particuliere sector,

voedselvoorziening,

bevordering van inclusieve samenlevingen, goed economisch bestuur en een transparant beheer van overheidsmiddelen,

toegang tot veilig drinkwater, sanitaire voorzieningen en hygiëne;

e)

behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid:

ondersteunen van de bilaterale, regionale en interregionale samenwerkingsstrategieën van de Unie, bevorderen van beleidsdialogen en ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang,

ondersteunen van het handelsbeleid van de Unie,

bijdragen tot de uitvoering van de internationale dimensie van het interne beleid van de Unie en bevorderen van het algemene inzicht in en de algemene zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel;

2.     Nadere gegevens over de in lid 1 bedoelde samenwerkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage III. [Am. 139]

Artikel 10

Algemene benadering van de programmering

1.   Samenwerking en acties in het kader van deze verordening worden geprogrammeerd, behalve voor acties voor snelle respons als bedoeld in artikel 4, lid 4.

2.   Op basis van artikel 7 geschiedt de programmering in het kader van deze verordening op basis van het volgende:

a)

programmeringsdocumenten bieden een samenhangend kader voor de samenwerking tussen de Unie en de betrokken partnerlanden of partnerregio's, in overeenstemming met het overkoepelende doel en toepassingsgebied, en met de doelstellingen en beginselen die in deze verordening zijn uiteengezet , op basis van de strategie van de Unie voor een partnerland of -regio of op basis van de thematische strategieën van de Unie ; [Am. 140]

b)

de Unie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van en gedurende het gehele programmeringsproces overleg ter bevordering van de samenhang, complementariteit en consistentie van hun samenwerkingsactiviteiten. Gezamenlijke programmering heeft de voorkeur voor landenprogrammering. Gezamenlijke programmering staat open voor andere donoren, indien relevant;

c)

de Unie raadpleegt ook stimuleert in een vroeg stadium en gedurende het hele programmeringsproces een regelmatige, tussen de diverse belanghebbenden gevoerde, inclusieve dialoog met andere donoren en actoren, zowel van binnen als van buiten de Unie, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en lokale autoriteiten, indien relevant en particuliere en politieke stichtingen. Het Europees Parlement wordt in kennis worden gesteld van de resultaten van deze raadplegingen. [Am. 141]

d)

thematische programma's inzake mensenrechten, democratie en , het maatschappelijk middenveld en lokale overheden, en stabiliteit en vrede als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder a), b) en b c ), zijn niet afhankelijk van de toestemming van de regeringen en andere overheidsorganen van de betrokken derde landen. Met deze de thematische programma's inzake mensenrechten, democratie, het maatschappelijk middenveld en lokale overheden wordt voornamelijk steun verleend voor het maatschappelijk middenveld , met inbegrip van mensenrechtenactivisten en journalisten die onder druk staan . [Am. 142]

Artikel 11

Programmeringsbeginselen voor geografische programma's [Am. 143]

-1.     Bij de programmering in het kader van deze verordening wordt terdege rekening gehouden met de mensenrechten, fundamentele vrijheden, goed bestuur en democratie in de partnerlanden. [Am. 144]

-1 bis.     De voorbereiding, toepassing en evaluatie van alle programmeringsdocumenten uit hoofde van dit artikel is in overeenstemming met de beginselen inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en de beginselen inzake de doeltreffendheid van hulp. [Am. 145]

-1 ter.     De geografische en thematische programma's vullen elkaar aan en zijn met elkaar in overeenstemming en zij leveren toegevoegde waarde op. [Am. 146]

1.   De programmering van de geografische programma's wordt gebaseerd op de volgende beginselen:

a)

onverminderd lid 4 worden acties zoveel mogelijk gebaseerd op een inclusieve dialoog tussen de instellingen van de Unie, de lidstaten en de betrokken partnerlanden, met inbegrip van nationale , lokale en lokale regionale autoriteiten, organisaties van het maatschappelijk middenveld, regionale, nationale en lokale parlementen , gemeenschappen en andere belanghebbenden, om de democratische betrokkenheid bij het proces te vergroten en om steun voor nationale en regionale strategieën aan te moedigen; [Am. 147]

b)

indien van toepassing, waar mogelijk wordt de programmeringsperiode afgestemd op de strategische cycli van de partnerlanden; [Am. 148]

c)

samenwerkingsactiviteiten kunnen worden gefinancierd uit verschillende toewijzingen als vermeld in artikel 6, lid 2, en uit andere programma's van de Unie volgens hun basisbesluiten.

2.   De Onverminderd lid 1 biedt de programmering van de geografische programma's biedt een specifiek kader op maat voor samenwerking op basis van: [Am. 149]

a)

de behoeften van de partners, vastgesteld op basis van specifieke criteria en een grondige analyse , waarbij rekening wordt gehouden met de bevolking, armoede, ongelijkheid, menselijke ontwikkeling, de situatie op het gebied van mensenrechten, fundamentele vrijheden, democratie en gendergelijkheid, ruimte voor maatschappelijke organisaties, economische en ecologische kwetsbaarheid en weerbaarheid van de staat en de maatschappij; [Am. 150]

b)

de capaciteit van de partners om financiële binnenlandse middelen aan te mobiliseren trekken en doeltreffend in te gebruiken en zetten ter ondersteuning van nationale ontwikkelingsdoelstellingen, alsook hun absorptievermogen; [Am. 151]

c)

de verbintenissen van de partners , met inbegrip van de verbintenissen die gezamenlijk met de Unie zijn aangegaan, en hun prestaties inspanningen , vastgesteld op basis van criteria zoals politieke hervorming , vooruitgang op het gebied van de rechtsstaat, goed bestuur, mensenrechten en de bestrijding van corruptie, economische en sociale ontwikkeling , ecologische duurzaamheid en het doeltreffende gebruik van hulp ; [Am. 152]

d)

het potentiële effect van de financiering van de Unie in partnerlanden en partnerregio's;

e)

de capaciteit en de inzet van de partners voor de bevordering van gemeenschappelijke belangen waarden, beginselen en waarden fundamentele belangen , en voor de ondersteuning van gemeenschappelijke doelstellingen en multilaterale allianties, alsmede de bevordering van EU-prioriteiten. [Am. 153]

3.   De meest behoeftige landen, met name de minst ontwikkelde landen, lage-inkomenslanden en landen in crisis-, postcrisis- of fragiele en kwetsbare situaties, met inbegrip van kleine insulaire ontwikkelingslanden, krijgen prioriteit bij de toewijzing van middelen.

4.   De samenwerking met geïndustrialiseerde landen moet zich richten op het bevorderen van de belangen van de Unie en wederzijdse belangen , en van gezamenlijke fundamentele belangen en waarden, gemeenschappelijk overeengekomen doelstellingen en multilaterale betrekkingen. Deze samenwerking is in voorkomend geval gebaseerd op een dialoog tussen de Unie, met inbegrip van het Europees Parlement, en de lidstaten, met betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld . [Am. 154]

5.   De programmeringsdocumenten voor geografische programma's zijn resultaatgericht en houden in voorkomend geval rekening met internationaal overeengekomen streefdoelen en indicatoren, in het bijzonder de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, alsook kaders op nationaal niveau, voor het beoordelen en rapporteren van de Unie-bijdrage aan de resultaten op het niveau van de outputs, resultaten en impact bevatten indien mogelijk duidelijke streefdoelen en indicatoren om de voortgang en effecten van de bijstand van de Unie te meten. De indicatoren kunnen in voorkomend geval gebaseerd zijn op internationaal overeengekomen normen, in het bijzonder de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, alsook kaders op nationaal niveau . [Am. 155]

6.   Bij het opstellen van de programmeringsdocumenten voor landen en regio's in crisis-, postcrisis-, fragiele en kwetsbare situaties wordt terdege rekening gehouden met de speciale behoeften en omstandigheden van de betrokken landen of regio's , alsook met hun kwetsbaarheden, risico's en capaciteiten met het oog op het vergroten van hun weerbaarheid. Tevens dient aandacht te worden besteed aan conflictpreventie, staats- en vredesopbouw, verzoening en wederopbouw na een conflict en rampenparaatheid, alsmede aan de rol van vrouwen en de rechten van kinderen in deze processen. Er wordt een op de mensenrechten gebaseerde en op mensen gerichte aanpak toegepast .

Ten aanzien van partnerlanden of -regio's die rechtstreeks betrokken zijn bij of de gevolgen ondervinden van een crisis-, postcrisis- of kwetsbare situatie, wordt bijzondere nadruk gelegd op versterking van de coördinatie tussen alle relevante actoren teneinde het voorkomen van geweld en de overgang van noodsituatie naar ontwikkelingsfase te faciliteren. [Am. 156]

7.   Deze verordening draagt op basis van de uit hoofde van artikel 4, lid 2, van deze verordening ingestelde programma's bij aan acties in het kader van de Erasmusverordening. Er moet een indicatief bedrag van 2 000 miljoen EUR uit de geografische programma's worden toegewezen aan acties die gericht zijn op mobiliteit, samenwerking en politieke dialoog met autoriteiten, instellingen en organisaties in de partnerlanden. Op basis van deze verordening wordt een enkelvoudig programmeringsdocument opgesteld voor een periode van zeven jaar, waarbij ook middelen uit de IPA III-verordening worden betrokken. Op het gebruik van deze middelen is de Erasmusverordening van toepassing , waarbij de naleving van de IPA III-verordening wordt gewaarborgd . [Am. 157]

7 bis.     Deze verordening draagt bij aan acties in het kader van de Creatief Europa-verordening. Op basis van deze verordening wordt een enkelvoudig programmeringsdocument opgesteld voor een periode van zeven jaar, waarbij ook middelen uit de IPA III-verordening worden betrokken. Op het gebruik van deze middelen is de Creatief Europa-verordening van toepassing. [Am. 158]

Artikel 12

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's

-1.     De Commissie is bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 34 ter aanvulling van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door kaders vast te stellen voor ieder specifiek meerjarig landenprogramma en meerlandenprogramma. Met die kaderbepalingen worden:

a)

de prioritaire gebieden als bedoeld in de artikelen 9 bis en 15 ter nader bepaald;

b)

de specifieke gedetailleerde en meetbare doelstellingen van elk programma vastgelegd;

c)

de verwachte resultaten vastgesteld, met meetbare streefdoelen en duidelijke en specifieke prestatie-indicatoren, gekoppeld aan de doelstellingen;

d)

de indicatieve financiële toewijzing vastgesteld, zowel in haar geheel als per prioriteitsgebied;

e)

de samenwerkingsvormen vastgelegd, met inbegrip van de bijdragen aan de garantie voor extern optreden. [Am. 159]

1.   Deze verordening wordt voor geografische programma's ten uitvoer gelegd door middel van meerjarige indicatieve landenprogramma's en meerlandenprogramma's. [Am. 160]

2.   In meerjarige indicatieve programma's worden de prioritaire terreinen beschreven die voor financiering van de Unie in aanmerking komen, alsmede de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke en specifieke prestatie-indicatoren en de indicatieve financiële toewijzing, zowel in totaal als per prioritair terrein. [Am. 161]

3.   De meerjarige indicatieve programma's worden opgesteld op basis van: [Am. 62]

-a)

een verslag met een analyse overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de behoeften, capaciteiten, verbintenissen en prestaties van het partnerland of de partnerlanden in kwestie en de mogelijke effecten van financiering door de Unie, evenals een of meer van de onderstaande aspecten: [Am. 163]

a)

een nationale of regionale ontwikkelingsstrategie in de vorm van een ontwikkelingsplan of een soortgelijk document dat gebaseerd is op een zinvolle raadpleging van de lokale bevolking en het maatschappelijk middenveld en dat door de Commissie is aanvaard als basis voor het daarmee overeenstemmende meerjarig indicatief programma op het moment dat laatstgenoemd document wordt vastgesteld; [Am. 164]

b)

een kaderdocument document , waarin het beleid van de Unie ten aanzien van de betrokken partner of partners is neergelegd, met inbegrip van een gezamenlijk document tussen de Unie en de lidstaten; [Am. 165]

c)

een gezamenlijk document tussen de Unie en de betrokken partner of partners met gemeenschappelijke prioriteiten.

4.   Om het effect van collectieve samenwerking van de Unie te vergroten, worden de programmeringsdocumenten van de Unie en de lidstaten zoveel mogelijk vervangen door een gezamenlijk programmeringsdocument. Het meerjarige indicatieve programma van de Unie kan worden vervangen door een gezamenlijk programmeringsdocument op voorwaarde dat dit overeenkomstig een uit hoofde van artikel 14 vastgestelde handeling is goedgekeurd en in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11, de in lid 2 van dit artikel vermeld vermelde elementen bevat, en dat hierin de taakverdeling tussen de Unie en de lidstaten wordt vastgesteld. [Am. 166]

4 bis.     In de meerjarige programma's kan ten hoogste 5 % van het totaalbedrag worden gereserveerd voor middelen die niet worden toegewezen aan een prioriteitsgebied, een partnerland of een groep partnerlanden. Deze middelen worden toegewezen overeenkomstig artikel 21. [Am. 167]

Artikel 13

Programmeringsdocumenten voor thematische programma's

-1.     De Commissie is bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 34 ter aanvulling van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door kaders vast te stellen voor ieder specifiek meerjarig thematisch programma. Met die kaderbepalingen worden:

a)

de prioritaire gebieden als bedoeld in artikel 9 ter nader bepaald;

b)

de specifieke gedetailleerde en meetbare doelstellingen van elk programma vastgelegd;

c)

de verwachte resultaten vastgesteld, met meetbare streefdoelen en duidelijke en specifieke prestatie-indicatoren, gekoppeld aan de doelstellingen;

d)

de indicatieve financiële toewijzing vastgesteld, zowel in haar geheel als per prioriteitsgebied;

e)

de samenwerkingsvormen vastgelegd. [Am. 168]

1.   Deze verordening wordt voor thematische programma's ten uitvoer gelegd door middel van meerjarige indicatieve programma's. [Am. 169]

2.   In meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's wordt de strategie van de Unie beschreven, alsmede de prioritaire terreinen die voor financiering door de Unie in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke en specifieke prestatie-indicatoren, de internationale situatie en de activiteiten van de belangrijkste partners voor het betrokken thema. [Am. 170]

Indien van toepassing worden middelen en interventieprioriteiten voor deelname aan mondiale initiatieven vastgelegd.

De meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's vermelden de indicatieve financiële toewijzing, zowel in totaal, per samenwerkingsgebied als per prioriteit. Eventueel kan de indicatieve financiële toewijzing worden opgegeven in de vorm van een minimum- en een maximumbedrag. [Am. 171]

De in de artikelen 12 en 13 bedoelde kaderbepalingen zijn gebaseerd op een verslag waarin een analyse is opgenomen van de internationale situatie en de activiteiten van de belangrijkste partners met betrekking tot het betrokken thema en waarin de van het programma verwachte resultaten worden opgegeven. [Am. 172]

2 bis.     In de meerjarige programma's kan ten hoogste 5 % van het totaalbedrag worden gereserveerd voor middelen die niet worden toegewezen aan een prioriteitsgebied, een partnerland of een groep partnerlanden. Deze middelen worden toegewezen overeenkomstig artikel 21. [Am. 173]

Artikel 14

Vaststelling en wijziging van meerjarige indicatieve programma's [Am. 174]

1.   De in de artikelen 12 en 13 bedoelde meerjarige indicatieve programma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen Commissie is bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 34 ter aanvulling van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door kaders vast te stellen voor de in de artikelen 12 en 13 bedoelde meerjarige programma's . Deze uitvoeringshandelingen gedelegeerde handelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 35, lid 2, 34 bedoelde onderzoeksprocedure procedure . Deze procedure is tevens van toepassing op de in de leden 3, 4 en 5 van dit artikel bedoelde herzieningen die tot een significante inhoudelijke wijziging van het meerjarige indicatieve programma leiden. [Am. 175]

2.   Bij de vaststelling van gezamenlijke meerjarige programmeringsdocumenten als bedoeld in artikel 12, is het besluit van de Commissie de gedelegeerde handeling alleen van toepassing op de bijdrage van de Unie aan het gezamenlijke meerjarige programmeringsdocument. [Am. 176]

3.   De meerjarige indicatieve programma's voor geografische programma's kunnen zo nodig worden herzien met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging, met name bij materiële veranderingen in het in artikel 7 bedoelde beleidskader of in een crisis- of een postcrisissituatie. geografische en thematische programma's lopen uiterlijk op 30 juni 2025 af. De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2025 nieuwe meerjarige programma's vast op basis van de resultaten, bevindingen en conclusies van de in artikel 32 bedoelde tussentijdse evaluatie . [Am. 177]

4.   De meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's kunnen zo nodig worden herzien gewijzigd met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging toepassing , met name bij materiële veranderingen in het in artikel 7 bedoelde beleidskader. De meerjarenprogramma's worden gewijzigd in gevallen waar het gebruik van de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten een wijziging van de kaderbepalingen van het betrokken programma nodig maakt. [Am. 178]

5.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals bij crises of onmiddellijke bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, kan de Commissie de meerjarige indicatieve programma's als bedoeld in de artikelen 12 en 13 herzien door gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig de urgentieprocedure als bedoeld in artikel 35, lid 4 34 bis . [Am. 179]

Artikel 15

Buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten

1.   Het in artikel 6, lid 3, genoemde bedrag wordt onder meer gebruikt gebruikt in naar behoren gemotiveerde gevallen en in volledige complementariteit en samenhang met de in het kader van deze verordening vastgestelde handelingen, waarbij voorrang wordt gegeven aan de meest behoeftige landen : [Am. 180]

a)

om te zorgen voor een passende respons van de Unie bij onvoorziene omstandigheden behoeften die niet door de programma's en programmeringsdocumenten worden gedekt ; [Am. 181]

b)

om in te spelen op nieuwe behoeften of uitdagingen, bijvoorbeeld aan de buitengrenzen van de Unie of haar buurlanden of aan de grenzen van derde landen in verband met door de natuur of door de mens veroorzaakte crisis- en postcrisissituaties, of migratiedruk migratieverschijnselen, met name gedwongen ontheemding ; [Am. 182]

c)

om nieuwe door de Unie geleide of internationale initiatieven of prioriteiten te bevorderen of hierop te reageren . [Am. 183]

2.   Het gebruik van deze middelen wordt bepaald overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld in de artikelen 14 en 21.

Artikel 15 bis

Opschorting van steun

1.     Onverminderd de bepalingen inzake de opschorting van steun in overeenkomsten met partnerlanden en -regio's, is de Commissie, indien een partnerland aanhoudend verzuimt de beginselen van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, of de nucleaire veiligheidsnormen in acht te nemen, overeenkomstig artikel 34 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VII bis om een partnerland toe te voegen aan de lijst met partnerlanden waarvoor de bijstand van de Unie geheel of gedeeltelijk is opgeschort. In het geval van een gedeeltelijke opschorting wordt opgegeven voor welke programma's de opschorting geldt.

2.     Wanneer de Commissie van mening is dat de redenen voor opschorting van de steun niet langer van toepassing zijn, is zij bevoegd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage VII bis te wijzigen teneinde de steun van de Unie opnieuw in te stellen.

3.     In geval van gedeeltelijke opschorting wordt de steun van de Unie in de eerste plaats gebruikt om maatschappelijke organisaties en niet-overheidsactoren te steunen voor maatregelen die zijn gericht op de bevordering van mensenrechten en fundamentele vrijheden, en op de ondersteuning van democratiserings- en dialoogprocessen in partnerlanden

4.     De Commissie houdt bij haar besluitvorming naar behoren rekening met de relevante resoluties van het Europees Parlement. [Am. 184]

HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen voor het nabuurschap

Artikel 15 ter

Specifieke doelstellingen voor de nabuurschapsregio

1.     Overeenkomstig de artikelen 3 en 4 is de in het kader van deze verordening verleende steun van de Unie voor de nabuurschapsregio bestemd voor de volgende doelstellingen:

a)

zorgen voor meer politieke samenwerking en eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het Europese nabuurschapsbeleid door de Unie en de partnerlanden;

b)

ondersteunen van de tenuitvoerlegging van associatieovereenkomsten, of andere bestaande en toekomstige overeenkomsten, en gezamenlijk overeengekomen associatieagenda's en partnerschapsprioriteiten of gelijkwaardige documenten;

c)

versterken en consolideren van de democratie, staatsopbouw, goed bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten, en het bevorderen van een doeltreffender manier om hervormingen ten uitvoer te leggen op basis van wederzijds overeengekomen modellen;

d)

stabiliseren van het nabuurschap op politiek, economisch en veiligheidsgebied;

e)

versterken van de regionale samenwerking, met name in het kader van het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied, en van de samenwerking in het Europese nabuurschapsgebied als geheel, alsmede van de grensoverschrijdende samenwerking;

f)

stimuleren van vertrouwenscheppende maatregelen, goede relaties met naburige landen en andere maatregelen die bijdragen tot veiligheid in al haar vormen en tot de preventie en schikking van conflicten, met inbegrip van conflicten die al lang aanslepen, steun voor getroffen bevolkingsgroepen en wederopbouw, en eerbiediging van het multilateralisme en het internationaal recht;

g)

bevorderen van een intensiever partnerschap tussen de samenlevingen van de Unie en de partnerlanden, onder meer via een verbetering van de mobiliteit en van de persoonlijke contacten, met name in verband met culturele, onderwijs-, beroepsmatige en sportactiviteiten;

h)

intensiveren van de samenwerking met betrekking tot zowel reguliere als irreguliere migratie;

i)

verwezenlijken van geleidelijke integratie in de interne markt van de Unie en meer samenwerking binnen en tussen sectoren, onder andere door aanpassing aan de wet- en regelgeving van de Unie en andere relevante internationale normen, en betere markttoegang, onder meer door diepe en brede vrijhandelsruimten en daarmee verband houdende maatregelen voor institutionele opbouw en investeringen;

j)

ondersteunen van duurzame, inclusieve en voor de samenleving bevorderlijke economische en sociale ontwikkeling voor iedereen door werkgelegenheid te scheppen en de inzetbaarheid te bevorderen, met name voor jongeren;

k)

bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs door de samenwerking op het gebied van de continuïteit van de energievoorziening te intensiveren en door de doelstellingen inzake hernieuwbare energiebronnen, duurzame energie en energie-efficiëntie te bevorderen;

l)

stimuleren van de totstandbrenging van thematische kaders met buurlanden van partnerlanden uit het nabuurschap om gemeenschappelijke uitdagingen zoals migratie, energie, veiligheid en gezondheid aan te pakken. [Am. 185]

Artikel 16

Programmeringsdocumenten en toewijzingscriteria

1.   Voor de in bijlage I vermelde partnerlanden worden de prioritaire gebieden voor financiering van de Unie vooral geselecteerd uit de documenten als bedoeld in artikel 12, lid 3, onder c), in overeenstemming met de samenwerkingsgebieden voor de nabuurschapsregio die zijn opgenomen in bijlage II.

2.   In afwijking van artikel 11, lid 2, wordt de steun van de Unie in het kader van geografische programma's in de nabuurschapsregio gedifferentieerd qua vorm en omvang, rekening houdend met de volgende elementen van het partnerland:

a)

de behoeften, op basis van indicatoren zoals bevolking en ontwikkelingsgraad;

b)

de verbintenis tot en de vorderingen met wederzijds overeengekomen politieke, economische , ecologische en sociale hervormingsdoelstellingen; [Am. 186]

c)

de verbintenis tot en de vorderingen met de opbouw van een diepgewortelde en duurzame democratie , met inbegrip van de bevordering van de mensenrechten, goed bestuur, de handhaving van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie ; [Am. 187]

c bis)

gehechtheid aan multilateralisme; [Am. 188]

d)

het partnerschap met de Unie en de ambities met betrekking tot dat partnerschap;

e)

de absorptiecapaciteit en het potentiële effect van de in het kader van deze verordening verleende steun van de Unie.

3.   De in lid 2 bedoelde steun wordt verwerkt in de in artikel 12 bedoelde programmeringsdocumenten.

3 bis.     Steun van de Unie aan de in bijlage I vermelde partnerlanden wordt toegepast overeenkomstig het beginsel van medefinanciering als bedoeld in artikel 190 van het Financieel Reglement. [Am. 189]

Artikel 17

Op prestaties gebaseerde benadering

1.    Minstens 10 % van de in artikel 4 6 , lid 2, onder a)) , eerste streepje , genoemde financiële middelen ter aanvulling van de financiële toewijzingen per land, als bedoeld in artikel 12, wordt indicatief toegewezen aan de partnerlanden opgesomd in bijlage I met het oog op de uitvoering toepassing van de prestatiegebaseerde benadering. De toewijzingen op basis van prestaties worden vastgesteld op basis van hun vooruitgang in de richting van democratie, mensenrechten, rechtsstatelijkheid, goed bestuur, samenwerking inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie, economische governance en te tenuitvoerlegging van overeengekomen hervormingen. De vorderingen van de partnerlanden worden jaarlijks beoordeeld met de actieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder door middel van voortgangsverslagen per land waarin trends ten opzichte van de voorgaande jaren worden opgenomen . [Am. 190]

1 bis.     Over de toepassing van de op prestaties gebaseerde benadering uit hoofde van deze verordening wordt in het Europees Parlement en in de Raad regelmatig van gedachten gewisseld. [Am. 191]

2.   De op prestaties gebaseerde aanpak is niet van toepassing op steun voor het maatschappelijk middenveld en contacten tussen mensen, daaronder begrepen samenwerking tussen lokale autoriteiten, noch op steun ter verbetering van de mensenrechten of op crisisgerelateerde steunmaatregelen. In geval van ernstige of blijvende achteruitgang van de democratie, de mensenrechten of de rechtsstaat kan wordt de steun voor dergelijke acties worden in voorkomend geval verhoogd. [Am. 192]

2 bis.     De Commissie en de EDEO evalueren de op prestaties gebaseerde steun in geval van ernstige of blijvende achteruitgang van de democratie, de mensenrechten of de rechtsstaat. [Am. 193]

2 ter.     De Commissie stelt overeenkomstig artikel 34 een gedelegeerde handeling vast teneinde deze verordening aan te vullen door de vaststelling van het methodologische kader voor de prestatiegebaseerde benadering. [Am. 194]

Artikel 18

Grensoverschrijdende samenwerking

1.   Grensoverschrijdende samenwerking, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 3, heeft betrekking op samenwerking inzake aangrenzende landgrenzen land- en zeegrenzen , transnationale samenwerking binnen grotere transnationale gebieden, maritieme samenwerking rond zeegebieden, alsook interregionale samenwerking. Bij grensoverschrijdende samenwerking wordt gestreefd naar coherentie met de doelstellingen van bestaande en toekomstige macroregionale strategieën en regionale integratieprocessen . [Am. 195]

2.   De nabuurschapsregio draagt bij aan de in lid 1 bedoelde programma's voor grensoverschrijdende samenwerking die worden medegefinancierd door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in het kader van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad (47) (“de ETS-verordening”). Maximaal 4 % van de financiële middelen voor de nabuurschapsregio wordt indicatief toegewezen ter ondersteuning van die programma's.

3.   Bijdragen aan programma's voor grensoverschrijdende samenwerking worden vastgesteld en gebruikt overeenkomstig artikel 10, lid 3, van de ETS-verordening.

4.   Het medefinancieringspercentage van de Unie mag niet meer bedragen dan 90 % van de subsidiabele uitgaven van een grensoverschrijdend samenwerkingsprogramma. Voor technische bijstand bedraagt het medefinancieringspercentage 100 %.

5.   Voorfinanciering voor programma's voor grensoverschrijdende samenwerking wordt vastgesteld in het werkprogramma in overeenstemming met de behoeften van de deelnemende derde landen en gebieden, en mag het in artikel 49 van de ETS-verordening genoemde percentage overschrijden.

6.   Een meerjarig indicatief strategiedocument voor grensoverschrijdende samenwerking, dat de in artikel 12, lid 2, van deze verordening genoemde elementen moet bevatten, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de ETS-verordening.

7.   Indien programma's voor grensoverschrijdende samenwerking worden beëindigd overeenkomstig artikel 12 van de ETS-verordening, kan nabuurschapssteun voor het stopgezette programma die beschikbaar blijft, worden gebruikt voor de financiering van andere activiteiten in de nabuurschapsregio.

Hoofdstuk III

Actieplannen, maatregelen en uitvoeringsmethoden Uitvoering [Am. 196]

Artikel 19

Actieplannen en maatregelen

1.   De Commissie keurt jaarlijkse of meerjarige actieplannen of maatregelen goed. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van afzonderlijke maatregelen, bijzondere maatregelen, ondersteunende maatregelen of buitengewone steunmaatregelen. In de actieplannen en maatregelen worden voor elke actie de nagestreefde doelstellingen, de verwachte resultaten en hoofdactiviteiten, de uitvoeringsmethoden toepassingsmethoden , de begroting en eventuele bijbehorende ondersteunende uitgaven vermeld. [Am. 197]

2.   Actieplannen worden gebaseerd op programmeringsdocumenten, met uitzondering van de gevallen bedoeld in de leden 3 en 4.

Indien nodig kan een actie, vóór of na de vaststelling van actieplannen, als afzonderlijke maatregel worden vastgesteld. Afzonderlijke maatregelen worden gebaseerd op programmeringsdocumenten, met uitzondering van de in lid 3 bedoelde gevallen en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen.

In geval van onvoorziene behoeften of omstandigheden, en wanneer financiering uit passender bronnen niet mogelijk is, kan de Commissie bijzondere maatregelen vaststellen waarin die niet is voorzien in gebaseerd zijn op de programmeringsdocumenten. [Am. 198]

3.   Jaarlijkse of meerjarige actieplannen en afzonderlijke maatregelen kunnen worden gebruikt voor de uitvoering van acties voor snelle respons als bedoeld in artikel 4, lid 4, onder b), en c). [Am. 199]

4.   De Commissie kan buitengewone steunmaatregelen vaststellen voor acties voor snelle respons, als bedoeld in artikel 4, lid 4, onder a).

Een dergelijke buitengewone steunmaatregel kan een duur van maximaal 18 maanden hebben, die maximaal twee maal kan worden verlengd met een periode van in totaal maximaal zes maanden, tot een maximale duur van 30 maanden, wanneer de tenuitvoerlegging ervan stuit op objectieve, onvoorziene hindernissen, mits het aan de maatregel verbonden financiële bedrag niet hoger wordt. [Am. 200]

In geval van langdurige crises of conflicten kan de Commissie een tweede buitengewone steunmaatregel vaststellen voor de duur van maximaal 18 maanden. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen er verdere maatregelen worden genomen indien de continuïteit van het optreden van de Unie van essentieel belang is en niet door andere middelen kan worden verzekerd. [Am. 201]

4 bis.     Uit hoofde van artikel 19, leden 3 en 4, genomen maatregelen kunnen een duur van maximaal 18 maanden hebben, die tweemaal kan worden verlengd met een bijkomende periode van maximaal zes maanden, tot een totale maximale duur van 30 maanden, wanneer de tenuitvoerlegging ervan stuit op objectieve, onvoorziene hindernissen, mits het aan de maatregel verbonden financiële bedrag niet hoger wordt.

In geval van langdurige crises of conflicten kan de Commissie een tweede buitengewone steunmaatregel vaststellen voor de duur van maximaal 18 maanden. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen bijkomende maatregelen genomen worden indien de continuïteit van het in dit lid bedoelde optreden van de Unie van essentieel belang is en dit niet door andere middelen kan worden gegarandeerd. [Am. 202]

Artikel 20

Ondersteunende maatregelen

1.   De Uniefinanciering kan dienen ter dekking van uitgaven voor de uitvoering tenuitvoerlegging van het instrument en voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, waaronder administratieve ondersteuning in verband met activiteiten op het gebied van voorbereiding, follow-up, toezicht, controle, audit en evaluatie die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitvoering tenuitvoerlegging , alsmede van uitgaven bij de centrale diensten en bij de delegaties van de Unie voor de administratieve ondersteuning die nodig is voor het programma en voor het beheer van in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen, met inbegrip van informatie- en communicatiemaatregelen en bedrijfsinformatietechnologiesystemen. [Am. 203]

2.   Wanneer ondersteunende uitgaven niet zijn opgenomen in de actieplannen of maatregelen als bedoeld in artikel 21, stelt de Commissie, indien van toepassing, ondersteunende maatregelen vast. De financiering door de Unie in het kader van ondersteunende maatregelen kan betrekking hebben op:

a)

studies, bijeenkomsten, activiteiten op het gebied van informatie, voorlichting, opleiding, voorbereiding en uitwisseling van geleerde lessen en beste praktijken, publicatie en andere uitgaven voor administratieve of technische bijstand die voor de programmering en het beheer van de acties vereist zijn, met inbegrip van bezoldigde externe deskundigen;

b)

activiteiten inzake onderzoek en innovatie en studies over relevante vraagstukken en verspreiding van de resultaten daarvan;

c)

uitgaven voor informatie- en communicatieactiviteiten, onder meer de ontwikkeling van communicatiestrategieën en pr-activiteiten, en zichtbaarheid van de politieke prioriteiten van de Unie.

Artikel 21

Vaststelling van actieplannen en maatregelen

1.   Actieplannen en maatregelen worden door middel van uitvoeringshandelingen vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure een besluit van de Commissie vastgesteld overeenkomstig het Financieel Reglement . [Am. 204]

2.   De in lid 1 bedoelde procedure is niet vereist voor:

a)

actieplannen, individuele maatregelen en ondersteunende maatregelen waarvoor de EU-financiering ten hoogste 10 miljoen EUR bedraagt;

b)

bijzondere maatregelen, alsook actieplannen en maatregelen voor snelle respons waarvoor de EU-financiering ten hoogste 20 miljoen EUR bedraagt;

c)

technische wijzigingen, mits deze wijzigingen de doelstellingen van het betrokken actieplan of de betrokken maatregel niet substantieel aantasten, zoals:

i)

wijziging van de uitvoeringsmethode;

ii)

herschikking van middelen tussen acties die in een actieplan zijn opgenomen;

iii)

verhoging of verlaging van het budget van de actieplannen en maatregelen met ten hoogste 20 % van het oorspronkelijke bedrag, met een maximum van 10 miljoen EUR;

Voor van meerjarige actieplannen en maatregelen gelden de in lid 2, onder a), onder b), en onder c), punt iii), genoemde drempels op jaarbasis.

De in het kader van dit lid vastgestelde actieplannen en maatregelen worden binnen één maand na de vaststelling ervan aan het Europees Parlement en de lidstaten meegedeeld via het in artikel 35 bedoelde relevante comité, behalve waar het buitengewone steunmaatregelen en technische wijzigingen betreft. [Am. 205]

3.   Alvorens een buitengewone steunmaatregel ten belope van maximaal 20 miljoen EUR vast te stellen of te verlengen, brengt de Commissie de Raad op de hoogte van aard en doel van die maatregel en het voorziene bedrag. De Commissie stelt de Raad eveneens op de hoogte voordat zij aanzienlijke materiële wijzigingen aanbrengt in reeds vastgestelde buitengewone steunmaatregelen. Omwille van de samenhang van het externe optreden van de Unie houdt de Commissie bij de planning en de uitvoering toepassing van deze maatregelen rekening met de beleidsbenadering van de Raad en het Europees Parlement op dit gebied. [Am. 206]

De Commissie brengt het Europees Parlement naar behoren en tijdig onmiddellijk op de hoogte van de planning en uitvoering van buitengewone steunmaatregelen maatregelen in het kader van dit artikel, met inbegrip van de beoogde financiële bedragen, en informeert het Europees Parlement eveneens indien zij substantiële wijzigingen of verlengingen ten aanzien van die bijstand doorvoert. Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen een maand na de goedkeuring of substantiële wijziging van een maatregel, brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, waarbij zij een overzicht verschaft van de aard en de beweegredenen voor de getroffen maatregel, alsmede de duur, de begroting en de context ervan, met inbegrip van het aanvullende karakter ervan ten opzichte van andere, lopende en geplande steun, van de Unie. Voor buitengewone steunmaatregelen geeft de Commissie bovendien aan of, in welke mate en hoe zij de continuïteit van het via de buitengewone steun uitgevoerde beleid zal garanderen aan de hand van instrumenten op de middellange en lange termijn in het kader van deze verordening. [Am. 207]

3 bis.     Alvorens actieplannen en maatregelen vast te stellen die niet gebaseerd zijn op programmeringsdocumenten overeenkomstig artikel 19, lid 2, met uitzondering van de gevallen vermeld in artikel 19, leden 3 en 4, stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast overeenkomstig artikel 34 om deze verordening aan te vullen door de specifieke te verwezenlijken doelstellingen te bepalen, de verwachte resultaten, de te gebruiken instrumenten, de belangrijkste activiteiten en de indicatieve financiële toewijzing voor deze actieplannen en maatregelen. [Am. 208]

4.   In geval van naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals crises, met inbegrip van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, onmiddellijke bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, kan de Commissie actieplannen en maatregelen of wijzigingen van de bestaande actieplannen en maatregelen vaststellen, in de vorm van onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen overeenkomstig de in artikel 35, lid 4, bedoelde procedure. [Am. 209]

5.   Op actieniveau vindt een passend milieuonderzoek onderzoek inzake mensenrechten, sociale aspecten en milieu plaats, onder meer wat betreft het effect op klimaatverandering en biodiversiteit, overeenkomstig de toepasselijke wetgevingshandelingen van de Unie met inbegrip van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (48) en Richtlijn 85/337/EEG van de Raad (49), waar nodig met inbegrip van een milieueffectbeoordeling voor milieugevoelige acties, in het bijzonder voor belangrijke nieuwe infrastructuur. [Am. 210]

Daarnaast worden ex-antebeoordelingen uitgevoerd van het effect op de mensenrechten, gender, de maatschappij en de arbeidsmarkt, alsmede een conflictanalyse en een risicobeoordeling. [Am. 211]

Waar zulks relevant is, wordt bij de uitvoering van sectorale programma's gebruik gemaakt van beoordelingen inzake mensenrechten- en sociale aspecten, alsook strategische milieueffectbeoordelingen. Er wordt op toegezien dat de belanghebbenden bij de milieubeoordelingen deze beoordelingen worden betrokken en dat het publiek toegang krijgt tot de resultaten van die beoordeling. [Am. 212]

Artikel 21 bis

Steunprogramma's van het Europees Parlement

De Commissie voert een dialoog met het Europees Parlement en houdt rekening met de opvattingen van het Europees Parlement over de gebieden waarop laatstgenoemde over eigen steunprogramma's beschikt, zoals capaciteitsopbouw en verkiezingswaarneming. [Am. 213]

Artikel 22

Methoden van samenwerking

1.   Financiering in het kader van dit instrument wordt uitgevoerd door de Commissie, zoals bepaald in het Financieel Reglement, hetzij rechtstreeks door de Commissie zelf, de delegaties van de Unie en door uitvoerende agentschappen, of indirect door een van de entiteiten die worden genoemd in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.   Financiering in het kader van dit instrument mag ook worden verstrekt in de vorm van bijdragen aan internationale, regionale of nationale fondsen, zoals die welke zijn ingesteld of worden beheerd door de EIB, de lidstaten, partnerlanden en -regio's of door internationale organisaties of andere donoren.

3.   De entiteiten die worden genoemd in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement en artikel 29, lid 1, van deze verordening vervullen jaarlijks hun verslagleggingsverplichtingen in het kader van artikel 155 van het Financieel Reglement. De verslagleggingsvereisten voor elk van die entiteiten worden vastgesteld in de partnerschapskaderovereenkomst, de bijdrage-overeenkomst, de overeenkomst inzake begrotingsgaranties of de financieringsovereenkomst.

4.   In het kader van het instrument gefinancierde acties kunnen worden uitgevoerd door middel van parallelle of gemeenschappelijke medefinanciering.

5.   Bij parallelle medefinanciering wordt een actie in meerdere, duidelijk te onderscheiden componenten opgedeeld, die elk worden gefinancierd door de verschillende partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de eindbestemming van de financiering altijd traceerbaar is.

6.   Bij gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van een actie verdeeld over de partners die de medefinanciering verstrekken en worden de middelen gemeenschappelijk ingebracht, waardoor het niet mogelijk is de financieringsbron van een specifieke activiteit na te gaan.

7.   De samenwerking tussen de Unie en haar partners kan onder andere de volgende vormen aannemen:

a)

driehoeksregelingen waarbij de Unie haar financiële bijstand aan een partnerland of -regio coördineert met derde landen;

b)

maatregelen voor administratieve samenwerking zoals twinning tussen overheidsinstellingen, lokale overheden, nationale overheidsorganen en privaatrechtelijke entiteiten met een openbaredienstverleningstaak van de lidstaten en van de partnerlanden en -regio's, alsmede samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen van de overheidssector worden betrokken;

c)

bijdragen aan de kosten die noodzakelijk zijn voor het opzetten en beheren van een publiek-privaat partnerschap , waaronder steun voor een ruime deelname door het opzetten van een onafhankelijke derde maatschappelijke organisatie om het opzetten van publiek-privaat partnerschappen te beoordelen en op te volgen ; [Am. 214]

d)

steunprogramma's voor het sectoraal beleid waarbij de Unie steun verleent aan het sectorale programma van een partnerland;

e)

bijdragen aan de kosten van deelname van de landen aan de programma's van de Unie en acties die worden uitgevoerd door agentschappen en organen van de Unie, alsook door organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit hoofde van titel V VEU;

f)

rentesubsidies.

Artikel 23

Vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden financiering door de Unie en toepassingsmethoden [Am. 215]

1.   De financiering van de Unie kan worden verstrekt door middel van de financieringsvormen waarin het Financieel Reglement voorziet, en met name:

a)

subsidies;

b)

opdrachten voor diensten, leveringen of werken;

c)

begrotingssteun;

d)

bijdragen aan door de Commissie opgezette trustfondsen, overeenkomstig artikel 234 van het Financieel Reglement;

e)

financieringsinstrumenten;

f)

begrotingsgaranties;

g)

blending;

h)

schuldverlichting in het kader van een internationaal overeengekomen programma voor schuldverlichting;

i)

financiële bijstand;

j)

bezoldigde externe deskundigen.

2.   Wanneer de Commissie met belanghebbenden van partnerlanden werkt, houdt zij bij het bepalen van nadere regelingen voor de financiering rekening met hun specifieke kenmerken zoals hun behoeften en de context, het type bijdrage, de toekenningsmodaliteiten en de administratieve bepalingen voor het beheer van subsidies, om een zo breed mogelijk spectrum van belanghebbenden te bereiken en hen zo goed mogelijk te helpen. Bij die beoordeling wordt rekening gehouden met de voorwaarden voor een zinvolle deelname en betrokkenheid van alle belanghebbenden, met name het lokale maatschappelijk middenveld. Specifieke oplossingen worden gestimuleerd overeenkomstig het Financieel Reglement, zoals partnerschapsovereenkomsten, toestemming voor financiële steun aan derden, rechtstreekse gunning of een beperkte doelgroep bestemde oproepen tot het indienen van voorstellen, of vaste bedragen, eenheidskosten en financiering op basis van een vast percentage, alsmede financiering die niet gekoppeld is aan kosten zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Deze verschillende oplossingen waarborgen transparantie, traceerbaarheid en innovatie. De samenwerking tussen lokale en internationale ngo's wordt gestimuleerd om de capaciteiten van het plaatselijke maatschappelijk middenveld te verbeteren met het oog op zijn volledige deelname aan ontwikkelingsprogramma's . [Am. 216]

3.   Naast de gevallen als bedoeld in artikel 195 van het Financieel Reglement, mag onderhandse gunning worden gebruikt voor:

a)

geringe subsidies aan mensenrechtenactivisten en aan mechanismen ter bescherming van bedreigde mensenrechtenactivisten, ter financiering van dringende beschermende maatregelen, in voorkomend geval zonder dat medefinanciering nodig is , alsook voor bemiddelaars en andere maatschappelijke spelers die betrokken zijn bij dialoog, de oplossing van conflicten, verzoening en vredesopbouw in verband met crisissen en gewapende conflicten ; [Am. 217]

b)

subsidies, in voorkomend geval zonder dat medefinanciering nodig is, ter financiering van acties in de moeilijkste omstandigheden waarin de publicatie van een oproep tot het indienen van voorstellen niet passend is, met inbegrip van situaties waarin de fundamentele vrijheden ernstig in het gedrang zijn, democratische instellingen worden bedreigd, crisissen en gewapende conflicten escaleren, de veiligheid van mensen gevaar loopt, of waarin mensenrechtenorganisaties , mensenrechtenactivisten, bemiddelaars en mensenrechtenactivisten andere maatschappelijke spelers die betrokken zijn bij dialoog, verzoening en vredesopbouw in verband met crisissen en gewapende conflicten, in zeer moeilijke omstandigheden moeten werken. Dergelijke subsidies bedragen ten hoogste 1 000 000 EUR en hebben een looptijd van ten hoogste 18 maanden, die met 12 maanden kan worden verlengd wanneer de tenuitvoerlegging toepassing stuit op objectieve en onvoorziene hindernissen; [Am. 218]

c)

subsidies aan het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, alsook aan de Global Campus, aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering, dat een Europese masteropleiding in mensenrechten en democratisering aanbiedt, en het daaraan gerelateerde netwerk van universiteiten die postacademische diploma's op het gebied van mensenrechten uitreiken, met inbegrip van beurzen voor studenten , onderzoekers, docenten en mensenrechtenactivisten uit derde landen. [Am. 219]

(c bis)

kleinschalige projecten als beschreven in artikel 23 bis. [Am. 220]

Begrotingssteun als bedoeld in punt c) van lid 1, onder meer door prestatiecontracten voor sectorale hervorming, wordt gebaseerd op de eigen verantwoordelijkheid van een land, op wederzijdse verantwoordingsplicht en gemeenschappelijke verbintenissen tot universele waarden, democratie, mensenrechten , gendergelijkheid, sociale inclusie, menselijke ontwikkeling en de rechtsstaat, en is gericht op versterking van de partnerschappen tussen de Unie en de partnerlanden. Begrotingssteun omvat een versterkte beleidsdialoog, capaciteitsontwikkeling en beter bestuur, in aanvulling op de inspanningen van de partners om meer inkomsten te innen en middelen beter te besteden en ter ondersteuning van een duurzame en inclusieve economische groei en werkgelegenheid, alsook sociaal-economische ontwikkeling die ten goede komt aan iedereen , het scheppen van behoorlijke banen, met bijzondere aandacht voor jongeren, het verkleinen van ongelijkheid en de uitbanning van armoede , dit alles met inachtneming van de plaatselijke economie, het milieu en sociale rechten . [Am. 221]

Elk besluit om begrotingssteun te verstrekken, is gebaseerd op door de Unie overeengekomen begrotingssteunmaatregelen, een duidelijke reeks subsidiabiliteitscriteria en een zorgvuldige beoordeling van de risico's en voordelen. Een van de belangrijkste bepalende elementen van dit besluit is een beoordeling van het engagement, de prestaties en de vorderingen van de partnerlanden met betrekking tot de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. [Am. 222]

4.   Begrotingssteun wordt gedifferentieerd op basis van de politieke, economische en sociale context van het partnerland, waarbij rekening wordt gehouden met kwetsbare situaties.

Wanneer begrotingssteun wordt verleend overeenkomstig artikel 236 van het Financieel Reglement bepaalt en monitort de Commissie duidelijke criteria met betrekking tot de voorwaarden voor de begrotingssteun, inclusief vorderingen op het gebied van hervormingen en transparantie, en ondersteunt zij de ontwikkeling van parlementaire controle, nationale auditcapaciteit , deelname van maatschappelijke organisaties aan toezicht, en verbeterde transparantie van en publieke toegang tot informatie , alsook ontwikkeling van sterke systemen voor overheidsopdrachten die de ontwikkeling van de plaatselijke economie en plaatselijke bedrijven ondersteunen . [Am. 223]

5.   De uitbetaling van begrotingssteun geschiedt op basis van indicatoren waaruit blijkt dat voldoende vooruitgang wordt geboekt bij het verwezenlijken van de doelstellingen die zijn overeengekomen met het partnerland.

6.   Financieringsinstrumenten in het kader van deze verordening kunnen de vorm aannemen van leningen, garanties, eigen vermogen of quasi-eigenvermogen, investeringen of participaties, en risicodelingsinstrumenten, waar mogelijk en in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 209, lid 1, van het Financieel Reglement onder leiding van de EIB, een multilaterale Europese financiële instelling, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, of een bilaterale Europese financiële instelling, bijvoorbeeld bilaterale ontwikkelingsbanken, eventueel te combineren met bijkomende andere vormen van financiële steun, zowel van de lidstaten en derde partijen.

Bijdragen aan financieringsinstrumenten van de Unie in het kader van deze verordening kunnen worden ingediend door de lidstaten, alsook door elke entiteit als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

7.   Die financieringsinstrumenten mogen worden samengevoegd in faciliteiten ten behoeve van uitvoering toepassing en rapportage. [Am. 224]

7 bis.     De Commissie en de EDEO gaan geen nieuwe acties aan en verlengen geen bestaande acties met entiteiten die geregistreerd of gevestigd zijn in rechtsgebieden die in het kader van het desbetreffende Uniebeleid als niet-coöperatieve rechtsgebieden gelden of die krachtens artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad als derde landen met een hoog risico zijn aangemerkt, of die in de praktijk niet voldoen aan op Unie- of internationaal niveau overeengekomen fiscale normen inzake transparantie en informatie-uitwisseling. [Am. 225]

8.   De bijstand van de Unie leidt niet tot de instelling van specifieke belastingen, rechten of heffingen noch tot de inning daarvan.

9.   Belastingen, rechten en heffingen die worden opgelegd door de partnerlanden, kunnen in aanmerking komen voor financiering in het kader van deze verordening.

Artikel 23 bis

Fondsen voor kleinschalige projecten

1.     Financiering uit hoofde van deze verordening kan worden verstrekt aan fondsen voor kleinschalige projecten, met het oog op de selectie en uitvoering van projecten met een beperkt financieel volume.

2.     De begunstigden van een fonds voor kleinschalige projecten zijn maatschappelijke organisaties.

3.     De eindontvangers binnen een fonds voor kleinschalige projecten ontvangen steun in het kader van deze verordening, via de begunstigde, en voeren de kleinschalige projecten binnen dat fonds uit (“kleinschalig project”).

4.     Indien de overheidsbijdrage aan een kleinschalig project maximaal 50 000 EUR bedraagt, wordt zij uitbetaald in de vorm van eenheidskosten of vaste bedragen of omvat zij vaste percentages. [Am. 226]

Artikel 24

In aanmerking komende personen en entiteiten

1.   Deelname aan opdrachten, subsidies en de uitreiking van prijzen voor acties die worden gefinancierd op grond van de geografische programma's en in het kader van de programma's “maatschappelijk middenveld” en “mondiale uitdagingen”, staan open voor internationale organisaties en alle andere juridische entiteiten die onderdaan zijn van, dan wel, in het geval van rechtspersonen, ook daadwerkelijk gevestigd zijn in, de volgende landen of gebieden:

a)

lidstaten, begunstigden van de IPA III-verordening, en partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte;

b)

partnerlanden uit het nabuurschap en de Russische Federatie, indien de betrokken procedure plaatsvindt in het kader van de in bijlage I genoemde programma's waaraan zij deelneemt;

c)

ontwikkelingslanden en ontwikkelingsgebieden, zoals vermeld in de lijst van ontvangers van officiële ontwikkelingsbijstand, die wordt gepubliceerd door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO, die geen lid zijn van de G20, alsmede landen en gebieden overzee waarop Besluit (EU) …/… van de Raad van toepassing is;

d)

ontwikkelingslanden, zoals vermeld in de lijst van ontvangers van officiële ontwikkelingsbijstand van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO, die lid zijn van de G20, en andere landen en gebieden, indien de betrokken procedure plaatsvindt in het kader van acties waaraan zij deelnemen en die door de Unie worden gefinancierd in het kader van deze verordening;

e)

landen ten aanzien waarvan de Commissie wederzijdse toegang tot externe bijstand heeft vastgesteld; deze toegang kan voor een beperkte periode van ten minste één jaar worden vastgesteld indien een land entiteiten van de Unie en entiteiten uit landen die voor steun in het kader van deze verordening in aanmerking komen, op gelijke voorwaarden toegang biedt; de Commissie beslist over de wederkerigheid van de toegang en de duur daarvan, na raadpleging van het betrokken begunstigde land of de betrokken begunstigde landen;

f)

landen die lid zijn van de OESO, ten aanzien van opdrachten die worden uitgevoerd toegepast in een van de minst ontwikkelde landen of een arm land met een zware schuldenlast, zoals vermeld in de lijst van ontvangers van officiële ontwikkelingsbijstand. [Am. 227]

2.   Onverminderd de beperkingen die inherent zijn aan de aard en de doelstellingen van de actie, staat de deelname aan opdrachten, subsidies en procedures voor het uitreiken van prijzen voor acties die worden gefinancierd in het kader van de programma's “mensenrechten en democratie” en “stabiliteit en vrede”, alsmede aan acties voor snelle respons, zonder beperkingen open.

3.   Alle leveringen en materialen die worden gefinancierd in het kader van deze verordening, kunnen van oorsprong zijn uit om het even welk land.

4.   De voorschriften van dit artikel zijn niet van toepassing op en leiden niet tot nationaliteitsbeperkingen voor natuurlijke personen die bij een voor deelname in aanmerking komende contractant of, in voorkomend geval, subcontractant in dienst zijn of anderszins door deze wettig zijn aangeworven.

5.   Voor acties die gezamenlijk worden medegefinancierd door een entiteit, of uitgevoerd toegepast in direct of indirect beheer met entiteiten als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), ii), tot en met viii), van het Financieel Reglement, zijn de subsidiabiliteitsvoorschriften van deze entiteiten eveneens van toepassing. [Am. 228]

6.   Wanneer donoren financiering verstrekken voor een trustfonds dat is opgericht door de Commissie of via externe bestemmingsontvangsten, zijn de subsidiabiliteitsvoorschriften van de oprichtingsakte van het trustfonds of van de overeenkomst met de donor in geval van externe bestemmingsontvangsten van toepassing.

7.   In het geval van acties die worden gefinancierd in het kader van deze verordening en een ander programma van de Unie, worden alle entiteiten die in aanmerking komen in het kader van een van die programma's als subsidiabel beschouwd.

8.   In het geval van meerlandenacties kunnen juridische entiteiten die onderdaan zijn van, dan wel, in het geval van rechtspersonen, ook daadwerkelijk gevestigd zijn in, de landen en gebieden van de actie, als subsidiabel worden beschouwd.

9.   De subsidiabiliteitsvoorschriften van dit artikel kunnen worden beperkt op het gebied van nationaliteit, geografische locatie of aard van de aanvrager, indien deze beperkingen vereist zijn vanwege de specifieke aard en de doelstellingen van de actie en voor zover zij noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitvoering toepassing. Beperkingen op het gebied van nationaliteit zijn niet van toepassing op internationale organisaties . [Am. 229]

10.   Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet in aanmerking komende landen kunnen worden aanvaard in geval van urgentie of niet-beschikbaarheid van diensten op de markt van de betrokken landen of gebieden, of in andere naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de toepassing van de subsidiabiliteitsvoorschriften de uitvoering van een actie onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

11.   Om de lokale capaciteit en lokale markten en aankopen te bevorderen, wordt voorrang gegeven aan lokale en regionale contractanten , waarbij aandacht wordt besteed aan hun eerdere prestaties op het gebied van ecologische duurzaamheid of eerlijke handel, indien het Financieel Reglement voorziet in gunning op basis van één offerte. In alle andere gevallen wordt deelname van lokale en regionale contractanten bevorderd in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van die verordening. In alle gevallen worden duurzaamheids- en zorgvuldigheidscriteria toegepast . [Am. 230]

12.   In het kader van het programma voor democratie en mensenrechten, komen entiteiten die niet vallen onder de definitie van het begrip “juridische entiteit” van artikel 2, lid 6, in aanmerking wanneer dit nodig is om de actiegebieden van dit programma ten uitvoer te leggen.

12 bis.     Het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking ondersteunt geen acties die volgens het milieuonderzoek vermeld in artikel 21 het milieu of het klimaat schaden. De toewijzingen zijn volledig verenigbaar met de Overeenkomst van Parijs en Europese financiering die aan extern optreden wordt besteed, draagt in het algemeen bij aan de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Met name verleent het instrument name geen steun aan:

a)

acties die niet verenigbaar zijn met de nationaal vastgestelde bijdragen van de Overeenkomst van Parijs van ontvangende landen;

b)

investeringen in fossiele brandstoffen, ongeacht of deze zich upstream, midstream of downstream situeren. [Am. 231]

Artikel 25

Overdrachten, jaarlijkse tranches, vastleggingskredieten, terugbetalingen en door financieringsinstrumenten gegenereerde inkomsten

1.   In aanvulling op artikel 12, lid 2, van het Financieel Reglement worden ongebruikte vastleggings- en betalingskredieten in het kader van deze verordening automatisch overgedragen en mogen zij worden vastgelegd tot 31 december van het volgende begrotingsjaar. Het overgedragen bedrag wordt in het volgende begrotingsjaar eerst gebruikt.

De Commissie stelt verstrekt het Europees Parlement en de Raad in kennis informatie over kredieten die automatisch zijn overgedragen, met inbegrip van overgedragen vastleggingskredieten de bedragen in kwestie, overeenkomstig artikel 12, lid 6, van het Financieel Reglement. [Am. 232]

2.   Naast de voorschriften van artikel 15 van het Financieel Reglement over de wederopvoering van kredieten worden vastleggingskredieten die overeenkomen met het bedrag van vrijmakingen die zijn verricht wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van een actie in het kader van deze verordening, wederopgevoerd ten voordele van het oorspronkelijke begrotingsonderdeel.

Verwijzingen naar artikel 15 van het Financieel Reglement in artikel 12, lid 1, onder b), van de verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader worden opgevat als een verwijzing naar dit lid voor de toepassing van deze verordening.

3.   Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, kunnen over verschillende jaren in jaarlijkse tranches worden opgedeeld, in overeenstemming met artikel 112, lid 2, van het Financieel Reglement.

Artikel 114, lid 2, derde alinea, van het Financieel Reglement is niet van toepassing op deze meerjarige acties. De Commissie haalt ambtshalve elke tranche van een vastleggingskrediet door die op 31 december van het vijfde jaar volgend op dat van de vastlegging niet is gebruikt voor voorfinanciering of tussentijdse betalingen of waarvoor geen gecertificeerde uitgavenstaat of enig betalingsverzoek werd ingediend.

Lid 2 van dit artikel is eveneens van toepassing op de jaarlijkse tranches.

4.   In afwijking van artikel 209, lid 3, van het Financieel Reglement worden inkomsten en terugbetalingen die worden gegenereerd door een financieringsinstrument, toegewezen aan het begrotingsonderdeel als interne bestemmingsontvangsten, na aftrek van beheerskosten en vergoedingen. De Commissie verricht om de vijf jaar een evaluatie van de bijdrage die de bestaande financieringsinstrumenten hebben geleverd tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, alsmede van de doeltreffendheid van deze financieringsinstrumenten.

Hoofdstuk IV

EFDO+, begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen

Artikel 26

Werkingssfeer en financiering

1.   Het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ (EFDO+) en de garantie voor extern optreden worden gefinancierd met de in artikel 6, lid 2, onder a), genoemde bedrag dient ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ (EFDO+) en de garantie voor extern optreden bedragen voor geografische programma's, waarbij ervoor wordt gezorgd dat deze financiering niet ten koste gaat van andere acties die in het kader van geografische programma's worden ondersteund . [Am. 233]

Het doel van het EFDO+ als geïntegreerd financieringspakket tot verstrekking van financiële capaciteit op basis van de uitvoeringsmethoden die zijn vastgesteld bij artikel 23, lid 1, onder a), e), f), en g) in de vorm van subsidies, garanties en andere financiële instrumenten als bedoeld in artikel 23, lid 1, is de ondersteuning van investeringen en betere toegang tot financiering, waarbij de additionaliteit wordt gemaximaliseerd, innoverende producten worden gecreëerd en middelen uit de particuliere sector worden aangetrokken, met het oog op de bevordering van duurzame en inclusieve economische , ecologische en sociale ontwikkeling , industrialisering en een stabiel investeringsklimaat en op de bevordering van de sociaal-economische en ecologische veerkracht van partnerlanden, met bijzondere aandacht voor de uitbanning van armoede, duurzame en inclusieve groei, aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering, milieubescherming en -beheer, het scheppen van waardig werk overeenkomstig de desbetreffende IAO-normen, met name voor kwetsbare groepen, onder meer vrouwen en jongeren , economische kansen, vaardigheden en ondernemerschap, sociaal-economische sectoren , met bijzondere aandacht voor sociale ondernemingen en coöperatieven vanwege hun potentieel inzake het terugdringen van armoede en ongelijkheid en het bevorderen van mensenrechten en bestaanszekerheid, de ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, alsook de aanpak van specifieke sociaal-economische dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding en het leveren van een bijdrage aan de duurzame re-integratie van teruggekeerde migranten in hun land van herkomst , in overeenstemming met de desbetreffende indicatieve programmeringsdocumenten. 45 % van de middelen wordt toegewezen aan investeringen die bijdragen tot klimaatdoelstellingen, milieubeheer en -bescherming, biodiversiteit en het tegengaan van woestijnvorming, waarbij 30 % van de totale financiële middelen moet worden besteed aan mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering. Bijzondere aandacht gaat en aanvullende steun voor institutionele capaciteitsopbouw, economisch bestuur en technische bijstand gaan uit naar landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren, de minst ontwikkelde landen en arme landen met een zware schuldenlast. De garantie voor extern optreden wordt gebruikt in aanvulling op investeringen van de overheid in essentiële openbare diensten, die een regeringsverantwoordelijkheid blijven . [Am. 234]

2.   De garantie voor extern optreden ondersteunt de EFDO+-operaties die worden gedekt door begrotingsgaranties overeenkomstig de artikelen 27, 28, en 29 van deze verordening, macrofinanciële bijstand en leningen aan derde landen op grond van artikel 10, lid 2, van de EINS-verordening.

3.   In het kader van de garantie voor extern optreden kan de Unie operaties waarborgen die tussen 1 januari 2021 en 31 december 2027 zijn ondertekend, voor een bedrag van ten hoogste 60 000 000 000 EUR. Dit maximum wordt opnieuw beoordeeld aan de hand van de uit hoofde van artikel 32 opgestelde tussentijdse evaluatie . [Am. 235]

4.   Het voorzieningspercentage ligt tussen 9 % en 50 % naargelang van de soort operatie. Een bedrag van maximaal 10 miljard EUR wordt uit de begroting van de Unie beschikbaar gesteld via een specifiek begrotingsonderdeel in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure of door een begrotingsoverschrijving. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen om dit maximumbedrag zo nodig te wijzigen. [Am. 236]

Het voorzieningspercentage voor de garantie voor extern optreden bedraagt 9 % voor de macrofinanciële bijstand van de Unie en voor begrotingsgaranties ter dekking van soevereine risico's in verband met verstrekte leningen.

De voorzieningspercentages worden om de drie twee jaar herzien met ingang van de datum van toepassing van deze verordening zoals vastgelegd in artikel 40. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze percentages en de bedragen in kwestie aan te vullen of te wijzigen. [Am. 237]

5.   De garantie voor extern optreden wordt beschouwd als een enkele zekerheidstelling in het gemeenschappelijke voorzieningsfonds dat is ingesteld op grond van artikel 212 van het Financieel Reglement.

6.   Het EFDO+ en de garantie voor extern optreden kunnen dienen ter ondersteuning van financierings- en investeringsoperaties in partnerlanden in de in artikel 4, lid 2, genoemde geografische gebieden. De voorziening van de garantie voor extern optreden wordt gefinancierd uit de begroting van de betrokken geografische programma's die zijn ingesteld bij artikel 6, lid 2, onder a), en wordt overgedragen naar het gemeenschappelijke voorzieningsfonds. De geografische verdeling van de EFDO+-operaties geeft daarnaast zoveel mogelijk het relatieve gewicht van de financiële toewijzingen voor de verschillende regio's weer zoals bepaald in artikel 6, lid 2, onder a). Het EFDO+ en de garantie voor extern optreden kunnen ook dienen ter ondersteuning van operaties in de in bijlage I bij de IPA III-verordening vermelde begunstigde landen. De financiering voor deze activiteiten in het kader van het EFDO+ en voor de voorziening van de garantie voor extern optreden worden gefinancierd uit de IPA-verordening. De voorziening van de garantie voor extern optreden voor leningen aan derde landen als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de EINS-verordening wordt gefinancierd uit de EINS-verordening. [Am. 238]

7.   De voorziening als bedoeld in artikel 211, lid 2, van het Financieel Reglement wordt samengesteld op basis van de totale uitstaande aansprakelijkheden van de Unie die voortvloeien uit elke operatie, met inbegrip van operaties die vóór 2021 zijn ondertekend en door de Unie worden gewaarborgd. Het noodzakelijke jaarlijkse bedrag van de voorziening kan worden samengesteld tijdens een periode van maximaal zeven jaar.

8.   Het saldo van activa op 31 december 2020 in het EFDO-garantiefonds en in het Garantiefonds voor extern optreden die respectievelijk zijn ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009, wordt overgedragen naar het gemeenschappelijke voorzieningsfonds voor de voorziening van zijn respectieve operaties in het kader van één en dezelfde garantie als bedoeld in lid 4 van dit artikel.

Artikel 26 bis

Doelstellingen voor het EFDO+

1.     De EFDO+-acties die in aanmerking komen voor steun via de garantie voor extern optreden, dragen bij tot de volgende prioritaire gebieden:

a)

het verstrekken van financiering en ondersteuning voor de ontwikkeling van de particuliere sector, de coöperatieve sector en de sector van sociale ondernemingen om bij te dragen aan duurzame ontwikkeling in de economische, sociale en milieudimensie daarvan, met bijzondere nadruk op de uitbanning van armoede, en, in voorkomend geval, het Europees nabuurschapsbeleid en de in artikel 3 van de IPA III-verordening genoemde doelstellingen;

b)

het aanpakken van knelpunten met betrekking tot particuliere investeringen, met name door de rechtszekerheid voor investeringen te waarborgen;

c)

het aantrekken van financiering uit de particuliere sector, met een bijzondere nadruk op micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

d)

het versterken van sociaal-economische sectoren en domeinen en de daarmee verband houdende publieke en private infrastructuur en duurzame connectiviteit en productie, met het oog op de bevordering van een inclusieve en duurzame sociaal-economische ontwikkeling met respect voor de mensenrechten en het milieu;

e)

het bijdragen aan klimaatactie en milieubescherming en -beheer;

f)

het bijdragen, door duurzame ontwikkeling te bevorderen, aan het aanpakken van specifieke dieperliggende oorzaken van migratie, met inbegrip van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding, alsook aan veilige, ordelijke en reguliere migratie en mobiliteit. [Am. 239]

Artikel 27

Subsidiabiliteit en selectie van operaties en tegenpartijen

1.   De financierings- en investeringsverrichtingen die in aanmerking komen voor steun via de garantie voor extern optreden, zijn consistent met en afgestemd op het beleid van de Unie , met name haar ontwikkelingsbeleid en het Europees nabuurschapsbeleid, en op de strategie en het beleid van de partnerlanden en pakken lokaal marktfalen of suboptimale investeringsverrichtingen aan, zonder oneerlijke concurrentie met lokale economische actoren . Zij ondersteunen met name de doelstellingen, algemene beginselen en het beleidskader van deze verordening en de desbetreffende indicatieve programmeringsdocumenten, met inachtneming van de prioritaire gebieden die zijn vastgesteld in artikel 26 bis en nader beschreven in bijlage V. [Am. 240]

1 bis.     De garantie voor extern optreden wordt slechts toegekend als de desbetreffende EFDO-garantieovereenkomsten zijn gesloten tussen de Commissie namens de Unie en de in aanmerking komende tegenpartij. [Am. 241]

2.   De garantie voor extern optreden ondersteunt financierings- en investeringsverrichtingen die marktfalen of suboptimale investeringssituaties aanpakken. De verrichtingen voldoen ook aan de voorwaarden van artikel 209, lid 2, onder a), tot en met c d ), van het Financieel Reglement en die: [Am. 242]

-a bis)

leveren financiële en ontwikkelingsadditionaliteit op; [Am. 243]

-a ter)

zijn het voorwerp van een openbaar beschikbare participerende voorafgaande beoordeling van het effect op de mensenrechten, de maatschappij, de arbeidsmarkt en het milieu, om de risico's op die gebieden in kaart te brengen en aan te pakken, rekening houdend met het beginsel van vrije en voorafgaande geïnformeerde toestemming van de betrokken gemeenschappen met betrekking tot grondgerelateerde investeringen; [Am. 244]

a)

zorgen voor complementariteit met andere initiatieven;

b)

economisch en financieel levensvatbaar zijn, waarbij terdege rekening wordt gehouden met mogelijke steun aan en medefinanciering van een project door private en publieke partners, en met de specifieke werkomgeving en capaciteit van landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren, de minst ontwikkelde landen en arme landen met een zware schuldenlast, waaraan soepelere voorwaarden kunnen worden toegekend;

c)

technisch haalbaar zijn zijn technisch haalbaar en op ecologisch en maatschappelijk sociaal-economisch vlak duurzaam zijn. [Am. 245]

c bis)

zijn gericht op sectoren en kwesties waar zich duidelijke tekortkomingen van de markt of de instellingen voordoen die financiering uit de particuliere sector belemmeren; [Am. 246]

c ter)

zijn ingericht op een wijze die bijdraagt aan het katalyseren van de marktontwikkeling en het aantrekken van middelen uit de particuliere sector om lacunes in de investeringen op te vullen; [Am. 247]

c quater)

zijn gericht op projecten die hogere risico's met zich meebrengen dan particuliere leninggevers uitsluitend op commerciële basis bereid zijn aan te gaan; [Am. 248]

c quinquies)

verstoren de markten in partnerlanden en -regio's niet. [Am. 249]

c sexies)

trekken waar mogelijk een maximale hoeveelheid kapitaal aan uit de lokale particuliere sector; [Am. 250]

c septies)

nemen de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in acht zoals uiteengezet in het Partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking en nogmaals bevestigd in Nairobi in 2016, met inbegrip van eigen inbreng, afstemming, resultaatgerichtheid, transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht, alsook de doelstelling om hulp te ontkoppelen; [Am. 251]

c octies)

zijn opgezet om te voldoen aan de door de OESO-DAC vastgestelde criteria voor ODA, met inachtneming van de bijzonderheden van ontwikkeling in de particuliere sector, met uitzondering van verrichtingen in geïndustrialiseerde landen die niet voor ODA in aanmerking komen; [Am. 252]

c nonies)

worden toegepast met volledige inachtneming van het internationaal recht inzake mensenrechten, alsook internationaal overeengekomen richtsnoeren, beginselen en verdragen, waaronder de VN-beginselen inzake verantwoord investeren, de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de beginselen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen, en de verdragen en normen van de Internationale Arbeidsorganisatie, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, de beginselen van Maastricht inzake de extraterritoriale verplichtingen van staten op het gebied van economische, sociale en culturele rechten en de vrijwillige richtsnoeren van de FAO inzake het verantwoord beheer van land, visserij en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid. [Am. 253]

3.   De garantie voor extern optreden wordt gebruikt om de risico's te dekken voor de volgende instrumenten:

a)

leningen, met inbegrip van leningen in de lokale valuta en leningen voor macrofinanciële bijstand;

b)

garanties;

c)

tegengaranties;

d)

kapitaalmarktinstrumenten;

e)

andere vorm van financierings- of kredietverbeteringsinstrumenten, verzekering, en deelnemingen of quasi-deelnemingen.

4.   De tegenpartijen die in aanmerking komen voor de garantie voor extern optreden, worden vastgesteld bij artikel 208, lid 4, van het Financieel Reglement, met inbegrip van derde landen die bijdragen aan de garantie voor extern optreden, afhankelijk van de toestemming van de Commissie overeenkomstig artikel 28 van deze verordening en het advies van de strategische raad . Daarnaast, en in afwijking van artikel 62, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement, komen privaatrechtelijke organen van een lidstaat of een derde land die hebben bijgedragen aan de garantie voor extern optreden overeenkomstig artikel 28, en die toereikende zekerheid bieden omtrent hun financiële capaciteit, in aanmerking voor de garantie. [Am. 254]

4 bis.     De Europese Investeringsbankgroep (EIB-groep) verricht onder andere de volgende taken:

a)

zij neemt samen met andere Europese financiële instellingen deel aan het risicobeheer van het EFSD+, rekening houdend met het feit dat mogelijke belangenconflicten moeten worden voorkomen;

b)

zij voert uitsluitend een deel van een investeringsvenster uit dat betrekking heeft op overheidsleningen waarvoor ten minste 1 000 000 EUR uit de financiële middelen van de geografische programma's wordt uitgetrokken overeenkomstig de procedures van de hoofdstukken 1 en 3 van deze titel;

c)

zij komt in aanmerking als tegenpartij voor de uitvoering van activiteiten in het kader van andere investeringsvensters. [Am. 255]

5.   In aanmerking komende tegenpartijen voldoen aan de in artikel 62, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement bedoelde regels en voorwaarden. Voor organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of een derde land vallen, die hebben bijgedragen aan de garantie voor extern optreden overeenkomstig artikel 28, wordt de voorkeur gegeven aan organen die informatie bekendmaken over ecologische, en sociale en fiscale criteria en ondernemingsbestuur. [Am. 256]

De Commissie zorgt ervoor dat in aanmerking komende tegenpartijen de beschikbare middelen doeltreffend, doelmatig en eerlijk gebruiken, waarbij zij samenwerking tussen die tegenpartijen bevordert.

De Commissie ziet erop toe dat alle in aanmerking komende tegenpartijen eerlijk worden behandeld , dat ze gelijke toegang tot financiering hebben en dat belangenconflicten worden vermeden gedurende de gehele uitvoeringstermijn toepassingstermijn van het EFDO+. Om de complementariteit te waarborgen, kan de Commissie van in aanmerking komende tegenpartijen alle relevante informatie verlangen over andere dan hun EFDO+-verrichtingen. [Am. 257]

5 bis.     Het Europees Parlement of de Raad kan de in aanmerking komende tegenpartijen, maatschappelijke organisaties en lokale gemeenschappen uitnodigen voor een gedachtewisseling over de financierings- en investeringsverrichtingen die onder deze verordening vallen. [Am. 258]

6.   De Commissie selecteert de in aanmerking komende tegenpartijen overeenkomstig artikel 154 van het Financieel Reglement en rekening houdend met:

a)

het advies van de strategische en regionale operationele raden, overeenkomstig bijlage VI;

b)

de doelstellingen van het investeringsvenster;

c)

de ervaring en de risicobeheerscapaciteit van de in aanmerking komende tegenpartij;

d)

het bedrag aan eigen middelen en aan medefinanciering van de particuliere sector dat de in aanmerking komende tegenpartij ter beschikking kan stellen voor het investeringsvenster;

d bis)

de beginselen van eerlijke en open aanbestedingsprocedures. [Am. 259]

7.   De Commissie stelt investeringsvensters in voor regio's, specifieke partnerlanden, of beide, voor specifieke sectoren, of voor specifieke projecten of specifieke categorieën eindbegunstigden, of beide, die worden gefinancierd in het kader van deze verordening en worden gedekt door de garantie voor extern optreden, tot een bepaald bedrag. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis over de wijze waarop de investeringsvensters worden afgestemd op dit artikel en de gedetailleerde financieringsprioriteiten. Alle verzoeken voor financiële steun in het kader van investeringsvensters worden bij de Commissie ingediend.

De vaststelling van investeringsvensters wordt terdege onderbouwd met een analyse van het marktfalen of de suboptimale investeringssituaties. Die analyse wordt uitgevoerd door de Commissie in samenwerking met de potentieel in aanmerking komende tegenpartijen en belanghebbende partijen.

In aanmerking komende tegenpartijen kunnen de in lid 3 vermelde instrumenten verstrekken in het kader van een investeringsvenster of een individueel project dat door een in aanmerking komende tegenpartij wordt beheerd. De instrumenten kunnen worden verstrekt ten voordele van partnerlanden, met inbegrip van landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren of landen die problemen ondervinden bij de wederopbouw en het herstel na een conflict, ten voordele van de instellingen van die partnerlanden, met inbegrip van hun publieke nationale en particuliere lokale banken en financiële instellingen, alsook ten voordele van entiteiten uit de particuliere sector van die partnerlanden. [Am. 260]

8.   De Commissie toetst de door de garantie voor extern optreden ondersteunde verrichtingen aan de in de leden 2 en 3 uiteengezette subsidiabiliteitscriteria, waarbij zij indien mogelijk uitgaat van de bestaande resultaatmetingssystemen van in aanmerking komende tegenpartijen . De Commissie stelt een scorebord van indicatoren op als leidraad voor de selectie van projecten. De uitvoerende partners vullen het scorebord in voor alle EFDO+-verrichtingen. De Commissie beoordeelt alle door de garantie ondersteunde verrichtingen aan de hand van de in artikel 27 vermelde subsidiabiliteitscriteria en gebruikt het scorebord om een onafhankelijke kwaliteitscontrole uit te voeren van de zorgvuldigheid en de door de uitvoerende partners op projectniveau gemaakte beoordeling. Indien nodig vraagt de Commissie de uitvoerende partners om verduidelijking en wijzigingen . De Commissie maakt jaarlijks het scorebord voor alle projecten bekend na goedkeuring met het oog op het gebruik van de garantie door de Commissie en de uitvoerende partners, alsook het resultaat van alle garantie-instrumenten en individuele projecten in het kader van haar beoordeling voor elk investeringsvenster jaarlijks bekend. [Am. 261]

9.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling of wijziging van de prioritaire gebieden en investeringsvensters als vermeld in bijlage V en het goede beheer van het EFDO+ in bijlage VI . Bij het aanvullen of wijzigen van investeringsvensters voor specifieke regio's, specifieke partnerlanden, of beide, voor specifieke sectoren, of voor specifieke projecten of specifieke categorieën eindbegunstigden, of beide, die worden gefinancierd in het kader van deze verordening en tot een bepaald bedrag worden gedekt door de garantie voor extern optreden, houdt de Commissie terdege rekening met het door de strategische raad verstrekte advies en raadpleegt zij de operationele raden .

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de wijze waarop de investeringsvensters worden afgestemd op de in artikel 26 bis en dit artikel vermelde vereisten en de gedetailleerde financieringsprioriteiten. Alle verzoeken om financiële steun in het kader van investeringsvensters worden bij de Commissie ingediend.

De vaststelling van investeringsvensters wordt terdege onderbouwd met een analyse van het marktfalen of de suboptimale investeringssituaties. Die analyse wordt uitgevoerd door de Commissie in samenwerking met de potentieel in aanmerking komende tegenpartijen en belanghebbende partijen. In aanmerking komende tegenpartijen kunnen de in lid 3 vermelde instrumenten verstrekken in het kader van een investeringsvenster of een individueel project dat door een in aanmerking komende tegenpartij wordt beheerd. De instrumenten kunnen worden verstrekt ten voordele van partnerlanden, met inbegrip van landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren of landen die problemen ondervinden bij de wederopbouw en het herstel na een conflict, ten voordele van de instellingen van die partnerlanden, met inbegrip van hun openbare nationale en particuliere lokale banken en financiële instellingen, alsook ten voordele van entiteiten uit de particuliere sector van die partnerlanden. In landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren, en in andere landen indien gerechtvaardigd, kan steun worden verleend aan investeringen in de overheidssector die relevante gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de particuliere sector. [Am. 262]

Artikel 27 bis

Beheer en structuur van het EFDO+

1.     Het EFDO+ wordt samengesteld uit regionale investeringsplatformen die worden opgezet op basis van de werkmethoden, procedures en structuren van de bestaande externe blendingfaciliteiten van de Unie, die kunnen worden gecombineerd met garanties voor het extern optreden in het kader van EFDO+.

2.     De Commissie is verantwoordelijk voor het algemene beheer van het EFDO+ en de garantie voor extern optreden. De Commissie streeft er niet naar om daarnaast algemene bankverrichtingen uit te voeren. De Commissie stelt het Europees Parlement regelmatig op de hoogte, teneinde de hoogste normen inzake transparantie en financiële verantwoordingsplicht te waarborgen.

3.     Bij het beheer van het EFDO+ wordt de Commissie geadviseerd door een strategische raad, behalve in het geval van maatregelen met betrekking tot het uitbreidingsbeleid van de Unie die worden gefinancierd door IPA III, waarvoor de Commissie advies ontvangt van een strategische raad die onder het investeringskader voor de Westelijke Balkan (WBIF) valt. Bij het operationele beheer van de garantie voor extern optreden werkt de Commissie ook nauw samen met alle in aanmerking komende tegenpartijen. Daartoe wordt een technische werkgroep opgericht, die wordt samengesteld uit deskundigen van de Commissie en de in aanmerking komende tegenpartijen, om het risico en de daarmee samenhangende prijsstelling te beoordelen.

4.     De strategische raad adviseert de Commissie over de strategische oriëntaties en prioriteiten van de onder het EFDO+ vallende investeringen van de garantie voor extern optreden, en draagt bij tot de afstemming daarvan op de richtsnoeren en doelstellingen van het externe optreden, het ontwikkelingsbeleid en het nabuurschapsbeleid van de Unie, alsmede op de doelstellingen van artikel 3 en de doelstellingen van het EFDO+ als uiteengezet in artikel 26. De raad verleent tevens steun aan de Commissie bij de vaststelling van de algemene investeringsdoelen wat betreft het gebruik van de garantie voor extern optreden voor steun aan EFDO+-verrichtingen en houdt toezicht op een passende en gediversifieerde geografische en thematische dekking van investeringsvensters, met bijzondere aandacht voor landen die zijn aangemerkt als landen in een situatie van kwetsbaarheid of conflict, minst ontwikkelde landen (MOL's) of arme landen met een hoge schuldenlast.

5.     De strategische raad ondersteunt ook de algehele coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de regionale investeringsplatformen, tussen de drie pijlers van het Europees investeringsplan, tussen het Europees investeringsplan en de andere inspanningen van de Unie inzake migratie en de uitvoering van de Agenda 2030, alsook met andere programma's die in deze verordening zijn vastgesteld, andere financieringsinstrumenten van de Unie en trustfondsen.

6.     De strategische raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Commissie, de hoge vertegenwoordiger, alle lidstaten en de Europese Investeringsbank. Het Europees Parlement heeft de status van waarnemer. Aan contribuanten, in aanmerking komende tegenpartijen, partnerlanden, betrokken regionale organisaties en andere belanghebbenden kan in voorkomend geval de status van waarnemer worden verleend. De strategische raad wordt voorafgaand aan de opneming van nieuwe waarnemers geraadpleegd. De strategische raad wordt gezamenlijk voorgezeten door de Commissie en de hoge vertegenwoordiger.

7.     De strategische raad komt minstens tweemaal per jaar bijeen en neemt, indien mogelijk, adviezen bij consensus aan. Te allen tijde kunnen extra bijeenkomsten worden georganiseerd door de voorzitter of op verzoek van een derde van de leden van de raad. Indien geen consensus kan worden bereikt, worden de stemrechten toegepast zoals bepaald tijdens de eerste bijeenkomst van de strategische raad en vastgelegd in zijn reglement van orde. Deze stemrechten houden terdege rekening met de financieringsbron. In het reglement van orde wordt het kader voor de rol van waarnemers omschreven. De notulen en de agenda's van de vergaderingen van de strategische raad worden na de vaststelling ervan openbaar gemaakt.

8.     De Commissie brengt jaarlijks een voortgangsverslag over de toepassing van het EFDO+ uit aan de strategische raad. De strategische raad van het WBIF brengt verslag uit over de vooruitgang die is geboekt met de toepassing van het garantie-instrument voor de uitbreidingsregio, ter aanvulling van dat verslag. De strategische raad organiseert regelmatig overleg met de betrokken belanghebbenden over de strategische oriëntatie en de toepassing van het EFDO+.

9.     Het feit dat er twee strategische raden bestaan, doet geen afbreuk aan de noodzaak om over één kader voor risicobeheer van het EFDO+ te beschikken.

10.     Tijdens de toepassingstermijn van het EFDO+ stelt de strategische raad zo snel mogelijk richtsnoeren vast, die worden gepubliceerd en waarin wordt uiteengezet hoe zal worden gewaarborgd dat EFDO+-verrichtingen in overeenstemming zijn met de doelstellingen en subsidiabiliteitscriteria van de artikelen 26 bis en 27.

11.     De strategische raad houdt bij het opstellen van zijn strategische richtsnoeren terdege rekening met de desbetreffende resoluties van het Europees Parlement en besluiten en conclusies van de Raad.

12.     De operationele raden van de regionale investeringsplatformen ondersteunen de Commissie op toepassingsniveau bij het vaststellen van regionale en sectorale investeringsdoelstellingen en regionale, sectorale en thematische investeringsvensters, en formuleren adviezen over blendingfinanciering en het gebruik van de garantie voor extern optreden ter dekking van EFDO+-verrichtingen. [Am. 263]

Artikel 28

Bijdrage van andere donoren aan de garantie voor extern optreden

1.   Lidstaten, derde landen en andere derde partijen kunnen bijdragen aan de garantie voor extern optreden.

In afwijking van artikel 218, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement kan de bijdrage van de partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte worden verstrekt in de vorm van garanties of contanten.

Bijdragen van andere derde landen dan de partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en andere derden geschieden in de vorm van contanten, onder voorbehoud van het advies van de strategische raad en goedkeuring door de Commissie. [Am. 264]

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad onverwijld in kennis van de bevestigde bijdragen.

Op verzoek van de lidstaten kunnen hun bijdragen specifiek worden bestemd voor de opzet van projecten in specifieke regio's, landen, sectoren of bestaande investeringsvensters. [Am. 265]

2.   Bijdragen in de vorm van een garantie zijn niet hoger dan 50 % van het bedrag, bedoeld in artikel 26, lid 2, van deze verordening.

Op de bijdragen van de lidstaten en de partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte in de vorm van een garantie kan slechts een beroep worden gedaan om garanties te honoreren nadat de financiering vanuit de algemene begroting van de Unie, aangevuld met eventuele andere bijdragen in contanten, is gebruikt om garanties te honoreren.

Elke bijdrage kan worden gebruikt om garanties te honoreren, ongeacht de bestemming van de middelen. [Am. 266]

Tussen de Commissie, namens de Unie, en de contribuant wordt een bijdrageovereenkomst gesloten, waarin met name de betalingsvoorwaarden zijn opgenomen.

Artikel 29

Tenuitvoerlegging Toepassing van de overeenkomsten met betrekking tot de garantie voor extern optreden [Am. 267]

1.   De Commissie sluit namens de Unie overeenkomsten met betrekking tot de garantie voor extern optreden met de geselecteerde in aanmerking komende tegenpartijen overeenkomstig artikel 27. Die overeenkomsten zijn een onvoorwaardelijke en onherroepelijke afroepgarantie ten gunste van de geselecteerde tegenpartijen. De overeenkomsten mogen worden gesloten met een consortium van twee of meer in aanmerking komende tegenpartijen. [Am. 268]

2.   Voor elk investeringsvenster worden een of meer overeenkomsten met betrekking tot de garantie voor extern optreden gesloten tussen de Commissie en de geselecteerde in aanmerking komende tegenpartij(en). Om specifieke noden te lenigen, kan de garantie voor extern optreden worden toegekend voor individuele financierings- of investeringsverrichtingen.

Alle overeenkomsten met betrekking tot de garantie voor extern optreden worden op verzoek aan het Europees Parlement en aan de Raad ter beschikking gesteld, met inachtneming van de bescherming van vertrouwelijke en commercieel gevoelige informatie. [Am. 269]

3.   De overeenkomsten met betrekking tot de garantie voor extern optreden bevatten in het bijzonder:

a)

nadere bepalingen over de dekking, vereisten, ontvankelijkheid, in aanmerking komende tegenpartijen en procedures;

b)

nadere bepalingen over de voorziening van de garantie voor extern optreden, waaronder de dekkingsregelingen en de vastgestelde dekking van portefeuilles en van projecten van specifieke soorten instrumenten, alsmede een risicoanalyse van de projecten en de projectportefeuilles, ook op sectoraal, regionaal en nationaal niveau;

c)

een vermelding van de doelstellingen en het oogmerk van deze verordening, een inventarisatie van de behoeften en een indicatie van de verwachte resultaten, rekening houdend met het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de noodzaak om verantwoord ondernemerschap te waarborgen, onder meer en met name door naleving van de in artikel 27, lid 2, onder c nonies), bedoelde internationaal overeengekomen richtsnoeren, beginselen en rechtsinstrumenten ; [Am. 270]

d)

de vergoeding van de garantie, die rekening moet houden met het risiconiveau, en met de mogelijkheid dat de vergoeding gedeeltelijk kan worden gesubsidieerd om, in naar behoren gemotiveerde gevallen, soepelere voorwaarden toe te kennen , met name in landen die in een situatie van kwetsbaarheid of conflict verkeren, MOL's en landen met een hoge schuldenlast ; [Am. 271]

e)

voorschriften betreffende het gebruik van de garantie voor extern optreden, waaronder de betalingsvoorwaarden, zoals specifieke termijnen, de op verschuldigde bedragen te betalen rente, uitgaven en invorderingskosten en eventuele vereiste liquiditeitsregelingen;

f)

procedures in verband met vorderingen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de triggergebeurtenissen en wachttermijnen, en procedures met betrekking tot de invordering van schuldvorderingen;

g)

verplichtingen inzake transparant toezicht, en transparante rapportage en evaluatie; [Am. 272]

h)

duidelijke en toegankelijke klachtenprocedures voor derde partijen die nadelige gevolgen zouden kunnen ondervinden van de uitvoering toepassing van met de garantie voor extern optreden ondersteunde projecten. [Am. 273]

4.   De financierings- en investeringsverplichtingen worden door de in aanmerking komende tegenpartij goedgekeurd overeenkomstig haar eigen regels en procedures en met inachtneming van de bepalingen van de overeenkomst met betrekking tot de garantie voor extern optreden.

5.   De garantie voor extern optreden kan betrekking hebben op:

a)

voor schuldinstrumenten: de hoofdsom en alle rente en overeenkomstig de voorwaarden van de financieringsverrichtingen aan de geselecteerde in aanmerking komende tegenpartij verschuldigde, maar niet door haar ontvangen bedragen nadat zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

b)

voor aandeleninstrumenten: de geïnvesteerde bedragen en de daaraan verbonden financieringskosten;

c)

voor andere in artikel 27, lid 2, bedoelde financierings- en investeringsverrichtingen: de gebruikte bedragen en de eraan verbonden financieringskosten;

d)

alle relevante uitgaven en invorderingskosten die verband houden met een wanbetaling, tenzij die in mindering worden gebracht op de opbrengst van de invordering.

5 bis.     Bij het sluiten van overeenkomsten met betrekking tot de garantie voor extern optreden met in aanmerking komende tegenpartijen houdt de Commissie terdege rekening met:

a)

het advies en de richtsnoeren van de strategische en regionale operationele raden;

b)

de doelstellingen van het investeringsvenster;

c)

de ervaring en de operationele, financiële en risicobeheerscapaciteit van de in aanmerking komende tegenpartij;

d)

het bedrag aan eigen middelen en aan medefinanciering van de particuliere sector dat de in aanmerking komende tegenpartij ter beschikking kan stellen voor het investeringsvenster. [Am. 274]

6.   Met het oog op de financiële verslaggeving door de Commissie, haar verslaglegging over de door de garantie voor extern optreden gedekte risico's en overeenkomstig artikel 209, lid 4, van het Financieel Reglement, verstrekken de in aanmerking komende tegenpartijen waarmee een garantieovereenkomst is gesloten, aan de Commissie en de Rekenkamer jaarlijks de financiële verslagen betreffende de onder deze verordening vallende financierings- en investeringsverrichtingen, gecontroleerd door een onafhankelijke externe auditor, die onder meer de volgende informatie bevatten:

a)

de risicobeoordeling van de financierings- en investeringsverrichtingen van de in aanmerking komende tegenpartijen, inclusief informatie over de verplichtingen van de Unie gemeten volgens de in artikel 80 van het Financieel Reglement bedoelde boekhoudregels en de IPSAS;

b)

de uitstaande financiële verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit de EFDO+-operaties die zijn verleend aan de in aanmerking komende tegenpartijen en hun financierings- en investeringsverrichtingen, uitgesplitst per individuele verrichting.

7.   De in aanmerking komende tegenpartijen verstrekken de Commissie op verzoek alle aanvullende informatie die noodzakelijk is opdat de Commissie de krachtens deze verordening op haar rustende verplichtingen kan vervullen , in het bijzonder met betrekking tot de uitvoering van aanbevelingen van de ex-ante-effectbeoordeling inzake mensenrechten, maatschappij, arbeid en milieu en overige selectiecriteria die zijn opgenomen in artikel 27 . [Am. 275]

8.   De Commissie brengt verslag uit over de financieringsinstrumenten, de begrotingsgaranties, de financiële bijstand, overeenkomstig de artikelen 241 en 250 van het Financieel Reglement. Daartoe verstrekken de in aanmerking komende tegenpartijen jaarlijks de nodige informatie om de Commissie in staat te stellen te voldoen aan de rapportageverplichtingen. Daarnaast dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een jaarverslag in als omschreven in artikel 31, lid 6 bis. [Am. 276]

8 bis.     De Commissie of de in aanmerking komende tegenpartijen brengen OLAF onmiddellijk op de hoogte wanneer er op enig moment bij de voorbereiding, uitvoering of afsluiting van onder deze verordening vallende financierings- en investeringsverrichtingen redenen zijn om te vermoeden dat er sprake is van fraude, corruptie, witwassen van geld of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie kunnen worden geschaad. De Commissie of de in aanmerking komende tegenpartijen verstrekken OLAF alle informatie die noodzakelijk is om een volledig en grondig onderzoek uit te voeren. [Am. 277]

Artikel 29 bis

Klachten- en verhaalmechanisme

In verband met mogelijke klachten van derden in partnerlanden, met inbegrip van gemeenschappen en personen die nadeel ondervinden van door het EFDO+ en de garantie voor extern optreden ondersteunde projecten, plaatsen de Commissie en de delegaties van de Europese Unie op hun website rechtstreekse verwijzingen naar de klachtenregelingen van de betrokken tegenpartijen die overeenkomsten hebben gesloten met de Commissie. De Commissie stelt tevens een gecentraliseerd EU-klachtenmechanisme in voor alle projecten in het kader van hoofdstuk IV van deze verordening om het mogelijk te maken rechtstreeks klachten te ontvangen in verband met de behandeling van klachten door in aanmerking komende tegenpartijen. De Commissie houdt rekening met deze informatie in het licht van toekomstige samenwerking met die tegenpartijen. [Am. 278]

Artikel 29 ter

Uitgesloten activiteiten en niet-coöperatieve rechtsgebieden

1.     Met de garantie voor extern optreden worden geen financierings- en investeringsverrichtingen ondersteund die:

a)

verband houden met de militaire sector of de sector staatsveiligheid;

b)

de ontwikkeling ondersteunen van kernenergie — met uitzondering van leningen die overeenkomstig de EINS-verordening worden verstrekt — en fossiele brandstoffen, en de koolstofafhankelijkheid van economieën en samenlevingen in de hand werken;

c)

aanzienlijke externe milieukosten met zich meebrengen, zoals verrichtingen die resulteren in de aantasting van beschermde gebieden, kritieke habitats en erfgoedlocaties waarvoor geen plan voor duurzame ontwikkeling en duurzaam beheer is uitgevoerd;

d)

mensenrechtenschendingen in partnerlanden tot gevolg hebben (bijvoorbeeld door gemeenschappen hun recht op toegang tot en controle over natuurlijke hulpbronnen zoals land te ontzeggen), bijdragen tot de gedwongen ontheemding van bevolkingen, of dwangarbeid of kinderarbeid met zich meebrengen.

2.     Bij hun financierings- en investeringsverrichtingen voldoen de in aanmerking komende tegenpartijen aan het toepasselijke Unierecht en aan internationaal overeengekomen en Unierechtelijke normen, en verlenen zij derhalve geen steun overeenkomstig deze verordening aan projecten die bijdragen aan witwassen van geld, financiering van terrorisme, belastingontwijking, belastingfraude en belastingontduiking. Daarnaast gaan de in aanmerking komende tegenpartijen geen nieuwe verrichtingen aan en verlengen zij geen bestaande verrichtingen met entiteiten die opgericht of gevestigd zijn in rechtsgebieden die in het kader van het desbetreffende beleid van de Unie op de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voorkomen of die krachtens artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad als derde landen met een hoog risico zijn aangemerkt of die in de praktijk niet voldoen aan op Unie- of internationaal niveau overeengekomen fiscale normen inzake transparantie en informatie-uitwisseling. De in aanmerking komende tegenpartijen mogen alleen van dit beginsel afwijken indien het project fysiek wordt uitgevoerd in een van die rechtsgebieden en er geen enkele aanwijzing bestaat dat de betrokken verrichting onder een van de categorieën van de eerste alinea van dit lid valt. Bij het sluiten van overeenkomsten met financiële tussenpersonen nemen de in aanmerking komende tegenpartijen de voorschriften van dit artikel op in de betrokken overeenkomsten en verlangen zij van de financiële tussenpersonen dat zij verslag uitbrengen over de naleving ervan.

3.     Bij haar financierings- en investeringsverrichtingen geeft de in aanmerking komende tegenpartij toepassing aan de Unierechtelijke beginselen en normen inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en met name Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2015/849. De in aanmerking komende tegenpartijen stellen zowel de rechtstreekse financiering als de financiering via tussenpersonen uit hoofde van deze verordening afhankelijk van de openbaarmaking van informatie over de uiteindelijk begunstigden overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 en maken de gegevens van de verslaggeving per land openbaar overeenkomstig artikel 89, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad. [Am. 279]

Artikel 30

Kapitaalparticipatie in een ontwikkelingsbank

De in artikel 6, lid 2, onder a), genoemde portefeuille voor geografische programma's kan worden gebruikt om bij te dragen aan het kapitaal van Europese en andere instellingen voor ontwikkelingsfinanciering.

Hoofdstuk V

Toezicht, verslaglegging en evaluatie

Artikel 31

Toezicht en verslaglegging

-1.     De verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening wordt gemeten aan de hand van een geschikt, transparant en aan verantwoording onderworpen toezichts-, verslagleggings- en evaluatiesysteem. Hierbij wordt gezorgd voor een passende betrokkenheid van het Europees Parlement en de Raad en voor een grotere deelname van alle Uniepartners, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, aan de toepassing van de programma's. [Am. 280]

1.   Indicatoren om verslag uit te brengen in het kader van deze verordening over de vorderingen bij de verwezenlijking van de in artikel 3 , lid 2, vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage VII, in overeenstemming met de indicatoren voor de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling. Aan de hand van de waarden van de indicatoren op 1 januari 2021 wordt beoordeeld in welke mate de doelstellingen zijn bereikt. [Am. 281]

2.   De Commissie onderwerpt haar acties geregeld aan toezicht en evalueert regelmatig de vorderingen op weg naar het bereiken van de verwachte streefdoelen als vastgelegd in artikel 3, en de verwachte resultaten, in termen van opbrengsten en uitkomsten. [Am. 282]

De vooruitgang met betrekking tot de verwachte resultaten moet worden wordt gevolgd op basis van duidelijke, transparante en meetbare indicatoren, in voorkomend geval als vastgesteld in bijlage VII en in het kader voor toezicht en evaluatie als vastgesteld krachtens lid 9 , alsook in overeenstemming met de bepalingen betreffende de uitvoering van de begroting van de Unie . Het aantal indicatoren wordt beperkt gehouden om tijdige rapportage te vergemakkelijken en de indicatoren worden minimaal uitgesplitst naar geslacht en leeftijd . [Am. 283]

3.   Gezamenlijke resultatenkaders die zijn opgenomen in gezamenlijke programmeringsdocumenten die voldoen aan de criteria van artikel 12, lid 4, vormen de basis voor het gezamenlijke toezicht door de Unie en de lidstaten van de uitvoering toepassing van hun gezamenlijke steun aan een partnerland. [Am. 284]

Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering toepassing en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Te dien einde worden evenredige rapportagevereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie. [Am. 285]

4.   De Commissie onderzoekt de vooruitgang bij de uitvoering toepassing van deze verordening. Vanaf 2022 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad jaarlijks verslag uit over de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, op basis van indicatoren – waaronder, maar niet beperkt tot, de in bijlage VII vastgestelde indicatoren en in overeenstemming met de uitvoering van de begroting van de Unie – die de behaalde resultaten en de doeltreffendheid van de verordening meten. Dat verslag wordt tevens voorgelegd aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 286]

5.   Het jaarverslag bevat gegevens over het voorafgaande jaar inzake de gefinancierde maatregelen, de resultaten van het toezicht en de evaluatie, de betrokkenheid en het niveau van samenwerking van de relevante partners en de uitvoering toepassing van de vastleggings- en de betalingskredieten, uitgesplitst per land, regio en samenwerkingssector. Het verslag omvat een beoordeling van de geboekte vooruitgang wat betreft de verwachte resultaten en de integratie van horizontale thema's als vermeld in artikel 8, lid 6. Het verslag bevat een beoordeling van de resultaten van de financiering van de Unie, voor zover mogelijk aan de hand van specifieke en meetbare indicatoren, en van de rol die de financiering heeft gespeeld bij het bereiken van de doelstellingen van deze verordening. Voor ontwikkelingssamenwerking wordt in het verslag ook, waar mogelijk en passend, beoordeeld in hoeverre de beginselen van doeltreffendheid van de hulp in acht zijn genomen, ook voor innovatieve financieringsinstrumenten. [Am. 287]

6.   Het in 2021 op te stellen verslag brengt informatie samen uit de jaarverslagen betreffende de periode van 2014 tot 2020 over alle financieringsmiddelen die onder de in artikel 40 39 , lid 2, genoemde verordeningen vallen, waaronder externe bestemmingsontvangsten en bijdragen aan trustfondsen, uitgesplitst per begunstigd land, gebruik van financieringsinstrumenten, vastleggingen en betalingen. In het verslag worden de voornaamste geleerde lessen vermeld alsook de follow-up van de aanbevelingen uit de externe evaluaties die in voorgaande jaren zijn uitgevoerd. Het bevat tevens een beoordeling om na te gaan of de personeelscapaciteit op het niveau van de centrale diensten en de delegaties van de Unie toereikend is om alle doelstellingen die onder deze verordening vallen te verwezenlijken. [Am. 288]

6 bis.     De Commissie brengt in het kader van het jaarverslag uitvoerig verslag uit over de financierings- en investeringsverrichtingen die worden gedekt door de garantie voor extern optreden, over de werking van het EFDO+, het beheer ervan en de daadwerkelijke bijdrage van het fonds aan de doelstellingen daarvan. Dit onderdeel van het jaarverslag gaat vergezeld van een advies van de Rekenkamer. Het omvat de volgende elementen:

a)

een beoordeling van de resultaten die bijdragen aan de verwezenlijking van het doel en de doelstellingen van het EFDO+ als vastgesteld in deze verordening;

b)

een beoordeling van de lopende door de garantie voor extern optreden gedekte financierings- en investeringsverrichtingen op sector-, land- en regionaal niveau en van de overeenstemming ervan met deze verordening, met inbegrip van de risicomaatregelen en de invloed daarvan op de financiële en economische stabiliteit van de partners;

c)

een beoordeling van de additionaliteit en de toegevoegde waarde, het aantrekken van middelen van de particuliere sector, de geraamde en feitelijke output en de resultaten en gevolgen van de door de garantie voor extern optreden gedekte financierings- en investeringsverrichtingen op geaggregeerde basis, met inbegrip van het effect op het scheppen van fatsoenlijke banen en het vermogen om te voorzien in leefbare lonen, de uitbanning van armoede en het terugdringen van ongelijkheid; die beoordeling omvat een genderanalyse van de gedekte verrichtingen, op basis van bewijsmateriaal en, indien mogelijk, naar geslacht uitgesplitste gegevens, en een analyse van de soorten spelers uit de particuliere sector die worden ondersteund, waaronder coöperaties en sociale ondernemingen;

d)

een beoordeling om na te gaan of de voorschriften betreffende het gebruik van de garantie voor extern optreden zijn nageleefd en of de voor elk ingediend voorstel vastgestelde essentiële prestatie-indicatoren zijn gehaald;

e)

een beoordeling van het hefboomeffect dat is gecreëerd door middel van de door de garantie voor extern optreden en het EFDO+ gedekte verrichtingen;

f)

het financiële bedrag dat de begunstigden hebben ontvangen en een beoordeling van de financierings- en investeringsverrichtingen van elke in aanmerking komende tegenpartij op geaggregeerde basis;

g)

een beoordeling van de additionaliteit en toegevoegde waarde van de financierings- en investeringsverrichtingen van de in aanmerking komende tegenpartijen en van de aan die verrichtingen verbonden geaggregeerde risico's;

h)

gedetailleerde informatie over het beroep dat is gedaan op de garantie voor extern optreden, over verliezen, opbrengsten, teruggevorderde bedragen en andere ontvangen betalingen, alsmede de algehele risicoblootstelling;

i)

de financiële verslagen betreffende de financierings- en investeringsverrichtingen van de in aanmerking komende tegenpartijen die onder deze verordening vallen, gecontroleerd door een onafhankelijke externe controleur;

j)

een beoordeling van de synergieën en complementariteit tussen door de garantie voor extern optreden gedekte verrichtingen en de tweede en derde pijler van het plan voor externe investeringen (EIP), op basis van relevante bestaande verslagen, met bijzondere aandacht voor de geboekte vooruitgang op het gebied van goed bestuur, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en illegale geldstromen, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en genderresponsief beleid, alsook een beoordeling van de mate waarin ondernemerschap, het plaatselijk ondernemingsklimaat en de plaatselijke financiële markten worden gestimuleerd;

k)

een beoordeling waarin wordt nagegaan of de garanties voor extern optreden in overeenstemming zijn met de internationaal overeengekomen beginselen inzake doeltreffende ontwikkelingshulp;

l)

een beoordeling van de vergoeding van de garanties;

m)

een beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende uitgesloten activiteiten en niet-coöperatieve rechtsgebieden. [Am. 289]

7.   Op basis van de goedgekeurde indicatieve programmeringsdocumenten wordt een jaarlijkse raming opgesteld van de totale uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit de in deze verordening vastgestelde streefdoelen . De financiering die in het kader van deze verordening wordt toegewezen, wordt, zonder uitsluiting van het gebruik van nauwkeuriger methodieken indien deze beschikbaar zijn, onderworpen aan een jaarlijks traceringssysteem op basis van de methode van de OESO , waaronder (“Rio markers”), dat geïntegreerd wordt in de bestaande methode voor het prestatiebeheer van de Unieprogramma's, om de in evaluaties en in het jaarverslag opgenomen uitgaven voor klimaatactie , biodiversiteit en milieu, menselijke ontwikkeling en sociale inclusie, gendergelijkheid en biodiversiteit officiële ontwikkelingshulp te kwantificeren met betrekking tot op het niveau van de in artikel 19 bedoelde actieplannen en maatregelen en in evaluaties. De Commissie doet de raming als onderdeel van het jaarverslag toekomen aan het Europees Parlement. [Am. 290]

8.   De Commissie stelt informatie betreffende de beschikbaar betreffende ontwikkelingssamenwerking volgens erkende internationale normen beschikbaar , waaronder die van de Internationale Arbeidsorganisatie en door gebruik te maken van het kader voor een gemeenschappelijke norm dat door het Internationale Initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp is ontwikkeld . [Am. 291]

9.   Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening te waarborgen, wordt stelt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage VII te wijzigen, teneinde de indicatoren indien nodig te herzien of aan te vullen , onder meer in het kader van de tussentijdse herziening overeenkomstig artikel 32, en teneinde deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een toezichts- en evaluatiekader , mogelijk door de invoering van aanvullende prestatie-indicatoren voor elk van de specifieke doelstellingen van deze verordening . [Am. 292]

Artikel 32

Tussentijdse herziening en e valuatie [Am. 293]

1.   Er wordt een tussentijdse evaluatie van de verordening uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van de verordening beschikbaar is, maar uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het instrument is begonnen Uiterlijk op 30 juni 2024 dient de Commissie een tussentijds evaluatieverslag in over de toepassing van deze verordening. Dit tussentijdse evaluatieverslag bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 en onderzoekt hoe de Unie bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, aan de hand van indicatoren waarmee de behaalde resultaten worden gemeten, alsook de eventuele bevindingen en conclusies betreffende het effect van deze verordening, met inbegrip van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ en de garantie voor extern optreden . [Am. 294]

Het Europees Parlement kan een bijdrage leveren aan deze evaluatie. De Commissie en de EDEO organiseren een raadpleging van de belangrijkste belanghebbenden en begunstigden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties. In het bijzonder zorgen de Commissie en de EDEO ervoor dat de meest gemarginaliseerde personen en groepen worden vertegenwoordigd. [Am. 295]

Door middel van externe evaluaties beoordeelt de Commissie tevens de effecten en de doeltreffendheid van haar acties per actiegebied, alsook de doeltreffendheid van de programmering. De Commissie en de EDEO houden rekening met voorstellen en standpunten van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot onafhankelijke externe evaluaties. De evaluaties maken waar passend van toepassing gebruik van de beginselen van goede praktijken van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO, om na te gaan of de doelstellingen zijn verwezenlijkt en om aanbevelingen te kunnen opstellen met het oog op de verbetering van toekomstige acties. In de tussentijdse evaluatie wordt beoordeeld hoe de Unie heeft gepresteerd met betrekking tot de streefdoelen van deze verordening. [Am. 296]

2.   Aan het einde van de uitvoering van de verordening, maar uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de verordening uit. Deze evaluatie beoordeelt hoe de Unie bijdraagt tot de verwezenlijking In het tussentijds evaluatieverslag wordt tevens aandacht besteed aan efficiëntie, de toegevoegde waarde, de werking van de vereenvoudigde en gestroomlijnde financieringsstructuur, interne en externe samenhang, de blijvende relevantie van de doelstellingen van deze verordening, rekening houdend met de indicatoren voor het meten van de resultaten en eventuele bevindingen en conclusies inzake het effect van deze verordening de complementariteit en synergieën tussen de gefinancierde acties, de bijdrage van de maatregelen aan een samenhangend extern optreden van de Unie, en in voorkomend geval de mate waarin de bevolking van de ontvangende landen zich bewust is van de financiële steun van de Unie, en in het verslag worden de bevindingen van de in artikel 31, lid 4, bedoelde verslagen opgenomen . [Am. 297]

In het definitieve evaluatieverslag wordt ook aandacht besteed aan de efficiëntie, de toegevoegde waarde, de mogelijkheden voor vereenvoudiging, de interne en externe samenhang en de blijvende relevantie van de doelstellingen van deze verordening. [Am. 298]

Het specifieke doel van het definitieve tussentijdse evaluatieverslag is het verbeteren van de uitvoering toepassing van de financiering van de Unie. Het bevat informatie betreffende besluiten voor het verlengen, wijzigen of opschorten van de soorten acties die in het kader van deze verordening worden uitgevoerd. [Am. 299]

Het verslag tussentijds evaluatieverslag brengt ook informatie samen uit de relevante jaarverslagen over alle middelen die onder deze verordening vallen, waaronder externe bestemmingsontvangsten en bijdragen aan trustfondsen, uitgesplitst in uitgaven per begunstigd land, gebruik van financieringsinstrumenten, vastleggingen en betalingen , alsook per geografisch en thematisch programma en per actie voor snelle respons, met inbegrip van financiering die is vrijgemaakt uit de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten . [Am. 300]

De Commissie zendt de conclusies van de evaluaties, vergezeld van haar opmerkingen, via het in artikel 35 bedoelde desbetreffende comité toe aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten. Specifieke evaluaties kunnen op verzoek van de lidstaten in dat comité worden besproken. De resultaten daarvan worden gebruikt bij de opzet van programma's en de toewijzing van middelen. [Am. 301]

De Commissie betrekt alle relevante belanghebbenden op passende wijze en begunstigden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, bij de evaluatie van de financiering van de Unie waarin deze verordening voorziet en kan, in voorkomend geval, ernaar streven om gezamenlijke evaluaties met de lidstaten en de ontwikkelingspartners te verrichten, met nauwe betrokkenheid van de partnerlanden. [Am. 302]

2 bis.     De Commissie dient het in lid 2 bedoeld tussentijds evaluatieverslag in bij het Europees Parlement en de Raad. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen waarin noodzakelijke wijzigingen van deze verordening worden uiteengezet. [Am. 303]

2 ter.     Aan het einde van de toepassingsperiode van deze verordening en uiterlijk drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de verordening uit onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing zijn op de in lid 2 van dit artikel bedoelde tussentijdse evaluatie. [Am. 304]

3.   Overeenkomstig de specifieke rapportagebepalingen van het Financieel Reglement beoordeelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2025, en vervolgens om de drie jaar, de inzet en de werking van de garantie voor extern optreden. De Commissie dient haar evaluatieverslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad. Dit evaluatieverslag gaat vergezeld van een advies van de Rekenkamer.

TITEL III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

Deelname van landen of gebieden die niet onder de verordening vallen

1.   In naar behoren gemotiveerde gevallen en wanneer de uit toe te voeren passen actie mondiaal, transregionaal of regionaal van aard is, kan is de Commissie binnen de relevante meerjarige indicatieve programma's of binnen de relevante actieplannen of maatregelen besluiten tot uitbreiding van het toepassingsgebied met het oog op die acties bevoegd om overeenkomstig artikel 34 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot aanvulling van de acties tot deze verordening door landen en gebieden die niet onder deze verordening vallen overeenkomstig artikel 4, met het oog op de samenhang en de doeltreffendheid toe te voegen aan van de financiering van de Unie of om regionale of regio-overschrijdende samenwerking te bevorderen de lijst van landen en gebieden die overeenkomstig artikel 4 onder deze verordening vallen . [Am. 305]

2.   De Commissie kan een specifieke financiële toewijzing opnemen om partnerlanden en -regio's te helpen hun samenwerking te versterken met aan de Unie grenzende ultraperifere regio's en met landen en gebieden overzee die onder het LGO-besluit vallen. Te dien einde kan deze verordening, in voorkomend geval en op basis van wederkerigheid en evenredigheid met betrekking tot de hoogte van de financiering uit het LGO-besluit en/of de toekomstige ETS-verordening, bijdragen aan maatregelen die worden uitgevoerd door een partnerland en -regio of enige andere entiteit in het kader van deze verordening, door een land, gebied of een andere entiteit in het kader van het LGO-besluit of door een ultraperifere regio van de Unie in het kader van gemeenschappelijke operationele programma's, of aan programma's voor interregionale samenwerking of maatregelen die zijn vastgesteld en ten uitvoer worden gelegd in het kader van de ETS-verordening. [Am. 306]

Artikel 33 bis

Samenwerking van partnerlanden en -regio's met aan de Unie grenzende ultraperifere regio's en met landen en gebieden overzee

1.     De Commissie kan een specifieke financiële toewijzing opnemen om partnerlanden en -regio's te helpen hun samenwerking te versterken met aan de Unie grenzende ultraperifere regio's en met landen en gebieden overzee die onder het LGO-besluit van de Raad vallen. Te dien einde kan deze verordening, in voorkomend geval en op basis van wederkerigheid en evenredigheid met betrekking tot de hoogte van de financiering uit het LGO-besluit en/of de toekomstige ETS-verordening, bijdragen aan maatregelen die worden toegepast door een partnerland en -regio of enige andere entiteit in het kader van deze verordening, door een land, gebied of een andere entiteit in het kader van het LGO-besluit of door een ultraperifere regio van de Unie in het kader van gemeenschappelijke operationele programma's, of aan programma's voor interregionale samenwerking of maatregelen die zijn vastgesteld en worden toegepast in het kader van de ETS-verordening.

2.     Het medefinancieringspercentage van de Unie mag niet meer bedragen dan 90 % van de subsidiabele uitgaven van een programma of maatregel. Voor technische bijstand bedraagt het medefinancieringspercentage 100 %. [Am. 307]

Artikel 34

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de voorwaarden van dit artikel.

2.   De in artikel 4, lid 6, artikel 26, lid 3 8, lid 7 bis, artikel 8, lid 8 ter, artikel 14, lid 1, artikel 15 bis, artikel 17, lid 4, artikel 21, lid 3 bis, artikel 26, lid 4, artikel 27, lid 9, en en artikel 33, lid 1 , bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor de looptijd van deze verordening. De Commissie stelt die gedelegeerde handelingen zo snel mogelijk vast. De in artikel 8, lid 7 bis, artikel 8, lid 8 ter, artikel 17, lid 4, en artikel 31, lid 9, bedoelde gedelegeerde handelingen worden echter uiterlijk op … [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] vastgesteld . [Am. 308]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kunnen de in artikel 4, lid 6, artikel 26, lid 3, artikel 8, lid 7 bis, artikel 8, lid 8 ter, artikel 14, lid 1, artikel 15 bis, artikel 17, lid 4, artikel 21, lid 3 bis, artikel 26, lid 4, artikel 27, lid 9, en artikel 31, lid 9, en artikel 33, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 309]

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 4, lid 6, artikel 26, lid 3, artikel 8, lid 7 bis, artikel 8, lid 8 ter, artikel 14, lid 1, artikel 15 bis, artikel 17, lid 4, artikel 21, lid 3 bis, artikel 26, lid 4, artikel 27, lid 9, en artikel 31, lid 9, , en artikel 33, lid 1 , vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 310]

Artikel 34 bis

Spoedprocedure

1.     Indien dit in geval van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen of onmiddellijke bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen en is de in de leden 2 en 3 van dit artikel neergelegde procedure van toepassing.

2.     Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 3. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

3.     Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 34, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt. [Am. 311]

Artikel 34 ter

Democratische verantwoordingsplicht

1.     Teneinde de dialoog tussen de instellingen van de Unie en met name het Europees Parlement, de Commissie en de EDEO te bevorderen, een grotere transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen en de doelmatigheid van de vaststelling door de Commissie van handelingen en maatregelen te verzekeren, kan het Europees Parlement de Commissie en de EDEO verzoeken voor het Parlement te verschijnen om de strategische oriëntatie en richtsnoeren met betrekking tot de programmering in het kader van deze verordening te bespreken. Die dialoog komt tevens de algehele samenhang van alle externe financieringsinstrumenten ten goede, in overeenstemming met artikel 5. Die dialoog kan plaatsvinden voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen en van de jaarlijkse ontwerpbegroting door de Commissie. Die dialoog kan in het licht van belangrijke politieke ontwikkelingen en op verzoek van het Europees Parlement, de Europese Commissie of de EDEO ook op ad-hocbasis plaatsvinden.

2.     De Commissie en de EDEO dienen bij het Europees Parlement ten minste één maand voorafgaand aan de dialoog alle ter zake doende documenten in. Voor de dialoog met betrekking tot de jaarlijkse begroting verstrekken de Commissie en de EDEO geconsolideerde informatie over alle overeenkomstig artikel 21 vastgestelde of geplande actieplannen en maatregelen, informatie inzake samenwerking per land, regio en thematisch gebied en het gebruik van acties voor snelle respons, de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten en de garantie voor extern optreden.

3.     De Commissie en de EDEO houden zoveel mogelijk rekening met het standpunt van het Europees Parlement. Indien de Commissie of de EDEO geen rekening houdt met het standpunt van het Europees Parlement, wordt hiervoor een degelijke motivering verstrekt.

4.     De Commissie en de EDEO zijn er met name via de in artikel 38 quater bedoelde stuurgroep voor verantwoordelijk om het Europees Parlement op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de toepassing van deze verordening, in het bijzonder over lopende maatregelen en acties alsook resultaten. [Am. 312]

Artikel 35

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   In gevallen waarin het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

5.   Het vastgestelde besluit blijft van toepassing gedurende de geldigheidsduur van het vastgestelde of gewijzigde document, actieprogramma of maatregel.

6.   Een waarnemer van de Europese Investeringsbank neemt deel aan de werkzaamheden van het comité voor wat betreft kwesties die betrekking hebben op de Europese Investeringsbank. [Am. 313]

Artikel 36

Informatie Transparantie , communicatie en publiciteit openbaarmaking van informatie [Am. 314]

1.   De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren. De Commissie is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van deze voorschriften door de ontvangers. [Am. 315]

2.   De Commissie voert past informatie- en communicatieacties uit toe met betrekking tot deze verordening, de acties en de resultaten ervan. De aan deze verordening toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij direct verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen. [Am. 316]

2 bis.     De Commissie treft maatregelen ter versterking van strategische communicatie en publieksdiplomatie met het oog op het uitdragen van de waarden en de toegevoegde waarde van de Unie. [Am. 317]

2 ter.     De Commissie richt één alomvattend openbaar centraal elektronisch register in met alle in het kader van deze verordening gefinancierde acties, met inbegrip van de criteria die worden gehanteerd voor het vaststellen van de behoeften van de partners met betrekking tot de toewijzing van middelen, en werkt dit register regelmatig bij, met uitzondering van de acties waarvan wordt gedacht dat ze aanleiding geven tot veiligheidskwesties of lokale politieke gevoeligheden overeenkomstig artikel 37. [Am. 318]

2 quater.     Het register omvat tevens informatie over alle financierings- en investeringsverrichtingen, met inbegrip van verrichtingen op individueel en projectniveau, en de essentiële onderdelen van alle EFDO+-garantieovereenkomsten, met inbegrip van informatie over de juridische identiteit van in aanmerking komende tegenpartijen, verwachte ontwikkelingsvoordelen en klachtenprocedures, met inachtneming van de bescherming van vertrouwelijke en commercieel gevoelige informatie. [Am. 319]

2 quinquies.     In overeenstemming met hun transparantiebeleid en de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming en de toegang tot documenten en informatie, maken de in aanmerking komende tegenpartijen van het EFDO+ op hun websites proactief en systematisch informatie bekend over alle financierings- en investeringsverrichtingen die door de garantie voor extern optreden worden gedekt, en in het bijzonder over de wijze waarop die verrichtingen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen en vereisten van deze verordening. Die informatie wordt uitgesplitst op projectniveau. Bij deze informatieverstrekking wordt altijd rekening gehouden met de bescherming van vertrouwelijke en commercieel gevoelige informatie. In aanmerking komende tegenpartijen vermelden ook de steun van de Unie in alle informatie die zij bekendmaken over de financierings- en investeringsverrichtingen die overeenkomstig deze verordening door de garantie voor extern optreden worden gedekt. [Am. 320]

Artikel 37

Afwijking van zichtbaarheidsvereisten

Veiligheidskwesties of lokale politieke gevoeligheden kunnen het wenselijk of noodzakelijk maken om de communicatie en zichtbaarheid in bepaalde landen of gebieden of tijdens bepaalde perioden te beperken. In dergelijke gevallen worden de doelgroep en de instrumenten, producten en kanalen die worden gebruikt in verband met de zichtbaarheid van een bepaalde actie, per geval bepaald, in overleg en overeenstemming met de Unie. Indien snel optreden vereist is naar aanleiding van een plotse crisis, is het niet nodig om onmiddellijk een volledig communicatie- en zichtbaarheidsplan voor te leggen. In dergelijke gevallen wordt de steun van de Unie echter van meet af aan op passende wijze vermeld.

Artikel 38

EDEO-clausule

Deze verordening is van toepassing overeenkomstig Besluit 2010/427/EU. [Am. 321]

Artikel 38 bis

Beheer

Een horizontale stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken diensten van de Commissie en EDEO en onder voorzitterschap van de VV/HV of een vertegenwoordiger van die dienst, is verantwoordelijk voor het aansturen, coördineren en beheren van dit instrument gedurende de gehele beheercyclus, met het oog op het waarborgen van samenhang, efficiëntie, transparantie en verantwoordingsplicht in verband met alle externe financiering van de Unie. De VV/HV zorgt voor de algemene politieke coördinatie van het externe optreden van de Unie. Voor alle acties, met inbegrip van acties voor snelle respons en buitengewone steunmaatregelen, en gedurende de volledige cyclus van programmering, planning en toepassing van het instrument, werken de hoge vertegenwoordiger en de EDEO samen met alle relevante leden en diensten van de Commissie, vastgesteld op basis van de aard en doelstellingen van de geplande actie, waarbij wordt voortgebouwd op hun deskundigheid. Alle voorstellen worden volgens de Commissieprocedures voorbereid en worden ter fine van besluit aan de Commissie voorgelegd.

Het Europees Parlement wordt ten volle betrokken bij de opzet, programmering, monitoring en evaluatie van de instrumenten om politieke en democratische controle en verantwoordingsplicht in verband met Uniefinanciering op het gebied van het externe optreden te waarborgen. [Am. 322]

Artikel 39

Intrekking en overgangsbepalingen

1.   Besluit nr. 466/2014/EU, Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 en Verordening (EU) 2017/1601 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

2.   De financiële middelen voor deze verordening kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen deze verordening en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de voorlopers ervan: Verordening (EU) nr. 233/2014; Verordening (EU) nr. 232/2014; Verordening (EU) nr. 230/2014; Verordening (EU) nr. 235/2014; Verordening (EU) nr. 234/2014, Verordening (Euratom) nr. 237/2014, Verordening (EU) nr. 236/2014, Besluit nr. 466/2014/EU, Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 en Verordening (EU) 2017/1601.

3.   De financiële middelen voor deze verordening kunnen dienen ter dekking van uitgaven in verband met de voorbereiding van een opvolger van deze verordening.

4.   Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zullen zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 20, lid 1, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 40

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de […] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 . [Am. 323]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 45 van 4.2.2019, blz. 1.

(2)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 163.

(3)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 295.

(4)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 maart 2019.

(5)  “Onze wereld transformeren: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”, goedgekeurd op de VN-top inzake duurzame ontwikkeling op 25 september 2015 (A/RES/70/1).

(6)  Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).

(7)  Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27).

(10)  Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85).

(12)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 77).

(13)  Verordening (Euratom) nr. 237/2014 van de Raad van 13 december 2013 tot invoering van een instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 109).

(14)  Verordening (EU) nr. 236/2014 het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 95).

(15)  Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad van 25 mei 2009 tot instelling van een Garantiefonds (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 10).

(16)  Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds.

(17)  Ondertekend in New York op 22 april 2016.

(18)  De actieagenda van Addis Abeba over de derde internationale conferentie over de financiering van ontwikkeling, goedgekeurd op 16 juni 2015 en aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 juli 2015 (A/RES/69/313).

(19)  “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa. Een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie”, juni 2016.

(20)  “De nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling: onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst”, Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Europese Commissie, 8 juni 2017.

(21)  Kader van Sendai voor rampenrisicovermindering, goedgekeurd op 18 maart 2015 en aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 3 juni 2015 (A/RES/69/283).

(22)  Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid, 18 november 2015.

(23)   Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).

(24)  COM(2018)0465, voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III).

(25)  Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1).

(26)  COM(2018)0461, voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds (LGO-besluit).

(27)  COM(2018)0462, voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een Europees instrument voor nucleaire veiligheid, ter aanvulling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking op basis van het Euratom-Verdrag.

(28)  C(2018)3800, voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit.

(29)  COM(2018)0367, voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013.

(30)   COM(2018)0366, voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013.

(31)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(32)  Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende … (PB …).

(33)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(34)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(35)  Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds.

(36)  Besluit 77/270/Euratom van de Raad van 29 maart 1977 waarbij de Commissie wordt gemachtigd tot het aangaan van Euratom-leningen teneinde een bijdrage te leveren tot de financiering van kerncentrales (PB L 88 van 6.4.1977, blz. 9).

(37)  Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende … (PB …).

(38)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(39)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(40)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(41)  PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.

(42)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(43)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(44)  Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven, PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1-14.

(45)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(46)  Verordening […] van het Europees Parlement en de Raad betreffende het instrument voor pretoetredingssteun (PB L …).

(47)  COM(2018)0374, voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden.

(48)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(49)  Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40).

BIJLAGE I

LIJST VAN LANDEN EN GEBIEDEN IN DE NABUURSCHAPSREGIO

Algerije

Armenië

Azerbeidzjan

Belarus

Egypte

Georgië

Israël

Jordanië

Libanon

Libië

De Republiek Moldavië

Marokko

Bezet Palestijns gebied

Syrië

Tunesië

Oekraïne

Steun van de Unie voor deze gebieden kan ook worden gebruikt om de Russische Federatie in staat te stellen deel te nemen aan programma's voor grensoverschrijdende samenwerking en andere relevante meerlandenprogramma's , met inbegrip van samenwerking op onderwijsgebied, met name in de vorm van studentenuitwisselingen . [Am. 324]

BIJLAGE II

SAMENWERKINGSGEBIEDEN VOOR GEOGRAFISCHE PROGRAMMA'S

A.   Voor alle geografische regio's

MENSEN

1.

Goed bestuur, democratie, de rechtsstaat en mensenrechten

a)

Versterking van de democratie en inclusieve democratische processen, goed bestuur en toezicht, met inbegrip van een onafhankelijke rechterlijke macht, de rechtsstaat en transparante , vreedzame en geloofwaardige verkiezingsprocessen; [Am. 325]

b)

versterking van de bevordering en bescherming van de mensenrechten als vastgesteld in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en de fundamentele vrijheden uitvoering van de bijbehorende internationale instrumenten, ondersteuning en bescherming van mensenrechtenverdedigers, bijdragen aan de uitvoering van mondiale en regionale pacten en kaders, uitbreiding van het vermogen van het maatschappelijk middenveld om deze uit te voeren en te controleren, en het leggen van de basis voor de totstandkoming van een juridisch kader voor de bescherming van personen die ontheemd zijn geraakt als gevolg van de klimaatverandering ; [Am. 326]

c)

bevordering van de strijd tegen alle vormen van discriminatie, en van het beginsel van gelijkheid, meer speciaal in het bijzonder gendergelijkheid , de rechten en empowerment van vrouwen en meisjes, en de rechten van kinderen en jongeren, personen met een handicap, personen die tot een minderheid behoren , LGBTI's en inheemse volkeren ; [Am. 327]

d)

steun aan een bloeiend maatschappelijk middenveld en , versterking van zijn rol in in politieke transities, hervormingsprocessen en democratische veranderingen, en bevordering van een faciliterende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de betrokkenheid van burgers bij de het politieke leven en bij de controle van de besluitvorming; [Am. 328]

e)

verbetering van de pluriformiteit, onafhankelijkheid en professionaliteit van vrije en onafhankelijke media;

f)

vergroting van de weerbaarheid van staten, samenlevingen, gemeenschappen en personen , zodat zij klaar zijn om te weerstaan en zich aan politieke, economische, te passen aan , en snel te herstellen van ecologische en economische schokken , door de natuur , nutritionele, demografische en maatschappelijke spanningen en schokken de mens veroorzaakte rampen, conflicten en gezondheids- en voedselzekerheidscrises ; [Am. 329]

g)

versterking van de ontwikkeling van democratische overheidsinstellingen op internationaal, nationaal en subnationaal niveau, met inbegrip van een onafhankelijk, doeltreffend, efficiënt en verantwoordingsplichtig gerechtelijk apparaat, de bevordering van de rechtsstaat , internationale justitie, verantwoordingsplicht en toegang tot justitie voor iedereen; [Am. 330]

h)

ondersteuning van de hervormingsprocessen van het openbaar bestuur, met inbegrip van op de burger gerichte e-overheid, versterking van juridische kaders en instellingen, nationale statistische stelsels, capaciteiten, goed beheer van de overheidsfinanciën, en bijdrage aan de bestrijding van corruptie , belastingontwijking, belastingontduiking en agressieve belastingplanning ; [Am. 331]

i)

bevordering van inclusief, evenwichtig en geïntegreerd territoriaal en stedelijk beleid via de versterking van overheidsinstellingen en organen op nationaal en subnationaal niveau en ondersteuning van doelmatige decentralisering en statelijke herstructureringsprocessen;

j)

vergroting van de transparantie en de verantwoordingsplicht van overheidsinstellingen, versterking van het beheer van de overheidsfinanciën en overheidsopdrachten, onder meer door de ontwikkeling van (ecologische, sociale en economische) duurzaamheidscriteria en -streefcijfers aan te moedigen, ontwikkeling van de e-overheid en versterking van de dienstverlening; [Am. 332]

k)

ondersteuning van het duurzame, controleerbare en transparante beheer van natuurlijke hulpbronnen en aanverwante bronnen van inkomsten, zorgen voor eerlijk, rechtvaardig en duurzaam fiscaal beleid;

k bis)

bevordering van de parlementaire democratie. [Am. 333]

2.

Uitbanning van armoede, terugdringing van ongelijkheid en menselijke ontwikkeling

a)

Uitbanning van armoede in al haar dimensies, aanpakken van discriminatie en ongelijkheid, en niemand aan zijn lot overlaten , en de meest achtergestelden eerst bereiken door prioriteit toe te kennen aan investeringen in overheidsdiensten op het gebied van gezondheid, voeding, onderwijs en sociale bescherming ; [Am. 334]

b)

opvoering van inspanningen voor de vaststelling van beleid en gepaste investeringen die nodig zijn om vrouwen- de rechten van vrouwen, jongeren en jongerenrechten kinderen en van personen met een handicap te bevorderen, alsmede te beschermen en na te leven, om hun participatie in en zinvolle deelname aan het sociale, maatschappelijke en economische leven te vergemakkelijken , en om te garanderen dat zij ten volle kunnen bijdragen aan inclusieve groei en duurzame ontwikkeling; [Am. 335]

c)

bevordering van de bescherming en naleving van de rechten van vrouwen en meisjes en hun empowerment , waaronder economische, arbeids- en sociale rechten, landrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en het voorkomen van en bieden van bescherming tegen seksueel en alle vormen van gendergerelateerd geweld; dit houdt onder meer de bevordering in van toegang voor iedereen tot uitgebreide informatie over seksuele en reproductieve gezondheid en seksuele voorlichting, alsook de bevordering van samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie voor nieuwe en betere instrumenten voor seksuele en reproductieve gezondheidszorg, waaronder gezinsplanning, voornamelijk waar beperkte middelen beschikbaar zijn ; [Am. 336]

d)

bijzondere aandacht voor jongeren die zich in een achterstandsituatie bevinden, kwetsbare en gemarginaliseerde personen, onder meer kinderen, ouderen, personen met een beperking, LGBTI en inheemse volkeren; dit omvat het bevorderen van de overgang van institutionele naar gemeenschapszorg voor kinderen met en zonder een handicap ; [Am. 337]

e)

bevordering van een geïntegreerde aanpak ter ondersteuning van gemeenschappen, met name de armste en moeilijkst te bereiken , door de universele toegang tot elementaire behoeften en diensten te verbeteren , met name op het gebied van gezondheid — met inbegrip van diensten, informatie en beschikbaarheid van materiaal op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid — onderwijs, voeding en sociale bescherming ; [Am. 338]

f)

kinderen, vooral de meest gemarginaliseerde, de best mogelijke start in het leven geven door in de ontwikkeling van jonge kinderen te investeren en ervoor te zorgen dat kinderen die in een situatie van armoede of ongelijkheid leven toegang hebben tot basisdiensten, onder meer op het gebied van gezondheid, voeding, onderwijs en sociale bescherming; ondersteuning van het creëren van een veilige en vruchtbare omgeving voor kinderen als belangrijk stimulerend element voor een gezonde jonge bevolking die in staat is haar volledige potentieel waar te maken , waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de behoeften van meisjes ; [Am. 339]

g)

ondersteuning van de universele toegang tot voldoende, betaalbaar, veilig en voedzaam voedsel, met name voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen jonger dan vijf jaar, adolescenten, zowel meisjes als jongens, en vrouwen, met name tijdens de zwangerschap en de borstvoeding, en verbetering van de voedselzekerheid en de voeding, met name in landen die langdurige of steeds terugkerende crisissen doormaken; bevordering van multisectorale voedingssensitieve benaderingen voor de landbouw ; [Am. 340]

h)

ondersteuning van de universele toegang tot veilig en voldoende drinkwater, riolering en hygiëne, en duurzaam en geïntegreerd waterbeheer als belangrijke bepalende factoren in verband met gezondheid, onderwijs, voeding, klimaatveerkracht en gendergelijkheid ; [Am. 341]

i)

totstandbrenging van universele gezondheidszorg, met gelijke toegang tot goede en betaalbare gezondheidsdiensten, onder meer diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, en door ondersteuning van de opbouw van inclusieve, sterke, hoogwaardige en veerkrachtige gezondheidszorgsystemen die voor iedereen toegankelijk zijn , en versterking van de capaciteit voor vroegtijdige waarschuwing, risicobeperking, herstel en beheer; aanvullende acties op basis van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie, om mondiale bedreigingen voor de gezondheid aan te pakken, veilige, efficiënte en betaalbare vaccins en behandelingen tegen armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten te ontwikkelen, en een betere respons te bieden op uitdagingen op gezondheidsgebied, zoals overdraagbare ziekten, antimicrobiële resistentie en opkomende ziekten en epidemieën ; [Am. 342]

j)

ondersteuning van universele en billijke sociale bescherming en versterking van de sociale vangnetten om een basisinkomen te garanderen, om extreme armoede te voorkomen en weerbaarheid op te bouwen;

j bis)

vergroting van de veerkracht van personen en gemeenschappen, onder meer via grotere investeringen in vanuit de gemeenschap geleide projecten op het gebied van rampenrisicovermindering en -paraatheid; [Am. 343]

j ter)

ondersteuning van nationale, regionale en lokale regeringen en overheidsdiensten om de benodigde infrastructuur op te zetten, zoals fysieke, technologische en personele middelen en door gebruik te maken van de meest recente technologische en administratieve ontwikkelingen, om ervoor te zorgen dat alle aangiften bij de burgerlijke stand (van geboorte tot dood) nauwkeurig worden geregistreerd en dat officieel erkende kopieën wanneer nodig worden gepubliceerd, teneinde te garanderen dat alle burgers officieel bestaan en hun grondrechten kunnen uitoefenen; [Am. 344]

k)

bevordering van inclusieve duurzame stadsontwikkeling om de ongelijkheid in stedelijke gebieden aan te pakken, met het accent op de meest behoeftigen en aan de hand van een genderbewuste benadering ; [Am. 345]

l)

ondersteuning van lokale overheden bij de verbetering van basisdiensten op stedelijk niveau, van gelijke toegang tot voedsel en tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, en van de levenskwaliteit, met name voor degenen die in informele nederzettingen en sloppenwijken wonen; [Am. 346]

m)

bevordering van de verwezenlijking van internationaal overeengekomen doelstellingen op het gebied van onderwijs, met bijzondere aandacht voor gratis openbare onderwijsstelsels, door middel van inclusief en billijk kwaliteitsvol formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en de bevordering van mogelijkheden voor een leven lang leren voor iedereen, op alle niveaus, met inbegrip van de ontwikkeling van jonge kinderen, technische en beroepsopleiding, onder meer in nood- en crisissituaties, alsook door gebruik te maken van digitale technologieën voor de verbetering van onderwijs en leren; [Am. 347]

m bis)

ondersteuning van onderwijscorridors om ervoor te zorgen dat studenten uit landen in oorlog aan universiteiten in de Unie kunnen studeren; [Am. 348]

n)

ondersteuning van capaciteitsopbouw, leermobiliteit, capaciteitsopbouw en culturele samenwerking naar, van of tussen partnerlanden, alsmede van samenwerking en beleidsdialoog met instellingen, organisaties, plaatselijke uitvoerende instanties en autoriteiten uit die landen; [Am. 349]

n bis)

bevordering van capaciteitsopbouw en samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie en onderzoek, met name om aan armoede gerelateerde maatschappelijke uitdagingen die partnerlanden onevenredig hard treffen en verwaarloosde onderzoeks- en innovatiegebieden met beperkte investeringen uit de particuliere sector aan te pakken, alsook open gegevens en bevordering van sociale innovatie; [Am. 350]

o)

bevordering van de capaciteitsopbouw en samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie en onderzoek , open gegevens, big data, artificiële intelligentie , onderzoek en innovatie , in samenhang met het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie, om het fenomeen van braindrain tegen te gaan en open gegevens; [Am. 351]

p)

versterking van de coördinatie tussen alle relevante actoren, om de overgang van noodsituatie naar ontwikkelingsfase te vergemakkelijken;

q)

bevordering van de interculturele dialoog en alle vormen van culturele diversiteit, bescherming en bevordering van cultureel erfgoed, ontsluiting van het potentieel van de culturele en creatieve sector voor duurzame, sociale en economische ontwikkeling; [Am. 352]

q bis)

ondersteuning van acties en bevordering van samenwerking op het gebied van sport om bij te dragen aan de empowerment van vrouwen, jongeren, personen en gemeenschappen, alsook aan de doelstellingen met betrekking tot gezondheid, onderwijs en sociale inclusie van de Agenda 2030; [Am. 353]

r)

stimulering van de waardigheid en de weerbaarheid van personen die gedwongen langere tijd ontheemd zijn en hun integratie in het economische en sociale leven van gastlanden en gastgemeenschappen.

3.

Migratie, en mobiliteit en gedwongen ontheemding

-a)

Ondersteuning van doeltreffend en op mensenrechten gebaseerd migratiebeleid op alle niveaus, met inbegrip van beschermingsprogramma's, om veilige, ordelijke en [Am. 355]

a)

Versterking Bijdragen tot de versterking van bilaterale partnerschappen, regionale partnerschappen, met inbegrip van Zuid-Zuid-samenwerking, en internationale partnerschappen op het gebied van migratie en mobiliteit op basis van een geïntegreerde en evenwichtige aanpak van alle aspecten van migratie, in overeenstemming met inbegrip van bijstand bij de uitvoering het internationaal recht, het recht van bilaterale of regionale overeenkomsten en regelingen de Unie en verplichtingen ten aanzien van de Unie, inclusief mobiliteitspartnerschappen mensenrechten ; [Am. 356]

a bis)

bijstand bieden bij de uitvoering van bilaterale of regionale overeenkomsten en regelingen van de Unie met derde landen, met inbegrip van mobiliteitspartnerschappen en de totstandbrenging van veilige en legale migratiemogelijkheden, onder meer door de ontwikkeling van overeenkomsten inzake visumversoepeling en hervestiging en op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht en volledige eerbiediging van humanitaire verplichtingen en verplichtingen ten aanzien van de mensenrechten; [Am. 357]

b)

ondersteuning van duurzame en succesvolle sociaal-economische re-integratie van teruggekeerde migranten; [Am. 358]

c)

aanpak en verzachting van de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding;

d)

bestrijding de zwakke plekken op het gebied van migratie aanpakken, onder meer door aandacht te besteden aan irreguliere migratie, en een sterkere transnationale respons te bieden op mensenhandel, en migrantensmokkel, intensivering van de samenwerking op in overeenstemming met het internationale recht en het gebied recht van geïntegreerd grensbeheer de Unie ; [Am. 359]

e)

versterking van de wetenschappelijke, technische, menselijke en institutionele capaciteit op het gebied van migratiebeheer , met inbegrip van de verzameling en het gebruik van nauwkeurige en uitgesplitste gegevens die als basis fungeren voor goed onderbouwd beleid, met het oog op de bevordering van veilige, ordelijke en verantwoordelijke migratie ; [Am. 360]

f)

ondersteuning van effectief en op mensenrechten gebaseerd migratiebeleid, met inbegrip van beschermingsprogramma's; [Am. 361]

g)

bevordering van de voorwaarden voor reguliere migratie en goed beheerde mobiliteit en intermenselijke contacten, maximalisering van onder meer door het ontwikkelingseffect verstrekken van nauwkeurige en tijdige informatie in alle stadia van migratie; [Am. 362]

g bis)

maximalisering van het ontwikkelingseffect van migratie en een beter gemeenschappelijk inzicht in de verwevenheid tussen migratie en ontwikkeling tot stand brengen; [Am. 363]

h)

bescherming van migranten en gedwongen ontheemde personen , met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen en aan de hand van een op rechten gebaseerde benadering, waarbij in de gemengde migratiestromen de erkenning en bepaling van de status van personen die internationale bescherming nodig hebben, worden gegarandeerd ; [Am. 364]

i)

steun voor op ontwikkeling gebaseerde oplossingen voor het ondersteunen van gedwongen ontheemden en hun gastgemeenschappen , onder meer door toegang tot onderwijs en waardig werk, bevordering van de waardigheid, veerkracht en zelfredzaamheid van ontheemde personen, en hun inclusie in het economische en sociale leven van de gastlanden ; [Am. 365]

j)

aanmoediging van de betrokkenheid van de diaspora bij de landen van oorsprong , om ten volle bij te dragen aan duurzame ontwikkeling ; [Am. 366]

k)

bevordering van snellere, goedkopere en veiligere geldovermakingen, zowel in de landen van verzending als de landen van ontvangst, zodat het ontwikkelingspotentieel daarvan kan worden benut;

k bis)

bijdragen aan het vermogen van migranten en samenlevingen om hun volledige inclusie en sociale cohesie te verwezenlijken. [Am. 367]

De samenwerking op dit gebied wordt beheerd in samenhang met het [Fonds voor asiel en migratie], met volledige inachtneming van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling. [Am. 368]

AARDE

4.

Milieu en klimaatverandering

a)

Versterking van de wetenschappelijke, technische, menselijke en institutionele capaciteit voor klimaat- en milieubeheer, -integratie en -toezicht; versterking van de regionale en nationale klimaatgovernance;

b)

ondersteuning van de aanpassing aan de klimaatverandering, met speciale nadruk op bijzonder kwetsbare staten en bevolkingen die onvoldoende middelen hebben om de nodige maatregelen te treffen; bijdragen aan de inspanningen van de partners om hun verbintenissen inzake klimaatverandering voort te zetten in overeenstemming met de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, met inbegrip van de uitvoering van de nationaal vastgestelde bijdrage (NDC) en mitigatie, en aanpassing van de actieplannen, met inbegrip van synergieën tussen aanpassing en mitigatie , alsook hun verbintenissen in het kader van andere multilaterale milieuovereenkomsten, zoals het Verdrag inzake biologische diversiteit en het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming ; [Am. 369]

c)

ontwikkeling en/of versterking van duurzame groene en blauwe groei in alle sectoren van de economie;

d)

bevordering van de toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met het oog op het inlossen van de belofte van de Unie uit 2012 om deze toegang in 2030 mogelijk te maken voor nog eens 500 miljoen mensen, waarbij voorrang wordt gegeven aan oplossingen op basis van kleinschalige en middelgrote elektriciteitsnetwerken en niet aan het net gekoppelde systemen met een hoge milieu- en ontwikkelingswaarde; versterking van de samenwerking op het gebied van duurzame energie; bevordering en vergroting van de samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; bevordering van toegang tot betrouwbare, veilige, betaalbare, schone en duurzame energiediensten, in het bijzonder lokale en gedecentraliseerde oplossingen om te waarborgen dat mensen die in armoede of verafgelegen gebieden leven toegang tot energie hebben ; [Am. 370]

d bis)

het opbouwen van capaciteit om de doelstellingen inzake milieuduurzaamheid en klimaatverandering en het streven naar groene groei te integreren in de nationale en lokale ontwikkelingsstrategieën, met inbegrip van de bevordering van duurzaamheidscriteria in overheidsopdrachten; [Am. 371]

d ter)

bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, passende zorgvuldigheid in toeleveringsketens en de consequente toepassing van de “voorzorgsbenadering” en het beginsel “de vervuiler betaalt”; [Am. 372]

d quater)

bevordering van ecologisch duurzame landbouwpraktijken, met inbegrip van agro-ecologie, waarvan is bewezen dat ze op de lange termijn bijdragen aan de bescherming van ecosystemen en biodiversiteit en de ecologische en sociale veerkracht tegen klimaatverandering vergroten; [Am. 373]

e)

verbetering van lokale, nationale, regionale en continentale multimodale vervoersnetwerken en diensten ter versterking van verdere kansen voor duurzame klimaatbestendige economische ontwikkeling en het scheppen van werkgelegenheid, met het oog op koolstofarme, klimaatbestendige ontwikkeling; vergemakkelijking en liberalisering van vervoer, verbetering van de duurzaamheid, verkeersveiligheid en veerkracht van de vervoerssector;

f)

versterking van de betrokkenheid van lokale gemeenschappen en inheemse volkeren bij de aanpak van klimaatverandering, de bestrijding van biodiversiteitsverlies en criminaliteit in verband met wilde dieren en planten, het behoud van ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen , onder meer door een beter beheer van grondbezit en waterbronnen ; bevordering van duurzame stedelijke ontwikkeling en veerkracht in stedelijke gebieden; [Am. 374]

f bis)

een einde stellen aan de handel in conflictmineralen en het misbruik van mijnwerkers, en ondersteuning van de ontwikkeling van lokale gemeenschappen overeenkomstig Verordening (EU) 2017/821 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen en bijbehorende maatregelen, alsook het opstellen van een dergelijke benadering voor mineralen die momenteel nog niet onder de verordening vallen; [Am. 375]

f ter)

bevordering van educatie voor duurzame ontwikkeling (EDO), om mensen in staat te stellen de samenleving te veranderen en een duurzame toekomst op te bouwen; [Am. 376]

g)

bevordering van het behoud, het duurzame beheer, gebruik en herstel van natuurlijke hulpbronnen, gezonde ecosystemen, het tegengaan van het verlies aan biodiversiteit, en de bescherming van flora en fauna , met inbegrip van de strijd tegen stropen en de illegale handel in wilde dieren en planten ; [Am. 377]

g bis)

tegengaan van biodiversiteitsverlies door Unie- en internationale initiatieven uit te voeren, in het bijzonder door de bevordering van het behoud, het duurzame gebruik en het beheer van terrestrische en mariene ecosystemen en de bijbehorende biodiversiteit; [Am. 378]

h)

bevordering van geïntegreerd en duurzaam beheer van waterbronnen en grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van waterbeheer overeenkomstig het internationale recht ; [Am. 379]

i)

bevordering van het behoud en de uitbreiding van koolstofreservoirs door middel van duurzaam beheer van bodemgebruik, verandering in bodemgebruik, en bosbouw en het tegengaan van de afbraak van het milieu, woestijnvorming, en bodemaantasting , bosdegradatie en droogte ; [Am. 380]

j)

beperking van de ontbossing en de bevordering van de wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt) ter bestrijding van illegale houtkap en de handel in illegaal gekapt hout en producten daarvan; ondersteuning van beter bestuur en capaciteitsopbouw voor het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen; ondersteuning van de onderhandeling en uitvoering van vrijwillige partnerschapsovereenkomsten ; [Am. 381]

k)

ondersteuning van oceaangovernance, waaronder bescherming, herstel en behoud van alle soorten kust- en mariene gebieden, met inbegrip van de ecosystemen, de bestrijding van zwerfvuil op zee, de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) en bescherming van de maritieme biodiversiteit , in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) ; [Am. 382]

l)

versterking van regionale rampenrisicobeperking, -paraatheid en -weerbaarheid aan de weerbaarheid hand van een op de gemeenschap en van regionale ramprisicobeperking de mens gebaseerde benadering , in combinatie met beleidsmaatregelen en acties op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering; [Am. 383]

m)

bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen en duurzame consumptie en productie (in de volledige toeleveringsketen) , onder meer door beperking van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die conflicten financieren en ondersteuning , met inbegrip van de naleving door belanghebbenden van initiatieven zoals de Kimberleyprocescertificering; bestrijding van vervuiling en een goed beheer van chemische stoffen en afval; [Am. 384]

n)

ondersteuning van inspanningen met het oog op duurzame economische diversifiëring, concurrentievermogen , toeleveringsketens waarin de waarde wordt gedeeld en eerlijke handel, ontwikkeling van de particuliere sector met bijzondere nadruk op koolstofarme klimaatbestendige groene groei, micro-, sociale, kleine en middelgrote ondernemingen en coöperaties, met gebruikmaking van de ontwikkelingsvoordelen van bestaande handelsovereenkomsten met de EU; [Am. 385]

n bis)

verwezenlijking van internationale verbintenissen met betrekking tot het behoud van biodiversiteit in verdragen zoals het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (CMS) en andere verdragen die verband houden met biodiversiteit; [Am. 386]

n ter)

betere integratie en opneming van doelstellingen inzake klimaatverandering en milieu in de ontwikkelingssamenwerking van de Unie, door middel van steun voor methodologisch en onderzoekswerk over, in en door ontwikkelingslanden, met inbegrip van monitoring-, rapportage- en controlemechanismen, het in kaart brengen, beoordelen en waarderen van ecosystemen, verbetering van de milieudeskundigheid en bevordering van innovatieve acties en beleidssamenhang; [Am. 387]

n quater)

tegengaan van mondiale en regio-overschrijdende gevolgen van de klimaatverandering die een potentieel destabiliserend effect hebben op ontwikkeling, vrede en veiligheid. [Am. 388]

WELVAART

5.

Inclusieve en duurzame economische groei en waardig werk

a)

Ondersteuning van het ondernemerschap, onder meer via microfinanciering, van waardig werk en inzetbaarheid door de ontwikkeling van vaardigheden en kwalificaties, met inbegrip van onderwijs, verbetering van de volledige toepassing van de arbeidsvoorwaarden van de IAO, met inbegrip van sociale dialoog en de strijd tegen kinderarbeid, en van werkomstandigheden in een gezonde omgeving, leefbare lonen en het creëren van mogelijkheden voor met name jongeren; [Am. 389]

b)

ondersteuning van nationale ontwikkelingstrajecten die positieve sociale resultaten en effecten maximaliseren, en bevordering van progressieve doeltreffende en duurzame belastingheffing en een herverdelend overheidsbeleid , en het opzetten en versterken van duurzame stelsels inzake sociale bescherming en sociale zekerheid; ondersteuning van inspanningen op nationaal en internationaal niveau om belastingontduiking en belastingparadijzen te bestrijden ; [Am. 390]

c)

verbetering van het verantwoord bedrijfs- en investeringsklimaat, scheppen van een gunstig regelgevingsklimaat voor economische ontwikkeling en ondersteuning van bedrijven, met name micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties en sociale ondernemingen, in hun expansie en het scheppen van banen , ondersteuning van de ontwikkeling van een solidaire economie en stimulering van de verantwoordingsplicht van de particuliere sector ; [Am. 391]

c bis)

bevordering van regelingen voor verantwoordingsplicht van bedrijven en verhaalmechanismen met betrekking tot schendingen van de mensenrechten die verband houden met activiteiten in de particuliere sector; ondersteuning van inspanningen op lokaal, regionaal en mondiaal niveau om naleving door bedrijven van mensenrechtennormen en ontwikkelingen op regelgevingsgebied te waarborgen, met inbegrip van verplichte zorgvuldigheid en een internationaal bindend instrument inzake bedrijfsleven en mensenrechten op wereldwijd niveau; [Am. 392]

d)

versterking van de sociale en milieuduurzaamheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoord ondernemerschap in de hele waardeketen , waarbij wordt gezorgd voor waardeverdeling, eerlijke prijzen en eerlijke handelsvoorwaarden ; [Am. 393]

e)

grotere doeltreffendheid en duurzaamheid van de overheidsuitgaven , onder meer via de bevordering van duurzame overheidsopdrachten; en bevordering van een meer strategisch gebruik van overheidsfinanciering, onder meer via het combineren van verschillende instrumenten om extra openbare en particuliere investeringen aan te trekken; [Am. 394]

f)

stimulering van het potentieel van steden als knooppunten voor duurzame en inclusieve groei en innovatie;

g)

bevordering van de interne economische, sociale en territoriale cohesie, waardoor sterkere banden tussen stedelijke en landelijke gebieden ontstaan en bevordering van de ontwikkeling van zowel de toeristische creatieve sector als de cultureel-toeristische sector als hefboom voor duurzame ontwikkeling; [Am. 395]

h)

stimulering en diversifiëring van duurzame en inclusieve waardeketens voor landbouwproducten en levensmiddelen, bevordering van voedselzekerheid en economische diversifiëring, toegevoegde waarde, regionale integratie, concurrentievermogen en eerlijke handel, versterking van duurzame, koolstofarme en klimaatveranderingsbestendige innovaties; [Am. 396]

h bis)

de nadruk leggen op milieu-efficiënte intensivering van de landbouw voor kleine boeren, meer bepaald vrouwen, door steunverlening aan doeltreffende en duurzame nationale beleidsmaatregelen, strategieën en wettelijke kaders, en aan eerlijke en betaalbare toegang tot hulpbronnen, inclusief grond, water (micro-)kredieten en andere landbouwbasisproducten; [Am. 397]

h ter)

actieve steun voor een grotere participatie van de maatschappelijke organisaties en van landbouwersorganisaties aan de beleidsvorming en de onderzoeksprogramma's en grotere betrokkenheid van deze groepen bij de uitvoering en evaluatie van regeringsprogramma's; [Am. 398]

i)

ondersteuning van duurzaam beheer van de visserij en duurzame aquacultuur;

j)

bevordering van universele toegang tot veilige, betaalbare en duurzame energie, en van een koolstofarme, klimaatbestendige circulaire economie die efficiënt omgaat met hulpbronnen in overeenstemming met de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering; [Am. 399]

k)

bevordering van slimme, duurzame, inclusieve en veilige mobiliteit, alsook verbetering van de vervoersverbindingen binnen de Unie;

l)

bevordering van betaalbare, inclusieve, en betrouwbare en veilige digitale connectiviteit en versterking van de digitale economie; bevordering van digitale geletterdheid en vaardigheden; bevordering van digitaal ondernemerschap en het scheppen van digitale banen; bevordering van het gebruik van digitale technologieën als stimulans voor duurzame ontwikkeling; het aanpakken van cyberveiligheid, privacy van gegevens en andere regelgevingskwesties in verband met digitalisering; [Am. 400]

m)

ontwikkeling en versterking van markten en sectoren op een manier die een inclusieve en duurzame groei en eerlijke handel stimuleert; [Am. 401]

n)

ondersteuning van de agenda voor regionale integratie en van optimaal handelsbeleid die inclusieve en duurzame ontwikkeling bevorderen , en ondersteuning van de consolidatie en de tenuitvoerlegging van eerlijke handelsakkoorden tussen de EU Unie en haar partners , met inbegrip van alomvattende en asymmetrische overeenkomsten met partners in de ontwikkelingslanden; bevordering en versterking van multilateralisme, duurzame economische samenwerking, alsook de regels van de Wereldhandelsorganisatie; ; [Am. 402]

o)

bevordering van de samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie, onderzoek , digitalisering, open gegevens, big data, artificiële intelligentie en innovatie en open gegevens , met inbegrip van de ontwikkeling van wetenschapsdiplomatie ; [Am. 403]

p)

bevordering van de interculturele dialoog en alle vormen van culturele diversiteit, ontwikkeling van lokale ambachten en van hedendaagse kunst en culturele uitingen, en bescherming en bevordering van cultureel erfgoed; [Am. 404]

q)

versterking van de positie van vrouwen om een grotere rol in de economie en in de besluitvorming in te nemen;

r)

verbetering van de toegang tot waardig werk voor iedereen, binnen een gezonde omgeving, en het creëren van meer inclusieve en goed functionerende arbeidsmarkten en werkgelegenheidsbeleid gericht op waardig werk , eerbiediging van de mensenrechten en de arbeidsrechten, met inbegrip van leefbare lonen voor iedereen, met name voor vrouwen en jongeren; [Am. 405]

r bis)

ervoor zorgen dat de toegang tot winningsindustrieën eerlijk en duurzaam is en niet bijdraagt aan conflicten of corruptie; [Am. 406]

s)

bevordering van eerlijke, duurzame en niet-verstoorde toegang tot winningsindustrieën ; het waarborgen van meer transparantie, zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid aan de zijde van de investeerder, alsook het stimuleren van de verantwoordingsplicht van de particuliere sector; toepassing van begeleidende maatregelen bij Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden. [Am. 407]

VREDE

6.

Veiligheid, stabiliteit en vrede Vrede, veiligheid en stabiliteit [Am. 408]

a)

Bijdragen aan vrede , het voorkomen van conflicten en zodoende bijdragen aan stabiliteit door staten, samenlevingen, gemeenschappen en mensen beter bestand te maken tegen politieke, economische, ecologische, demografische en maatschappelijke spanningen en schokken , onder meer door de ondersteuning van veerkrachtbeoordelingen om het inheemse vermogen binnen samenlevingen te identificeren dat hen in staat stelt deze druk en schokken te weerstaan, zich eraan aan te passen en er snel van te herstellen ; [Am. 409]

a bis)

bevordering van een cultuur van geweldloosheid, onder andere door het ondersteunen van formele en informele educatie omtrent vrede; [Am. 410]

b)

ondersteuning van conflictpreventie, vroegtijdige waarschuwing en vredesopbouw door middel van bemiddeling, crisisbeheersing, en stabilisering en wederopbouw na een conflict, met inbegrip van een sterkere rol voor vrouwen in alle stadia van het proces; bevordering, facilitering en opbouw van het vermogen om vertrouwen te scheppen, bemiddeling, dialoog en verzoening, goede relaties met naburige landen, en andere maatregelen die bijdragen tot de preventie en schikking van conflicten, met bijzondere aandacht voor opkomende spanningen binnen de samenleving, alsmede verzoenende maatregelen tussen segmenten van de samenleving en slepende conflicten en crises ; [Am. 411]

b bis)

ondersteuning van de rehabilitatie en herintegratie van slachtoffers van gewapende conflicten, alsmede ontwapening, demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders en hun gezinnen in de burgermaatschappij, met inbegrip van de specifieke behoeften van vrouwen; [Am. 412]

b ter)

versterking van de rol van vrouwen en jongeren in vredesopbouw en conflictpreventie, en hun inclusie, betekenisvolle civiele en politieke deelname en sociale erkenning; ondersteuning van de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad, met name in situaties en landen met een wankele vrede waar zich een conflict afspeelt of heeft afgespeeld; [Am. 413]

c)

ondersteuning van de hervorming van de conflictbewuste veiligheidssector waarmee burgers en de overheid geleidelijk meer doeltreffende , democratische en aan verantwoordingsplicht gekoppelde veiligheid wordt geboden voor duurzame ontwikkeling en vrede ; [Am. 414]

d)

ondersteuning van capaciteitsopbouw van militaire actoren voor ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling (capacity building for security and development — CBSD); [Am. 415]

d bis)

ondersteuning van regionale en internationale ontwapeningsinitiatieven en van exportcontroleregelingen en -mechanismen voor wapens; [Am. 416]

e)

ondersteuning van lokale, regionale en internationale initiatieven die bijdragen tot de veiligheid, stabiliteit en vrede , evenals koppeling van de verschillende initiatieven ; [Am. 417]

f)

preventie en bestrijding van radicalisering die leidt tot gewelddadig extremisme en terrorisme , door middel van contextspecifieke, conflict- en genderbewuste en op de mens gerichte programma's en acties ; [Am. 418]

f bis)

het aanpakken van de sociaal-economische gevolgen voor de burgerbevolking van antipersoonsmijnen, niet-geëxplodeerde oorlogsmunitie of ontplofbare oorlogsresten, met inbegrip van de behoeften van vrouwen; [Am. 419]

f ter)

het aanpakken van de sociale gevolgen van de herstructurering van de strijdkrachten, met inbegrip van de behoeften van vrouwen; [Am. 420]

f quater)

ondersteuning van lokale, nationale, regionale en internationale ad-hoctribunalen, alsook van waarheids- en verzoeningscommissies en -mechanismen; [Am. 421]

g)

bestrijding van alle vormen van geweld, corruptie en georganiseerde misdaad en het witwassen van geld;

h)

bevordering van grensoverschrijdende samenwerking met betrekking tot het duurzame beheer van gemeenschappelijke natuurlijke hulpbronnen , in overeenstemming met het internationaal recht en het recht van de Unie ; [Am. 422]

i)

samenwerking met derde landen voor het vreedzame gebruik van kernenergie, meer bepaald door capaciteitsopbouw en het opzetten van infrastructuur in derde landen op het gebied van gezondheid, landbouw en voedselveiligheid; alsook steun aan sociale acties om de gevolgen aan te pakken van nucleaire ongevallen voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, en streven naar verbetering van hun levensomstandigheden; bevordering van kennisbeheer, opleiding en onderwijs op nucleair gebied . Dergelijke activiteiten worden ontwikkeld in samenhang met de activiteiten in het kader van het Europees instrument voor nucleaire veiligheid dat is ingesteld bij de EINS-verordening ; [Am. 423]

j)

verbetering van de maritieme veiligheid en beveiliging om te zorgen voor veilige, beveiligde, schone en duurzaam beheerde oceanen; [Am. 424]

k)

ondersteuning van capaciteitsopbouw op het gebied van cyberbeveiliging en veerkrachtige digitale netwerken, gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

PARTNERSCHAP

7.

Partnerschap

a)

Versterking van de eigen verantwoordelijkheid, partnerschap en dialoog teneinde de doeltreffendheid te vergroten van ontwikkelingssamenwerking in al haar dimensies (met bijzondere aandacht voor de specifieke problemen van de minst ontwikkelde en door conflicten getroffen landen, alsmede specifieke tijdelijke problemen van verder gevorderde ontwikkelingslanden);

b)

verdieping van de politieke, economische, sociale, ecologische en culturele dialoog tussen de Unie en derde landen en regionale organisaties, en ondersteuning van de tenuitvoerlegging van bilaterale en internationale verplichtingen;

c)

bevordering van goede nabuurschapsbetrekkingen, regionale integratie, betere connectiviteit, samenwerking en dialoog;

c bis)

ondersteuning en versterking van de samenwerking van partnerlanden en -regio's met aan de Unie grenzende ultraperifere regio's en met landen en gebieden overzee die vallen onder Besluit van de Raad1  (1) betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie; [Am. 425]

d)

bevordering van een gunstig klimaat voor maatschappelijke organisaties, met inbegrip van stichtingen, verbetering van hun zinvolle en gestructureerde deelname aan het binnenlands beleid en hun capaciteit om hun rol als onafhankelijke actoren op het gebied van ontwikkeling en goed bestuur te vervullen; versterking van nieuwe vormen van partnerschap met maatschappelijke organisaties, bevordering van een inhoudelijke en gestructureerde dialoog met de Unie en doeltreffende gebruikmaking en uitvoering van landenspecifieke routekaarten voor samenwerking van de EU Unie met het maatschappelijk middenveld; [Am. 426]

e)

overleg met plaatselijke overheden en ondersteuning van hun rol als beleidsmakers en besluitvormers, ter bevordering van lokale ontwikkeling en beter bestuur;

f)

doeltreffender inspanningen ten behoeve van burgers en mensenrechtenactivisten in derde landen, onder meer door ten volle gebruik te maken van economische, culturele , sportieve en publieksdiplomatie; [Am. 427]

g)

betrekken van geïndustrialiseerde landen en verder gevorderde ontwikkelingslanden bij de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030, mondiale collectieve goederen en uitdagingen, onder meer op het gebied van zuid-zuid- en trilaterale samenwerking;

h)

aanmoedigen van meer regionale integratie en samenwerking op een resultaatgerichte manier, door ondersteuning van regionale integratie en dialoog.

B.   Specifiek voor de nabuurschapsregio

a)

Bevordering van meer politieke samenwerking;

b)

ondersteuning van de tenuitvoerlegging van associatieovereenkomsten, of andere bestaande en toekomstige overeenkomsten, en gezamenlijk overeengekomen associatieagenda's en partnerschapsprioriteiten of gelijkwaardige documenten;

c)

bevordering van een versterkt partnerschap met samenlevingen tussen de Unie en de partnerlanden, inclusief via persoonlijke contacten;

d)

versterking van de regionale samenwerking, met name in het kader van het Oostelijk Partnerschap, de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, en op het niveau van het hele Europese nabuurschapsgebied, alsmede van grensoverschrijdende samenwerking;

e)

geleidelijke integratie in de interne markt van de Unie en meer samenwerking binnen en tussen sectoren, onder andere door aanpassing aan de wet- en regelgeving van de Unie en andere relevante internationale normen, en betere markttoegang, onder meer door diepe en brede vrijhandelsruimten en daarmee verband houdende institutionele opbouw en investeringen. [Am. 428]


(1)  Besluit van de Raad …/… van … betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie … (PB …)

BIJLAGE III

ACTIEGEBIEDEN VOOR THEMATISCHE PROGRAMMA'S

1.   ACTIEGEBIEDEN VOOR MENSENRECHTEN EN DEMOCRATIE

Bijdragen aan de bevordering van de fundamentele waarden van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van non-discriminatie, gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht; [Am. 429]

samenwerking en partnerschap met het maatschappelijk middenveld inzake vraagstukken met betrekking tot mensenrechten en democratie, ook in gevoelige en urgente situaties; ontwikkeling van een coherente en alomvattende strategie op alle niveaus om de onderstaande doelstellingen te verwezenlijken; [Am. 430]

eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden voor allen, bijdragen aan samenlevingen waarin participatie, non-discriminatie, tolerantie, gerechtigheid en verantwoordingsplicht, solidariteit en gelijkheid prevaleren; toezicht op, bevordering en versterking van de eerbiediging en naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden voor allen, in overeenstemming met de beginselen van universaliteit, ondeelbaarheid en onderlinge afhankelijkheid van de mensenrechten; het toepassingsgebied van het programma omvat burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten; aanpak van problemen op het gebied van de mensenrechten door maatschappelijke organisaties te versterken, en mensenrechtenactivisten te beschermen en hun positie te versterken, ook gezien de krimpende ruimte voor hun activiteiten; [Am. 431]

ontwikkeling, bevordering en bescherming van de democratie, waarbij alle aspecten van democratisch bestuur worden aangepakt, met inbegrip van de versterking van het democratisch pluralisme, de versterking van burgerparticipatie, en steun voor geloofwaardige, inclusieve en transparante verkiezingen; versterking van de democratie door het in stand houden van de belangrijkste pijlers van democratische stelsels, waaronder de rechtsstaat, democratische normen en waarden, onafhankelijke media, verantwoordelijke en inclusieve instellingen, met inbegrip van politieke partijen en parlementen, en de strijd tegen corruptie; verkiezingswaarneming speelt een integrale rol bij de bredere steun voor de democratische processen; in dit verband blijven de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU een belangrijke component van het programma, alsmede de follow-up van aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU; [Am. 432]

bevordering van effectief multilateralisme en strategisch partnerschap, als bijdrage aan de versterking van de capaciteit van internationale, regionale en nationale kaders ter bevordering en bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; versterking van strategische partnerschappen, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR), het Internationaal Strafhof (ICC) en de relevante regionale en nationale mensenrechteninstanties; voorts bevordering van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten op het gebied van de mensenrechten en de democratie, onder meer door de Global Campus voor mensenrechten en democratie. [Am. 433]

In het kader van dit programma verleent de Unie in samenwerking met het maatschappelijk middenveld bijstand voor het aanpakken van mondiale, regionale, nationale en lokale kwesties op het gebied van mensenrechten en de democratie, ten aanzien van de volgende strategische actiegebieden:

1 bis.

Beschermen en bevorderen van de mensenrechten en het beschermen van mensenrechtenactivisten in landen en noodsituaties waar de mensenrechten en fundamentele vrijheden het meest worden bedreigd, onder meer door op flexibele en veelomvattende wijze op dringende behoeften aan bescherming van mensenrechtenactivisten te reageren.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan mensenrechten en democratische kwesties die niet door middel van geografische of andere thematische programma's kunnen worden aangepakt vanwege de gevoelige of spoedeisende aard ervan. In dergelijke gevallen wordt prioriteit gegeven aan de bevordering van de eerbiediging van het desbetreffende internationaal recht en het verstrekken aan het maatschappelijk middenveld van concrete steun en actiemiddelen voor activiteiten die in uiterst lastige omstandigheden worden uitgevoerd. Daarnaast wordt bijzondere aandacht besteed aan het versterken van een specifiek beschermingsmechanisme voor mensenrechtenactivisten;

1 ter.

Eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden voor allen, bijdragen aan samenlevingen waarin participatie, non-discriminatie, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid, internationaal recht en verantwoordingsplicht prevaleren;

De bijstand van de Unie kan worden ingezet voor de meest gevoelige politieke kwesties, zoals de doodstraf, foltering, restricties ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting, discriminatie van kwetsbare groepen en bescherming en bevordering van de rechten van het kind (bijv. kinderarbeid, kinderhandel, kinderprostitutie en kindsoldaten), en speelt vanwege de door de samenwerkingsmodaliteiten geboden mogelijkheid tot onafhankelijk optreden en flexibiliteit in op opkomende en complexe uitdagingen, bijvoorbeeld de bescherming van personen die zijn ontheemd als gevolg van de klimaatverandering.

1 quater.

Consolidering en ondersteuning van de democratie, aandacht voor alle aspecten van democratisch bestuur, waaronder versterking van democratisch pluralisme, vergroting van de burgerparticipatie, schepping van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld en ondersteuning van geloofwaardige, inclusieve en transparante verkiezingsprocessen, met name via EU-verkiezingswaarnemingsmissies.

Versterking van de democratie door het in stand houden van de belangrijkste pijlers van democratische stelsels, waaronder de rechtsstaat, democratische normen en waarden, onafhankelijke media, verantwoordelijke en inclusieve instellingen, met inbegrip van politieke partijen en parlementen, een veiligheidssector die verantwoording moet afleggen, en de bestrijding van corruptie. Prioriteit moet worden gegeven aan het leveren van tastbare steun en actiemiddelen aan politieke actoren die hun activiteiten onder zeer moeilijke omstandigheden uitvoeren. Verkiezingswaarneming speelt een integrale rol bij de bredere steun voor de democratische processen. In dit verband blijft de verkiezingswaarneming van de EU een belangrijke component van het programma, evenals de follow-up van de aanbevelingen van EU-verkiezingswaarnemingsmissies. Een ander belangrijk punt is de ondersteuning van organisaties voor verkiezingswaarneming door burgers en van hun regionale netwerken over de hele wereld. De capaciteit en zichtbaarheid van organisaties voor verkiezingswaarneming door burgers in de Europese oostelijke en zuidelijke nabuurschap en van de respectieve regionale platformorganisaties wordt versterkt, met name door de bevordering van een duurzaam programma voor peer-learning voor onafhankelijke, onpartijdige verkiezingswaarnemingsorganisaties van burgers. De Unie streeft ernaar de capaciteiten van verkiezingswaarnemingsorganisaties van binnenlandse burgers te verbeteren en kiezerseducatie, mediageletterdheid, programma's voor de monitoring van de uitvoering van aanbevelingen van nationale en internationale verkiezingswaarnemingsmissies te bieden, en verdedigt de geloofwaardigheid van en het vertrouwen in het instituut van verkiezing en verkiezingswaarneming.

1 quinquies.

Bevorderen van effectief multilateralisme en strategische partnerschappen om bij te dragen aan de versterking van de capaciteit van internationale, regionale en nationale kaders en om lokale actoren de gelegenheid te bieden om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te bevorderen en te beschermen.

Gezien het essentiële belang van de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR), het Internationaal Strafhof (ICC) en de relevante regionale mensenrechteninstanties, richten partnerschappen voor mensenrechten zich op het versterken van de nationale en internationale mensenrechtenarchitectuur, met inbegrip van ondersteuning van het multilateralisme. De steun voor onderwijs- en onderzoeksactiviteiten op het gebied van de mensenrechten en de democratie evenals de bevordering van de academische vrijheid worden voortgezet, onder meer door de steun aan de Global Campus voor mensenrechten en democratie.

1 sexies.

Bevorderen van nieuwe regio-overschrijdende synergieën en netwerkactiviteiten tussen organisaties van het lokale maatschappelijk middenveld onderling, en tussen het maatschappelijk middenveld en andere relevante mensenrechtenorganen en -instanties om zo de uitwisseling van goede praktijken inzake mensenrechten en democratie te maximaliseren en een positieve dynamiek tot stand te brengen.

De nadruk moet worden gelegd op de bescherming en bevordering van het universaliteitsbeginsel, waarbij goede praktijken inzake alle mensenrechten — onverschillig of het gaat om burgerlijke en politieke, economische, of sociale en culturele rechten — en fundamentele vrijheden worden geïdentificeerd en gedeeld, onder andere bij het aanpakken van grote uitdagingen, waaronder duurzame veiligheid, de strijd tegen terrorisme, irreguliere migratie en krimpende ruimte voor ngo's. Dit vergt een verhoogde inspanning om een breed scala van mensenrechtengerelateerde belanghebbenden (bijv. de lokale burgermaatschappij en mensenrechtenactivisten, advocaten, de academische wereld, nationale instellingen voor mensenrechten en vrouwenrechten, vakbonden) uit verschillende landen en continenten bijeen te brengen die samen een positief verhaal over de mensenrechten kunnen brengen met een vermenigvuldigend effect.

1 septies.

De Unie bevordert verder, in haar betrekkingen met derde landen op grond van het instrument, internationale inspanningen die gericht zijn op een multilaterale overeenkomst om de handel in goederen die worden gebruikt voor foltering en de doodstraf te verbieden. [Am. 434]

2.   ACTIEGEBIEDEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ORGANISATIES EN LOKALE OVERHEDEN [Am. 435]

1.

Speelruimte voor een inclusief, participerend, sterk en onafhankelijk maatschappelijk middenveld Inclusieve, participerende, sterke en onafhankelijke maatschappelijke organisaties en lokale overheden in de partnerlanden [Am. 436]

a)

Creëren van een gunstig klimaat voor de participatie van burgers en voor acties van maatschappelijke organisaties, met inbegrip onder meer door het ondersteunen van actieve deelname van het maatschappelijk middenveld aan de beleidsdialoog, door middel van stichtingen; [Am. 437]

b)

ondersteuning en versterking van de capaciteit van maatschappelijke organisaties, met inbegrip van stichtingen, om op te treden als actoren van ontwikkeling en goed bestuur; [Am. 438]

c)

vergroting van de capaciteit van netwerken, platformen en allianties van het maatschappelijk middenveld van de partnerlanden;

c bis)

capaciteitsopbouw, coördinatie en institutionele versterking voor maatschappelijke organisaties en lokale overheden — met inbegrip van zuidelijke netwerken van maatschappelijke organisaties en lokale overheden en overkoepelende organisaties — om te fungeren als drijvende kracht binnen hun organisaties en tussen verschillende soorten belanghebbenden die actief zijn in het publieke debat over ontwikkeling, om met regeringen een dialoog over overheidsbeleid aan te gaan en effectief deel te nemen aan het ontwikkelingsproces. [Am. 439]

2.

Dialoog met en tussen maatschappelijke organisaties over het ontwikkelingsbeleid [Am. 440]

a)

Bevordering van andere fora voor inclusieve multistakeholderdialoog en de institutionele versterking van het maatschappelijk middenveld en netwerken van lokale autoriteiten , met inbegrip van interactie en afstemming tussen burgers, maatschappelijke organisaties, lokale autoriteiten, lidstaten, partnerlanden en andere belangrijke actoren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking; [Am. 441]

b)

facilitering van samenwerking en uitwisseling van ervaringen tussen actoren uit het maatschappelijk middenveld;

c)

garanderen van een zinvolle en voortdurende gestructureerde dialoog en partnerschappen met de EU.

3.

Bewustzijn, kennis en betrokkenheid van Europese burgers inzake ontwikkelingskwesties

a)

Mensen in staat stellen hun betrokkenheid te vergroten;

b)

mobiliseren van publieke steun in de Unie en (potentiële) kandidaat-lidstaten voor de terugdringing van armoede en voor strategieën voor duurzame en inclusieve ontwikkeling in de partnerlanden. [Am. 442]

b bis)

bewustmaking van duurzame consumptie en productie, van toeleveringsketens en van de invloed van de koopkracht van de burgers van de Unie bij het mogelijk maken van duurzame ontwikkeling. [Am. 443]

3 bis.

Verstrekking van sociale basisdiensten aan bevolkingsgroepen in nood

Interventies in partnerlanden ter ondersteuning van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen door het verstrekken van sociale basisdiensten zoals gezondheidszorg, voeding, onderwijs, sociale bescherming en toegang tot veilig water, riolering en hygiëne, via het maatschappelijk middenveld en lokale overheden. [Am. 444]

3 ter.

Versterking van de rol van plaatselijke overheden als actoren van ontwikkeling

a)

Vergroting van de capaciteit van netwerken, platformen en allianties van lokale autoriteiten van de Unie en ontwikkelingslanden, zodat een substantiële en permanente beleidsdialoog en effectieve participatie op het gebied van ontwikkeling gegarandeerd is en democratisch bestuur gestimuleerd wordt, met name door de territoriale aanpak van lokale ontwikkeling;

b)

meer interactie met burgers van de Unie over ontwikkelingsvraagstukken (bewustmaking, het delen van kennis, betrokkenheid, met inbegrip van het toepassen van duurzaamheidscriteria bij overheidsopdrachten), met name met betrekking tot de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, ook in de Unie, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten;

c)

vergroten van de zeggenschap over en de opname van steun door middel van opleidingsprogramma's ter plaatse voor lokale ambtenaren betreffende de aanvraagprocedures voor EU-financiering. [Am. 447]

3.   ACTIEGEBIEDEN VOOR STABILITEIT VREDESOPBOUW, CONFLICTPREVENTIE EN VREDE STABILITEIT [Am. 446]

1.

Bijstand voor conflictpreventie, vredesopbouw en crisisparaatheid

De Unie verleent technische en financiële bijstand voor steun aan maatregelen gericht op het opbouwen en versterken van de capaciteit van de Unie en haar partners voor het voorkomen van conflicten, het opbouwen van vrede en het aanpakken van pre- en postcrisissituaties, in nauwe samenwerking met de Verenigde Naties en andere internationale, regionale en subregionale organisaties, statelijke actoren en het maatschappelijk middenveld, voornamelijk met betrekking tot hun inspanningen op de volgende gebieden, met inbegrip van specifieke aandacht voor de deelname gendergelijkheid, empowerment van vrouwen en deelname van jongeren : [Am. 447]

a)

vroegtijdige waarschuwing en conflictbewuste risicoanalyse, vertrouwenwekkende maatregelen, bemiddeling, dialoog en verzoening in de beleidsvorming en de beleidsuitvoering ; [Am. 448]

a bis)

facilitering en opbouw van capaciteit bij het opbouwen van vertrouwen, bemiddeling, dialoog en verzoeningsmaatregelen, met bijzondere aandacht voor opkomende spanningen binnen de samenleving, met name preventie van genocide en misdaden tegen de menselijkheid; [Am. 449]

a ter)

versterking van capaciteiten voor de deelname aan en de inzet bij civiele stabilisatiemissies; versterking van de capaciteiten van de Unie, het maatschappelijk middenveld en de EU-partners voor de deelname aan en de inzet van civiele vredesmissies en vredesopbouwmissies; de uitwisseling van informatie en goede praktijken inzake vredesopbouw, conflictanalyse, vroegtijdige waarschuwing of training en dienstverlening; [Am. 450]

b)

herstel ondersteuning van herstel na een conflict of , onder meer door aandacht te besteden aan het vraagstuk van vermiste personen in post-conflictsituaties, en met ondersteuning van de implementatie van relevante multilaterale overeenkomsten die landmijnen en ontplofbare oorlogsresten aanpakken, evenals herstel na een ramp , waarbij rekening wordt gehouden met de politieke en veiligheidssituatie ; [Am. 451]

c)

ondersteuning van vredesopbouw en staatsopbouw , met inbegrip van lokale en internationale maatschappelijke organisaties, staten en internationale organisaties, en de ontwikkeling van structurele dialogen onderling op verschillende niveaus, tussen het lokale maatschappelijk middenveld en de partnerlanden, en met de Unie ; [Am. 452]

d)

conflictpreventie en crisisrespons;

d bis)

stopzetting van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ter financiering van conflicten en ondersteuning van de naleving door belanghebbenden van initiatieven zoals de Kimberleyprocescertificering, met inbegrip van initiatieven in verband met Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden  (1) , in het bijzonder wat betreft de uitvoering van efficiënt nationaal toezicht op de productie van en de handel in natuurlijke hulpbronnen; [Am. 453]

e)

capaciteitsopbouw voor veiligheid en van militaire actoren ter ondersteuning van ontwikkeling (CBSD) en veiligheid voor ontwikkeling ; [Am. 454]

e bis)

ondersteuning van acties ter bevordering van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, met name via de tenuitvoerlegging van de resoluties 1325 en 2250 van de VN-Veiligheidsraad, alsook van de deelname van vrouwen en jongeren aan en hun vertegenwoordiging in formele en informele vredesprocessen; [Am. 455]

e ter)

ondersteuning van acties ter bevordering van een cultuur van geweldloosheid, onder andere door formele, informele en niet-formele vredeseducatie; [Am. 456]

e quater)

ondersteuning van acties ter versterking van de veerkracht van staten, samenlevingen, gemeenschappen en individuen, waaronder veerkrachtbeoordelingen om het inheemse vermogen binnen samenlevingen te identificeren dat hen in staat stelt druk en schokken te weerstaan, zich eraan aan te passen en er snel van te herstellen; [Am. 457]

e quinquies)

steun voor internationale strafhoven en nationale ad-hoctribunalen, waarheids- en verzoeningscommissies, overgangsrechtspraak en andere mechanismen voor de juridische afdoening van mensenrechtenklachten en voor de vaststelling en toekenning van eigendomsrechten, ingesteld volgens internationale normen op het gebied van de mensenrechten en de rechtsstaat; [Am. 458]

e sexies)

ondersteuning van maatregelen ter bestrijding van illegaal gebruik van en toegang tot vuurwapens, handvuurwapens en lichte wapens; [Am. 459]

Maatregelen op dit gebied:

a)

omvatten de overdracht van knowhow, de uitwisseling van informatie en goede praktijken, de beoordeling van risico's of bedreigingen, onderzoek en analyse, systemen voor vroegtijdige waarschuwing, opleiding en dienstverlening;

b)

dragen bij aan de verdere ontwikkeling van een gestructureerde dialoog over vredesopbouwvraagstukken;

c)

kunnen technische en financiële bijstand voor de toepassing van maatregelen ter ondersteuning van vredesopbouw en staatsopbouw omvatten. [Am. 460]

2.

Bijstand voor het aanpakken van mondiale en transregionale dreigingen en opkomende dreigingen

De Unie verleent technische en financiële bijstand ter ondersteuning van de inspanningen van de partners en acties van de Unie voor het aanpakken van mondiale en transregionale dreigingen en opkomende dreigingen, voornamelijk op de volgende gebieden: [Am. 461]

a)

bedreigingen voor de rechtsstaat en de openbare orde, voor de beveiliging en de veiligheid van personen, waaronder terrorisme, gewelddadig extremisme, georganiseerde misdaad, cybercriminaliteit, hybride bedreigingen, illegale smokkel, handel en doorvoer , met name door het versterken van de capaciteit van de rechtshandhavings-, justitiële en civiele autoriteiten die zijn betrokken bij de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad, met inbegrip van cybercriminaliteit, en alle vormen van illegale handel, en bij de daadwerkelijke controle van illegale handel en doorvoer.

Er wordt prioriteit verleend aan transregionale samenwerking waarbij twee of meer derde landen betrokken zijn die duidelijk de politieke wil hebben getoond om de problemen die zich voordoen, aan te pakken. De maatregelen leggen specifiek de nadruk op goed bestuur en zijn in overeenstemming met het internationaal recht. Op het gebied van terrorismebestrijding kan ook worden samengewerkt met individuele landen en regio's, of internationale, regionale en subregionale organisaties. Op het gebied van bijstand aan autoriteiten die betrokken zijn bij de strijd tegen het terrorisme, wordt prioriteit verleend aan ondersteunende maatregelen voor de ontwikkeling en de versterking van de wetgeving tegen het terrorisme, voor de toepassing en de uitoefening van het financieel recht, het douanerecht en het immigratierecht, voor de ontwikkeling van procedures voor rechtshandhaving die in overeenstemming zijn met de hoogste internationale normen en het internationaal recht naleven, voor de versterking van mechanismen voor democratische controle en institutioneel toezicht en voor het voorkomen van gewelddadig radicalisme. Op het gebied van bijstand inzake het drugsprobleem wordt de nodige aandacht besteed aan internationale samenwerking gericht op de bevordering van de beste praktijken op het gebied van terugdringing van de vraag en van de productie en de vermindering van de schade. [Am. 462]

b)

bedreigingen voor openbare ruimten, kritieke infrastructuur, met inbegrip van internationaal vervoer, waaronder passagiers- en vrachtvervoer, energieactiviteiten en energiedistributie, cyberveiligheid, de volksgezondheid , met inbegrip van plotseling opkomende epidemieën met mogelijke transnationale effecten, of de stabiliteit van het milieu, bedreigingen van de maritieme veiligheid, en mondiale en transregionale dreigingen die voortvloeien uit de klimaatverandering en een potentieel destabiliserend effect kunnen hebben op vrede en veiligheid ; [Am. 463]

c)

mitigatie van risico's, hetzij opzettelijk, hetzij door ongevallen of door de natuur veroorzaakt, in verband met chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen of stoffen, en risico's voor gerelateerde installaties of terreinen , met name met betrekking tot de volgende gebieden:

1)

de ondersteuning en bevordering van civiele onderzoeksactiviteiten als alternatief voor defensiegerelateerd onderzoek;

2)

de verbetering van de veiligheid in civiele voorzieningen waar gevoelige chemische, biologische, radiologische of nucleaire materialen of stoffen worden opgeslagen of aangewend in het kader van civiele onderzoeksprogramma's;

3)

de ondersteuning, in het kader van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van civiele voorzieningen en de verrichting van relevante civiele studies die nodig zijn voor de ontmanteling, sanering of omvorming van aan wapens gerelateerde voorzieningen en locaties als besloten is dat deze niet langer deel uitmaken van een defensieprogramma;

4)

de versterking van de capaciteit van de bevoegde civiele autoriteiten die zich bezighouden met de ontwikkeling en het handhaven van doeltreffende controles op de illegale handel in chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen of stoffen (met inbegrip van de uitrusting voor de productie of levering ervan);

5)

de ontwikkeling van het juridisch kader en de institutionele capaciteit voor het instellen en handhaven van effectieve exportcontroles, met name op goederen voor tweeërlei gebruik, met inbegrip van regionale samenwerkingsmaatregelen, en voor de uitvoering van de bepalingen van het Wapenhandelsverdrag en de bevordering van de naleving ervan;

6)

de ontwikkeling van doeltreffende civiele rampenparaatheid, rampenplannen, crisisrespons en capaciteit voor saneringsmaatregelen.

Dergelijke activiteiten worden ontwikkeld in samenhang met de activiteiten in het kader van het Europees instrument voor nucleaire veiligheid dat is ingesteld bij de EINS-verordening; [Am. 464]

d)

capaciteitsopbouw voor veiligheid en van militaire actoren ter ondersteuning van ontwikkeling (CBSD) en veiligheid voor ontwikkeling . [Am. 465]

4.   ACTIEGEBIEDEN VOOR MONDIALE UITDAGINGEN

A.   MENSEN

1.   Gezondheid

a)

Ontwikkeling van de essentiële elementen voor een doeltreffend en omvattend stelsel van gezondheidszorg die het best kunnen worden aangepakt op supranationaal niveau om te zorgen voor billijke , betaalbare, inclusieve en universele toegang tot de openbare gezondheidszorg en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; [Am. 466]

a bis)

bevorderen, verschaffen en uitbreiden van essentiële diensten en psychologische bijstand voor slachtoffers van geweld, met name vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van verkrachting; [Am. 467]

b)

versterking van mondiale initiatieven die in belangrijke mate bijdragen tot universele gezondheidszorg, door op mondiaal niveau het voortouw te nemen bij de integratie van gezondheidszorg in alle beleidsgebieden en te streven naar een zorgcontinuüm, met inbegrip van bevordering van de gezondheid, van preventie tot nabehandeling;

c)

bevordering van de mondiale volksgezondheid door onderzoek naar overdraagbare ziekten, met inbegrip van armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten, en de controle op overdraagbare hierop, door deze ziekten en namaakgeneesmiddelen te bestrijden , door kennis te vertalen in en namaakgeneesmiddelen te bestrijden producten en beleidsmaatregelen, ter bestrijding voor het aanpakken van immunisatie , het brede spectrum van de veranderende ziektelast ( aanhoudende last van infecties, opkomende en opnieuw opkomende ziekten en epidemieën en antimicrobiële resistentie, en ook van niet-overdraagbare ziekten, alle vormen van ondervoeding en milieurisicofactoren); , en vorming van mondiale markten ter verbetering van de toegang tot essentiële medische dienstverlening en gezondheidszorg, met name voor seksuele en reproductieve gezondheid. [Am. 468]

c bis)

Ondersteuning van initiatieven om de toegang tot veilige, efficiënte en betaalbare geneesmiddelen, waaronder generische geneesmiddelen, diagnostiek en aanverwante gezondheidstechnologieën, op te schalen, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle beschikbare hulpmiddelen om de prijs van levensreddende geneesmiddelen en diagnostica te verlagen. [Am. 469]

c ter)

bevordering van een goede gezondheid en het bestrijden van overdraagbare ziekten door het versterken van de gezondheidsstelsels en het verwezenlijken van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, onder meer door meer aandacht te besteden aan preventie en het aanpakken van ziekten die door vaccins kunnen worden voorkomen; [Am. 470]

2.   Onderwijs

a)

Bevordering van het verwezenlijken van internationaal overeengekomen doelstellingen op het gebied van onderwijs en bestrijding van onderwijsarmoede door middel van gezamenlijke mondiale inspanningen voor inclusief, gelijkwaardig en goed onderwijs en opleiding op alle niveaus, voor alle leeftijden, ook bij zeer jonge kinderen en in nood- en crisissituaties , en met specifieke prioriteit voor het versterken van gratis openbare onderwijsstelsels ; [Am. 471]

b)

versterking van kennis, onderzoek en innovatie, vaardigheden en waarden door middel van partnerschappen en allianties voor actief burgerschap en productieve , goed opgeleide, democratische , inclusieve en weerbare samenlevingen; [Am. 472]

c)

ondersteuning van mondiale maatregelen voor het terugdringen van alle vormen van discriminatie en ongelijkheid, zoals de kloof tussen meisjes/vrouwen en jongens/mannen, om ervoor te zorgen dat iedereen gelijke kansen heeft om deel te nemen aan het economische en , politieke, sociale en culturele leven. [Am. 473]

c bis)

ondersteuning van inspanningen van maatschappelijke actoren en verbetering van hun goede praktijken, teneinde binnen kwetsbare omgevingen met zwakke overheidsstructuren te zorgen voor inclusief onderwijs van hoge kwaliteit. [Am. 474]

c ter)

ondersteuning van acties en bevordering van samenwerking op het gebied van sport om aan de empowerment van vrouwen en jongeren, individuen en gemeenschappen bij te dragen, alsook aan de doelstellingen met betrekking tot gezondheid, onderwijs en sociale inclusie van de Agenda 2030. [Am. 475]

3.   Vrouwen en kinderen [Am. 476]

a)

Ondersteuning Sturing en sturing ondersteuning van lokale, nationale en regionale initiatieven en mondiale inspanningen, partnerschappen en allianties voor de rechten van vrouwen, zoals beschreven in het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het facultatieve protocol daarbij, om een einde te maken aan alle vormen van geweld , schadelijke praktijken en discriminatie tegen vrouwen en meisjes; dit omvat tevens fysieke, psychologische, seksuele, economische , politieke en andere vormen van geweld en discriminatie met inbegrip van uitsluiting waarmee vrouwen te kampen hebben in de verschillende gebieden van hun privé- en openbare leven; [Am. 477]

a bis)

aanpakken van de onderliggende oorzaken van genderongelijkheden ter ondersteuning van conflictpreventie en vredesopbouw; bevorderen van de versterking van de positie van vrouwen, met inbegrip van de rol van de vrouw als ontwikkelingsactor en vredestichter; versterking van de macht, de stem en de deelname van vrouwen en meisjes in het sociale, economische, politieke en burgerlijke leven; [Am. 478]

a ter)

bevordering van de bescherming en naleving van de rechten van vrouwen en meisjes, waaronder economische, arbeids-, sociale en politieke rechten, en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, onder meer door middel van gezondheidsdiensten, voorlichting en voorzieningen op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid; [Am. 479]

b)

bevordering van nieuwe initiatieven om te bouwen aan sterkere systemen voor kinderbescherming in derde landen, teneinde ervoor te zorgen dat kinderen op alle gebieden beschermd worden tegen geweld, misbruik en verwaarlozing, onder meer door het bevorderen van de overgang van institutionele naar gemeenschapszorg voor kinderen. [Am. 480]

3 bis.     Kinderen en jongeren

a)

Bevordering van nieuwe initiatieven om te bouwen aan sterkere systemen voor kinderbescherming in derde landen, teneinde ervoor te zorgen dat kinderen hun leven optimaal kunnen beginnen en op alle gebieden beschermd worden tegen geweld, misbruik en verwaarlozing, onder meer door het bevorderen van de overgang van institutionele naar gemeenschapszorg voor kinderen;

b)

bevordering van de toegang tot sociale basisvoorzieningen voor kinderen en jongeren, met inbegrip van de meest gemarginaliseerde groepen, met bijzondere aandacht voor gezondheid, voeding, onderwijs, ontwikkeling van zeer jonge kinderen en sociale bescherming, alsook met inbegrip van diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, informatie en aanbod, specifiek op jongeren gerichte diensten en uitgebreide seksuele voorlichting, voeding, onderwijs en sociale bescherming;

c)

bevordering van de toegang voor jongeren tot vaardigheden, fatsoenlijke en hoogwaardige banen door middel van onderwijs, technische en beroepsopleidingen, en toegang tot digitale technologieën; ondersteuning van jong ondernemerschap en bevordering van nieuwe, duurzame banen met waardige arbeidsomstandigheden;

d)

bevordering van initiatieven die de positie van jongeren en kinderen versterken, en ondersteuning van beleid en acties voor het waarborgen van hun inclusie, betekenisvolle deelname aan civiele en politieke aangelegenheden en sociale erkenning, ter erkenning van hun werkelijke potentieel als katalysatoren van positieve veranderingen op gebieden als vrede, veiligheid, duurzame ontwikkeling, klimaatverandering, milieubescherming en armoedebestrijding. [Am. 481]

4.   Migratie , mobiliteit en gedwongen ontheemding [Am. 482]

a)

Ervoor zorgen dat de EU voorop blijft lopen bij de invulling van de wereldwijde agenda inzake migratie en het beheer van gedwongen ontheemding in al haar dimensies teneinde veilige, ordelijke en reguliere migratie te vergemakkelijken ; [Am. 483]

b)

sturen en begeleiden van mondiale en regio-overschrijdende beleidsdialogen, met inbegrip van Zuid-Zuid-migratie en uitwisseling en samenwerking op het gebied van migratie en gedwongen ontheemding; [Am. 484]

c)

ondersteuning van de uitvoering van internationale en EU-toezeggingen inzake migratie en gedwongen ontheemding, onder meer in het kader van de follow-up van het Global Compact inzake migratie en het Global Compact inzake vluchtelingen;

d)

verbetering van de mondiale kennisbasis, met inbegrip van de verwevenheid van migratie en ontwikkeling; opzetten van proefprojecten gericht op de ontwikkeling van innoverende operationele benaderingen op het gebied van migratie en gedwongen ontheemding;

d bis)

de samenwerking op dit gebied verloopt volgens een op de mensenrechten gebaseerde aanpak en wordt beheerd in samenhang met het [Fonds voor asiel en migratie], met volledige inachtneming van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling. [Am. 485]

5.   Waardig werk, sociale bescherming en ongelijkheid

a)

Invulling van de mondiale agenda en ondersteuning van initiatieven inzake de integratie van een krachtige pijler inzake gelijkheid en sociale rechtvaardigheid in overeenstemming met de Europese waarden;

b)

bijdragen aan de wereldwijde agenda inzake waardig werk voor iedereen in een gezonde omgeving en op basis van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO, met inbegrip van de sociale dialoog, leefbare lonen en de strijd tegen kinderarbeid , met name in door mondiale waardeketens duurzaam en verantwoord te maken op basis van horizontale zorgvuldigheidsverplichtingen , en bevordering van kennis over doeltreffende werkgelegenheidsmaatregelen die inspelen op de behoeften van de arbeidsmarkt, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding en een leven lang leren; [Am. 486]

b bis)

ondersteuning van mondiale initiatieven op het gebied van bedrijfsleven en mensenrechten, met inbegrip van bedrijfsverantwoordelijkheid voor schendingen van rechten en toegang tot rechtsmiddelen; [Am. 487]

c)

ondersteuning van mondiale initiatieven inzake universele sociale bescherming die de beginselen van efficiëntie, duurzaamheid en billijkheid respecteren; met inbegrip van steun om ongelijkheid aan te pakken en de sociale samenhang te waarborgen , met name door het inrichten en versterken van duurzame stelsels voor sociale bescherming en sociale zekerheid, fiscale hervorming, het versterken van de belastingstelsels en de strijd tegen fraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning ; [Am. 488]

d)

voortzetting van mondiale onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten door middel van sociale innovatie die leidt tot sociale integratie en tegemoetkomt aan de behoeften van de meest kwetsbare groepen in de samenleving.

6.   Cultuur

a)

Bevordering van initiatieven op het gebied van culturele diversiteit en interculturele en interreligieuze dialoog voor vreedzame betrekkingen tussen gemeenschappen; [Am. 489]

b)

ondersteuning van cultuur en creatieve en artistieke uiting als motor voor duurzame sociale en economische ontwikkeling, en versterking van de samenwerking op het gebied van cultureel erfgoed en hedendaagse kunst en andere culturele uitingen, alsook van het behoud ervan; [Am. 490]

b bis)

ontwikkeling van lokale ambachten als middel om het lokale culturele erfgoed te behouden. [Am. 491]

b ter)

versterking van de samenwerking inzake bescherming, behoud en opwaardering van het cultureel erfgoed, met inbegrip van het behoud van bijzonder kwetsbaar cultureel erfgoed, met name van minderheden en geïsoleerde gemeenschappen en inheemse volkeren; [Am. 492]

b quater)

ondersteuning van initiatieven voor de terugkeer van cultuurgoederen naar hun land van herkomst of hun restitutie in geval van onwettige toe-eigening; [Am. 493]

b quinquies)

ondersteuning van culturele samenwerking met de Unie, onder meer via uitwisselingen, partnerschappen en andere initiatieven, en erkenning van het professionalisme van auteurs, kunstenaars en culturele en creatieve actoren; [Am. 494]

b sexies)

ondersteuning van samenwerking en partnerschappen tussen sportorganisaties; [Am. 495]

B.   AARDE

1.   Waarborgen van een gezond milieu en aanpak van de klimaatverandering

a)

Versterking van de mondiale klimaat- en milieugovernance, de uitvoering van de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, de verdragen van Rio en andere multilaterale milieuovereenkomsten;

b)

bijdragen tot de externe dimensie van het milieubeleid en het beleid inzake klimaatverandering van de Unie met volledige inachtneming van het beginsel inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling ; [Am. 496]

c)

integratie van milieu, klimaatverandering en rampenrisicovermindering in het beleid, de plannen en investeringen, onder meer door betere kennis en informatie , met inbegrip van programma's of maatregelen voor interregionale samenwerking die zijn vastgesteld tussen partnerlanden en -regio's enerzijds en de naburige ultraperifere regio's en landen en gebieden overzee die onder het LGO-besluit vallen anderzijds ; [Am. 497]

d)

toepassing van internationale en EU-initiatieven ter bevordering van aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en van een klimaatbestendige koolstofarme ontwikkeling, onder meer via de uitvoering van de nationaal vastgestelde bijdragen (NDC's) en emissiearme, klimaatbestendige strategieën; bevordering van rampenrisicovermindering, aanpak van de aantasting van het milieu en biodiversiteitsverlies, bevordering van het behoud en het duurzame gebruik en beheer van terrestrische en mariene ecosystemen en hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van land, water, oceanen, visserij en bossen; aanpak van ontbossing , woestijnvorming , bodemdegradatie, illegale houtkap en illegale handel in wilde dieren en planten; bestrijding van verontreiniging en waarborgen van een gezond milieu, aanpakken van nieuwe klimaat- en milieuvraagstukken, ter bevordering van hulpbronnenefficiëntie, duurzame consumptie en productie , geïntegreerd waterbeheer en goed beheer van chemische stoffen en afval en de ondersteuning van de overgang naar een emissiearme, klimaatbestendige groene en circulaire economie; [Am. 498]

d bis)

bevordering van ecologisch duurzame landbouwpraktijken, met inbegrip van agro-ecologie, teneinde de ecosystemen en biodiversiteit te beschermen en de ecologische en sociale veerkracht ten aanzien van klimaatverandering te bevorderen, met speciale aandacht voor het ondersteunen van kleine boeren, werknemers en ambachtslieden. [Am. 499]

d ter)

implementatie van internationale initiatieven en initiatieven van de Unie om het verlies aan biodiversiteit aan te pakken door de instandhouding, het duurzame gebruik en het beheer van terrestrische en mariene ecosystemen en de daarmee samenhangende biodiversiteit te bevorderen. [Am. 500]

2.   Duurzame energie

a)

Ondersteuning van mondiale inspanningen, verbintenissen, partnerschappen en allianties, met inbegrip name van duurzame energietransitie; [Am. 501]

a bis)

bevordering van energiezekerheid voor de partnerlanden en lokale gemeenschappen, bijvoorbeeld door diversificatie van bronnen en trajecten, waarbij rekening wordt gehouden met problemen inzake prijsvolatiliteit en mogelijke emissiereducties, en door verbetering van de markten en aanmoediging van onderlinge verbindingen en de handel op het vlak van energie en met name elektriciteit; [Am. 502]

b)

aanmoediging van partnerregeringen om een energiebeleid vast te stellen en markthervormingen door te voeren waarmee een gunstig klimaat tot stand wordt gebracht voor inclusieve groei en investeringen in betere toegang tot klimaatvriendelijke, betaalbare, moderne, betrouwbare en duurzame energiediensten, met een sterke nadruk op waarbij voorrang wordt gegeven aan hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; [Am. 503]

c)

wereldwijde verkenning, identificering, mainstreaming en financiële steunverlening aan duurzame bedrijfsmodellen met schaalbaarheid en reproduceerbaarheid van innovatieve en digitale technologieën door middel van innovatief onderzoek, het verbeteren van de efficiëntie, met name voor gedecentraliseerde benaderingen voor het verstrekken van toegang tot energie door middel van hernieuwbare energie, met inbegrip van gebieden waar de lokale marktcapaciteit beperkt is.

C.   WELVAART

1.   Duurzame en inclusieve groei, waardig werk en betrokkenheid van de particuliere sector

a)

Bevordering van duurzame particuliere investeringen door middel van innovatieve financieringsmechanismen en risicodeling , onder meer voor landen met een lager ontwikkelingsniveau en kwetsbare staten die anders dergelijke investeringen niet zouden aantrekken en waarvoor additionaliteit kan worden aangetoond ; [Am. 504]

b)

verbetering ontwikkeling van een sociaal en ecologisch verantwoorde lokale particuliere sector, verbetering van het ondernemings- en investeringsklimaat, versterking van de publiek-private dialoog en op het opbouwen van de capaciteiten , het concurrentievermogen en de veerkracht van lokale micro-, kleine en middelgrote ondernemingen , evenals coöperaties en sociale ondernemingen, alsmede de integratie van deze ondernemingen in de lokale, regionale en mondiale economie [Am. 505]

b bis)

bevordering van financiële inclusie door de toegang tot en het effectief gebruik van financiële diensten te stimuleren, zoals microkredieten, microsparen, microverzekeringen en betalingsoverdracht, voor micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen en huishoudens, met name voor kansarme en kwetsbare groepen; [Am. 506]

c)

ondersteuning van de uitvoering van het handelsbeleid van de Unie en van handelsovereenkomsten en de uitvoering daarvan die duurzame ontwikkeling beogen ; verbetering van de toegang tot de markten van partnerlanden en bevordering van eerlijke handel, verantwoorde en toerekenbare investeringen en zakelijke kansen voor bedrijven uit de Unie, waarbij tegelijk belemmeringen voor markttoegang en investeringen worden weggenomen en er zowel wordt gestreefd naar betere toegang tot klimaatvriendelijke technologieën en intellectuele eigendom en wordt gezorgd voor het delen van waarden en voor de eerbiediging van de mensenrechten in de toeleveringsketens, met volledige inachtneming van de beleidscoherentie voor ontwikkeling waar het ontwikkelingslanden betreft ; [Am. 507]

d)

bevordering van een effectieve beleidsmix ten behoeve van economische diversifiëring, toegevoegde waarde, regionale integratie en duurzame groene en blauwe economie;

e)

bevordering van de toegang tot digitale technologieën, met inbegrip van de bevordering van de toegang tot financiering en financiële integratie;

f)

bevordering van duurzame consumptie en productie en van innovatieve technologieën en methoden voor een koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie.

2.   Voedsel- en voedingszekerheid

a)

Ondersteuning en beïnvloeding van internationale strategieën, organisaties, mechanismen en actoren die betrokken zijn bij de uitrol van belangrijke mondiale beleidskwesties en kaders rond duurzame voedsel- en voedingszekerheid en bijdragen aan de verantwoording over internationale verbintenissen inzake voedselzekerheid, voeding en duurzame landbouw, met inbegrip van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs ; [Am. 508]

b)

verbetering van mondiale collectieve goederen die een einde moeten maken aan honger en ondervoeding; instrumenten zoals het wereldwijde netwerk inzake voedselzekerheidscrises versterken de capaciteit om adequaat te reageren op voedsel- en voedingscrises in de context van de koppeling van humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede (vandaar steun voor de mobilisering van middelen uit de derde pijler zorgen voor eerlijke toegang tot voedsel, onder meer door te helpen de financieringstekorten voor voeding weg te werken; verbetering van mondiale collectieve goederen die een einde moeten maken aan honger en ondervoeding; instrumenten zoals het wereldwijde netwerk inzake voedselzekerheidscrises versterken de capaciteit om adequaat te reageren op voedsel- en voedingscrises in de context van de koppeling van humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede (vandaar steun voor de mobilisering van middelen uit de derde pijler); [Am. 509]

b bis)

bevordering van een gecoördineerde, versnelde, sectoroverstijgende inspanning om de capaciteit voor gediversifieerde lokale en regionale voedselproductie te verhogen, te zorgen voor voedselzekerheid en voeding, alsook toegang tot drinkwater, en de veerkracht van de meest kwetsbaren te vergroten, met name in landen die langdurige of steeds terugkerende crises doormaken; [Am. 510]

c)

bevestiging op mondiaal niveau van de centrale rol van duurzame landbouw en visserij en aquacultuur , met inbegrip van kleinschalige landbouw, veehouderij en nomadische veeteelt, voor meer voedselzekerheid, armoedebestrijding, werkgelegenheid , rechtvaardige en duurzame toegang tot en rechtvaardig en duurzaam beheer van middelen, met inbegrip van land en landrechten, water, (micro)kredieten, vrij beschikbaar zaaigoed en andere landbouwinputs , mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, herstelvermogen en gezonde ecosystemen; [Am. 511]

d)

innovatie door internationaal onderzoek en versterking van algemene kennis en deskundigheid, bevordering en versterking van lokale en autonome aanpassingsstrategieën, met name in verband met de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, agrobiodiversiteit, mondiale en alomvattende waardeketens , eerlijke handel , voedselveiligheid, verantwoorde investeringen, goed beheer van de exploitatie van de bodem en natuurlijke hulpbronnen. [Am. 512]

d bis)

actieve steun voor een grotere participatie van de maatschappelijke organisaties en van landbouwersorganisaties aan de beleidsvorming en de onderzoeksprogramma's en grotere betrokkenheid van deze groepen bij de uitvoering en evaluatie van regeringsprogramma's; [Am. 513]

D.   PARTNERSCHAPPEN

1.

Versterking van de rol van de plaatselijke overheden als actoren van ontwikkeling

a)

Vergroting van de capaciteit van Europese en zuidelijke netwerken, platformen en allianties van lokale autoriteiten, zodat een substantiële en permanente beleidsdialoog op het gebied van ontwikkeling gegarandeerd is en democratisch bestuur gestimuleerd wordt, met name door de territoriale aanpak van lokale ontwikkeling;

b)

meer interactie met Europese burgers over ontwikkelingsvraagstukken (bewustmaking, het delen van kennis, betrokkenheid), met name met betrekking tot de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, ook in de Unie en de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

2.

Bevordering van inclusieve samenlevingen, goed economisch bestuur, met inbegrip van eerlijke en inclusieve mobilisering van binnenlandse inkomsten en de bestrijding van belastingontwijking , transparant beheer van de overheidsfinanciën en effectieve en inclusieve overheidsuitgaven. [Am. 514]

4 bis.     ACTIEGEBIEDEN VOOR BEHOEFTEN EN PRIORITEITEN OP HET GEBIED VAN HET BUITENLANDS BELEID

Acties ter ondersteuning van de doelstellingen van artikel 4, lid 3, onder d bis), worden opgezet voor steun aan het buitenlands beleid van de Unie, in verband met politieke, ontwikkelings-, economische en veiligheidsvraagstukken. Die acties stellen de Unie in staat om op te treden indien er sprake is van een belang van buitenlands beleid of een kans om de doelstellingen ervan te bereiken, en die moeilijk op een andere manier kunnen worden bewerkstelligd. Het kan daarbij gaan om:

a)

steun voor de bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en strategieën van de Unie, bevordering van beleidsdialogen en ontwikkeling van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang, zoals migratie, ontwikkeling, klimaatverandering en veiligheidskwesties, met name op de volgende gebieden:

ondersteuning van de uitvoering van partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, actieplannen en soortgelijke bilaterale instrumenten;

verdieping van de politieke en economische dialoog met derde landen die zeer belangrijk zijn op het wereldtoneel, met name in het buitenlands beleid;

ondersteuning van de contacten met relevante derde landen met betrekking tot bilaterale en mondiale aangelegenheden van gemeenschappelijk belang;

bevordering van een adequate follow-up of gecoördineerde tenuitvoerlegging van de bereikte conclusies en aangegane verplichtingen in de betreffende internationale fora;

b)

ondersteunen van het handelsbeleid van de Unie:

ondersteuning van het handelsbeleid van de Unie en de onderhandeling, tenuitvoerlegging en naleving van handelsovereenkomsten, met volledige inachtneming van het beginsel inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling waar het ontwikkelingslanden betreft, en volledig in overeenstemming met het nastreven van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

ondersteuning van de verbetering van de toegang tot de markten van partnerlanden en meer kansen voor bedrijven uit de Unie, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, om handel te drijven, te investeren en zaken te doen, waarbij door middel van economische diplomatie en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied tegelijk belemmeringen voor de markttoegang, investeringen en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten worden weggenomen, waarbij zo nodig aanpassingen worden doorgevoerd ten aanzien van partners in de ontwikkelingslanden;

c)

bijdragen tot de uitvoering van de internationale dimensie van het interne beleid van de Unie:

bijdragen tot de uitvoering van de internationale dimensie van het interne beleid van de Unie, onder meer inzake milieu, klimaatverandering, energie, wetenschap en onderwijs, en samenwerking op het gebied van het beheer en het bestuur van de oceanen;

bevorderen van interne beleidsmaatregelen van de Unie ten aanzien van belangrijke partnerlanden en ondersteunen van convergentie op regelgevingsgebied in dit opzicht;

d)

bevorderen van groter inzicht in en grotere zichtbaarheid van de Unie en van haar rol op het wereldtoneel:

bevordering van groter inzicht in en grotere zichtbaarheid van de Unie en van haar rol op het wereldtoneel door middel van strategische communicatie, publieksdiplomatie, contacten tussen burgers, culturele diplomatie, samenwerking op onderwijskundig en universitair gebied, en door pr-activiteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen;

vergroting van de mobiliteit van studenten en universiteitspersoneel, met het oog op het creëren van partnerschappen ter verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs en gezamenlijke graden die academische erkenning bieden (“Erasmus+-programma”).

Die maatregelen geven uitvoering aan innovatief beleid of innovatieve initiatieven die aansluiten op de huidige of opkomende behoeften, mogelijkheden en prioriteiten op korte en middellange termijn, met inbegrip van de mogelijkheid om maatregelen in het kader van de geografische en thematische programma's op te zetten. Zij zijn gericht op het verdiepen van de betrekkingen van de Unie en op dialoog en de opbouw van partnerschappen en allianties met de belangrijkste landen van strategisch belang, met name opkomende economieën en middeninkomenslanden die een steeds belangrijkere rol spelen in de wereldpolitiek, op het vlak van het mondiale bestuur, het buitenlands beleid, de internationale economie en in multilaterale fora. [Am. 515]

(1)   PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.

BIJLAGE IV

ACTIEGEBIEDEN VOOR SNELLE RESPONS

1.

Acties die bijdragen tot vrede, stabiliteit en conflictpreventie in noodsituaties, bij dreigende crisis, tijdens een crisis en na een crisis [Am. 516]

Acties voor snelle respons als bedoeld in artikel 4, lid 4, onder a), worden opgezet voor een doeltreffende respons van de Unie wanneer zich onderstaande uitzonderlijke en onvoorziene situaties voordoen:

a)

een noodsituatie, crisis, dreigende crisis, of natuurrampen , indien relevant voor stabiliteit, vrede en veiligheid ; [Am. 517]

b)

een situatie die een gevaar betekent voor de vrede, de democratie, de rechtsstaat en de openbare orde, de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, of de beveiliging en de veiligheid van personen, in het bijzonder personen die blootstaan aan gendergerelateerd geweld in onstabiele situaties; [Am. 518]

c)

een situatie die dreigt te ontaarden in een gewapend conflict of die het derde land of de derde landen in kwestie ernstig dreigt te destabiliseren.

1 bis.

De in punt 1 bedoelde technische en financiële bijstand kan de volgende terreinen bestrijken:

a)

steun, door middel van technische en logistieke bijstand, voor de inspanningen van internationale, regionale en lokale organisaties, statelijke actoren en actoren uit het maatschappelijk middenveld ter bevordering van vertrouwenscheppende maatregelen, bemiddeling, dialoog en verzoening, overgangsjustitie en empowerment van vrouwen en kinderen, met name met betrekking tot spanningen binnen de samenleving en aanslepende conflicten;

b)

steun voor de uitvoering van de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, in het bijzonder met betrekking tot vrouwen, vrede, veiligheid en jongeren, met name in fragiele landen of landen die zich in een conflict- of postconflictsituatie bevinden;

c)

steun voor het tot stand komen en doen functioneren van interim-regeringen met een mandaat overeenkomstig het internationaal recht;

d)

steun voor de ontwikkeling van democratische en pluralistische staatsinstellingen, waaronder maatregelen om de rol van vrouwen in zulke instellingen te versterken, alsmede voor doelmatig burgerlijk bestuur en burgerlijk toezicht op het veiligheidsapparaat, en maatregelen ter versterking van de capaciteit van de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten die zijn betrokken bij de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en alle vormen van illegale handel;

e)

steun voor internationale strafhoven en nationale ad-hoctribunalen, waarheids- en verzoeningscommissies, overgangsrechtspraak en andere mechanismen voor de juridische afdoening van mensenrechtenklachten en voor de vaststelling en toekenning van eigendomsrechten, ingesteld volgens internationale normen op het gebied van de mensenrechten en de rechtsstaat;

f)

steun voor de versterking van de capaciteit van staten waar aanzienlijke druk bestaat om bepaalde kerntaken snel op te bouwen, te behouden of te herstellen, met het oog op de fundamentele sociale en politieke samenhang;

g)

steun voor de maatregelen die nodig zijn om een begin te maken met het herstel en de wederopbouw van belangrijke infrastructuur, huisvesting, openbare gebouwen, economische goederen en fundamentele productiefaciliteiten, alsmede andere maatregelen voor het weer op gang brengen van de economische activiteit, het scheppen van werkgelegenheid en de verwezenlijking van de minimumvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor duurzame maatschappelijke ontwikkeling;

h)

steun voor civiele maatregelen in verband met de demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders en hun gezin in de burgermaatschappij en, indien passend, hun repatriëring, alsmede maatregelen om het probleem van kindsoldaten en vrouwelijke strijders aan te pakken;

i)

steun voor maatregelen om de maatschappelijke gevolgen van herstructurering van de strijdkrachten op te vangen;

j)

steun voor maatregelen om, binnen het bestek van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, de sociaaleconomische gevolgen voor de burgerbevolking van antipersoonsmijnen, niet-geëxplodeerde oorlogsmunitie of ontplofbare oorlogsresten, aan te pakken. Tot de op grond van deze verordening gefinancierde activiteiten kunnen onder meer voorlichting over risico's, mijndetectie en -opruiming en, in samenhang daarmee, vernietiging van voorraden behoren;

k)

steun voor maatregelen voor het tegengaan, binnen het bestek van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van het illegaal bezit en gebruik van vuurwapens, handvuurwapens en lichte wapens;

l)

steun voor maatregelen om ervoor te zorgen dat er adequaat wordt ingespeeld op de specifieke behoeften van vrouwen en kinderen in crisis- en conflictsituaties, waaronder het voorkomen dat zij worden blootgesteld aan gendergerelateerd geweld;

m)

steun voor de revalidatie en herintegratie van de slachtoffers van gewapende geschillen, waaronder ook maatregelen om in de specifieke behoeften van vrouwen en kinderen te voorzien;

n)

steun voor maatregelen om de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, democratische beginselen en de rechtsstaat en van de daarmee verbonden internationale instrumenten te bevorderen en te handhaven;

o)

steun voor sociaaleconomische maatregelen ter bevordering van een eerlijke toegang tot en een transparant beheer van natuurlijke rijkdommen in een situatie van crisis of dreigende crisis, met inbegrip van vredesopbouw;

p)

steun voor maatregelen ter ondervanging van de mogelijke gevolgen van plotselinge bevolkingsstromen die van belang zijn voor de politieke en veiligheidssituatie, waaronder ook maatregelen om in de behoeften van de gastgemeenschappen te voorzien in een situatie van crisis of dreigende crisis, met inbegrip van vredesopbouw;

q)

steun voor maatregelen om de ontwikkeling en de organisatie van het maatschappelijke middenveld en zijn participatie in het politieke proces te bevorderen, waaronder maatregelen ter versterking van de rol van vrouwen in dergelijke processen en ter bevordering van onafhankelijke pluralistische, professionele media;

r)

capaciteitsopbouw van militaire actoren ter ondersteuning van ontwikkeling en veiligheid voor ontwikkeling. [Am. 519]

2.

Acties die bijdragen tot de versterking van de weerbaarheid en de koppeling van humanitaire en ontwikkelingsmaatregelen

Acties voor snelle respons als bedoeld in artikel 4, lid 4, onder b), worden opgezet om de weerbaarheid doeltreffend te versterken en humanitaire steun te koppelen aan ontwikkelingsmaatregelen, als dat niet snel via geografische en thematische programma's kan worden bewerkstelligd , met waarborging van de samenhang, consistentie en complementariteit met de humanitaire steun als bepaald in artikel 5 . [Am. 520]

Deze acties kunnen het volgende omvatten:

a)

versterking van de weerbaarheid, door individuen, gemeenschappen, instellingen en landen te helpen zich beter voor te bereiden op, bestand te zijn tegen, zich aan te passen aan en snel te herstellen van politieke, economische en maatschappelijke spanningen en schokken, door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, conflicten en mondiale gevaren; inclusief door de versterking van de capaciteit van een staat — met name waar aanzienlijke druk bestaat om bepaalde kerntaken snel op te bouwen, te behouden of te herstellen, met het oog op de fundamentele sociale en politieke samenhang van samenlevingen, gemeenschappen en individuen, om kansen en risico's op een vreedzame , conflictbewuste en stabiele wijze te beheren en om bestaansmiddelen die onder grote druk staan, op te bouwen, te behouden of te herstellen , en door het ondersteunen van individuen, gemeenschappen en samenlevingen om hun bestaande inheemse capaciteiten te identificeren en te versterken om weerstand te bieden aan, zich aan te passen aan en snel te herstellen van deze druk en schokken, waaronder ook degene die kunnen leiden tot een escalatie van geweld ; [Am. 521]

b)

verzachting van de nadelige effecten op korte termijn die het gevolg zijn van exogene schokken en die leiden tot macro-economische instabiliteit, ter bescherming van sociaal-economische hervormingen en prioritaire overheidsuitgaven voor sociaal-economische ontwikkeling en het terugdringen van de armoede;

c)

tenuitvoerlegging van kortetermijnmaatregelen voor herstel en wederopbouw om de slachtoffers van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, conflicten en mondiale gevaren in staat te stellen te profiteren van een minimum aan sociaal-economische integratie en zo snel mogelijk de voorwaarden te scheppen voor hervatting van de ontwikkeling overeenkomstig de doelstellingen voor de lange termijn die door de betrokken landen en regio's zijn vastgesteld; dit omvat het aanpakken van de dringende en onmiddellijke behoeften die zijn ontstaan door de gedwongen ontheemding van personen (vluchtelingen, ontheemden en repatrianten) als gevolg van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen; en [Am. 522]

d)

hulp bieden aan de staat , regio, lokale overheden of regio relevante niet-gouvernementele organisaties bij het opzetten van mechanismen voor rampenpreventie en rampenparaatheid, met inbegrip van systemen voor voorspelling en vroegtijdige waarschuwing, teneinde de gevolgen van dergelijke rampen te beperken. [Am. 523]

3.

Acties betreffende behoeften en prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid

Acties voor snelle respons ter ondersteuning van de doelstellingen van artikel 4, lid 4, onder c), worden opgezet voor steun aan het buitenlands beleid van de Unie, in verband met politieke, economische en veiligheidsvraagstukken. Deze acties stellen de Unie in staat om op te treden indien er sprake is van een dringend of dwingend belang van buitenlands beleid of een kans om de doelstellingen ervan te bereiken, en waarvoor een snelle respons is vereist die moeilijk op een andere manier kan worden bewerkstelligd.

Deze acties kunnen het volgende omvatten:

a)

steun voor de bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en strategieën van de Unie, bevordering van beleidsdialogen en ontwikkeling van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang, zoals migratie en veiligheid, en het benutten van mogelijkheden op dit gebied;

b)

steun voor het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten van de Unie en de uitvoering daarvan; verbetering van de toegang tot de markten van partnerlanden en meer kansen voor bedrijven uit de Unie, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, om handel te drijven, te investeren en zaken te doen, waarbij door middel van economische diplomatie en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied tegelijk belemmeringen voor de markttoegang en investeringen worden weggenomen;

c)

bijdragen tot de uitvoering van de internationale dimensie van het interne beleid van de Unie, onder meer inzake milieu, klimaatverandering, energie, en samenwerking op het gebied van het beheer en het bestuur van de oceanen;

d)

bevordering van groter inzicht in en grotere zichtbaarheid van de Unie en van haar rol op het wereldtoneel door middel van strategische communicatie, publieksdiplomatie, contacten tussen burgers, culturele diplomatie, samenwerking op onderwijskundig en universitair gebied, en door pr-activiteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen.

Deze maatregelen geven uitvoering aan innovatief beleid of innovatieve initiatieven die aansluiten op de huidige of opkomende behoeften, mogelijkheden en prioriteiten op korte en middellange termijn, met inbegrip van de mogelijkheid om maatregelen in het kader van de geografische en thematische programma's op te zetten. Zij zijn gericht op het verdiepen van de betrekkingen van de Unie en op dialoog en de opbouw van partnerschappen en allianties met de belangrijkste landen van strategisch belang, met name opkomende economieën en middeninkomenslanden die een steeds belangrijkere rol spelen in de wereldpolitiek, op het vlak van het mondiale bestuur, het buitenlands beleid, de internationale economie en in multilaterale fora. [Am. 524]

BIJLAGE V

PRIORITAIRE GEBIEDEN VAN DE EFDO+-ACTIES DIE WORDEN GEDEKT DOOR DE GARANTIE VOOR EXTERN OPTREDEN

De EFDO+-acties die in aanmerking komen voor steun via de garantie voor extern optreden, zijn met name gericht op dragen bij tot de verwezenlijking van de volgende prioritaire gebieden: [Am. 525]

a)

financiering en ondersteuning van de ontwikkeling van de particuliere , sociale-ondernemings- en coöperatieve sector in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 209, lid 2, van het Financieel Reglement, teneinde bij te dragen aan duurzame ontwikkeling in de economische, sociale en milieudimensie ervan en aan de uitvoering van de Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs en, in voorkomend geval, het Europees nabuurschapsbeleid en de doelstellingen van artikel 3 van de IPA III-verordening, de uitbanning van armoede, het bevorderen van vaardigheden en ondernemerschap, gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen en jongeren, terwijl de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten worden nagestreefd en versterkt, met een speciale focus op plaatselijke bedrijven, sociale ondernemingen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, de bevordering van waardig werk in overeenstemming met de desbetreffende IAO-normen, leefbare lonen en economische kansen , en ter stimulering van bijdragen van Europese bedrijven aan het EFDO+; [Am. 526]

b)

aanpak van knelpunten voor particuliere investeringen door te voorzien in financieringsinstrumenten, die kunnen worden uitgedrukt in de plaatselijke valuta van het betrokken partnerland, met inbegrip van garanties voor eerste verliezen voor portfoliogaranties aan projecten in de particuliere sector zoals leninggaranties aan kleine en middelgrote ondernemingen en garanties voor specifieke risico's voor infrastructuurprojecten en ander risicokapitaal;

c)

aantrekken van financiering uit de particuliere sector, met een bijzondere nadruk op micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, door het aanpakken van knelpunten en belemmeringen voor investeringen;

d)

versterking van sociaal-economische sectoren en gebieden en daaraan gerelateerde publieke en private infrastructuur en duurzame connectiviteit, met inbegrip van hernieuwbare en duurzame energie, water- en afvalbeheer, vervoer, informatie- en communicatietechnologie, alsook milieu, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, duurzame landbouw en blauwe groei, sociale infrastructuur, gezondheid en menselijk kapitaal, om het sociaal-economische klimaat te verbeteren;

e)

bijdragen aan klimaatactie en milieubescherming en -beheer en zo voordelen voor klimaat én milieu tot stand brengen, door 45 % van de financiële middelen toe te wijzen aan investeringen die bijdragen tot klimaatdoelstellingen, milieubeheer en -bescherming, biodiversiteit en het tegengaan van woestijnvorming, en waarbij 30 % van de totale financiële middelen moet worden besteed aan mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering; [Am. 527]

f)

bevordering van duurzame ontwikkeling, bijdragen tot het aanpakken van specifieke grondoorzaken armoede en ongelijkheid als oorzaken van migratie, met inbegrip van irreguliere migratie, alsmede en gedwongen verplaatsing van de bevolking , en bevordering van veilige, ordelijke en reguliere migratie, door vergroting van de weerbaarheid van doorreis- en gastgemeenschappen en bijdragen tot de duurzame re-integratie van migranten die terugkeren naar hun land van herkomst, waarbij naar behoren aandacht wordt besteed aan het versterken van de rechtsstaat, goed bestuur , gendergelijkheid, sociale rechtvaardigheid en mensenrechten. [Am. 528]

De volgende investeringsvensters worden tot stand gebracht:

duurzame energie en duurzame connectiviteit;

financiering van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

duurzame landbouw, plattelandsondernemers, met inbegrip van zelfvoorzienende en kleine landbouwbedrijven en nomadische veeteelt, en milieuvriendelijke agro-industrie;

duurzame steden;

digitalisering met het oog op duurzame ontwikkeling.

menselijke ontwikkeling [Am. 529]

BIJLAGE VI

BEHEER VAN HET EFDO+

1.   Structuur van het EFDO+

1.

Het EFDO+ wordt samengesteld uit regionale investeringsplatformen die worden opgezet op basis van de werkmethoden, procedures en structuren van de bestaande externe blendingfaciliteiten van de Unie, die kunnen worden gecombineerd met garanties voor het extern optreden in het kader van EFDO+.

2.

Het beheer van het EFDO+ wordt toevertrouwd aan de Commissie.

2.   Strategische raad van het EFDO+

1.

Bij het beheer van het EFDO+ wordt de Commissie geadviseerd door een strategische raad, behalve in het geval van maatregelen met betrekking tot het uitbreidingsbeleid van de EU die worden gefinancierd door [IPA III], waarvoor de strategische raad valt onder het investeringskader voor de Westelijke Balkan (WBIF).

2.

De strategische raad adviseert de Commissie over de strategische oriëntaties en prioriteiten van de onder EFDO+ vallende investeringen van de garantie voor extern optreden, en draagt bij tot de afstemming daarvan op de richtsnoeren en doelstellingen van het externe optreden, het ontwikkelingsbeleid en het nabuurschapsbeleid van de Unie, alsmede op de doelstellingen van artikel 3 van deze verordening en de doelstellingen van EFDO+ als uiteengezet in artikel 26. De strategische raad verleent tevens steun aan de Commissie bij de vaststelling van de algemene investeringsdoeleinden wat betreft het gebruik van de garantie voor extern optreden voor steun aan EFDO+-acties en houdt toezicht op een passende en gediversifieerde geografische en thematische dekking van de investeringsvensters.

3.

De strategische raad ondersteunt ook de algehele coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de regionale investeringsplatformen, tussen de drie pijlers van het Europees investeringsplan, tussen het Europees investeringsplan en de andere inspanningen van de Unie inzake migratie en de uitvoering van de Agenda 2030, alsook met andere programma's die in deze verordening zijn vastgesteld.

4.

De strategische raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Commissie, de hoge vertegenwoordiger, alle lidstaten en de Europese Investeringsbank. Het Europees Parlement heeft de status van waarnemer. Aan contribuanten, in aanmerking komende tegenpartijen, partnerlanden, betrokken regionale organisaties en andere belanghebbenden kan in voorkomend geval de status van waarnemer worden verleend. De strategische raad wordt voorafgaand aan de opneming van nieuwe waarnemers geraadpleegd. De strategische raad wordt gezamenlijk voorgezeten door de Commissie en de hoge vertegenwoordiger.

5.

De strategische raad komt minstens tweemaal per jaar bijeen en neemt, indien mogelijk, adviezen bij consensus aan. Te allen tijde kunnen extra bijeenkomsten worden georganiseerd door de voorzitter of op verzoek van een derde van de leden van de raad. Indien geen consensus kan worden bereikt, worden de stemrechten toegepast zoals bepaald tijdens de eerste bijeenkomst van de strategische raad en vastgelegd in zijn reglement van orde. Deze stemrechten houden terdege rekening met de financieringsbron. In het reglement van orde wordt het kader voor de rol van waarnemers omschreven. De notulen en de agenda's van de vergaderingen van de strategische raad worden na de vaststelling ervan openbaar gemaakt.

6.

De Commissie brengt jaarlijks een voortgangsverslag over de uitvoering van het EFDO+ uit aan de strategische raad. De strategische raad van het WBIF brengt verslag uit over de vooruitgang die is geboekt met de uitvoering van het garantie-instrument voor de uitbreidingsregio, ter aanvulling van het bovengenoemde verslag. De strategische raad organiseert regelmatig overleg met de betrokken belanghebbenden over de strategische oriëntatie en de uitvoering van het EFDO+.

7.

Het feit dat er twee strategische raden bestaan, doet geen afbreuk aan de noodzaak om over één kader voor risicobeheer van het EFDO+ te beschikken.

3.   Regionale operationele raden

De operationele raden van de regionale investeringsplatformen ondersteunen de Commissie op uitvoeringsniveau bij het vaststellen van regionale en sectorale investeringsdoelstellingen en regionale, sectorale en thematische investeringsvensters, en formuleren adviezen over blendingfinanciering en het gebruik van de garantie voor extern optreden ter dekking van EFDO+-acties. [Am. 530]

BIJLAGE VII

LIJST VAN ESSENTIËLE PRESTATIE-INDICATOREN

In samenhang met de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen wordt de volgende lijst van essentiële prestatie-indicatoren gebruikt voor het meten van de bijdrage van de Unie aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan.

1)

Rechtsstaat-score

2)

Percentage van de bevolking onder de internationale armoedegrens

3)

Aantal vrouwen in de reproductieve leeftijd, huwbare meisjes, en kinderen onder de 5 jaar die vallen onder de voedingsprogramma's met EU-steun

4)

Aantal 1-jarigen dat met EU-steun volledig is ingeënt

5)

Aantal kinderen dat primair en/of secundair onderwijs volgt heeft afgerond en basisvaardigheden op het gebied van lezen en wiskunde heeft opgedaan met EU-steun steun van de Unie [Am. 531]

6)

Verminderde of vermeden uitstoot van broeikasgassen (kiloton CO2-eq.) met EU-steun

7)

Oppervlakte van mariene, terrestrische en zoetwaterecosystemen die worden beschermd en/of duurzaam beheerd met EU-steun

8)

Bereikt hefboomeffect voor investeringen en multiplicatoreffect

9)

Politieke stabiliteit en afwezigheid van geweld , gebaseerd op een basisevaluatie [Am. 532]

10)

Aantal processen met betrekking tot de praktijken van partnerlanden op het gebied van handel, investeringen en ondernemerschap, of met betrekking tot de bevordering van de externe dimensie van het interne beleid van de EU, waarop invloed is uitgeoefend

Alle Indicator (4) wordt uitgesplitst naar geslacht, en indicatoren worden waar mogelijk  (2), (3) en 5) worden uitgesplitst naar geslacht geslacht en leeftijd . [Am. 533]

Bijlage VII bis

Partnerlanden waarvoor de bijstand van de Unie is opgeschort.

[Op te stellen door de Commissie overeenkomstig artikel 15 bis] [Am. 534]

 


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/409


P8_TA(2019)0299

Instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (COM(2018)0465 — C8-0274/2018 — 2018/0247(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/36)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0465),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 212, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0274/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 6 december 2018 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0174/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 156.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 8.


P8_TC1-COD(2018)0247

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4) verstrijkt op 31 december 2020. Teneinde ervoor te zorgen dat het externe optreden van de Unie effectief blijft, moet een kader voor de planning en uitvoering van de externe bijstand in stand worden gehouden.

(2)

Het instrument voor pretoetredingssteun heeft aanzienlijk andere doelstellingen dan het externe optreden van de Unie in het algemeen, aangezien dit instrument erop gericht is de in bijlage I genoemde begunstigden voor te bereiden op het toekomstige lidmaatschap van de Unie en het toetredingsproces te ondersteunen. Het is daarom van essentieel belang dat er als doelstelling om de in bijlage I genoemde begunstigden (“begunstigden”) voor te bereiden op het toekomstige lidmaatschap van de Unie en het toetredingsproces te ondersteunen, overeenkomstig de algemene doelstellingen van het externe optreden van de Unie, inclusief de eerbiediging van de grondrechten en -beginselen alsmede de bescherming en bevordering van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat zoals vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Hoewel de specifieke aard van het toetredingsproces een specifiek instrument bestaat vereist ter ondersteuning van de uitbreiding, met dien verstande dat dit een aanvulling dient te moeten de doelstellingen en de werking van dit instrument in overeenstemming zijn met en een aanvulling vormen op de algemene doelstellingen van het externe optreden van de Unie, en met name die van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI). [Am. 1]

(3)

In artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) wordt bepaald dat elke Europese staat die de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de rechten van de mens, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, eerbiedigt en zich ertoe verbindt deze waarden uit te dragen, kan verzoeken lid te worden van de Unie. Een Europese staat die het lidmaatschap van de Unie heeft aangevraagd, kan alleen lid worden als vaststaat dat hij voldoet aan de lidmaatschapscriteria die de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 heeft vastgesteld (de “criteria van Kopenhagen”), en op voorwaarde dat de Unie het vermogen heeft om het nieuwe lid op te nemen. De criteria van Kopenhagen hebben betrekking op stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden, het bestaan van een functionerende markteconomie, de capaciteit om de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie het hoofd te kunnen bieden, garanderen en op het vermogen om niet alleen de rechten maar ook de plichten die uit de verdragen voortvloeien, op zich te nemen, zoals het nastreven van de doelstellingen van een politieke, economische en monetaire unie Dit zijn de gemeenschappelijke waarden van lidstaten in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid tussen vrouwen en mannen . [Am. 2]

(4)

Het uitbreidingsproces is gebaseerd op vaste criteria en eerlijke en consistente voorwaarden. Elke begunstigde wordt op de eigen verdiensten beoordeeld. Door de balans van de vorderingen op te maken en tekortkomingen te identificeren, worden de in bijlage I vermelde begunstigden aangespoord tot en begeleid bij de noodzakelijke ingrijpende hervormingen. Om het uitbreidingsperspectief tot een realiteit te maken, blijft de solide gehechtheid aan het beginsel van “eerst de basis” (5) van essentieel belang. Goede nabuurschapsbetrekkingen en regionale samenwerking gestoeld op de definitieve, inclusieve en bindende afhandeling van bilaterale geschillen zijn wezenlijke onderdelen van het uitbreidingsproces die tevens uiterst belangrijk zijn voor de veiligheid en de stabiliteit van de Unie in haar geheel.  Vooruitgang in de richting van toetreding hangt af van de vraag of elke verzoeker de waarden van de Unie eerbiedigt en van zijn vermogen om de hervormingen door te voeren die nodig zijn om zijn systemen op het vlak van beleid, instellingen, wetgeving, samenleving, administratie en economie af te stemmen op de regels, de normen, het beleid en de praktijken van de Unie. In het onderhandelingskader zijn vereisten opgenomen waartegen de vooruitgang in de toetredingsonderhandelingen met elke kandidaat-lidstaat wordt afgemeten . [Am. 3]

(4 bis)

Een Europese staat die het lidmaatschap van de Unie heeft aangevraagd, kan alleen lid worden van de Unie als vaststaat dat hij volledig voldoet aan de toetredingscriteria die de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 heeft vastgesteld (de “criteria van Kopenhagen”) en op voorwaarde dat de Unie het vermogen heeft het nieuwe lid op te nemen. Die criteria hebben betrekking op stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden, het bestaan van een functionerende markteconomie, evenals de capaciteit om de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie het hoofd te kunnen bieden, garanderen, en het vermogen om niet alleen de rechten maar ook de plichten die uit de Verdragen voortvloeien, aan te nemen, zoals het nastreven van de doelstellingen van een politieke, economische en monetaire unie. [Am. 4]

(5)

Het uitbreidingsbeleid maakt integraal deel uit van het externe optreden van de EU is een investering in Unie en draagt bij tot vrede, veiligheid , welvaart en stabiliteit in Europa , zowel binnen als buiten de grenzen van de Unie . Dit beleid leidt tot grotere economische en handelsmogelijkheden, tot wederzijds voordeel van de EU en de kandidaten voor het lidmaatschap van de Unie , terwijl het beginsel van geleidelijke integratie wordt geëerbiedigd om te zorgen voor een soepele overgang bij de begunstigden . Het vooruitzicht van het lidmaatschap van de Unie is een krachtige motor voor veranderingsprocessen en leidt tot democratische, politieke, economische en maatschappelijke veranderingen. [Am. 5]

(6)

De Europese Commissie heeft in haar recente mededeling “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” (6) opnieuw het duidelijke, op verdiensten gebaseerde vooruitzicht op het EU-lidmaatschap voor de Westelijke Balkan bevestigd. Dit is een krachtige stimulans voor de hele Westelijke Balkan en een teken van de gehechtheid van de EU aan de Europese toekomst van de betrokken gebieden.

(7)

Steun dient tevens te worden verleend uit hoofde van de internationale overeenkomsten die de Unie heeft gesloten met de in bijlage I vermelde , onder andere met de begunstigden. De steun moet er voornamelijk op toegespitst zijn de in bijlage I vermelde begunstigden te helpen hun democratische instellingen en de rechtsstaat te versterken, hun justitiële stelsel en openbaar bestuur te hervormen, de grondrechten te eerbiedigen , waaronder die van minderheden, en gendergelijkheid, verdraagzaamheid, sociale inclusie , de eerbiediging van internationale arbeidsnormen inzake de rechten van werknemers en non-discriminatie van kwetsbare groepen, met inbegrip van kinderen en mensen met een handicap, te bevorderen. Bij de bijstand moeten moet ook de inachtneming door de begunstigden van de belangrijkste beginselen en rechten, zoals vastgesteld in het kader van de Europese pijler van sociale rechten (7), evenals van de sociale markteconomie en de convergentie naar het sociale acquis, worden ondersteund. De bijstand moet de inspanningen blijven ondersteunen die de begunstigden leveren om de regionale, macroregionale en grensoverschrijdende samenwerking alsmede de territoriale ontwikkeling te bevorderen, onder andere door uitvoering van de macroregionale strategieën van de Unie , met als doel om goed nabuurschap te ontwikkelen en verzoening te bevorderen . De bijstand moet . ook sectorale regionale samenwerkingsstructuren bevorderen en hun economische en sociale ontwikkeling en hun economische governance moeten worden gestimuleerd, stimuleren, de economische integratie met de interne markt van de Unie bevorderen, met inbegrip van douanesamenwerking, en bijdragen tot open en eerlijke handel, waarbij moet worden gestreefd naar een agenda voor slimme, duurzame en inclusieve groei, onder meer door uitvoering van beleid inzake regionale ontwikkeling , beleid inzake cohesie en inclusie , landbouw- en plattelandsontwikkelingsbeleid, sociaal en werkgelegenheidsbeleid en de ontwikkeling van de digitale economie en de digitale samenleving, ook in overeenstemming met het vlaggenschipinitiatief Digitale Agenda voor de Westelijke Balkan. [Am. 6]

(7 bis)

Rekening houdend met het transformerende karakter van het hervormingsproces tijdens het uitbreidingsproces in de kandidaat-lidstaten, moet de Unie haar inspanningen opvoeren om prioriteiten te stellen op belangrijke gebieden voor financiering van de Unie, zoals institutionele en veiligheidsopbouw, en haar steun versterken aan kandidaat-lidstaten bij de uitvoering van projecten met het oog op bescherming van die kandidaat-lidstaten tegen invloeden van buiten de EU. [Am. 7]

(7 ter)

De inspanningen van de Unie om de vooruitgang van de hervormingen in de kandidaat-lidstaten via IPA-financiering te ondersteunen, moeten goed worden gecommuniceerd in de kandidaat-lidstaten en in de lidstaten. De Unie moet wat dat betreft de communicatie- en campagne-inspanningen verbeteren om de IPA-financiering, als het belangrijkste EU-instrument voor vrede en stabiliteit in de uitbreidingszone, zichtbaar te maken. [Am. 8]

(7 quater)

Het belang van de facilitering en uitvoering van de begroting wordt erkend met betrekking tot de opbouw van instellingen, wat in ruil daarvoor zal helpen in het licht van mogelijke veiligheidskwesties, en mogelijke toekomstige illegale migratiestromen naar de lidstaten zal voorkomen. [Am. 9]

(8)

De Unie moet, op basis van de ervaringen van haar lidstaten, de transitie van alle in bijlage I vermelde begunstigden naar de toetreding ondersteunen. Deze samenwerking moet met name gericht zijn op het delen van de ervaringen die de lidstaten in het hervormingsproces hebben opgedaan.

(9)

Betere strategische en operationele samenwerking op het gebied van veiligheid en hervorming van de defensiesector tussen de Unie en de in bijlage I vermelde begunstigden is van cruciaal belang voor een doeltreffende aanpak van dreigingen op het gebied van veiligheid , georganiseerde criminaliteit en terrorisme. [Am. 10]

(9 bis)

Acties in het kader van het door deze verordening ingestelde instrument, moeten ook bijdragen aan de ondersteuning van de begunstigden bij de geleidelijke aanpassing aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), en de tenuitvoerlegging van beperkende maatregelen en het bredere externe beleid van de Unie in internationale instellingen en multilaterale fora. De Commissie moet de begunstigden aanmoedigen om deel te nemen aan een op regels en waarden gebaseerde wereldorde en aan de bevordering van het multilateralisme en de verdere versterking van het internationale handelssysteem, met inbegrip van WTO-hervormingen. [Am. 11]

(10)

Het is essentieel dat de Samenwerking inzake migratie, met inbegrip van grensbeheer, sterker wordt bevorderd, de en -toezicht, waarborging van toegang tot internationale bescherming wordt gewaarborgd, , uitwisseling van relevante informatie wordt uitgewisseld, , versterking van de voordelen van migratie voor de ontwikkeling worden versterkt, , facilitering van legale migratie en arbeidsmigratie worden vergemakkelijkt, verbetering van het grenstoezicht wordt verbeterd en de inspanningen in de strijd tegen ter voorkoming en ontmoediging van irreguliere migratie, en gedwongen ontheemding , en ter bestrijding van mensenhandel en migrantensmokkel worden voortgezet -smokkel, is een belangrijk aspect van de samenwerking tussen de Unie en de begunstigden . [Am. 12]

(11)

Het versterken van de rechtsstaat, waaronder met inbegrip van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de bestrijding van corruptie , witwassen en georganiseerde criminaliteit, en goed bestuur, met inbegrip van hervorming van het openbaar bestuur, blijven voor de meeste in bijlage I vermelde begunstigden het ondersteunen van mensenrechtenverdedigers, voortdurende aanpassing op het gebied van transparantie, openbare aanbestedingen, mededinging, staatssteun, intellectueel eigendom en buitenlandse investeringen, blijven belangrijke uitdagingen die voor de begunstigden van wezenlijk belang zijn om nader tot de Unie te kunnen komen en later volledig zich voor te bereiden op de volledige vervulling van de verplichtingen van het lidmaatschap van de Unie te kunnen vervullen. Gezien het langetermijnkarakter van de hervormingen die op die gebieden moeten worden doorgevoerd en de noodzaak om een staat van dienst op te bouwen, moet de financiële steun uit hoofde van deze verordening zo spoedig mogelijk worden ingezet voor de vereisten waaraan de in bijlage I vermelde begunstigden moeten voldoen geprogrammeerd om deze kwesties zo spoedig mogelijk aan te pakken . [Am. 13]

(12)

De parlementaire dimensie blijft een fundamenteel element van het toetredingsproces. Volgens het beginsel van de participatieve democratie moet de Commissie derhalve voor alle in bijlage I vermelde begunstigden aanmoedigen dat parlementair toezicht wordt uitgeoefend op de steun die die begunstigden ontvangen begunstigden de versterking van de parlementaire capaciteiten, het parlementaire toezicht, democratische procedures en eerlijke vertegenwoordiging, bevorderen . [Am. 14]

(13)

De in bijlage I vermelde begunstigden moeten beter voorbereid zijn op wereldwijde uitdagingen zoals duurzame ontwikkeling en klimaatverandering, en zich aansluiten bij de inspanningen van de Unie om die problemen aan te pakken. Gelet op het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de verplichting die de Unie is aangegaan om de overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) uit te voeren, moet dit programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie in het beleid van de Unie en de verwezenlijking van het algemene streven dat 25 % van de uitgaven op de EU-begroting de klimaatdoelstellingen moet ondersteunen. Bij de acties in het kader van dit programma zal naar verwachting moet ernaar worden gestreefd dat ten minste 16 % van het totale budget van het programma bijdragen bijdraagt aan de klimaatdoelstellingen , met als doel dat klimaatgerelateerde uitgaven uiterlijk in 2027 30 % van de MFK-uitgaven bereiken. Prioriteit moet worden verleend aan milieuprojecten ter bestrijding van grensoverschrijdende vervuiling. De relevante acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma, en de totale bijdrage via dit programma zal worden geëvalueerd en getoetst. [Am. 15]

(14)

Acties in het kader van dit instrument moeten de uitvoering ondersteunen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, een universele agenda waaraan de EU en haar lidstaten zich volledig hebben gecommitteerd en die alle in bijlage I vermelde begunstigden hebben onderschreven.

(15)

Deze verordening legt, voor de periode waarin zij van toepassing is, de financiële middelen vast die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van [te actualiseren referentie overeenkomstig het nieuwe interinstitutionele akkoord: punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (8)].

(16)

De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor naleving, samenhang , consistentie en complementariteit van hun steun externe financieringssteun , met name door regelmatig overleg te plegen en frequent informatie uit te wisselen in de verschillende fasen van de steuncyclus. De noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om de coördinatie en de complementariteit te verbeteren, onder meer door regelmatig overleg met andere donoren. De rol van Verschillende onafhankelijke maatschappelijke organisaties moet worden versterkt, zowel in het kader van en verschillende typen en niveaus van lokale overheden moeten een betekenisvolle rol in het proces spelen. In overeenstemming met het beginsel van inclusief partnerschap moeten maatschappelijke organisaties deel uitmaken van zowel de opzet, uitvoering, monitoring als evaluatie van de programma’s die via overheidsinstanties worden uitgevoerd, als wanneer die organisaties direct begunstigde en directe begunstigden zijn van steun van de Unie. [Am. 16]

(17)

De prioritering van acties om de doelstellingen te bereiken Voor elke begunstigde moeten specifieke en meetbare doelstellingen op de betrokken beleidsterreinen die uit hoofde van deze verordening zullen worden ondersteund, moet door de Commissie worden vastgesteld worden vastgesteld, gevolgd door prioriteiten voor actie om deze doelstellingen te bereiken in een programmeringskader voor de duur van het meerjarig financieel kader van de Unie voor de periode van 2021 tot 2027, dat door de Commissie middels gedelegeerde handelingen wordt vastgesteld. Het programmeringskader moet worden opgesteld in partnerschap met de in bijlage I vermelde begunstigden, op basis van de uitbreidingsagenda en hun specifieke behoeften en in overeenstemming met de in deze verordening omschreven algemene en specifieke doelstellingen en de beginselen van het externe optreden van de Unie , met inachtneming van de nationale strategieën en resoluties van het Europees Parlement ter zake. Dit partnerschap moet, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten en maatschappelijke organisaties omvatten. De Commissie moet samenwerking tussen de relevante belanghebbenden en de coördinatie van donoren stimuleren. Het programmeringskader moet worden herzien na de tussentijdse evaluatie. Het programmeringskader moet bepalen op welke gebieden bijstand moet worden verleend, met een indicatieve toewijzing per steungebied, inclusief een schatting van de klimaatgerelateerde uitgaven. [Am. 17]

(18)

Het is in het algemeen belang van de Unie dat de in bijlage I vermelde begunstigden worden ondersteund bij hun inspanningen om hervormingen in hun beleids-, wettelijke en economische systemen door te voeren met het oog op het lidmaatschap van de Unie. Het beheer van de steun moet sterk resultaatgericht zijn en aanzienlijke prikkels bieden voor een doeltreffender en efficiënter gebruik van de middelen voor begunstigden stimuleren die hun blijk geven van hun hervormingsbereidheid door de pretoetredingssteun efficiënt uit te voeren en vorderingen te maken bij het vervullen van de lidmaatschapscriteria. De steun moet worden toegewezen overeenkomstig het beginsel van een eerlijke verdeling en er moeten duidelijke gevolgen verbonden worden aan gevallen waarin de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de vrijheid, de democratie, de gelijkheid, de rechtsstaat en de mensenrechten, ernstig achteruit gaat of niet voldoende vooruit gaat. [Am. 18]

(18 bis)

De Commissie moet duidelijke monitoring- en evaluatiemechanismen opzetten om ervoor te zorgen dat de doelstellingen en acties met betrekking tot verschillende begunstigden relevant en haalbaar blijven en om de voortgang regelmatig te meten. Daartoe dient elke doelstelling vergezeld te gaan van een of meer prestatie-indicatoren, waarmee de aanneming van hervormingen door de begunstigden en de concrete uitvoering ervan kan worden beoordeeld. [Am. 19]

(19)

De overgang van direct beheer van de pretoetredingsfondsen door de Commissie naar indirect beheer door de in bijlage I vermelde begunstigden moet geleidelijk verlopen en overeenstemmen met de capaciteit van elk van deze begunstigden. Die overgang moet worden teruggedraaid of opgeschort op specifieke beleids- of programmagebieden indien begunstigden de bijbehorende verplichtingen niet naleven of de middelen van de Unie niet beheren overeenkomstig de vastgestelde regels, beginselen en doelstellingen. Bij een dergelijke beslissing moet voldoende rekening worden gehouden met mogelijke negatieve economische en sociale gevolgen. De steun moet gebruik blijven maken van de structuren en instrumenten die hun waarde in het pretoetredingsproces al bewezen hebben. [Am. 20]

(20)

De Unie moet ervoor zorgen dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt, zodat haar externe optreden optimaal effect sorteert. Dat Om overlap met andere externe financieringsinstrumenten te voorkomen, moet dit doel worden bereikt door middel van samenhang , consistentie en complementariteit tussen de externe financieringsinstrumenten van de Unie, en door synergieën met andere beleidslijnen en programma’s van de Unie. Dit omvat in voorkomend geval ook de samenhang en complementariteit met de macrofinanciële bijstand. [Am. 21]

(21)

Met het oog op een maximaal effect van gecombineerde steunmaatregelen ten behoeve van een gemeenschappelijk doel moet in het kader van deze verordening kunnen worden bijgedragen aan acties in het kader van andere programma’s van de Unie, mits de bijdragen niet dezelfde kosten dekken.

(21 bis)

Onverminderd de begrotingsprocedure en de bepalingen inzake de opschorting van steun in internationale overeenkomsten met begunstigden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van bijlage I bij deze verordening teneinde de bijstand van de Unie geheel of gedeeltelijk op te schorten. Deze bevoegdheid moet worden gebruikt in gevallen waarin consequent wordt getornd aan een of meerdere criteria van Kopenhagen of wanneer een begunstigde de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden niet eerbiedigt of de verbintenissen schendt die zijn aangegaan in de desbetreffende overeenkomsten met de Unie. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de redenen die de opschorting van de steun rechtvaardigen, niet langer van toepassing zijn, moet zij de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I om de steun van de Unie opnieuw in te stellen. [Am. 22]

(22)

De financiering in het kader van deze verordening moet worden ingezet voor het financieren van maatregelen in het kader van de internationale dimensie van Erasmus, die moeten worden uitgevoerd volgens Verordening (EU) …/… (“de Erasmusverordening”) (9).

(23)

De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 VWEU hebben vastgesteld, gelden ook voor dit besluit. Deze regels zijn vastgelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (10) (“het Financieel Reglement”) en betreffen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, opdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, begrotingssteun, trustfondsen, financiële instrumenten en begrotingsgaranties, en voorzien in de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De uit hoofde van artikel 322 VWEU vastgestelde regels betreffen ook de bescherming van de Uniebegroting in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in lidstaten en derde landen, omdat de eerbiediging van de rechtsstaat essentieel is voor degelijk financieel beheer en doeltreffende financiering van de Unie.

(24)

De financieringsvormen en uitvoeringswijzen voor deze verordening moeten worden gekozen op basis van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten te boeken, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de kosten van controles, de administratieve belasting en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, financiering volgens een vast percentage en eenheidskosten worden overwogen, alsmede niet aan de kosten gekoppelde financiering als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. [Am. 23. Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

(25)

De Unie moet voor de uitvoering van de externe acties gemeenschappelijke regels blijven toepassen. De regels en procedures voor de uitvoering toepassing van de instrumenten van de Unie voor het financieren van het externe optreden worden vastgelegd in Verordening (EU) …/… (“NDICI-Verordening”) van het Europees Parlement en de Raad. Er moeten nadere bepalingen worden vastgesteld betreffende de aanpak van specifieke situaties, met name in het geval van grensoverschrijdende samenwerking en betreffende het beleidsgebied landbouw en plattelandsontwikkeling. [Am. 24]

(26)

Externe acties worden vaak uitgevoerd in een zeer instabiele context die een snelle en voortdurende aanpassing vereist aan de veranderende behoeften van de Uniepartners en de mondiale uitdagingen op het gebied van mensenrechten, democratie en behoorlijk bestuur, veiligheid , defensie en stabiliteit, klimaatverandering en milieu en , economisch protectionisme, irreguliere migratie en gedwongen ontheemding en de dieperliggende oorzaken ervan. Om het beginsel van voorspelbaarheid te verzoenen met de noodzaak om snel te reageren op nieuwe behoeften moet de financiële uitvoering van de programma’s worden aangepast. Om de Unie beter in staat te stellen te reageren op onvoorziene behoeften, moet deze verordening, met inachtneming van het beginsel dat de begroting van de Unie jaarlijks wordt vastgesteld, de mogelijkheid openlaten om de door het Financieel Reglement reeds voor andere beleidsgebieden toegestane flexibiliteit toe te passen, namelijk overdracht en hervastlegging van vastgelegde middelen met inachtneming van de doelstellingen die in deze verordening zijn vastgelegd , zodat gezorgd wordt voor efficiënte benutting van de middelen van de Unie, zowel voor de burgers van de Unie als voor de in bijlage I vermelde begunstigden, waardoor optimaal gebruik wordt gemaakt van de middelen van de Unie die beschikbaar zijn voor het externe optreden van de Unie. Aanvullende vormen van flexibiliteit moeten worden toegestaan zoals herschikking van middelen tussen prioriteiten, de fasering van projecten en aanbesteding van contracten . [Am. 25]

(27)

Het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ (EFDO+), dat voortbouwt op de voorganger ervan, moet een geïntegreerd financieringspakket vormen dat wereldwijd, onder andere aan de in bijlage I vermelde begunstigden, financieringscapaciteit biedt in de vorm van de subsidies, begrotingsgaranties en financiële instrumenten. Het Investeringskader voor de Westelijke Balkan moet blijven zorgen voor de governance van de activiteiten die uit hoofde van deze verordening worden uitgevoerd.

(28)

De garantie voor extern optreden dient de EFDO+-verrichtingen te ondersteunen en IPA III dient bij te dragen tot de voorzieningsbehoeften in verband met de verrichtingen ten gunste van de in bijlage I vermelde begunstigden, met inbegrip van de voorzieningen en verplichtingen die voortvloeien uit de leningen voor macrofinanciële bijstand.

(29)

Het is van belang ervoor te zorgen dat de programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking worden toegepast in samenhang met het kader dat door de programma’s voor extern optreden en de verordening territoriale samenwerking tot stand is gekomen. Er moeten bij deze verordening specifieke bepalingen inzake medefinanciering worden vastgesteld.

(29 bis)

Grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's zijn de meest zichtbare programma's van het instrument voor pretoetredingssteun en programma's die de burgers goed kennen. Deze programma's kunnen dan ook de zichtbaarheid van door de Unie gefinancierde projecten in de kandidaat-lidstaten aanzienlijk verbeteren; [Am. 26]

(30)

De in artikel 8 bedoelde jaarlijkse of meerjarige actieprogramma’s en maatregelen zijn werkprogramma’s in de zin van het Financieel Reglement. Jaarlijkse of meerjarige actieplannen bestaan uit een reeks maatregelen samengevoegd tot één document.

(31)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (12), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (13) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (14) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met doeltreffende en evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (15). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EMO en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgen dat derden die bij de uitvoering van Uniemiddelen betrokken zijn, gelijkwaardige rechten verlenen. De in bijlage I vermelde begunstigden dienen onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, waarover een eerste administratief of gerechtelijk proces-verbaal is opgesteld, onverwijld aan de Commissie te melden en haar op de hoogte te houden van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures. Teneinde de werkwijze aan te passen aan de goede praktijken in de lidstaten dienen dergelijke meldingen te worden verricht langs elektronische weg, met behulp van het Irregularity Management System dat door de Commissie is ingesteld.

(31 bis)

Alle financieringstoewijzingen uit hoofde van deze verordening moeten op transparante, doeltreffende, verantwoordelijke, gedepolitiseerde en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd, onder andere door middel van een billijke verdeling die de behoeften van de regio's en lokale gemeenschappen weerspiegelt. De Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (“VV/HV”), en in het bijzonder de delegaties van de Unie moeten nauwlettend in de gaten houden dat aan deze criteria wordt voldaan en dat de beginselen van transparantie, verantwoordingsplicht en non-discriminatie in acht worden genomen bij de toewijzing van de middelen. [Am. 27]

(31 ter)

De Commissie, de VV/HV en in het bijzonder de delegaties van de Unie en de begunstigden moeten de zichtbaarheid van de pretoetredingssteun van de Unie vergroten om de toegevoegde waarde van de steun van de Unie kenbaar te maken. De ontvangers van EU-financiering moeten de oorsprong van de financiering van de Unie erkennen en ervoor zorgen dat deze goed zichtbaar is. IPA moet bijdragen aan de financiering van communicatieacties voor de promotie van de resultaten van de steun van de Unie bij meerdere doelgroepen onder de begunstigden. [Am. 28]

(32)

Teneinde rekening te houden met wijzigingen in het beleidskader van de toetredingen of met significante ontwikkelingen in de in bijlage I vermelde begunstigden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot aanpassing en actualisering van de in de bijlagen II en III vermelde thematische steunprioriteiten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (16). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(33)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, in het bijzonder wat betreft de specifieke voorwaarden en structuren voor indirect beheer met de in bijlage I vermelde begunstigden en de uitvoering van de steun voor plattelandsontwikkeling, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig [Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (17) ]. Bij het vaststellen van de eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening moet rekening worden gehouden met de lessen die zijn getrokken uit het beheer en de uitvoering van in het verleden verleende pretoetredingssteun. Die eenvormige voorwaarden moeten worden gewijzigd indien ontwikkelingen dat vergen. [Am. 29]

(34)

Het bij die verordening ingestelde comité moet bevoegd zijn voor rechtshandelingen en vastleggingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1085/2006 (18) en Verordening (EU) nr. 231/2014 en voor de uitvoering van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 389/2006 van de Raad (19). [Am. 30]

(34 bis)

Het Europees Parlement moet ten volle worden betrokken bij de opzet, programmering, monitoring en evaluatie van de instrumenten om politieke en democratische controle en verantwoording van de Unie-financiering op het gebied van het externe optreden te waarborgen. Er dient een betere dialoog tussen de instellingen tot stand te worden gebracht teneinde te waarborgen dat het Europees Parlement op structurele en soepele wijze politieke controle kan uitoefenen gedurende de toepassing van deze verordening, als gevolg waarvan zowel de efficiëntie als de legitimiteit wordt versterkt. [Am. 31]

(35)

Om ervoor te zorgen dat de in deze verordening opgenomen maatregelen onmiddellijk kunnen worden toegepast, dient deze verordening in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het programma “Instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)” vastgesteld.

Deze verordening bepaalt de doelstellingen ervan, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie en de regels voor de verstrekking van die financiering.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“grensoverschrijdende samenwerking”: samenwerking tussen lidstaten van de EU en in bijlage I vermelde begunstigden, tussen twee of meer van de in bijlage I  bij deze verordening vermelde begunstigden of tussen de in die bijlage I vermelde begunstigde landen en landen en gebieden die zijn vermeld in bijlage I bij de NDICI-verordening als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt b), van Verordening (EU) …/… (“de ETS-verordening”) (20).

b)

“Het beginsel van de eerlijke verdeling van steun”: aanvulling van de op prestaties gebaseerde benadering met een corrigerend toewijzingsmechanisme in gevallen waarin de aan de begunstigde verstrekte steun in vergelijking met andere begunstigden anders onevenredig laag of hoog zou zijn, rekening houdend met de behoeften van de betrokken bevolking en de relatieve vooruitgang bij hervormingen die verband houden met de opening van toetredingsonderhandelingen of de vooruitgang bij deze onderhandelingen. [Am. 32]

Artikel 3

Doelstellingen van IPA III

1.   De algemene doelstelling van IPA III is het verlenen van steun aan de in bijlage I vermelde begunstigden ten behoeve van de vaststelling en tenuitvoerlegging van de politieke, institutionele, juridische, administratieve, sociale en economische hervormingen die voor die begunstigden noodzakelijk zijn om te voldoen aan de waarden en het acquis van de Unie en zich, met het oog op het lidmaatschap van de Unie, geleidelijk aan te passen aan de regels, de normen, het beleid en de praktijken van de Unie en aldus bij te dragen tot hun vrede, stabiliteit, veiligheid en welvaart , evenals tot de strategische belangen van de Unie . [Am. 33]

2.   IPA III heeft de volgende specifieke doelstellingen:

a)

versterking van de rechtsstaat, de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden en kinderen, gendergelijkheid, de grondrechten en het internationaal recht, het maatschappelijk middenveld, en de academische vrijheid, vrede en veiligheid, alsmede verbetering van het migratiebeheer, met inbegrip van grensbeheer de eerbiediging van culturele diversiteit , non-discriminatie en tolerantie ; [Am. 34]

a bis)

bestrijding van gedwongen ontheemding en irreguliere migratie, waarbij ervoor wordt gezorgd dat migratie op veilige, ordelijke en reguliere manier plaatsvindt en toegang tot internationale bescherming wordt gewaarborgd; [Am. 35]

b)

versterking van de effectiviteit van het openbaar bestuur en ondersteuning van transparantie, structurele hervormingen , rechterlijke onafhankelijkheid, corruptiebestrijding en goed bestuur op alle niveaus , onder andere op het gebied van openbare aanbestedingen, staatssteun, mededinging, buitenlandse investeringen en intellectuele eigendom ; [Am. 36]

c)

aanpassing van de regels, de normen, het beleid en de praktijken van de in bijlage I vermelde begunstigden aan die van de Unie en , onder andere op het gebied van het GBVB, versterking van de op regels gebaseerde multilaterale internationale orde, evenals van interne en externe verzoeningsprocessen en goede nabuurschapsbetrekkingen, alsook vredesopbouw en conflictpreventie, onder andere door vertrouwensopbouw en bemiddeling, inclusief en geïntegreerd onderwijs, persoonlijke contacten , mediavrijheid en communicatie; [Am. 37]

d)

versterking van de economische , sociale en sociale territoriale ontwikkeling en cohesie , onder meer door verbetering van de connectiviteit en stimulering van regionale ontwikkeling, landbouw en plattelandsontwikkeling, sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid, versterking van de milieubescherming, verbetering van de bestendigheid tegen klimaatverandering, versnelling van de overgang naar een koolstofarme economie en ontwikkeling van de digitale economie en samenleving vermindering van armoede en regionale onevenwichtigheden, bevordering van sociale bescherming en inclusie door versterking van de regionale samenwerkingsstructuren op staatsniveau, van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en van het vermogen van gemeenschapsgebaseerde initiatieven, ondersteuning van investeringen in plattelandsgebieden en verbetering van het ondernemings- en investeringsklimaat ; [Am. 38]

d bis)

versterking van de milieubescherming, verbetering van de bestendigheid tegen klimaatverandering, versnelling van de overgang naar een koolstofarme economie en ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, waardoor er nieuwe banen worden geschapen, in het bijzonder voor jongeren; [Am. 39]

e)

ondersteuning van territoriale en grensoverschrijdende samenwerking , mede over de zeegrenzen heen, en versterking van handels- en economische betrekkingen door de volledige tenuitvoerlegging van bestaande overeenkomsten met de Unie, waarbij regionale ongelijkheden worden verminderd . [Am. 40]

3.   In overeenstemming met de specifieke doelstellingen zijn in bijlage II thematische prioriteiten opgenomen voor de steunverlening, afgestemd op de behoeften en capaciteiten van de in bijlage I vermelde begunstigden. Thematische prioriteiten voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de in bijlage I vermelde begunstigden zijn opgenomen in bijlage III. Elk van deze thematische prioriteiten kan bijdragen tot de verwezenlijking van meer dan één specifieke doelstelling.

Artikel 4

Begroting

1.   De beschikbare financiële middelen voor de uitvoering van IPA III in de periode 2021–2027 bedragen 14 500 000 000 13 009 976 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (14 663 401 000 EUR in lopende prijzen). [Am. 41]

2.   Het Een vastgesteld percentage van het in lid 1 genoemde bedrag kan worden wordt gebruikt voor technische en administratieve bijstand ten behoeve van de uitvoering van het programma, zoals dat voorbereidende activiteiten en activiteiten op het gebied van monitoring, controle, audit en evaluatie omvat, evenals steun voor institutionele versterking en vergroting van de bestuurlijke capaciteit , ook met betrekking tot informatietechnologiesystemen, en alle activiteiten die verband houden met de voorbereiding van het vervolgprogramma voor pretoetredingssteun in overeenstemming met artikel 20 van [de NDICI-verordening]. [Am. 42]

Artikel 5

Programmaoverschrijdende bepalingen

1.   Bij de uitvoering toepassing van deze verordening wordt gezorgd voor samenhang, synergieën en complementariteit met andere gebieden van het externe optreden van de Unie en met andere relevante beleidslijnen en programma’s van de Unie, evenals voor beleidscoherentie op het gebied van ontwikkeling. [Am. 43]

2.   De NDICI-verordening is van toepassing op in het kader van deze verordening uitgevoerde activiteiten wanneer daarnaar in deze verordening wordt verwezen. [Am. 44]

3.   Deze verordening draagt bij aan acties uit hoofde van de Erasmusverordening (21). De Erasmusverordening is van toepassing op het gebruik van de desbetreffende middelen. Daartoe wordt de bijdrage van IPA III opgenomen in het indicatieve programmeringsdocument zoals bedoeld in artikel 11, lid 7, van de NDICI-verordening en vastgesteld overeenkomstig de in die verordening omschreven procedures.

4.   De bijstand in het kader van IPA III kan worden verstrekt voor acties van het type waarin is voorzien in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (22), het Europees Sociaal Fonds Plus (23), en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (24) en het Fonds voor justitie, rechten en waarden, op nationaal niveau, alsmede in grensoverschrijdende, transnationale, interregionale of macroregionale context . [Am. 45]

4 bis.     De Commissie kent een percentage IPA III-middelen toe om de in bijlage I vermelde begunstigden voor te bereiden op de deelname aan de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), met name aan het Europees Sociaal Fonds (ESF). [Am. 46]

5.   Het EFRO (25) draagt bij aan programma’s en maatregelen die voor grensoverschrijdende samenwerking (“CBC”) tussen de in bijlage I vermelde begunstigden en begunstigden en een of meerdere lidstaten zijn vastgesteld. Die programma’s en maatregelen worden door de Commissie vastgesteld volgens artikel 16. Het bedrag van de bijdrage uit hoofde van IPA-CBC wordt bepaald overeenkomstig artikel 10, lid 3, van de ETS-verordening , met een maximumdrempel voor een IPA III-bijdrage die op 85 % is vastgesteld . IPA-programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking worden beheerd overeenkomstig de ETS-verordening. [Am. 47]

6.   IPA III kan bijdragen aan programma’s of maatregelen voor transnationale en interregionale samenwerking die zijn vastgesteld en ten uitvoer worden gelegd uit hoofde van de ETS-verordening en waaraan wordt deelgenomen door de in bijlage I bij deze verordening vermelde begunstigden.

7.   Waar passend kunnen andere programma’s van de Unie overeenkomstig artikel 8 bijdragen aan acties die in het kader van deze verordening zijn vastgesteld, mits de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Deze verordening kan ook bijdragen aan maatregelen die in het kader van andere programma’s van de Unie zijn vastgesteld, mits de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. In dergelijke gevallen wordt in het desbetreffende werkprogramma bepaald welk pakket regels van toepassing is.

8.   Om de coherentie en de effectiviteit van de financiering van de Unie te waarborgen en regionale samenwerking te bevorderen, kan de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen besluiten dat niet in bijlage I vermelde landen, gebieden en regio’s toch in aanmerking komen voor actieprogramma’s en maatregelen als bedoeld in artikel 8, lid 1, wanneer het uit te voeren toe te passen programma of de uit te voeren toe te passen maatregel een mondiaal, regionaal of grensoverschrijdend karakter heeft. [Am. 48]

HOOFDSTUK II

STRATEGISCHE PLANNING

Artikel 6

Beleidskader en algemene beginselen

1.   Het beleidskader voor de uitbreiding dat de Europese Raad en de Raad hebben vastgesteld, de overeenkomsten die juridisch bindende betrekkingen met de in bijlage I vermelde begunstigden tot stand brengen, alsmede de desbetreffende resoluties van het Europees Parlement en mededelingen van de Commissie dan wel gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, vormen het algemene alomvattende beleidskader voor de tenuitvoerlegging van deze verordening. De Commissie zorgt voor samenhang tussen de steun en het algemene uitbreidingsbeleidskader.

De VV/HV en de Commissie zorgen voor de coördinatie tussen het externe optreden van de Unie en het uitbreidingsbeleid in het kader van de beleidsdoelstellingen van artikel 3.

De Commissie coördineert de programmering in het kader van deze verordening met passende betrokkenheid van de EDEO.

Het uitbreidingsbeleidskader vormt de basis op grond waarvan de steun wordt verleend. [Am. 49]

2.   Klimaatverandering, milieubescherming , mensenrechten, het voorkomen en oplossen van conflicten, migratie en gedwongen ontheemding, veiligheid, sociale en regionale cohesie, armoedebestrijding en gendergelijkheid worden geïntegreerd in de programma’s en acties uit hoofde van deze verordening, waarbij in voorkomend geval tevens de onderlinge verbanden tussen de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (26) aan de orde komen, zulks ter bevordering van geïntegreerde maatregelen die wederzijdse voordelen kunnen opleveren en waarmee meerdere doelstellingen op coherente wijze kunnen worden verwezenlijkt. Hierbij zal gestreefd worden naar een bijdrage aan de klimaatdoelstellingen van ten minste 16 % van het totale budget. [Am. 50]

3.   De Commissie en de lidstaten werken samen om coherentie te waarborgen en streven ernaar overlapping te vermijden tussen de steun uit hoofde van IPA III en andere steun van de Unie, de lidstaten en de Europese Investeringsbank, overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd voor de versterking van de operationele coördinatie op het gebied van externe bijstand, en met het oog op harmonisering van beleid en procedures, in het bijzonder de internationale beginselen inzake de effectiviteit van ontwikkeling (27). De coördinatie omvat regelmatig overleg, frequente uitwisseling van informatie in de diverse fasen van de steuncyclus, en bijeenkomsten met alle betrokkenen ter bespreking van de coördinatie van de bijstand, en vormt een belangrijk onderdeel van de programmeringsprocedures van de Unie en de lidstaten. De steun heeft als doel om aansluiting op de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te waarborgen, evenals doeltreffende en doelmatige besteding van de middelen, regelingen met het oog op het partnerschapsbeginsel en een geïntegreerde aanpak van territoriale ontwikkeling. [Am. 51]

3 bis.     De Commissie handelt in partnerschap met de begunstigden. Bij het partnerschap worden, in voorkomend geval, de bevoegde nationale en lokale overheden, evenals maatschappelijke organisaties betrokken, zodat deze een betekenisvolle rol kunnen spelen bij de opzet, uitvoering en monitoring.

De Commissie moedigt samenwerking tussen de relevante belanghebbenden aan. IPA III-steun versterkt de capaciteit van maatschappelijke organisaties, onder meer waar passend in de rol van directe begunstigden van steun. [Am. 52]

4.   De Commissie neemt ook in overleg met de lidstaten de nodige maatregelen om te zorgen voor coördinatie en complementariteit met multilaterale en regionale organisaties en entiteiten, zoals internationale organisaties en financiële instellingen, agentschappen en donoren buiten de Unie.

HOOFDSTUK III

UITVOERING PROGRAMMERINGSKADER EN UITVOERING [Am. 53]

Artikel 7

IPA-programmeringskader

1.   De bijstand in het kader van IPA III is gebaseerd op Deze verordening wordt aangevuld door een IPA-programmeringskader voor de verwezenlijking van waarin verdere bepalingen worden vastgesteld over hoe de in artikel 3 bedoelde specifieke doelstellingen worden nagestreefd . Het IPA-programmeringskader wordt door de Commissie vastgesteld voor de duur van het meerjarig financieel kader van de Unie door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met lid 3 van dit artikel .

De Commissie dient de relevante programmeringsdocumenten tijdig vóór het begin van de programmeringsperiode bij het Europees Parlement in. In deze documenten zijn de indicatieve toewijzingen per thematisch kader vermeld en, indien beschikbaar, per land/regio, met de verwachte resultaten en de keuze van de steunregelingen. [Am. 54]

1 bis.     De jaarlijkse toewijzingen worden door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurd binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader voor de periode van 2021 tot en met 2027. [Am. 55]

2.   Het IPA-programmeringskader houdt de nodige rekening met de desbetreffende resoluties en standpunten van het Europees Parlement, met nationale strategieën en het desbetreffende sectorale beleid. [Am. 56]

De steun wordt gericht op en aangepast aan de specifieke situatie van de in bijlage I vermelde begunstigden, rekening houdend met de verdere inspanningen die nodig zijn om aan de lidmaatschapscriteria te voldoen en met de capaciteit van de begunstigden. De steun wordt naar reikwijdte en intensiteit gedifferentieerd naargelang de behoeften, het hervormingsengagement en de vorderingen bij het uitvoeren van die hervormingen.

3.   Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling De Commissie stelt het IPA-programmeringskader vast, inclusief de regelingen om het principe van eerlijke verdeling toe te passen , onverminderd het bepaalde in lid 4 . Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 16 bedoelde onderzoeksprocedure van dit artikel . Het IPA-programmeringskader loopt uiterlijk op 30 juni 2025 af. De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2025 een nieuw IPA-programmeringskader vast, op basis van de tussentijdse evaluatie in samenhang met de andere externe financieringsinstrumenten en rekening houdend met relevante resoluties van het Europees Parlement. De Commissie kan, indien nodig, de effectieve uitvoering van het IPA-programmeringskader herzien, met name wanneer het beleidskader, als bedoeld in artikel 6, substantieel wordt gewijzigd, waarbij tevens rekening wordt gehouden met relevante resoluties van het Europees Parlement . [Am. 57]

4.   Het programmeringskader voor grensoverschrijdende samenwerking met lidstaten wordt door de Commissie vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de ETS-verordening.

5.   Het IPA-programmeringskader omvat indicatoren is gebaseerd op duidelijke en verifieerbare prestatie-indicatoren, die in bijlage IV zijn opgenomen, voor het beoordelen van de vorderingen met betrekking tot de verwezenlijking van de daarin opgenomen doelstellingen , onder meer vorderingen en resultaten op het gebied van:

a)

democratie, de rechtsstaat en een onafhankelijk en efficiënt rechtsstelsel;

b)

mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de rechten van personen die tot minderheden en kwetsbare groepen behoren;

c)

gendergelijkheid en vrouwenrechten;

d)

de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit;

e)

verzoening, vredesopbouw en goede nabuurschapsbetrekkingen;

f)

mediavrijheid;

g)

het aanpakken van de klimaatverandering in overeenstemming met de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs.

De Commissie vermeldt de voortgang ten aanzien van deze indicatoren in haar jaarverslagen.

Over de op prestaties gebaseerde benadering uit hoofde van deze verordening wordt in het Europees Parlement en in de Raad regelmatig van gedachten gewisseld. [Am. 123]

Artikel 7 bis

Tussentijdse herziening en evaluatie

1.     De Commissie stelt een nieuw IPA-programmeringskader vast op basis van de tussentijdse evaluatie. Uiterlijk op 30 juni 2024 dient de Commissie een tussentijds evaluatieverslag in over de toepassing van deze verordening. Dit tussentijdse evaluatieverslag bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 en bevat een beoordeling van de bijdrage van de Unie tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, aan de hand van indicatoren voor het meten van de behaalde resultaten en eventuele bevindingen en conclusies inzake het effect van deze verordening.

Het Europees Parlement kan een bijdrage leveren aan deze evaluatie. De Commissie en de EDEO organiseren een raadpleging van de belangrijkste belanghebbenden en begunstigden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties. In het bijzonder zorgen de Commissie en de EDEO ervoor dat de meest gemarginaliseerde personen en groepen worden vertegenwoordigd.

Door middel van externe evaluaties beoordeelt de Commissie tevens de effecten en de doeltreffendheid van haar acties per actiegebied, alsook de doeltreffendheid van de programmering. De Commissie en de EDEO houden rekening met voorstellen en standpunten van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot onafhankelijke externe evaluaties. In de tussentijdse evaluatie wordt beoordeeld hoe de Unie heeft gepresteerd met betrekking tot de streefdoelen van deze verordening.

2.     In het tussentijds evaluatieverslag wordt tevens aandacht besteed aan efficiëntie, de toegevoegde waarde, de werking van de vereenvoudigde en gestroomlijnde financieringsstructuur, interne en externe samenhang, de blijvende relevantie van de doelstellingen van deze verordening, de complementariteit en synergieën tussen de gefinancierde acties, de bijdrage van de maatregelen aan een samenhangend extern optreden van de Unie, en in voorkomend geval de mate waarin de bevolking van de ontvangende landen zich bewust is van de financiële steun van de Unie.

3.     Het specifieke doel van het tussentijdse evaluatieverslag is het verbeteren van de toepassing van de financiering van de Unie. Het bevat informatie betreffende besluiten voor het verlengen, wijzigen of opschorten van de soorten acties die in het kader van deze verordening worden uitgevoerd.

4.     Het tussentijds evaluatieverslag brengt ook informatie samen uit de relevante jaarverslagen over alle middelen die onder deze verordening vallen, waaronder externe bestemmingsontvangsten en bijdragen aan trustfondsen, uitgesplitst in uitgaven per begunstigd land, gebruik van financieringsinstrumenten, vastleggingen en betalingen.

5.     De Commissie zendt de conclusies van de evaluaties, vergezeld van haar opmerkingen, toe aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten. De resultaten daarvan worden gebruikt bij de opzet van programma's en de toewijzing van middelen.

6.     De Commissie betrekt alle relevante belanghebbenden en begunstigden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, bij de evaluatie van de financiering van de Unie waarin deze verordening voorziet en kan, in voorkomend geval, ernaar streven om gezamenlijke evaluaties met de lidstaten te verrichten, met nauwe betrokkenheid van de begunstigden.

7.     De Commissie dient het in dit artikel bedoelde tussentijdse evaluatieverslag in bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen waarin noodzakelijke wijzigingen van deze verordening zijn opgenomen.

8.     Aan het einde van de toepassingsperiode van deze verordening, en uiterlijk drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de verordening uit onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing zijn op de in dit artikel bedoelde tussentijdse evaluatie. [Am. 124]

Artikel 7 ter

Opschorting van steun

1.     Wanneer een begunstigde het beginsel van democratie, de rechtsstaat, behoorlijk bestuur, mensenrechten en fundamentele vrijheden of nucleaire veiligheidsnormen niet eerbiedigt of de verbintenissen in de desbetreffende met de Unie gesloten overeenkomsten niet nakomt of consequent tornt aan een of meerdere criteria van Kopenhagen, is de Commissie overeenkomstig artikel 14 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde bijlage I bij deze verordening te wijzigen om de steun van de Unie op te schorten of gedeeltelijk op te schorten. In geval van een gedeeltelijke opschorting wordt aangegeven voor welke programma's de opschorting geldt.

2.     Wanneer de Commissie tot de bevinding komt dat de redenen voor opschorting van de steun niet langer van toepassing zijn, is zij bevoegd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde bijlage I te wijzigen om de steun van de Unie opnieuw in te stellen.

3.     In geval van gedeeltelijke opschorting wordt de steun van de Unie in de eerste plaats gebruikt om maatschappelijke organisaties en niet-overheidsactoren te steunen voor maatregelen die zijn gericht op de bevordering van mensenrechten en fundamentele vrijheden, en op de ondersteuning van democratiserings- en dialoogprocessen in partnerlanden.

4.     De Commissie houdt bij haar besluitvorming naar behoren rekening met de relevante resoluties van het Europees Parlement. [Am. 125]

Artikel 7 quater

Bestuur

Een horizontale stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken diensten van de Commissie en de EDEO en onder voorzitterschap van de VV/HV of een vertegenwoordiger van die dienst, is verantwoordelijk voor het aansturen, coördineren en beheren van dit instrument gedurende de gehele beheercyclus, met het oog op het waarborgen van samenhang, efficiëntie, transparantie en verantwoordingsplicht in verband met alle externe financiering van de Unie. De VV/HV zorgt voor de algemene politieke coördinatie van het externe optreden van de Unie. Gedurende de volledige cyclus van programmering, planning en toepassing van het instrument werken de VV/HV en de EDEO samen met alle relevante leden en diensten van de Commissie, vastgesteld op basis van de aard en doelstellingen van de geplande actie, waarbij wordt voortgebouwd op hun deskundigheid. De VV/HV, de EDEO en de Commissie bereiden alle voorstellen voor besluiten voor volgens de Commissieprocedures en leggen deze ter aanneming voor.

Het Europees Parlement wordt ten volle betrokken bij de opzet, programmering, monitoring en evaluatie van de externe financieringsinstrumenten om politieke en democratische controle en verantwoordingsplicht in verband met Uniefinanciering op het gebied van het externe optreden te waarborgen. [Am. 126]

Artikel 8

Uitvoeringsmaatregelen en -methoden [Am. 62. Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

1.   De bijstand in het kader van IPA III wordt uitgevoerd in direct beheer of in indirect beheer, overeenkomstig het Financieel Reglement, door middel van jaarlijkse of meerjarige actieprogramma’s en maatregelen als bedoeld in titel II, hoofdstuk III van [de NDICI verordening]. Titel II, hoofdstuk III, van [de NDICI-verordening] is van toepassing op deze verordening, met uitzondering van artikel 24, lid 1 [in aanmerking komende personen en entiteiten] hoofdstuk III bis . [Am. 63]

1 bis.     Indirect beheer kan worden teruggedraaid als de begunstigde de toegekende middelen niet kan of wil beheren overeenkomstig de uit hoofde van deze verordening vastgestelde regels, beginselen en doelstellingen. Wanneer een begunstigde de beginselen van de democratie en de rechtsstaat niet naleeft, de mensenrechten en fundamentele vrijheden niet eerbiedigt of zich niet houdt aan de in de relevante overeenkomsten met de Unie aangegane verbintenissen, kan de Commissie op specifieke beleidsterreinen of -programma's omschakelen van indirect beheer met die begunstigde naar indirect beheer door een of meer toevertrouwde entiteiten die geen begunstigde zijn, of naar direct beheer. [Am. 64]

1 ter.     De Commissie voert een dialoog met het Europees Parlement en houdt rekening met de opvattingen van het Europees Parlement over de gebieden waarop laatstgenoemde over eigen steunprogramma's beschikt, zoals capaciteitsopbouw en verkiezingswaarneming. [Am. 65]

2.   In het kader van deze verordening kunnen actieplannen worden vastgesteld voor een periode van ten hoogste zeven jaar.

2 bis.     De Commissie betrekt het Europees Parlement volledig bij kwesties die verband houden met de planning en uitvoering van maatregelen uit hoofde van dit artikel, met inbegrip van alle beoogde substantiële wijzigingen of toewijzingen. [Am. 66]

2 ter.     De algemene of sectorale begrotingssteun wordt alleen uitbetaald indien er een bevredigende vooruitgang is geboekt bij het nastreven van de doelstellingen die met een begunstigde zijn overeengekomen.

De Commissie past de voorwaarden en criteria voor begrotingssteun toe, zoals die zijn uiteengezet in artikel 23, lid 4, van de NDICI-verordening. Zij neemt maatregelen om Uniefinanciering middels begrotingssteun te verminderen of op te schorten in gevallen van systemische onregelmatigheden in de beheer- en controlesystemen of als er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt bij het bereiken van de met de begunstigde overeengekomen doelstellingen.

Het opnieuw instellen van steun door de Commissie na de in dit artikel bedoelde opschorting gaat gepaard met gerichte steun aan nationale controle-instanties. [Am. 67]

Hoofdstuk III bis

Uitvoering [Am. 68]

Artikel 8 bis

Actieplannen en -maatregelen

1.     De Commissie keurt jaarlijkse of meerjarige actieplannen of -maatregelen goed. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van afzonderlijke maatregelen, bijzondere maatregelen, ondersteunende maatregelen of buitengewone steunmaatregelen. In de actieplannen en -maatregelen worden voor elke actie de nagestreefde doelstellingen, de verwachte resultaten en hoofdactiviteiten, de toepassingsmethoden, de begroting en eventuele bijbehorende ondersteunende uitgaven vermeld.

2.     De actieplannen zijn gebaseerd op programmeringsdocumenten, met uitzondering van de gevallen bedoeld in de leden 3 en 4.

Indien nodig kan een actie, vóór of na de vaststelling van actieplannen, als afzonderlijke maatregel worden vastgesteld. Afzonderlijke maatregelen zijn gebaseerd op programmeringsdocumenten, met uitzondering van de in lid 3 bedoelde gevallen en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen.

In geval van onvoorziene behoeften of omstandigheden, en wanneer financiering uit passender bronnen niet mogelijk is, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 34 van de NDICI-verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen met bijzondere maatregelen die niet zijn gebaseerd op de programmeringsdocumenten.

3.     De jaarlijkse of meerjarige actieplannen en -maatregelen kunnen worden gebruikt voor de uitvoering van snelleresponsacties, conform artikel 4, lid 4, onder b), van de NDICI-verordening.

4.     De Commissie kan buitengewone steunmaatregelen nemen voor snelleresponsacties, conform artikel 4, lid 4, onder a), van de NDICI-verordening.

5.     Uit hoofde van artikel 19, leden 3 en 4, genomen maatregelen kunnen een duur van maximaal 18 maanden hebben, die twee keer met een periode van maximaal zes maanden kan worden verlengd tot een maximale duur van 30 maanden, wanneer de tenuitvoerlegging ervan stuit op objectieve, onvoorziene hindernissen en mits het aan de maatregel verbonden financiële bedrag niet hoger wordt.

In geval van langdurige crises of conflicten kan de Commissie een tweede buitengewone steunmaatregel vaststellen voor een duur van maximaal 18 maanden. In naar behoren gemotiveerde gevallen, wanneer de continuïteit van het in dit lid bedoelde optreden van de Unie van essentieel belang is en niet door andere middelen kan worden verzekerd, kunnen er verdere maatregelen worden genomen. [Am. 69]

Artikel 8 ter

Steunmaatregelen

1.     De Uniefinanciering kan dienen ter dekking van uitgaven voor de tenuitvoerlegging van het instrument en voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, waaronder administratieve ondersteuning in verband met activiteiten op het gebied van voorbereiding, follow-up, toezicht, controle, audit en evaluatie die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging, alsmede van uitgaven bij de centrale diensten en bij de delegaties van de Unie voor de administratieve ondersteuning die nodig is voor het programma en voor het beheer van in het kader van deze verordening gefinancierde verrichtingen, onder meer met betrekking tot IT en bedrijfsinformatietechnologiesystemen.

2.     Wanneer ondersteunende uitgaven niet zijn opgenomen in de actieplannen of -maatregelen als bedoeld in artikel 8 quater, stelt de Commissie waar toepasselijk ondersteunende maatregelen vast. De financiering door de Unie in het kader van ondersteunende maatregelen kan betrekking hebben op:

a)

studies, bijeenkomsten, activiteiten op het gebied van informatie, voorlichting, opleiding, voorbereiding en uitwisseling van geleerde lessen en beste praktijken, publicatie en andere uitgaven voor administratieve of technische bijstand die voor de programmering en het beheer van de acties vereist zijn, met inbegrip van bezoldigde externe deskundigen;

b)

activiteiten inzake onderzoek en innovatie en studies over relevante vraagstukken alsook verspreiding van de resultaten daarvan;

c)

uitgaven voor informatie- en communicatieactiviteiten, onder meer de ontwikkeling van communicatiestrategieën en pr-activiteiten, en het zichtbaar maken van de politieke prioriteiten van de Unie. [Am. 70]

Artikel 8 quater

Vaststelling van actieplannen en maatregelen

1.     De Commissie stelt actieplannen en maatregelen vast door middel van een besluit van de Commissie in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2.     Met het oog op de samenhang van het externe optreden van de Unie houdt de Commissie bij de planning en de toepassing van deze actieplannen en maatregelen rekening met de relevante beleidsbenadering van de Raad en het Europees Parlement.

De Commissie brengt het Europees Parlement onmiddellijk op de hoogte van de planning van actieplannen en maatregelen in het kader van dit artikel, met inbegrip van de beoogde financiële bedragen, en informeert het Europees Parlement eveneens indien zij overgaat tot substantiële wijzigingen of verlengingen van die bijstand. Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen een maand na de goedkeuring of substantiële wijziging van een maatregel, brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, waarbij zij een overzicht verschaft van de aard en de beweegredenen voor de getroffen maatregel, alsmede de duur, de begroting en de context ervan, met inbegrip van het aanvullende karakter ervan ten opzichte van andere, lopende en geplande steun van de Unie. Voor buitengewone steunmaatregelen geeft de Commissie bovendien aan of, in welke mate en hoe zij de continuïteit van het via de buitengewone steun uitgevoerde beleid zal garanderen aan de hand van instrumenten op de middellange en lange termijn in het kader van deze verordening.

3.     Alvorens actieplannen en maatregelen vast te stellen die niet gebaseerd zijn op programmeringsdocumenten overeenkomstig artikel 8 bis, lid 2, behalve in de gevallen vermeld in artikel 8 bis, leden 3 en 4, stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast overeenkomstig artikel 14 om deze verordening aan te vullen door de specifieke te verwezenlijken doelstellingen te bepalen, de verwachte resultaten, de te gebruiken instrumenten, de belangrijkste activiteiten en de indicatieve financiële toewijzing voor deze actieplannen en maatregelen.

4.     Op actieniveau vindt een passend onderzoek inzake mensenrechten, sociale aspecten en milieu plaats, waaronder onderzoek naar het effect op klimaatverandering en biodiversiteit, overeenkomstig de toepasselijke wetgevingshandelingen van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2011/92/EU  (28) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 85/337/EEG  (29) r van de Raad, en waar toepasselijk ook een milieueffectbeoordeling voor milieugevoelige acties, in het bijzonder voor belangrijke nieuwe infrastructuur.

Daarnaast worden ex-antebeoordelingen uitgevoerd van het effect op de mensenrechten, gender, de maatschappij en de arbeidsmarkt, alsmede een conflictanalyse en een risicobeoordeling.

Waar dit relevant is, wordt bij de uitvoering van sectorale programma's gebruik gemaakt van beoordelingen inzake mensenrechten en sociale aspecten en van strategische milieubeoordelingen. De Commissie ziet erop toe dat de belanghebbenden bij deze beoordelingen worden betrokken en dat het publiek toegang krijgt tot de resultaten van die beoordelingen. [Am. 127]

Artikel 8 quinquies

Methoden van samenwerking

1.     Financiering in het kader van dit instrument wordt uitgevoerd door de Commissie, zoals bepaald in het Financieel Reglement, hetzij rechtstreeks door de Commissie zelf, de delegaties van de Unie en door uitvoerende agentschappen, of onrechtstreeks door een van de entiteiten die worden genoemd in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.     Financiering in het kader van dit instrument mag ook worden verstrekt in de vorm van bijdragen aan internationale, regionale of nationale fondsen, zoals die welke zijn ingesteld of worden beheerd door de EIB, de lidstaten, partnerlanden en -regio's of door internationale organisaties of andere donoren.

3.     De entiteiten die worden genoemd in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement en in artikel 29, lid 1, van de NDICI-verordening vervullen jaarlijks hun verslagleggingsverplichtingen in het kader van artikel 155 van het Financieel Reglement. De verslagleggingsvereisten voor elk van die entiteiten worden vastgesteld in de partnerschapskaderovereenkomst, de bijdrage-overeenkomst, de overeenkomst inzake begrotingsgaranties of de financieringsovereenkomst.

4.     In het kader van dit instrument gefinancierde acties kunnen worden uitgevoerd door middel van parallelle of gemeenschappelijke medefinanciering.

5.     Bij parallelle medefinanciering wordt een actie in meerdere, duidelijk te onderscheiden componenten opgedeeld, die elk worden gefinancierd door de verschillende partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de eindbestemming van de financiering altijd traceerbaar is.

6.     Bij gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van het project of programma verdeeld tussen de partners die de medefinanciering verstrekken en worden de geldmiddelen gemeenschappelijk ingebracht, en wel zo dat het niet mogelijk is de financieringsbron van een specifieke activiteit in het kader van de actie na te gaan.

7.     De samenwerking tussen de Unie en haar partners kan onder andere de volgende vormen aannemen:

a)

driehoeksregelingen waarbij de Unie haar financiële bijstand aan een partnerland of -regio coördineert met derde landen;

b)

maatregelen voor administratieve samenwerking zoals twinning tussen overheidsinstellingen, lokale overheden, nationale overheidsorganen en privaatrechtelijke entiteiten met een openbaredienstverleningstaak van de lidstaten en van de partnerlanden en -regio's, alsmede samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen uit de overheidssector worden betrokken;

c)

bijdragen aan de kosten die noodzakelijk zijn voor het opzetten en beheren van een publiek-privaat partnerschap, waaronder steun voor de ruime deelname door een onafhankelijke derde maatschappelijke organisatie op te zetten die het opzetten van publiek-privaat partnerschappen beoordeelt en opvolgt;

d)

steunprogramma's voor het sectoraal beleid waarbij de Unie steun verleent aan het sectorale programma van een partnerland;

e)

bijdragen aan de kosten van deelname van de landen aan de programma's van de Unie en acties die worden uitgevoerd door agentschappen en organen van de Unie, alsook door organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit hoofde van titel V VEU;

f)

rentesubsidies. [Am. 72]

Artikel 8 sexies

Vormen van Uniefinanciering en toepassingsmethoden

1.     De financiering van de Unie kan worden verstrekt door middel van de financieringsvormen waarin het Financieel Reglement voorziet, met name:

a)

subsidies;

b)

overheidsopdrachten voor diensten, leveringen of werkzaamheden;

c)

begrotingssteun;

d)

bijdragen aan door de Commissie opgezette trustfondsen, overeenkomstig artikel 234 van het Financieel Reglement;

e)

financiële instrumenten;

f)

begrotingsgaranties;

g)

blending;

h)

schuldverlichting in het kader van een internationaal overeengekomen programma voor schuldverlichting;

i)

financiële bijstand;

j)

bezoldigde externe deskundigen.

2.     Wanneer de Commissie met belanghebbenden van partnerlanden werkt, houdt zij bij het bepalen van nadere regelingen voor de financiering, het type bijdrage, de toekenningsmodaliteiten en de administratieve bepalingen voor het beheer van subsidies rekening met hun specifieke kenmerken zoals hun behoeften en de relevante context, met als doel een zo breed mogelijk spectrum van belanghebbenden te bereiken en hen zo goed mogelijk te helpen. Bij die beoordeling wordt rekening gehouden met de voorwaarden voor een zinvolle deelname en betrokkenheid van alle belanghebbenden, met name het lokale maatschappelijk middenveld. Overeenkomstig het Financieel Reglement worden specifieke oplossingen gestimuleerd, zoals partnerschapsovereenkomsten, toestemming voor financiële steun aan derden, rechtstreekse gunning of voor een beperkte doelgroep bestemde oproepen tot het indienen van voorstellen, of nog vaste bedragen, eenheidskosten, financiering op basis van een vast percentage en financiering die niet gekoppeld is aan kosten zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Deze verschillende modaliteiten waarborgen transparantie, traceerbaarheid en innovatie. De samenwerking tussen lokale en internationale ngo's moet worden gestimuleerd opdat de capaciteiten van het plaatselijke maatschappelijk middenveld worden verbeterd met het oog op zijn volledige deelname aan ontwikkelingsprogramma's.

3.     Naast de gevallen als bedoeld in artikel 195 van het Financieel Reglement, mag onderhandse gunning worden gebruikt voor:

a)

kleine subsidiebedragen voor mensenrechtenactivisten en voor mechanismen ter bescherming van bedreigde mensenrechtenactivisten, voor de financiering van dringende beschermingsacties, in voorkomend geval zonder dat medefinanciering nodig is, alsook voor bemiddelaars en andere maatschappelijke spelers die betrokken zijn bij dialoog, verzoening en vredesopbouw in crisissen en gewapende conflicten;

b)

subsidies, in voorkomend geval zonder dat medefinanciering nodig is, ter financiering van acties in de moeilijkste omstandigheden waarin de publicatie van een oproep tot het indienen van voorstellen niet passend is, met inbegrip van situaties waarin de fundamentele vrijheden ernstig in het gedrang zijn, democratische instellingen worden bedreigd, crisissen en gewapende conflicten escaleren, de veiligheid van mensen gevaar loopt, of waarin mensenrechtenorganisaties, mensenrechtenactivisten, bemiddelaars en andere maatschappelijke spelers die betrokken zijn bij dialoog, verzoening en vredesopbouw in crisissen en gewapende conflicten in zeer moeilijke omstandigheden moeten werken. Dergelijke subsidies bedragen ten hoogste 1 000 000 EUR en hebben een looptijd van ten hoogste 18 maanden, die met 12 maanden kan worden verlengd wanneer het gebruik ervan op objectieve en onvoorziene hindernissen stuit;

c)

subsidies aan het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, alsook aan de Global Campus, aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering, dat een Europese masteropleiding in mensenrechten en democratisering aanbiedt, en het daaraan gerelateerde netwerk van universiteiten die postacademische diploma's op het gebied van mensenrechten uitreiken, met inbegrip van beurzen voor studenten, onderzoekers, docenten en mensenrechtenactivisten uit derde landen.

d)

Kleine projecten zoals beschreven in artikel 23 bis van de NDICI-verordening.

Begrotingssteun als bedoeld in punt c) van lid 1, onder meer door prestatiecontracten voor sectorale hervorming, wordt gebaseerd op de eigen verantwoordelijkheid van een land, op wederzijdse verantwoordingsplicht en gemeenschappelijke verbintenissen tot universele waarden, democratie, mensenrechten, gendergelijkheid, sociale inclusie, menselijke ontwikkeling en de rechtsstaat, en is gericht op versterking van de partnerschappen tussen de Unie en de partnerlanden. Deze steun wordt onder meer ingezet voor versterkte beleidsdialoog, capaciteitsontwikkeling en beter bestuur, in aanvulling op de inspanningen van de partners om meer inkomsten te innen en middelen beter te besteden en ter ondersteuning van een duurzame en inclusieve sociaal-economische ontwikkeling die iedereen ten gunste komt, het scheppen van fatsoenlijke banen, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar jongeren, het verkleinen van ongelijkheid en de uitbanning van armoede; dit alles met inachtneming van de plaatselijke economie, het milieu en sociale rechten. Elk besluit om begrotingssteun te verstrekken, is gebaseerd op door de Unie overeengekomen begrotingssteunmaatregelen, een duidelijke reeks subsidiabiliteitscriteria en een zorgvuldige beoordeling van de risico's en voordelen. Een van de belangrijkste bepalende elementen van dat besluit is een beoordeling van het engagement, de prestaties en de vorderingen van de partnerlanden met betrekking tot democratie, mensenrechten en de rechtsstaat.

4.     Begrotingssteun wordt gedifferentieerd op basis van de politieke, economische en sociale context van het partnerland, waarbij rekening wordt gehouden met kwetsbare situaties.

Wanneer begrotingssteun wordt verleend overeenkomstig artikel 236 van het Financieel Reglement bepaalt en monitort de Commissie duidelijke criteria met betrekking tot de voorwaarden voor de begrotingssteun, inclusief vorderingen op het gebied van hervormingen en transparantie, en ondersteunt zij de ontwikkeling van parlementaire controle, nationale auditcapaciteit, deelname van maatschappelijke organisaties aan toezicht, en verbeterde transparantie van en publieke toegang tot informatie, alsook ontwikkeling van sterke systemen voor overheidsopdrachten die de ontwikkeling van de plaatselijke economie en plaatselijke bedrijven ondersteunen.

5.     De uitbetaling van begrotingssteun geschiedt op basis van indicatoren waaruit blijkt dat voldoende vooruitgang wordt geboekt bij het verwezenlijken van de doelstellingen die zijn overeengekomen met het partnerland.

6.     Financieringsinstrumenten in het kader van deze verordening kunnen de vorm aannemen van leningen, garanties, eigen vermogen of quasi-eigenvermogen, investeringen of participaties, en risicodelingsinstrumenten, waar mogelijk en in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 209, lid 1, van het Financieel Reglement onder leiding van de EIB, een multilaterale Europese financiële instelling, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, of een bilaterale Europese financiële instelling, bijvoorbeeld bilaterale ontwikkelingsbanken, eventueel te combineren met bijkomende andere vormen van financiële steun, zowel van de lidstaten en derde partijen.

Bijdragen aan financieringsinstrumenten van de Unie in het kader van deze verordening kunnen worden ingediend door de lidstaten, alsook door elke entiteit als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

7.     Die financieringsinstrumenten mogen ten behoeve van toepassing en rapportage worden samengevoegd in faciliteiten.

8.     De Commissie en de EDEO gaan geen nieuwe acties aan en verlengen geen bestaande acties met entiteiten die geregistreerd of gevestigd zijn in rechtsgebieden die in het kader van het desbetreffende Uniebeleid als niet-coöperatieve rechtsgebieden gelden of die krachtens artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad  (30) als derde landen met een hoog risico zijn aangemerkt, of die in de praktijk niet voldoen aan op Unie- of internationaal niveau overeengekomen fiscale normen inzake transparantie en informatie-uitwisseling.

9.     De bijstand van de Unie leidt niet tot de instelling van specifieke belastingen, rechten of heffingen noch tot de inning daarvan.

10.     Belastingen, rechten en heffingen die worden opgelegd door de partnerlanden, kunnen in aanmerking komen voor financiering in het kader van deze verordening. [Am. 73]

Artikel 8 septies

Overdrachten, jaarlijkse tranches, vastleggingskredieten, terugbetalingen en door financieringsinstrumenten gegenereerde inkomsten

1.     In aanvulling op artikel 12, lid 2, van het Financieel Reglement worden ongebruikte vastleggings- en betalingskredieten in het kader van deze verordening automatisch overgedragen en mogen zij worden vastgelegd tot 31 december van het volgende begrotingsjaar. Het overgedragen bedrag wordt in het volgende begrotingsjaar als eerste gebruikt.

De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad informatie, met inbegrip van de bedragen in kwestie, over kredieten die automatisch zijn overgedragen overeenkomstig artikel 12, lid 6, van het Financieel Reglement.

2.     Naast de voorschriften van artikel 15 van het Financieel Reglement over de wederopvoering van kredieten, worden vastleggingskredieten die overeenkomen met het bedrag van vrijmakingen die zijn verricht wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van een actie in het kader van deze verordening, wederopgevoerd ten voordele van het oorspronkelijke begrotingsonderdeel.

Verwijzingen naar artikel 15 van het Financieel Reglement in artikel 12, lid 1, onder b), van de verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader worden opgevat als een verwijzing naar dit lid voor de toepassing van deze verordening.

3.     Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, kunnen over verschillende jaren in jaarlijkse tranches worden opgedeeld, in overeenstemming met artikel 112, lid 2, van het Financieel Reglement.

Artikel 114, lid 2, derde alinea, van het Financieel Reglement is niet van toepassing op deze meerjarige acties. De Commissie haalt ambtshalve elke tranche van een vastleggingskrediet door die op 31 december van het vijfde jaar volgend op dat van de vastlegging niet is gebruikt voor voorfinanciering of tussentijdse betalingen of waarvoor geen gecertificeerde uitgavenstaat of enig betalingsverzoek werd ingediend.

Lid 2 van dit artikel is eveneens van toepassing op de jaarlijkse tranches.

4.     In afwijking van artikel 209, lid 3, van het Financieel Reglement worden inkomsten en terugbetalingen die worden gegenereerd door een financieringsinstrument, toegewezen aan het begrotingsonderdeel als interne bestemmingsontvangsten, na aftrek van beheerskosten en vergoedingen. De Commissie verricht om de vijf jaar een evaluatie van de bijdrage die de bestaande financieringsinstrumenten hebben geleverd tot de doelstellingen van de Unie, alsmede van de doeltreffendheid van deze financieringsinstrumenten. [Am. 74]

Artikel 9

Grensoverschrijdende samenwerking

1.   Ten hoogste 3 % van de financiële middelen wordt toegewezen aan programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de in bijlage I vermelde begunstigden en de lidstaten, in overeenstemming met hun behoeften en prioriteiten.

2.   Het medefinancieringspercentage van de Unie bedraagt voor elke prioriteit ten hoogste 85 % van de subsidiabele uitgaven van een programma voor grensoverschrijdende samenwerking. Voor technische bijstand bedraagt het medefinancieringspercentage van de Unie 100 %.

3.   De hoogte van de voorfinanciering voor grensoverschrijdende samenwerking met lidstaten wordt vastgesteld in het werkprogramma, in overeenstemming met de behoeften van de in bijlage I vermelde begunstigden, en mag het percentage bedoeld in artikel 49 van de ETS-verordening overschrijden.

4.   Indien programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking overeenkomstig artikel 12 van de ETS-verordening worden beëindigd, kan de steun voor het stopgezette programma die via deze verordening was verleend en beschikbaar blijft, worden gebruikt voor de financiering van andere activiteiten die voor steun in het kader van deze verordening in aanmerking komen.  Indien er geen in aanmerking komende activiteiten zijn die tijdens het lopende jaar financiering behoeven, kunnen de kredieten in dit geval naar het volgende jaar worden overgeheveld. [Am. 75]

HOOFDSTUK IV

SUBSIDIABILITEIT EN ANDERE SPECIFIEKE BEPALINGEN

Artikel 10

Subsidiabiliteit uit hoofde van IPA III

1.   Inschrijvers, aanvragers en kandidaten uit de volgende landen komen voor financiering uit hoofde van IPA III:

a)

lidstaten, begunstigden die worden vermeld in bijlage I bij deze verordening, partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en landen die vallen onder bijlage I bij de NDICI-verordening, en

b)

landen ten aanzien waarvan de Europese Commissie wederzijdse toegang tot externe bijstand heeft vastgesteld. Wederzijdse toegang kan voor een beperkte periode van ten minste één jaar worden vastgesteld indien een land entiteiten van de Unie en entiteiten uit landen die voor deelname onder deze verordening in aanmerking komen, op gelijke voorwaarden tot deelname toelaat. De Commissie beslist over de wederkerigheid van de toegang na raadpleging van het betrokken begunstigde land of de betrokken begunstigde landen.

HOOFDSTUK V

EFDO+ EN BEGROTINGSGARANTIES

Artikel 11

Financiële instrumenten en garantie voor extern optreden

1.   De in bijlage I vermelde begunstigden komen in aanmerking voor het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO+) en de garantie voor extern optreden waarin is voorzien in titel II, hoofdstuk IV, van de NDICI-verordening. Daartoe levert IPA III een bijdrage aan de voorzieningen voor de garantie voor extern optreden bedoeld in artikel 26 van de NDICI-verordening die in verhouding staat tot de investeringen die worden gedaan ten behoeve van de in bijlage I bij deze verordening vermelde begunstigden.

HOOFDSTUK VI

MONITORING EN , VERSLAGGEVING, EVALUATIE EN COMMUNICATIE [Am. 76]

Artikel 12

Monitoring, audit en evaluatie en bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   Titel II, hoofdstuk V, van de NDICI-verordening is met betrekking tot monitoring, rapportage en evaluatie van toepassing op deze verordening.

2.   De indicatoren voor de monitoring van de uitvoering van IPA III en de vorderingen bij de verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde specifieke doelstellingen zijn opgenomen in bijlage IV bij deze verordening. [Am. 77. Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

3.   Wat de grensoverschrijdende samenwerking met lidstaten betreft, gelden de indicatoren bedoeld in artikel 33 van de ETS-verordening.

4.   Bij het resultatenkader voor de IPA III-steun wordt rekening gehouden met de uitbreidingsverslagen en de beoordelingen van de economische hervormingsprogramma's door de Commissie , in aanvulling op de in bijlage IV opgenomen indicatoren. [Am. 78]

4 bis.     De Commissie dient de in artikel 32 van de NDICI-verordening bedoelde tussentijdse en definitieve evaluatieverslagen in bij het Europees Parlement en de Raad. De Commissie maakt deze verslagen openbaar. [Am. 79]

5.   Bij indirect beheer melden de in bijlage I vermelde begunstigden onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, waarover een eerste administratief of gerechtelijk proces-verbaal is opgesteld, onverwijld aan de Commissie en houden zij haar op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures, zulks in aanvulling op artikel 129 van het Financieel Reglement betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Unie. De melding wordt elektronisch verricht met behulp van het Irregularity Management System dat door de Commissie is ingesteld. De Commissie steunt de begunstigden bij de ontwikkeling van parlementaire controle- en auditbevoegdheden en bij het streven naar grotere transparantie en openbare toegankelijkheid van informatie. De Commissie, de HV/VV en in het bijzonder de delegaties van de Unie bij de begunstigden zorgen ervoor dat alle toewijzingen van middelen onder indirect beheer op transparante, gedepolitiseerde en ongedeelde wijze plaatsvinden, onder meer dankzij een billijke verdeling, overeenkomstig de behoeften van regio's en lokale gemeenschappen. [Am. 80]

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 14 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II, III en IV bij deze verordening.

Artikel 14

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de voorwaarden van dit artikel.

2.   De in artikel 13 7, lid 3, artikel 7 bis, artikel 7 ter, leden 1 en 2, artikel 8 quater, lid 3, en de artikelen 13 en 15 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend. [Am. 128]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 13 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14 bis

Democratische verantwoordingsplicht

1.     Teneinde de dialoog tussen de instellingen en diensten van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Commissie en de EDEO, te versterken, de algehele samenhang van alle externe financieringsinstrumenten te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en verantwoordingsplicht alsook voor doelmatigheid bij de aanneming van handelingen en maatregelen door de Commissie, kan het Europees Parlement de Commissie en de EDEO vragen voor het Parlement te verschijnen om de strategische oriëntaties en richtsnoeren voor de programmering in het kader van deze verordening te bespreken. Die dialoog kan plaatsvinden voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen en van het ontwerp van de jaarlijkse begroting door de Commissie, en kan op verzoek van het Europees Parlement of de Commissie ook op ad-hocbasis plaatsvinden, in het licht van belangrijke politieke ontwikkelingen.

2.     Wanneer er een in lid 1 vermelde dialoog gepland is, leggen de Commissie en de EDEO het Europees Parlement alle relevante documenten voor die dialoog voor. Indien de dialoog betrekking heeft op de jaarlijkse begroting, verschaffen zij geconsolideerde informatie over alle overeenkomstig artikel 8 quater vastgestelde of geplande actieplannen en -maatregelen, informatie inzake samenwerking per land, regio en thematisch gebied, het gebruik van snelleresponsacties en de garantie voor extern optreden.

3.     De Commissie en de EDEO houden zoveel mogelijk rekening met het standpunt van het Europees Parlement. Indien de Commissie of de EDEO geen rekening houden met de standpunten van het Europees Parlement, verstrekken zij hiervoor een deugdelijke motivering.

4.     De Commissie en de EDEO zijn met name via de in artikel 7 quater bedoelde stuurgroep verantwoordelijk voor het informeren van het Europees Parlement over de stand van zaken met betrekking tot de toepassing van deze verordening en in het bijzonder over lopende maatregelen en acties alsook resultaten. [Am. 82]

Artikel 15

Vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften [Am. 83]

1.   Specifieke voorschriften tot vaststelling van uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening, in het bijzonder met betrekking tot de ter voorbereiding van de toetreding op te zetten structuren en steun voor plattelandsontwikkeling, worden vastgesteld volgens de in artikel 16 bedoelde onderzoeksprocedure door middel van gedelegeerde handelingen . [Am. 84]

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing De Commissie stelt actieplannen en maatregelen vast bij besluit in overeenstemming met het Financieel Reglement . [Am. 85]

Artikel 16

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité, het “comité voor het instrument voor pretoetredingssteun” (IPA III-comité). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   In gevallen waarin het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

3.   Een waarnemer van de EIB neemt deel aan de werkzaamheden van het comité voor wat betreft kwesties die betrekking hebben op de EIB.

4.   Het IPA III-comité staat de Commissie bij en is bevoegd voor rechtshandelingen en vastleggingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1085/2006 en Verordening (EU) nr. 231/2014 en voor de uitvoering van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 389/2006.

5.   Het IPA III-comité is niet bevoegd voor de bijdrage aan Erasmus+ als bedoeld in artikel 5, lid 3. [Am. 86]

Artikel 17

Informatie, communicatie , zichtbaarheid en publiciteit [Am. 87]

1.   De artikelen 36 en 37 van [de NDICI-verordening] zijn van toepassing Bij het verlenen van financiële steun uit hoofde van deze verordening nemen de Commissie, de HV/VV en in het bijzonder de EU-delegaties bij de begunstigden alle noodzakelijke maatregelen om de zichtbaarheid van de financiële steun van de Unie te waarborgen, met inbegrip van de controle van de naleving van de vereisten door de ontvangers. Door IPA gefinancierde acties zijn onderworpen aan de vereisten die in de Communicatie- en zichtbaarheidshandleiding betreffende externe maatregelen van de Europese Unie zijn vastgesteld. De Commissie stelt richtsnoeren vast voor door de Unie gefinancierde projecten met betrekking tot zichtbaarheids- en communicatieacties voor elke begunstigde. [Am. 88]

1 bis.     De Commissie neemt maatregelen ter versterking van de strategische communicatie en de publieke diplomatie om de waarden van de Unie over te brengen en de toegevoegde waarde van de steun van de Unie te benadrukken. [Am. 89]

1 ter.     De ontvangers van EU-financiering moeten de oorsprong van de financiering van de Unie erkennen en ervoor zorgen dat deze goed zichtbaar is door:

a)

te zorgen voor een verklaring, waarmee op zichtbare wijze de steun van de Unie in de verf wordt gezet op documenten en communicatiemateriaal over de uitvoering van de fondsen, inclusief op een officiële website, indien een dergelijke website bestaat; en

b)

de bevordering van de acties en de resultaten ervan middels samenhangende, doeltreffende en evenredige gerichte informatie aan meerdere doelgroepen, waaronder de media en het publiek.

De Commissie voert de informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot deze verordening, evenals tot de acties die zij heeft vastgesteld en de behaalde resultaten ervan. De aan deze verordening toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij direct verband houden met de in artikel 3 en bijlagen II en III bedoelde doelstellingen. [Am. 90]

Artikel 18

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van acties op grond van Verordening (EU) nr. 231/2014 (IPA II) en Verordening (EG) nr. 1085/2006 (IPA), die op de betrokken acties van toepassing blijven totdat zij worden afgesloten. Titel II, hoofdstuk III, van de NDICI-verordening (voorheen Verordening (EU) nr. 236/2014) is van toepassing op deze acties, met uitzondering van artikel 24, lid 1.

2.   De financiële middelen voor IPA III kunnen tevens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand in verband met de overgang naar IPA III van maatregelen die uit hoofde van het voorgaande instrument IPA II zijn vastgesteld.

3.   Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 2, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de […] [twintigste] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 . [Am. 91]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 156.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 8.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 maart 2019.

(4)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11).

(5)  De “eerst de basis”-benadering koppelt de rechtsstaat en de grondrechten aan de twee andere cruciale elementen van het toetredingsproces: economische governance — sterkere nadruk op economische ontwikkeling en verbetering van het concurrentievermogen — en versterking van de democratische instellingen en hervorming van het openbaar bestuur. Elk van de drie basiselementen is van cruciaal belang voor de hervormingsprocessen in de kandidaten en potentiële kandidaten en is gericht op een belangrijk zorgpunt van de burgers.

(6)  COM(2018)0065.

(7)  De Europese pijler van sociale rechten is door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017 plechtig afgekondigd tijdens de sociale top van Göteborg voor eerlijke banen en groei.

(8)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(9)  Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van … (PB …).

(10)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(12)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(13)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(14)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(15)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(16)  Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (OB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(18)  Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82).

(19)  Verordening (EG) nr. 389/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot instelling van een instrument voor financiële steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 5).

(20)  COM(2018)0374: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg), ondersteund door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden.

(21)  COM(2018)0367: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013.

(22)  COM(2018)0372: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds.

(23)  COM(2018)0382: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+).

(24)  COM(2018)0392: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad.

(25)  COM(2018)0372: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds.

(26)  https://ec.europa.eu/europeaid/policies/sustainable-development-goals_en

(27)  https://ec.europa.eu/europeaid/policies/eu-approach-aid-effectiveness_en

(28)   Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(29)   Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40).

(30)   Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

BIJLAGE I

Albanië

Bosnië en Herzegovina

IJsland

Kosovo (*1)

Montenegro

Servië

Turkije

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië Noord-Macedonië [Am. 129]


(*1)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

BIJLAGE II

Prioritaire thema's voor steun

De steun kan, naar gelang van het geval, betrekking hebben op de onderstaande prioritaire thema's.

(a)

Het tot stand brengen en vanaf het prille begin bevorderen van het goed functioneren van de instellingen die nodig zijn voor een goed werkende rechtsstaat. Het optreden op dit gebied beoogt: de scheiding der machten, het tot stand brengen van onafhankelijke, verantwoordingsplichtige en efficiënte rechtsstelsels, met onder meer transparante en op verdienste gebaseerde systemen voor aanwerving, beoordeling en promotie en doeltreffende disciplinaire procedures bij gevallen van vergrijp, en de bevordering van justitiële samenwerking; het tot stand brengen van solide adequate grensbewakingssystemen, het beheer van migratiestromen en asielverlening aan wie in nood verkeert; het ontwikkelen van doeltreffende middelen ter voorkoming en bestrijding van georganiseerde criminaliteit, mensenhandel, smokkel van migranten, drugshandel, witwaspraktijken/financiering van terrorisme en corruptie; het bevorderen en beschermen van de rechten van de mens, van inclusief de rechten van het kind en van personen die tot minderheden behoren — waaronder Roma, lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen – , de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en van de fundamentele vrijheden, waaronder mediavrijheid en gegevensbescherming; [Am. 92]

(b)

Hervorming van overheidsdiensten conform de beginselen van openbaar bestuur. Het optreden beoogt: het versterken van de kaders voor de hervorming van het openbaar bestuur; het verbeteren van de strategische planning en het ontwikkelen van inclusief en empirisch onderbouwd beleid en wetgeving; het bevorderen van de professionalisering en de depolitisering van het overheidsapparaat door het verankeren van meritocratische beginselen; het bevorderen van transparantie en verantwoordingsplicht; het verbeteren van de kwaliteit van diensten en van de verlening van diensten, onder meer door middel van adequate administratieve procedures en op de burger gerichte e-overheidsdiensten; het versterken van het beheer van de overheidsfinanciën en de productie van betrouwbare statistieken;

(c)

Het versterken van de economische governance. Het optreden beoogt het ondersteunen van de deelname aan programma's voor economische hervorming en het bevorderen van systematische samenwerking met internationale financiële instellingen met betrekking tot de fundamentele aspecten van economisch beleid , alsook het versterken van multilaterale economische instellingen . Het versterken van het vermogen om de macro-economische stabiliteit en sociale cohesie te vergroten en het ondersteunen van het streven naar duurzame ontwikkeling en een functionerende markteconomie die in staat is het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie; [Am. 93]

(d)

Het versterken van de capaciteit van de Unie en haar partners voor het voorkomen van conflicten, het opbouwen van vrede , goede nabuurschapsrelaties en het aanpakken van pre- en postcrisissituaties, onder meer door middel van vroegtijdige waarschuwing en conflictbewuste risicoanalyse; het bevorderen van netwerkvorming tussen personen, verzoening, verantwoordingsplicht, internationale rechtspleging, vredesopbouw en vertrouwenwekkende maatregelen , inclusief het opzetten van de regionale commissie voor het vaststellen van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten gepleegd in het voormalige Joegoslavië (RECOM), evenals het ondersteunen van capaciteitsopbouw ter bevordering van acties op het gebied van veiligheid en ontwikkeling (CBSD) ; en het versterken van de capaciteit voor cyberdefensie en strategische communicatie ter bevordering van systematische opsporing van desinformatie; [Am. 94]

(e)

Het versterken van de capaciteit , onafhankelijkheid en pluriformiteit van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en van de sociale partners, waaronder verenigingen van beroepsbeoefenaren, in de in bijlage I vermelde en begunstigden, en het aanmoedigen aanmoediging van netwerkvorming op alle niveaus tussen in de Unie gevestigde organisaties en de organisaties van de in bijlage I vermelde begunstigden begunstigden op alle niveaus , met het oog op een daadwerkelijke dialoog tussen publieke en private actoren. Het doel is ervoor te zorgen dat de steun voor een verscheidenheid aan organisaties van begunstigden zo breed mogelijk toegankelijk is; [Am. 95]

(f)

Het bevorderen van de afstemming van de regels, normen, beleidsmaatregelen en praktijken van de partnerlanden op die van de Unie, met inbegrip van het GBVB, regels inzake openbare aanbesteding en staatssteunregels; [Am. 96]

(g)

Het versterken van de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, opleiding en een leven lang leren op alle niveaus en het ondersteunen van de cultuursector en de creatieve sectoren. Het optreden op dit gebied beoogt: het bevorderen van gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardige , inclusieve en gemeenschapsgebaseerde voor- en vroegschoolse educatie en opvangdiensten, lager en secundair onderwijs en het verbeteren van het aanbod van basisvaardigheden; het verhogen van het opleidingsniveau; het terugdringen van vroegtijdige schoolverlating en het versterken van de opleiding van leerkrachten; emancipatie van kinderen en jongeren en hen in staat stellen hun volledige potentieel te benutten; het ontwikkelen van stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding (VET) en het bevorderen van werkgerelateerde opleidingen om de overgang naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken; het verbeteren van de kwaliteit en de relevantie van het hoger onderwijs; het stimuleren van alumni-activiteiten; het verruimen van de toegang tot een leven lang leren leren en fysieke activiteiten , en het ondersteunen van investeringen in de onderwijs- en opleidingsinfrastructuur - , opleidings- en sportinfrastructuur , met name om territoriale verschillen te beperken en niet-gesegregeerd onderwijs te bevorderen, onder meer door het gebruik van digitale technologieën; [Am. 97]

(h)

Het bevorderen van kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en toegang tot de arbeidsmarkt. Het optreden op dit gebied beoogt: het aanpakken van hoge werkloosheid en inactiviteit door duurzame integratie op de arbeidsmarkt te ondersteunen, met name van jongeren (in het bijzonder jongeren die niet werken en geen school of opleiding volgen (NEET)), vrouwen, langdurig werklozen en alle ondervertegenwoordigde groepen. De maatregelen stimuleren het creëren van banen van hoge kwaliteit en ondersteunen de doeltreffende handhaving van arbeidsvoorschriften en -normen internationaal overeengekomen arbeidsnormen op het gehele grondgebied , onder andere door het bevorderen van de naleving van de belangrijkste beginselen en rechten als bedoeld in de Europese pijler van sociale rechten . Andere belangrijke gebieden waarop maatregelen worden genomen betreffen het ondersteunen van gendergelijkheid; het bevorderen van inzetbaarheid en productiviteit; het aanpassen van werknemers en ondernemingen aan veranderingen; het tot stand brengen van een duurzame sociale dialoog, en het moderniseren en versterken van de arbeidsmarktinstellingen, zoals openbare arbeidsvoorzieningsdiensten en arbeidsinspectiediensten; [Am. 98]

(i)

Het bevorderen van sociale bescherming en integratie en het bestrijden van armoede. Het opreden optreden op dit gebied beoogt het moderniseren van socialebeschermingsstelsels om te voorzien in een doeltreffende, efficiënte en adequate bescherming in alle levensfasen; het stimuleren van sociale inclusie; het bevorderen van gelijke kansen; het aanpakken van ongelijkheden en armoede en het bevorderen van de overgang van institutionele zorg naar gezins- en gemeenschapszorg; het bevorderen van gelijke kansen, en het aanpakken van ongelijkheden en armoede. Het optreden op dit gebied beoogt ook: het integreren van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma; het bestrijden van discriminatie op basis van geslacht, raciale of etnische herkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid; het verbeteren van de toegang tot betaalbare, duurzame en kwalitatief hoogwaardige diensten gezins- en gemeenschapsdiensten zoals inclusieve en niet-gesegregeerde voor- en vroegschoolse educatie en opvang, huisvesting, gezondheidszorg en essentiële sociale diensten en langdurige zorg, onder meer door de modernisering van de systemen voor sociale bescherming. Acties die om het even welke vorm van segregatie of sociale uitsluiting in de hand werken, mogen geen ondersteuning ontvangen; [Am. 99]

(j)

Het bevorderen van slim, duurzaam, inclusief en veilig vervoer en het elimineren van knelpunten in essentiële netwerkinfrastructuren, door middel van investeringen in projecten met een hoge toegevoegde waarde voor de EU. De investeringen moeten worden geprioriteerd op basis van hun relevantie voor TEN-T-verbindingen met de EU, grensoverschrijdende verbindingen, het scheppen van werkgelegenheid, hun bijdrage tot duurzame mobiliteit, lagere emissies, milieu-impact, veilige mobiliteit, in synergie met de hervormingen die worden gestimuleerd door het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap; [Am. 100]

(k)

Het verbeteren van het klimaat voor de private sector en van het concurrentievermogen van ondernemingen, in het bijzonder kmo's, met inbegrip van slimme specialisatie, als essentiële stimulansen voor groei, het creëren van werkgelegenheid en cohesie. Er zal prioriteit worden gegeven aan duurzame projecten die leiden tot een beter ondernemingsklimaat; [Am. 101]

(l)

Het verbeteren van de toegang tot digitale technologieën en diensten en het versterken van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie, door te investeren in digitale connectiviteit, vertrouwen in digitale techniek en digitale beveiliging, digitale vaardigheden en ondernemerschap, onderzoeksinfrastructuur en een gunstig klimaat, en het bevorderen van netwerkvorming en samenwerking;

(m)

Het bijdragen tot de veiligheid en de zekerheid van de voedselvoorziening voedsel- en watervoorziening en het behoud van gediversifieerde en levensvatbare landbouwsystemen in levendige dorpsgemeenschappen en op het platteland; [Am. 102]

(n)

Het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het milieu; het aanpakken van de aantasting van het milieu en van biodiversiteitsverlies; het bevorderen van het behoud en het duurzame beheer van terrestrische en mariene ecosystemen en hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen; het bevorderen van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en van duurzame consumptie en productie; het ondersteunen van de overgang naar een groene en circulaire economie; het bijdragen tot de vermindering van broeikasgasemissies; het vergroten van de bestendigheid tegen klimaatverandering, en het bevorderen van governance en voorlichting met betrekking tot klimaatmaatregelen en energie-efficiëntie. Met IPA III wordt beleid bevorderd ter ondersteuning van de overgang naar een hulpmiddelenefficiënte, veilige en duurzame koolstofarme economie en ter versterking van rampbestendigheid en van ramppreventie, -paraatheid en -respons. IPA III bevordert ook een hoog niveau van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en de toepassing van efficiënte en effectieve veiligheidscontroles op kernmateriaal in derde landen, alsmede de vaststelling van kaders en methoden voor de toepassing van efficiënte en effectieve veiligheidscontroles op kernmateriaal;

(o)

Het bevorderen van de strengste nucleaire veiligheidsnormen, met inbegrip van een nucleaire veiligheidscultuur, paraatheid bij noodsituaties, een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, een verantwoorde en veilige ontmanteling en sanering van voormalige nucleaire terreinen en installaties; stralingsbescherming en de boekhouding van en de controle op kernmateriaal;

(p)

Meer mogelijkheden voor de agro-voedingssector en de visserijsector om het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en aan de marktkrachten en om zich , met het oog op het vergroten van de capaciteit voor uitvoer naar de markt van de Unie, geleidelijk aan de voorschriften en normen van de Unie aan te passen, onder inachtneming van economische, maatschappelijke en ecologische doelstellingen in het kader van een evenwichtige territoriale ontwikkeling van plattelands- en kustgebieden; [Am. 103]

(p bis)

Het bevorderen van activiteiten en het verbeteren van langetermijnstrategieën en -beleid ter voorkoming en bestrijding van radicalisering en gewelddadig extremisme. [Am. 104]

BIJLAGE III

Prioritaire thema's voor steun voor grensoverschrijdende samenwerking

De steun voor grensoverschrijdende samenwerking kan, naar gelang van het geval, betrekking hebben op de onderstaande prioritaire thema's.

a)

Het bevorderen van de werkgelegenheid, arbeidsmobiliteit en maatschappelijke en culturele inclusie op grensoverschrijdend niveau, onder meer door integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten, met inbegrip van grensoverschrijdende mobiliteit; gezamenlijke plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven; voorlichtings- en adviesdiensten en gemeenschappelijke opleiding; gendergelijkheid; gelijke kansen; integratie van immigrantengemeenschappen en kwetsbare groepen; investeringen in openbare arbeidsvoorzieningsdiensten, en steun voor investeringen in de volksgezondheid alsook voor de omschakeling op gezins- en gemeenschapsgebaseerde sociale diensten; [Am. 105]

b)

Het beschermen van het milieu en het bevorderen van de aanpassing aan en de beperking van de klimaatverandering, risicopreventie en -beheer, onder meer door: gezamenlijke acties ten behoeve van de bescherming van het milieu; het bevorderen van een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, een gecoördineerde maritieme ruimtelijke ordening, een efficiënt gebruik van de middelen en een circulaire economie, hernieuwbare energiebronnen en de overgang naar een veilige, duurzame, koolstofarme en groene economie; het bevorderen van investeringen om het hoofd te kunnen bieden aan specifieke risico's, om te zorgen voor rampbestendigheid en ramppreventie, -paraatheid en -respons;

c)

Het bevorderen van duurzaam vervoer en het verbeteren van de openbare infrastructuur, onder meer door het isolement te doorbreken door een verbeterde toegang tot vervoer, digitale netwerken en diensten, en het investeren in grensoverschrijdende systemen en faciliteiten voor water, afval en energie;

d)

Het bevorderen van de digitale economie en samenleving, onder meer door de invoering van digitale connectiviteit, de ontwikkeling van e-overheidsdiensten, digitaal vertrouwen en digitale beveiliging, en digitale vaardigheden en ondernemerschap;

(d bis)

Het bevorderen van de verwijdering van onnodige handelsbelemmeringen, met inbegrip van bureaucratische horden, tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen; [Am. 106]

e)

Het stimuleren van toerisme en sport, en het onder de aandacht brengen van cultureel en natuurlijk erfgoed; [Am. 107]

f)

Het investeren in de jeugd, in sport, onderwijs en vaardigheden onder meer door middel van het garanderen dat vaardigheden en kwalificaties worden erkend, het ontwikkelen en implementeren van gemeenschappelijk onderwijs, beroepsopleiding, opleidingsprogramma's en infrastructuur ten behoeve van gezamenlijke jongerenactiviteiten; [Am. 108]

g)

Het bevorderen van plaatselijke en regionale governance alsmede , met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking tussen overheidsdiensten met het oog op het bevorderen van verzoening en vredesopbouw, en het versterken van de capaciteit van plaatselijke en regionale autoriteiten op het gebied van planning en administratie; [Am. 109]

(g bis)

het investeren in de capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties; [Am. 110]

(g ter)

Het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking tussen overheidsdiensten met het oog op het bevorderen van verzoening en vredesopbouw, met inbegrip van de oprichting van de regionale commissie voor het vaststellen van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van mensenrechten in het voormalige Joegoslavië (RECOM); [Am. 111]

h)

Het versterken van het concurrentievermogen, het ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, handel en investeringen, onder meer door het bevorderen en ondersteunen van ondernemerschap, in het bijzonder in kleine en middelgrote ondernemingen; het ontwikkelen van plaatselijke grensoverschrijdende markten en internationalisering;

i)

Het versterken van onderzoek, technologische ontwikkeling, innovatie en digitale technologieën, onder meer door het bevorderen van het delen van personele middelen en faciliteiten voor onderzoek en technologische ontwikkeling;

(i bis)

Het verbeteren van grensoverschrijdende politiële en justitiële samenwerking en informatie-uitwisseling ter vergemakkelijking van het onderzoek naar en de vervolging van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en daaraan gerelateerde gevallen van economische en financiële criminaliteit en corruptie, illegale handel en smokkel. [Am. 112]

BIJLAGE IV

Lijst van kernprestatie-indicatoren

De onderstaande lijst van kernprestatie-indicatoren en hun jaarlijkse evolutie is een hulpmiddel voor het meten van de bijdrage van de Unie aan de verwezenlijking van haar specifieke doelstellingen en de door de begunstigden geboekte vooruitgang . [Am. 113]

1.

Samengestelde indicator (1) betreffende de paraatheid van uitbreidingslanden met betrekking tot de fundamentele aspecten van de politieke toetredingscriteria (waaronder democratie, rechtsstaat — rechterlijke macht, bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad — en mensenrechten) (bron: Europese Commissie);

1 bis.

Samengestelde indicator betreffende de inspanningen van de partners op het gebied van verzoening, vredesopbouw, goede nabuurschapsbetrekkingen, internationale verplichtingen, gendergelijkheid en vrouwenrechten; [Am. 114]

1 ter.

Een indicator voor het ontbreken van geweld in samenhang met de afname van conflictoorzaken (bijvoorbeeld politieke of economische uitsluiting) in vergelijking met een basisevaluatie; [Am. 115]

1 quater.

Het percentage van de bevolking in de begunstigde landen dat van mening is goed ingelicht te zijn over de bijstand van de Unie uit hoofde van deze verordening (bron: Europese Commissie); [Am. 116]

2.

Paraatheid van uitbreidingslanden met betrekking tot de hervorming van het openbaar bestuur (bron: Europese Commissie);

3.

Samengestelde indicator betreffende de paraatheid van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten met betrekking tot het EU-acquis (bron: Europese Commissie);

3 bis.

Het percentage en de jaarlijkse ontwikkeling van de aanpassing aan de GBVB-besluiten en -maatregelen (bron: EDEO); [Am. 117]

4.

Samengestelde indicator betreffende de paraatheid van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten voor de fundamentele aspecten van de economische criteria (functionerende markteconomie en concurrentievermogen) (bron: Europese Commissie);

5.

Overheidsuitgaven voor sociale zekerheid (als percentage van het bbp) (bron: IAO) of , uitgaven gezondheidszorg, inkomensongelijkheid, armoedecijfers, arbeidsparticipatie (bron: en werkloosheidscijfers, zoals door officiële nationale statistieken) wordt aangegeven; [Am. 118]

5 bis.

Veranderingen in de Gini-coëfficiënt van een begunstigde in de tijd; [Am. 119]

6.

Digitale kloof tussen de begunstigden en het EU-gemiddelde (bron: Europese Commissie, DESI-index);

7.

Score voor de afstand tot het optimum ('Doing Business') (bron: WB);

8.

Energie-intensiteit gemeten in termen van primaire energie en bbp (bron: Eurostat);

9.

Verminderde of vermeden uitstoot van broeikasgassen (kiloton CO2-eq.) met EU-steun;

10.

Aantal uitgevoerde programma's voor grensoverschrijdende samenwerking tussen IPA-begunstigden en IPA/EU-lidstaten (bron: , zoals door de Europese Commissie) aangegeven; [Am. 120]

10 bis.

Het aantal nieuwe organisaties dat in de loop der tijd aan acties en programma's deelneemt. [Am. 121]

De indicatoren worden, waar relevant, uitgesplitst naar geslacht minimumleeftijd en gender . [Am. 122]


(1)  De drie samengestelde indicatoren worden door de Europese Commissie ontwikkeld op grond van de uitbreidingsverslagen, die ook zijn gebaseerd op meerdere onafhankelijke bronnen.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/442


P8_TA(2019)0300

Kader voor herstel en afwikkeling van centrale tegenpartijen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012 en (EU) 2015/2365 (COM(2016)0856 — C8-0484/2016 — 2016/0365(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/37)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0856),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0484/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Italiaanse Senaat, het Spaanse parlement en de Roemeense Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 20 september 2017 (1),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0015/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 372 van 1.11.2017, blz. 6.

(2)  PB C 209 van 30.6.2017, blz. 28.


P8_TC1-COD(2016)0365

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012 en (EU) nr. 2015/2365

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie (1),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Financiële markten zijn van vitaal belang voor het functioneren van moderne economieën. Hoe geïntegreerder de markten zijn, hoe groter de kans dat economische middelen efficiënt worden toegewezen, hetgeen de economische prestaties ten goede kan komen . Er zijn echter procedures nodig ten behoeve van een betere werking van de eengemaakte markt op het gebied van financiële diensten om markttekortkomingen aan te pakken en om te voorkomen dat op de financiële markt actieve financiële instellingen of financiëlemarktinfrastructuren die in zwaar weer verkeren of op de rand van het faillissement balanceren, niet de gehele financiële markt ontwrichten en de groei in de brede economie fnuiken. Centrale tegenpartijen (ctp's) zijn cruciale spelers op de financiële markten waar ze zichzelf voor marktdeelnemers plaatsen als de koper voor elke verkoper en als de verkoper voor elke koper. Ze vervullen daarnaast een spilfunctie bij het verwerken van financiële transacties en het beheren van blootstellingen aan de diverse risico's die met deze transacties samenhangen. Ctp's handelen transacties en posities van tegenpartijen centraal af, komen de uit de transacties voortvloeiende verplichtingen na en ontvangen van hun leden toereikende zekerheden in de vorm van margin en bijdragen aan wanbetalingsfondsen.

(2)

Centrale tegenpartijen (ctp's) zijn cruciale spelers op de mondiale financiële markten waar ze zichzelf voor marktdeelnemers plaatsen als de koper voor elke verkoper en als de verkoper voor elke koper. Ze vervullen daarnaast een spilfunctie bij het verwerken van financiële transacties en het beheren van blootstellingen aan de diverse risico's die met deze transacties samenhangen. Ctp's handelen transacties en posities van tegenpartijen centraal af, komen de uit de transacties voortvloeiende verplichtingen na en vragen van hun leden toereikende zekerheden in de vorm van margin en bijdragen aan wanbetalingsfondsen.

(3)

De integratie van de financiële markten van de Unie heeft van ctp's — die in eerste instantie binnenlandse behoeften en markten afdekten — cruciale schakels voor de bredere financiële markten van de Unie gemaakt. In de Unie erkende ctp's clearen momenteel verschillende productcategorieën, van beursgenoteerde en over-the-counter (otc) financiële en grondstoffenderivaten tot aandelen, obligaties en andere producten zoals repo's. Zij verrichten over de nationale grenzen diensten voor tal van financiële en andere instellingen in de hele Unie. Terwijl sommige in de Unie erkende ctp's zich blijven richten op de binnenlandse markt, zijn ze op hun thuismarkten allemaal systeemrelevant.

(4)

Aangezien een significant deel van het financiële risico in het financiële stelsel van de Unie voor rekening van clearingleden en hun cliënten wordt verwerkt door en geconcentreerd is bij ctp's, zijn doeltreffende regelgeving en streng toezicht op ctp's van essentieel belang. Op grond van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4), die van kracht is sinds augustus 2012, moeten ctp's voldoen aan strenge prudentiële, organisatorische en bedrijfsvoeringsnormen. De bevoegde autoriteiten zijn belast met het volledige toezicht op hun activiteiten, en werken samen in toezichtcolleges waarin de betrokken autoriteiten samenzitten om de hun toegewezen specifieke taken te vervullen. In aansluiting op de toezeggingen van de leiders van de G20 sinds de financiële crisis vereist Verordening (EU) nr. 648/2012 eveneens dat gestandaardiseerde otc-derivaten centraal worden gecleard door een ctp. Nu centrale clearing van otc-derivaten verplicht wordt, zullen ctp's wellicht steeds meer en diversere activiteiten moeten verrichten, hetgeen de risicobeheerstrategieën van ctp's extra op de proef kan stellen.

(5)

Verordening (EU) nr. 648/2012 heeft mee bewerkstelligd dat ctp's en de bredere financiële markten beter gewapend zijn tegen het brede scala van door ctp's verwerkte en geconcentreerde risico's. Geen enkel systeem van regels en praktijken kan echter voorkomen dat de huidige middelen niet geschikt zijn voor het beheer van risico's voor de ctp, zoals een of meer wanbetalingen door clearingleden. In een scenario van ernstige moeilijkheden of een dreigend faillissement moeten in beginsel steeds de normale insolventieprocedures worden toegepast op financiële instellingen. In de financiële crisis is echter gebleken dat deze procedures, met name tijdens een periode van langdurige economische instabiliteit en onzekerheid, kritieke functies voor de economie kunnen verstoren en de financiële stabiliteit in gevaar kunnen brengen. Met normale insolventieprocedures voor ondernemingen kan misschien niet altijd snel genoeg worden ingegrepen of voldoende aandacht worden besteed aan het handhaven van de kritieke functies van financiële instellingen om zo de financiële stabiliteit te bewaren. Om die nadelen van normale insolventieprocedures te voorkomen, moet een speciaal afwikkelingskader voor ctp's worden ontwikkeld.

(6)

Tijdens de crisis is ook duidelijk geworden dat het mangelt aan geschikte instrumenten om de kritieke functies van faillerende financiële instellingen te vrijwaren. Ook bleken er geen kaders te bestaan voor samenwerking en coördinatie tussen autoriteiten, vooral tussen in verschillende lidstaten of rechtsgebieden gevestigde autoriteiten, om snel en doortastend te kunnen optreden. Zonder dergelijke instrumenten en bij gebrek aan samenwerking en coördinatie zagen de lidstaten zich verplicht financiële instellingen met belastinggeld te redden om besmetting te voorkomen en paniek in te dijken. Hoewel ctp's geen rechtstreekse openbare financiële steun tijdens de crisis hebben ontvangen, hebben ze onrechtstreeks wel baat gehad bij de reddingsmaatregelen voor banken en heeft de situatie van noodlijdende banken geen vat op hen gehad. Bijgevolg is een kader voor herstel en afwikkeling van ctp's noodzakelijk om te voorkomen dat in geval van een wanordelijk faillissement van ctp's een beroep wordt gedaan op belastinggeld. Dat kader moet er ook rekening mee houden dat ctp's om andere redenen dan wanbetaling door een of meer van hun clearingleden in afwikkeling kunnen worden geplaatst.

(7)

Een geloofwaardig kader voor herstel en afwikkeling moet, in de ruimst mogelijke mate, verzekeren dat ctp's maatregelen vastleggen om financiële moeilijkheden te boven te komen, om hun kritieke functies in geval van een faillissement of waarschijnlijk faillissement te handhaven, terwijl de resterende activiteiten volgens normale insolventieprocedures worden geliquideerd, en om de financiële stabiliteit te vrijwaren, met zo weinig mogelijk kosten voor de eindcliënt en de belastingbetaler. Dankzij een dergelijk herstel- en afwikkelingskader zullen ctp's en autoriteiten beter gewapend zijn om financiële stress te verminderen en krijgen autoriteiten meer zicht op de paraatheid van ctp's in stressscenario's. Het kader verleent de autoriteiten ook bevoegdheden om de mogelijke afwikkeling van een ctp voor te bereiden, een noodlijdende ctp op gecoördineerde wijze aan te pakken en aldus bij te dragen tot de goede werking van de financiële markten.

(8)

Momenteel bestaan er geen geharmoniseerde bepalingen voor herstel en afwikkeling van ctp's in de Unie. Sommige lidstaten hebben reeds wetswijzigingen doorgevoerd die ctp's verplichten herstelplannen uit te werken en mechanismen voor de afwikkeling van faillerende ctp's instellen. Bovendien zijn er aanzienlijke inhoudelijke en procedurele verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot de wetten, regels en administratieve voorschriften die in de lidstaten voor de insolventie van ctp's gelden. Het ontbreken van gemeenschappelijke voorwaarden, bevoegdheden en procedures voor herstel en afwikkeling van ctp's vormt wellicht zowel in de Unie als in de rest van de wereld een belemmering voor een soepele werking van de interne markt, de samenwerking tussen nationale autoriteiten bij de aanpak van het faillissement van een ctp en het gebruik van passende mechanismen voor de toewijzing van verliezen aan haar leden. Dit geldt in het bijzonder in gevallen waarin verschillende benaderingen ertoe leiden dat nationale autoriteiten niet beschikken over dezelfde mate van zeggenschap of hetzelfde vermogen om ctp's af te wikkelen. Deze verschillen in herstel- en afwikkelingsregelingen kunnen uiteenlopende gevolgen hebben voor de ctp's en hun leden in de lidstaten, waardoor de mededinging op de interne markt kan worden verstoord. Het ontbreken van gemeenschappelijke regels en instrumenten voor het aanpakken van de financiële moeilijkheden of het faillissement van een ctp kan de keuze van deelnemers om te clearen en de keuze van een ctp om zich ergens te vestigen beïnvloeden, zodat ctp's hun fundamentele vrijheden op de eengemaakte markt niet optimaal kunnen benutten. Ook kan de grensoverschrijdende toegang van deelnemers tot ctp's op de interne markt hierdoor worden ontmoedigd en de verdere integratie van de Europese kapitaalmarkten worden tegengewerkt. Daarom zijn in alle lidstaten gemeenschappelijke regels voor herstel en afwikkeling nodig om ervoor te zorgen dat ctp's in de uitoefening van hun internemarktvrijheden niet worden beperkt door de financiële capaciteit van lidstaten en hun autoriteiten om faillissementen van ctp's te beheren.

(9)

De herziening van het regelgevingskader voor banken en andere financiële instellingen in de nasleep van de crisis, en met name de versterking van de kapitaal- en liquiditeitsbuffers van de banken, betere instrumenten voor macroprudentieel beleid en alomvattende regels voor het herstel en de afwikkeling van banken, hebben toekomstige crises minder waarschijnlijk gemaakt en alle financiële instellingen en marktinfrastructuren, met inbegrip van ctp's, beter bestand gemaakt tegen economische stress als gevolg van systeemstoringen of gebeurtenissen die specifiek zijn voor individuele instellingen. Sinds 1 januari 2015 is een herstel- en afwikkelingsregeling van toepassing voor banken in alle lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (5).

(10)

Voortbouwend op de aanpak voor het herstel en de afwikkeling van banken moeten de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten zich voorbereiden en over de nodige herstel- en afwikkelingsinstrumenten beschikken om het hoofd te kunnen bieden aan situaties zoals faillissementen van ctp's. Op grond van hun verschillen in functies en bedrijfsmodellen kennen banken en ctp's echter niet dezelfde risico's. Er is dan ook behoefte aan specifieke instrumenten en bevoegdheden voor ctp's die failliet gaan door het faillissement van hun clearingleden of om andere redenen dan wanbetaling.

(11)

Een verordening is noodzakelijk om de bij Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde werkwijze aan te vullen en uit te breiden, waarbij is voorzien in eenvormige prudentiële voorschriften voor ctp's. Een richtlijn met voorschriften voor herstel en afwikkeling zou namelijk aanleiding kunnen geven tot inconsistenties als gevolg van verschillende nationale wetgevingen op een gebied dat anderszins valt onder rechtstreeks toepasselijk Unierecht en dat in toenemende mate wordt gekenmerkt door grensoverschrijdende dienstverrichting door ctp's. Daarom ligt het voor de hand ook uniforme en rechtstreeks toepasselijke regels voor herstel en afwikkeling van ctp's vast te stellen.

(12)

Om samenhang met bestaande Uniewetgeving op het gebied van financiële diensten te verzekeren en omwille van maximale financiële stabiliteit in de hele Unie zou de regeling voor herstel en afwikkeling moeten gelden voor alle ctp's die vallen onder de in Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde prudentiële voorschriften, ongeacht of ze over een bankvergunning beschikken of niet. Hoewel de risicoprofielen van uiteenlopende ondernemingsstructuren van elkaar kunnen verschillen, worden alle ctp's in deze verordening behandeld als onafhankelijke entiteiten, om het even hoe de groep of markt waarvan zij deel uitmaken is gestructureerd, om er voor te zorgen dat een ctp over een op zichzelf staand herstel- en afwikkelingsplan beschikt, ongeacht de structuur van de groep waarvan de ctp deel uitmaakt. Dit geldt met name voor de verplichting om op het niveau van de entiteit voldoende financiële middelen aan te houden om problemen die zich als gevolg van wanbetaling of om andere redenen voordoen, te boven te komen.

(13)

Om een efficiënte en effectieve toepassing van afwikkelingsmaatregelen te waarborgen, overeenkomstig de afwikkelingsdoelstellingen, moeten de lidstaten voor het uitvoeren van afwikkelingsfuncties en -taken overheidsorganen of autoriteiten aanwijzen waaraan bevoegdheden van openbaar bestuur zijn verleend. De lidstaten moeten er ook zorg voor dragen dat aan deze afwikkelingsautoriteiten voldoende middelen worden toegekend. Indien een lidstaat de voor het prudentiële toezicht op ctp's verantwoordelijke autoriteit als afwikkelingsautoriteit aanwijst, moet de onafhankelijkheid van het besluitvormingsproces worden gewaarborgd en moeten alle nodige regelingen worden getroffen om de toezicht- en de afwikkelingsfunctie te scheiden teneinde belangenconflicten en het risico op gedoogbeleid te voorkomen.

(14)

In het licht van de gevolgen die het faillissement van een ctp en de daaropvolgende maatregelen kunnen hebben voor het financiële stelsel en de economie van een lidstaat en de mogelijke uiteindelijke noodzaak om in een crisis als laatste redmiddel overheidsmiddelen in te zetten, moeten de ministeries van Financiën of andere bevoegde ministeries in de lidstaten in een vroeg stadium nauw betrokken worden bij het proces van herstel en afwikkeling.

(15)

Aangezien ctp's vaak in de hele EU diensten verrichten, vereist een doeltreffend herstel- en afwikkelingsproces samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten binnen toezicht- en afwikkelingscolleges, met name tijdens de voorbereidende stadia van herstel en afwikkeling. Dat behelst het beoordelen van door de ctp ontwikkelde herstelplannen, het beoordelen van door de afwikkelingsautoriteit van de ctp opgestelde afwikkelingsplannen en het aanpakken van mogelijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid.

(16)

Bij het afwikkelen van ctp's moet een evenwicht worden betracht tussen, enerzijds, de behoefte aan procedures die met de spoedeisendheid van de situatie rekening houden en efficiënte, billijke en tijdige oplossingen mogelijk maken en, anderzijds, de noodzaak om de financiële stabiliteit te vrijwaren in alle lidstaten waar de ctp diensten verricht. De instanties waarvan de bevoegdheden door het faillissement van een ctp zouden worden aangesproken, dienen in het afwikkelingscollege van gedachten te wisselen om deze doelstellingen te bereiken. Om te zorgen voor regelmatige gedachtewisseling en coördinatie met de betrokken autoriteiten van derde landen moeten deze indien nodig worden uitgenodigd om als waarnemers deel te nemen in afwikkelingscolleges. Autoriteiten moeten altijd rekening houden met de gevolgen van hun besluiten voor de financiële stabiliteit in de lidstaten waar de ctp activiteiten verricht die kritiek of belangrijk zijn voor lokale financiële markten, ook waar clearingleden zich bevinden en waar gekoppelde handelsplatformen en financiëlemarktinfrastructuren zijn gevestigd.

(16 bis)

Gezien de grensoverschrijdende aard van sommige activiteiten van ctp's kunnen besluiten van afwikkelingsautoriteiten ook in andere rechtsgebieden economische en fiscale gevolgen hebben. Voor zover redelijkerwijze mogelijk moet bij herstel- en afwikkelingsprocedures met die grensoverschrijdende gevolgen rekening worden gehouden zonder echter de soevereiniteit van de belastingautoriteiten in andere rechtsgebieden aan te tasten.

(17)

De ESMA moet ter voorbereiding van de besluiten in de context van haar taakomschrijving en met het oog op een zo breed mogelijke betrokkenheid van de EBA en haar leden bij de voorbereiding van deze besluiten een intern afwikkelingscomité oprichten en de bevoegde autoriteiten van de EBA uitnodigen om deel te nemen als waarnemer in dat comité.

(18)

Om het mogelijke faillissement van een ctp op doeltreffende en evenredige wijze aan te pakken, moeten de autoriteiten rekening houden met een aantal factoren bij de uitoefening van hun herstel- en afwikkelingsbevoegdheden, zoals de aard van de bedrijfsactiviteit van de ctp, haar juridische en organisatiestructuur , risicoprofiel, omvang, juridische status en verwevenheid met het financiële stelsel. Voorts dienen de autoriteiten rekening te houden met de vraag of een faillissement en de daaropvolgende afwikkeling van de ctp volgens normale insolventieprocedures significante negatieve gevolgen voor de financiële markten, voor andere financiële instellingen of voor de economie in ruimere zin zouden hebben.

(19)

Om op efficiënte wijze met faillerende ctp's te kunnen omgaan, moeten de autoriteiten de bevoegdheid hebben om ctp's voorbereidende en preventieve maatregelen op te leggen. Er moet een minimumnorm worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud en de informatie die in herstelplannen moeten worden opgenomen om ervoor te zorgen dat alle ctp's in de Unie over voldoende gedetailleerde herstelplannen beschikken mochten ze met financiële moeilijkheden worden geconfronteerd. Deze plannen moeten voorzien in passende scenario's die zowel rekening houden met stress op systeemniveau als met stresssituaties van specifieke ctp's. De scenario's moeten rekening houden met extremere stresssituaties dan die welke in aanmerking worden genomen bij de reguliere stresstests als bedoeld in hoofdstuk XII van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie, maar toch plausibel blijven, zoals een faillissement van verdere clearingleden naast de twee clearingleden ten overstaan waarvan het positierisico van de ctp het grootst is en een of meer andere ctp's. Het herstelplan moet deel uitmaken van de met de clearingleden contractueel overeengekomen werkingsregels van de ctp. Deze werkingsregels moeten voorts bepalingen bevatten die verzekeren dat de in het plan beschreven maatregelen in elk scenario kunnen worden toegepast. Herstelplannen mogen niet uitgaan van ▌ openbare financiële steun of belastingbetalers aan mogelijk verlies blootstellen.

(19 bis)

De herstelplannen moeten passende stimulansen bevatten opdat ctp's, clearingleden en cliënten de situatie niet verder laten verslechteren en samenwerking aanmoedigen. Om de geloofwaardigheid van dit systeem van stimulansen te waarborgen, mag slechts van het herstelplan worden afgeweken nadat de bevoegde autoriteit ermee heeft ingestemd.

(20)

Ctp's moeten hun herstelplannen voorbereiden en regelmatig bijwerken. ▌ De herstelfase in dit verband moet van start gaan wanneer de financiële situatie van de ctp significant verslechtert of wanneer de prudentiële vereisten in het kader van Verordening (EU) nr. 648/2012 dreigen te worden geschonden. Dit moet worden aangegeven aan de hand van een in het herstelplan opgenomen kader met kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren.

(20 bis)

Herstelplannen moeten ervoor zorgen dat de herstelinstrumenten worden gebruikt in een volgorde die een evenwichtige verdeling van de verliezen tussen de ctp's, de clearingleden en hun cliënten waarborgt. Als algemeen beginsel moeten verliezen tussen de ctp's, clearingleden en hun cliënten worden verdeeld naargelang hun vermogen om de risico's te beheersen. De bedoeling hiervan is degelijke stimulansen te bieden en te zorgen voor een billijke verliestoewijzing, en daarom moet ook de verliestoewijzing voor niet met wanbetaling verband houdende verliezen evenredig zijn aan de mate van verantwoordelijkheid die de betrokken belanghebbenden dragen. Herstelplannen moeten ervoor zorgen dat het kapitaal van de ctp wordt gebruikt om de eerste verliezen te dekken in gevallen van wanbetaling en nog meer in gevallen van niet-wanbetaling. Er moet worden voorzien in een ruime opvang van de verliezen door de clearingleden voordat instrumenten worden gebruikt die verliezen aan cliënten toewijzen.

(21)

De ctp moet haar herstelplan voorleggen aan de bevoegde autoriteiten en aan het bij Verordening (EU) nr. 648/2012 ingestelde toezichtcollege met het oog op een volledige beoordeling ervan die bij gezamenlijk besluit van het college wordt bereikt. Bij deze beoordeling moet worden nagegaan of het plan allesomvattend is en de levensvatbaarheid van de ctp daadwerkelijk en tijdig kan herstellen, ook in tijden van zware financiële stress.

(22)

Herstelplannen moeten een volledige beschrijving omvatten van de maatregelen die de ctp zou nemen om niet-gematchte bestaande verplichtingen, ongedekte verliezen, liquiditeitstekorten of kapitaalgebrek aan te pakken, alsook van de maatregelen om uitgeputte voorgefinancierde financiële middelen aan te vullen en liquiditeitsregelingen om de levensvatbaarheid van de ctp te herstellen en haar in staat te stellen aan haar vergunningsvereisten te blijven voldoen en moeten daartoe voorzien in een voldoende grote verliesabsorptiecapaciteit. Er moeten alomvattende instrumenten worden ingezet. Elk instrument moet betrouwbaar zijn, snel werken en op een solide rechtsgrondslag stoelen. De herstelinstrumenten moeten passende stimulansen bieden voor ctp's, aandeelhouders, leden en hun cliënten om de risico's te beheersen die zij in het stelsel introduceren of lopen, het nemen en beheersen van risico's door de ctp te bewaken en deel te nemen aan het wanbetalingsbeheer.

(22 bis)

In de herstelplannen moet uitdrukkelijk worden vermeld welke maatregelen door de ctp moeten worden genomen in het geval van cyberaanvallen die potentieel tot een aanzienlijke verslechtering van de financiële situatie ervan kunnen leiden of die het risico inhouden dat de ctp niet kan voldoen aan de prudentiële vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012.

(23)

Ctp's moeten verzekeren dat de plannen niet-discriminerend en evenwichtig zijn met betrekking tot de gevolgen en stimulansen die ze creëren. Ze mogen clearingleden of cliënten niet op onevenredige wijze benadelen. Meer bepaald moeten ctp's er op grond van Verordening (EU) nr. 648/2012 voor zorgen dat hun clearingleden beperkte risicoposities hebben op de ctp. Ze moeten waarborgen dat alle relevante belanghebbenden via hun vertegenwoordiging in het risicocomité van de ctp naargelang het geval worden betrokken bij de opstelling van het herstelplan en naar behoren worden geraadpleegd. Aangezien de standpunten van de belanghebbenden kunnen verschillen, dienen ctp's duidelijke procedures vast te stellen voor het beheer van de diversiteit van standpunten van de belanghebbenden en van eventuele belangenconflicten tussen belanghebbenden en de ctp.

(23 bis)

Ctp's moeten ervoor zorgen dat cliënten van niet in gebreke blijvende clearingleden een passende compensatie ontvangen indien in het kader van het herstelproces een beroep wordt gedaan op hun activa.

(24)

Gezien het mondiale karakter van de door ctp's bediende markten moet ervoor worden gezorgd dat een ctp waar nodig de herstelmogelijkheden kan toepassen op contracten of activa die vallen onder wetgeving van een derde land, of op in derde landen gevestigde entiteiten. Daarom moeten de werkingsregels van de ctp contractuele bepalingen omvatten om dit te waarborgen .

(25)

Wanneer een ctp geen deugdelijk herstelplan voorlegt, moeten de bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat de ctp de nodige maatregelen neemt om de wezenlijke tekortkomingen van het plan te verhelpen met het oog op de versterking van de bedrijfsactiviteit van de ctp en om te verzekeren dat zij haar kapitaal kan herstellen of haar portefeuille bij een faillissement kan matchen. Dat moet de bevoegde autoriteiten in staat stellen om preventieve maatregelen te treffen in de mate die nodig is om tekortkomingen aan te pakken en aldus de doelstelling van financiële stabiliteit te verwezenlijken.

(25 bis)

Wanneer een ctp in herstel bij niet in gebreke blijvende clearingleden en hun cliënten instrumenten voor positie- en verliestoewijzing heeft toegepast, die verder gaan dan de trapsgewijze dekking van verliezen uit Verordening (EU) nr. 648/2012, en afwikkeling daardoor is vermeden, moet de bevoegde autoriteit, zodra de gematchte portefeuille is hersteld, de ctp kunnen verplichten om de door de deelnemers geleden schade te vergoeden via betalingen in contanten of, waar passend, de ctp kunnen verplichten om eigendomsinstrumenten in de toekomstige winsten van de ctp uit te geven.

(26)

Afwikkelingsplanning is een essentieel onderdeel van een doeltreffende afwikkeling. De plannen moeten door de afwikkelingsautoriteit van de ctp worden opgesteld en door de betrokken autoriteiten van het afwikkelingscollege gezamenlijk worden overeengekomen. De autoriteiten moeten over alle informatie beschikken die nodig is om te bepalen welke de kritieke functies zijn en de voortzetting ervan te garanderen. De werkingsregels van de ctp die contractueel worden overeengekomen met clearingleden, moeten bepalingen bevatten die de afwikkelingsmaatregelen van de afwikkelingsautoriteiten afdwingbaar maken, met inbegrip van cash calls bij afwikkeling.

(27)

Afwikkelingsautoriteiten moeten, op basis van de beoordeling van de afwikkelbaarheid, de bevoegdheid hebben om, direct of indirect via de bevoegde autoriteit, wijzigingen in de juridische structuur en organisatie van ctp's te eisen, maatregelen te nemen die noodzakelijk en evenredig zijn om wezenlijke belemmeringen voor het gebruik van afwikkelingsinstrumenten te beperken of weg te nemen en de afwikkelbaarheid van de betrokken entiteiten te waarborgen.

(28)

In het geval van afwikkelingsplannen en beoordelingen van de afwikkelbaarheid is de noodzaak om snelle herstructureringsmaatregelen te nemen om de kritieke functies van een ctp te waarborgen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, belangrijker dan routineuze toezichtactiviteiten. Bij een verschil van mening tussen de leden van het afwikkelingscollege over besluiten die moeten worden genomen met betrekking tot het afwikkelingsplan van de ctp, de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de ctp en het besluit om belemmeringen hiervoor weg te nemen, moet de ESMA overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 als bemiddelaar optreden. Dergelijke bindende bemiddeling door de ESMA moet niettemin worden voorbereid en door een intern comité van de ESMA worden getoetst, gezien de bevoegdheden van de ESMA-leden om voor financiële stabiliteit te zorgen en toezicht te houden op de clearingleden in verschillende lidstaten. Sommige uit hoofde van de EBA-verordening bevoegde autoriteiten moeten worden uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen in het intern comité van de ESMA aangezien deze autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 2014/59/EU soortgelijke taken uitvoeren. Dergelijke bindende bemiddeling moet de mogelijkheid tot niet-bindende bemiddeling overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 in andere gevallen onverlet laten.

(29)

▌ Afhankelijk van de structuur van de groep waarvan de ctp deel uitmaakt, kan het nodig zijn in het herstelplan voor de ctp de voorwaarden op te nemen waaronder vrijwillige contractuele of andere bindende afspraken, zoals concerngaranties, zeggenschapsovereenkomsten en overeenkomsten inzake winstpooling of andere vormen van operationele ondersteuning door een moederonderneming of een andere groepsentiteit aan een ctp van dezelfde groep van toepassing worden . Transparantie over dergelijke regelingen zou de risico's beperken voor de liquiditeit en de solvabiliteit van de groepsentiteit die steun verleent aan een ctp in financiële moeilijkheden. Elke wijziging in deze regelingen moet ten behoeve van de beoordeling van het herstelplan als een wezenlijke wijziging worden beschouwd.

(30)

Gezien het gevoelige karakter van de informatie in de herstel- en afwikkelingsplannen moeten deze plannen aan passende vertrouwelijkheidsvoorschriften voldoen.

(31)

De bevoegde autoriteiten moeten de herstelplannen en alle wijzigingen daarvan meedelen aan de betrokken afwikkelingsautoriteiten, en de laatstgenoemde moeten de afwikkelingsplannen en alle wijzigingen daarvan meedelen aan de bevoegde autoriteiten, zodat alle betrokken autoriteiten steeds volledig op de hoogte worden gehouden.

(32)

Ter vrijwaring van de financiële stabiliteit is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten de verslechterende financiële en economische situatie van een ctp kunnen verhelpen voordat de ctp het punt bereikt waarop de autoriteiten geen andere mogelijkheid meer hebben dan deze af te wikkelen, of de ctp op een andere koers kunnen brengen wanneer haar maatregelen de algehele financiële stabiliteit kunnen bedreigen. Daarom moeten aan de bevoegde autoriteiten bevoegdheden tot vroegtijdige interventie worden verleend ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of voor de belangen van cliënten die de toepassing van bepaalde maatregelen door de ctp met zich mee kan brengen. Deze bevoegdheden moeten aan de bevoegde autoriteiten worden verleend in aanvulling op de bevoegdheden die ze overeenkomstig het nationale recht van een lidstaat of op grond van Verordening (EU) nr. 648/2012 hebben ontvangen voor andere omstandigheden dan vroegtijdige interventie. De bevoegdheden tot vroegtijdige interventie behelzen de bevoegdheid om het vergoeden van kapitaal en als kapitaal aangemerkte instrumenten te beperken of te verbieden voor zover dat mogelijk is zonder onmiddellijk tot wanbetaling te leiden, met inbegrip van dividenduitkeringen en terugkopen door de ctp, en maken het mogelijk betalingen van variabele beloningen overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en EBA-richtsnoer EBA/GL/2015/22, discretionaire pensioenen of vertrekvergoedingen aan het management te beperken, verbieden of bevriezen.

(33)

Tijdens de stadia van herstel en vroegtijdige interventie moeten de aandeelhouders hun rechten volledig behouden. Zij verliezen deze rechten wanneer de ctp eenmaal in staat van afwikkeling verkeert. Het vergoeden van kapitaal en als kapitaal aangemerkte instrumenten, met inbegrip van dividenduitkeringen en terugkopen door de ctp, moet in het herstelstadium in de mate van het mogelijke worden beperkt of verboden.

(34)

Het afwikkelingskader moet voorzien in tijdige afwikkeling vooraleer een ctp insolvent wordt verklaard. Een ctp moet worden geacht te failleren of waarschijnlijk te failleren wanneer zij de vereisten om haar vergunning te behouden overtreedt of het waarschijnlijk is dat zij deze in de nabije toekomst zal overtreden, wanneer het herstel haar niet opnieuw levensvatbaar heeft gemaakt, wanneer de activa van de ctp geringer zijn of waarschijnlijk in de nabije toekomst geringer zullen zijn dan haar passiva, wanneer de ctp niet in staat is of waarschijnlijk in de nabije toekomst niet in staat zal zijn haar schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden, of wanneer de ctp openbare financiële steun nodig heeft. Dat een ctp niet voldoet aan alle vergunningsvoorwaarden is op zich echter geen grond voor afwikkeling. Met het oog op tijdige afwikkeling mag een besluit van een afwikkelingsautoriteit om de overgang van herstel naar afwikkeling te versnellen alleen op inhoudelijke gronden worden aangevochten als dit besluit willekeurig en onredelijk was wanneer het werd genomen, op basis van de op dat moment beschikbare informatie.

(35)

Het feit dat een ctp noodliquiditeitssteun van een centrale bank ontvangt, indien een dergelijke faciliteit beschikbaar is, mag op zich geen omstandigheid zijn die aantoont dat de ctp niet in staat is of in de nabije toekomst niet in staat zal zijn aan haar verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden. Om de financiële stabiliteit te vrijwaren, met name in het geval van een systemisch liquiditeitstekort, mogen staatsgaranties met betrekking tot liquiditeitsfaciliteiten van centrale banken, dan wel staatsgaranties met betrekking tot nieuwe verplichtingen teneinde een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat te verhelpen, geen aanleiding geven tot activering van het afwikkelingskader, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan.

(36)

Wanneer een ctp aan de voorwaarden voor afwikkeling voldoet, moet de afwikkelingsautoriteit van de ctp beschikken over een geharmoniseerd geheel van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden. Het gebruik daarvan moet gebonden zijn aan gemeenschappelijke voorwaarden, doelstellingen en algemene beginselen. Het gebruik van aanvullende instrumenten en bevoegdheden door afwikkelingsautoriteiten moet stroken met de afwikkelingsbeginselen en -doelstellingen. Het gebruik van deze instrumenten en bevoegdheden mag in het bijzonder geen afbreuk doen aan de doeltreffende afwikkeling van grensoverschrijdende groepen. Gezien de doelstelling om het gebruik van openbare middelen in de mate van het mogelijke te vermijden en aangezien het moeilijk te voorspellen is in welke ernstige crisis de afwikkelingsautoriteit precies maatregelen zal moeten nemen, mag geen enkel afwikkelingsinstrument vooraf worden uitgesloten. Teneinde moreel risico aan te pakken en de belastingbetaler beter te beschermen, dienen de bevoegde autoriteiten vooraf duidelijke en omvattende maatregelen vast te stellen om deze middelen voor zover mogelijk terug te vorderen van de clearingdeelnemers.

(37)

De afwikkeling moet voornamelijk tot doel hebben de continuïteit van kritieke functies te waarborgen, negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te voorkomen en overheidsmiddelen te beschermen ▌.

(38)

De kritieke functies van een faillerende ctp moeten worden gehandhaafd, weliswaar in geherstructureerde vorm met — waar passend — wijzigingen in het management, door het gebruik van afwikkelingsinstrumenten als going concern waarbij zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van particuliere middelen. Dit doel kan worden verwezenlijkt door middel van verkoop van de ctp aan of fusie ervan met een solvabele derde partij, of door herstructurering of afschrijving van de contracten en verplichtingen van de ctp via de toewijzing van verliezen en de overdracht van posities van het in gebreke gebleven lid naar niet in gebreke blijvende leden, of door een herkapitalisatie van de ctp via afschrijving van haar aandelen of afschrijving en omzetting van haar schuld in eigen vermogen . Overeenkomstig de doelstelling om de kritieke functies van de ctp te handhaven en alvorens de hierboven beschreven maatregelen te nemen, moet de afwikkelingsautoriteit overwegen bestaande en uitstaande contractuele verplichtingen van de ctp , waaronder in het bijzonder contractuele verplichtingen van clearingleden om aan cash calls te voldoen of om posities van in gebreken gebleven clearingleden in te nemen, zij het via een veiling of overeenkomstig een andere in de werkingsregels van de ctp overeengekomen regeling, en bestaande en uitstaande contractuele verplichtingen die andere partijen dan clearingleden verplichten tot enige vorm van financiële steun, te doen nakomen. De afwikkelingsautoriteit moet ervoor zorgen dat deze contractuele verplichtingen worden nagekomen overeenkomstig de wijze waarop deze zouden worden gehonoreerd in het kader van een normale insolventieprocedure.

(39)

Snel en kordaat optreden is vereist om het marktvertrouwen in stand te houden en besmetting zoveel mogelijk te beperken. Wanneer aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan, mag de afwikkelingsautoriteit van de ctp niet talmen met het nemen van passende en gecoördineerde afwikkelingsmaatregelen in het algemeen belang. Het faillissement van een ctp kan plaatsvinden onder omstandigheden die een onmiddellijk optreden van de bevoegde afwikkelingsautoriteit vereisen. Daarom moet die autoriteit afwikkelingsmaatregelen kunnen nemen ondanks de uitvoering van herstelmaatregelen door de ctp of zonder eerst de bevoegdheden tot vroegtijdige interventie te moeten uitoefenen.

(40)

Wanneer zij afwikkelingsmaatregelen neemt, moet de afwikkelingsautoriteit van de ctp rekening houden met en gevolg geven aan de maatregelen waarin de afwikkelingsplannen voorzien en die tot stand zijn gekomen in het afwikkelingscollege, tenzij de afwikkelingsautoriteit, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat de doelstellingen op doeltreffender wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen waarin de afwikkelingsplannen niet voorzien. De afwikkelingsautoriteit stelt het afwikkelingscollege onmiddellijk in kennis van de afwikkelingsmaatregelen die zij voornemens is te nemen, met name indien deze maatregelen afwijken van het plan.

(41)

Er mag enkel in eigendomsrechten worden ingegrepen indien dat in verhouding staat tot het risico voor de financiële stabiliteit. Afwikkelingsinstrumenten dienen daarom alleen te worden toegepast op ctp's die voldoen aan de voorwaarden voor afwikkeling, vooral wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het openbaar belang na te streven. Aangezien afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden de rechten van aandeelhouders, clearingleden, hun cliënten en ruimere schuldeisers kunnen aantasten, mogen afwikkelingsmaatregelen enkel worden genomen wanneer het openbaar belang dit vereist en moet elke aantasting van deze rechten verenigbaar zijn met het Handvest. Met name wanneer schuldeisers die tot dezelfde categorie behoren, in het kader van een afwikkelingsmaatregel anders behandeld worden, moeten dergelijke verschillen door het algemeen belang worden gerechtvaardigd en evenredig zijn met de te voorkomen risico's, en mag direct noch indirect onderscheid worden gemaakt op grond van nationaliteit.

(42)

Getroffen aandeelhouders, clearingleden en schuldeisers mogen geen grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij zouden hebben geleden indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen ten aanzien van de ctp en zij in plaats daarvan zouden zijn onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp of andere regelingen in haar werkingsregels of indien de ctp volgens normale insolventieprocedures was geliquideerd. In geval van een gedeeltelijke overdracht van activa van een ctp in afwikkeling aan een particuliere koper of aan een overbruggings-ctp, moet het resterende deel van de ctp in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure worden geliquideerd.

(43)

Ter bescherming van het recht van aandeelhouders, ▌ schuldeisers , clearingleden en hun cliënten moeten er duidelijke verplichtingen betreffende de waardering van de activa en de passiva van de ctp worden vastgesteld en betreffende de waardering van de behandeling die deze partijen zouden hebben genoten indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen. Het moet mogelijk zijn om reeds tijdens de herstelfase met een dergelijke waardering te beginnen. Voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen, moet er een eerlijke en realistische waardering van de activa en de passiva van de ctp worden uitgevoerd , met inbegrip van een bepaling van de prijs tegen welke contracten van de ctp zouden worden beëindigd, waarbij rekening moet worden gehouden met de marktvolatiliteit en de liquiditeitssituatie op de markt ten tijde van de afwikkeling . Een dergelijke waardering dient vatbaar te zijn voor beroep maar alleen samen met het afwikkelingsbesluit. Daarnaast zou er, in sommige gevallen, na toepassing van de afwikkelingsinstrumenten een vergelijking moeten worden gemaakt tussen de behandeling die aandeelhouders, schuldeisers , clearingleden en hun cliënten daadwerkelijk hebben genoten en de behandeling die zij zouden hebben genoten indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen ten aanzien van de ctp en zij in plaats daarvan waren onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp of andere regelingen in haar werkingsregels of normale insolventieprocedures , rekening houdend met alle waarschijnlijke nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust . Wanneer aandeelhouders, schuldeisers , clearingleden en hun cliënten ter betaling van of als compensatie voor hun vorderingen minder hebben ontvangen dan het bedrag dat zij zouden hebben ontvangen indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen ten aanzien van de ctp en zij in plaats daarvan waren onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp of andere regelingen in haar werkingsregels , rekening houdend met alle waarschijnlijke nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust , moeten zij in bepaalde gevallen aanspraak kunnen maken op de betaling van het verschil. Bij de berekening van het bedrag dat zij zouden hebben ontvangen, mag niet worden uitgegaan van de toewijzing van openbare financiële steun. Anders dan bij de waardering die vóór de afwikkelingsmaatregel plaatsvindt, moet het mogelijk zijn deze vergelijking los van het afwikkelingsbesluit te betwisten. De lidstaten dienen vrij te kunnen beslissen over de procedure om aandeelhouders, schuldeisers , clearingleden en hun cliënten te vergoeden voor alle vastgestelde verschillen in behandeling.

(44)

Met het oog op een doeltreffende afwikkeling moet het waarderingsproces de toe te wijzen verliezen zo nauwkeurig mogelijk bepalen zodat de ctp opnieuw een gematchte portefeuille van uitstaande posities kan vaststellen en lopende betalingsverplichtingen kan nakomen. De waardering van de activa en passiva van een faillerende ctp moet berusten op eerlijke, prudente en realistische aannamen op het moment dat de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast. De financiële toestand van de ctp mag echter geen gevolgen hebben voor de waardering van de passiva. In spoedeisende situaties moeten afwikkelingsautoriteiten een snelle waardering van de activa of passiva van een faillerende ctp kunnen uitvoeren. Deze waardering dient voorlopig te zijn en te gelden totdat er een onafhankelijke waardering is uitgevoerd.

(45)

Bij de start van de afwikkeling moet de afwikkelingsautoriteit ervoor zorgen dat alle uitstaande contractuele verplichtingen van de ctp, de clearingleden en andere tegenpartijen , zoals beschreven in de werkingsregels van de ctp, met inbegrip van uitstaande herstelmaatregelen, worden nagekomen, tenzij het passender is een andere afwikkelingsbevoegdheid of ander afwikkelingsinstrument te gebruiken om negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te matigen of om de kritieke functies van de ctp tijdig zeker te stellen. Verliezen moeten ▌ door wettelijke kapitaalinstrumenten worden opgevangen en op aandeelhouders worden verhaald, ofwel door de intrekking of overdracht van eigendomsinstrumenten, ofwel door ernstige verwatering , rekening houdend met verliezen die moeten worden opgevangen door uitstaande verplichtingen ten aanzien van de ctp te doen nakomen . Wanneer deze instrumenten niet volstaan, moeten de afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om ongedekte schuld en ongedekte passiva af te schrijven, voor zover noodzakelijk, zonder afbreuk te doen aan de bredere financiële stabiliteit, in overeenstemming met hun rangorde op grond van het toepasselijke nationale insolventierecht.

(46)

Ingeval de uitvoering van herstelmaatregelen door de ctp de verliezen niet heeft beperkt en het evenwicht niet heeft hersteld, in de vorm van een gematchte portefeuille van uitstaande posities of volledig aangevulde voorgefinancierde middelen, of wanneer de afwikkelingsautoriteit heeft bepaald dat de uitvoering van deze maatregelen door de ctp nadelig zou zijn voor de financiële stabiliteit, moet de autoriteit haar bevoegdheid tot verlies- en positietoewijzing aanwenden om de uitstaande verliezen toe te wijzen, de ctp weer in evenwicht te brengen en de vereiste voorgefinancierde middelen aan te vullen, hetzij door de instrumenten in de werkingsregels van de ctp te blijven gebruiken, hetzij via andere maatregelen.

(47)

Afwikkelingsautoriteiten moeten er ook voor zorgen dat de kosten voor de afwikkeling van de ctp tot een minimum worden beperkt en dat schuldeisers uit dezelfde categorie op gelijkwaardige wijze worden behandeld. Wanneer schuldeisers uit dezelfde categorie in het kader van een afwikkelingsmaatregel verschillend worden behandeld, moeten deze verschillen door het openbaar belang worden gerechtvaardigd en mogen zij direct noch indirect discriminerend zijn op grond van nationaliteit of enige andere grond.

(48)

De herstel- en afwikkelingsinstrumenten moeten maximaal worden ingezet voordat er van een kapitaalinjectie vanuit de publieke sector of van vergelijkbare openbare financiële steun aan een ctp sprake kan zijn. Openbare financiële steun voor de afwikkeling van faillerende instellingen moet in overeenstemming zijn met de toepasselijke staatssteunregels en moet als laatste redmiddel worden beschouwd .

(49)

Een doeltreffende afwikkelingsregeling moet de kosten van de afwikkeling van een faillerende ctp die door de belastingbetalers worden gedragen, zoveel mogelijk beperken. Zij dient er voor te zorgen dat ctp's kunnen worden afgewikkeld zonder dat daardoor de financiële stabiliteit in het gedrang komt. De instrumenten voor verlies- en positietoewijzing moeten die doelstelling bereiken door ervoor te zorgen dat aandeelhouders en tegenpartijen onder de schuldeisers van de faillerende ctp passende verliezen lijden en een passend deel van die uit het afwikkelingsproces voortvloeiende kosten dragen. De instrumenten voor verlies- en positietoewijzing moeten aandeelhouders en tegenpartijen van een ctp dus een grotere stimulus bieden om toe te zien op de gezondheid van een ctp in normale omstandigheden overeenkomstig de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit21.

(50)

Om ervoor te zorgen dat afwikkelingsautoriteiten de nodige flexibiliteit hebben om in diverse omstandigheden verliezen aan tegenpartijen en posities toe te wijzen, is het passend dat deze autoriteiten eerst de instrumenten voor verlies- en positietoewijzing kunnen toepassen wanneer het de bedoeling is de kritieke clearingdiensten van de ctp in afwikkeling te handhaven, en deze kritieke diensten vervolgens, indien nodig, kunnen overdragen aan een overbruggings-ctp of een derde partij , terwijl het resterende deel van de ctp zijn activiteiten staakt en wordt geliquideerd.

(51)

Indien de instrumenten voor verlies- en positietoewijzing worden toegepast met de bedoeling de levensvatbaarheid van de faillerende ctp te herstellen zodat deze als going concern actief kan blijven, moet de afwikkeling vergezeld gaan van een vervanging van het management ▌ en van een daarop aansluitende zodanige herstructurering van de ctp en haar activiteiten dat de redenen voor het faillissement worden aangepakt. Deze herstructurering moet plaatsvinden aan de hand van een bedrijfssaneringsplan ▌.

(52)

De instrumenten voor verlies- en positietoewijzing moeten worden toegepast met het oog op het rematchen van de ctp-portefeuille, het beperken van verdere verliezen en het verkrijgen van extra middelen om bij te dragen aan de herkapitalisatie van de ctp en de aanvulling van haar voorgefinancierde middelen. Om ervoor te zorgen dat ze effectief zijn en hun doel bereiken, moeten deze instrumenten kunnen worden toegepast op een zo breed mogelijke waaier aan contracten die ongedekte verplichtingen of een niet-gematchte portefeuille creëren voor de faillerende ctp. Ze moeten voorzien in de mogelijkheid om de posities van wanbetalers te veilen onder de overige clearingleden, ▌ een haircut toe te passen op ▌ uitgaande betalingen van variatiemargin aan die leden en hun cliënten , alle in herstelplannen opgenomen uitstaande cash calls uit te oefenen, aanvullende cash calls bij afwikkeling uit te oefenen die in de werkingsregels van de ctp specifiek zijn bestemd voor de afwikkelingsautoriteit en door de ctp uitgegeven kapitaal- en schuldinstrumenten of andere niet-gedekte verplichtingen af te schrijven en schuldinstrumenten in aandelen om te zetten. Indien dit noodzakelijk wordt geacht om de afwikkelingsdoelstellingen tijdig, met een minimum aan risico's voor de financiële stabiliteit en zonder het gebruik van openbare middelen te verwezenlijken, moeten de afwikkelingsautoriteiten de contracten van in gebreke blijvende clearingleden, productlijnen en de ctp geheel of gedeeltelijk kunnen verscheuren.

(53)

Rekening houdend met de gevolgen voor de financiële stabiliteit dienen afwikkelingsautoriteiten als laatste redmiddel te overwegen om bepaalde contracten in een aantal omstandigheden slechts gedeeltelijk aan een ▌ verliestoewijzing te onderwerpen . Worden deze instrumenten slechts gedeeltelijk toegepast, dan kan het niveau van verlies of blootstelling voor andere contracten worden aangepast ▌, op voorwaarde dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn dan bij normale insolventieprocedures.

(54)

Indien de afwikkelingsinstrumenten zijn gebruikt om de kritieke functies of levensvatbare bedrijfsactiviteiten van een ctp aan een solide entiteit, zoals een koper uit de particuliere sector of een overbruggings-ctp, over te dragen, moet het resterende deel van de ctp binnen een passend tijdsbestek worden geliquideerd, rekening houdend met de eventuele noodzaak van de faillerende ctp om diensten of ondersteuning te verlenen om de koper of de overbruggings-ctp in staat te stellen de door middel van die overdracht verworven activiteiten of diensten voort te zetten.

(55)

Het instrument van verkoop van de onderneming moet de autoriteit in staat stellen de ctp of bedrijfsonderdelen daarvan aan een of meer kopers te verkopen, zonder toestemming van de aandeelhouders. Wanneer het instrument van verkoop van de onderneming wordt toegepast, dienen de autoriteiten volgens een open, transparante en niet-discriminerende procedure regelingen voor de verkoop van de betrokken ctp of een deel van haar bedrijfsactiviteiten te treffen en tegelijkertijd te streven naar een zo hoog mogelijke verkoopprijs.

(56)

Alle netto-opbrengsten van een overdracht van activa of passiva van de ctp in afwikkeling moeten bij toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming toevallen aan de entiteit in afwikkeling. Alle netto-opbrengsten van de overdracht van door de ctp in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten moeten bij toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming toevallen aan de aandeelhouders. Bij de berekening dienen de uit het faillissement van de ctp en uit het afwikkelingsproces voortvloeiende kosten van de opbrengsten te worden afgetrokken.

(57)

Om tijdig tot de verkoop van de onderneming te kunnen overgaan en de financiële stabiliteit te vrijwaren, moet de beoordeling van de koper van een gekwalificeerde deelneming tijdig gebeuren zodat de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming geen vertraging oploopt.

(58)

Voordat het instrument van verkoop van de onderneming wordt toegepast, zal de informatie die op het op de markt brengen van een faillerende ctp en op de onderhandelingen met potentiële kopers betrekking heeft, waarschijnlijk systeemrelevant zijn. Om de financiële stabiliteit te waarborgen, is het van belang dat de openbaarmaking van dergelijke informatie, zoals vereist bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees parlement en de Raad (6), gedurende de tijd die nodig is om de afwikkeling van de ctp te plannen en structureren, kan worden uitgesteld in overeenstemming met de uitstellen die op grond van de marktmisbruikregeling zijn toegestaan.

(59)

Als een ctp die geheel of gedeeltelijk eigendom is van een of meer overheidsinstanties of onder de zeggenschap van de afwikkelingsautoriteit staat, dient een overbruggings-ctp hoofdzakelijk om ervoor te zorgen dat de essentiële financiële dienstverlening aan de clearingleden en cliënten van de in afwikkeling geplaatste ctp verzekerd blijft en dat de essentiële financiële activiteiten worden voortgezet. De overbruggings-ctp moet als een levensvatbare going concern-entiteit worden geëxploiteerd en zo snel mogelijk weer op de markt worden gebracht wanneer de omstandigheden geschikt zijn, of worden geliquideerd indien zij niet levensvatbaar is.

(60)

Wanneer alle andere opties vrijwel ontbreken of duidelijk ontoereikend zijn om de financiële stabiliteit te vrijwaren, moet overheidsdeelname in de vorm van kapitaalsteun of tijdelijke overheidseigendom mogelijk zijn, overeenkomstig de toepasselijke staatssteunregels, met inbegrip van een herstructurering van de activiteiten van de ctp, en moeten de ingezette middelen na verloop van tijd kunnen worden gerecupereerd van de clearingdeelnemers die van de financiële steun profiteren . Overheidsinstrumenten voor stabilisatie worden gebruikt onverminderd de rol van centrale banken om het financiële stelsel van liquiditeit te voorzien, zelfs in tijden van stress , waartoe zij alleen beslissen en wat niet als waarschijnlijk mag worden beschouwd . De toepassing van die instrumenten moet van tijdelijke aard zijn. Daarom moeten uitvoerige en geloofwaardige regelingen worden vastgesteld die voorzien in de recuperatie van de openbare middelen binnen een passende termijn.

(61)

Opdat een afwikkelingsautoriteit het instrument voor verlies- en positietoewijzing kan toepassen op contracten met in derde landen gevestigde entiteiten moet deze mogelijkheid in de werkingsregels van de ctp worden opgenomen.

(62)

De afwikkelingsautoriteiten moeten alle nodige juridische bevoegdheden hebben die, in diverse combinaties, bij het gebruiken van de afwikkelingsinstrumenten kunnen worden uitgeoefend. Daartoe behoren de bevoegdheid om eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva van een faillerende ctp over te dragen aan een andere entiteit, zoals een andere ctp of een overbruggings-ctp, de bevoegdheid om eigendomsinstrumenten af te schrijven of in te trekken of om passiva van een faillerende ctp af te schrijven of om te zetten, de bevoegdheid om variatiemargin af te schrijven, de bevoegdheid om alle uitstaande verplichtingen van derden ten aanzien van de ctp te doen nakomen, met inbegrip van cash calls bij herstel en afwikkeling, waaronder deze die in de werkingsregels van de ctp zijn beschreven en positietoewijzingen, de bevoegdheid om contracten van de ctp geheel en gedeeltelijk te verscheuren, de bevoegdheid om het management te vervangen en de bevoegdheid om een tijdelijke opschorting van de betaling van schuldvorderingen op te leggen. De ctp en de leden van de raad en het hoger management moeten, krachtens het recht van de lidstaat, op grond van het burgerlijk of het strafrecht aansprakelijk blijven wegens hun verantwoordelijkheid voor het faillissement van de ctp.

(63)

Het afwikkelingskader moet procedurele vereisten omvatten om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsmaatregelen naar behoren worden gemeld en openbaar worden gemaakt. Aangezien de informatie die de afwikkelingsautoriteiten en hun professionele adviseurs tijdens de afwikkelingsprocedure verkrijgen naar alle waarschijnlijkheid gevoelig is, moet vóór de openbaarmaking van het afwikkelingsbesluit voor deze informatie evenwel een effectieve geheimhoudingsplicht gelden. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat informatie over de inhoud en de details van herstel- en afwikkelingsplannen en de resultaten van de beoordeling van deze plannen verregaande gevolgen kan hebben, in het bijzonder voor de betrokken ondernemingen. Alle informatie die met betrekking tot een besluit wordt verstrekt voordat het besluit wordt genomen, bijvoorbeeld over de vraag of aan de voorwaarden voor afwikkeling wordt voldaan, over het gebruik van een bepaald instrument of over een maatregel in de loop van de procedure, moet worden verondersteld gevolgen te hebben voor de openbare en particuliere belangen die bij de maatregel betrokken zijn. Alleen al de informatie dat de afwikkelingsautoriteit een bepaalde ctp aan het onderzoeken is, kan echter al negatieve gevolgen voor die ctp hebben. Daarom moet worden voorzien in passende mechanismen om dergelijke informatie, zoals de inhoud en de details van herstel- en afwikkelingsplannen en de resultaten van een beoordeling in dat verband, vertrouwelijk te houden.

(64)

De afwikkelingsautoriteiten moeten aanvullende bevoegdheden hebben om de effectiviteit van de overdracht van eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten en activa, rechten en passiva te garanderen. Behoudens de waarborgen moeten tot die bevoegdheden behoren: de bevoegdheid om rechten van derden die uit de overgedragen instrumenten of activa voortvloeien te annuleren en de bevoegdheid om contracten te doen naleven en de bevoegdheid om de continuïteit van regelingen ten aanzien van de ontvanger van de overgedragen activa en eigendomsinstrumenten te waarborgen. Er mag echter geen afbreuk worden gedaan aan de rechten van werknemers om een arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het recht van een partij om een contract met een ctp in afwikkeling of een groepsentiteit van die ctp te beëindigen om andere redenen dan de afwikkeling van de faillerende ctp, moet onverlet worden gelaten. De afwikkelingsautoriteiten moeten ook de aanvullende bevoegdheid hebben om van de rest-ctp, die volgens normale insolventieprocedures wordt geliquideerd, te verlangen dat deze de diensten verricht die nodig zijn om de ctp waaraan activa, contracten of eigendomsinstrumenten uit hoofde van de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggings-ctp zijn overgedragen, in staat te stellen haar bedrijfsactiviteiten uit te voeren.

(65)

Overeenkomstig artikel 47 van het Handvest hebben de betrokken partijen recht op een eerlijk proces en op een doeltreffende voorziening in rechte tegen de maatregelen die op hen van invloed zijn. De besluiten die door de afwikkelingsautoriteiten worden genomen, moeten derhalve vatbaar zijn voor beroep op inhoudelijke gronden als het besluit willekeurig en onredelijk was wanneer het werd genomen, op basis van de op dat moment beschikbare informatie .

(66)

De afwikkelingsmaatregelen van de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen economische beoordelingen en een ruime beoordelingsmarge vergen. De nationale afwikkelingsautoriteiten beschikken specifiek over de nodige deskundigheid om deze beoordelingen te maken en om over het juiste gebruik van de beoordelingsmarge te beslissen. Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat de economische beoordelingen die de nationale afwikkelingsautoriteiten in dit verband maken, door de nationale rechtbanken worden gebruikt wanneer zij de betrokken crisisbeheersingsmaatregelen evalueren.

(67)

Om op bijzonder spoedeisende situaties te kunnen reageren, en daar de opschorting van een besluit van de afwikkelingsautoriteiten de continuïteit van kritieke functies kan belemmeren, moet worden bepaald dat de indiening van een beroep niet tot een automatische opschorting van de gevolgen van het betwiste besluit mag leiden, en dat het besluit van de afwikkelingsautoriteit onmiddellijk uitvoerbaar moet zijn.

(68)

Om in voorkomend geval derden te beschermen die te goeder trouw activa, contracten, rechten en passiva van de ctp in afwikkeling hebben verkregen uit hoofde van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden door de autoriteiten en om de stabiliteit van de financiële markten te waarborgen, moet voorts het recht op beroep alle latere bestuurlijke handelingen of transacties die zijn gesloten op grond van een nietig verklaard besluit, onverlet laten. In dergelijke gevallen dienen de rechtsmiddelen ten aanzien van een onrechtmatig besluit derhalve beperkt te blijven tot de toekenning van schadevergoeding aan de getroffen personen.

(69)

Aangezien afwikkelingsmaatregelen soms dringend zijn wegens ernstige risico's voor de financiële stabiliteit in de lidstaten en de Unie, moeten een procedure onder nationaal recht betreffende het verzoek om voorafgaande rechterlijke goedkeuring en de beoordeling van het verzoek door de rechtbank snel verlopen. Dit doet geen afbreuk aan het eventuele recht van belanghebbende partijen om, binnen een beperkte termijn nadat de afwikkelingsautoriteit de crisisbeheersingsmaatregel heeft genomen, bij de rechtbank een verzoek tot nietigverklaring van het besluit in te dienen.

(70)

In het belang van een efficiënte afwikkeling en om rechtsbevoegdheidsconflicten te voorkomen mag geen normale insolventieprocedure ten aanzien van de faillerende ctp worden geopend of voortgezet zolang de afwikkelingsautoriteit haar afwikkelingsbevoegdheden uitoefent of de afwikkelingsinstrumenten gebruikt, behalve op initiatief of met instemming van de afwikkelingsautoriteit. Het is nuttig en noodzakelijk om bepaalde contractuele verplichtingen gedurende een beperkte periode op te schorten om de afwikkelingsautoriteit de tijd te geven de afwikkelingsinstrumenten in de praktijk te brengen. Dit dient echter niet te gelden voor verplichtingen van een faillerende ctp jegens systemen die krachtens Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad23 zijn aangewezen, waaronder andere ctp's en centrale banken. Richtlijn 98/26/EG beperkt het risico dat aan deelname aan betalings- en afwikkelingssystemen is verbonden, met name door de verstoring ten gevolge van de insolventie van een deelnemer in het systeem te beperken. Om ervoor te zorgen dat deze bescherming ook in crisissituaties naar behoren werkt en de exploitanten van betalings- en afwikkelingssystemen en andere marktdeelnemers over de nodige zekerheid blijven beschikken, mag een crisispreventie- of afwikkelingsmaatregel niet worden beschouwd als een insolventieprocedure in de zin van Richtlijn 98/26/EG, mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract wordt voldaan. De werking van krachtens Richtlijn 98/26/EG aangewezen systemen of het recht op zakelijke zekerheden krachtens diezelfde richtlijn mag niet worden ondermijnd.

(71)

Teneinde de afwikkelingsautoriteiten bij het overdragen van de activa en passiva aan een koper uit de particuliere sector of een overbruggings-ctp een voldoende termijn te gunnen om na te gaan welke contracten moeten worden overgedragen, kan het raadzaam zijn om evenredige beperkingen in te stellen op de rechten van tegenpartijen om financiële contracten voortijdig, versneld of anderszins te beëindigen voordat de overdracht heeft plaatsgevonden. Een dergelijke beperking zou nodig zijn om de autoriteiten de gelegenheid te bieden een goed beeld te krijgen van de balans van de faillerende ctp, zonder de wijzigingen in waarde en bereik die grootschalige uitoefening van beëindigingsrechten met zich mee zou brengen. Om zo weinig mogelijk in te grijpen in de contractuele rechten van tegenpartijen mag de beperking van de beëindigingsrechten alleen worden toegepast met betrekking tot de crisispreventiemaatregel of de afwikkelingsmaatregel, daaronder begrepen een gebeurtenis die rechtstreeks met de toepassing van een dergelijke maatregel verband houdt, en moeten beëindigingsrechten die voortvloeien uit een andere wanbetaling, zoals onder meer het niet betalen of niet bijstorten bij onvoldoende margin, blijven bestaan.

(72)

Om legitieme kapitaalmarktregelingen te behouden in het geval van een overdracht van sommige, maar niet alle activa, contracten, rechten en passiva van een faillerende ctp, is het raadzaam in waarborgen te voorzien om te voorkomen dat gekoppelde verplichtingen, rechten en contracten in voorkomend geval worden gesplitst. Een dergelijke beperking op selectiepraktijken met betrekking tot gekoppelde contracten en gerelateerde zekerheden moet ook gelden voor contracten met dezelfde tegenpartij die gedekt zijn door zekerheidsregelingen, financiëlezekerheidsovereenkomsten die tot overdracht van eigendom/gerechtigdheid leiden, salderingsovereenkomsten, overeenkomsten tot saldering bij vroegtijdige beëindiging en gestructureerde financieringsregelingen. Ingeval de waarborg van toepassing is, moeten de afwikkelingsautoriteiten ernaar streven alle gekoppelde contracten binnen een beschermde regeling over te dragen of ze allemaal bij de faillerende rest-ctp te laten. Deze waarborgen moeten garanderen dat de kapitaalvereisten die, wat de toepassing van Richtlijn 2013/36/EU betreft, gelden voor door een verrekeningsovereenkomst gedekte posities, maximaal onverlet worden gelaten.

(73)

Ctp's uit de EU verlenen diensten aan clearingleden en cliënten die gevestigd zijn in derde landen en ctp's uit derde landen verlenen diensten aan clearingleden en cliënten die in de EU zijn gevestigd. Een doeltreffende afwikkeling van internationaal actieve ctp's vereist samenwerking tussen de lidstaten en de autoriteiten van derde landen. Daartoe moet de ESMA richtsnoeren verstrekken inzake de relevante inhoud van met autoriteiten van derde landen te treffen samenwerkingsregelingen. Die samenwerkingsregelingen moeten zorgen voor een doeltreffende planning, besluitvorming en coördinatie ten aanzien van internationaal actieve ctp's. De nationale afwikkelingsautoriteiten moeten de afwikkelingsprocedures van derde landen erkennen en doen naleven in bepaalde omstandigheden. Ook met betrekking tot dochterondernemingen van ctp's uit de Unie of derde landen en hun clearingleden en cliënten is samenwerking vereist.

(74)

Om te zorgen voor consistente harmonisatie en afdoende bescherming voor marktdeelnemers in de hele Unie moet de Commissie door de ESMA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vaststellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, tot nadere bepaling van de inhoud van de schriftelijke regelingen en procedures voor de werking van de afwikkelingscolleges, de inhoud van afwikkelingsplannen en elementen die relevant zijn voor het uitvoeren van waarderingen.

(75)

De Commissie moet de overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 648/2012 ingestelde clearingverplichting kunnen opschorten naar aanleiding van een verzoek van de afwikkelingsautoriteit van een ctp in afwikkeling of de bevoegde autoriteit van een clearinglid van een ctp in afwikkeling, en na een niet-bindend advies van de ESMA, voor bepaalde categorieën otc-derivaten die door een ctp in afwikkeling worden gecleard. Er mag enkel tot opschorting worden besloten indien dat noodzakelijk is om de financiële stabiliteit en het vertrouwen van de markten te bewaren, met name om besmettingseffecten te vermijden en om hoge en onzekere risicoblootstellingen van tegenpartijen en beleggers aan een ctp te voorkomen. Om een besluit te kunnen nemen, moet de Commissie rekening houden met de afwikkelingsdoelstellingen en de in Verordening (EU) nr. 648/2012 genoemde criteria om de clearingverplichting toe te passen op otc-derivaten waarvoor opschorting is aangevraagd. De opschorting moet tijdelijk zijn en kan worden verlengd. Ook de rol van het risicocomité van de ctp, zoals beschreven in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 648/2012, moet worden uitgebreid om de ctp te blijven aanmoedigen haar risico's behoedzaam te beheren en haar veerkracht te verbeteren. De leden van het risicocomité moeten de bevoegde autoriteit kunnen informeren wanneer de ctp geen gevolg geeft aan het advies van het risicocomité, en vertegenwoordigers van de clearingleden en cliënten in het risicocomité moeten de verstrekte informatie kunnen gebruiken om hun blootstellingen aan de ctp te volgen, in overeenstemming met de vertrouwelijkheidsgaranties. Ten slotte moeten de afwikkelingsautoriteiten van ctp's ook toegang hebben tot alle noodzakelijke informatie in transactieregisters. Verordening (EU) nr. 648/2012 en Verordening (EU) nr. 2365/2015 van het Europees Parlement en de Raad (7) moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(76)

Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsautoriteiten van ctp' in alle relevante fora zijn vertegenwoordigd en dat de ESMA toegang heeft tot alle expertise die noodzakelijk is voor het vervullen van de taken in verband met herstel en afwikkeling van ctp's, moet Verordening (EU) nr. 1095/2010 worden gewijzigd om nationale afwikkelingsautoriteiten van ctp's op te nemen in het concept van bevoegde autoriteiten uit hoofde van die verordening.

(77)

De ESMA moet ter voorbereiding van de besluiten met betrekking tot de haar toegewezen taken, namelijk de ontwikkeling van ontwerpen van technische normen voor waarderingen vooraf en achteraf en voor afwikkelingscolleges en afwikkelingsplannen, en van richtsnoeren inzake de voorwaarden voor afwikkeling en bindende bemiddeling, en om ervoor te zorgen dat de EBA en haar leden intens betrokken worden bij de voorbereiding van deze besluiten, een intern afwikkelingscomité oprichten waarin de bevoegde autoriteiten van de EBA in voorkomend geval worden uitgenodigd om deel te nemen als waarnemer.

(78)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en strookt met de rechten, vrijheden en beginselen die met name in het Handvest zijn erkend, en in het bijzonder het recht op eigendom, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en de rechten van de verdediging.

(79)

Bij het nemen van besluiten of maatregelen op grond van deze verordening moeten de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten steeds terdege rekening houden met de gevolgen van hun besluiten en maatregelen voor de financiële stabiliteit in andere rechtsgebieden en de economische situatie in andere rechtsgebieden , en moeten zij het belang in acht nemen dat een clearinglid heeft voor de financiële sector en de economie van het rechtsgebied waar dat clearinglid is gevestigd.

(80)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de harmonisatie van de regels en procedures voor de afwikkeling van ctp's, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de effecten van het faillissement van een ctp in de hele Unie beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(81)

Om inconsistenties te voorkomen tussen de bepalingen inzake het herstel en de afwikkeling van ctp's en het wettelijk kader voor herstel en afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, is het passend om de toepassing van deze verordening uit te stellen tot de datum waarop de lidstaten de maatregelen moeten toepassen tot omzetting van [PB: Gelieve een verwijzing naar de richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU in te voegen].

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de regels en procedures vastgelegd voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen (hierna “ctp's” genoemd) die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn erkend, en de regels met betrekking tot de regelingen met derde landen op het gebied van het herstel en de afwikkeling van ctp's.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“ctp”: een ctp als omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

2)

“afwikkelingscollege”: een college dat is ingesteld op grond van artikel 4;

3)

“afwikkelingsautoriteit”: een ▌ overeenkomstig artikel 3 aangewezen autoriteit;

4)

“afwikkelingsinstrument”: een afwikkelingsinstrument als bedoeld in artikel 27, lid 1;

5)

“afwikkelingsbevoegdheid”: een bevoegdheid als bedoeld in artikel 48;

6)

“afwikkelingsdoelstellingen”: de in artikel 21 vervatte afwikkelingsdoelstellingen;

7)

“bevoegde autoriteit”: een ▌ overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EU) nr. 648/2012 aangewezen autoriteit;

7 bis)

“wanbetaling”: scenario waarin een of meer clearingleden zijn/hun financiële verplichtingen ten aanzien van de ctp niet nakomt/nakomen;

7 ter)

“niet-wanbetaling”: scenario waarin een ctp verliezen lijdt om andere redenen dan wanbetaling door een clearinglid, zoals tekortkomingen met betrekking tot de bedrijfsvoering, de bewaarneming of investeringen, juridische tekortkomingen of operationele storingen of fraude, met inbegrip van storingen als gevolg van cyberaanvallen, of ongedekte liquiditeitstekorten;

8)

“afwikkelingsplan”: een afwikkelingsplan voor een ctp dat overeenkomstig artikel 13 is opgesteld;

9)

“afwikkelingsmaatregel”: de toepassing van een afwikkelingsinstrument of de uitoefening van een of meer afwikkelingsbevoegdheden zodra aan de in artikel 22 beschreven afwikkelingsvoorwaarden is voldaan ;

10)

“clearinglid”: een clearinglid als omschreven in artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

11)

“moederonderneming”: een moederonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 15, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

12)

“ctp van een derde land”: een ctp waarvan het hoofdkantoor in een derde land is gevestigd;

13)

“verrekeningsovereenkomst”: een overeenkomst waarbij twee of meer vorderingen of verplichtingen tussen de ctp in afwikkeling en een tegenpartij met elkaar kunnen worden verrekend;

14)

“financiëlemarktinfrastructuur” (hierna “FMI” genoemd): een centrale tegenpartij, een centrale effectenbewaarinstelling, een transactieregister, een betalingssysteem of een ander systeem, gedefinieerd en aangewezen door een lidstaat overeenkomstig artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/26/EG;

15)

“cliënt”: een cliënt als omschreven in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

15 bis)

“ASI's”: andere systeemrelevante instellingen als bedoeld in artikel 131, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

16)

interoperabele ctp”: een ctp die een interoperabiliteitsregeling is aangegaan op grond van titel V van Verordening (EU) nr. 648/2012;

18)

“herstelplan”: een herstelplan dat door een ctp overeenkomstig artikel 9 wordt opgesteld en bijgehouden;

19)

“raad”: het bestuursorgaan of het toezichthoudend orgaan, of beide, opgericht krachtens het nationale vennootschapsrecht overeenkomstig artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

20)

toezichtcollege ”: het college als bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 met deelname van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) ;

21)

“kapitaal”: ▌ kapitaal als omschreven in artikel 2, punt 25, van Verordening (EU) nr. 648/2012 ▌ ;

22)

“trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling”: trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

23)

“kritieke functies”: activiteiten, diensten of verrichtingen aan derde partijen buiten de ctp om waarvan de onderbreking naar alle waarschijnlijkheid in een of meer lidstaten tot een verstoring van essentiële diensten aan de reële economie zal leiden of, wegens de omvang of het marktaandeel van een ctp of groep, haar verwevenheid met entiteiten binnen en buiten een groep, haar complexiteit of grensoverschrijdende activiteiten, de financiële stabiliteit zal verstoren, vooral wat de vervangbaarheid van deze activiteiten, diensten of verrichtingen betreft;

24)

“groep”: een groep als omschreven in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 648/2012 ;

25)

“gekoppelde FMI”: een interoperabele ctp of een andere FMI of een ctp waarmee de ctp contractuele regelingen heeft;

26)

“▌ openbare financiële steun”: staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, of elke andere openbare financiële steun op supranationaal niveau die als hij op nationaal niveau werd verstrekt, staatssteun zou vormen, die wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit te vrijwaren of te herstellen van een ctp of van een groep waarvan een dergelijke ctp deel uitmaakt;

27)

“financiële contracten”: contracten en overeenkomsten als vervat in artikel 2, lid 1, punt 100, van Richtlijn 2014/59/EU;

28)

“normale insolventieprocedures”: de collectieve insolventieprocedures die ertoe leiden dat de debiteur het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verliest en dat een liquidateur of een bewindvoerder wordt aangewezen, die normaal gesproken op grond van het nationaal recht op ctp's van toepassing zijn, en die ofwel specifiek voor die instellingen gelden, ofwel algemeen op alle natuurlijke en rechtspersonen van toepassing zijn;

29)

“eigendomsinstrumenten”: aandelen, andere instrumenten die recht geven op eigendom, instrumenten die kunnen worden omgezet in of recht geven op de verwerving van aandelen of andere eigendomsinstrumenten, en instrumenten die belangen in aandelen of andere eigendomsinstrumenten vertegenwoordigen;

30)

“aangewezen nationale macroprudentiële autoriteit”: de autoriteit die is belast met het voeren van macroprudentieel beleid als bedoeld in aanbeveling B1 van de Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) van 22 december 2011 betreffende het macroprudentiële mandaat van nationale autoriteiten (ESRB/2011/3);

31)

“wanbetalingsfonds”: een door een ctp in stand gehouden wanbetalingsfonds overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

32)

“voorgefinancierde middelen”: middelen die in het bezit zijn van en vrij beschikbaar zijn voor de desbetreffende rechtspersoon;

33)

“hoger management”: de persoon of de personen die de activiteiten van de ctp daadwerkelijk leiden en het uitvoerend lid of de uitvoerende leden van de raad;

34)

“transactieregister”: een transactieregister als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012 of in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) nr. 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad (8);

35)

“staatssteunregels van de Unie”: het kader dat is vastgesteld bij de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de verordeningen en alle handelingen van de Unie, met inbegrip van richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen, die krachtens artikel 108, lid 4, of artikel 109 VWEU zijn uitgevaardigd of aangenomen;

36)

“schuldinstrumenten”: obligaties of andere vormen van ongedekte overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten;

37)

“cash call bij afwikkeling”: een verzoek aan clearingleden van de ctp om, naast voorgefinancierde middelen, kasmiddelen te verstrekken op basis van de wettelijke bevoegdheden van een afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 31 en als vastgelegd in de werkingsregels van de ctp ;

38)

“cash call bij herstel ”: een verzoek aan clearingleden van de ctp om, naast voorgefinancierde middelen, kasmiddelen te verstrekken op basis van in de werkingsregels van de ctp vastgelegde contractuele regelingen;

39)

“overdrachtsbevoegdheden”: de in artikel 48, lid 1, onder c) of d), bedoelde bevoegdheden voor het overdragen van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, schuldinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva, dan wel een willekeurige combinatie daarvan door een ctp in afwikkeling aan een ontvanger;

40)

“derivaat”: een derivaat als omschreven in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

41)

“salderingsovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een aantal vorderingen of verplichtingen in één enkele nettovordering kunnen worden omgezet, met inbegrip van overeenkomsten tot saldering bij vroegtijdige beëindiging waarbij, wanneer zich een afdwingingsgrond voordoet (hoe ook of waar ook gedefinieerd), de verplichtingen van de partijen worden versneld zodat deze onmiddellijk verschuldigd zijn of beëindigd worden, en in ieder geval in één enkele nettovordering worden omgezet of erdoor worden vervangen, met inbegrip van “clausules tot saldering bij vroegtijdige beëindiging” als omschreven in artikel 2, lid 1, onder n), i), van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), en “verrekening (netting)” als omschreven in artikel 2, onder k), van Richtlijn 98/26/EG;

42)

“crisispreventiemaatregel”: de uitoefening van bevoegdheden om een ctp te verplichten maatregelen te nemen om tekortkomingen in haar herstelplan te verhelpen uit hoofde van artikel 10, leden 8 en 9, de uitoefening van bevoegdheden voor het aanpakken of wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uit hoofde van artikel 17, of de toepassing van een vroegtijdige interventiemaatregel uit hoofde van artikel 19;

43)

“beëindigingsrecht”: een recht om een contract te beëindigen, een recht om verplichtingen te versnellen, voortijdig te beëindigen, te verrekenen of te salderen, dan wel een eventuele soortgelijke bepaling die een verplichting van een partij bij het contract opschort, wijzigt of nietig verklaart of een bepaling die het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van het contract die anders zou zijn ontstaan;

44)

“financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht”: een financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht als omschreven in artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2002/47/EG;

45)

“gedekte obligatie”: een instrument als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (10);

46)

“afwikkelingsprocedures van een derde land”: een maatregel naar het recht van een derde land om het faillissement van een ctp van een derde land te beheren die, wat de doelstellingen en de te verwachten resultaten betreft, vergelijkbaar is met afwikkelingsmaatregelen uit hoofde van deze verordening;

47)

“betrokken nationale autoriteiten”: de afwikkelingsautoriteiten, bevoegde autoriteiten of bevoegde ministeries aangewezen overeenkomstig deze verordening of overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU of andere autoriteiten van de lidstaten die bevoegdheden hebben met betrekking tot activa, rechten, verplichtingen of passiva van ctp's van derde landen die clearingdiensten verrichten in hun rechtsgebied;

48)

“betrokken autoriteit van een derde land”: een autoriteit van een derde land die verantwoordelijk is voor de uitoefening van functies die vergelijkbaar zijn met die van afwikkelingsautoriteiten of bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze verordening.

TITEL II

AUTORITEITEN, AFWIKKELINGSCOLLEGE EN PROCEDURES

AFDELING I

AFWIKKELINGSAUTORITEITEN, AFWIKKELINGSCOLLEGES EN ROL VAN DE EUROPESE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEITEN

Artikel 3

Aanwijzing van afwikkelingsautoriteiten en bevoegde ministeries

1.    Lidstaten waar een ctp is gevestigd, en lidstaten waar geen ctp is gevestigd, kunnen één afwikkelingsautoriteit aanwijzen waaraan de bevoegdheid wordt verleend om de afwikkelingsinstrumenten toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen zoals uiteengezet in deze verordening.

Afwikkelingsautoriteiten zijn nationale centrale banken, bevoegde ministeries, overheidsorganen of andere autoriteiten waaraan bevoegdheden van openbaar bestuur zijn verleend.

2.   Afwikkelingsautoriteiten beschikken over de deskundigheid, middelen en operationele capaciteit om afwikkelingsmaatregelen toe te passen, en oefenen hun bevoegdheden uit met de snelheid en flexibiliteit die nodig zijn om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.

3.   Wanneer een overeenkomstig lid 1 aangewezen afwikkelingsautoriteit met andere functies is belast, wordt gezorgd voor daadwerkelijke operationele onafhankelijkheid , onder meer met afzonderlijke personeelsleden en rapportageregelingen en een onafhankelijk besluitvormingsproces, van die afwikkelingsautoriteit , met name van de overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EU) nr. 648/2012 aangewezen bevoegde autoriteit en de bevoegde en afwikkelingsautoriteiten van de clearingleden als bedoeld in artikel 18, lid 2, onder c), van die verordening, en worden alle nodige regelingen getroffen en naar tevredenheid van de ESMA gedemonstreerd om belangenconflicten te voorkomen tussen de uit hoofde van deze verordening aan de afwikkelingsautoriteit toevertrouwde functies en alle andere aan die autoriteit toevertrouwde functies.

De vereisten als bedoeld in lid 1 sluiten niet uit dat rapportageregelingen samenkomen op het hoogste niveau van een organisatie die verschillende autoriteiten overkoepelt, of dat personeel onder vooraf bepaalde voorwaarden van de ene naar de andere autoriteit kan worden gedetacheerd om een tijdelijk hoge werkdruk op te vangen.

4.   ▌De afwikkelingsautoriteit stelt de interne regels vast, maakt deze openbaar en verzekert hiermee de in de eerste alinea bedoelde structurele scheiding, waaronder regels inzake het beroepsgeheim en inzake informatie-uitwisseling tussen de verschillende functionele gebieden.

5.   Elke lidstaat wijst één ministerie aan dat verantwoordelijk is voor de uitoefening van de uit hoofde van deze verordening aan het bevoegde ministerie toevertrouwde functies.

6.   ▌De afwikkelingsautoriteit stelt het bevoegde ministerie tijdig in kennis van de besluiten op grond van deze verordening.

7.   Wanneer de in lid 6 bedoelde besluiten rechtstreekse budgettaire gevolgen ▌ hebben, verkrijgt de afwikkelingsautoriteit de wettelijk vereiste goedkeuring.

8.   De lidstaten delen de Commissie en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (hierna “de ESMA” genoemd) mee welke afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig lid 1 zijn aangewezen.

9.   ▌

10.   De ESMA publiceert een lijst van de overeenkomstig lid 8 meegedeelde afwikkelingsautoriteiten en contactautoriteiten.

Artikel 4

Afwikkelingscolleges

1.   De afwikkelingsautoriteit van de ctp richt een afwikkelingscollege op om de in de artikelen 13, 16 en 17 bedoelde taken uit te voeren, beheert en zit dit college voor en verzekert, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen.

Afwikkelingscolleges verschaffen de afwikkelingsautoriteiten en andere betrokken autoriteiten een kader voor het uitvoeren van de volgende taken:

a)

het uitwisselen van informatie die relevant is voor de opstelling van afwikkelingsplannen, de beoordeling van de verwevenheid van de ctp en van haar deelnemers met andere belangrijke centrale banken, de uitvoering van voorbereidende en preventiemaatregelen en voor afwikkeling;

b)

het beoordelen van afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 13;

c)

het beoordelen van de afwikkelbaarheid van ctp's overeenkomstig artikel 16;

d)

het identificeren, aanpakken en wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van ctp's overeenkomstig artikel 17;

e)

het coördineren van de openbare communicatie over afwikkelingsstrategieën en -plannen;

e bis)

het uitwisselen van herstel- en afwikkelingsplannen van clearingleden en de evaluatie van de potentiële impact en de verwevenheid met de ctp.

2.   De volgende entiteiten zijn leden van het afwikkelingscollege:

a)

de afwikkelingsautoriteit van de ctp;

b)

de bevoegde autoriteit van de ctp;

c)

de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten van de clearingleden bedoeld in artikel 18, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

d)

de bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 18, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

e)

de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten van de ctp's bedoeld in artikel 18, lid 2, onder e), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

f)

de bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 18, lid 2, onder f), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

g)

de leden van het ESCB bedoeld in artikel 18, lid 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

h)

de uitgevende centrale banken bedoeld in artikel 18, lid 2, onder h), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

i)

de bevoegde autoriteit van de moederonderneming, wanneer artikel 11, lid 1, van toepassing is;

i bis)

de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de ASI's als bedoeld in artikel 131, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

j)

het bevoegde ministerie, wanneer de onder a) bedoelde afwikkelingsautoriteit niet het bevoegde ministerie is;

k)

de ESMA;

l)

de Europese Bankautoriteit (EBA).

3.   De ESMA, de EBA en de bevoegde autoriteiten belast met het toezicht op de ASI's hebben geen stemrecht in afwikkelingscolleges.

4.   De bevoegde en afwikkelingsautoriteiten van in derde landen gevestigde clearingleden en de bevoegde en afwikkelingsautoriteiten van ctp's van derde landen waarmee de ctp interoperabiliteitsregelingen heeft getroffen, kunnen worden uitgenodigd om als waarnemer in het afwikkelingscollege deel te nemen. Hun aanwezigheid hangt af van de mate waarin deze autoriteiten zijn onderworpen aan vertrouwelijkheidsvoorschriften die naar het oordeel van de voorzitter van het afwikkelingscollege gelijkwaardig zijn aan de in artikel 71 vastgestelde vertrouwelijkheidsvoorschriften.

De deelname van autoriteiten van derde landen in het afwikkelingscollege kan worden beperkt tot de bespreking van bijzondere grensoverschrijdende handhavingskwesties, waaronder eventueel :

a)

de effectieve en gecoördineerde handhaving van afwikkelingsmaatregelen, met name overeenkomstig de artikelen 53 en 75;

b)

het vaststellen en wegnemen van mogelijke belemmeringen voor een doeltreffende afwikkeling die kunnen voortvloeien uit afwijkende wetgeving inzake zekerheid, salderings- en verrekeningsovereenkomsten en uiteenlopende bevoegdheden of strategieën op het gebied van herstel en afwikkeling;

c)

het vaststellen en het coördineren van noodzakelijke nieuwe voorschriften voor vergunning, erkenning of toelating, rekening houdend met het feit dat afwikkelingsmaatregelen tijdig moeten worden uitgevoerd;

d)

de mogelijke opschorting van de clearingverplichting voor de desbetreffende activacategorieën die worden getroffen door de afwikkeling van de ctp op grond van artikel 6 bis van Verordening (EU) nr. 648/2012 of van overeenkomstige bepalingen in het nationale recht van het betrokken derde land;

e)

de mogelijke invloed van verschillende tijdzones op de toepasselijke kantoorsluitingstijd voor de beëindiging van de handel.

5.   De voorzitter van het afwikkelingscollege:

a)

stelt schriftelijke regelingen en procedures op voor de werking van het afwikkelingscollege, na raadpleging van de andere leden van het afwikkelingscollege;

b)

coördineert alle werkzaamheden van het afwikkelingscollege;

c)

roept alle vergaderingen van het afwikkelingscollege bijeen en zit deze voor;

d)

informeert alle leden van het afwikkelingscollege vooraf over de organisatie van vergaderingen, de voornaamste vergaderpunten en de te bespreken agendapunten;

e)

beslist of en welke autoriteiten van derde landen worden uitgenodigd op bepaalde vergaderingen van het afwikkelingscollege overeenkomstig lid 4;

f)

coördineert de tijdige uitwisseling van alle relevante informatie tussen de leden van het afwikkelingscollege;

g)

informeert alle leden van het college tijdig over de besluiten en resultaten van die vergaderingen;

g bis)

ziet erop toe dat de leden van het college alle relevante informatie tijdig uitwisselen teneinde hun taken overeenkomstig deze verordening te kunnen uitoefenen.

6.   Ten behoeve van een consistente en samenhangende werking van afwikkelingscolleges in de Unie ontwikkelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de inhoud van de schriftelijke regelingen en procedures voor de werking van de in lid 1 bedoelde afwikkelingscolleges.

Met het oog op het voorbereiden van de in de eerste alinea bedoelde reguleringsnormen houdt de ESMA rekening met de desbetreffende bepalingen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 876/2013 van de Commissie (11), in deel 1 van hoofdstuk 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) XXX/2016 van de Commissie houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot technische reguleringsnormen die zijn vastgesteld op basis van artikel 88, lid 7, van Richtlijn 2014/59/EU (12).

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk bij de Commissie in op [PB: datum invoegen 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in lid 6 bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 neergelegde procedure.

Artikel 5

Afwikkelingscomité van de ESMA

1.   De ESMA richt overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 een afwikkelingscomité op dat de in deze verordening aan de ESMA toevertrouwde besluiten voorbereidt, met uitzondering van de besluiten die overeenkomstig artikel 12 van deze verordening moeten worden genomen.

Daarnaast bevordert het afwikkelingscomité de ontwikkeling en coördinatie van afwikkelingsplannen en werkt het strategieën uit voor de afwikkeling van faillerende ctp's.

2.   Het afwikkelingscomité is samengesteld uit de overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze verordening aangewezen autoriteiten.

De in artikel 4, lid 2, onder i) en iv), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde autoriteiten en de bevoegde autoriteiten die zijn belast met het toezicht op de ASI's, worden uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen in het afwikkelingscomité.

2 bis.     De ESMA beoordeelt de herstel- en afwikkelingsregelingen van ctp's in de hele Unie wat betreft hun gezamenlijke impact op de financiële stabiliteit in de Unie door middel van regelmatige stresstests en crisissimulaties met betrekking tot potentiële stresssituaties die het financiële stelsel als geheel treffen. Bij de uitoefening van deze taak zorgt de ESMA voor de nodige samenhang met de beoordelingen van de robuustheid van individuele ctp's overeenkomstig hoofdstuk XII van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie voor wat betreft de frequentie en de opzet van de tests en werkt zij nauw samen met de bij artikel 18 van Verordening (EU) nr. 648/2012 ingestelde toezichtcolleges, het ESRB en de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2013/36/EU aangewezen autoriteiten, met inbegrip van de ECB in het kader van de vervulling van haar taken binnen één gemeenschappelijk toezichtmechanisme overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013 en eventuele nationale bevoegde autoriteiten die zijn belast met het toezicht op ctp's. Voor zover deze regelingen volgens deze uitvoerige stresstests tekortkomingen vertonen, worden die tekortkomingen door de verantwoordelijke instelling(en) verholpen en worden de regelingen door de verantwoordelijke instelling(en) binnen zes maanden na de laatste stresstest opnieuw voorgelegd voor een nieuwe ronde van stresstests.

3.   Voor de toepassing van deze verordening werkt de ESMA samen met de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en de EBA in het kader van het gemengd comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten dat bij artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 is opgericht.

4.   Voor de toepassing van deze verordening zorgt de ESMA voor een organisatorische scheiding tussen het afwikkelingscomité en andere in Verordening (EU) nr. 1095/2010 uiteengezette functies.

Artikel 6

Samenwerking tussen autoriteiten

1.   De bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten en de ESMA werken nauw samen bij de voorbereiding, planning en , voor zover mogelijk, de uitvoering van afwikkelingsbesluiten. Meer bepaald moeten de afwikkelingsautoriteiten en andere relevante autoriteiten, met inbegrip van de ESMA, de overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU aangewezen afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten van gekoppelde FMI's effectief samenwerken en communiceren bij het herstel, zodat de afwikkelingsautoriteit tijdig kan optreden.

2.   De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten werken voor de toepassing van deze verordening samen met de ESMA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010.

De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten verstrekken de ESMA onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

AFDELING II

BESLUITVORMING EN PROCEDURES

Artikel 7

Algemene beginselen betreffende de besluitvorming

De bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten en de ESMA houden rekening met alle hiernavolgende beginselen en aspecten bij het nemen van besluiten of maatregelen op grond van deze verordening:

a)

de doeltreffendheid en evenredigheid van een besluit of maatregel met betrekking tot een ctp wordt gewaarborgd, waarbij rekening wordt gehouden met ten minste de volgende factoren:

i)

het eigendom, de juridische en organisatiestructuur van de ctp, met inbegrip van het feit of deze van een grotere groep FMI's dan wel van andere financiële instellingen deel uitmaakt ;

ii)

de aard, omvang en complexiteit van de bedrijfsactiviteit van de ctp;

iii)

de aard en verscheidenheid van het clearinglidmaatschap van de ctp , met inbegrip van de clearingleden, hun cliënten en andere tegenpartijen aan wie die clearingleden en cliënten clearingdiensten verlenen in het kader van die ctp, voor zover deze gemakkelijk en zonder onnodige vertraging kunnen worden geïdentificeerd ;

▌v)

de verwevenheid van de ctp met andere financiëlemarktinfrastructuren, andere financiële instellingen en met het financiële stelsel in het algemeen;

v bis)

het feit of de ctp otc-derivatencontracten cleart die tot een klasse van otc-derivaten behoren die onder de clearingverplichting overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012 valt;

v ter)

de beschikbaarheid van andere ctp's die op een geloofwaardige en haalbare manier kunnen optreden als vervanger voor de kritieke functies van de ctp;

vi)

de feitelijke of mogelijke gevolgen van de in artikel 19, lid 1, en artikel 22, lid 2, bedoelde inbreuken.

b)

de besluitvorming is doeltreffend, de kosten worden zo laag mogelijk gehouden en verstoring van de markt wordt voorkomen wanneer vroegtijdige interventiemaatregelen of afwikkelingsmaatregelen worden genomen om het gebruik van openbare middelen te vermijden ;

c)

besluiten en maatregelen worden tijdig en met gepaste spoed genomen indien zulks is vereist;

d)

de afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde en de andere autoriteiten werken samen om ervoor te zorgen dat besluiten en maatregelen gecoördineerd en efficiënt worden genomen;

e)

de rollen en verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten in elke lidstaat worden duidelijk omschreven;

f)

er wordt voldoende aandacht besteed aan de belangen van de lidstaten waar de ctp diensten verricht en waar haar clearingleden, hun cliënten, en andere interoperabele ctp's zijn gevestigd, en in het bijzonder aan het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit of de begrotingsmiddelen van die lidstaten en van de Unie als geheel;

g)

er wordt voldoende aandacht besteed aan een afweging van de belangen van de verschillende clearingleden, hun cliënten, de ruimere schuldeisers en belanghebbenden van de ctp in de desbetreffende lidstaten en er wordt getracht te voorkomen dat de belangen van specifieke spelers in sommige lidstaten worden geschaad of onbillijk worden beschermd, en dat de lasten oneerlijk worden verdeeld tussen de lidstaten;

g bis)

openbare financiële steun wordt zoveel mogelijk voorkomen en wordt alleen gebruikt als laatste redmiddel onder de in artikel 45 genoemde voorwaarden en er worden geen verwachtingen gewekt dat openbare financiële steun wordt verleend;

h)

elke verplichting uit hoofde van deze verordening om een autoriteit te raadplegen alvorens een besluit of maatregel te nemen houdt ten minste de verplichting in te beraadslagen ten aanzien van die elementen van het voorgestelde besluit of de voorgestelde maatregel die (waarschijnlijk):

i)

gevolgen heeft voor de clearingleden, cliënten of gekoppelde FMI's;

ii)

een effect heeft op de financiële stabiliteit van de lidstaat waar de clearingleden, cliënten of gekoppelde FMI's gevestigd zijn of zich bevinden;

i)

de in artikel 13 bedoelde afwikkelingsplannen worden nageleefd, tenzij van die plannen moet worden afgeweken om de afwikkelingsdoelstellingen beter te kunnen verwezenlijken;

j)

transparantie ten opzichte van de bevoegde autoriteiten wordt indien mogelijk gewaarborgd , met name wanneer een voorgesteld besluit of een voorgestelde maatregel waarschijnlijk gevolgen heeft voor de financiële stabiliteit of begrotingsmiddelen ▌ , en ten opzichte van elk ander rechtsgebied of andere partijen, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is ;

k)

zij coördineren en werken zo nauw mogelijk samen, ook om de totale afwikkelingskosten te verlagen;

l)

de negatieve economische en sociale gevolgen van iedere beslissing in alle lidstaten en derde landen waar de ctp diensten verricht, met inbegrip van negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit, worden ingeperkt.

Artikel 8

Uitwisseling van informatie

1.   De afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten en de ESMA verstrekken elkaar op eigen initiatief en op verzoek bijtijds alle informatie die relevant is voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van deze verordening.

2.   De afwikkelingsautoriteiten mogen vertrouwelijke door een autoriteit van een derde land verstrekte informatie enkel bekendmaken wanneer die autoriteit daar vooraf schriftelijk mee instemt.

De afwikkelingsautoriteiten verschaffen het bevoegde ministerie alle informatie over beslissingen of maatregelen waarvoor kennisgeving, raadpleging of goedkeuring van dat ministerie is vereist.

TITEL III

VOORBEREIDING

HOOFDSTUK I

Planning van herstel en afwikkeling

AFDELING 1

HERSTELPLANNING

Artikel 9

Herstelplannen

1.   Ctp's stellen een omvattend en doeltreffend herstelplan op, en houden dat bij, dat zowel in geval van wanbetaling als niet-wanbetaling of een combinatie daarvan voorziet in maatregelen waarmee hun financiële positie moet worden hersteld zonder openbare financiële steun, en waardoor ze clearingdiensten kunnen blijven verrichten wanneer hun financiële situatie significant verslechtert of wanneer zij hun prudentiële voorschriften in het kader van Verordening (EU) nr. 648/2012 dreigen te overtreden.

1 bis.     In het herstelplan wordt een duidelijk onderscheid gemaakt, inzonderheid, voor zover uitvoerbaar, door onderverdeling in afzonderlijke afdelingen, tussen scenario's die zijn gebaseerd op:

a)

wanbetaling;

b)

niet-wanbetaling;

Het herstelplan omvat regelingen voor het combineren van de bepalingen voor de onder a) en b) bedoelde scenario's indien beide scenario's op hetzelfde moment plaatsvinden.

2.   Het herstelplan omvat een kader van indicatoren , gebaseerd op het risicoprofiel van de ctp, voor het bepalen van de omstandigheden waarin maatregelen in het herstelplan moeten worden genomen, rekening houdend met verschillende scenario's. De indicatoren betreffende de financiële positie van de ctp kunnen van kwalitatieve of kwantitatieve aard zijn.

Ctp's voeren passende regelingen in , met inbegrip van nauwe samenwerking tussen de betrokken autoriteiten, voor periodieke monitoring van de indicatoren. Ctp's brengen verslag uit aan de ESMA en de bevoegde autoriteiten over de resultaten van deze monitoring.

2 bis.     De ESMA vaardigt, in samenwerking met het ESRB, uiterlijk op [een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] richtsnoeren in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 uit tot nadere bepaling van de in de eerste alinea van lid 2 van dit artikel bedoelde minimumlijst van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren.

3.   Ctp's moeten in hun werkingsregels bepalingen opnemen die de procedures schetsen die ze moeten volgen indien zij, om de doelen van het herstelproces te bereiken, voorstellen om :

a)

in het herstelplan vervatte maatregelen te nemen, ook al zijn de relevante indicatoren niet gehaald; of

b)

in het herstelplan vervatte maatregelen niet te nemen, ook al zijn de relevante indicatoren wel gehaald.

3 bis.     Elke overeenkomstig lid 3 te nemen maatregel moet door de bevoegde autoriteit worden goedgekeurd.

4.   ▌ Wanneer een ctp voornemens is haar herstelplan te activeren, stelt zij de bevoegde autoriteit en de ESMA in kennis van de aard en de omvang van de problemen die zij heeft vastgesteld, waarbij zij alle relevante omstandigheden belicht en melding maakt van de herstelmaatregelen of andere maatregelen die zij wil nemen om het probleem te verhelpen.

Wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat een herstelmaatregel die de ctp wil nemen aanzienlijke nadelige gevolgen voor het financiële stelsel kan hebben, waarschijnlijk niet doeltreffend zal zijn of een onevenredig groot nadeel voor de cliënten van de clearingleden met zich mee kan brengen, kan zij , na de ESMA in kennis te hebben gesteld, verlangen dat de ctp die maatregel niet neemt.

5.   De bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis van elke overeenkomstig de eerste alinea van lid 4 ontvangen kennisgeving en van elke daaropvolgende instructie van de bevoegde autoriteit overeenkomstig de tweede alinea van lid 4.

Wanneer de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 4, alinea 1, in kennis is gesteld, beperkt of verbiedt zij het vergoeden van kapitaal en als kapitaal aangemerkte instrumenten voor zover dat mogelijk is zonder onmiddellijk tot wanbetaling te leiden, met inbegrip van dividenduitkeringen en terugkopen door de ctp. Daarnaast kan zij betalingen van variabele beloningen overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en EBA-richtsnoer EBA/GL/2015/22, discretionaire pensioenen of vertrekvergoedingen aan het management beperken, verbieden of bevriezen.

6.   Ctp's evalueren en werken hun herstelplannen waar nodig ten minste een keer per jaar bij en na elke wijziging van hun juridische of organisatiestructuur of commerciële of financiële positie die een wezenlijk effect op die plannen kan hebben of anderszins een wijziging van die plannen noodzakelijk maakt. De bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat ctp's hun herstelplannen vaker bijwerken.

7.   Herstelplannen:

a)

gaan niet uit van toegang tot of ontvangst van openbare financiële steun, noodliquiditeitssteun van een centrale bank of noodliquiditeitssteun van een centrale bank onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd en rentevoet;

b)

houden rekening met de belangen van alle belanghebbenden die, zowel direct als indirect, door het plan kunnen worden getroffen, met name de clearingleden en hun cliënten; en

c)

zorgen ervoor dat clearingleden geen onbeperkte blootstellingen hebben ten aanzien van de CTP.

7 bis.     Herstelinstrumenten voorzien in de mogelijkheid om:

a)

uit gevallen van niet-wanbetaling voortvloeiende verliezen op te vangen;

b)

uit gevallen van wanbetaling voortvloeiende verliezen op te vangen;

c)

na een geval van wanbetaling een gematchte portefeuille te herstellen;

d)

ongedekte liquiditeitstekorten te verhelpen; en

e)

de financiële middelen, waaronder het eigen vermogen, van de ctp weer aan te vullen tot een niveau dat de ctp in staat stelt de krachtens Verordening (EU) nr. 648/2012 op haar rustende verplichtingen na te komen en de uitoefening van de kritieke functies van de ctp voort te zetten en die functies stipt uit te oefenen.

7 ter.     De herstelplannen moeten voorzien in een reeks extreme scenario's, waaronder een scenario van wanbetaling door clearingleden naast de grootste twee en door andere ctp's, die betrekking hebben op de specifieke omstandigheden van de ctp, met inbegrip van haar productmix, bedrijfsmodel, liquiditeitskader en kader voor risicobeheer. Die scenario's omvatten zowel systeembrede stresssituaties als stresssituaties die specifiek zijn voor de betrokken ctp en houden rekening met het potentiële effect van binnenlandse en grensoverschrijdende besmetting in crisissituaties, alsook met gelijktijdige crises op meerdere belangrijke markten.

7 quater.     De ESMA vaardigt, in samenwerking met het ESRB, uiterlijk op [12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] richtsnoeren in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 uit tot nadere bepaling van de scenario's waarmee voor de toepassing van lid 1 rekening moet worden gehouden. Bij de opstelling van die richtsnoeren houdt de ESMA waar nodig rekening met de relevante internationale werkzaamheden op het gebied van stresstests voor ctp's voor toezichtdoeleinden en het herstel van ctp's. Hierbij maakt zij waar mogelijk gebruik van de synergie tussen stresstests voor toezichtdoeleinden en het modelleren van herstelscenario's.

7 quinquies.     Wanneer de ctp deel van een groep uitmaakt en contractuele overeenkomsten over steun van de moederonderneming — met inbegrip van de financiering van de kapitaalvereisten van de ctp overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 648/2012 via door de moederonderneming uitgegeven eigendomsinstrumenten — deel uitmaken van het herstelplan, worden in het herstelplan scenario's onderzocht waarin deze overeenkomsten niet kunnen worden nageleefd.

7 sexies.     Het herstelplan bevat de volgende punten:

a)

een samenvatting van de voornaamste elementen van het plan en een samenvatting van de totale herstelcapaciteit;

b)

een samenvatting van de wezenlijke wijzigingen in de ctp sinds het laatst ingediende herstelplan;

c)

een communicatie- en openbaarmakingsplan waarin wordt uiteengezet hoe de ctp van plan is met potentieel negatieve reacties van de markt om te gaan en tegelijk zo transparant mogelijk te handelen;

d)

een breed scala van maatregelen op het gebied van kapitaal, verliestoewijzing en liquiditeit die nodig zijn voor de instandhouding of het herstel van de levensvatbaarheid en de financiële positie van de ctp, met inbegrip van het herstel van de gematchte portefeuille en het kapitaal, en het aanvullen van de voorgefinancierde middelen die de ctp nodig heeft om haar levensvatbaarheid als going concern te handhaven en haar kritieke diensten te blijven verrichten in de zin van artikel 1, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 152/2013 van de Commissie en artikel 32, lid 2, en artikel 32, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie;

e)

passende voorwaarden en procedures om de tijdige uitvoering van herstelmaatregelen te waarborgen, alsook een breed scala aan herstelmogelijkheden, met inbegrip van een raming van het tijdsbestek voor de uitvoering van elk materieel aspect van het plan;

f)

een gedetailleerde beschrijving van alle wezenlijke belemmeringen voor de doeltreffende en tijdige uitvoering van het plan, met inbegrip van een analyse van de gevolgen voor clearingleden en cliënten van clearingleden, ook ingeval clearingleden waarschijnlijk maatregelen nemen overeenkomstig hun herstelplannen als bedoeld in de artikelen 5 en 7 van Richtlijn 2014/59/EU en, indien van toepassing, voor de rest van de groep;

g)

de identificatie van kritieke functies;

h)

een gedetailleerde beschrijving van de procedures voor het bepalen van de waarde en verkoopbaarheid van de kernbedrijfsonderdelen, bedrijfsactiviteiten en activa van de ctp;

i)

een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de herstelplanning in de bestuursstructuur van de ctp is geïntegreerd, en past in de door de clearingleden overeengekomen werkingsregels van de ctp, alsook van het beleid en de procedures met betrekking tot de goedkeuring van het herstelplan en de identificatie van de personen in de organisatie die voor de opstelling en uitvoering van het plan verantwoordelijk zijn;

j)

regelingen en maatregelen om niet in gebreke blijvende clearingleden ertoe aan te zetten bij veilingen concurrentieel te bieden op posities van in gebreke gebleven leden;

k)

regelingen en maatregelen om ervoor te zorgen dat de ctp voldoende toegang heeft tot noodfinancieringsbronnen, met inbegrip van potentiële liquiditeitsbronnen, een beoordeling van de beschikbare zekerheden en een beoordeling van de mogelijkheid om middelen of liquiditeit tussen bedrijfsonderdelen over te dragen om ervoor te zorgen dat de ctp haar bedrijfsactiviteiten kan blijven uitoefenen en haar verplichtingen kan nakomen wanneer deze opeisbaar worden;

l)

regelingen en maatregelen:

i)

om het risico te verlagen;

ii)

om contracten, rechten, activa en passiva te herstructureren, waaronder:

a)

om contracten geheel of gedeeltelijk te beëindigen;

b)

om de waarde van winsten die de ctp aan niet in gebreke blijvende clearingleden en hun cliënten moet betalen, te verlagen;

iii)

om bedrijfsonderdelen te herstructureren;

iv)

die nodig zijn om continue toegang tot financiëlemarktinfrastructuren te behouden;

v)

die nodig zijn om de continue werking van de bedrijfsprocessen van de ctp te waarborgen, waaronder infrastructuur en IT-diensten;

vi)

een beschrijving van andere bestuursmaatregelen of -strategieën om de financiële soliditeit te herstellen en het verwachte financiële effect van die maatregelen of strategieën;

vii)

voorbereidende maatregelen die de ctp heeft genomen of voornemens is te nemen om de uitvoering van het herstelplan te bevorderen, met inbegrip van maatregelen die nodig zijn voor een tijdige herkapitalisatie van de ctp, het herstel van de gematchte portefeuille en de aanvulling van de voorgefinancierde middelen, alsook de grensoverschrijdende toepassing ervan te waarborgen; deze maatregelen omvatten regelingen waarbij niet in gebreke blijvende clearingleden een minimumbijdrage in contanten leveren aan de ctp tot een bedrag dat gelijk is aan hun bijdrage aan het wanbetalingsfonds van de ctp.

viii)

een raamwerk van indicatoren voor het bepalen van de punten waarop de in het plan bedoelde passende maatregelen kunnen worden genomen.

ix)

in voorkomend geval, een analyse van hoe en wanneer de ctp onder de in het plan vermelde omstandigheden een verzoek om het gebruik van centrale bankfaciliteiten mag indienen, en aangeven welke activa naar verwachting als zekerheid in aanmerking zouden komen volgens de voorwaarden van de centrale bankfaciliteit;

x)

rekening houdend met de bepalingen van artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012, een aantal extreme stressscenario's die relevant zijn voor de specifieke omstandigheden van de ctp, waaronder systeembrede gebeurtenissen, en stress die specifiek is voor de juridische entiteit en de groep waarvan zij deel uitmaakt en specifieke stress voor de afzonderlijke clearingleden van de ctp of, in voorkomend geval, een gekoppelde FMI;

xi)

rekening houdend met de bepalingen van artikel 34 en artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012, scenario's veroorzaakt door stress of wanbetaling van een of meer van haar leden en door andere redenen, met inbegrip van verliezen door de beleggingsactiviteiten van de ctp of door operationele problemen (met inbegrip van externe bedreigingen van de activiteiten van de ctp als gevolg van een externe verstoring, schok of cybergerelateerd incident).

7 septies.     In geval van wanbetaling gebruikt een ctp een bijkomend bedrag aan specifieke eigen middelen gelijk aan het overeenkomstig artikel 45, lid 4, van Verordening (EU) nr. 648/2012 vereiste bedrag, alvorens de in lid 7 sexies, onder l), van dit artikel genoemde instrumenten te gebruiken. Wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de risico's die tot het verlies hebben geleid onder de controle van de ctp vielen, kan zij verlangen dat de ctp een hoger, door de bevoegde autoriteit vast te stellen bedrag aan specifieke eigen middelen gebruikt.

7 octies.     In geval van niet-wanbetaling gebruikt een ctp specifieke eigen middelen gelijk aan drie keer het overeenkomstig artikel 45, lid 4, van Verordening (EU) nr. 648/2012 vereiste bedrag, alvorens de in lid 7 sexies, onder l), van dit artikel genoemde instrumenten te gebruiken; om het strikte stimuleringsproces in stand te houden, maken ctp's geen gebruik van het wanbetalingsfonds of de trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling. Wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de risico's die tot het verlies hebben geleid buiten de controle van de ctp vielen, kan zij toestaan dat de ctp een lager, door de bevoegde autoriteit vast te stellen bedrag aan specifieke eigen middelen gebruikt.

7 nonies.     Een ctp gebruikt, met instemming van de bevoegde autoriteit, de in lid 7 sexies, onder l), ii), bedoelde instrumenten alleen nadat cash calls met een minimumbedrag gelijk aan het wanbetalingsfonds van de ctp zijn verricht overeenkomstig de in lid 7 sexies, onder l), vii), genoemde voorwaarden.

7 decies.

De bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat ctp's aanvullende informatie in hun herstelplannen opnemen.

8.   De raad van de ctp beoordeelt het herstelplan, rekening houdend met het advies van het risicocomité overeenkomstig artikel 28, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012, en keurt het goed alvorens het aan de bevoegde autoriteit en de ESMA voor te leggen.

9.   Herstelplannen worden beschouwd als onderdeel van de werkingsregels van ctp's en ctp's en hun clearingleden dragen er , in geval van bepalingen die op hun cliënten betrekking hebben, zorg voor dat de maatregelen in de herstelplannen steeds uitvoerbaar zijn.

9 bis.     De ctp's maken de in lid 7 sexies, onder a) tot en met g), genoemde elementen openbaar. De onder h) tot en met l) van dit lid genoemde elementen moeten openbaar worden gemaakt voor zover het in het openbaar belang is dat er transparantie ten aanzien van deze elementen bestaat. De clearingleden zorgen ervoor dat bepalingen die van invloed zijn op hun cliënten, terdege aan hen worden meegedeeld.

9 ter.     Voorschriften van het nationale insolventierecht betreffende de vernietigbaarheid of niettegenwerpbaarheid van voor schuldeisers nadelige rechtshandelingen zijn niet van toepassing op maatregelen die door een ctp worden genomen in overeenstemming met het overeenkomstig deze verordening vastgestelde herstelplan.

Artikel 10

Beoordeling van herstelplannen

1.   Ctp's ▌ leggen hun herstelplannen ▌ voor aan de bevoegde autoriteit.

2.   De bevoegde autoriteit zendt elk plan onverwijld toe aan het toezichtcollege en de afwikkelingsautoriteit.

Binnen zes maanden na de voorlegging van ieder plan en in overleg met het toezichtcollege volgens de procedure in artikel 12, beoordeelt de bevoegde autoriteit het herstelplan en de mate waarin het aan de in artikel 9 vastgelegde eisen voldoet.

3.   Bij de beoordeling van het herstelplan raadpleegt de bevoegde autoriteit het ESRB en houdt zij rekening met de kapitaalstructuur van de ctp, de trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling, de mate van complexiteit van de organisatiestructuur en het risicoprofiel van de ctp, ook wat betreft financiële, operationele en cyberrisico's, de vervangbaarheid van de door de ctp verrichte activiteiten, en de eventuele gevolgen van de uitvoering van het herstelplan voor de clearingleden, hun cliënten, de door de ctp bediende financiële markten en het financiële stelsel als geheel. De bevoegde autoriteit houdt rekening met het feit of het herstelplan al dan niet passende stimulansen bevat voor de eigenaars, clearingleden en cliënten van de ctp om de omvang van het risico dat zij in het stelsel introduceren of lopen, te beheersen. De bevoegde autoriteit moedigt ertoe aan om het nemen en beheersen van risico's door de ctp te monitoren en stimuleert een zo ruim mogelijke deelname aan het wanbetalingsbeheer van de ctp.

3 bis.     Bij de beoordeling van het herstelplan beschouwt de bevoegde autoriteit overeenkomsten over steun van de moederonderneming alleen als geldige onderdelen van het herstelplan als deze overeenkomsten contractueel bindend zijn.

4.   De afwikkelingsautoriteit bestudeert het herstelplan om te achterhalen welke maatregelen de afwikkelbaarheid van de ctp negatief kunnen beïnvloeden. Wanneer dergelijke maatregelen worden gevonden, brengt de afwikkelingsautoriteit deze onder de aandacht van de bevoegde autoriteit en doet zij aanbevelingen aan de bevoegde autoriteit over manieren om de negatieve gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid van de ctp aan te pakken .

5.   Wanneer de bevoegde autoriteit besluit geen gevolg te geven aan de aanbevelingen van de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig lid 4, geeft zij de afwikkelingsautoriteit hiervoor een sluitende motivering.

6.   Wanneer de bevoegde autoriteit instemt met de aanbevelingen van de afwikkelingsautoriteit, of anderszins van oordeel is dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen of belemmeringen voor de uitvoering ervan bevat, stelt zij de ctp of haar moederonderneming hiervan in kennis en geeft zij de ctp de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken.

7.   Rekening houdend met de standpunten van de ctp kan de bevoegde autoriteit verlangen dat de ctp of de moederonderneming binnen een termijn van twee maanden, die met de goedkeuring van de bevoegde autoriteit met een maand kan worden verlengd, een aangepast plan voorleggen waarin wordt uitgelegd hoe deze tekortkomingen of belemmeringen worden aangepakt. Het aangepaste plan wordt beoordeeld overeenkomstig de tweede alinea van lid 2.

8.   Wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de tekortkomingen en belemmeringen niet naar behoren zijn aangepakt in het aangepaste plan, of wanneer de ctp of de moederonderneming geen aangepast plan heeft ingediend, verlangt de bevoegde autoriteit dat de ctp of de moederonderneming specifieke wijzigingen in het plan aanbrengt.

9.   Wanneer het niet mogelijk is de tekortkomingen of belemmeringen middels specifieke wijzigingen in het plan op te lossen, verlangt de bevoegde autoriteit dat de ctp of de moederonderneming binnen een redelijke termijn nagaat hoe haar bedrijfsactiviteit moet worden gewijzigd om de tekortkomingen of de belemmeringen voor de uitvoering van het herstelplan te verhelpen.

Wanneer de ctp of de moederonderneming deze wijzigingen niet binnen de door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn aangeeft, of als de bevoegde autoriteit oordeelt dat met de voorgestelde maatregelen de tekortkomingen of belemmeringen voor de uitvoering van het herstelplan onvoldoende verholpen zouden worden of de afwikkelbaarheid van de ctp onvoldoende verbetert , verlangt de bevoegde autoriteit dat de ctp of de moederonderneming binnen een redelijke, door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn de volgende maatregelen treft, rekening houdend met de ernst van de tekortkomingen en belemmeringen, met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteit van de ctp en met het vermogen van de ctp om te blijven voldoen aan Verordening (EU) nr. 648/2012 :

a)

het risicoprofiel van de ctp verminderen;

b)

de mogelijkheid verbeteren om de ctp tijdig te herkapitaliseren zodat zij aan haar prudentiële eisen kan voldoen;

c)

de strategie en de structuur van de ctp herzien;

d)

wijzigingen aanbrengen in de trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling, herstelmaatregelen en andere regelingen voor verliestoewijzing om de afwikkelbaarheid en de robuustheid van kritieke functies te verbeteren;

e)

de bestuursstructuur van de ctp wijzigen.

10.   Het in de tweede alinea van lid 9 bedoelde verzoek wordt met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de ctp.

10 bis.     De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op ter specificatie van de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen in het kader van de in lid 2 van dit artikel en artikel 11, lid 1, bedoelde beoordeling.

De ESMA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] op.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 11

Herstelplannen voor ctp's die deel uitmaken van een groep

1.   Wanneer de moederonderneming van de groep waarvan de ctp deel uitmaakt, een instelling is als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 23, van Richtlijn 2014/59/EU, of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c) of d), van die richtlijn, verlangt de in artikel 2, lid 1, punt 21, van die richtlijn bedoelde bevoegde autoriteit dat de moederonderneming overeenkomstig die richtlijn een herstelplan voor de groep voorlegt. Deze bevoegde autoriteit legt het herstelplan voor de groep voor aan de bevoegde autoriteit van de ctp.

Wanneer de moederonderneming van de groep waarvan de ctp deel uitmaakt, geen instelling of entiteit is als bedoeld in de eerste alinea en indien noodzakelijk om alle elementen van deel A van de bijlage te kunnen beoordelen , kunnen de bevoegde autoriteiten ▌ volgens de procedure die is vastgelegd in artikel 10 van deze verordening, verlangen dat de ctp een plan voor het herstel van de ctp voorlegt waarin rekening wordt gehouden met alle relevante elementen die verband houden met de structuur van de groep. Dit verzoek wordt met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de ctp en haar moederonderneming.

2.   Wanneer de moederonderneming het herstelplan overeenkomstig de eerste alinea van lid 1 voorlegt, vormen de bepalingen betreffende het herstel van de ctp een afzonderlijk onderdeel van dat herstelplan, voldoen ze aan de voorschriften van deze verordening en kan de ctp er niet toe worden verplicht een individueel herstelplan voor te bereiden.

3.   De bevoegde autoriteit van de ctp beoordeelt de bepalingen betreffende het herstel van de ctp overeenkomstig artikel 10 en pleegt, in voorkomend geval, overleg met de bevoegde autoriteit van de groep.

Artikel 12

Coördinatieprocedure voor herstelplannen

1.   Het toezichtcollege komt tot een gezamenlijk besluit over elk van de volgende punten:

a)

de evaluatie en beoordeling van het herstelplan;

b)

de toepassing van de in artikel 9, leden 6 tot en met 9, bedoelde maatregelen;

c)

de vraag of moederondernemingen een herstelplan moeten opstellen overeenkomstig artikel 11, lid 1.

2.   Het college komt tot een gezamenlijk besluit over de onder a) en b) bedoelde kwesties binnen vier maanden na de datum van toezending van het herstelplan door de bevoegde autoriteit.

Het college komt tot een gezamenlijk besluit over de onder c) bedoelde kwestie binnen vier maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit besluit de moederonderneming te verzoeken een groepsplan op te stellen.

Op verzoek van een bevoegde autoriteit in het toezichtcollege kan de ESMA overeenkomstig artikel 31, onder c), van Verordening (EU) nr. 1095/2010 het toezichtcollege helpen om tot een gezamenlijk besluit te komen.

3.   Wanneer het toezichtcollege na vier maanden vanaf de datum van toezending van het herstelplan niet tot een gezamenlijk besluit is kunnen komen over de in lid 1, onder a) en b), bedoelde kwesties, neemt de bevoegde autoriteit van de ctp zelf een besluit.

De bevoegde autoriteit van de ctp neemt het in de eerste alinea bedoelde besluit met inachtneming van de standpunten van de overige leden van het college die zij binnen de termijn van vier maanden kenbaar hebben gemaakt. De bevoegde autoriteit van de ctp brengt dat besluit schriftelijk ter kennis van de ctp, van haar moederonderneming, in voorkomend geval, en van de andere leden van het toezichtcollege.

4.   Indien een groep leden van het toezichtcollege die uit een gewone meerderheid van de leden van dit college bestaat aan het einde van die termijn van vier maanden overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 aan de ESMA een zaak heeft voorgelegd met betrekking tot de beoordeling van herstelplannen en de uitvoering van de maatregelen overeenkomstig artikel 10, lid 9, onder a), b) en d), van deze verordening, wacht de bevoegde autoriteit van de ctp het besluit van de ESMA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 af, en neemt dan een besluit overeenkomstig het besluit van de ESMA.

5.   De termijn van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) nr. 1095/2010. De ESMA neemt haar besluit binnen één maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De zaak wordt niet meer aan de ESMA voorgelegd na afloop van de termijn van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de ESMA binnen één maand geen besluit neemt, is het besluit van de bevoegde autoriteit van de ctp van toepassing.

AFDELING 2

AFWIKKELINGSPLANNING

Artikel 13

Afwikkelingsplannen

1.   Na overleg met de bevoegde autoriteit en de ESMA en in coördinatie met het afwikkelingscollege stelt de afwikkelingsautoriteit van de ctp volgens de procedure van artikel 15 voor elke ctp een afwikkelingsplan op.

2.   Het afwikkelingsplan voorziet in de afwikkelingsmaatregelen die de afwikkelingsautoriteit kan nemen wanneer de ctp aan de in artikel 22 bedoelde voorwaarden voor afwikkeling voldoet.

3.   In het afwikkelingsplan wordt rekening gehouden met ten minste het volgende:

a)

het faillissement van de ctp als gevolg van:

i).

wanbetaling;

ii).

niet-wanbetaling;

iii).

ruimere financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen;

b)

de eventuele gevolgen van de toepassing van het afwikkelingsplan voor clearingleden en hun cliënten, ook wanneer de clearingleden waarschijnlijk worden onderworpen aan herstel- of afwikkelingsmaatregelen overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU, voor gekoppelde FMI's, door de ctp bediende financiële markten en voor het financiële stelsel als geheel;

c)

de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een ctp mag verzoeken om het gebruik van centrale bankfaciliteiten en de vermelding van de activa die naar verwachting als zekerheid in aanmerking zouden komen.

4.   In het afwikkelingsplan wordt niet uitgegaan van:

a)

openbare financiële steun;

b)

noodliquiditeitssteun van een centrale bank;

c)

liquiditeitssteun van een centrale bank onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd en rentevoet.

4 bis.     In het afwikkelingsplan wordt van prudente aannamen uitgegaan aangaande de als afwikkelingsinstrumenten beschikbare financiële middelen die benodigd kunnen zijn om de doelstellingen van de afwikkeling te verwezenlijken en aangaande de middelen die ten tijde van het begin van de afwikkeling naar verwachting beschikbaar zijn overeenkomstig de ctp-voorschriften en -regelingen. Deze prudente aannamen zijn gebaseerd op de resultaten van de laatste in overeenstemming met artikel 5, lid 2 bis, uitgevoerde stresstests en zijn zelfs geldig in scenario's met extreme marktomstandigheden, die nog worden verergerd door het herstel of de afwikkeling van een of meer andere ctp's, waaronder een scenario van wanbetaling door een of meer clearingleden naast de twee clearingleden ten overstaan waarvan het positierisico van de ctp het grootst is.

5.   De afwikkelingsautoriteiten beoordelen de afwikkelingsplannen en werken deze waar nodig bij, ten minste jaarlijks en in ieder geval na wijzigingen in de juridische of organisatiestructuur van de ctp, haar bedrijfsactiviteit of financiële positie, of elke andere wijziging die een wezenlijke invloed heeft op de slagkracht van het plan.

De ctp's en de bevoegde autoriteiten stellen de afwikkelingsautoriteiten onverwijld in kennis van dergelijke wijzigingen.

5 bis.     In het afwikkelingsplan wordt een duidelijk onderscheid gemaakt, inzonderheid, voor zover uitvoerbaar, door onderverdeling in afzonderlijke afdelingen, tussen scenario's die zijn gebaseerd op de omstandigheden als vermeld in respectievelijk de punten i), ii) en iii) van lid 3, onder a).

6.   In het afwikkelingsplan wordt aangegeven in welke omstandigheden en verschillende scenario's afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt en afwikkelingsbevoegdheden worden uitgeoefend. Het afwikkelingsplan bevat de volgende elementen, becijferd indien passend en mogelijk:

a)

een samenvatting van de belangrijkste elementen van het plan waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen van wanbetaling, gevallen van niet-wanbetaling en een combinatie van beide;

b)

een samenvatting van de wezenlijke veranderingen in de ctp sinds de laatste bijwerking van het afwikkelingsplan;

c)

een demonstratie van de wijze waarop de kritieke functies van de ctp juridisch en economisch voldoende van haar overige functies kunnen worden gescheiden om bij de start van alle mogelijke vormen van afwikkeling, waaronder het faillissement van de ctp de continuïteit te waarborgen;

d)

een schatting van het tijdsbestek voor de uitvoering van elk materieel aspect van het plan , met inbegrip van het aanvullen van de financiële middelen van de ctp ;

e)

een gedetailleerde beschrijving van de overeenkomstig artikel 16 uitgevoerde beoordeling van de afwikkelbaarheid;

f)

een beschrijving van de eventueel op grond van artikel 17 vereiste maatregelen voor het aanpakken of wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid die als gevolg van de overeenkomstig artikel 16 uitgevoerde beoordeling zijn vastgesteld;

g)

een beschrijving van de procedures voor het bepalen van de waarde en verkoopbaarheid van de kritieke functies en activa van de ctp;

h)

een gedetailleerde beschrijving van de regelingen die ervoor moeten zorgen dat de op grond van artikel 14 vereiste informatie actueel is en steeds voor de afwikkelingsautoriteiten beschikbaar is;

i)

uitleg over de wijze waarop afwikkelingsmaatregelen kunnen worden gefinancierd zonder uit te gaan van de in lid 4 bedoelde elementen;

j)

een gedetailleerde beschrijving van de diverse afwikkelingsstrategieën die binnen de verschillende mogelijke scenario's kunnen worden toegepast en hun tijdsbestekken;

k)

een beschrijving van kritieke onderlinge afhankelijkheden tussen de ctp en andere marktdeelnemers , met inbegrip van onderlinge afhankelijkheden binnen de groep, interoperabiliteitsregelingen en koppelingen met andere FMI's, met vermelding van de wijze waarop dergelijke onderlinge afhankelijkheden kunnen worden aangepakt ;

l)

een beschrijving van de verschillende opties om te zorgen voor:

i.

toegang tot betalingen en clearingdiensten en andere infrastructuren;

ii.

tijdige afwikkeling van verplichtingen ten aanzien van clearingleden en hun cliënten en gekoppelde FMI's;

iii.

transparante en niet-discriminerende toegang van clearingleden en hun cliënten tot door de ctp verstrekte effecten of liquiditeitsrekeningen en zekerheden in de vorm van contanten of effecten die bij de ctp zijn gestort en door de ctp worden aangehouden en die aan dergelijke deelnemers verschuldigd zijn;

iv.

continuïteit in het onderhouden van koppelingen tussen de ctp en andere FMI's;

v.

de overdraagbaarheid van de activa en posities van de cliënten en indirecte cliënten van clearingleden zoals omschreven in artikel 39 van Verordening (EU) nr. 648/2012 ;

vi.

het behoud van de vergunningen, machtigingen, erkenningen en juridische kwalificaties van een ctp indien nodig voor de voortzetting van haar kritieke functies, met inbegrip van haar erkenning voor de toepassing van de betrokken regels voor het definitieve karakter van de afwikkeling en de deelname aan of koppelingen met andere FMI's;

l bis)

een beschrijving van de aanpak die de afwikkelingsautoriteit voornemens is te volgen om de reikwijdte en waarde te bepalen van contracten die overeenkomstig artikel 29 worden beëindigd;

m)

een analyse van de gevolgen van het plan voor de werknemers van de ctp, met een beoordeling van eventueel daarmee gepaard gaande kosten, en een beschrijving van de beoogde procedures om de werknemers te raadplegen tijdens het afwikkelingsproces, waarbij, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met nationale regels en stelsels voor dialoog met de sociale partners;

n)

een plan om met de media en het publiek te communiceren met het oog op een zo groot mogelijke transparantie ;

o)

een beschrijving van essentiële verrichtingen en systemen om de continue werking van de bedrijfsprocessen van de ctp te waarborgen.

o bis)

een beschrijving van de regelingen voor de uitwisseling van informatie binnen het afwikkelingscollege voorafgaand aan en tijdens de afwikkeling, in overeenstemming met de schriftelijke regelingen en procedures voor de werking van de afwikkelingscolleges als bedoeld in artikel 4, lid 1.

De in lid 6, onder a), bedoelde informatie wordt aan de betrokken ctp bekendgemaakt. De ctp kan haar standpunt over het herstelplan schriftelijk aan de afwikkelingsautoriteit kenbaar maken. Dat standpunt wordt in het plan opgenomen.

7.   De afwikkelingsautoriteiten kunnen verlangen dat ctp's gedetailleerde gegevens verstrekken over de in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bedoelde contracten waarbij de ctp partij is. De afwikkelingsautoriteiten kunnen een termijn bepalen voor het verstrekken van deze gegevens en voor verschillende soorten contracten uiteenlopende termijnen toepassen.

7 bis.     De afwikkelingsautoriteit van de ctp werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten van de clearingleden van de ctp om ervoor te zorgen dat er geen belemmeringen bestaan voor de afwikkeling.

8.   De ESMA stelt, na overleg met het ESRB en rekening houdend met de desbetreffende bepalingen van Gedelegeerde Verordening van de Commissie (EU) XXX/2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot technische reguleringsnormen vastgesteld op basis van artikel 10, lid 9, van Richtlijn 2014/59/EU, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, ontwerpen van technische reguleringsnormen vast tot nadere bepaling van de inhoud van het afwikkelingsplan overeenkomstig lid 6.

Bij het opstellen van ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de ESMA afdoende rekening met de verschillen tussen de nationale wettelijke kaders binnen de Unie, met name op het gebied van het insolventierecht, en met de verschillen in omvang en aard van de in de Unie gevestigde ctp's.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk bij de Commissie in op [PB: datum invoegen: twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

Artikel 14

Verplichting voor ctp's om mee te werken en informatie te verschaffen

Ctp's moeten, waar nodig, meewerken aan het opstellen van afwikkelingsplannen en verstrekken de afwikkelingsautoriteiten, hetzij rechtstreeks hetzij via de bevoegde autoriteit, alle informatie die nodig is voor het opstellen en uitvoeren van deze plannen, met inbegrip van de informatie en analyses als vermeld in deel B van de bijlage.

De bevoegde autoriteiten verstrekken de afwikkelingsautoriteiten alle in de eerste alinea bedoelde informatie waarover zij reeds beschikken.

Een ctp wisselt tijdig informatie uit met de bevoegde autoriteiten en de ESMA ter vergemakkelijking van de beoordeling van de risicoprofielen van de ctp en de verwevenheid ervan met andere financiëlemarktinfrastructuren, andere financiële instellingen en het financiële stelsel als geheel zoals omschreven in de artikelen 9 en 10 van deze verordening.

Artikel 15

Coördinatieprocedure voor afwikkelingsplannen

1.   Het afwikkelingscollege komt tot een gezamenlijk besluit over het afwikkelingsplan en eventuele wijzigingen daarvan binnen een termijn van vier maanden na de datum waarop dat plan is toegezonden door de afwikkelingsautoriteit als bedoeld in lid 2.

2.   De afwikkelingsautoriteit zendt aan het afwikkelingscollege een ontwerp van afwikkelingsplan, de overeenkomstig artikel 14 verstrekte informatie en eventuele andere voor het afwikkelingscollege relevante informatie toe.

De afwikkelingsautoriteit draagt er zorg voor dat de ESMA alle informatie ontvangt die relevant is voor haar rol in overeenstemming met dit artikel.

3.   De afwikkelingsautoriteit kan besluiten autoriteiten van derde landen te betrekken bij de opstelling en beoordeling van het afwikkelingsplan, op voorwaarde dat deze voldoen aan de vertrouwelijkheidsvoorschriften van artikel 71 en afkomstig zijn van rechtsgebieden waarin elk van de volgende entiteiten zijn gevestigd:

i.

de moederonderneming van de ctp, indien van toepassing;

ii.

▌ clearingleden waaraan de ctp in belangrijke mate is blootgesteld ;

iii.

de dochterondernemingen van de ctp, indien van toepassing;

iv.

andere aanbieders van kritieke diensten aan de ctp;

iv bis.

een ctp met interoperabele regelingen met de ctp.

4.   De ESMA kan, op verzoek van een afwikkelingsautoriteit, overeenkomstig artikel 31, onder c), van Verordening (EU) nr. 1095/2010 het afwikkelingscollege helpen tot een gezamenlijk besluit te komen.

5.   Wanneer het afwikkelingscollege na vier maanden vanaf de datum van toezending van het afwikkelingsplan niet tot een gezamenlijk besluit is kunnen komen, neemt de afwikkelingsautoriteit zelf een besluit over het afwikkelingsplan. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit met inachtneming van de standpunten die binnen de termijn van vier maanden door de andere leden van het afwikkelingscollege kenbaar zijn gemaakt. De afwikkelingsautoriteit stelt de ctp, haar moederonderneming, in voorkomend geval, en de andere leden van het afwikkelingscollege schriftelijk in kennis van dat besluit.

6.   Indien een groep leden van het afwikkelingscollege die uit een gewone meerderheid van de leden van dit college bestaat aan het einde van die termijn van vier maanden overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 een zaak met betrekking tot het afwikkelingsplan aan de ESMA heeft voorgelegd, wacht de afwikkelingsautoriteit van de ctp een eventueel door de ESMA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af, en neemt zij haar besluit overeenkomstig het besluit van de ESMA.

De termijn van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) No 1095/2010. De ESMA neemt haar besluit binnen één maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De zaak wordt niet meer aan de ESMA voorgelegd na afloop van de termijn van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de ESMA binnen één maand geen besluit neemt, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van toepassing.

7.   Indien een gezamenlijk besluit wordt genomen overeenkomstig lid 1 en een afwikkelingsautoriteit overeenkomstig lid 6 oordeelt dat het onderwerp waarover onenigheid bestaat, afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van haar lidstaat, neemt de afwikkelingsautoriteit van de ctp het initiatief tot een herbeoordeling van het afwikkelingsplan.

HOOFDSTUK II

Afwikkelbaarheid

Artikel 16

Beoordeling van de afwikkelbaarheid

1.   De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, in samenwerking met het afwikkelingscollege overeenkomstig artikel 17, de mate waarin een ctp afwikkelbaar is, zonder uit te gaan van:

a)

▌ openbare financiële steun;

b)

noodliquiditeitssteun van een centrale bank;

c)

liquiditeitssteun van een centrale bank onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd en rentevoet.

2.   Een ctp wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat het haalbaar en geloofwaardig is de ctp volgens normale insolventieprocedures te liquideren of met de afwikkelingsinstrumenten af te wikkelen tijdens de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, terwijl tegelijkertijd de continuïteit van de kritieke functies van de ctp wordt verzekerd en het gebruik van openbare middelen volledig en significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel zoveel mogelijk worden vermeden.

Met nadelige gevolgen in de eerste alinea worden ook bredere financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen in een lidstaat bedoeld.

De afwikkelingsautoriteit stelt de ESMA tijdig in kennis wanneer zij een ctp niet afwikkelbaar acht.

3.   Op verzoek van de afwikkelingsautoriteit toont een ctp aan dat:

a)

er geen belemmeringen bestaan voor de waardevermindering van eigendomsinstrumenten na de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden, ongeacht of uitstaande contractuele regelingen of andere maatregelen in het herstelplan voor de ctp volledig zijn benut;

b)

haar contracten met clearingleden of derde partijen deze clearingleden of derde partijen niet de mogelijkheid verschaffen de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden door een afwikkelingsautoriteit met succes te betwisten of zich aan die bevoegdheden te onttrekken.

4.   Voor de in lid 1 bedoelde beoordeling van de afwikkelbaarheid onderzoekt de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, de in deel C van de bijlage vermelde aangelegenheden.

4 bis.     Uiterlijk op [18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] stelt de ESMA richtsnoeren vast ter bevordering van de convergentie van toezichts- en afwikkelingspraktijken met betrekking tot de toepassing van deel C van de bijlage.

5.   De afwikkelingsautoriteit beoordeelt in samenwerking met het afwikkelingscollege de afwikkelbaarheid gelijktijdig met het opstellen en bijwerken van het afwikkelingsplan overeenkomstig artikel 13.

Artikel 17

Het aanpakken of wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid

1.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit ▌ na de beoordeling overeenkomstig artikel 16 en na overleg met het afwikkelingscollege concludeert dat er wezenlijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van een ctp, stelt de afwikkelingsautoriteit, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten, een verslag op dat zij aan de ctp en het afwikkelingscollege voorlegt.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag bevat een analyse van de ▌ belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden met betrekking tot de ctp, gaat na welke gevolgen dit zal hebben voor het bedrijfsmodel van de ctp en beveelt gerichte maatregelen aan om deze waar mogelijk weg te nemen.

2.   Het vereiste uit hoofde van artikel 15 dat afwikkelingscolleges tot een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsplannen komen, wordt na indiening van het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag opgeschort tot de maatregelen voor het wegnemen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid door de afwikkelingsautoriteit zijn aanvaard overeenkomstig lid 3 van dit artikel of alternatieve maatregelen overeenkomstig lid 4 van dit artikel zijn vastgesteld.

3.   Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het overeenkomstig lid 1 ingediende verslag stelt de ctp de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen voor om de in het verslag genoemde wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen. De afwikkelingsautoriteit stelt het afwikkelingscollege in kennis van elke door de ctp voorgestelde maatregel. De afwikkelingsautoriteit en het afwikkelingscollege beoordelen, overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), of de maatregelen deze belemmeringen effectief aanpakken of wegnemen.

4.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit , rekening houdend met het advies van het afwikkelingscollege , concludeert dat de door een ctp overeenkomstig lid 3 voorgestelde maatregelen de in het verslag aangegeven belemmeringen niet effectief aanpakken of wegnemen, legt de afwikkelingsautoriteit alternatieve maatregelen voor aan het afwikkelingscollege met het oog op een gezamenlijk besluit overeenkomstig artikel 18.

De in de eerste alinea bedoelde alternatieve maatregelen houden rekening met:

a)

het gevaar voor de financiële stabiliteit dat uitgaat van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een ctp;

b)

het effect van de alternatieve maatregelen op de betrokken ctp, haar clearingleden en hun cliënten, gekoppelde FMI's en de interne markt.

b bis)

de effecten van het aanbieden van geïntegreerde clearingdiensten voor verschillende producten en van portefeuillemargining voor verschillende activaklassen.

Voor de toepassing van de tweede alinea, onder b), raadpleegt de afwikkelingsautoriteit de bevoegde autoriteit , het toezichtcollege en het afwikkelingscollege en, indien passend, het ESRB .

5.   De afwikkelingsautoriteit stelt overeenkomstig artikel 18 de ctp schriftelijk, hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks via de bevoegde autoriteit, in kennis van de alternatieve maatregelen om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen. De afwikkelingsautoriteit motiveert waarom de door de ctp voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet kunnen wegnemen en waarom de voorgestelde alternatieve maatregelen dat wel kunnen.

6.   De ctp legt binnen een maand een plan voor van de wijze waarop ze voornemens is om de alternatieve maatregelen binnen de door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde termijn uit te voeren .

7.    Alleen voor de toepassing van lid 4 kan de afwikkelingsautoriteit in samenwerking met de bevoegde autoriteit :

a)

verlangen dat de ctp dienstverleningsovereenkomsten, binnen de groep of met derden, herziet of opstelt om het verrichten van kritieke functies veilig te stellen;

b)

verlangen dat de ctp haar maximale afzonderlijke en samengevoegde ongedekte blootstellingen beperkt;

c)

verlangen dat de ctp wijzigingen aanbrengt in de manier waarop zij margin int en aanhoudt op grond van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

d)

verlangen dat de ctp wijzigingen aanbrengt in de samenstelling en de omvang van haar wanbetalingsfondsen, als bedoeld in artikel 42 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

e)

de ctp specifieke of periodiek in acht te nemen aanvullende informatievereisten opleggen;

f)

verlangen dat de ctp specifieke activa afstoot;

g)

verlangen dat de ctp specifieke bestaande of voorgestelde activiteiten beperkt of staakt;

h)

verlangen dat de ctp wijzigingen aanbrengt in haar herstelplan , werkingsregels en andere contractuele regelingen ;

i)

de ontwikkeling van nieuwe of bestaande bedrijfsonderdelen of de verlening van nieuwe of bestaande diensten beperken of verhinderen;

j)

wijzigingen verlangen in de juridische of operationele structuren van de ctp of eventuele groepsentiteiten, waarover zij direct of indirect zeggenschap heeft, om ervoor te zorgen dat kritieke functies juridisch en operationeel van de andere functies kunnen worden afgesplitst door de toepassing van afwikkelingsinstrumenten;

k)

verlangen dat de ctp een financiële moederholding in een lidstaat of een financiële EU-moederholding opzet;

l)

verlangen dat de ctp ▌ verplichtingen uitgeeft die kunnen worden afgeschreven of omgezet of andere middelen reserveert ter verhoging van de capaciteit voor het opvangen van verliezen, voor herkapitalisatie en de aanvulling van voorgefinancierde middelen;

m)

verlangen dat de ctp ▌ andere stappen zet om ervoor te zorgen dat kapitaal, andere verplichtingen en contracten verliezen kunnen opvangen, dat de ctp wordt geherkapitaliseerd of voorgefinancierde middelen worden aangevuld . Onder de in aanmerking komende maatregelen vallen onder meer pogingen om opnieuw te onderhandelen over eventuele verplichtingen die de ctp heeft uitgegeven of dat contractuele bedingen worden herzien, om te verzekeren dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit tot afschrijving, omzetting of herstructurering van die verplichting, dat instrument of contract zal worden uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied waaronder die verplichtingen of dat instrument ressorteren;

n)

n bis)

interoperabiliteitskoppelingen van de ctp beperken of onderbreken indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van mogelijke nadelige gevolgen die de toepassing van de herstelinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden zouden kunnen hebben voor interoperabele ctp's.

Artikel 18

Coördinatieprocedure voor het aanpakken of wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid

1.   Het afwikkelingscollege komt tot een gezamenlijk besluit over:

a)

het benoemen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid overeenkomstig artikel 16, lid 1;

b)

de beoordeling van de maatregelen die zijn voorgesteld door de ctp overeenkomstig artikel 17, lid 3, indien nodig;

c)

de op grond van artikel 17, lid 4, vereiste alternatieve maatregelen.

2.   Het in lid 1, onder a), bedoelde gezamenlijk besluit over de benoeming van wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid wordt vastgesteld binnen vier maanden na de indiening van het in artikel 17, lid 1, bedoelde verslag bij het afwikkelingscollege.

Het in lid 1, onder b) en c), bedoelde gezamenlijk besluit wordt vastgesteld binnen vier maanden na de voorlegging van de voorgestelde maatregelen van de ctp om de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen.

De in lid 1 bedoelde gezamenlijke besluiten worden met redenen omkleed en door de afwikkelingsautoriteit schriftelijk ter kennis gebracht van de ctp en, in voorkomend geval, haar moederonderneming.

De ESMA kan, op verzoek van de afwikkelingsautoriteit, overeenkomstig artikel 31, onder c), van Verordening (EU) nr. 1095/2010 het afwikkelingscollege helpen tot een gezamenlijk besluit te komen.

3.   Indien het afwikkelingscollege , na vier maanden vanaf de datum waarop het in artikel 17, lid 1, bedoelde verslag is toegezonden, niet tot een gezamenlijk besluit is kunnen komen, neemt de afwikkelingsautoriteit zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 17, lid 5, genomen moeten worden. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit met inachtneming van de standpunten die binnen de termijn van vier maanden door de andere leden van het afwikkelingscollege kenbaar zijn gemaakt.

De afwikkelingsautoriteit stelt de ctp, in voorkomend geval haar moederonderneming, en de andere leden van het afwikkelingscollege schriftelijk in kennis van dat besluit.

4.   Indien een groep leden van het afwikkelingscollege die uit een gewone meerderheid van de leden van dit college bestaat aan het einde van die termijn van vier maanden overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 een zaak als bedoeld in artikel 17, lid 7, onder j), k) of n), aan de ESMA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de ctp haar besluit uit en wacht zij het eventuele door de ESMA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. In dat geval neemt de afwikkelingsautoriteit haar besluit overeenkomstig het besluit van de ESMA.

De termijn van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) No 1095/2010. De ESMA neemt haar besluit binnen één maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De zaak wordt niet meer aan de ESMA voorgelegd na afloop van de termijn van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de ESMA binnen één maand geen besluit neemt, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van toepassing.

TITEL IV

VROEGTIJDIGE INTERVENTIE

Artikel 19

Vroegtijdige-interventiemaatregelen

1.   Wanneer een ctp ▌ de prudentiële voorschriften van Verordening (EU) nr. 648/2012 overtreedt of dreigt te overtreden of een risico vormt voor de stabiliteit van het mondiale financiële stelsel, het financiële stelsel van de Unie of onderdelen van deze stelsels , of wanneer de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat er andere aanwijzingen zijn voor ontwikkelingen die de activiteiten van de ctp , met name haar vermogen om clearingdiensten te verrichten, kan beïnvloeden, kan de bevoegde autoriteit :

a)

verlangen dat de ctp het herstelplan bijwerkt overeenkomstig artikel 9 ▌ wanneer de omstandigheden die vroegtijdige interventie nodig maakten, afwijken van de aannamen die zijn beschreven in het oorspronkelijke herstelplan;

b)

verlangen dat de ctp een of meer van de regelingen of maatregelen in het herstelplan binnen een specifieke termijn toepast. Wanneer het plan is geactualiseerd overeenkomstig punt a), omvatten die regelingen of maatregelen alle geactualiseerde regelingen of maatregelen;

c)

verlangen dat ctp nagaat wat de oorzaken zijn van de overtreding of vermoedelijke overtreding als bedoeld in lid 1, en een actieprogramma opstelt, met inbegrip van passende maatregelen en tijdschema's;

d)

verlangen dat de ctp een vergadering belegt van haar aandeelhouders of, als de ctp deze verplichting niet nakomt, deze vergadering zelf beleggen. In beide gevallen stelt de bevoegde autoriteit de agenda vast, met inbegrip van de besluiten die door de aandeelhouders voor goedkeuring moeten worden besproken;

e)

verlangen dat een of meer leden van de raad of van het hogere management van hun functie worden ontheven of worden vervangen wanneer deze personen overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) nr. 648/2012/EU voor de uitvoering van hun taken ongeschikt worden bevonden;

f)

wijzigingen verlangen in de bedrijfsstrategie van de ctp;

g)

verlangen dat de juridische of operationele structuur van de ctp wordt aangepast;

h)

de afwikkelingsautoriteit alle informatie verschaffen die nodig is voor het actualiseren van het afwikkelingsplan van de ctp ter voorbereiding van de mogelijke afwikkeling van de ctp en de waardering van haar activa en passiva overeenkomstig artikel 24, met inbegrip van alle informatie die door middel van inspecties ter plaatse is verkregen;

i)

verlangen dat, indien nodig en overeenkomstig lid 4, de herstelmaatregelen van de ctp worden uitgevoerd;

j)

verlangen dat de ctp bepaalde herstelmaatregelen niet neemt wanneer de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat deze maatregelen slecht kunnen zijn voor de financiële stabiliteit of de belangen van cliënten overmatig kunnen schaden ;

k)

verlangen dat de ctp haar financiële middelen tijdig aanvult;

k bis)

bij uitzondering en eenmalig toestaan dat cliënten van clearingleden rechtstreeks aan veilingen deelnemen onder vrijstelling van alle prudentiële vereisten van titel IV, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012, behalve de voor die cliënten geldende marginvereisten die in artikel 41 van die verordening zijn vastgesteld. De clearingleden verstrekken hun cliënten uitvoerige informatie over de veiling en faciliteren het biedingsproces voor hun cliënten. De vereiste marginbetalingen van de cliënten worden verwerkt door een niet in gebreke blijvend clearinglid;

k ter)

het vergoeden van kapitaal en als kapitaal aangemerkte instrumenten beperken of verbieden voor zover dat mogelijk is zonder tot onmiddellijke wanbetaling te leiden, met inbegrip van dividenduitkeringen en terugkopen door de ctp, en kan zij betalingen van variabele beloningen op grond van Richtlijn 2013/36/EU en EBA-richtsnoer EBA/GL/2015/22, discretionaire pensioenen en vertrekvergoedingen aan het management beperken, verbieden of bevriezen.

2.   Voor elk van deze maatregelen stelt de bevoegde autoriteit een passende termijn vast en beoordeelt zij achteraf de effectiviteit van de maatregelen.

2 bis.     Voorschriften van het nationale insolventierecht betreffende de vernietigbaarheid of niettegenwerpbaarheid van voor schuldeisers nadelige rechtshandelingen zijn niet van toepassing op vroegtijdige-interventiemaatregelen die door de bevoegde autoriteit worden genomen in overeenstemming met deze verordening.

3.   De bevoegde autoriteit mag de in lid 1, onder a) tot en met k), genoemde maatregelen enkel toepassen na rekening te hebben gehouden met de gevolgen van deze maatregelen in andere lidstaten waar de ctp actief is of diensten verleent, met name wanneer de activiteiten van de ctp kritiek of belangrijk zijn voor lokale financiële markten, met inbegrip van de plaatsen waar clearingleden, gekoppelde handelsplatformen en FMI's gevestigd zijn.

4.   De bevoegde autoriteit mag de in lid 1, onder i), genoemde maatregel enkel toepassen wanneer die maatregel in het algemeen belang en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een van de volgende doelstellingen:

a)

het behoud van de financiële stabiliteit van de Unie;

b)

het behoud en de continuïteit van de kritieke functies van de ctp op transparante en niet-discriminerende basis ;

c)

het behoud en de verbetering van de financiële veerkracht van de ctp.

De bevoegde autoriteit past de in lid 1, onder i), genoemde maatregel niet toe ten aanzien van maatregelen met betrekking tot de overdracht van goederen, rechten of passiva van een andere ctp.

5.   Wanneer een ctp haar trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling heeft opgestart overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) nr. 648/2012, stelt zij de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit daarvan onverwijld in kennis en geeft zij aan of dat wijst op zwakheden of problemen van die ctp.

6.   Wanneer aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, stelt de bevoegde autoriteit de ESMA en de afwikkelingsautoriteit in kennis en raadpleegt zij het toezichtcollege .

Na deze kennisgevingen en de raadpleging van het toezichtcollege besluit de bevoegde autoriteit eventueel de in lid 1 bedoelde maatregelen toe te passen. De bevoegde autoriteit legt het besluit over de te nemen maatregelen voor aan het toezichtcollege , de afwikkelingsautoriteit en de ESMA.

7.   De afwikkelingsautoriteit mag, na de kennisgeving van de eerste alinea van lid 6, verlangen dat de ctp met potentiële kopers contact opneemt om haar afwikkeling voor te bereiden, overeenkomstig de in artikel 41 vastgestelde voorwaarden, de in artikel 71 vervatte vertrouwelijkheidsvoorschriften en het kader inzake marktpeilingen dat is vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 596/2014 en de desbetreffende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen .

Artikel 20

Afzetting van het hogere management en de raad

Wanneer de financiële positie van een ctp significant verslechtert, of wanneer de ctp haar wettelijke verplichtingen, met inbegrip van haar werkingsregels, niet nakomt en wanneer andere overeenkomstig artikel 19 genomen maatregelen niet volstaan om die situatie te verhelpen, kunnen de bevoegde autoriteiten verlangen dat het hogere management of de raad van de ctp geheel of gedeeltelijk wordt afgezet.

De aanstelling van het nieuwe hogere management of de nieuwe raad geschiedt in overeenstemming met artikel 27 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en is onderworpen aan de goedkeuring of instemming van de bevoegde autoriteit.

TITEL IV BIS

GOEDMAKING VAN VERLIEZEN

Artikel 20 bis

Uitgifte van eigendomsinstrumenten in toekomstige winsten voor clearingleden en cliënten die verliezen hebben geleden

1.     Wanneer een ctp, die zich om een andere reden dan wanbetaling in herstel bevindt, de regelingen en maatregelen om de waarde van winsten die de ctp aan niet in gebreke blijvende clearingleden en hun cliënten moet betalen, te verlagen, die zijn opgenomen in haar herstelplan overeenkomstig artikel 9, lid 7 sexies, onder l), punt ii), onder b), die verder gaan dan de trapsgewijze dekking van verliezen uit artikel 45 van Verordening (EU) nr. 648/2012, heeft toegepast op niet in gebreke blijvende clearingleden en hun cliënten, en afwikkeling daardoor is vermeden, kan de bevoegde autoriteit van de ctp, zodra de gematchte portefeuille is hersteld, de ctp verplichten om de door de deelnemers geleden schade te vergoeden via betalingen in contanten of, waar passend, de ctp verplichten om eigendomsinstrumenten in de toekomstige winsten van de ctp uit te geven.

De waarde van eigendomsinstrumenten in toekomstige winsten van de ctp die aan ieder niet in gebreke blijvend clearinglid worden gegeven dat schade heeft geleden, die in een passende vorm aan de cliënten moet worden doorgegeven, moet in verhouding staan tot zijn verlies en gebaseerd zijn op een waardering in overeenstemming met artikel 24, lid 3. Die eigendomsinstrumenten geven de houder ervan het recht jaarlijks betalingen te ontvangen van de ctp tot het verlies volledig is goedgemaakt gedurende een passend maximaal aantal jaren na de uitgiftedatum. Een passend maximaal aandeel van de jaarlijkse winst van de ctp wordt gebruikt voor betalingen met betrekking tot die eigendomsinstrumenten.

2.     Dit artikel doet niets af aan de verantwoordelijkheid van clearingleden om verliezen te dragen die verder gaan dan de trapsgewijze dekking van verliezen.

3.     De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op ter precisering van de volgorde waarin vergoedingen moeten worden betaald, het passende maximale aantal jaren en het passende maximale aandeel van de jaarlijkse winst van de ctp als bedoeld in lid 1, alinea 2.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [XXX na de inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

De Commissie is bevoegd om deze verordening aan te vullen door de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

TITEL V

AFWIKKELING

HOOFDSTUK I

Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen

Artikel 21

Afwikkelingsdoelstellingen

1.   Bij het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten en het uitoefenen van de afwikkelingsbevoegdheden houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de volgende afwikkelingsdoelstellingen en het gewicht dat zij hieraan toekent, hangt af van de aard en omstandigheden van elke zaak:

a)

het verzekeren van de continuïteit van de kritieke functies van de ctp, met name:

i)

de tijdige afwikkeling van de verplichtingen van de ctp jegens haar clearingleden en hun cliënten;

ii)

permanente toegang van clearingleden tot effecten of liquiditeitsrekeningen die door de ctp ter beschikking worden gesteld en zekerheden in de vorm van effecten of contanten die door de ctp worden aangehouden voor rekening van die clearingleden;

b)

het verzekeren van de continuïteit van de koppelingen met andere FMI's waarvan de verstoring wezenlijke negatieve gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit of de tijdige uitvoering van de betaling-, clearing-, afwikkelings- en registratietaken;

c)

het vermijden van significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel, met name door besmetting met financiële stress van clearingleden van de ctp, hun cliënten of het bredere financiële stelsel, met inbegrip van andere FMI's, te voorkomen en door de marktdiscipline en het vertrouwen van het publiek te handhaven ;

d)

het beschermen van overheidsmiddelen door het beroep op ▌ openbare financiële steun en de mogelijke verliezen voor belastingbetalers tot een minimum te beperken;

e)

het minimaliseren van de afwikkelingskosten voor alle betrokken belanghebbenden en vermijden dat de waarde van de ctp wordt vernietigd , tenzij die vernietiging noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken .

2.   De raad en het hogere management van een ctp in afwikkeling verstrekken de afwikkelingsautoriteit alle steun die voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen nodig is.

Artikel 22

Voorwaarden voor afwikkeling

1.   De afwikkelingsautoriteit neemt een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van een ctp, op voorwaarde dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de ctp failleert of zal waarschijnlijk failleren, zoals vastgesteld door:

i)

de bevoegde autoriteit, na overleg met de afwikkelingsautoriteit;

ii)

de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de bevoegde autoriteit, wanneer de afwikkelingsautoriteit over de noodzakelijke instrumenten beschikt om tot die conclusie te komen;

b)

er valt redelijkerwijs niet te verwachten dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van een toezichthouder, met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen, binnen een redelijk tijdsbestek kunnen voorkomen dat de ctp failliet gaat, gelet op alle relevante omstandigheden; en

c)

een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het openbaar belang om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken wanneer de contractuele regelingen voor verliestoewijzing van de ctp worden uitgevoerd of wanneer die regelingen onvolledig zijn en de liquidatie van de ctp volgens normale insolventieprocedures deze doelstellingen niet in dezelfde mate verwezenlijkt.

Voor de toepassing van punt a), onder ii), verstrekt de bevoegde autoriteit onverwijld en op eigen initiatief alle informatie waaruit blijkt dat de ctp failleert of waarschijnlijk failleert aan de afwikkelingsautoriteit. De bevoegde autoriteit verstrekt op verzoek ook alle andere informatie aan de afwikkelingsautoriteit die nodig is om haar beoordeling uit te voeren .

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt een ctp geacht te failleren of waarschijnlijk te failleren wanneer ten minste één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

a)

de ctp maakt inbreuk, of dreigt inbreuk te maken op haar vergunningsvoorschriften op een wijze die de intrekking van de vergunning op grond van artikel 20 van Verordening (EU) nr. 648/2012 zou rechtvaardigen;

b)

de ctp is niet in staat of waarschijnlijk niet in staat om een kritieke functie te verrichten;

c)

de ctp is niet in staat of waarschijnlijk niet in staat met de herstelmaatregelen haar levensvatbaarheid te herstellen;

d)

de ctp is niet in staat of waarschijnlijk niet in staat haar schulden of andere verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden;

e)

de ctp heeft ▌ openbare financiële steun nodig.

Voor de toepassing van punt e) wordt een maatregel niet beschouwd als ▌ openbare financiële steun wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan :

i)

de steun neemt de vorm aan van een staatsgarantie ter dekking van liquiditeitsfaciliteiten die door een centrale bank worden verstrekt overeenkomstig de voorwaarden van de centrale bank, of de vorm van een staatsgarantie met betrekking tot nieuwe verplichtingen;

i bis)

geen enkele van de in a) tot en met d) van dit lid genoemde omstandigheden is van toepassing op het moment dat de openbare financiële steun wordt toegekend;

i ter)

de staatsgaranties als bedoeld in punt i) zijn noodzakelijk om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat te corrigeren en de financiële stabiliteit te vrijwaren;

ii)

de staatsgaranties als bedoeld in punt i) zijn beperkt tot solvabele ctp's, behoudens definitieve goedkeuring op grond van de staatssteunregels van de Unie, zijn voorzorgsmaatregelen van tijdelijke aard in verhouding tot het doel de gevolgen van de ernstige verstoring als bedoeld in punt i ter) te verhelpen en worden niet ingezet ter compensatie van verliezen die de ctp heeft geleden of waarschijnlijk in de toekomst zal lijden;

 

3.   De afwikkelingsautoriteit kan ook een afwikkelingsmaatregel nemen wanneer zij van mening is dat de ctp ter voorkoming van een faillissement herstelmaatregelen toepast of zal toepassen die echter significante nadelige gevolgen kunnen hebben voor het financiële stelsel.

3 bis.     Het besluit van een afwikkelingsautoriteit dat een ctp wordt geacht te failleren of waarschijnlijk te failleren, kan alleen worden aangevochten als dit besluit willekeurig en onredelijk was wanneer het werd genomen, op basis van de op dat moment beschikbare informatie.

4.   De ESMA stelt richtsnoeren vast ter bevordering van de convergentie van toezicht- en afwikkelingspraktijken betreffende het voorkomen van de omstandigheden waaronder een ctp wordt geacht te failleren of waarschijnlijk te failleren, uiterlijk op [PB: datum invoegen 12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] , indien en waar passend met inachtneming van de verschillen in omvang en aard van de in de Unie gevestigde ctp's.

Bij de vaststelling van deze richtsnoeren houdt de ESMA rekening met de richtsnoeren overeenkomstig artikel 32, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU.

Artikel 23

Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling

De afwikkelingsautoriteit neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 27 bedoelde afwikkelingsinstrumenten te gebruiken en de in artikel 48 bedoelde afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen, overeenkomstig de volgende beginselen:

a)

alle contractuele verplichtingen en andere regelingen in het herstelplan voor de ctp worden ▌ nagekomen, voor zover dat vóór de afwikkeling nog niet is gebeurd, tenzij de afwikkelingsautoriteit , in extreme omstandigheden, vaststelt dat het passender is afwikkelingsinstrumenten te gebruiken of afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen om de afwikkelingsdoelstellingen tijdig te verwezenlijken;

b)

de aandeelhouders van de ctp in afwikkeling dragen de eerste verliezen na de nakoming van alle verplichtingen en regelingen, bedoeld in punt a) overeenkomstig dat punt;

c)

schuldeisers van de ctp in afwikkeling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

d)

schuldeisers van de ctp uit dezelfde categorie worden op gelijkwaardige wijze behandeld;

e)

geen enkele aandeelhouder, schuldeiser en geen enkel clearinglid of cliënt van een clearinglid van de ctp lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden in overeenstemming met artikel 60 ;

f)

de raad en het hogere management van de ctp in afwikkeling worden vervangen, behalve wanneer de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat het aanblijven van de raad en het hogere management of een deel ervan, naargelang de omstandigheden, noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen;

g)

afwikkelingsautoriteiten informeren en raadplegen vertegenwoordigers van de werknemers overeenkomstig de nationale wetgevingen of praktijken;

h)

wanneer een ctp deel uitmaakt van een groep, houden de afwikkelingsautoriteiten rekening met de gevolgen voor andere groepsentiteiten en voor de groep als geheel.

HOOFDSTUK II

Waardering

Artikel 24

Doelstellingen van waardering

1.   De afwikkelingsautoriteiten dragen er zorg voor dat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen op basis van een waardering ter waarborging van een eerlijke, prudente en realistische beoordeling van de activa, passiva, rechten en verplichtingen van de ctp.

2.   Voordat de afwikkelingsautoriteit een ctp in afwikkeling plaatst, zorgt zij ervoor dat een initiële waardering wordt uitgevoerd om te bepalen of aan de voorwaarden voor afwikkeling uit hoofde van artikel 22, lid 1, is voldaan.

3.   Nadat de afwikkelingsautoriteit heeft besloten een ctp in afwikkeling te plaatsen, zorgt zij ervoor dat een tweede waardering wordt uitgevoerd om:

a)

het besluit over de te nemen passende afwikkelingsmaatregel te onderbouwen;

b)

ervoor te zorgen dat verliezen met betrekking tot de activa en rechten van de ctp ten volle worden erkend op het moment waarop de afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt;

c)

het besluit te onderbouwen over de omvang van de intrekking of verwatering van eigendomsinstrumenten en het besluit over het aantal en de waarde van eigendomsinstrumenten die worden uitgegeven of overgedragen ten gevolge van de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden;

d)

het besluit te onderbouwen over de omvang van de afschrijving of omzetting van alle ongedekte passiva, met inbegrip van schuldinstrumenten;

e)

om, wanneer de instrumenten voor verlies- en positietoewijzing worden gebruikt, het besluit te onderbouwen over de omvang van de verliezen die moeten worden genomen op vorderingen van getroffen schuldeisers, uitstaande verplichtingen of posities ten aanzien van de ctp en over de omvang en noodzaak van een cash call bij afwikkeling ;

f)

om, wanneer het instrument van de overbruggings-ctp wordt gebruikt, het besluit te onderbouwen over de activa, passiva, rechten en verplichtingen of eigendomsinstrumenten die kunnen worden overgedragen aan de overbruggings-ctp en het besluit over de waarde van vergoedingen die kunnen worden betaald aan de ctp in afwikkeling of, in voorkomend geval, aan de houders van de eigendomsinstrumenten;

g)

om, wanneer het instrument van verkoop van de onderneming wordt gebruikt, het besluit te onderbouwen over de activa, passiva, rechten en verplichtingen of eigendomsinstrumenten die kunnen worden overgedragen aan de derde koper alsook om vorm te geven aan de opvatting van de afwikkelingsautoriteit over wat commerciële voorwaarden zijn voor de toepassing van artikel 40;

g bis)

de prijs van een contractbeëindiging door de afwikkelingsautoriteit wordt, voor zover mogelijk, op een eerlijke en een op basis van de regels en regelingen van de ctp bepaalde marktprijs gebaseerd en wordt enkel door een andere methode om de prijs te bepalen vervangen als de afwikkelingsautoriteit dit noodzakelijk acht.

Voor de toepassing van punt d) houdt de waardering rekening met eventuele verliezen die worden opgevangen door de nakoming van alle uitstaande verplichtingen van de clearingleden of andere derde partijen jegens de ctp en met de omvang van de omzetting die op schuldinstrumenten moet worden toegepast.

4.   Beroep overeenkomstig artikel 72 tegen de in de leden 2 en 3 bedoelde waarderingen is enkel mogelijk samen met het besluit om een afwikkelingsinstrument toe te passen of een afwikkelingsbevoegdheid uit te oefenen.

Artikel 25

Voorschriften voor waardering

1.   De afwikkelingsautoriteit draagt er zorg voor dat de in artikel 24 bedoelde waardering wordt uitgevoerd:

a)

door een persoon die onafhankelijk is van een overheidsinstantie en van de ctp;

b)

door de afwikkelingsautoriteit, wanneer deze waarderingen niet worden uitgevoerd door een persoon als bedoeld in punt a).

2.   De in artikel 24 bedoelde waarderingen worden als definitief beschouwd wanneer ze worden uitgevoerd door een persoon als bedoeld in lid 1, onder a), en wanneer aan alle vereisten van dit artikel is voldaan.

3.   Onverminderd de staatssteunregels van de Unie wordt een definitieve waardering, in voorkomend geval, gebaseerd op prudente aannamen en wordt niet uitgegaan van de eventuele toekenning van ▌ openbare financiële steun, noodliquiditeitssteun van een centrale bank of liquiditeitssteun van een centrale bank onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd en rentevoet aan de ctp vanaf het moment waarop de afwikkelingsmaatregel is genomen. In de waardering wordt ook rekening gehouden met de mogelijke terugvordering van de redelijke kosten die de ctp in afwikkeling overeenkomstig artikel 27, lid 9, heeft gemaakt.

4.   Een definitieve waardering wordt aangevuld met de volgende informatie waarover de ctp beschikt:

a)

een geactualiseerde balans en een verslag over de financiële positie van de ctp, met inbegrip van de resterende beschikbare voorgefinancierde middelen en uitstaande financiële verplichtingen;

b)

de gegevens van geclearde contracten als bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

c)

informatie over de markt en de nominale waarde van de activa, passiva en posities van de ctp, met inbegrip van relevante vorderingen en uitstaande verplichtingen verschuldigd aan of door de ctp.

5.   In de definitieve waardering worden de schuldeisers onderverdeeld in categorieën overeenkomstig hun rangordeniveau volgens het toepasselijke insolventierecht. Dit omvat ook een inschatting van de behandeling die elke categorie van aandeelhouders en schuldeisers naar verwachting zou hebben genoten bij toepassing van het in artikel 23, onder e), bedoelde beginsel.

De in de eerste alinea bedoelde inschatting laat de in artikel 61 bedoelde waardering onverlet.

6.   De ESMA stelt, rekening houdend met technische reguleringsnormen die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 36, leden 14 en 15, van Richtlijn 2014/59/EU, ontwerpen van technische reguleringsnormen vast tot nadere bepaling van:

a)

de omstandigheden waaronder een persoon wordt geacht onafhankelijk te zijn van zowel de afwikkelingsautoriteit als de ctp voor de toepassing van lid 1 van dit artikel;

b)

de methode voor het bepalen van de waarde van de activa en verplichtingen van de ctp;

c)

de scheiding van de waarderingen krachtens de artikelen 24 en 61;

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk bij de Commissie in op [PB: datum invoegen: binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening].

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

Artikel 26

Voorlopige waardering

1.   De in artikel 24 bedoelde waarderingen die niet voldoen aan de in artikel 25, lid 2, vastgestelde voorschriften worden beschouwd als voorlopige waarderingen.

Voorlopige waarderingen omvatten een buffer voor bijkomende verliezen en een passende motivering voor die buffer.

2.   Wanneer afwikkelingsautoriteiten afwikkelingsmaatregelen nemen op basis van een voorlopige waardering, zorgen zij ervoor dat zo spoedig mogelijk een definitieve waardering wordt uitgevoerd.

De afwikkelingsautoriteit zorgt ervoor dat de definitieve waardering als bedoeld in de eerste alinea:

a)

volledige erkenning van verliezen van de ctp in haar boeken mogelijk maakt;

b)

een besluit onderbouwt om de vorderingen van de schuldeisers terug te nemen of de waarde van de betaalde vergoeding te verhogen, overeenkomstig lid 3.

3.   Wanneer de raming van de nettowaarde van de activa van de ctp in de definitieve waardering hoger is dan in de voorlopige waardering kan de afwikkelingsautoriteit:

a)

de waarde verhogen van de afgeschreven of geherstructureerde vorderingen van getroffen schuldeisers;

b)

een overbruggings-ctp de opdracht geven een verdere betaling van de vergoeding met betrekking tot de activa, passiva, rechten en verplichtingen te verrichten aan de ctp in afwikkeling, of in voorkomend geval, van de vergoeding met betrekking tot de eigendomsinstrumenten aan de eigenaars van deze instrumenten.

4.   De ESMA stelt, rekening houdend met technische reguleringsnormen die zijn opgesteld in overeenstemming met artikel 36, lid 15, van Richtlijn 2014/59/EU, ontwerpen van technische reguleringsnormen vast tot nadere bepaling, voor de toepassing van lid 1 van dit artikel, van de methode voor de berekening van de buffer voor bijkomende verliezen die moet worden opgenomen in de voorlopige waardering.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk bij de Commissie in op [PB: datum invoegen: binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening].

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK III

Afwikkelingsinstrumenten

AFDELING 1

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 27

Algemene bepalingen met betrekking tot afwikkelingsinstrumenten

1.   De afwikkelingsautoriteiten nemen afwikkelingsmaatregelen als bedoeld in artikel 21, aan de hand van een van de volgende afwikkelingsinstrumenten, zowel afzonderlijk als in combinatie:

a)

de instrumenten voor positie- en verliestoewijzing;

b)

het afschrijvings- en omzettingsinstrument;

c)

het instrument van verkoop van de onderneming;

d)

het instrument van de overbruggings-ctp;

e)

ieder ander afwikkelingsinstrument overeenkomstig de artikelen 21 en 23.

2.   In het geval van een systeemcrisis kan de afwikkelingsautoriteit ook ▌ openbare financiële steun verlenen door gebruik te maken van overheidsinstrumenten voor stabilisatie overeenkomstig de artikelen 45, 46 en 47, mits voorafgaande en definitieve goedkeuring wordt verleend op grond van de staatssteunregels van de Unie en alomvattende en geloofwaardige regelingen worden ontworpen om de middelen gedurende een passende termijn terug te vorderen .

3.   Voorafgaand aan het gebruik van de in lid 1 bedoelde instrumenten handhaaft de afwikkelingsautoriteit:

a)

alle huidige en uitstaande rechten van de ctp, met inbegrip van contractuele verplichtingen van clearingleden om cash calls te honoreren, om de ctp aanvullende middelen te verstrekken, of om posities in te nemen van in gebreke blijvende clearingleden, door een veiling of een ander in de werkingsregels van de ctp overeengekomen middel;

b)

alle huidige en uitstaande contractuele verplichtingen die andere partijen dan clearingleden verplichten tot enige vorm van financiële steun.

De afwikkelingsautoriteit kan de onder a) en b) bedoelde verplichtingen gedeeltelijk doen naleven wanneer het niet mogelijk is deze contractuele verplichtingen binnen een redelijke termijn volledig te doen naleven.

4.   In afwijking van lid 3 kan de afwikkelingsautoriteit besluiten de betrokken bestaande en uitstaande verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet te doen naleven ter voorkoming van significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel of een wijdverbreide besmetting, of wanneer het gebruik van de in lid 1 bedoelde instrumenten passender is om de afwikkelingsdoelstellingen tijdig te verwezenlijken.

▌6.   Indien het gebruik van een ander afwikkelingsinstrument dan het afschrijvings- en omzettingsinstrument ertoe leidt dat clearingleden verliezen lijden, wordt de bevoegdheid tot het afschrijven en omzetten van de eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva door de afwikkelingsautoriteit onmiddellijk vóór of tegelijk met de toepassing van het afwikkelingsinstrument uitgeoefend.

7.   Indien enkel de in lid 1, onder c) en d), bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt, en slechts een deel van de activa, rechten, verplichtingen of passiva van de ctp in afwikkeling overeenkomstig de artikelen 40 en 42 wordt overgedragen, moet het resterende deel van die ctp volgens normale insolventieprocedures worden geliquideerd.

8.   De voorschriften van het nationale insolventierecht betreffende de nietigheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de schuldeisers nadelige rechtshandelingen zijn niet van toepassing op de overdracht van activa, rechten, verplichtingen of passiva van een ctp ten aanzien waarvan afwikkelingsinstrumenten of overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie worden gebruikt.

9.   De afwikkelingsautoriteit krijgt gedurende een passende termijn redelijke uitgaven , met inbegrip van een passende risicopremie, die in verband met het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten of de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden of in verband met het gebruik van de overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie zijn gedaan, terug op elk van de volgende wijzen:

a)

van de ctp in afwikkeling, als preferente schuldeiser;

b)

uit vergoedingen betaald door de koper wanneer het instrument van verkoop van de onderneming is gebruikt;

c)

uit de opbrengsten die voortvloeien uit de stopzetting van de overbruggings-ctp, als preferente schuldeiser;

c bis)

van clearingleden, voor zover een clearinglid geen grotere verliezen lijdt dan de verliezen die hij zou hebben geleden indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen ten aanzien van de ctp en hij in plaats daarvan zou zijn onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp of andere regelingen in haar werkingsregels of indien de ctp volgens normale insolventieprocedures was geliquideerd;

c ter)

van inkomsten uit het gebruik van overheidsinstrumenten voor stabilisatie, met inbegrip van winsten uit de verkoop van de eigendomsinstrumenten, zoals bedoeld in artikel 46, en uit de verkoop van een ctp waarop het instrument voor tijdelijke overheidseigendom van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 47.

9 bis.     Om de bedragen te bepalen die moeten worden gerecupereerd krachtens het vorige lid, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met het bedrag dat de cliënten en leden van de ctp anders hadden moeten bijdragen, zowel overeenkomstig de regels en regelingen van de ctp als bij afwikkeling, indien de autoriteiten geen overheidssteun hadden toegekend.

10.   Bij het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten zorgen de afwikkelingsautoriteiten, op basis van een waardering die aan artikel 25 voldoet, voor de volledige toewijzing van verliezen, het herstel van een gematchte portefeuille, de aanvulling van de voorgefinancierde middelen van de ctp of de overbruggings-ctp en de herkapitalisatie van de ctp of de overbruggings-ctp.

Artikel 27 bis

De mogelijkheid om ctp-deelnemers te compenseren, is niet van toepassing op hun contractuele verliezen tijdens de standaardbeheers- of herstelfasen.

AFDELING 2

INSTRUMENTEN VOOR POSITIE- EN VERLIESTOEWIJZING

Artikel 28

Doelstelling en toepassingsgebied van de instrumenten voor positie- en verliestoewijzing

1.   De afwikkelingsautoriteiten gebruiken het instrument voor positietoewijzing overeenkomstig artikel 29 en de instrumenten voor verliestoewijzing overeenkomstig de artikelen 30 en 31.

2.   De in lid 1 bedoelde instrumenten kunnen worden gebruikt voor alle contracten met betrekking tot clearingdiensten en de bij de ctp gestorte zekerheden in verband met deze diensten.

3.   De afwikkelingsautoriteiten maken gebruik van het in artikel 29 bedoelde instrument voor positietoewijzing om, in voorkomend geval, de portefeuille van de ctp of de overbruggings-ctp te rematchen.

De afwikkelingsautoriteiten gebruiken de in de artikelen 30 en 31 bedoelde instrumenten voor verliestoewijzing om:

a)

de overeenkomstig artikel 27, lid 10, beoordeelde verliezen van de ctp te dekken;

b)

de ctp opnieuw in staat te stellen te voldoen aan betalingsverplichtingen wanneer deze opeisbaar worden;

b bis)

het herstel van een gematchte portefeuille te bevorderen;

c)

het herstel van een gematchte portefeuille te bevorderen door de ctp middelen te verstrekken zodat ze voldoet aan een veilingsbod en de wanbetalerposities kan toewijzen of betalingen kan maken voor de krachtens artikel 29 beëindigde contracten;

d)

het resultaat als bedoeld onder a), b) en c) met betrekking tot een overbruggings-ctp te verwezenlijken;

e)

de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van de ctp aan een solvabele derde door middel van het instrument van verkoop van de onderneming te ondersteunen.

Artikel 29

Beëindiging van contracten — geheel of gedeeltelijk

1.   De afwikkelingsautoriteit kan sommige of alle van de volgende contracten beëindigen:

a)

de contracten van het in gebreke gebleven clearinglid;

b)

de contracten voor de betrokken clearingdienst of activacategorie;

c)

de contracten van de ctp in afwikkeling.

1 bis.     Bij de uitoefening van de bevoegdheid uit hoofde van lid 1 beëindigt de afwikkelingsautoriteit de onder a), b) en c) van dat lid bedoelde contracten op soortgelijke wijze, zonder dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de tegenpartijen bij die contracten, met uitzondering van de contractuele verplichtingen die niet binnen een redelijk tijdsbestek kunnen worden nageleefd.

2.   De afwikkelingsautoriteit kan de in lid 1, onder a), bedoelde contracten enkel beëindigen indien de overdracht van de activa en posities die voortvloeien uit deze contracten niet heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 48, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012.

3.   De afwikkelingsautoriteit stelt alle betrokken clearingleden in kennis van de datum waarop de in lid 1 bedoelde contracten worden beëindigd.

4.   Voorafgaand aan de beëindiging van in lid 1 bedoelde contracten verricht de afwikkelingsautoriteit de volgende stappen:

a)

zij verlangt dat de ctp in afwikkeling elk contract waardeert en de rekeningen van elk clearinglid actualiseert;

b)

zij stelt het door of aan elk clearinglid te betalen nettobedrag vast, rekening houdend met eventuele nog verschuldigde variatiemargin, met inbegrip van variatiemargin die is verschuldigd op basis van de contractwaarderingen als bedoeld onder a);

c)

zij stelt elk clearinglid in kennis van de vastgestelde nettobedragen en int deze dienovereenkomstig.

Zodra het contract is beëindigd, stelt de afwikkelingsautoriteit de bevoegde autoriteit van elke cliënt die als ASI is aangemerkt, van wie het contract is beëindigd, tijdig in kennis.

4 bis.     De prijs van een contractbeëindiging door de afwikkelingsautoriteit op grond van dit artikel wordt op een eerlijke en een op basis van de regels en regelingen van de ctp bepaalde marktprijs gebaseerd of, indien de afwikkelingsautoriteit het gebruik van een alternatieve methode noodzakelijk acht, op een andere passende methode om de prijs te bepalen.

5.   Wanneer een niet in gebreke blijvend clearinglid het overeenkomstig lid 4 vastgestelde nettobedrag niet kan betalen, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat de ctp het niet in gebreke blijvend clearinglid in gebreke stelt en zijn initiële margin en bijdrage aan het wanbetalingsfonds gebruikt overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) nr. 648/2012.

6.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit een of meer contracten van de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde soort heeft beëindigd, belet zij tijdelijk dat de ctp een nieuw contract van dezelfde soort als het beëindigde contract cleart.

De afwikkelingsautoriteit kan de ctp pas toestaan die soorten contracten opnieuw te clearen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de ctp voldoet aan de voorschriften van Verordening (EU) nr. 648/2012;

b)

de afwikkelingsautoriteit vaardigt daartoe en bericht uit en maakt dat bekend aan de hand van de in artikel 70, lid 3, bedoelde middelen.

Artikel 30

Waardevermindering van door de ctp aan niet in gebreke blijvende clearingleden en hun cliënten uit te betalen winsten

1.   De afwikkelingsautoriteit kan het bedrag verminderen van de betalingsverplichtingen van de ctp jegens niet in gebreke blijvende clearingleden en hun cliënten wanneer deze verplichtingen voortvloeien uit verschuldigde winsten overeenkomstig de procedures van de ctp voor de betaling van variatiemargin of een in economische zin gelijkwaardige betaling. Clearingleden informeren onverwijld hun cliënten over het gebruik van het afwikkelingsinstrument en de manier waarop dat voor hen van invloed is.

2.   De afwikkelingsautoriteit berekent elke verlaging van de in lid 1 bedoelde betalingsverplichtingen door middel van een billijk toewijzingsmechanisme dat is vastgesteld in de overeenkomstig artikel 24, lid 3, verrichte waardering en waarvan de clearingleden in kennis worden gesteld zodra het afwikkelingsinstrument wordt gebruikt. De totale voor elk clearinglid te verminderen nettowinsten zijn evenredig met de door de ctp verschuldigde bedragen.

3.   De waardevermindering van de verschuldigde winsten gaat in en wordt onmiddellijk bindend voor de ctp en de betrokken clearingleden vanaf het moment waarop de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsmaatregel neemt.

3 bis.     Elke uitoefening van de in dit artikel bedoelde bevoegdheden die een invloed heeft op de posities van een als ASI aangemerkte cliënt, wordt tijdig meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van die cliënt.

4.     Een niet in gebreke blijvend clearinglid kan in verband met de vermindering van de in lid 1 bedoelde betalingsverplichtingen in een later stadium van de procedure geen enkel recht doen gelden jegens de ctp of haar opvolger.

5.   Wanneer een afwikkelingsautoriteit de verschuldigde winsten slechts gedeeltelijk in waarde vermindert, blijft het resterende uitstaande bedrag verschuldigd aan het niet in gebreke blijvende clearinglid.

5 bis.     De ctp verwijst in haar werkingsregels naar de bevoegdheid om de in lid 1 bedoelde betalingsverplichtingen te verlagen en naar gelijksoortige regelingen in haar werkingsregels voor de herstelfase. De ctp voorziet in de nodige contractuele regelingen zodat de afwikkelingsautoriteit haar bevoegdheden op grond van dit artikel kan uitoefenen.

Artikel 31

Cash call bij afwikkeling

1.   De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat niet in gebreke blijvende clearingleden bijdragen in contanten leveren aan de ctp . Het bedrag van die bijdragen in contanten wordt bepaald door de afwikkelingsautoriteit om de afwikkelingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 21, lid 1, zo goed mogelijk te verwezenlijken.

Wanneer de ctp verschillende wanbetalingsfondsen aanhoudt, heeft het bedrag van de bijdrage in contanten als bedoeld in de eerste alinea betrekking op de bijdrage van het clearinglid aan het wanbetalingsfonds of de wanbetalingsfondsen van de betrokken clearingdienst of activacategorie.

De afwikkelingsautoriteit kan overgaan tot een cash call bij afwikkeling ongeacht of alle contractuele verplichtingen op grond waarvan bijdragen in contanten van niet in gebreke blijvende clearingleden worden verlangd, volledig zijn uitgevoerd.

De afwikkelingsautoriteit bepaalt het bedrag van elke bijdrage in contanten door een niet in gebreke blijvend clearinglid in verhouding tot de bijdrage van dat clearinglid aan het wanbetalingsfonds.

2.   Indien een niet in gebreke blijvend clearinglid het vereiste bedrag niet betaalt, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat de ctp dat clearinglid in gebreke stelt en de initiële margin en bijdrage aan het wanbetalingsfonds van dat clearinglid gebruikt overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) nr. 648/2012.

2 bis.     De ctp neemt in haar werkingsregels een verwijzing naar cash calls bij afwikkeling op naast die naar cash calls bij herstel en zorgt ervoor dat contractuele regelingen worden overeengekomen zodat de afwikkelingsautoriteit haar bevoegdheden op grond van dit artikel kan uitoefenen.

2 ter.     De afwikkelingsautoriteit bepaalt het bedrag van de cash call bij afwikkeling dat in de werkingsregels moet worden opgenomen en dat minstens gelijk is aan de bijdrage van het clearinglid aan het wanbetalingsfonds.

2 quater.     De afwikkelingsautoriteit bepaalt het bedrag van de cash call bij afwikkeling dat in de werkingsregels moet worden opgenomen.

AFDELING 3

AFSCHRIJVING EN OMZETTING VAN EIGENDOMSINSTRUMENTEN EN SCHULDINSTRUMENTEN OF ANDERE ONGEDEKTE PASSIVA

Artikel 32

Verplichting om eigendomsinstrumenten en schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva af te schrijven en om te zetten

1.   De afwikkelingsautoriteit gebruikt het afschrijvings- en omzettingsinstrument overeenkomstig artikel 33 ten aanzien van door de ctp in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten en schuldinstrumenten of andere niet-gedekte passiva om verliezen op te vangen, de ctp of een overbruggings-ctp te herkapitaliseren, of om het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming te ondersteunen.

▌2.   Op basis van de waardering uitgevoerd overeenkomstig artikel 24, lid 3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit:

a)

het bedrag van de afschrijving van eigendomsinstrumenten en schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva, rekening houdend met eventuele verliezen die worden geabsorbeerd door de nakoming van alle uitstaande verplichtingen van de clearingleden of andere derde partijen jegens de ctp;

b)

het bedrag van de omzetting van schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva in eigendomsinstrumenten om de prudentiële voorschriften van de ctp of de overbruggings-ctp te herstellen.

Artikel 33

Bepalingen inzake de afschrijving of omzetting van eigendomsinstrumenten en schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva

1.   De afwikkelingsautoriteit gebruikt het afschrijvings- en omzettingsinstrument met inachtneming van de rangorde van vorderingen in het kader van een normale insolventieprocedure.

2.   Voorafgaand aan de vermindering of omzetting van de hoofdsom van schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva verlaagt de afwikkelingsautoriteit de notionele waarde van eigendomsinstrumenten in verhouding tot de verliezen en voor hun volledige waarde, indien nodig.

Wanneer de ctp na de overeenkomstig artikel 24, lid 3, uitgevoerde waardering een positieve nettowaarde overhoudt na de vermindering van de waarde van eigendomsinstrumenten, annuleert of verwatert de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, deze eigendomsinstrumenten.

3.   De hoofdsom van schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva wordt door de afwikkelingsautoriteit verlaagd of omgezet, of beide, voor zover dit noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, en voor de volledige waarde van deze instrumenten of passiva, indien nodig.

4.   De afwikkelingsautoriteit maakt geen gebruik van het afschrijvings- en omzettingsinstrument ten aanzien van de volgende verplichtingen:

a)

verplichtingen jegens werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij wet of bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de beloning;

b)

verplichtingen jegens commerciële of handelsschuldeisers welke voortvloeien uit de levering van goederen of diensten aan de ctp die kritiek zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten ervan, zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de huur, exploitatie en het onderhoud van bedrijfsruimten;

c)

verplichtingen jegens belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties mits het, volgens het toepasselijke insolventierecht, preferente verplichtingen betreft;

d)

verplichtingen jegens systemen of exploitanten van systemen als bedoeld in Richtlijn 98/26/EG.

5.   Indien het notionele bedrag van een eigendomsinstrument of de hoofdsom van een schuldinstrument of van andere ongedekte passiva is verminderd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

a)

deze vermindering is permanent;

b)

de houder van het instrument mag geen vordering hebben in verband met deze vermindering, met uitzondering van alle reeds te betalen verplichtingen, alle schadevergoedingsverplichtingen die kunnen ontstaan uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van deze vermindering, en alle vorderingen op basis van overeenkomstig lid 6 uitgegeven of overgedragen eigendomsinstrumenten;

c)

wanneer deze vermindering slechts gedeeltelijk is, blijft de overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd van toepassing op het resterende bedrag, behoudens noodzakelijke wijzigingen van de voorwaarden van deze overeenkomst als gevolg van de vermindering.

Punt a) belet niet dat afwikkelingsautoriteiten een opwaarderingsregeling toepassen om de houders van schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva te vergoeden, en vervolgens de houders van eigendomsinstrumenten, wanneer het niveau van afschrijvingen op basis van de voorlopige waardering hoger is dan de vereiste bedragen wanneer dit niveau wordt vergeleken met dat van de definitieve waardering overeenkomstig artikel 26, lid 2.

6.   Bij het omzetten van schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva overeenkomstig lid 3, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat ctp's of hun moederondernemingen eigendomsinstrumenten uitgeven of overdragen aan de houders van de schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva.

7.   De afwikkelingsautoriteit zet alleen schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva overeenkomstig lid 3 om wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de afwikkelingsautoriteit heeft de toestemming gekregen van de bevoegde autoriteit van de moederonderneming wanneer de moederonderneming de eigendomsinstrumenten moet uitgeven;

b)

de eigendomsinstrumenten zijn uitgegeven voordat de ctp eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven met het oog op de verschaffing van eigen vermogen door de staat of een overheidsentiteit;

c)

de omzettingskoers vormt een passende vergoeding van de getroffen houders van schuld, op die wijze waarop zij in het kader van een normale insolventieprocedure zouden worden vergoed.

Uit de omzetting van schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva voortvloeiende eigendomsinstrumenten moeten onverwijld worden geplaatst of overgedragen.

8.   Bij het opstellen en bijhouden van het afwikkelingsplan van de ctp en als onderdeel van de bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de ctp weg te nemen, draagt de afwikkelingsautoriteit er voor de toepassing van lid 7 zorg voor dat de ctp steeds het vereiste aantal eigendomsinstrumenten kan uitgeven.

Artikel 34

Gevolgen van afschrijving en omzetting

De afwikkelingsautoriteit vervult of verlangt de vervulling van alle administratieve en procedurele taken die noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan het gebruik van het afschrijvings- en omzettingsinstrument, met inbegrip van:

a)

de wijziging van alle relevante registers;

b)

het uit de notering of uit de handel nemen van eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten;

c)

de notering of toelating tot de handel van nieuwe eigendomsinstrumenten;

d)

het opnieuw noteren of tot de handel toelaten van schuldinstrumenten die zijn afgeschreven, zonder dat overeenkomstig Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) een prospectus moet worden uitgegeven.

Artikel 35

Wegnemen van procedurele belemmeringen voor afschrijving en omzetting

Bij de toepassing van de tweede alinea van artikel 32, lid 1, verlangt de bevoegde autoriteit dat ctp's, of hun moederondernemingen, steeds een voldoende hoeveelheid eigendomsinstrumenten aanhouden om ervoor te zorgen dat deze ctp's of hun moederondernemingen voldoende nieuwe eigendomsinstrumenten kunnen uitgeven en dat de uitgifte van of omzetting in eigendomsinstrumenten daadwerkelijk kan plaatsvinden.

De afwikkelingsautoriteit gebruikt het afschrijvings- en omzettingsinstrument ongeacht bestaande bepalingen in de oprichtingsakte of statuten van de ctp, onder meer met betrekking tot voorkeursrechten voor aandeelhouders of het vereiste dat aandeelhouders moeten instemmen met een kapitaalverhoging.

Artikel 36

Voorlegging van een bedrijfssaneringsplan

1.   Ctp's voeren uiterlijk één maand na het gebruik van de in artikel 32 bedoelde instrumenten een evaluatie van de oorzaken van hun falen uit en leggen die samen met een bedrijfssaneringsplan voor aan de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 37. Ingeval de staatssteunregels van de Unie van toepassing zijn, is dit plan verenigbaar met het herstructureringsplan dat de ctp overeenkomstig die regels aan de Commissie moet voorleggen.

Wanneer het voor de verwezenlijking van de afwikkelingsdoelstellingen nodig is, kan de afwikkelingsautoriteit de in de eerste alinea bedoelde termijn met maximaal twee maanden verlengen.

2.   Wanneer een herstructureringsplan moet worden ingediend op grond van de staatssteunregels van de Unie wordt bij het voorleggen van het bedrijfssaneringsplan niet afgeweken van de in de staatssteunregels van de Unie vastgestelde termijn voor de indiening van het herstructureringsplan.

3.   De afwikkelingsautoriteit legt de evaluatie en het bedrijfssaneringsplan en eventuele herzieningen daarvan overeenkomstig artikel 38 voor aan de bevoegde autoriteit en het afwikkelingscollege.

Artikel 37

Inhoud van het bedrijfssaneringsplan

1.   In het in artikel 36 bedoelde bedrijfssaneringsplan worden maatregelen vastgesteld om de levensvatbaarheid op lange termijn van de ctp of delen van haar bedrijfsactiviteit binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen. Deze maatregelen zijn gebaseerd op realistische aannamen wat de economische omstandigheden en de op de financiële markten gehanteerde voorwaarden betreft waaronder de ctp actief zal zijn.

Het bedrijfssaneringsplan houdt rekening met de huidige en potentiële situatie van de financiële markten en bevat optimistische en pessimistische aannamen met inbegrip van een combinatie van gebeurtenissen teneinde de belangrijkste kwetsbaarheden van de ctp aan het licht te brengen. De aannamen worden vergeleken met passende sectorbrede benchmarks.

2.   Het bedrijfssaneringsplan bevat ten minste de volgende elementen:

a)

een gedetailleerde analyse van de factoren en omstandigheden die hebben geleid tot het faillissement of waarschijnlijke faillissement van de ctp;

b)

een beschrijving van de maatregelen die moeten worden genomen om de levensvatbaarheid van de ctp op lange termijn te herstellen;

c)

een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen.

3.   Maatregelen voor het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn van een ctp zijn onder meer:

a)

de reorganisatie en herstructurering van de werkzaamheden van de ctp;

b)

wijzigingen in de operationele systemen en de infrastructuur van de ctp;

c)

de verkoop van activa of van bedrijfsonderdelen.

3 bis.     Wanneer overeenkomstig artikel 36, leden 1 en 2, de staatssteunregels van de Unie van toepassing zijn, moeten de afwikkelingsautoriteit, de bevoegde autoriteit en de Commissie de beoordeling van de maatregelen die zijn genomen om de levensvatbaarheid op lange termijn van de ctp te herstellen, verzoeken van de ctp om een gewijzigd plan voor te leggen en de definitieve goedkeuring van een bedrijfssanerings- of -herstructureringsplan coördineren.

3 ter.     De ESMA brengt uiterlijk [18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] richtsnoeren uit in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 om de minimumelementen te verduidelijken die overeenkomstig lid 2 moeten worden opgenomen in een bedrijfssaneringsplan.

3 quater.     Rekening houdend met, in voorkomend geval, de ervaring die met de toepassing van de in lid 3 bis bedoelde richtsnoeren is opgedaan, kan de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen uitwerken voor het nader vaststellen van de minimumelementen die overeenkomstig lid 2 in een bedrijfssaneringsplan moeten worden opgenomen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 38

Beoordeling en goedkeuring van het bedrijfssaneringsplan

1.   Uiterlijk één maand na de voorlegging van het bedrijfssaneringsplan van de ctp overeenkomstig artikel 36, lid 1, beoordelen de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit of de maatregelen in dat plan de levensvatbaarheid van de ctp op lange termijn met zekerheid zouden herstellen.

Wanneer de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit ervan overtuigd zijn dat het plan de levensvatbaarheid van de ctp op lange termijn zal herstellen, keurt de afwikkelingsautoriteit het plan goed.

2.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit er niet van overtuigd zijn dat de maatregelen in het plan de levensvatbaarheid van de ctp op lange termijn zullen herstellen, stelt de afwikkelingsautoriteit de ctp in kennis van hun bezorgdheden en verlangt zij dat de ctp uiterlijk twee weken na deze kennisgeving een gewijzigd plan voorlegt dat aan die bezorgdheden tegemoet komt.

3.   De afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit beoordelen het opnieuw voorgelegde plan en delen de ctp uiterlijk één week na ontvangst van dat plan mee of de bezorgdheden op passende wijze zijn weggenomen, dan wel of verdere wijzigingen zijn vereist.

3 bis.     De ESMA brengt uiterlijk [18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] richtsnoeren uit in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 om de minimumcriteria te verduidelijken waaraan een bedrijfssaneringsplan moet voldoen voor goedkeuring door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig lid 1.

3 ter.     Rekening houdend met, in voorkomend geval, de ervaring die met de toepassing van de in lid 3 bis bedoelde richtsnoeren is opgedaan, kan de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen uitwerken voor het nader vaststellen van de minimumcriteria waaraan een bedrijfssaneringsplan moet voldoen om overeenkomstig lid 1 door de afwikkelingsautoriteit te worden goedgekeurd.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 39

Uitvoering van en toezicht op het bedrijfssaneringsplan

1.   De ctp voert het bedrijfssaneringsplan uit en legt, zoals gevraagd en ten minste om de zes maanden, een verslag voor aan de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit over de stand van uitvoering van het plan.

2.   De afwikkelingsautoriteit kan, in overleg met de bevoegde autoriteit, van de ctp verlangen het plan te herzien wanneer dat nodig is ter verwezenlijking van de in 37, lid 1, vastgelegde doelstelling.

De ctp legt de herziening als bedoeld in de eerste alinea ter beoordeling voor aan de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 38, lid 3. Wanneer de staatssteunregels van de Unie van toepassing zijn, coördineert de afwikkelingsautoriteit die beoordeling met de Commissie.

AFDELING 4

HET INSTRUMENT VAN VERKOOP VAN DE ONDERNEMING

Artikel 40

Het instrument van verkoop van de onderneming

1.   De afwikkelingsautoriteit kan het volgende overdragen aan een koper die geen overbruggings-ctp is:

a)

eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door een ctp in afwikkeling;

b)

alle activa, rechten, verplichtingen of passiva van een ctp in afwikkeling.

De in de eerste alinea bedoelde overdracht vindt plaats zonder toestemming van de aandeelhouders van de ctp of van derden die geen koper zijn te moeten vragen en zonder te moeten voldoen aan andere procedurele voorschriften van het vennootschaps- of effectenrecht dan de voorschriften in artikel 41.

2.   Een overdracht overeenkomstig lid 1 wordt verricht onder commerciële voorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden en overeenkomstig de staatssteunregels van de Unie.

Voor de toepassing van de eerste alinea onderneemt de afwikkelingsautoriteit alle redelijke maatregelen om commerciële voorwaarden te bedingen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 24, lid 3, verrichte waardering.

3.   Tenzij in deze verordening anders is bepaald, valt elke door de koper betaalde vergoeding toe aan:

a)

de eigenaars van de eigendomsinstrumenten indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door eigendomsinstrumenten die door de ctp zijn uitgegeven, van de houders van die instrumenten aan de koper over te dragen;

b)

de ctp, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door alle of een deel van de activa of passiva van de ctp aan de koper over te dragen;

c)

niet in gebreke blijvende clearingleden die verliezen hebben geleden vóór de afwikkeling.

De door de koper betaalde vergoedingen worden toegewezen overeenkomstig de trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling van de ctp zoals omschreven in de artikelen 43 en 45 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en de rangorde van vorderingen in het kader van normale insolventieprocedures.

4.   De afwikkelingsautoriteit mag de in lid 1 bedoelde overdrachtsbevoegdheid meerdere malen uitoefenen om aanvullende overdrachten van door de ctp uitgegeven eigendomsinstrumenten of, naargelang het geval, van activa, rechten, verplichtingen of passiva van de ctp te verrichten.

5.   De afwikkelingsautoriteit mag, met de toestemming van de koper, de activa, rechten, verplichtingen of passiva die aan de koper waren overgedragen opnieuw aan de ctp, of de eigendomsinstrumenten opnieuw aan de oorspronkelijke eigenaars overdragen.

Wanneer de afwikkelingsautoriteit de overdrachtsbevoegdheid als bedoeld in de eerste alinea gebruikt, nemen de ctp of de oorspronkelijke eigenaars deze activa, rechten, verplichtingen of passiva, of eigendomsinstrumenten terug.

6.   Elke overdracht als bedoeld in lid 1 vindt plaats ongeacht of het de koper wordt toegestaan de uit de verwerving voortvloeiende diensten en activiteiten te verrichten.

Wanneer het de koper niet wordt toegestaan de uit de verwerving voortvloeiende diensten en activiteiten te verrichten, voert de afwikkelingsautoriteit, in overleg met de bevoegde autoriteit, een passend zorgvuldigheidsonderzoek van de koper uit en zorgt zij ervoor dat de koper zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand na het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming een vergunningsaanvraag indient. De bevoegde autoriteit ziet erop toe vergunningsaanvragen snel worden behandeld.

7.   Indien de overdracht van eigendomsinstrumenten als bedoeld in lid 1 leidt tot de verwerving of verhoging van een gekwalificeerde deelneming zoals bedoeld in artikel 31, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012, voert de bevoegde autoriteit de in dat artikel bedoelde beoordeling uit binnen een tijdsbestek dat de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming niet vertraagt noch verhindert dat met de afwikkelingsmaatregel de afwikkelingsdoelstellingen worden verwezenlijkt.

8.   Wanneer de bevoegde autoriteit de in lid 7 bedoelde beoordeling niet heeft uitgevoerd op de datum waarop de overdracht van eigendomsinstrumenten van kracht wordt, geldt het volgende:

a)

de overdracht van eigendomsinstrumenten heeft onmiddellijk rechtsgevolg vanaf de datum waarop deze plaatsvindt;

b)

tijdens de beoordelingsperiode en tijdens elke in punt f) bepaalde afstotingsperiode wordt het stemrecht van de koper met betrekking tot die eigendomsinstrumenten geschorst en heeft alleen de afwikkelingsautoriteit stemrecht, zonder dat zij verplicht is het uit te oefenen, noch aansprakelijk is voor de uitoefening of het afzien van de uitoefening ervan;

c)

tijdens de beoordelingsperiode en tijdens elke in punt f) bepaalde afstotingsperiode zijn de sancties of andere maatregelen die in artikel 12 van Verordening 648/2012/EU zijn beoogd voor overtredingen op de voorschriften aangaande verwerving of vervreemding van gekwalificeerde holdings niet van toepassing op die overdracht;

d)

onmiddellijk na de beoordeling stelt de bevoegde autoriteit de afwikkelingsautoriteit en de koper schriftelijk in kennis van het resultaat van de beoordeling overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

e)

wanneer de bevoegde autoriteit geen bezwaar maakt tegen de overdracht, wordt het stemrecht met betrekking tot die eigendomsinstrumenten geacht ten volle bij de koper te liggen vanaf de onder d) bedoelde kennisgeving;

f)

wanneer de bevoegde autoriteit zich verzet tegen de overdracht van eigendomsinstrumenten, blijft punt b) van toepassing en mag de afwikkelingsautoriteit, rekening houdend met de marktomstandigheden, een afstotingstermijn vaststellen waarbinnen de koper deze eigendomsinstrumenten afstoot.

9.   Voor de uitoefening van zijn recht om overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 diensten te verrichten, wordt de koper beschouwd als een voortzetting van de ctp in afwikkeling, en mag deze alle rechten blijven uitoefenen die door de ctp in afwikkeling werden uitgeoefend met betrekking tot de overgedragen activa, rechten, verplichtingen of passiva.

10.   De in lid 1 bedoelde koper wordt niet belet de rechten van lidmaatschap van en toegang van de ctp tot betalings- en afwikkelingssystemen of andere financiëlemarktinfrastructuur uit te oefenen op voorwaarde dat de koper voldoet aan de criteria voor het lidmaatschap van of de deelname aan deze systemen en infrastructuren.

Wanneer de koper niet voldoet aan de in de eerste alinea bedoelde criteria mag de koper de rechten van lidmaatschap van en toegang van de ctp tot deze systemen en infrastructuren blijven uitoefenen na goedkeuring door de afwikkelingsautoriteit ▌. Die goedkeuring wordt slechts verleend voor een periode van niet langer dan 12 maanden.

11.    Gedurende een periode van 12 maanden wordt d e koper geen toegang ontzegd tot betalings- en afwikkelingssystemen of andere financiëlemarktinfrastructuur omdat hij niet over een rating van een kredietratingbureau beschikt, of omdat die rating lager is dan de ratingniveaus die zijn vereist om toegang tot deze systemen en infrastructuren te krijgen.

12.   Tenzij in deze verordening anders is bepaald, hebben aandeelhouders, schuldeisers, clearingleden en cliënten van de ctp in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten, verplichtingen of passiva niet zijn overgedragen, geen rechten op of met betrekking tot de overgedragen activa, rechten, verplichtingen of passiva.

Artikel 41

Instrument van verkoop van de onderneming: procedurevoorschriften

1.   Wanneer zij het instrument van verkoop van de onderneming ten aanzien van een ctp gebruikt, maakt de afwikkelingsautoriteit de beschikbaarheid bekend van, of treft zij regelingen voor de verkoop van de activa, rechten, verplichtingen, passiva of de eigendomsinstrumenten die worden overgedragen. Pools van rechten, activa, verplichtingen en passiva kunnen afzonderlijk worden verkocht.

2.   Onverminderd de staatssteunregels van de Unie, voor zover deze van toepassing zijn, vindt de in lid 1 bedoelde verkoop plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a)

de verkoop is zo transparant mogelijk en er wordt geen wezenlijk onjuiste voorstelling gegeven van de activa, rechten, verplichtingen, passiva of eigendomsinstrumenten van de ctp, rekening houdend met de omstandigheden en in het bijzonder met de noodzaak om de financiële stabiliteit in stand te houden;

b)

ongepaste bevoordeling of discriminatie van potentiële kopers is niet toegestaan;

c)

de verkoop is vrij van belangenconflicten;

d)

er wordt rekening gehouden met de noodzaak van een snelle afwikkelingsmaatregel;

e)

voor zover mogelijk wordt beoogd de verkoopprijs van de betrokken eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva te maximaliseren.

De in de eerste alinea bedoelde criteria beletten de afwikkelingsautoriteit niet om specifieke potentiële kopers te benaderen.

3.   In afwijking van lid 1 kan de afwikkelingsautoriteit de activa, rechten, verplichtingen, passiva of de eigendomsinstrumenten verhandelen zonder te voldoen aan de in lid 2 bedoelde criteria wanneer inachtneming van deze criteria waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen zou ondermijnen.

AFDELING 5

HET INSTRUMENT VAN DE OVERBRUGGINGS-CTP

Artikel 42

Instrument van de overbruggings-ctp

1.   De afwikkelingsautoriteit mag het volgende overdragen aan een overbruggings-ctp:

a)

de eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door een ctp in afwikkeling;

b)

alle activa, rechten, verplichtingen of passiva van de ctp in afwikkeling;

De in de eerste alinea bedoelde overdracht kan worden uitgevoerd zonder toestemming van de aandeelhouders van de ctp in afwikkeling of van andere derden dan de overbruggings-ctp te moeten vragen en zonder te moeten voldoen aan andere procedurele voorschriften van het vennootschaps- of effectenrecht dan die in artikel 43.

2.   De overbruggings-ctp is een rechtspersoon die aan alle onderstaande vereisten voldoet:

a)

zij staat onder zeggenschap van de afwikkelingsautoriteit en is geheel of gedeeltelijk eigendom van een of meer overheidsinstanties, waarvan de afwikkelingsautoriteit deel kan uitmaken;

b)

zij is opgericht voor het ontvangen en aanhouden van sommige of alle door een ctp in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten of van sommige of alle activa, rechten, verplichtingen en passiva van de ctp met als doel de kritieke functies van de ctp in stand te houden en vervolgens de ctp te verkopen.

3.   Bij de toepassing van het instrument van de overbruggings-ctp draagt de afwikkelingsautoriteit er zorg voor dat de totale waarde van de aan de overbruggings-ctp overgedragen passiva en verplichtingen de totale waarde van de door de ctp in afwikkeling overgedragen rechten en activa niet overtreft.

4.   Tenzij in deze verordening anders is bepaald, valt elke door de overbruggings-ctp betaalde vergoeding toe aan:

a)

de eigenaars van de eigendomsinstrumenten indien de overdracht aan de overbruggings-ctp is uitgevoerd door eigendomsinstrumenten die door de ctp in afwikkeling zijn uitgegeven, van de houders van die instrumenten aan de overbruggings-ctp over te dragen;

b)

de ctp in afwikkeling indien de overdracht aan de overbruggings-ctp is uitgevoerd door alle of een deel van de activa of passiva van die ctp aan de overbruggings-ctp over te dragen.

5.   De afwikkelingsautoriteit kan de in lid 1 bedoelde overdrachtsbevoegdheid meer dan één keer uitoefenen om aanvullende overdrachten van door een ctp uitgegeven eigendomsinstrumenten of van haar activa, rechten, verplichtingen of passiva te verrichten.

6.   De afwikkelingsautoriteit kan de rechten, verplichtingen, activa of passiva die zijn overgedragen aan de overbruggings-ctp weer aan de ctp in afwikkeling, of de eigendomsinstrumenten weer aan de oorspronkelijke eigenaars overdragen wanneer het instrument waarmee de in lid 1 bedoelde overdracht is verricht daarin uitdrukkelijk voorziet.

Wanneer de afwikkelingsautoriteit de in de eerste alinea bedoelde overdrachtsbevoegdheid gebruikt, zijn de ctp in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaars verplicht deze activa, rechten, verplichtingen of passiva, of eigendomsinstrumenten terug te nemen, mits aan de voorwaarden in de eerste alinea van dit lid of in lid 7 is voldaan.

7.   Wanneer de specifieke eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva niet in de categorieën vallen van, of niet voldoen aan de voorwaarden voor de overdracht van eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva die zijn gespecificeerd in het instrument waarmee de overdracht is verricht, kan de afwikkelingsautoriteit deze weer van de overbruggings-ctp overdragen naar de ctp in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaars.

8.   Een overdracht als bedoeld in de leden 6 en 7 kan steeds worden verricht en voldoet aan alle andere voorwaarden die zijn vermeld in het instrument waarmee de overdracht voor het beoogde doel is verricht.

9.   De afwikkelingsautoriteit kan eigendomsinstrumenten, of activa, rechten, verplichtingen of passiva van de overbruggings-ctp aan een derde partij overdragen.

10.   Voor de uitoefening van haar recht om overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 diensten te verrichten, wordt een overbruggings-ctp beschouwd als een voortzetting van de ctp in afwikkeling, en mag deze alle rechten blijven uitoefenen die door de ctp in afwikkeling werden uitgeoefend met betrekking tot de overgedragen activa, rechten, verplichtingen of passiva.

Voor alle andere doeleinden kunnen de afwikkelingsautoriteiten verlangen dat een overbruggings-ctp wordt beschouwd als een voortzetting van de ctp in afwikkeling, en dat deze alle rechten mag blijven uitoefenen die door de ctp in afwikkeling werden uitgeoefend met betrekking tot de overgedragen activa, rechten, verplichtingen of passiva.

11.   De overbruggings-ctp wordt niet belet de rechten van lidmaatschap van en toegang tot betalings- en afwikkelingssystemen en andere FMI’s van de ctp in afwikkeling uit te oefenen, mits zij aan de criteria voor lidmaatschap van en deelname aan dergelijke systemen en infrastructuren voldoet.

Wanneer de overbruggings-ctp niet aan de in de eerste alinea bedoelde criteria voldoet, kan de overbruggings-ctp de rechten van lidmaatschap van en toegang tot deze systemen en infrastructuren van de ctp blijven uitoefenen gedurende een periode die door de afwikkelingsautoriteit wordt gespecificeerd. Deze periode mag niet langer zijn dan 12 maanden.

12.   De overbruggings-ctp wordt geen toegang geweigerd tot betalings- en afwikkelingssystemen of andere FMI's omdat zij niet over een rating van een kredietratingbureau beschikt, of omdat die rating lager is dan de ratingniveaus die zijn vereist om toegang tot deze systemen en infrastructuren te krijgen.

13.   Aandeelhouders of schuldeisers van de ctp in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten, verplichtingen of passiva niet aan de overbruggings-ctp zijn overgedragen, hebben geen vorderingen op of met betrekking tot de aan de overbruggings-ctp overgedragen activa, rechten, verplichtingen of passiva of ten aanzien van haar raad of hoger management.

14.   De overbruggings-ctp heeft geen verplichtingen of verantwoordelijkheden jegens de aandeelhouders of schuldeisers van de ctp in afwikkeling in, en de raad of het hogere management van de overbruggings-ctp is jegens deze aandeelhouders of schuldeisers niet aansprakelijk voor handelingen of nalatigheid in het kader van de vervulling van zijn taken, tenzij de handelingen of nalatigheid te wijten zijn aan grove nalatigheid of een ernstige fout overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

Artikel 43

Overbruggings-ctp: procedurevoorschriften

1.   De overbruggings-ctp voldoet aan de volgende eisen:

a)

de overbruggings-ctp vraagt toestemming aan de afwikkelingsautoriteit voor:

i)

de statuten van de overbruggings-ctp;

ii)

de leden van de raad van de overbruggings-ctp, indien deze leden niet rechtstreeks zijn benoemd door de afwikkelingsautoriteit;

iii)

de verantwoordelijkheden en de bezoldiging van de leden van de raad van de overbruggings-ctp, indien de bezoldiging en de verantwoordelijkheden niet zijn vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit;

iv)

de strategie en het risicoprofiel van de overbruggings-ctp;

b)

de overbruggings-ctp neemt de machtigingen van de ctp in afwikkeling over om de diensten of de activiteiten te verrichten die voortvloeien uit de in artikel 42, lid 1, bedoelde overdracht overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012.

Wanneer de overbruggings-ctp niet is erkend als vereist op grond van lid 1, onder b), vraagt de afwikkelingsautoriteit de goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van de in artikel 42, lid 1, bedoelde overdracht. Wanneer de bevoegde autoriteit deze overdracht goedkeurt, geeft zij aan voor welke periode de overbruggings-ctp ontheffing van de voorschriften van Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt verleend.

De prudentiële vereisten overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 mogen slechts voor een termijn van ten hoogste drie maanden worden opgeschort, terwijl alle andere bepalingen van Verordening (EU) nr. 648/2012 voor een termijn van ten hoogste 12 maanden mogen worden opgeschort .

2.   Behoudens beperkingen overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale mededingingsrecht beheert het management van de overbruggings-ctp deze met de doelstelling om de toegang van belanghebbenden tot de kritieke functies van de overbruggings-ctp te behouden en de overbruggings-ctp of haar activa, rechten, verplichtingen en passiva, aan een of meer kopers uit de particuliere sector te verkopen. Deze verkoop vindt plaats wanneer de marktomstandigheden geschikt zijn en binnen de in lid 5 en, in voorkomend geval, lid 6 van dit artikel bedoelde periode.

3.   De afwikkelingsautoriteit beëindigt de overbruggings-ctp in de volgende situaties:

a)

de afwikkelingsdoelstellingen zijn bereikt;

b)

de overbruggings-ctp fuseert met een andere entiteit;

c)

de overbruggings-ctp voldoet niet langer aan de voorschriften in artikel 42, lid 2;

d)

de overbruggings-ctp of vrijwel al haar activa, rechten, verplichtingen of passiva zijn verkocht overeenkomstig lid 4;

e)

de in lid 5 bedoelde termijn verstrijkt;

f)

de door de overbruggings-ctp geclearde contracten zijn uitgevoerd, vervallen of vroegtijdig beëindigd en de rechten en verplichtingen van de ctp in verband met die contracten zijn daarmee volledig voldaan.

4.   Vóór de verkoop van de overbruggings-ctp of van haar activa, rechten, verplichtingen of passiva maakt de afwikkelingsautoriteit de beschikbaarheid bekend van de onderdelen die bestemd zijn om te worden verkocht, en draagt zij er zorg voor dat deze openlijk en transparant worden aangeboden en dat ze niet wezenlijk onjuist worden weergegeven.

De afwikkelingsautoriteit voert de verkoop als bedoeld in de eerste alinea onder commerciële voorwaarden uit zonder ongepaste bevoordeling of discriminatie van potentiële kopers.

5.   De afwikkelingsautoriteit beëindigt het functioneren van een overbruggings-ctp twee jaar na de datum waarop de laatste overdracht vanuit de ctp in afwikkeling plaatsvindt.

Wanneer de afwikkelingsautoriteit het functioneren van een overbruggings-ctp beëindigt, verzoekt zij de bevoegde autoriteit de vergunning van de overbruggings-ctp in te trekken.

6.   De afwikkelingsautoriteit kan de in lid 5 bedoelde periode met een of meer extra perioden van een jaar verlengen indien deze verlenging noodzakelijk is om de overbruggings-ctp te beëindigen als bedoeld in lid 3, onder a) tot en met d).

Het besluit om de in lid 5 bedoelde periode te verlengen wordt gemotiveerd en bevat een gedetailleerde beoordeling van de situatie van de overbruggings-ctp met betrekking tot de marktomstandigheden en -vooruitzichten.

7.   Wanneer een overbruggings-ctp in de in lid 3, onder c) of d), bedoelde situaties wordt beëindigd, wordt de overbruggings-ctp volgens een normale insolventieprocedure geliquideerd.

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, vallen alle opbrengsten die voortvloeien uit de beëindiging van de overbruggings-ctp toe aan haar aandeelhouders.

Wanneer een overbruggings-ctp voor de overdracht van activa en passiva van meer dan één ctp in afwikkeling wordt gebruikt, worden de opbrengsten als bedoeld in de tweede alinea toegekend onder verwijzing naar de activa en passiva die vanuit elke ctp in afwikkeling zijn overgedragen.

AFDELING 6

AANVULLENDE FINANCIERINGSREGELINGEN

Artikel 44

Alternatieve financieringsmiddelen

De afwikkelingsautoriteit kan contracten sluiten om te lenen of andere vormen van financiële ondersteuning te verkrijgen, ook uit voorgefinancierde middelen beschikbaar in een niet-aangesproken wanbetalingsfonds in de ctp in afwikkeling, wanneer dit nodig is om het effectieve gebruik van de afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.

AFDELING 7

OVERHEIDSINSTRUMENTEN VOOR STABILISATIE

Artikel 45

Overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie

1.   De afwikkelingsautoriteit kan de overheidsinstrumenten voor stabilisatie overeenkomstig de artikelen 46 en 47 voor het afwikkelen van een ctp slechts gebruiken indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de financiële steun is noodzakelijk om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken;

b)

de financiële steun wordt als laatste redmiddel gebruikt nadat de overige afwikkelingsinstrumenten zijn beoordeeld en zoveel mogelijk zijn benut met behoud van de financiële stabiliteit, volgens het oordeel van het bevoegde ministerie of de bevoegde overheidsdienst, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit;

c)

de financiële steun voldoet aan de staatssteunregels van de Unie;

c bis)

de financiële steun wordt gedurende een beperkte periode gebruikt;

d)

d bis)

de afwikkelingsautoriteit heeft vooraf alomvattende en geloofwaardige regelingen vastgesteld om de door deelnemers die overheidssteun hebben ontvangen gebruikte overheidsmiddelen gedurende een passende termijn te recupereren, tenzij deze middelen al werden gerecupereerd via de verkoop aan een particuliere koper in overeenstemming met artikel 46, lid 3, of artikel 47, lid 2;

2.   Om aan de overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie uitvoering te geven, beschikken de bevoegde ministeries of overheidsdiensten over de in de artikelen 48 tot en met 59 bedoelde afwikkelingsbevoegdheden, en dragen zij er zorg voor dat aan de artikelen 52, 54 en 70 wordt voldaan.

3.   Overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie worden geacht als laatste hulpmiddel te worden gebruikt voor de toepassing van lid 1, onder b), wanneer ten minste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het bevoegde ministerie of de bevoegde overheidsdienst en de afwikkelingsautoriteit zijn, na raadpleging van de centrale bank en de bevoegde autoriteit, van oordeel dat het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten niet zou volstaan om significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel te voorkomen;

b)

het bevoegde ministerie of de bevoegde overheidsdienst en de afwikkelingsautoriteit zijn van oordeel dat het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten niet zou volstaan om het algemeen belang te beschermen, indien de ctp eerder al buitengewone liquiditeitssteun van de centrale bank heeft gekregen;

c)

het bevoegde ministerie of de bevoegde overheidsdienst is, na raadpleging van de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit, wat het tijdelijke-overheidseigendomsinstrument betreft, van oordeel dat het gebruik van de afwikkelingsmaatregelen niet zou volstaan om het algemeen belang te beschermen, indien de ctp eerder al van de overheid kapitaalsteun middels het instrument voor kapitaalsteun heeft gekregen.

Artikel 46

Openbare-kapitaalsteuninstrument

1.   Voor de herkapitalisatie van een ctp kan openbare financiële steun kan worden verstrekt in ruil voor eigendomsinstrumenten.

2.   Ctp’s die gebruik maken van het openbare-kapitaalsteuninstrument worden op commerciële en professionele basis beheerd.

3.   De in lid 1 bedoelde eigendomsinstrumenten worden verkocht aan een particuliere koper zodra de commerciële en financiële omstandigheden dat mogelijk maken.

Artikel 47

Instrument voor tijdelijke overheidseigendom

1.   Een ctp mag tijdelijk in overheidseigendom worden genomen door middel van één of meer overboekingsopdrachten van eigendomsinstrumenten door een lidstaat aan een overnemer die een van de volgende entiteiten is:

a)

een gevolmachtigde van de lidstaat;

b)

een bedrijf dat volledig in eigendom van de lidstaat is.

2.   Ctp’s waarop het instrument voor tijdelijke overheidseigendom wordt toegepast, worden op commerciële en professionele wijze beheerd en worden verkocht aan een particuliere koper zodra de commerciële en financiële omstandigheden dat mogelijk maken , rekening houdend met de mogelijkheid om de afwikkelingskosten te recupereren .

HOOFDSTUK IV

Afwikkelingsbevoegdheden

Artikel 48

Algemene bevoegdheden

1.   De afwikkelingsautoriteiten beschikken over alle nodige bevoegdheden om de afwikkelingsinstrumenten effectief te gebruiken, met inbegrip van de volgende bevoegdheden:

a)

de bevoegdheid om van een persoon te verlangen dat hij alle informatie verstrekt die de afwikkelingsautoriteit nodig heeft om een besluit te nemen over een afwikkelingsmaatregel en deze voor te bereiden, met inbegrip van bijwerkingen en aanvullingen van de informatie die in het afwikkelingsplan wordt verstrekt of is vereist in het kader van inspecties ter plaatse;

b)

de bevoegdheid om de zeggenschap over een ctp in afwikkeling over te nemen en alle aan houders van eigendomsinstrumenten en de raad van de ctp verleende rechten en bevoegdheden uit te oefenen;

b bis)

de bevoegdheid om de werkingsregels van de ctp te wijzigen, met inbegrip van haar voorwaarden voor deelneming, als die wijzigingen nodig zijn om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen;

b ter)

de bevoegdheid om bepaalde contractuele verplichtingen die zijn vastgesteld in de regels en regelingen van de ctp niet te handhaven of daarvan af te wijken indien dit nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen te behalen en significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel te vermijden;

c)

de bevoegdheid om door een ctp in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten over te dragen;

d)

de bevoegdheid om rechten, activa, verplichtingen of passiva van de ctp over te dragen aan een andere entiteit, mits deze daarmee instemt;

e)

de bevoegdheid om de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva van een ctp in afwikkeling (tot nul) te verlagen;

f)

de bevoegdheid om schuldinstrumenten of andere ongedekte passiva van een ctp in afwikkeling om te zetten in eigendomsinstrumenten van die ctp of van een overbruggings-ctp waaraan activa, rechten, verplichtingen of passiva van de ctp in afwikkeling zijn overgedragen;

g)

de bevoegdheid om door een ctp in afwikkeling uitgegeven schuldinstrumenten in te trekken;

h)

de bevoegdheid om het nominaal aantal eigendomsinstrumenten van een ctp in afwikkeling te verminderen of tot nul te verlagen en deze eigendomsinstrumenten in te trekken;

i)

de bevoegdheid om een ctp in afwikkeling ▌te verplichten nieuwe eigendomsinstrumenten, met inbegrip van preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare instrumenten, uit te geven;

j)

de bevoegdheid om de looptijd van schuldinstrumenten en andere passiva van de ctp wijzigen, het bedrag van de rente of de datum te wijzigen waarop de rente moet worden betaald, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van betaling;

k)

de bevoegdheid om financiële contracten te vereffenen en te beëindigen;

l)

de bevoegdheid om de raad en het hogere management van een ctp in afwikkeling te ontslaan of te vervangen;

m)

de bevoegdheid om de bevoegde autoriteit opdracht te geven de koper van een gekwalificeerde deelneming tijdig en in afwijking van de in artikel 31 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde termijnen te beoordelen.

n)

de bevoegdheid om het aan een clearinglid van een ctp in afwikkeling of aan een cliënt van dat clearinglid verschuldigde bedrag van de variatiemargin (tot nul) te verlagen , met inachtneming van de in artikel 30 uiteengezette voorwaarden ;

o)

de bevoegdheid om open posities en daarmee verband houdende activa over te dragen, met inbegrip van financiëlezekerheidsovereenkomsten die tot overdracht van eigendom leiden, verrekeningsovereenkomsten en salderingsovereenkomsten vanaf de rekening van een in gebreke blijvend clearinglid naar een niet in gebreke blijvend clearinglid op een wijze die strookt met artikel 48 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

p)

de bevoegdheid tot handhaving van alle bestaande en uitstaande contractuele verplichtingen van de deelnemers van de ctp in afwikkeling;

q)

de bevoegdheid tot handhaving van bestaande en uitstaande verplichtingen van de moederonderneming van de ctp in afwikkeling, waaronder het verstrekken van financiële steun aan de ctp in de vorm van garanties of kredietlijnen;

r)

de bevoegdheid om clearingleden te verplichten om verdere bijdragen in contanten te leveren.

De afwikkelingsautoriteiten mogen de in de eerste alinea bedoelde bevoegdheden afzonderlijk of in combinatie uitoefenen.

2.   Tenzij in deze verordening en in de staatssteunregels van de Unie anders is bepaald, gelden de volgende vereisten niet voor de afwikkelingsautoriteit bij het uitoefenen van de in lid 1 bedoelde bevoegdheden:

a)

het vereiste om de goedkeuring of toestemming van een publieke of privépersoon te verkrijgen;

b)

vereisten betreffende de overdracht van financiële instrumenten, rechten, verplichtingen, activa of passiva van een ctp in afwikkeling of een overbruggings-ctp;

c)

het vereiste om publieke of privépersonen in kennis te stellen;

d)

het vereiste om kennisgevingen of prospectussen te publiceren;

e)

het vereiste om documenten neer te leggen of te laten registreren bij een andere autoriteit.

Artikel 49

Aanvullende bevoegdheden

1.   Wanneer een in artikel 48, lid 1, bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend, kan de afwikkelingsautoriteit ook de volgende aanvullende bevoegdheden uitoefenen:

a)

er, met inachtneming van artikel 65, voor zorgen dat een overdracht op zodanige wijze plaatsvindt dat de overgedragen financiële instrumenten, rechten, verplichtingen, activa of passiva vrij zijn van enige aansprakelijkheid of bezwaring;

b)

het intrekken van rechten om verdere eigendomsinstrumenten te verwerven;

c)

de bevoegde autoriteit opdragen de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt in te trekken of de officiële notering van alle door de ctp overeenkomstig Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) uitgegeven financiële instrumenten op te schorten;

d)

ervoor zorgen dat de koper of overbruggings-ctp krachtens respectievelijk de artikelen 40 en 42 als de ctp in afwikkeling worden behandeld met betrekking tot alle rechten of verplichtingen van de ctp of door de ctp in afwikkeling genomen maatregelen, met inbegrip van alle rechten of verplichtingen in verband met de deelneming in een marktinfrastructuur;

e)

de ctp in afwikkeling of de koper of overbruggings-ctp, indien van toepassing, verplichten de ander informatie en bijstand te verstrekken;

f)

ervoor zorgen dat het clearinglid dat op grond van de bevoegdheden in artikel 48, lid 1, onder o) en p), posities toegewezen krijgt, alle rechten of verplichtingen kan uitoefenen in verband met de deelneming in de ctp voor die posities;

g)

de voorwaarden van een contract waarbij de ctp in afwikkeling partij is, annuleren of wijzigen, of de koper of overbruggings-ctp, in plaats van de ctp in afwikkeling, als partij vervangen;

h)

de werkingsregels van de ctp in afwikkeling wijzigen ▌;

i)

het lidmaatschap van een clearinglid van de ctp in afwikkeling overdragen aan een koper van de ctp of een overbruggings-ctp.

Het recht op compensatie waarin deze verordening voorziet, wordt voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), niet als een aansprakelijkheid of een bezwaring beschouwd.

2.   De afwikkelingsautoriteit kan voorzien in de nodige continuïteitsregelingen om te garanderen dat de afwikkelingsmaatregel doeltreffend is en de overgedragen bedrijfsactiviteiten door de koper of overbruggings-ctp kunnen worden uitgeoefend. Deze continuïteitsregelingen omvatten onder meer:

a)

de continuïteit van door de ctp in afwikkeling aangegane contracten, zodat de koper of overbruggings-ctp de rechten en verplichtingen van de ctp in afwikkeling met betrekking tot alle overgedragen financiële instrumenten, rechten, verplichtingen, activa of passiva overneemt en de ctp in afwikkeling (expliciet of impliciet) in alle relevante contractuele documenten vervangt;

b)

de vervanging van de ctp in afwikkeling door de koper of overbruggings-ctp in elke juridische procedure met betrekking tot alle overgedragen financiële instrumenten, rechten, verplichtingen, activa of passiva.

3.   De in lid 1, onder d), en in lid 2, onder b), bedoelde bevoegdheden hebben geen invloed op:

a)

het recht van een werknemer van de ctp om een arbeidscontract te beëindigen;

b)

onverminderd de artikelen 55, 56 en 57, de uitoefening van de contractuele rechten van een partij bij een contract, met inbegrip van het recht om het contract te beëindigen, indien de contractvoorwaarden daarin voorzien, als gevolg van een handeling of nalatigheid van de ctp vóór de overdracht, of door de koper of overbruggings-ctp na de overdracht.

Artikel 50

Bijzonder bestuur

1.   De afwikkelingsautoriteit kan een of meer bijzondere bestuurders aanstellen ter vervanging van de raad van een ctp in afwikkeling. De bijzonder bestuurder staat als voldoende betrouwbaar bekend en beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van financiële diensten, risicobeheer en clearingdiensten overeenkomstig artikel 27, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012.

2.   De bijzonder bestuurder heeft alle bevoegdheden van de aandeelhouders en de raad van de ctp. De bijzonder bestuurder kan deze bevoegdheden slechts uitoefenen onder toezicht van de afwikkelingsautoriteit. De afwikkelingsautoriteit kan grenzen stellen aan het optreden van de bijzonder bestuurder of voor bepaalde handelingen voorafgaande toestemming verlangen.

De afwikkelingsautoriteit maakt de in lid 1 bedoelde aanstelling en de voorwaarden van deze aanstelling bekend.

3.   De bijzonder bestuurder wordt voor niet langer dan een jaar aangesteld. De afwikkelingsautoriteit kan deze termijn verlengen wanneer dat noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.

4.   De bijzonder bestuurder neemt de nodige maatregelen om de afwikkelingsdoelstellingen te bevorderen en door de afwikkelingsautoriteit genomen afwikkelingsmaatregelen uit te voeren. In geval van tegenstrijdigheid of conflict heeft deze wettelijke plicht voorrang boven elke andere bestuursplicht op grond van de statuten van de ctp of het nationale recht.

5.   Met regelmatige tussenpozen die door de afwikkelingsautoriteit worden vastgesteld en aan het begin en het einde van zijn mandaat stelt de bijzonder bestuurder verslagen op ten behoeve van de aanstellende afwikkelingsautoriteit. Die verslagen bevatten een gedetailleerde beschrijving van de financiële positie van de ctp en vermelden de redenen van de genomen maatregelen.

6.   De afwikkelingsautoriteit kan de bijzonder bestuurder op elk moment uit zijn functie ontheffen. Zij ontheft de bijzonder bestuurder van zijn functie indien:

a)

de bijzonder bestuurder verzuimt zijn taken te verrichten overeenkomstig de door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde voorwaarden;

b)

de afwikkelingsdoelstellingen beter kunnen worden bereikt door de bijzonder bestuurder uit zijn functie te ontheffen of te vervangen;

c)

de voorwaarden voor zijn aanstelling niet langer vervuld zijn.

7.   Wanneer volgens het nationale insolventierecht een curator kan worden aangewezen, kan de overeenkomstig lid 1 aangestelde bijzonder bestuurder ook als curator worden aangesteld of omgekeerd .

Artikel 51

Bevoegdheid om het verschaffen van diensten en faciliteiten te verlangen

1.   De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat een ctp in afwikkeling, of een van haar groepsentiteiten of clearingleden, alle diensten en faciliteiten verschaft die nodig zijn opdat een koper of overbruggings-ctp de overgedragen bedrijfsactiviteit doeltreffend kan uitoefenen.

De eerste alinea is ook van toepassing indien een entiteit die deel uitmaakt van dezelfde groep als de ctp of een van de clearingleden van de ctp zich in een normale insolventieprocedure of zelf in afwikkeling bevindt.

2.   De afwikkelingsautoriteit kan de nakoming afdwingen van de verplichtingen die overeenkomstig lid 1 door afwikkelingsautoriteiten in andere lidstaten zijn opgelegd wanneer deze bevoegdheden worden uitgeoefend met betrekking tot entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep als de ctp in afwikkeling, of de clearingleden van die ctp.

3.   De in lid 1 bedoelde diensten en faciliteiten omvatten geen enkele vorm van financiële steun.

4.   De diensten en faciliteiten overeenkomstig lid 1 worden verstrekt:

a)

tegen dezelfde commerciële voorwaarden waarop ze aan de ctp werden verstrekt onmiddellijk voordat de afwikkelingsmaatregel is genomen, indien daartoe een overeenkomst bestaat;

b)

tegen redelijke commerciële voorwaarden, indien daartoe geen overeenkomst bestaat, of indien die overeenkomst is verlopen.

Artikel 52

Bevoegdheid om afwikkelingsmaatregelen of crisispreventiemaatregelen van andere lidstaten af te dwingen

1.   Wanneer eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva van een ctp in afwikkeling zich bevinden in of vallen onder het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit, heeft de overdracht of afwikkelingsmaatregel ten aanzien van die instrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva rechtsgevolg overeenkomstig het recht van die andere lidstaat.

2.   De afwikkelingsautoriteit van een lidstaat ontvangt alle nodige bijstand van de autoriteiten van andere betrokken lidstaten om te waarborgen dat alle eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva aan de koper of overbruggings-ctp worden overgedragen of dat alle andere afwikkelingsmaatregelen van kracht worden overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

3.   Aandeelhouders, schuldeisers en derden die door de in lid 1 bedoelde overdracht van eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva worden getroffen, zijn niet gerechtigd de overdracht te verhinderen, te betwisten of te vernietigen krachtens het op die overdracht toepasselijke recht van de lidstaat.

4.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit van een lidstaat de in de artikelen 28 of 32 bedoelde afwikkelingsinstrumenten gebruikt en wanneer de contracten, passiva, eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten van de ctp in afwikkeling instrumenten, contracten of passiva die onder het recht van een andere lidstaat vallen, of aan schuldeisers verschuldigde passiva en contracten voor in die andere lidstaat gevestigde clearingleden of hun cliënten omvatten, zorgen de bevoegde autoriteiten in die andere lidstaat ervoor dat alle uit deze afwikkelingsinstrumenten voortvloeiende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor de toepassing van de eerste alinea zijn door deze afwikkelingsinstrumenten getroffen aandeelhouders, schuldeisers en clearingleden of hun cliënten niet gerechtigd om de verlaging van de hoofdsom of het uitstaande bedrag van het instrument of het passivum, of de omzetting of herstructurering ervan te betwisten.

5.   De volgende rechten en waarborgen worden overeenkomstig het recht van de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit vastgesteld:

a)

het recht voor aandeelhouders, schuldeisers en derden op het instellen van beroep op grond van artikel 72 tegen de overdracht van in lid 1 van dit artikel bedoelde eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva;

b)

het recht van getroffen schuldeisers om op grond van artikel 72 beroep in te stellen tegen de verlaging van de hoofdsom of het uitstaande bedrag of de omzetting of herstructurering van een instrument, passivum of contract waarop het bepaalde in lid 4 van dit artikel van toepassing is;

c)

de in hoofdstuk V bedoelde waarborgen voor gedeeltelijke overdrachten van in lid 1 van dit artikel bedoelde activa, rechten, verplichtingen of passiva.

Artikel 53

Bevoegdheid met betrekking tot activa, contracten, rechten, passiva, verplichtingen en eigendomsinstrumenten van personen gevestigd in derde landen of onderworpen aan het recht van derde landen

1.   Wanneer een afwikkelingsmaatregel betrekking heeft op activa of contracten van personen die in een derde land zijn gevestigd of op eigendomsinstrumenten, rechten, verplichtingen of passiva die onder het recht van een derde land vallen, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat:

a)

de ctp in afwikkeling en de ontvanger van die activa, contracten, eigendomsinstrumenten, rechten, verplichtingen of passiva alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de maatregel van kracht wordt;

b)

de ctp in afwikkeling de eigendomsinstrumenten, activa of rechten aanhoudt of de passiva of verplichtingen namens de ontvanger voldoet totdat de maatregel van kracht wordt;

c)

de redelijke uitgaven die de ontvanger bij het uitvoeren van een overeenkomstig de punten a) en b) van dit lid vereiste maatregel rechtmatig heeft gemaakt op een van de in artikel 27, lid 9, bedoelde manieren worden vergoed.

2.   Voor de toepassing van lid 1 kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat de ctp een bepaling opneemt in haar contracten en andere overeenkomsten met in derde landen gevestigde of door het recht van derde landen beheerste clearingleden en houders van eigendomsinstrumenten en schuldinstrumenten of andere passiva op grond waarvan zij erin toestemmen gebonden te zijn door alle maatregelen van de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van hun activa, contracten, rechten, verplichtingen en passiva, met inbegrip van de toepassing van de artikelen 55, 56 en 57. De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat de ctp haar juridisch advies verstrekt over de juridische afdwingbaarheid en rechtsgeldigheid van die bepalingen.

3.   Wanneer de in lid 1 bedoelde afwikkelingsmaatregel niet van kracht wordt, is die maatregel nietig met betrekking tot de desbetreffende eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva.

Artikel 54

Uitsluiting van bepaalde contractuele voorwaarden in geval van vroegtijdige interventie en afwikkeling

1.   Een op zichzelf staande crisispreventiemaatregel of afwikkelingsmaatregel die overeenkomstig deze verordening is genomen, of een gebeurtenis die rechtstreeks verband houdt met de toepassing van die maatregel, wordt niet als afdwingingsgrond of insolventie in de zin van Richtlijn 2002/47/EG en Richtlijn 98/26/EG erkend, mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet.

Voor de toepassing van de eerste alinea worden overeenkomstig artikel 75 erkende afwikkelingsprocedures van derde landen, of anderszins wanneer de afwikkelingsautoriteit daartoe besluit, beschouwd als een overeenkomstig deze verordening genomen afwikkelingsmaatregel.

2.   Een crisispreventiemaatregel of een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in lid 1 wordt niet gebruikt voor:

a)

beëindiging, opschorting, wijziging, saldering of verrekening, ook in verband met een contract dat is gesloten door een entiteit van de groep waarvan de ctp deel uitmaakt en dat wederzijdse tekortkomingsbepalingen of verplichtingen bevat die zijn gegarandeerd of anderszins worden ondersteund door een entiteit van de groep;

b)

het verwerven van, de zeggenschap uitoefenen over of het uitoefenen van een zekerheidsrecht jegens de eigendom van de betrokken ctp of elke andere groepsentiteit in verband met een overeenkomst die wederzijdse tekortkomingsbepalingen omvat;

c)

het aantasten van de contractuele rechten van de betrokken ctp of elke andere groepsentiteit in verband met een contract dat wederzijdse tekortkomingsbepalingen omvat.

Artikel 55

Bevoegdheid om bepaalde verplichtingen op te schorten

1.   De afwikkelingsautoriteit kan betalings- of leveringsverplichtingen opschorten van beide tegenpartijen bij contracten die zijn gesloten door een ctp in afwikkeling vanaf de bekendmaking van de kennisgeving van opschorting overeenkomstig artikel 70 tot het einde van de werkdag volgend op die kennisgeving.

Voor de toepassing van de eerste alinea geldt als einde van de werkdag: middernacht in de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit.

2.   Indien tijdens de periode van opschorting uitvoering moet worden gegeven aan een betalings- of leveringsverplichting, is de betaling of levering bij het verstrijken van die periode onmiddellijk verschuldigd.

3.   De afwikkelingsautoriteit oefent de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet uit op betalings- en leveringsverplichtingen ten aanzien van systemen of exploitanten van systemen bestemd voor de doelstellingen van Richtlijn 98/26/EG, met inbegrip van andere centrale tegenpartijen en centrale banken.

Artikel 56

Bevoegdheid om de afdwinging van zekerheidsrechten te beperken

1.   De afwikkelingsautoriteit kan voorkomen dat schuldeisers met pandrecht van een ctp in afwikkeling zekerheidsrechten afdwingen in verband met activa van die ctp in afwikkeling vanaf de bekendmaking van de kennisgeving van de beperking overeenkomstig artikel 70 tot het einde van de werkdag volgend op die kennisgeving.

Voor de toepassing van de eerste alinea geldt als einde van de werkdag: middernacht in de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit.

2.   De afwikkelingsautoriteit oefent de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet uit met betrekking tot een zekerheidsrecht van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen in het kader van de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, met inbegrip van andere centrale tegenpartijen, en centrale banken in verband met activa die de ctp in afwikkeling bij wijze van marginstorting of zekerheid heeft toegezegd of verstrekt.

Artikel 57

Bevoegdheid tot tijdelijke opschorting van beëindigingsrechten

1.   De afwikkelingsautoriteit kan de beëindigingsrechten opschorten van een partij bij een contract met een ctp in afwikkeling vanaf de bekendmaking van de kennisgeving van de beëindiging overeenkomstig artikel 70 tot het einde van de werkdag volgend op die kennisgeving, mits de betalings- en leveringsverplichtingen en het verschaffen van zakelijke zekerheden niet worden onderbroken.

Voor de toepassing van de eerste alinea geldt als einde van de werkdag: middernacht in de lidstaat van de afwikkeling.

2.   De afwikkelingsautoriteit oefent de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet uit ten aanzien van systemen of exploitanten van systemen bestemd voor de doelstellingen van Richtlijn 98/26/EG, met inbegrip van andere centrale tegenpartijen en centrale banken.

3.   Een partij bij een contract kan een beëindigingsrecht uit hoofde van dat contract uitoefenen voor het einde van de in lid 1 bedoelde termijn indien de afwikkelingsautoriteit die partij ervan in kennis stelt dat de onder het contract vallende rechten en verplichtingen niet:

a)

aan een andere entiteit worden overgedragen;

b)

onderworpen zijn aan afschrijving, omzetting of toepassing van een afwikkelingsinstrument voor positie- of verliestoewijzing.

4.   Wanneer de in lid 3 bedoelde kennisgeving niet is gebeurd, kunnen beëindigingsrechten worden uitgeoefend bij het verstrijken van de opschortingstermijn met inachtneming van artikel 54, als volgt:

a)

wanneer de onder het contract vallende rechten en verplichtingen aan een andere entiteit zijn overgedragen, mag een tegenpartij beëindigingsrechten volgens de voorwaarden van dat contract alleen uitoefenen indien de ontvangende entiteit een afdwingingsgrond veroorzaakt of bestendigt;

b)

wanneer de onder het contract vallende rechten en verplichtingen bij de ctp blijven, zijn de beëindigingsrechten alleen van toepassing overeenkomstig de beëindigingsvoorwaarden als vastgelegd in het contract tussen de ctp en de betrokken tegenpartij als de afdwingingsgrond wordt veroorzaakt of voortduurt na het verstrijken van de opschorting.

Artikel 58

Bevoegdheid om zeggenschap uit te oefenen over de ctp

1.   De afwikkelingsautoriteit kan zeggenschap uitoefenen over de ctp in afwikkeling teneinde:

a)

de activiteiten en diensten van de ctp te beheren, de bevoegdheden van haar aandeelhouders en raad uit te oefenen en het risicocomité te raadplegen;

b)

de activa en eigendom van de ctp in afwikkeling te kunnen beheren en vervreemden.

De in de eerste alinea bedoelde zeggenschap kan rechtstreeks door de afwikkelingsautoriteit of onrechtstreeks door (een) door de afwikkelingsautoriteit aangewezen persoon of personen worden uitgeoefend.

2.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit zeggenschap uitoefent over de ctp, wordt de afwikkelingsautoriteit niet geacht een schaduwdirecteur of een feitelijke directeur op grond van het nationale recht te zijn.

Artikel 59

Uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteiten

Onverminderd artikel 72 nemen de afwikkelingsautoriteiten afwikkelingsmaatregelen door middel van een bestuursmaatregel op grond van nationale administratieve bevoegdheden en procedures.

HOOFDSTUK V

Waarborgen

Artikel 60

Geen enkele schuldeiser mag slechter af zijn

Wanneer de afwikkelingsautoriteit een of meer afwikkelingsinstrumenten gebruikt, moet zij proberen ervoor te zorgen dat aandeelhouders, schuldeisers , clearingleden en hun cliënten geen grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregel had genomen met betrekking tot de ctp op het moment waarop de afwikkelingsautoriteit van oordeel was dat aan de voorwaarden voor afwikkeling krachtens artikel 22, lid 1, was voldaan en zij in plaats daarvan waren onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp en alle andere contractuele regelingen in haar werkingsregels voor gevallen van wanbetaling en niet-wanbetaling en indien de ctp volgens normale insolventieprocedures een gone concern zonder franchiserestwaarde was geweest en was geliquideerd , rekening houdend met alle waarschijnlijke nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust .

a)

b)

Met de waarschijnlijke in de eerste alinea bedoelde nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust wordt geen rekening gehouden zo lang de in artikel 61, lid 5, vermelde technische reguleringsnormen waardering ervan niet toelaten.

Voor de toepassing van de eerste alinea houden de afwikkelingsautoriteiten zodra de in artikel 61, lid 5, vermelde technische reguleringsnormen in werking zijn getreden rekening met de waarschijnlijke nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust.

Artikel 61

Waardering om ervoor te zorgen dat geen enkele schuldeiser slechter af is

1.    Met het oog op informatieverstrekking aan de belanghebbenden bij de ctp, geeft de ctp een beeld van de mogelijke gevolgen van de verliezen voor elke categorie van schuldeisers in extreme maar aannemelijke scenario's voor een geval van wanbetaling en niet-wanbetaling dat leidt tot de insolventie van de ctp, en actualiseert zij dit beeld jaarlijks.

Dit beeld weerspiegelt de contractuele regelingen betreffende de trapsgewijze verliezen van de ctp volledig en is in overeenstemming met de margin- en stresstestmethode die wordt gebruikt om te voldoen aan de verplichtingen van de ctp op grond van Verordening (EU) nr. 648/2012.

1 bis.     Om te kunnen beoordelen of is afgeweken van het beginsel in artikel 60 dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat zo spoedig mogelijk na de uitvoering van de afwikkelingsmaatregelen een waardering wordt verricht door een onafhankelijke persoon.

2.   De in lid 1 bedoelde waardering omvat:

a)

de behandeling die aandeelhouders, schuldeisers en clearingleden of hun cliënten zouden hebben genoten mocht de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de ctp hebben genomen en de afwikkelingsautoriteit van oordeel was dat aan de voorwaarden voor afwikkeling krachtens artikel 22, lid 1, was voldaan en zij in plaats daarvan onderworpen zouden zijn geweest aan de naleving van eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp en andere regelingen in haar werkingsregels en de ctp volgens een normale insolventieprocedure als een gone concern zonder franchiserestwaarde was geliquideerd , rekening houdend met alle waarschijnlijke nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust ;

b)

de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders, schuldeisers en clearingleden of hun cliënten hebben genoten bij de afwikkeling van de ctp;

c)

de vraag of er sprake is van een verschil tussen de onder a) bedoelde behandeling en de onder b) bedoelde behandeling.

3.   Voor de berekening van de in lid 2 bis bedoelde behandelingen houdt de in lid 1 bedoelde waardering geen rekening met de toekenning van buitengewone openbare financiële steun aan de ctp in afwikkeling noch met de eigen tariferingsmethode van de ctp indien deze methode de effectieve marktvoorwaarden niet weerspiegelt .

4.   De in lid 1 bedoelde waardering staat los van de waardering die uit hoofde van artikel 24, lid 3, is verricht.

5.   De ESMA stelt, rekening houdend met technische reguleringsnormen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 74, lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU, ontwerpen van technische reguleringsnormen vast tot nadere bepaling van de methode voor het verrichten van de in lid 1 bedoelde waardering , met inbegrip van, indien of wanneer dit technisch mogelijk is, de waardering van de waarschijnlijke nadelige gevolgen van systemische instabiliteit en marktonrust .

De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [PB: gelieve de datum 12 maanden na de inwerkingtreding van de verordening in te vullen] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

Artikel 62

Waarborg voor aandeelhouders, schuldeisers en clearingleden en cliënten van clearingleden

Wanneer een aandeelhouder, schuldeiser, clearinglid of cliënt van een clearinglid volgens de uit hoofde van artikel 61 verrichte waardering grotere verliezen heeft geleden dan hij zou hebben geleden indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen ten aanzien van de ctp en zij in de plaats daarvan zouden zijn onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan van de ctp of andere regelingen in haar werkingsregels dan wel of de ctp volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd, kan die aandeelhouder, schuldeiser of clearingdeelnemer aanspraak maken op de betaling van het verschil.

Artikel 62 bis

Recuperatie van betalingen

De afwikkelingsautoriteit krijgt redelijke uitgaven die in verband met een betaling als bedoeld in artikel 62 zijn gedaan, terug op elk van de volgende wijzen:

a)

van de ctp in afwikkeling, als preferente schuldeiser;

b)

uit vergoedingen betaald door de koper wanneer het instrument van verkoop van de onderneming is gebruikt;

c)

uit de opbrengsten die voortvloeien uit de stopzetting van de overbruggings-ctp, als preferente schuldeiser;

d)

van clearingleden, voor zover een clearinglid geen grotere verliezen lijdt dan de verliezen die hij zou hebben geleden indien de afwikkelingsautoriteit geen afwikkelingsmaatregelen had genomen ten aanzien van de ctp en hij in plaats daarvan zou zijn onderworpen aan eventuele uitstaande verplichtingen op grond van het herstelplan voor de ctp of andere regelingen in haar werkingsregels of indien de ctp volgens normale insolventieprocedures was geliquideerd.

Artikel 63

Waarborg voor tegenpartijen bij gedeeltelijke overdrachten

De bescherming als bedoeld in de artikelen 64, 65 en 66 is van toepassing in de volgende gevallen:

a)

wanneer de afwikkelingsautoriteit sommige, maar niet alle activa, rechten, verplichtingen of passiva van een ctp in afwikkeling of een overbruggings-ctp aan een koper overdraagt;

b)

wanneer een afwikkelingsautoriteit de in artikel 49, lid 1, onder f), bedoelde bevoegdheden uitoefent.

Artikel 64

Bescherming voor financiële zekerheden en verrekenings- en salderingsovereenkomsten

De afwikkelingsautoriteit draagt er zorg voor dat het gebruik van een afwikkelingsinstrument niet leidt tot de overdracht van sommige, maar niet alle rechten en verplichtingen uit hoofde van een financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht, een verrekeningsovereenkomst of salderingsovereenkomst tussen een ctp in afwikkeling en andere partijen bij de regelingen of tot de wijziging of beëindiging van de rechten en verplichtingen uit hoofde van die regelingen door de uitoefening van aanvullende bevoegdheden.

De in de eerste alinea bedoelde regelingen omvatten regelingen die de partijen het recht verlenen deze rechten en verplichtingen te verrekenen of te salderen.

Artikel 65

Bescherming voor zekerheidsregelingen

De afwikkelingsautoriteit draagt , onverminderd het gebruik van positietoewijzingsinstrumenten in artikel 29, er zorg voor dat het gebruik van een afwikkelingsinstrument met betrekking tot de zekerheidsregelingen tussen een ctp in afwikkeling en andere partijen bij die regeling niet leidt tot:

a)

de overdracht van de activa waarmee de verplichting is gedekt, tenzij die verplichting en het voordeel van de zekerheid ook worden overgedragen;

b)

de overdracht van een gedekte verplichting, tenzij het voordeel van de zekerheid ook wordt overgedragen;

c)

de overdracht van het voordeel van de zekerheid, tenzij de gedekte verplichting ook wordt overgedragen;

d)

de wijziging of beëindiging van een zekerheidsregeling door de uitoefening van aanvullende bevoegdheden, indien deze wijziging of beëindiging tot gevolg heeft dat de verplichting niet langer wordt gedekt.

Artikel 66

Bescherming voor gestructureerde financieringsregelingen en gedekte obligaties

De afwikkelingsautoriteit draagt er zorg voor dat het gebruik van een afwikkelingsinstrument met betrekking tot gestructureerde financieringsregelingen, met inbegrip van gedekte obligaties, niet leidt tot:

a)

de overdracht van sommige, maar niet alle activa, rechten en verplichtingen die een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel ervan vormen waarvan een van de partijen de ctp in afwikkeling is;

b)

de beëindiging of wijziging door de uitoefening van aanvullende bevoegdheden van de activa, rechten en verplichtingen die een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel ervan vormen waarvan een van de partijen de ctp in afwikkeling is;

Voor de toepassing van het eerste alinea omvatten gestructureerde financieringsregelingen securitisaties en instrumenten voor hedgingdoeleinden die integraal deel uitmaken van de pool van onderliggende activa en volgens nationaal recht op gelijke wijze als gedekte obligaties gedekt zijn, die het verstrekken en aanhouden van zekerheden door een partij bij de regeling of een trustee, lasthebber of gevolmachtigde inhouden.

Artikel 67

Gedeeltelijke overdrachten: bescherming van handels-, clearing- en afwikkelingssystemen

1.   De afwikkelingsautoriteit draagt er zorg voor dat het gebruik van een afwikkelingsinstrument geen afbreuk doet aan het functioneren van systemen en regels van systemen die onder Richtlijn 98/26/EG vallen, wanneer de afwikkelingsautoriteit:

a)

sommige, maar niet alle, activa, rechten, verplichtingen of passiva van een ctp in afwikkeling aan een koper overdraagt;

b)

de voorwaarden van een contract waarbij de ctp in afwikkeling partij is, annuleert of wijzigt, of een koper of overbruggings-ctp als partij vervangt.

2.   Voor de toepassing van lid 1 draagt de afwikkelingsautoriteit er zorg voor dat het gebruik van afwikkelingsinstrumenten niet leidt tot:

a)

het intrekken van een overboekingsopdracht overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 98/26/EG;

b)

het belemmeren van de afdwingbaarheid van overboekingsopdrachten en verrekening uit hoofde van de artikelen 3 en 5 van Richtlijn 98/26/EG;

c)

het belemmeren van het gebruik van middelen, effecten of kredietfaciliteiten uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 98/26/EG;

d)

het belemmeren van de bescherming van zakelijke zekerheden uit hoofde van artikel 9 van Richtlijn 98/26/EG.

HOOFDSTUK VI

Procedurele verplichtingen

Artikel 68

Kennisgevingsvereisten

1.   De ctp stelt de bevoegde autoriteit in kennis indien zij van oordeel is dat zij failleert of waarschijnlijk failleert in de zin van artikel 22, lid 2.

2.   De bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsautoriteit in kennis van uit hoofde van lid 1 ontvangen kennisgevingen en van herstel- of andere maatregelen overeenkomstig titel IV, die de bevoegde autoriteit van de ctp verlangt.

De bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsautoriteit in kennis van in artikel 24 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bedoelde noodsituaties met betrekking tot een ctp en van elke kennisgeving die overeenkomstig artikel 48 van die verordening is ontvangen.

3.   Indien een bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit vaststelt dat met betrekking tot een ctp aan de in artikel 22, lid 1, onder a) en b), vastgestelde voorwaarden is voldaan, stelt zij de volgende autoriteiten hiervan tijdig in kennis:

a)

de bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit voor die ctp;

b)

de bevoegde autoriteit voor de moederonderneming van de ctp;

b bis)

het toezichtcollege voor die ctp;

b ter)

het afwikkelingscollege voor die ctp;

c)

de centrale bank;

d)

het bevoegde ministerie;

e)

de ESRB en de aangewezen nationale macroprudentiële autoriteit.

Artikel 69

Besluit van de afwikkelingsautoriteit

1.   Na een kennisgeving van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 68, lid 3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit of een afwikkelingsmaatregel nodig is.

2.   Een besluit over het al dan niet nemen van afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een ctp bevat de volgende informatie:

a)

de beoordeling van de afwikkelingsautoriteit of de ctp voldoet aan de voorwaarden voor afwikkeling;

b)

alle maatregelen die de afwikkelingsautoriteit voornemens is te treffen, met inbegrip van het besluit om liquidatie aan te vragen, de benoeming van een bewindvoerder of alle andere maatregelen in het kader van normale insolventieprocedures of, met inachtneming van artikel 27, lid 1, onder e), krachtens de nationale wetgeving.

Artikel 70

Procedurele verplichtingen van afwikkelingsautoriteiten

1.   Zo spoedig mogelijk na het nemen van een afwikkelingsmaatregel stelt de afwikkelingsautoriteit alle volgende entiteiten in kennis:

a)

de ctp in afwikkeling;

b)

het afwikkelingscollege;

c)

de aangewezen nationale macroprudentiële autoriteit en de ESRB;

d)

de Commissie, de Europese Centrale Bank en de EIOPA;

e)

de exploitanten van de onder Richtlijn 98/26/EG vallende systemen waaraan de ctp in afwikkeling deelneemt.

2.   De in lid 1 bedoelde kennisgeving bevat een kopie van alle opdrachten of instrumenten door middel waarvan de maatregel wordt genomen en geeft de datum aan vanaf wanneer de afwikkelingsmaatregel van kracht is.

In de kennisgeving aan het afwikkelingscollege overeenkomstig lid 1, onder b), wordt ook vermeld of en waarom de afwikkelingsmaatregel afwijkt van het afwikkelingsplan.

3.   Een kopie van de opdracht of het instrument door middel waarvan de afwikkelingsmaatregel is genomen, hetzij een bericht waarin de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel en, in voorkomend geval, de voorwaarden en de in de artikelen 55, 56 en 57 bedoelde opschortings- of beperkingsperiode, wordt bekendgemaakt op:

a)

de website van de afwikkelingsautoriteit;

b)

de website van de bevoegde overheid indien deze verschilt van de afwikkelingsautoriteit, en op de website van de ESMA;

c)

de website van de ctp in afwikkeling;

d)

indien de eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten van de ctp in afwikkeling ter verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten, de voor de bekendmaking van gereglementeerde informatie met betrekking tot de ctp in afwikkeling overeenkomstig artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) gebruikte middelen.

4.   Indien de eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten niet ter verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten, draagt de afwikkelingsautoriteit er zorg voor dat de documenten die als bewijsstuk van de in lid 3 bedoelde opdracht fungeren, worden toegezonden aan de houders van de eigendomsinstrumenten en de schuldeisers van de ctp in afwikkeling die bekend zijn van de aan de afwikkelingsautoriteit ter beschikking staande registers of gegevensbanken van de ctp in afwikkeling.

Artikel 71

Vertrouwelijkheid

1.   De volgende personen zijn aan de vereisten van het beroepsgeheim gebonden:

a)

de afwikkelingsautoriteiten;

b)

de bevoegde autoriteiten, de ESMA en de EBA;

c)

de bevoegde ministeries;

d)

krachtens deze verordening aangestelde bijzondere bestuurders of tijdelijke bewindvoerders;

e)

potentiële verwervers met wie door de bevoegde autoriteiten contact wordt opgenomen of die door de afwikkelingsautoriteiten worden benaderd, ongeacht of dat contact of verzoek ter voorbereiding van het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming plaatsvond, en ongeacht of het verzoek in een verwerving uitmondde;

f)

auditors, boekhouders, juridische en professionele adviseurs, taxateurs en andere deskundigen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten, de bevoegde ministeries of de onder e) bedoelde potentiële verwervers in de arm zijn genomen;

g)

centrale banken en andere bij het afwikkelingsproces betrokken autoriteiten;

h)

een overbruggings-ctp;

i)

alle andere personen die rechtstreeks of onrechtstreeks, op permanente basis of incidenteel, aan de onder a) tot en met k) bedoelde personen diensten verlenen of hebben verleend;

j)

het hogere management en leden van de raad van de ctp, en werknemers van de onder a) tot en met k) bedoelde organen of entiteiten, voor, tijdens en na hun benoeming;

k)

alle andere leden van het afwikkelingscollege die niet zijn genoemd in de punten a), b), c) en g).

2.   Om te waarborgen dat de in lid 1 en lid 3 vastgestelde vertrouwelijkheidsvoorschriften worden nageleefd dragen de in de punten a), b), c), g), h) en k) van lid 1 bedoelde personen er zorg voor dat er interne regels met betrekking tot vertrouwelijkheid worden vastgesteld, waaronder regels die specifiek tot doel hebben de vertrouwelijkheid te waarborgen van informatie die wordt uitgewisseld tussen de personen die rechtstreeks bij het afwikkelingsproces betrokken zijn.

3.   De in lid 1 bedoelde personen mogen aan geen enkele persoon of autoriteit vertrouwelijke informatie bekendmaken waarvan zij bij de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden of via een bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit in verband met hun taken als bedoeld in deze verordening kennis hebben gekregen, tenzij in het kader van de uitoefening van hun taken als bedoeld in deze verordening of in een zodanig samengevatte of geaggregeerde vorm dat individuele ctp's niet kunnen worden geïdentificeerd, of met de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit of de ctp die de informatie heeft verschaft.

Vooraleer gelijk welke informatie wordt bekendgemaakt, beoordelen de in lid 1 bedoelde personen de eventuele gevolgen van de bekendmaking van informatie voor het openbaar belang met betrekking tot het financieel, monetair of economisch beleid, voor de commerciële belangen van natuurlijke en rechtspersonen, voor het doel van inspecties, voor onderzoeken en audits.

De procedure voor het controleren van de gevolgen van de bekendmaking van informatie houdt onder meer in dat in het bijzonder wordt gekeken naar de effecten van een mogelijke bekendmaking van de inhoud en de details van herstel- en afwikkelingsplannen als bedoeld in de artikelen 9 en 13, en van de resultaten van beoordelingen als bedoeld in de artikelen 10 en 16.

Alle in lid 1 bedoelde personen of entiteiten zijn overeenkomstig de nationale wetgeving civielrechtelijk aansprakelijk in het geval van een overtreding op het bepaalde in dit artikel.

4.   In afwijking van lid 3 kunnen de in lid 1 bedoelde personen vertrouwelijke informatie uitwisselen met de volgende entiteiten mits er vertrouwelijkheidsregelingen bestaan voor de doeleinden van die uitwisseling:

a)

alle andere personen wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel;

b)

parlementaire onderzoekscommissies in hun lidstaat, de rekenkamer of rekenkamers van hun lidstaat en andere entiteiten die belast zijn met onderzoek in hun lidstaat;

c)

nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op systemen voor het betalingsverkeer, de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor gewone insolventieprocedures, de autoriteiten aan welke van overheidswege het toezicht op andere entiteiten uit de financiële sector is opgedragen, de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op financiële markten en verzekeringsondernemingen en de inspecteurs die namens hen optreden, de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het bewaren van de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaten door middel van macroprudentiële regels, de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beschermen van de stabiliteit van het financiële stelsel, en personen die belast zijn met het uitvoeren van de audits van de financiële overzichten.

5.   De bepalingen van dit artikel beletten niet dat:

a)

werknemers en deskundigen van de in lid 1, onder a) tot en met g) en onder k), vermelde organen of entiteiten onderling binnen elk orgaan of elke entiteit informatie delen;

b)

de afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van hun werknemers en deskundigen, informatie delen met elkaar en met andere afwikkelingsautoriteiten in de Unie, andere bevoegde autoriteiten in de Unie, bevoegde ministeries, centrale banken, voor normale insolventieprocedures bevoegde autoriteiten, autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het handhaven van het stabiliteit van het financiële systeem in lidstaten door het gebruik van macroprudentiële regels, personen die belast zijn met het uitvoeren van wettelijke controles van rekeningen, de EBA, de ESMA, of, onder de voorwaarden van artikel 78, autoriteiten van derde landen die taken uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan de taken van de afwikkelingsautoriteiten, of, onder strikte eisen inzake vertrouwelijkheid, met een potentiële verwerver met het oog op het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel.

6.   Dit artikel laat de nationale wetgeving betreffende het bekendmaken van informatie voor juridische procedures in straf- of civielrechtelijke zaken onverlet.

HOOFDSTUK VII

Recht van beroep en uitsluiting van andere acties

Artikel 72

Voorafgaande rechterlijke goedkeuring en recht van beroep

1.   ▌

2.   Alle personen die getroffen worden door een besluit om een crisispreventiemaatregel te nemen of een besluit om een andere bevoegdheid dan een afwikkelingsmaatregel uit te oefenen, hebben het recht om tegen dat besluit beroep in te stellen.

3.   Alle personen die getroffen worden door een besluit tot het nemen van een afwikkelingsmaatregel hebben het recht om tegen dat besluit beroep in te stellen.

4.   Het in lid 3 bedoelde recht op beroep is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)

het besluit van de afwikkelingsautoriteit is onmiddellijk afdwingbaar en geeft aanleiding tot een weerlegbaar vermoeden dat een opschorting van de handhaving ervan tegen het algemeen belang indruist;

b)

de procedure voor beroep is snel;

c)

de rechtbank baseert zich bij zijn eigen toetsing op de economische beoordeling van de feiten zoals uitgevoerd door de afwikkelingsautoriteit.

4 bis.     Een besluit van de afwikkelingsautoriteit tot het nemen van een afwikkelingsmaatregel of een crisispreventiemaatregel of het uitoefenen van elke andere bevoegdheid dan het nemen van een afwikkelingsmaatregel kan alleen worden vernietigd op inhoudelijke gronden als het besluit willekeurig en onredelijk was toen het werd genomen, op basis van de op dat moment beschikbare informatie.

4 ter.     Het instellen van beroep leidt niet tot automatische opschorting van de gevolgen van het betwiste besluit.

5.   Indien zulks noodzakelijk is om de belangen te beschermen van te goeder trouw handelende derden die uit hoofde van een afwikkelingsmaatregel eigendomsinstrumenten, activa, rechten, verplichtingen of passiva van een ctp in afwikkeling hebben gekocht, laat de nietigverklaring van een besluit van een afwikkelingsautoriteit de latere administratieve handelingen of transacties van de afwikkelingsautoriteit in kwestie welke op het nietig verklaarde besluit van de afwikkelingsautoriteit zijn gebaseerd, onverlet.

Voor de toepassing van de eerste alinea worden de rechtsmiddelen die de aanvrager kan inzetten indien een besluit van de afwikkelingsautoriteit nietig is verklaard, beperkt tot vergoeding van de als gevolg van dat besluit geleden schade.

Artikel 73

Beperkingen op andere procedures

1.   Normale insolventieprocedures mogen niet worden opgestart met betrekking tot een ctp, behalve op initiatief van de afwikkelingsautoriteit of met haar instemming overeenkomstig lid 3.

2.   De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten worden onverwijld in kennis gesteld van elke aanvraag tot opening van normale insolventieprocedures met betrekking tot een ctp, ongeacht of de ctp in afwikkeling is of overeenkomstig artikel 70, lid 3, een besluit is bekendgemaakt.

3.   De voor de normale insolventieprocedures verantwoordelijke autoriteiten kunnen deze procedures pas opstarten nadat de afwikkelingsautoriteit hen in kennis heeft gesteld van haar besluit om geen afwikkelingsmaatregel te nemen met betrekking tot de ctp of indien geen kennisgeving is ontvangen binnen zeven dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving.

Indien zulks voor het doeltreffend gebruik van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden noodzakelijk is, kunnen de afwikkelingsautoriteiten de rechtbank verzoeken gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn opschorting te verlenen van een gerechtelijke maatregel of procedure waarbij een ctp in afwikkeling een partij is of kan worden.

TITEL VI

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 74

Overeenkomsten met derde landen

1.   Overeenkomstig artikel 218 VWEU kan de Commissie bij de Raad aanbevelingen indienen voor het voeren van onderhandelingen over overeenkomsten met een of meer derde landen met betrekking tot de middelen voor samenwerking tussen de afwikkelingsautoriteiten en de betrokken autoriteiten van derde landen betreffende herstel- en afwikkelingsplanning met betrekking tot ctp's en ctp's van derde landen, wat de volgende situaties betreft:

a)

wanneer een ctp van een derde land diensten verricht of dochterondernemingen heeft in een of meer lidstaten;

b)

wanneer een in een lidstaat gevestigde ctp diensten verricht of een of meer dochterondernemingen heeft in een derde land.

b bis)

wanneer een groot aantal clearingleden van een ctp in dat derde land is gevestigd;

b ter)

wanneer een in een derde land gevestigde ctp een groot aantal in de Unie gevestigde clearingleden telt.

2.   De bedoeling van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten is met name ervoor te zorgen dat procedures en regelingen worden vastgesteld voor samenwerking bij het verrichten van de taken en het uitoefenen van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 77, met inbegrip van de uitwisseling van de voor die doeleinden noodzakelijke informatie.

Artikel 75

Erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen

1.   Dit artikel is van toepassing op afwikkelingsprocedures van derde landen tenzij en totdat een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 74, lid 1, met het betrokken derde land in werking treedt. Het blijft ook van toepassing na de inwerkingtreding van een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 74, lid 1, met het betrokken derde land, en voor zover de erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen niet door die overeenkomst worden geregeld.

2.   De betrokken nationale autoriteiten erkennen de afwikkelingsprocedures van derde landen met betrekking tot een in een derde land gevestigde ctp in elk van de volgende gevallen:

a)

de ctp van een derde land verricht diensten in of heeft dochterondernemingen in een of meer lidstaten;

b)

de ctp van een derde land heeft activa, rechten, verplichtingen of passiva in of vallend onder het recht van een of meer lidstaten.

De betrokken nationale autoriteiten zien toe op de naleving van de erkende afwikkelingsprocedures van derde landen in overeenstemming met hun nationale wetgeving.

3.   De betrokken nationale autoriteiten beschikken ten minste over de bevoegdheid om:

a)

de afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van:

i)

activa van een ctp van een derde land die zich in hun lidstaat bevinden of aan het recht van hun lidstaat zijn onderworpen;

ii)

rechten of passiva van een ctp van een derde land die in hun lidstaat zijn geboekt, aan het recht van hun lidstaat zijn onderworpen, dan wel ingeval met dergelijke rechten en verplichtingen samenhangende vorderingen in hun lidstaat afdwingbaar zijn;

b)

een overdracht van eigendomsinstrumenten van een in hun lidstaat gevestigde dochterinstelling aan derden tegenwerpbaar te maken, onder meer door een andere persoon ertoe te verplichten actie te ondernemen om de overdracht aan derden tegenwerpbaar te maken;

c)

de in de artikelen 55, 56 en 57 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen met betrekking tot de rechten van elke partij bij een contract met een in lid 2 van dit artikel bedoelde entiteit, indien die bevoegdheden nodig zijn om de afwikkelingsprocedures van derde landen te handhaven;

d)

elk recht niet-handhaafbaar te maken om contracten te beëindigen, te liquideren of versneld uit te voeren van, of afbreuk te doen aan de contractuele rechten van entiteiten als bedoeld in lid 2 en andere groepsentiteiten niet-handhaafbaar te maken, indien die rechten voortvloeien uit afwikkelingshandelingen met betrekking tot de ctp van het derde land, van hetzij de afwikkelingsautoriteit van het derde land in kwestie, hetzij krachtens de wettelijke of regelgevingsvereisten op het gebied van afwikkeling in dat land, mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet.

4.   De erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen doen geen afbreuk aan de toepassing van de normale insolventieprocedures uit hoofde van het toepasselijke nationale recht.

Artikel 76

Recht tot weigering van de erkenning of handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen

In afwijking van artikel 75, lid 2, kunnen de betrokken nationale autoriteiten in de volgende gevallen weigeren de afwikkelingsprocedures van derde landen te erkennen of te handhaven:

a)

de afwikkelingsprocedures van een derde land zouden nadelige gevolgen hebben voor de financiële stabiliteit in hun lidstaat;

b)

de schuldeisers of clearingleden of cliënten van die clearingleden die in hun lidstaat zijn gevestigd, zouden in het kader van een afwikkelingsprocedure van het derde land niet op dezelfde wijze worden behandeld als schuldeisers of clearingleden of cliënten van die clearingleden met vergelijkbare wettelijke rechten krachtens de binnenlandse afwikkelingsprocedures van het derde land;

c)

de erkenning of handhaving van de afwikkelingsprocedures van een derde land zou ingrijpende begrotingsgevolgen voor hun lidstaat hebben;

d)

de erkenning of handhaving zou in strijd zijn met nationale wetgeving.

Artikel 77

Samenwerking met autoriteiten van derde landen

1.   Dit artikel is van toepassing op samenwerking met derde landen tenzij en totdat een in artikel 74, lid 1, bedoelde internationale overeenkomst met het betrokken derde land in werking treedt. Het blijft van toepassing na de inwerkingtreding van een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 74, lid 1, met het betrokken derde land voor zover de materie van dit artikel niet door deze overeenkomst wordt geregeld.

2.   Bevoegde autoriteiten of afwikkelingsautoriteiten sluiten, in voorkomend geval, samenwerkingsovereenkomsten met de volgende betrokken autoriteiten van derde landen, rekening houdend met bestaande op grond van artikel 25, lid 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012 ingestelde samenwerkingsregelingen:

a)

wanneer een ctp van een derde land diensten verricht in of dochterondernemingen heeft in een of meer lidstaten, de betrokken autoriteiten van het derde land waar de ctp is gevestigd;

b)

wanneer een ctp diensten verricht in of een of meer dochterondernemingen heeft in derde landen, de betrokken autoriteiten van de derde landen waar die diensten worden verricht of waar de dochterondernemingen zijn gevestigd.

3.   In de in lid 2 bedoelde samenwerkingsregelingen worden procedures en regelingen vastgesteld tussen de deelnemende autoriteiten voor het delen van de noodzakelijke informatie voor en samenwerking bij de uitvoering van de volgende taken en bij de uitoefening van de volgende bevoegdheden met betrekking tot de in lid 2, onder a) en b), bedoelde ctp's of groepen die dergelijke ctp's omvatten:

a)

de opstelling van afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 13 en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde vereisten;

b)

de beoordeling van de afwikkelbaarheid van dergelijke instellingen en groepen overeenkomstig artikel 16 en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde vereisten;

c)

de toepassing van bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkeling aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig artikel 17 en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;

d)

de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen overeenkomstig artikel 19 en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;

e)

het gebruik van afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden en vergelijkbare bevoegdheden die aan de betrokken autoriteiten van een derde land zijn toegekend.

4.   Overeenkomstig lid 2 gesloten samenwerkingsregelingen tussen afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten van lidstaten en derde landen kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot:

a)

de uitwisseling van de informatie die nodig is voor het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen;

b)

overleg en samenwerking bij het opstellen van afwikkelingsplannen, met inbegrip van beginselen voor de uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van artikel 75 en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;

c)

de uitwisseling van de informatie die nodig is voor het gebruik van afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;

d)

vroegtijdige waarschuwing van of overleg met partijen bij de samenwerkingsovereenkomst voordat een belangrijke maatregel uit hoofde van deze verordening of het recht van het betrokken derde land wordt genomen die de ctp of de groep treft waarop de overeenkomst betrekking heeft;

e)

de coördinatie van openbare communicatie in geval van gezamenlijke afwikkelingsmaatregelen;

f)

procedures en regelingen om overeenkomstig de punten a) tot en met e) informatie uit te wisselen en samen te werken, onder meer, in voorkomend geval, door crisismanagementgroepen op te zetten en te beheren.

Met het oog op een gemeenschappelijke, uniforme en consistente toepassing van lid 3 stelt de ESMA richtsnoeren op over de aard en de inhoud van de in lid 4 bedoelde bepalingen uiterlijk op [PB gelieve datum in te voegen: 18 maanden na de inwerkingtreding van de verordening].

5.   De afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten stellen de ESMA in kennis van de samenwerkingsovereenkomsten die zij overeenkomstig dit artikel hebben gesloten.

Artikel 78

Uitwisseling van vertrouwelijke informatie

1.   De afwikkelingsautoriteiten, bevoegde autoriteiten, bevoegde ministeries en, indien van toepassing, andere betrokken nationale autoriteiten wisselen met betrokken autoriteiten van derde landen vertrouwelijke informatie, met inbegrip van herstelplannen, enkel uit mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de betrokken autoriteiten van derde landen zijn onderworpen aan vereisten en normen inzake het beroepsgeheim die door de betrokken autoriteiten ten minste gelijk worden geacht met de door artikel 71 opgelegde vereisten en normen;

b)

de informatie is nodig voor het uitvoeren door de betrokken autoriteiten van derde landen van hun afwikkelingstaken naar nationaal recht die vergelijkbaar zijn met die uit hoofde van deze verordening, en wordt niet voor andere doeleinden gebruikt.

2.   Voor zover als de uitwisseling van informatie ook persoonsgegevens omvat, geldt voor de verwerking en doorgifte van deze persoonsgegevens aan de autoriteiten van derde landen het toepasselijke recht van de Unie en de lidstaten inzake gegevensbescherming.

3.   Indien vertrouwelijke informatie in een andere lidstaat haar oorsprong vindt, maken afwikkelingsautoriteiten, bevoegde autoriteiten en bevoegde ministeries die informatie niet bekend aan de betrokken autoriteiten van derde landen tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de betrokken autoriteit van de lidstaat waar de informatie haar oorsprong vond gaat akkoord met de bekendmaking ervan;

b)

de informatie wordt alleen voor de door de onder a) bedoelde autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt.

4.   Voor de toepassing van dit artikel wordt informatie als vertrouwelijk beschouwd indien deze aan de vertrouwelijkheidsvoorschriften uit hoofde van het recht van de Unie is onderworpen.

Artikel 78 bis

Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.     Onverminderd het recht van de lidstaten strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen zij regels vast voor administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die van toepassing zijn indien de in deze verordening vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd, en nemen zij alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. Indien de lidstaten besluiten geen administratieve sancties voor overtredingen vast te stellen voor inbreuken waarop hun nationale strafrecht van toepassing is, delen zij de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mede. De administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

2.     De lidstaten dragen er zorg voor dat als ctp's, clearingleden van ctp's of moederondernemingen aan de in lid 1 vermelde verplichtingen onderworpen zijn, bij een overtreding van deze verplichtingen administratieve sancties onder de door het nationale recht vastgelegde voorwaarden kunnen worden opgelegd aan de leden van de raad van de ctp en aan andere natuurlijke personen die uit hoofde van het nationale recht voor de overtreding verantwoordelijk zijn.

3.     De bevoegdheid om de in deze verordening voorziene administratieve sancties op te leggen, wordt afhankelijk van het type overtreding toegekend aan hetzij de afwikkelingsautoriteiten hetzij, indien dit andere autoriteiten betreft, de bevoegde autoriteiten. Aan de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten worden alle bevoegdheden voor het vergaren van informatie en onderzoeksbevoegdheden toegekend die nodig zijn voor de vervulling van hun respectieve taken. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden om sancties op te leggen, werken de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten nauw met elkaar samen om ervoor te zorgen dat de administratieve sancties of andere administratieve maatregelen het gewenste resultaat opleveren, en om hun optreden te coördineren wanneer het om grensoverschrijdende zaken gaat.

4.     De afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten oefenen hun administratieve sanctiebevoegdheden uit overeenkomstig deze verordening en het nationaal recht op een van de volgende wijzen:

a)

op rechtstreekse wijze;

b)

in samenwerking met andere autoriteiten;

c)

onder hun verantwoordelijkheid door middel van delegatie aan dergelijke autoriteiten;

d)

door middel van een verzoek tot de bevoegde rechterlijke instanties.

Artikel 78 ter

Specifieke bepalingen

1.     De lidstaten zorgen ervoor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voorzien in sancties en maatregelen in ten minste de volgende gevallen:

a)

het nalaten in overtreding van artikel 9 om herstelplannen op te stellen, bij te houden en bij te werken;

b)

het nalaten in overtreding van artikel 14 om alle voor de opstelling van afwikkelingsplannen vereiste informatie te verstrekken;

c)

het nalaten door de raad van de ctp in overtreding van artikel 68, lid 1, om de bevoegde autoriteit in kennis te stellen wanneer een ctp faalt of waarschijnlijk gaat falen.

2.     De lidstaten dragen er zorg voor dat in de in lid 1 bedoelde gevallen ten minste onder meer de volgende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd:

a)

een publieke verklaring waarin de voor de overtreding verantwoordelijke natuurlijke persoon, instelling, EU-moederonderneming, ctp of andere rechtspersoon en de aard van de overtreding worden vermeld;

b)

een bevel waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

c)

een tijdelijke verbod voor de leden van het senior management van de ctp of elke andere natuurlijke persoon die voor de overtreding verantwoordelijk wordt geacht, om functies in de ctp uit te oefenen;

d)

ingeval het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboetes oplopend tot 10 % van de totale jaarlijkse netto-omzet van de rechtspersoon in het voorgaande boekjaar. Indien de rechtspersoon een dochteronderneming is van een moederonderneming, is de desbetreffende jaaromzet gelijk aan de jaaromzet die blijkt uit de geconsolideerde rekeningen van de uiteindelijke moederonderneming in het voorgaande boekjaar;

e)

ingeval het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldboetes tot maximaal 5 000 000 EUR of in lidstaten waar de euro niet de officiële munteenheid is, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op [datum van inwerkingtreding van deze verordening];

f)

administratieve geldboetes oplopend tot tweemaal het bedrag van de aan de overtreding ontleende winst indien deze kan worden bepaald.

Artikel 78 quater

Bekendmaking van administratieve sancties

1.     De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten ten minste alle administratieve sancties die hen worden opgelegd wegens overtreding van de in deze verordening vastgestelde bepalingen, bekendmaken op hun officiële website, indien tegen deze sancties geen beroep is ingesteld of het recht om beroep in te stellen uitputtend werd gebruikt. Deze bekendmaking geschiedt onverwijld nadat de natuurlijke persoon of rechtspersoon van dat besluit in kennis is gesteld, met inbegrip van informatie over het type en de aard van de overtreding en de identiteit van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd.

Indien de lidstaten bekendmaking van voor beroep vatbare sancties toestaan, maken de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten op hun officiële website zonder onnodige vertraging eveneens informatie inzake de status van dat beroep en het resultaat van de behandeling daarvan bekend.

2.     De afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten maken, in de onderstaande situaties, de door hen opgelegde sancties overeenkomstig het nationaal recht bekend zonder vermelding van namen:

a)

indien de sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon en, op basis van een verplichte voorafgaande evenredigheidsbeoordeling, de bekendmaking van de persoonlijke gegevens onevenredig blijkt;

b)

indien de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen of een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen;

c)

indien de bekendmaking, voor zover dat kan worden bepaald, de betrokken ctp of natuurlijke personen onevenredige schade zou berokkenen.

Bij wijze van alternatief kan in dergelijke gevallen de bekendmaking van de betrokken gegevens voor een redelijke periode worden uitgesteld indien verwacht kan worden dat de redenen voor anonieme bekendmaking in die periode zullen vervallen.

3.     De afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat alle informatie die overeenkomstig dit artikel wordt bekendgemaakt, gedurende een periode van ten minste vijf jaar op hun officiële website blijft staan. De bekendgemaakte persoonlijke gegevens blijven niet langer dan nodig is op de officiële website van de afwikkelingsautoriteit of bevoegde autoriteit staan, overeenkomstig de toepasselijke regels voor gegevensbescherming.

4.     Uiterlijk op [PO: datum invoegen: 18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] dient de ESMA een verslag in bij de Commissie over de bekendmaking door de lidstaten, op anonieme basis zoals is bepaald in lid 2, van sancties wegens niet-nakoming van de bepalingen in deze verordening en met name of er significante verschillen zijn tussen de lidstaten op dat gebied. In dat verslag wordt ook ingegaan op eventuele wezenlijke verschillen in de bij het nationale recht van de lidstaten voorgeschreven duur van de bekendmaking van sancties.

Artikel 78 quinquies

Door de ESMA bijgehouden centrale gegevensbank

1.     Behoudens de in artikel 71 bedoelde vereisten inzake het beroepsgeheim, stellen de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten de ESMA op de hoogte van alle administratieve sancties die zij op grond van artikel 78 bis hebben opgelegd wegens overtredingen van de in dit artikel vastgelegde bepalingen en van de status van dat beroep en het resultaat daarvan.

2.     De ESMA houdt, enkel voor de uitwisseling van informatie tussen de afwikkelingsautoriteiten, een centrale gegevensbank van de gemelde sancties bij die alleen toegankelijk is voor de afwikkelingsautoriteiten en aan de hand van de door de afwikkelingsautoriteiten verstrekte informatie geactualiseerd wordt.

3.     De ESMA houdt, enkel voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten, een centrale gegevensbank van de gemelde sancties bij die alleen toegankelijk is voor de bevoegde autoriteiten en aan de hand van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie geactualiseerd wordt.

4.     De ESMA houdt een webpagina bij met links naar de door alle afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten krachtens artikel 78 quater verrichte bekendmakingen van sancties en vermeldt voor elke lidstaat de duur van de bekendmaking van sancties.

Artikel 78 sexies

Effectieve toepassing van sancties en uitoefening van sanctiebevoegdheden door bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten bij de vaststelling van de aard van administratieve sancties of andere administratieve maatregelen en van de omvang van administratieve geldboeten alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, zoals onder meer, waar passend:

a)

de ernst en de duur van de inbreuk;

b)

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

c)

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk aansprakelijke natuurlijke of rechtspersoon, bijvoorbeeld zoals deze blijkt uit de totale omzet van de voor de inbreuk aansprakelijke rechtspersoon of het jaarinkomen van de voor de inbreuk aansprakelijke natuurlijke persoon;

d)

het bedrag van de door de aansprakelijke natuurlijke of rechtspersoon behaalde winsten of vermeden verliezen, voor zover deze kunnen worden bepaald;

e)

de verliezen die derden als gevolg van de inbreuk hebben geleden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

f)

de mate waarin de voor de schending aansprakelijke natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit meewerkt; eerdere overtredingen van de voor de schending aansprakelijke natuurlijke of rechtspersoon;

h)

eventuele gevolgen van de overtreding voor het systeem.

TITEL VII

WIJZIGINGEN VAN VERORDENINGEN (EU) NR. 1095/2010, (EU) NR. 648/2012 EN (EU) 2015/2365

Artikel 79

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1095/2010

Verordening (EU) nr. 1095/2010 wordt als volgt gewijzigd:

(22)

aan artikel 4, lid 3, wordt het volgende punt iv) toegevoegd:

“iv)

met betrekking tot Verordening (EU) nr. [inzake herstel en afwikkeling van ctp's], een afwikkelingsautoriteit als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 3, van Verordening (EU) nr. [inzake herstel en afwikkeling van ctp's].”;

(23)

aan artikel 40, lid 5, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het in lid 1, onder b), bedoelde lid van de raad van toezichthouders kan, wanneer hij binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) [inzake herstel en afwikkeling van ctp's] handelt, zich in voorkomend geval laten vergezellen door een niet-stemgerechtigde vertegenwoordiger van de afwikkelingsautoriteit in elke lidstaat.”.

Artikel 80

Wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

Het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 6 bis

Opschorting van de clearingverplichting bij afwikkeling

1.   Wanneer een ctp voldoet aan de voorwaarden in artikel 22 van Verordening (EU) [inzake herstel en afwikkeling van ctp's] kan de overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening aangewezen afwikkelingsautoriteit ▌, de Commissie verzoeken om tijdelijke opschorting van de clearingverplichting in artikel 4, lid 1, voor specifieke categorieën otc-derivaten, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

krachtens artikel 14 mag de ctp in afwikkeling de specifieke categorieën van overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder de clearingverplichting vallende otc-derivaten clearen waarvoor opschorting is aangevraagd;

b)

de opschorting van de in artikel 4 vastgestelde clearingverplichting voor die specifieke categorieën otc-derivaten is noodzakelijk om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit in de Unie in verband met de afwikkeling van de ctp te voorkomen, met name wanneer alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

i)

er is sprake van ongunstige gebeurtenissen of ontwikkelingen die een ernstige bedreiging vormen voor de financiële stabiliteit;

ii)

de maatregel is noodzakelijk om de bedreiging te ondervangen en zal voor de financiële stabiliteit , inclusief eventuele procyclische gevolgen, geen nadelig effect hebben dat onevenredig is in verhouding tot de voordelen ervan.

ii bis)

er zijn geen alternatieve ctp's beschikbaar die de clearingdienst kunnen verlenen aan de clearingdeelnemers van de ctp in afwikkeling, of clearingleden en cliënten zijn operationeel noch technisch in staat om binnen een redelijke termijn aan alle wettelijke of operationele vereisten van die alternatieve ctp's te voldoen.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek gaat vergezeld van bewijs dat aan de voorwaarden in de punten a) en b) van de eerste alinea is voldaan.

De in de eerste alinea bedoelde afwikkelingsautoriteit brengt haar met redenen omkleed verzoek ter kennis van de ESMA en het ESRB op het moment dat het verzoek aan de Commissie wordt voorgelegd.

2.   De ESMA brengt, binnen 24 uur na kennisgeving van het in lid 1 bedoelde verzoek en na raadpleging van het ESRB, een advies uit over de voorgenomen opschorting en houdt daarbij rekening met de noodzaak om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit in de Unie te voorkomen, de in artikel 21 van Verordening (EU) [inzake herstel en afwikkeling van ctp's] neergelegde afwikkelingsdoelstellingen en de in artikel 5, leden 4 en 5, van deze verordening vastgestelde criteria.

3.   Het in lid 2 bedoelde advies wordt niet openbaar gemaakt.

4.   Uiterlijk 48 uur na het in lid 1 bedoelde verzoek en overeenkomstig lid 6 besluit de Commissie de clearingverplichting voor specifieke categorieën otc-derivaten tijdelijk op te schorten of het verzoek om opschorting af te wijzen.

5.   Het besluit van de Commissie wordt meegedeeld aan de autoriteit die om opschorting heeft verzocht en aan de ESMA en wordt gepubliceerd op de website van de Commissie. Wanneer de Commissie besluit een clearingverplichting op te schorten, wordt dit besluit in het in artikel 6 bedoelde openbare register bekendgemaakt.

6.   De Commissie kan besluiten de in lid 1 bedoelde clearingverplichting voor de specifieke categorie otc-derivaten tijdelijk op te schorten, mits is voldaan aan de voorwaarden in de punten a) en b) van lid 1. Bij de vaststelling van een dergelijk besluit houdt de Commissie rekening met het in lid 2 bedoelde advies van de ESMA, de in artikel 21 van Verordening (EU) [inzake herstel en afwikkeling van ctp's] neergelegde afwikkelingsdoelstellingen, de in artikel 5, leden 4 en 5, van deze verordening vastgestelde criteria met betrekking tot die categorieën otc-derivatencontracten en de noodzaak van de opschorting ter voorkoming van een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit.

7.   De opschorting van een clearingverplichting overeenkomstig lid 4 is geldig voor een eerste periode van ten hoogste een maand vanaf de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

8.   De Commissie kan de in lid 7 bedoelde opschorting , na overleg met de afwikkelingsautoiteit, de ESMA en het ESRB, verlengen met een of meer perioden van in totaal niet meer dan zes maanden na het einde van de aanvankelijke opschortingsperiode wanneer de redenen voor de opschorting nog steeds voorhanden zijn.

9.   Wanneer een opschorting aan het einde van de eerste periode of aan het einde van een daaropvolgende verlenging niet wordt verlengd, vervalt deze automatisch.

10.   De Commissie stelt de ESMA in kennis van haar voornemen de opschorting van de clearingverplichting te verlengen.

De ESMA brengt, binnen 48 uur na kennisgeving door de Commissie van haar voornemen de opschorting van de clearingverplichting te verlengen, een advies uit over de verlenging van de opschorting en houdt daarbij rekening met de noodzaak een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit in de Unie te voorkomen, de in artikel 21 van Verordening (EU) [inzake herstel en afwikkeling van ctp's] neergelegde afwikkelingsdoelstellingen en de in artikel 5, leden 4 en 5, van deze verordening vastgestelde criteria.”;

(2)

In artikel 28 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Het risicocomité adviseert de raad over regelingen die gevolgen kunnen hebben voor het risicobeheer van de ctp, zoals onder meer een aanzienlijke wijziging in het risicomodel, de procedures in geval van wanbetaling, de criteria voor de aanvaarding van clearingleden, de clearing van nieuwe categorieën instrumenten of de uitbesteding van functies. De Commissie stelt de raad tijdig in kennis van alle nieuwe risico’s die gevolgen hebben voor de veerkracht van de ctp. Voor de dagelijkse activiteiten van de ctp is geen advies van het risicocomité vereist. Er worden redelijke inspanningen verricht om het risicocomité te raadplegen over ontwikkelingen die gevolgen hebben voor het risicobeheer van de ctp in noodsituaties, met inbegrip van ontwikkelingen met betrekking tot blootstellingen van clearingleden aan de ctp en de onderlinge afhankelijkheid met andere ctp’s, onverminderd de beperkingen betreffende informatie-uitwisseling als vastgelegd in het mededingingsrecht .”;

(3)

In artikel 28 wordt lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Een ctp stelt de bevoegde autoriteit en het risicocomité onmiddellijk in kennis van een besluit van de raad om het advies van het risicocomité niet te volgen en motiveert een dergelijk besluit. Wanneer het risicocomité of een lid van het risicocomité van oordeel is dat het advies van het risicocomité op een bepaald gebied niet is gevolgd, kan het de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen.”;

(4)

Aan artikel 38 wordt het volgende lid 6 toegevoegd:

“De clearingleden van de ctp informeren hun bestaande en potentiële cliënten duidelijk over de specifieke mogelijke verliezen of andere kosten die zij zouden kunnen dragen ten gevolge van de toepassing van de procedure voor wanbetalingsbeheer en de regelingen voor verliestoewijzing uit de werkingsregels van de ctp, met inbegrip van de aard van de vergoeding die zij kunnen ontvangen, rekening houdend met artikel 48, lid 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012. Cliënten moeten voldoende worden geïnformeerd zodat zij begrijpen welke maximale verliezen of andere kosten zij zouden kunnen lijden indien de ctp herstelmaatregelen zou nemen.”;

(5)

Aan artikel 81, lid 3, wordt het volgende punt q) toegevoegd:

“q)

de afwikkelingsautoriteiten die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. [inzake herstel en afwikkeling van ctp's].”.

Artikel 81

Wijziging van Verordening (EU) 2015/2365

Aan artikel 12, lid 2, wordt het volgende punt n) toegevoegd:

“n)

de afwikkelingsautoriteiten die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) [inzake herstel en afwikkeling van ctp's].”.

TITEL VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 82

Evaluatie

Uiterlijk …[twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en eerder indien dit in het licht van andere goedgekeurde wetgeving passend is, maakt de ESMA een raming op van de behoeften op het gebied van personeel en middelen die voortvloeien uit de uitvoering van haar bevoegdheden en functies overeenkomstig deze verordening en brengt zij daarover verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Vóór … [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening of na goedkeuring van andere relevante wetgeving] evalueert de Commissie deze verordening en de tenuitvoerlegging ervan en beoordeelt zij de doeltreffendheid van de governanceregelingen voor het herstel en de afwikkeling van ctp's in de Unie en legt zij hierover een verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad.

In het verslag wordt met name:

a)

beoordeeld of het een geschikt moment is om één afwikkelingsautoriteit voor ctp's in de Unie op te richten en of dit gunstig zou zijn en in samenhang met de ontwikkelingen op het gebied van de toezichtsarchitectuur voor ctp's in de Unie en met de stand van zaken bij de integratie van deze toezichtsarchitectuur; en

b)

geëvalueerd welke instellingen, organen en agentschappen van de Unie de taken zouden kunnen uitvoeren van één afwikkelingsautoriteit voor ctp's in de Unie en wordt hun geschiktheid beoordeeld.

Indien tegen de tijd van bekendmaking van dit verslag één afwikkelingsautoriteit voor ctp's van de Unie is opgericht of indien de conclusie van het verslag luidt dat de toezichtsarchitectuur voor ctp's in de Unie voldoende is geïntegreerd om in samenhang te zijn met één afwikkelingsautoriteit voor ctp's, legt de Commissie een voorstel voor om deze verordening te wijzigen met het oog op de oprichting van één afwikkelingsautoriteit voor ctp's of, al naargelang het geval, met het oog op de aanwijzing van een geschikt(e) instelling, orgaan of agentschap van de Unie voor de afwikkeling van ctp's in de Unie.

Artikel 83

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen vermeld in de tweede alinea van artikel 9, lid 1, van de richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU].

Deze verordening is bindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C … van …, blz. …

(2)  PB C 209 van 30.6.2017, blz. 28.

(3)  PB C 372 van 1.11.2017, blz. 6.

(4)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(6)  Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).

(10)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(11)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 876/2013 van de Commissie van 28 mei 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen betreffende colleges voor centrale tegenpartijen (PB L 244 van 13.9.2013, blz. 19).

(12)  Gedelegeerde Verordening (EU) … van de Commissie van 23.3.2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges, C(2016)1691 [Note to Publication Office — Please introduce number of Delegated Regulation].

(13)  Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).

(14)  Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

BIJLAGE

DEEL A

VOORSCHRIFTEN VOOR HERSTELPLANNEN

1.

Het herstelplan:

(1)

gaat niet uit van toegang tot of ontvangst van buitengewone openbare financiële steun;

(2)

houdt rekening met de belangen van alle belanghebbenden voor wie het plan waarschijnlijk gevolgen zal hebben;

(3)

zorgt ervoor dat clearingleden niet onbeperkt zijn blootgesteld aan de ctp.

De ctp ontwikkelt passende mechanismen om ervoor te zorgen dat gekoppelde FMI's en belanghebbenden die verliezen zouden lijden, kosten zouden dragen of zouden bijdragen tot het opvangen van liquiditeitstekorten indien het herstelplan werd uitgevoerd, bij het opstellen van dat plan te betrekken.

DEEL B

INFORMATIE DIE AFWIKKELINGSAUTORITEITEN VAN CTP'S KUNNEN VERLANGEN OM AFWIKKELINGSPLANNEN OP TE STELLEN EN BIJ TE HOUDEN

De afwikkelingsautoriteiten kunnen bij de instellingen ten minste de volgende informatie opvragen voor het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen:

(2)

een gedetailleerde beschrijving van de organisatiestructuur van de ctp, waaronder een lijst van alle rechtspersonen;

(3)

de identificatie van de rechtstreekse houder en het percentage van stemrechten en niet-stemrechten van elke rechtspersoon;

(4)

de locatie, het oprichtingsrechtsgebied, de licenties en het voornaamste management van elke rechtspersoon;

(5)

een overzicht van de kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen van de ctp, met inbegrip van balansgegevens van die activiteiten en bedrijfsonderdelen, onder vermelding van de rechtspersonen;

(6)

een gedetailleerde beschrijving van de bestanddelen van de ctp en van alle bedrijfsactiviteiten van haar juridische entiteiten, waarbij minimaal onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën van diensten en respectieve bedragen van geclearde volumes, openstaande posities, initiële margin, variatiemarginstromen, wanbetalingsfondsen en alle daarmee verband houdende beoordelingsrechten of andere herstelmaatregelen met betrekking tot dergelijke bedrijfsonderdelen;

(7)

bijzonderheden van door de ctp en haar juridische entiteiten uitgegeven kapitaal- en schuldinstrumenten;

(8)

de identificatie van degene van wie de ctp zekerheden heeft ontvangen en in welke vorm (overdracht of zekerheidsrecht), en van degene aan wie zij zekerheden heeft verschaft en in welke vorm en wie deze zekerheden aanhoudt, en in beide gevallen in welk rechtsgebied deze zekerheden zich bevinden;

(9)

een beschrijving van de risicoposities buiten de balanstelling van de ctp en haar juridische entiteiten, waaronder een overzicht van haar kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen;

(10)

de materiële hedges van de ctp, waaronder een uitsplitsing naar rechtspersonen;

(11)

de identificatie van de relatieve blootstellingen en het belang van clearingleden van de ctp, alsook een analyse van de gevolgen van een faillissement van de belangrijkste clearingleden voor de ctp;

(12)

elk systeem waarin de ctp voor een wezenlijk aantal of een wezenlijke waarde aan transacties uitvoert, met inbegrip van een uitsplitsing naar de rechtspersonen van de ctp en de kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen;

(13)

elk betalings-, clearing- of afwikkelingssysteem waaraan de ctp direct of indirect deelneemt, met inbegrip van een uitsplitsing naar de rechtspersonen van de ctp en de kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen;

(14)

een gedetailleerde inventarisatie en beschrijving van de essentiële managementinformatiesystemen, zoals onder meer die voor risicomanagement, boekhouding en financiële en toezichtrapportage, die door de ctp worden gebruikt, met inbegrip van een uitsplitsing naar de rechtspersonen van de ctp en de kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen;

(15)

een identificatie van de eigenaars van de in punt 13 bedoelde systemen, de overeenkomsten inzake het dienstverleningsniveau met betrekking daartoe en eventuele software en systemen of licenties, met inbegrip van een uitsplitsing naar hun rechtspersonen en de kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen;

(16)

een identificatie en overzicht van de rechtspersonen en de onderlinge verbanden en afhankelijkheden tussen de verschillende rechtspersonen, zoals:

gemeenschappelijke of gedeelde medewerkers, faciliteiten en systemen;

regelingen voor kapitaal, financiering of liquiditeit;

bestaande of voorwaardelijke kredietrisico’s;

kruiselingse garantieovereenkomsten, kruiselingse zekerheidsregelingen, wederzijdse tekortkomingsbepalingen en wederzijdse salderingsregelingen tussen verbonden entiteiten;

risico-overdrachten en back-to-backhandelsregelingen; overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau;

(17)

de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit van elke rechtspersoon, indien deze verschillen van die welke uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en artikel 3 van deze verordening zijn aangewezen;

(18)

het lid van de raad dat verantwoordelijk is voor het verstrekken van de informatie die nodig is voor het opstellen van het afwikkelingsplan van de ctp en, indien dit andere personen zijn, de personen die verantwoordelijk zijn voor de verschillende rechtspersonen, kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen;

(19)

een beschrijving van de regelingen die de ctp heeft ingevoerd om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsautoriteit in geval van een afwikkeling over alle benodigde informatie beschikt, zoals door de afwikkelingsautoriteit is bepaald, voor de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden;

(20)

alle overeenkomsten die de ctp en haar rechtspersonen met derden zijn aangegaan en die kunnen worden beëindigd als de autoriteiten besluiten een afwikkelingsinstrument toe te passen, en of de gevolgen van de beëindiging van invloed kunnen zijn op de toepassing van het afwikkelingsinstrument;

(21)

een beschrijving van mogelijke liquiditeitsbronnen voor de ondersteuning van de afwikkeling;

(22)

informatie over bezwaring van activa, liquide activa, activiteiten buiten de balanstelling, hedgingstrategieën en boekingspraktijken.

DEEL C

KWESTIES DIE DE AFWIKKELINGSAUTORITEIT IN OVERWEGING MOET NEMEN BIJ HET BEOORDELEN VAN DE AFWIKKELBAARHEID VAN EEN CTP

Bij het beoordelen van de afwikkelbaarheid van een ctp let de afwikkelingsautoriteit op het volgende:

(23)

de mate waarin de ctp in staat is om de kernbedrijfsonderdelen en kritieke bedrijfsactiviteiten uit te splitsen naar de rechtspersonen;

(24)

de mate waarin de juridische en bedrijfsstructuren met de kernbedrijfsonderdelen en kritieke bedrijfsactiviteiten overeenstemmen;

(25)

de mate waarin regelingen zijn ingesteld om te zorgen voor essentieel personeel, infrastructuur, financiering, liquiditeit en kapitaal voor het ondersteunen en onderhouden van de kernbedrijfsonderdelen en kritieke bedrijfsactiviteiten;

(26)

de mate waarin de dienstverleningsovereenkomsten van de ctp volledig afdwingbaar zijn in geval van de afwikkeling van de ctp;

(27)

de mate waarin de governancestructuur van de ctp berekend is op het beheren en garanderen van de naleving van het interne beleid van de ctp met betrekking tot de overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau;

(28)

de mate waarin de ctp een procedure heeft voor de overdracht van de in het kader van de overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau verleende diensten aan derden in het geval van de afsplitsing van kritieke functies of kernbedrijfsonderdelen;

(29)

de mate waarin er in noodplannen en maatregelen is voorzien om de continuïteit van de toegang tot betalings- en afwikkelingssystemen te waarborgen;

(30)

de mate waarin de managementinformatiesystemen ervoor kunnen zorgen dat de afwikkelingsautoriteiten correcte en volledige informatie kunnen verzamelen over de kernbedrijfsonderdelen en kritieke bedrijfsactiviteiten om een snelle besluitvorming te bevorderen;

(31)

de mate waarin de managementinformatiesystemen te allen tijde de informatie kunnen leveren die essentieel is voor de doeltreffende afwikkeling van de ctp, ook in snel veranderende omstandigheden;

(32)

de mate waarin de ctp de managementinformatiesystemen in de door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde stressscenario’s heeft getest;

(33)

de mate waarin de ctp de continuïteit van de managementinformatiesystemen kan waarborgen, zowel voor de getroffen ctp als voor de nieuwe ctp ingeval de kritieke bedrijfsactiviteiten en kernbedrijfsonderdelen van de rest van de bedrijfsactiviteiten en -onderdelen worden afgesplitst;

(34)

indien de ctp gebruik maakt van of blootgesteld is aan garanties binnen de groep, de mate waarin die garanties tegen marktvoorwaarden worden verstrekt en de soliditeit van de risicomanagementsystemen met betrekking tot die garanties;

(35)

indien de ctp back-to-backtransacties sluit, de mate waarin die transacties tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd en de soliditeit van de risicomanagementsystemen met betrekking tot die transacties;

(36)

de mate waarin het gebruik van garanties binnen de groep of back-to-backboekingstransacties de kans op besmetting van de gehele groep vergroot;

(37)

de mate waarin de juridische structuur van de ctp de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten verhindert als gevolg van het aantal rechtspersonen, de complexiteit van de groepsstructuur of de moeilijkheid om bedrijfsonderdelen met groepsentiteiten in overeenstemming te brengen;

(38)

de mate waarin de afwikkeling van de ctp een negatief effect kan hebben op een ander deel van de groep, indien van toepassing;

(39)

het bestaan en de deugdelijkheid van overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau;

(40)

of de autoriteiten van derde landen over de nodige afwikkelingsinstrumenten beschikken om afwikkelingsmaatregelen van afwikkelingsautoriteiten van de Unie te ondersteunen en de mogelijkheden voor een gecoördineerd optreden van de Unieautoriteiten en de autoriteiten van derde landen;

(41)

in hoeverre het haalbaar is om afwikkelingsinstrumenten op zodanige wijze te gebruiken dat de afwikkelingsdoelstellingen worden verwezenlijkt, gezien de beschikbare instrumenten en de structuur van de ctp;

(42)

alle vereiste specifieke voorschriften om nieuwe eigendomsinstrumenten uit te geven als bedoeld in artikel 33, lid 1;

(43)

de regelingen en middelen waarmee de afwikkeling kan worden belemmerd bij ctp's die clearingleden of zekerheidsovereenkomsten in verschillende rechtsgebieden hebben;

(44)

de geloofwaardigheid van het feit dat afwikkelingsinstrumenten op zodanige wijze kunnen worden gebruikt dat de afwikkelingsdoelstellingen worden verwezenlijkt, gezien de mogelijke gevolgen voor clearingdeelnemers, andere tegenpartijen en werknemers en de mogelijke maatregelen die autoriteiten van derde landen kunnen nemen;

(45)

de mate waarin het effect van de afwikkeling van de ctp op het financiële stelsel en op het vertrouwen van de financiële markten op adequate wijze kan worden beoordeeld;

(46)

de mate waarin de afwikkeling van de ctp significante direct of indirect nadelige gevolgen voor het financiële stelsel, het marktvertrouwen of de economie kan hebben;

(47)

de mate waarin de besmetting van andere ctp's of van de financiële markten zou kunnen worden beperkt door middel van de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden;

(48)

de mate waarin van de afwikkeling van de ctp een significant effect op de werking van betalings- en afwikkelingssystemen kan uitgaan.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/534


P8_TA(2019)0301

Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP) (COM(2018)0113 — C8-0103/2018 — 2018/0048(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/38)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0113),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0103/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018 (1),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0364/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 367 van 10.10.2018, blz. 65.


P8_TC1-COD(2018)0048

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Crowdfunding is in toenemende mate een gangbare vorm van alternatieve financiering voor startende ondernemingen, alsook voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in een vroeg stadium van de bedrijfsgroei die doorgaans van kleine beleggingen afhankelijk zijn. Crowdfunding is een steeds belangrijkere vorm van intermediatie waarbij een aanbieder van crowdfundingdiensten ▌ een voor het publiek toegankelijk digitaal platform beheert ▌ om kandidaat-beleggers of kredietverstrekkers te matchen met ondernemingen die op zoek zijn naar financiering of deze koppeling te vergemakkelijken , ongeacht of die financiering leidt tot een leningovereenkomst, tot een aandelenbelang of tot een ander op effecten gebaseerd belang , zonder dat de aanbieder van crowdfundingdiensten zelf risico op zich neemt . Het is bijgevolg aangewezen om in het toepassingsgebied van deze verordening zowel op kredietverlening gebaseerde crowdfunding als op deelneming in eigen vermogen gebaseerde crowdfunding op te nemen ▌.

(2)

Crowdfunding kan ertoe bijdragen kmo's toegang te verschaffen tot financiering en ▌ de kapitaalmarktenunie te voltooien. Het gebrek aan toegang tot financiering voor dergelijke ondernemingen vormt een probleem, zelfs in lidstaten waar de toegang tot bankfinanciering gedurende de hele financiële crisis stabiel is gebleven. Crowdfunding is een gangbare praktijk geworden om een project of een onderneming te financieren, meestal door een groot aantal mensen of organisaties, via online platforms waarop particulieren , organisaties en bedrijven, inclusief startende ondernemingen, relatief kleine geldbedragen aantrekken.

(3)

De aanbieding van crowdfundingdiensten steunt over het algemeen op drie soorten actoren: de projecteigenaar die het te financieren project of de te financieren zakelijke leningen voorstelt, beleggers die het voorgestelde project financieren, doorgaans door middel van beperkte beleggingen of leningen , en een bemiddelende organisatie in de vorm van een aanbieder van diensten die projecteigenaren en beleggers of kredietverstrekkers samenbrengt via een online platform.

(4)

Naast het aanbieden van een alternatieve bron van financiering, waaronder durfkapitaal, kan crowdfunding andere voordelen bieden voor ondernemingen. Het kan concept- en ideevalidatie bieden aan het project of de onderneming , toegang geven aan een groot aantal mensen die de ondernemer inzichten en informatie verschaffen en een marketingtool zijn. ▌

(5)

Verscheidene lidstaten hebben al nationale regelingen op maat voor crowdfunding ingevoerd. Deze regelingen zijn toegesneden op de kenmerken en behoeften van lokale markten en beleggers. Als gevolg daarvan divergeren de bestaande nationale regels wat betreft de bedrijfsvoorwaarden voor crowdfundingplatforms, de reikwijdte van de toegestane activiteiten en de vergunningsvereisten.

(6)

De verschillen tussen de bestaande nationale voorschriften zijn van dien aard dat zij een belemmering vormen voor de grensoverschrijdende aanbieding van crowdfundingdiensten en dus een rechtstreekse invloed hebben op de werking van de interne markt voor dergelijke diensten. Met name het feit dat het rechtskader langs nationale grenzen gefragmenteerd is, brengt aanzienlijke nalevingskosten met zich mee voor retailbeleggers, die vaak moeilijkheden ondervinden die onevenredig zijn met de omvang van hun belegging bij het bepalen van de regels die van toepassing zijn op grensoverschrijdende crowdfundingdiensten. Bijgevolg worden dergelijke beleggers er vaak van weerhouden om grensoverschrijdend te beleggen via crowdfundingplatforms. Om dezelfde redenen worden aanbieders van crowdfundingdiensten die dergelijke platforms exploiteren, ontmoedigd om hun diensten aan te bieden in een andere lidstaat dan die waarin zij gevestigd zijn. Als gevolg daarvan zijn crowdfundingactiviteiten tot nu toe grotendeels nationaal gebleven, hetgeen ten koste gaat van een EU-wijde markt voor crowdfunding, waardoor bedrijven geen toegang hebben tot crowdfundingdiensten , vooral als het gaat om bedrijven die actief zijn in een lidstaat die wegens de relatief kleinere bevolking geen toegang tot een groot publiek bieden .

(7)

Om grensoverschrijdende crowdfundingactiviteiten te bevorderen en de uitoefening van de vrijheid om dergelijke diensten aan te bieden en te ontvangen op de interne markt voor aanbieders van crowdfundingdiensten te vergemakkelijken, moeten de bestaande belemmeringen voor de goede werking van de interne markt voor crowdfundingdiensten worden aangepakt. Het vaststellen van één regeling voor de aanbieding van crowdfundingdiensten, die aanbieders van crowdfundingdiensten de optie biedt om voor de gehele Unie één enkele vergunning aan te vragen om hun activiteiten op grond van die regels uit te oefenen, is een geschikte eerste stap ter bevordering van grensoverschrijdende crowdfundingactiviteiten en bevordert zo de werking van de interne markt.

(8)

Door de belemmeringen voor de werking van de interne markt op het gebied van crowdfundingdiensten aan te pakken, beoogt deze verordening grensoverschrijdende bedrijfsfinanciering te bevorderen. Crowdfundingdiensten in verband met kredietverlening aan consumenten, als gedefinieerd in artikel 3, onder a), van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) dienen derhalve niet onder het toepassingsgebied van deze verordening te vallen.

(9)

Om te voorkomen dat dezelfde activiteit binnen de Unie aan verschillende vergunningen is onderworpen, moeten crowdfundingdiensten die worden aangeboden door personen met een vergunning krachtens Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) of die overeenkomstig de nationale wetgeving worden aangeboden, van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(10)

Met betrekking tot op kredietverlening gebaseerde crowdfunding moet de facilitering van het verstrekken van leningen, met inbegrip van diensten zoals het presenteren van crowdfundingaanbiedingen aan klanten of het beoordelen van de kredietwaardigheid van projecteigenaren, ruimte bieden aan verschillende bedrijfsmodellen die het mogelijk maken om via een crowdfundingplatform tussen een of meer klanten en een of meer projecteigenaren een leningovereenkomst te sluiten.

(11)

Wat op deelneming in eigen vermogen gebaseerde crowdfunding betreft is de overdraagbaarheid van een effect een belangrijke waarborg voor beleggers om uit hun belegging te kunnen stappen, aangezien zij hierdoor de juridische mogelijkheid verkrijgen om hun belang op de kapitaalmarkten te vervreemden. Bijgevolg behelst deze verordening alleen op deelneming in eigen vermogen gebaseerde crowdfundingdiensten met betrekking tot effecten en staat zij alleen het aanbieden van dergelijke diensten toe. Andere financiële instrumenten dan effecten dienen echter van het toepassingsgebied van deze verordening te worden uitgesloten omdat deze effecten risico's inhouden voor beleggers die binnen dit rechtskader niet naar behoren kunnen worden beheerd.

(11 bis)

De kenmerken van initial coin offerings (ICO's) wijken aanzienlijk af van die van de crowdfunding die bij deze verordening wordt geregeld. Bij ICO's wordt onder andere meestal geen gebruikgemaakt van intermediairs zoals crowdfundingplatforms, en vaak worden er bedragen van meer dan 1 000 000 EUR mee geworven. Als ICO's in deze richtlijn zouden worden opgenomen, zouden de problemen in verband met ICO's niet in hun geheel worden aangepakt.

(12)

Gezien de aan crowdfundingbeleggingen verbonden risico's is het, met het oog op een effectieve bescherming van de beleggers en het verschaffen van een mechanisme van marktdiscipline , aangewezen een drempel vast te stellen voor een maximale prijs voor elk crowdfundingaanbod. Die drempel moet worden vastgesteld op 8 000 000  EUR, hetgeen de maximale drempel is tot welke de lidstaten aanbiedingen van effecten aan het publiek kunnen vrijstellen van de in Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad (5) beschreven verplichting om een prospectus te publiceren . Hoewel een hoog niveau van beleggersbescherming noodzakelijk is, moet die drempel overeenkomstig de praktijken op de nationale markten worden ingesteld om het platform van de Unie aantrekkelijk te maken voor grensoverschrijdende zakelijke financiering.

(12 bis)

In deze verordening is vastgelegd welke informatie het blad met essentiële beleggingsinformatie ten behoeve van kandidaat-beleggers bij elk crowdfundingaanbod moet omvatten. Aangezien dit blad met essentiële beleggingsinformatie zo is ontworpen dat het kan worden aangepast aan de specifieke kenmerken van een crowdfundingaanbod en aan de informatiebehoeften van de beleggers, moet dit blad het prospectus vervangen dat op grond van Verordening (EU) 2017/1129 moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden. Crowdfundingaanbiedingen uit hoofde van deze verordening moeten daarom van de werkingssfeer van Verordening (EU) 2017/1129 worden uitgesloten en die verordening moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Om regelgevingsarbitrage te vermijden en een doeltreffend toezicht op de aanbieders van crowdfundingdiensten te waarborgen, moet het aanbieders van crowdfundingdiensten worden verboden deposito's of andere terugbetaalbare financiële middelen van het publiek in ontvangst te nemen, tenzij zij over een vergunning als kredietinstelling beschikken overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (6).

(14)

Om dat doel te bereiken, moeten aanbieders van crowdfundingdiensten de mogelijkheid krijgen om één enkele vergunning voor de gehele Unie aan te vragen en hun activiteiten overeenkomstig die uniforme vereisten uit te oefenen. Om echter crowdfundingaanbiedingen die uitsluitend op nationale markten zijn gericht, waar aanbieders van crowdfundingdiensten ervoor kiezen hun diensten aan te bieden op grond van het toepasselijke nationale recht, op brede schaal beschikbaar te houden, moeten die aanbieders daartoe in staat gesteld blijven worden. Bijgevolg dienen de uniforme vereisten van deze verordening facultatief zijn en derhalve niet van toepassing te zijn op aanbieders van crowdfundingdiensten die ervoor kiezen uitsluitend op nationale basis actief te blijven.

(15)

Om een hoog niveau van beleggersbescherming te behouden, de risico's in verband met crowdfunding te verminderen en een eerlijke behandeling van alle klanten te waarborgen, moeten aanbieders van crowdfundingdiensten een beleid voeren dat waarborgt dat projecten op professionele, eerlijke en transparante wijze worden geselecteerd en dat crowdfundingdiensten op dezelfde wijze worden aangeboden.

(15 bis)

Om dezelfde redenen moeten aanbieders van crowdfundingdiensten die op hun platform gebruikmaken van ICO's worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening. Om de nieuwe ICO-technologie op efficiënte wijze te reguleren, zou de Commissie in de toekomst een uitgebreid wetgevingskader op het niveau van de Unie kunnen voorstellen op basis van een grondige effectbeoordeling.

(15 ter)

Alternatieve beleggingsinstrumenten als ICO's bieden mogelijkheden voor de financiering van kmo's en innovatieve startende en groeiende ondernemingen en kunnen de technologieoverdracht versnellen en een essentieel onderdeel van de kapitaalmarktenunie vormen. De Commissie moet beoordelen of er voor ICO's een afzonderlijk wetgevingskader van de Unie moet worden voorgesteld. Meer rechtszekerheid over de hele linie kan van groot belang zijn om de bescherming van beleggers en consumenten te versterken en de risico's te beperken die ontstaan door asymmetrische informatie, frauduleus gedrag en illegale activiteiten.

(16)

Teneinde de dienstverlening aan hun klanten , zowel kandidaat- als feitelijke beleggers of projecteigenaars, te verbeteren, moeten aanbieders van crowdfundingdiensten namens de klanten discretionaire bevoegdheid kunnen uitoefenen met betrekking tot de parameters van de orders van de klanten, mits zij alle nodige maatregelen nemen om het best mogelijke resultaat voor hun klanten te behalen en zij de exacte methode en parameters van de discretionaire bevoegdheid bekendmaken. Om ervoor te zorgen dat aan kandidaat-beleggers op neutrale basis beleggingsmogelijkheden worden aangeboden, mogen aanbieders van crowdfundingdiensten geen vergoeding, korting of niet-monetair voordeel betalen of aanvaarden voor sturing van orders van beleggers in de richting van een bepaald aanbod op hun platform of in de richting van een bepaald aanbod op een platform van een derde partij.

(17)

Deze verordening heeft tot doel directe beleggingen te vergemakkelijken en het creëren van regelgevingsarbitragemogelijkheden voor financiële intermediairs die onder andere wetgeving van de Unie vallen, met name Unieregels voor vermogensbeheerders, te vermijden. Het gebruik van juridische structuren, met inbegrip van special purpose vehicles, die tussen crowdfundingproject of onderneming en beleggers in staan, moet bijgevolg strikt worden gereguleerd en alleen worden toegestaan aan in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers volgens de definitie van Richtlijn 2014/65/EU .

(18)

Het waarborgen van een effectief governancesysteem is essentieel voor een behoorlijk risicobeheer en ter voorkoming van belangenconflicten. Aanbieders van crowdfundingdiensten moeten bijgevolg over governanceregelingen beschikken die een doeltreffend en voorzichtig beheer garanderen, en het management ervan moet een goede naam hebben en over voldoende kennis en ervaring beschikken. Aanbieders van crowdfundingdiensten moeten eveneens procedures vaststellen voor het ontvangen en behandelen van klachten van klanten.

(19)

Aanbieders van crowdfundingdiensten moet als neutrale tussenpersoon tussen klanten op hun crowdfundingplatform optreden. Om belangenconflicten te voorkomen, moeten bepaalde vereisten worden vastgesteld met betrekking tot aanbieders van crowdfundingdiensten en managers en werknemers, of iedere persoon die direct of indirect zeggenschap over hen uitoefent. Tenzij financiële belangen in projecten of aanbiedingen van tevoren op hun website worden bekendgemaakt, moet worden voorkomen dat aanbieders van crowdfundingdiensten een financiële participatie hebben in de crowdfundingaanbiedingen op hun crowdfundingplatforms. Op deze manier kunnen aanbieders van crowdfundingdiensten hun belangen afstemmen op die van de beleggers. Bovendien mogen aandeelhouders die 20 % of meer van het aandelenkapitaal of de stemrechten bezitten en managers ▌, of enige persoon die direct ▌ zeggenschap heeft over crowdfundingplatforms, niet optreden als klant met betrekking tot de crowdfundingdiensten die op dat crowdfundingplatform worden aangeboden.

(20)

In het belang van een efficiënte en soepele verlening van crowdfundingdiensten moet het aanbieders van crowdfundingdiensten worden toegestaan elke operationele functie geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan andere dienstverleners, op voorwaarde dat de uitbesteding de kwaliteit van de interne controles en het effectieve toezicht van aanbieders van crowdfundingdiensten niet wezenlijk aantast. Aanbieders van crowdfundingdiensten moeten echter volledig verantwoordelijk blijven voor de naleving van deze verordening.

(21)

Voor het aanhouden van financiële middelen van klanten en het aanbieden van betalingsdiensten is een vergunning als betalingsdienstaanbieder vereist overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (7). Aan deze vergunningsplicht kan niet worden voldaan met een vergunning als aanbieder van crowdfundingdiensten. Bijgevolg moet worden verduidelijkt dat indien een aanbieder van crowdfundingdiensten dergelijke betalingsdiensten verricht in verband met zijn crowdfundingdiensten, hij eveneens een vergunning moet hebben als betalingsinstelling overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/2366. Om een adequaat toezicht op dergelijke activiteiten mogelijk te maken, dient de nationale bevoegde autoriteit te worden geïnformeerd over de vraag of de aanbieder van crowdfundingdiensten voornemens is zelf betalingsdiensten uit te voeren met de passende vergunning, dan wel of dergelijke diensten zullen worden uitbesteed aan een derde met een vergunning.

(22)

De groei en de soepele werking van grensoverschrijdende crowdfundingdiensten vereisen voldoende schaalgrootte en vertrouwen van het publiek in deze diensten. Bijgevolg moeten er uniforme, evenredige en rechtstreeks toepasselijke vergunningsvereisten en één enkel toezichtspunt worden vastgesteld.

(23)

Een hoog niveau van beleggersvertrouwen draagt bij tot de groei van crowdfundingdiensten. De vereisten inzake crowdfundingdiensten moeten derhalve de grensoverschrijdende verrichting van deze diensten vergemakkelijken, de operationele risico's beperken en een hoge mate van transparantie en beleggersbescherming waarborgen.

(24)

Crowdfundingdiensten kunnen blootstaan aan risico's in verband met het witwassen van geld en terrorismefinanciering, zoals benadrukt in het Verslag van de Commissie over de beoordeling van risico's op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die van invloed zijn op de interne markt en verband houden met grensoverschrijdende activiteiten (8). Er moet dan ook in waarborgen worden voorzien bij het voldoen aan vergunningsvoorwaarden, het beoordelen van de goede naam van het management, het aanbieden van betalingsdiensten via entiteiten met een vergunning die onderworpen zijn aan vereisten met betrekking tot het witwassen van geld en terrorismefinanciering. Om de financiële stabiliteit verder te waarborgen door risico's van witwassen van geld en financiering van terrorisme te voorkomen, en daarbij rekening te houden met de maximale financieringsdrempel die overeenkomstig deze verordening aan de hand van een crowdfundingaanbod kan worden verhoogd, moet de Commissie beoordelen of het noodzakelijk en evenredig is om aanbieders van crowdfundingdiensten die krachtens deze verordening vergunning is verleend, te onderwerpen aan sommige of alle verplichtingen inzake de naleving van de nationale bepalingen tot tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2015/849 met betrekking tot het witwassen van geld of de financiering van terrorisme en dergelijke aanbieders van crowdfundingdiensten voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2015/849 aan de lijst van meldingsplichtige entiteiten toe te voegen.

(25)

Om aanbieders van crowdfundingdiensten in staat te stellen grensoverschrijdend te opereren zonder met divergente regels te worden geconfronteerd en daardoor de financiering van projecten in heel Unie door beleggers uit verschillende lidstaten te vergemakkelijken, mag het de lidstaten niet worden toegestaan om extra vereisten op te leggen aan aanbieders van crowdfundingdiensten die uit hoofde van deze verordening over een vergunning ▌ beschikken.

(26)

Het vergunningsproces moet de nationale bevoegde autoriteit in staat stellen op de hoogte te worden gesteld van de diensten die de kandidaat-aanbieders van crowdfundingdiensten voornemens zijn te verlenen en de crowdfundingplatforms die zij voornemens zijn te beheren , de kwaliteit van hun management te beoordelen en de interne organisatie en procedures te beoordelen die door de kandidaat-aanbieders van crowdfundingdiensten zijn opgezet om ervoor te zorgen dat aan de in deze verordening vastgestelde vereisten wordt voldaan.

(27)

Om de transparantie voor kleine beleggers met betrekking tot het aanbieden van crowdfundingdiensten te bevorderen, moet ESMA een openbaar en actueel register instellen van alle aanbieders van crowdfundingdiensten die over een vergunning beschikken en operationele crowdfundingplatforms die overeenkomstig deze verordening in de Unie voorkomen .

(28)

De vergunning moet worden ingetrokken indien niet langer aan de voorwaarden voor de afgifte ervan wordt voldaan. De nationale bevoegde autoriteit moet met name kunnen beoordelen of de goede naam van het management is aangetast dan wel of de interne procedures en systemen ernstig zijn tekortgeschoten. Opdat de nationale bevoegde autoriteit kan beoordelen of de vergunning als aanbieder van crowdfundingdiensten moet worden ingetrokken, moet de nationale bevoegde autoriteit op de hoogte worden gebracht wanneer een aanbieder van crowdfundingdiensten, of een derde die namens deze optreedt, zijn vergunning als betalingsinstelling verliest of in strijd handelend met Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad is bevonden (9).

(29)

Om ervoor te zorgen dat kandidaat-beleggers een duidelijk inzicht hebben in de aard, risico's, kosten en lasten van crowdfundingdiensten, moeten aanbieders van crowdfundingdiensten hun klanten duidelijke en uitgesplitste informatie verstrekken.

(30)

Beleggingen in producten die op crowdfundingplatforms op de markt worden gebracht, zijn niet vergelijkbaar met traditionele beleggingsproducten of spaarproducten en mogen niet als zodanig op de markt worden gebracht. Om er echter voor te zorgen dat kandidaat-beleggers inzicht hebben in het risico dat verbonden is aan crowdfundingbeleggingen, is het voor aanbieders van crowdfundingdiensten verplicht een instapkennistest van hun kandidaat-beleggers uit te voeren om na te gaan hoever hun inzicht in de belegging reikt. Aanbieders van crowdfundingdiensten moeten kandidaat-beleggers uitdrukkelijk waarschuwen wanneer de aangeboden crowdfundingdiensten voor hen ongeschikt worden geacht.

(31)

Om beleggers in staat te stellen met kennis van zaken een beleggingsbeslissing te nemen, moeten aanbieders van crowdfundingdiensten kandidaat-beleggers een blad met essentiële beleggingsinformatie verstrekken. Het blad met essentiële beleggingsinformatie moet kandidaat-beleggers waarschuwen dat de beleggingsomgeving die zij hebben betreden, risico's inhoudt en niet valt onder het depositocompensatiestelsel, noch onder de beleggerscompensatiegaranties.

(32)

Het blad met essentiële beleggingsinformatie dient eveneens rekening te houden met de specifieke kenmerken en risico's van startende ondernemingen, en dient zich te concentreren op materiële informatie over de projecteigenaars, de rechten en vergoedingen van de beleggers en het type aangeboden effecten en leningsovereenkomsten. Omdat de betrokken projecteigenaar in de beste positie verkeert om deze informatie te verstrekken, dient de projecteigenaar het blad met essentiële beleggingsinformatie op te stellen. Aangezien aanbieders van crowdfundingdiensten echter verantwoordelijk zijn voor het informeren van hun kandidaat-beleggers, zijn zij ook verantwoordelijk voor de volledigheid van het blad met essentiële beleggersinformatie ▌.

(33)

Om een naadloze en vlotte toegang tot de kapitaalmarkten voor startende ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen te waarborgen, hun financieringskosten te verlagen en vertragingen en kosten voor aanbieders van crowdfundingdiensten te vermijden dient het blad met essentiële beleggingsinformatie niet door een bevoegde autoriteit te worden goedgekeurd.

(34)

Om onnodige kosten en administratieve lasten voor de grensoverschrijdende aanbieding van crowdfundingdiensten te vermijden, dienen voor publicitaire mededelingen geen vertaalvereisten te gelden ▌.

(35)

Aanbieders van crowdfundingdiensten dienen niet in staat te zijn tot discretionaire of niet-discretionaire matching van aan- en verkoopintenties, omdat voor deze activiteit een vergunning als beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2014/65/EU of als gereglementeerde markt overeenkomstig artikel 44 van die richtlijn vereist is. Aanbieders van crowdfundingdiensten moeten in het belang van de transparantie en de informatiestroom beleggers die via hun platform hebben belegd in staat kunnen stellen via hun platforms met elkaar contact op te nemen en te handelen met betrekking tot beleggingen die oorspronkelijk op hun platform zijn gedaan. Aanbieders van crowdfundingdiensten dienen hun klanten er echter van op de hoogte te stellen dat zij geen handelssysteem exploiteren en dat de klant naar eigen goeddunken en onder zijn verantwoordelijkheid aan- en verkopen op hun platforms kan doen .

(36)

Om de transparantie te bevorderen en een goede documentatie van de communicatie met de klant te waarborgen, moeten aanbieders van crowdfundingdiensten alle passende vastleggingen over hun diensten en transacties bijhouden.

(37)

Om een eerlijke en niet-discriminerende behandeling van beleggers en projecteigenaren te garanderen, mogen aanbieders van crowdfundingdiensten die hun diensten via publicitaire mededelingen promoten, een bepaald project niet gunstiger behandelen dan andere projecten die op hun platform worden aangeboden , tenzij er een objectieve reden voor is, zoals specifieke vereisten van de belegger of redenen die verband houden met een door de belegger vooraf opgesteld risicoprofiel . Aanbieders van crowdfundingdiensten mogen echter niet worden belet om met succes gesloten aanbiedingen te vermelden waarin beleggingen via het platform niet langer mogelijk zijn en worden gestimuleerd om het mogelijk te maken de prestaties van hun gesloten projecten te vergelijken .

(38)

Om te zorgen voor meer rechtszekerheid voor aanbieders van crowdfundingdiensten die in heel de Unie actief zijn en om markttoegang te vergemakkelijken, moet alle informatie over de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in de lidstaten van toepassing zijn en samenvattingen daarvan die specifiek betrekking hebben op publicitaire mededelingen van aanbieders van crowdfundingdiensten elektronisch worden gepubliceerd ▌. Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten en ESMA centrale gegevensbanken bijhouden.

(39)

Om een beter inzicht te verwerven in de omvang van de verschillen in regelgeving tussen de lidstaten met betrekking tot de vereisten die van toepassing zijn op publicitaire mededelingen, moeten de bevoegde autoriteiten ESMA jaarlijks een gedetailleerd verslag verstrekken over hun handhavingsactiviteiten op dit gebied.

(39 bis)

Om een consistente verlening van de vergunningen en een consistente toepassing van de vereisten voor aanbieders van crowdfundingdiensten die in de hele Unie actief zijn te waarborgen, moeten door ESMA technische reguleringsnormen worden ontwikkeld die aan de Commissie moeten worden voorgelegd.

(40)

Het is van belang er effectief en efficiënt voor te zorgen dat wordt voldaan aan de vereisten voor vergunningverlening en voor het aanbieden van crowdfundingdiensten, in overeenstemming met deze verordening. ▌ De nationale bevoegde autoriteit moet ▌ vergunningen verlenen en toezicht uitoefenen. De nationale bevoegde autoriteit moet de bevoegdheid hebben om informatie op te vragen, algemene onderzoeken en inspecties ter plaatse uit te voeren, openbare aankondigingen en waarschuwingen te publiceren en sancties op te leggen. De nationale bevoegde autoriteit moet op evenredige wijze gebruikmaken van haar toezichts- en sanctiebevoegdheden.

 

(42)

De nationale bevoegde autoriteit moet vergoedingen aan rechtstreeks onder toezicht staande entiteiten in rekening brengen om haar kosten, inclusief overheadkosten, te dekken. De hoogte van de vergoeding moet evenredig zijn aan de omvang van een rechtstreeks onder toezicht staande entiteit, rekening houdend met het feit dat de crowdfundingsector zich in een vroeg ontwikkelingsstadium bevindt.

(43)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het aanpakken van de versnippering van het rechtskader dat van toepassing is op crowdfundingdiensten om de goede werking van de interne markt voor dergelijke diensten te waarborgen en tegelijkertijd de beleggersbescherming en de marktefficiëntie te verbeteren en bij te dragen tot de oprichting van de kapitaalmarktenunie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(44)

De toepassing van deze verordening moet worden uitgesteld om deze af te stemmen op de toepassing van de nationale voorschriften tot omzetting van Richtlijn XXX/XXXX/EU van het Europees Parlement en de Raad, waardoor aanbieders van crowdfundingdiensten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, worden vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU.

(45)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Bijgevolg dient deze verordening te worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met deze rechten en beginselen.

(46)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is in overeenstemming met artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad geraadpleegd (10),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt uniforme vereisten in voor het volgende:

(a)

de werking en organisatie van aanbieders van crowdfundingdiensten;

(b)

de vergunningverlening aan en het toezicht op aanbieders van crowdfundingdiensten;

(c)

transparantie en publicitaire mededelingen met betrekking tot de aanbieding van crowdfundingdiensten in de Unie.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op rechtspersonen die ervoor kiezen een vergunning overeenkomstig artikel 10 aan te vragen en op aanbieders van crowdfundingdiensten waaraan overeenkomstig dat artikel vergunning is verleend met betrekking tot het aanbieden van crowdfundingdiensten. Die rechtspersonen moeten werkelijk en op duurzame wijze in een lidstaat zijn gevestigd om een vergunning te kunnen aanvragen.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

(a)

crowdfundingdiensten die worden aangeboden aan projecteigenaren die consumenten zijn als gedefinieerd in artikel 3, onder a), van Richtlijn 2008/48/EG;

(b)

crowdfundingdiensten die worden aangeboden door natuurlijke of rechtspersonen waaraan overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend als beleggingsonderneming;

(c)

crowdfundingdiensten die door natuurlijke of rechtspersonen worden aangeboden overeenkomstig de nationale wetgeving;

(d)

crowdfundingaanbiedingen met een prijs van meer dan 8 000 000  EUR per crowdfundingaanbod, berekend over een periode van 12 maanden, met betrekking tot een bepaald crowdfundingproject.

2 bis.     Nationale wetgeving inzake vergunningsvereisten voor projecteigenaren of beleggers mag die projecteigenaren of beleggers niet belemmeren gebruik te maken van crowdfundingdiensten van aanbieders die op grond van deze verordening opereren en een vergunning hebben verkregen.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(a)

“crowdfundingdienst”: het aanbieden van ▌ een crowdfundingplatform dat een van de volgende diensten biedt :

i)

directe crowdfundingdiensten, bestaande uit de facilitering van het matchen van een specifieke belegger met een specifieke projecteigenaar en van het matchen van een specifieke projecteigenaar met een specifieke belegger,

ii)

bemiddelde crowdfundingdiensten, bestaande uit de facilitering van het matchen van een belegger met een projecteigenaar en het bepalen van de prijs en bundeling van aanbiedingen in dit verband, of de facilitering van het matchen van een projecteigenaar met een belegger en het bepalen van de prijs van aanbiedingen in dit verband, of beide;

(b)

“crowdfundingplatform”: een elektronisch ▌systeem dat wordt geëxploiteerd of beheerd door een aanbieder van crowdfundingdiensten;

(c)

“aanbieder van crowdfundingdiensten”: een rechtspersoon die een of meer crowdfundingdiensten aanbiedt en daartoe door de relevante nationale bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 10 van deze verordening een vergunning heeft verkregen;

(d)

“crowdfundingaanbod”: elke communicatie van aanbieders van crowdfundingdiensten die informatie bevat die kandidaat-beleggers in staat stelt te bepalen wat de merites zijn van het aangaan van een crowdfundingtransactie;

(e)

“klant”: elke kandidaat- of feitelijke belegger of projecteigenaar aan wie een aanbieder van crowdfundingdiensten crowdfundingdiensten aanbiedt of kan aanbieden;

(f)

“projecteigenaar”: elke persoon die beoogt financiering te verkrijgen via een crowdfundingplatform;

(g)

“belegger”: elke persoon die via een crowdfundingplatform leningen verstrekt of effecten verwerft;

(h)

“crowdfundingproject”: het doel waarvoor een projecteigenaar kapitaal ter beschikking stelt of beoogt aan te trekken via het crowdfundingaanbod;

(i)

“effecten”: effecten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 44, van Richtlijn 2014/65/EU;

(j)

“publicitaire mededelingen”: alle informatie of elke mededeling van een aanbieder van crowdfundingdiensten aan een kandidaat-belegger of kandidaat-projecteigenaar over de diensten van de aanbieder van crowdfundingdiensten, met uitzondering van de op grond van deze verordening vereiste informatieverschaffing aan beleggers;

(k)

“duurzame drager”: een hulpmiddel dat het mogelijk maakt informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze achteraf gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;

(l)

“special purpose vehicle” of “SPV”: een entiteit die uitsluitend is opgericht met het oog op of die uitsluitend dient ter securitisatie in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1075/2013 van de Europese Centrale Bank (11);

(l bis)

“lening”: een overeenkomst die een belegger verplicht een overeengekomen hoeveelheid geld voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan een projecteigenaar en waarbij de projecteigenaar verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen;

(l ter)

“nationale bevoegde autoriteit”: de door een lidstaat aangewezen nationale autoriteit of autoriteiten met de nodige bevoegdheden en toegewezen verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de taken in verband met de vergunningverlening aan en het toezicht op aanbieders van crowdfundingdiensten binnen het toepassingsgebied van deze verordening.

Hoofdstuk II

Aanbieding van crowdfundingdiensten en organisatorische en operationele vereisten voor aanbieders van crowdfundingdiensten

Artikel 4

Aanbieding van crowdfundingdiensten

1.   Crowdfundingdiensten worden alleen aangeboden door rechtspersonen met een effectieve en stabiele vestiging in een lidstaat van de Unie die in overeenstemming met artikel 10 van deze verordening als aanbieder van crowdfundingdiensten een vergunning hebben ontvangen.

Rechtspersonen die in een derde land zijn gevestigd kunnen overeenkomstig deze verordening geen vergunning als aanbieder van crowdfundingdiensten aanvragen.

2.   Aanbieders van crowdfundingdiensten handelen eerlijk, rechtvaardig en professioneel in overeenstemming met de belangen van hun klanten en toekomstige klanten.

3.   Aanbieders van crowdfundingdiensten mogen geen vergoeding, korting of niet-geldelijk voordeel betalen of aanvaarden voor het geleiden van orders van beleggers naar een bepaald crowdfundingaanbod op hun platform of naar een bepaald crowdfundingaanbod op een platform van een derde partij.

4.   Aanbieders van crowdfundingdiensten kunnen namens hun klanten discretionaire bevoegdheid uitoefenen met betrekking tot de parameters van orders van klanten, in welk geval zij aan hun klanten de exacte methode en parameters van die discretionaire bevoegdheid bekendmaken en alle noodzakelijke stappen ondernemen om het best mogelijke resultaat voor hun klanten te behalen.

5.   Wat betreft het gebruik van special purpose vehicles voor de aanbieding van crowdfundingdiensten aan beleggers die geen in aanmerking komende tegenpartijen als gedefinieerd in Richtlijn 2014/65/EU zijn , hebben aanbieders van crowdfundingdiensten slechts het recht één actief over te dragen aan het special purpose vehicle om beleggers in staat te stellen een blootstelling aan dat actief aan te gaan door middel van het verwerven van effecten. De beslissing om een blootstelling aan dat onderliggende actief aan te gaan, berust uitsluitend bij de beleggers.

Artikel 4 bis

Bemiddelde crowdfundingdiensten

Voor de toepassing van deze verordening worden bemiddelde crowdfundingdiensten geacht het volgende te omvatten:

a.

het plaatsen zonder plaatsingsgarantie, als bedoeld in bijlage I, deel A, punt 7, van Richtlijn 2014/65/EU, van effecten of het faciliteren van leningen die door projecteigenaren worden verstrekt,

b.

het aanbieden van beleggingsadvies, als bedoeld in bijlage I, deel A, punt 5, van Richtlijn 2014/65/EU, met betrekking tot effecten of het faciliteren van leningen die door projecteigenaren worden verstrekt, en

c.

het ontvangen en doorgeven van orders van cliënten, als bedoeld in bijlage I, deel A, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU, met betrekking tot effecten of het faciliteren van leningen die door projecteigenaren worden verstrekt.

Artikel 5

Effectief en prudent beheer

Het management van aanbieders van crowdfundingdiensten belast zich met het instellen van en toezien op de implementatie van adequate gedragslijnen en procedures om een effectief en prudent beheer te waarborgen inclusief scheiding van taken, bedrijfscontinuïteit en het voorkomen van belangenconflicten, op een wijze die de integriteit van de markt en de belangen van hun klanten bevordert. Aanbieders van crowdfundingdiensten die de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde diensten aanbieden, zorgen ervoor dat zij beschikken over adequate systemen en controles voor het beheer van risico's en de financiële modellering van dat dienstenaanbod.

Artikel 5 bis

Zorgvuldigheidseisen

1.     Aanbieders van crowdfundingdiensten betrachten ten minste een minimaal zorgvuldigheidsniveau ten aanzien van projecteigenaren die voorstellen hun project te financieren via het crowdfundingplatform van een aanbieder van crowdfundingdiensten.

2.     Het in lid 1 bedoelde minimale zorgvuldigheidsniveau behelst al de volgende elementen:

(a)

bewijs dat de projecteigenaar geen strafblad heeft met betrekking tot inbreuken op nationaal handelsrecht, nationaal insolventierecht, nationale wetgeving inzake financiële diensten, nationale wetgeving ter bestrijding van het witwassen van geld, nationale fraudewetgeving of nationale verplichtingen op het gebied van beroepsaansprakelijkheid;

(b)

bewijs dat de projecteigenaar die via het crowdfundingplatform financiering wil verkrijgen:

i)

niet is gevestigd in een niet-coöperatief rechtsgebied overeenkomstig het desbetreffende beleid van de Unie, of in een derde land met een hoog risico overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849; of

ii)

in de praktijk voldoet aan op Unie- of internationaal niveau overeengekomen fiscale normen inzake transparantie en informatie-uitwisseling.

Artikel 6

Klachtenbehandeling

1.   Aanbieders van crowdfundingdiensten beschikken over en publiceren beschrijvingen van effectieve en transparante procedures voor een snelle, rechtvaardige en consistente behandeling van klachten van klanten.

2.    Aanbieders van crowdfundingdiensten zorgen ervoor dat klanten kosteloos klachten tegen hen kunnen indienen.

3.   Aanbieders van crowdfundingdiensten ontwikkelen een standaardtemplate voor klachten dat ze aan klanten ter beschikking stellen, en houden een register bij van alle ontvangen klachten en de genomen maatregelen.

3 bis.     Aanbieders van crowdfundingdiensten onderzoeken alle klachten tijdig en eerlijk en delen de resultaten binnen een redelijke termijn mee aan de klager.

4.    ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de vereisten, standaardformaten en procedures voor klachtenbehandeling te specificeren.

ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op … [XXX (maanden) vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 7

Belangenconflicten

1.   Aanbieders van crowdfundingdiensten hebben geen financiële participatie in een crowdfundingaanbod op hun crowdfundingplatform.

In afwijking van de eerste alinea kunnen aanbieders van crowdfundingdiensten een financiële participatie in een crowdfundingaanbod op hun crowdfundingplatform hebben indien de informatie over die participatie duidelijk aan de klanten ter beschikking wordt gesteld door de publicatie van duidelijke en transparante selectieprocedures.

2.   Aanbieders van crowdfundingdiensten aanvaarden geen van hun aandeelhouders die 20 % of meer van het aandelenkapitaal of de stemrechten bezitten, noch hun managers ▌, noch enige persoon die rechtstreeks ▌ met deze aandeelhouders en managers ▌ verbonden is door een zeggenschapsband als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 35, onder b), van Richtlijn 2014/65/EU, als klant.

3.   Aanbieders van crowdfundingdiensten belasten zich met de instandhouding en toepassing van effectieve interne regels om belangenconflicten te voorkomen en zorgen ervoor dat hun werknemers geen directe of indirecte invloed kunnen uitoefenen op projecten waarin zij een financiële participatie hebben .

4.   Aanbieders van crowdfundingdiensten nemen alle passende maatregelen om belangenconflicten tussen de aanbieders van crowdfundingdiensten zelf, hun aandeelhouders, hun managers en werknemers, of personen die rechtstreeks of onrechtstreeks met hen verbonden zijn door een zeggenschapsband als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 35, onder b), van Richtlijn 2014/65/EU, en hun klanten, of tussen een klant en een andere klant te voorkomen, te identificeren, te beheren en openbaar te maken.

5.   Aanbieders van crowdfundingdiensten stellen hun klanten ▌ in kennis van de algemene aard en de bronnen van belangenconflicten en van de maatregelen die zijn genomen om deze risico's te beperken ▌.

6.   De in lid 5 bedoelde informatieverschaffing:

(a)

wordt op een duurzame drager gedaan;

(a)

bevat voldoende details, rekening houdend met de aard van elke klant, om elke klant in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen over de dienst in verband waarmee het belangenconflict zich voordoet.

7.    ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om het volgende nader te bepalen:

(a)

de vereisten voor de instandhouding of de toepassing van procedures voor de selectie van de financiële participatie en interne regels als bedoeld in de leden 1 en 3;

(b)

de in lid 4 bedoelde maatregelen;

(c)

de regelingen voor de in de leden 5 en 6 bedoelde informatieverschaffing.

ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op … [XXX (maanden) vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen in overeenstemming met de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

Artikel 7 bis

Afstemming van de belangen van het crowdfundingplatform op die van de beleggers

1.     Om te garanderen dat crowdfundingplatforms hun prikkels afstemmen op de belangen van beleggers, worden stimuleringsmechanismen aangemoedigd.

2.     Crowdfundingplatforms mogen deelnemen aan de financiering van een project. Die deelname bedraagt niet meer dan 2 % van het kapitaal dat voor het project wordt aangetrokken.

3.     Er mag een succesvergoeding (“carry”) worden toegekend aan de aanbieder van crowdfundingdiensten indien het project op het crowdfundingplatform succesvol wordt afgesloten.

4.     Aanbieders van crowdfundingdiensten verstrekken ESMA voorafgaand aan de vergunningverlening een beschrijving van het beleid ten aanzien van de afstemming van belangen dat zij voornemens zijn te toe te passen, en verzoeken om goedkeuring hiervan.

5.     Crowdfundingplatforms kunnen het beleid ten aanzien van de afstemming van belangen elke drie jaar aanpassen. Wijzigingen moeten worden goedgekeurd door ESMA.

6.     Crowdfundingplatforms beschrijven hun beleid ten aanzien van de afstemming van belangen op een prominente plek op hun website.

Artikel 8

Uitbesteding

1.   Wanneer aanbieders van crowdfundingdiensten een beroep doen op een derde voor de uitvoering van operationele taken, nemen zij alle redelijke maatregelen om extra operationeel risico te vermijden.

2.   Uitbesteding van operationele functies mag de kwaliteit van de interne controle van aanbieders van crowdfundingdiensten en het vermogen van de nationale bevoegde autoriteit om de nakoming door aanbieders van crowdfundingdiensten van alle in deze verordening vastgestelde verplichtingen te monitoren niet ▌ aantasten.

3.   Aanbieders van crowdfundingdiensten blijven volledig verantwoordelijk voor de naleving van deze verordening met betrekking tot de uitbestede activiteiten.

Artikel 9

Bewaring van activa van klanten, het aanhouden van financiële middelen en het aanbieden van betalingsdiensten

1.   Aanbieders van crowdfundingdiensten informeren hun klanten over het volgende:

(a)

of en op welke voorwaarden zij diensten in verband met de bewaring van activa verlenen, met inbegrip van verwijzingen naar het toepasselijke nationale recht;

(b)

of diensten in verband met de bewaring van activa door hen of door derden worden verricht;

(c)

of betalingsdiensten en het aanhouden en bewaren van financiële middelen worden aangeboden door de aanbieder van crowdfundingdiensten of via een derde aanbieder die namens hen handelt.

2.   Aanbieders van crowdfundingdiensten of derde aanbieders die namens hen handelen mogen geen financiële middelen van klanten aanhouden of betalingsdiensten aanbieden, tenzij die financiële middelen bestemd zijn voor het aanbieden van betalingsdiensten in verband met crowdfundingdiensten en de aanbieder van crowdfundingdiensten of de derde aanbieder die namens hem handelt een betalingsinstelling is als gedefinieerd in artikel 4, lid 11, van Richtlijn (EU) 2015/2366.

3.   De in lid 2 bedoelde financiële middelen worden bewaard in overeenstemming met de nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2015/2366.

4.   Indien aanbieders van crowdfundingdiensten noch zelf, noch via een derde betalingsdiensten of het aanhouden en bewaren van financiële middelen in verband met crowdfundingdiensten aanbieden, treffen en handhaven dergelijke aanbieders van crowdfundingdiensten regelingen om ervoor te zorgen dat projecteigenaren financiering van crowdfundingaanbiedingen of enige betaling alleen aanvaarden door middel van een betalingsdienstaanbieder of een agent die betalingsdiensten aanbiedt als gedefinieerd in artikel 4, lid 11, en artikel 19 van Richtlijn (EU) 2015/2366.

Hoofdstuk II

Vergunningverlening aan en toezicht op aanbieders van crowdfundingdiensten

Artikel 10

Vergunning als aanbieder van crowdfundingdiensten

1.    Teneinde uit hoofde van deze verordening een aanbieder van crowdfundingdiensten te worden, dient een kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten bij de nationale bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij is gevestigd een aanvraag in voor een vergunning om crowdfundingdiensten aan te bieden.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvraag omvat al het volgende:

(a)

het adres van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten;

(b)

de rechtspositie van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten;

(c)

de statuten van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten;

(d)

een operationeel programma met een beschrijving van de soorten crowdfundingdiensten die de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten wil aanbieden en het platform dat hij voornemens is te exploiteren, met inbegrip van waar en hoe aanbiedingen zullen worden gedaan ;

(e)

een beschrijving van de governanceregelingen en internecontrolemechanismen van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten om de naleving van deze verordening te waarborgen inclusief risicobeheer- en accountingprocedures;

(f)

een beschrijving van de systemen, middelen en procedures van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten voor de controle en beveiliging van de gegevensverwerkingssystemen;

(g)

een beschrijving van de bedrijfscontinuïteitsregelingen van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten om ervoor te zorgen dat het beheer van aflossingen van kredieten en beleggingen voor de beleggers wordt voortgezet in het geval van insolventie van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten ;

(h)

de identiteit van de personen die verantwoordelijk zijn voor het management van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten;

(i)

bewijs dat de onder h) bedoelde personen een goede naam hebben en over de nodige kennis en ervaring beschikken om de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten te leiden;

(j)

een beschrijving van de interne regels van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten om te voorkomen dat zijn aandeelhouders die 20 % of meer van het aandelenkapitaal of de stemrechten bezitten, zijn managers ▌ of enige persoon die rechtstreeks ▌ met hen verbonden is door middel van een zeggenschapsband, crowdfundingtransacties verrichten die door de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten worden aangeboden , met inbegrip van een beschrijving van de interne regels van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten inzake belangenconflicten bij de blootstelling van werknemers aan projecten ;

(k)

een beschrijving van de uitbestedingsregelingen van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten;

(l)

een beschrijving van de procedures van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten voor de behandeling van klachten van klanten;

(m)

in voorkomend geval, een beschrijving van de betalingsdiensten die de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten voornemens is aan te bieden op grond van Richtlijn (EU) 2015/2366;

(m bis)

bewijs dat de aanbieder van crowdfundingdiensten goed verzekerd is of over voldoende kapitaal beschikt om de financiële gevolgen van zijn beroepsaansprakelijkheid te dekken in geval van niet-nakoming van zijn beroepsplichten zoals omschreven in deze verordening.

3.   Voor de toepassing van lid 2, onder i), leveren kandidaat-aanbieders van crowdfundingdiensten het bewijs van het volgende:

(a)

het ontbreken van vastleggingen in het strafregister met betrekking tot veroordelingen of straffen op grond van de geldende nationale regels op het gebied van handelsrecht, insolventierecht, wetgeving inzake financiële diensten, wetgeving ter bestrijding van het witwassen van geld, fraude of beroepsaansprakelijkheid voor alle personen die betrokken zijn bij het management van de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten;

(b)

bewijs dat de personen die betrokken zijn bij het management van de aanbieder van crowdfundingdiensten gezamenlijk over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om de aanbieder van crowdfundingdiensten te leiden en dat deze personen voldoende tijd moeten besteden aan het uitvoeren van hun taken.

4.   Binnen 30 werkdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde aanvraag beoordeelt de nationale bevoegde autoriteit of die aanvraag volledig is. Indien de aanvraag niet volledig is, stelt de nationale bevoegde autoriteit een termijn vast waarbinnen de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten de ontbrekende informatie moet verstrekken.

5.   Indien een aanvraag als bedoeld in lid 1 volledig is, stelt de nationale bevoegde autoriteit de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten daarvan onmiddellijk in kennis.

5 bis.     Alvorens een besluit te nemen over het inwilligen of weigeren van een aanvraag voor een vergunning voor het aanbieden van crowdfundingdiensten, raadpleegt de nationale bevoegde autoriteit in de volgende gevallen de nationale bevoegde autoriteit van een andere lidstaat:

(a)

de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten is een dochteronderneming van een aanbieder van crowdfundingdiensten in die andere lidstaat;

(b)

de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten is een dochteronderneming van de moederonderneming van een aanbieder van crowdfundingdiensten waaraan in die andere lidstaat vergunning is verleend;

(c)

de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten staat onder de zeggenschap van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een aanbieder van crowdfundingdiensten waaraan in die andere lidstaat vergunning is verleend;

(d)

de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten is voornemens om in die andere lidstaat rechtstreeks aanbiedingen op de markt te brengen.

5 ter.     Wanneer een van de in lid 5 bis bedoelde nationale bevoegde autoriteiten in procedureel of inhoudelijk opzicht van mening verschilt over door de ander genomen of niet genomen maatregelen, wordt een dergelijk meningsverschil overeenkomstig artikel 13 bis opgelost.

6.   Binnen drie maanden na ontvangst van een volledige aanvraag beoordeelt de nationale bevoegde autoriteit of de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten voldoet aan de vereisten van deze verordening en neemt zij een volledig gemotiveerd besluit aan tot verlening of weigering van een vergunning als aanbieder van crowdfundingdiensten. De nationale bevoegde autoriteit heeft het recht een vergunning te weigeren als er objectieve en aantoonbare redenen zijn om aan te nemen dat het management van de aanbieder van crowdfundingdiensten een bedreiging kan vormen voor het effectieve, gezonde en prudente management en de bedrijfscontinuïteit ervan en voor een adequate afweging van de belangen van zijn klanten en de integriteit van de markt.

6 bis.     De nationale bevoegde autoriteit stelt ESMA in kennis van de inwilliging van een vergunningsaanvraag op grond van dit artikel. ESMA voegt deze aanvraag toe aan het in artikel 11 bedoelde register van goedgekeurde platforms. ESMA kan informatie opvragen om ervoor te zorgen dat de nationale bevoegde autoriteiten vergunningen op grond van dit artikel op consistente wijze verlenen. Indien ESMA het niet eens is met een besluit van de nationale bevoegde autoriteit om op grond van dit artikel een vergunningsaanvraag in te willigen of te weigeren, omkleedt zij haar besluit met redenen en licht zij elke betekenisvolle afwijking van het besluit toe en rechtvaardigt ze deze.

7.    De nationale bevoegde autoriteit stelt de kandidaat-aanbieder van crowdfundingdiensten binnen twee werkdagen na het nemen van dat besluit in kennis van haar besluit.

7 bis.     Een aanbieder van crowdfundingdiensten waaraan overeenkomstig dit artikel vergunning is verleend, voldoet te allen tijde aan de voorwaarden van de vergunning.

8.   De in lid 1 bedoelde vergunning is werkzaam en geldig voor het gehele grondgebied van de Unie.

9.   De lidstaten mogen niet vereisen dat aanbieders van crowdfundingdiensten fysiek aanwezig zijn op het grondgebied van een andere lidstaat dan de inrichtingen in de lidstaat waar deze aanbieders van crowdfundingdiensten zijn gevestigd en een vergunning hebben verkregen teneinde crowdfundingdiensten op grensoverschrijdende basis aan te bieden.

10.    ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van standaardformulieren, -templates en -procedures voor de vergunningsaanvraag.

ESMA legt deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op … [XX maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen overeenkomstig de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure vast te stellen.

Artikel 11

Register van aanbieders van crowdfundingdiensten

1.   ESMA stelt een register van alle aanbieders van crowdfundingdiensten samen. Dat register wordt op haar website voor het publiek beschikbaar gesteld en wordt regelmatig bijgewerkt.

2.   Het in lid 1 bedoelde register bevat de volgende gegevens:

(a)

de naam en rechtsvorm van de aanbieder van crowdfundingdiensten;

(b)

de handelsnaam en het internetadres van het crowdfundingplatform dat door de aanbieder van crowdfundingdiensten wordt geëxploiteerd;

(c)

informatie over de diensten waarvoor de aanbieder van crowdfundingdiensten een vergunning heeft;

(d)

sancties die zijn opgelegd aan de aanbieder van crowdfundingdiensten of zijn managers.

3.   Elke intrekking van een vergunning in overeenstemming met artikel 13 wordt gedurende vijf jaar in het register bekendgemaakt.

Artikel 12

Toezicht

1.   Aanbieders van crowdfundingdiensten bieden hun diensten aan onder toezicht van de nationale bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de aanbieder van crowdfundingdiensten zijn vergunning heeft gekregen .

2.   Aanbieders van crowdfundingdiensten voldoen te allen tijde aan de in artikel 10 van deze verordening uiteengezette vergunningsvoorwaarden.

3.    De nationale bevoegde autoriteit beoordeelt of de aanbieders van crowdfundingdiensten voldoen aan de verplichtingen waarin deze verordening voorziet. Zij stelt de frequentie en grondigheid van die beoordeling vast en houden daarbij rekening met de omvang en complexiteit van de activiteiten van de aanbieder van crowdfundingdiensten. In het kader van die beoordeling kan de nationale bevoegde autoriteit de aanbieder van crowdfundingdiensten aan een inspectie ter plaatse onderwerpen.

4.   Aanbieders van crowdfundingdiensten stellen de nationale bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van elke materiële wijziging van de vergunningsvoorwaarden en verstrekken op verzoek de informatie die nodig is om te beoordelen of zij aan deze verordening voldoen.

Artikel 12 bis

Aanwijzing van de bevoegde autoriteit

1.     Elke lidstaat wijst de nationale bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de taken uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de vergunningverlening aan en het toezicht op de op zijn grondgebied gevestigde aanbieders van crowdfundingdiensten, en stelt ESMA daarvan in kennis.

Indien een lidstaat meer dan één nationale bevoegde autoriteit aanwijst, bepaalt hij hun respectieve taken en wijst hij, indien deze verordening daarin voorziet, één autoriteit aan die bevoegd is voor de samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en met ESMA.

2.     ESMA publiceert op haar website een lijst van de overeenkomstig de eerste alinea aangewezen bevoegde autoriteiten.

3.     De nationale bevoegde autoriteiten beschikken over de voor de uitoefening van hun functies vereiste toezichts- en onderzoeksbevoegdheden.

Artikel 13

Intrekking van een vergunning

1.    De nationale bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om de vergunning van een aanbieder van crowdfundingdiensten in te trekken in elk van de volgende situaties waarin de aanbieder van crowdfundingdiensten:

(a)

binnen 18 maanden nadat de vergunning is verleend, geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning;

(b)

uitdrukkelijk heeft afgezien van zijn vergunning;

(c)

gedurende zes opeenvolgende maanden geen crowdfundingdiensten heeft aangeboden;

(d)

zijn vergunning op onregelmatige wijze heeft verkregen en in zijn vergunningsaanvraag valse verklaringen heeft afgelegd;

(e)

niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend;

(f)

de bepalingen van deze verordening ernstig heeft geschonden;

(g)

zijn vergunning als betalingsinstelling krachtens artikel 13 van Richtlijn 2015/2366/EU is kwijtgeraakt, of een namens hem optredende derde die vergunning is kwijtgeraakt;

(h)

nationale bepalingen ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2015/849 betreffende het witwassen van geld of terrorismefinanciering heeft overtreden, of zijn managers, werknemers of namens hem optredende derden die bepalingen hebben overtreden.

 

4.    De nationale bevoegde autoriteiten stellen ESMA onverwijld in kennis van hun besluit om de vergunning van een aanbieder van crowdfundingdiensten in te trekken.

4 bis.     Alvorens een besluit tot intrekking van de vergunning van een aanbieder van crowdfundingdiensten voor het aanbieden van crowdfundingdiensten te nemen, raadpleegt de nationale bevoegde autoriteit de nationale bevoegde autoriteit van een andere lidstaat in gevallen waarin de aanbieder van crowdfundingdiensten:

(a)

een dochteronderneming is van een aanbieder van crowdfundingdiensten in die andere lidstaat;

(b)

een dochteronderneming is van de moederonderneming van een aanbieder van crowdfundingdiensten waaraan in die andere lidstaat vergunning is verleend;

(c)

onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een aanbieder van crowdfundingdiensten waaraan in die andere lidstaat vergunning is verleend;

(d)

in die andere lidstaat rechtstreeks aanbiedingen op de markt brengt.

Artikel 13 bis

Schikking van geschillen tussen bevoegde autoriteiten

1.     Wanneer een bevoegde autoriteit in procedureel of inhoudelijk opzicht van mening verschilt over door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat genomen of niet genomen maatregelen met betrekking tot de toepassing van deze verordening, kan ESMA, op verzoek van een of meer betrokken bevoegde autoriteiten, die autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming overeenkomstig de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel vastgestelde procedure.

Waar op basis van objectieve criteria een meningsverschil tussen de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten kan worden geconstateerd, kan ESMA op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming overeenkomstig de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde procedure.

2.     ESMA stelt een termijn vast voor verzoening tussen de bevoegde autoriteiten, waarbij rekening wordt gehouden met relevante termijnen en met de complexiteit en urgentie van de aangelegenheid. In dat stadium treedt ESMA als bemiddelaar op.

Indien de betrokken bevoegde autoriteiten er tijdens de in de eerste alinea bedoelde verzoeningsfase niet in slagen tot overeenstemming te komen, kan ESMA overeenkomstig de procedure van artikel 44, lid 1, derde en vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 een besluit nemen dat de betrokken bevoegde autoriteiten verplicht specifieke maatregelen te nemen of van het nemen van maatregelen af te zien om de zaak te schikken, met bindende werking voor de betrokken bevoegde autoriteiten, teneinde de naleving van het Unierecht te garanderen.

3.     Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op grond van artikel 258 VWEU kan ESMA, wanneer een bevoegde autoriteit het besluit van ESMA niet naleeft en er daardoor niet in slaagt te verzekeren dat een aanbieder van crowdfundingdiensten voldoet aan de eisen krachtens deze verordening, een tot de aanbieder van crowdfundingdiensten gericht individueel besluit vaststellen waarin deze wordt gelast de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan zijn verplichtingen op grond van het Unierecht, met inbegrip van de stopzetting van activiteiten.

4.     Op grond van lid 3 vastgestelde besluiten hebben voorrang op eerdere besluiten die door de bevoegde autoriteiten over dezelfde aangelegenheid zijn vastgesteld. Maatregelen van de bevoegde autoriteiten met betrekking tot feiten die onder een besluit ingevolge lid 2 of 3 vallen, zijn verenigbaar met een dergelijk besluit.

5.     De voorzitter van ESMA vermeldt in het in artikel 50, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde verslag de aard en het type van de meningsverschillen tussen bevoegde autoriteiten, de bereikte overeenkomsten en de besluiten die genomen zijn om die meningsverschillen te schikken.

Hoofdstuk IV

Transparantie en toegangskennistest door aanbieders van crowdfundingdiensten

Artikel 14

Informatieverstrekking aan klanten

1.   Alle informatie, inclusief publicitaire mededelingen als bedoeld in artikel 19, die door aanbieders van crowdfundingdiensten aan klanten ▌ wordt verstrekt over henzelf, over de kosten , financiële risico's en lasten in verband met crowdfundingdiensten of beleggingen, waaronder over dreigende insolventie van de aanbieder van crowdfundingdiensten, over de voorwaarden voor crowdfunding inclusief criteria voor de selectie van crowdfundingprojecten, of over de aard van en de risico's verbonden aan hun crowdfundingdiensten, moet eerlijk, duidelijk en niet misleidend zijn.

2.    Alle informatie die overeenkomstig lid 1 aan klanten moet worden verstrekt , wordt in een beknopte, nauwkeurige en makkelijk toegankelijke vorm verstrekt, onder meer op de website van de aanbieder van crowdfundingdiensten . De informatie wordt in voorkomend geval verstrekt, ook vóór het aangaan van een crowdfundingtransactie.

Artikel 14 bis

Openbaarmaking van de wanbetalingsgraad

1.     Aanbieders van crowdfundingdiensten maken elk jaar de wanbetalingsgraad openbaar van de crowdfundingprojecten die ten minste de 24 maanden daarvoor op hun crowdfundingplatform zijn aangeboden.

2.     De in lid 1 bedoelde wanbetalingsgraad wordt online gepubliceerd op een prominente plek op de website van de aanbieder van crowdfundingdiensten.

3.     ESMA stelt in nauwe samenwerking met EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de methode voor de berekening van de wanbetalingsgraad van de op het crowdfundingplatform aangeboden projecten te specificeren.

ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op … [XX maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 15

Toegangskennistest en simulatie van het vermogen om verlies te dragen

1.   ▌ Aanbieders van crowdfundingdiensten beoordelen of en welke crowdfundingdiensten geschikt zijn voor kandidaat-beleggers.

2.   Voor de toepassing van de beoordeling ingevolge lid 1 verzoeken aanbieders van crowdfundingdiensten om informatie over de ervaring, beleggingsdoelstellingen en financiële situatie van de kandidaat-belegger en zijn basisinzicht in de risico's van beleggen in het algemeen en in de soorten beleggingen die op het crowdfundingplatform worden aangeboden, inclusief informatie over:

(a)

de vroegere beleggingen van de kandidaat-belegger in effecten of leenovereenkomsten inclusief in ondernemingen in de begin- of expansiefase;

(b)

het inzicht van de kandidaat-belegger in de risico's die verbonden zijn aan het verstrekken van leningen of het verwerven van effecten via een crowdfundingplatform, en beroepservaring in verband met crowdfundingbeleggingen.

▌4.   ▌ Indien aanbieders van crowdfundingdiensten op basis van de krachtens lid 2 ontvangen informatie van mening zijn dat de kandidaat-beleggers onvoldoende inzicht in het aanbod hebben of dat het aanbod niet geschikt is voor die kandidaat-beleggers , stellen zij die kandidaat-beleggers ervan in kennis dat de op hun platforms aangeboden diensten voor hen ongeschikt kunnen zijn en geven zij hen een risicowaarschuwing. Die informatie of risicowaarschuwing betekent niet dat kandidaat-beleggers niet in crowdfundingprojecten mogen beleggen. In de informatie of risicowaarschuwing wordt het risico van volledig verlies van het belegde geld duidelijk vermeld.

5.    Alle aanbieders van crowdfundingdiensten bieden kandidaat-beleggers te allen tijde de mogelijkheid tot simulatie of zij vermogensverlies kunnen dragen, berekend als 10 % van hun vermogen, op basis van de volgende informatie:

(a)

het vaste inkomen en het totale inkomen en, in voorkomend geval, het gezinsinkomen , en of het inkomen permanent of tijdelijk is;

(b)

de activa, inclusief financiële beleggingen, roerende zaken en beleggingsonroerendgoed, pensioenfondsen en alle deposito's in contanten;

(c)

de financiële verbintenissen, inclusief regelmatige, bestaande of toekomstige verbintenissen.

Afhankelijk van de resultaten van de simulatie kunnen aanbieders van crowdfundingdiensten kandidaat-beleggers en beleggers beletten te beleggen in crowdfundingprojecten. Beleggers blijven echter volledig zelf verantwoordelijk voor alle risico's die een belegging met zich meebrengt.

6.    In nauwe samenwerking met EBA stelt ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot specificatie van de regelingen nodig voor:

(a)

het uitvoeren van de in lid 1 bedoelde beoordeling;

(b)

het uitvoeren van de in lid 5 bedoelde simulatie;

(c)

de in de leden 2 en 4 bedoelde informatieverschaffing.

ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op … [XX maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 16

Blad met essentiële beleggingsinformatie

-1.     Aanbieders van crowdfundingdiensten die de in punt i) van artikel 3, lid 1, onder a) van deze verordening aanbieden, verstrekken kandidaat-beleggers alle in dit artikel bedoelde informatie.

1.   ▌ Kandidaat-beleggers ontvangen een door de projecteigenaar voor elk crowdfundingaanbod opgesteld blad met essentiële beleggingsinformatie. Het blad met essentiële beleggingsinformatie wordt opgesteld in ten minste een van de officiële talen van de betrokken lidstaat of het Engels .

2.   Het in lid 1 bedoelde blad met essentiële beleggingsinformatie omvat alle volgende informatie:

(a)

de in de bijlage bedoelde informatie;

(b)

de volgende toelichting die direct onder de titel van het blad met essentiële beleggingsinformatie staat:

“Dit crowdfundingaanbod is niet geverifieerd noch goedgekeurd door ESMA of de nationale bevoegde autoriteiten.

De geschiktheid van uw opleiding en kennis is niet beoordeeld voordat u toegang hebt gekregen tot deze belegging. Door deze belegging te doen, neemt u het volledige risico op u van deze belegging inclusief het risico van gedeeltelijk of volledig verlies van het belegde geld.”;

(c)

een risicowaarschuwing, die luidt als volgt:

“Beleggen in dit crowdfundingaanbod brengt risico's met zich mee, inclusief het risico van geheel of gedeeltelijk verlies van het belegde geld. Uw belegging valt niet onder de depositogarantie- en beleggerscompensatiestelsels die zijn ingesteld in overeenstemming met Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1) en Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad (*2).

U ontvangt mogelijk geen rendement op uw belegging.

Dit is geen spaarproduct en we raden u aan niet meer dan 10 % van uw vermogen in crowdfundingprojecten te beleggen.

U kunt de beleggingsinstrumenten mogelijk niet verkopen wanneer u dat wenst. Zelfs als u ze wel kunt verkopen, zult u mogelijk verlies lijden.

(*1)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149)."

(*2)  Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 084 van 26.3.1997, blz. 22)”."

3.   Het blad met essentiële beleggingsinformatie is eerlijk, duidelijk en niet misleidend en bevat geen andere voetnoten dan die met verwijzing naar het toepasselijke recht. Het wordt gepresenteerd op een op zichzelf staande, duurzame drager die duidelijk van publicitaire mededelingen te onderscheiden is en bestaat uit maximaal drie bladzijden papier van A4-formaat als het wordt afgedrukt.

4.   De aanbieder van crowdfundingdiensten houdt het blad met essentiële beleggingsinformatie te allen tijde en gedurende de gehele geldigheidsduur van het crowdfundingaanbod actueel.

4 bis.     De in lid 3, onder a), van dit artikel vastgestelde eis geldt niet voor aanbieders van crowdfundingdiensten die diensten als bedoeld onder punt ii) van artikel 3, lid 1, onder a), aanbieden. Dergelijke aanbieders stellen in plaats daarvan een blad met essentiële beleggingsinformatie op met gedetailleerde informatie over de aanbieder van crowdfundingdiensten, de systemen en controles voor het beheersen van risico's, de financiële modellering van het crowdfundingaanbod en de in het verleden behaalde resultaten.

5.    Alle aanbieders van crowdfundingdiensten belasten zich met de invoering en toepassing van adequate procedures om de volledigheid , juistheid en duidelijkheid van de informatie in het blad met essentiële beleggingsinformatie te controleren.

6.   Wanneer een aanbieder van crowdfundingdiensten een ▌ omissie, een ▌ fout of een ▌ onjuistheid in het blad met essentiële beleggingsinformatie vaststelt, die wezenlijke gevolgen kan hebben voor het verwachte rendement van de investering, worden de correcties als volgt doorgevoerd:

(a)

aanbieders van crowdfundingdiensten die de in punt i) van artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde diensten aanbieden, maken de omissie, fout of onjuistheid onverwijld kenbaar aan de projecteigenaar, die deze informatie aanvult of wijzigt;

(b)

aanbieders van crowdfundingdiensten die de in punt ii) van artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde diensten aanbieden, wijzigen zelf de omissie, fout of onjuistheid in het blad met essentiële beleggingsinformatie.

Indien een dergelijke aanvulling of wijziging niet wordt gemaakt , doet de aanbieder van crowdfundingdiensten geen crowdfundingaanbod of annuleert hij het bestaande aanbod totdat het blad met essentiële beleggingsinformatie aan de vereisten van dit artikel voldoet.

7.   Een belegger kan een aanbieder van crowdfundingdiensten verzoeken het blad met essentiële beleggingsinformatie te laten vertalen in een taal naar keuze van de belegger. De vertaling vormt een getrouwe en nauwkeurige weergave van de inhoud van het oorspronkelijke blad met essentiële beleggingsinformatie ▌.

Indien de aanbieder van crowdfundingdiensten de gevraagde vertaling van het blad met essentiële beleggingsinformatie niet verstrekt, adviseert de aanbieder van crowdfundingdiensten de belegger duidelijk om af te zien van het doen van de belegging.

8.   Nationale bevoegde autoriteiten vereisen geen voorafgaande kennisgeving en goedkeuring van een blad met essentiële beleggingsinformatie.

9.    ESMA kan ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen om het volgende nader te bepalen:

(a)

de vereisten voor en inhoud van het model voor de presentatie van de in lid 2 en de bijlage bedoelde informatie;

(b)

de soorten risico's die van materieel belang zijn voor het crowdfundingaanbod en derhalve moeten worden openbaar gemaakt overeenkomstig deel C van de bijlage;

(b bis)

het gebruik van bepaalde financiële ratio's om de duidelijkheid van de essentiële financiële informatie te vergroten;

(c)

de provisies en vergoedingen en transactiekosten waarvan sprake in deel H, onder a), van de bijlage, met inbegrip van een gedetailleerde uitsplitsing van de door de belegger te dragen directe en indirecte kosten.

Bij het opstellen van de normen maakt ESMA onderscheid tussen de in artikel 3, lid 1, onder a), punt i), bedoelde diensten en de in artikel 3, lid 1, onder a), punt ii), bedoelde diensten.

ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op … [XXX maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 17

Bulletinboard

1.   Aanbieders van crowdfundingdiensten die hun beleggers in staat stellen rechtstreeks met elkaar te interageren om leningovereenkomsten of effecten te kopen en te verkopen die oorspronkelijk op hun platforms werden gecrowdfund, stellen hun klanten ervan in kennis dat zij geen handelssysteem exploiteren en dat dergelijke aan- en verkoopactiviteiten op hun platforms naar eigen goeddunken en verantwoordelijkheid van de klant zijn. Dergelijke aanbieders van crowdfundingdiensten stellen hun klanten er ook van op de hoogte dat de regels die krachtens Richtlijn 2014/65/EU van toepassing zijn op handelsplatforms, zoals gedefinieerd in punt 24) van artikel 4, lid 1, van die richtlijn, niet van toepassing zijn op hun platforms.

2.   Aanbieders van crowdfundingdiensten die een referentieprijs voor de in lid 1 bedoelde aan- en verkoop verstrekken, delen hun klanten mee of de ▌ referentieprijs al dan niet bindend is en rechtvaardigen de basis waarop de ▌ referentieprijs werd berekend .

2 bis.     Teneinde beleggers in staat te stellen om de via hun platform verkregen leningen te kopen en te verkopen, bieden aanbieders van crowdfundingdiensten beleggers meer transparantie ten aanzien van hun platforms door informatie te verstrekken over de prestaties van de gegenereerde leningen.

Artikel 18

Toegang tot vastleggingen

Aanbieders van crowdfundingdiensten:

(a)

bewaren alle vastleggingen met betrekking tot hun diensten en transacties gedurende vijf jaar op een duurzame drager;

(b)

zorgen ervoor dat hun klanten te allen tijde onmiddellijk toegang hebben tot de vastleggingen van de aan hen aangeboden diensten;

(c)

bewaren gedurende vijf jaar alle overeenkomsten tussen de aanbieders van crowdfundingdiensten en hun klanten.

Hoofdstuk V

Publicitaire mededelingen

Artikel 19

Vereisten betreffende publicitaire mededelingen

1.   Aanbieders van crowdfundingdiensten zorgen ervoor dat al hun publicitaire mededelingen aan beleggers duidelijk als zodanig herkenbaar zijn.

2.    Zolang de fondsenverwerving voor een project nog niet is afgerond, mag geen enkele publicitaire mededeling in onevenredige mate gericht zijn op individuele geplande of lopende crowdfundingprojecten of -aanbiedingen . ▌

3.   Voor hun publicitaire communicatie gebruiken aanbieders van crowdfundingdiensten een of meer officiële talen van de lidstaat waar de aanbieder van crowdfundingdiensten actief is of het Engels .

4.   Nationale bevoegde autoriteiten vereisen geen voorafgaande kennisgeving en goedkeuring van publicitaire mededelingen.

Artikel 20

Bekendmaking van nationale bepalingen inzake publiciteitsvereisten

1.   Nationale bevoegde autoriteiten belasten zich ermee op hun website de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te publiceren en actueel te houden die van toepassing zijn op publicitaire mededelingen van aanbieders van crowdfundingdiensten.

2.   De bevoegde autoriteiten stellen ESMA in kennis van de in lid 1 bedoelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de hyperlinks naar de websites van bevoegde autoriteiten waar die informatie wordt gepubliceerd. De bevoegde autoriteiten verstrekken ESMA een samenvatting van die relevante nationale bepalingen in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is.

3.   De bevoegde autoriteiten stellen ESMA in kennis van elke wijziging in de overeenkomstig lid 2 verstrekte informatie en verstrekken onverwijld een bijgewerkte samenvatting van de relevante nationale bepalingen.

4.   ESMA belast zich ermee op haar website een samenvatting van de relevante nationale bepalingen in een taal die gebruikelijk is in de internationale financiële wereld en de hyperlinks naar de websites van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten te publiceren en bij te houden. ESMA is niet aansprakelijk voor de informatie die in de samenvatting wordt verstrekt.

5.   De nationale bevoegde autoriteiten zijn het centrale aanspreekpunt voor het verstrekken van informatie over de publiciteitsregels in hun respectieve lidstaten.

▌7.   De bevoegde autoriteiten brengen regelmatig en ten minste eenmaal per jaar aan ESMA verslag uit over hun handhavingsmaatregelen die zij in het voorgaande jaar hebben genomen op grond van hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op publicitaire mededelingen van aanbieders van crowdfundingdiensten. Met name, omvat het verslag het volgende:

(a)

het totale aantal handhavingsmaatregelen dat is genomen per soort overtreding, indien van toepassing;

(b)

indien beschikbaar, de resultaten van de handhavingsmaatregelen, met inbegrip van de soorten sancties die zijn opgelegd per soort sanctie of remediërende maatregelen die door aanbieders van crowdfundingdiensten worden genomen;

(c)

indien beschikbaar, voorbeelden van de wijze waarop bevoegde autoriteiten het feit hebben behandeld dat aanbieders van crowdfundingdiensten niet aan de nationale bepalingen hebben voldaan.

Hoofdstuk VI

Bevoegdheden van de betreffende nationale bevoegde autoriteit

AFDELING I

BEVOEGDHEDEN EN PROCEDURES

Artikel 21

Wettelijk verschoningsrecht

De bevoegdheden die ▌ zijn verleend aan de nationale bevoegde autoriteit , of aan functionarissen of andere personen die door de nationale bevoegde autoriteit zijn gemachtigd, mogen niet worden gebruikt om de openbaarmaking te vereisen van informatie die onder het wettelijk verschoningsrecht valt.

Artikel 25

Uitwisseling van informatie

ESMA en de bevoegde autoriteiten verschaffen elkaar onverwijld de informatie die nodig is voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van deze verordening.

Artikel 26

Beroepsgeheim

Het beroepsgeheim als bedoeld in artikel 76 van Richtlijn 2014/65/EU geldt voor de nationale bevoegde autoriteiten, ESMA en alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de nationale bevoegde autoriteiten of ESMA, of alle andere personen aan wie ▌ taken zijn gedelegeerd, met inbegrip van ▌ aangestelde accountants en deskundigen.

AFDELING II

ADMINISTRATIEVE SANCTIES EN ANDERE ADMINISTRATIEVE MAATREGELEN

Artikel 27 bis

Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.     Onverminderd het recht van de lidstaten om op grond van artikel 27 quater strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten regels vast om te voorzien in passende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die ten minste van toepassing zijn op situaties waarin een aanbieder van crowdfundingdiensten niet heeft voldaan aan de in de hoofdstukken I tot en met V vastgestelde vereisten. Dergelijke administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

De lidstaten zorgen ervoor dat de administratieve sancties en andere administratieve maatregelen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.

2.     De lidstaten kennen de nationale bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het nationale recht de bevoegdheid toe ten minste de volgende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen op te leggen in geval van een inbreuk op de hoofdstukken I tot en met V van deze verordening:

(a)

een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon en de aard van de inbreuk worden vermeld;

(b)

een bevel waarmee de persoon wordt gelast de inbreukmakende gedraging te staken en niet meer te herhalen;

(c)

een tijdelijk of, bij herhaalde ernstige inbreuken, permanent verbod om een lid van het leidinggevend orgaan van de rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk of een andere natuurlijke persoon die voor de inbreuk verantwoordelijk wordt gehouden, te beletten leidinggevende functies in dergelijke ondernemingen uit te oefenen;

(d)

in het geval van een natuurlijke persoon, maximale administratieve geldboeten van 5 % van de jaaromzet van de aanbieder van crowdfundingdiensten in het kalenderjaar waarin de inbreuk heeft plaatsgevonden;

(e)

maximale administratieve geldboeten van ten minste tweemaal het bedrag van het aan de inbreuk ontleende voordeel indien dat kan worden bepaald, zelfs als dat hoger is dan de maximumbedragen onder d).

3.     Indien de bepalingen van lid 1 op rechtspersonen van toepassing zijn, verlenen de lidstaten de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om de in lid 2 vermelde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen toe te passen, met inachtneming van de in het nationale recht voorziene voorwaarden, op leden van het leidinggevend orgaan en andere personen die op grond van het nationale recht verantwoordelijk zijn voor de inbreuk.

4.     De lidstaten zorgen ervoor dat een besluit of maatregel waarbij in lid 2 genoemde administratieve sancties of andere administratieve maatregelen worden opgelegd naar behoren gemotiveerd is en vatbaar is voor beroep bij een rechtbank.

Artikel 27 ter

Uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.     De bevoegde autoriteiten oefenen hun bevoegdheden tot het opleggen van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen als bedoeld in artikel 27 bis in overeenstemming met deze verordening en hun nationale rechtskader uit, als passend:

( a)

rechtstreeks;

(b)

in samenwerking met andere autoriteiten;

(c)

onder eigen verantwoordelijkheid door middel van delegatie aan andere autoriteiten;

(d)

door middel van een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

2.     De bevoegde autoriteiten houden bij het bepalen van het type en de omvang van een op grond van artikel 27 bis opgelegde administratieve sanctie of andere administratieve maatregel rekening met de vraag in hoeverre de inbreuk opzettelijk is dan wel het resultaat van nalatigheid, en alle andere relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval:

( a)

de materialiteit, ernst en duur van de inbreuk;

(b)

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

(c)

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

(d)

de omvang van de door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon behaalde winsten of vermeden verliezen, voor zover die zijn vast te stellen;

(e)

de verliezen voor derden ten gevolge van de inbreuk, voor zover die zijn vast te stellen;

(f)

de mate waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon aan de bevoegde autoriteit medewerking heeft verleend, onverminderd de noodzaak te zorgen voor terugbetaling van de door die persoon behaalde winsten of vermeden verliezen;

(g)

eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon.

Artikel 27 quater

Strafrechtelijke sancties

1.     De lidstaten kunnen besluiten geen regels voor administratieve sancties of andere administratieve maatregelen vast te stellen met betrekking tot inbreuken waarvoor krachtens hun nationale recht reeds strafrechtelijke sancties gelden.

2.     Indien lidstaten in overeenstemming met lid 1 van dit artikel hebben besloten om voor een in artikel 27 bis, lid 1, bedoelde inbreuk strafrechtelijke sancties vast te stellen, zorgen zij ervoor dat er passende maatregelen zijn getroffen om de bevoegde autoriteiten te laten beschikken over alle noodzakelijke bevoegdheden om met de gerechtelijke, de met vervolging belaste of de strafrechtelijke autoriteiten in hun jurisdictie te communiceren teneinde specifieke informatie te ontvangen over lopende strafrechtelijke onderzoeken naar en procedures in verband met de in artikel 27 bis, lid 1, bedoelde inbreuken, en dezelfde informatie aan andere bevoegde autoriteiten alsmede aan ESMA te verstrekken om te voldoen aan hun verplichting tot samenwerking voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 27 quinquies

Kennisgevingsverplichtingen

De lidstaten doen uiterlijk op … [één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] aan de Commissie en ESMA kennisgeving van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk, met inbegrip van de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen. De lidstaten stellen de Commissie en ESMA zonder onnodige vertraging in kennis van alle eventuele latere wijzigingen van die regels.

Artikel 27 sexies

Samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en ESMA

1.     De nationale bevoegde autoriteiten en ESMA werken nauw met elkaar samen en wisselen informatie uit om hun taken in het kader van dit hoofdstuk uit te voeren.

2.     De nationale bevoegde autoriteiten coördineren hun toezicht nauw teneinde inbreuken op deze verordening vast te stellen en te remediëren, ontwikkelen en bevorderen goede praktijken, faciliteren samenwerking, dragen bij tot een consistente interpretatie en verstrekken jurisdictieoverschrijdende beoordelingen in geval van verschillen van mening.

3.     Indien een nationale bevoegde autoriteit vaststelt dat niet is voldaan aan een vereiste van de hoofdstukken I tot en met V, of redenen heeft om dat aan te nemen, brengt zij de bevoegde autoriteit van de entiteit of entiteiten die van die inbreuk wordt of worden verdacht op voldoende gedetailleerde wijze van haar vaststellingen op de hoogte. De betrokken bevoegde autoriteiten coördineren hun toezicht nauw teneinde voor consistente besluiten te zorgen.

Artikel 27 septies

Bekendmaking van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.     Onverminderd lid 4 zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale bevoegde autoriteiten op hun officiële website onverwijld ten minste elk besluit bekendmaken waarbij een administratieve sanctie of andere administratieve maatregel wordt opgelegd waartegen geen beroep is ingesteld nadat de adressaat van die sanctie of maatregel van dat besluit in kennis is gesteld.

2.     De in lid 1 bedoelde bekendmaking omvat informatie over het type en de aard van de inbreuk en de identiteit van de verantwoordelijke personen en de opgelegde administratieve sancties of andere administratieve maatregelen.

3.     Indien de bekendmaking van de identiteit, in het geval van rechtspersonen, of van de identiteit en de persoonsgegevens, in het geval van natuurlijke personen, na een per geval uitgevoerde beoordeling door de bevoegde autoriteit onevenredig wordt geacht, of indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend strafrechtelijk onderzoek in gevaar brengt, of indien de bekendmaking, voor zover kan worden nagegaan, onevenredige schade toebrengt aan de betrokkene, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten een van de volgende maatregelen nemen:

(a)

ze stellen de bekendmaking van het besluit waarbij de administratieve sanctie of andere administratieve maatregel wordt opgelegd uit totdat de redenen voor dat uitstel vervallen;

(b)

ze maken het besluit waarbij de administratieve sanctie of andere administratieve maatregel wordt opgelegd op basis van anonimiteit bekend, overeenkomstig het nationale recht; of

(c)

ze maken het besluit waarbij de administratieve sanctie of andere administratieve maatregel wordt opgelegd niet bekend indien de bevoegde autoriteit van mening is dat de onder a) en b) vermelde opties ontoereikend worden geacht om te waarborgen dat:

i)

de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar wordt gebracht; of

ii)

de bekendmaking van dergelijke besluiten evenredig is aan maatregelen die als weinig ingrijpend worden beschouwd.

4.     In geval van een besluit tot bekendmaking van een administratieve sanctie of andere administratieve maatregel op basis van anonimiteit kan de bekendmaking van de betreffende gegevens worden uitgesteld. Indien een nationale bevoegde autoriteit een besluit bekendmaakt waarbij een administratieve sanctie of andere administratieve maatregel wordt opgelegd die vatbaar is voor beroep bij de betrokken gerechtelijke autoriteiten, maken de bevoegde autoriteiten die informatie en latere informatie over het resultaat van een dergelijk beroep eveneens onmiddellijk bekend op hun officiële website. Rechterlijke beslissingen tot nietigverklaring van een besluit waarbij een administratieve sanctie of andere administratieve maatregel wordt opgelegd, worden eveneens bekendgemaakt.

5.     De nationale bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat elk besluit dat in overeenstemming met de artikelen 1 tot en met 4 wordt bekendgemaakt, toegankelijk blijft op hun website gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de bekendmaking. Persoonsgegevens die in deze besluiten zijn vervat, worden niet langer op de officiële website van de bevoegde autoriteit bewaard dan overeenkomstig de toepasselijke regelgeving betreffende gegevensbescherming noodzakelijk is.

6.     De nationale bevoegde autoriteiten stellen ESMA in kennis van alle opgelegde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen, met inbegrip van elk in dat verband ingesteld beroep en het resultaat ervan.

7.     ESMA bewaart een centraal gegevensbestand van de haar meegedeelde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen. Dat gegevensbestand is uitsluitend toegankelijk voor ESMA, EBA, Eiopa en de bevoegde autoriteiten, en wordt geactualiseerd op basis van de door de nationale bevoegde autoriteiten in overeenstemming met lid 6 verstrekte informatie.

Artikel 36

Gegevensbescherming

1.   Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening voeren bevoegde autoriteiten hun taken in het kader van deze verordening uit in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad.

2.   Bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening leeft ESMA Verordening (EG) nr. 45/2001 na.

Hoofdstuk VII

Gedelegeerde handelingen

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 2, ▌ artikel 31, lid 10, en artikel 34, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [▌ date of entry into force of this Regulation]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 7, artikel 10, lid 10, artikel 15, lid 6, artikel 16, lid 9, artikel 31, lid 10, en artikel 34, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

6.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 7, artikel 10, lid 10, artikel 15, lid 6, artikel 16, lid 9, artikel 31, lid 10, en artikel 34, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. De termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met drie maanden verlengd.

Hoofdstuk VIII

Slotbepalingen

Artikel 38

Verslag

1.   Vóór … [Publicatiebureau gelieve 24 maanden na de datum van het van toepassing worden van deze verordening in te voeren] dient de Commissie, na raadpleging van ESMA, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

2.   In het verslag worden beoordeeld:

(a)

de werking van de markt voor aanbieders van crowdfundingdiensten in de Unie, met inbegrip van marktontwikkeling en -trends, ▌ hun marktaandeel, en of aanpassingen nodig zijn van de definities en drempels in deze verordening en of het toepassingsgebied van de onder deze verordening vallende diensten passend blijft;

(b)

de impact van deze verordening op de goede werking van de interne markt voor crowdfundingdiensten, met inbegrip van de impact op de toegang tot financiering voor kmo's en op beleggers en andere categorieën personen waarop deze diensten van invloed zijn;

(c)

de implementatie van de technologische innovatie in de crowdfundingsector, met inbegrip van de toepassing van niet-bancaire financieringsmethoden (met inbegrip van initial coin offerings) en nieuwe innovatieve zakelijke modellen en technologieën;

(d)

of de in artikel 2, lid 2, onder d), vervatte drempel passend blijft om de in deze verordening vervatte doelstellingen te verwezenlijken;

(e)

de effecten van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake publicitaire mededelingen van aanbieders van crowdfundingdiensten op het vrij verrichten van diensten, de mededinging en de beleggersbescherming;

(f)

de toepassing van administratieve sancties en met name de noodzaak om administratieve sancties voor inbreuken op deze verordening verder te harmoniseren;

(g)

de noodzaak en evenredigheid van het onderwerpen van aanbieders van crowdfundingdiensten aan verplichtingen inzake de naleving van de nationale bepalingen tot tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2015/849 met betrekking tot het witwassen van geld of de financiering van terrorisme en dergelijke aanbieders van crowdfundingdiensten voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2015/849 aan de lijst van meldingsplichtige entiteiten toe te voegen;

(h)

de wenselijkheid om het toepassingsgebied van deze verordening naar derde landen uit te breiden;

(i)

de samenwerking tussen de nationale bevoegde autoriteiten en ESMA en de geschiktheid van de nationale bevoegde autoriteiten als toezichthouder in het kader van deze verordening;

(j)

de mogelijkheid om in deze verordening specifieke maatregelen op te nemen om duurzame en innovatieve crowdfundingprojecten te bevorderen, alsook het gebruik van EU-fondsen.

Artikel 38 bis

Wijziging in Verordening (EU) 2017/1129

In artikel 1, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1129 wordt het volgende punt ingevoegd:

(k)

een crowdfundingaanbod door een Europese aanbieder van crowdfundingdiensten in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. …/…  (*3) , op voorwaarde dat dit aanbod de in artikel 2, lid 2, onder d), van die verordening vastgestelde drempel niet overschrijdt.

Artikel 39

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van … [Publicatiebureau gelieve 12 maanden na de datum van inwerkingtreding in te voeren].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C, blz. .

(2)  PB C, blz. .

(3)  Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).

(4)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014 blz. 349).

(5)  Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).

(6)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(7)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(8)  COM(2017)0340, Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de beoordeling van risico's op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die van invloed zijn op de interne markt en verband houden met grensoverschrijdende activiteiten.

(9)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(10)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(11)  PB L 297 van 7.11.2013, blz. 107.

(*3)   PB: gelieve het nummer en de publicatiegegevens van deze verordening in te voegen.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/563


P8_TA(2019)0302

Markten voor financiële instrumenten: aanbieders van crowdfundingdiensten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (COM(2018)0099 — C8-0102/2018 — 2018/0047(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/39)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0099),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0102/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018 (1),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0362/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 367 van 10.10.2018, blz. 65.


P8_TC1-COD(2018)0047

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Crowdfunding is een fintechoplossing die kmo's en met name startende en snelgroeiende ondernemingen alternatieve toegang tot financiering biedt om innoverend ondernemerschap in de Unie te bevorderen en zo de kapitaalmarktenunie te versterken . Dit draagt op zijn beurt bij tot een meer gediversifieerd financieel systeem dat minder afhankelijk is van bancaire financiering, zodat het systemisch risico en het concentratierisico worden beperkt. Andere voordelen van de bevordering van innoverend ondernemerschap via crowdfunding zijn de ontsluiting van bevroren kapitaal voor investeringen in nieuwe en innoverende projecten, de snellere efficiënte toewijzing van middelen en de diversifiëring van activa.

(2)

Krachtens Verordening (EU) XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad (3) kunnen rechtspersonen ervoor kiezen om bij de bevoegde nationale autoriteit een vergunning aan te vragen als aanbieder van crowdfundingdiensten.

(3)

Verordening (EU) XXX/XXXX [Verordening betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten] voorziet in uniforme, evenredige en rechtstreeks toepasselijke vereisten voor de vergunningverlening aan en het toezicht op aanbieders van crowdfundingdiensten▌.

(4)

Om rechtszekerheid te verschaffen met betrekking tot het personele en materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) XXX/XXXX respectievelijk Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) en om te vermijden dat dezelfde activiteit onderworpen is aan verschillende vergunningen binnen de Unie, moeten rechtspersonen met een vergunning als aanbieder van crowdfundingdiensten krachtens Verordening (EU) XXX/XXXX [Verordening betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten] van het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/65/EU worden uitgesloten.

(5)

Aangezien de wijziging waarin deze richtlijn voorziet rechtstreeks verband houdt met Verordening (EU) XXX/XXXX [Verordening betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten], moet de datum vanaf welke de lidstaten de nationale maatregelen tot omzetting van die wijziging moeten toepassen, worden verschoven om samen te vallen met de in die verordening vastgestelde toepassingsdatum.

(5 bis)

Virtuele valuta worden door kleine beleggers gebruikt als vervangmiddel voor andere activa. Anders dan andere financiële instrumenten zijn virtuele valuta momenteel grotendeels ongereguleerd. Markten voor virtuele valuta worden bijgevolg gekenmerkt door een gebrek aan transparantie, kunnen gevoelig zijn voor marktmisbruik en hebben te lijden onder een gebrek aan elementaire beleggersbescherming. De Commissie moet nauwlettend toezien op virtuele valuta en duidelijke richtsnoeren voorleggen met betrekking tot de voorwaarden waaronder virtuele valuta kunnen worden ingedeeld onder financiële instrumenten en, in voorkomend geval, virtuele valuta toevoegen aan de lijst van financiële instrumenten, als nieuwe categorie. Indien de Commissie concludeert dat het wenselijk is virtuele valuta te reguleren, moet zij bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel ter zake indienen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU wordt het volgende punt p) toegevoegd:

“p)

aanbieders van crowdfundingdiensten als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder c), van Verordening (EU) XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad (*1) en rechtspersonen die crowdfundingdiensten aanbieden in overeenstemming met het nationaal recht, mits de drempel van artikel 2, onder d), van Verordening (EU) XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad* niet wordt overschreden .

Artikel 2

1.   De lidstaten belasten zich ermee tegen … [Publications Office: 6 months from entry into force of the Crowdfunding Regulation] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

De lidstaten passen die maatregelen toe vanaf … [Publications Office: date of entry into application of the Crowdfunding Regulation].

2.   De lidstaten delen de Commissie en ESMA de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C […] van […], blz. […].

(2)  PB C […] van […], blz. […].

(3)  Verordening (EU) XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten (PB L […] van […], blz. […]).

(4)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/566


P8_TA(2019)0303

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Cohesiefonds ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (COM(2018)0372 — C8-0227/2018 — 2018/0197(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/40)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0372),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 177, 178 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0227/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling, alsook het advies van de Begrotingscommissie, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0094/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 90.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 115.


P8_TC1-COD(2018)0197

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 177, tweede alinea, artikel 178, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en de tweede en derde alinea van artikel 174 VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.

(2)

Het Cohesiefonds is opgericht om bij te dragen aan de algemene doelstelling van versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie door het verstrekken van financiële bijdragen op het gebied van milieu en trans-Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur (TEN-V) zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad. (4)

(3)

Verordening (EU) Nr. 2018/XXX van het Europees Parlement en de Raad [nieuwe GB-verordening] (5) stelt gemeenschappelijke regels vast die van toepassing zijn op verschillende fondsen, met inbegrip van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (“EFRO”), het Europees Sociaal Fonds Plus (“ESF+”), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (“Elfpo”), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (“EFMV”) ( “EFMZV” ), het Fonds voor asiel en migratie (“AMIF”), het Fonds voor interne veiligheid (“ISF”) en het instrument voor grensbeheer en visa (“BMVI”) , die functioneren binnen een gemeenschappelijk kader (“de Fondsen”). [Am. 1]

(3 bis)

De lidstaten en de Commissie zien toe op de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) zodat zij elkaar kunnen aanvullen wanneer dit nuttig is om succesvolle projecten op te zetten. [Am. 2]

(4)

Ter vereenvoudiging van de regels die van toepassing zijn op het EFRO en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de toepasselijke regels voor beide fondsen worden vastgelegd in een enkele verordening.

(5)

Horizontale beginselen zoals neergelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (“VEU”) en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals neergelegd in artikel 5 VEU, moeten worden geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van het EFRO en het Cohesiefonds, met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van de het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten en de Commissie moeten gericht zijn op het opheffen van ongelijkheden en op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief, alsmede op de bestrijding en de Europese pijler van sociale rechten. De lidstaten en de Commissie moeten streven naar het opheffen van sociale en inkomensongelijkheid, het bevorderen van armoedebestrijding, het in stand houden en in de hand werken van het scheppen van kwaliteitsbanen en de bijbehorende rechten, het garanderen dat het EFRO en het Cohesiefonds gelijke kansen voor iedereen bevorderen, en het bestrijden van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de ESI-fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel “de vervuiler betaalt” wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt, waarvoor de ondernemingen moeten ook de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. Investeringen in het kader van het EFRO, in synergie met acties van het ESF+, moeten bijdragen tot de bevordering van maatschappelijke integratie en armoedebestrijding en tot een betere levenskwaliteit voor de burger, in overeenstemming met de verplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (UNCRC) . [Am. 3]

(6)

Er is ook behoefte aan bepalingen voor het EFRO voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” en de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) (“ETC/Interreg”).

(7)

Om de aard van de activiteiten die kunnen worden ondersteund door het EFRO en het Cohesiefonds te identificeren, moeten specifieke beleidsdoelstellingen voor het verlenen van steun uit die fondsen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat zij bijdragen tot één of meer gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe [nieuwe GB-verordening].

(8)

In een wereld waarin alles steeds nauwer verweven is en in het licht van de interne en externe demografische en migratiedynamieken, is het duidelijk dat het migratiebeleid van de Unie een gemeenschappelijke aanpak vergt, die is gebaseerd op de synergie en complementariteit van de verschillende financieringsinstrumenten. Om te zorgen voor Het EFRO moet bij het ontwerpen en toepassen van programma's specifieker aandacht besteden aan demografische veranderingen en deze veranderingen als een cruciale uitdaging en een prioritaire kwestie beschouwen. Met het oog op een coherente, krachtige en consistente steun voor solidariteit , verantwoordelijkheid en de verdeling het verdelen van de inspanningen tussen de lidstaten bij het beheer van migratie, moet het EFRO steun verlenen om de duurzame kan het cohesiebeleid bijdragen tot de integratie van vluchtelingen en migranten te vergemakkelijken die internationale bescherming genieten, met name door middel van een aanpak die erop gericht is hun waardigheid en rechten te beschermen. Ook gezien het feit dat integratie en lokale economische groei elkaar onderling versterken, moet het cohesiebeleid infrastructurele steun bieden aan steden en lokale overheden die betrokken zijn bij de uitvoering van het integratiebeleid . [Am. 4]

(9)

Om de inspanningen van de lidstaten en de regio’s regio's bij het verkleinen van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus en het harmoniseren van de verschillende situaties in de EU-regio's, het aangaan van de confrontatie met maatschappelijke ongelijkheden en nieuwe uitdagingen te ondersteunen , het garanderen van inclusieve samenlevingen en een hoog niveau van veiligheid voor de burgers en de voorkoming van , alsook het voorkomen van marginalisering en radicalisering, te garanderen ondersteunen , en tegelijkertijd van voordeel te halen uit de synergieën en complementariteit met andere beleidsgebieden van de Unie te profiteren, moeten de investeringen uit in het EFRO bijdragen tot de veiligheid in kader van het EFRO een bijdrage leveren op gebieden waar behoefte nood is aan veilige , moderne en beveiligde toegankelijke openbare ruimten en kritieke infrastructuur, zoals communicatie, openbaar vervoer , energie en energie universele openbare diensten van hoge kwaliteit, die essentieel zijn om regionale en sociale ongelijkheden aan te pakken, sociale cohesie en regionale ontwikkeling te bevorderen, en ondernemingen en mensen ertoe aan te zetten in hun lokale omgeving te blijven . [Am. 5]

(10)

Bovendien moeten de investeringen uit het EFRO bijdragen aan de ontwikkeling van een uitgebreid en snel digitaal infrastructuurnetwerk in de hele Unie, met inbegrip van plattelandsgebieden waar het een essentiële bijdrage levert voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) , en aan het bevorderen van schone niet-vervuilende en duurzame multimodale stedelijke mobiliteit, met de nadruk op lopen, fietsen, openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit. [Am. 6]

(10 bis)

Veel van de grootste uitdagingen in Europa hebben in toenemende mate een negatieve invloed op gemarginaliseerde Romagemeenschappen, die vaak in de meest achtergestelde microregio's leven waar een gebrek heerst aan veilig en toegankelijk drinkwater, riolering en elektriciteit, en die vaak geen gebruik kunnen maken van vervoersmogelijkheden, digitale connectiviteit, hernieuwbare-energiesystemen of weerbaarheid ten aanzien van rampen. Bijgevolg moet het EFRO-CF een bijdrage leveren aan het verbeteren van de levensomstandigheden van Roma en het vervullen van hun werkelijke potentieel als EU-burgers, en moeten de lidstaten garanderen dat de voordelen van al de vijf beleidsdoelstellingen van het EFRO-CF ook Roma bereiken. [Am. 7]

(11)

Als gevolg van het algemene doel van het Cohesiefonds zoals bepaald in het VWEU is het noodzakelijk de door het Cohesiefonds te ondersteunen specifieke doelstellingen te formuleren en te begrenzen.

(12)

Ter Om bij te dragen tot een degelijk bestuur, grensoverschrijdende samenwerking en de oplegging en verspreiding van goede praktijken en innovaties op het gebied van slimme specialisatie en circulaire economie, en ter verbetering van de algehele bestuurlijke capaciteit van de instellingen en het bestuur in de lidstaten - ook op regionaal en plaatselijk niveau, conform de beginselen van meerlagig bestuur - die de programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” ten uitvoer brengen, moeten ondersteunende structurele maatregelen voor bestuurlijke versterking worden toegestaan in het kader aangemoedigd ter ondersteuning van alle specifieke doelstellingen. Die maatregelen moeten op meetbare doelstellingen zijn gebaseerd en aan burgers en bedrijven worden voorgesteld als een manier om de administratieve lasten voor begunstigden en beheersautoriteiten te vereenvoudigen en te verminderen. Zo kan met deze maatregelen een juist evenwicht worden bereikt tussen de resultaatgerichtheid van het beleid en het niveau van toetsing en controle. [Am. 8]

(13)

Om samenwerkingsmaatregelen aan te moedigen en te stimuleren in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”, is er behoefte aan het bevorderen van samenwerkingsmaatregelen met partners , waaronder die op lokaal en regionaal niveau, binnen een bepaalde lidstaat en tussen verschillende lidstaten in verband met steun uit hoofde van alle specifieke doelstellingen. Deze versterkte samenwerking vormt een aanvulling op de samenwerking in het kader van ETS/Interreg en moet in het bijzonder de samenwerking tussen gestructureerde partnerschappen ondersteunen, met het oog op de uitvoering van regionale strategieën, zoals bedoeld in de mededeling van de Commissie “Versterking van de innovatie in de Europese regio’s: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei” (6). Daarom mogen partners uit alle regio’s in de Unie komen, maar het kan ook gaan om grensoverschrijdende regio’s en regio’s die al onder een Europese Groepering voor territoriale samenwerking vallen of waarop al een macroregionale of zeebekkenstrategie, of een combinatie van beide van toepassing is. [Am. 9]

(13 bis)

Het toekomstige cohesiebeleid kan passende aandacht schenken — door steun te bieden — aan de regio's in de Unie die het meest door de uitstap van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zijn getroffen, met name de regio's die hierdoor buitengrensregio's van de Unie worden, ongeacht of het gaat om maritieme grenzen of grenzen op het vasteland. [Am. 10]

(14)

De doelstellingen van het EFRO en het Cohesiefonds moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling, met name in het licht van de belangrijke aanpak van de klimaatverandering in overeenstemming met de verbintenissen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs, de Agenda 2030 van de Verenigde Naties en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, evenals in het kader van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel “de vervuiler betaalt” wordt toegepast en waarbij eveneens bijzondere aandacht wordt besteed aan armoede, ongelijkheid en een eerlijke transitie naar een maatschappelijk en ecologisch duurzame economie middels een participatieve benadering en middels samenwerking met de relevante overheidsinstanties, economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties. Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met en tegen de achteruitgang van de biodiversiteit , om bij te dragen aan de financiering van de op communautair, nationaal en lokaal niveau te ondernemen acties die nodig zijn om te voldoen aan de toezeggingen van de Unie om inzake de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer , en om te leggen zorgen voor geïntegreerde maatregelen ter voorkoming van rampen, waarin bestendigheid, risicopreventie, paraatheid en responsacties samenkomen , zullen de Fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie klimaatacties en aan de verwezenlijking bescherming van een algemene doelstelling van 25  de biodiversiteit door 30  % van de EU-begroting EU-begrotingsuitgaven te besteden aan de ondersteuning van klimaatdoelstellingen. De Fondsen moeten in grote mate bijdragen tot de totstandkoming van een koolstofvrije en circulaire economie op het gehele grondgebied van de Unie, met volledige inachtneming van de regionale dimensie. Ten minste 35  in het kader van de klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 30 % van de totale financiële middelen uit het EFRO moet worden besteed aan maatregelen in het kader van het EFRO voor klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 37 40  % van de totale financiële middelen uit het Cohesiefonds worden besteed aan maatregelen in het kader van het Cohesiefonds voor klimaatdoelstellingen. Deze percentages moeten gedurende de hele programmeringsperiode worden nageleefd. Daarom zullen acties ter zake worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van deze fondsen, en worden heroverwogen in het kader van de betrokken evaluatie- en beoordelingsprocedures. Deze acties en de financiële middelen die worden uitgetrokken voor de uitvoering ervan, moeten worden opgenomen in de nationale geïntegreerde energie- en klimaatplannen in overeenstemming met bijlage IV van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening], alsook in de langetermijnrenovatiestrategie die is vastgesteld in het kader van de herziene Richtlijn (EU) 2018/844 ter verwezenlijking van een koolstofvrij gebouwenbestand tegen 2050, en moeten bij de programma's worden gevoegd. Specifieke aandacht moet worden besteed aan koolstofintensieve gebieden die met problemen kampen als gevolg van verbintenissen inzake decarbonisatie. Deze gebieden moeten ondersteuning krijgen bij het opzetten van strategieën die in overeenstemming zijn met de klimaatverbintenissen van de Unie en met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die zijn vastgelegd in het kader van de ETS-richtlijn (Richtlijn (EU) 2018/410), en bij het beschermen van hun werkende bevolking, onder meer via mogelijkheden tot opleiding en omscholing. [Am. 11]

(15)

Om het EFRO in staat te stellen steun te verlenen in het kader van ETS/Interreg in termen van investeringen in infrastructuur en de daarmee gepaard gaande investeringen, opleidingen en integratieactiviteiten, ter verbetering en ontwikkeling van bestuurlijke vaardigheden en competenties, is het noodzakelijk te bepalen dat het EFRO ook steun kan verlenen voor activiteiten in het kader van de specifieke doelstellingen van het ESF +, dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2018/XXX van het Europees Parlement en de Raad [nieuwe ESF +] (7). [Am. 12]

(16)

Om het gebruik van de beperkte middelen te concentreren op de meest efficiënte manier, moet de steun van het EFRO voor productieve investeringen in het kader van de relevante specifieke doelstelling worden beperkt tot bestemd voor uitsluitend micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (8), tenzij de investeringen samenwerking met kleine en middelgrote bedrijven aan onderzoeks- en innovatieactiviteiten betreffen en voor andere bedrijven dan kmo's, zonder banen in verband met dezelfde of soortgelijke activiteit in andere Europese regio's in gevaar te brengen, in de zin van artikel 60 van Verordening (EU) …/…[nieuwe GB-verordening] . [Am. 190/rev]

(17)

Het EFRO moet bijdragen aan het wegnemen van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie en het verminderen van de ongelijkheden tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio’s en van de achterstand van de minst begunstigde regio’s, met inbegrip van de uitdagingen in verband met het koolstofarm maken van de energievoorziening via financiële ondersteuning voor de overgangsperiode. Bovendien moet het de weerbaarheid bevorderen en voorkomen dat kwetsbare gebieden uit de boot vallen . Steun van het EFRO in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” moet daarom worden toegespitst op de belangrijkste prioriteiten van de Unie, in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening]. Daarom moet steun uit het EFRO specifiek worden gericht op de twee beleidsdoelstellingen “een slimmer Europa door het bevorderen van innovatieve , slimme en slimme inclusieve economische transformatie ontwikkeling en transformatie en van regionale connectiviteit op technologisch vlak en door het ontwikkelen van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), connectiviteit en doeltreffend openbaar bestuur" en “een groener, koolstofarm en veerkrachtig Europa voor iedereen door het bevorderen van een schone en eerlijke vervoers- en energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, de aanpassing aan de klimaatverandering en risicopreventie en -beheer”. Hierbij moet rekening worden gehouden met de algemene beleidsdoelstelling van “een samenhangender en solidairder Europa dat de economische, sociale en territoriale verschillen helpt te verkleinen. Deze thematische concentratie van de steun moet op nationaal niveau worden verwezenlijkt en tegelijkertijd flexibiliteit flexibele marges toelaten op het niveau van individuele programma’s en tussen de drie groepen lidstaten volgens het respectieve bruto nationaal inkomen verschillende categorieën regio's, waarbij ook rekening wordt gehouden met de verschillende niveaus van ontwikkeling . Bovendien moet de werkwijze voor de classificatie van lidstaten regio’s in detail worden uiteengezet, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio’s. [Am. 14]

(17 bis)

Met het oog op het strategische belang van door het EFRO en het Cohesiefonds gecofinancierde investeringen kunnen de lidstaten binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact in naar behoren gemotiveerde gevallen om meer flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven. [Am. 15]

(18)

Teneinde de steun te concentreren op de belangrijkste prioriteiten van de Unie en overeenkomstig de doelstellingen van sociale, economische en territoriale samenhang zoals neergelegd in artikel 174 VWEU alsook de beleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] , is het ook passend dat de vereisten van thematische concentratie worden nageleefd tijdens de programmeringsperiode, met inbegrip van overdracht tussen zwaartepunten van een programma of tussen de programma’s onderling. [Am. 16]

(18 bis)

Het EFRO moet iets doen aan het probleem van de toegankelijkheid van en de afstand tot grote markten in gebieden met een extreem lage bevolkingsdichtheid, zoals bedoeld in Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 betreffende bijzondere bepalingen voor doelstelling 6 in het kader van de structuurfondsen in Finland en Zweden. Het EFRO moet eveneens de specifieke problemen aanpakken waarmee bepaalde eilanden, grensregio's, berggebieden en dunbevolkte gebieden, die door hun geografische ligging in hun ontwikkeling worden geremd, te kampen hebben, teneinde de duurzame ontwikkeling van deze gebieden te ondersteunen. [Am. 17]

(19)

Deze verordening moet de verschillende soorten activiteiten uiteenzetten, waarvan de kosten mogen worden gedragen door investeringen uit het EFRO en het Cohesiefonds, in het kader van hun respectieve doelstellingen zoals omschreven in het VWEU , zoals onder meer crowdfunding . Het Cohesiefonds moet ondersteuning kunnen bieden voor investeringen in het milieu en in TEN-V. Wat het EFRO betreft, moet de lijst van activiteiten worden vereenvoudigd tegemoetkomen aan specifieke nationale en regionale ontwikkelingsbehoeften alsook aan de ontwikkeling van eigen potentieel. De lijst moet voorts worden vereenvoudigd en het EFRO moet ondersteuning kunnen bieden aan investeringen in infrastructuur - zoals infrastructuur en faciliteiten voor onderzoek en innovatie, infrastructuur op het vlak van cultuur en erfgoed, en infrastructuur voor duurzaam toerisme onder meer in toeristische gebieden -, investeringen in diensten aan bedrijven, investeringen in huisvesting , investeringen in verband met toegang tot diensten specifiek voor achtergestelde, gemarginaliseerde en gesegregeerde gemeenschappen , productieve investeringen in kmo's, apparatuur, software en immateriële activa, en in stimulansen tijdens de overgangsperiode van regio's die bezig zijn hun economie koolstofvrij te maken, alsook aan maatregelen met betrekking tot informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen tussen partners en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken. Met het oog op ondersteuning van de uitvoering van het programma moeten beide fondsen ook activiteiten op het gebied van technische bijstand kunnen ondersteunen. Tot slot moet, om ondersteuning van een breder spectrum aan maatregelen voor Interreg-programma's mogelijk te maken, het toepassingsgebied worden vergroot, door deze dit uit te breiden tot een breed spectrum aan voorzieningen en personele middelen en kosten die verband houden met maatregelen die binnen de werkingssfeer van het ESF+ vallen. [Am. 18]

(20)

Projecten van het trans-Europese vervoersnetwerk in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1316/2013 blijven gefinancierd worden uit het Cohesiefonds en het EFRO via gedeeld beheer en de rechtstreekse uitvoeringswijze in het kader van de Connecting Europe Facility (“CEF”). Het gaat onder meer om projecten voor het op evenwichtige wijze wegwerken van ontbrekende schakels en knelpunten en voor het verbeteren van de veiligheid van bestaande bruggen en tunnels. Binnen dit netwerk moeten openbare diensten in plattelandsgebieden gestimuleerd worden, met name in dunbevolkte en in vergrijzende gebieden, teneinde de interconnectiviteit tussen stad en platteland te bevorderen, de plattelandsontwikkeling te stimuleren en de digitale kloof te verkleinen. [Am. 19]

(21)

Tegelijkertijd moeten enerzijds synergieën worden aangewezen en moet anderzijds worden verduidelijkt welke activiteiten buiten het toepassingsgebied van het EFRO en het Cohesiefonds blijven, met inbegrip van investeringen in de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen uit de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) , teneinde ; dit teneinde multiplicatoreffecten te sorteren of overlapping te voorkomen van de beschikbare financiering die reeds bestaat op grond van die richtlijn. Bovendien moet uitdrukkelijk worden vermeld dat de overzeese landen en gebieden die zijn opgenomen in bijlage II bij het VWEU niet in aanmerking komen voor steun uit het EFRO en het Cohesiefonds. [Am. 20]

(22)

De lidstaten moeten de Commissie regelmatig informeren over de geboekte vooruitgang, met gebruikmaking van de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in Bijlage I. Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren kunnen waar nodig worden aangevuld door programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren. De door de lidstaten verschafte informatie moet de basis zijn waarop de Commissie verslag moet uitbrengen over de voortgang in de richting van de verwezenlijking van specifieke doelstellingen over de gehele programmeringsperiode, hiertoe gebruikmakend van een kernreeks van indicatoren als vermeld in bijlage II.

(23)

Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de Fondsen in de praktijk worden verzameld. [Am. 21]

(24)

Om de bijdrage aan de territoriale ontwikkeling te maximaliseren maximaliseren en de in artikel 174 VWEU genoemde economische, demografische, ecologische en sociale uitdagingen in gebieden met natuurlijke of demografische nadelen (bijvoorbeeld vergrijzing, plattelandsontvolking, demografische achteruitgang en demografische druk) of met problemen betreffende de toegang tot basisdiensten doeltreffender aan te gaan , moeten maatregelen op dit gebied worden zijn gebaseerd op programma's, assen of geïntegreerde territoriale strategieën, waaronder in in zowel stedelijke gebieden. Daarom moet de EFRO-ondersteuning worden verleend op de wijze die is voorgeschreven in artikel 22 van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening], om ervoor te zorgen dat de als plattelandsgebieden. Deze maatregelen moeten worden gezien als twee kanten van eenzelfde munt: ze moeten betrekking hebben op centrale stedelijke hubs plus omgeving en op afgelegener plattelandsgebieden. Deze strategieën kunnen ook gebaat zijn bij een geïntegreerde aanpak die meerdere fondsen omvat, met name het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Elfpo. Op nationaal niveau moet ten minste 5 % van de EFRO-middelen worden toegekend aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling. Ondersteuning moet dan ook worden verleend op een wijze die de gepaste betrokkenheid van lokale, regionale en stedelijke autoriteiten op een passende manier zijn betrokken , economische en sociale partners en vertegenwoordigers van maatschappelijke en niet-gouvernementele organisaties garandeert . [Am. 22]

(24 bis)

Specifieke aandacht moet worden besteed aan koolstofintensieve gebieden die te kampen hebben met uitdagingen in verband met verbintenissen inzake decarbonisatie, teneinde hen bij te staan om strategieën op te zetten die in overeenstemming zijn met de klimaatverbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs en die zowel arbeidskrachten als getroffen gemeenschappen beschermen. Dergelijke gebieden moeten specifieke steun ontvangen om plannen voor het koolstofarm maken van hun economie voor te bereiden en uit te voeren, met inachtneming van de behoefte aan gerichte beroepsopleiding en mogelijkheden tot omscholing voor werknemers. [Am. 23]

(25)

In het kader van de duurzame stedelijke ontwikkeling wordt het noodzakelijk geacht steun te verlenen aan geïntegreerde maatregelen om de economische, ecologische, klimatologische, demografische en , technologische, sociale en culturele uitdagingen aan te pakken, waarmee stedelijke gebieden, inclusief functionele stedelijke gebieden, en plattelandsgemeenschappen worden geconfronteerd, en . Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de noodzaak om onderlinge de wederzijdse banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden te stimuleren , eventueel ook via voorstedelijke gebieden . De beginselen voor de selectie van stedelijke gebieden waarin geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling moeten worden uitgevoerd, en de indicatieve bedragen voor dergelijke maatregelen, moeten worden vastgesteld in de partnerschapsovereenkomst . Deze maatregelen kunnen ook gebaat zijn bij een geïntegreerde aanpak die meerdere fondsen omvat, met name het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Elfpo. Aan de prioriteit van duurzame stedelijke ontwikkeling moet , met een minimum van 6 % van de EFRO-middelen die op nationaal niveau voor dat doeleinde zijn een minimum van 10 % van de EFRO-middelen worden toegekend. Ook moet worden vastgesteld dat dit percentage wordt nageleefd tijdens de programmeringsperiode in het geval van overdracht tussen zwaartepunten van een programma of tussen programma’s onderling, onder meer bij de tussentijdse evaluatie. [Am. 24]

(26)

Om oplossingen te identificeren of aan te bieden teneinde problemen aan te pakken die verband houden met duurzame stedelijke ontwikkeling op het niveau van de Unie, moeten de Stedelijke Innovatieve Acties worden vervangen door voortgezet in de vorm van een Stedelijk Europa-initiatief, dat onder direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd. Dit initiatief moet alle stedelijke gebieden omvatten en de stedelijke agenda van de Unie ondersteunen . Dit initiatief moet de stedelijke agenda van de Unie ondersteunen  (10) en erop gericht zijn groei, leefbaarheid en innovatie te stimuleren en sociale uitdagingen te identificeren en met succes aan te pakken . [Am. 25]

(27)

Specifieke aandacht moet worden besteed aan de ultraperifere regio’s, met name door maatregelen vast te stellen uit hoofde van artikel 349 VWEU, dat voorziet in een extra toewijzing voor ultraperifere gebieden ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer blijvende beperkingen als bedoeld in artikel 349 VWEU, met name de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat, en de economische afhankelijkheid van slechts enkele producten, die blijvend zijn en een combinatie vormen die hun ontwikkeling ernstig belemmert. Deze toewijzing kan betrekking hebben op investeringen, exploitatiekosten en openbare- dienstverplichtingen die als doel hebben de extra kosten als gevolg van dergelijke beperkingen te compenseren. Exploitatiesteun kan dienen ter dekking van uitgaven voor goederenvervoerdiensten , groene logistiek, mobiliteitsbeheer en starterssteun voor vervoersdiensten, alsook voor uitgaven voor acties die verband houden met opslagproblemen, overdimensionering en onderhoud van productiemiddelen, en gebrek aan menselijk kapitaal op de lokale arbeidsmarkt . Deze toewijzing is niet onderworpen aan de thematische concentratie zoals vastgesteld in onderhavige verordening . Om de integriteit van de interne markt te beschermen, zoals het geval is voor alle acties die worden gecofinancierd door het EFRO en het Cohesiefonds, moet elke vorm van EFRO-ondersteuning ter financiering van de exploitatie- en investeringssteun in de ultraperifere gebieden voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU. [Am. 26]

(28)

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU worden gedelegeerd aan de Commissie, wat betreft het aanbrengen van aanpassingen, in gemotiveerde gevallen, van bijlage II, die een lijst bevat van indicatoren die als basis dienen om informatie te verstrekken aan het Europees Parlement en aan de Raad over de uitvoering van de programma’s. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden, onder meer op deskundigenniveau, passende raadplegingen verricht overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (11). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(29)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de versterking van economische, sociale en territoriale cohesie door het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie door middel van een burgergerichte benadering die gericht is op de ondersteuning van door de gemeenschap geleide ontwikkeling en op de bevordering van actief burgerschap , onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, en die vanwege de grootte van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de achterstand van de minst begunstigde regio's en de beperkte financiële middelen van de lidstaten en regio's, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken, [Am. 27]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 1

Doel

1.   Deze verordening bepaalt de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van de steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (“EFRO”) met betrekking tot de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” en de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) als bedoeld in artikel [4, lid 2,] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

2.   Deze verordening bevat ook de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van de steunverlening uit het Cohesiefonds met betrekking tot de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” waarnaar wordt verwezen in [artikel 4, lid 2, punt a)] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

Artikel 1 bis

Taken van het EFRO en het Cohesiefonds

Het EFRO en het Cohesiefonds (CF) moeten bijdragen aan de algemene doelstelling van versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie.

Het EFRO moet bijdragen tot het verminderen van de verschillen in het ontwikkelingsniveau van de diverse regio's binnen de Unie, het wegwerken van de achterstand van de minst begunstigde regio's en het aanpakken van milieu-uitdagingen, door middel van duurzame ontwikkeling en structurele aanpassing van regionale economieën.

Het Cohesiefonds moet bijdragen tot projecten op het gebied van trans-Europese netwerken en het milieu. [Am. 28]

Artikel 2

Specifieke doelstellingen voor het EFRO en het Cohesiefonds

1.   In overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in artikel [4, punt 1,] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuw GVB] ondersteunt het EFRO de volgende specifieke doelstellingen:

a)

“een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve , slimme en slimme inclusieve economische transformatie ontwikkeling en transformatie en van regionale connectiviteit op technologisch gebied, en door de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), connectiviteit en doeltreffend openbaar bestuur ” (“BD 1”) door: [Am. 29]

i)

het ondersteunen van de ontwikkeling van en het versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit , investeringen en infrastructuur, de invoering van geavanceerde technologieën en de ondersteuning en bevordering van de innovatieclusters tussen bedrijven, onderzoekers, academici en overheden ; [Am. 30]

ii)

te de digitale connectiviteit te verbeteren en te profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, wetenschappelijke instituten, bedrijven , overheden en overheden openbare bestuursinstanties op regionaal en lokaal niveau, met inbegrip va n slimme steden en slimme dorpen ; [Am. 31]

iii)

het versterken van de duurzame groei en competitiviteit van kmo's, het concurrentievermogen ondersteunen van de creatie en veiligstelling van banen en het ondersteunen van het kmo's technologische verbetering en modernisering ; [Am. 32]

iv)

het ontwikkelen van vaardigheden en strategieën, en het opbouwen van capaciteit voor slimme specialisatie, industriële eerlijke transitie, circulaire economie, maatschappelijke vernieuwing, ondernemerschap, de toeristische sector en de overgang en ondernemerschap naar Industrie 4.0 ; [Am. 33]

b)

“een groener, koolstofarm en veerkrachtig Europa voor iedereen door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer” (“BD 2”) door: [Am. 34]

i)

het bevorderen van maatregelen voor energie-efficiëntie en -besparingen en van maatregelen inzake energiearmoede ; [Am. 35]

ii)

het bevorderen van duurzame hernieuwbare energiebronnen; [Am. 36]

iii)

het ontwikkelen van slimme energiesystemen, netwerken en opslag op lokaal niveau; [Am. 37]

iv)

het bevorderen van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en rampenbestendigheid , omgang met en bestendigheid tegen extreme weersomstandigheden en natuurrampen zoals aardbevingen, bosbranden, overstromingen en perioden van droogte, met inachtneming van ecosysteembenaderingen ; [Am. 38]

v)

het bevorderen van de toegang tot water voor iedereen en het bevorderen van duurzaam waterbeheer; [Am. 39]

vi)

het bevorderen van de overgang naar een circulaire economie en het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie ; [Am. 40]

vi bis)

het ondersteunen van regionale transformatieprocessen met het oog op decarbonisatie en het ondersteunen van de transitie naar een koolstofarme energieproductie; [Am. 41]

vii)

het beschermen en bevorderen van biodiversiteit, groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging en natuurlijk erfgoed, het beschermen en onder de aandacht brengen van beschermde natuurgebieden en natuurlijke hulpbronnen, en het verminderen van alle vormen van vervuiling, onder meer lucht-, water-, bodem- en lichtverontreiniging en geluidshinder ; [Am. 42]

vii bis)

het bevorderen van groene infrastructuur in functionele stedelijke gebieden en het ontwikkelen van kleinschalige multimodale stedelijke mobiliteit als onderdeel van een CO2-neutrale economie; [Am. 43]

c)

“een meer verbonden Europa voor iedereen door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit” mobiliteit” (“BD 3”) door: [Am. 44]

i)

het verbeteren van de digitale connectiviteit; [Am. 45] (Dit amendement vereist hieruit voortvloeiende aanpassingen in bijlagen I en III.)

ii)

het ontwikkelen van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en duurzame TEN-V voor wegen en spoorwegen en intermodale TEN-V , alsook van grensoverschrijdende schakels die gericht zijn op geluidsreductiemaatregelen en milieuvriendelijke netwerken voor openbaar vervoer en spoorwege ; [Am. 46]

iii)

het ontwikkelen van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-V , grensoverschrijdende mobiliteit en grensoverschrijdende mobiliteit klimaatvriendelijke netwerken voor openbaar vervoer ; [Am. 47]

iv)

het bevorderen van duurzame multimodale stedelijke mobiliteit; [Am. 48] (Dit amendement vereist hieruit voortvloeiende aanpassingen in bijlagen I en III.)

d)

“een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten” (“BD 4”) door: [Am. 49]

i)

het verbeteren van de doeltreffendheid en inclusiviteit van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van sociale innovatie en infrastructuur , en het bevorderen van de sociale economie en van sociale innovatie ; [Am. 50]

ii)

het verbeteren van de gelijke toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en , een leven lang leren en sport door het ontwikkelen van toegankelijke infrastructuur en toegankelijke diensten ; [Am. 51]

ii bis)

investeringen in huisvesting die eigendom is van openbare instanties of marktdeelnemers zonder winstoogmerk en die dienen om gezinnen met een laag inkomen of mensen met bijzondere behoeften te huisvesten; [Am. 52]

iii)

het bespoedigen bevorderen van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde en achtergestelde gemeenschappen, zoals migranten en achtergestelde kansarme groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen acties , onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten; [Am. 53]

iii bis)

het bevorderen van de sociaaleconomische langetermijnintegratie van vluchtelingen en migranten die internationale bescherming genieten, door middel van geïntegreerde acties, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten, waarbij infrastructurele ondersteuning wordt geboden aan de betrokken steden en plaatselijke overheden; [Am. 54]

iv)

te zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur gezondheidszorginfrastructuur en andere acties , met inbegrip van eerstelijnszorg en preventieve maatregelen, en het bevorderen van de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband ; [Am. 55]

iv bis)

het ondersteunen van de materiële, economische en sociale rehabilitatie van achtergestelde gemeenschappen; [Am. 56]

e)

“Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden stadsgebieden en alle andere gebieden , en door lokale initiatieven te bevorderen” (“BD 5”) door: [Am. 57]

i)

het bevorderen van een geïntegreerde en inclusieve sociale, economische en ecologische ontwikkeling van stedelijke gebieden en het bevorderen van cultuur , natuurlijk , cultureel erfgoed , duurzaam toerisme (onder meer via toeristische districten), sport en veiligheid in stedelijke gebieden, met inbegrip van functionele stedelijke gebieden; [Am. 58]

ii)

het bevorderen van de geïntegreerde en inclusieve maatschappelijke, economische en ecologische lokale ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid, met inbegrip van plattelands- en kustgebieden, ook via vanuit de gemeenschap geleide ontwikkeling van plattelands- en kustgebieden, bergachtige regio's, geïsoleerde en dunbevolkte gebieden, eilanden en alle andere gebieden die problemen ondervinden voor wat betreft de toegang tot basisdiensten, onder meer op NUTS-niveau 3, alsook het bevorderen van cultuur, natuurlijk erfgoed, duurzaam toerisme (onder meer via toeristische districten), sport en veiligheid in deze gebieden, dit alles op plaatselijk niveau en via strategieën voor territoriale en lokale ontwikkeling zoals genoemd in artikel 22, onder a), b) en c) van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] . [Am. 59]

1 bis.     Het verbeteren van kleinschalige multimodale stedelijke mobiliteit waarnaar wordt verwezen in dit artikel 2, onder letter b, punt vi bis, komt in aanmerking voor steun op voorwaarde dat de bijdrage van het EFRO aan de verrichting niet meer bedraagt dan 10 miljoen EUR. [Am. 60]

2.   Het Cohesiefonds ondersteunt BD 2 en specifieke doelstellingen van BD 3 die zijn genoemd in lid 1, onder c), punten ii), iii) en iv).

3.   Met betrekking tot het bereiken van de specifieke doelstellingen in de zin van lid 1 kunnen het EFRO of het Cohesiefonds, indien wenselijk, ook steun verlenen aan activiteiten in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”, indien deze een van de volgende doelen hebben: [Am. 61]

a)

verbetering van de de capaciteit van programma-autoriteiten en -organen van organen in verband met de tenuitvoerlegging van de Fondsen verbeteren, alsmede ondersteuning bieden aan de overheidsdiensten en plaatselijke en regionale overheden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het EFRO en het Cohesiefonds, aan de hand van specifieke plannen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit die gericht zijn op de lokalisering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) en op de vereenvoudiging van de procedures en de verkorting van de tijden voor het uitvoeren van interventies, op voorwaarde dat deze van structurele aard zijn en op voorwaarde dat het programma zelf meetbare doelstellingen heeft ; [Am. 62]

b)

verbetering van de samenwerking met partners binnen en buiten een bepaalde lidstaat.

de ondersteuning voor de opbouw van capaciteit, zoals vermeld onder letter a van dit artikel, kan worden aangevuld met bijkomende steun uit het Steunprogramma voor structurele hervormingen, dat is opgericht uit hoofde van Verordening (EU) 2018/xxx; [Am. 63]

de in punt b) bedoelde samenwerking moet betrekking hebben op samenwerking met partners uit grensoverschrijdende regio’s, uit niet aan elkaar grenzende regio’s of uit regio’s die zich bevinden op een grondgebied dat valt onder onder een Europese groepering voor territoriale samenwerking, een macroregionale of zeebekkenstrategie of een combinatie daarvan valt . [Am. 64]

Een betekenisvolle deelname van regionale en plaatselijke overheden en maatschappelijke organisaties, waaronder begunstigden in alle stadia van de voorbereiding, tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie van de programma's in het kader van het EFRO, wordt gewaarborgd overeenkomstig de in de Europese gedragscode inzake partnerschap vastgestelde beginselen. [Am. 65]

Artikel 3

Thematische concentratie van EFRO-ondersteuning

1.   Wat de programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” betreft, wordt het totaal van de EFRO-middelen in elke lidstaat geconcentreerd op nationaal niveau overeenkomstig de leden 3 en 4.

2.   Wat de thematische concentratie van de steun voor lidstaten met ultraperifere regio’s betreft, worden de EFRO-middelen die specifiek aan programma’s voor de ultraperifere gebieden zijn toegewezen en de middelen die aan alle overige gebieden zijn toegewezen, afzonderlijk behandeld.

3.   De lidstaten Regio's van NUTS-niveau 2 worden in termen van hun bruto nationale inkomensratio binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking als volgt ingedeeld: [Am. 66]

a)

lidstaten met een bruto nationale inkomensratio gelijk aan of bbp per hoofd van de bevolking dat groter is dan 100 % van het EU-gemiddelde gemiddelde bbp van de EU27 (“groep 1”); [Am. 67]

b)

lidstaten met een bruto nationale inkomensratio bbp per hoofd van de bevolking dat groter is dan 75 % en kleiner dan 100 % van het EU-gemiddelde gemiddelde bbp van de EU27 (“groep 2”); [Am. 68]

c)

lidstaten met een bruto nationale inkomensratio bbp per hoofd van de bevolking dat kleiner is dan 75 % van het EU-gemiddelde gemiddelde bbp van de EU27 (“groep 3”). [Am. 69]

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de bruto nationale inkomensratio verstaan de indeling van een regio in een van de drie regiocategorieën vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen het bruto nationaal inkomen binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking van een lidstaat elke regio , gemeten in koopkrachtstandaard (KKS) en berekend op basis van de cijfers van de Unie in de periode van 2014 tot en met 2016, en het gemiddelde bruto nationaal inkomen per hoofd bbp van de bevolking in koopkrachtstandaard van de EU- 27 lidstaten in dezelfde referentieperiode. [Am. 70]

De programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor de ultraperifere gebieden worden ingedeeld in groep 3.

4.   De lidstaten moeten voldoen aan de volgende vereisten van thematische concentratie:

a)

De lidstaten van groep 1 wijzen ten minste 85 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1 en BD 2, en ten minste 60 % aan BD 1; Voor de categorie meer ontwikkelde regio's (“groep 1”) wordt: [Am. 71]

i)

ten minste 50 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau aan BD 1 toegewezen; en [Am. 72

ii)

ten minste 30 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau aan BD 2. [Am. 73]]

b)

De lidstaten van groep 2 wijzen ten minste 45 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2; Voor de categorie overgangsregio's (“groep 2”) wordt: [Am. 74]

i)

ten minste 40 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau aan BD 1 toegewezen, en [Am. 75]

ii)

ten minste 30 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau aan BD 2. [Am. 76]

c)

De lidstaten van groep 3 wijzen ten minste 35 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2. Voor de categorie minder ontwikkelde regio's (“groep 3”) wordt: [Am. 77]

i)

ten minste 30 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau aan BD 1 toegewezen, en [Am. 78]

ii)

ten minste 30 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau aan BD 2. [Am. 79]

4 bis.     In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de betrokken lidstaat verzoeken om de concentratiegraad van middelen op het niveau van de regio's te verlagen met ten hoogste vijf procentpunten — of tien procentpunten voor de ultraperifere regio's — voor de thematische doelstelling zoals bedoeld in de punten i) onder respectievelijk a), b) en c) van artikel 3, lid 4 [nieuw EFRO-Cohesiefonds]. [Am. 80]

5.   Aan de vereisten van thematische concentratie van lid 4 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

6.   Wanneer de EFRO-toewijzing met betrekking tot betreffende BD 1 of BD  2, de belangrijkste beleidsdoelstellingen of beide van een bepaald programma wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 4 vastgestelde vereiste van thematische concentratie niet opnieuw beoordeeld. [Am. 81]

Artikel 4

Toepassingsgebied van de steunverlening uit het EFRO

1.   Het EFRO ondersteunt:

a)

investeringen in infrastructuur;

a bis)

investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O&O&I); [Ams. 83 en 191/rev]

b)

investeringen in toegang tot diensten;

c)

productieve investeringen in kmo's en investeringen die bijdragen aan het behoud van banen en het scheppen van nieuwe banen bij kmo's, alsook steun voor kmo's in de vorm van subsidies en financieringsinstrumenten ; [Ams. 84 en 192/rev]

d)

apparatuur, software en immateriële activa;

e)

informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken;

f)

technische bijstand.

Bovendien kunnen P roductieve investeringen in andere bedrijven dan kmo’s kunnen worden ondersteund wanneer zij voorzien in samenwerking met kmo's of wanneer zij betrekking hebben op bedrijfsinfrastructuur die kmo's ten goede komt.

Bovendien kunnen productieve investeringen in andere bedrijven dan kmo's worden ondersteund in onderzoeks- en innovatieactiviteiten die worden ondersteund uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder a) i) en in activiteiten inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie uit hoofde van respectievelijk artikel 2, lid 1, letter b, onder i) en ii), overeenkomstig artikel 59, lid 1, onder a) en artikel 60 van Verordening (EU) …/… [nieuwe GB-verordening] . [Am. 193/rev]

Om bij te dragen aan de specifieke doelstelling in het kader van BD 1 als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), iv), verleent het EFRO ook steun aan opleidingen, mentorschap, een leven lang leren , omscholing en onderwijsactiviteiten. [Ams. 87 en 194/rev]

2.   In het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) verleent het EFRO ook steun voor:

a)

gedeeld gebruik van faciliteiten en personele middelen;

b)

het begeleiden van zachte investeringen en andere activiteiten in verband met BD 4 in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus als omschreven in Verordening (EU) nr. 2018/xxxx [nieuwe ESF +].

Artikel 5

Toepassingsgebied van de steunverlening uit het Cohesiefonds

1.   Het Cohesiefonds ondersteunt:

a)

investeringen in het milieu, met inbegrip van investeringen die verband houden met de circulaire economie, duurzame ontwikkeling en hernieuwbare energie waaraan milieuvoordelen zijn verbonden; [Am. 88]

b)

investeringen in het kernnetwerk en het uitgebreide netwerk van het TEN-V; [Am. 89]

c)

technische bijstand , met inbegrip van verbetering en ontwikkeling van de bestuurlijke vaardigheden en competenties van lokale overheden bij het beheer van deze middelen . [Am. 90]

c bis)

informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken; [Am. 91]

De lidstaten zorgen voor een passend evenwicht tussen investeringen uit hoofde van de punten a) en b) , op basis van de investeringen en specifieke behoeften van iedere lidstaat . [Am. 92]

2.   Het bedrag van het Cohesiefonds dat wordt overgemaakt naar de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (12) moet proportioneel zijn en moet worden gebruikt voor TEN-V-projecten. [Am. 93]

Artikel 6

Uitsluiting uit het toepassingsgebied van het EFRO en het Cohesiefonds

1.   Het EFRO en het Cohesiefonds verlenen geen steun aan:

a)

de ontmanteling of de bouw van kerncentrales;

b)

investeringen voor het realiseren van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen van activiteiten die vallen onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (13);

c)

productie, verwerking en afzet van tabak en tabaksproducten;

d)

ondernemingen in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, lid 18, van Verordening (EU) nr. 651/2014 (14);

e)

investeringen in nieuwe regionale luchthavens en in luchthaveninfrastructuur, met uitzondering van de ultraperifere regio’s; [Am. 94]

e bis)

investeringen in verband met de ultraperifere regio's; [Am. 95]

e ter)

steun in verband met de TEN-V-kernnetwerken; [Am. 96]

e quater)

Investeringen die verband houden met milieubescherming of erop gericht zijn de negatieve gevolgen voor het milieu te matigen of te verminderen. [Am. 97]

f)

investeringen in de lozing van afval op stortplaatsen , behalve in de ultraperifere regio's en met uitzondering van maatregelen gericht op de verwijdering, ombouw of beveiliging van bestaande installaties, en onverminderd het bepaalde in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad  (15); [Am. 98]

g)

investeringen in installaties voor de verwerking van restafval , behalve in de ultraperifere regio's en behalve in het geval van geavanceerde recyclingoplossingen die beantwoorden aan de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie en volledig voldoen aan de in artikel 11, lid 2, van Richtlijn (EU) 2008/98 vastgelegde doelstellingen, en op voorwaarde dat de lidstaten hun afvalbeheerplannen hebben vastgesteld in overeenstemming met artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/851. Restafval betekent voornamelijk niet-gescheiden stedelijk afval en dat wat overblijft na afvalbehandeling ; [Am. 99]

h)

investeringen in verband met de productie, de verwerking, het vervoer, de distributie, de opslag of verbranding van fossiele brandstoffen, met uitzondering van investeringen: in verband met schone voertuigen als gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (16); [Am. 100]

i)

investeringen in breedbandinfrastructuur in gebieden waar zich ten minste twee breedbandnetwerken van een gelijkwaardige categorie bevinden. [Am. 102]

j)

financiering van de aankoop van rollend materieel voor vervoer per spoor, behalve indien dit vervoer verband houdt met:

i)

het voldoen aan een openbaar uitbestede openbare-dienstverplichting op grond van de gewijzigde Verordening 1370/2007;

ii)

verrichting van vervoersdiensten per spoor op lijnen die volledig open staan voor mededinging, en de begunstigde is een nieuwkomer die in aanmerking komt voor financiering op grond van de Verordening (EU) 2018/xxx [EU-investeringsverordening] [Ams. 103 en 245]

j bis)

investeringen in de bouw van institutionele zorginstellingen waar sprake is van segregatie of die inbreuk maken op persoonlijke keuze en onafhankelijkheid; [Am. 104]

1 bis.     De in letter h) genoemde uitzonderingen zijn beperkt tot een bedrag ter hoogte van maximaal 1 % van de totale middelen voor het EFRO en het Cohesiefonds op nationaal niveau. [Am. 101]

2.   Bovendien verleent het Cohesiefonds geen steun aan investeringen in huisvesting, tenzij deze verband houden met het bevorderen van energie-efficiëntie energie- en hulpmiddelenefficiëntie of het gebruik van hernieuwbare energie , het bevorderen van toegankelijke leefomstandigheden voor oudere mensen en personen met een handicap, of seismische aanpassingen . [Am. 105]

3.   Overzeese landen en gebieden komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO of het Cohesiefonds, maar kunnen deelnemen aan Interreg-programma’s overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/xxxx [ETC (Interreg)].

Artikel 6 bis

Partnerschap

Elke lidstaat waarborgt de betekenisvolle en inclusieve deelname van sociale partners, maatschappelijke organisaties en dienstgebruikers bij het beheer, de programmering, de levering, de monitoring en de evaluatie van de activiteiten en beleidsmaatregelen die onder gedeeld beheer worden gesteund door het EFRO en het Cohesiefonds, in overeenstemming met artikel 6 van de voorgestelde GB-verordening “Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie”. [Am. 106]

Artikel 7

Indicatoren

1.   Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat en gedefinieerd in bijlage I wat het EFRO en het Cohesiefonds betreft, en, waar nodig relevant , programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren worden gebruikt overeenkomstig artikel [12, lid 1], tweede alinea, onder a), artikel [17, lid 3,] onder d), ii), en artikel [37, lid 2,] onder b), van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening]. [Am. 107]

2.   Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de streefdoelen voor 2029 zijn cumulatief.

3.   In overeenstemming met zijn rapportageverplichting op grond van artikel [38, lid 3, onder e), i)] van het Financieel Reglement legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad informatie over de prestaties voor overeenkomstig bijlage II.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen te verrichten aan de door de lidstaten te gebruiken lijst van indicatoren en om bijlage II te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen aan te brengen aan de informatie over de prestaties die aan het Europees Parlement en de Raad wordt verstrekt.

4 bis.     Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om een grotere mate van flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen in het kader van het EFRO en het Cohesiefonds. Bij de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact voert de Commissie een zorgvuldige beoordeling uit van dergelijke verzoeken, met inachtneming van het strategische belang van door het EFRO en het Cohesiefonds gecofinancierde investeringen. [Am. 108]

HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen inzake de behandeling van bijzondere territoriale kenmerken

Artikel 8

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

1.   Het EFRO kan verleent steun verlenen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van programma’s voor beide doelstellingen waarnaar wordt verwezen in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van die verordening [nieuwe GB-verordening]. [Am. 109]

1 bis.     Ten minste 5 % van de EFRO-middelen op nationaal niveau in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”, anders dan voor technische bijstand, wordt toegewezen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in niet-stedelijke gebieden met natuurlijke, geografische of demografische belemmeringen of nadelen of met problemen bij de toegang tot basisdiensten. Van dit bedrag wordt ten minste 17,5 % toegewezen aan plattelandsgebieden en -gemeenschappen, rekening houdend met de bepalingen van een Pact voor slimme dorpen om projecten zoals slimme dorpen te ontwikkelen. [Am. 110]

2.   De lidstaten passen de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, ondersteund toe door het EFRO, uitsluitend toe door middel middel van een as of een specifiek programma of van de formulieren andere vormen als bedoeld genoemd in artikel [22] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] , en kunnen profiteren van een meerfondsen- en geïntegreerde aanpak in het kader van het EFRO, het ESF+, het EFMV en het Elfpo . [Am. 111]

Artikel 9

Duurzame stedelijke ontwikkeling

1.   Het EFRO Om de economische, milieu-, klimaat-, demografische en sociale uitdagingen aan te pakken, ondersteunt het EFRO de geïntegreerde territoriale ontwikkeling op basis van territoriale strategieën in overeenstemming met artikel [23] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] die kunnen profiteren van een meerfondsen- en geïntegreerde aanpak in het kader van het EFRO en het ESF+, gericht op stedelijke gebieden (“duurzame stedelijke ontwikkeling”) in het kader van programma’s voor beide doelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van die verordening. [Am. 112]

2.   Ten minste 6  10 % van de EFRO-middelen op nationaal niveau in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”, anders dan voor technische bijstand, wordt toegewezen aan duurzame stedelijke ontwikkeling in de vorm van een specifiek programma, een specifieke prioriteitsas, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, geïntegreerde territoriale investeringen of een ander territoriaal instrument andere territoriale instrumenten, zoals bepaald in artikel 22, onder c), van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening]. De “stedelijke autoriteiten” als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] krijgen de bevoegdheid om zelf de maatregelen en projecten te selecteren. Operaties die worden uitgevoerd in het kader van BD's anders dan BD 5 , kunnen, indien zij samenhangen, bijdragen tot het bereiken van het minimum van 10 % dat moet worden toegewezen voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Investeringen die worden gedaan onder BD 5, onder i), moeten worden meegeteld als bijdrage aan deze toewijzing van 10 %, net als operaties die worden uitgevoerd in het kader van andere BD's, indien deze samenhangen met duurzame stedelijke ontwikkeling . [Am. 113]

Het betrokken programma of de betrokken programma’s maken melding van de geplande bedragen voor dit doel als bedoeld in artikel [17, lid 3,] onder d), vii), van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

3.   Aan het vereiste percentage dat moet worden uitgetrokken voor duurzame stedelijke ontwikkeling als bedoeld in lid 2 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling, en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

4.   Wanneer de EFRO-toewijzing wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) nr. [new CPR], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 2 vastgestelde vereiste niet opnieuw beoordeeld.

Artikel 10

Stedelijk Europa-initiatief

1.   Het EFRO ondersteunt ook het “Stedelijk Europa”-initiatief, dat door de Commissie wordt uitgevoerd in directe en indirect beheer.

Dit initiatief omvat alle functionele stedelijke gebieden en ondersteunt de partnerschappen en organisatorische kosten van de stedelijke agenda van de Unie. Lokale autoriteiten moeten actief worden betrokken bij de vormgeving en uitvoering van het Stedelijk Europa-initiatief.[Am. 114]

2.   Het “Stedelijk Europa”-initiatief omvat de volgende drie onderdelen, die alle duurzame stadsontwikkeling betreffen:

a)

ondersteuning van capaciteitsopbouw , met inbegrip van uitwisselingsacties voor regionale en lokale vertegenwoordigers op subnationaal niveau ; [Am. 115]

b)

ondersteuning van innovatieve acties die extra medefinanciering kunnen krijgen in het kader van Verordening (EU) [2018/xxx] (Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling — Elfpo) en die gezamenlijk met het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling (ENPO) worden uitgevoerd, met name met betrekking tot de verbindingen tussen stad en platteland en met betrekking tot projecten die de ontwikkeling van stedelijke gebieden en functionele regio's ondersteunen ; [Am. 116]

c)

ondersteuning van kennis, territoriale effectbeoordelingen, ontwikkeling van beleid en communicatie. [Am. 117]

Op verzoek van een of meer lidstaten kan het Stedelijk Europa-initiatief tevens steun verlenen aan intergouvernementele samenwerking in verband met stedelijke aangelegenheden , zoals het referentiekader voor duurzame steden en de territoriale agenda van de Europese Unie en de aanpassing van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties aan de plaatselijke realiteit . [Am. 118]

De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement over de ontwikkelingen in het kader van het Stedelijk Europa-initiatief. [Am. 119]

Artikel 10 bis

Gebieden met natuurlijke of demografische belemmeringen en problemen

In door het EFRO gecofinancierde operationele programma's die betrekking hebben op gebieden met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen en problemen, zoals die waarnaar wordt verwezen in artikel 174 VWEU, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de uitdagingen waarmee deze gebieden worden geconfronteerd.

Met name NUTS III-gebieden of lokale bestuurlijke eenheden (LBE) met een bevolkingsdichtheid van minder dan 12,5 inwoners/km2 voor dunbevolkte gebieden of met een bevolkingsdichtheid van minder dan 8 inwoners/km2 voor zeer dunbevolkte gebieden, of met een gemiddelde bevolkingsafname van meer dan 1 % tussen 2007 en 2017, moeten worden onderworpen aan specifieke regionale en nationale plannen om de aantrekkelijkheid voor de bevolking en bedrijfsinvesteringen te vergroten en om de toegankelijkheid van digitale en openbare diensten te bevorderen, door middel van de opname van een fonds in de samenwerkingsovereenkomst. In de partnerschapsovereenkomst kan een specifieke financiering worden toegewezen. [Am. 120]

Artikel 11

Ultraperifere gebieden

1.   De Artikel 3 is niet van toepassing op de specifieke extra toewijzing voor ultraperifere gebieden. Deze specifieke extra toewijzing voor ultraperifere gebieden wordt gebruikt ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden die worden genoemd in artikel 349 VWEU. [Am. 121]

2.   De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

a)

de activiteiten binnen het toepassingsgebied zoals beschreven in artikel 4;

b)

in afwijking van artikel 4, maatregelen met het oog op het dekken van de exploitatiekosten ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden, zoals genoemd in artikel 349 VWEU.

De toewijzing bedoeld in lid 1 mag ook worden gebruikt voor uitgaven ter compensatie van de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en contracten in de ultraperifere gebieden.

3.   De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

a)

acties voor producten opgesomd in bijlage I bij het VWEU;

b)

steunmaatregelen voor het vervoer van personen dat is toegestaan uit hoofde van artikel 107, lid 2, onder a), VWEU;

c)

belastingvrijstellingen en vrijstelling van sociale lasten;

d)

openbaredienstverplichtingen die niet zijn nagekomen door ondernemingen, en waarbij de staat handelt door overheidsgezag uit te oefenen.

3 bis.     In afwijking van artikel 4, lid 1, kan het EFRO steun verlenen aan productieve investeringen in ondernemingen in ultraperifere gebieden, ongeacht de omvang van die ondernemingen. [Am. 122]

HOOFSTUK III

Slotbepalingen

Artikel 12

Overgangsbepalingen

De Verordeningen (EG) nr. 1300/2013 en (EG) nr. 1301/2013 of handelingen die op grond daarvan zijn vastgesteld, blijven van toepassing op programma’s en acties die worden ondersteund uit het EFRO of het Cohesiefonds in de programmeringsperiode 2014-2020.

Artikel 13

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om de in artikel 7, lid 4, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor onbepaalde tijd verleend verleend tot en met 31 december 2027 . [Am. 123]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (17).

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 7, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 13 bis

Intrekking

Onverminderd artikel 12 van deze verordening worden de Verordeningen (EG) nr. 1301/2013 en (EG) nr. 1300/2013 met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken. [Am. 124]

Artikel 13 ter

Herziening

Het Europees Parlement en de Raad bezien deze verordening vóór 31 december 2027 opnieuw, overeenkomstig artikel 177 VWEU. [Am. 125]

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 90.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 115.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 maart 2019.

(4)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

(5)  [Volledige referentie — nieuwe GB-verordening].

(6)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 8 juli 2017 (COM(2017)0376.

(7)  [Volledige referentie — nieuw ESF+].

(8)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(9)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(10)  Conclusies van de Raad over een stedelijke agenda voor de EU (24 juni 2016).

(11)  Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).

(12)  Referentie

(13)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad.

(14)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(15)   Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(16)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).

(17)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.

BIJLAGE I

Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds — Artikel 7, lid 1 (1)

Tabel 1: Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO (Investeren in werkgelegenheid en groei en Interreg) en het Cohesiefonds  (**)

Beleidsdoelstelling

Output

Resultaten

1)

2)

3)

1.

“een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en van regionale connectiviteit op technologisch gebied, en door de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), connectiviteit en doeltreffend openbaar bestuur” (“BD 1”) door:[Am. 126]

RCO (2) 01 — Ondersteunde ondernemingen (waarvan: micro-, klein, middelgroot, groot)*

RCO - 01 bis — Regionaal gemiddeld inkomen [Am. 127]

RCO 02 — Ondernemingen ondersteund door subsidies*

RCO 03 — Ondernemingen ondersteund door financiële instrumenten*

RCO 04 — Ondernemingen met niet-financiële steun*

RCO 05 — Ondersteunde startende ondernemingen*

RCO 06 — Onderzoekers werkzaam in ondersteunde onderzoeksfaciliteiten

RCO 07 — Onderzoeksinstellingen die deelnemen aan gezamenlijke onderzoeksprojecten

RCO 08 — Nominale waarde van onderzoeks- en innovatieapparatuur

RCO 10 — Ondernemingen die samenwerken met onderzoeksinstellingen

RCO 10 bis — Ondernemingen die ondersteuning ontvangen om hun producten en diensten om te zetten in de circulaire economie [Am. 128]

RCO 96 — Interregionale investeringen in EU projecten*

RCR (3) 01 — Banen gecreëerd in ondersteunde entiteiten*

RCR - 01 — Verhoging van de regionale inkomensratio zoals vastgesteld in artikel 3, lid 3 [Am. 131]

RCR 02 — Particuliere investeringen voor gelijke delen als overheidssteun (waarvan: subsidies, financiële instrumenten)*

RCR 03 — Kmo's die product- of procesinnovatie introduceren*

RCR 04 — Kmo's die innovatie op het gebied van marketing of bedrijfsorganisatie introduceren*

RCR 05 — Kmo's die intern innoveren*

RCR 06 — Octrooiaanvragen ingediend bij het Europees Octrooibureau*

RCR 07 — Handelsmerkaanvragen en modelaanvragen*

RCR 08 — Publiek-private copublicaties

RCO 12 — Ondernemingen ondersteund om hun producten en diensten te digitaliseren

RCO 13 — Digitale diensten en producten ontwikkeld voor ondernemingen

RCO 14 — Openbare instellingen ondersteund om digitale diensten en toepassingen te ontwikkelen

RCO 14 bis — Bijkomende sociaaleconomische knooppunten die toegang hebben tot breedband met zeer hoge capaciteit [Am. 129]

RCR 11 — Gebruikers van nieuwe openbare digitale diensten en toepassingen*

RCR 12 — Gebruikers van nieuwe digitale producten, diensten en toepassingen die zijn ontwikkeld door ondernemingen*

RCR 13 — Ondernemingen die een hoge digitale intensiteit bereiken*

RCR 14 — Ondernemingen die Gebruikers van openbare digitale diensten gebruiken* [Am. 132]

RCR 14 ter — Sociaaleconomische knooppunten met breedbandaansluiting op een netwerk met zeer hoge capaciteit [Am. 130]

RCO 15 — Gecreëerde opstartcapaciteit*

RCR 16 — Ondersteunde sterk groeiende ondernemingen*

RCR 17 — Ondernemingen die drie jaar op de markt hebben overleefd*

RCR 18 — Kmo's die één jaar na de opstart de diensten van starterscentra gebruiken

RCR 19 — Ondernemingen met een hogere omzet

RCR 25 — Toegevoegde waarde per werknemer in ondersteunde kmo's*

RCO 16 — Belanghebbenden die deelnemen aan een ondernemingsgezind ontdekkingsproces

RCO 17 — Investeringen in regionale/lokale ecosystemen voor de ontwikkeling van vaardigheden

RCO 101 — Kmo's die investeren in de ontwikkeling van vaardigheden

RCO 102 — Kmo's die investeren in systemen voor het beheer van opleidingen*

RCR 24 — Kmo's die profiteren van activiteiten voor de ontwikkeling van vaardigheden die worden geleverd door een lokaal/regionaal ecosysteem

RCR 97 — Ondersteunende leerplaatsen in kmo's

RCR 98 — Kmo-personeel dat voortgezette vormen van beroepsonderwijs en -opleiding (CVET) heeft voltooid (naar type vaardigheid: technisch, management, ondernemerschap, groen, overig)

RCR 99 — Kmo-personeel dat alternatieve opleiding voor kennisintensieve dienstenactiviteiten (KISA) heeft voltooid ((naar type vaardigheid: technisch, management, ondernemerschap, groen, overig)

RCR 100 — Kmo-personeel dat formele opleiding voor de ontwikkeling van vaardigheden (KISA) heeft voltooid (naar type vaardigheid: technisch, management, ondernemerschap, groen, overig)*

2.

Een groener, koolstofarm en veerkrachtig Europa voor iedereen door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer [Am. 133]

RCO 18 — Huishoudens die ondersteund worden om de energieprestatie van de woning te verbeteren

RCO 18 bis — Het percentage jaarlijkse energiebesparingen voor de gehele woningvoorraad (vergeleken met een uitgangswaarde) in overeenstemming met de doelstelling om te komen tot een hoogefficiënte en koolstofvrije woningvoorraad zoals opgenomen in de nationale langetermijnstrategie voor renovatie ter ondersteuning van de renovatie van de nationale voorraad residentiële en niet-residentiële gebouwen [Am. 134]

RCO 18 ter — Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning, namelijk een energiebesparing van ten minste 60 % [Am. 135]

RCO 18 quater — Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning, namelijk het standaardniveau van bijna-energieneutrale gebouwen na renovatie [Am. 136]

RCO 19 — Openbare gebouwen die ondersteund worden om de energieprestatie van de woning te verbeteren (waaronder: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel) [Am. 137]

RCO 19 bis — Aantal energiearme/kwetsbare consumenten die ondersteuning ontvangen om de energieprestatie van hun woning te verbeteren [Am. 138]

RCO 20 — Nieuw aangelegde of verbeterde stadsverwarmingnetwerklijnen

RCO 20 bis — Gebouwen die ondersteund worden om beter voorbereid te zijn op slimme toepassingen [Am. 139]

RCR 26 — Jaarlijks eindverbruik van energie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel)

RCR 27 — Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning , namelijk een energiebesparing van ten minste 60 % [Am. 150]

RCR 28 — Gebouwen met verbeterde energieprestatie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel)

RCR 28 bis — Gebouwen met verbeterde energieprestaties die voortvloeien uit contractuele regelingen die zorgen voor verifieerbare energiebesparingen en verhoogde efficiëntie, zoals energiebesparingscontracten in de zin van artikel 2, punt 27, van Richtlijn 2012/27/EU  (4) [Am. 151]

RCR 29 — Geraamde uitstoot van broeikasgassen*

RCR 30 — Ondernemingen met verbeterde energieprestatie

RCR 30 bis — Gebouwen die beter voorbereid zijn op slimme toepassingen [Am. 152]

RCO 22 — Bijkomende productiecapaciteit voor hernieuwbare energie (waarvan: elektriciteit, thermisch)

RCO 22 bis — Totaal definitief verbruik van hernieuwbare energie en verbruik per sector (verwarming en koeling, vervoer, elektriciteit) [Am. 140]

RCO 22 ter — Aandeel van totaal geproduceerde hernieuwbare energie [Am. 141]

RCO 22 quater — Vermindering van de jaarlijkse invoer van niet-hernieuwbare energie [Am. 142]

RCO 97 — Aantal ondersteunde energiegemeenschappen en hernieuwbare-energiegemeenschappen*

RCO 97 bis — Aandeel prosumenten van hernieuwbare energie in de totale geïnstalleerde productiecapaciteit voor elektriciteit [Am. 143]

RCR 31 — Totale geproduceerde hernieuwbare energie (waarvan: elektriciteit, thermisch)

RCR 32 — Hernieuwbare energie: met het netwerk verbonden capaciteit (operationeel)*

RCO 23 — Digitale beheerssystemen voor slimme netwerken

RCO 98 — Huishoudens die ondersteund worden om slimme energienetwerken te gebruiken

RCO 98 bis — Ondersteuning van een overgangstermijn voor regio's die een nadelige invloed van decarbonisatie ondervinden [Am. 144]

RCR 33 — Verbruikers die zijn aangesloten op slimme netwerken

RCR 34 — Uitrol van projecten voor slimme netwerken

RCO 24 — Nieuwe of verbeterde systemen voor toezicht, paraatheid, waarschuwing en reactie bij rampen natuurrampen zoals aardbevingen, bosbranden, overstromingen of droogte * [Am. 145]

RCO 25 — Nieuw aangelegde of geconsolideerde bescherming van kustgebieden, van rivier- en meeroevers en tegen aardverschuivingen om de bevolking, goederen en het milieu te beschermen

RCO 26 — Groene infrastructuur aangelegd ter aanpassing aan de klimaatverandering

RCO 27 — Nationale/regionale/lokale strategieën ter aanpassing aan de klimaatverandering

RCO 28 — Gebieden die vallen onder maatregelen ter bescherming tegen bosbranden , aardbevingen, overstromingen of droogte [Am. 146]

RCR 35 — Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen overstromingen

RCR 36 — Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen bosbranden

RCR 37 — Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen klimaatgerelateerde natuurrampen (andere dan overstromingen en bosbranden)

RCR 96 — Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen niet-klimaatgerelateerde natuurrampen en risico's in verband met menselijke activiteiten*

RCR 38 — Geraamde gemiddelde reactietijd bij rampsituaties*

RCO 30 — Lengte van nieuwe of geconsolideerde leidingen voor wateraansluitingen van huishoudens

RCO 31 — Lengte van nieuw aangelegde of geconsolideerde leidingen van afvalwateropvangnetwerken

RCO 32 — Nieuwe of verbeterde capaciteit voor de behandeling van afvalwater

RCO 32 bis — Totaal fossiele brandstoffen vervangen door emissiearme energiebronnen [Am. 147]

RCR 41 — Inwoners aangesloten op verbeterde watertoevoer

RCR 42 — Inwoners aangesloten op ten minste secondaire behandeling van afvalwater

RCR 43 — Beperking van w aterverliezen [Am. 153]

RCR 44 — Naar behoren behandeld afvalwater

RCO 34 — Bijkomende capaciteit voor afvalrecycling afvalpreventie en -recycling [Am. 148]

RCO 34 bis — Aantal omgezette banen [Am. 149]

RCR 46 — Inwoners aangesloten op waterrecyclingvoorzieningen en beheerssystemen voor klein afval

RCR - 46 bis — Afvalproductie per hoofd van de bevolking [Am. 154]

RCR - 46 ter — Afval dat wordt weggebracht voor verwijdering en energieterugwinning per hoofd van de bevolking [Am. 155]

RCR 47 — Gerecycleerd afval

RCR - 47 bis — Gerecycled bioafval [Am. 156]

RCR 48 — Gerecycleerd afval gebruikt als grondstof

RCR 48 bis — Inwoners die profiteren van de voorbereiding van afval voor installaties voor hergebruik [Am. 157]

RCR 48 ter — Circulair benuttingspercentage van materiaal [Am. 158]

RCR 49 — Teruggewonnen Hergebruikt afval [Am. 159]

RCR 49 bis — Voor hergebruik voorbereid afval [Am. 160]

RCO 36 — Oppervlakte van ondersteunde groene infrastructuur in stedelijke gebieden

RCO 37 — Oppervlakte van Natura 2000-gebieden die vallen onder beschermings- en restauratiemaatregelen overeenkomstig het prioritaire actiekader

RCO 99 — Oppervlakte van gebieden buiten Natura 2000-gebieden die vallen onder beschermings- en restauratiemaatregelen

RCO 38 — Oppervlakte van ondersteunde gesaneerde bodem

RCO 39 — Geïnstalleerde systemen voor bewaking van luchtverontreiniging

RCR 50 — Inwoners die profiteren van maatregelen voor luchtkwaliteit

RCR 95 — Inwoners die toegang hebben tot nieuwe of verbeterde groene infrastructuur in stedelijke gebieden

RCR 51 — Inwoners die profiteren van maatregelen om geluidshinder te verminderen

RCR 52 — Gesaneerde bodem gebruikt voor groengebieden, sociale huisvesting, economische of maatschappelijke activiteiten

3.

Een meer verbonden Europa voor iedereen door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit [Am. 161]

RCO 41 — Bijkomende huishoudens die toegang hebben tot breedband met zeer hoge capaciteit

RCO 42 — Bijkomende ondernemingen die toegang hebben tot breedband met zeer hoge capaciteit

RCR 53 — Huishoudens met breedbandaansluiting op een netwerk met zeer hoge capaciteit

RCR 54 — Ondernemingen met breedbandaansluiting op een netwerk met zeer hoge capaciteit

RCO 43 — Lengte van ondersteunde nieuwe wegen — TEN-V (5) (kernnetwerken en uitgebreide netwerken [Am. 162]

RCO 44 — Lengte van ondersteunde nieuwe wegen — overig

RCO 45 — Lengte van opnieuw aangelegde vernieuwde of verbeterde wegen — TEN-V (kernnetwerken en uitgebreide netwerken) [Am. 163]

RCO 46 — Lengte van opnieuw aangelegde of verbeterde wegen — overig

RCR 55 — Gebruikers van nieuw aangelegde, opnieuw aangelegde of verbeterde wegen

RCR - 55 bis — Percentage van voltooiing van de TEN-V-corridor op het nationale grondgebied [Am. 166]

RCR 56 — Tijdwinst dankzij verbeterde wegeninfrastructuur

RCR 101 — Tijdwinst dankzij verbeterde spoorweginfrastructuur

RCO 47 — Lengte van ondersteunde nieuwe spoorwegen — TEN-V (kernnetwerken en uitgebreide netwerken) [Am. 164]

RCO 48 — Lengte van ondersteunde nieuwe spoorwegen — overig

RCO 49 — Lengte van opnieuw aangelegde vernieuwde of verbeterde spoorwegen wegen  — TEN-V (kernnetwerken en uitgebreide netwerken) [Am. 165]

RCO 50 — Lengte van opnieuw aangelegde of verbeterde spoorwegen — overig

RCO 51 — Lengte van ondersteunde nieuwe of verbeterde binnenwateren — TEN-V

RCO 52 — Lengte van ondersteunde nieuwe of verbeterde binnenwateren — overig

RCO 53 — Spoorwegstations en faciliteiten — nieuw of verbeterd

RCO 54 — Intermodale verbindingen — nieuw of verbeterd

RCO 100 — Aantal ondersteunde havens

RCR 57 — Lengte van spoorwegen uitgerust met Europees beheersysteem voor het spoorverkeer in werking

RCR - 57 bis — Percentage van voltooiing van de TEN-V-corridor op het nationale grondgebied [Am. 167]

RCR 58 — Jaarlijks aantal passagiers op ondersteunde spoorwegen

RCR 59 — Vrachtvervoer per spoor

RCR 60 — Vrachtvervoer over binnenwateren

RCO 55 — Lengte van tram- en metrolijnen — nieuw

RCO 56 — Lengte van tram- en metrolijnen — opnieuw aangelegd/verbeterd

RCO 57 — Milieuvriendelijk rollend materieel voor openbaar vervoer

RCO 58 — Ondersteunde specifieke rijwielinfrastructuur

RCO 59 — Ondersteunde infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (tank- /herlaadstations)

RCO 60 — Steden en gemeenten met nieuwe of verbeterde gedigitaliseerde stadsvervoerssystemen

RCR 62 — Jaarlijks aantal passagiers van openbaar vervoer

RCR 63 — Jaarlijks aantal gebruikers van nieuwe/verbeterde tram- en metrolijnen

RCR 64 — Jaarlijks aantal gebruikers van specifieke rijwielinfrastructuur

4.

Een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten [Am. 168]

RCO 61 — Jaarlijks aantal werklozen bediend door verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten

RCR 65 — Jaarlijks aantal werkzoekenden die gebruik maken van de ondersteunde arbeidsvoorzieningsdiensten

RCO 63 — Capaciteit van gecreëerde tijdelijke opvanginfrastructuur

RCO 64 — Capaciteit van gerenoveerde huisvesting — migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming ontvangen of hierom verzoeken

TRK 65 — Capaciteit van de gerenoveerde huisvesting — overige

RCO 66 — Bezetting van gebouwde of gerenoveerde tijdelijke opvanginfrastructuur

RCR 67 — Bezetting van gesaneerde huisvesting — migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming ontvangen of hierom verzoeken

RCR 68 — Bezetting van gerenoveerde huisvesting — overige

RCR - 68 bis — Leden van gemarginaliseerde gemeenschappen en achtergestelde groepen door middel van geïntegreerde maatregelen op onder meer het vlak van huisvesting en sociale diensten (andere dan Roma) [Am. 169]

RCR - 68 ter — Leden van gemarginaliseerde gemeenschappen en achtergestelde groepen door middel van geïntegreerde maatregelen op onder meer het vlak van huisvesting en sociale diensten (Roma) [Am. 170]

RCO 66 — Klaslokaalcapaciteit van ondersteunde kinderopvanginfrastructuur (nieuw of verbeterd)

RCO 67 — Klaslokaalcapaciteit van ondersteunde onderwijsinfrastructuur (nieuw of verbeterd)

RCR 70 — Jaarlijks aantal kinderen dat gebruikmaakt van ondersteunde kinderopvanginfrastructuur

RCR 71 — Jaarlijks aantal leerlingen dat gebruikmaakt van ondersteunde onderwijsinfrastructuur

RCO 69 — Capaciteit van ondersteunde gezondheidszorginfrastructuur

RCO 70 — Capaciteit van ondersteunde sociale infrastructuur (anders dan huisvesting)

RCR 72 — Personen met toegang tot verbeterde gezondheidszorgdiensten

RCR 73 — Jaarlijks aantal personen dat gebruikmaakt van ondersteunde gezondheidszorgfaciliteiten

RCR 74 — Jaarlijks aantal personen dat gebruikmaakt van ondersteunde socialezorgfaciliteiten

RCR 75 — Gemiddelde reactietijd voor medische nooddiensten in het ondersteunde gebied

5.

Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden stadsgebieden en alle andere gebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen [Am. 171]

CCO 74 — Aandeel bevolking dat valt onder strategieën voor geïntegreerde stedelijke ontwikkeling

RCO 75 — Geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling

RCO 76 — Samenwerkingsprojecten

RCO 77 — Capaciteit van ondersteunde culturele en toeristische infrastructuur

RCR 76 — Belanghebbenden die betrokken zijn bij de voorbereiding en uitvoering van strategieën voor stedelijke ontwikkeling

RCR 77 — Toeristen/bezoeken aan ondersteunde voorzieningen*

RCR 78 — Gebruikers van ondersteunde culturele infrastructuur

TRK 80 — Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingstrategieën voor lokale ontwikkeling

 

Horizontaal — Uitvoering

RCO 95 — Personeel gefinancierd uit EFRO en Cohesiefonds

RCR 91 — Gemiddelde tijd voor het doen van oproepen, keuze van projecten en ondertekening van contracten*

RCR 92 — Gemiddelde tijd voor aanbesteding (vanaf de oproep tot de ondertekening van het contract) *

RCR 93 — Gemiddelde tijd voor de uitvoering van het project (vanaf ondertekening van het contract tot laatste betaling) *

RCR 94 — Enkele bieding voor optredens van EFRO en Cohesiefonds*


Tabel 2: Aanvullende gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO voor Interreg

Voor Interreg specifieke indicatoren

RCO 81 — Deelnemers aan grensoverschrijdende mobiliteitsinitiatieven

RCO 82 — Deelnemers aan gemeenschappelijke acties ter bevordering van gendergelijkheid, gelijke kansen en sociale inclusie

RCO 83 — Gemeenschappelijke strategieën/ actieplannen die zijn ontwikkeld of uitgevoerd

RCO 84 — Gemeenschappelijke proefactiviteiten die worden uitgevoerd in projecten

RCO 85 — Deelnemers aan gemeenschappelijke opleidingsactiviteiten

RCO 96 — Geconstateerde juridische of administratieve belemmeringen

RCO 86 — Ondertekende gemeenschappelijke bestuurlijke of juridische overeenkomsten

RCO 87 — Organisaties die grensoverschrijdend samenwerken

RCO 88 — Grensoverschrijdende projecten voor intercollegiaal leren om samenwerkingsactiviteiten te bevorderen

RCO 89 — Grensoverschrijdende projecten om multilevel governance te verbeteren

RCO 90 — Grensoverschrijdende projecten die tot netwerken/clusters leiden

RCR 79 — Gemeenschappelijke strategieën/actieplannen ondernomen door organisaties bij of na voltooiing van het project

RCR 80 — Gemeenschappelijke proefactiviteiten ondernomen of opgeschaald door organisaties bij of na voltooiing van het project

RCO 81 — Deelnemers die gemeenschappelijke opleidingsactiviteiten hebben voltooid

RCO 82 — Juridische of administratieve belemmeringen die zijn opgelost of verminderd

RCR 83 — Personen die onder ondertekende gemeenschappelijke overeenkomsten vallen

RCR 84 — Organisaties die grensoverschrijdend samenwerken 6-12 maanden na voltooiing van het project

RCR 85 — Deelnemers aan gemeenschappelijke acties 6-12 maanden na voltooiing van het project

RCR 86 — Belanghebbenden/instellingen met toegenomen grensoverschrijdende samenwerkingsactiviteiten


(1)  Om te worden gebruikt, wat Investeren in werkgelegenheid en groei en Interreg betreft, overeenkomstig artikel [12, lid 1], tweede alinea, onder a), en artikel [36, lid 2,] onder b), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en, wat Investeren in werkgelegenheid en groei betreft, overeenkomstig artikel [17, lid 3,] onder d), ii), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], en, wat Interreg betreft, overeenkomstig artikel [17, lid 4,] onder e), ii), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

(2)  RCO: Regional Policy Common Output Indicator (Gemeenschappelijke outputindicator voor regionaal beleid).

(3)  RCR: Regional Policy Common Output Indicator (Gemeenschappelijke resultaatindicator voor regionaal beleid).

(4)   Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

(**)  Voor om presentatieredenen zijn indicatoren gegroepeerd onder, maar niet beperkt tot, een beleidsdoelstelling. Met name kunnen in het kader van doelstelling 5, specifieke doelstellingen uit de beleidsdoelstellingen 1- 4 worden gebruikt met de relevante indicatoren. Om een volledig beeld te geven van de verwachte en werkelijke prestaties van de programma’s, mogen de indicatoren aangeduid met (*) worden gebruikt door specifieke doelstellingen die vallen onder meer dan één van de doelstellingen 1 tot en met 4, indien van toepassing.

BIJLAGE II

Kernreeks van prestatie-indicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds als bedoeld in artikel 7, lid 3 (1)

Beleidsdoelstelling

Specifieke doelstelling

Output

Resultaten

1)

2)

3)

4)

1.

Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en van regionale connectiviteit op technologisch gebied, en door de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), connectiviteit en doeltreffend openbaar bestuur door: [Am. 172]

i)

Versterking van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit en invoering van geavanceerde technologieën

CCO 01 — Ondernemingen die worden ondersteund om te innoveren

CCO - 01 bis — Ondernemingen die worden ondersteund voor duurzame economische activiteiten [Am. 173]

CCO 02 — Onderzoekers werkzaam in ondersteunde onderzoeksfaciliteiten

CCR 01 — Kmo's die innovatie op het gebied van producten, processen, marketing of bedrijfsorganisatie introduceren

CCR - 01 bis — Verhoging van de regionale inkomensratio [Am. 175]

ii)

Profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, bedrijven en overheden

CCO 03 — Ondernemingen en openbare instellingen die worden ondersteund om digitale diensten en toepassingen te ontwikkelen

CCR 02 — Bijkomende gebruikers van nieuwe digitale producten, diensten en toepassingen die zijn ontwikkeld door ondernemingen en openbare instellingen

iii)

Versterken van de groei en het concurrentievermogen van kmo's

CCO 04 — Kmo’s die worden ondersteund om banen en duurzame groei te creëren [Am. 174]

CCR 03 — Banen gecreëerd in ondersteunde kmo's

iv)

Ontwikkelen van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap

CCO 05 — Kmo's die investeren in de ontwikkeling van vaardigheden

CCR 04 — Kmo-personeel dat opleiding voor de ontwikkeling van vaardigheden ontvangt

2.

Een groener, koolstofarm en veerkrachtig Europa voor iedereen door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer [Am. 176]

i)

Bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie

CCO 06 — Investeringen in maatregelen om de energie-efficiëntie te verbeteren

CCR 05 — Begunstigden met verbeterde energieclassificatie

ii)

Bevordering van hernieuwbare energiebronnen

CCO 07 — Bijkomende productiecapaciteit voor hernieuwbare energie

CCR 06 — Volume van bijkomende geproduceerde hernieuwbare energie

iii)

Ontwikkeling van slimme energiesystemen, netwerken en opslag op lokaal niveau

CCO 08 — Digitale beheerssystemen die zijn ontwikkeld voor slimme netwerken

CCO 08 bis — Ontwikkeling van nieuwe ondernemingen [Am. 177]

CCR 07 — Bijkomende verbruikers die zijn aangesloten op slimme netwerken

CCR 07 bis — Aantal gecreëerde banen [Am. 179]

iv)

Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en rampenbestendigheid

CCO 09 — Nieuwe of verbeterde systemen voor toezicht, waarschuwing en reactie bij rampen

CCO 09 bis — Betere aanpassing aan de klimaatverandering, meer risicopreventie inzake natuurrampen en een grotere bestendigheid tegen rampen en extreme weersomstandigheden [Am. 178]

CCR 08 — Bijkomende inwoners die profiteren van de beschermingsmaatregelen tegen overstromingen, bosbranden en andere klimaatgerelateerde natuurrampen

v)

Bevordering van duurzaam waterbeheer

CCO 10 — Nieuwe of verbeterde capaciteit voor de behandeling van afvalwater

CCR 09 — Bijkomende inwoners aangesloten op ten minste secondaire behandeling van afvalwater

vi)

Bevordering van de overgang naar een circulaire economie

CCO 11 — Nieuwe of verbeterde capaciteit voor afvalrecycling

CCR 10 — Bijkomend gerecycled afval

vii)

Bevordering van biodiversiteit, groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging

CCO 12 — Oppervlakte van groene infrastructuur in stedelijke gebieden

CCR 11 — Inwoners die profiteren van maatregelen voor luchtkwaliteit

3.

Een meer verbonden Europa voor iedereen door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit [Am. 180]

i)

Verbetering van de digitale connectiviteit

CCO 13 — Bijkomende huishoudens en ondernemingen met dekking van breedbandnetwerken met zeer hoge capaciteit

CCR 12 — Bijkomende huishoudens en ondernemingen die zijn geabonneerd op breedbandnetwerken met zeer hoge capaciteit

ii)

Ontwikkeling van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-V

CCO 14 — Wegen TEN-V: Nieuwe en verbeterde wegen wegen en bruggen [Am. 181]

CCR 13 — Tijdwinst dankzij betere wegeninfrastructuur wegen- en bruggeninfrastructuur [Am. 182]

iii)

Ontwikkeling van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-V en grensoverschrijdende mobiliteit

CCO 15 — Spoorwegen TEN-V: Nieuwe en verbeterde spoorwegen

CCR 14 — Jaarlijks aantal passagiers bediend door verbeterd spoorvervoer

iv)

Bevordering van duurzame multimodale stedelijke mobiliteit

CCO 16 — Uitbreiding en modernisering van tram- en metrolijnen

CCR 15 — Jaarlijks aantal gebruikers bediend door nieuwe en gemoderniseerde tram- en metrolijnen

4.

Een socialer en inclusiever Europa dat de Europese pijler van sociale rechten uitvoert [Am. 183]

i)

Verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van sociale innovatie en infrastructuur

CCO 17 — Jaarlijks aantal werklozen bediend door verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten

CCR 16 — Jaarlijks aantal werkzoekenden die gebruikmaken van verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten

ii)

Verbetering van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door de ontwikkeling van infrastructuur

CCO 18 — Nieuwe of verbeterde capaciteit voor kinderopvang- en onderwijsinfrastructuur

CCR 17 — Jaarlijks aantal gebruikers bediend door nieuwe of verbeterde kinderopvang- en onderwijsinfrastructuur

iii)

Bespoediging van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten

CCO 19 — Bijkomende capaciteit van gecreëerde of verbeterde opvanginfrastructuren

CCR 18 — Jaarlijks aantal gebruikers bediend door nieuwe en betere opvang en huisvesting

iv)

Zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg

CCO 20 — Nieuwe of verbeterde capaciteit voor gezondheidszorginfrastructuur

CCR 19 — Inwoners met toegang tot verbeterde gezondheidsdiensten

5.

Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, stadsgebieden en door lokale initiatieven alle andere gebieden te bevorderen [Am. 184]

i)

Bevordering van de geïntegreerde sociale, economische en ecologische ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid in stedelijke gebieden

CCO 21 — Inwoners die vallen onder strategieën voor geïntegreerde stedelijke ontwikkeling

 


(1)  Deze indicatoren zullen door de Commissie worden gebruikt in overeenstemming met haar rapportageverplichting op grond van artikel 38, lid 3, onder e), i), van het [toepasselijk] Financieel Reglement.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/599


P8_TA(2019)0304

Emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 (herschikking) (COM(2017)0676 — C8-0395/2017 — 2017/0293(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2021/C 108/41)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2017)0676),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0395/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2018 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (2),

gezien de brief van 3 mei 2018 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, conform artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0287/2018),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (3);

2.

neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 52.

(2)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(3)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 3 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0370).


P8_TC1-COD(2017)0293

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/631.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie over artikel 15

Bij de in artikel 15 bedoelde toetsing en, in voorkomend geval, bij een voorstel tot wijziging van deze verordening houdt de Commissie de relevante raadplegingen overeenkomstig de Verdragen. Zij raadpleegt in dit kader met name het Europees Parlement en de lidstaten.

In het kader van die toetsing zal de Commissie ook de wenselijkheid van het in bijlage I, deel A, punt 6.3, gespecificeerde maximum van 5 % nagaan in het licht van de behoefte om de bevordering van emissiearme en emissievrije voertuigen in de betrokken lidstaten te versnellen.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/602


P8_TA(2019)0305

Vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu (COM(2018)0340 — C8-0218/2018 — 2018/0172(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/42)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0340),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0218/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio s van 10 oktober 2018 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie visserij (A8-0317/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 207.

(2)  PB C 461 van 21.12.2018, blz. 210.

(3)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 24 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0411).


P8_TC1-COD(2018)0172

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/904.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/604


P8_TA(2019)0306

EU-bemestingsproducten***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 (COM(2016)0157 — C8-0123/2016 — 2016/0084(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/43)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0157),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0123/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie internationale handel (A8-0270/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (2);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 389 van 21.10.2016, blz. 80.

(2)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 24 oktober 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0392).


P8_TC1-COD(2016)0084

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1009.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/606


P8_TA(2019)0307

Bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (COM(2018)0171 — C8-0130/2018 — 2018/0081(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/44)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0171),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 153, lid 2, onder b), en artikel 153, lid 1, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0130/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0382/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 145.


P8_TC1-COD(2018)0081

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/983.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/608


P8_TA(2019)0308

Gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/106/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (COM(2017)0648 — C8-0391/2017 — 2017/0290(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/45)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0648),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0391/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 juli 2018 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0259/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 52.

(2)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


P8_TC1-COD(2017)0290

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/106/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

1)

De negatieve impact van vervoer op de luchtverontreiniging, uitstoot van broeikasgassen, ongevallen, geluidshinder en congestie blijft een probleem voor de economie, de gezondheid en het welzijn van de Europese burgers. Ondanks het feit dat het wegvervoer de belangrijkste oorzaak is van die negatieve effecten verwacht men dat het vrachtvervoer over de weg tegen 2050 nog met 60 % zal groeien De algehele doelstelling van deze richtlijn is om een hulpbronnenefficiënt multimodaal vervoersnetwerk te ontwikkelen en om de negatieve impact van vervoer op luchtverontreiniging, uitstoot van broeikasgassen, ongevallen, geluidshinder en congestie te verminderen . [Am. 1]

2)

Het terugdringen van de negatieve effecten van vervoer blijft een van de belangrijkste doelstellingen van het vervoersbeleid van de Unie. Richtlijn 92/106/EEG (4) van de Raad, die in maatregelen voorziet om het gecombineerd aan te moedigen, is het enige rechtsinstrument van de Unie dat de verschuiving van goederenvervoer over de weg naar minder vervuilende vervoerswijzen, zoals de binnenvaart, de zeevaart en het spoor, direct stimuleert. Om de negatieve effecten van goederenvervoer over de weg verder te verminderen, moet worden aangespoord tot onderzoek en het delen van best practices tussen de lidstaten in verband met oplossingen die leiden tot betere routes, optimalisering van het netwerk, efficiënter laden en mogelijkheden voor het aanrekenen van externe kosten. [Am. 2]

3)

Het bereiken van de De doelstelling om tegen 2030 30 %, en tegen 2050 zelfs meer dan 50 %, van het goederenvervoer over de weg over afstanden van meer dan 300 km te verschuiven naar andere energie-efficiëntere vervoerwijzen vervoerswijzen , zoals het spoor of de scheepvaart, om de prestaties van onze multimodale logistieke ketens te optimaliseren, verloopt trager dan verwacht en zal volgens de huidige prognoses niet lukken moet worden bereikt door middel van efficiëntiewinst en een verbetering van de infrastructuur in de spoorweg- en scheepvaartsector . [Am. 3]

4)

Richtlijn 92/106/EEG heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van het EU-beleid inzake gecombineerd vervoer en tot een aanzienlijke modal shift van goederenvervoer over de weg naar andere vervoerswijzen. Door tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn, met name dubbelzinnige bewoordingen en achterhaalde bepalingen, samen met het beperkte toepassingsgebied van de steunmaatregelen en de bureaucratische en protectionistische barrières in de spoorwegsector , is de impact van de richtlijn sterk afgenomen. [Am. 4]

4 bis)

Deze richtlijn moet de weg effenen voor efficiënte intermodale en multimodale goederenvervoersdiensten en zorgen voor een gelijk speelveld voor de verschillende vervoerswijzen. [Am. 5]

5)

Richtlijn 92/106/EEG moet worden vereenvoudigd en de tenuitvoerlegging ervan moet worden verbeterd middels een herziening van de economische stimulansen voor gecombineerd vervoer, ter bevordering van een verschuiving van goederenvervoer over de weg naar andere vervoerswijzen die milieuvriendelijker, veiliger en energie-efficiënter zijn en minder congestie veroorzaken verbetering van het concurrentievermogen van vervoer per spoor en over het water ten opzichte van vervoer over de weg . [Am. 6]

6)

Het volume binnenlands intermodaal vervoer vertegenwoordigt 19,3 % van het totale intermodaal vervoer in de Unie. Vanwege het beperkte toepassingsgebied van de definitie van gecombineerd vervoer komt binnenlands vervoer momenteel niet in aanmerking voor steun op grond van Richtlijn 92/106/EEG. De schadelijke effecten van binnenlands vervoer, en met name de verkeerscongestie en de uitstoot van broeikasgassen, overstijgen echter de nationale grenzen. Daarom moet gecombineerd vervoer binnen eenzelfde lidstaat in de werkingssfeer van Richtlijn 92/106/EEG worden opgenomen om de verdere ontwikkeling van het gecombineerd vervoer in de Unie te ondersteunen en dus bij te dragen tot een grotere verschuiving van het wegvervoer naar het spoor, de binnenvaart en de korte vaart. De afwijking van de cabotageregels blijft echter beperkt tot het internationaal gecombineerd vervoer tussen verschillende lidstaten. De lidstaten zullen worden verplicht om doeltreffende controles verrichten om toe te zien op de naleving van die regels en om geharmoniseerde sociale en arbeidsvoorwaarden te bevorderen tussen de verschillende vervoerswijzen en tussen de verschillende lidstaten. [Am. 7]

7)

Gecombineerd vervoer moet worden beschouwd als één enkele vervoersverrichting die rechtstreeks concurreert met unimodaal vervoer van de plaats van vertrek tot de eindbestemming. De regelgeving moet de gelijkwaardigheid waarborgen tussen internationaal gecombineerd vervoer en internationaal unimodaal vervoer enerzijds en tussen binnenlands gecombineerd vervoer en binnenlands unimodaal vervoer anderzijds.

7 bis)

Om de goede werking van de interne markt te waarborgen moeten de wegtrajecten in het kader van gecombineerd vervoer vallen onder Verordeningen (EG) nr. 1071/2009  (5) en (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad  (6) indien zij deel uitmaken van een internationale, respectievelijk binnenlandse vervoersverrichting. Ook moet worden gezorgd voor de sociale bescherming van bestuurders die werkzaamheden in een andere lidstaat verrichten. De bepalingen inzake de terbeschikkingstelling van bestuurders in Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad  (7) en inzake de handhaving van deze bepalingen in Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad  (8) dienen van toepassing te zijn op vervoerondernemers die actief zijn op de wegtrajecten van gecombineerd vervoer. Wegtrajecten dienen te worden gezien als een integrerend bestanddeel van een verrichting voor internationaal gecombineerd vervoer. Met name dienen de regels inzake internationale vervoersverrichtingen die in deze richtlijnen zijn neergelegd, van toepassing te zijn op de wegtrajecten die deel uitmaken van verrichtingen voor internationaal gecombineerd vervoer. Daarnaast dienen in het geval van cabotage de regels inzake cabotage die in Verordening 1072/2009 zijn neergelegd, van toepassing te zijn op de wegtrajecten die deel uitmaken van verrichtingen voor binnenlands gecombineerd vervoer. [Am. 8]

8)

In de huidige definitie van gecombineerd vervoer zijn verschillende maximumafstanden voor het wegtraject vastgesteld, afhankelijk van de andere vervoerswijze waarmee wordt gecombineerd, en voor het spoor is er geen vaste maximumafstand bepaald maar wordt met het begrip “dichtstbij gelegen geschikte station” enige flexibiliteit geboden om rekening te houden met bijzondere situaties. In de praktijk heeft die definitie voor heel wat problemen gezorgd door uiteenlopende interpretaties en specifieke moeilijkheden om de uitvoeringsvoorwaarden te bepalen. Die onduidelijkheden moeten worden weggewerkt en tegelijk moet een zekere flexibiliteit worden gewaarborgd.

9)

In de huidige definitie van gecombineerd vervoer waarborgt de verplichting om ten minste 100 km met ander vervoer dan wegvervoer af te leggen dat de definitie het merendeel van het gecombineerd vervoer bestrijkt. Om met het wegvervoer te kunnen concurreren, worden het spoorvervoer en de korte vaart voor grote afstanden gebruikt. De minimumafstand zorgt er ook voor dat specifiek vervoer dat hoe dan ook zou plaatsvinden, zoals korte overtochten per veerboot of zeevaart, wordt uitgesloten. Door die beperkingen worden een deel van de binnenvaartactiviteiten rond havens en in en rond steden, die een grote bijdrage leveren tot het terugdringen van de congestie op het wegennet in zeehavens en hun onmiddellijke hinterland en tot het beperken van de milieuhinder in steden, niet als gecombineerd vervoer beschouwd. Daarom zou het nuttig zijn de minimumafstand te schrappen, maar moet de uitsluiting van bepaalde activiteiten, zoals diepzeevervoer of korte overtochten met een veerboot, wel worden gehandhaafd.

9 bis)

Er moet duidelijk worden aangegeven dat voor kraanbare aanhangwagens en opleggers een brutogewicht van 44 ton is toegestaan indien de laadeenheden geïdentificeerd zijn overeenkomstig de internationale normen ISO 6346 en EN 13044. [Am. 9]

10)

De minimumafmetingen van laadeenheden die op dit moment in de definitie van gecombineerd vervoer zijn opgenomen, kunnen een belemmering vormen voor de toekomstige ontwikkeling van innovatieve intermodale stedelijke vervoersoplossingen. De mogelijkheid om laadeenheden door middel van bestaande normen te identificeren, kan de afhandeling in terminals daarentegen versnellen en het gecombineerd vervoer faciliteren om een vlottere behandeling van specifieke laadeenheden te vergemakkelijken en te waarborgen dat zij toekomstbestendig zijn.

11)

Het verouderde gebruik van stempels om te bewijzen dat er sprake is van gecombineerd vervoer, staat een effectieve handhaving of controle op de subsidiabiliteit in het kader van Richtlijn 92/106/EEG in de weg. Het bewijsmateriaal dat nodig is om te bewijzen dat er sprake is van gecombineerd vervoer moet worden verduidelijkt, net als de manier waarop dat bewijs moet worden geleverd. Het gebruik en de verzending van elektronische vervoersinformatie, die het verstrekken van relevante bewijsstukken moet vergemakkelijken, en de verwerking daarvan door de bevoegde autoriteiten, moeten worden aangemoedigd met het oog op de geleidelijke afschaffing van het gebruik van papieren documenten . Het gebruikte formaat moet betrouwbaar en authentiek zijn. Bij het regelgevingskader en de initiatieven voor de vereenvoudiging van de administratieve procedures en de digitalisering van de vervoersaspecten moet rekening worden gehouden met de ontwikkelingen op EU-niveau. [Am. 10]

11 bis)

Teneinde het gecombineerd vervoer concurrerend en aantrekkelijk te maken voor de marktdeelnemers, met name voor micro-ondernemingen en kmo's, dient de bureaucratie die de uitvoering van een verrichting voor gecombineerd vervoer kan behelzen in vergelijking met een verrichting voor monomodaal vervoer zoveel mogelijk te worden beperkt. [Am. 11]

12)

De werkingssfeer van de huidige economische steunmaatregelen als gedefinieerd in Richtlijn 92/106/EEG is strikt beperkt tot fiscale maatregelen (de terugbetaling of vermindering van belasting) die alleen gelden voor gecombineerd rail/wegvervoer. Die maatregelen moeten worden uitgebreid tot gecombineerd vervoer over de binnenwateren en over zee. Andere relevante soorten maatregelen, zoals investeringssteun voor infrastructuur en voor digitale technologieën, of verschillende economische steunmaatregelen, moeten eveneens worden ondersteund. Met betrekking tot digitale technologieën moet worden voorzien in een overgangsperiode voor het dematerialiseren van de documenten die de uitvoering van het gecombineerde vervoer bewijzen. Gedurende die periode moeten de instrumenten van de controleautoriteiten in technologisch opzicht worden aangepast. De lidstaten moeten voorrang geven aan investeringen in overslagterminals teneinde de congestie op de wegen te verminderen, het isolement van de industriezones die niet over dergelijke infrastructuur beschikken, te verlichten en de toegankelijkheid en de fysieke en digitale connectiviteit van de installaties voor goederenafhandeling te verbeteren. [Am. 12]

13)

De belangrijkste infrastructurele bottlenecks voor de verschuiving van goederenvervoer over de weg naar andere vervoerswijzen hebben te maken met bevinden zich op het niveau van de overslagterminals , en worden nog verergerd door de onvoldoende samenhangende uitvoering van het TEN-T-netwerk . De huidige spreiding en dekking van overslagterminals in de Unie, ten minste op het bestaande TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide netwerk, is ontoereikend en de bestaande overslagterminals naderen hun verzadigingspunt en moeten verder worden ontwikkeld om in te spelen op de algemene groei van het goederenvervoer. Investeren in overslagcapaciteit kan de algemene overslagkosten drukken en daardoor, zoals in sommige lidstaten is gebleken, tot een afgeleide modal shift leiden. De lidstaten moeten er bijgevolg, in coördinatie met naburige lidstaten en de Commissie, voor zorgen dat de bestaande overslagterminals waar nodig worden uitgebreid en dat er meer overslagterminals voor gecombineerd vervoer en overslagcapaciteit worden gebouwd aangelegd of ter beschikking van de vervoerders worden gesteld , of dat er overslagpunten worden ingericht in gebieden waar zij nodig zijn . Dit zou het gebruik van alternatieven voor het goederenvervoer over de weg stimuleren en de modal shift versterken, waardoor gecombineerd vervoer competitiever wordt dan zuiver wegvervoer. Minstens op het bestaande TEN-T-kernnetwerk en uitgebreide netwerk moet een grotere dekking en capaciteit van overslagterminals worden gerealiseerd. Op elk verzendpunt in de EU moet gemiddeld minstens één geschikte overslagterminal voor gecombineerd vervoer beschikbaar zijn binnen een afstand van 150 km. De inkomsten uit externekostenheffingen bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad  (9) zouden gebruikt moeten worden voor gecombineerd vervoer. [Am. 13]

13 bis)

De lidstaten moeten voorrang geven aan investeringen in overslagterminals die de bottlenecks en congestiegebieden, met name in de buurt van stedelijke en randstedelijke gebieden, verminderen, teneinde de doortocht door natuurlijke hindernissen, zoals berggebieden, te vergemakkelijken, grensoverschrijdende verbindingen te verbeteren, schadelijke emissies in de lucht te beperken en de toegang tot industriële gebieden die niet over dergelijke infrastructuur beschikken, te verbeteren. [Am. 14]

14)

De lidstaten moeten, bovenop de bestaande maatregelen, aanvullende economische steunmaatregelen invoeren die op de verschillende onderdelen van gecombineerd vervoer zijn gericht om het goederenvervoer over de weg terug te dringen en het gebruik van andere vervoerswijzen, zoals het spoor, de binnenvaart en de zeevaart, aan te moedigen, waardoor de luchtverontreiniging, de uitstoot van broeikasgassen, het aantal verkeersongevallen, de lawaaihinder en de congestie afnemen en de digitalisering van de sector en de interne markt wordt gestimuleerd en gerealiseerd . Die maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op een vermindering van bepaalde belastingen of vervoerstarieven, subsidies voor intermodale laadeenheden die effectief via gecombineerd vervoer worden vervoerd of de gedeeltelijke terugbetaling van de overslagkosten. De maatregelen kunnen de bevordering omvatten van de integratie van verbonden systemen en de automatisering van verrichtingen, alsook investeringen in digitale logistiek, innoverende vrachtafhandelingssystemen, informatie- en communicatietechnologie of slimme vervoerssystemen, met het doel de informatiestroom te vergemakkelijken. Ook kunnen de maatregelen gericht zijn op verbetering van de milieuprestaties, de doeltreffendheid en de duurzaamheid van het gecombineerd vervoer door het gebruik aan te moedigen van schone voertuigen of lage-emissievoertuigen en alternatieve brandstoffen, door de inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie aan te moedigen evenals het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de gehele keten van het gecombineerd vervoer en door de overlast die met het vervoer samenhangt, zoals lawaaihinder, te verminderen . [Am. 15]

14 bis)

De fondsen en programma's van de Unie voor onderzoeksfinanciering moeten de lidstaten blijven steunen bij het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn. [Am. 16]

14 ter)

Investering in logistiek vormt eveneens een belangrijke hefboom om de concurrentiepositie van het gecombineerd vervoer te versterken. Wanneer een stelselmatiger beroep wordt gedaan op digitale oplossingen, zoals communicatie- en informatietechnologieën of verbonden slimme systemen, kan dit de gegevensuitwisseling vergemakkelijken, de doeltreffendheid en de kostprijs van de overslagverrichtingen verbeteren en de daarvoor benodigde tijd inkorten. [Am. 17]

14 quater)

Ook investeringen in de opleiding van werknemers in de logistieke keten, en met name in overslagterminals, zouden de concurrentiepositie van het gecombineerd vervoer helpen verbeteren. [Am. 18]

15)

Steunmaatregelen voor infrastructuur voor gecombineerd vervoer moeten ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig de staatssteunregels in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun vergemakkelijkt de ontplooiing van economische activiteiten mits deze steun niet in die mate van invloed is op de handelsvoorwaarden dat de gemeenschappelijke belangen worden geschaad, zoals bedoeld in artikel 107, lid 3, letter c), VWEU, en staatssteun vormt een nuttig instrument om de tenuitvoerlegging van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen, zoals bedoeld in artikel 107, lid 3, letter b), VWEU. Daarom zou de Commissie in dergelijke gevallen moeten overwegen om de lidstaten gedeeltelijk te ontslaan van de in artikel 108, lid 3, VWEU genoemde verplichting om de Commissie op de hoogte te stellen. [Am. 19]

16)

Steunmaatregelen Om mogelijke overlapping van investeringen tussen naburige lidstaten te voorkomen, moeten steunmaatregelen desgevallend tussen de lidstaten en de Commissie worden gecoördineerd door nauwe samenwerking tussen de bevoegde instanties van de lidstaten . [Am. 20]

17)

Steunmaatregelen moeten ook regelmatig door de lidstaten worden geëvalueerd om hun doeltreffendheid en efficiëntie te waarborgen , en hun algehele impact op de Europese vervoerssector, zoals beschreven in de Europese Strategie voor emissiearme mobiliteit, moet worden beoordeeld. Zo nodig moeten corrigerende maatregelen worden genomen. De Commissie moet op basis van de door de lidstaten meegedeelde gegevens een evaluatie uitvoeren van de verschillende maatregelen die de lidstaten nemen alsmede van de doeltreffendheid daarvan, en moet de uitwisseling van good practices bevorderen . [Am. 21]

18)

Voor de toepassing van deze richtlijn mag geen onderscheid worden gemaakt tussen gecombineerd vervoer voor rekening van derden en gecombineerd vervoer voor eigen rekening.

18 bis)

Het gebrek aan vergelijkbare en betrouwbare statistieken vormt momenteel een belemmering voor de evaluatie van gecombineerd vervoer in de Unie en voor de vaststelling van maatregelen om het potentieel ervan te benutten. [Am. 22]

19)

Om in te spelen op de ontwikkeling van het vervoer in de Unie, en met name de markt voor gecombineerd vervoer, dienen de lidstaten op regelmatige basis relevante gegevens en informatie te verzamelen en aan de Commissie te rapporteren en moet de Commissie om de vier jaar een verslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn indienen bij het Europees Parlement , de Raad en de Raad bevoegde instanties van de lidstaten . [Am. 23]

19 bis)

De Commissie moet verantwoordelijk zijn voor de correcte toepassing van deze richtlijn en de verwezenlijking van de doelstelling inzake de Uniebrede ontwikkeling van het gecombineerd vervoer tegen 2030 en 2050. Daartoe moet zij regelmatig de evolutie van het aandeel van gecombineerd vervoer in elk van de lidstaten evalueren op basis van door de lidstaten meegedeelde gegevens, en moet zij zo nodig een voorstel voor wijziging van deze richtlijn indienen om de EU-doelstelling te verwezenlijken. [Am. 24]

20)

Transparantie is belangrijk voor alle actoren in het gecombineerd vervoer en met name de actoren die de impact van deze richtlijn ondervinden. Om die transparantie te ondersteunen en verdere samenwerking te bevorderen, moeten in elke lidstaat bevoegde instanties worden aangewezen.

21)

Teneinde rekening te houden met de marktontwikkelingen en de technische vooruitgang moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de aanvulling van deze richtlijn met nadere gegevens in verband met de door de lidstaten te rapporteren informatie over gecombineerd vervoer. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden geschikte raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen hun deskundigen systematisch toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

22)

Aangezien de doelstellingen doelstelling van deze richtlijn, namelijk de verschuiving van wegvervoer naar milieuvriendelijkere vervoerswijzen bevorderen en aldus de negatieve externe effecten van het vervoersysteem om gecombineerd vervoer concurrerend te maken ten opzichte van de Unie beperken wegvervoer , niet voldoende door de lidstaten kunnen kan worden verwezenlijkt, maar, vanwege het overwegend grensoverschrijdend karakter van het gecombineerd goederenvervoer en de daaraan gekoppelde infrastructuur en van de problemen die met deze richtlijn worden aangepakt, beter op het niveau van de Unie kunnen kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen vaststellen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. [Am. 25]

23)

Richtlijn 92/106/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 92/106/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

“Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen”;

2)

Artikel 1 wordt vervangen door:

“Artikel 1

1.   Deze richtlijn is van toepassing op gecombineerd vervoer.

2.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder “gecombineerd vervoer”: vervoer van goederen bestaande uit een begin- en/of eindtraject over de weg, gecombineerd met een traject per spoor, over de binnenwateren of over zee:

a)

in een aanhangwagen of oplegger, met of zonder trekker, wissellaadbak of container, geïdentificeerd overeenkomstig de identificatieregels die zijn vastgesteld op grond van de internationale normen ISO 6346 en EN 13044, met inbegrip van kraanbare opleggers met een maximaal toegestaan brutogewicht van 44 ton, wanneer de niet-begeleide intermodale lading tussen verschillende vervoerswijzen (verrichting voor niet-begeleid gecombineerd vervoer) wordt overgeladen; of [Am. 26]

b)

door een wegvoertuig dat door zijn bestuurder wordt begeleid en per spoor, over de binnenwateren of over zee wordt vervoerd tijdens het traject dat niet over de weg wordt afgelegd (begeleide vervoersverrichting) . [Am. 27]

In afwijking hiervan geldt punt a) van dit lid tot vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn ook voor niet-kraanbare aanhangwagens en opleggers in niet-begeleid gecombineerd vervoer die niet worden geïdentificeerd overeenkomstig de identificatieregels die zijn vastgesteld op grond van de internationale normen ISO 6346 en EN 13044. [Am. 28]

Binnenvaarttrajecten of trajecten over zee waarvoor geen gelijkwaardig of economisch levensvatbaar alternatief over de weg bestaat of die onvermijdelijk zijn als onderdeel van economisch levensvatbaar vervoer, worden niet als gecombineerd vervoer in aanmerking genomen. [Am. 29]

3.   Elk wegtraject als bedoeld in lid 2 mag op het grondgebied van de Unie niet langer zijn dan de volgende afstanden: 150 km.

a)

150 km in vogelvlucht;

b)

20 % van de afstand in vogelvlucht tussen de plaats waar de goederen voor het begintraject worden geladen en de plaats waar die voor het eindtraject worden uitgeladen, wanneer die afstand langer is dan de onder a) genoemde afstand. [Am. 30]

De toegestane maximumafstand over de weg geldt voor de totale lengte van elk wegtraject, met inbegrip van alle tussenstops om te laden en te leveren. Deze afstand geldt niet voor het vervoer van lege laadeenheden, voor vervoer naar het punt waar de goederen worden geladen of vanaf het punt waar ze worden gelost.

Voor gecombineerd rail/wegvervoer mag de toegestane maximumafstand over de weg worden overschreden om het dichtstbij gelegen station te bereiken dat over de nodige operationele capaciteit beschikt voor het laden of lossen in termen van overslaguitrusting, terminalcapaciteit en passende goederenvervoersdiensten per spoor, mits de lidstaten waarvan het wegennet voor dit vervoer wordt gebruikt daarmee instemmen Overschrijding van de in dit lid genoemde toegestane maximumafstand over de weg voor gecombineerd rail/wegvervoer wordt door de lidstaten waarvan het wegennet voor dit vervoer wordt gebruikt toegestaan als dit nodig is om de geografisch het dichtstbij gelegen vervoersterminal of het overslagpunt te bereiken die/dat over de nodige operationele capaciteit beschikt voor het laden of lossen in termen van overslaguitrusting, terminalcapaciteit en terminalopeningstijden alsmede passende goederenvervoersdiensten per spoor, indien er binnen de toegestane maximumafstand geen overslagterminal of -punt aanwezig is die/dat aan al deze voorwaarden voldoet. Een dergelijke overschrijding dient naar behoren te worden gemotiveerd overeenkomstig artikel 3, lid 2, letter e bis. Lidstaten mogen in het geval van gecombineerd rail/wegvervoer de maximale lengte van het wegtraject van 150 km op een exact gedefinieerd deel van hun grondgebied tot 50 % verkorten op grond van milieuredenen, mits er binnen die afstand een passende terminal is . [Am. 31]

4.   Gecombineerd vervoer wordt geacht in de Unie plaats te vinden als het vervoer of een deel daarvan dat in de Unie plaatsvindt aan de eisen van de leden 2 en 3 voldoet. Voor de toepassing van deze richtlijn worden het wegtraject en/of het traject dat niet over de weg wordt afgelegd dan wel het deel daarvan dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, niet beschouwd als deel van de verrichting voor gecombineerd vervoer .”; [Am. 32]

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

“Artikel 3

1.   De lidstaten zien erop toe dat vervoer over de weg alleen als een onderdeel van gecombineerd vervoer in het kader van deze richtlijn wordt beschouwd als de vervoerder duidelijke bewijzen informatie kan overleggen waaruit duidelijk blijkt dat dit wegtraject deel uitmaakt van gecombineerd vervoer, met inbegrip van het vervoer van lege laadeenheden vóór en na het vervoer van goederen en als deze informatie vóór het begin van de verrichting naar behoren is doorgegeven aan de vervoerder die de vervoersverrichting uitvoert . [Am. 33]

2.   Het Om als duidelijk bewijs te gelden dient de in lid 1 bedoelde bewijs omvat informatie in het in lid 5 beschreven formaat te worden overgelegd of verzonden en de volgende gegevens voor elk gecombineerd vervoer te omvatten : [Am. 34]

a)

naam, adres, contactgegevens en handtekening van de verzender;

a bis)

indien anders dan de verzender, naam, adres, contactgegevens en handtekening van de persoon die verantwoordelijk is voor de beschrijving van de route van het gecombineerd vervoer; [Am. 35]

b)

plaats en datum van het begin van het gecombineerd vervoer in de Unie;

c)

naam, adres en contactgegevens van de bestemmeling;

d)

plaats van het einde van het gecombineerd vervoer in de Unie;

e)

afstand in vogelvlucht tussen de plaats waar het gecombineerd vervoer begint en de plaats in de Unie waar het gecombineerd vervoer eindigt;

e bis)

indien de afstand de in artikel 1, lid 3, genoemde limiet overschrijdt, een motivering overeenkomstig de criteria die in de laatste alinea daarvan worden genoemd; [Am. 36]

f)

een door de verzender voor de planning verantwoordelijke persoon (eventueel elektronisch) ondertekende beschrijving van de route van het gecombineerd vervoer met ten minste de volgende informatie voor elk deeltraject van het vervoer binnen de Unie, waaronder elke vervoerswijze die wordt gebruikt voor vervoer dat niet over de weg plaatsvindt: [Am. 37]

i)

volgorde van de trajecten (begintraject, traject met een andere vervoerswijze of eindtraject);

ii)

naam, adres en contactgegevens van de vervoerder (s) ; [Am. 38]

iii)

vervoerswijze en plaats daarvan in de vervoersketen;

g)

identificatie van de vervoerde intermodale laadeenheid;

h)

voor het begintraject over de weg:

i)

plaats van overslag van wegvervoer naar een andere vervoerswijze; [Am. 39]

ii)

afstand in vogelvlucht afstand van het begintraject over de weg tussen de plaats van verzending en de eerste overslagterminal vervoersterminal of het overslagterminalpunt ; [Am. 40]

iii)

na afloop van het begintraject over de weg, een handtekening van de vervoerder waarin wordt bevestigd dat het wegtraject heeft plaatsgevonden; [Am. 41: Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

i)

voor het eindtraject over de weg:

i)

plaats waar de goederen na het traject met een andere vervoerswijze dan wegvervoer (spoor, binnenvaart, zeevaart) worden overgeladen;

ii)

afstand in vogelvlucht van het eindtraject over de weg tussen de overslagplaats en de plaats waar het gecombineerd vervoer in de Unie eindigt; [Am. 42]

j)

voor het traject dat niet over de weg plaatsvindt:

i)

indien het traject dat niet over de weg plaatsvindt, voltooid is, een handtekening van de vervoerder (of vervoerders indien meer dan één traject niet over de weg plaatsvindt), om te bevestigen dat het vervoer met een andere vervoerswijze dan wegvervoer heeft plaatsgevonden;

ii)

indien beschikbaar, een handtekening of stempel van de spoorweg- spoorwegadministratie of havenadministraties van het bevoegde orgaan in de betrokken terminals (station of haven) langs het traject dat niet over de weg wordt afgelegd om te bevestigen dat het relevante deel dat niet over de weg plaatsvindt, voltooid is. [Am. 43]

j bis)

indien de maximumafstanden voor het traject over de weg in overeenstemming met artikel 1, lid 3, derde alinea, worden overschreden, de redenen hiervoor. [Am. 44]

3.   Er worden geen aanvullende documenten verlangd om te bewijzen dat de vervoerder gecombineerd vervoer verricht.

4.   Het in lid 1 bedoelde bewijs wordt overgelegd of verzonden op verzoek van de gemachtigde inspecteur van de lidstaat waar de controle wordt verricht en in het in lid 5 genoemde formaat . In het geval van controles langs de weg worden de bewijsstukken tijdens de controle en binnen maximaal 45 minuten overgelegd. De bewijsstukken worden Indien de bewijsstukken op het moment van de controle langs de weg niet beschikbaar gemaakt kunnen worden, dienen de onder letter h) iii) en letter j) van lid 2 genoemde handtekeningen binnen 5 dagen na de controle aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat in kwestie te worden voorgelegd of toegezonden. Het bewijs wordt overgelegd in een officiële taal van de lidstaat of in het Engels. Tijdens de controle langs de weg mag de bestuurder contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die hem kan helpen om de in lid 2 bedoelde bewijsstukken informatie te verstrekken. [Am. 45]

5.   Het bewijs kan worden geleverd middels een vervoersdocument dat voldoet aan de eisen van artikel 6 van verordening nr. 11 van de Raad, of middels andere bestaande vervoersdocumenten zoals de vervoersdocumenten in het kader van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot vrachtbrieven die genoemd worden in bestaande overeenkomsten inzake internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) of de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (CIM) of binnenlands vervoer, totdat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een standaardformulier vaststelt . [Am. 46]

Dit bewijs kan worden overgelegd of via elektronische weg worden verzonden in een wijzigbaar gestructureerd formaat dat rechtstreeks gebruikt kan worden voor opslag en verwerking door computers, inclusief ter aanvulling van de elektronische vrachtbrief in het kader van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (eCMR) bestaande overeenkomsten inzake internationaal of binnenlands vervoer. De autoriteiten van de lidstaten zullen worden verzocht elektronische informatie met betrekking tot het bewijs te accepteren. Indien de uitwisseling van informatie tussen autoriteiten en vervoerders langs elektronische weg plaatsvindt, wordt voor deze uitwisseling en de opslag van de informatie gebruik gemaakt van elektronische techniek voor gegevensverwerking. [Am. 47]

De lidstaten werken toe naar geleidelijke dematerialisatie van de documentatie en voorzien in een overgangsperiode totdat het gebruik van papier volledig wordt gestaakt. [Am. 48]

6.   Bij controles langs de weg is een afwijking van het feitelijke vervoer ten opzichte van het overgelegde bewijsmateriaal, met name wat betreft de routeïnformatie route-informatie als bedoeld in lid 2, onder g), letters f), h) en i ), toegestaan, mits die afwijking naar behoren wordt gemotiveerd en er sprake is van buitengewone omstandigheden buiten de wil van de vervoerder waardoor het verloop van het gecombineerde vervoer moet worden gewijzigd. Daartoe moet de bestuurder toestemming krijgen contact op te nemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of elke andere persoon of entiteit die een aanvullende rechtvaardiging kan verstrekken voor het verschil tussen het overgelegde bewijsmateriaal en het feitelijke vervoer.”; [Am. 49]

4)

Artikel 5 wordt vervangen door:

“Artikel 5

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie uiterlijk [xx/xx/xxxx — 18 twaalf maanden na de omzetting van de richtlijn] en vervolgens om de twee jaar een verslag in met de volgende informatie over het onder de richtlijn vallende gecombineerd vervoer op hun grondgebied: [Am. 50]

a)

binnenlandse en grensoverschrijdende vervoersverbindingen vervoerscorridors die voor gecombineerd vervoer worden gebruikt; [Am. 51]

b)

de totale en jaarlijkse hoeveelheid TEU (twenty-foot equivalent unit), het aantal tonkilometers gecombineerd vervoer per vervoerswijze (spoor, binnenvaart, enz… wegtraject/ander traject dan over de weg , namelijk per spoor , over binnenwateren of over zee ) en de geografische reikwijdte van dat vervoer (binnenlands, binnen de EU); [Am. 52]

c)

het aantal overslagverrichtingen uitgevoerd via bimodale technologie en de geografische dekking van deze overslagpunten, alsmede het aantal, de locatie en de geografische dekking van terminals voor gecombineerd vervoer met een overzicht opgesplitst naar vervoerswijze per terminal (wegtraject/ander traject dan over de weg, namelijk per spoor, over binnenwateren of over zee) en het jaarlijks aantal overslagverrichtingen alsmede een beoordeling van de capaciteit die in die terminals wordt gebruikt ; [Am. 53]

c bis)

veranderingen in het aandeel van gecombineerd vervoer en de verschillende vervoerswijzen op het grondgebied; [Am. 54]

d)

een overzicht van alle bestaande en geplande nationale steunmaatregelen, met inbegrip van hun respectievelijke gebruik en de beoordeelde impact op het gebruik van gecombineerd vervoer en de gevolgen ervan voor de sociale en ecologische duurzaamheid, bottlenecks, congestie, veiligheid en doelmatigheid ; [Am. 55]

d bis)

het aantal en de geografische locatie van de verrichtingen die de in artikel 1, lid 3, genoemde maximumafstand over de weg overschrijden; [Am. 56]

d ter)

de aanvangs- en eindpunten, op NUTS 3-niveau, van goederenstromen op de wegen van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V), zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad  (*1) . [Am. 57]

1 bis.     De Commissie publiceert de door de lidstaten verstrekte gegevens in een vorm die vergelijkingen tussen lidstaten mogelijk maakt. [Am. 58]

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen met een beschrijving van de inhoud en de details van de informatie inzake gecombineerd vervoer als bedoeld in lid 1.

3.   Op basis van een analyse van de nationale verslagen , alsmede statistische gegevens die zijn opgesteld op basis van gemeenschappelijke aanwijzingen en methoden voor de hele Unie, stelt de Commissie, een eerste maal uiterlijk op [xx/xx/xxxx — 9 maanden na de indieningstermijn voor de verslagen van de lidstaten] en vervolgens om de twee jaar, een verslag op ten behoeve van het Europees Parlement , de Raad en de Raad bevoegde instanties van de lidstaten over: [Am. 59]

a)

de economische ontwikkeling van het gecombineerd vervoer, op het niveau van de lidstaten en op dat van de hele Unie, met name in het licht van de ontwikkeling van de milieuprestaties van de verschillende vervoerswijzen; [Am. 60]

b)

de effecten van de tenuitvoerlegging van de richtlijn en de daarmee samenhangende wetgevingshandelingen van de Unie op dit gebied;

c)

de doelmatigheid en efficiency van de op grond van artikel 6 ingevoerde steunmaatregelen , met vermelding van de steunmaatregelen die het doeltreffendst worden geacht om het oorspronkelijke doel van deze richtlijn te dienen, alsmede best practices in de lidstaten ; [Am. 61]

c bis)

veranderingen in het gedeelte gecombineerd vervoer in elk van de lidstaten en op het niveau van de Unie, met het oog op de verwezenlijking van de vervoersdoelstellingen van de Unie tegen 2030 en 2050; [Am. 62]

d)

mogelijke verdere maatregelen, met inbegrip van een herziening van de definitie van gecombineerd vervoer in artikel 1 en , verbetering van de gegevensverzameling en publicatie van dergelijke gegevens op het niveau van de Unie, alsmede een aanpassing van de lijst van de in artikel 6 bedoelde maatregelen , met inbegrip van eventuele voorstellen voor wijziging van de regels inzake staatssteun ; [Am. 63]

(*1)   Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).”; "

(4 bis)

In artikel 6, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“1.   De Lid-Staten lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 3 vermelde belastingen op de wegvoertuigen (vrachtwagens, trekkers, aanhangwagens , opleggers, containers voor de binnenvaart of opleggers multimodale laadeenheden ), wanneer zij een traject afleggen in gecombineerd vervoer, binnen de grenzen, onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten die zij na overleg met de Commissie vaststellen, of wel forfaitair, of wel in verhouding tot het door deze voertuigen per spoor of over de binnenwateren afgelegde traject, worden verminderd of terugbetaald.”; [Am. 64]

(4 ter)

In artikel 6, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

“De in de eerste alinea bedoelde verminderingen of terugbetalingen worden door de Staat waar de voertuigen zijn geregistreerd, toegekend op basis van het in deze Staat per spoor of over de binnenwateren afgelegde traject.”; [Am. 65]

(4 quater)

In artikel 6, lid 1, wordt de derde alinea vervangen door:

“De Lid-Staten lidstaten mogen deze verminderingen of terugbetalingen echter toestaan met inachtneming van de trajecten per spoor of over de binnenwateren die gedeeltelijk dan wel volledig zijn afgelegd buiten de Lid-Staat lidstaat waar de voertuigen zijn geregistreerd.”; [Am. 66]

5)

Aan artikel 6 worden de volgende leden 4, 5, 6, 7 en 8 toegevoegd:

“4.   Indien zulks nodig is voor het bereiken van de in lid 8 bedoelde doelstelling nemen de lidstaten de nodige maatregelen om investeringen in overslagterminals vervoersterminals en overslagpunten te ondersteunen, voor wat betreft: [Am. 67]

a)

de bouw en, waar nodig, de uitbreiding van bestaande overslagterminals in gebieden waar binnen de in artikel 1, lid 3, genoemde afstand geen passende faciliteiten beschikbaar zijn, de bouw van vervoersterminals of de aanleg van overslagpunten voor gecombineerd vervoer , tenzij er geen behoefte is aan dergelijke faciliteiten omdat zij economisch niet relevant zijn of om redenen in verband met de geografische of natuurlijke omstandigheden in een bepaald gebied ; [Am. 68]

a bis)

in gebieden waar aanvullende terminalcapaciteit nodig is, de uitbreiding van bestaande terminals of de aanleg van bijkomende overslagpunten en, na een evaluatie van de economische impact waaruit blijkt dat de markt niet negatief beïnvloed zou worden en dat er nieuwe terminals nodig zijn en vooropgesteld dat het milieu in aanmerking wordt genomen, de bouw van nieuwe terminals voor gecombineerd vervoer; [Am. 69]

b)

de verhoging van de operationele efficiëntie in bestaande terminals, waaronder waarborging van bestaande de toegang tot deze terminals. [Am. 70]

Steunmaatregelen voor gecombineerd vervoer worden geacht verenigbaar te zijn met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, VWEU, en worden vrijgesteld van de kennisgevingsplicht uit artikel 108, lid 3, VWEU, mits ze niet meer dan 35 % van de totale kosten van de verrichting vertegenwoordigen. [Am. 71]

De lidstaten een en ander met de aangrenzende lidstaten en de Commissie en zien erop toe dat bij de uitvoering van dergelijke maatregelen voorrang wordt gegeven aan het garanderen van een evenwichtige en voldoende geografische spreiding van geschikte faciliteiten in de Unie, met name op het TEN-T-kernnetwerk en uitgebreide netwerk, zodat er binnen de Unie steeds een terminal beschikbaar is binnen een afstand van 150 km. de in artikel 1, lid 3, letter a), genoemde afstand . Bij het treffen van de in dit lid genoemde maatregelen houden de lidstaten naar behoren rekening met de noodzaak om:

a)

de verkeerscongestie terug te dringen, met name in stedelijke en randstedelijke gebieden alsmede in gebieden met natuurlijke hindernissen;

b)

grensoverschrijdende verbindingen te verbeteren;

c)

het isolement van gebieden waar infrastructuur ontbreekt, te verlichten en daarbij rekening te houden met de specifieke behoeften en beperkingen van perifere en ultraperifere regio's;

d)

de toegankelijkheid en connectiviteit te verbeteren, met name wat betreft de infrastructuur voor toegang tot overslagterminals; alsmede

e)

de overstap naar digitalisering te bespoedigen; alsmede

f)

de gevolgen van het goederenvervoer voor het milieu en de volksgezondheid te beperken, bijvoorbeeld door het bevorderen van de efficiëntie van voertuigen, het gebruik van alternatieve en minder vervuilende brandstoffen, het gebruik van hernieuwbare energie, ook in terminals, of het efficiënter gebruik van vervoersnetwerken door de inzet van informatie- en communicatietechnologie. [Am. 72]

De lidstaten zien erop toe dat overslagfaciliteiten waarvoor steun wordt verleend zonder discriminatie voor alle marktdeelnemers toegankelijk zijn.

De lidstaten kunnen aan de verleende steun aanvullende voorwaarden koppelen. Zij stellen de betrokken partijen hiervan op de hoogte. [Am. 73]

5.    Uiterlijk op 31 december 2021 nemen d e lidstaten kunnen aanvullende maatregelen nemen van economische of wetgevende aard om de concurrentiepositie van het gecombineerd vervoer te versterken ten opzichte van gelijkwaardig vervoer over de weg , met name om de benodigde tijd en de kosten voor overslagverrichtingen te verminderen . [Am. 74]

Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op het gecombineerd vervoer als geheel of op of een deel daarvan, zoals het traject over de weg of met een andere vervoerswijze, met inbegrip van het daarvoor gebruikte voertuig, de laadeenheden of overslagverrichtingen.

Teneinde de benodigde tijd en de kosten voor overslagverrichtingen te verminderen omvatten de in alinea 1 benoemde maatregelen een of meer van de volgende stimulansen:

a)

een ontheffing voor vervoerders van de in artikel 2 van Richtlijn 1999/62/EG genoemde externekostenheffingen en/of congestieheffingen, met name in het geval van voertuigen die met alternatieve brandstoffen worden aangedreven, zoals bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad  (*2) ;

b)

een vergoeding voor bedrijven die verrichtingen doen als onderdeel van gecombineerd vervoer, voor de kosten van het gebruik van bepaalde infrastructuur;

c)

een ontheffing voor vervoerders van de beperkingen die krachtens nationale vervoersverboden gelden. [Am. 75]

Indien de lidstaten aanvullende maatregelen treffen dienen zij tevens rekening te houden met de noodzaak om de overstap naar digitalisering van de sector gecombineerd vervoer te bespoedigen, door met name:

a)

de integratie van verbonden systemen en de automatisering van verrichtingen te stimuleren;

b)

de investeringen in digitale logistiek, informatie- en communicatietechnologie en slimme vervoersystemen te verbeteren; alsmede

c)

het gebruik van papieren documenten in de toekomst geleidelijk af te schaffen. [Am. 76]

5 bis.     Dergelijke aanvullende maatregelen omvatten stimulansen voor het gebruik van trajecten die niet over de weg plaatsvinden. De lidstaten treffen onder andere maatregelen voor het vergroten van het concurrentievermogen van vervoer over de waterwegen, zoals financiële prikkels voor het gebruik van routes voor korte vaart of over binnenwateren of voor de totstandbrenging van nieuwe kortevaartverbindingen. [Am. 77]

6.   De lidstaten brengen aan de Commissie verslag uit over de krachtens dit artikel genomen maatregelen en de specificaties daarvan.

7.   De lidstaten beoordelen het effect van die steunmaatregelen en evalueren de behoefte aan die maatregelen minstens om de vier jaar, waarna zij de maatregelen indien nodig aanpassen.

8.   De lidstaten waarborgen dat steunmaatregelen voor gecombineerd vervoer tot doel hebben het goederenvervoer over de weg terug te dringen en het gebruik van andere vervoerswijzen, zoals het spoor, de binnenvaart en de zeevaart, lage-emissievoertuigen, het gebruik van alternatieve brandstoffen met lagere emissies, zoals biobrandstoffen, elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, aardgas of waterstofcellen aan te moedigen, waardoor de luchtverontreiniging, de uitstoot van broeikasgassen, het aantal verkeersongevallen, de lawaaihinder en de congestie afnemen. [Am. 78]

(*2)   Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).”; "

6)

De artikelen 7 en 9 worden geschrapt.

7)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

“Artikel 9 bis

1.   De lidstaten wijzen één of meer bevoegde instanties aan die met de tenuitvoerlegging van deze richtlijn worden belast en die daarvoor als belangrijkste aanspreekpunt optreden.

De lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie in kennis van de in de eerste alinea bedoelde bevoegde instanties.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale bevoegde instanties samenwerken met de bevoegde instanties van andere lidstaten. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde instanties elkaar de informatie verstrekken die nodig is voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Ten aanzien van de uitgewisselde informatie is de ontvangende instantie gehouden hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid in acht te nemen als de informatieverstrekkende instantie.

3.   De lidstaten publiceren op internet op gemakkelijk toegankelijke wijze en gratis relevante informatie over de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 6 hebben genomen, alsmede andere informatie die relevant is voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. [Am. 79]

4.   De Commissie publiceert op internet en actualiseert desgevallend de lijst van de in lid 1 bedoelde bevoegde instanties en de lijst van de in artikel 6 bedoelde maatregelen.”; [Am. 80]

8)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

“Artikel 10 bis

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om de in artikel 5, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze (wijzigings)richtlijn] voor onbepaalde tijd verleend. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 81]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (*3).

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 5, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

(*3)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.”"

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op XXXXXX [één jaar na de vaststelling van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 52.

(2)  Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 maart 2019.

(4)  Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38).

(5)   Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).

(6)   Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72).

(7)   Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).

(8)   Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”) (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11).

(9)   Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42).

(10)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/623


P8_TA(2019)0309

Openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198 — C8-0146/2016 — 2016/0107(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/46)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0198),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 50, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0146/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door de Ierse Houses of the Oireachtas en het Zweedse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016 (1),

gezien het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (Base Erosion and Profit Shifting, hierna “BEPS” genoemd) van de OESO,

gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie juridische zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0227/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (2);

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 487 van 28.12.2016, blz. 62.

(2)  Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 4 juli 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0284).


P8_TC1-COD(2016)0107

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 50, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(-1)

Een gelijke fiscale behandeling voor iedereen, en met name voor alle ondernemingen, is een conditio sine qua non voor de eengemaakte markt. Een gecoördineerde en geharmoniseerde benadering van de tenuitvoerlegging van nationale belastingstelsels is van vitaal belang om ervoor te zorgen dat de eengemaakte markt naar behoren functioneert en zou ertoe bijdragen dat belastingontwijking en winstverschuiving worden voorkomen. [Am. 1]

(-1 bis)

Belastingontduiking en belastingontwijking hebben er samen met regelingen inzake winstverschuiving toe geleid dat regeringen en bevolkingen zijn beroofd van de middelen die nodig zijn om, onder andere, universele vrije toegang tot openbare onderwijs- en gezondheidsdiensten en sociale diensten van de overheid te waarborgen, en hebben landen de mogelijkheid ontnomen om te zorgen voor een aanbod van betaalbare woningen en betaalbaar openbaar vervoer en de noodzakelijke infrastructuur aan te leggen om sociale ontwikkeling en economische groei tot stand te brengen. Kortom, dergelijke regelingen hebben bijgedragen aan onrechtvaardigheid, ongelijkheid en economische, sociale en territoriale verschillen. [Am. 2]

(-1 ter)

Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel moet tegemoetkomen aan de dringende behoefte om een progressief en eerlijk mondiaal belastingbeleid tot stand te brengen, moet de herverdeling van de welvaart bevorderen en ongelijkheden wegwerken. [Am. 3]

(1)

Transparantie is van essentieel belang voor een goede werking van de eengemaakte markt. Ontwijking van vennootschapsbelasting is de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormt in de Unie en wereldwijd een grote reden tot bezorgdheid. De Europese Raad erkende in zijn conclusies van 18 december 2014 dat de inspanningen voor de bestrijding van belastingontwijking dringend moeten worden opgevoerd, zowel wereldwijd als op EU-niveau. De Commissie heeft in haar mededelingen “Het werkprogramma van de Commissie voor 2016. Tijd voor verandering” (3) en “Het werkprogramma van de Commissie voor 2015. Een nieuwe start” (4) de noodzaak om over te stappen op een systeem waarin het land waar winst wordt gemaakt, ook het land is waar belasting wordt geheven, als prioriteit aangeduid. De Commissie heeft ook de noodzaak om tegemoet te komen aan de roep vanuit om transparantie van de samenleving Europese burgers en de noodzaak om rechtvaardigheid en fiscale transparantie als referentiemodel voor andere landen op te treden als een prioriteit aangegeven. Het is van essentieel belang dat er bij transparantie sprake is van wederkerigheid tussen concurrenten. [Am. 4]

(2)

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 16 december 2015 over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie (5) de belastinginning kan verbeteren, de werkzaamheden van de belastinginstanties efficiënter kan maken , beleidsmakers kan ondersteunen bij de beoordeling van het huidige belastingstelsel met het oog op de ontwikkeling van toekomstige wetgeving, het vertrouwen van de burger in belastingstelsels en regeringen kan vergroten en voor een betere besluitvorming betreffende investeringen op basis van nauwkeurigere risicoprofielen van ondernemingen kan zorgen . [Am. 5]

(2 bis)

Openbare rapportage per land vormt een doeltreffend en passend instrument om de transparantie met betrekking tot de activiteiten van multinationale ondernemingen te vergroten en de bevolking in staat te stellen het effect van deze activiteiten op de reële economie te beoordelen. Ook is het geschikt om aandeelhouders beter in staat te stellen de door ondernemingen genomen risico's naar behoren te evalueren, zal het zorgen voor investeringsstrategieën op basis van nauwkeurige informatie en zal het besluitvormers meer mogelijkheden geven om de doeltreffendheid en de effecten van nationale wetgeving te beoordelen. [Am. 6]

(2 ter)

Rapportage per land zal ook positieve gevolgen hebben voor het recht van werknemers op informatie en raadpleging, zoals bedoeld in Richtlijn 2002/14/EG en, doordat er meer kennis over de activiteiten van ondernemingen beschikbaar wordt, voor de kwaliteit van de intensieve dialoog binnen ondernemingen. [Am. 7]

(3)

Naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad van 22 mei 2013 werd in Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) een evaluatieclausule ingevoegd waarbij de Commissie wordt opgedragen de mogelijkheid te onderzoeken om voor grote ondernemingen van andere bedrijfssectoren een verplichting in te voeren om jaarlijks een rapportage per land op te stellen, rekening houdend met de ontwikkelingen in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en met de resultaten van aanverwante Europese initiatieven.

(4)

In november 2015 pleitte de G20 voor een wereldwijd eerlijk en modern internationaal belastingstelsel en bekrachtigde ze het “actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving” (Base Erosion and Profit Shifing Shifting , hierna “BEPS” genoemd) van de OESO, dat erop gericht was overheden duidelijke internationale oplossingen aan te reiken voor het aanpakken van de leemtes en mismatches in de bestaande regels waardoor bedrijfswinsten kunnen worden verplaatst naar plaatsen waar geen of een lage belasting wordt geheven, maar waar mogelijk geen reële waarde wordt gecreëerd. Met name BEPS-actie 13 voorziet in de invoering voor bepaalde multinationale ondernemingen van een rapportage per land die op vertrouwelijke basis aan de nationale belastingautoriteiten moet worden verstrekt. Op 27 januari 2016 heeft de Commissie het “pakket anti-ontgaansmaatregelen” goedgekeurd. Een van de doelstellingen van dat pakket is om BEPS-actie 13 in het recht van de Unie om te zetten door Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (7) te wijzigen. Voor het belasten van winsten waar de waarde wordt gecreëerd, is er echter een bredere benadering van rapportage per land nodig die is gebaseerd op openbare rapportage. [Am. 8]

(4 bis)

De International Accounting Standards Board (IASB) moet de desbetreffende internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) en de internationale standaard voor jaarrekeningen (IAS) verbeteren om de invoering van verplichtingen inzake openbare rapportage per land te vergemakkelijken. [Am. 9]

(4 ter)

Openbare rapportage per land werd in de Unie al ingevoerd in de bankensector door Richtlijn 2013/36/EU, alsook in de winningsindustrie en in de houtkap door Richtlijn 2013/34/EU. [Am. 10]

(4 quater)

De Unie heeft met een nooit eerder vertoonde invoering van openbare rapportage per land aangetoond dat zij een wereldspeler is geworden in de strijd tegen belastingontwijking. [Am. 11]

(4 quinquies)

Aangezien de strijd tegen belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning enkel succesvol kan zijn door middel van een gemeenschappelijk optreden op internationaal niveau, is het absoluut noodzakelijk dat de Unie niet alleen een positie als wereldleider blijft innemen in deze strijd, maar dat ze haar acties ook coördineert met internationale actoren, bijvoorbeeld in het kader van de OESO. Unilaterale acties, hoe ambitieus ze ook zijn, hebben geen echte kans van slagen, brengen bovendien het concurrentievermogen van Europese ondernemingen in gevaar en schaden het investeringsklimaat in de Unie. [Am. 12]

(4 sexies)

Grotere transparantie inzake financiële openbaarmaking leidt tot een win-winsituatie, omdat belastingautoriteiten doeltreffender zullen zijn, het maatschappelijk middenveld meer betrokken zal zijn, werknemers over een betere kennis van zaken zullen beschikken en investeerders minder risicomijdend gedrag zullen vertonen. Bovendien zullen ondernemingen voordeel halen uit betere relaties met belanghebbende partijen, wat op zijn beurt zal leiden tot meer stabiliteit en een gemakkelijkere toegang tot financiering vanwege een duidelijker risicoprofiel en een betere reputatie. [Am. 13]

(5)

Naast een verhoogde transparantie door middel van rapportage per land aan nationale belastingautoriteiten, vormt een beter publiek toezicht op de vennootschapsbelasting ten laste van multinationale ondernemingen die activiteiten in de Unie verrichten een essentieel element om de verantwoordingsplicht van bedrijven te stimuleren en maatschappelijk verantwoord ondernemen verder te bevorderen, om tot de welvaart bij te dragen door belastingen te betalen, een eerlijkere belastingconcurrentie binnen de Unie te stimuleren door middel van een beter onderbouwd openbaar debat en het publieke vertrouwen in de billijkheid van de nationale belastingstelsels te herstellen. Dit publiek toezicht kan worden bereikt door middel van een verslag met informatie over de winstbelasting, ongeacht waar de uiteindelijke moederonderneming van de multinationale groep is gevestigd. Publiek toezicht moet echter worden uitgeoefend zonder schade toe te brengen aan het investeringsklimaat in de Unie of aan het concurrentievermogen van ondernemingen in de Unie, met name kmo's als gedefinieerd in deze richtlijn en midcap-ondernemingen als gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/1017  (8) , die moeten worden uitgezonderd van de op grond van deze richtlijn ingestelde rapportageverplichting . [Am. 14]

(5 bis)

De Commissie heeft maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) gedefinieerd als de verantwoordelijkheid die ondernemingen dragen voor de effecten van hun activiteiten op de samenleving. MVO moet door ondernemingen worden aangestuurd. De overheid kan een ondersteunende rol spelen door middel van een slimme mix van vrijwillige beleidsmaatregelen en, waar nodig, aanvullende regelgeving. Ondernemingen kunnen maatschappelijk verantwoord worden door zich aan de wet te houden of door sociale, ecologische, ethische, consument- of mensenrechtengerelateerde aspecten te integreren in hun bedrijfsstrategie en -activiteiten, of door beide te doen. [Am. 15]

(6)

Het publiek moet alle activiteiten van een groep nauwlettend kunnen volgen als die groep vestigingen heeft in en buiten de Unie. Voor groepen die alleen via dochterondernemingen of bijkantoren activiteiten in de Unie uitoefenen, moeten de dochterondernemingen en bijkantoren het verslag van de uiteindelijke moederonderneming publiceren en toegankelijk maken. Omwille van de evenredigheid en doeltreffendheid moet de verplichting om het verslag te publiceren en toegankelijk te maken beperkt blijven tot middelgrote of grote in de Unie gevestigde dochterondernemingen of in een lidstaat opgerichte bijkantoren van een vergelijkbare grootte. Het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/34/EU moet daarom dienovereenkomstig worden uitgebreid tot bijkantoren die in een lidstaat zijn opgericht door een onderneming die buiten de Unie is gevestigd Groepen met vestigingen in de Unie moeten de EU-beginselen van goed fiscaal bestuur naleven. Multinationale ondernemingen zijn wereldwijd actief en hun ondernemingsgedrag heeft een aanzienlijke impact op ontwikkelingslanden. Door toegang te krijgen tot bedrijfsinformatie per land zouden burgers en belastingautoriteiten in deze landen toezicht kunnen houden op deze bedrijven, ze kunnen beoordelen en ter verantwoording kunnen roepen. Door de informatie openbaar te maken voor elk fiscaal rechtsgebied waar de multinationale onderneming actief is, zou de Unie haar beleidscoherentie voor ontwikkeling kunnen verhogen en potentiële constructies om belastingen te ontwijken aan banden kunnen leggen in landen waar de mobilisering van binnenlandse middelen is aangemerkt als een centraal onderdeel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie. [Am. 16]

(7)

Om dubbele rapportage voor de banksector te voorkomen, moeten de uiteindelijke moederondernemingen die onder Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) vallen en die in hun verslag overeenkomstig artikel 89 van Richtlijn 2013/36/EU al hun activiteiten en alle activiteiten van de verbonden ondernemingen die in de geconsolideerde financiële overzichten zijn opgenomen vermelden, met inbegrip van activiteiten die niet onder de bepalingen in deel drie, titel 1, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10) vallen, van de rapportagevereisten in deze richtlijn worden vrijgesteld.

(8)

Het verslag met informatie over de winstbelasting moet informatie verschaffen over alle activiteiten van een onderneming of van alle verbonden ondernemingen van een groep waarover een uiteindelijke moederonderneming zeggenschap uitoefent. Deze informatie moet gebaseerd zijn op rekening houden met de specificaties voor de rapportage in BEPS-actie 13 en moet beperkt zijn tot wat nodig is om een doeltreffend publiek toezicht mogelijk te maken, teneinde te voorkomen dat de openbaarmaking voor de ondernemingen in kwestie tot onevenredige risico's of nadelen leidt op het vlak van concurrentievermogen of verkeerde interpretaties . Het verslag moet ook een korte beschrijving van de aard van de activiteiten bevatten. Die beschrijving kan gebaseerd zijn op de indeling in tabel 2 van bijlage III bij hoofdstuk V van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen op het gebied van documentatie. Het verslag moet een algemene commentaar met uitleg bevatten , ook als er op groepsniveau grote discrepanties bestaan tussen de toerekenbare belastingen en de betaalde belastingen, rekening houdend met de overeenkomstige bedragen in vorige boekjaren. [Am. 17]

(9)

Om te zorgen voor een mate van detail waardoor burgers beter kunnen beoordelen hoe multinationale ondernemingen in elke lidstaat tot de welvaart bijdragen, moet de informatie per lidstaat worden uitgesplitst. Bovendien moet de informatie over de activiteiten van multinationale ondernemingen ook sterk in detail worden weergegeven voor bepaalde fiscale rechtsgebieden die een specifieke uitdaging vormen. Voor de activiteiten in alle andere derde landen moet de informatie in geaggregeerde cijfers worden weergegeven in elk rechtsgebied waar zij actief zijn, zowel binnen als buiten de Unie, zonder dat het concurrentievermogen van de ondernemingen schade ondervindt, moet de informatie per rechtsgebied worden uitgesplitst. Verslagen met informatie over de winstbelasting kunnen pas op zinvolle wijze worden begrepen en gebruikt indien de gegevens worden uitgesplitst voor elk fiscaal rechtsgebied . [Am. 18]

(9 bis)

Indien de informatie die openbaar moet worden gemaakt, door de onderneming als commercieel gevoelige informatie kan worden beschouwd, moet de onderneming de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is, toestemming kunnen vragen om de informatie niet volledig openbaar te maken. Ingeval de nationale bevoegde autoriteit geen belastingautoriteit is, moet de bevoegde belastingautoriteit bij het besluit worden betrokken. [Am. 82]

(10)

Om de verantwoordelijkheid ten opzichte van derden te versterken en passend bestuur te garanderen, moeten de leden van de administratieve, leidinggevende en toezichthoudende organen van de uiteindelijke moederonderneming die in de Unie is gevestigd en die verplicht is het verslag met informatie over de winstbelasting op te stellen, te publiceren en toegankelijk te maken, collectief verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de naleving van die rapportageverplichtingen. Aangezien de leden van de administratieve, leidinggevende en toezichthoudende organen van dochterondernemingen die in de Unie zijn gevestigd en waarover een buiten de Unie gevestigde uiteindelijke moederonderneming zeggenschap uitoefent of de perso(o)n(en) die voor het bijkantoor met de openbaarmakingsformaliteiten is (zijn) belast, mogelijk maar over een beperkte kennis beschikken van de inhoud van het door de uiteindelijke moederonderneming opgestelde verslag met informatie over de winstbelasting, moet hun verantwoordelijkheid om het verslag met informatie over de winstbelasting te publiceren en toegankelijk te maken, beperkt zijn.

(11)

Om ervoor te zorgen dat gevallen van niet-naleving openbaar worden gemaakt, moet(en) de wettelijke auditor(s) of het auditkantoor (de auditkantoren) nagaan of het verslag met informatie over de winstbelasting overeenkomstig deze richtlijn is ingediend en gepresenteerd en op de website van de betrokken onderneming of op de website van een verbonden onderneming beschikbaar is , alsook of openbaar gemaakte informatie overeenstemt met de gecontroleerde financiële informatie van de onderneming, binnen de termijnen als bepaald in deze richtlijn . [Am. 19]

(11 bis)

Gevallen van inbreuk door ondernemingen en bijkantoren met betrekking tot de vereisten inzake de rapportage van informatie over de winstbelasting die leiden tot sancties van lidstaten in het kader van Richtlijn 2013/34/EU, moeten worden gemeld in een openbaar register dat door de Commissie wordt beheerd. Deze sancties kunnen onder meer bestaan uit administratieve boetes of uitsluiting van openbare aanbestedingen en van de toekenning van financiering uit de structuurfondsen van de Unie. [Am. 20]

(12)

Met deze richtlijn wordt beoogd de transparantie en het publieke toezicht op de vennootschapsbelasting te vergroten door het bestaande rechtskader betreffende de verplichtingen voor vennootschappen en ondernemingen met betrekking tot de publicatie van verslagen aan te passen om de belangen zowel van deelnemers als van derden te beschermen in de zin van artikel 50, lid 2, onder g), VWEU. Zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld, met name in zaak C-97/96, Verband deutscher Daihatsu-Händler (11), spreekt artikel 50, lid 2, onder g), VWEU van de bescherming van de belangen van derden in het algemeen, zonder daarbij onderscheid te maken of bepaalde categorieën uit te zonderen. Overigens kan de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging, die artikel 50, lid 1, VWEU in zeer ruime bewoordingen aan de instellingen tot taak stelt, niet door artikel 50, lid 2, VWEU worden ingeperkt. Aangezien deze richtlijn niet de harmonisatie van belastingen betreft, maar alleen verplichtingen om verslagen met informatie over de winstbelasting te publiceren, vormt artikel 50, lid 1, VWEU de passende rechtsgrondslag.

(13)

Om vast te stellen voor welke fiscale rechtsgebieden sterk in detail moet worden getreden, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid om handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot het opstellen van een gemeenschappelijke Unielijst met die fiscale rechtsgebieden. Die lijst moet worden opgesteld op basis van een aantal criteria, die zijn vastgesteld op basis van bijlage 1 bij de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024). Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat deze raadplegingen worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven, zoals goedgekeurd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en waarvan de formele ondertekening wordt verwacht. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 21]

(13 bis)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de tenuitvoerlegging van artikel 48 ter, leden 1, 3, 4, en 6, en artikel 48 quater, lid 5, van Richtlijn 2013/34/EU moeten er ook aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad  (12) . [Am. 22]

(14)

Daar de doelstelling van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Een optreden van de Unie is dus gerechtvaardigd om de grensoverschrijdende dimensie bij agressieve fiscale planning of verrekenprijsregelingen aan te pakken. Dit initiatief komt tegemoet aan de bezorgdheid die de belanghebbende partijen uitspreken in verband met de noodzaak om iets te doen aan verstoringen op de eengemaakte markt zonder afbreuk te doen aan het concurrentievermogen van de Unie. Het mag geen onnodige administratieve lasten voor ondernemingen veroorzaken, niet tot verdere fiscale disputen leiden of geen risico van dubbele belasting doen ontstaan. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken , althans wat grotere transparantie betreft . [Am. 23]

(15)

Deze In het kader van deze richtlijn staat de omvang van de openbaar gemaakte informatie in het algemeen in verhouding tot de doelstellingen om grotere openbare transparantie en meer publiek toezicht tot stand te brengen. Deze richtlijn eerbiedigt wordt derhalve geacht de grondrechten te eerbiedigen en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. [Am. 24]

(16)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (13) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht , bijvoorbeeld in de vorm van een vergelijkende grafiek . Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd om de doelstelling van deze richtlijn te verwezenlijken en mogelijke weglatingen en inconsistenties te voorkomen in verband met de tenuitvoerlegging door de lidstaten krachtens hun nationale wetgeving . [Am. 25]

(17)

Richtlijn 2013/34/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn 2013/34/EU

Richtlijn 2013/34/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 1 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:

“1 bis.   De coördinatiemaatregelen die bij de artikelen 2, 48 bis tot en met 48 octies en 51 worden voorgeschreven, zijn ook van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot bijkantoren die in een lidstaat zijn opgericht door een onderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt, maar een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een van de in bijlage I genoemde ondernemingsvormen.”;

2)

het volgende hoofdstuk 10 bis wordt ingevoegd:

“Hoofdstuk 10 bis

Verslag met informatie over de winstbelasting

Artikel 48 bis

Definities inzake de rapportage van informatie over de winstbelasting

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1)

“uiteindelijke moederonderneming”: een onderneming die de geconsolideerde financiële overzichten opstelt van het grootste geheel van ondernemingen;

2)

“geconsolideerde financiële overzichten”: de financiële overzichten die zijn opgesteld door een moederonderneming van een groep en waarin de activa, de passiva, het eigen vermogen, de baten en de lasten worden gepresenteerd als die van één economische eenheid;

3)

“fiscaal rechtsgebied”: een rechtsgebied van een staat of een niet-staat dat fiscale autonomie heeft wat de vennootschapsbelasting betreft.

Artikel 48 ter

Ondernemingen en bijkantoren die over informatie over de winstbelasting moeten rapporteren

1.   De lidstaten schrijven voor dat onder hun nationale recht vallende uiteindelijke moederondernemingen met een geconsolideerde netto-omzet van meer dan750 000 000 EUR of meer en onder hun nationale recht vallende ondernemingen die geen verbonden ondernemingen zijn en een netto-omzet van meer dan750 000 000 EUR of meer realiseren, jaarlijks een verslag met informatie over de winstbelasting moeten opstellen en publiceren gratis beschikbaar moeten stellen voor het publiek . [Am. 26]

Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat gratis beschikbaar is in een opendata-formaat en wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag ook opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie .

De lidstaten passen de in dit lid bedoelde regels niet toe indien deze ondernemingen enkel gevestigd zijn op het grondgebied van één enkele lidstaat en in geen enkel ander fiscaal rechtsgebied. [Am. 27]

2.   De lidstaten passen de in lid 1 van dit artikel bedoelde regels niet toe op uiteindelijke moederondernemingen als die ondernemingen of hun verbonden ondernemingen onder artikel 89 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1) vallen en in een verslag per land informatie vermelden over alle activiteiten van alle verbonden ondernemingen die in het geconsolideerde financiële overzicht van die uiteindelijke moederondernemingen zijn opgenomen.

3.   De lidstaten schrijven voor dat de in artikel 3, leden 3 en 4, bedoelde middelgrote en grote dochterondernemingen die onder hun nationale recht vallen en waarover een uiteindelijke moederonderneming die op de balans van een boekjaar een geconsolideerde netto-omzet van meer dan750 000 000 EUR realiseert of meer heeft en niet onder het recht van een lidstaat valt, zeggenschap uitoefent, jaarlijks het verslag met informatie over de winstbelasting van die uiteindelijke moederonderneming moeten publiceren. [Am. 28]

Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat gratis beschikbaar is in een opendata-formaat en wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de dochteronderneming of op de website van een verbonden onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag ook opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie . [Am. 29]

4.   De lidstaten schrijven voor dat bijkantoren die op hun grondgebied zijn opgericht door een onderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt, jaarlijks het verslag met informatie over de winstbelasting van de in lid 5, onder a), van dit artikel bedoelde uiteindelijke moederonderneming moeten publiceren en gratis beschikbaar moeten stellen voor het publiek . [Am. 30]

Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat beschikbaar is in een opendata-formaat en in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van het bijkantoor of op de website van een verbonden onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag ook opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie . [Am. 31]

De lidstaten passen de eerste alinea van dit lid alleen toe op bijkantoren met een netto-omzet die groter is dan de drempelwaarde voor de netto-omzet die overeenkomstig artikel 3, lid 2, in de wetgeving van elke lidstaat is vastgesteld.

5.   De lidstaten passen de in lid 4 bedoelde regels alleen toe op een bijkantoor als aan de volgende criteria is voldaan:

a)

de onderneming die het bijkantoor heeft opgericht is ofwel een verbonden onderneming van een groep waarover een uiteindelijke moederonderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt en op haar balans een geconsolideerde netto-omzet van meer dan750 000 000 EUR realiseert of meer heeft , zeggenschap uitoefent, ofwel een onderneming die geen verbonden onderneming is en een netto-omzet van meer dan750 000 000 EUR of meer realiseert; [Am. 32]

b)

de onder a) bedoelde uiteindelijke moederonderneming heeft geen middelgrote of grote dochteronderneming als bedoeld in lid 3 die reeds onder de rapportageverplichtingen valt . [Am. 33]

6.   De lidstaten passen de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde regels niet toe indien een verslag met informatie over de winstbelasting dat overeenkomstig artikel 48 quater is opgesteld, binnen een redelijke termijn van niet meer dan 12 maanden na balansdatum publiek toegankelijk wordt gemaakt op de website van de uiteindelijke moederonderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt, en indien in het verslag de naam en statutaire zetel worden vermeld van de ene dochteronderneming die of het ene bijkantoor dat onder het recht van een lidstaat valt en het verslag overeenkomstig artikel 48 quinquies, lid 1, heeft gepubliceerd.

7.   De lidstaten schrijven voor dat dochterondernemingen of bijkantoren die niet onder de bepalingen van de leden 3 en 4 vallen, het verslag met informatie over de winstbelasting moeten publiceren en toegankelijk maken als die dochterondernemingen of bijkantoren zijn opgericht met als doel de rapportageverplichtingen in dit hoofdstuk te ontwijken.

7 bis.     Voor de lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd, wordt de tegenwaarde van de in de leden 1, 3 en 5 vastgestelde bedragen in de nationale munteenheid verkregen door toepassing van de wisselkoers die wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en die van kracht is met ingang van de datum waarop dit hoofdstuk in werking treedt. [Am. 34]

Artikel 48 quater

Inhoud van het verslag met informatie over de winstbelasting

1.   Het verslag met informatie over de winstbelasting omvat informatie over alle activiteiten van de onderneming en de uiteindelijke moederonderneming, met inbegrip van de activiteiten van alle verbonden ondernemingen die in het financiële overzicht van het desbetreffende boekjaar zijn geconsolideerd.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt gepresenteerd in een gemeenschappelijk model en omvat het de volgende gegevens, uitgesplitst per fiscaal rechtsgebied : [Am. 35]

a)

een de naam van de uiteindelijke onderneming en, in voorkomend geval, de lijst van alle dochterondernemingen, een korte beschrijving van de aard van de hun activiteiten en hun respectieve geografische ligging ; [Am. 36]

b)

het aantal werknemers , uitgedrukt in voltijdequivalenten ; [Am. 37]

b bis)

vaste activa, andere dan geldmiddelen of kasequivalenten; [Am. 38]

c)

het bedrag van de netto-omzet, met inbegrip van waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de met verbonden partijen gerealiseerde omzet en de met niet-verbonden partijen gerealiseerde omzet; [Am. 39]

d)

het bedrag van de winst of het verlies vóór winstbelasting;

e)

het bedrag van de toerekenbare winstbelasting (lopend boekjaar) — dit zijn de belastinglasten van het lopende jaar die in de belastbare winsten of verliezen van het boekjaar zijn opgenomen door ondernemingen en bijkantoren die fiscaal inwoner zijn van het desbetreffende fiscaal rechtsgebied;

f)

het bedrag van de betaalde winstbelasting — dit is het bedrag van de winstbelasting die ondernemingen en bijkantoren die fiscaal inwoner zijn van het desbetreffende fiscaal rechtsgebied tijdens het desbetreffende boekjaar hebben betaald;

g)

het bedrag van de gecumuleerde winst;

g bis)

maatschappelijk kapitaal; [Am. 40]

g ter)

ontvangen overheidssubsidies en eventuele donaties aan politici, aan politieke partijen en stichtingen met een politiek doel; [Am. 65]

g quater)

of ondernemingen, dochterondernemingen of bijkantoren een preferentiële fiscale behandeling genieten in het kader van een octrooibox of equivalente regelingen. [Am. 41]

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder e), hebben de belastinglasten van het lopende jaar alleen betrekking op de activiteiten van een onderneming in het lopende boekjaar en omvatten deze geen uitgestelde belastingen of voorzieningen voor onzekere belastingverplichtingen.

3.   In het verslag wordt de in lid 2 bedoelde informatie voor elke lidstaat afzonderlijk weergegeven. Wanneer een lidstaat meerdere fiscale rechtsgebieden omvat, wordt de informatie op het niveau van de lidstaat samengevoegd voor elk fiscaal rechtsgebied afzonderlijk weergegeven . [Am. 42]

Het verslag bevat ook de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie afzonderlijk voor elk fiscaal rechtsgebied dat aan het einde van het vorige boekjaar was opgenomen in de overeenkomstig artikel 48 octies opgestelde gemeenschappelijke Unielijst met bepaalde fiscale rechtsgebieden, tenzij in het verslag, onder de in artikel 48 sexies bedoelde verantwoordelijkheid, uitdrukkelijk wordt bevestigd dat de verbonden ondernemingen van een groep die onder het recht van dat fiscaal rechtsgebied vallen, niet rechtstreeks transacties uitvoeren met een verbonden onderneming van dezelfde groep die onder het recht van een lidstaat valt buiten de Unie . [Am. 43]

In het verslag wordt de in lid 2 bedoelde informatie voor andere fiscale rechtsgebieden op geaggregeerde basis weergegeven. [Am. 44]

Om commercieel gevoelige informatie te beschermen en eerlijke concurrentie te waarborgen, kunnen de lidstaten toestaan dat een of meerdere specifieke gegevens als vermeld in dit artikel tijdelijk worden weggelaten uit het verslag wat activiteiten in een of meerdere specifieke fiscale rechtsgebieden betreft, indien deze van dien aard zijn dat de openbaarmaking ervan ernstige schade zou toebrengen aan de commerciële positie van de ondernemingen als bedoeld in artikel 48 ter, lid 1, en artikel 48 ter, lid 3, waarmee deze gegevens verband houden. Het weglaten van gegevens mag een eerlijk en evenwichtig inzicht in de fiscale positie van de onderneming niet in de weg staan. In het verslag wordt aangegeven dat er gegevens zijn weggelaten, vergezeld van een naar behoren gemotiveerde uitleg voor elk fiscaal rechtsgebied en met verwijzing naar het fiscale rechtsgebied of de fiscale rechtsgebieden in kwestie. [Am. 83]

De lidstaten zorgen ervoor dat het weglaten van gegevens enkel mogelijk is met voorafgaande toestemming van de nationale bevoegde autoriteit. De onderneming verzoekt elk jaar opnieuw om toestemming van de bevoegde autoriteit, die haar besluit baseert op een nieuwe beoordeling van de situatie. Indien de weggelaten informatie niet langer voldoet aan de voorwaarde als vastgesteld in alinea 3 bis, wordt ze onmiddellijk openbaar gemaakt. Na afloop van de periode gedurende welke de informatie niet openbaar hoeft te worden gemaakt, maakt de onderneming ook de krachtens dit artikel vereiste informatie over de voorgaande jaren waarin de informatie niet openbaar hoefde te worden gemaakt, openbaar in de vorm van een rekenkundig gemiddelde. [Am. 69/rev]

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de verlening van een dergelijke tijdelijke afwijking en bezorgen haar de weggelaten gegevens op vertrouwelijke wijze, vergezeld van een uitvoerige motivering van de toegekende afwijking. Elk jaar publiceert de Commissie de kennisgevingen van de lidstaten op haar website, samen met de motiveringen die zijn verstrekt overeenkomstig alinea 3 bis. [Am. 47]

De Commissie gaat na of de voorwaarde als vastgesteld in alinea 3 bis naar behoren is vervuld en ziet toe op het gebruik van een dergelijke door nationale instanties verleende tijdelijke afwijking. [Am. 48]

Indien de Commissie na beoordeling van de ontvangen informatie als bedoeld in alinea 3 quater tot de vaststelling komt dat de voorwaarde als vastgesteld in alinea 3 bis niet is vervuld, maakt de onderneming in kwestie de informatie onmiddellijk openbaar. Na afloop van de periode gedurende welke de informatie niet openbaar hoeft te worden gemaakt, maakt de onderneming ook de krachtens dit artikel vereiste informatie over de voorgaande jaren waarin de informatie niet openbaar hoefde te worden gemaakt, openbaar in de vorm van een rekenkundig gemiddelde. [Am. 70/rev]

De Commissie stelt door middel van een gedelegeerde handeling richtsnoeren vast die de lidstaten kunnen hanteren bij het omschrijven van gevallen waarin de openbaarmaking van gegevens wordt geacht erg schadelijk te zijn voor de commerciële positie van de ondernemingen waarop de informatie betrekking heeft. [Am. 50]

De informatie wordt aan elk desbetreffend fiscaal rechtsgebied toegewezen op basis van het bestaan van een vaste bedrijfsvestiging of permanente bedrijfsactiviteiten waardoor de groep, vanwege haar activiteiten, in dat fiscaal rechtsgebied winstbelastingen is verschuldigd.

Indien de activiteiten van meerdere verbonden ondernemingen tot belastingplicht binnen één fiscaal rechtsgebied leiden, is de aan dat fiscaal rechtsgebied toegewezen informatie de som van de gegevens over dergelijke activiteiten van iedere verbonden onderneming en hun bijkantoren in dat fiscaal rechtsgebied.

Informatie over een bepaalde activiteit wordt niet gelijktijdig aan meer dan één fiscaal rechtsgebied toegerekend.

4.   Het verslag bevat een algemene commentaar op groepsniveau met uitleg voor eventuele grote discrepanties tussen de overeenkomstig lid 2, punten e) en f), vermelde bedragen, in voorkomend geval, rekening houdend met de overeenkomstige bedragen in vorige boekjaren.

5.   Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat gratis beschikbaar is in een opendata-formaat en wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de website gepubliceerd en datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de dochteronderneming of op de website van een verbonden onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie . [Am. 51]

6.   De in het verslag met informatie over de winstbelasting gebruikte munteenheid is de munteenheid waarin de geconsolideerde financiële overzichten worden gepresenteerd. De lidstaten mogen niet eisen dat dit verslag in een andere munteenheid wordt gepubliceerd dan de munteenheid die in de financiële overzichten wordt gebruikt.

7.   Voor lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd, is de tegenwaarde in de nationale munteenheid van de in artikel 48 ter, lid 1, genoemde drempelwaarde de waarde die wordt verkregen door toepassing van de wisselkoers die op … [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt en die met niet meer dan 5 % wordt vermeerderd of verminderd om ronde bedragen in de nationale munteenheid te verkrijgen.

De in artikel 48 ter, leden 3 en 4, genoemde drempelwaarden worden omgezet in een bedrag van dezelfde waarde in de nationale munteenheid van de betrokken derde landen door toepassing van de wisselkoers op … [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal.

Artikel 48 quinquies

Publicatie en toegankelijkheid

1.   Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt openbaar gemaakt op de wijze die overeenkomstig hoofdstuk 2 van Richtlijn 2009/101/EG in de wetgeving van elke lidstaat is vastgesteld, samen met de in artikel 30, lid 1, van deze richtlijn bedoelde documenten en, in voorkomend geval, met de boekhoudkundige documenten als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 89/666/EEG van de Raad (*2).

2.   Het in artikel 48 ter, leden 1, 3, 4 en 6, bedoelde verslag blijft minstens vijf opeenvolgende jaren beschikbaar op de website.

Artikel 48 sexies

Verantwoordelijkheid voor het opstellen, publiceren en toegankelijk maken van het verslag met informatie over de winstbelasting

1.   De lidstaten Om de verantwoordingsplicht ten opzichte van derden te versterken en behoorlijk bestuur te garanderen, zorgen de lidstaten ervoor dat de leden van de administratieve, leidinggevende en toezichthoudende organen van de in artikel 48 ter, lid 1, bedoelde uiteindelijke moederonderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationaal recht toegewezen bevoegdheden, collectief verantwoordelijk zijn om ervoor te zorgen dat het verslag met informatie over de winstbelasting wordt opgesteld, gepubliceerd en toegankelijk gemaakt overeenkomstig de artikelen 48 ter, 48 quater en 48 quinquies. [Am. 52]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de administratieve, leidinggevende en toezichthoudende organen van de in artikel 48 ter, lid 3, van deze richtlijn bedoelde dochterondernemingen en de perso(o)n(en) die is (zijn) aangewezen voor het vervullen van de in artikel 13 van Richtlijn 89/666/EEG bedoelde openbaarmakingsformaliteiten voor het in artikel 48 ter, lid 4, van deze richtlijn bedoelde bijkantoor, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationaal recht toegewezen bevoegdheden, collectief verantwoordelijk zijn om ervoor te zorgen dat het verslag met informatie over de winstbelasting naar hun beste weten en vermogen wordt opgesteld, gepubliceerd en toegankelijk gemaakt overeenkomstig de artikelen 48 ter, 48 quater en 48 quinquies.

Artikel 48 septies

Onafhankelijke controle

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de financiële overzichten van een verbonden onderneming overeenkomstig artikel 34, lid 1, door een of meer wettelijke auditors of auditkantoren worden gecontroleerd, de wettelijke auditor(s) of het auditkantoor (de auditkantoren) tevens nagaat (nagaan) of het verslag met informatie over de winstbelasting overeenkomstig de artikelen 48 ter, 48 quater en 48 quinquies is verstrekt en toegankelijk gemaakt. Als het verslag met informatie over de winstbelasting niet is verstrekt of toegankelijk gemaakt overeenkomstig die artikelen, vermeldt (vermelden) de wettelijke auditor(s) of het auditkantoor (de auditkantoren) dit in het auditrapport.

Artikel 48 octies

Gemeenschappelijke Unielijst met bepaalde fiscale rechtsgebieden

De Commissie is overeenkomstig artikel 49 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het opstellen van een gemeenschappelijke Unielijst met bepaalde fiscale rechtsgebieden. Die lijst is gebaseerd op de beoordeling van de fiscale rechtsgebieden die niet voldoen aan de volgende criteria:

1)

transparantie en uitwisseling van inlichtingen, met inbegrip van uitwisseling van inlichtingen op verzoek en automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen;

2)

eerlijke belastingconcurrentie;

3)

door de G20 en/of de OESO opgestelde normen;

4)

andere relevante normen, met inbegrip van door de Financial Action Task Force opgestelde internationale normen.

De Commissie evalueert de lijst regelmatig en wijzigt ze, indien nodig, om rekening te houden met nieuwe omstandigheden. [Am. 53]

Artikel 48 nonies

Aanvangsdatum voor de rapportage van informatie over de winstbelasting

De lidstaten zorgen ervoor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van de artikelen 48 bis tot en met 48 septies van toepassing zijn uiterlijk vanaf de aanvangsdatum van het eerste boekjaar dat op of na … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] van start gaat.

Artikel 48 decies

Verslag

De Commissie brengt verslag uit over de naleving en de effecten van de in de artikelen 48 bis tot en met 48 septies vastgestelde rapportageverplichtingen. In dat verslag wordt nagegaan of het verslag met informatie over de winstbelasting passende en evenredige resultaten oplevert en wordt beoordeeld wat de kosten en baten zijn van een verlaging van de drempelwaarde voor de geconsolideerde netto-omzet waarboven ondernemingen en bijkantoren verplicht zijn informatie over de winstbelasting te rapporteren. Daarnaast wordt in het verslag geëvalueerd of het eventueel nodig is verdere aanvullende maatregelen te nemen , rekening houdend met de noodzaak om te zorgen voor voldoende transparantie en de behoefte van om voor ondernemingen aan en particuliere investeringen een concurrerende omgeving in stand te houden en te waarborgen . [Am. 54]

Het verslag wordt uiterlijk op … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

(*1)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)."

(*2)  Elfde Richtlijn 89/666/EG van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 36).”;"

2 bis)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 48 decies bis

Uiterlijk vier jaar na de aanneming van deze richtlijn en rekening houdend met de situatie op het niveau van de OESO, zorgt de Commissie voor een evaluatie, beoordeling en rapportage in verband met de bepalingen van dit hoofdstuk, met name wat betreft:

ondernemingen en bijkantoren die verplicht zijn een verslag met informatie over de winstbelasting op te stellen, met name om na te gaan of het wenselijk is het toepassingsgebied van dit hoofdstuk uit te breiden naar grote ondernemingen als omschreven in artikel 3, lid 4, en grote groepen als gedefinieerd in artikel 3, lid 7, van deze richtlijn;

de inhoud van het verslag met informatie over de winstbelasting overeenkomstig artikel 48 quater;

de tijdelijke afwijking als bedoeld in artikel 48 quater, lid 3, alinea's 3 bis tot en met 3 septies.

De Commissie brengt hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.” [Am. 55]

(2 ter)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 48 decies ter

Gemeenschappelijk model voor het verslag

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het gemeenschappelijk model vast als bedoeld in artikel 48 ter, leden 1, 3, 4 en 6, en in artikel 48 quater, lid 5. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 50, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.” [Am. 56]

3)

artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   De in artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, artikel 46, lid 2, en artikel 48 octies bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de in artikel 54 bedoelde datum.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, artikel 46, lid 2, en artikel 48 octies bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”;

b)

het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:

“3 bis.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven van [date]  (***) , met bijzondere inachtneming van de bepalingen van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie . [Am. 57]

(***)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1. ”;"

c)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.

Een overeenkomstig artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, artikel 46, lid 2, of artikel 48 octies vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”

3 bis)

in artikel 51 wordt lid 1 vervangen door:

“De lidstaten voorzien in stellen regels vast voor sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties ze worden gehandhaafd toegepast . De sancties waarin wordt voorzien, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

De lidstaten voorzien ten minste in administratieve maatregelen en sancties voor inbreuken van ondernemingen op overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op … [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van deze bepalingen en stellen de Commissie tevens onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen die gevolgen hebben voor de bepalingen.

Uiterlijk op … [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie een lijst op van de maatregelen en sancties die elke lidstaat overeenkomstig deze richtlijn heeft vastgesteld.” [Am. 58]

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 487 van 28.12.2016, blz. 62.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 maart 2019.

(3)  COM(2015)0610 van 27 oktober 2015.

(4)  COM(2014)0910 van 16 december 2014.

(5)  2015/2010(INL)

(6)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(7)  Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).

(8)   Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(10)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(11)  Arrest van het Hof van Justitie van 4 december 1997, Verband deutscher Daihatsu-Händler, C-97/96, ECLI:EU:C:1997:581.

(12)   Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(13)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/638


P8_TA(2019)0310

Gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (COM(2018)0375 — C8-0230/2018 — 2018/0196(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/47)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0375),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 177, artikel 322, lid 1, onder a), en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0230/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018 (2),

gezien het advies van de Rekenkamer van 25 oktober 2018 (3),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling, het advies van de Begrotingscommissie, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie begrotingscontrole, de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0043/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (4);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 83.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 41.

(3)  PB C 17 van 14.1.2019, blz. 1.

(4)  Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 13 februari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0096).


P8_TC1-COD(2018)0196

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa [Am. 1]

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 117, artikel 322, lid 1, onder a), en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Gezien het advies van de Rekenkamer (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie zich met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, regio's die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Deze regio's profiteren in het bijzonder van het cohesiebeleid. Ingevolge artikel 175 VWEU moet de Unie de verwezenlijking van deze doelstellingen ondersteunen door haar optreden via het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en andere instrumenten. Artikel 322 VWEU voorziet in de grondslag voor de vaststelling van financiële regels betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd en waarop de rekeningen worden ingediend en nagezien alsook van regels betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. [Am. 2]

(1 bis)

Voor de toekomst van de Europese Unie en haar burgers is het belangrijk dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie blijft, waarbij de financiering in de periode 2021-2027 ten minste op het niveau van de programmeringsperiode 2014-2020 wordt gehouden. Nieuwe financiering voor andere activiteitsgebieden of programma's van de Unie mag niet ten koste gaan van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus of het Cohesiefonds. [Am. 3]

(2)

Met het oog op een verdere ontwikkeling van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de EU-Fondsen onder gedeeld beheer, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (“EFRO”), het Europees Sociaal Fonds Plus (“ESF+”), het Cohesiefonds, maatregelen gefinancierd onder gedeeld beheer in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (“EFMZV”), het Fonds voor asiel en migratie (“AMIF”), het Fonds voor interne veiligheid (“ISF”) en het Instrument voor grensbeheer en visa (“BMVI”) moeten financiële regels op basis van artikel 322 VWEU worden vastgesteld voor al deze Fondsen (“de Fondsen”), waarbij het toepassingsgebied van de verschillende bepalingen duidelijk wordt gespecificeerd. Voorts moeten gemeenschappelijke bepalingen op basis van artikel 177 VWEU worden vastgesteld met het oog op beleidsspecifieke regels voor het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV en tot op zekere hoogte ook het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) . [Am. 430]

(3)

Wegens de specifieke kenmerken van elk Fonds moeten specifieke regels die gelden voor elk Fonds en voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) in het kader van het EFRO worden vastgelegd in afzonderlijke verordeningen (“fondsspecifieke verordeningen”) om de bepalingen van deze verordening aan te vullen.

(4)

De ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra financiering overeenkomstig artikel 349 van het VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 om de specifieke nadelen als gevolg van hun geografische ligging te helpen compenseren . [Am. 5]

(5)

Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (“VEU”) en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. In dat verband moeten de Fondsen worden uitgevoerd op een manier die de-institutionalisering en door de gemeenschap gedragen zorg bevordert. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan tot enige vorm van segregatie of uitsluiting en mogen geen infrastructuur ondersteunen die ontoegankelijk is voor personen met een handicap . De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel “de vervuiler betaalt” wordt toegepast en rekening wordt gehouden met de afgesproken verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs . Om de integriteit van de interne markt te beschermen moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU. Armoede is een van de grootste uitdagingen van de EU. Daarom moet met de Fondsen een bijdrage worden geleverd aan de uitbanning van armoede. Ook moeten zij bijdragen aan het streven van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties te verwezenlijken. [Am. 6]

(6)

De horizontale regels die het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben aangenomen, gelden ook voor deze verordening. Deze regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en betreffen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, opdrachten, prijzen en uitvoering en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van de financiële spelers. De op basis van artikel 322 VWEU aangenomen regels betreffen ook de bescherming van de Uniebegroting in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat omdat de eerbiediging van de rechtsstaat van essentieel belang is voor een solide financieel beheer en een doeltreffende EU-financiering.

(7)

Wanneer een termijn is vastgesteld waarbinnen de Commissie kan optreden ten aanzien van lidstaten, moet de Commissie tijdig en efficiënt rekening houden met alle noodzakelijke informatie en documenten. Wanneer de door de lidstaten meegedeelde gegevens onvolledig zijn of niet in overeenstemming zijn met de vereisten van deze verordening of fondsspecifieke verordeningen, waardoor de Commissie niet met kennis van zaken kan optreden, moet deze termijn worden opgeschort totdat de lidstaat in overeenstemming is met de regelgevingsvereisten.

(8)

Om bij te dragen tot de prioriteiten van de Unie moeten de Fondsen hun steun toespitsen op een beperkt aantal beleidsdoelstellingen die in overeenstemming zijn met hun fondsspecifieke taken overeenkomstig hun in het Verdrag vastgelegde doelstellingen. De beleidsdoelstellingen voor het AMIF, het ISF en het BMVI moeten worden opgenomen in de desbetreffende fondsspecifieke verordeningen.

(9)

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen fonds bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 30  % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Mechanismen voor de opbouw van klimaatbestendigheid moeten integraal deel uitmaken van de programmering en uitvoering. [Am. 7]

(9 bis)

Gezien het effect van de migratiestromen uit derde landen moet het cohesiebeleid bijdragen aan integratieprocessen, met name door infrastructuurondersteuning te bieden aan dorpen en steden en lokale en regionale autoriteiten die de eerste linie vormen in en meer betrokken zijn bij de uitvoering van het integratiebeleid. [Am. 8]

(10)

Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad (5) (“het Financieel Reglement”). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie. De lidstaten moeten worden belast met de voorbereiding en de uitvoering van de programma's. Op het passende territoriale niveau overeenkomstig hun institutionele, juridische en financiële kader moeten de instanties die zij daartoe hebben aangewezen, daarmee worden belast. De lidstaten mogen geen bijkomende regels vaststellen die het gebruik van de middelen voor de begunstigden gecompliceerd maken. [Am. 9]

(11)

Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van regionale, lokale en andere overheden, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet de Commissie worden gemachtigd Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie (6) van toepassing blijven te wijzigen en aan te passen . [Am. 10]

(12)

Op het niveau van de Unie is het Europees Semester Europees voor coördinatie van het economisch beleid het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden voorgesteld om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen en EU-middelen moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van de met name van de Fondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun worden gemaximaliseerd. [Am. 11]

(13)

De lidstaten moeten bepalen op welke wijze bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening wordt gehouden houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna “de landspecifieke aanbevelingen” genoemd) , voor zover zij in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het programma . Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna “programmeringsperiode” genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen en van de Europese pijler van sociale rechten . Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd. [Am. 12]

(14)

Lidstaten moeten rekening houden met de inhoud van de ontwerpen van hun nationale energie- en klimaatplannen die moeten worden ontwikkeld in het kader van de Verordening betreffende de governance van de energie-unie (7) en met de resultaten van het proces dat moet leiden tot de aanbevelingen van de Unie met betrekking tot deze plannen, zowel voor hun programma's , ook in het kader van de tussentijdse evaluatie, als voor de financiële behoeften die worden toegewezen aan koolstofarme investeringen. [Am. 13]

(15)

De door elke lidstaat opgestelde partnerschapovereenkomst moet een strategisch document zijn dat dient als richtsnoer bij de onderhandelingen tussen de Commissie en de desbetreffende lidstaat over het ontwerp van programma's. Om de administratieve last te verminderen, zou het niet nodig moeten zijn om de partnerschapsovereenkomsten tijdens de programmeringsperiode te wijzigen. Om de programmering te vergemakkelijken en overlappende inhoud in programmeringsdocumenten te voorkomen, kunnen de partnerschapsprogramma's worden opgenomen moet het mogelijk zijn partnerschapsovereenkomsten op te nemen als onderdeel van een programma. [Am. 14]

(16)

Elke lidstaat moet kan over de flexibiliteit beschikken om bij te dragen tot InvestEU voor de voorziening van budgettaire garanties voor investeringen in deze lidstaat , onder bepaalde voorwaarden die zijn gespecificeerd in artikel 10 van deze verordening . [Am. 15]

(17)

Om te zorgen voor de noodzakelijke precondities voor een inclusief, niet-discriminerend, doeltreffend en efficiënt gebruik van de door de Fondsen verleende steun van de Unie, moet een beperkte lijst van randvoorwaarden alsook een beknopte en exhaustieve reeks van objectieve criteria voor de beoordeling ervan worden opgesteld. Elke randvoorwaarde moet aan een specifieke doelstelling worden gekoppeld en moet automatisch kunnen worden toegepast wanneer de specifieke doelstelling voor steun wordt geselecteerd. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen uitgaven die verband houden met concrete acties onder de desbetreffende specifieke doelstellingen niet worden opgenomen in de betaalaanvragen. Om een gunstig investeringskader te handhaven, moet op gezette tijden worden nagegaan of nog steeds is voldaan aan de randvoorwaarden. Het is ook belangrijk dat de voor steun geselecteerde acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande strategieën en planningdocumenten die aan de basis liggen van de randvoorwaarden waaraan is voldaan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat alle medegefinancierde concrete acties in overeenstemming zijn met het beleidskader van de Unie. [Am. 16]

(18)

De lidstaten moeten een prestatiekader vaststellen voor elk programma dat betrekking heeft op alle indicatoren, mijlpalen en doelstellingen met het oog op de monitoring, rapportage en evaluatie van de programmaprestaties. Dit moet een resultaatgerichte selectie en evaluatie van projecten mogelijk maken. [Am. 17]

(19)

De lidstaat moet een tussentijdse evaluatie uitvoeren van elk programma dat door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds wordt ondersteund. In deze evaluatie moet een volwaardige aanpassing van de programma's zijn opgenomen die gebaseerd is op de programmaprestaties, waarbij ook wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe uitdagingen en de in 2024 gedane landspecifieke aanbevelingen , evenals met vooruitgang met de nationale energie- en klimaatplannen en de Europese pijler van sociale rechten. Er moet ook rekening worden gehouden met demografische uitdagingen . Daarnaast moet de Commissie in 2024 samen met de technische aanpassing voor het jaar 2025 een herziening uitvoeren van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” van het cohesiebeleid voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft verricht, met toepassing van de toewijzingsmethode in de desbetreffende basishandeling. Deze herziening moet samen met de resultaten van de tussentijdse evaluatie resulteren in aanpassingen van het programma, waarbij de financiële toewijzingen voor de jaren 2025, 2026 en 2027 worden gewijzigd. [Am. 18]

(20)

Mechanismen die het financieringsbeleid van de Unie moeten koppelen aan het economisch bestuur van de Unie moeten verder worden verfijnd, waarbij de Commissie aan de Raad een voorstel kan doen om alle of een deel van de vastleggingen voor een of meer programma's van de desbetreffende lidstaten te schorsen wanneer deze lidstaat geen doeltreffende actie in het kader van het economisch bestuur onderneemt. Om te zorgen voor een uniforme uitvoering en met het oog op het belang van de financiële gevolgen van de voorgestelde maatregelen, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad te worden verleend, die moet handelen op basis van een voorstel van de Commissie. Om de vaststelling van besluiten te vergemakkelijken die nodig zijn om een doeltreffend optreden in het kader van het economisch bestuur te garanderen, moet gebruik worden gemaakt van stemming bij omgekeerde gekwalificeerde meerderheid. [Ams. 425rev, 444rev. 448 en 469]

(20 bis)

Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen die in het kader van financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (“ESI-fondsen”) zijn gestart. De Commissie moet het desbetreffende verzoek zorgvuldig beoordelen bij de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact. [Am. 20]

(21)

Het is noodzakelijk om gemeenschappelijke vereisten vast te stellen met betrekking tot de inhoud van de programma's rekening houdende met de specifieke aard van elk Fonds. Deze gemeenschappelijke vereisten kunnen worden aangevuld met fondsspecifieke regels. In Verordening (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad (8) (ETS-Verordening) moeten de specifieke bepalingen worden opgenomen met betrekking tot de inhoud van de programma's in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg).

(22)

Met het oog op flexibiliteit in de uitvoering van het programma en een vermindering van de administratieve lasten, moeten beperkte financiële overdrachten mogelijk zijn tussen prioriteiten van hetzelfde programma zonder dat een besluit van de Commissie tot wijziging van het programma vereist is. De herziene financiële tabellen moeten bij de Commissie worden ingediend om te zorgen voor geactualiseerde informatie over de financiële toewijzingen voor elke prioriteit.

(22 bis)

Een aanzienlijk deel van de uitgaven van de Unie gaat naar grote projecten die vaak van strategisch belang zijn voor het welslagen van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Het is dan ook gerechtvaardigd dat concrete acties boven bepaalde drempels in het kader van deze verordening nog steeds onder specifieke goedkeuringsprocedures vallen. De drempel moet worden vastgesteld in verhouding tot de totale subsidiabele kosten, rekening houdend met verwachte netto-inkomsten. Met het oog op duidelijkheid moet in verband hiermee worden gedefinieerd wat een aanvraag voor een groot project inhoudt. De aanvraag moet de nodige informatie bevatten om er zekerheid over te verkrijgen dat de financiële bijdrage uit de Fondsen niet leidt tot aanzienlijk banenverlies op bestaande locaties in de Unie. De lidstaat moet alle vereiste informatie verstrekken en de Commissie moet het grote project beoordelen om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage gerechtvaardigd is. [Am. 21]

(23)

Om de geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling te versterken, moeten investeringen in de vorm van territoriale instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen (“ITI”), vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (“CLLD” , bekend onder de naam “Leader” in het kader van het Elfpo ) of elk ander territoriaal instrument onder de beleidsdoelstelling “Een Europa dat dichter bij de burger staat” ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn gebaseerd op territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën . Hetzelfde moet gelden voor verwante initiatieven zoals “slimme dorpen” . Voor de doelstellingen van de ITI's en door de lidstaten ontworpen territoriale instrumenten moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van de territoriale strategieën. Deze territoriale strategieën moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties. Met het oog op de betrokkenheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties bij de uitvoering van de territoriale strategieën, moeten deze autoriteiten of organen verantwoordelijk zijn voor selectie van de te ondersteunen concrete acties of betrokken zijn bij deze selectie. [Am. 22]

(24)

Om het potentieel op lokaal niveau beter te mobiliseren, is het noodzakelijk de CLLD te versterken en te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale behoeften en mogelijkheden, alsook met de relevante sociaal-culturele kenmerken, en moet voorzien worden in structurele veranderingen, waarbij de lokale en bestuurlijke capaciteiten worden opgebouwd en innovatie wordt bevorderd. De nauwe samenwerking en het geïntegreerd gebruik van de Fondsen om lokale ontwikkelingsstrategieën tot stand te brengen, moeten worden versterkt. Het is van wezenlijk belang dat lokale actiegroepen die de belangen van de gemeenschap vertegenwoordigen verantwoordelijk zijn voor het ontwerp en de uitvoering van CLLD-strategieën. Om de gecoördineerde steun van verschillende Fondsen aan de CLLD-strategieën te bevorderen en hun uitvoering te vergemakkelijken, moet het gebruik van een aanpak via een “hoofdfonds” worden bevorderd. [Am. 23]

(25)

Om de administratieve last te beperken, moet technische bijstand op initiatief van de lidstaat tot stand komen door middel van een vast percentage op basis van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van het programma. De technische bijstand kan worden aangevuld met gerichte maatregelen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit , zoals de evaluatie van de waaier aan vaardigheden van de werknemers, waarbij terugbetalingsmethoden worden gebruikt die niet gekoppeld zijn aan kosten. Over acties en resultaten alsook de overeenkomstige betalingen van de Unie kan overeenstemming worden bereikt in een stappenplan, hetgeen kan resulteren in betalingen voor het behalen van concrete resultaten. [Am. 24]

(26)

Het is wenselijk te verduidelijken dat wanneer een lidstaat aan de Commissie voorstelt dat een prioriteit van een programma of een deel daarvan wordt ondersteund door een financieringsregeling die niet gekoppeld is aan kosten, de overeengekomen acties, resultaten en voorwaarden betrekking moeten hebben op concrete investeringen in het kader van programma's onder gedeeld beheer in die lidstaat of regio.

(27)

Om de prestaties van de programma's te onderzoeken, moet de lidstaat toezichtcomités oprichten , waarin ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners zetelen . Voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen worden vervangen door een jaarlijkse gestructureerde beleidsdialoog op basis van meest recente informatie en gegevens over de uitvoering van het programma die door de lidstaat beschikbaar zijn gesteld. [Am. 25]

(28)

Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (9) moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de fondsen in de praktijk worden verzameld. De indicatoren moeten zo mogelijk op genderbewuste wijze worden ontwikkeld. [Am. 26]

(29)

Om de beschikbaarheid te waarborgen van uitvoerige en bijgewerkte informatie over de uitvoering van het programma, is meer frequente doeltreffende en tijdige digitale rapportering over de kwantitatieve data vereist. [Am. 27]

(30)

Om de voorbereiding van gerelateerde programma's en activiteiten van de volgende programmeringsperiode te ondersteunen, moet de Commissie een tussentijdse evaluatie van de Fondsen uitvoeren. Op het einde van de programmeringsperiode moet de Commissie evaluaties achteraf uitvoeren van de Fondsen, die moeten toegespitst zijn op de effecten van de Fondsen. De resultaten van deze evaluaties moeten openbaar worden gemaakt. [Am. 28]

(31)

Programma-autoriteiten, begunstigden en belanghebbenden in de lidstaten moeten meer bekendheid geven aan de verwezenlijkingen waaraan de Unie financieel heeft bijgedragen en het publiek hieromtrent informeren. Activiteiten op het vlak van transparantie, communicatie en zichtbaarheid zijn essentieel om ervoor te zorgen dat het optreden van de Unie in de praktijk zichtbaar is en moeten gebaseerd zijn op ware, accurate en geactualiseerde gegevens. Om ervoor te zorgen dat deze vereisten afdwingbaar zijn, moeten de programma-autoriteiten en de Commissie in staat zijn corrigerende maatregelen te nemen bij niet-naleving.

(32)

De beheersautoriteiten moeten gestructureerde informatie bekendmaken over geselecteerde concrete acties en begunstigden op de website van het programma waarmee de concrete actie wordt ondersteund, waarbij rekening wordt gehouden met de vereisten op het vlak van de bescherming van persoonsgegevens, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(33)

Om het gebruik van de Fondsen te vereenvoudigen en het risico op fouten te verkleinen, is het aangewezen zowel de vormen van bijdragen van de Unie aan de lidstaten als de vormen van steun die door de lidstaten aan de begunstigden worden verstrekt, te definiëren.

(34)

Wat betreft de aan begunstigden verleende subsidies, moeten lidstaten steeds vaker gebruik maken gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties. De drempel voor het verplichte gebruik van vereenvoudigde kostenopties moet worden gekoppeld aan de totale kosten van de concrete actie om ervoor te zorgen dat alle concrete acties onder de drempelwaarde op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of het gaat om publieke of particuliere steun. Wanneer een lidstaat voornemens is het gebruik van vereenvoudigde kostenopties voor te stellen, kan hij het toezichtcomité raadplegen. [Am. 29]

(35)

Met het oog op de onmiddellijke uitvoering van forfaitaire financiering moet elk vast percentage dat door lidstaten in de periode 2014-2020 is vastgesteld, verder worden toegepast voor soortgelijke concrete acties die in het kader van deze verordening worden ondersteund zonder dat een nieuwe berekeningsmethode is vereist.

(36)

Om de benutting van medegefinancierde milieu-investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën met het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie, in het bijzonder door strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten , evenals projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa en andere programma's van de Unie . [Am. 30]

(37)

Om rechtszekerheid te bieden is het aangewezen om de subsidiabiliteitsperiode voor uitgaven of kosten die verband houden met concrete acties die in het kader van deze verordening door de Fondsen worden ondersteund te specificeren en de steun voor voltooide concrete acties te beperken. De datum waarop de uitgaven in aanmerking komen voor steun van de Fondsen in geval van goedkeuring van nieuwe programma's of wijzigingen in de programma's moet ook worden verduidelijkt, met inbegrip van de uitzonderlijke mogelijkheid om de subsidiabiliteitsperiode te verlengen tot de aanvang van een natuurramp indien er dringend middelen moeten worden gemobiliseerd om het hoofd te bieden aan een dergelijke ramp.

(38)

Om ervoor te zorgen dat de Fondsen een inclusief, doeltreffend, billijk en duurzaam effect sorteren, zijn bepalingen nodig die het niet-discriminerende en duurzame karakter van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen garanderen, en voorkomen dat de Fondsen worden gebruikt om een onrechtmatig voordeel te behalen. De beheersautoriteiten moeten in het bijzonder erop letten om geen verplaatsing te ondersteunen bij de selectie van concrete acties en om bedragen die ten onrechte zijn betaald aan concrete acties zonder te voldoen aan de duurzaamheidsvereiste als onregelmatigheden te behandelen. [Am. 31]

(39)

Ter verbetering van de complementariteit en ter vereenvoudiging van de implementatie moet het mogelijk zijn de steun uit het Cohesiefonds en het EFRO met steun uit het ESF+ te combineren in gemeenschappelijke programma's in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid”.

(40)

Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd naar synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument. Deze beleidscoördinatie moet gebruiksvriendelijke mechanismen en meerlagig bestuur bevorderen. Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen. [Am. 32]

(41)

Financiële instrumenten mogen niet worden gebruikt ter ondersteuning van herfinancieringstransacties, zoals het vervangen van bestaande leningovereenkomsten of andere vormen van financiering voor investeringen die reeds fysiek voltooid zijn of volledig zijn uitgevoerd op de datum van het investeringsbesluit, maar wel om elke vorm van nieuwe investeringen te ondersteunen overeenkomstig de onderliggende beleidsdoelstellingen.

(42)

Daarom moet het besluit steunmaatregelen door middel van financieringsinstrumenten te financieren, worden genomen op basis van een ex-antebeoordeling. In deze verordening moeten de minimale verplichte elementen van de ex-antebeoordelingen worden vastgesteld. Voorts moet de verordening ervoor zorgen dat lidstaten gebruik kunnen maken van de voor de periode 2014-2020 uitgevoerde ex-antebeoordelingen, waar nodig geactualiseerd, om administratieve lasten en vertraging bij de oprichting van financiële instrumenten te voorkomen.

(42 bis)

De beheersautoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om financieringsinstrumenten uit te voeren via onderhandse gunning van een opdracht aan de EIB-groep, aan nationale stimuleringsbanken en aan internationale financiële instellingen (IFI's). [Am. 33]

(43)

Om de uitvoering van bepaalde vormen van financiële instrumenten te bevorderen waarbij aanvullende subsidiëring wordt beoogd, is het mogelijk om de regels met betrekking tot financiële instrumenten op een dergelijke combinatie toe te passen in concrete actie in één enkel financieringsinstrument. In deze gevallen moeten specifieke voorwaarden worden vastgesteld om dubbele financiering te voorkomen.

(44)

Met volledige inachtneming van de toepasselijke regels inzake staatssteun en openbare aanbestedingen, die reeds verduidelijkt werden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moeten de beheersautoriteiten kunnen beslissen over de meeste geschikte uitvoeringsopties voor financiële instrumenten om de specifieke behoeften van de doelregio's aan te pakken. In dit kader moet de Commissie, in samenwerking met de Europese Rekenkamer, richtsnoeren geven aan de controleurs, beheersautoriteiten en begunstigden voor de beoordeling van de naleving van de regels inzake staatssteun en voor de ontwikkeling van regelingen voor staatssteun. [Am. 34]

(45)

Uit hoofde van het beginsel en de regels van gedeeld beheer zijn de lidstaten en de Commissie verantwoordelijk voor het beheer en de controle van programma's en moeten zij garanderen dat er een legaal en regelmatig gebruik van de Fondsen wordt gemaakt Aangezien de verantwoordelijkheid voor beheer en controle in eerste instantie bij de lidstaten ligt en zij ervoor moeten zorgen dat concrete acties die door de Fondsen worden ondersteund in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht, moeten hun verplichtingen op dit vlak worden gespecificeerd. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Commissie in dit kader moeten ook worden vastgelegd.

(45 bis)

Om de verantwoording en transparantie te vergroten, moet de Commissie voorzien in een systeem voor klachtenbehandeling dat in alle voorbereidings- en uitvoeringsfasen van de programma's, met inbegrip van het toezicht en de evaluatie, toegankelijk is voor alle burgers en belanghebbenden. [Am. 35]

(46)

Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen , met inbegrip van bestuurlijke en IT-systemen, van de vorige programmeringsperiode indien mogelijk worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet — waar nodig, aangepast — gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is. [Am. 36]

(47)

Om de functies in het kader van programmabeheer te stroomlijnen, moet de integratie van boekhoudfuncties met die van de beheersautoriteit worden gehandhaafd voor de programma's die door het AMIF, het ISF en het BMVI worden ondersteund en moet dit een optie zijn voor de andere Fondsen.

(48)

Aangezien de beheersautoriteit de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en aldus een groot aantal functies vervult, moeten de functies van de beheersautoriteit met betrekking tot de selectie van projecten, programmabeheer en steun voor het toezichtcomité in detail worden uiteengezet. De geselecteerde concrete acties moeten in overeenstemming zijn met de horizontale beginselen.

(48 bis)

Om het doeltreffende gebruik van de Fondsen te ondersteunen, moet elke lidstaat op verzoek kunnen beschikken over de EIB-steun. Deze kan betrekking hebben op capaciteitsopbouw, op steun bij de identificatie, voorbereiding en uitvoering van projecten en op advies over financieringsinstrumenten en investeringsplatformen. [Am. 37]

(49)

Om de synergieën tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, moet het verstrekken van steun voor concrete acties die reeds een excellentiekeur hebben ontvangen, worden bevorderd.

(50)

Om te zorgen voor een passend evenwicht tussen de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en de hieraan gerelateerde administratieve kosten en lasten, moeten de frequentie, reikwijdte en dekking van beheersverificaties gebaseerd zijn op een risicobeoordeling die rekening houdt met factoren zoals het soort uitgevoerde concrete acties, het aantal concrete acties en de complexiteit ervan, de begunstigden en het door vorige beheersverificaties en audits vastgestelde risiconiveau. De beheers- en controlemaatregelen voor de Fondsen moeten in verhouding staan tot het niveau van het risico voor de begroting van de Unie. [Am. 38]

(51)

De auditautoriteit moet audits uitvoeren en ervoor zorgen dat het aan de Commissie verstrekte auditadvies betrouwbaar is. Dit auditadvies moet de Commissie zekerheid verschaffen omtrent drie punten, namelijk de wettigheid en regelmatigheid van de gedeclareerde uitgaven, het daadwerkelijke functioneren van het beheers- en controlesystemen en de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen.

(52)

Het moet mogelijk zijn de verificaties en auditvereisten te verminderen wanneer de zekerheid bestaat dat het programma voor laatste twee opeenvolgende jaren afdoende gefunctioneerd heeft, aangezien dit aantoont dat de Fondsen gedurende langere tijd doeltreffend en efficiënt worden uitgevoerd.

(53)

Om de administratieve last voor de begunstigden en de administratieve kosten te beperken, moet de concrete toepassing van het beginsel van één enkele audit voor de Fondsen worden gespecificeerd.

(54)

Met het oog op een verbetering van het financieel beheer, moet worden voorzien in vereenvoudigde voorfinancieringsregeling. De voorfinancieringsregeling moet ervoor zorgen dat een lidstaat over de middelen beschikt om begunstigden al vanaf het begin van de uitvoering van het programma steun te verlenen.

(55)

Om de administratieve last voor de lidstaten en voor de Commissie te verminderen, moet een verplicht schema van betalingsaanvragen op kwartaalbasis worden vastgesteld. Betalingen door de Commissie moeten nog steeds onderworpen blijven aan een inhouding van 10 % tot de betaling van het jaarlijkse saldo van de rekeningen, wanneer de Commissie in staat is te concluderen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn.

(56)

Om de administratieve lasten te verminderen, moet de procedure voor jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen worden vereenvoudigd door te voorzien in eenvoudigere voorschriften voor betalingen en terugvorderingen, indien er geen verschil van mening is tussen de Commissie en de lidstaat.

(57)

Om de financiële belangen en de begroting van de Unie te vrijwaren, moeten evenredige maatregelen worden vastgesteld en uitgevoerd op het niveau van de lidstaten en de Commissie. De Commissie moet betalingstermijnen kunnen onderbreken, tussentijdse betalingen schorsen en financiële correcties toepassen wanneer de desbetreffende voorwaarden zijn vervuld. De Commissie moet het beginsel van evenredigheid in acht nemen door rekening te houden met de aard, de ernst en de frequentie van de onregelmatigheden en hun financiële gevolgen voor de begroting van de Unie.

(58)

Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden met inbegrip van fraude door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. Voorts kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 (11) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/95 (12) en nr. 2185/96 (13) administratieve onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 (14) kan het Europees Openbaar Ministerie fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, onderzoeken en vervolgens zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 (15) betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Lidstaten moeten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verleent aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgt dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Lidstaten moet moeten bij de Commissie een gedetailleerd verslag uitbrengen indienen over de geconstateerde onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, alsook over de follow-up die zij hieraan hebben gegeven en over de follow-up van de OLAF-onderzoeken. Lidstaten die niet deelnemen aan de nauwere samenwerking in het kader van het EOM, moeten bij de Commissie verslag uitbrengen over de besluiten van de nationale strafvervolgingsautoriteiten in verband met onregelmatigheden die gevolgen hebben voor de begroting van de Unie. [Am. 39]

(59)

Om financiële discipline te bevorderen moeten regelingen voor de vrijmaking van budgettaire vastleggingen op programmaniveau worden vastgesteld.

(60)

Ter bevordering van de doelstellingen van het VWEU inzake economische, sociale en territoriale cohesie moeten in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” alle regio's worden ondersteund. Om evenwichtige, geleidelijke steun te verlenen op basis van het niveau van economische en sociale ontwikkeling moeten de middelen voor dat doel worden toegewezen uit het EFRO en het ESF+ op basis van een verdeelsleutel die grotendeels is gebaseerd op het bbp per hoofd van de bevolking. Lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen (bni) per inwoner minder dan 90 % van het gemiddelde voor de Unie bedraagt, moeten steun krijgen in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” van het Cohesiefonds.

(61)

Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio's en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio's in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (16), laatstelijk gewijzigd bij door Verordening (EG EU) nr. 868/2014 2016/2066 van de Commissie (17). [Am. 40]

(62)

Met het oog op de vaststelling van een passend financieel kader voor het EFRO, het ESF+ , het EFMZV en het Cohesiefonds moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” vaststellen samen de lijst van de subsidiabele regio's en de toewijzingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg). Rekening houdende houdend met het feit dat de nationale toewijzingen van lidstaten moeten worden vastgesteld op basis in 2018 beschikbare statistische gegevens en prognoses en gezien de onzekerheden rond de prognoses moet de Commissie de totale toewijzingen van alle lidstaten in 2024 herzien op basis van meest recente statistieken die op dat moment beschikbaar zijn en als het gecumuleerde verschil meer bedraagt dan +/-5 %, moeten de toewijzingen voor de jaren 2025 tot 2027 worden aangepast om ervoor te zorgen dat de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de technische aanpassing worden weerspiegeld in de programmawijzigingen die dan tot stand komen. [Am. 41]

(63)

Projecten met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken zullen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe CEF-verordening] (18) ook in het vervolg uit het Cohesiefonds worden gefinancierd, zowel via gedeeld beheer als via de modaliteit voor directe uitvoering in het kader van de Connecting Europe Facility (“CEF”). Voortbouwend op de succesvolle benadering van de programmeringsperiode 2014-2020 moet met het oog hierop een bedrag van 10 000 000 000 4 000 000 000  EUR van het Cohesiefonds worden overgedragen naar het CEF. [Am. 42]

(64)

Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het Stedelijk “Stedelijk Europa”-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd. In de toekomst moet verder worden nagedacht over de specifieke steun die wordt verleend aan achtergestelde regio's en gemeenschappen. [Am. 43]

(65)

Om een passende toewijzing aan elke regiocategorie te waarborgen, mogen in beginsel de totale toewijzingen aan een lidstaat voor minder ontwikkelde regio's, overgangsregio's en meer ontwikkelde regio's niet overdraagbaar zijn tussen de categorieën. Om rekening te houden met de behoeften van een lidstaat om specifieke problemen aan te pakken, moet een lidstaat evenwel kunnen verzoeken om een overdracht van zijn toewijzingen voor meer ontwikkelde regio's of overgangsregio's naar minder ontwikkelde regio's en moet hij deze keuze motiveren. Om te zorgen voor voldoende financiële middelen voor minder ontwikkelde regio's, moet een maximum worden vastgesteld voor overdrachten naar meer ontwikkelde regio's of overgangsregio's. Overdraagbaarheid van middelen tussen doelstellingen is niet mogelijk.

(65 bis)

Om de in het zevende cohesieverslag  (19) beschreven uitdagingen voor regio's met een gemiddeld inkomen aan te pakken (lage groei in vergelijking met meer ontwikkelde regio's, maar ook in vergelijking met minder ontwikkelde regio's, met name een probleem in regio's met een bbp per hoofd van 90 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27), moeten “overgangsregio's” toereikende steun ontvangen en omschreven worden als regio's waarvan het bbp per hoofd 75 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt. [Am. 44]

(66)

In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdende Peace-Plus-programma worden voortgezet en voortbouwen op de werkzaamheden van de eerdere programma's Peace and INTERREG in de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdende met het praktische belang ervan, moet dit programma worden ondersteund met een specifieke toewijzing voor verdere steun aan acties op het gebied van vrede en verzoening, waarbij een passend percentage van de Ierse toewijzing in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking ook aan het programma moet worden toegewezen.

(66 bis)

Vanwege hun geografische ligging en de aard en/of intensiteit van hun handelsbetrekkingen zullen verschillende regio's en lidstaten meer dan de andere te maken krijgen met de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Daarom is het belangrijk om ook in het kader van het cohesiebeleid praktische oplossingen te vinden voor steun om de uitdagingen voor de betrokken regio's en lidstaten aan te pakken zodra de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden. Bovendien zal een permanente samenwerking tot stand moeten komen, waarbij de lokale en regionale autoriteiten en lidstaten die het hardst getroffen worden informatie en goede praktijken uitwisselen. [Am. 45]

(67)

De maximale medefinancieringspercentages op het vlak van het cohesiebeleid moeten per regiocategorie worden vastgesteld teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van medefinanciering door middel van een passend niveau van publieke of private nationale steunverlening in acht wordt genomen. Deze percentages moet een weerspiegeling zijn van het niveau van economische ontwikkeling van regio's op het vlak van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27 , waarbij ervoor moet worden gezorgd dat verschuivingen van categorie niet tot een minder gunstige behandeling leiden [Am. 46].

(68)

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te kunnen aanvullen of wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de elementen die in bepaalde bijlagen bij deze verordening zijn vastgesteld, d.w.z. voor de dimensies en codes voor de interventietypes, de modellen voor de partnerschapsovereenkomsten en programma’s, de modellen voor de overdracht van gegevens, het gebruik van het embleem van de Unie, de elementen van de financieringsovereenkomsten en strategiedocumenten, het controlespoor, de systemen voor elektronische gegevensuitwisseling, de modellen voor de beschrijving van het beheers- en controlesysteem, de beheersverklaring, de auditverklaring, het jaarlijkse controleverslag, de auditstrategie, de betalingsaanvragen, de rekeningen en de vaststelling van het niveau van de financiële correcties.

(69)

Voorst moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de wijziging van de Europese gedragscode inzake partnerschap teneinde de code aan te passen aan deze verordening, en met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de onregelmatigheden die moeten worden gemeld, de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houd met kosten die van toepassing zijn op alle lidstaten alsook de vaststelling van gestandaardiseerde vlot inzetbare steekproefmethoden. [Am. 47]

(70)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden met alle belanghebbenden de nodige transparante raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 48]

(71)

Om eenvormige voorwaarden voor de vaststelling van partnerschapsovereenkomsten, de vaststelling of wijziging van programma's alsook de toepassing van financiële correcties te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot het model voor het melden van onregelmatigheden, de digitale data die moeten worden geregistreerd en opgeslagen en voor het model voor het eindverslag over de prestaties moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (20). Hoewel deze handelingen van algemene aard zijn, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast, aangezien deze alleen de technische aspecten, formulieren en modellen betreffen. De uitvoeringsbesluiten met betrekking tot de vaststelling van de verdeling van de financiële toewijzingen voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten worden vastgesteld zonder comitéprocedure, aangezien zij de loutere weerspiegeling zijn van de toepassing van de vooraf vastgestelde berekeningsmethode.

(72)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en Raad (21) of elke andere handeling die van toepassing is op de programmeringsperiode 2014-2020 moet van toepassing blijven op de programma's en concrete acties die door de Fondsen zijn ondersteund in de programmeringsperiode 2014-2020. Aangezien de uitvoeringsperiode van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zich naar verwachting over de programmeringsperiode die door deze verordening wordt bestreken, zal uitstrekken en om de continuïteit van de uitvoering van bepaalde concrete acties die door deze verordening zijn goedgekeurd, te garanderen, moeten faseringsbepalingen worden vastgesteld. Elke afzonderlijke fase van de gefaseerde concrete actie, die hetzelfde algemene doel dient, moet overeenkomstig de regels van de programmeringsperiode in het kader waarvan het financiering ontvangt, worden uitgevoerd.

(73)

De doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de economische, sociale en territoriale samenhang en het vaststellen van gemeenschappelijke financiële regels voor het deel van de begroting van de Unie dat in het kader van gedeeld beheer wordt uitgevoerd, kan vanwege enerzijds de mate van ongelijkheid tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de achterstand van specifieke uitdagingen voor de minst begunstigde regio's en de beperktheid van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's, en anderzijds wegens de noodzaak voor een samenhangend uitvoeringskader dat betrekking heeft op verscheidene fondsen van de Unie onder gedeeld beheer, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. [Am. 49]

(74)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE REGELS INZAKE STEUNVERLENING

HOOFDSTUK I

Onderwerp en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden vastgesteld:

a)

de financiële regels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (“EFRO”), het Europees Sociaal Fonds Plus (“ESF+”), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (“Elfpo”), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (“EFMZV”), het Fonds voor asiel en migratie (“AMIF”), het Fonds voor interne veiligheid (“ISF”) en het Instrument voor grensbeheer en visa (“BMVI”) (hierna “de Fondsen” genoemd) [Am. 50]

b)

gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV en het Elfpo als voorgeschreven in lid 1 bis van dit artikel . [Am. 431]

1 bis.     Titel I, hoofdstuk I, artikel 2, lid 4 bis, hoofdstuk II, artikel 5, titel III, hoofdstuk II, de artikelen 22 tot en met 28, en titel IV, hoofdstuk III, afdeling I, de artikelen 41 tot en met 43, zijn van toepassing op door het Elfpo gefinancierde steunmaatregelen, en titel I, hoofdstuk I, artikel 2, leden 15 tot en met 25, en titel V, hoofdstuk II, afdeling II, de artikelen 52 tot en met 56 zijn van toepassing op de in artikel 74 van Verordening (EU) …/… [verordening strategische GLB-plannen] bedoelde financiële instrumenten die in het kader van het Elfpo worden ondersteund. [Am. 432]

2.   Deze verordening is niet van toepassing op de componenten werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+ en op de componenten direct of indirect beheer van het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI, met uitzondering van technische bijstand op initiatief van de Commissie.

3.   De artikelen 4 en 10, hoofdstuk III van titel II, hoofdstuk II van titel III, en titel VIII zijn niet van toepassing op het AMIF, het ISF en het BMVI.

4.   Titel VIII is niet van toepassing op het EFMZV.

5.   Artikel 11 van hoofdstuk II en artikel 15 van hoofdstuk III van titel II, hoofdstuk I van titel III, artikelen 33 tot 36 en artikel 38, leden 1 tot 4, van hoofdstuk I, artikel 39 van hoofdstuk II, artikel 45 van hoofdstuk III van titel IV, artikelen 67, 71, 73 en 74 van hoofdstuk II en hoofdstuk III van titel VI zijn niet van toepassing op de Interreg-programma's.

6.   In de hierna vermelde fondsspecifieke verordeningen kunnen aanvullende regels zijn vastgesteld die niet strijdig mogen zijn met deze verordening. In geval van twijfel over de toepassing met betrekking tot de vraag of deze verordening of fondsspecifieke verordeningen van toepassing zijn, krijgen de bepalingen van deze verordening voorrang:

a)

Verordening (EU) […] (“EFRO en CF-verordening”) (22);

b)

Verordening (EU) […] (“ESF+-verordening”) (23);

c)

Verordening (EU) […] (“ETS-verordening”) (24);

d)

Verordening (EU) […] (“EFMZV-verordening”) (25);

e)

Verordening (EU) […] (“AMIF-verordening”) (26);

f)

Verordening (EU) […] (“ISF-verordening”) (27);

g)

Verordening (EU) […] (“BMVI-verordening”) (28);

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1)

“relevante landspecifieke aanbevelingen”: aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid leden  2 en4, en artikel 148, lid 4, VWEU in verband met de structurele uitdagingen die behoren te worden aangepakt via meerjarige investeringen die onder het toepassingsgebied vallen van de Fondsen zoals beschreven in de fondsspecifieke verordeningen, en de desbetreffende aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel [XX] van Verordening (EU) nr. [nummer van de nieuwe verordening inzake governance van de energie-unie] van het Europees Parlement en de Raad; [Am. 54]

1 bis)

“randvoorwaarde”: een concrete en nauwkeurig omschreven voorwaarde die daadwerkelijk verband houdt met een rechtstreeks effect op de doeltreffende en efficiënte verwezenlijking van een specifieke doelstelling van het programma; [Am. 55]

2)

“toepasselijk recht”: de wetgeving van de Unie en het nationale recht betreffende de toepassing hiervan;

(3)

“concrete actie”:

a)

een project, overeenkomst, actie of groep projecten geselecteerd in het kader van de betrokken programma’s;

b)

in de context van financiële instrumenten, een programmabijdrage aan een financieel instrument en de daaruit voortvloeiende financiële steun die uit dat financieel instrument aan de eindontvangers wordt verleend;

(4)

“concrete actie van strategisch belang”: een concrete actie die een cruciale bijdrage levert aan de totstandkoming van de doelstellingen van een programma en dat onderworpen is aan specifieke monitoring en communicatiemaatregelen;

(4 bis)

“programma”: in de context van het Elfpo, de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) […] (de “Verordening inzake strategische GLB-plannen”); [Am. 56]

(5)

“prioriteit”: in het kader van het AMIF, ISF en het BMIV: een specifieke doelstelling; in het kader van het EFMZV: een “soort steungebied” zoals omschreven in de nomenclatuur die is opgenomen in bijlage III van de EFMZV-verordening;

(6)

“specifieke doelstelling”: in het kader van het EFMZV “steungebied” zoals omschreven in bijlage III van de EFMZV-verordening;

(7)

“intermediaire instantie”: elke publiek- of privaatrechtelijke instantie die handelt onder de verantwoordelijkheid van een beheersautoriteit of namens een dergelijke autoriteit functies of taken verricht;

(8)

“begunstigde”:

a)

een publiek- of privaatrechtelijke instantie, een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid of een natuurlijke persoon die belast is met het opzetten of met het opzetten en uitvoeren van concrete acties;

b)

in de context van publiek-private partnerschappen (“PPP’s”), de publiekrechtelijke instantie die de concrete PPP-actie inleidt of de particuliere partner die is geselecteerd om die uit te voeren;

c)

in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt , behalve wanneer de steun per instantie minder dan 200 000 EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd de Verordeningen (EU) nr. 1407/2013  (29) , (EU) nr. 1408/2013  (30) en (EU) nr. 717/2014 van de Commissie  (31) [Am. 57]

d)

in de context van financiële instrumenten, de instantie die het holdingfonds uitvoert of, wanneer er geen holdingfondsstructuur is, de instantie die het specifieke fonds uitvoert of, indien de beheersautoriteit het financieel instrument beheert, de beheersautoriteit;

(9)

“fonds voor kleinschalige projecten”: een concrete actie in een Interreg-programma die gericht is op de selectie en uitvoering van projecten , met inbegrip van people-to-people-projecten van beperkte financiële omvang; [Am. 58]

(10)

“streefdoel”: vooraf vastgestelde waarde die aan het einde van de programmeringsperiode moet zijn bereikt in verband met de voor een specifieke doelstelling opgenomen indicator;

(11)

“mijlpaal”: tussentijdse waarde die op een bepaald tijdstip tijdens de programmeringsperiode moet zijn bereikt in verband met de voor een specifieke doelstelling opgenomen indicator;

(12)

“outputindicator”: een indicator voor het meten van de specifieke resultaten die met de interventie moeten worden behaald;

(13)

“resultaatindicator”: een indicator voor het meten van de kortetermijneffecten van de ondersteunde interventies, in het bijzonder met betrekking tot de rechtstreekse adressaten, de doelgroep of de gebruikers van de infrastructuur;

(14)

“concrete PPP-actie”: een concrete actie die wordt uitgevoerd in het kader van een partnerschap tussen openbare instanties en de particuliere sector overeenkomstig een PPP-overeenkomst en die tot doel heeft openbare diensten te verstrekken door middel van risicodeling, het bundelen van expertise uit de particuliere sector of extra financieringsbronnen;

(15)

“financiële instrument”: een constructie in het kader waarvan financiële producten worden verstrekt;

(16)

“financieel product”: investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen, leningen en garanties, als omschreven in artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. […] (“het Financieel Reglement”);

(17)

“eindontvanger”: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die steun uit het Fonds krijgt via een begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten of van een financieel instrument;

(18)

“programmabijdrage”: steun van de fondsen en de nationale openbare en particuliere, indien van toepassing, medefinanciering aan een financieel instrument;

(19)

“instantie die een financieringsinstrument uitvoert”: publiek- of privaatrechtelijke instantie die taken uitvoert van een holdingfonds of een specifiek fonds;

(20)

“holdingfonds”: een fonds dat in het kader van een of meer programma’s door een beheersautoriteit is opgericht om financieringsinstrumenten uit te voeren via één of meer specifieke fondsen;

(21)

“specifiek fonds”: een fonds dat door een beheersautoriteit of een holdingfonds is opgericht, om waarmee zij financiële producten te verstrekken voor de eindontvangers; [Am. 59]

(22)

“hefboomeffect”: het voor de eindontvangers ter beschikking gestelde vergoedbare bedrag aan financiering, gedeeld door de bijdrage van de Fondsen;

(23)

“multiplicatorratio”: in de context van garantie-instrumenten, de verhouding tussen de waarde van de onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, en het bedrag van de programmabijdrage dat, zoals overeengekomen in garantiecontracten, is gereserveerd voor het dekken van verwachte en onverwachte verliezen uit deze nieuwe leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen;

(24)

“beheerskosten”: directe of indirecte kosten die worden vergoed tegen overlegging van bewijzen van uitgaven de voor de uitvoering van de financieringsinstrumenten zijn gemaakt;

(25)

“beheersvergoeding”: de prijs voor verleende diensten, zoals bepaald in de financieringsovereenkomst tussen de beheersautoriteit en de instantie die een holdingfonds of specifiek fonds uitvoert, en, in voorkomend geval, tussen de instantie die een holdingfonds uitvoert en de instantie die een specifiek fonds uitvoert.

(26)

“verplaatsing”: overbrenging van dezelfde of een vergelijkbare activiteit of een deel daarvan in de zin van artikel 2, punt 61bis, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (32) waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het VWEU met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

(27)

“overheidsbijdrage”: elke bijdrage ter financiering van concrete acties, afkomstig uit de begroting van een nationale, regionale of lokale overheid of van een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad is opgericht (33), uit de begroting van de Unie voor de Fondsen, uit de begroting van publiekrechtelijke instanties of uit de begroting van verenigingen van overheden of van publiekrechtelijke instanties, die voor de vaststelling van het medefinancieringspercentage van ESF+-programma’s of -prioriteiten alle gezamenlijk door werkgevers en werknemers bijgedragen financiële middelen kan omvatten;

(28)

“boekjaar”: de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar, behalve voor het eerste boekjaar van de programmeringsperiode, dat de periode van de begindatum voor subsidiabiliteit van de uitgaven tot en met 30 juni 2022 omvat; het laatste boekjaar loopt van 1 juli 2029 tot en met 30 juni 2030;

(29)

“onregelmatigheid”: elke inbreuk op het toepasselijke recht, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de Fondsen betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave ten laste van deze begroting wordt of zou kunnen worden benadeeld;

(30)

“ernstige tekortkoming”: tekortkoming in de effectieve werking van het beheer- en controlesysteem van een programma waarvoor aanzienlijke verbeteringen in beheer- en controlesystemen nodig zijn en waarbij een van de in de bijlage X opgenomen essentiële vereisten 2, 4, 5, 9, 12, 13 en 15 of twee of meer van de andere essentiële vereisten zijn beoordeeld in de categorieën 3 en 4 van deze bijlage;

(31)

“totale foutenpercentage”: de som van de geprojecteerde toevalsfouten en, in voorkomend geval, de systeemfouten en de niet-gecorrigeerde atypische fouten, gedeeld door de populatie;

(32)

“resterend foutenpercentage”: het totale foutenpercentage verminderd met financiële correcties die zijn toegepast door de lidstaat die voornemens is de risico's te beperken die zijn vastgesteld door de auditautoriteit in het kader van de audits van de concrete acties;

(33)

“voltooide concrete actie”: een concrete actie die fysiek is voltooid of volledig ten uitvoer is gelegd en waarvoor de begunstigden alle betrokken betalingen hebben verricht en de betrokken overheidsbijdrage aan de begunstigden is betaald;

(34)

“steekproefeenheid”: een van de eenheden, waarbij het kan gaan om een concrete actie, een project binnen een concrete actie of een betalingsaanvraag door een begunstigde, waarin een populatie is onderverdeeld met het oog op het samenstellen van de steekproef;

(35)

“geblokkeerde rekening”: in het geval van een concrete PPP-actie een bankrekening die valt onder een door de beheersautoriteit of een intermediaire instantie goedgekeurde schriftelijke overeenkomst tussen de begunstigde openbare instantie en de particuliere partner, welke gebruikt wordt voor betalingen tijdens en/of na subsidiabiliteitsperiode;

(36)

“deelnemer”: een natuurlijke persoon die gebaat is bij een concrete actie maar geen financiële steun van de fondsen ontvangt;

(36 bis)

“beginsel energie-efficiëntie eerst”: dat bij het nemen van alle besluiten over energieplanning, -beleid en -investeringen prioriteit wordt gegeven aan maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken; [Am. 60]

(37)

“klimaatbestendig maken”: een proces dat ervoor moet zorgen dat infrastructuur bestendig is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering overeenkomstig internationaal erkende normen of nationale regelgeving en richtsnoeren, en in voorkomend geval, internationaal erkende normen. dat het beginsel energie-efficiëntie eerst in acht wordt genomen en dat scenario's voor specifieke emissiereductie en decarbonisatie worden gekozen; [Am. 61]

(37 bis)

“EIB”: de Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds of een eventuele dochterinstelling van de Europese Investeringsbank. [Am. 62]

Artikel 3

Berekening van termijnen voor Commissiebesluiten

Wanneer een termijn is vastgesteld voor een optreden door de Commissie, begint deze termijn wanneer alle informatie overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde vereisten of in fondsspecifieke verordeningen door de lidstaat zijn ingediend.

Deze termijn wordt opgeschort vanaf de dag die volgt op de datum waarop de Commissie haar opmerkingen of een verzoek voor herziene documenten aan de lidstaat toezendt en totdat de lidstaat antwoordt op de Commissie.

HOOFDSTUK II

Beleidsdoelstellingen en beginselen voor de steunverlening van de Fondsen

Artikel 4

Beleidsdoelstellingen

1.   Het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV ondersteunen de volgende beleidsdoelstellingen:

a)

een competitiever en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en door de versterking van kleine en middelgrote ondernemingen ; [Am. 63]

b)

een groener, Europa dat groen en veerkrachtig is en koolstofarm Europa en dat de overgang maakt naar een koolstofneutrale economie, door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer; [Am. 64]

c)

een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit , met inbegrip van slimme en duurzame mobiliteit, en regionale ICT-connectiviteit; [Am. 65]

d)

een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; [Am. 66]

e)

een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- alle regio's , gebieden en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen. [Am. 67]

2.   Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds dragen bij tot het optreden van de Unie gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU door de volgende doelstellingen na te streven:

a)

investeren in groei en werkgelegenheid in lidstaten en regio's, te ondersteunen door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds; en

b)

Europese territoriale samenwerking (Interreg), te ondersteunen door het EFRO.

3.   De lidstaten zorgen ervoor relevante concrete acties tijdens het gehele plannings- en uitvoeringsproces klimaatbestendig te maken en verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I. [Am. 68]

4.   De Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden en in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en meerlagig bestuur, zorgen de lidstaten en de Commissie zorgen voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij zullen de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, optimaliseren om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen. [Am. 69]

4 bis.     De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de relevante staatssteunregels in acht worden genomen. [Am. 70]

Artikel 5

Gedeeld beheer

1.   De lidstaten , in overeenstemming met hun institutionele en juridische kader, en de Commissie voeren de begroting van de Unie die is toegewezen aan de Fondsen in gedeeld beheer uit overeenkomstig artikel [63] van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe financieel reglement] (hierna “het financieel reglement” genoemd). [Am. 71]

2.   De Commissie Onverminderd artikel 1, lid 2, zorgt evenwel de Commissie voor de uitvoering van het steunbedrag dat van het Cohesiefonds naar de Connecting Europe Facility (CEF), het Europees Urban-initiatief, interregionale innovatieve investeringen wordt overgedragen, het steunbedrag dat wordt overgedragen van het ESF+ naar transnationale samenwerking, de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU (34) en technische bijstand op initiatief van de Commissie in direct of indirect beheer overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a) en c)] van het financieel reglement. [Am. 72]

3.   De Commissie kan , met instemming van de lidstaat en de betrokken regio, de samenwerking met ultraperifere gebieden in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) uitvoeren onder direct beheer. [Am. 73]

Artikel 6

Partnerschap en meerlagig bestuur

1.   Elke lidstaat organiseert een partnerschap voor de partnerschapsovereenkomst en voor elk programma, in overeenstemming met de bevoegde regionale zijn institutionele en juridische kader, een volwaardig en lokale autoriteiten doeltreffend partnerschap . Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken: [Am. 74]

a)

stedelijke regionale, lokale, stedelijke en andere overheden; [Am. 75]

b)

economische en sociale partners;

c)

de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals milieupartners , niet-gouvernementele organisaties en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen. [Am. 76]

c bis)

onderzoeksinstellingen en universiteiten, in voorkomend geval. [Am. 77]

2.   De lidstaten betrekken deze partners volgens het beginsel van meerlagig bestuur en volgens een bottom-upbenadering bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten alsook gedurende de voorbereiding , de uitvoering en de uitvoering evaluatie van programma's, onder meer door middel van deelname aan de toezichtcomités overeenkomstig artikel 34. In dit verband wijzen de lidstaten een passend percentage van de middelen uit de Fondsen toe voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit van de sociale partners en maatschappelijke organisaties. Indien het grensoverschrijdende programma’s betreft, betrekken de betrokken lidstaten de partners uit alle deelnemende lidstaten erbij. [Ams. 78 en 459]

3.   De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie (35). De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 107 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 om die gedelegeerde verordening aan te passen aan deze verordening. [Am. 79]

4.   Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen, over de uitvoering van programma's en brengt zij verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over het resultaat daarvan . [Am. 80]

Artikel 6 bis

Horizontale beginselen

1.     De lidstaten en de Commissie zorgen bij de uitvoering van de Fondsen voor de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2.     De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de gelijkheid van vrouwen en mannen, gendermainstreaming en de integratie van het genderperspectief worden meegewogen en bevorderd tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's, onder meer op het vlak van toezicht, rapportage en evaluatie.

3.     De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bij de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht op, de rapportage over en de evaluatie van programma's te voorkomen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt met name rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een handicap.

4.     De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, en in overeenstemming met de bevordering door de Unie van de doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en bestrijding van klimaatverandering, rekening houdend met het beginsel dat de vervuiler betaalt, als vastgesteld in artikel 191, leden 1 en 2, VWEU.

De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat bij de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt bijgedragen tot milieubescherming, efficiënt gebruik van hulpbronnen, het beginsel energie-efficiëntie eerst, een sociaal rechtvaardige energietransitie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, biodiversiteit, herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en risicobeheer. Zij trachten investeringen te voorkomen die verband houden met de productie, verwerking, distributie, opslag of verbranding van fossiele brandstoffen. [Am. 81]

TITEL II

STRATEGISCHE AANPAK

HOOFDSTUK I

Partnerschapsovereenkomst

Artikel 7

Voorbereiding en indiening van de partnerschapsovereenkomst

1.   Elke lidstaat bereidt een partnerschapsovereenkomst voor waarin de regels zijn opgenomen om de Fondsen op doeltreffende en doelmatige wijze te gebruiken voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027. Een dergelijke partnerschapsovereenkomst wordt voorbereid in overeenstemming met de gedragscode die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie. [Am. 82]

2.   De lidstaat dient de partnerschapsovereenkomst in bij de Commissie vóór of tegelijkertijd met de indiening van het eerste programma , en uiterlijk op 30 april 2021 . [Am. 83]

3.   De partnerschapsovereenkomst kan samen met het desbetreffende jaarlijkse nationale hervormingsprogramma en het nationale energie- en klimaatplan worden ingediend. [Am. 84]

4.   De lidstaat stelt de partnerschapsovereenkomst op overeenkomstig het in bijlage II opgenomen model. De partnerschapsovereenkomst kan in een van de programma's van de lidstaat worden opgenomen.

5.   Interreg-programma's kunnen vóór de indiening van de partnerschapsovereenkomst bij de Commissie worden ingediend.

Artikel 8

Inhoud van de partnerschapsovereenkomst

De partnerschapsovereenkomst bevat de volgende onderdelen:

a)

de geselecteerde beleidsdoelstellingen waarbij wordt aangegeven met welke Fondsen en programma's zij zullen worden nagestreefd en een motivering daarvan, en in voorkomend geval, een motivering voor het gebruik van het uitvoeringsmodel van InvestEU, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen, waarbij rekening wordt gehouden met en een opsomming wordt gegeven van de relevante landspecifieke aanbevelingen evenals de regionale uitdagingen ; [Am. 85]

b)

voor elk van de onder a) bedoelde geselecteerde beleidsdoelstellingen:

i)

een samenvatting van de beleidskeuzes en de belangrijkste resultaten die voor elk van de Fondsen wordt verwacht; onder meer, in voorkomend geval, door het gebruik van InvestEU; [Am. 86]

ii)

coördinatie, afbakening en complementariteit tussen de Fondsen en in voorkomend geval, coördinatie tussen nationale en regionale programma's , met name met betrekking tot de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) […] (de “Verordening inzake strategische GLB-plannen”) ; [Am. 87]

iii)

complementariteit en synergie tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten , en, in voorkomend geval, projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa ; [Am. 88]

iii bis)

verwezenlijking van doelstellingen, beleid en maatregelen in het kader van de nationale energie- en klimaatplannen; [Am. 89]

c)

de voorlopige financiële toewijzing voor elk van de Fondsen per beleidsdoelstelling op nationaal en in voorkomend geval op regionaal niveau, waarbij wordt rekening wordt gehouden met fondsspecifieke doelstellingen inzake thematische concentratie; [Am. 90]

d)

in voorkomend geval, de de opsplitsing van financiële middelen per categorie van regio's regiocategorie, opgesteld overeenkomstig artikel 102, lid 2, en de bedragen van de voorgestelde toewijzingen die moeten worden overgedragen tussen categorieën van regio's regiocategorieën overeenkomstig artikel 105; [Am. 91]

e)

de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU; [Am. 92]

f)

de lijst van geplande programma's onder de Fondsen met de respectieve voorlopige financiële toewijzingen per Fonds en de overeenkomstige nationale bijdrage per categorie van regio;

g)

een samenvatting van de acties die de desbetreffende lidstaat zal ondernemen om de administratieve bestuurlijke capaciteit van de uitvoering van de Fondsen en zijn beheers- en controlesysteem te versterken. [Am. 93]

g bis)

in voorkomend geval een geïntegreerde benadering om de demografische uitdagingen van regio's en gebieden het hoofd te bieden en/of te voorzien in hun specifieke behoeften; [Am. 94]

g ter)

een communicatie- en zichtbaarheidsstrategie. [Am. 95]

De EIB kan op verzoek van de lidstaten deelnemen aan de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomst, alsook aan activiteiten in verband met de voorbereiding van concrete acties, financieringsinstrumenten en PPP's. [Am. 96]

Met betrekking tot de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) bevat de partnerschapsovereenkomst alleen de lijst van geplande programma's en de grensoverschrijdende investeringsbehoeften in de betrokken lidstaat . [Am. 97]

Artikel 9

Goedkeuring van de partnerschapsovereenkomst

1.   De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. In haar beoordeling houdt de Commissie in het bijzonder rekening met rekening met de bepalingen van de artikelen 4 en 6, de relevante landspecifieke aanbevelingen , evenals de maatregelen in verband met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de manier waarop deze worden aangepakt . [Am. 98]

2.   De Commissie kan binnen drie twee maanden na de datum waarop de partnerschapovereenkomst door de lidstaat is ingediend haar opmerkingen doen toekomen. [Am. 99]

3.   De lidstaat evalueert de partnerschapsovereenkomst en houdt rekening met de opmerkingen binnen een maand na de datum van indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen . [Am. 100]

4.   Uiterlijk vier maanden na de eerste indiening van de partnerschapsovereenkomst door de desbetreffende lidstaat stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van de partnerschapovereenkomst. De partnerschapovereenkomst wordt niet gewijzigd. [Am. 101]

5.   Indien de partnerschapovereenkomst overeenkomstig artikel 7, lid 4, in een programma is opgenomen, stelt de Commissie uiterlijk zes maanden na indiening van dat programma door de desbetreffende lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van dat programma.

Artikel 10

Inzet van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV door middel van InvestEU

1.    Vanaf 1 januari 2023 kunnen lidstaten, in met instemming van de partnerschapsovereenkomst of betrokken beheersautoriteiten, in het verzoek tot wijziging van een programma het een bedrag van maximaal 2 % van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Het Verder kan maximaal 3 % van de totale toewijzing van elk Fonds aan InvestEU bij te dragen bedrag mag niet meer bedragen dat 5 % worden toegewezen in het kader van de tussentijdse evaluatie. Dergelijke bijdragen zijn beschikbaar voor investeringen die stroken met de doelstellingen van het cohesiebeleid en die bestemd zijn voor dezelfde regiocategorie als de totale toewijzing van elk Fonds, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Dergelijke bijdragen middelen uit de oorspronkelijke Fondsen. Indien een bedrag van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds wordt bijgedragen aan InvestEU, zijn de in artikel 11 en in de bijlagen III en IV bij deze verordening beschreven randvoorwaarden van toepassing. Toewijzingen zijn alleen mogelijk voor geen overdrachten van middelen overeenkomstig artikel 21 van toekomstige kalenderjaren . [Am. 428]

2.   Voor de partnerschapsovereenkomst kunnen middelen van het huidige en toekomstige kalenderjaar worden toegewezen. Voor een verzoek tot wijziging van een programma kunnen alleen middelen van toekomstige kalenderjaren worden toegewezen. [Am. 103]

3.   Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de respectieve lidstaat. [Am. 104]

4.   Indien vóór 31 december 2021 2023 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in de partnerschapsovereenkomst, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma of programma's in, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag. [Am. 105]

De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een programma, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het programma gesloten of, naargelang van het geval, gewijzigd . [Am. 106]

5.   Indien binnen negen maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], is gesloten, worden de respectievelijke bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar een het oorspronkelijke programma of de oorspronkelijke programma's en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot programmawijziging in. In dit specifieke geval kunnen de middelen van afgelopen kalenderjaren worden gewijzigd, zolang de vastleggingen nog niet zijn uitgevoerd. [Am. 107]

6.   Indien een garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], binnen vier jaar na de ondertekening ervan, niet volledig is uitgevoerd, kan de lidstaat verzoeken dat bedragen die zijn vastgelegd in de garantieovereenkomst maar geen onderliggende leningen of andere risicodragende instrumenten dekken, worden behandeld overeenkomstig lid 5.

7.   De middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en de bij de bijdrage betrokken lokale of regionale autoriteit en gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financiële instrumenten. [Am. 108]

8.   De Commissie zal de bijgedragen bedragen die niet zijn gebruikt voor InvestEU voor het jaar waarin de overeenkomstige programmawijziging is goedgekeurd, opnieuw in de begroting opnemen. Deze bedragen mogen niet later dan het jaar 2027 opnieuw in de begroting worden opgenomen.

De termijn voor doorhaling van het opnieuw in de begroting opgenomen bedrag overeenkomstig artikel 99 begint te lopen vanaf het jaar waarin de bijdrage opnieuw in de begroting is opgenomen.

HOOFDSTUK II

Randvoorwaarden en prestatiekader

Artikel 11

Randvoorwaarden

1.   Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden (“randvoorwaarden”) vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan. De randvoorwaarden zijn van toepassing voor zover zij bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma. [Am. 109]

In bijlage III worden horizontale randvoorwaarden vastgesteld die gelden voor alle specifieke doelstellingen en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

In bijlage IV worden thematische randvoorwaarden vastgesteld voor het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF+ en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

2.   Bij de voorbereiding van een programma of de invoering van een nieuwe specifieke doelstelling als onderdeel van een programmawijziging, beoordeelt de lidstaat of de randvoorwaarden die samenhangen met de geselecteerde specifieke doelstelling, zijn vervuld. Een randvoorwaarde is vervuld wanneer is voldaan aan alle gerelateerde criteria. De lidstaat identificeert in elk programma of in de programmawijziging de vervulde en niet-vervulde randvoorwaarden en wanneer de lidstaat van oordeel is dat een randvoorwaarde is vervuld, wordt dit door de lidstaat gemotiveerd. Op verzoek van een lidstaat kan de EIB bijdragen aan de beoordelingen van de acties die nodig zijn om aan de relevante randvoorwaarden te voldoen. [Am. 110]

3.   Wanneer niet is voldaan aan een randvoorwaarde op het ogenblik dat het programma wordt goedgekeurd of gewijzigd, rapporteert de lidstaat aan de Commissie zodra hij met een motivatie van oordeel is dat de randvoorwaarde is vervuld.

4.   Binnen drie twee maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij de lidstaat ervan in kennis of zij akkoord gaat met de naleving. [Am. 111]

Wanneer de Commissie het oneens is met de beoordeling van de lidstaat, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van één maand maximaal twee maanden kenbaar te maken. [Am. 112]

5.   Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen niet kunnen worden opgenomen in de betalingsaanvragen totdat vóór de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4 , onverminderd de schorsing van de vergoeding zelf totdat de voorwaarde is vervuld . [Am. 113]

De eerste alinea is niet van toepassing op de concrete acties die bijdragen tot de naleving van de overeenkomstige randvoorwaarden.

6.   De lidstaat zorgt ervoor dat de randvoorwaarden gedurende de volledige programmeringsperiode vervuld en toegepast zijn. Hij stelt de Commissie in kennis van elke wijziging die de vervulling van de randvoorwaarden beïnvloedt.

Wanneer de Commissie vaststelt dat een randvoorwaarde niet langer is vervuld, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van één maand kenbaar te maken. Wanneer de Commissie concludeert dat de niet-naleving van de randvoorwaarden blijft voortduren, kunnen uitgaven die gekoppeld zijn aan de desbetreffende specifieke doelstelling niet worden opgenomen in betalingsaanvragen met ingang van de datum dat de Commissie de lidstaat hieromtrent in kennis stelt.

7.   Bijlage IV is niet van toepassing op programma's die worden gefinancierd in het kader van het EFMZV.

Artikel 12

Prestatiekader

1.   De lidstaat stelt , in voorkomend geval in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen. [Am. 115]

Het prestatiekader bestaat uit:

a)

de output- en resultaatindicatoren die gekoppeld zijn aan specifieke doelstellingen die in de fondsspecifieke verordeningen zijn vastgesteld;

b)

de mijlpalen die tegen eind 2024 moeten zijn bereikt voor de outputindicatoren; en

c)

de doelstellingen die tegen eind 2029 moeten zijn bereikt voor de resultaatindicatoren.

2.   Mijlpalen en doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel [4,(c)(vii, lid 1, onder xi, )] van de ESF+ Verordening bedoelde specifieke doelstelling voor de aanpak van materiële deprivatie. [Am. 116]

3.   Mijlpalen en doelstellingen stellen de Commissie en de lidstaten in staat de vooruitgang te meten die is geboekt bij de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen. Zij voldoen aan de in artikel [33(3)] van het Financieel Reglement bedoelde vereisten.

Artikel 13

Methodes voor de vaststelling van een prestatiekader

1.   De methodes voor de vaststelling van een prestatiekader zijn:

a)

de door de lidstaten toegepaste criteria voor de selectie van indicatoren;

b)

gegevens of bewijsmateriaal, kwaliteitsborging van gegevens en de berekeningsmethode;

c)

factoren die het verwezenlijken van de mijlpalen en doelstellingen kunnen beïnvloeden en de wijze waarop hiermee rekening is gehouden.

2.   De lidstaten stellen deze methodes op verzoek van de Commissie beschikbaar.

Artikel 14

Tussentijdse evaluatie

1.   Voor de programma's ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verricht verrichten de lidstaat en de bevoegde beheersautoriteiten een evaluatie van elk programma, rekening houdende houdend met de volgende punten: [Am. 117]

a)

de nieuwe, in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen , en de doelstellingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien relevant ; [Am. 118]

b)

de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio , met inbegrip van de stand van zaken bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en territoriale behoeften met het oog op de vermindering van verschillen, evenals economische en sociale ongelijkheden ; [Am. 119]

c)

de geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de mijlpalen;

d)

in voorkomend geval, de resultaten van de in artikel 104, lid 2, bedoelde technische aanpassing.

d bis)

alle belangrijke negatieve financiële, economische of sociale ontwikkelingen die een aanpassing van het programma noodzakelijk maken, bijvoorbeeld naar aanleiding van symmetrische of asymmetrische schokken in de lidstaten en hun regio's. [Am. 120]

2.    Afhankelijk van het resultaat van de herziening lidstaat dient de lidstaat uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek in tot wijziging van elk programma in overeenkomstig artikel 19, lid 1 , of stelt de lidstaat dat er geen wijzigingen nodig zijn . De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten , of motiveert in voorkomend geval waarom hij niet om wijziging van een programma verzoekt . [Am. 121]

Het herziene programma moet het volgende omvatten:

a)

de herziene initiële toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027; [Am. 122]

b)

herziene of nieuwe doelstellingen;

b bis)

de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU, in voorkomend geval; [Am. 123]

c)

in voorkomend geval, de herziene toewijzingen van financiële middelen als gevolg van de in artikel 104, lid 2 bedoelde technische aanpassing, met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2025, 2026 en 2027.

3.   Wanneer als gevolg van de evaluatie een nieuw programma wordt ingediend, heeft het financieringsplan als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder f), punt ii), betrekking op de totale financiële toewijzing voor elk van de Fondsen met ingang van het jaar van de goedkeuring van het programma.

3 bis.     De Commissie stelt uiterlijk op 31 maart 2026 een verslag vast met een samenvatting van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde evaluatie. De Commissie legt het verslag voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 124]

HOOFSTUK III

Maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur

Artikel 15

Maatregelen om doeltreffendheid van de Fondsen te koppelen aan behoorlijk economisch bestuur

1.   De Commissie kan een lidstaat verzoeken de betrokken programma's te evalueren en wijzigingen daarop voor te stellen, wanneer dit nodig is om de uitvoering van de desbetreffende aanbevelingen van de Raad te ondersteunen.

Dit verzoek kan worden geformuleerd:

a)

ter ondersteuning van de uitvoering van een relevante landspecifieke aanbeveling van de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en van een relevante tot de lidstaat gerichte aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU;

b)

ter ondersteuning van de uitvoering van tot de betrokken lidstaat gerichte relevante aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 7, lid 2, of artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 (36) van het Europees Parlement en de Raad op voorwaarde dat deze wijzigingen noodzakelijk worden geacht om macro-economische onevenwichtigheden te helpen corrigeren;

2.   Een verzoek van de Commissie aan een lidstaat overeenkomstig lid 1 wordt gemotiveerd, onder verwijzing naar de noodzaak de uitvoering te ondersteunen van de desbetreffende aanbevelingen en in dit verzoek wordt vermeld om welke programma’s of prioriteiten het volgens de Commissie gaat, alsmede de aard van de verwachte wijzigingen.

3.   De lidstaat dient zijn antwoord op het in lid 1 bedoelde verzoek in binnen twee maanden nadat hij het verzoek heeft ontvangen en legt uit welke wijzigingen hij in de desbetreffende programma’s nodig acht en waarom en geeft aan om welke programma’s het gaat en welk karakter de voorgestelde wijzigingen hebben, alsmede welke effecten ervan worden verwacht op de uitvoering van aanbevelingen en op de tenuitvoerlegging van de Fondsen. Zo nodig maakt de Commissie binnen een maand na de ontvangst van dat antwoord opmerkingen.

4.   De lidstaat dient een voorstel tot wijziging van de desbetreffende programma’s in binnen twee maanden na de datum van indiening van het in lid 3 bedoelde antwoord.

5.   Als de Commissie geen opmerkingen heeft ingediend of als de Commissie van mening is dat met alle ingediende opmerkingen naar tevredenheid rekening is gehouden, stelt zij een besluit vast tot goedkeuring van de wijzigingen van de desbetreffende programma's overeenkomstig de in artikel [19(4)] vastgestelde termijn.

6.   Wanneer de lidstaat als reactie op een overeenkomstig lid 1 geformuleerd verzoek niet effectief optreedt binnen de in de leden 3 en 4 bepaalde termijnen, kan de Commissie overeenkomstig artikel 91 alle of een deel van de betalingen voor de betrokken programma’s of prioriteiten schorsen.

7.   De Commissie doet een voorstel aan de Raad om alle of een deel van de vastleggingen of betalingen voor een of meerdere programma's van een lidstaat te schorsen, in de volgende gevallen:

a)

de Raad besluit overeenkomstig artikel 126, lid 8 of 11, VWEU dat een lidstaat geen effectieve maatregelen heeft genomen om zijn buitensporige tekort te corrigeren;

b)

de Raad keurt twee opeenvolgende aanbevelingen goed in dezelfde procedure bij onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (37) , op grond dat de lidstaat een ontoereikend plan met corrigerende maatregelen heeft ingediend;

c)

de Raad keurt twee opeenvolgende besluiten goed in dezelfde procedure bij onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1176/2011, met de vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, doordat hij de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen;

d)

de Commissie stelt vast dat een lidstaat geen maatregelen heeft genomen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 332/2002 (38) en besluit bijgevolg de uitbetaling van de aan die lidstaat toegekende financiële bijstand niet goed te keuren;

e)

de Raad besluit dat een lidstaat het macro-economisch aanpassingsprogramma overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad (39) niet naleeft of de maatregelen waarom is verzocht in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld Raadsbesluit, niet neemt.

Er wordt prioriteit gegeven aan het schorsen van vastleggingen; betalingen worden alleen geschorst, wanneer het de bedoeling is onmiddellijk op te treden en in het geval van significante niet-naleving. De schorsing van betalingen is van toepassing op betalingsaanvragen die voor de programma's in kwestie zijn ingediend na de datum van het schorsingsbesluit.

De Commissie kan om reden van uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat de betrokken lidstaat aan de Commissie heeft gestuurd binnen tien dagen na de vaststelling van het in de vorige alinea bedoelde besluit of aanbeveling aanbevelen dat de Raad de in dezelfde alinea bedoelde schorsing annuleert.

8.   Een voorstel van de Commissie met betrekking tot de schorsing van vastleggingen wordt beschouwd als aangenomen door de Raad, tenzij deze door middel van een uitvoeringshandeling besluit het voorstel met gekwalificeerde meerderheid te verwerpen binnen een maand na de indiening van het Commissievoorstel.

De schorsing van vastleggingen is van toepassing op de vastleggingen van de Fondsen voor de lidstaat in kwestie vanaf 1 januari van het jaar na het schorsingsbesluit.

De Raad stelt op basis van een voorstel van de Commissie als bedoeld in lid 7, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit over de schorsing van betalingen vast.

9.   De omvang en het niveau van de schorsing van vastleggingen die wordt opgelegd, is evenredig, respecteert de gelijke behandeling van de lidstaten en houdt rekening met de sociaaleconomische omstandigheden van de betrokken lidstaat, in het bijzonder het werkloosheidspeil, het armoedepeil of het niveau van sociale uitsluiting van de lidstaat in kwestie ten opzichte van het gemiddelde van de Unie en het effect van de schorsing op de economie van de betrokken lidstaat. De impact van schorsingen op programma’s die van essentieel belang zijn voor de aanpak van negatieve economische of sociale omstandigheden, zijn een specifieke factor waarmee rekening moet worden gehouden.

10.   Voor de schorsing van vastleggingen geldt in de volgende gevallen dat maximum van 25 % van de vastleggingen voor het volgende kalenderjaar voor de Fondsen, of, als dat minder is, van 0,25 % van het nominale bbp, kan worden geschorst:

a)

bij de eerste niet-naleving van een procedure bij buitensporige tekorten als bedoeld in lid 7, onder a);

b)

bij de eerste niet-naleving in verband met een plan met corrigerende maatregelen in het kader van een procedure bij buitensporige tekorten als bedoeld in lid 7, onder b);

c)

bij niet-naleving van de aanbevolen corrigerende maatregel in het kader van een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in lid 7, onder c);

d)

bij de eerste niet-naleving als bedoeld in lid 7, onder d) en e).

In het geval van voortdurende niet-naleving kan het percentage van geschorste vastleggingen hoger liggen dan de maximumpercentages als bedoeld in de eerste alinea.

11.   Op voorstel van de Commissie heft de Raad de schorsing van vastleggingen op overeenkomstig de in lid 8 bedoelde procedure in de volgende gevallen:

a)

de procedure bij buitensporige tekorten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1467/97 (40) van de Raad is opgeschort of de Raad heeft overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU besloten het besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in te trekken;

b)

de Raad heeft het door de betrokken lidstaat ingediende plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 onderschreven of de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 10, lid 5, van die verordening is opgeschort, of de Raad heeft de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 11 van die verordening afgesloten;

c)

de Commissie heeft geconcludeerd dat een lidstaat de in Verordening (EG) nr. 332/2002 bedoelde passende maatregelen heeft genomen;

d)

de Commissie heeft besloten dat de betrokken lidstaat passende maatregelen heeft genomen om het aanpassingsprogramma overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 uit te voeren of de maatregelen waarom is verzocht in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld Raadsbesluit, te nemen.

Nadat de Raad de schorsing van vastleggingen heeft opgeheven, plaatst de Commissie de geschorste vastleggingen overeenkomstig artikel [8] van Verordening (EU, Euratom) [[…] van de Raad (MFK-verordening)] opnieuw op de begroting.

Geschorste vastleggingen mogen na het jaar 2027 niet opnieuw op de begroting worden geplaatst.

De termijn voor de vrijmaking van het overeenkomstig artikel 99 opnieuw op de begroting geplaatste bedrag vangt aan met ingang van het jaar waarin de geschorste vastlegging opnieuw op de begroting is geplaatst.

Een besluit over de opheffing van de schorsing van betalingen wordt genomen door de Raad op basis van een voorstel van de Commissie, als aan de in de eerste alinea bepaalde toepasselijke voorwaarden is voldaan.

12.   De Commissie houdt het Europees Parlement op de hoogte van de tenuitvoerlegging van dit artikel. Met name informeert zij het Europees Parlement onverwijld wanneer voor een lidstaat aan een van de voorwaarden in lid 7 is voldaan en verstrekt zij gedetailleerde gegevens over de ESI-fondsen en de programma’s waarvoor tot een schorsing van vastleggingen kan worden besloten.

Het Europees Parlement kan de Commissie uitnodigen voor een gestructureerde dialoog over de toepassing van dit artikel, met betrekking tot de toezending van de in de eerste alinea bedoelde informatie.

De Commissie zendt het voorstel voor de schorsing van vastleggingen, respectievelijk het voorstel om deze schorsing op te heffen, toe aan het Europees Parlement en de Raad.

13.   De leden 1 tot en met 12 zijn niet van toepassing op de in artikel [4(c)(v)(ii)] van de ESF+-verordening bedoelde prioriteiten of programma's. [Am. 425/rev, 444/rev, 448 en 469]

Titel III

Programmering

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen betreffende de Fondsen

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van programma's

1.   De lidstaten bereiden programma's voor in samenwerking met de in artikel 6 bedoelde partners voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027. [Am. 140]

2.   De lidstaten dienen de programma's ten laatste drie maanden na de indiening van de partnerschapsovereenkomst bij de Commissie in.

3.   De lidstaten bereiden de programma's voor overeenkomstig het in bijlage V opgenomen model.

Voor het AMIF, het ISF en het BMVI bereidt de lidstaat programma's voor overeenkomstig het in bijlage VI opgenomen model.

Artikel 17

Inhoud van programma's

1.   Elk programma bevat een strategie voor de bijdrage van het programma aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen en de mededeling van de resultaten.

2.   Een programma bestaat uit prioriteiten. Elke prioriteit stemt overeen met één beleidsdoelstelling een of meerdere beleidsdoelstellingen of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Met eenzelfde beleidsdoelstelling kunnen meerdere prioriteiten overeenstemmen. [Am. 141]

Voor door het EFMZV ondersteunde programma's kan iedere prioriteit overeenstemmen met een of meerdere beleidsdoelstellingen. Specifieke doelstellingen stemmen overeen met steungebieden als bepaald in bijlage [III] bij de EFMZV-verordening.

Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's bestaat een programma uit specifieke doelstellingen.

3.   Voor elk programma wordt het volgende vastgesteld:

a)

een samenvatting van de voornaamste problemen, rekening houdend met:

i)

economische, sociale en territoriale verschillen en ongelijkheden , behalve voor door het EFMZV ondersteunde programma's; [Am. 142]

ii)

tekortkoming van de markt, investeringsbehoeften en een aanvulling op en synergieën met andere vormen van steun; [Am. 143]

iii)

uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen en andere relevante aanbevelingen van de Unie aan de lidstaat; [Am. 144]

iv)

uitdagingen op het vlak van administratieve capaciteit en bestuur en vereenvoudigingsmaatregelen ; [Am. 145]

iv bis)

een geïntegreerde benadering voor de aanpak van demografische uitdagingen, in voorkomend geval; [Am. 146]

v)

lessen uit ervaringen uit het verleden;

vi)

macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën waar lidstaten en regio's participeren in dergelijke strategieën;

vi bis)

uitdagingen en daarmee verband houdende doelstellingen die in de nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten zijn vastgesteld; [Am. 147]

vii)

voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's de vooruitgang met de uitvoering van het relevante EU-acquis en actieplannen , evenals de geconstateerde tekortkomingen ; [Am. 148]

b)

een verantwoording voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen, bijhorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun;

c)

voor elke prioriteit, behalve voor technische bijstand, specifieke doelstellingen;

d)

voor elke specifieke doelstelling:

i)

de gerelateerde soorten acties, met inbegrip van een indicatieve lijst met en een tijdschema voor de geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun de verwachte bijdrage daarvan aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing; [Am. 149]

ii)

outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

iii)

de hoofddoelgroepen;

iii bis)

acties ter waarborging van gelijkheid, inclusie en non-discriminatie; [Am. 150]

iv)

beoogde specifieke grondgebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale ontwikkeling, vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling of een ander territoriaal instrument;

v)

de interregionale , grensoverschrijdende en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn; [Am. 151]

v bis)

de duurzaamheid van investeringen; [Am. 152]

vi)

het geplande gebruik van financieringsinstrumenten;

vii)

de interventietypes en een indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen per interventietype of terrein voor ondersteuning;

vii bis)

een beschrijving van de wijze waarop complementariteit en synergieën met andere Fondsen en instrumenten moeten worden nagestreefd; [Am. 153]

e)

het geplande gebruik van technische bijstand overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 32 en relevante interventietypes;

f)

een financieringsplan dat het volgende bevat:

i)

een tabel met de totale financiële toewijzingen voor elk van de fondsen en voor elke regiocategorie voor de hele programmeringsperiode en per jaar, met inbegrip van op grond van artikel 21 overgedragen bedragen;

ii)

een tabel met de totale financiële toewijzingen voor elke prioriteit per fonds en per regiocategorie, de nationale bijdrage en of zij is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

iii)

voor door het EFMZV ondersteunde programma's een tabel met voor elk type van terrein voor ondersteuning het bedrag van de totale financiële toewijzingen voor de steun uit het fonds en de nationale bijdrage;

iv)

voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's een tabel met per specifieke doelstelling de totale financiële toewijzingen per actietype, de nationale bijdrage en of zij is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

g)

de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel 6 bedoelde relevante partners te betrekken bij de voorbereiding van het programma en de rol van die partners bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van dat programma;

h)

voor elke overeenkomstig artikel 11, bijlage III en bijlage IV vastgestelde randvoorwaarde een antwoord op de vraag of aan de randvoorwaarde is voldaan op de datum van indiening van het programma;

i)

de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, in voorkomend geval de communicatieactiviteiten op sociale media, evenals de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie; [Am. 154]

j)

de beheersautoriteit, de auditautoriteit , de instantie die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie overeenkomstig artikel 70, en de instantie die de betalingen van de Commissie ontvangt. [Am. 155]

De punten c) en d) van dit lid zijn niet van toepassing op de in artikel [4, onder c), punt vii), lid 1, onder xi),] van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling. [Am. 156]

Een milieurapport met relevante informatie over de effecten op het milieu overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG wordt als bijlage bij het programma gevoegd, rekening houdend met de behoeften ten aanzien van matiging van de klimaatverandering. [Am. 157]

4.   In afwijking van lid 3, onder d), wordt voor elke specifieke doelstelling van door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, het volgende verstrekt:

a)

een beschrijving van de uitgangsituatie, uitdagingen en door het fonds ondersteunde reacties;

b)

een indicatie van de operationele doelstellingen;

c)

een indicatieve lijst van acties en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwezenlijking van de specifieke en operationele doelstellingen;

d)

indien van toepassing een motivering voor de operationele steun, specifieke acties, noodhulp en acties als bedoeld in de artikelen [16 en 17] van de AMIF-verordening;

e)

output- en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

f)

een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen naar interventietype.

5.   Interventietypes worden gebaseerd op de in bijlage I vastgestelde nomenclatuur. Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's worden de interventietypes gebaseerd op de in de fondsspecifieke verordening vastgestelde nomenclatuur.

6.   Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma's bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel uitsluitend de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025 2027 . [Am. 158]

7.   De lidstaat brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 3, onder j), bedoelde informatie zonder dat een programmawijziging nodig is.

Artikel 18

Goedkeuring van programma's

1.   De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen , evenals met de relevante uitdagingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten, en met de manier waarop deze worden aangepakt . [Am. 160]

2.   De Commissie kan binnen drie twee maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. [Am. 161]

3.   De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de opmerkingen van binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen . [Am. 162]

4.   De Commissie stelt uiterlijk zes vijf maanden na de eerste indiening van het programma door de lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast. [Am. 163]

Artikel 19

Wijziging van programma's

1.   De lidstaat kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op het bereiken van de doelstellingen is.

2.   De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen drie twee maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. [Am. 164]

3.   De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de opmerkingen van binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen . [Am. 165]

4.   De Commissie keurt uiterlijk zes drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed. [Am. 166]

5.   De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 7 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 5 % van de programmabegroting overdragen naar een ander fonds van hetzelfde programma . Daarbij neemt de lidstaat de gedragscode in acht die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma's heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie. [Am. 167]

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren. Zij worden beschouwd als niet-ingrijpend en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De lidstaat dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 3, onder f), ii), f), iii) of f), iv) bedoelde herziene tabel in.

6.   Voor het corrigeren van tikfouten of louter technische of redactionele wijzigingen die de uitvoering van het programma niet beïnvloeden, wordt geen goedkeuring van de Commissie vereist. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties. [Am. 168]

7.   Voor door het EFMZV ondersteunde programma's wordt voor wijzigingen met betrekking tot de invoering van indicatoren geen goedkeuring van de Commissie vereist.

Artikel 20

Gezamenlijke steun uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds

1.   Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefondskunnen gezamenlijk steun bieden voor programma's in het kader van de doelstelling “investeren inwerkgelegenheid en groei”.

2.   Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 15  % aan steun van deze fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren. [Am. 169]

Artikel 21

Overdracht van middelen

1.   De Met het oog op de flexibiliteit kunnen de lidstaten, kunnen indien het toezichtcomité van het programma daarmee instemt, verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de fondsen naar een ander het Europees fonds in gedeeld beheer voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds of naar een instrument in direct of indirect beheer het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij . [Am. 170]

2.   Overgedragen middelen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het fonds of instrument waarnaar de middelen worden overgedragen en, in het geval van overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer, ten voordele van de lidstaat in kwestie. [Ams. 171 en 434]

3.   In verzoeken op grond van artikel 1 wordt vastgesteld welk totaalbedrag jaarlijks wordt overgedragen per fonds en per regiocategorie , in voorkomend geval ; dergelijke verzoeken worden naar behoren gemotiveerd met het oog op de te verwezenlijken complementariteit en impact, en gaan vergezeld van het herziene programma of de herziene programma's van waaruit overeenkomstig artikel 19 de middelen worden overgedragen, met vermelding van naar welk fonds of instrument zij worden overgedragen. [Ams. 172, 433 en 434]

4.   De Commissie kan bezwaar aantekenen tegen een verzoek om overdracht in de betrokken programmawijziging als dat een risico zou inhouden voor het bereiken van de doelstellingen van het programma van waaruit de middelen worden overgedragen.

5.   Overdrachten zijn alleen mogelijk voor middelen uit toekomstige kalenderjaren.

HOOFDSTUK I bis

Grote projecten

Artikel 21 bis

Inhoud

In het kader van een of meer programma's kunnen het EFRO en het Cohesiefonds steun verlenen aan een concrete actie die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvat en die bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare taak van nauwkeurig omschreven economische of technische aard, met duidelijk omschreven doelen, te vervullen en waarvoor de totale subsidiabele kosten hoger zijn dan 100 miljoen EUR (“groot project”). Financieringsinstrumenten worden niet als grote projecten beschouwd. [Am. 174]

Artikel 21 ter

Voor de goedkeuring van een groot project noodzakelijke informatieμ

Vooraleer een groot project wordt goedgekeurd, legt de beheersautoriteit de Commissie de volgende informatie voor:

a)

nadere gegevens betreffende de instantie die verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van het grote project en de capaciteit ervan;

b)

een beschrijving van de investering en de plaats van uitvoering;

c)

totale kosten en totale subsidiabele kosten;

d)

de uitgevoerde haalbaarheidsstudies, met inbegrip van de analyse van de opties en de resultaten;

e)

een kosten-batenanalyse, met inbegrip van een economische en financiële analyse, en een risicobeoordeling;

f)

een analyse van het milieueffect, waarin rekening wordt gehouden met de behoeften ten aanzien van aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering en herstelvermogen voor rampen;

g)

uitleg over de wijze waarop het grote project consistent is met de desbetreffende prioriteiten van het betrokken programma of de betrokken programma's, de verwachte bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van die prioriteiten en de verwachte bijdrage aan de sociaal-economische ontwikkeling;

h)

het financieringsplan, waarin het geplande totaalbedrag aan financiële middelen en de geplande steun uit de Fondsen, van de EIB en uit alle andere financieringsbronnen zijn aangegeven, met materiële en financiële indicatoren voor het toezicht op de vorderingen, rekening houdend met de vastgestelde risico's;

i)

het tijdschema voor de uitvoering van het grote project en, wanneer wordt verwacht dat de uitvoeringsperiode langer zal zijn dan de programmeringsperiode, de fasen waarvoor steun uit de Fondsen wordt gevraagd tijdens de programmeringsperiode. [Am. 175]

Artikel 21 quater

Besluit over een groot project

1.     De Commissie beoordeelt het grote project aan de hand van de in artikel 21 ter bedoelde informatie, om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage voor het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project gerechtvaardigd is. De Commissie stelt uiterlijk drie maanden na indiening van de in artikel 21 ter bedoelde informatie bij uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project vast.

2.     De goedkeuring door de Commissie op grond van lid 1 is afhankelijk van de voorwaarde dat het eerste contract voor werken moet zijn gesloten, of, in het geval van in het kader van PPP-structuren uitgevoerde concrete acties, van de ondertekening van de PPP-overeenkomst tussen de overheidsinstantie en de private instantie binnen drie jaar na de datum van goedkeuring.

3.     Als de Commissie de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project niet goedkeurt, geeft zij de redenen daarvoor weer in haar besluit.

4.     Grote projecten die krachtens lid 1 ter goedkeuring worden ingediend, worden in de lijst van grote projecten van een programma opgenomen.

5.     Uitgaven voor grote projecten kunnen worden opgenomen in een betalingsaanvraag na de in lid 1 bedoelde indiening ter goedkeuring. Indien de Commissie het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project niet goedkeurt, wordt de uitgavendeclaratie na de intrekking van de aanvraag door de lidstaat of de vaststelling van het besluit van de Commissie dienovereenkomstig gerectificeerd. [Am. 176]

HOOFDSTUK II

Territoriale ontwikkeling

Artikel 22

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

De lidstaat ondersteunt geïntegreerde territoriale ontwikkeling via strategieën voor territoriale en lokale ontwikkeling in de volgende vormen:

a)

geïntegreerde territoriale investeringen;

b)

vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling;

c)

een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling. [Am. 177]

De lidstaat zorgt voor samenhang en coördinatie wanneer strategieën voor lokale ontwikkeling door meer dan één Fonds worden gefinancierd. [Am. 178]

Artikel 23

Territoriale strategieën

1.   Krachtens de punten a) of c) van artikel 22 uitgevoerde territoriale strategieën bevatten de volgende elementen:

a)

het geografische toepassingsgebied van de strategie met inbegrip van de onderlinge economische, sociale en ecologische verbanden ; [Am. 179]

b)

een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied;

c)

een beschrijving van een geïntegreerde benadering voor de aanpak van de vastgestelde ontwikkelingsbehoeften en de mogelijkheden;

d)

een beschrijving van de betrokkenheid van partners overeenkomstig uit hoofde van artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie. [Am. 180]

Zij kunnen ook een lijst van te ondersteunen acties bevatten.

2.   Territoriale strategieën worden opgesteld voorbereid en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende stedelijke regionale , lokale of en andere territoriale autoriteiten of instanties overheden. Reeds bestaande strategische documenten betreffende de bestreken gebieden kunnen worden bijgewerkt en gebruikt voor territoriale strategieën . [Am. 181]

3.   Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende stedelijke regionale , lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken. [Am. 182]

Geselecteerde acties moeten de territoriale strategie naleven.

3 bis.     Bij de voorbereiding van de territoriale strategieën werken de in lid 2 bedoelde autoriteiten samen met de bevoegde beheersautoriteiten om de reikwijdte te bepalen van de in het kader van het desbetreffende programma te ondersteunen acties. [Am. 183]

4.   Wanneer een stedelijke regionale , lokale of andere territoriale autoriteit overheid of andere instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt de autoriteit deze overheid of instantie overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie. [Am. 184]

De geselecteerde acties kunnen in het kader van meer dan een prioriteit van hetzelfde programma worden ondersteund. [Am. 185]

5.   Voor de voorbereiding en het ontwerp van territoriale strategieën kan steun worden geboden.

Artikel 24

Geïntegreerde territoriale investering

1.   Wanneer een in overeenstemming met artikel 23 uitgevoerde strategie investeringen inhoudt waarvoor steun wordt geboden uit een of meerdere fondsen, uit een of meerdere programma's of uit een of meerdere prioriteiten in eenzelfde programma, kunnen acties ter zake als geïntegreerde territoriale investering worden uitgevoerd. In voorkomend geval kan elke geïntegreerde territoriale investering worden aangevuld met financiële steun uit het Elfpo. [Am. 186]

2.   De beheersautoriteit waarborgt dat in het elektronische systeem voor het programma of de programma's de concrete acties en outputs en resultaten die tot een geïntegreerde territoriale investering bijdragen, worden onderscheiden.

2 bis.     Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, worden de desbetreffende regionale, lokale of andere overheden of instanties bij de selectie van de acties betrokken. [Am. 187]

Artikel 25

Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling

1.   Vanuit Het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Elfpo bieden steun aan vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling kan steun krijgen uit het EFRO, het ESF+ en het EFMZV. . In het kader van het Elfpo wordt dergelijke ontwikkeling “plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader” genoemd. [Am. 188]

2.   De lidstaat waarborgt dat vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling:

a)

is gericht op subregionale gebieden;

b)

wordt geleid door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming , ook de overheidssector niet ; [Am. 189]

(c)

wordt uitgevoerd via geïntegreerde strategieën in overeenstemming met artikel 26;

(d)

ondersteuning biedt voor netwerkvorming, bottom-upbenaderingen, toegankelijkheid, aspecten die in de lokale context innovatief zijn en in voorkomend geval samenwerking. [Am. 190]

3.   Wanneer steun voor in lid 2, onder c), bedoelde strategieën beschikbaar is vanuit meer dan één fonds, organiseren de bevoegde beheersautoriteiten een gemeenschappelijke oproep voor de selectie van deze strategieën en richten zij een gemengd comité op voor alle betrokken fondsen om toezicht te houden op de uitvoering van deze strategieën. De bevoegde beheersautoriteiten kunnen een van deze fondsen kiezen om steun te verlenen voor alle kosten voor voorbereiding, beheer en dynamisering bedoeld in artikel 28, lid 1, onder a) en c), in verband met deze strategieën.

4.   Wanneer de uitvoering van een dergelijke strategie steun uit meer dan een fonds betreft, kan de bevoegde beheersautoriteit een van de fondsen als hoofdfonds aanwijzen. Ook kan per fonds in kwestie worden gespecificeerd welke soorten maatregelen en concrete acties zullen worden gefinancierd. [Am. 191]

5.   De regels van het hoofdfonds gelden voor die strategie. De autoriteiten van de andere fondsen baseren zich op besluiten en beheersverificaties van de bevoegde autoriteit van het hoofdfonds.

6.   De autoriteiten van het hoofdfonds stellen de autoriteiten van de andere fondsen de informatie ter beschikking die nodig is voor de monitoring en het verrichten van betalen overeenkomstig de in de fondsspecifieke verordening bepaalde regels.

Artikel 26

Vanuit de gemeenschap aangestuurde strategieën voor lokale ontwikkeling

1.   De bevoegde autoriteiten zorgen dat elke in artikel 25, lid 2, onder c), bedoelde strategie de volgende elementen bevat:

a)

het geografische gebied en de populatie waarop de strategie betrekking heeft;

b)

het proces om de gemeenschap bij de ontwikkeling van de strategie te betrekken;

c)

een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied;

d)

de doelstellingen van de strategie, met meetbare streefdoelen voor resultaten, en bijhorende geplande acties om in te spelen op lokale behoeften die door de lokale gemeenschap zijn vastgesteld ; [Am. 192]

e)

de regelingen voor het beheer, het toezicht en de evaluatie die aantonen dat de plaatselijke actiegroep over de capaciteit beschikt om de strategie uit te voeren;

f)

een financieel plan, met daarin begrepen de geplande toewijzing uit elk betrokken fonds , waaronder het Elfpo indien van toepassing, en elk betrokken programma. [Am. 193]

2.   De bevoegde beheersautoriteiten bepalen de criteria voor de selectie van deze strategieën, richten een comité op om deze selectie uit te voeren en keuren de door het comité geselecteerde strategieën goed.

3.   De bevoegde beheersautoriteiten voeren de eerste ronde van de selectie van strategieën uit en zorgen ervoor dat de geselecteerde plaatselijke actiegroepen hun in artikel 27, lid 3, bepaalde taken kunnen uitvoeren binnen twaalf maanden na de datum van goedkeuring van het desbetreffende programma of, in het geval van door meer dan één fonds ondersteunde strategieën, binnen twaalf maanden vanaf de datum van goedkeuring van het laatste programma.

4.   In het besluit tot goedkeuring van een strategie wordt beschreven hoeveel elk fonds en elk programma krijgt toegewezen en wat de verantwoordelijkheden beschreven voor de beheers- en controletaken in het kader van het programma of de programma's zijn. Overeenkomstige nationale overheidsbijdragen worden vooraf voor de hele periode gewaarborgd. [Am. 194]

Artikel 27

Plaatselijke actiegroepen

1.   Plaatselijke actiegroepen ontwerpen de in artikel 25, lid 2, onder c), bedoelde strategieën en voeren ze uit.

2.   De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen inclusief zijn en dat deze hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur , met het oog op het uitvoeren van taken in verband met de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling . [Am. 195]

3.   Alle volgende taken worden uitsluitend door de plaatselijke actiegroepen uitgevoerd:

a)

de opbouw van de bestuurlijke capaciteit van lokale actoren om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren; [Am. 196]

b)

de opstelling van een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure en van criteria, waardoor belangenconflicten worden vermeden en wordt gewaarborgd dat bij selectiebeslissingen niet één belangengroep alleen de controle heeft over de selectiebeslissingen;

c)

de opstelling en publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen;

d)

de selectie van concrete acties en de vaststelling van de steunbedragen alsmede de voorlegging van voorstellen aan de instantie die verantwoordelijk is voor de definitieve verificatie van de subsidiabiliteit voorafgaand aan de goedkeuring;

e)

het toezicht op de vorderingen met het bereiken van de doelstellingen van de strategie;

f)

de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de strategie.

4.   Wanneer plaatselijke actiegroepen andere dan de in lid 3 bedoelde taken uitvoeren die onder de verantwoordelijkheid van de managementautoriteit of het betaalorgaan vallen, worden die plaatselijke actiegroepen overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instanties.

5.   De plaatselijke actiegroep kan een begunstigde zijn en acties uitvoeren conform de strategie , waarbij een scheiding van functies binnen de plaatselijke actiegroep wordt aangemoedigd . [Am. 197]

Artikel 28

Steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling

1.   De Om complementariteit en synergieën te waarborgen, zorgt de lidstaat zorgt ervoor dat de steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling betrekking heeft op: [Am. 198]

a)

capaciteitsopbouw de opbouw van de bestuurlijke capaciteit en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën; [Am. 199]

b)

de uitvoering van concrete acties, met inbegrip van samenwerkingsactiviteiten en de voorbereiding ervan, die werden geselecteerd in het kader van de strategie voor lokale ontwikkeling;

b bis)

dynamisering van de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling om uitwisseling tussen belanghebbenden te faciliteren, informatie te verstrekken aan belanghebbenden en potentiële begunstigden te ondersteunen bij de voorbereiding van aanvragen; [Am. 200]

c)

het beheer, het toezicht en de evaluatie van de strategie en haar dynamisering.

2.   De in lid 1, onder a), bedoelde steun is subsidiabel ongeacht of de strategie vervolgens wordt geselecteerd voor financiering.

De in lid 1, onder c), bedoelde steun bedraagt niet meer dan 25 % van de totale overheidsbijdrage aan de strategie.

HOOFDSTUK III

Technische bijstand

Artikel 29

Technische bijstand op initiatief van de Commissie

1.   Op initiatief van de Commissie kunnen de Fondsen steun verlenen acties op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit, evaluatie, communicatie, met inbegrip van de communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie en zichtbaarheid, en alle acties op het gebied van administratieve en technische bijstand die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn, waar nodig ook met derde landen.

1 bis.     De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen met name betrekking hebben op:

a)

ondersteuning voor de voorbereiding en beoordeling van projecten;

b)

steun voor institutionele versterking en vergroting van de bestuurlijke capaciteit voor een doeltreffend beheer van de Fondsen;

c)

studies in verband met de rapportage van de Commissie over de Fondsen en het cohesieverslag;

d)

maatregelen in verband met analyse, beheer, toezicht, uitwisseling van informatie en uitvoering van de Fondsen, alsook maatregelen in verband met de uitvoering van controlesystemen en technische en administratieve ondersteuning;

e)

evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, ook van algemene aard, over de huidige en toekomstige werking van de Fondsen;

f)

acties om informatie te verspreiden, netwerkvorming te ondersteunen, communicatieactiviteiten uit te voeren met bijzondere nadruk op de resultaten en meerwaarde van de steun uit de Fondsen, te zorgen voor bewustmaking en aan te zetten tot samenwerking en uitwisseling van ervaringen, ook met derde landen;

g)

het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor beheer, toezicht, audit, controle en evaluatie;

h)

acties om de evaluatiemethoden te verbeteren en informatie over de evaluatiepraktijk uit te wisselen;

i)

acties in verband met auditing;

j)

de versterking van de nationale en regionale capaciteit voor investeringsplanning, financieringsbehoeften, voorbereiding, ontwerp en uitvoering van financieringsinstrumenten, gezamenlijke actieplannen en grote projecten;

k)

de verspreiding van goede praktijken teneinde de lidstaten te helpen bij de versterking van de capaciteit van de in artikel 6, lid 1, bedoelde betrokken partners en hun overkoepelende organisaties. [Am. 201]

1 ter.     De Commissie zet ten minste 15 % van de middelen voor technische bijstand op initiatief van de Commissie in om de communicatie met het publiek efficiënter te maken en de synergie tussen de op initiatief van de Commissie verrichte communicatieactiviteiten te versterken, door de kennisbasis over de resultaten uit te breiden, met name via een effectievere gegevensvergaring en -verspreiding, evaluaties en rapportage, en vooral door te benadrukken dat de Fondsen er mee voor hebben gezorgd dat de levensomstandigheden van de burgers verbeterd zijn en de zichtbaarheid van de steun uit de Fondsen te vergroten, alsook door het publiek beter bekend te maken met de resultaten en de meerwaarde van die steun. De informatie-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen met betrekking tot de resultaten en de meerwaarde van de steun uit de Fondsen, met bijzondere nadruk op concrete acties, worden in voorkomend geval voortgezet na beëindiging van de programma's. Deze maatregelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie voor zover zij verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening. [Am. 202]

2.   Dergelijke acties kunnen betrekking hebben op toekomstige eerdere en eerdere toekomstige programmeringsperiodes. [Am. 203]

2 bis.     Teneinde situaties te voorkomen waarin betalingen worden geschorst, zorgt de Commissie ervoor dat de lidstaten en de regio's die worden geconfronteerd met nalevingsproblemen ten gevolge van een gebrek aan bestuurlijke capaciteit, passende technische bijstand ontvangen om die bestuurlijke capaciteit te verbeteren. [Am. 204]

3.   De Commissie zet haar plannen uiteen als een bijdrage van de Fondsen wordt overwogen overeenkomstig artikel [110] van het Financieel Reglement.

4.   Afhankelijk van het doel kunnen de in dit artikel bedoelde acties worden gefinancierd als beleids- of administratieve uitgaven.

Artikel 30

Technische bijstand van de lidstaten

1.   Op initiatief van een lidstaat kunnen de Fondsen acties ondersteunen die betrekking kunnen hebben op eerdere en volgende programmeringsperiodes en die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze fondsen , voor de capaciteitsopbouw van de in artikel 6 bedoelde partners, alsook voor het waarborgen van bepaalde functies zoals voorbereiding, opleiding, beheer, monitoring, evaluatie, zichtbaarheid en communicatie . [Am. 205]

2.   Ieder fonds kan concrete acties op het gebied van technische bijstand steunen die voor steun uit een ander fonds in aanmerking komen.

3.   Binnen elk programma krijgt de technische bijstand de vorm van een prioriteit die verband houdt met hetzij één enkel fonds , hetzij meerdere fondsen . [Am. 206]

Artikel 31

Financiering volgens een vast percentage voor technische bijstand van lidstaten

1.   Technische bijstand voor elk programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen naar gelang het geval krachtens artikel 85, lid 3, onder a) of onder c).

2.   Het Op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de lidstaten en met inachtneming van het financiële plan van het programma, kan het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand is worden vastgesteld op maximaal : [Am. 207]

a)

voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” en voor de Cohesiefonds-steun: 2,5 3  %; [Am. 208]

b)

voor de ESF+-steun: 4 : 5 % en voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii) xi) , van de ESF+-verordening: 5 6  %; [Am. 209]

c)

voor de EFMZV-steun: 6 %;

d)

voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 6 7  %. [Am. 210]

Voor de ultraperifere gebieden is het percentage voor de punten a), b) en c), maximaal 1 % hoger. [Am. 211]

3.   Specifieke regels voor technische bijstand voor Interreg-programma's worden vastgesteld in de ETS-verordening.

Artikel 32

Financiering die geen verband houdt met kosten voor technische bijstand van lidstaten

Bovenop artikel 31 kan de lidstaat aanvullende acties op het gebied van technische bijstand voorstellen om de institutionele capaciteit en efficiëntie te versterken van de autoriteiten overheden en openbare diensten , begunstigden en relevante partners van de lidstaat die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze Fondsen.[Am. 212]

Steun voor dergelijke acties wordt uitgevoerd via financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89. Technische bijstand in de vorm van een optioneel specifiek programma kan worden uitgevoerd door middel van financiering die geen verband houdt met kosten voor technische bijstand, of door middel van een terugbetaling van de directe kosten. [Am. 213]

Titel IV

Toezicht, evaluatie, communicatie en zichtbaarheid

HOOFDSTUK 1

Toezicht

Artikel 33

Toezichtcomité

1.   Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat , na raadpleging van de beheersautoriteit, een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma (“toezichtcomité”) [Am. 214].

De lidstaat kan één toezichtcomité oprichten dat betrekking heeft op meer dan één programma.

2.   Ieder toezichtcomité stelt zijn reglement van orde vast , waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van volledige transparantie . [Am. 215]

3.   Het toezichtcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert alle vraagstukken die invloed hebben op vooruitgang die wordt geboekt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

4.   De lidstaat publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité en alle gegevens en informatie die met het comité worden gedeeld op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

5.   De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op in artikel [4, onder c), vi lid 1, onder xi )], van de ESF+-verordening bedoelde programma's en daarmee samenhangende technische bijstand. [Am. 216]

Artikel 34

Samenstelling van het toezichtcomité

1.   De lidstaat bepaalt de samenstelling van het toezichtcomité en zorgt aan de hand van een transparant proces voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde lidstaatautoriteiten, intermediaire instanties en de in artikel 6 bedoelde partners. [Am. 217]

Elk lid van het toezichtcomité heeft een stem.

De lidstaat publiceert de ledenlijst van het toezichtcomité op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

2.   Vertegenwoordigers van de Commissie nemen als toezichthouder en met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel. Vertegenwoordigers van de EIB kunnen in voorkomend geval worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 218]

2 bis.     Voor het AMIF, het ISF en het BMVI nemen de relevante gedecentraliseerde agentschappen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 219]

Artikel 35

Functies van het toezichtcomité

1.   Het toezichtcomité onderzoekt:

a)

de vooruitgang die is geboekt met de tenuitvoerlegging van het programma en het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen;

a bis)

voorstellen voor mogelijke vereenvoudigingsmaatregelen voor begunstigden; [Am. 220]

b)

vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen , in voorkomend geval met inbegrip van eventuele onregelmatigheden ; [Am. 221]

c)

de bijdrage van het programma aan het aanpakken van problemen die in de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen zijn vastgesteld;

d)

de in artikel 52, lid 3, opgesomde elementen van de ex-ante beoordeling en het in artikel 53, lid 2, bedoelde strategiedocument;

e)

de vorderingen met de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

f)

de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid;

g)

de vorderingen met de uitvoering van acties van strategisch belang, indien van toepassing;

h)

het voldoen aan de randvoorwaarden en de uitvoering ervan tijdens de programmeringsperiode;

i)

de vorderingen met de capaciteitsopbouw opbouw van bestuurlijke capaciteit voor overheidsinstanties , partners en begunstigden, indien van toepassing. [Am. 222]

2.   Het toezichtcomité onderzoekt:

a)

de methodologie en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na overleg met de Commissie in overeenstemming met artikel 67, lid 2, onverminderd de punten b), c) en d) van artikel 27, lid 3;

b)

de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's;[Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

c)

het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daaraan;

d)

een voorstel van de beheersautoriteit tot wijziging van een programma, met inbegrip van voorstellen voor overdrachten in overeenstemming met artikel 19, lid 5, en artikel 21.

d bis)

wijzigingen in de lijst van geplande concrete acties van strategisch belang als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder d); [Am. 225]

2 bis.     Het toezichtcomité kan de beheersautoriteit nieuwe interventiegebieden voorstellen. [Am. 226]

Artikel 36

Jaarlijkse evaluatie van de prestaties

1.   Tussen de Commissie en elke lidstaat wordt een jaarlijkse evaluatievergadering gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken. Beheersautoriteiten worden naar behoren betrokken bij dit proces. [Am. 227]

De jaarlijkse evaluatievergadering wordt voorgezeten door de Commissie of, op verzoek van de lidstaat, door de lidstaat en de Commissie tezamen.

2.   Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's vindt de evaluatievergadering tijdens de programmeringsperiode ten minste twee keer plaats.

3.   Voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's verstrekt de lidstaat de Commissie uiterlijk één maand voor de jaarlijkse evaluatievergadering de informatie over de in artikel 35, lid 1, opgesomde elementen.

Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening beperkt de verstrekte informatie zich tot de punten a), b), e), f) en h) van artikel 35, lid 1.

4.   Het resultaat van de jaarlijkse evaluatievergadering wordt vastgelegd in overeengekomen notulen.

5.   De lidstaat geeft gevolg aan door de Commissie aangehaalde kwesties en stelt de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen.

6.   Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's dient de lidstaat een jaarlijks prestatieverslag in in overeenstemming met de fondsspecifieke verordeningen. [Am. 228]

Artikel 37

Indiening van gegevens

1.   De beheersautoriteit dient uiterlijk op 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november de cumulatieve gegevens voor elk programma in bij de Commissie overeenkomstig het in bijlage VII opgenomen model.

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 28 februari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 28 februari  2030 voor het laatst. [Am. 229]

Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend. [Am. 230]

2.   De gegevens worden voor elke prioriteit opgesplitst per specifieke doelstelling en per regiocategorie, en hebben betrekking op:

a)

in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november van elk jaar, het aantal geselecteerde concrete acties, hun totale subsidiabele kost, de bijdrage van de Fondsen en het totaal van de door de begunstigden aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype; [Am. 231]

b)

uitsluitend in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 mei en 30 november van elk jaar, de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties en de door de concrete acties bereikte waarden. [Am. 232]

3.   Voor financieringsinstrument worden ook gegevens versterkt over:

a)

subsidiabele uitgaven per type financieel product;

b)

het bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen;

c)

het bedrag, per type financieel product, van particuliere en overheidsmiddelen die bovenop de Fondsen zijn gemobiliseerd;

d)

rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van de Fondsen aan de in artikel 54 bedoelde Fondsen en de middelen die aan de Fondsen toe te rekenen zijn als bedoeld in artikel 56.

4.   De gegevens die in overeenstemming met dit artikel worden ingediend, zijn betrouwbaar en bijgewerkt tot het einde van de maand die voorafgaand aan de maand waarin zij worden ingediend.

5.   De beheersautoriteit publiceert alle aan de Commissie verstrekte gegevens op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

6.   Voor door het EFMZV ondersteunde programma's keurt de Commissie een uitvoeringshandeling goed in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om het model op te stellen dat voor de uitvoering van dit artikel moet worden gebruikt.

Artikel 38

Eindverslag over de prestaties

1.   Voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's dient elke beheersautoriteit bij de Commissie uiterlijk op 15 februari 2031 een eindverslag over de prestaties van het programma in.

2.   In het eindverslag over de prestaties wordt beoordeeld in hoeverre de programmadoelstellingen zijn bereikt op basis van de in artikel 35, lid 1, genoemde elementen, met uitzondering van de informatie die in het kader van artikel 35, lid 1, onder d), wordt verstrekt.

3.   De Commissie onderzoekt het eindverslag over de prestaties en deelt de beheersautoriteit binnen vijf maanden na de datum van ontvangst van het eindverslag over de prestaties haar opmerkingen mee. Als er opmerkingen worden gemaakt, verstrekt de beheersautoriteit alle nodige informatie in verband met die opmerkingen, en stelt de beheersautoriteit in voorkomend geval de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van de aanvaarding van het verslag.

4.   De beheersautoriteit publiceert de eindverslagen over de prestaties op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

5.   Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, keurt de Commissie een uitvoeringshandeling goed waarbij het model voor het eindverslag over de prestaties wordt vastgesteld. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 108 bedoelde raadplegingsprocedure.

HOOFDSTUK II

Evaluatie

Artikel 39

Evaluaties door de lidstaat

1.   De beheersautoriteit voert evaluatie evaluaties van het programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de inclusiviteit, niet-discriminerende aard, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang , zichtbaarheid en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma's. [Am. 233]

2.   Daarnaast voert de beheersautoriteit voor elk programma uiterlijk 30 juni 2029 een evaluatie uit voor elk programma om het effect ervan te beoordelen.

3.   De beheersautoriteit laat evaluaties uitvoeren door functioneel onafhankelijke deskundigen.

4.   De beheersautoriteit of de lidstaat zorgt voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens.

5.   De beheersautoriteit of de lidstaat stelt een evaluatieplan op. Dit evaluatieplan kan meer dan één programma bestrijken. Voor het AMIF, het ISF en het BMVI houdt dat plan een tussentijdse evaluatie in die uiterlijk 31 maart 2024 moet zijn uitgevoerd.

6.   De beheersautoriteit dient het evaluatieplan uiterlijk een jaar na de goedkeuring van het programma in bij het toezichtcomité.

7.   De beheersautoriteit publiceert alle evaluaties op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

Artikel 40

Evaluatie door de Commissie

1.   De Commissie verricht een tussentijdse evaluatie om uiterlijk eind 2024 de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van elk fonds te onderzoeken. De Commissie kan gebruikmaken van alle relevante informatie die al beschikbaar is overeenkomstig artikel [128] van het Financieel Reglement.

2.   De Commissie verricht uiterlijk 31 december 2031 een retrospectieve evaluatie om de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van elk fonds te onderzoeken.

2 bis.     De in lid 2 bedoelde evaluatie omvat een evaluatie van de sociaal-economische gevolgen en de financieringsbehoeften met betrekking tot de beleidsdoelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, in het kader van en tussen de programma's, met een bijzondere nadruk op een concurrerender en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, waaronder slimme en duurzame mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit. De Commissie publiceert de resultaten van de evaluatie op haar website en deelt die resultaten mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 234]

HOOFDSTUK III

Zichtbaarheid, transparantie en communicatie

Afdeling I

Zichtbaarheid van de steunverlening uit de Fondsen

Artikel 41

Zichtbaarheid

Elke lidstaat waarborgt:

a)

de zichtbaarheid van de steunverlening in alle activiteiten in verband met door de Fondsen ondersteunde concrete acties, met bijzondere aandacht voor concrete acties van strategisch belang;

b)

de communicatie aan de burgers van de Unie over de rol en de verwezenlijkingen van de Fondsen via een portaalsite die toegang geeft tot alle programma's waar die lidstaat bij betrokken is.

Artikel 42

Embleem van de Unie

Lidstaten, beheersautoriteiten en begunstigden gebruiken het embleem van de Europese Unie overeenkomstig bijlage VIII bij hun activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie.

Artikel 43

Contactpersonen voor communicatie en netwerken

1.   Elke lidstaat identificeert een communicatiecoördinator voor activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie met betrekking tot steunverlening uit de Fondsen, met inbegrip van programma's in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg), als de lidstaat de beheersautoriteit gastland is voor de beheersautoriteit. De communicatiecoördinator coördineert de maatregelen inzake communicatie en zichtbaarheid voor verschillende programma's.

De communicatiecoördinator betrekt de volgende instanties bij de activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie:

a)

de vertegenwoordigingen van de Commissie en de liaisonbureaus van het Europees Parlement in de lidstaten; de Europe Direct-informatiecentra en andere netwerken; onderwijs- en onderzoeksinstellingen en

b)

andere relevante partners en instanties , met inbegrip van regionale, lokale en andere overheden, en economische en sociale partners . [Am. 235]

2.   Elke beheersautoriteit identificeert een contactpersoon voor communicatie voor elk programma (programmacommunicatiemedewerker).

3.   De Commissie beheert een netwerk van communicatiecoördinatoren, programmacommunicatiemedewerkers en vertegenwoordigers van de Commissie om informatie uit te wisselen over activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie.

Afdeling II

Transparantie van de uitvoering van de Fondsen en communicatie over programma's

Artikel 44

Verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit

1.   De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het programma voor een website met informatie over de programma's waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, de activiteiten, het indicatieve tijdschema voor de oproep tot het indienen van voorstellen, de beschikbare financieringsmogelijkheden en de verwezenlijkingen van het programma. [Am. 236]

2.   De beheersautoriteit publiceert op de in lid 1 bedoelde website uiterlijk één maand voor de oproep tot het indienen van voorstellen een korte samenvatting over de geplande en gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen, met daarin de volgende gegevens:

a)

geografisch gebied waarop de oproep tot het indienen van voorstellen betrekking heeft;

b)

betrokken beleidsdoelstelling of specifieke doelstelling;

c)

type subsidiabele aanvragers;

d)

totale bedrag aan steun voor de oproep;

e)

start- en einddatum van de oproep.

3.   De beheersautoriteit stelt de lijst van voor ondersteuning door de Fondsen geselecteerde concrete acties openbaar te beschikking op de website in ten minste een van de officiële talen van de Unie en actualiseert deze lijst ten minste elke drie maanden. Elke concrete actie heeft een unieke code. Deze lijst bevat de volgende gegevens:

a)

in het geval van rechtspersonen, de naam van de begunstigde en van de contractant ; [Am. 237]

b)

als de begunstigde een natuurlijke persoon is, diens voornaam en de familienaam;

c)

voor concrete acties in het kader van het EFMZV in verband met een vissersvaartuig, het nummer van het vissersvaartuig in het vissersvlootregister van de Unie als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie (41);

d)

naam van de concrete actie;

e)

doel en verwezenlijkingen van de concrete actie;

f)

startdatum van de concrete actie;

g)

verwachte of effectieve einddatum van de concrete actie;

h)

totale kosten van de concrete actie;

i)

betrokken fonds;

j)

betrokken specifieke doelstelling;

k)

het medefinancieringspercentage van de Unie;

l)

plaatsbepaling of geolocatie voor het land en de concrete actie;

m)

voor mobiele concrete acties of concrete acties op meerdere locaties, de locatie van de begunstigde als dat een rechtspersoon is; of de regio op NUTS 2-niveau, als de begunstigde een natuurlijke persoon is;

n)

interventietype voor de concrete actie in overeenstemming met artikel 67, lid 3, onder g).

De in de eerste alinea onder b), c) en k) bedoelde gegevens worden twee jaar na hun publicatie van de website verwijderd.

Voor door het EFMZV ondersteunde programma's worden de in de eerste alinea, onder b) en c) bedoelde gegevens uitsluitend gepubliceerd als die publicatie strookt met de nationale wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens worden op de website gepubliceerd in openbare, machinaal leesbare formaten als bepaald in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (42) waarin wordt toegestaan dat gegevens worden gesorteerd, doorzocht, geëxtraheerd, vergeleken en hergebruikt.

5.   Voordat de gegevens overeenkomstig dit artikel worden gepubliceerd, stelt de beheersautoriteit de begunstigden ervan in kennis dat de gegevens openbaar zullen worden gemaakt.

6.   De beheersautoriteit waarborgt dat alle materiaal op het vlak van communicatie en zichtbaarheid, ook op het niveau van de begunstigden, beschikbaar wordt gesteld op verzoek van instellingen, organen of agentschappen van de Unie en dat de Unie overeenkomstig bijlage VIII een niet-exclusief, onherroepelijk recht met vrijstelling van royalty's wordt verleend om dat materiaal en de bijhorende reeds bestaande rechten erop te gebruiken.

Artikel 45

Verantwoordelijkheden van begunstigden

1.   Begunstigden en organen die financieringsinstrumenten ten uitvoer leggen, maken duidelijk dat steun is verleend uit de Fondsen, met inbegrip van middelen die overeenkomstig artikel 56 worden hergebruikt door:

a)

op de professionele website van de begunstigde of en op de sociale media, indien die bestaan, een korte beschrijving — in verhouding tot de ontvangen steun — van de concrete actie op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie; [Am. 240]

b)

te zorgen voor een verklaring waarin op zichtbare wijze de steun uit de Fondsen in de verf wordt gezet op documenten en communicatiemateriaal over de uitvoering van de concrete actie, die worden gebruikt voor het publiek of voor deelnemers;

c)

een permanente plaat of permanent bord op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal van start gaat, over: [Am. 241]

i)

concrete acties met steun uit het EFRO en het Cohesiefonds waarvoor de totale kosten meer bedragen dan 500 000 EUR;

ii)

concrete acties met steun uit het ESF+, het EFMZV, het AMIF en het BMVI waarvoor de totale kosten meer bedragen dan 100 000 EUR;

d)

voor concrete acties die niet onder punt c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie met vermelding van de steun uit de Fondsen, op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen; [Am. 243]

e)

voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer bedragen van 10 000 000 EUR, een communicatie-evenement ter organiseren en de Commissie en de bevoegde beheersautoriteit daar tijdig bij te betrekken.

e bis)

vanaf het moment dat de materiële uitvoering van start gaat het embleem van de Unie permanent op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen in overeenstemming met de in bijlage VIII vastgestelde technische kenmerken; [Am. 244]

Deze vereiste is niet van toepassing voor concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii xi ) van de ESF+-verordening. [Am. 245]

2.   Voor fondsen voor kleinschalige projecten zorgt de begunstigde ervoor dat de eindbegunstigden voldoen aan de in lid 1 vastgestelde vereisten.

Voor financieringsinstrumenten zorgt de begunstigde ervoor dat de eindbegunstigden voldoen aan de in lid 1, onder c), vastgestelde vereisten.

3.   Wanneer de begunstigde de in artikel 42 of in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde verplichtingen niet nakomt, past de lidstaat een financiële correctie toe door maximaal 5 % van de bijdrage van de Fondsen aan de betrokken concrete actie in te trekken.

Titel V

Financiële steun uit de Fondsen

HOOFDSTUK 1

Vormen van bijdragen van de Unie

Artikel 46

Vormen van bijdragen van de Unie aan programma's

De bijdragen van de Unie kan de volgende vormen hebben:

a)

financiering die geen verband houdt met kosten van de betrokken concrete acties overeenkomstig artikel 89 en die gebaseerd is op een van de volgende aspecten:

i)

de naleving van de voorwaarden;

ii)

het boeken van resultaten;

b)

vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door de begunstigden of de particuliere partner van concrete PPP-acties en die zijn betaald voor de uitvoering van concrete acties;

c)

eenheidskosten overeenkomstig artikel 88 die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken op basis van een vast bedrag per eenheid;

d)

vaste bedragen overeenkomstig artikel 88 die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken;

e)

financiering volgens een vast percentage overeenkomstig artikel 88 die, door toepassing van een percentage, van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekt;

f)

een combinatie van de onder a) tot en met e) genoemde vormen.

HOOFDSTUK II

Vormen van steun door de lidstaten

Artikel 47

Vormen van steun

Lidstaten gebruiken de bijdrage uit de Fondsen om begunstigden steun te verlenen in de vorm van subsidies, beperkt gebruik van financieringsinstrumenten of prijzen of een combinatie daarvan. [Am. 246]

Afdeling I

Vormen van subsidies

Artikel 48

Vormen van subsidies

1.   Subsidies van de lidstaten kunnen in de volgende vormen worden verleend:

a)

vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door een begunstigde of de particuliere partner van concrete PPP-acties en die zijn betaald voor de uitvoering van concrete acties, met inbegrip van bijdragen in natura en afschrijvingskosten;

b)

tegemoetkoming in de eenheidskost;

c)

vast bedrag;

d)

financiering volgens een vast percentage;

e)

een combinatie van de onder a) tot en met d) bedoelde subsidievormen, op voorwaarde dat elke vorm verschillende categorieën kosten dekt of dat zij gebruikt worden voor verschillende projecten die deel uitmaken van een concrete actie of voor opeenvolgende fasen van een concrete actie.

Wanneer de totale kostprijs van een concrete actie niet meer bedraagt dan 200 000 EUR, bestaat de bijdrage aan de begunstigde uit het EFRO, het ESF+, het AMIF, het ISF en het BMVI uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages, behalve voor concrete acties waarvoor de steun staatssteun vormt. Indien gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, kunnen alleen de kostencategorieën waarop een vast percentage van toepassing is, worden terugbetaald in overeenstemming met lid 1, onder a).

Daarnaast kunnen de aan deelnemers betaalde vergoedingen en lonen worden terugbetaald in overeenstemming met lid 1, onder a).

2.   De bedragen voor de in lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden vastgesteld op één van de hierna genoemde manieren:

a)

een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode op basis van:

i)

statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundige beoordeling;

ii)

de geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigden;

iii)

de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden;

b)

een ontwerpbegroting, vastgesteld per individueel geval en van tevoren overeengekomen door het orgaan dat de concrete actie selecteert, wanneer de totale kosten van de concrete actie niet meer bedragen van 200 000 EUR;

c)

conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten verrichtingen;

d)

conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten verrichtingen;

e)

in deze verordening of de fondsspecifieke voorschriften vastgestelde vaste percentages en specifieke methodes.

Artikel 49

Financiering met een vast percentage van indirecte kosten voor subsidies

Indien een vast percentage wordt gebruikt om de indirecte kosten van een concrete actie te dekken, is dat gebaseerd op een van de volgende:

a)

een vast percentage van maximaal 7 % van de subsidiabele directe kosten; in dat geval moet de betrokken lidstaat geen berekening uitvoeren om na te gaan welk percentage van toepassing is;

b)

een vast percentage van maximaal 15 % van de subsidiabele directe personeelskosten; in dat geval moet de betrokken lidstaat geen berekening uitvoeren om na te gaan welk percentage van toepassing is;

c)

een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, als dat percentage overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder a), of artikel 48, lid 2, onder c), wordt berekend. [Am. 247]

Daarnaast kan, indien een lidstaat een vast percentage heeft berekend overeenkomstig artikel 67, lid 5, onder a) van Verordening (EU) nr. 1303/2013, het vaste percentage worden gebruikt voor een soortgelijke concrete actie voor de toepassing van punt c).

Artikel 50

Directe personeelskosten voor subsidies

1.   De directe personeelskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage van maximaal 20 % van de andere directe kosten dan de directe personeelskosten van die concrete actie, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is, mits de directe kosten van de concrete actie geen overheidsopdrachten voor werken of voor leveringen of diensten omvatten waarvan de waarde de drempels overschrijdt die zijn vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (43) of in artikel 15 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (44).

Voor het AMIF, het ISF en het BMVI worden alle kosten waarvoor een overheidsopdracht is uitgeschreven en de directe personeelskosten van die concrete actie uitgesloten van de grondslag voor de berekening van het vaste percentage.

2.   Om de directe personeelskosten te bepalen kan een uurtarief worden berekend op een van de volgende manieren:

a)

door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten , met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door 1 720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1 720 uren voor deeltijdse werknemers; [Am. 248]

b)

door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten , met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving. [Am. 249]

3.   Bij de toepassing van het overeenkomstig lid 2 berekende uurtarief mag het totale aantal voor een bepaald jaar of een bepaalde maand per persoon gedeclareerde uren niet hoger liggen dan het aantal uren dat voor de berekening van dat uurtarief is gebruikt.

4.   Wanneer de jaarlijkse bruto arbeidskosten niet bekend zijn, kunnen die kosten worden afgeleid uit de beschikbare met documenten gestaafde bruto arbeidskosten of uit het arbeidscontract, omgerekend naar een periode van 12 maanden.

5.   Personeelskosten voor personen die deeltijds aan de concrete actie werken kunnen worden berekend als een vast percentage van de bruto arbeidskosten, overeenkomstig het vaste percentage van de tijd dat zij per maand aan de concrete actie hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten. De werkgever stelt voor de werknemers een document op met vermelding van dat vaste percentage.

Artikel 51

Financiering met een vast percentage van subsidiabele kosten, andere dan directe personeelskosten, met betrekking tot subsidies

1.   Een vast percentage van maximaal 40 % van de subsidiabele directe personeelskosten kan worden gebruikt om de overige subsidiabele kosten van een concrete actie te dekken. De lidstaat is niet verplicht te berekenen welk percentage van toepassing is.

2.   Voor concrete acties die door het AMIF, het ISF, het BMVI, het ESF+ en het EFRO worden ondersteund, worden lonen en aan deelnemers betaalde vergoedingen beschouwd als extra subsidiabele kosten, bovenop het vaste percentage.

3.   Het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste percentage wordt niet toegepast op personeelskosten die op basis van een vast percentage zijn berekend als bedoeld in artikel 50, lid 1.

Afdeling II

Financieringsinstrumenten

Artikel 52

Financieringsinstrumenten

1.   Beheersautoriteiten kunnen in het kader van een of meerdere programma's programmabijdragen verstrekken aan financieringsinstrumenten die op nationaal, regionaal, transnationaal of grensoverschrijdend niveau in het leven zijn geroepen en door of onder de verantwoordelijkheid van de managementautoriteit worden beheerd, die bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen.

2.   Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is. Deze steun kan investeringen in materiële en immateriële activa omvatten, alsmede bedrijfskapitaal, met inachtneming van de toepasselijke staatssteunregels van de Unie. [Am. 250]

3.   Steun uit de Fondsen via financieringsinstrumenten is gebaseerd op een ex-ante beoordeling opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit. De ex-ante beoordeling wordt in ieder geval voltooid voordat de beheersautoriteit besluit een financieringsinstrument te voorzien van programmabijdragen.

De ex-ante beoordeling omvat ten minste de volgende elementen:

a)

het voorgestelde bedrag aan programmabijdragen aan een financieringsinstrument en het verwachte hefboomeffect , vergezeld van de desbetreffende beoordelingen ; [Am. 251]

b)

de voorgestelde financiële producten die zullen worden aangeboden, met inbegrip van de mogelijke noodzaak van een gedifferentieerde behandeling van investeerders;

c)

de voorgestelde doelgroep van eindontvangers;

d)

de verwachte bijdrage van het financieringsinstrument aan het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen.

De ex-ante beoordeling kan worden herzien of bijgewerkt en kan betrekking hebben op een deel of het geheel van het grondgebied van de lidstaat en kan gebaseerd zijn op bestaande of bijgewerkte ex-ante beoordelingen.

4.   Steun aan de eindontvangers kan worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie, zelfs uit hetzelfde fonds, en kan betrekking hebben op dezelfde uitgavenpost. In dat geval wordt de steun uit het fonds, als onderdeel van een concrete actie van een financieringsinstrument, niet bij de Commissie gedeclareerd om steun te ontvangen in een andere vorm, uit een ander fonds of uit een ander instrument van de Unie.

5.   Financieringsinstrumenten kunnen worden gecombineerd met aanvullende programmaondersteuning in de vorm van subsidies als concrete actie in één enkel financieringsinstrument, met één financieringsovereenkomst, waarbij beide verschillende vormen van steun worden verstrekt door de instantie die het financieringsinstrument uitvoert. In dat geval Indien het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van subsidie minder is dan het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van een financieringsinstrument, gelden de op de financieringsinstrumenten toepasselijke regels voor die concrete actie in één enkel financieringsinstrument. [Am. 252]

6.   In het geval van gecombineerde steun in het kader van lid 4 en lid 5, wordt voor elke bron van steun een aparte administratie bijgehouden.

7.   De som van de gecombineerde steunvormen overschrijft het totale bedrag van die uitgavenpost niet. Subsidies worden niet gebruikt om steun uit financieringsinstrumenten terug te betalen. Financieringsinstrumenten worden niet gebruikt om subsidies te voorfinancieren.

Artikel 53

Uitvoering van financieringsinstrumenten

1.   Door de beheersautoriteit beheerde financieringsinstrumenten kunnen alleen leningen of garanties verstrekken. De beheersautoriteit bepaalt de voorwaarden inzake de programmabijdragen voor het financieringsinstrument in een strategiedocument dat alle in bijlage IX vastgelegde elementen bevat.

2.   Onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit beheerde financieringsinstrumenten kunnen worden ingesteld op een van de volgende wijzen:

a)

een investering van programmamiddelen in het kapitaal van een juridische entiteit;

b)

afzonderlijke financiële gehelen of fiduciaire rekeningen binnen een instelling.

De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert via een rechtstreekse of onrechtstreekse gunning van een opdracht . [Am. 253]

De beheersautoriteit kan via de rechtstreekse gunning van een opdracht uitvoeringstaken toevertrouwen aan:

a)

de EIB;

b)

een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is;

c)

een bank of instelling in handen van de overheid, opgericht als juridische entiteit die op professionele basis financiële activiteiten uitvoert. [Am. 254]

Wanneer de door de beheersautoriteit geselecteerde instantie een holdingfonds uitvoert, kan die instantie andere instanties selecteren om een specifiek fonds uit te voeren.

3.   De voorwaarden van programmabijdragen aan financieringsinstrumenten die overeenkomstig lid 2 worden uitgevoerd, worden ingesteld in financieringsovereenkomsten tussen:

a)

in voorkomend geval de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de beheersautoriteit en de instantie die een holdingfonds uitvoert;

b)

de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de managementautoriteit of, in voorkomend geval, de instantie die een holdingfonds uitvoert en de instantie die een specifiek fonds uitvoert.

Deze financieringsovereenkomsten bevatten de in bijlage IX vermelde elementen.

4.   De financiële aansprakelijkheid van de beheersautoriteit ligt niet hoger dan het door de beheersautoriteit in het kader van de financieringsovereenkomsten aan het financieringsinstrument toegewezen bedrag.

5.   De instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, of in het kader van garanties, de instantie die de onderliggende lening verstrekt, selecteren de eindontvangers, daarbij terdege rekening houdend met de programmadoelstellingen en het potentieel voor de financiële levensvatbaarheid van de investering zoals die in het bedrijfsplan of een gelijkwaardig document wordt gemotiveerd. De selectie van de eindontvangers is transparant, wordt gemotiveerd door de aard van de actie en geeft geen aanleiding tot een belangenconflict.

6.   Er mag, in overeenstemming met de fondsspecifieke voorschriften, op het niveau van het holdingfonds, de specifieke fondsen of de investeringen in eindontvangers, nationale medefinanciering worden verstrekt. Wanneer nationale medefinanciering wordt verstrekt op het niveau van investeringen in eindontvangers, bewaart de instantie die de financieringsinstrumenten uitvoert, bewijsstukken die de subsidiabiliteit van de onderliggende uitgaven aantonen.

7.   De beheersautoriteit die het financieringsinstrument beheert overeenkomstig lid 2, of de instantie die het financieringsinstrument uitvoert bij het beheer van het financieringsinstrument overeenkomstig lid 3, houdt afzonderlijke rekeningen bij of gebruikt een boekhoudkundige code per prioriteit en per regiocategorie of, voor het Elfpo, per type interventie, voor elke programmabijdrage en apart voor respectievelijk in artikel 54 en artikel 56 bedoelde middelen. [Am. 255]

7 bis.     De rapportagevereisten betreffende het gebruik van het financieringsinstrument voor de beoogde doeleinden gelden alleen voor de beheersautoriteiten en financiële intermediairs. [Am. 256]

Artikel 54

Rente en andere voordelen als gevolg van steun uit de Fondsen aan financieringsinstrumenten

1.   Aan financieringsinstrumenten betaalde steun uit de Fondsen wordt geplaatst op rentedragende rekeningen bij financiële instellingen in de lidstaten en wordt beheerd in overeenstemming met actief beheer van de kasmiddelen en gezond financieel beheer.

2.   Rente en andere voordelen die kunnen worden toegeschreven aan steun uit de Fondsen die aan financieringsinstrumenten is betaald, moeten worden gebruikt voor dezelfde doeleinden als de oorspronkelijke steun uit de Fondsen, hetzij binnen hetzelfde financieringsinstrument hetzij, na de vereffening van dat financieringsinstrument, in andere financieringsinstrumenten of andere vormen van steun voor verdere investeringen in eindontvangers, of, in voorkomend geval, ter dekking van de verliezen in het nominale bedrag van de bijdrage uit de Fondsen aan het financieringsinstrument ten gevolge van negatieve rente, indien dergelijke verliezen zich voordoen ondanks een actief beheer van de kasmiddelen door de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren , tot aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode. [Am. 257]

3.   De in lid 2 bedoelde rente en andere voordelen die niet in overeenstemming met die bepaling zijn gebruikt, worden afgetrokken van de subsidiabele uitgaven.

Artikel 55

Gedifferentieerde behandeling van investeerders

1.   Steun uit de Fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, die toe te schrijven zijn aan de steun uit de Fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken of voor andere vormen van Uniesteun, door een passende deling van de risico's en de winsten , met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer . [Am. 258]

2.   Het niveau van een dergelijke gedifferentieerde behandeling ligt niet hoger dan wat nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van private middelen, vastgesteld door een concurrentieprocedure of een onafhankelijke overeenkomstig artikel 52 van deze verordening uitgevoerde ex-antebeoordeling . [Am. 259]

Artikel 56

Hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de Fondsen

1.   Middelen die voor het einde van de subsidiabiliteitsperiode aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit uitvesteringen in eindontvangers of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal en andere gegenereerde inkomsten die zijn toe te schrijven aan de steun uit de Fondsen, worden hergebruikt voor dezelfde of andere financieringsinstrumenten voor verdere investeringen in eindontvangers, onder dezelfde specifieke doelstelling of doelstellingen en voor beheerskosten en -vergoedingen die met dergelijke investeringen samenhangen , met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer . [Am. 260]

Besparingen dankzij efficiëntere concrete acties worden niet beschouwd als gegenereerde inkomsten voor de toepassing van de eerste alinea. Met name kostenbesparingen als gevolg van energie-efficiëntiemaatregelen leiden niet tot een overeenkomstige verlaging van de exploitatiesubsidies. [Am. 261]

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde middelen die aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald in een periode van ten minste acht jaar na het verstrijken van de subsidiabiliteitsperiode, worden hergebruikt overeenkomstig de beleidsdoelstellingen van het programma of de programma's in het kader waarvan zij werden opgezet, binnen hetzelfde financieringsinstrument dan wel als deze middelen niet meer tot het financieringsinstrument behoren, binnen andere financieringsinstrumenten of andere steunvormen.

HOOFDSTUK III

Subsidiabiliteitsregels

Artikel 57

Subsidiabiliteit

1.   De subsidiabiliteit van de uitgaven wordt op basis van de nationale voorschriften bepaald, tenzij specifieke voorschriften zijn vastgesteld in of op grond van deze verordening of de fondsspecifieke verordeningen.

2.   Uitgaven komen voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij zijn gedaan door een begunstigde of de particuliere partner van een concrete PPP-actie en zijn betaald tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2029 2030 . [Am. 262]

Voor kosten die worden terugbetaald op grond van artikel 48, lid 1, onder b) en c), moeten de acties die de basis voor de vergoeding vormen, tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2029 zijn uitgevoerd.

3.   Voor het EFRO worden uitgaven die betrekking hebben op concrete acties in meer dan een regiocategorie als bepaald in artikel 102, lid 2, binnen een lidstaat, pro rata toegewezen aan de desbetreffende regiocategorieën op basis van objectieve criteria.

Voor het ESF+ dragen uitgaven die betrekking hebben op concrete acties bij aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma.

4.   Een concrete actie of een deel van een concrete actie in het kader van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds kan buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie onder een van de vijf componenten van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) valt als gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) […] (de ETS-verordening), en bijdraagt tot de doelstellingen van het programma. [Am. 263]

5.   Voor subsidies in de vorm bedoeld in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), zijn de uitgaven die voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking komen, gelijk aan de overeenkomstig artikel 48, lid 2, berekende bedragen.

6.   Concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma bij de beheersautoriteit is ingediend, worden niet voor steun uit de Fondsen geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht. Dit lid is niet van toepassing op EFMZV-compensaties voor extra kosten in de ultraperifere gebieden, noch op uitgaven die zijn gefinancierd via specifieke aanvullende EFRO- en ESF+-toewijzingen ten behoeve van de ultraperifere gebieden. [Am. 264]

7.   Als uitgaven subsidiabel worden doordat een programma wordt gewijzigd, zijn zij subsidiabel vanaf de datum waarop het verzoek tot wijziging bij de Commissie is ingediend.

Voor het EFRO en het Cohesiefonds is dat het geval als een nieuw interventietype als bedoeld in bijlage I, tabel 1, wordt toegevoegd aan het programma, en voor het AMIF, het ISF en het BMVI als een nieuw interventietype als bedoeld in de fondsspecifieke verordeningen wordt toegevoegd aan het programma.

Wanneer een programma wordt gewijzigd om te reageren op natuurrampen, kan het programma bepalen dat de uitgaven in verband met die wijziging subsidiabel zijn vanaf de datum waarop de natuurramp plaatsvond.

8.   Wanneer een nieuw programma wordt goedgekeurd in het kader van de tussentijdse evaluatie overeenkomstig artikel 14, zijn de uitgaven subsidiabel vanaf de datum waarop het verzoek bij de Commissie is ingediend.

9.   Voor een concrete actie mag steun worden ontvangen uit een of meer Fondsen, uit een of meer programma's en uit andere instrumenten van de Unie. In dat geval worden uitgaven die zijn gedeclareerd in een betalingsaanvraag voor een van de Fondsen, voor geen de volgende gevallen gedeclareerd:

a)

steun uit een ander fonds of instrument van de Unie;

b)

steun uit hetzelfde fonds in het kader van een ander programma.

Het bedrag van de in de betalingsaanvraag voor een fonds op te nemen uitgave kan voor elk fonds en voor het betrokken programma of de betrokken programma's pro rata worden berekend overeenkomstig het document waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

Artikel 58

Niet-subsidiabele kosten

1.   De volgende kosten komen niet in aanmerking voor een bijdrage uit de Fondsen:

a)

debetrente, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen , of met betrekking tot een bijdrage aan financieringsinstrumenten die voortkomt uit een negatieve rente ; [Am. 265]

b)

de aankoop van grond voor een bedrag van meer dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven in verband met de betrokken concrete actie; voor verwaarloosde gebieden en voormalige industriezones met gebouwen wordt die grens opgetrokken tot 15 %; voor garanties zijn deze percentages van toepassing op het bedrag van de onderliggende lening;

(c)

belasting over de toegevoegde waarde (btw), behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR. [Am. 266]

Voor punt b) zijn deze limieten niet van toepassing op concrete acties ten behoeve van milieubehoud.

De subsidiabiliteit met betrekking tot belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt per geval bepaald, behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR en voor investeringen en uitgaven van eindbegunstigden. [Am. 267]

2.   In de fondsspecifieke verordeningen kunnen extra kosten worden vastgesteld die niet in aanmerking komen voor een bijdrage uit dat fonds.

Artikel 59

Duurzaamheid van concrete acties

1.   De lidstaat betaalt de bijdrage uit de Fondsen aan een con, met inbegrip van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen, terug wanneer binnen vijf jaar na de eindbetaling aan de begunstigde of in voorkomend geval binnen een in de voorschriften betreffende staatssteun gestelde termijn, deze concrete actie onderworpen is aan een van de volgende gebeurtenissen:

a)

een beëindiging of verplaatsing van een productieactiviteit;

b)

een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt;

c)

een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden waardoor de oorspronkelijke doelstellingen worden ondermijnd.

De lidstaat kan in de onder a), b) en c), bedoelde naar behoren gemotiveerde gevallen de in de eerste alinea vastgestelde termijn verkorten tot drie jaar bij behoud van investeringen of door kleine en middelgrote ondernemingen gecreëerde banen. [Am. 268]

2.   Voor door het ESF+ ondersteunde concrete acties wordt de bijdrage uit het ESF+ alleen terugbetaald als de acties onderworpen zijn aan een verplichting tot behoud van de investering krachtens de voorschriften betreffende staatssteun.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op programmabijdragen aan of afkomstig uit financieringsinstrumenten, noch op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement. [Am. 269]

Artikel 60

Verplaatsing

1.   Uitgaven voor verplaatsing als bedoeld in artikel 2, lid 26, komen niet in aanmerking voor een bijdrage uit de Fondsen.

2.   Wanneer een bijdrage uit de Fondsen staatssteun vormt, vergewist de beheersautoriteit zich ervan dat de bijdrage geen ondersteuning is van verplaatsing overeenkomstig artikel 14, lid 16, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie.

Artikel 61

Specifieke subsidiabiliteitsvoorschriften voor subsidies

1.   Bijdragen in natura in de vorm van de verstrekking van werken, goederen, diensten, land en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met vergelijkbare bewijskracht gestaafde betaling is gedaan, kunnen in aanmerking komen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aan de concrete actie betaalde overheidssteun die bijdragen in natura omvat, is aan het einde van de concrete actie niet hoger dan de totale subsidiabele uitgaven, exclusief bijdragen in natura;

b)

de aan bijdragen in natura toegekende waarde is niet hoger dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt worden aanvaard;

c)

de waarde en de verstrekking van de bijdrage in natura kunnen onafhankelijk worden beoordeeld en geverifieerd;

d)

bij verstrekking van grond of onroerend goed kan een betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan een enkele eenheid van de valuta van de betreffende lidstaat;

e)

bij bijdragen in natura in de vorm van onbetaalde arbeid, wordt de waarde van de arbeid bepaald aan de hand van de gecontroleerde werkelijke arbeidstijd en de hoogte van de beloning voor soortgelijke arbeid.

De waarde van de grond of het onroerend goed als bedoeld in dit artikel, eerste alinea, onder d), wordt gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie en bedraagt niet meer dan de artikel 58, lid 1, onder b), bedoelde bovengrens.

2.   Afschrijvingskosten waarvoor geen door facturen gestaafde betaling is gedaan, kunnen in aanmerking komen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de subsidiabiliteitsvoorschriften van het programma staan dit toe;

b)

het uitgavenbedrag wordt naar behoren gestaafd door ondersteunende documenten met dezelfde bewijskracht als facturen voor subsidiabele kosten wanneer die kosten in de in artikel 48, lid 1, onder a), bedoelde vorm werden vergoed;

c)

de kosten hebben uitsluitend betrekking op de steunperiode voor de concrete actie;

d)

er is geen overheidssubsidie verleend voor de aanschaf van de afgeschreven activa.

Artikel 62

Specifieke subsidiabiliteitsvoorschriften voor financieringsinstrumenten

1.   De subsidiabele uitgaven voor een financieel instrument zijn het totaalbedrag aan programmabijdragen die zijn betaald aan, of, in het geval van garanties die zijn gereserveerd zoals overeengekomen in garantiecontracten, door het financieringsinstrument binnen de subsidiabiliteitsperiode, waar dat bedrag komt overeen met:

a)

betalingen aan eindontvangers, in geval van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen;

b)

middelen die gereserveerd zijn zoals overeengekomen in garantiecontracten, ongeacht of ze nog uitstaan of reeds verlopen zijn, om aan mogelijke aanspraken op garanties voor verliezen te kunnen voldoen, berekend op grond van een multiplicatorratio dat een meervoudig bedrag dekt van onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen of investeringen in eigen vermogen of in quasi-eigen vermogen van eindontvangers;

c)

betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, wanneer financieringsinstrumenten worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie in één enkel financieringsinstrument overeenkomstig artikel 52, lid 5;

d)

betalingen van beheersvergoedingen en vergoedingen van de beheerskosten die de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren, verschuldigd zijn.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder b), wordt de multiplicatorratio vastgesteld in een prudente ex-ante risicobeoordeling en overeengekomen in de desbetreffende financieringsovereenkomst. De multiplicatorratio kan worden herzien indien latere veranderingen van de marktomstandigheden dat rechtvaardigen. Een dergelijke herziening heeft geen terugwerkende kracht.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder d), zijn de beheersvergoedingen gebaseerd op prestaties. Voor de eerste twaalf maanden van de uitvoering van het financieringsinstrument is een basisvergoeding voor beheerskosten en -vergoedingen subsidiabel. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3 2 , wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instanties betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van maximaal 5 % van het totaalbedrag van programmabijdragen die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, of bedragen die als overeengekomen in garantiecontracten zijn gereserveerd. [Am. 270]

Die drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de openbare aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen , die gebaseerd zijn op prestaties, aantoont. [Am. 271]

4.   Afsluitprovisies die geheel of gedeeltelijk aan de eindontvanger worden berekend, gelden niet als subsidiabele uitgave.

5.   De overeenkomstig lid 1 gedeclareerde subsidiabele uitgaven bedragen niet meer dan de som van het totale bedrag aan ondersteuning uit de Fondsen dat voor de toepassing van dit lid is betaald en de bijhorende nationale medefinanciering.

Titel VI

Beheer en controle

HOOFDSTUK 1

Algemene regels voor beheer en controle

Artikel 63

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.   De lidstaten beschikken over beheers- en controlesystemen voor hun programma's overeenkomstig deze titel en zij waarborgen dat die systemen functioneren overeenkomstig de beginselen van gezond financieel beheer en de in bijlage X opgesomde fundamentele eisen.

2.   De lidstaten zorgen voor de wettigheid en regelmatigheid van in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de Commissie zijn ingediend, en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen, te verbeteren en te rapporteren. De lidstaten verlenen hun volledige samenwerking aan OLAF. [Am. 272]

3.   De lidstaten nemen op verzoek van de Commissie de nodige maatregelen om de doeltreffende werking van hun beheers- en controlesysteem en de wettigheid en regelmatigheid van de bij de Commissie ingediende uitgaven te waarborgen. Als een dergelijke maatregel een audit is, kunnen ambtenaren van de Commissie of hun gemachtigde vertegenwoordigers daaraan deelnemen.

4.   De lidstaten waarborgen de kwaliteit , de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid van het monitoringsysteem en van de gegevens over indicatoren. [Am. 273]

5.   De lidstaten beschikken over systemen en procedures om te waarborgen dat alle voor het in bijlage IX bedoelde auditspoor benodigde documenten worden bewaard overeenkomstig de in artikel 76 bepaalde vereisten.

6.   De lidstaten beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat klachten over de Fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. De lidstaten zijn overeenkomstig hun institutioneel en juridisch kader verantwoordelijk voor het toepassingsgebied, de regels en de procedures betreffende deze regelingen. Op verzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 64, lid 4 bis, onderzoeken zij de bij de Commissie ingediende klachten die in het toepassingsgebied van hun programma's vallen en zij informeren de Commissie over de resultaten van de onderzoeken. [Am. 274]

Voor de toepassing van dit artikel dekken klachten elk geschil tussen potentiële en geselecteerde begunstigden met betrekking tot de voorgestelde of geselecteerde concrete actie en alle geschillen met derde partijen over de tenuitvoerlegging van het programma of de concrete acties daarvan, ongeacht de verwijzing naar de rechtsmiddelen krachtens het nationale recht.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van gebruiksvriendelijke elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden. [Am. 275]

Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's is de eerste alinea van toepassing vanaf 1 januari 2023 2022 . [Am. 276]

Het eerste lid is niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder c), vii xi )], van de ESF+-verordening bedoelde programma's. [Am. 277]

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële uitwisseling van alle informatie met de Commissie plaatsvindt door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XIII.

9.   Elke lidstaat stelt, na de goedkeuring van het programma ten laatste bij de indiening van de aanvraag voor de eindbetaling voor het eerste boekjaar en uiterlijk op 30 juni 2023, een beschrijving op van het beheers- en controlesysteem overeenkomstig het in bijlage XIV opgenomen model. Zij past die beschrijving aan aan latere wijzigingen.

10.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 107 gedelegeerde handelingen goed te keuren die lid 2 van dit artikel aanvullen door de criteria vast te stellen ter bepaling van de te rapporteren gevallen van onregelmatigheden en te verstrekken gegevens.

11.   De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed om het model op te stellen dat moet worden gebruikt voor de rapportering van onregelmatigheden in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden en regels te garanderen voor de uitvoering van dit artikel. [Am. 278]

Artikel 64

Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Commissie

1.   De Commissie vergewist zich ervan dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die aan deze verordening voldoen en dat die systemen tijdens de uitvoering van de programma’s doeltreffend en efficiënt functioneren. De Commissie stelt voor de lidstaten een auditstrategie en een auditplan op op basis van een risicobeoordeling. [Am. 279]

De Commissie en de auditinstanties coördineren hun auditplannen.

2.   De audits van de Commissie worden uitgevoerd tot drie twee jaar na de goedkeuring van de rekeningen waar de betreffende uitgave in was begrepen. Deze termijn is niet van toepassing op concrete acties waarvoor een vermoeden van fraude bestaat. [Am. 280]

3.   Voor het verrichten van hun audits krijgen de ambtenaren van de Commissie of hun gemachtigde vertegenwoordigers inzage in alle noodzakelijke gegevens, documenten en metagegevens over de door de Fondsen gesteunde concrete acties of over de beheers- en controlesystemen en krijgen zij kopieën in de specifiek gevraagde formaten.

4.   Voor controles ter plaatse geldt eveneens het volgende:

a)

behalve in dringende gevallen stelt de Commissie de bevoegde programma-autoriteit ten minste twaalf vijftien werkdagen van tevoren in kennis van de controle. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen; [Am. 281]

b)

wanneer door de toepassing van nationale bepalingen bepaalde handelingen voorbehouden worden aan daartoe door nationale wetgeving specifiek aangewezen functionarissen, hebben ambtenaren van de Commissie en gemachtigde vertegenwoordigers inzage in de aldus verkregen informatie, onverminderd de bevoegdheden van nationale gerechtelijke instanties en met volledige inachtneming van de grondrechten van de betrokken rechtssubjecten;

c)

de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie twee maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat; [Am. 282]

d)

de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie twee maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen. Het antwoord van de lidstaat wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden niet heeft laten weten dat er nog over te leggen documenten zijn. [Am. 283]

De Commissie kan de onder c) en d) bedoelde termijnen in naar behoren gemotiveerde gevallen met drie twee maanden verlengen. [Am. 284]

4 bis.     Onverminderd artikel 63, lid 6, voorziet de Commissie in een klachtenbehandelingssysteem dat toegankelijk is voor burgers en belanghebbenden. [Am. 285]

Artikel 65

Programma-autoriteiten

1.   Voor de toepassing van artikel [63, lid 3], van het Financieel Reglement, identificeert de lidstaat voor elk programma een beheersautoriteit en een auditautoriteit. Wanneer een lidstaat gebruikt maakt van de in artikel 66, lid 2, bedoelde mogelijkheid, wordt de desbetreffende instantie geïdentificeerd als een programma-autoriteit. Deze autoriteiten kunnen voor meerdere programma's verantwoordelijk zijn.

2.   De auditautoriteit is een openbare of particuliere autoriteit die volledig onafhankelijk is van de geauditeerde beheersautoriteit en de organen of entiteiten aan wie taken zijn toevertrouwd of gedelegeerd . [Am. 286]

3.   De beheersautoriteit kan een of meer intermediaire instanties aanwijzen om bepaalde taken onder haar verantwoordelijk uit te voeren. Regelingen tussen de beheersautoriteit en intermediaire instanties worden schriftelijk vastgelegd.

4.   Lidstaten waarborgen dat het beginsel van scheiding van functies tussen en binnen de programma-autoriteiten in acht wordt genomen.

5.   De instantie die het in artikel [11] van Verordening EU (…) [Horizon Europa deelnameregels] bedoelde medefinanciering voor het programma uitvoeren, worden geïdentificeerd als een intermediaire instantie door de beheersautoriteit van het desbetreffende programma, overeenkomstig lid 3.

HOOFDSTUK II

Standaard beheer- en controlesystemen

Artikel 66

Functies van de beheersautoriteit

1.   De beheersautoriteit is verantwoordelijk voor het beheer van het programma met het oog op het bereiken van de doelstellingen van het programma. Zij heeft met name de volgende functies:

a)

acties selecteren in overeenstemming met artikel 67;

b)

programmabeheerstaken uitvoeren in overeenstemming met artikel 68;

c)

de werkzaamheden van het toezichtcomité ondersteunen in overeenstemming met artikel 69;

d)

toezicht houden op intermediaire instanties;

e)

in een elektronisch systeem elektronische systemen de gegevens van elke concrete actie registreren en opslaan voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, en de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers waarborgen. [Am. 287]

2.   De lidstaat kan de in artikel 70 bedoelde boekhoudfunctie toevertrouwen aan de beheersautoriteit of een andere instantie.

3.   Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's wordt de boekhoudfunctie uitgeoefend door of onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit.

4.   De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed overeenkomstig de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden te garanderen voor de in lid 1, onder e), bedoelde registratie en opslag van elektronische gegevens. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 67

Selectie van concrete acties door de beheersautoriteit

1.   Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, toegankelijk zijn voor personen met een handicap, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU. [Am. 288]

De criteria en procedures waarborgen de prioritering van de te selecteren concrete acties teneinde ervoor te zorgen dat de bijdrage uit de middelen van de Unie financiering van de Unie optimaal bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

2.   Op verzoek van de Commissie raadpleegt de beheersautoriteit de Commissie en houdt zij rekening met haar opmerkingen voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité en voordat deze criteria worden gewijzigd.

3.   Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit:

a)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties duurzaam zijn, in overeenstemming zijn met het programma en met territoriale strategieën, en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan; [Am. 289]

b)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties overeenstemmen met de bijhorende strategieën en planningsdocumenten die zijn opgesteld voor de verwezenlijking van de randvoorwaarden;

c)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste een juiste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten vertegenwoordigen; [Am. 290]

d)

verifiëren dat de begunstigde de nodige financiële middelen en instrumenten heeft om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken;

e)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (45) worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure en dat naar behoren rekening is gehouden met de beoordeling van alternatieve oplossingen en een uitgebreide openbare raadpleging, overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad (46); [Am. 291]

f)

verifiëren waarborgen dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit; [Am. 292]

g)

waarborgen dat een geselecteerde concrete actie binnen het toepassingsgebied van het betrokken fonds valt en aan een interventietype of voor het EFMZV een ondersteuningsgebied wordt toegewezen;

h)

waarborgen dat concrete acties geen activiteiten omvatten die deel uitmaakten van een concrete actie waarvoor een verplaatsing in overeenstemming met artikel 60 gold of die zouden neerkomen op een overdracht van een productieve activiteit overeenkomstig artikel 59, lid 1, onder a);

i)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet worden beïnvloed door een met redenen omkleed advies van de Commissie met betrekking tot een inbreukprocedure overeenkomstig artikel 258 van het VWEU dat de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven of de uitvoering van concrete acties in gevaar brengt;

j)

de voordat er investeringsbesluiten worden genomen, de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar , alsook de toepassing waarborgen van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” . [Am. 293]

4.   De beheersautoriteit waarborgt dat de begunstigde een document wordt verstrekt waarin alle voorwaarden voor steun voor elke concrete actie zijn vermeld, met inbegrip van de specifieke vereisten betreffende de producten of diensten die moeten worden geleverd, het financieringsplan, de uitvoeringstermijn en, indien van toepassing, de toe te passen de methode voor de vaststelling van de kosten van de concrete actie en de voorwaarden voor betaling van de subsidie.

5.   Voor concrete acties die een certificaat “Excellentiekeur” hebben ontvangen of die zijn geselecteerd in het kader van de medefinanciering voor het programma binnen Horizon Europa, kan de beheersautoriteit besluiten rechtstreeks uit het EFRO of het ESF+ steun te verlenen, op voorwaarde dat die concrete acties stroken met de doelstellingen van het programma.

Het medefinancieringspercentage van het instrument dat het certificaat “Excellentiekeur” of de medefinanciering voor het programma verstrekt, is van toepassing en wordt vastgesteld in het in lid 4 bedoelde document.

5 bis.     In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de beheersautoriteit eveneens beslissen om tot 5 % van de financiële middelen voor een programma in het kader van het EFRO en het ESF+ toe te wijzen aan specifieke projecten binnen de lidstaat die in aanmerking komen voor Horizon Europa, met inbegrip van de projecten die in de tweede fase worden geselecteerd, op voorwaarde dat die specifieke projecten bijdragen aan de doelstellingen van het programma in die lidstaat. [Am. 294]

6.   Wanneer de beheersautoriteit een concrete actie van strategisch belang selecteert, stelt zij de Commissie daar onmiddellijk binnen één maand van in kennis en verstrekt zij de Commissie alle informatie over die actie , met inbegrip van een kosten-batenanalyse . [Am. 295]

Artikel 68

Programmabeheer door de beheersautoriteit

1.   De beheersautoriteit:

a)

voert beheersverificaties uit om te verifiëren of de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd, of de concrete actie voldoet aan het toepasselijke recht, aan het programma en aan de voorwaarden voor steun voor de concrete actie en,

i)

voor kosten die worden vergoed overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder a), of het bedrag van de door de begunstigden met betrekking tot die kosten gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk is betaald en of de begunstigden een afzonderlijke boekhouding voeren voor alle met die concrete actie samenhangende transacties;

ii)

voor kosten die worden vergoed overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), of is voldaan aan de voorwaarden voor de vergoeding van de uitgave aan de begunstigde;

b)

waarborgt dat, onder voorbehoud in het geval van de beschikbaarheid van de financiering, voorfinanciering en tussentijdse betalingen dat de begunstigde uiterlijk negentig zestig dagen na de datum waarop hij de betalingsaanvraag heeft ingediend, het verschuldigde totale bedrag voor geverifieerde uitgaven ontvangt; [Am. 296]

c)

zorgt voor doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen en -procedures op basis van de vastgestelde risico's;

d)

voorkomt onregelmatigheden, spoort ze op en corrigeert ze;

e)

bevestigt dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig en regelmatig zijn;

f)

stelt de beheersverklaring op overeenkomstig het in bijlage XV opgenomen model;

g)

zenden uiterlijk op 31 januari en 31 juli een raming van het bedrag waarvoor zij verwachten betalingsaanvragen te zullen indienen voor het lopende en voor de volgende kalenderjaren, overeenkomstig het in bijlage XII opgenomen model.

Wat de eerste alinea, onder b), betreft mogen er geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast die bedragen verschuldigd aan begunstigden zouden verminderen.

Met betrekking tot concrete PPP-acties voert de beheersautoriteit de betalingen uit naar een geblokkeerde rekening die specifiek daarvoor is geopend op naam van de begunstigde om te worden gebruikt overeenkomstig de PPP-overeenkomst.

2.   De in lid 1, onder a), bedoelde beheersverificaties zijn risicogebaseerd en proportioneel met de in een risicobeheersstrategie vastgestelde risico's.

Beheersverificaties omvatten administratieve verificaties met betrekking tot elke betalingsaanvraag van begunstigden en verificaties ter plaatse van concrete acties. Zij worden uitgevoerd voordat de rekeningen overeenkomstig artikel 92 worden voorbereid.

3.   Als de beheersautoriteit ook begunstigde van het programma is, moeten de regelingen voor de beheersverificaties een scheiding van functies garanderen.

4.   In afwijking van lid 2 kan de ETS-verordening specifieke voorschriften inzake op Interreg-programma's toepasselijke beheersverificaties bevatten.

Artikel 69

Ondersteuning van het werk van het toezichtcomité door de beheersautoriteit

De beheersautoriteit:

a)

verstrekt het toezichtcomité tijdig alle informatie die het nodig heeft om zijn taken uit te voeren;

b)

zorgt ervoor dat gevolg wordt gegeven aan de besluiten en aanbevelingen van het toezichtcomité.

Artikel 70

De boekhoudfunctie

1.   De boekhoudfunctie omvat:

a)

betalingsaanvragen opstellen en indien bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 85 en 86 , en rekening houden met de audits die worden verricht door of onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit ; [Am. 297]

b)

rekeningen opstellen en presenteren, de volledigheid, nauwkeurigheid en juistheid bevestigen overeenkomstig artikel 92 en bescheiden bijhouden van alle elementen van de rekeningen in een elektronisch systeem; [Am. 298]

c)

de bedragen van in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven omrekenen aan de hand van de maandelijkse wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin die uitgaven zijn geregistreerd in het boekhoudsysteem van de instantie die de in dit artikel bepaalde taken uitvoert.

2.   De boekhoudfunctie houdt geen verificaties op het niveau van begunstigden in.

3.   In afwijking van lid 1, onder c), kan in de ETS-verordening een andere methode worden bepaald voor het omrekenen van in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven.

Artikel 71

Functies van de auditautoriteit

1.   De auditautoriteit is verantwoordelijk voor het uitvoeren van systeemaudits, audits over concrete acties en audits van rekeningen en zo de Commissie op onafhankelijke wijze waarborgen te bieden over de doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen doeltreffend over de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

2.   Auditwerkzaamheden worden verricht overeenkomstig internationaal aanvaarde auditnormen.

3.   De auditautoriteit moet de volgende documenten opstellen en bij de Commissie indienen:

a)

een jaarlijks auditoordeel overeenkomstig artikel [63, lid 7] van het Financieel Reglement en overeenkomstig het in bijlage XVI opgenomen model, op basis van alle auditwerkzaamheden, waarin elk van de volgende aspecten wordt behandeld:

i)

de volledigheid, waarheidsgetrouwheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningen,

ii)

de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven;

iii)

de doeltreffende werking van het beheer- en controlesysteem.

b)

een jaarlijks controleverslag dat voldoet aan de eisen van artikel [63, lid 5, onder b)] van het Financieel Reglement, overeenkomstig het in bijlage XVII opgenomen model, dat het onder a) bedoelde auditoordeel ondersteunt en dat een samenvatting van de bevindingen bevat, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de fouten en tekortkomingen in het systeem, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen en het daaruit volgende totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage voor de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

4.   Wanneer programma's voor de audit van concrete acties worden gegroepeerde overeenkomstig artikel 73, lid 2, kan de in lid 3, onder b), gevraagde informatie in één verslag worden opgenomen.

Wanneer de auditautoriteit van deze mogelijkheid gebruik maakt voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, brengt het fonds verslag uit over de in lid 3, onder b), gevraagde informatie.

5.   De auditautoriteit zendt de systeemauditverslagen naar de Commissie zodra de contradictoire procedure met de betrokken geauditeerden is voltooid.

6.   Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en de auditautoriteiten regelmatig, en ten minste een maal per jaar, bijeen om de auditstrategie, het jaarlijkse controleverslag, en het auditoordeel te onderzoeken, hun auditplannen en -methoden op elkaar af te stemmen, en van gedachten te wisselen over kwesties in verband met de verbetering van de beheers- en controlesystemen.

6 bis.     De audit wordt uitgevoerd met verwijzing naar de toepasselijke norm op het moment dat de gecontroleerde actie wordt afgesproken, behalve wanneer nieuwe normen gunstiger zijn voor de begunstigde. [Am. 299]

6 ter.     De vaststelling van een onregelmatigheid, in het kader van de audit van een actie met een financiële boete als gevolg, mag niet resulteren in het uitbreiden van het toepassingsgebied van de controle of in financiële correcties naast de uitgaven met betrekking tot het boekjaar van de gecontroleerde uitgaven. [Am. 300]

Artikel 72

Auditstrategie

1.   De auditautoriteit stelt , na raadpleging van de beheersautoriteit, een auditstrategie op op basis van een risicobeoordeling, rekening houdend met het beheers- en controlesysteem als beschreven in artikel 63, lid 9, betreffende systeemaudits en audits van concrete acties. De auditstrategie omvat systeemaudits van nieuw geïdentificeerde beheersautoriteiten en autoriteiten belast met de boekhoudfunctie . De audit wordt binnen een termijn van negen maanden na hun eerste werkjaar. De auditstrategie wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage XVIII opgenomen model en wordt jaarlijks bijgewerkt nadat het eerste jaarlijkse controleverslag en auditoordeel bij de Commissie is ingediend. Zij kan betrekking hebben op een of meerdere programma's. De auditautoriteit kan in de auditstrategie een grens vaststellen voor audits van één enkele rekening. [Am. 301]

2.   Op verzoek wordt de auditstrategie aan de Commissie verstrekt.

Artikel 73

Audits van concrete acties

1.   Audits van concrete acties hebben betrekking op bij de Commissie gedeclareerde uitgaven in het boekjaar op basis van een steekproef. Die steekproef is representatief en gebaseerd op statistische steekproefmethodes.

2.   Wanneer de populatie uit minder dan 300 steekproefeenheden bestaat, kan de auditautoriteit op basis van haar professionele oordeel een niet-statistische steekproefmethode toepassen. In dergelijke gevallen moet de steekproef omvangrijk genoeg zijn om de auditautoriteit in staat te stellen een geldig auditoordeel uit te brengen. De niet-statistische steekproefmethode bestrijkt minimaal 10 % van de steekproefeenheden in de populatie van het boekjaar, op aselecte wijze gekozen.

De statistische steekproef kan betrekking hebben op een of meer door het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF+ ondersteunde programma's en, met in voorkomend geval de stratificatie, op een of meerdere programmeringsperioden, op basis van het professionele oordeel van de auditautoriteit.

De steekproef van door het AMIF, het ISF, het BMVI en het EFMZV ondersteunde concrete acties heeft betrekking op door elk fonds apart ondersteunde concrete acties.

3.   Audits van concrete acties omvatten alleen een verificatie ter plaatse van de materiële uitvoering van de concrete actie als het type concrete actie dat vereist.

Indien de Commissie en een lidstaat het niet eens zijn over de bevindingen van een audit, wordt er een schikkingsprocedure ingesteld. [Am. 302]

De ESF+-verordening kan specifieke bepalingen bevatten voor in artikel [4, lid 1, onder c), vii)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 107 een gedelegeerde handeling vast te stellen om dit artikel aan te vullen door gestandaardiseerde kant-en-klare steekproefmethoden en -modaliteiten te bepalen om een of meerdere programmeringsperioden te dekken.

Artikel 74

Regelingen inzake één enkele audit

1.   Bij het uitvoeren van audits houden de Commissie en de auditautoriteiten rekening met het beginsel van één enkele audit en met het evenredigheidsbeginsel in verhouding tot de omvang van het risico voor de begroting van de Unie. Zij voorkomen herhaling van audits over dezelfde bij de Commissie gedeclareerde uitgaven om zo de kosten voor beheersverificaties en -audits en de administratieve lasten voor de begunstigden tot een minimum te beperken.

De Commissie en de auditautoriteiten gebruiken eerst alle in het de in artikel 66, lid 1, onder e), bedoelde elektronische systeem systemen beschikbare gegevens, met inbegrip van beheersverificaties, en vragen en verkrijgen alleen aanvullende documenten en auditbewijs van de begunstigden als zij dit, op basis van hun professionele oordeel, nodig achten ter staving van betrouwbare auditconclusies. [Am. 303]

2.   Voor programma's waarvoor de Commissie concludeert dat het oordeel van de auditautoriteit betrouwbaar is, en de betrokken lidstaat deelneemt aan de nauwere samenwerking op het gebied van het Europees Openbaar Ministerie, blijven de audits van de Commissie beperkt tot een audit van de werkzaamheden van de auditautoriteit.

3.   Concrete acties waarvan de totale subsidiabele uitgaven niet meer dan 400 000 EUR voor het EFRO en het Cohesiefonds, 300 000 EUR voor het ESF+, of 200 000 EUR voor het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI bedragen, worden voorafgaand aan de indiening van de rekeningen voor het boekjaar waarin de concrete actie is voltooid, onderworpen aan niet meer dan één audit, verricht door hetzij de auditautoriteit, hetzij de Commissie.

Andere concrete acties worden voorafgaand aan de indiening van de rekeningen voor het boekjaar waarin de concrete actie is voltooid, onderworpen aan niet meer dan één audit per boekjaar, verricht door hetzij de auditautoriteit hetzij de Commissie. Concrete acties worden in een bepaald jaar niet meer door de Commissie of de auditautoriteit aan een audit onderworpen wanneer dat jaar reeds een audit door de Rekenkamer heeft plaatsgevonden, mits de auditautoriteit of de Commissie de resultaten van die audit van de Europese Rekenkamer voor dergelijke concrete acties voor het uitvoeren van hun respectieve taken kunnen gebruiken.

4.   Onverminderd lid 3 kan een concrete actie worden onderworpen aan meer dan een audit als de auditautoriteit op basis van haar professionele oordeel tot de conclusie komt dat geen auditoordeel kan worden uitgebracht.

5.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing in het geval van:

a)

een specifiek risico op onregelmatigheden of aanwijzingen van fraude;

b)

de noodzaak om de auditactiviteit te herhalen om de zekerheid te krijgen dat de auditautoriteit doeltreffend functioneert;

c)

bewijs van een ernstige tekortkoming in het werk van de auditautoriteit.

Artikel 75

Beheersverificaties en audits van financieringsinstrumenten

1.   De beheersautoriteit verricht overeenkomstig artikel 68, lid 1, beheersverificaties ter plaatse, uitsluitend op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de beheersautoriteit, indien het financieringsinstrument voorziet in controleverslagen ter ondersteuning van de betalingsaanvraag, besluiten geen beheersverificaties ter plaatse te verrichten. [Am. 304]

2.   De beheersautoriteit verricht geen verificaties ter plaatse op het niveau van de Europese Investeringsbank (EIB) of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is.

De EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de beheersautoriteit evenwel bij elke betalingsaanvraag een controleverslag. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

3.   De auditautoriteit verricht overeenkomstig de artikelen 71, 73 en 77 systeemaudits en audits van concrete acties op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de auditautoriteit, indien het financieringsinstrument de auditautoriteit een jaarlijks auditverslag bezorgt dat aan het eind van elk kalenderjaar door hun externe auditors is opgesteld en betrekking heeft op de in bijlage XVII opgenomen elementen, besluiten geen verdere audits uit te voeren. [Am. 306]

3 bis.     In het kader van garantiefondsen kunnen voor de audit van programma's verantwoordelijke instanties alleen verificaties of audits verrichten van de instanties die onderliggende nieuwe leningen verstrekken in een of meer van de volgende situaties:

a)

er zijn geen bewijsstukken ter staving van de steun uit het financieringsinstrument aan eindontvangers beschikbaar op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren;

b)

er is bewijs dat de documenten die beschikbaar zijn op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, geen waarheidsgetrouwe en nauwkeurige weergave van de verleende steun zijn. [Am. 307]

4.   De auditautoriteit verricht geen audits op het niveau van de EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, voor financieringsinstrumenten die zij uitvoeren.

De EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de Commissie en de auditautoriteit evenwel een jaarlijks auditverslag dat aan het eind van elk kalenderjaar door hun externe auditors is opgesteld. Dit verslag heeft betrekking op de in bijlage XVII opgenomen elementen.

5.   De EIB of andere internationale instellingen verstrekken de programma-autoriteiten alle documenten die zij nodig hebben om hun verplichtingen na te komen.

Artikel 76

Beschikbaarheid van documenten

1.   Onverminderd de regels over staatssteun zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot een door de fondsen ondersteunde concrete actie op het gepaste niveau worden bewaard gedurende vijf drie jaar te rekenen vanaf 31 december vanaf het jaar waarin de laatste betaling van de beheersautoriteit aan de begunstigde wordt verricht. [Am. 308]

2.   In geval van gerechtelijke procedures of op verzoek van de Commissie kan deze termijn worden onderbroken.

2 bis.     De bewaartermijn van de documenten kan op besluit van de beheersautoriteit worden teruggebracht, in verhouding met het risicoprofiel en de omvang van de begunstigden. [Am. 309]

HOOFDSTUK III

Gebruik van nationale beheerssystemen

Artikel 77

Verbeterde evenredige regelingen

De lidstaat kan de volgende verbeterde evenredige regelingen toepassen voor het beheers- en controlesysteem van een programma wanneer is voldaan aan de in artikel 78 vastgestelde voorwaarden:

a)

in afwijking van artikel 68, lid 1, onder a), en artikel 68, lid 2, kan de beheersautoriteit alleen nationale procedures toepassen om beheersverificaties uit te voeren;

b)

in afwijking van artikel 73, leden 1 en 3, kan de auditautoriteit haar auditactiviteiten beperken tot een statistische steekproef van 30 steekproefeenheden voor het programma of de groep programma’s in kwestie;

c)

de Commissie beperkt haar eigen audits tot een toetsing van de werkzaamheden van de auditautoriteit door deze uitsluitend op haar niveau te herhalen, tenzij de beschikbare informatie duidt op een ernstige tekortkoming in de werkzaamheden van de auditautoriteit.

Wanneer de onder b) bedoelde populatie uit minder dan 300 steekproefeenheden bestaat, kan de auditautoriteit een niet-statistische steekproefmethode toepassen overeenkomstig artikel 73, lid 2.

Artikel 78

Voorwaarden voor de toepassing van verbeterde evenredige regelingen

1.   De lidstaat kan de in artikel 77 vastgestelde verbeterde evenredige regelingen op elk moment tijdens de programmeringsperiode toepassen, mits de Commissie in haar gepubliceerde jaarlijkse activiteitenverslagen voor de laatste twee jaar voorafgaand aan het besluit van de lidstaat om de bepalingen van dit artikel toe te passen, heeft bevestigd dat het beheers- en controlesysteem van het programma doeltreffend functioneert en het totale foutenpercentage voor elk jaar lager ligt dan 2 %. Wanneer wordt nagegaan of het beheers- en controlesysteem van het programma doeltreffend functioneert, houdt de Commissie rekening met de deelname van de betrokken lidstaat aan de nauwere samenwerking op het gebied van het Europees Openbaar Ministerie.

Wanneer een lidstaat besluit gebruik te maken van deze mogelijkheid, stelt deze de Commissie in kennis van de toepassing van de in artikel 77 vastgestelde evenredige regelingen die van toepassing zijn vanaf het begin van het daaropvolgende boekjaar.

2.   Aan het begin van de programmeringsperiode kan de lidstaat de in artikel 77 bedoelde regelingen toepassen, mits is voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vastgestelde voorwaarden ten aanzien van een soortgelijk programma dat in 2014-2020 is uitgevoerd, en mits de voor het programma 2021-2027 vastgestelde beheers- en controleregelingen grotendeels voortbouwen op de regelingen voor het vorige programma. In dergelijke gevallen zullen de verbeterde evenredige regelingen van toepassing zijn vanaf de aanvang van het programma.

3.   De in artikel 63, lid 9, en artikel 72 bedoelde beschrijving van het beheers- en controlesysteem en de auditstrategie worden dienovereenkomstig opgesteld of geactualiseerd door de lidstaat.

Artikel 79

Aanpassing tijdens de programmeringsperiode

1.   Wanneer de Commissie of de auditautoriteit op basis van de uitgevoerde audits en het jaarlijkse controleverslag concluderen dat niet meer wordt voldaan aan de in artikel 78 vastgestelde voorwaarden, verzoekt de Commissie de auditautoriteit aanvullende auditwerkzaamheden te verrichten overeenkomstig artikel 63, lid 3, en corrigerende maatregelen te nemen.

2.   Wanneer in het daaropvolgende jaarlijkse controleverslag wordt bevestigd dat nog steeds niet wordt voldaan aan de voorwaarden, waardoor slechts in beperkte mate zekerheid wordt verschaft aan de Commissie over de doeltreffende werking van de beheers- en controlesystemen en de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, verzoekt de Commissie de auditautoriteit systeemaudits uit te voeren.

3.   Nadat de Commissie de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen te formuleren, stelt zij de lidstaat ervan in kennis dat de in artikel 77 vastgestelde verbeterde evenredige regelingen niet meer kunnen worden toegepast.

Titel VII

financieel beheer, indiening en onderzoek van rekeningen en financiële correcties

HOOFDSTUK I

Financieel beheer

Afdeling I

Algemene boekhoudregels

Artikel 80

Vastleggingen in de begroting

1.   Het besluit tot goedkeuring van het programma overeenkomstig artikel 18 vormt een financieringsbesluit in de zin van [artikel 110, lid 3,] van het Financieel Reglement en de kennisgeving ervan aan de betrokken lidstaat vormt een juridische verbintenis.

In dat besluit wordt de bijdrage van de Unie per fonds en per jaar vermeld.

2.   De vastleggingen in de begroting van de Unie voor elk programma worden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 verricht door de Commissie in jaarlijkse tranches voor elk fonds.

3.   In afwijking van artikel 111, lid 2, van het Financieel Reglement geschieden de vastleggingen in de begroting voor de eerste tranche na de vaststelling van het programma door de Commissie.

Artikel 81

Gebruik van de euro

Alle bedragen die worden vermeld in programma’s of door de lidstaten worden gemeld aan of gedeclareerd bij de Commissie worden uitgedrukt in euro.

Artikel 82

Terugbetaling

1.   Elke aan de begroting van de Unie te verrichten terugbetaling geschiedt vóór de vervaldag die is vermeld in de invorderingsopdracht die is opgesteld overeenkomstig [artikel 98 van het Financieel Reglement]. Deze vervaldatum is de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de invorderingsopdracht is gegeven.

2.   Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te rekenen vanaf de vervaldatum tot en met de datum van de daadwerkelijke betaling. De toe te passen rentevoet is anderhalf procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de maand waarin de vervaldatum valt.

Afdeling II

Voorschriften voor betalingen aan de lidstaten

Artikel 83

Soorten betalingen

De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen en betalingen van het saldo van de rekeningen voor het boekjaar.

Artikel 84

Voorfinanciering

1.   De Commissie betaalt voorfinanciering op basis van de totale steun uit de fondsen zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van het programma overeenkomstig artikel 17, lid 3, onder f) en i).

2.   De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt: [Am. 310]

a)

2021: 0,5 %;

b)

2022: 0,5 0,7  %; [Am. 311]

c)

2023: 0,5 1  %; [Am. 312]

d)

2024: 0,5 1,5  %; [Am. 313]

e)

2025: 0,5 2  %; [Am. 314]

f)

2026: 0,5 2  %. [Am. 315]

Wanneer een programma na 1 juli 2021 wordt vastgesteld, worden de eerdere tranches in het jaar van vaststelling betaald.

3.   In afwijking van lid 2 worden voor Interreg-programma’s specifieke regels inzake voorfinanciering vastgesteld in de ETS-verordening.

4.   Het als voorfinanciering uitgekeerde bedrag wordt uiterlijk in het laatste boekjaar behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van de Commissie.

5.   De renteopbrengsten van de voorfinanciering worden ingezet voor het betrokken programma op dezelfde wijze als de fondsen en worden opgenomen in de rekeningen van het laatste boekjaar.

Artikel 85

Betalingsaanvragen

1.   De lidstaat dient een maximum van vier betalingsaanvragen in per programma, per fonds en per boekjaar. Elk jaar loopt de termijn voor elke betalingsaanvraag af op 30 april, 31 juli, 31 oktober en 26 december.

De laatste betalingsaanvraag die uiterlijk op 31 juli is ingediend, wordt beschouwd als de aanvraag voor de eindbetaling voor het boekjaar dat is geëindigd op 30 juni.

2.   Betalingsaanvragen zijn slechts ontvankelijk als het meest recente zekerheidspakket is ingediend.

3.   Betalingsaanvragen worden ingediend bij de Commissie overeenkomstig het in bijlage XIX vastgestelde model en bevatten voor elke prioriteit en per regiocategorie:

a)

het totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties, zoals opgenomen in het systeem van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent;

b)

het bedrag voor technische bijstand dat is berekend overeenkomstig artikel 31, lid 2; [Am. 316]

c)

het totaalbedrag van betaalde of te betalen overheidsbijdragen, zoals opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent;

4.   In afwijking van lid 3, onder a), is het volgende van toepassing:

a)

wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder a), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn gerechtvaardigd door de vooruitgang met de naleving van de voorwaarden of het boeken van resultaten, overeenkomstig het in artikel 89, lid 2, bedoelde besluit;

b)

wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder c), d) en e), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn bepaald overeenkomstig het in artikel 88, lid 3, bedoelde besluit;

c)

in een betalingsaanvraag voor de in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden de kosten opgenomen als berekend volgens de toepasselijke grondslag.

c bis)

in geval van staatssteun kan de betalingsaanvraag voorschotten omvatten die door de steunverlenende instantie aan de begunstigde zijn betaald, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: ze zijn gedekt door een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie, ze bedragen niet meer dan 40 % van het totale bedrag van de steun die aan een begunstigde wordt verleend voor een bepaalde concrete actie en worden binnen drie jaar gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden en gestaafd door vereffende facturen. [Am. 317]

5.   In afwijking van lid 3, onder c), in geval van steunregelingen krachtens artikel 107 VWEU, moet de overheidsbijdrage die overeenkomt met de in een betalingsaanvraag vermelde uitgaven door de steunverlenende instantie aan de begunstigden zijn betaald.

Artikel 86

Specifieke elementen voor financieringsinstrumenten in betalingsaanvragen

1.   Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2 1 , bevatten de overeenkomstig bijlage XIX ingediende betalingsaanvragen de totaalbedragen die de beheersautoriteit heeft uitgekeerd aan of, in het geval van garanties, de in garantiecontracten overeengekomen bedragen die de beheersautoriteit heeft gereserveerd voor eindbegunstigden, als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), b) en c). [Am. 318]

2.   Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 3 2 , worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten, ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden: [Am. 319]

a)

het in de eerste betalingsaanvraag opgenomen bedrag is betaald aan de financieringsinstrumenten en bedraagt ten hoogste 25 % van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat is vastgelegd voor de financieringsinstrumenten krachtens de desbetreffende financieringsovereenkomst, in overeenstemming met de desbetreffende prioriteit en regiocategorie, indien van toepassing;

b)

het bedrag dat is opgenomen in de daaropvolgende betalingsaanvragen die zijn ingediend tijdens de subsidiabiliteitsperiode omvat de subsidiabele uitgaven als bedoeld in artikel 62, lid 1.

3.   Het in de eerste betalingsaanvraag opgenomen bedrag als bedoeld in lid 2, onder a), wordt uiterlijk in het laatste boekjaar behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van de Commissie.

Het bedrag wordt afzonderlijk meegedeeld in de betalingsaanvragen.

Artikel 87

Gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen

1.   Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen De Commissie voert de Commissie tussentijdse betalingen uit binnen 60 dagen na de datum waarop de Commissie de betalingsaanvraag heeft ontvangen. [Am. 320]

2.   Elke betaling wordt toegerekend aan de oudste openstaande vastlegging in de begroting van het fonds en de regiocategorie in kwestie. De Commissie vergoedt bij wijze van tussentijdse betaling 90 % van de in de betalingsaanvraag opgenomen bedragen, hetgeen wordt berekend door het medefinancieringspercentage voor elke prioriteit toe te passen op de totale subsidiabele uitgaven of de overheidsbijdrage, in voorkomend geval. De Commissie bepaalt welke resterende bedragen worden vergoed of teruggevorderd bij de berekening van het saldo van de rekeningen overeenkomstig artikel 94.

3.   De steun uit de fondsen voor een prioriteit in tussentijdse betalingen ligt niet hoger dan het bedrag van de steun uit de fondsen voor de prioriteit dat is vastgesteld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma.

4.   Wanneer de bijdrage van de Unie de vorm van artikel 46, onder a), aanneemt, of wanneer de subsidies de vorm als bedoeld in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), aannemen, betaalt de Commissie niet meer dan het door de lidstaat gevraagde bedrag.

5.   Daarnaast bedraagt de steun uit de fondsen voor een prioriteit bij de betaling van het saldo van het laatste boekjaar niet meer dan:

a)

de in de betalingsaanvragen gedeclareerde overheidsbijdrage;

b)

de aan de begunstigden betaalde steun uit de fondsen;

c)

het door de lidstaat gevraagde bedrag.

6.   Op verzoek van een lidstaat kunnen de tussentijdse betalingen worden verhoogd met 10 % boven het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op elke prioriteit van de fondsen, indien een lidstaat voldoet aan een van de volgende voorwaarden na [datum van vaststelling van deze verordening]:

a)

de lidstaat ontvangt een lening van de Unie op grond van Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad;

b)

de lidstaat ontvangt financiële bijstand op middellange termijn in het kader van het ESM zoals vastgelegd in het verdrag tot instelling van het ESM van 2 februari 2012 of zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad (47), mits een macro-economisch aanpassingsprogramma wordt uitgevoerd;

c)

aan de lidstaat wordt financiële bijstand beschikbaar gesteld, mits een macro-economisch aanpassingsprogramma wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (48).

Het verhoogde percentage, dat niet meer dan 100 % mag bedragen, is van toepassing op de betalingsverzoeken die worden ingediend tot het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende financiële bijstand wordt stopgezet.

7.   Lid 6 is niet van toepassing op Interreg-programma’s.

Artikel 88

Vergoeding van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

1.   De Commissie kan de bijdrage van de Unie aan een programma vergoeden op basis van de eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages voor vergoeding van de bijdrage van de Unie aan een programma.

2.   Om gebruik te maken van een bijdrage van de Unie aan het programma op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages zoals bedoeld in artikel 46, dienen de lidstaten een voorstel in bij de Commissie overeenkomstig de in de bijlagen V en VI vastgestelde modellen, als onderdeel van het programma of een verzoek tot wijziging ervan.

De door de lidstaat voorgestelde bedragen en percentages worden vastgesteld op basis van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handeling of op basis van het volgende:

a)

een eerlijke, billijke en controleerbare berekeningsmethode op basis van een van de volgende elementen:

i)

statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundige beoordeling;

ii)

geverifieerde historische gegevens;

iii)

de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden;

b)

ontwerpbegrotingen;

c)

de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten en vaste bedragen die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten concrete acties;

d)

de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten en vaste bedragen die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten concrete acties.

3.   In het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma of de wijziging ervan is vastgesteld welke soorten concrete acties in aanmerking komen voor vergoeding op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages, wat en welke bedragen worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages en welke methoden worden gebruikt om de bedragen aan te passen.

De lidstaten maken gebruik van een van de in artikel 48, lid 1, bedoelde vormen van subsidies om steun te verlenen aan concrete acties waarvoor uitgaven worden vergoed door de Commissie op grond van dit artikel.

De audits van de Commissie of de lidstaten hebben uitsluitend tot doel te verifiëren of is voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding door de Commissie.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 107 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van dit artikel door de eenheidskosten, de vaste bedragen, de vaste percentages, de bedragen daarvan en de aanpassingsmethoden vast te stellen op een van de in lid 2, tweede alinea, bedoelde wijzen.

Artikel 89

Financiering die geen verband houdt met kosten

1.   Om gebruik te maken van een bijdrage van de Unie aan de gehele of delen van een prioriteit van programma’s op basis van financiering die geen verband houdt met kosten, dienen de lidstaten een voorstel in bij de Commissie overeenkomstig de in de bijlagen V en VI vastgestelde modellen, als onderdeel van het programma of een verzoek tot wijziging ervan. Het voorstel bevat de volgende informatie:

a)

de betrokken prioriteit en het totaalbedrag dat in aanmerking komt voor financiering die geen verband houdt met kosten; een beschrijving van het deel van het programma en het soort concrete acties die in aanmerking komen voor financiering die geen verband houdt met kosten;

b)

een beschrijving van de na te leven voorwaarden of de te boeken resultaten en een tijdschema;

c)

tussentijdse doelstellingen die aanleiding geven tot vergoeding door de Commissie;

d)

meeteenheden;

e)

het tijdschema voor de vergoeding door de Commissie en de desbetreffende bedragen die verband houden met de vooruitgang met de naleving van de voorwaarden of het boeken van resultaten;

f)

de regelingen waarmee wordt nagegaan of de tussentijdse doelstellingen zijn verwezenlijkt en de voorwaarden zijn nageleefd of de resultaten zijn geboekt;

g)

de methoden voor de aanpassing van de bedragen, indien van toepassing;

h)

de regelingen waarmee overeenkomstig bijlage XI voor een auditspoor wordt gezorgd waaruit blijkt dat de voorwaarden zijn nageleefd of de resultaten zijn geboekt.

2.   Het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma of het verzoek tot wijziging ervan bevat alle in lid 1 genoemde elementen.

3.   De lidstaten maken gebruik van een van de in artikel 48, lid 1, bedoelde vormen van subsidies om steun te verlenen aan concrete acties waarvoor uitgaven worden vergoed door de Commissie op grond van dit artikel.

De audits van de Commissie of de lidstaten hebben uitsluitend tot doel te verifiëren of de voorwaarden voor vergoeding door de Commissie zijn nageleefd of de resultaten zijn geboekt.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 107 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van dit artikel door te voorzien in bedragen voor financiering die geen verband houdt met kosten per soort concrete actie, de methoden voor de aanpassing van de bedragen en de na te leven voorwaarden of de te boeken resultaten.

Afdeling III

Onderbrekingen en schorsingen

Artikel 90

Onderbreking van betalingstermijn

1.   De Commissie kan de betalingstermijn onderbreken voor betalingen, met uitzondering van voorfinanciering, voor een periode van maximaal zes maanden, wanneer is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

a)

er zijn aanwijzingen sterke bewijzen van een ernstige tekortkoming waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen; [Am. 321]

b)

de Commissie moet aanvullende verificaties verrichten naar aanleiding van informatie waaruit blijkt dat uitgaven in een betalingsaanvraag mogelijk verband houden met een onregelmatigheid.

2.   De lidstaat kan ermee instemmen dat de onderbrekingsperiode met drie maanden wordt verlengd.

3.   De Commissie beperkt de onderbreking tot het deel van de uitgaven waarvoor de in lid 1 bedoelde elementen gelden, tenzij niet kan worden uitgemaakt om welk deel van de uitgaven het gaat. De Commissie stelt de lidstaat schriftelijk in kennis van de reden voor de onderbreking en verzoekt deze de situatie recht te zetten. De Commissie heft de onderbreking op zodra maatregelen zijn genomen om de in lid 1 bedoelde elementen te verhelpen.

4.   In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor de onderbreking van betalingen worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Artikel 91

Schorsing van betalingen

1.   Nadat de Commissie de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen te formuleren, kan zij de betalingen geheel of gedeeltelijk schorsen, indien is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan de situatie die aanleiding geeft tot een onderbreking krachtens artikel 90;

b)

er is sprake van een ernstige tekortkoming;

c)

de uitgaven in de betalingsaanvragen houden verband met een onregelmatigheid waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen;

d)

de Commissie heeft op grond van artikel 258 VWEU een met redenen omkleed advies uitgebracht in verband met een inbreuk waardoor de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in gevaar worden gebracht;

e)

de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 15, lid 6. [Am. 322]

2.   De Commissie heft de gehele of gedeeltelijke schorsing van de betalingen op wanneer de lidstaat maatregelen heeft genomen om de in lid 1 genoemde elementen te verhelpen.

3.   In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor de schorsing van betalingen worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

HOOFDSTUK II

Indiening en onderzoek van rekeningen

Artikel 92

Inhoud en indiening van rekeningen

1.   Voor elk boekjaar waarvoor betalingsaanvragen zijn ingediend, dient de lidstaat uiterlijk op 15 februari bij de Commissie de volgende documenten (“het zekerheidspakket”) in, die het voorgaande boekjaar bestrijken zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 28:

a)

de rekeningen overeenkomstig het in bijlage XX vastgestelde model;

b)

de in artikel 68, lid 1, onder f), bedoelde beheersverklaring overeenkomstig het in bijlage XV vastgestelde model;

c)

het in artikel 71, lid 3, onder a), bedoelde auditadvies overeenkomstig het in bijlage XVI vastgestelde model;

d)

het in artikel 71, lid 3, onder b), bedoelde jaarlijkse controleverslag overeenkomstig het in bijlage XVII vastgestelde model.

2.   De in lid 1 bedoelde termijn kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de betrokken lidstaat.

3.   De rekeningen omvatten op het niveau van elke prioriteit en, voor zover van toepassing, elk fonds en elke regiocategorie:

a)

het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent en die zijn opgenomen in de aanvraag voor de eindbetaling voor het boekjaar en het totaalbedrag van de overeenkomstige betaalde of te betalen overheidsbijdrage;

b)

de bedragen die tijdens het boekjaar zijn geschrapt;

c)

de bedragen van de overheidsbijdrage die aan elk financieringsinstrument is betaald;

d)

voor elke prioriteit een toelichting van eventuele verschillen tussen de bedragen die zijn gedeclareerd overeenkomstig punt a) en de bedragen die zijn gedeclareerd in de betalingsaanvragen voor hetzelfde boekjaar.

4.   De rekeningen zijn slechts ontvankelijk indien de lidstaten de nodige correcties hebben uitgevoerd om het resterende risico voor de wettigheid en regelmatigheid van de in de rekeningen opgenomen uitgaven te verlagen tot minder dan 2 %.

5.   De lidstaten brengen met name het volgende in mindering op de rekeningen:

a)

de onregelmatige uitgaven waarop financiële correcties zijn toegepast overeenkomstig artikel 97;

b)

de uitgaven waarvan de wettigheid en regelmatigheid nog worden gecontroleerd;

c)

andere bedragen die nodig zijn om het resterende foutenpercentage van de in de rekeningen gedeclareerde uitgaven te verlagen tot 2 %.

De lidstaat kan de in de eerste alinea, onder b), bedoelde uitgaven opnemen in een betalingsaanvraag in daaropvolgende boekjaren zodra de wettigheid en regelmatigheid ervan is bevestigd.

6.   De lidstaat kan onregelmatige bedragen die na de indiening van de rekeningen worden ontdekt, vervangen door de dienovereenkomstige aanpassingen aan te brengen in de rekeningen voor het boekjaar waarin de onregelmatigheid aan het licht is gekomen, onverminderd artikel 98.

7.   Als onderdeel van het zekerheidspakket dient de lidstaat voor het laatste boekjaar het in artikel 38 bedoelde eindverslag over de prestaties of het laatste jaarlijkse uitvoeringsverslag voor het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI in.

Artikel 93

Onderzoek van rekeningen

Uiterlijk op 31 mei van het jaar volgend op het einde van het boekjaar vergewist de Commissie zich ervan dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn, tenzij artikel 96 van toepassing is.

Artikel 94

Berekening van het saldo

1.   Bij het bepalen van het bedrag dat voor het boekjaar ten laste komt van de fondsen en de daaruit volgende aanpassingen met betrekking tot de betalingen aan de lidstaat, houdt de Commissie rekening met:

a)

de in artikel 95, lid 2, onder a), bedoelde bedragen in de rekeningen waarop het medefinancieringspercentage voor elke prioriteit moet worden toegepast;

b)

het totaalbedrag van de tussentijdse betalingen die de Commissie tijdens dat boekjaar heeft verricht.

2.   Wanneer een bedrag terugvorderbaar is van de lidstaat, wordt dat bedrag voorwerp van een door de Commissie te verstrekken invorderingsopdracht, die indien mogelijk ten uitvoer wordt gelegd door verrekening met de bedragen die aan de lidstaat verschuldigd zijn in het kader van latere betalingen binnen hetzelfde programma. Die terugvordering vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit de fondsen aan het programma. Het teruggevorderde bedrag wordt aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [177, lid 3,] van het Financieel Reglement.

Artikel 95

Procedure voor het onderzoek van rekeningen

1.   De in artikel 96 vastgestelde procedure is van toepassing in elk van de volgende gevallen:

a)

de auditautoriteit heeft een auditadvies met voorbehoud of een afkeurend auditadvies uitgebracht om redenen in verband met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen;

b)

de Commissie beschikt over bewijs dat twijfels oproept over de betrouwbaarheid van een zonder voorbehoud goedkeurend auditadvies.

2.   In alle overige gevallen berekent de Commissie de bedragen die ten laste van de fondsen komen overeenkomstig artikel 94 en verricht zij de respectievelijke betalingen of terugvorderingen vóór 1 juli. Die betaling of terugvordering houdt in dat de rekeningen zijn goedgekeurd.

Artikel 96

Contradictoire procedure voor het onderzoek van rekeningen

1.   Indien de auditautoriteit een auditadvies met voorbehoud uitbrengt om redenen in verband met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen, verzoekt de Commissie de lidstaat om de rekeningen te herzien en de in artikel 92, lid 1, bedoelde documenten binnen één maand opnieuw in te dienen.

Wanneer op de in de eerste alinea vastgestelde termijn:

a)

het auditadvies goedkeurend is zonder voorbehoud, is artikel 94 van toepassing en betaalt de Commissie binnen twee maanden de verschuldigde aanvullende bedragen of gaat zij over tot terugvordering;

b)

het auditadvies nog steeds vergezeld gaat van voorbehoud of de lidstaat de documenten niet opnieuw heeft ingediend, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.

2.   Indien het auditadvies nog steeds vergezeld gaat van voorbehoud om redenen in verband met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen of indien het auditadvies onbetrouwbaar blijft, stelt de Commissie de lidstaat in kennis van het bedrag dat voor het boekjaar ten laste van de fondsen komt.

3.   Wanneer de lidstaat binnen één maand instemt met dit bedrag, betaalt de Commissie binnen twee maanden de verschuldigde aanvullende bedragen of gaat zij over tot terugvordering overeenkomstig artikel 94.

4.   Wanneer de lidstaat niet instemt met het in lid 2 bedoelde bedrag, stelt de Commissie het bedrag vast dat voor het boekjaar ten laste van de fondsen komt. Die handeling vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit de fondsen aan het programma. De Commissie betaalt binnen twee maanden de verschuldigde aanvullende bedragen of gaat over tot terugvordering overeenkomstig artikel 94.

5.   Uiterlijk twee maanden na de datum van aanvaarding van het in artikel 38 bedoelde eindverslag over de prestaties wordt, wat het laatste boekjaar betreft, het jaarlijkse saldo van de rekeningen voor de programma’s die steun ontvangen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds betaald of teruggevorderd door de Commissie.

HOOFDSTUK III

Financiële correcties

Artikel 97

Financiële correcties door de lidstaten

1.   De lidstaten beschermen de begroting van de Unie en passen financiële correcties toe door de steun uit de fondsen voor een concrete actie of programma volledig of gedeeltelijk in te trekken wanneer bij de Commissie gedeclareerde uitgaven onregelmatig worden bevonden.

2.   Financiële correcties worden opgenomen in de rekeningen voor het boekjaar waarin tot de intrekking wordt besloten.

3.   De ingetrokken steun uit de fondsen kan opnieuw worden gebruikt door de lidstaat in het kader van het betrokken programma, behalve voor een concrete actie waarop deze correctie is toegepast of, wanneer een financiële correctie is toegepast wegens een systemische onregelmatigheid, voor door de systemische onregelmatigheid getroffen concrete acties.

4.   In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor financiële correcties door de lidstaten worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

5.   In afwijking van de leden 1 tot en met 3, voor concrete acties die financieringsinstrumenten omvatten, kan een bijdrage die overeenkomstig dit artikel is ingetrokken als gevolg van een individuele onregelmatigheid opnieuw worden gebruikt in het kader van dezelfde concrete actie onder de volgende voorwaarden:

a)

wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de eindontvanger: uitsluitend voor andere eindontvangers binnen hetzelfde financieringsinstrument;

b)

wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de instantie die het specifieke fonds uitvoert, wanneer een financieringsinstrument wordt uitgevoerd via een structuur met een holdingfonds: uitsluitend voor andere instanties die specifieke fondsen uitvoeren.

Wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de instantie die het holdingfonds uitvoert, of op het niveau van de instantie die het specifieke fonds uitvoert wanneer een financieringsinstrument wordt uitgevoerd via een structuur zonder een holdingfonds, wordt de ingetrokken bijdrage niet opnieuw binnen dezelfde concrete actie gebruikt.

Wanneer een financiële correctie wordt doorgevoerd naar aanleiding van een systemische onregelmatigheid, wordt de ingetrokken bijdrage niet opnieuw gebruikt voor door de systemische onregelmatigheid getroffen concrete acties.

6.   De instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, vergoeden de lidstaten voor de programmabijdragen waarbij sprake was van onregelmatigheden, alsmede rente en andere voordelen die door deze bijdragen zijn verkregen.

De instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, vergoeden de lidstaten niet voor de in de eerste alinea bedoelde bedragen mits deze instanties aantonen dat voor een gegeven onregelmatigheid aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a)

de onregelmatigheid deed zich voor op het niveau van de eindbegunstigden of, in het geval van een holdingfonds, op het niveau van de instanties die de specifieke fondsen uitvoeren of de eindontvangers;

b)

de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, zijn hun verplichtingen nagekomen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving wat betreft de programmabijdragen waarop de onregelmatigheid betrekking had en hebben gehandeld met de mate van professionele zorg, transparantie en zorgvuldigheid die verwacht mag worden van een professionele organisatie met ervaring met de uitvoering van financieringsinstrumenten;

c)

de bedragen waarop de onregelmatigheid betrekking had, konden niet worden teruggevorderd, hoewel de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren alle toepasselijke contractuele en wettelijke maatregelen met gepaste inspanningen hebben nagestreefd.

Artikel 98

Financiële correcties door de Commissie

1.   De Commissie verricht financiële correcties door de steun uit de fondsen aan een programma te verlagen wanneer zij concludeert dat:

a)

er sprake is van een ernstige tekortkoming die een risico inhoudt voor de reeds aan het programma betaalde steun uit de fondsen;

b)

de uitgaven in goedgekeurde rekeningen onregelmatig zijn en niet zijn opgespoord en gemeld door de lidstaat;

c)

de lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 91 heeft voldaan voordat de procedure voor financiële correctie werd ingeleid door de Commissie.

Wanneer de Commissie forfaitaire of geëxtrapoleerde financiële correcties toepast, worden deze uitgevoerd overeenkomstig bijlage XXI.

2.   Voordat de Commissie over een financiële correctie besluit, stelt zij de lidstaat in kennis van haar conclusies en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid binnen twee maanden zijn opmerkingen te formuleren.

3.   Wanneer de lidstaat de conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de Commissie de lidstaat uit voor een hoorzitting om te waarborgen dat zij haar conclusies over de toepassing van de financiële correctie op alle relevante informatie en opmerkingen kan baseren.

4.   De Commissie neemt bij uitvoeringshandeling een besluit over een financiële correctie binnen twaalf maanden na de hoorzitting of de indiening van aanvullende informatie op verzoek van de Commissie.

De Commissie houdt bij haar besluit over een financiële correctie rekening met alle ingediende informatie en opmerkingen.

Wanneer een lidstaat instemt met de financiële correctie voor de in lid 1, onder a) en c), bedoelde gevallen vóór de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit, kan de lidstaat de betrokken bedragen opnieuw gebruiken. Deze mogelijkheid is niet van toepassing op financiële correcties voor de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen.

5.   In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor financiële correcties door de Commissie worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid

HOOFDSTUK IV

Vrijmaking

Artikel 99

Beginselen en voorschriften voor vrijmaking

1.   Het bedrag van een programma dat op 26 31 december van het tweede derde kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie. [Am. 323]

2.   Het bedrag dat binnen de in lid 1 vastgestelde termijn met betrekking tot de vastlegging in de begroting van 2021 moet worden gedekt door een voorfinanciering of betalingsaanvraag, bedraagt 60 % van die vastlegging. 10 % van de vastlegging in de begroting van 2021 wordt toegevoegd aan elke vastlegging in de begroting voor de jaren 2022 tot en met 2025 om de te dekken bedragen te berekenen. [Am. 324]

3.   Het deel van de vastleggingen dat op 31 december 2029 2030 nog openstaat, wordt vrijgemaakt indien het zekerheidspakket en het eindverslag over de prestaties voor programma’s die steun ontvangen uit het ESF+, het EFRO en het Cohesiefonds niet binnen de in artikel 38, lid 1, vastgestelde termijn zijn ingediend bij de Commissie. [Am. 325]

Artikel 100

Uitzonderingen op de vrijmakingsvoorschriften

1.   Het bedrag van de vrijmaking wordt verlaagd met de bedragen die gelijkwaardig zijn aan dat deel van de vastlegging in de begroting waarvoor:

a)

de concrete acties zijn geschorst door een gerechtelijke procedure of een administratief beroep met schorsende werking; of

b)

geen betalingsaanvraag kon worden ingediend wegens overmacht, voor zover deze situatie ernstige gevolgen had voor de uitvoering van het programma of een deel daarvan.

b bis)

niet op tijd een betalingsaanvraag kon worden ingediend als gevolg van vertragingen op het niveau van de Unie bij de oprichting van het juridisch en administratief kader voor de Fondsen voor de periode 2021-2027. [Am. 326]

De nationale autoriteiten die zich op overmacht beroepen, tonen de rechtstreekse gevolgen van de overmachtsituatie voor de uitvoering van het programma of een deel ervan aan.

2.   De lidstaat stuurt de Commissie uiterlijk op 31 januari informatie over de in lid 1, onder a) en b), bedoelde uitzonderingen die van toepassing zijn op de bedragen die uiterlijk op 26 december moesten worden gedeclareerd.

Artikel 101

Vrijmakingsprocedure

1.   De Commissie informeert de lidstaat op basis van de informatie die zij op 31 januari heeft ontvangen over de hoogte van het bedrag dat op grond van die informatie wordt vrijgemaakt.

2.   De lidstaat heeft één maand twee maanden de tijd om in te stemmen met het vrij te maken bedrag of zijn opmerkingen te doen toekomen. [Am. 327]

3.   Uiterlijk op 30 juni dient de lidstaat een herzien financieringsplan bij de Commissie in waarin het verlaagde steunbedrag voor een of meer prioriteiten van het programma voor het betrokken kalenderjaar is opgenomen. Voor programma’s die steun ontvangen uit meer dan één fonds wordt het steunbedrag verlaagd per fonds naar evenredigheid met de bedragen die worden vrijgemaakt en niet zijn gebruikt in het betrokken kalenderjaar.

Als de lidstaat nalaat dit herziene financieringsplan in te dienen, herziet de Commissie het financieringsplan door de bijdrage uit de fondsen voor het betrokken kalenderjaar te verlagen. Deze verlaging wordt verdeeld over de prioriteiten naar evenredigheid met de bedragen die worden vrijgemaakt en niet zijn gebruikt in het betrokken kalenderjaar.

4.   Uiterlijk op 31 oktober wijzigt de Commissie het besluit tot goedkeuring van het programma.

TITEL VIII

Financieel kader

Artikel 102

Geografische dekking van de steun voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”

1.   Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunen de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” in alle regio's die behoren tot niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (“regio's van NUTS-niveau 2”) zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003, gewijzigd bij Verordening (EG EU ) nr. 868/2014 2016/2066 van de Commissie. [Am. 328]

2.   De middelen uit het EFRO en het ESF+ voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” worden aan de volgende drie regiocategorieën van NUTS-niveau 2 toegewezen:

a)

de minder ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner minder dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt (“minder ontwikkelde regio's”);

b)

de overgangsregio's, waarvan het bbp per inwoner 75 % tot 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt (“overgangsregio's”);

c)

de meer ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner meer dan 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt (“meer ontwikkelde regio's”).

De classificatie van de regio's in een van de drie regiocategorieën wordt vastgesteld aan de hand van het bbp per inwoner, gemeten in koopkrachtstandaarden en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2014-2016 ten opzichte van het gemiddelde bbp van de EU-27 voor dezelfde referentieperiode.

3.   Het Cohesiefonds ondersteunt de lidstaten waarvan het bni per inwoner, gemeten in koopkrachtstandaarden en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2014-2016, minder dan 90 % van het gemiddelde bni per inwoner van de EU-27 voor dezelfde referentieperiode bedraagt.

4.   De Commissie stelt bij middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot vaststelling van de lijst van de regio's die aan de criteria voor een van de drie regiocategorieën voldoen, alsmede van de lidstaten die aan de in lid 3 vermelde criteria voldoen. Deze lijst geldt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

Artikel 103

Middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang

1.   De middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang die voor de periode 2021-2027 voor vastlegging in de begroting beschikbaar zijn, bedragen 330 624 388 630 378 097 000 000  EUR in prijzen van 2018. [Am. 329]

Ten behoeve van de programmering en vervolgens de opneming in de begroting van de Unie wordt dat bedrag geïndexeerd met 2 % per jaar.

2.   De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio’s overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode. De minimale totale toewijzing uit de Fondsen, op nationaal niveau, moet gelijk zijn aan 76 % van de aan elke lidstaat of regio voor de periode 2014-2020 toegewezen begroting. [Am. 330]

In dat besluit wordt ook de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) vastgesteld.

Onverminderd de nationale toewijzingen ten behoeve van de lidstaten, worden de middelen voor regio's die in de programmaperiode 2021-2027 in een lagere categorie vallen, gehandhaafd op het niveau van de toewijzingen voor de periode 2014-2020. [Am. 429]

Gezien het bijzondere belang van de cohesiesteun voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking en voor de ultraperifere gebieden, mogen de subsidiabiliteitscriteria voor deze steun niet minder gunstig zijn dan in de periode 2014-2020 en moeten ze maximale continuïteit met bestaande programma's waarborgen. [Am. 331]

3.   0,35 % van de totale middelen wordt, na aftrek van de steun aan de in artikel 104, lid 4, bedoelde Connecting Europe Facility, toegewezen aan technische bijstand op initiatief van de Commissie.

Artikel 104

Middelen voor de doelstellingen “investeren in werkgelegenheid en groei” en “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)

1.   De middelen voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” bedragen 97,5 97  % van de totale middelen, d.w.z. in totaal 322 194 388 630 366 754 000 000  EUR (in prijzen van 2018 ) . Van dit bedrag wordt 5 900 000 000 EUR toegewezen aan de kindergarantie uit de middelen van het ESF+. Het resterende bedrag van 360 854 000 000 EUR (in prijzen van 2018) wordt worden als volgt verdeeld: [Am. 332]

a)

61,6 % (d.w.z. in totaal 198 621 593 157 222 453 894 000  EUR) voor de minder ontwikkelde regio's; [Am. 333]

b)

14,3 % (d.w.z. in totaal 45 934 516 595 51 446 129 000  EUR) voor de overgangsregio's; [Am. 334]

c)

10,8 % (d.w.z. in totaal 34 842 68939 023 410 000 EUR) voor de meer ontwikkelde regio's; [Am. 335]

d)

12,8 % (d.w.z. in totaal 41 348 556 877 46 309 907 000  EUR) voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten; [Am. 336]

e)

0,4 % (d.w.z. in totaal 1 447 034 001 EUR) als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen. [Am. 337]

2.   In 2024 voert de Commissie, in haar technische aanpassing voor het jaar 2025 overeenkomstig artikel [6] van Verordening (EU, Euratom) [[…] (MFK-verordening)], een herziening uit van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor 2025-2027 heeft verricht.

De Commissie past in haar herziening de in bijlage XXII vastgestelde toewijzingsmethode toe op basis van de meest recente statistieken die beschikbaar zijn.

Na de technische aanpassing wijzigt de Commissie de in artikel 103, lid 2, bedoelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van een herziene jaarlijkse verdeling.

3.   De middelen die beschikbaar zijn voor het ESF+ bedragen 28,8 % van de middelen in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”bedragen 88 646 194 590 EUR (d.w.z. 105 686 000 000  EUR in prijzen van 2018). De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid zijn niet in dit bedrag inbegrepen. . [Am. 338]

Het bedrag van de in lid 1, onder e), bedoelde aanvullende financiering voor de ultraperifere gebieden dat wordt toegewezen aan het ESF+ bedraagt 376 928 934 EUR. komt overeen met 0,4 % van de in de eerste alinea genoemde middelen (d.w.z. 424 296 054 EUR in prijzen van 2018) [Am. 339]

4.   De steun uit het Cohesiefonds die moet worden overgedragen naar de CEF bedraagt 10 000 000 000 4 000 000 000 EUR in prijzen van 2018 . Zij wordt besteed aan vervoersinfrastructuurprojecten , rekening houdend met de investeringsbehoeften van de lidstaten en regio's op het gebied van infrastructuur, door specifieke oproepen te doen overeenkomstig Verordening (EU) [nummer van de nieuwe CEF-verordening], uitsluitend in de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen. [Am. 340]

De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het uit de toewijzing van het Cohesiefonds voor elke lidstaat aan de CEF over te schrijven bedrag, welk bedrag pro rata wordt vastgesteld voor de hele periode.

Dit bedrag wordt afgetrokken van de toewijzing van het Cohesiefonds voor elke lidstaat.

De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de in de eerste alinea vermelde steun uit het Cohesiefonds, worden vanaf begrotingsjaar 2021 opgenomen in de betrokken begrotingsonderdelen van de CEF.

30 % van de naar de CEF overgedragen middelen worden onmiddellijk na de overdracht beschikbaar gemaakt voor alle lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening]. [Am. 341]

Op de in de eerste alinea bedoelde specifieke oproepen zijn de regels van toepassing die in het kader van Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening] gelden voor de vervoerssector. Tot en met 31 december 2023 worden bij de selectie van financierbare projecten de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds geëerbiedigd voor 70 % van de naar de CEF overgedragen middelen. [Am. 342]

Vanaf 1 januari 2024 worden de naar de CEF overgedragen middelen die niet voor een vervoersinfrastructuurproject zijn vastgelegd, beschikbaar gemaakt voor alle lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening].

5.   500 000 000 560 000 000  EUR in prijzen van 2018 van de middelen voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” wordt toegewezen aan het Europees Urban-initiatief in het kader van direct of indirect beheer door de Commissie. [Am. 343]

6.   175 000 000 196 000 000  EUR in prijzen van 2018 van de middelen uit het ESF+ voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” wordt toegewezen aan transnationale samenwerking waarmee steun wordt geboden aan innovatieve oplossingen in het kader van direct of indirect beheer. [Am. 344]

7.   De middelen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) bedragen 2,5 3  % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 8 430 000 000 11 343 000 000 EUR in prijzen van 2018 ). [Am. 345]

Artikel 105

Overdraagbaarheid van middelen

1.   De Commissie kan een voorstel aanvaarden dat door een lidstaat bij de indiening van de partnerschapsovereenkomst of in het kader van de tussentijdse evaluatie wordt ingediend, voor een overdracht:

a)

van niet meer dan 15 5  % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio’s naar overgangsregio’s of meer ontwikkelde regio’s en van overgangsregio's naar meer ontwikkelde regio's; [Am. 346]

b)

van de toewijzingen voor meer ontwikkelde regio’s of overgangsregio’s naar minder ontwikkelde regio’s.

2.   De totale toewijzingen voor elke lidstaat voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” en de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg), kunnen niet tussen deze doelen worden overgedragen.

Artikel 106

Bepaling van de medefinancieringspercentages

1.   In het besluit van de Commissie tot goedkeuring van een programma worden het medefinancieringspercentage en het maximumbedrag van de steun uit de fondsen voor elke prioriteit bepaald.

2.   Voor elke prioriteit wordt in het besluit van de Commissie vastgesteld op welke van de volgende elementen het medefinancieringspercentage voor de prioriteit van toepassing is:

a)

het totaal van de particuliere en overheidsbijdrage;

b)

de overheidsbijdrage.

3.   Het medefinancieringspercentage voor de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” op het niveau van elke prioriteit bedraagt niet meer dan:

a)

70 85  % voor de minder ontwikkelde regio's; [Am. 347]

b)

55 65  % voor de overgangsregio's; [Am. 348]

c)

40 50  % voor de meer ontwikkelde regio's. [Ams. 349 en 447]

De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden en op de extra toewijzing voor de ultraperifere gebieden . [Am. 350]

Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 70 85  %. [Am. 351]

In de ESF+-verordening kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen hogere medefinancieringspercentages van maximaal 90 % worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [14 13] en artikel [4, lid 1, onder x)] en [(xi) ] van die verordening , alsook voor programma's waarmee wordt ingespeeld op materiële deprivatie overeenkomstig artikel [9], jeugdwerkloosheid overeenkomstig artikel [10], de ondersteuning van de Europese kindergarantie overeenkomstig artikel [10 bis] en transnationale samenwerking overeenkomstig artikel [11 ter] . [Am. 352]

4.   Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma’s ligt niet hoger dan 70 85  %. [Am. 353]

In de ETS-verordening kunnen hogere medefinancieringspercentages worden vastgesteld voor externe programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg).

4 bis.     Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om een grotere mate van flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen. Met het oog op de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact wordt het desbetreffende verzoek zorgvuldig door de Commissie beoordeeld, met inachtneming van het strategische belang van investeringen. [Am. 453]

5.   Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief van of namens de Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100 % worden gefinancierd.

Titel IX

Delegatie van bevoegdheid, uitvoerings-, overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK I

Delegatie van bevoegdheid en uitvoeringsbepalingen

Artikel 107

Delegatie van bevoegdheid

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening om in te spelen op veranderingen die zich voordoen tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met uitzondering van de bijlagen III, IV, X en XXII. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in artikel 6, lid 3, bedoelde Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 204/2014 om die aan te passen aan deze verordening. [Am. 354]

Artikel 108

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening verordening tot en met 31 december 2027 . [Am. 355]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, en artikel 89, lid 1 4 , en artikel 107 , bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 356]

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 zijn neergelegd.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 357]

Artikel 109

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK II

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 110

Overgangsbepalingen

Verordening (EG) nr. 1303/2013 of elke andere handeling die van toepassing is op de programmeringsperiode 2014-2020 blijft van toepassing op de programma’s en concrete acties die steun ontvangen uit het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV in die periode.

Artikel 111

Voorwaarden voor concrete acties waarvoor gefaseerde uitvoering geldt

1.   De beheersautoriteit kan voortgaan met de selectie van een concrete actie bestaande uit de tweede fase van een concrete actie die voor steun is geselecteerd en is begonnen op grond van Verordening (EG) nr. 1303/2013, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a)

de concrete actie die voor steun is geselecteerd op grond van Verordening (EG) nr. 1303/2013 bestaat vanuit een financieel oogpunt uit twee duidelijk te onderscheiden fasen met aparte auditsporen;

b)

de totale kosten van de concrete actie bedragen meer dan 10 miljoen EUR;

c)

de uitgaven die zijn opgenomen in een betalingsaanvraag met betrekking tot de eerste fase zijn niet opgenomen in betalingsaanvragen met betrekking tot de tweede fase;

d)

de tweede fase van de concrete actie is in overeenstemming met het toepasselijke recht en komt in aanmerking voor steun uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds overeenkomstig de bepalingen van deze verordening of de fondsspecifieke verordeningen;

e)

de lidstaat verbindt zich er in het overeenkomstig artikel 141 van Verordening (EG) nr. 1303/2013 ingediende eindverslag over de uitvoering toe de tweede en laatste fase tijdens de programmeringsperiode te voltooien en operationeel te maken.

2.   De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op de tweede fase van de concrete actie.

Artikel 112

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 83.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 41.

(3)  PB C 17 van 14.1.2019, blz. 1.

(4)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 maart 2019.

(5)  PB L […] van […], blz. […].

(6)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).

(7)  [Verordening inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM/2016/0759 final/2 — 2016/0375 (COD)].

(8)  Verordening (EU) […] betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en externe financieringsinstrumenten (PB L …van …, blz. […]).

(9)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.

(10)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(12)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(13)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(14)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.

(15)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(16)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) nr. 868/2014 2016/2066 van de Commissie van 8 augustus 2014 21 november 2016 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 241 322 van 13.8.2014 29 . 11 . 2016 , blz. 1).

(18)  Verordening (EU) […] van het Europees Parlement en de Raad van […] met betrekking tot [CEF] (PB L […] van […], blz. […]).

(19)   Het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld “Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst: Het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie” (COM(2017)0583 van 9 oktober 2017).

(20)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(21)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(22)  PB L van, blz. .

(23)  PB L van, blz. .

(24)  PB L van, blz. .

(25)  PB L van, blz. .

(26)  PB L van, blz. .

(27)  PB L van, blz. .

(28)  PB L van, blz. .

(29)   PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1.

(30)   PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1.

(31)   PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45.

(32)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(33)  Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19).

(34)  [Verordening (EU) nr. […] van […] (PB L […] van […], blz. […])].

(35)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).

(36)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(37)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(38)  Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad van 18 februari 2002 houdende instelling van een mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten (PB L 53 van 23.2.2002).

(39)  Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1).

(40)  Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(41)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PB L 34 van 9.2.2017, blz. 9).

(42)  Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90).

(43)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(44)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(45)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(46)  Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).

(47)  Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad van 18 februari 2002 houdende instelling van een mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 1).

(48)  Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1).

BIJLAGE I

Dimensies en codes voor de types steunverlening voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds — artikel 17, lid 5

TABEL 1: CODES VOOR DE DIMENSIE INTERVENTIEGEBIED

 

INTERVENTIEGEBIED

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor klimaatveranderingsdoelstellingen

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor milieudoelstellingen

BELEIDSDOELSTELLING 1: EEN SLIMMER EUROPA DOOR DE BEVORDERING VAN EEN INNOVATIEVE EN SLIMME ECONOMISCHE TRANSFORMATIE

001

Investeringen in vaste activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 359]

0 %

0 %

002

Investeringen in vaste activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 360]

0 %

0 %

003

Investeringen in vaste activa in openbare onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

004

Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 361]

0 %

0 %

005

Investeringen in immateriële activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 362]

0 %

0 %

006

Investeringen in immateriële activa in openbare onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

007

Onderzoek en innovatie in micro-ondernemingen, waaronder netwerkactiviteiten (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudies)

0 %

0 %

008

Onderzoek en innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen, waaronder netwerkactiviteiten

0 %

0 %

009

Onderzoek en innovatie in openbare onderzoekscentra, instellingen voor hoger onderwijs en kenniscentra, waaronder netwerkactiviteiten (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudies)

0 %

0 %

010

Digitalisering van kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van e-commerce, e-business en genetwerkte bedrijfsprocessen, digitale innovatiehubs, levende laboratoria, internetondernemers en startende ondernemingen op het gebied van ICT, b2b)

0 %

0 %

011

ICT-oplossingen, e-diensten, toepassingen van de overheid

0 %

0 %

012

IT-diensten en toepassingen voor digitale vaardigheden en digitale inclusie

0 %

0 %

013

Diensten en toepassingen op het gebied van e-gezondheidszorg (met inbegrip van e-zorg, het internet der dingen voor lichaamsbeweging en omgevingsondersteund wonen)

0 %

0 %

014

Zakelijke infrastructuur voor kmo's (met inbegrip van bedrijfs- of industrieterreinen)

0 %

0 %

015

Bedrijfsontwikkeling en internationalisering van kmo's

0 %

0 %

016

Ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap

0 %

0 %

017

Geavanceerde ondersteunende diensten voor kmo's en kmo-groepen (waaronder beheer, marketing en design)

0 %

0 %

018

Incubatie, ondersteuning voor spin-offs, spin-outs en start-ups

0 %

0 %

019

Ondersteuning van innovatieclusters en bedrijvennetwerken die voornamelijk ten goede komen aan kmo's

0 %

0 %

020

Innovatieprocessen in kmo’s (innovatie op basis van processen, organisatie, marketing, co-creatie, gebruikers en vraag)

0 %

0 %

021

Technologieoverdracht en samenwerking tussen ondernemingen, onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs

0 %

0 %

022

Onderzoeks- en innovatieprocessen, technologieoverdracht en samenwerking tussen ondernemingen gericht op de koolstofarme economie, weerbaarheid tegen en aanpassing aan klimaatverandering

100 %

40 %

023

Onderzoeks- en innovatieprocessen, technologieoverdracht en samenwerking tussen ondernemingen gericht op de circulaire economie

40 %

100 %

BELEIDSDOELSTELLING 2: EEN GROENER, KOOLSTOFARM EUROPA DOOR DE BEVORDERING VAN EEN SCHONE EN EERLIJKE ENERGIETRANSITIE, GROENE EN BLAUWE INVESTERINGEN, DE CIRCULAIRE ECONOMIE, AANPASSING AAN DE KLIMAATVERANDERING, RISICOPREVENTIE EN RISICOBEHEER

024

Energie-efficiënte en demonstratieprojecten in kmo's en ondersteunende maatregelen

100 %

40 %

025

Op energie-efficiëntie gerichte renovatie van het bestaande woningenbestand, demonstratieprojecten en ondersteunende maatregelen

100 %

40 %

026

Op energie-efficiëntie gerichte renovatie van openbare infrastructuur, demonstratieprojecten en ondersteunende maatregelen

100 %

40 %

027

Ondersteuning voor ondernemingen die diensten verlenen die bijdragen aan de koolstofarme economie en de weerbaarheid tegen de klimaatverandering

100 %

40 %

028

Hernieuwbare energie: wind

100 %

40 %

029

Hernieuwbare energie: zonne-energie

100 %

40 %

030

Hernieuwbare energie: biomassa

100 %

40 %

031

Hernieuwbare energie: marien

100 %

40 %

032

Andere hernieuwbare energie (waaronder geothermische energie)

100 %

40 %

033

Slimme energiedistributiesystemen op een laag en gemiddeld spanningsniveau (met inbegrip van slimme netwerken en ICT-systemen) en de daarmee verbonden opslag

100 %

40 %

034

Hoogefficiënte warmtekrachtkoppeling, stadsverwarming en -koeling

100 %

40 %

035

Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico’s: overstromingen en aardverschuivingen (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren) [Am. 363]

100 %

100 %

036

Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico’s: branden (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)

100 %

100 %

037

Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico’s: andere, zoals stormen en droogte (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)

100 %

100 %

038

Risicopreventie en -beheer van niet aan het klimaat gerelateerde natuurlijke risico’s (d.w.z. aardbevingen) en risico’s in verband met menselijke activiteiten (bv. technologische ongevallen), met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren

0 %

100 %

039

Drinkwatervoorziening (winning, behandeling, opslag en distributie-infrastructuur, efficiëntiemaatregelen, levering van drinkwater)

0 %

100 %

040

Waterbeheer en bescherming van waterreserves (met inbegrip van stroomgebiedbeheer, specifieke maatregelen voor de aanpassing aan klimaatverandering, hergebruik, vermindering van lekken)

40 %

100 %

041

Opvang en behandeling van afvalwater

0 %

100 %

042

Beheer van huishoudelijk afval: preventie, minimalisering, sortering en recyclingmaatregelen

0 %

100 %

043

Beheer van huishoudelijk afval: biomechanische behandeling, thermische behandeling

0 %

100 % [Am. 364]

044

Beheer van commercieel, industrieel of gevaarlijk afval

0 %

100 %

045

Bevordering van het gebruik van gerecyclede materialen als grondstof

0 %

100 %

046

Sanering van bedrijfsterreinen en verontreinigde grond

0 %

100 %

047

Ondersteuning van milieuvriendelijke productieprocessen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen in kmo's

40 %

40 %

048

Maatregelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluidsreductie

40 %

100 %

049

Bescherming, herstel en duurzaam gebruik van Natura 2000-gebieden

40 %

100 %

050

Bescherming van natuur en biodiversiteit, groene infrastructuur

40 %

100 %

BELEIDSDOELSTELLING 3: EEN MEER VERBONDEN EUROPA DOOR DE VERSTERKING VAN DE MOBILITEIT EN REGIONALE ICT-CONNECTIVITEIT

051

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (backbone-/backhaul-netwerk)

0 %

0 %

052

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (toegang/aansluitnet waarvan de prestaties overeenkomen met die van een glasvezelkabelinstallatie tot aan het distributiepunt voor woongebouwen met meerdere woningen)

0 %

0 %

053

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (toegang/aansluitnet waarvan de prestaties overeenkomen met die van een glasvezelkabelinstallatie tot aan het distributiepunt voor woningen en bedrijfspercelen)

0 %

0 %

054

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (toegang/aansluitnet waarvan de prestaties overeenkomen met die van een glasvezelkabelinstallatie tot aan het basisstation voor geavanceerde draadloze communicatie)

0 %

0 %

055

ICT: Andere soorten ICT-infrastructuur (waaronder grootschalige computervoorzieningen/-apparatuur, datacentra, sensoren en andere draadloze apparatuur)

0 %

0 %

056

Nieuw aangelegde snelwegen , bruggen en wegen — TEN-T-kernnetwerk [Am. 365]

0 %

0 %

057

Nieuw aangelegde snelwegen , bruggen en wegen — uitgebreid TEN-T-netwerk [Am. 366]

0 %

0 %

058

Nieuw aangelegde verbindingen tussen secundaire wegen en TEN-T-wegennet en -knooppunten

0 %

0 %

059

Overige nieuw aangelegde nationale, regionale en lokale toegangswegen

0 %

0 %

060

Heraangelegde of verbeterde snelwegen , bruggen en wegen — TEN-T-kernnetwerk [Am. 367]

0 %

0 %

061

Heraangelegde of verbeterde snelwegen , bruggen en wegen — uitgebreid TEN-T-netwerk [Am. 368]

0 %

0 %

062

Overige heraangelegde of verbeterde wegen (snelweg, nationaal, regionaal of lokaal)

0 %

0 %

063

Digitalisering van het vervoer: weg

40 %

0 %

064

Nieuw aangelegde spoorwegen — TEN-T-kernnetwerk

100 %

40 %

065

Nieuw aangelegde spoorwegen — uitgebreid TEN-T-netwerk

100 %

40 %

066

Overige nieuw aangelegde spoorwegen

100 %

40 %

067

Heraangelegde of verbeterde spoorwegen — TEN-T-kernnetwerk

0 %

40 %

068

Heraangelegde of verbeterde spoorwegen — uitgebreid TEN-T-netwerk

0 %

40 %

069

Overige heraangelegde of verbeterde spoorwegen

0 %

40 %

070

Digitalisering van het vervoer: spoor

40 %

0 %

071

Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS)

0 %

40 %

072

Rollend spoorwegmaterieel

40 %

40 %

073

Infrastructuur voor schoon stadsvervoer

100 %

40 %

074

Rollend materieel voor schoon stadsvervoer

100 %

40 %

075

Fietsinfrastructuur

100 %

100 %

076

Digitalisering van het stadsvervoer

40 %

0 %

077

Infrastructuur voor alternatieve brandstoffen

100 %

40 %

078

Multimodaal vervoer (TEN-T)

40 %

40 %

079

Multimodaal vervoer (niet stedelijk)

40 %

40 %

080

Zeehavens (TEN-T)

40 %

0 %

081

Overige zeehavens

40 %

0 %

082

Binnenwateren en -havens (TEN-T)

40 %

0 %

083

Binnenwateren en -havens (regionaal en lokaal)

40 %

0 %

084

Digitalisering van het vervoer: overige vervoerswijzen

40 %

0 %

BELEIDSDOELSTELLING 4: EEN SOCIALER EUROPA DOOR DE UITVOERING VAN DE EUROPESE PIJLER VAN SOCIALE RECHTEN

085

Infrastructuur voor onderwijs en opvang van jonge kinderen

0 %

0 %

086

Infrastructuur voor basis- en secundair onderwijs

0 %

0 %

087

Infrastructuur voor tertiair onderwijs

0 %

0 %

088

Infrastructuur voor beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs

0 %

0 %

089

Huisvestingsinfrastructuur voor migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming genieten of daarom verzoeken

0 %

0 %

090

Huisvestingsinfrastructuur (andere dan voor migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming genieten of daarom verzoeken)

0 %

0 %

091

Overige sociale infrastructuur die bijdraagt aan sociale inclusie in de gemeenschap

0 %

0 %

092

Infrastructuur voor gezondheidszorg

0 %

0 %

093

Medische apparatuur

0 %

0 %

094

Rollend medisch materieel

0 %

0 %

095

Digitalisering in de gezondheidszorg

0 %

0 %

096

Infrastructuur voor de tijdelijke opvang van migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming genieten of daarom verzoeken

0 %

0 %

097

Maatregelen voor betere toegang tot de arbeidsmarkt

0 %

0 %

098

Maatregelen voor betere toegang tot de arbeidsmarkt voor langdurig werklozen

0 %

0 %

099

Specifieke ondersteuning van werkgelegenheid bij jongeren en sociaaleconomische integratie van jongeren

0 %

0 %

100

Ondersteuning voor zelfstandigen en het opstarten van ondernemingen

0 %

0 %

101

Ondersteuning voor de sociale economie en sociale ondernemingen

0 %

0 %

102

Maatregelen voor de modernisering en versterking van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om de vaardigheidsbehoeften te beoordelen, eraan tegemoet te komen, en voor tijdige en op maat gesneden hulp te zorgen

0 %

0 %

103

Ondersteuning voor aansluiting met en overgangen op de arbeidsmarkt

0 %

0 %

104

Ondersteuning voor arbeidsmobiliteit

0 %

0 %

105

Maatregelen ter bevordering van de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en ter verkleining van de genderkloof op de arbeidsmarkt

0 %

0 %

106

Maatregelen ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven, met inbegrip van toegang tot kinderopvang en zorg voor afhankelijke personen

0 %

0 %

107

Maatregelen voor een gezonde en goed aangepaste werkomgeving om gezondheidsrisico’s aan te pakken, met inbegrip van de bevordering van lichaamsbeweging

0 %

0 %

108

Steun voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden

0 %

0 %

109

Ondersteuning voor de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen

0 %

0 %

110

Maatregelen ter bevordering van actief en gezond ouder worden

0 %

0 %

111

Ondersteuning voor onderwijs en opvang van jonge kinderen (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

112

Ondersteuning voor basis- en secundair onderwijs (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

113

Ondersteuning voor tertiair onderwijs (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

114

Ondersteuning voor volwassenenonderwijs (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

115

Maatregelen ter bevordering van gelijke kansen en actieve participatie in de samenleving

0 %

0 %

116

Trajecten voor integratie en herintreding van kansarmen in het arbeidsproces

0 %

0 %

117

Maatregelen ter verbetering van de toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt en van de sociale inclusie van gemarginaliseerde groepen zoals de Roma

0 %

0 %

118

Ondersteuning van maatschappelijke organisaties die werken met gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma

0 %

0 %

119

Specifieke acties ter verbetering van de deelname van onderdanen van derde landen aan de arbeidsmarkt

0 %

0 %

120

Maatregelen voor de sociale integratie van onderdanen van derde landen

0 %

0 %

121

Maatregelen ter verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten

0 %

0 %

122

Maatregelen ter verbetering van zorgverlening in familie- en gemeenschapsverband

0 %

0 %

123

Maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid, doelmatigheid en veerkracht van gezondheidsstelsels (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

124

Maatregelen ter verbetering van de toegang tot langdurige zorg (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

125

Maatregelen ter modernisering van de socialebeschermingsstelsels, met inbegrip van de bevordering van de toegang tot sociale bescherming

0 %

0 %

126

Bevordering van de sociale integratie van mensen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt, waaronder de meest hulpbehoevenden en kinderen

0 %

0 %

127

Materiële deprivatie aanpakken met voedselhulp en/of materiële bijstand aan de meest hulpbehoevenden, met inbegrip van begeleidende maatregelen

0 %

0 %

BELEIDSDOELSTELLING 5: EUROPA DICHTER BIJ DE BURGERS BRENGEN DOOR DE DUURZAME EN GEÏNTEGREERDE ONTWIKKELING VAN STADS-, PLATTELANDS- EN KUSTGEBIEDEN, ALSOOK LOKALE INITIATIEVEN TE BEVORDEREN  (1)

128

Bescherming, ontwikkeling en bevordering van openbare toeristische activa en daarmee verband houdende toeristische diensten [Am. 369]

0 %

0 %

129

Bescherming, ontwikkeling en bevordering van cultureel erfgoed en culturele diensten

0 %

0 %

130

Bescherming, ontwikkeling en bevordering van natuurlijk erfgoed en ecotoerisme behalve Natura 2000-gebieden [Am. 370]

0 %

100 %

131

Materiële revitalisering en beveiliging van openbare ruimten

0 %

0 %

OVERIGE CODES MET BETREKKING TOT BELEIDSDOELSTELLINGEN 1-5

132

Verbetering van de capaciteit van programma-autoriteiten en -organen in verband met de tenuitvoerlegging van de fondsen

0 %

0 %

133

Verbetering van de samenwerking met partners binnen en buiten de lidstaat

0 %

0 %

134

Kruisfinanciering in het kader van het EFRO (ondersteuning van activiteiten van het type ESF die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het EFRO-deel van de activiteit en er rechtstreeks verband mee houden)

0 %

0 %

135

Verbetering van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden bij de uitvoering van territoriale samenwerkingsprojecten en -initiatieven in grensoverschrijdend, transnationaal, maritiem en interregionaal verband

0 %

0 %

136

Ultraperifere gebieden: vergoeding van extra kosten als gevolg van ontsluitingsproblemen en territoriale versnippering

0 %

0 %

137

Ultraperifere gebieden: specifieke actie ter vergoeding van extra kosten als gevolg van marktfactoren die te maken hebben met de omvang van de gebieden

0 %

0 %

138

Ultraperifere gebieden: steun ter vergoeding van extra kosten als gevolg van klimaat en reliëf

40 %

40 %

139

Ultraperifere gebieden: luchthavens

0 %

0 %

TECHNISCHE BIJSTAND

140

Informatie en communicatie

0 %

0 %

141

Voorbereiding, uitvoering, toezicht en controle

0 %

0 %

142

Evaluatie en studies, gegevensverzameling

0 %

0 %

143

Versterking van de capaciteit van autoriteiten van de lidstaten, begunstigden en betrokken partners

0 %

0 %


TABEL 2: CODES VOOR DE DIMENSIE FINANCIERINGSVORM

FINANCIERINGSVORM

01

Subsidie

02

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: eigen vermogen of quasi-eigenvermogen

03

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: lening

04

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: garantie

05

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: aanvullende steun

06

Prijs


TABEL 3: CODES VOOR DE DIMENSIE TERRITORIAAL UITVOERINGSMECHANISME EN TERRITORIALE FOCUS

TERRITORIAAL UITVOERINGSMECHANISME EN TERRITORIALE FOCUS

GEÏNTEGREERDE TERRITORIALE INVESTERING (ITI)

ITI gericht op duurzame stadsontwikkeling

11

Stadswijken

x

12

Steden, dorpen, en voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden[Am. 371]

x

13

Functionele stedelijke gebieden

x

14

Berggebieden

 

15

Eilanden en kustgebieden

 

16

Landelijke en dunbevolkte gebieden [Am. 372]

 

17

Andere types van beoogde gebieden

 

VANUIT DE GEMEENSCHAP GELEIDE LOKALE ONTWIKKELING (CLLD)

CLLD gericht op duurzame stadsontwikkeling

21

Stadswijken

x

22

Steden, dorpen, en voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden [Am. 373]

x

23

Functionele stedelijke gebieden

x

24

Berggebieden

 

25

Eilanden en kustgebieden

 

26

Landelijke en dunbevolkte gebieden [Am. 374]

 

27

Andere types van beoogde gebieden

 

ANDER TYPE TERRITORIAAL INSTRUMENT IN HET KADER VAN BELEIDSDOELSTELLING 5

Ander type territoriaal instrument gericht op duurzame stadsontwikkeling

31

Stadswijken

x

32

Steden, dorpen, en voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden [Am. 375]

x

33

Functionele stedelijke gebieden

x

34

Berggebieden

 

35

Eilanden en kustgebieden

 

36

Landelijke en dunbevolkte gebieden [Am. 376]

 

37

Andere types van beoogde gebieden

 

ANDERE BENADERINGEN  (2)

41

Stadswijken

42

Steden, dorpen en voorsteden

43

Functionele stedelijke gebieden

44

Berggebieden

45

Eilanden en kustgebieden

46

Dunbevolkte gebieden

47

Andere types van beoogde gebieden

48

Geen territoriale toespitsing


TABEL 4: CODES VOOR DE DIMENSIE ECONOMISCHE ACTIVITEIT

ECONOMISCHE ACTIVITEIT

01

Land- en bosbouw

02

Visserij

03

Aquacultuur

04

Andere sectoren van de blauwe economie

05

Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken

06

Vervaardiging van textiel en textielproducten

07

Vervaardiging van transportmiddelen

08

Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten

09

Andere niet nader gespecificeerde be- en verwerkende bedrijfstakken

10

Bouwnijverheid

11

Winning van delfstoffen

12

Elektriciteit, gas, stoom, warm water en airconditioning

13

Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

14

Vervoer en opslag

15

Informatie- en communicatieactiviteiten, met inbegrip van telecommunicatie

16

Groot- en detailhandel

17

Verschaffen van toeristische activiteiten, accommodatie en maaltijden [Am. 377]

18

Financiële activiteiten en verzekeringen

19

Exploitatie van en handel in onroerend goed, verhuur en zakelijke dienstverlening

20

Overheid

21

Onderwijs

22

Menselijke gezondheidszorg

23

Maatschappelijke dienstverlening en sociaal-culturele en persoonlijke diensten

24

Activiteiten in verband met het milieu

25

Kunst, entertainment, creatieve bedrijfstakken en recreatie

26

Overige niet nader genoemde diensten


TABEL 5: CODES VOOR DE DIMENSIE LOCATIE

LOCATIE

Code

Locatie

 

Code van de regio of de zone waar de concrete actie wordt uitgevoerd, zoals vastgelegd in de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie.


TABEL 6: CODES VOOR SECUNDAIRE THEMA'S ESF

SECUNDAIR THEMA ESF

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor klimaatveranderingsdoelstellingen

01

Bijdragen aan groene vaardigheden en banen en de groene economie

100 %

02

Ontwikkeling van digitale vaardigheden en banen

0 %

03

Investeringen in onderzoek en innovatie en slimme specialisatie

0 %

04

Investeringen in kleine en middelgrote bedrijven (kmo's)

0 %

05

Non-discriminatie

0 %

06

Gendergelijkheid

0 %

07

Capaciteitsopbouw van sociale partners

0 %

08

Capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties

0 %

09

Niet van toepassing

0 %


TABEL 7: CODES VOOR DE MACROREGIONALE EN ZEEBEKKENSTRATEGIEËN

MACROREGIONALE EN ZEEBEKKENSTRATEGIEËN

11

Strategie voor de Adriatische en Ionische regio

12

Strategie voor het Alpengebied

13

Strategie voor het Oostzeegebied

14

Strategie voor het Donaugebied

21

Noordelijke IJszee

22

Strategie voor het Atlantisch gebied

23

Zwarte Zee

24

Middellandse Zee

25

Noordzee

26

Strategie voor het westelijke Middellandse Zeegebied

30

Geen bijdrage aan macroregionale of zeebekkenstrategieën


(1)  Voor beleidsdoelstelling 5 mogen, naast de dimensiecodes die in het kader van doelstelling 5 zijn opgesomd, alle dimensiecodes van de doelstellingen 1 tot en met 4 worden gekozen.

(2)  Andere benaderingen gekozen in het kader van andere beleidsdoelstellingen dan beleidsdoelstelling 5 en niet in de vorm van een ITI of een CLLD.

(3)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

BIJLAGE II

Model voor de partnerschapsovereenkomst — artikel 7, lid 4

CCI

[15 tekens]

Titel

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

1.   Selectie van beleidsdoelstellingen

Referentie: Artikel 8, onder a), van de GB-verordening, artikel 3 van de AMIF-, ISF- en BMVI-verordeningen

Tabel 1: Selectie van beleidsdoelstellingen met motivering

Geselecteerde beleidsdoelstelling

Programma

Fonds

Motivering voor de selectie van een beleidsdoelstelling

 

 

 

[3 500 per beleidsdoelstelling]

2.   Beleidskeuzes, coördinatie en complementariteit

Referentie: Artikel 8, onder b), punten i), ii) en iii), van de GB-verordening

Tekstveld [60 000 ]

3.   Bijdrage aan de begrotingsgarantie in het kader van InvestEU met motivering

Referentie: Artikel 8, onder e), van de GB-verordening; Artikel 10, onder a), van de GB-verordening;

Tabel 2: Overdracht naar InvestEU

 

Regiocategorie*

Venster 1

Venster 2

Venster 3

Venster 4

Venster 5

Bedrag

 

 

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)=(a)+(b)+(c)+(d)+(e)

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

AMIF

 

 

 

 

 

 

 

ISF

 

 

 

 

 

 

 

BMVI

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 


Tekstveld [3 500 ] (motivering)

4.   Overdracht tussen regiocategorieën met motivering

Referentie: Artikel 8, onder d), en artikel 105 van de GB-verordening

Tabel 3: Overdracht tussen regiocategorieën

Regiocategorie

Toewijzing per regiocategorie  (*1)

Overgedragen aan:

Overgedragen bedrag

Overgedragen deel van de initiële toewijzing

Toewijzing per regiocategorie na de overdracht

(a)

(b)

(c)

(d)

(g)=(d)/(b)

(h)=(b)-(d)

Minder ontwikkeld

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

Minder ontwikkeld

 

 

 


Tekstveld [3 500 ] (motivering)

5.   Voorlopige financiële toewijzing per beleidsdoelstelling

Referentie: Artikel 8, onder c), van de GB-verordening

Tabel 4: Voorlopige financiële toewijzing uit het EFRO, het CF, het ESF+ en het EFMZV per beleidsdoelstelling  (*2)

Beleidsdoelstellingen

EFRO

Cohesiefonds

ESF+

EFMZV

Totaal

Beleidsdoelstelling 1

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 2

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 3

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 4

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 5

 

 

 

 

 

Technische bijstand

 

 

 

 

 

Toewijzing voor 2026-2027

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 


Tekstveld [3 500 ] (motivering)


Tabel 5: Voorlopige financiële toewijzing uit het AMIF, het ISF en het BMVI per beleidsdoelstelling  (*3)

Beleidsdoelstelling

Toewijzing

Beleidsdoelstelling als bedoeld in artikel 3 van de [AMIF-verordening]

 

Beleidsdoelstelling als bedoeld in artikel 3 van de [ISF-verordening]

 

Beleidsdoelstelling als bedoeld in artikel 3 van de [BMVI-verordening]

 

Technische bijstand

 

Totaal

 

6.   Lijst van programma's

Referentie: Artikel 8, onder f), van de GB-verordening. Artikel 104

Tabel 6: Lijst van programma’s met voorlopige financiële toewijzingen  (*4)

Titel [255]

Fonds

Regiocategorie

EU-bijdrage

Nationale bijdrage  (*5)

Totaal

Programma 1

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

Programma 1

CF

 

 

 

 

Programma 1

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

Totaal

EFRO, CF, ESF+

 

 

 

 

Programma 2

EFMZV

 

 

 

 

Programma 3

AMIF

 

 

 

 

Programma 4

ISF

 

 

 

 

Programma 5

BMVI

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

Referentie: Artikel 8 van de GB-verordening.

Tabel 7: Lijst van Interreg-programma's

Programma 1

Titel 1 [255]

Programma 2

Titel 1 [255]

7.   Een samenvatting van de maatregelen die moeten worden genomen ter verbetering van de administratieve capaciteit

Referentie: Artikel 8, onder g), van de GB-verordening.

Tekstveld [4 500 ]


(*1)  Initiële toewijzing per regiocategorie zoals door de Commissie meegedeeld na de in de tabellen 2 t/m 4 bedoelde overdrachten, uitsluitend van toepassing op het EFRO en het ESF+.

(*2)  Beleidsdoelstellingen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de GB-verordening. Voor het EFRO, het CF en het ESF+ de periode 2021-2025; voor het EFMZV de periode 2021-2027.

(*3)  Beleidsdoelstellingen overeenkomstig fondsspecifieke verordeningen voor het EFMZV AMIF, ISF en BMVI; toewijzing voor de periode 2021-2027

(*4)  Beleidsdoelstellingen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de GB-verordening. Voor het EFRO, het CF en het ESF+ de periode 2021-2025; voor het EFMZV de periode 2021-2027.

(*5)  In overeenstemming met artikel 106, lid 2, over de bepaling van de medefinancieringspercentages.

BIJLAGE III

Horizontale randvoorwaarden — artikel 11, lid 1

Van toepassing op alle specifieke doelstellingen

Naam randvoorwaarden

Nalevingscriteria

Doeltreffende toezichtmechanismen van de markt voor overheidsopdrachten

Er is voorzien in controlemechanismen met betrekking tot alle procedures krachtens nationale wetgeving inzake overheidsopdrachten, waaronder:

1.

Regelingen om te zorgen voor de verzameling van doeltreffende, betrouwbare en volledige gegevens en indicatoren binnen één enkel IT-systeem of netwerk van interoperabele systemen, met het oog op de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel en ter bevordering van de rapportageverplichtingen uit hoofde van artikel 83, lid 3, van Richtlijn 2014/24/EU, in overeenstemming met de vereisten voor e-aanbestedingen, alsook uit hoofde van artikel 84 van Richtlijn 2014/24/EU. De gegevens en indicatoren omvatten ten minste de volgende elementen:

a.

Kwaliteit en intensiteit van de concurrentie: namen van de winnende en initiële inschrijvers, aantal initiële inschrijvers, aantal geselecteerde inschrijvers, de contractuele prijs — ten opzichte van de aanvankelijke begrotingstoewijzing en, waar mogelijk via aanbestedingsregisters, de definitieve prijs na voltooiing;

b.

Deelname van kmo's als rechtstreekse inschrijvers;

c.

Ingestelde beroepen tegen de besluiten van de aanbestedende autoriteiten, inclusief ten minste het aantal beroepen, de tijd die nodig is voor een beslissing in eerste aanleg, en het aantal besluiten dat is doorverwezen naar tweede aanleg;

d.

Een lijst van alle opdrachten die zijn geplaatst op grond van de regels inzake uitzonderingen op de regels voor openbare aanbestedingen, onder vermelding van de specifieke bepaling die is gebruikt.

2.

Regelingen om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten over voldoende capaciteit beschikken voor de monitoring en de analyse van de gegevens.

3.

Regelingen om de gegevens en indicatoren, alsook de resultaten van de analyse, beschikbaar te maken voor het publiek in de vorm van gebruiksvriendelijke open data.

4.

Regelingen om ervoor te zorgen dat alle informatie die wijst op vermoedelijke manipulatie stelselmatig wordt meegedeeld aan de bevoegde nationale instanties.

Middelen en capaciteit voor de effectieve toepassing van de staatssteunregels

De beheersautoriteiten hebben de instrumenten en de capaciteit om de naleving van de staatssteunregels te controleren dankzij:

1.

Gemakkelijke en brede toegang tot permanent geactualiseerde informatie over ondernemingen die zich in moeilijkheden bevinden en waarvan een terugvordering wordt geëist.

2.

Toegang tot deskundig advies en begeleiding inzake staatssteun, verleend door lokale of nationale expertisecentra, onder coördinatie van de nationale instanties belast met het toezicht op staatssteun, met werkafspraken om ervoor te zorgen dat over de expertise daadwerkelijk overleg wordt gepleegd met de betrokkenen.

Effectieve toepassing en uitvoering van het EU-Handvest van de grondrechten

Er is voorzien in doeltreffende mechanismen om de naleving van het EU-Handvest van de grondrechten te waarborgen, waaronder:

1.

Regelingen om te controleren dat de door de fondsen ondersteunde concrete acties verenigbaar zijn met het Handvest van de grondrechten.

2.

Regelingen voor rapportage aan het toezichtcomité over de verenigbaarheid van de door de fondsen ondersteunde concrete acties met het Handvest van de grondrechten.

Uitvoering en toepassing van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) in overeenstemming met Besluit 2010/48/EG van de Raad.

Er is voorzien in een nationaal kader voor de uitvoering van het UNCRPD, met onder meer:

1.

Meetbare doelstellingen, gegevensverzameling en toezichtmechanismen , toepasbaar op alle beleidsdoelstellingen .

2.

Regelingen om ervoor te zorgen dat het beleid, de wetgeving en de normen inzake toegankelijkheid naar behoren tot uiting komen in de voorbereiding en de uitvoering van de programma’s , in overeenstemming met de bepalingen van het UNCRPD en vervat in de criteria en verplichtingen betreffende het selecteren van projecten .

2 bis.

Regelingen voor rapportage aan het toezichtcomité over de conformiteit van de ondersteunde concrete acties. [Am. 378]

Uitvoering van de beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot daadwerkelijke convergentie en cohesie in de Europese Unie.

Regelingen op nationaal niveau ter waarborging van de behoorlijke uitvoering van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot opwaartse sociale convergentie en cohesie in de EU, met name de beginselen ter voorkoming van oneerlijke concurrentie op de interne markt. [Am. 379]

Doeltreffende toepassing van het partnerschapsbeginsel

Er is voorzien in een kader waarbinnen alle partners een volwaardige rol kunnen vervullen bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van programma's, waaronder:

1.

Regelingen die transparante procedures voor de betrokkenheid van partners waarborgen.

2.

Regelingen voor de verspreiding en bekendmaking van informatie waarover partners moeten beschikken voor de voorbereiding en follow-up van vergaderingen.

3.

Steun om de positie van partners te versterken en capaciteit op te bouwen. [Am. 380]

BIJLAGE IV

Thematische randvoorwaarden die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds — artikel 11, lid 1

Beleidsdoelstelling

Specifieke doelstelling

Naam randvoorwaarde

Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde

1.

Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie

EFRO:

Alle specifieke doelstellingen van deze beleidsdoelstellingen

Goede governance van de nationale of regionale strategie voor slimme specialisatie

Strategieën voor slimme specialisatie worden ondersteund door:

1.

Actuele analyse van knelpunten voor innovatieverspreiding, met inbegrip van digitalisering

2.

Bestaan van bevoegde regionale / nationale instelling of instantie belast met het beheer van de strategie voor slimme specialisatie

3.

Instrumenten voor toezicht en evaluatie om de voortgang te meten in de richting van de doelstellingen van de strategie

4.

Doeltreffende werking van het ondernemingsgezind ontdekkingsproces

5.

Acties die nodig zijn voor de verbetering van de nationale of regionale onderzoeks- en innovatiesystemen

6.

Acties om de industriële overgang te sturen

7.

Maatregelen voor internationale samenwerking

2.

Een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer

EFRO en Cohesiefonds:

2.1

Bevordering van energie-efficiëntiemaatregelen

Strategisch beleidskader ter ondersteuning van op energie-efficiëntie gerichte renovatie van residentiële en niet-residentiële gebouwen

1.

Er is een nationale langetermijnrenovatiestrategie vastgesteld ter ondersteuning van de renovatie van het nationale bestand van residentiële en niet-residentiële gebouwen, in overeenstemming met de eisen van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen. Deze strategie:

a.

bevat indicatieve mijlpalen voor 2030 en 2040 en streefdoelen voor 2050;

b.

biedt een indicatief overzicht van budgettaire middelen voor de uitvoering van de strategie;

c.

bevat definities van doeltreffende mechanismen voor de bevordering van investeringen in de renovatie van gebouwen.

2.

Maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie om de vereiste energiebesparingen te verwezenlijken

EFRO en Cohesiefonds:

2.1

Bevordering van energie-efficiëntiemaatregelen

2.2

Bevordering van hernieuwbare energie door investeringen in opwekkingscapaciteit

Governance van de energiesector

Er zijn nationale energie- en klimaatplannen vastgesteld die voldoen aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5  oC, en deze omvatten:

1.

alle elementen van het model in bijlage I van de verordening betreffende de governance van de energie-unie (1);

2.

een indicatief overzicht van de geplande financiële middelen en mechanismen voor maatregelen ter bevordering van koolstofarme energie. [Am. 381]

EFRO en Cohesiefonds:

2.2

Bevordering van hernieuwbare energie door investeringen in opwekkingscapaciteit

Doeltreffende bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie in alle sectoren en in de hele EU

Er is voorzien in maatregelen om te zorgen voor:

1.

Naleving van het nationale bindende streefdoel voor 2020 inzake hernieuwbare energiebronnen en van dit basisscenario tot 2030 in overeenstemming met de herschikking van Richtlijn 2009/28/EG (2)

2.

Een toename van het aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector met 1 procentpunt per jaar tot 2030

EFRO en Cohesiefonds:

2.4

Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en herstelvermogen voor rampen [Am. 382]

Effectief risicobeheerskader voor rampen.

Er is voorzien in een nationaal of regionaal risicobeheersplan voor rampen, in overeenstemming met de bestaande klimaataanpassingsstrategieën. Dit plan omvat:

1.

Een beschrijving van de belangrijkste risico’s, beoordeeld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 6, onder a), van Besluit nr. 1313/2013/EU, rekening houdend met de huidige dreigingen en de dreigingen op lange termijn (25-35 jaar). Voor de beoordeling van de klimaatrisico’s zal worden gekeken naar prognoses en scenario’s inzake klimaatverandering.

2.

Beschrijving van de maatregelen inzake rampenpreventie, -paraatheid en -respons met betrekking tot de voornaamste risico’s. Er wordt prioriteit gegeven aan de maatregelen in verhouding tot de risico’s en hun economische gevolgen, capaciteitstekorten (3), doeltreffendheid en doelmatigheid, rekening houdend met mogelijke alternatieven.

3.

Informatie over de budgettaire en financiële middelen en mechanismen die voorhanden zijn om de exploitatie- en onderhoudskosten in verband met preventie, paraatheid en respons te dekken.

EFRO en Cohesiefonds:

2.5

Bevordering van waterefficiëntie

Bijgewerkte planning voor de vereiste investeringen in de water- en afvalwatersectoren

Er is voorzien in een nationaal investeringsplan en dit omvat:

1.

Een beoordeling van de huidige stand van de uitvoering van Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (hierna “de afvalwaterrichtlijn” genoemd) en van Richtlijn 98/83/EG betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (hierna “de drinkwaterrichtlijn” genoemd).

2.

De vaststelling en de planning van alle overheidsinvesteringen, inclusief een indicatieve financiële raming

a.

die nodig zijn voor de naleving van de afvalwaterrichtlijn, met inbegrip van een prioritering met betrekking tot de omvang van de agglomeraties en de milieugevolgen, waarbij de investeringen wordt uitgesplitst per afvalwateragglomeratie;

b.

die nodig zijn voor de uitvoering van de drinkwaterrichtlijn;

c.

die nodig zijn om te voldoen aan de behoeften die voortvloeien uit de voorgestelde herschikking (COM(2017)0753), met name wat betreft de herziene en in bijlage I nader beschreven kwaliteitsparameters.

3.

Een raming van de investeringen die nodig zijn om de bestaande afvalwater- en watervoorzieningsinfrastructuur te vernieuwen, met inbegrip van de netwerken, op basis van hun leeftijd en afschrijvingsplannen

4.

Een indicatie van mogelijke bronnen van overheidsfinanciering, wanneer dat nodig is ter aanvulling van de gebruiksrechten

EFRO en Cohesiefonds:

2.6

Ontwikkeling van (de overgang naar) de circulaire economie door middel van investeringen in de afvalsector en in een efficiënt gebruik van hulpbronnen

Bijgewerkte planning voor afvalbeheer

Er is voorzien in afvalbeheerplan(nen) overeenkomstig artikel 28 van Richtlijn 2008/98/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) nr. 2018/xxxx. Deze hebben betrekking op het hele grondgebied van de lidstaat en omvatten:

1.

Een analyse van de huidige situatie inzake afvalbeheer in het betrokken geografische gebied, met inbegrip van de soort, de hoeveelheid en de bron van de afvalstoffen en een evaluatie van de ontwikkeling van de afvalstromen in de toekomst, rekening houdend met de verwachte gevolgen van maatregelen in het kader van afvalpreventieprogramma's die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 29 van Richtlijn 2008/98/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2018/xx/EU

2.

Een beoordeling van de bestaande regelingen voor afvalinzameling, inclusief de materiële en territoriale dekking van gescheiden inzameling en maatregelen om de werking ervan te verbeteren, alsook de behoefte aan nieuwe inzamelingsregelingen

3.

Een beoordeling van de investeringskloof waaruit de behoefte aan aanvullende of aangepaste infrastructuur voor afvalbeheer blijkt, met informatie over de bronnen van inkomsten ter dekking van de exploitatie- en onderhoudskosten

4.

Informatie over locatiecriteria voor de keuze van locaties en capaciteit van toekomstige afvalverwerkingsinstallaties

EFRO en Cohesiefonds:

2.6

Bevordering van groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging

Kader voor prioritaire actie voor de nodige instandhoudingsmaatregelen waar EU-medefinanciering aan te pas komt

Er is voorzien in een prioritair actiekader in de zin van artikel 8 van Richtlijn 92/43/EEG en dit kader omvat:

1.

Alle elementen die vereist zijn in het model voor het prioritaire actiekader voor de periode 2021-2027 zoals overeengekomen door de Commissie en de lidstaten , waaronder

2.

De vaststelling van de prioritaire maatregelen en een raming van de financiële behoeften [Am. 383]

3.

Een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit

EFRO:

3.1

Verbetering van de digitale connectiviteit

Nationaal of regionaal breedbandplan

Er is voorzien in een nationaal of regionaal breedbandplan met de volgende elementen:

1.

Een beoordeling van de investeringskloof die moet worden aangepakt zodat de EU de doelstellingen inzake gigabit-connectiviteit (4) kan bereiken, op basis van:

uit een recente inventarisatie (5) van de bestaande particuliere en openbare infrastructuur en de kwaliteit van de dienstverlening op basis van standaardindicatoren voor breedbandinventarisatie

een raadpleging over de geplande investeringen

2.

De motivering van de geplande openbare interventie op basis van duurzame investeringsmodellen die:

de betaalbaarheid en toegang tot open, hoogwaardige en toekomstbestendige infrastructuur en diensten verbeteren;

de vormen van financiële bijstand aanpassen aan de vastgestelde tekortkomingen van de markt;

een complementair gebruik van verschillende vormen van financiering uit Europese, nationale of regionale bronnen mogelijk maken.

3.

Maatregelen om de vraag te stimuleren, alsook het gebruik van netwerken met zeer hoge capaciteit, met inbegrip van acties om de uitrol ervan te vergemakkelijken, met name door de EU-richtlijn inzake kostenverlaging van breedband (6) doeltreffend uit te voeren

4.

Mechanismen voor technische bijstand, waaronder adviesbureaus voor breedband om de capaciteiten van de lokale belanghebbenden te versterken en projectpromotoren te adviseren

5.

Een toezichtmechanisme op basis van standaardindicatoren voor breedbandinventarisatie

EFRO en Cohesiefonds:

3.2

Ontwikkeling van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-T [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

Uitgebreide vervoersplanning op het passende niveau

Er is voorzien in een multimodale inventarisatie van bestaande en geplande infrastructuur tot 2030 die:

-1 bis.

vereist dat sociale, economische en territoriale cohesie wordt gewaarborgd en, in hogere mate, dat aandacht wordt besteed aan de ontbrekende schakels en knelpunten in het TEN-T-netwerk, hetgeen ook investeringen in harde infrastructuur inhoudt [Am. 385]

1.

de economische motivering van de geplande investeringen omvat, op grond van een degelijke analyse van de vraag en verkeersmodellering, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte effect van de liberalisering openstelling van de spoorwegen markt voor spoorwegdiensten ; [Am. 386]

2.

de luchtkwaliteitsplannen weerspiegelt, met name rekening houdend met de nationale decarbonisatieplannen strategieën ter beperking van de emissies van de vervoersector ; [Am. 387]

3.

investeringen omvat in de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1316/2013, in overeenstemming met de respectieve TEN-T-werkprogramma’s en de geselecteerde segmenten van het uitgebreide netwerk ; [Am. 388]

4.

ervoor zorgt dat investeringen buiten het TEN-T-kernnetwerk complementair zijn door de stedelijke netwerken, regio's en lokale gemeenschappen voldoende connectiviteit met het TEN-T-kernnetwerk en -knooppunten te bieden [Am. 389]

5.

de interoperabiliteit van het spoorwegnet garandeert door een ERTMS in te voeren die aan de baseline 3-specificaties voldoet, waarbij ten minste het Europees implementatieplan wordt gevolgd

6.

de multimodaliteit bevordert en de behoeften inzake multimodale of overslagterminals voor goederen- en passagiersvervoer en actieve vervoerswijzen in kaart brengt

7.

maatregelen omvat die gericht zijn op het bevorderen van alternatieve brandstoffen, in overeenstemming met de toepasselijke nationale beleidskaders

8.

de beoordeling van verkeersveiligheidsrisico’s omvat in overeenstemming met de bestaande nationale verkeersveiligheidsstrategieën, waarbij de wegen en weggedeelten in kwestie in kaart worden gebracht en de overeenkomstige investeringen worden geprioriteerd

9.

informatie geeft over de begrotings- en financieringsmiddelen die overeenkomen met de geplande investeringen en die nodig zijn om de exploitatie- en onderhoudskosten van de bestaande en geplande infrastructuur te dekken

9 bis.

duurzame regionale en grensoverschrijdende toeristische initiatieven bevordert die leiden tot win-winsituaties voor zowel de toeristen als de inwoners, zoals het verbinden van het EuroVelo-netwerk met het trans-Europese spoorwegnet [Am. 390]

3.3

Duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-T en grensoverschrijdende mobiliteit

4.

Een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten

EFRO:

4.1

Verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van infrastructuur

ESF:

4.1.1

Verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden, dus ook met name voor jongeren, langdurig werklozen en niet-inactieven, en bevordering van arbeid als zelfstandige en van de sociale economie;

4.1.2

Modernisering van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om de behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen, en te zorgen voor tijdige en op maat gesneden hulp en ondersteuning voor aansluiting op de arbeidsmarkt, loopbaanveranderingen en mobiliteit; [Am. 391]

Strategisch beleidskader voor een actief arbeidsmarktbeleid

Er is voorzien in een strategisch beleidskader voor een actief arbeidsmarktbeleid in het licht van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Dit omvat:

1.

Regelingen voor de profilering van werkzoekenden en de beoordeling van hun behoeften, met inbegrip van trajecten voor ondernemers

2.

Informatie over vacatures en arbeidsmogelijkheden, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften op de arbeidsmarkt

3.

Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie in nauwe samenwerking met de betrokken partijen gebeuren

4.

Regelingen voor het toezicht op, de evaluatie en de beoordeling van actief arbeidsmarktbeleid

5.

Wat werkgelegenheidsmaatregelen voor jongeren betreft, wetenschappelijk onderbouwde en gerichte trajecten voor jongeren die geen baan hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, met inbegrip van maatregelen om hen beter te bereiken en op basis van kwaliteitseisen, rekening houdend met criteria voor kwaliteitsvolle leerplaatsen en stages, onder meer in de context van de uitvoering van de jongerengarantieregelingen

EFRO:

4.1

Verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van infrastructuur

ESF:

4.1.3

Bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarin gezondheidsrisico’s worden aangepakt, de aanpassing van werknemers , ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden; [Am. 392]

Nationaal strategisch kader voor gendergelijkheid

Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader voor gendergelijkheid en dit omvat:

1.

Een empirisch onderbouwd overzicht van de uitdagingen op het gebied van gendergelijkheid

2.

Maatregelen om de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, verloning , sociale zekerheid en pensioenen aan te pakken en een evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, onder meer door betere toegang tot opvang en onderwijs voor jonge kinderen, met streefdoelen [Am. 393]

3.

Regelingen voor toezicht, evaluatie en herziening van het strategische beleidskader en de methoden voor gegevensverzameling

4.

Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met organen voor gelijke kansen, sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties

EFRO:

4.2

Verbetering van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door het ontwikkelen van infrastructuur;

ESF:

4.2.1.

Verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels op het gebied van kwaliteit, inclusiviteit , doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt om de verwerving van sleutelcompetenties — onder meer digitale vaardigheden — te bevorderen en de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken ;

4.2.2.

Bevordering van ieders mogelijkheden tot een leven lang leren, met name flexibele bijscholing en omscholing , alsook informeel en niet-formeel leren , onder meer door loopbaanverandering te vergemakkelijken en beroepsmobiliteit te bevorderen

4.2.3

Bevordering van gelijke toegang tot en afronding van met name voor achtergestelde groepen, tot hoogwaardige en inclusieve voorzieningen onderwijs- en opleidingstrajecten, met name voor onderwijs en opleiding achtergestelde groepen , van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, over algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, tot het tertiaire niveau , evenals volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken ; [Am. 394]

Strategisch beleidskader voor de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus.

Er is voorzien in een nationaal en/of regionaal strategisch beleidskader voor het onderwijs- en opleidingsstelsel en dit omvat:

1.

Empirisch onderbouwde systemen om op het vlak van vaardigheden te anticiperen en prognoses te maken, alsook mechanismen follow-upmechanismen voor het volgen van afgestudeerden en diensten voor kwaliteitsvolle en doeltreffende begeleiding voor lerenden van alle leeftijden , met inbegrip van op de lerende gerichte benaderingen [Am. 395]

2.

Maatregelen om te zorgen voor gelijke toegang tot, participatie in en voltooiing van kwaliteitsvolle, betaalbare, relevante niet-gesegregeerde en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten en de verwerving van sleutelcompetenties op alle niveaus, met inbegrip van het hoger tertiarie onderwijs [Am. 396]

3.

Mechanisme voor coördinatie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijsen verstrekkers van niet-formeel en informeel onderwijs, en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden aan de betrokken nationale en/of regionale instanties [Am. 397]

4.

Regelingen voor toezicht, evaluatie en herziening van het strategische beleidskader

5.

Maatregelen gericht op laaggeschoolde en laaggekwalificeerde volwassenen en mensen uit kansarme sociaaleconomische milieus, alsook bijscholingstrajecten

6.

Maatregelen om leerkrachten, opleiders en academisch personeel te ondersteunen met passende leermethoden, de beoordeling en validering van sleutelcompetenties

7.

Maatregelen ter bevordering van de mobiliteit van studenten en personeel en van grensoverschrijdende samenwerking tussen aanbieders van onderwijs en opleidingen, onder meer door de erkenning van leerresultaten en kwalificaties

EFRO:

4.3

Bespoediging van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, vluchtelingen en migranten die internationale bescherming genieten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten [Am. 398]

ESF:

4.3.1

Bevordering Aanmoediging van actieve inclusie, mede met het oog op de bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en verbetering van de inzetbaarheid. [Am. 399]

4.3.1

bis. Bevordering van de sociale integratie van mensen die in een situatie van armoede of sociale uitsluiting dreigen terecht te komen, waaronder de meest hulpbehoevenden en kinderen [Am. 400]

Nationaal strategisch beleidskader voor sociale inclusie en armoedebestrijding

Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader en een actieplan voor sociale inclusie en armoedebestrijding. Dit omvat Deze omvatten :

1.

Een empirisch onderbouwde diagnose van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van kinderarmoede, dakloosheid, ruimtelijke segregatie, segregatie in het onderwijs, beperkte toegang tot essentiële diensten en infrastructuur, en de specifieke behoeften van kwetsbare personen

2.

Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van segregatie op alle gebieden, onder meer door te voorzien in passende inkomenssteun, sociale bescherming, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten voor kwetsbare personen, onder wie migranten en vluchtelingen

3.

Maatregelen voor de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg op basis van een nationale de-institutionaliseringsstrategie en een actieplan

4.

Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties [Am. 401]

ESF:

4.3.2

Bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma [Am. 402]

Nationale strategie voor de integratie van de Roma

Er is voorzien in een nationale strategie voor de integratie van de Roma en deze omvat:

1.

Maatregelen om de integratie van de Roma te bespoedigen, segregatie te voorkomen en uit te bannen, rekening houdend met de genderdimensie en de situatie van jonge Roma, en met een basisscenario en meetbare mijlpalen en streefdoelen

2.

Regelingen voor toezicht, evaluatie en herziening van de maatregelen voor de integratie van de Roma

3.

Regelingen voor de integratie van de Roma op lokaal en regionaal niveau

4.

Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de herziening ervan gebeuren in nauwe samenwerking met de maatschappelijke Roma-organisaties en alle andere belanghebbenden, ook op de regionale en de lokale niveaus

EFRO:

4.4

Zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg

ESF:

4.3.4

Verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten; modernisering van de socialebeschermingsstelsels, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels; verbetering van de toegang tot diensten voor langdurige zorg [Am. 403]

Strategisch beleidskader inzake gezondheid.

Er is voorzien in een nationaal of regionaal strategisch beleidskader inzake gezondheid dat het volgende omvat:

1.

Inventarisatie van de behoeften inzake gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van medisch personeel, met het oog op duurzame en gecoördineerde maatregelen

2.

Maatregelen om ervoor te zorgen dat gezondheidszorg en langdurige zorg efficiënt, duurzaam, toegankelijk en betaalbaar zijn, met inbegrip van een bijzondere nadruk op personen die buiten de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg vallen en de personen die het moeilijkst te bereiken zijn

3.

Maatregelen ter bevordering van gemeenschapsdiensten, met inbegrip van preventie, eerstelijnszorg en thuiszorg , en de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg

3 bis.

Maatregelen ter waarborging van de doeltreffendheid, duurzaamheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van socialebeschermingsstelsels [Am. 404]


(1)  PB [nog niet aangenomen]

(2)  PB [nog niet aangenomen]

(3)  Zoals beoordeeld in het kader van de beoordeling van het risicobeheersvermogen als vereist uit hoofde van artikel 6, onder c), van Besluit nr. 1313/2013.

(4)  Zoals gedefinieerd in de mededeling van de Europese Commissie: “Naar een Europese gigabitmaatschappij” — COM(2016)0587; https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/policies/improving-connectivity-and-access

(5)  In overeenstemming met artikel 22 van [het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie].

(6)  Richtlijn 2014/61/EU

BIJLAGE V

Model voor programma’s die steun krijgen van het EFRO (doelstelling Investeren in werkgelegenheid en groei), het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV — artikel 16, lid 3

CCI

 

Titel in het Engels

[255 tekens (1)]

Titel in nationale taal (talen)

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer wijzigingsbesluit lidstaat

 

Datum inwerkingtreding wijzigingsbesluit lidstaat

 

Niet-substantiële overdracht (artikel 19.5)

JA/NEE

Onder het programma vallende NUTS-regio ’s (niet van toepassing op het EFMZV)

 

Betrokken fonds

EFRO

Cohesiefonds

ESF+

EFMZV

1.   Programmastrategie: belangrijkste ontwikkelingsproblemen en beleidsreacties

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder a), punten i) t/m vii), en artikel 17, lid 3, onder b)

Tekstveld [30 000 ]

Voor de doelstelling “Investeren in werkgelegenheid en groei”:

Tabel 1

Beleidsdoelstelling

Specifieke doelstelling of specifieke prioriteit  (*1)

Motivering (samenvatting)

 

 

[2 000 per specifieke doelstelling of specifieke prioriteit]

Voor het EFMZV:

Tabel 1A

Beleidsdoelstelling

Prioriteit

SWOT-analyse (voor elke prioriteit)

Motivering (samenvatting)

 

 

Sterke punten

[10 000 per prioriteit]

[20 000 per prioriteit]

Zwakke punten

[10 000 per prioriteit]

Kansen

[10 000 per prioriteit]

Bedreigingen

[10 000 per prioriteit]

In kaart brengen van de behoeften op basis van de SWOT-analyse en rekening houdend met de elementen in artikel 6, lid 6, van de EFMZV-verordening

[10 000 per prioriteit]

2.   Prioriteiten, uitgezonderd technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 2 en artikel 17, lid 3, onder c)

Tabel 1 T: Programmastructuur  (*2)

ID

Titel [300]

TA

Grondslag voor de berekening

Fonds

Categorie ondersteunde regio

Geselecteerde specifieke doelstelling

1

Prioriteit 1

Nee

 

EFRO

Meer

SD 1

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 2

Ultraperifeer en dunbevolkt

Meer

SD 3

2

Prioriteit 2

Nee

 

ESF+

Meer

SD 4

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 5

Ultraperifeer

3

Prioriteit 3

Nee

 

CF

n.v.t.

 

3

Prioriteit technische bijstand

Ja

 

 

 

n.v.t.

..

Specifieke prioriteit jeugdwerkgelegenheid

Nee

 

ESF+

 

 

 

Specifieke prioriteit kindergarantie

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit landspecifieke aanbevelingen

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit innovatieve acties

Nee

 

ESF+

 

SD 8

 

Specifieke prioriteit materiële deprivatie

Nee

 

ESF+

 

SD 9

2.1   Titel van de prioriteit [300] (herhaald voor elke prioriteit)

Deze is een prioriteit voor een relevante landspecifieke aanbeveling

Dit is een prioriteit voor jeugdwerkgelegenheid

Dit is een prioriteit voor de kindergarantie

Dit is een prioriteit voor innovatieve acties

Dit is een prioriteit voor de aanpak van materiële deprivatie (**)

*

Tabel van toepassing op ESF+-prioriteiten.

2.1.1.   Specifieke doelstelling (2) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV) — herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling of elk geselecteerd ondersteuningsgebied, voor andere prioriteiten dan technische bijstand [Am. 407]

2.1.1.1   Steunverlening van de fondsen

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder d), punten i) en iii) t/m vi);

De bijbehorende soorten acties — artikel 17, lid 3, onder d), punt i):

Tekstveld [8 000 ]

Lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn — artikel 17, lid 3, onder d), punt i):

Tekstveld [2 000 ]

De belangrijkste doelgroepen — artikel 17, lid 3, onder d), punt iii):

Tekstveld [1 000 ]

Beoogde specifieke territoria, inclusief het geplande gebruik van territoriale instrumenten — artikel 17, lid 3, onder d), punt iv)

Tekstveld [2 000 ]

De interregionale en transnationale acties — artikel 17, lid 3, onder d), punt v)

Tekstveld [2 000 ]

Het geplande gebruik van financieringsinstrumenten — artikel 17, lid 3, onder d), punt vi)

Tekstveld [1 000 ]

2.1.1.2   Indicatoren (3) [Am. 408]

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder d), punt ii)

Tabel 2: Outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Fonds

Regiocategorie

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling (2029)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 3: Resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Fonds

Regiocategorie

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Uitgangs- of referentiewaarde

Referentiejaar

Doelstelling (2029)

Bron van gegevens [200]

Opmerkingen [200]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.1.1.3   Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per type steunverlening (4) (niet van toepassing op het EFMZV) [Am. 409]

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder d), punt vii)

Tabel 4: Dimensie 1 — interventiegebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

 


Tabel 5: Dimensie 2 –financieringsvorm

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

 


Tabel 6: Dimensie 3 — territoriaal uitvoeringsmechanisme en territoriale focus

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

 


Tabel 7: Dimensie 6 — secundaire thema's ESF+

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

 

2.1.2   Specifieke doelstelling aanpak van materiële deprivatie

Referentie: artikel 17, lid 3; GB-verordening

Vormen van ondersteuning

Tekstveld [2 000 tekens]

Hoofddoelgroepen

Tekstveld [2 000 tekens]

Decryptie van de nationale of regionale steunregelingen

Tekstveld [2 000 tekens]

Criteria voor de selectie van concrete acties (5) [Am. 410]

Tekstveld [4 000 tekens]

2.T.   Prioriteit technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder e); Artikelen 29, 30, 31 en 89 van de GB-verordening;

Beschrijving van technische bijstand in het kader van forfaitaire betalingen — artikel 30

Tekstveld [5 000 ]

Beschrijving van technische bijstand in het kader van betalingen die geen verband houden met kosten — artikel 31

Tekstveld [3 000 ]


Tabel 8: Dimensie 1 — interventiegebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 


Tabel 9: Dimensie 5 — secundaire thema's ESF+

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

3.   Financieel plan

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punten 1) t/m iii), artikel 106, leden 1 t/m 3, artikel 10, artikel 21 van de GB-verordening

3.A   Overdrachten en bijdragen (6)

Referentie: artikelen 10 en 21 van de GB-verordening

Programmawijziging met betrekking tot artikel 10 van de GB-verordening (bijdrage aan InvestEU)

Programmawijziging met betrekking tot artikel 21 van de GB-verordening (overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer tussen fondsen onder gedeeld beheer)


Tabel 15: Bijdragen aan InvestEU  (*3)

 

Regiocategorie

Venster 1

Venster 2

Venster 3

Venster 4

Venster 5

Bedrag

 

 

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)=(a)+(b)+(c)+(d)+(e)

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 16: Overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer  (*4)

Fonds

Regiocategorie

Instrument 1

Instrument 2

Instrument 3

Instrument 4

Instrument 5

Overgedragen bedrag

 

 

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)=(a)+(b)+(c)+(d)+(e)

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

[Am. 411]

Tabel 17: Overdrachten tussen fondsen in gedeeld beheer  (*5)

 

EFRO

ESF+

CF

EFMZV

AMF

ISF

BMVI

Totaal

Meer ontwikkeld

Overgang

Minder ontwikkeld

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

Meer ontwikkeld

Overgang

Minder ontwikkeld

Ultraperifeer

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.1   Financiële toewijzingen per jaar

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt i)

Tabel 10: Financiële toewijzingen per jaar

Fonds

Regiocategorie

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

EFRO

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ESF+

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cohesiefonds

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2   Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering (7) [Am. 412]

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt ii) en artikel 17, lid 6

Voor de doelstelling “Investeren in werkgelegenheid en groei”:

Tabel 11: Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering

Beleidsdoelstelling Nr. of TA

Prioriteit

Grondslag voor de berekening van de EU-steun (totaal of publiek)

Fonds

Regiocategorie  (*6)

EU-bijdrage

Nationale bijdrage

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

Medefinancieringspercentage

publiek

particulier

 

 

 

 

(a)

(b)=(c)+(d)

(c)

(d)

(e)=(a)+(b) (*7)

(f)=(a)/(e) (*7)

 

Prioriteit 1

P/T

EFRO

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Speciale toewijzing voor ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

 

ESF+

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 3

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

TA

TA artikel 29 van de GB-verordening

 

EFRO of ESF+ of CF

 

 

 

 

 

 

 

 

TA artikel 30 van de GB-verordening

 

EFRO of ESF+ of CF

 

 

 

 

 

 

 

Totaal EFRO

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Speciale toewijzing voor ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's

 

 

 

 

 

 

Totaal ESF+

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

Totaal CF

 

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het EFMZV:

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt iii)

Tabel 11 A

Prioriteit

Type ondersteuningsgebied (nomenclatuur opgenomen in de EFMZV-verordening)

Grondslag voor de berekening van de EU-steun

EU-bijdrage

Nationale bevolking

Totaal

Medefinancieringspercentage

Prioriteit 1

1.1

Publiek

 

 

 

 

1.2

Publiek

 

 

 

 

1.3

Publiek

 

 

 

 

1.4

Publiek

 

 

 

 

1.5

Publiek

 

 

 

 

Prioriteit 2

2.1

Publiek

 

 

 

 

Prioriteit 3

3.1

Publiek

 

 

 

 

Prioriteit 4

4.1

Publiek

 

 

 

 

Technische bijstand

5.1

Publiek

 

 

 

 

4.   Randvoorwaarden

Referentie: Artikel 19, lid 3, onder h)

Tabel 12: Randvoorwaarden

Randvoorwaarden

Fonds

Specifieke doelstelling

(n.v.t. op het EFMZV)

Naleving van de randvoorwaarde

Criterium

Naleving van criteria

Verwijzing naar relevante documenten

Motivering

 

 

 

Ja/Nee

Criterium 1

J/N

[500]

1 000

 

 

 

 

Criterium 2

J/N

 

 

5.   Programma-autoriteiten

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder j), artikel 65 en artikel 78 van de GB-verordening

Tabel 13: Programma-autoriteiten

Programma-autoriteiten

Naam van de instelling [500]

Naam van de contactpersoon [200]

E-mail [200]

Beheersautoriteit

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Orgaan dat betalingen van de Commissie ontvangt

 

 

 

6.   Partnerschap

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder g)

Tekstveld [10 000 ]

7.   Communicatie en zichtbaarheid

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder i), en artikel 42, lid 2, van de GB-verordening

Tekstveld [4 500 ]

8.   Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten

Referentie: Artikelen 88 en 89 van de GB-verordening

Tabel 14: Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten

Indicatie van het gebruik van de artikelen 88 en 89:  (*8)

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Gebruik van terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages in het kader van een prioriteit, op grond van artikel 88 van de GB-verordening

Prioriteit 1

EFRO

SD 1

SD 2

Prioriteit 2

ESF+

SD 3

SD 4

Prioriteit 3

CF

SD 5

SD 6

Gebruik van financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89 van de GB-verordening

Prioriteit 1

EFRO

SD 7

SD 8

Prioriteit 2

ESF+

SD 9

SD 10

Prioriteit 3

CF

SD 11

SD 12

AANHANGSELS

Terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages (artikel 88 van de GB-verordening)

Financiering die geen verband houdt met kosten (artikel 89 van de GB-verordening)

EFMZV-actieplan voor kleinschalige kustvisserij

EFMZV-actieplan voor ieder ultraperifeer gebied


(1)  De cijfers tussen vierkante haken geven het aantal tekens aan.

(*1)  Specifieke prioriteiten volgens de ESF+-verordening

(*2)  De gegevens in deze tabel zullen dienen als technische input om vooraf elektronisch andere velden en tabellen in het model in te vullen. Niet van toepassing op het EFMZV. [Am. 405]

(**)  Zo ja, ga naar punt 2.1.2 [Am. 406]

(2)  Met uitzondering van een specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii xi ), van de ESF+-verordening.

(3)  Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, uitsplitsing voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.

(4)  Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, uitsplitsing voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.

(5)  Uitsluitend voor programma's die beperkt blijven tot de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii) xi), van de ESF+-verordening.

(6)  Alleen van toepassing op programmawijzigingen in overeenstemming met de artikelen 10 en 21 van de GB-verordening.

(*3)  Cumulatieve bedragen voor alle bijdragen tijdens de programmeringsperiode.

(*4)  Cumulatieve bedragen voor alle overdrachten tijdens de programmeringsperiode.

(*5)  Cumulatieve bedragen voor alle overdrachten tijdens de programmeringsperiode.

(7)  Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, financiële toewijzingen voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.

(*6)  Voor het EFRO: minder ontwikkeld, overgang en meer ontwikkeld en, in voorkomend geval, speciale toewijzing voor ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio’s. Voor het ESF+: minder ontwikkeld, overgang en meer ontwikkeld en, in voorkomend geval, aanvullende toewijzing voor ultraperifere regio’s. Voor het CF: niet van toepassing. Voor technische bijstand hangt de toepassing van regiocategorieën af van de selectie van een fonds.

(*7)  Indien relevant voor alle regiocategorieën.

(*8)  Volledige informatie wordt verstrekt overeenkomstig de modellen die gehecht zijn aan de GB-verordening.

Aanhangsel 1: Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 88)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.     Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Regiocategorie

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de SCO zal worden toegepast in % (raming)

Soort(en) concrete actie

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

Soort SCO (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bijbehorende standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

(in nationale valuta)

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

Code

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.     Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Heeft de beheersautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

Zo ja, gelieve te specificeren welk extern bedrijf:
Ja/Nee — Naam van het externe bedrijf

Soorten activiteiten:

1.1.

Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2

Prioriteit / specifieke doelstelling(en) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

 

1.3

Naam van de indicator (1)

 

1.4

Meeteenheid voor indicator

 

1.5

Standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.6

Bedrag

 

1.7

Categorieën kosten die worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8

Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (J/N)

 

1.9

Aanpassingsmethode

 

11.10

Verificatie van de verwezenlijking van de meeteenheid

welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de meeteenheid te verifiëren?

beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie.

welke regelingen zullen worden gebruikt om de beschreven gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan?

 

1.11

Mogelijk averechtse prikkels of problemen als gevolg van deze indicator, de wijze waarop deze kunnen worden verminderd, en het geraamde risiconiveau

 

1.12

Totaalbedrag (nationaal en Europees) dat naar verwachting zal worden vergoed

 

C:     Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.

Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering enz.).

 

2.

Geef aan waarom de voorgestelde methode en berekening relevant zijn voor het soort concrete actie.

 

3.

Geef aan hoe de berekeningen werden gemaakt, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en bij deze bijlage worden gevoegd in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie.

 

4.

Leg uit hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages.

 

5.

Beoordeling door de auditautoriteit(en) van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen.

 


(1)  Er zijn verschillende aanvullende indicatoren mogelijk (bijvoorbeeld een outputindicator en resultaatindicator) voor één soort concrete actie. In deze gevallen moeten de velden 1.3 t/m 1.11 worden ingevuld voor elke indicator.

Aanhangsel 2: Financiering die geen verband houdt met kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 89)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.     Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Regiocategorie

Het totale bedrag dat wordt gedekt door financiering die geen verband houdt met kosten

Soort(en) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden behaald

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

 

 

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het totale bedrag dat wordt gedekt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.     Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Soorten activiteiten:

1.1.

Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2

Betrokken prioriteit / specifieke doelstelling(en) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

 

1.3

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4

Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5

Definitie van de indicator van de prestaties

 

1.6

Meeteenheid voor indicator van de prestaties

 

1.7

Tussentijdse prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie met tijdschema voor terugbetaling

Tussentijdse prestaties

Datum

Bedragen

 

 

 

 

 

 

1.8

Totaalbedrag (met inbegrip van EU- en nationale financiering)

 

1.9

Aanpassingsmethode

 

1.10

Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, waar van toepassing, de tussentijdse prestaties)

beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren

beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

beschrijf wat de regelingen zijn om de gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11

Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 

Aanhangsel 3: EFMZV-actieplan voor kleinschalige kustvisserij

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

1.   Beschrijving van de kleinschalige kustvloot

Tekstveld [5 000 ]

2.   Algemene beschrijving van de strategie voor de ontwikkeling van winstgevende en duurzame kleinschalige kustvisserij

Tekstveld [5 000 ] en indicatief, uit het EFMZV toegewezen totaalbedrag

3.   Beschrijving van de specifieke acties in het kader van de strategie voor de ontwikkeling van winstgevende en duurzame kleinschalige kustvisserij

Beschrijving van de voornaamste acties

Indicatief bedrag toegewezen uit het EFMZV (EUR)

Aanpassing en beheer van de viscapaciteit

Tekstveld [10 000 ]

 

Bevordering van duurzame, klimaatbestendige en koolstofarme visserijpraktijken die de schade aan het milieu tot het minimum beperken

Tekstveld [10 000 ]

 

Versterking van de waardeketen van de sector en bevordering van marketingstrategieën

Tekstveld [10 000 ]

 

Bevordering van vaardigheden, kennis, innovatie en capaciteitsopbouw

Tekstveld [10 000 ]

 

Verbetering van de gezondheid, veiligheid en werkomstandigheden aan boord van vissersvaartuigen

Tekstveld [10 000 ]

 

Betere naleving van de regels inzake gegevensverzameling, traceerbaarheid, toezicht, controle en bewaking

Tekstveld [10 000 ]

 

Betrokkenheid van kleinschalige exploitanten in het participatieve beheer van de maritieme ruimte, met inbegrip van beschermde mariene gebieden en Natura 2000-gebieden

Tekstveld [10 000 ]

 

Diversificatie van activiteiten in de bredere duurzame blauwe economie

Tekstveld [10 000 ]

 

Collectieve organisatie en deelname van kleinschalige exploitanten in de besluitvormings- en adviesprocessen

Tekstveld [10 000 ]

 

4.   Waar passend, de uitvoering van de vrijwillige FAO-richtsnoeren voor duurzame kleinschalige visserij

Tekstveld [10 000 ]

5.   Waar passend, de uitvoering van het regionale actieplan voor kleinschalige visserij van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee

Tekstveld [10 000 ]

6.   Indicatoren

Tabel 1: Outputindicatoren

Titel van de outputindicator

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling (2029)

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 2: Resultaatindicatoren

Titel van de outputindicator

Meeteenheid

Uitgangswaarde

Referentiejaar

Doelstelling (2029)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aanhangsel 4: EFMZV-actieplan voor ieder ultraperifeer gebied

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

1.   Beschrijving van de strategie voor de duurzame exploitatie van de visserijbestanden en de ontwikkeling van de duurzame blauwe economie

Tekstveld [30 000 ]

2.   Beschrijving van de belangrijkste beoogde acties en de bijbehorende financiële middelen

Beschrijving van de voornaamste acties

Bedrag toegewezen uit het EFMZV (EUR)

Structurele steun voor de visserij- en aquacultuursector in het kader van het EFMZV

Tekstveld [10 000 ]

 

Compensatie voor de extra kosten in het kader van artikel 21 van de EFMZV-verordening

Tekstveld [10 000 ]

 

Andere investeringen in de duurzame blauwe economie die nodig zijn voor de duurzame ontwikkeling van de kustgebieden

Tekstveld [10 000 ]

 

3.   Beschrijving van de synergie-effecten met andere bronnen van financiering door de Unie

Tekstveld [10 000 ]

4.   Beschrijving van de synergie-effecten met het actieplan voor kleinschalige kustvisserij

Tekstveld [10 000 ]

BIJLAGE VI

Model van een programma voor het AMIF, het ISF en het BMVI — artikel 16, lid 3

CCI-nummer

 

Titel in het Engels

[255 tekens (1)]

Titel in de nationale taal

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer wijzigingsbesluit lidstaat

 

Datum inwerkingtreding wijzigingsbesluit lidstaat

 

1.   Programmastrategie: belangrijkste problemen en beleidsreacties

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder a), punten i) t/m v) en vii), en artikel 17, lid 3, onder b)

In deze rubriek wordt toegelicht hoe het programma zal omgaan met de belangrijkste vraagstukken die zijn vastgesteld in de partnerschapsovereenkomst, wordt een samenvatting gegeven van de vraagstukken die op nationaal niveau zijn vastgesteld op basis van lokale, regionale en nationale beoordelingen van de behoeften en/of strategieën. Er wordt een overzicht gegeven van de stand van de uitvoering van het relevante EU-acquis en de resultaten die in het kader van EU-actieplannen zijn geboekt, en er wordt beschreven hoe het fonds de ontwikkeling ervan zal ondersteunen tijdens de programmeringsperiode.


Tekstveld [15 000 ]

2.   Specifieke doelstellingen (herhaald voor elke andere specifieke doelstelling dan de doelstelling technische bijstand)

Referentie: Artikel 17, lid 2, en artikel 17, lid 4

2.1.   Titel van de specifieke doelstelling [300]

2.1.1.   Beschrijving van een specifieke doelstelling

In deze paragraaf wordt voor elke specifieke doelstelling de uitgangssituatie en belangrijkste uitdagingen beschreven en worden door het fonds ondersteunde reacties voorgesteld. Er wordt beschreven welke operationele doelstellingen met de steun van het Fonds worden nagestreefd en hij bevat een indicatieve lijst van acties in het kader van de artikelen 3 en 4 van de AMIF-, ISF- en BMVI-verordeningen.

Meer bepaald: Operationele steun wordt gemotiveerd overeenkomstig artikel 17 van de ISF-verordening, de artikelen 17 en 18 van de BMVI-verordening of artikel 20 van de AMIF-verordening. Inbegrepen is een indicatieve lijst van begunstigden met hun wettelijke verantwoordelijkheden, belangrijkste taken die moeten worden ondersteund, en een indicatie van het aantal personeelsleden dat moet worden ondersteund voor iedere begunstigde en taak. Voor het ISF moet de operationele steun worden beschreven in punt 4 van het model.

Met betrekking tot specifieke acties wordt beschreven hoe de actie zal worden uitgevoerd en wordt het toegewezen bedrag gerechtvaardigd. Bovendien stelt de leidende lidstaat voor gezamenlijke specifieke acties een lijst van deelnemende lidstaten op, waarin onder meer hun rol en, indien van toepassing, hun financiële bijdrage zijn opgenomen.

Met betrekking tot noodhulp wordt beschreven hoe de actie zal worden uitgevoerd en wordt het toegewezen bedrag gerechtvaardigd.

Gepland gebruik van financieringsinstrumenten (indien van toepassing).

Uitsluitend AMIF: hervestiging en solidariteit moeten afzonderlijk worden gepresenteerd.

Tekstveld [16 000 tekens]

2.1.2   Indicatoren

Tabel 1: Outputindicatoren

Specifieke doelstelling

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling (2029)

 

 

 

 

 

 


Tabel 2: Resultaatindicatoren

Specifieke doelstelling

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Uitgangs- of referentiewaarde

Referentiejaar

Doelstelling (2029)

Bron van gegevens [200]

Opmerkingen [200]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.1.3   Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per interventietype.

Referentie: Artikel 17, lid 5, en artikel 10, lid 16, van de BMVI-verordening of artikel 10, lid 9, van de ISF-verordening of artikel 10, lid 8, van de AMIF-verordening

Tabel 3

Specifieke doelstelling

Interventietype

Code

Indicatief bedrag (EUR)

 

 

 

 

1.1.   Operationele steun (uitsluitend ISF)

Deze rubriek is alleen van toepassing op programma’s met steun uit het ISF en een geeft een motivering voor het gebruik ervan in overeenstemming met artikel 17 van de ISF-verordening. Inbegrepen is een indicatieve lijst van begunstigden met hun wettelijke verantwoordelijkheden, belangrijkste taken die moeten worden ondersteund, en een indicatie van het aantal personeelsleden dat moet worden ondersteund voor iedere begunstigde en taak. Zie ook bovenstaand punt 2.1.1.

Tekstveld [5 000 ]


Tabel 4

Interventietype

Code

Indicatief bedrag (EUR)

 

 

 

1.2.   Technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder e), artikel 30, artikel 31 en artikel 89 van de GB-verordening

Tekstveld [5 000 ] (Technische bijstand in het kader van forfaitaire betalingen)

Tekstveld [3 000 ] (technische bijstand in het kader van betalingen die geen verband houden met kosten)


Tabel 5

Interventietype

Code

Indicatief bedrag (EUR)

 

 

 

3.   Financieel plan

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f)

3.1.   Financiële toewijzingen per jaar

Tabel 6

Fonds

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2   Totale financiële toewijzingen uit het fonds en nationale medefinanciering

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt iv)

Tabel 7

Specifieke doelstelling

Soort actie

Grondslag voor de berekening van de EU-steun (totaal of publiek)

EU-bijdrage (a)

Nationale bijdrage (b)=(c)+(d)

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

e=(a)+(b)

Medefinancieringspercentage (f)=(a)/(e)

publiek (c)

particulier (d)

Specifieke doelstelling 1

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

Totaal voor SD 1

 

 

 

 

 

 

 

 

SD 2

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

Totaal voor SD 2

 

 

 

 

 

 

 

 

SD 3

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

Totaal voor SD 3

 

 

 

 

 

 

 

 

TA (artikel 30 van de GB-verordening)

 

 

 

 

 

 

 

 

TA (artikel 31 van de GB-verordening)

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 8 [alleen AMIF]

Aantal personen per jaar

Categorie

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Hervestiging

 

 

 

 

 

 

 

Toelating op humanitaire gronden

 

 

 

 

 

 

 

[andere categorieën]

 

 

 

 

 

 

 

4.   Randvoorwaarden

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder h)

Tabel 9

Randvoorwaarde

Naleving van de randvoorwaarde

Criterium

Naleving van criteria

Verwijzing naar relevante documenten

Motivering

 

 

Criterium 1

J/N

[500]

[1000]

 

 

Criterium 2

 

 

 

5.   Programma-autoriteiten

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder j), de artikelen 65 en 78 van de GB-verordening

Tabel 10

Naam van de instelling [500]

Naam en functie contactpersoon [200]

E-mail [200]

Beheersautoriteit

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Orgaan dat betalingen van de Commissie ontvangt

 

 

 

6.   Partnerschap

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder g)

Tekstveld [10 000 ]

7.   Communicatie en zichtbaarheid

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder i), en artikel 42, lid 2, van de GB-verordening

Tekstveld [4 500 ]

8.   Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten

Referentie: Artikelen 88 en 89 van de GB-verordening

Indicatie van het gebruik van de artikelen 88 en 89 (*1):

Specifieke doelstelling

Gebruik van terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages in het kader van een prioriteit, op grond van artikel 88 van de GB-verordening

 

Gebruik van financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89 van de GB-verordening

 

AANHANGSELS

Terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages (artikel 88 van de GB-verordening)

Financiering die geen verband houdt met kosten (artikel 89 van de GB-verordening)


(1)  De cijfers tussen vierkante haken geven het aantal tekens aan.

(*1)  Volledige informatie wordt verstrekt overeenkomstig de modellen in de aanhangsels.

Aanhangsel 1: Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 88)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.     Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de SCO zal worden toegepast in % (raming)

Soort(en) concrete actie

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

Soort SCO (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bijbehorende standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

 

 

Code

Beschrijving

Code

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.     Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Heeft de beheersautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

Zo ja, gelieve te specificeren welk extern bedrijf:
Ja/Nee — Naam van het externe bedrijf

Soorten activiteiten:

1.1.

Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2

Betrokken prioriteit / specifieke doelstelling(en) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

 

1.3

Naam van de indicator (1)

 

1.4

Meeteenheid voor indicator

 

1.5

Standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.6

Bedrag

 

1.7

categorieën kosten die worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8

Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (J/N)

 

1.9

Aanpassingsmethode

 

11.10

Verificatie van de verwezenlijking van de meeteenheid

beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de meeteenheid te verifiëren

beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

beschrijf welke regelingen er zijn om de beschreven gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11

Mogelijk averechtse prikkels of problemen als gevolg van deze indicator, de wijze waarop deze kunnen worden verminderd, en het geraamde risiconiveau

 

1.12

Totaalbedrag (nationaal en Europees) dat naar verwachting zal worden vergoed

 

C:     Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.

Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering enz.).

 

2.

Gelieve aan te geven waarom de voorgestelde methode en berekening relevant zijn voor het soort concrete actie:

 

3.

Geef aan hoe de berekeningen werden gemaakt, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en bij deze bijlage worden gevoegd in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie.

 

4.

Leg uit hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages.

 

5.

Beoordeling door de auditautoriteit(en) van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen.

 


(1)  Er zijn verschillende aanvullende indicatoren (bijvoorbeeld een outputindicator en resultaatindicator) mogelijk voor één soort concrete actie. In deze gevallen moeten de velden 1.3 t/m 1.11 worden ingevuld voor elke indicator.

Aanhangsel 2: Financiering die niet gekoppeld is aan kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 89)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.     Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het totale bedrag dat wordt gedekt door niet aan kosten gekoppelde financiering

Soort(en) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden behaald

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het totale bedrag dat wordt gedekt

 

 

 

 

 

 

 

B.     Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Soorten activiteiten:

1.1.

Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2

Betrokken prioriteit/specifieke doelstelling(en)

 

1.3

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4

Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5

Definitie van de indicator van de prestaties

 

1.6

Meeteenheid voor indicator van de prestaties

 

1.7

Tussentijdse prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie met tijdschema voor terugbetaling

Tussentijdse prestaties

Datum

Bedragen

 

 

 

 

 

 

1.8

Totaalbedrag (met inbegrip van EU- en nationale financiering)

 

1.9

Aanpassingsmethode

 

1.10

Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, waar van toepassing, de tussentijdse prestaties)

welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren

beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

welke regelingen zullen worden gebruikt om de beschreven gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan?

 

1.11

Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 

BIJLAGE VII

Model voor de indiening van gegevens — artikel 37 en artikel 68, lid 1, onder g) (1)

TABEL 1: Financiële informatie op het niveau van de prioriteit en op programmaniveau (artikel 37, lid 2, onder a))

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

De financiële toewijzing van de prioriteit op basis van het programma

Cumulatieve gegevens over de financiële vooruitgang van het programma

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Fonds

Regiocategorie

Grondslag voor de berekening van de bijdrage van de Unie*

(Totale bijdrage of overheidsbijdrage)

Totale financiële toewijzing

(in EUR)

Medefinancieringspercentage

(%)

Totale subsidiabele kosten van de concrete acties die voor steun zijn geselecteerd (EUR)

Bijdrage uit de fondsen aan concrete acties die voor steun zijn geselecteerd (EUR)

Deel van de totale toewijzing besteed aan de geselecteerde concrete acties (%)

[kolom 7 / kolom 5 x 100]

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Deel van de totale toewijzing gedekt door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties (%)

[kolom 10 / kolom 5 x 100]

[kolom 10/kolom 5x100]

Aantal geselecteerde concrete acties

 

 

 

Berekening

 

Berekening

 

<type="S"input="G">

<type="S" input="G">

<type="S"input="G">

<type="S"input="G">

<type="S’"input="G">

<type="N" input="G">

<type="P"input="G">

<type="Cu" input="M">

 

<type="P" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="P" input="G">

<type="N" input="M">

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 1

SD 1

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

SD 2

ESF+

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 3

SD 3

Cohesiefonds

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

EFRO

Minder ontwikkeld

 

<type="N"input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P"input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="P" input="G">

<type="N"input="G">

Totaal

 

EFRO

Overgang

 

<type="N" input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P'"input='"G">

<type="Cu"input="G">

<type="P" input="G">

<type="N"input="G">

Totaal

 

EFRO

Meer ontwikkeld

 

<type="N" input="G">

 

<type="Cu"input="G">

 

<type="P" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="P" input="G">

<type="N"input="G">

Totaal

 

EFRO

Speciale toewijzing voor ultraperifere gebieden of noordelijke dunbevolkte gebieden

 

<type="N"input="G">

 

<type="Cu"input="G">

 

<type="P" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="P"input="G">

<type="N"input="G">

Totaal

 

ESF

Minder ontwikkeld

 

<type="N" input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P"input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="P" input="G">

<type="N"input="G">

Totaal

 

ESF

Overgang

 

<type="N" input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P" input="G">

<type="Cu"input="G">

<type="P" input="G">

<type="N"input="G">

Totaal

 

ESF

Meer ontwikkeld

 

<type="N"input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P" input='"G">

<type="Cu" input="G">

<type="P" input="G">

<type="N" input="G">

Totaal

 

ESF

Speciale toewijzing voor ultraperifere regio's

 

<type="N"input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P"input="G">

<type="Cu"input="G">

<type="P" input="G">

<type="N" input="G">

Totaal

 

Cohesiefonds

n.v.t.

 

<type="N" input="G">

 

<type="Cu" input="G">

 

<type="P"input="G">

<type="Cu"input="G">

<type="P’"input="G">

<type="N"input="G">

Algemeen totaal

 

Alle fondsen

 

 

<type="N" input="G">

 

<type="N" input="G">

 

<type="P"input="G">

<type="N" input="G">

<type="P" input="G">

<type="N"input="G">


TABEL 2: Uitsplitsing van de cumulatieve financiële gegevens per interventietype (artikel 37, lid 2, onder a))

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Kenmerken van de uitgaven

Indeling dimensie

Financiële gegevens

 

 

Fonds

Regiocategorie

1

Interventiegebied

2

Financieringsvorm

3

Dimensie territoriale uitvoering

4

Dimensie economische activiteit

5

Dimensie plaats van uitvoering

6

Secundair thema ESF+

7

Macroregionale en zeebekkendimensie

Totale subsidiabele kosten van de concrete acties die voor steun zijn geselecteerd (EUR)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Aantal geselecteerde concrete acties

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S"input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="S" input="S">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu"input="M">

<type="N"input="M">


TABEL 3: Gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds (artikel 37, lid 2, onder b))

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

Gegevens over outputindicatoren uit het operationele programma

[overgenomen uit tabel 2 van het operationele programma]

Voortgang tot op heden ten aanzien van outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Fonds

Regiocategorie

ID

Naam indicator

Uitsplitsing indicator (2)

(waarvan:)

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling 2029

Huidige verwachting

[dd/mm/jj]

Huidige verwezenlijking

[dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

<type="S"input="G">  (3)

<type="S" input="G">

<type="S"input="G">

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="S"input="G">

<type="S"input="G">

<type="S"input="G">

<type="S" input="G">

<type="N" input="G">

<type="N" input="M">

<type="N"input="M">

<type="C" input="S">

<type="S" input="M">

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


TABEL 4: Salarissen van het personeel die op programmaniveau worden gefinancierd door het EFRO en het Cohesiefonds (artikel 37, lid 2, onder b))

Fonds

ID

Naam indicator

Meeteenheid

Tot dusver behaalde jaarlijkse waarde [dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

2021

2029

<type="S" input="M">

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="N" input="M">

<type="N" input="M">

<type="N"input="M">

<type="C" input="S">

<type="S" input="M">

 

RCO xx

Door het fonds gefinancierd personeel

VTE

 

 

 

 

 


TABEL 5: Meervoudige steun aan ondernemingen voor het EFRO en het Cohesiefonds op programmaniveau (artikel 37, lid 2, onder b))

ID

Naam indicator

Uitsplitsing indicator

(waarvan:)

Aantal ondernemingen zonder de meervoudige steun op

[dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

<type="S"input="G">

<type="S"input="G">

<type="S"input="G">

<type="N"input="M">

<type="C"input="S">

<type="S" input="M">

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Micro

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Klein

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Middelgroot

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Groot

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Totaal

<type="N" input="G">

 

 


TABEL 6: Gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds (artikel 37, lid 2, onder b))

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

15.

16.

Gegevens over resultaatindicatoren uit het operationele programma [overgenomen uit tabel 3 van het operationele programma]

Voortgang tot op heden ten aanzien van resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Fonds

Regiocategorie

ID

Naam indicator

Uitsplitsing indicator (4)

(waarvan:)

Meeteenheid

Uitgangswaarde in het programma

Doelstelling 2029

Geactualiseerde uitgangswaarde [dd/mm/jj]

Huidige waarde [dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

Prognose

Voltooid

Prognose

Behaald

<type="S"input="G">  (5)

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="S" input="G">

<type="S"input="G">

<type="S"input="G">

<type="N" input="G">

<type="N" input="G">

<type="N"input="M">

<type="N" input="M">

<type="N" input="M">

<type="N'"input="M">

<type="C" input="S">

<type="S"input="M">

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


TABEL 7: Een prognose van het bedrag waarvoor de lidstaat betalingsaanvragen verwacht in te dienen voor het lopende en het volgende kalenderjaar (artikel 68, lid 1, onder g))

Dit moet voor ieder programma ingevuld worden naar fonds en naar regiocategorie, voor zover van toepassing

Fonds

Regiocategorie

Bijdrage van de Unie

[lopend kalenderjaar]

[volgend kalenderjaar]

Januari — oktober

November — december

Januari — december

EFRO

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's (6)

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

ETS

 

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

ESF

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Ultraperifere regio's (7)

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Cohesiefonds

 

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

EFMZV

 

 

 

 

AMF

 

 

 

 

ISF

 

 

 

 

BMVI

 

 

 

 


TABEL 8: Gegevens over financieringsinstrumenten (artikel 37, lid 3)

Prioriteit

Kenmerken van de uitgaven

Subsidiabele uitgaven per product

Bedrag van particuliere en overheidsmiddelen die bovenop de fondsen zijn gemobiliseerd

Bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen

Rente en andere voordelen als gevolg van steun uit de fondsen aan financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 54

Teruggevloeide middelen die zijn toe te rekenen aan steun uit de fondsen als bedoeld in artikel 56

 

Fonds

Specifieke doelstelling

Regiocategorie

Leningen

(code financieringsvorm voor FI)

Garantie

(code financieringsvorm voor FI)

Eigen vermogen of quasi-eigenvermogen (code financieringsvorm voor FI)

Aanvullende steun gecombineerd binnen FI

(code financieringsvorm voor FI)

Leningen

(code financieringsvorm voor FI)

Garantie

(code financieringsvorm voor FI)

Eigen vermogen of quasi-eigenvermogen

(code financieringsvorm voor FI)

Aanvullende steun gecombineerd binnen FI

(code financieringsvorm voor FI)

Input = selectie

Input = selectie

Input = selectie

Input = selectie

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel


(1)  Legende voor de kenmerken van de velden:

soort: N = aantal, D = datum, S = string, C = checkbox, P = percentage, B = booleaans, Cu = munteenheid

input: M = manueel, S = selectie, G = gegenereerd door systeem

(2)  Enkel van toepassing op sommige indicatoren. Zie de richtsnoeren van de Commissie voor meer details.

(3)  Legende voor de kenmerken van de velden:

soort: N=aantal, S=string, C=checkbox

input: M = manueel, S = selectie, G = gegenereerd door systeem

(4)  Enkel van toepassing op sommige indicatoren. Zie de richtsnoeren van de Commissie voor meer details.

(5)  Legende voor de kenmerken van de velden:

soort: N=aantal, S=string, C=checkbox

input: M = manueel, S = selectie, G = gegenereerd door systeem

(6)  Hier moet alleen de specifieke toewijzing voor ultraperifere / noordelijke dunbevolkte regio's worden vermeld.

(7)  Hier moet alleen de specifieke toewijzing voor ultraperifere regio's worden vermeld.

BIJLAGE VIII

Communicatie en zichtbaarheid — artikelen 42 en 44

1.   Gebruik en technische kenmerken van het embleem van de Unie

1.1.

Het embleem van de Europese Unie krijgt een prominente plaats op alle communicatiemateriaal, waaronder drukwerk en digitale producten, websites en mobiele versies ervan, in verband met de uitvoering van een concrete actie, gebruikt voor het publiek of voor deelnemers.

1.2.

Naast het embleem wordt steeds voluit “Gefinancierd door de EUROPESE UNIE” of “Medegefinancierd door de EUROPESE UNIE” vermeld.

1.3.

Voor de tekst bij het embleem van de Unie mogen de volgende lettertypes worden gebruikt: Arial, Auto, Calibri, Garamond, Trebuchet, Tahoma, Verdana, Ubuntu. Cursief lettertype, onderstreepte varianten of andere effecten mogen niet worden gebruikt.

1.4.

De plaatsing van de tekst ten opzichte van het embleem van de Unie mag op geen enkele wijze overlappen met het embleem van de Unie.

1.5.

De gebruikte lettergrootte staat in verhouding tot de grootte van het embleem.

1.6.

De kleur van het lettertype moet reflex blue, zwart of wit zijn, afhankelijk van de achtergrond.

1.7.

Het embleem van de Europese Unie wordt niet gewijzigd of samengevoegd met andere grafische elementen of teksten. Indien andere logo’s worden aangebracht naast het embleem van de Unie, moet het embleem van de Unie ten minste even groot zijn als het grootste van de andere logo’s. Behalve het embleem van de Unie mag geen enkele andere visuele identiteit en geen enkel ander logo worden gebruikt om de steun van de Unie te benadrukken.

1.8.

Indien op eenzelfde locatie verschillende concrete acties plaatsvinden die door dezelfde of verschillende instrumenten worden ondersteund, of indien voor dezelfde concrete actie op een later tijdstip extra financiering wordt verstrekt, wordt slechts één plaat of bord geplaatst.

1.9.

Grafische normen voor het embleem van de Unie en de definitie van standaardkleuren:

A)   SYMBOLISCHE BESCHRIJVING

Tegen een azuurblauwe achtergrond vormen twaalf gouden sterren een cirkel, die de eenheid van de Europese volkeren voorstelt. Het aantal sterren is onveranderlijk vastgesteld op twaalf, omdat dit getal het symbool is van volmaaktheid en volledigheid.

B)   HERALDISCHE BESCHRIJVING

Een cirkel van twaalf vijfpuntige gouden sterren, waarvan de punten elkaar niet raken, tegen een azuurblauwe achtergrond.

C)   GEOMETRISCHE BESCHRIJVING

Image 14

Het embleem heeft de vorm van een rechthoek waarvan de lange zijde gelijk is aan anderhalve keer de korte zijde. Twaalf gouden sterren, op regelmatige afstanden geplaatst, vormen een onzichtbare cirkel waarvan het middelpunt op het snijpunt van de diagonalen van de rechthoek ligt. De straal van de cirkel is gelijk aan een derde van de korte zijde van de rechthoek. Elk van de vijfpuntige sterren is in een onzichtbare cirkel gevat, waarvan de straal gelijk is aan 1/18e van de korte zijde van de rechthoek. Alle sterren zijn verticaal geplaatst, d.w.z. dat één punt naar boven is gericht en de twee onderste punten op een onzichtbare lijn rusten die loodrecht op de korte zijde van de rechthoek staat. De sterren bevinden zich op de cirkel zoals de cijfers op de wijzerplaat van een klok. Het aantal sterren blijft onveranderlijk.

D)   KLEURENREGEL

Het embleem is samengesteld uit de volgende kleuren: PANTONE REFLEX BLUE voor het oppervlak van de rechthoek; PANTONE YELLOW voor de sterren.

E)   VIERKLEURENDRUK

Bij vierkleurendruk moeten de twee standaardkleuren op basis van de vier beschikbare kleuren worden aangemaakt.

Voor het PANTONE YELLOW kan 100 % “Process Yellow” worden gebruikt.

PANTONE REFLEX BLUE wordt verkregen door 100 % “Process Cyan” te mengen met 80 % “Process Magenta”.

INTERNET

PANTONE REFLEX BLUE komt in het webpalet overeen met de kleur RGB:0/51/153 (hexadecimaal: 003399) en PANTONE YELLOW met de kleur RGB: 255/204/0 (hexadecimaal: FFCC00).

AFDRUK IN ÉÉN KLEUR

Wanneer alleen met zwart kan worden gewerkt, worden zwarte sterren tegen een witte achtergrond in een zwart omlijnde rechthoek gezet.

Image 15

Wanneer geen geel beschikbaar is, maar wel blauw (Reflex Blue), worden de sterren in negatief wit op een achtergrond van 100 % Reflex Blue geplaatst.

Image 16

AFDRUK OP GEKLEURDE ACHTERGROND

Wanneer een gekleurde achtergrond onvermijdelijk is, moet de rechthoek met een wit kader worden omgeven waarvan de breedte gelijk is aan 1/25e van de korte zijde van de rechthoek.

Image 17

De beginselen voor het gebruik van het embleem van de Unie door derden worden uiteengezet in een administratieve overeenkomst met de Raad van Europa (1).

2.

De in artikel 44, lid 6, bedoelde intellectuele-eigendomsrechten geven de EU de volgende rechten:

2.1.

intern gebruik, d.w.z. het recht om communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid te reproduceren, te kopiëren en beschikbaar te stellen aan instellingen en agentschappen van de EU en van de EU-lidstaten, alsook aan het personeel ervan;

2.2.

reproductie van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;

2.3.

communicatie aan het publiek van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid met welk communicatiemiddel dan ook;

2.4.

verspreiding onder het publiek van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid (of kopieën daarvan) in welke vorm dan ook;

2.5.

opslag en archivering van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid;

2.6.

verlening van sublicenties op de rechten op het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid aan derden.

2.7.

Er kunnen aanvullende rechten worden verleend aan de EU.


(1)  OJ 2012/C 271/04 van 8.9.2012

BIJLAGE IX

Elementen voor financieringsovereenkomsten en strategiedocumenten — artikel 53

1.   Elementen van de financieringsovereenkomst voor financieringsinstrumenten die ten uitvoer worden gelegd krachtens artikel 53, lid 3

a)

de investeringsstrategie of het investeringsbeleid, met inbegrip van de uitvoeringsregeling, de financiële producten die zullen worden aangeboden, de beoogde eindontvangers, en (in voorkomend geval) de voorgenomen combinatie met subsidiëring;

b)

een ondernemingsplan of een soortgelijke documentatie met het oog op de uitvoering van het financieringsinstrument, met name betreffende het in artikel 52, lid 3, onder a), bedoelde hefboomeffect;

c)

de beoogde resultaten waarvan verwacht wordt dat het financieringsinstrument deze zal halen om bij te dragen de specifieke doelstellingen en de resultaten van de relevante prioriteit;

d)

regelingen inzake de voortgangsbewaking van de investeringen en het investeringsaanbod, met inbegrip van rapportage door het financieringsinstrument aan het holdingfonds en de beheersautoriteit in overeenstemming met artikel 37;

e)

auditvoorschriften, bijvoorbeeld minimumeisen inzake de documentatie die op het niveau van het financieringsinstrument (en in voorkomend geval het holdingfonds) moet worden bijgehouden, en (in voorkomend geval) eisen inzake het voeren van een afzonderlijke boekhouding voor de verschillende steunvormen in overeenstemming met artikel 52, met inbegrip van regels en eisen betreffende de toegang tot documenten door auditautoriteiten van de lidstaten, door controleurs van de Commissie en door de Rekenkamer, om in overeenstemming met artikel 76 een duidelijk controletraject te waarborgen;

f)

voorschriften en procedures voor het beheer van de bijdragen die in overeenstemming met artikel 86 door het programma worden verstrekt, alsook voor het verwachte investeringsaanbod, met inbegrip van voorschriften inzake fiduciaire of afzonderlijke boekhouding overeenkomstig artikel 53;

g)

voorschriften en procedures voor het beheer van rente en andere voordelen zoals bedoeld in artikel 54, met inbegrip van aanvaardbare kastransacties en beleggingen, alsmede de taken en verplichtingen van de betrokken partijen;

h)

regels betreffende de berekening en betaling van de gedane beheerskosten en van de vergoedingen voor het beheer van het financieringsinstrument in overeenstemming met artikel 62;

i)

bepalingen betreffende het hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de fondsen in overeenstemming met artikel 56 en een beëindigingsprocedure voor de bijdrage uit de fondsen van het financieringsinstrument;

j)

voorwaarden voor een eventuele al dan niet volledige intrekking van de programmabijdragen aan de financieringsinstrumenten en in voorkomend geval aan het fonds van fondsen;

k)

regels die ervoor zorgen dat de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren de financieringsinstrumenten onafhankelijk en in overeenstemming met de geldende beroepscode beheren, en uitsluitend handelen in het belang van de partijen die bijdragen verstrekken aan het financieringsinstrument;

l)

regels inzake de vereffening van het financieringsinstrument;

m)

andere voorwaarden voor het verstrekken van bijdragen uit het programma aan het financieringsinstrument;

n)

beoordeling en selectie van de organen die de financieringsinstrumenten uitvoeren, met inbegrip van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling of procedures inzake overheidsopdrachten (alleen met betrekking tot instrumenten die via een holdingfonds worden georganiseerd).

2.   Elementen van de in artikel 53, lid 1, bedoelde strategiedocumenten

a)

de investeringsstrategie of het investeringsbeleid van het financieringsinstrument, de algemene voorwaarden inzake de schuldenproducten, de doelontvangers en de acties die zullen worden ondersteund;

b)

een ondernemingsplan of een soortgelijke documentatie met het oog op de uitvoering van het financieringsinstrument, met name betreffende het in artikel 52 bedoelde hefboomeffect;

c)

het gebruik en hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de fondsen, in overeenstemming met de artikelen 54 en 56;

d)

het toezicht op en de rapportage over de uitvoering van het financieringsinstrument voor de naleving van artikel 37.

BIJLAGE X

Belangrijkste vereisten voor beheers- en controlesystemen en de indeling ervan — artikel 63, lid 1

Tabel 1 — Belangrijkste vereisten voor beheers- en controlesystemen

Betrokken instanties / autoriteiten

1

Een passende scheiding van functies en schriftelijke regelingen voor verslaglegging, toezicht en controle op de taken die zijn gedelegeerd aan een intermediaire instantie

Beheersautoriteit

2

Passende criteria en procedures voor de selectie van concrete acties

Beheersautoriteit

3

Passende informatie voor begunstigden over de toepasselijke voorwaarden voor steun aan de geselecteerde concrete acties

Beheersautoriteit

4

Passende beheersverificaties, met inbegrip van passende procedures voor de controle van de naleving van de voorwaarden voor financiering die geen verband houdt met kosten en voor vereenvoudigde kostenopties

Beheersautoriteit

5

Een doeltreffend systeem om te garanderen dat alle documenten die nodig zijn voor het auditspoor, worden bewaard

Beheersautoriteit

6

Een betrouwbaar elektronisch systeem (met onder meer koppelingen met systemen voor elektronische gegevensuitwisseling met begunstigden) voor de registratie en opslag van gegevens voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, met inbegrip van passende processen ter waarborging van de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers

Beheersautoriteit

7

De doeltreffende invoering van evenredige maatregelen tegen fraude

Beheersautoriteit

8

Passende procedures voor het opstellen van de beheersverklaring

Beheersautoriteit

9

Passende procedures om te bevestigen dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig en regelmatig zijn

Beheersautoriteit

10

Passende procedures voor het opstellen en indienen van de rekeningen en de aanvragen voor tussentijdse betaling

Beheersautoriteit / instantie die de boekhoudfunctie uitoefent

11

Passende scheiding van functies en functionele onafhankelijkheid tussen de auditautoriteit (en andere audit- of controleorganen waarop de auditautoriteit steunt en toezicht houdt, indien van toepassing) en de andere programma-autoriteiten en controlewerkzaamheden uitgevoerd in overeenstemming met internationaal aanvaarde auditnormen

Auditautoriteit

12

Passende systeemaudits

Auditautoriteit

13

Passende audits van concrete acties

Auditautoriteit

14

Passende audits van rekeningen

Auditautoriteit

15

Passende procedures voor het verstrekken van een betrouwbaar auditadvies en voor het opstellen van het jaarlijkse controleverslag

Auditautoriteit


Tabel 2 — Classificatie van de beheers- en controlesystemen op basis van hun al dan niet doeltreffende werking

Categorie 1

Werkt goed. Geen of alleen kleine verbetering nodig.

Categorie 2

Werkt. Enige verbetering nodig.

Categorie 3

Werkt gedeeltelijk. Aanzienlijke verbetering nodig.

Categorie 4

Werkt in wezen niet.

BIJLAGE XI

Elementen voor het auditspoor — artikel 63, lid 5

I.   Verplichte elementen van een auditspoor voor subsidies:

1.

documentatie op basis waarvan kan worden nagegaan of de beheersautoriteit de selectiecriteria toepast, evenals documentatie met betrekking tot de algemene selectieprocedure en de goedkeuring van concrete acties;

2.

een document (subsidieovereenkomst of gelijkwaardig) waarin de voorwaarden voor de steun worden uiteengezet en dat door de begunstigde en de beheersautoriteit / intermediaire instantie is ondertekend;

3.

boekhoudkundige gegevens van door de begunstigde ingediende betalingsaanvragen, zoals geregistreerd in het elektronische systeem van de beheersautoriteit / intermediaire instantie;

4.

documentatie over verificaties met betrekking tot de in artikel 59, artikel 60, lid 2, en artikel 67, lid 3, onder h), vastgestelde vereisten inzake niet-verplaatsing en duurzaamheid;

5.

bewijs van betaling van de overheidsbijdrage aan de begunstigde en van de datum waarop de betaling is verricht;

6.

documentatie tot staving van de administratieve controles en, in voorkomend geval, controles ter plaatse die door de beheersautoriteit / intermediaire instantie zijn uitgevoerd;

7.

informatie over uitgevoerde audits;

8.

documentatie met betrekking tot de follow-up door de beheersautoriteit / intermediaire instantie met het oog op beheersverificaties en auditbevindingen;

9.

documentatie op basis waarvan kan worden nagegaan of de geldende wetgeving is nageleefd;

10.

gegevens met betrekking tot output- en resultaatindicatoren om deze te kunnen afstemmen op de overeenkomstige doelstellingen en gerapporteerde mijlpalen;

11.

documentatie met betrekking tot financiële correcties en kortingen overeenkomstig artikel 92, lid 5, die de beheersautoriteit / intermediaire instantie heeft uitgevoerd op de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven;

12.

in geval van subsidies in de in artikel 48, lid 1, onder a), bedoelde vorm, de facturen (of documenten met vergelijkbare bewijskracht) en het bewijs van betaling door de begunstigde, alsmede de boekhoudkundige gegevens van de begunstigde met betrekking tot de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven;

13.

in geval van subsidies in de in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d) bedoelde vorm en in voorkomend geval, documenten tot staving van de methode voor de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages; de categorieën van kosten die de grondslag vormen voor de berekening; bewijsstukken van kosten die zijn gedeclareerd onder andere categorieën van kosten waarop een vast percentage van toepassing is; de uitdrukkelijke instemming van de beheersautoriteit met de ontwerpbegroting op het document waarin de voorwaarden voor de steun worden vastgesteld; documentatie over de bruto arbeidskosten en de berekening van het uurtarief; indien vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt op basis van bestaande methoden, documentatie waaruit de conformiteit met soortgelijke concrete acties en met de voor de bestaande methode vereiste documenten blijkt, indien van toepassing.

II   Verplichte elementen voor een auditspoor voor subsidies:

1.

documenten betreffende de vaststelling van het financieringsinstrument, zoals financieringsovereenkomsten enz.;

2.

documenten waarin de bedragen zijn vastgesteld die door elk programma en op grond van elke prioriteit aan het financieringsinstrument zijn bijgedragen, de uitgaven die subsidiabel zijn uit hoofde van ieder programma en de rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van de fondsen en het hergebruik van de middelen die aan de fondsen toe te rekenen zijn overeenkomstig de artikelen 54 en 56;

3.

documenten over de werking van het financieringsinstrument, waaronder die met betrekking tot controles, rapportages en beoordelingen;

4.

documenten betreffende de uitstap uit en de afwikkeling van het financieringsinstrument;

5.

documenten over de beheerskosten en -vergoedingen;

6.

aanvraagformulieren of vergelijkbare formulieren, die door de eindbegunstigden zijn ingediend met bewijsstukken, zoals bedrijfsplannen en, indien relevant, eerdere jaarrekeningen;

7.

checklists en verslagen van de instanties die het financieringsinstrument ten uitvoer leggen;

8.

verklaringen met betrekking tot de minimis-steun:

9.

overeenkomsten die met het oog op de steun van het financieringsinstrument zijn ondertekend, met inbegrip van participaties, kredieten, garanties of andere vormen van investering die aan eindbegunstigden worden verstrekt;

10.

bewijs dat de vanuit het financieringsinstrument verstrekte steun voor het beoogde doeleinde zal worden / is ingezet;

11.

bescheiden van de geldstromen tussen de beheersautoriteit en het financieringsinstrument, en binnen het financieringsinstrument op alle niveaus tot aan de eindbegunstigden, en voor garanties het bewijs dat onderliggende leningen werden uitgekeerd;

12.

afzonderlijke bescheiden of boekhoudkundige codes voor een door het financieringsinstrument betaalde bijdrage of een gegeven garantie ten behoeve van de eindbegunstigden.

Bepalingen voor een controlespoor voor terugbetaling van de steun uit de fondsen door de Commissie aan het programma op basis van vereenvoudigde kostenopties of financiering die geen verband houdt met kosten

III.   Verplichte elementen van een auditspoor voor vereenvoudigde kostenopties die moeten worden bijgehouden op het niveau van de beheersautoriteit / intermediaire instantie:

1.

bewijsstukken van kosten die zijn gedeclareerd onder andere categorieën van kosten waarop een vast percentage van toepassing is;

2.

de categorieën kosten en de kosten die de grondslag vormen voor de berekening;

3.

documenten tot staving van de aanpassing van de bedragen, indien van toepassing;

4.

documenten tot staving van de berekeningsmethode indien artikel 48, lid 2, onder a), wordt toegepast.

IV.   Verplichte elementen van een auditspoor voor financiering die geen verband houdt met kosten, die moeten worden bijgehouden op het niveau van de beheersautoriteit / intermediaire instantie:

1.

document met de subsidiabiliteitsvoorwaarden, ondertekend door de begunstigde en de beheersautoriteit / intermediaire instantie, waarin de vorm van de aan de begunstigden verstrekte subsidies wordt vermeld;

2.

bewijsstukken van de voorafgaande instemming van de Commissie met de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, of de resultaten die moeten worden behaald, en de overeenkomstige bedragen (programmagoedkeuring of -wijziging);

3.

documenten tot staving van de naleving van de voorwaarden of de verwezenlijking van resultaten in elk stadium indien in stappen wordt gewerkt, alsmede vóór de definitieve uitgaven bij de Commissie worden gedeclareerd;

4.

documentatie betreffende de selectie en goedkeuring van concrete acties die in aanmerking komen voor financiering die geen verband houdt met kosten.

BIJLAGE XII

E-cohesie: elektronische systemen voor gegevensuitwisseling tussen programma-autoriteiten en begunstigden — artikel 63, lid 7

1.   Verantwoordelijkheden van de programma-autoriteiten met betrekking tot de werking van de systemen voor elektronische gegevensuitwisseling

1.1

Zorgen voor de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en de authenticatie van de verzender overeenkomstig artikel 63, leden 5 en 7, artikel 66, lid 4, en artikel 76 van deze verordening.

1.2

Zorgen voor de beschikbaarheid en werking van de systemen tijdens en buiten de gebruikelijke kantoortijden (behalve bij technisch onderhoud)

1.3

Gebruik van functies in het systeem die voorzien in:

a)

interactieve formulieren en/of formulieren die automatisch door het systeem worden ingevuld aan de hand van de gegevens die tijdens de verschillende stappen in procedures worden opgeslagen;

b)

automatische berekeningen, indien van toepassing;

c)

automatische ingebedde controles die de herhaaldelijke uitwisseling van documenten of informatie beperken;

d)

door het systeem gegenereerde waarschuwingen om begunstigden te informeren dat bepaalde handelingen kunnen worden uitgevoerd;

e)

onlinetracering van de status, die begunstigden de mogelijkheid biedt de actuele status van het project te volgen;

f)

alle voorheen beschikbare gegevens en documenten die door het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling zijn verwerkt.

1.4

Zorgen voor de registratie en opslag van gegevens in het systeem waardoor audits kunnen worden uitgevoerd, alsook administratieve controles van betalingsaanvragen die door de begunstigden worden ingediend overeenkomstig artikel 68, lid 2

2.   Verantwoordelijkheden van de programma-autoriteiten met betrekking tot de modaliteiten voor de indiening van documenten en gegevens voor alle uitwisselingen

2.1

Zorgen voor het gebruik van een elektronische handtekening die overeenkomt met een van de drie typen elektronische handtekening die in Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) zijn gedefinieerd

2.2

Ervoor zorgen dat de datum van indiening van de documenten en gegevens door de begunstigde aan de autoriteiten, en omgekeerd, wordt opgeslagen

2.3

Zorgen voor rechtstreekse toegankelijkheid via een interactieve gebruikersinterface (webtoepassing) of via een technische interface die de automatische synchronisatie en indiening van gegevens tussen de systemen van de begunstigden en de lidstaten mogelijk maakt.

2.4

Toezien op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens van natuurlijke personen, en op bedrijfsvertrouwelijkheid voor rechtspersonen overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (Voor de EER relevante tekst) (4)

(1)  Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12).

(2)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(3)  Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11).

(4)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

BIJLAGE XIII

SFC2021: elektronisch systeem voor gegevensuitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie — artikel 63, lid 8

1.   Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.1

Zorgen voor de werking van een systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (hierna het “SFC2021” genoemd) voor alle officiële uitwisselingen van informatie tussen de lidstaten en de Commissie. Het SFC2021 bevat ten minste de informatie die is gespecificeerd in de modellen die zijn vastgesteld overeenkomstig deze verordening.

1.2

Ervoor zorgen dat het SFC2021 over de volgende kenmerken beschikt:

a)

interactieve formulieren of formulieren die reeds door het systeem zijn ingevuld op basis van eerder in het systeem geregistreerde gegevens;

b)

automatische berekeningen, wanneer deze de invoerinspanningen van gebruikers verminderen;

c)

automatische ingebedde controles om de interne samenhang van de verstrekte gegevens en de consistentie van deze gegevens met de toepasselijke voorschriften te verifiëren;

d)

door het systeem gegenereerde signalen om de gebruikers van het SFC2021 te waarschuwen dat bepaalde acties al dan niet kunnen worden uitgevoerd;

e)

online tracering van de status van de behandeling van de in het systeem ingevoerde informatie;

f)

beschikbaarheid van historische gegevens betreffende alle ingevoerde gegevens voor een operationeel programma;

(g)

beschikbaarheid van een verplichte elektronische handtekening in de zin van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad die als bewijs zal worden erkend in gerechtelijke procedures.

1.3

Zorgen voor een veiligheidsbeleid inzake informatietechnologie voor het SFC2021 dat van toepassing is op het personeel dat het systeem gebruikt overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de Unie, met name Besluit C(2006) 3602 van de Commissie (1) en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

1.4

Aanwijzen van een persoon of personen belast met het vaststellen, handhaven en waarborgen van de correcte toepassing van het veiligheidsbeleid op het SFC2021.

2.   Verantwoordelijkheden van de lidstaten

2.1

Ervoor zorgen dat de overeenkomstig artikel 65, lid 1, aangewezen programma-autoriteiten van de betrokken lidstaat evenals de organen die zijn aangewezen om bepaalde taken uit te voeren die vallen onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit in overeenstemming met artikel 65, lid 3, van deze verordening, in het SFC2021 de gegevens indienen waarvoor zij verantwoordelijk zijn, alsook eventuele aanvullingen daarop

2.2

Toezien op de verificatie van informatie die wordt ingevoerd door een andere persoon dan degene die de gegevens voor die indiening heeft ingevoerd.

2.3

Regelingen treffen voor de hierboven beschreven scheiding van taken via de beheers- en controlesystemen van de lidstaat die in automatische verbinding staan met het SFC2021.

2.4

Benoemen van een persoon of personen belast met het beheer van de toegangsrechten om de volgende taken uit te voeren:

a)

de gebruikers identificeren die om toegang vragen, waarbij wordt gecontroleerd of zij inderdaad in dienst zijn van de organisatie;

b)

de gebruikers inlichten over hun verplichtingen om de veiligheid van het systeem te waarborgen;

c)

verifiëren of de gebruikers aanspraak kunnen maken op het vereiste privilegeniveau in verband met hun taken en hun hiërarchische positie;

d)

verzoeken om intrekking van de toegangsrechten, indien die toegangsrechten niet langer benodigd of gerechtvaardigd zijn;

e)

verdachte gebeurtenissen die de veiligheid van het systeem in gevaar kunnen brengen, snel melden;

f)

zorgen voor de voortdurende juistheid van de identificatiegegevens van de gebruikers door het melden van alle wijzigingen;

g)

de nodige voorzorgsmaatregelen nemen met betrekking tot bescherming van gegevens en bedrijfsvertrouwelijkheid in overeenstemming met de nationale en EU-voorschriften;

h)

de Commissie in kennis stellen van alle wijzigingen die invloed hebben op de capaciteit van de autoriteiten van de lidstaten of gebruikers van het SFC2021 om de in lid 1 bedoelde verplichtingen of hun persoonlijke capaciteit om de in de punten a) tot en met g) bedoelde verantwoordelijkheden uit te voeren.

2.5

Zorgen voor regelingen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens van natuurlijke personen en bedrijfsvertrouwelijkheid voor rechtspersonen in overeenstemming met Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 1995/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) en Verordening (EG) nr. 45/2001.

2.6

Op basis van een risicobeoordeling nationaal, regionaal of lokaal beleid inzake toegang tot SFC2021 vaststellen dat van toepassing is op alle instanties die het SFC2021 gebruiken, met aandacht voor de volgende aspecten:

a)

de IT-veiligheidsaspecten van de werkzaamheden van de persoon of personen die verantwoordelijk is/zijn voor het beheer van de toegangsrechten als bedoeld in afdeling II, punt 3, in geval van toepassing van rechtstreeks gebruik;

b)

voor nationale, regionale of lokale computersystemen die met het SFC2021 zijn verbonden door middel van een onder punt 1 bedoelde technische interface, de beveiligingsmaatregelen waarmee deze systemen kunnen worden afgestemd op beveiligingsvoorschriften van het SFC2021 en die betrekking hebben op:

i)

fysieke beveiliging;

ii)

controle van toegang en gegevensdragers;

iii)

controle van opslag;

iv)

toegangs- en wachtwoordcontrole;

v)

toezicht;

vi)

koppeling met het SFC2021;

vii)

communicatie-infrastructuur;

viii)

personeelsbeheer vóór de aanvang van het dienstverband en tijdens en na het dienstverband;

ix)

incidentbeheer.

2.7

Het in punt 2.6 bedoelde document op verzoek ter beschikking stellen aan de Commissie

2.8

Benoemen van een persoon of personen belast met de handhaving en waarborging van de toepassing van het nationale, regionale of lokale beleid inzake IT-beveiliging en fungeren als contactpunt voor de door de Commissie aangewezen persoon of personen waarnaar wordt verwezen in punt 1.4

3.   Gezamenlijke verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten

3.1

Zorgen voor toegankelijkheid, hetzij rechtstreeks via een interactieve gebruikersinterface (d.w.z. een webtoepassing), hetzij via een technische interface met vooraf vastgestelde protocollen (d.w.z. webdiensten) waardoor de gegevens automatisch kunnen worden gesynchroniseerd en verzonden tussen informatiesystemen van de lidstaten en het SFC2021

3.2

Vaststellen dat de datum voor de elektronische indiening van de informatie door de lidstaat aan de Commissie en vice versa bij elektronische gegevensuitwisseling geldt als datum van indiening van het desbetreffende document

3.3

Ervoor zorgen dat officiële gegevens uitsluitend worden uitgewisseld via het SFC2021 (tenzij in geval van overmacht) en dat de informatie die in de in het SFC2021 ingebedde elektronische formulieren worden verstrekt (hierna “gestructureerde gegevens” genoemd) niet door niet-gestructureerde gegevens worden vervangen en dat gestructureerde gegevens voorrang genieten op niet-gestructureerde gegevens in het geval van inconsistenties.

In geval van overmacht, een storing in het SFC2021 of het ontbreken van een verbinding met het SFC2021 die langer duurt dan één werkdag in de laatste week vóór een voorgeschreven termijn voor de indiening van informatie of in de periode van 18 tot en met 26 december, of vijf werkdagen in andere omstandigheden, kan de uitwisseling van informatie tussen de lidstaat en de Commissie in papieren vorm plaatsvinden met gebruikmaking van de in deze verordening vastgestelde modellen; de datum van indiening is in dat geval de datum van indiening van het betrokken document. Zodra er niet langer sprake is van overmacht, voert de betrokken partij zo snel mogelijk de reeds in papieren vorm verstrekte informatie in het SFC2021 in.

3.4

Ervoor zorgen dat de in het SFC2021-portaal gepubliceerde voorwaarden inzake IT-beveiliging worden nageleefd, alsook de maatregelen die door de Commissie in het SFC2021 worden genomen om de indiening van gegevens te beveiligen, met name wat betreft het gebruik van de in punt 1 bedoelde technische interface.

3.5

Uitvoering geven aan de beveiligingsmaatregelen ter bescherming van de opgeslagen en via het SFC2021 ingediende gegevens, en de doeltreffendheid van deze maatregelen verzekeren.

3.6

Jaarlijks het IT-veiligheidsbeleid van het SFC en het desbetreffende nationale, regionale en lokale IT-veiligheidsbeleid bijwerken en herzien in geval van technologische veranderingen, de vaststelling van nieuwe bedreigingen of andere relevante ontwikkelingen.

(1)  Besluit C(2006) 3602 van de Commissie van 16 augustus 2006 betreffende de beveiliging van door de Europese Commissie gebruikte informatiesystemen.

(2)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(3)  Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11).

(4)  Richtlijn 1995/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

BIJLAGE XIV

Model voor de beschrijving van het beheers- en controlesysteem — artikel 63, lid 9

1.   ALGEMEEN

1.1.

Informatie ingediend door:

Lidstaat:

Titel van het programma / de programma's en CCI-nummer(s): (alle programma’s onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit met een gemeenschappelijk beheers- en controlesysteem):

Naam en e-mailadres van de voornaamste contactpersoon: (orgaan dat verantwoordelijk is voor de beschrijving):

1.2.

De verstrekte informatie beschrijft de situatie op: (dd/mm/jj)

1.3.

Systeemstructuur (algemene informatie en stroomschema met de organisatorische verhouding tussen de autoriteiten/instanties die bij het beheers- en controlesysteem betrokken zijn)

1.3.1.

Beheersautoriteit (naam, adres en contactpersoon binnen de beheersautoriteit):

1.3.2.

Intermediaire instanties (naam, adres en contactpersoon binnen de intermediaire instanties).

1.3.3.

De instantie die de boekhoudfunctie uitoefent (naam, adres en contactpersonen binnen de beheersautoriteit of de programma-autoriteit die de boekhoudfunctie uitoefent)

1.3.4.

Geef aan hoe het beginsel van scheiding van functies tussen en binnen de programma-autoriteiten in acht wordt genomen.

2.   BEHEERSAUTORITEIT

2.1.     Beheersautoriteit en belangrijkste functies van deze autoriteit

2.1.1.

Status van de beheersautoriteit (nationaal, regionaal of lokaal overheidsorgaan of particulier orgaan) en de instelling waar deze deel van uitmaakt.

2.1.2.

Specificatie van de rechtstreeks door de beheersautoriteit uitgeoefende functies en taken.

2.1.3.

Indien van toepassing, specificatie per intermediaire instantie van elk van de functies (1) en taken die door de beheersautoriteit zijn gedelegeerd, identificatie van de intermediaire instanties en de wijze van delegatie. Er moet worden verwezen naar de relevante documenten (schriftelijke overeenkomsten).

2.1.4

Procedures voor het toezicht op de door de beheersautoriteit gedelegeerde functies en taken.

2.1.5.

Kader om ervoor te zorgen dat indien nodig de juiste risicobeheersmaatregelen worden genomen, met name in het geval van belangrijke wijzigingen in het beheers- en controlesysteem.

2.2.     Beschrijving van de organisatie en de procedures met betrekking tot de bevoegdheden en taken van de beheersautoriteit  (2)

2.2.1

Beschrijving van de functies, waaronder de boekhoudfunctie, en taken die door de beheersautoriteit worden uitgevoerd:

2.2.2

Beschrijving van de wijze waarop de werkzaamheden in het kader van de diverse functies, waaronder de boekhoudfunctie, worden georganiseerd, welke procedures van toepassing zijn, welke taken eventueel kunnen worden gedelegeerd, hoe hierop toezicht wordt uitgeoefend, enz.

2.2.3

Organogram van de beheersautoriteit en informatie over hoe deze in relatie staat met alle andere instanties of afdelingen (intern of extern) die functies en taken verrichten als bedoeld in de artikelen 66 tot en met 69.

2.2.4

Indicatie van de geplande middelen die zullen worden toegewezen met betrekking tot de verschillende functies van de beheersautoriteit (met inbegrip van informatie over alle geplande uitbestedingen en hun toepassingsgebied, indien van toepassing).

3.   INSTANTIE DIE DE BOEKHOUDFUNCTIE UITOEFENT

3.1    Statuut en beschrijving van de organisatie en de procedures die verband houden met de functies van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent

3.1.1

Status van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent (nationaal, regionaal of lokaal overheids- of particulier orgaan) en de instelling waar deze deel van uitmaakt, in voorkomend geval.

3.1.2

Beschrijving van de functies en taken van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent, zoals beschreven in artikel 70.

3.1.2

Beschrijving van de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd (werkstromen, processen, interne afdelingen), welke procedures wanneer van toepassing zijn en hoe hierop toezicht wordt gehouden enz.

3.1.3

Indicatie van de geplande middelen die zullen worden toegewezen met betrekking tot de verschillende boekhoudfuncties.

4.   ELEKTRONISCH SYSTEEM

4.1.    Beschrijving van het elektronische systeem of de elektronische systemen, inclusief stroomschema (centraal of gemeenschappelijk netwerksysteem of gedecentraliseerd systeem met koppelingen tussen de systemen) voor:

4.1.1.

De registratie en opslag in elektronische vorm van gegevens over elke concrete actie, inclusief in voorkomend geval gegevens over afzonderlijke deelnemers en een uitsplitsing van gegevens over indicatoren als hierin is voorzien in de verordening;

4.1.2.

De waarborging dat de boekhoudkundige gegevens over elke concrete actie worden geregistreerd en opgeslagen, en dat deze gegevens de voor de opstelling van betalingsaanvragen en rekeningen benodigde gegevens ondersteunen;

4.1.3.

Het behoud van boekhoudkundige gegevens over de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven en de overheidsbijdrage die hiervoor aan de begunstigden is betaald;

4.1.4.

De registratie van alle bedragen die worden ingehouden op de betalingsaanvragen en de rekeningen als bedoeld in artikel 92, lid 5, en de redenen voor deze inhoudingen;

4.1.5.

De vermelding of de systemen doeltreffend functioneren en de vermelde gegevens betrouwbaar kunnen vastleggen op de datum waarop deze beschrijving wordt opgesteld zoals uiteengezet in punt 1.2 hierboven;

4.1.6.

De beschrijving van de procedures ter waarborging van de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de elektronische systemen.

(1)  Met inbegrip van de boekhoudfunctie voor het AMIF, het ISF en het BMVI, aangezien deze onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit valt overeenkomstig artikel 66, lid 3.

(2)  Met inbegrip van de boekhoudfunctie voor het AMIF, het ISF en het BMVI, aangezien deze onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit valt overeenkomstig artikel 66, lid 3.

BIJLAGE XV

Model voor de beheersverklaring — artikel 68, lid 1, onder f)

Ik/wij, ondergetekende(n) (na(a)m(en), voorna(a)m(en), titel(s) of functie(s)), hoofd van de beheersautoriteit voor het programma (naam van het operationeel programma, CCI), verklaar/verklaren

op basis van de uitvoering van (naam van het programma) in het boekjaar dat eindigde op 30 juni (jaar), op basis van mijn/ons eigen oordeel en van alle informatie die tot mijn/onze beschikking stond op de datum waarop de rekeningen bij de Commissie zijn ingediend, waaronder de resultaten van overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) xx/xx uitgevoerde beheersverificaties en audits met betrekking tot de uitgaven in de betalingsaanvragen die bij de Commissie zijn ingediend voor het boekjaar dat eindigde op 30 juni … (jaar),

en rekening houdend met mijn/onze verplichtingen krachtens Verordening (EU) xx/xx,

hierbij dat:

a)

de informatie in de jaarrekening naar behoren wordt weergegeven en volledig en accuraat is, overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. XX,

b)

de in de rekeningen opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en zijn gebruikt voor het beoogde doel,

Ik bevestig/wij bevestigen dat de onregelmatigheden die zijn vastgesteld in de definitieve audit- en controleverslagen met betrekking tot het boekjaar op passende wijze in de rekeningen zijn behandeld, met name om te voldoen aan artikel 92 voor de indiening van rekeningen waarbij wordt verzekerd dat het percentage onregelmatigheden onder de materialiteitsdrempel van 2 % ligt.

Ook verklaar ik/verklaren wij dat uitgaven waarvan de wettigheid en regelmatigheid nog worden gecontroleerd, buiten de jaarrekening zijn gehouden, in afwachting van de conclusie van de beoordeling, waarbij deze eventueel worden opgenomen in een tussentijdse betalingsaanvraag in een volgend boekjaar.

Bovendien bevestig ik/bevestigen wij de betrouwbaarheid van de gegevens over indicatoren, mijlpalen en de vorderingen van het programma.

Ik bevestig/wij bevestigen ook dat doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen zijn toegepast en dat deze rekening houden met de vastgestelde risico’s in dat verband.

Tot slot bevestig ik/bevestigen wij dat ik/wij niet op de hoogte ben/zijn van niet-meegedeelde zaken met betrekking tot de uitvoering van het operationele programma, die de reputatie van het Cohesiefonds zouden kunnen schaden.

BIJLAGE XVI

Model voor het auditadvies — artikel 71, lid 3, onder a)

Aan de Europese Commissie, directoraat-generaal

1.   INLEIDING

Ik, ondergetekende, vertegenwoordiger van [naam van de auditautoriteit], onafhankelijk in de zin van artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. […], heb

i)

de rekeningen voor het boekjaar dat is begonnen op 1 juli … [jaar] en is geëindigd op 30 juni … [jaar] (1), gedateerd … [datum van de bij de Commissie ingediende rekeningen] (hierna “de jaarrekening” genoemd),

ii)

de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven waarvoor bij de Commissie onder verwijzing van het boekjaar om vergoeding is verzocht (en die in de jaarrekening zijn opgenomen), en

iii)

de werking van het beheers- en controlesysteem en de beheersverklaring gecontroleerd met betrekking tot het programma [naam van het programma, CCI-nummer] (hierna “het programma” genoemd),

teneinde een auditadvies te kunnen afgeven overeenkomstig artikel 71, lid 3.

2.   VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE BEHEERSAUTORITEIT

[naam van de beheersautoriteit], aangewezen als de beheersautoriteit van het programma, is verantwoordelijk voor de behoorlijke werking van het beheers- en controlesysteem wat betreft de bij de artikelen 66 tot en met 70 vastgestelde functies en taken.

Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van [naam van de beheersautoriteit of instantie die de boekhoudfunctie uitoefent, in voorkomend geval] te garanderen en te verklaren dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn, zoals voorgeschreven in artikel 70 van Verordening (EU) nr. […].

Voorts is het overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) nr. […] de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit om te bevestigen dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig, regelmatig en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn.

3.   VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE AUDITAUTORITEIT

Zoals vastgesteld bij artikel 71 van Verordening (EU) nr. […] is het mijn verantwoordelijkheid om onafhankelijk te oordelen of de rekeningen volledig, waarheidsgetrouw en accuraat zijn, of de uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht en die in de rekeningen zijn gedeclareerd, wettig en regelmatig zijn, en of het toegepaste beheers- en controlesysteem naar behoren functioneert.

Het is tevens mijn verantwoordelijkheid in het advies vast te stellen of beweringen in de beheersverklaring in de auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken.

De audits met betrekking tot het programma zijn uitgevoerd overeenkomstig de auditstrategie en voldeden aan de internationaal aanvaarde auditnormen. Deze normen vereisen dat de auditautoriteit voldoet aan ethische voorschriften, en de auditwerkzaamheden plant en uitvoert teneinde redelijke zekerheid te verkrijgen voor het auditadvies.

Een audit houdt in dat procedures worden uitgevoerd om voldoende en geschikte informatie te verkrijgen ter ondersteuning van onderstaand advies. De gevolgde procedures hangen af van het professionele oordeel van de auditautoriteit, met inbegrip van de risicobeoordeling van niet-naleving van materieel belang, als gevolg van fraude of van fouten. De gevolgde auditprocedures zijn naar mijn mening passend gezien de omstandigheden en in overeenstemming met de voorschriften van Verordening (EU) nr. […].

Ik geloof dat het verzamelde auditbewijs voldoende en geschikt is om als basis voor mijn advies te dienen, [indien er beperking van de reikwijdte is:] behalve voor het genoemde onder “Beperking van de reikwijdte”.

De samenvatting van de auditbevindingen met betrekking tot het programma zijn beschreven in het bijgevoegde jaarlijkse controleverslag overeenkomstig artikel 71, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. […].

4.   BEPERKING VAN DE REIKWIJDTE

Hetzij

Er waren geen beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de audit.

Hetzij

De reikwijdte van de audit werd beperkt door de volgende factoren:

a)

b)

c)

….

[Vermeld eventuele beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de audit (1), bijvoorbeeld een gebrek aan bewijsstukken of lopende rechtszaken, en geef hieronder onder “Advies met beperking” een schatting van de uitgaven en bijdragen waarop de steun uit de fondsen invloed had, en het effect van de beperking van de reikwijdte op het auditadvies. Nadere toelichting zal, indien van toepassing, in het jaarlijkse controleverslag worden gegeven.]

5.   ADVIES

Hetzij

(Advies zonder voorbehoud)

Naar mijn mening en op basis van de uitgevoerde auditwerkzaamheden:

i)

geeft de jaarrekening een juist en getrouw beeld;

ii)

zijn de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig en regelmatig (2),

iii)

het beheers- en controlesysteem functioneert naar behoren.

De beweringen in de beheersverklaring zijn in de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet in twijfel getrokken.

Hetzij

(Advies met beperking)

Naar mijn mening en op basis van de uitgevoerde auditwerkzaamheden,

1.

Jaarrekening

geeft de jaarrekening een juist en getrouw beeld [indien de beperking betrekking heeft op de jaarrekening, wordt de volgende tekst toegevoegd:] behalve op de volgende materiële punten:…….

2.

De wettigheid en regelmatigheid van de in de rekeningen gecertificeerde uitgaven

de in de jaarrekening gecertificeerde uitgaven zijn wettig en regelmatig [indien de beperking betrekking heeft op de jaarrekening, wordt de volgende tekst toegevoegd:] behalve op de volgende punten:…

De gevolgen van de beperking zijn beperkt [of aanzienlijk] en komen overeen met … (bedrag in EUR van het totaalbedrag van de gecertificeerde uitgaven)

3.

Het beheers- en controlesysteem op de datum van dit auditadvies

het toegepaste beheers- en controlesysteem functioneert naar behoren [indien de beperking betrekking heeft op het beheers- en controlesysteem, wordt de volgende tekst toegevoegd:] behalve op de volgende punten:…

De gevolgen van de beperking zijn beperkt [of aanzienlijk] en komen overeen met … (bedrag in EUR van het totaalbedrag van de gecertificeerde uitgaven)

De beweringen in de beheersverklaring zijn in de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet / wel [doorhalen wat niet van toepassing is] in twijfel getrokken.

[Indien de beweringen in de beheersverklaring in de uitgevoerde auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken, vermeldt de auditautoriteit in deze alinea welke factoren tot deze conclusie hebben geleid.]

Hetzij

(Afkeurend advies)

Naar mijn mening en op basis van de uitgevoerde auditwerkzaamheden:

i)

geeft de jaarrekening een / geen [doorhalen wat niet van toepassing is] juist en getrouw beeld; en/of

ii)

zijn de uitgaven in de jaarrekening waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht, wettig en regelmatig / niet wettig en regelmatig [doorhalen wat niet van toepassing is]; en/of

iii)

functioneert het toegepaste beheer- en controlesysteem naar behoren / niet naar behoren [doorhalen wat niet van toepassing is].

Dit afkeurend advies is gebaseerd op volgende aspecten:

met betrekking tot zaken van materieel belang in verband met de jaarrekening:

en/of [doorhalen wat niet van toepassing is]

met betrekking tot zaken van materieel belang in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in de jaarrekening waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht:

en/of [doorhalen wat niet van toepassing is]

met betrekking tot zaken van materieel belang in verband met het functioneren van het beheers- en controlesysteem (3):

De beweringen in de beheersverklaring zijn in de uitgevoerde auditwerkzaamheden in twijfel getrokken ten aanzien van de volgende aspecten:

[De auditautoriteit kan ook een toelichtende paragraaf toevoegen, zoals vastgesteld krachtens internationaal aanvaarde controlenormen, die haar advies niet aantast. Een adviesonthouding is mogelijk in uitzonderlijke gevallen (4).]

Datum:

Handtekening:

(2)

Van toepassing bij Interreg-programma's.

(5)

Ingeval het beheers- en controlesysteem gebreken vertoont, vermeld dan in het advies de instantie(s) en het aspect of de aspecten van de systemen die niet hebben voldaan aan de eisen en/of die niet naar behoren hebben gefunctioneerd, tenzij deze informatie in het jaarlijkse controleverslag al duidelijk is vermeld en in het deel met het advies wordt verwezen naar de specifieke delen van dat verslag waar die informatie is vermeld.

(1)  Ook voor de toepassing van de Interreg-programma’s die niet vallen onder de door de Commissie te nemen jaarlijkse steekproef voor audits van concrete acties als beschreven in artikel 48 van de ETS-verordening.

(2)  Met uitzondering van de Interreg-programma’s die niet vallen onder de door de Commissie te nemen jaarlijkse steekproef voor audits van concrete acties als beoogd in artikel 48 van de ETS-verordening wanneer in de rekeningen opgenomen uitgaven waarvoor om terugbetaling was verzocht niet konden worden gecontroleerd in het boekjaar in kwestie.

(3)  Dezelfde opmerking als in de vorige voetnoot.

(4)  Deze uitzonderlijke gevallen moeten gerelateerd zijn aan onvoorziene, externe factoren buiten het werkterrein van de auditautoriteit.

BIJLAGE XVII

Model voor het jaarlijkse controleverslag — artikel 71, lid 3, onder b)

1.   Inleiding

1.1

Identificatie van de auditautoriteit en andere instanties die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van het verslag.

1.2

Referentieperiode (d.w.z. het boekjaar)

1.3

Auditperiode (waarin de auditwerkzaamheden hebben plaatsgevonden).

1.4

Identificatie van het (de) programma('s) waarop het verslag betrekking heeft en van de desbetreffende beheersautoriteit(en). Indien het verslag betrekking heeft op meer dan één programma of fonds, wordt de informatie per programma en per fonds afzonderlijk vermeld, en wordt in elk deel de informatie vermeld die specifiek is voor dat programma en/of fonds.

1.5

Beschrijving van de maatregelen die zijn genomen bij de voorbereiding van het verslag en de opstelling van het bijbehorende auditadvies. Dit deel moet ook betrekking hebben op informatie over de door de auditautoriteit uitgevoerde consistentiecontroles van de beheersverklaring.

Deel 1.5 moet worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog op de omschrijving van de stappen die bij de voorbereiding van het verslag zijn genomen op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

2.   Belangrijke wijzigingen in beheers- en controlesystemen

2.1

Nadere gegevens van alle grote wijzigingen in de beheers- en controlesystemen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteiten, met name ten aanzien van het delegeren van taken aan intermediaire instanties, en bevestiging van de naleving van de artikelen 66 tot en met 70 en 75 op basis van de auditwerkzaamheden die zijn uitgevoerd door de auditautoriteit.

2.2

Informatie over de toepassing van verbeterde evenredige regelingen overeenkomstig de artikelen 77 tot en met 79.

3.   Wijzigingen van de auditstrategie

3.1

Nadere gegevens van alle wijzigingen van de auditstrategie en bijbehorende toelichtingen. Vermeld met name wijzigingen van de steekproefmethode die wordt gebruikt voor de audit van concrete acties (zie deel 5 hieronder) en of de strategie is gewijzigd als gevolg van verbeterde evenredige regelingen overeenkomstig de artikelen 77 tot en met 79 van de verordening.

3.2

Bovenstaand deel 1 moet worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog om de omschrijving van wijzigingen van de auditstrategie op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

4.   Systeemaudits (indien van toepassing)

Deze afdeling geldt voor auditautoriteiten die de verbeterde evenredige regelingen niet toepassen voor het betrokken boekjaar:

4.1

Nadere gegevens van de organen (met inbegrip van de auditautoriteit zelf) die audits hebben uitgevoerd van de goede werking van het beheers- en controlesysteem van het programma (hierna “systeemaudits” genoemd).

4.2

Beschrijving van de grondslag voor de uitgevoerde audits, inclusief een verwijzing naar de toepasselijke auditstrategie, met name naar de risicobeoordelingsmethode en de resultaten die hebben geleid tot de vaststelling van het plan voor de systeemaudits. Indien de risicobeoordeling is bijgewerkt, moeten de wijzigingen in de auditstrategie worden beschreven in deel 3 hierboven.

4.3

Met betrekking tot de tabel in deel 9.1 hieronder, een beschrijving van de belangrijkste bevindingen en conclusies van systeemaudits, met inbegrip van de audits die gericht zijn op specifieke thematische gebieden.

4.4

Vermelding of sommige van de geconstateerde onregelmatigheden als systemisch werden beschouwd, en nadere gegevens over de genomen maatregelen, met inbegrip van een kwantificering van de onregelmatige uitgaven en daarmee samenhangende financiële correcties die zijn doorgevoerd, overeenkomstig artikel 71, lid 3, onder b), en artikel 97 van de verordening.

4.5

Informatie over de follow-up van auditaanbevelingen naar aanleiding van systeemaudits in voorgaande boekjaren.

4.6

Beschrijving van onregelmatigheden of tekortkomingen die specifiek zijn voor financieringsinstrumenten of andere soorten uitgaven of kosten waarop specifieke regels van toepassing zijn (bv. staatssteun, overheidsopdrachten, vereenvoudigde kostenopties, financiering die geen verband houdt met kosten) en die bij systeemaudits aan het licht zijn gekomen, en van het vervolg dat de beheersautoriteit heeft gegeven om deze onregelmatigheden of tekortkomingen te verhelpen.

4.7

Mate van betrouwbaarheid die wordt verkregen na de systeemaudits (laag/gemiddeld/hoog) en een motivering.

5.   Audits van concrete acties

Delen 5.1 tot en met 5.10 moeten worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog op de omschrijving van de stappen die bij de voorbereiding van het verslag zijn genomen op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

5.1

Identificatie van de instanties (met inbegrip van de auditautoriteit) die audits van concrete acties hebben uitgevoerd (zoals beoogd in artikel 73).

5.2

Beschrijving van de toegepaste steekproefmethodologie en de informatie of de methodologie overeenkomstig de auditstrategie is.

5.3

Vermelding van de parameters die zijn gebruikt voor statistische steekproeven en toelichting van de onderliggende berekeningen en het van toepassing zijnde professionele oordeel. Onder de steekproefparameters vallen: materialiteitsniveau, betrouwbaarheidsniveau, steekproefeenheid, verwacht foutenpercentage, streekproefinterval, standaardafwijking, populatiewaarde, populatieomvang, steekproefomvang, informatie over de stratificatie. De onderliggende berekeningen voor de selectie van een steekproef, het totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage worden vermeld in deel 9.3 hieronder, in een formaat dat inzicht geeft in de basisstappen overeenkomstig de specifieke steekproefmethode die is gebruikt.

5.4

Afstemming van de in de jaarrekening opgenomen bedragen en de bedragen die zijn gedeclareerd in aanvragen voor tussentijdse betaling in het desbetreffende boekjaar, met de populatie waarvan de willekeurige steekproef was genomen (kolom “A” van de tabel in deel 9.2 hieronder). Het afstemmen van de posten betreft ook negatieve steekproefeenheden waar financiële correcties zijn aangebracht.

5.5

Indien er negatieve posten zijn, bevestiging dat deze zijn behandeld als een afzonderlijke populatie. Analyse van de belangrijkste resultaten van de audits van deze eenheden, met de nadruk op het verifiëren of de besluiten met betrekking tot de toepassing van financiële correcties (van de lidstaten of van de Commissie) in de jaarrekening als geschrapte bedragen zijn geboekt.

5.6

Wanneer een niet-statistische steekproefmethode wordt gebruikt, geef dan de redenen voor het gebruik van de methode, het percentage van de steekproefeenheden die aan audits worden onderworpen, de maatregelen die zijn genomen om de willekeurigheid van de steekproef te garanderen, rekening houdend met het feit dat de steekproef representatief moet zijn.

Specificeer ook de stappen die worden ondernomen om voor een voldoende grote steekproef te zorgen zodat de auditautoriteit een geldig auditadvies kan uitbrengen. Een totaal (geraamd) foutenpercentage moet eveneens worden berekend wanneer een niet-statistische steekproefmethode is gebruikt.

5.7

Analyse van de belangrijkste bevindingen van de audits van concrete acties, met een vermelding van:

1)

het aantal geauditeerde steekproefelementen, het respectieve bedrag;

2)

het soort fout per steekproefeenheid (1);

3)

de aard van de vastgestelde fouten (2);

4)

het foutenpercentage per laag (3) en de overeenkomstige ernstige tekortkomingen of onregelmatigheden, de bovengrens van het foutenpercentage, onderliggende oorzaken, voorgestelde corrigerende maatregelen (met inbegrip van de maatregelen die ten doel hebben het beheers- en controlesysteem te verbeteren) en het effect ervan op het auditadvies.

Er wordt verdere toelichting gegeven over de in de delen 9.2 en 9.3 hieronder vermelde gegevens, in het bijzonder met betrekking tot het totale foutenpercentage.

5.8

Nadere gegevens over alle financiële correcties in verband met het boekjaar die door de beheersautoriteit worden uitgevoerd vóór het indienen van de jaarrekening bij de Commissie, en het gevolg zijn van de audits van concrete acties, waaronder forfaitaire of geëxtrapoleerde correcties die ertoe leiden dat het resterende foutenpercentage van de in de jaarrekening opgenomen uitgaven wordt verlaagd tot 2 % overeenkomstig artikel 92.

5.9

Vergelijking van het totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage (zoals vermeld in deel 9.2 hieronder) met de materialiteitsdrempel van 2 %, om na te gaan of de populatie materieel onjuist is opgegeven en om het effect op het auditadvies na te gaan.

5.10

Nadere gegevens over de vraag of sommige van de geconstateerde onregelmatigheden als systemisch werden beschouwd, en over de genomen maatregelen, met inbegrip van een kwantificering van de onregelmatige uitgaven en daarmee samenhangende financiële correcties.

5.11

Informatie over de follow-up van audits van concrete acties die zijn uitgevoerd op de gemeenschappelijke steekproef voor Interreg-programma’s op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

5.12

Informatie over de follow-up van audits van concrete acties uit voorgaande boekjaren, met name met betrekking tot ernstige tekortkomingen van systemische aard.

5.13

Een tabel volgens de typologie van de fouten die werden overeengekomen met de Commissie.

5.14

Conclusies van de voornaamste resultaten van de audits van concrete acties met betrekking tot de goede werking van het beheers- en controlesysteem.

Deel 5.14 moet worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog op de omschrijving van de stappen die bij de opstelling van de conclusies zijn genomen op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

6.   Audits van de jaarrekening

6.1

Identificatie van de autoriteiten/instanties die audits van de jaarrekening hebben uitgevoerd.

6.2

Beschrijving van de auditaanpak die is gebruikt om na te gaan of de rekeningen volledig, nauwkeurig en juist zijn. Dit omvat ook een verwijzing naar de auditwerkzaamheden die zijn uitgevoerd in het kader van systeemaudits, audits van concrete acties die relevant zijn voor de betrouwbaarheid van de jaarrekening en aanvullende verificaties van het ontwerp van jaarrekening die moeten worden uitgevoerd voordat de jaarrekening aan de Commissie wordt toegezonden.

6.3

Conclusies van de audits met betrekking tot de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de jaarrekening, onder vermelding van de bijbehorende financiële correcties die zijn doorgevoerd en hun weerslag kennen in de jaarrekening als gevolg van deze conclusies.

6.4

Vermelding of sommige geconstateerde onregelmatigheden als systemisch werden beschouwd, en vermelding van de genomen maatregelen.

7.   Overige informatie

7.1

Beoordeling door de auditautoriteit van verdenkingen van fraude die zijn geconstateerd in het kader van hun audits (met inbegrip van de gevallen die door andere nationale of EU-instanties zijn gemeld en betrekking hebben op concrete acties die door de auditautoriteit zijn gecontroleerd), samen met de genomen maatregelen. Informatie over het aantal gevallen, de ernst ervan en de betrokken bedragen, indien bekend.

7.2

Gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de indiening van de jaarrekening bij de auditautoriteit en vóór indiening van het jaarlijkse controleverslag aan de Commissie en waarmee rekening is gehouden bij de vaststelling van de mate van betrouwbaarheid en het advies van de auditautoriteit.

8.   Algehele mate van betrouwbaarheid

8.1

Vermelding van de algehele mate van betrouwbaarheid ten aanzien van de goede werking van het beheers- en controlesysteem en toelichting over de manier waarop die mate van betrouwbaarheid is verkregen uit de combinatie van de resultaten van de systeemaudits en de audits van concrete acties. De auditautoriteit houdt, indien relevant, ook rekening met de resultaten van andere nationale of EU-auditwerkzaamheden die zijn verricht.

8.2

Beoordeling van eventuele verzachtende maatregelen die geen verband houden met uitgevoerde financiële correcties, uitgevoerde financiële correcties en een beoordeling van de behoefte aan aanvullende corrigerende maatregelen, zowel vanuit het oogpunt van de verbetering van de beheers- en controlesystemen als vanuit het oogpunt van de impact op de EU-begroting.

9.   BIJLAGEN BIJ HET JAARLIJKSE CONTROLEVERSLAG

9.1   Resultaten van systeemaudits.

Gecontroleerde entiteit

Fonds (programma dat door meerdere fondsen wordt gefinancierd)

Titel van de audit

Datum definitieve auditverslag

Programma: [CCI en naam programma]

Algehele beoordeling (categorie 1, 2, 3, 4)

[zoals gedefinieerd in tabel 2 — bijlage X bij de verordening]

Opmerkingen

Fundamentele eisen (FE) (indien van toepassing)

[zoals gedefinieerd in tabel 1 — bijlage X bij de verordening]

FE 1

FE 2

FE 3

FE 4

FE 5

FE 6

FE 7

FE 8

FE 9

FE 10

 

 

Beheersautoriteit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Intermediaire instantie('s)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boekhoudfunctie (indien niet uitgeoefend door beheersautoriteit)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Opmerking: de lege vakken in bovenstaande tabel verwijzen naar fundamentele eisen die niet van toepassing zijn op de gecontroleerde entiteit.

9.2   Resultaten van audits van concrete acties

Fonds

CCI-nummer programma

Titel programma

A

B

C

D

E

F

G

H

Bedrag in EUR dat overeenkomt met de populatie waarvan de steekproef was genomen  (7)

Uitgaven met betrekking tot het boekjaar, gecontroleerd voor de willekeurige steekproef

Bedrag aan onregelmatige uitgaven in willekeurige steekproef

Totaal foutenpercentage  (8)

Uitgevoerde correcties als gevolg van het totale foutenpercentage

Resterend foutenpercentage

(F = (D * A) – E)

Overige gecontroleerde uitgaven  (9)

Bedrag aan onregelmatige uitgaven in andere gecontroleerde uitgaven

Bedrag  (10)

% (11)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(1)

Zoals vastgesteld in artikel 2, lid 29, van de verordening.

(2)

Toevallig, systemisch, afwijkend.

(3)

Bijvoorbeeld: subsidiabiliteit, openbare aanbesteding, staatssteun.

(4)

Het foutenpercentage per laag moet worden vermeld indien gelaagdheid is aangebracht door een verdeling in subpopulaties met vergelijkbare kenmerken zoals concrete acties die bestaan uit financiële bijdragen van een programma aan financieringsinstrumenten, waardevolle elementen, fondsen (bij programma's die door meerdere fondsen worden gefinancierd).

(5)

Totaal aantal fouten minus correcties als bedoeld in punt 5.8, gedeeld door de totale populatie.

(6)

De algehele mate van betrouwbaarheid komt overeen met een van de vier categorieën als vastgesteld in tabel 2 van bijlage X bij de verordening.

9.3

Berekeningen die ten grondslag liggen aan de willekeurige steekproef, totaal foutenpercentage en resterend foutenpercentage

(1)  Toevallig, systemisch, afwijkend.

(2)  Bijvoorbeeld: subsidiabiliteit, openbare aanbesteding, staatssteun.

(3)  Het foutenpercentage per laag moet worden vermeld indien gelaagdheid is aangebracht door een verdeling in subpopulaties met vergelijkbare kenmerken zoals concrete acties die bestaan uit financiële bijdragen van een programma aan financieringsinstrumenten, waardevolle elementen, fondsen (bij programma's die door meerdere fondsen worden gefinancierd).

(7)  Kolom A verwijst naar de populatie waaruit de willekeurige steekproef was genomen, d.w.z. het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in het boekhoudsysteem van de beheersautoriteit/boekhoudfunctie, en die zijn opgenomen in de betalingsaanvragen die bij de Commissie zijn ingediend, minus negatieve steekproefeenheden, indien van toepassing. In voorkomend geval wordt in deel 5.4 een toelichting gegeven.

(8)  Het totale foutenpercentage wordt berekend vóór financiële correcties worden toegepast met betrekking tot de gecontroleerde steekproef of de populatie waarvan de willekeurige steekproef was genomen. Indien de willekeurige steekproef betrekking heeft op meer dan een fonds of programma is het totale foutenpercentage dat wordt (berekend) vermeld in kolom D van toepassing op de hele populatie. Indien gelaagdheid is aangebracht, wordt verdere informatie per laag verstrekt in deel 5.7.

(9)  Kolom G verwijst naar de gecontroleerde uitgaven in het kader van een aanvullende steekproef.

(10)  Bedrag aan gecontroleerde uitgaven (indien substeekproeven zijn gehanteerd, wordt alleen het bedrag van de uitgavenposten die daadwerkelijk zijn gecontroleerd in deze kolom opgenomen).

(11)  Percentage van de gecontroleerde uitgaven in verhouding tot de populatie.

BIJLAGE XVIII

Model voor de auditstrategie — artikel 72

1.   INLEIDING

a)

Identificatie van het (de) programma('s) (titel(s) en CCI-nummer(s)) (1), de fondsen en periode die onder de auditstrategie vallen.

b)

Identificatie van de auditautoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling van, het toezicht op en de bijwerking van de auditstrategie, en van andere instanties die aan dit document hebben bijgedragen.

c)

Verwijzing naar de status van de auditautoriteit (nationale, regionale of lokale overheidsinstantie) en de instantie waar deze deel van uitmaakt.

d)

Verwijzing naar de beleidsverklaring, het audithandvest of de nationale wetgeving (indien van toepassing), met uitleg over de functies en verantwoordelijkheden van de auditautoriteit en andere instanties die controles uitvoeren onder haar verantwoordelijkheid.

e)

Bevestiging door de auditautoriteit dat de instanties die audits uitvoeren, over de nodige functionele en organisatorische onafhankelijkheid beschikken.

2.   RISICOBEOORDELING

a)

uitleg over de gebruikte risicobeoordelingsmethode; en

b)

interne procedures voor het bijwerken van de risicobeoordeling.

3.   METHODOLOGIE

3.1.   Overzicht

a)

Verwijzing naar de internationaal aanvaarde auditnormen die de auditautoriteit zal toepassen bij haar auditwerkzaamheden.

b)

Informatie over de wijze waarop de auditautoriteit haar zekerheid zal verkrijgen met betrekking tot programma’s in het standaard beheers- en controlesysteem en voor programma’s met verbeterde evenredige regelingen (beschrijving van de belangrijkste bouwstenen — soorten audits en hun toepassingsgebied).

c)

Verwijzing naar de bestaande procedures voor het opstellen van het jaarlijkse controleverslag en auditadvies die moeten worden ingediend bij de Commissie overeenkomstig artikel 71, lid 3, van de verordening, met de nodige uitzonderingen voor Interreg-programma’s op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

d)

Verwijzing naar bestaande audithandleidingen of -procedures die een beschrijving bevatten van de belangrijkste stappen van de auditwerkzaamheden, waaronder de indeling en behandeling van de geconstateerde fouten bij de voorbereiding van het jaarlijkse controleverslag dat bij de Commissie moet worden ingediend overeenkomstig artikel 71, lid 3, van de verordening.

e)

In geval van Interreg-programma’s, verwijzing naar specifieke auditregelingen en uitleg over de manier waarop de auditautoriteit wil zorgen voor samenwerking met de Commissie met betrekking tot de audits van concrete acties in het kader van de gemeenschappelijke Interreg-steekproef die de Commissie moet nemen overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

f)

In geval van Interreg-programma’s, wanneer aanvullende auditwerkzaamheden nodig kunnen zijn overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening], verwijzing naar specifieke auditregelingen in dat verband en naar de follow-up van die aanvullende auditwerkzaamheden.

3.2.   Audits van de goede werking van beheers- en controlesystemen (systeemaudits)

Identificatie van de instanties/structuren die moeten worden gecontroleerd en de essentiële eisen in het kader van systeemaudits. De lijst omvat alle instanties die in de voorbije twaalf maanden zijn aangewezen.

Indien van toepassing, verwijzing naar de auditinstantie waar de auditautoriteit bij de uitvoering van deze audits op vertrouwt.

Vermelding van alle systeemaudits die gericht zijn op specifieke thematische gebieden of instanties, zoals:

a)

de kwaliteit en de kwantiteit van de administratieve beheersverificaties en de beheersverificaties ter plaatse met betrekking tot de naleving van de regels inzake overheidsopdrachten, staatssteunregels, milieuvoorschriften en ander toepasselijk recht;

b)

de kwaliteit van de projectselectie en van de beheersverificaties op het niveau van de beheersautoriteit of de intermediaire instantie;

c)

de opzet en de uitvoering van financieringsinstrumenten op het niveau van de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren;

d)

de werking en beveiliging van elektronische systemen, en hun interoperabiliteit met het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling van de Commissie;

e)

de betrouwbaarheid van gegevens met betrekking tot streefdoelen en mijlpalen en met betrekking tot de voortgang van het programma in de richting van de doelstellingen, zoals verstrekt door de beheersautoriteit;

f)

financiële correcties (inhoudingen op de rekeningen);

g)

de uitvoering van doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen, onderbouwd door een frauderisicobeoordeling.

3.3.   Audits van concrete acties, andere dan voor Interreg-programma’s

a)

Beschrijving van de steekproefmethode (of verwijzing naar een intern document waarin de methode wordt beschreven) die wordt gebruikt overeenkomstig artikel 73 van de verordening (en andere specifieke bestaande procedures voor audits van concrete acties, met name met betrekking tot de classificatie en behandeling van de vastgestelde fouten, met inbegrip van vermoedens van fraude).

b)

Er dient een afzonderlijke beschrijving te worden voorgesteld voor de jaren waarin de lidstaat de verbeterde evenredige regeling wenst toe te passen voor een of meer programma als bedoeld in artikel 77 van de verordening.

3.4.   Audits van concrete acties voor Interreg-programma’s

a)

Beschrijving van de behandeling van bevindingen en fouten (of verwijzing naar een intern document waarin deze behandeling wordt beschreven) die wordt gebruikt overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening], en andere specifieke bestaande procedures voor audits van concrete acties, met name met betrekking tot de gemeenschappelijke Interreg-steekproef die de Commissie ieder jaar moet nemen.

b)

Er moet ook een afzonderlijke beschrijving worden voorgesteld voor de jaren waarin de gemeenschappelijke steekproef voor audits van concrete acties voor Interreg-programma’s geen concrete acties of steekproefeenheden van het programma in kwestie bevat.

In dit geval moet een beschrijving worden gegeven van de steekproefmethode die door de auditautoriteit wordt gebruikt, en van andere bestaande specifieke procedures voor audits van concrete acties, met name met betrekking tot de classificatie en behandeling van vastgestelde fouten enz.

3.5.   Audit van de jaarrekening

Beschrijving van de auditaanpak voor audits van de jaarrekening.

3.6.   Verificatie van de beheersverklaring

Verwijzing naar de interne procedures die een overzicht geven van de werkwijze bij de verificatie van de door de beheersautoriteit opgestelde beheersverklaring, in het kader van het auditadvies.

4.   GEPLANDE AUDITWERKZAAMHEDEN

a)

Beschrijving en motivering van de auditprioriteiten en doelstellingen met betrekking tot het lopende boekjaar en de twee daaropvolgende boekjaren, en een toelichting bij de koppeling van de resultaten van de risicobeoordeling met de geplande auditwerkzaamheden;

b)

Een indicatieve lijst van auditopdrachten voor het lopende boekjaar en de twee daaropvolgende boekjaren voor systeemaudits (waaronder audits gericht op specifieke thematische gebieden), als volgt:

Autoriteiten/instanties of specifieke thematische gebieden die moeten worden gecontroleerd

CCI

Titel van het programma

Instantie verantwoordelijk voor de audit

Resultaat risicobeoordeling

20xx

Doelstelling audit en reikwijdte

20xx

Doelstelling audit en reikwijdte

20xx

Doelstelling audit en reikwijdte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.   MIDDELEN

a)

Organogram van de auditautoriteit.

b)

Indicatie van de geplande middelen die zullen worden toegewezen met betrekking tot het lopende boekjaar en de twee daaropvolgende boekjaren (waaronder informatie over alle voorziene uitbestedingen en hun toepassingsgebied, indien van toepassing).


(1)  Vermeld de programma's die onder een gemeenschappelijk beheers- en controlesysteem vallen, indien één auditstrategie wordt opgesteld voor meerdere programma's.

BIJLAGE XIX

Model voor betalingsaanvragen — artikel 85, lid 3

BETALINGSAANVRAAG

EUROPESE COMMISSIE

Betrokken fonds  (1):

<type="S" input="S" >  (2)

Referentie van de Commissie (CCI):

<type="S" input="S">

Naam van het programma:

<type="S" input="G">

Besluit van de Commissie:

<type="S" input="G">

Datum van het besluit van de Commissie:

<type="D" input="G">

Nummer van de betalingsaanvraag:

<type="N" input="G">

Datum van indiening van de betalingsaanvraag:

<type="D" input="G">

Nationaal referentienummer (optioneel):

<type="S" maxlength="250" input="M">

Overeenkomstig artikel 85 van Verordening (EU) nr. 2018/jjjj [van de GB-verordening] heeft deze betalingsaanvraag betrekking op het boekjaar:

Van (3)

<type="D" input="G">

tot:

<type="D" input="G">


Uitgaven uitgesplitst naar prioriteit en regiocategorie, zoals opgenomen in de rekeningen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent

(Inclusief programmabijdragen aan financieringsinstrumenten (artikel 86 van de verordening)

Prioriteit

Berekeningsgrondslag (publiek of totaal) (4)

Totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties in de zin van artikel 85, lid 3, onder a), en artikel 85, lid 4

Bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 85, lid 3, onder c))

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit 1

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">


OF

Uitgaven uitgesplitst naar specifieke doelstelling, zoals opgenomen in de rekeningen van de beheersautoriteit

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Specifieke doelstelling

Berekeningsgrondslag (publiek of totaal)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag van de overheidsuitgaven voor de uitvoering van concrete acties

(A)

(B)

(C)

Specifieke doelstelling 1

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 2

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 3

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Prioriteit

Berekeningsgrondslag (publiek

of totaal) (')

(A)

Totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties in de zin van artikel 85, lid 3, onder a), en artikel 85, lid 4

(B)

Bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

(C)

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 85, lid 3, onder c)

(Do(C)

Prioriteit 1

<type="S"input="C">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

<type="S" input="C">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

<type="S" input="C">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

VERKLARING

Door deze betalingsaanvraag te valideren verzoekt de boekhoudfunctie/beheersautoriteit om betaling van de hieronder vermelde bedragen.

Namens de instantie die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie:

Of

Namens de beheersautoriteit die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie:

<type="S" input="G">

BETALINGSAANVRAAG

FONDS

Minder ontwikkelde regio's

Overgangsregio's

Meer ontwikkelde regio's

Ultraperifere gebieden of noordelijke dunbevolkte gebieden

(A)

(B)

(C)

(D)

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Fonds

 

Bedragen

<type="S" input="G">

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

 

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type="Cu" input="G">


FONDS

BEDRAG

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="G">

Betaling zal plaatsvinden op de volgende bankrekening:

Aangewezen instantie

<type="S" maxlength="150" input="G">

Bank

<type="S" maxlength="150" input="G">

BIC-code

<type="S" maxlength="11" input="G">

IBAN-code bankrekening

<type="S" maxlength="34" input="G">

Rekeninghouder (indien deze niet de aangewezen instantie is)

<type="S" maxlength="150" input="G">


(1)  Als een programma betrekking heeft op meer dan één fonds, moet voor elk fonds afzonderlijk een betalingsaanvraag worden ingediend.

(2)  Legenda:

soort: N = aantal, D = datum, S = string, C = checkbox, P = percentage, B = booleaans, Cu = munteenheid

input: M = manueel, S = selectie, G = gegenereerd door systeem

(3)  Eerste dag van het boekjaar, die automatisch door het elektronische systeem wordt vermeld.

(4)  In geval van medefinanciering uit het EFMZV zijn alleen “totale subsidiabele overheidsuitgaven” van toepassing. In dit geval wordt de berekeningsgrondslag in dit model daarom automatisch beperkt tot “publiek”.

Aanhangsel: Informatie over programmabijdragen aan financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 86 van de verordening, die zijn opgenomen in de betalingsaanvragen (cumulatief vanaf de aanvang van het programma)

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3 (1)

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Prioriteit 1

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke dunbevolkte regio’s

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3 (2)

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Prioriteit 1

 

 

 

 

Prioriteit 2

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3 (3)

(A)

(B)

(C)

(D)

 

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Specifieke doelstelling 1

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 2

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 3

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">


(1)  Dit bedrag wordt niet opgenomen in de betalingsaanvraag.

(2)  Dit bedrag wordt niet opgenomen in de betalingsaanvraag.

(3)  Dit bedrag wordt niet opgenomen in de betalingsaanvraag.

BIJLAGE XX

Model voor de rekeningen — artikel 92, lid 1, onder a)

REKENINGEN VOOR BOEKJAAR

<type=“D” – type=“D” input=“S”>

EUROPESE COMMISSIE

Betrokken fonds  (1):

<type=“S” input=“S” >  (2)

Referentie van de Commissie (CCI):

<type=“S” input=“S”>

Naam van het programma:

<type=“S” input=“G”>

Besluit van de Commissie:

<type=“S” input=“G”>

Datum van het besluit van de Commissie:

<type=“D” input=“G”>

Versie van de rekeningen:

<type=“S” input=“G”>

Datum van indiening van de rekeningen:

<type=“D” input=“G”>

Nationaal referentienummer (optioneel):

<type=“S” maxlength=“250” input=“M”>

VERKLARING

De beheersautoriteit die verantwoordelijk is voor het programma, bevestigt hierbij dat:

1)

de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn en dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en wettig en regelmatig zijn;

2)

de bepalingen van de fondsspecifieke verordeningen, van artikel 63, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) nr. [Financieel Reglement] en in de punten a) tot en met e) van artikel 68 van de verordening zijn nageleefd;

3)

de bepalingen in artikel 76 met betrekking tot de beschikbaarheid van documenten zijn nageleefd.

Namens de beheersautoriteit:

<type=“S” input=“G”>


(1)  Als een programma betrekking heeft op meer dan één fonds, moeten de rekeningen voor elk fonds afzonderlijk worden ingediend.

(2)  Legenda:

soort: N = aantal, D = datum, S = string, C = checkbox, P = percentage, B = booleaans, Cu = munteenheid

input: M = manueel, S = selectie, G = gegenereerd door systeem

Aanhangsel 1: In de boekhoudsystemen van de boekhoudfunctie/beheersautoriteit opgenomen bedragen

Prioriteit

Totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent en die zijn opgenomen in betalingsaanvragen voor het boekjaar in de zin van artikel 92, lid 3, onder a)

(A)

Het bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

(B)

Totaalbedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 92, lid 3, onder a)

(C)

Prioriteit 1

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 2

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 3

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 4

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Algemeen totaal

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Specifieke doelstelling

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de boekhoudsystemen van de beheersautoriteit en opgenomen in de betalingsaanvragen aan de Commissie

(A)

Totaalbedrag van de voor de uitvoering van concrete acties betaalde overheidsuitgaven

(B)

Specifieke doelstelling 1

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Specifieke doelstelling 2

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Prioriteit

Totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent en die zijn opgenomen in betalingsaanvragen voor het boekjaar in de zin van artikel 92, lid 3, onder a)

(A)

Het bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

(B)

Totaalbedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 92, lid 3, onder a)

(C)

Prioriteit 1

<type=“Cu” input=“M”>

 

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 2

<type=“Cu” input=“M”>

 

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 3

<type=“Cu” input=“M”>

 

<type=“Cu” input=“M”>

Algemeen totaal

<type=“Cu” input=“G”>

 

<type=“Cu” input=“G”>

Aanhangsel 2: Bedragen die tijdens het boekjaar zijn geschrapt

Prioriteit

GESCHRAPTE BEDRAGEN

 

Totaalbedrag aan in de aanvragen voor tussentijdse betaling opgenomen subsidiabele uitgaven

Overeenkomstige overheidsbijdrage

 

(A)

(B)

Prioriteit 1

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 2

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 3

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

 

 

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 4

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

ALGEMEEN TOTAAL

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Tijdens het boekjaar geschrapte bedragen uitgesplitst naar de boekjaren waarin de overeenkomstige uitgaven zijn gedeclareerd

Met betrekking tot het boekjaar dat afloopt op 30 juni … (totaal)

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met name, waarvan bedragen die zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits van concrete acties

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met betrekking tot het boekjaar dat afloopt op 30 juni … (totaal)

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met name, waarvan bedragen die zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits van concrete acties

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Prioriteit

GESCHRAPTE BEDRAGEN

 

Totaalbedrag aan in de betalingsaanvragen opgenomen subsidiabele uitgaven

Overeenkomstige overheidsbijdrage

 

(A)

(B)

Prioriteit 1

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 2

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 3

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

ALGEMEEN TOTAAL

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Tijdens het boekjaar geschrapte bedragen uitgesplitst naar de boekjaren waarin de overeenkomstige uitgaven zijn gedeclareerd

Met betrekking tot het boekjaar dat afloopt op 30 juni … (totaal)

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met name, waarvan bedragen die zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits van concrete acties

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met betrekking tot het boekjaar dat afloopt op 30 juni … (totaal)

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met name, waarvan bedragen die zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits van concrete acties

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Specifieke doelstelling

GESCHRAPTE BEDRAGEN

 

Totaalbedrag aan in de betalingsaanvragen opgenomen subsidiabele uitgaven

Overeenkomstige overheidsuitgaven

 

(A)

(B)

Specifieke doelstelling 1

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Specifieke doelstelling 2

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Specifieke doelstelling 3

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Totaal

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

ALGEMEEN TOTAAL

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Tijdens het boekjaar geschrapte bedragen uitgesplitst naar de boekjaren waarin de overeenkomstige uitgaven zijn gedeclareerd

Met betrekking tot het boekjaar dat afloopt op 30 juni … (totaal)

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met name, waarvan bedragen die zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits van concrete acties

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met betrekking tot het boekjaar dat afloopt op 30 juni … (totaal)

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Met name, waarvan bedragen die zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits van concrete acties

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Aanhangsel 2: Bedragen van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen (cumulatief vanaf de aanvang van het programma) — artikel 86

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3 (1)

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Prioriteit 1

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 2

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 3

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Overgangsregio's

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Meer ontwikkelde regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Ultraperifere gebieden

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Algemeen totaal

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3 (2)

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Prioriteit 1

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 2

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Prioriteit 3

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3 (3)

(A)

(B)

(C)

(D)

 

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Specifieke doelstelling 1

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Specifieke doelstelling 2

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Specifieke doelstelling 3

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

<type=“Cu” input=“M”>

Algemeen totaal

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>

<type=“Cu” input=“G”>


(1)  Dit bedrag wordt niet opgenomen in betalingsaanvragen.

(2)  Dit bedrag wordt niet opgenomen in betalingsaanvragen.

(3)  Dit bedrag wordt niet opgenomen in de betalingsaanvraag.

Aanhangsel 4: Afstemming van uitgaven — artikel 92

Prioriteit

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de bij de Commissie ingediende betalingsaanvragen

Overeenkomstig artikel 92 van de verordening gedeclareerde uitgaven

Verschil

Toelichting (verplicht in geval van verschillen)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de boekhoudsystemen van de boekhoudfunctie en opgenomen in betalingsaanvragen aan de Commissie

Totaalbedrag van de overeenkomstige bijdrage die is of zal worden geleverd voor de uitvoering van concrete acties

(E=A-C)

(F=B-D)

 

(A)

(B)

(C)

(D)

(E)

(F)

(G)

Prioriteit 1

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Prioriteit 2

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Prioriteit 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Overgangsregio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Waarvan bedragen die in de lopende rekeningen zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Specifieke doelstelling

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de bij de Commissie ingediende betalingsaanvragen

Overeenkomstig artikel 92 van de verordening gedeclareerde uitgaven

Verschil

Toelichting (verplicht in geval van verschillen)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de boekhoudsystemen van de boekhoudfunctie en opgenomen in betalingsaanvragen aan de Commissie

Totaalbedrag van de overeenkomstige bijdrage die is of zal worden geleverd voor de uitvoering van concrete acties

(E=A-C)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald voor de uitvoering van concrete acties

(A)

(B)

(C)

(D)

(E)

(A)

(B)

Specifieke doelstelling 1

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Specifieke doelstelling 2

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

ect

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Waarvan bedragen die in de lopende rekeningen zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Prioriteit

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de bij de Commissie ingediende betalingsaanvragen

Overeenkomstig artikel XX van de verordening gedeclareerde uitgaven

Verschil

Toelichting (verplicht in geval van verschillen)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag aan subsidiabele uitgaven opgenomen in de boekhoudsystemen van de certificeringsautoriteit en opgenomen in de aanvragen voor tussentijdse betaling aan de Commissie

Totaalbedrag van de overeenkomstige bijdrage die is of zal worden geleverd voor de uitvoering van concrete acties

(E=A-C)

(F=B-D)

 

(A)

(B)

(C)

(D)

(E)

(F)

(G)

Prioriteit 1

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

Prioriteit 2

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="S" maxlength="500" input="M">

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

Waarvan bedragen die in de lopende rekeningen zijn gecorrigeerd naar aanleiding van audits

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

BIJLAGE XXI

Vaststelling van de hoogte van de financiële correcties: forfaitaire en geëxtrapoleerde financiële correcties — artikel 98, lid 1

Elementen voor de toepassing van een geëxtrapoleerde correctie

Indien geëxtrapoleerde financiële correcties moeten worden toegepast, worden voor de bepaling van de financiële correctie de resultaten van het onderzoek van de representatieve steekproef geëxtrapoleerd naar de rest van de populatie waaruit de steekproef werd genomen.

In overweging te nemen elementen bij de toepassing van een forfaitaire correctie

a)

de zwaarte van de ernstige tekortkoming(en) in de context van het beheers- en controlesysteem als geheel;

b)

de frequentie en omvang van de ernstige tekortkoming(en);

c)

de omvang van de financiële schade voor de begroting van de Unie.

De hoogte van de forfaitaire financiële correctie wordt als volgt bepaald:

a)

wanneer de ernstige tekortkoming(en) dusdanig fundamenteel, frequent of wijdverbreid is/zijn dat dit tot volledig falen van het systeem leidt, waardoor de wettigheid en regelmatigheid van alle betrokken uitgaven in gevaar worden gebracht, wordt een vast percentage van 100 % toegepast;

b)

wanneer de ernstige tekortkoming(en) dusdanig frequent en wijdverbreid is/zijn dat dit tot zeer ernstig falen van het systeem leidt, waardoor de wettigheid en regelmatigheid van een zeer groot deel van de betrokken uitgaven in gevaar worden gebracht, wordt een vast percentage van 25 % toegepast;

c)

wanneer de ernstige tekortkoming(en) het gevolg is/zijn van een niet volwaardig, of slecht of onregelmatig functionerend systeem, waardoor de wettigheid en regelmatigheid van een groot deel van alle betrokken uitgaven in gevaar worden gebracht, wordt een vast percentage van 10 % toegepast;

d)

wanneer de ernstige tekortkoming(en) het gevolg is/zijn van een niet consistent functionerend systeem, waardoor de wettigheid en regelmatigheid van een aanzienlijk deel van alle betrokken uitgaven in gevaar worden gebracht, wordt een vast percentage van 5 % toegepast.

Indien een verantwoordelijke autoriteit nalaat corrigerende maatregelen te treffen naar aanleiding van een financiële correctie tijdens een boekjaar, en dezelfde ernstige tekortkoming(en) in een volgend boekjaar opnieuw vastgesteld worden, wordt het correctiepercentage, vanwege de aanhoudende aard van de tekortkoming(en), verhoogd tot een niveau dat niet hoger is dan dat van de naasthogere categorie.

BIJLAGE XXII

Methode voor de toewijzing van de totale middelen per lidstaat — artikel 103, lid 2

Toewijzingsmethode voor de minder ontwikkelde regio’s die onder de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” vallen — artikel 102, lid 2, onder a)

1.

De toewijzing voor elke lidstaat is de som van de toewijzingen voor zijn afzonderlijke in aanmerking komende regio's, die wordt berekend volgens de hiernavolgende stappen:

a)

er wordt een absoluut bedrag per jaar (in EUR) bepaald door de bevolking van de betrokken regio te vermenigvuldigen met het verschil tussen het bbp per inwoner van die regio, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, en het gemiddelde bbp per inwoner van de EU-27 (in koopkrachtpariteit);

b)

op het bovengenoemde absolute bedrag wordt een percentage toegepast om de financiële toewijzing voor de betrokken regio te bepalen; dat percentage wordt naar gelang van de relatieve welvaart, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27, van de lidstaat waar de in aanmerking komende regio ligt, als volgt gedifferentieerd:

i.

voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het bni per inwoner minder dan 82 % van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt: 2,8 %;

ii.

voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het bni per inwoner tussen de 82 % en 99 % van het gemiddelde van de EU-27 ligt: 1,3 %;

iii.

voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het bni per inwoner meer dan 99 % van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt: 0,9 %;

c)

aan het overeenkomstig punt b) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 500 EUR per werkloze per jaar, die geldt voor het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle minder ontwikkelde regio's zou hebben;

d)

aan het overeenkomstig punt c) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 500 EUR per jonge werkloze (in de leeftijdsgroep 15-24) per jaar, die geldt voor het aantal jonge werklozen in die regio boven het aantal jonge werklozen dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde jeugdwerkloosheidspercentage van alle minder ontwikkelde regio's zou hebben;

e)

aan het overeenkomstig punt d) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 250 EUR per persoon (in de leeftijdsgroep 25-64) per jaar, die geldt voor het aantal laaggeschoolden in die regio boven het aantal laaggeschoolden dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde percentage laaggeschoolden (lager dan primair onderwijs, primair en lager secundair onderwijs) van alle minder ontwikkelde regio's zou hebben;

f)

aan het overeenkomstig punt e) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag van 1 EUR per ton CO2-equivalent per jaar toegevoegd, toegepast op het bevolkingsaandeel van de regio in het aantal ton CO2-equivalent dat is teruggedrongen bovenop het voor 2030 vastgestelde streefdoel van de lidstaat inzake de terugdringing van broeikasgassen buiten het emissiehandelssysteem, zoals door de Commissie is voorgesteld in 2016;

g)

aan het overeenkomstig punt e) verkregen bedrag wordt een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 400 EUR per persoon per jaar, toegepast op het bevolkingsaandeel van de regio in de netto immigratie van buiten de EU in de lidstaat sinds 1 januari 2013.

Toewijzingsmethode voor overgangsregio’s die onder de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” vallen — artikel 102, lid 2, onder b)

2.

De toewijzing voor elke lidstaat is de som van de toewijzingen voor zijn afzonderlijke in aanmerking komende regio's, die wordt berekend volgens de hiernavolgende stappen:

a)

voor elke in aanmerking komende overgangsregio wordt de minimale en maximale theoretische steunintensiteit bepaald. Het minimumniveau van de steun wordt bepaald op basis van de initiële gemiddelde steunintensiteit per inwoner van alle meer ontwikkelde regio's, d.w.z. 18 EUR per inwoner en per jaar. Het maximumniveau van de steun heeft betrekking op een theoretische regio met een bbp per inwoner van 75 % van het gemiddelde van de EU-27 en wordt berekend volgens de in punt 1, onder a) en b), beschreven methode. Van het volgens die methode verkregen bedrag wordt 60 % meegeteld;

b)

er worden initiële regionale toewijzingen berekend, rekening houdend met het regionale bbp per inwoner (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) door een lineaire interpolatie van het relatieve bbp per inwoner van de regio ten opzichte van de EU-27;

c)

aan het overeenkomstig punt b) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 500 EUR per werkloze per jaar, die geldt voor het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle minder ontwikkelde regio's zou hebben;

d)

aan het overeenkomstig punt c) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 500 EUR per jonge werkloze (in de leeftijdsgroep 15-24) per jaar, die geldt voor het aantal jonge werklozen in die regio boven het aantal jonge werklozen dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde jeugdwerkloosheidspercentage van alle minder ontwikkelde regio's zou hebben;

e)

aan het overeenkomstig punt d) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 250 EUR per persoon (in de leeftijdsgroep 25-64) per jaar, die geldt voor het aantal laaggeschoolden in die regio boven het aantal laaggeschoolden dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde percentage laaggeschoolden (lager dan primair onderwijs, primair en lager secundair onderwijs) van alle minder ontwikkelde regio's zou hebben;

f)

aan het overeenkomstig punt e) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag van 1 EUR per ton CO2-equivalent per jaar toegevoegd, toegepast op het bevolkingsaandeel van de regio in het aantal ton CO2-equivalent dat is teruggedrongen bovenop het voor 2030 vastgestelde streefdoel van de lidstaat inzake de terugdringing van broeikasgassen buiten het emissiehandelssysteem, zoals door de Commissie is voorgesteld in 2016;

g)

aan het overeenkomstig punt e) verkregen bedrag wordt een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 400 EUR per persoon per jaar, toegepast op het bevolkingsaandeel van de regio in de netto immigratie van buiten de EU in de lidstaat sinds 1 januari 2013.

Toewijzingsmethode voor de meer ontwikkelde regio’s die onder de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” vallen — artikel 102, lid 2, onder c)

3.

De totale initiële theoretische toewijzing wordt verkregen door de steunintensiteit per inwoner en per jaar van 18 EUR te vermenigvuldigen met de in aanmerking komende bevolking.

4.

Het aandeel van elke betrokken lidstaat is de som van de aandelen van zijn in aanmerking komende regio's, die worden bepaald volgens de onderstaande criteria, gewogen zoals vermeld:

a)

totale regionale bevolking (weging 20 %);

b)

aantal werklozen in regio's van NUTS-niveau 2 met een werkloosheidspercentage boven het gemiddelde van alle meer ontwikkelde regio's (weging 15 %);

c)

extra werkgelegenheid die nodig is om de gemiddelde arbeidsparticipatiegraad (in de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar) van alle meer ontwikkelde regio’s te bereiken (weging 20 %);

d)

extra aantal hoger opgeleiden van 30 tot en met 34 jaar oud dat nodig is om het gemiddelde percentage hoger opgeleiden (in de leeftijdsgroep 30-34) van alle meer ontwikkelde regio's te bereiken (weging 20 %);

e)

het aantal voortijdige schoolverlaters (in de leeftijdsgroep 18-24) bovenop het gemiddelde percentage voortijdige schoolverlaters (in de leeftijdsgroep 18-24) van alle meer ontwikkelde regio’s (weging 15 %);

f)

het verschil tussen het waargenomen bbp van de regio (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) en het theoretische regionale bbp indien de regio hetzelfde bbp per inwoner zou hebben als de meest welvarende regio van NUTS-niveau 2 (weging 7,5 %);

g)

bevolking van regio's van NUTS-niveau 3 met een bevolkingsdichtheid onder 12,5 inwoners per km2 (weging 2,5 %).

5.

Aan de overeenkomstig punt 4) verkregen bedragen per regio van NUTS-niveau 2 wordt, in voorkomend geval, een bedrag van 1 EUR per ton CO2-equivalent per jaar toegevoegd, toegepast op het bevolkingsaandeel van de regio in het aantal ton CO2-equivalent dat is teruggedrongen bovenop het voor 2030 vastgestelde streefdoel van de lidstaat inzake de terugdringing van broeikasgassen buiten het emissiehandelssysteem, zoals door de Commissie is voorgesteld in 2016.

6.

Aan de overeenkomstig punt 5) verkregen bedragen per regio van NUTS-niveau 2 wordt een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een premie van 400 EUR per persoon per jaar, toegepast op het bevolkingsaandeel van de regio in de netto immigratie van buiten de EU in de lidstaat sinds 1 januari 2013.

Toewijzingsmethode voor de lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds — artikel 102, lid 3

7.

De toewijzing wordt verkregen door de gemiddelde steunintensiteit per inwoner en per jaar van 62,9 EUR te vermenigvuldigen met de in aanmerking komende bevolking. De toewijzing uit deze theoretische totale toewijzing waarop iedere in aanmerking komende lidstaat recht heeft, komt overeen met een percentage dat is gebaseerd op zijn bevolking, oppervlakte en nationale welvaart, en dat is verkregen door toepassing van de volgende stappen:

a)

er wordt een rekenkundig gemiddelde berekend van het aandeel van de bevolking en de oppervlakte van de betrokken lidstaat in de totale bevolking en oppervlakte van alle in aanmerking komende lidstaten. Indien evenwel het aandeel van een lidstaat in de totale bevolking zijn aandeel in de totale oppervlakte met een factor vijf of meer overschrijdt, dat wil zeggen indien die lidstaat een uiterst hoge bevolkingsdichtheid heeft, wordt voor deze stap alleen het aandeel in de totale bevolking gebruikt;

b)

op de aldus verkregen percentages wordt een coëfficiënt toegepast gelijk aan een derde van het percentage waarmee het bni per inwoner (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) van de betrokken lidstaat voor de periode 2014-2016 boven of onder het gemiddelde bni per inwoner van alle in aanmerking komende lidstaten ligt (welk gemiddelde wordt weergegeven als 100 %).

Voor iedere in aanmerking komende lidstaat is het aandeel van het Cohesiefonds niet hoger dan een derde van de totale toewijzing min de toewijzing voor de doelstelling Europese territoriale ontwikkeling na toepassing van de punten 10 tot en met 16. Door deze aanpassing zullen alle andere overdrachten die voortvloeien uit de punten 1 tot en met 6 op evenredige wijze toenemen.

Toewijzingsmethode voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking — artikel 9

8.

De toewijzing van middelen per lidstaat voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking en samenwerking tussen ultraperifere gebieden is gelijk aan de gewogen som van de aandelen die worden bepaald volgens de onderstaande criteria, gewogen zoals vermeld:

a)

de totale bevolking van alle grensregio’s van NUTS-niveau 3 en van andere regio’s van NUTS-niveau 3 waarvan ten minste de helft van de bevolking binnen een straal van 25 kilometer van de landgrens woont (weging 36 %);

b)

de bevolking die binnen een straal van 25 kilometer van de landgrenzen woont (weging 24 %);

c)

de totale bevolking van de lidstaten (weging 20 %);

d)

de totale bevolking van alle regio’s van NUTS-niveau 3 aan kustgrenzen en van andere regio’s van NUTS-niveau 3 waarvan ten minste de helft van de bevolking binnen een straal van 25 kilometer van de kustgrens woont (weging 9,8 %);

e)

de bevolking die in de zeegrensgebieden binnen een straal van 25 kilometer van de kustgrens woont (weging 6,5 %);

f)

de totale bevolking van de ultraperifere gebieden (weging 3,7 %).

Het aandeel van de grensoverschrijdende component komt overeen met de som van de gewichten van de criteria a) en b). Het aandeel van de transnationale component komt overeen met de som van de gewichten van de criteria c), d) en e). Het aandeel van de samenwerking tussen ultraperifere gebieden komt overeen met het gewicht van criterium f).

Toewijzingsmethode voor de aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen — artikel 104, lid 1, onder e)

9.

Aan de ultraperifere regio's en noordelijke dunbevolkte regio's van NUTS-niveau 2 wordt een extra speciale toewijzing met een steunintensiteit van 30 EUR per inwoner per jaar toegekend. Deze toewijzing zal per regio en per lidstaat evenredig aan de totale bevolking van die regio's worden verstrekt.

Minimum- en maximumniveaus van overdrachten uit de fondsen ter ondersteuning van de economische, sociale en territoriale samenhang

10.

Om bij te dragen aan een passende concentratie van middelen uit het Cohesiefonds op de minst ontwikkelde regio's en lidstaten, en aan de verkleining van de verschillen in de gemiddelde steunintensiteit per inwoner, wordt het maximumniveau voor overdrachten (plafonnering) uit de fondsen aan elke afzonderlijke lidstaat bepaald op basis van een percentage van het bbp van de lidstaat, waarbij volgende percentages gelden:

a)

voor lidstaten met een gemiddeld bni per inwoner (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) van minder dan 60 % van het gemiddelde van de EU-27: 2,3 % van het bbp;

b)

voor lidstaten met een gemiddeld bni per inwoner (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) van minimaal 60 % en minder dan 65 % van het gemiddelde van de EU-27: 1,85 % van het bbp;

c)

voor lidstaten met een gemiddeld bni per inwoner (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) van minimaal 65 % van het gemiddelde van de EU-27: 1,55 % van het bbp.

De plafonnering zal op jaarbasis worden toegepast en zal — in voorkomend geval — alle overdrachten aan de betrokken lidstaat (behalve voor de meer ontwikkelde regio's en de doelstelling Europese territoriale samenwerking) evenredig verminderen om uit te komen op de maximumoverdracht.

11.

De in punt 10 beschreven regels mogen er niet toe leiden dat de toewijzingen per lidstaat hoger zijn dan 108 % van hun niveau in reële termen voor de programmeringsperiode 2014-2020. Deze correctie wordt evenredig toegepast op alle overdrachten aan de betrokken lidstaat (behalve voor de doelstelling Europese territoriale ontwikkeling) om uit te komen op de maximumoverdracht.

12.

De minimale totale toewijzing uit de fondsen aan een lidstaat komt overeen met 76 % van zijn individuele totale toewijzing voor 2014-2020. De aanpassingen die nodig zijn om aan dit voorschrift te voldoen, worden evenredig toegepast op de toewijzingen van de fondsen, met uitzondering van de toewijzingen in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”.

13.

De maximale totale toewijzing uit de fondsen aan een lidstaat met een bni per inwoner (uitgedrukt in koopkrachtpariteit) van minimaal 120 % van het gemiddelde van de EU-27 komt overeen met zijn individuele totale toewijzing voor 2014-2020. De aanpassingen die nodig zijn om aan dit voorschrift te voldoen, worden evenredig toegepast op de toewijzingen uit de fondsen, met uitzondering van de toewijzingen in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”.

Aanvullende bepalingen

14.

Voor alle regio’s die zijn ingedeeld als minder ontwikkelde regio’s voor de programmeringsperiode 2014-2020, maar waarvan het bbp per inwoner meer dan 75 % van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt, komt het jaarlijkse minimumniveau van de steun in het kader van de doelstelling “Investeren in werkgelegenheid en groei” overeen met 60 % van hun vroegere indicatieve gemiddelde jaarlijkse toewijzing in het kader van de doelstelling “Investeren in werkgelegenheid en groei”, berekend door de Commissie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020.

15.

Geen overgangsregio mag minder ontvangen dan zij ontvangen zou hebben als zij een meer ontwikkelde regio zou zijn geweest.

16.

Er wordt in totaal 60 000 000 EUR toegewezen aan het Peace-Plus-programma wanneer het optreedt ter ondersteuning van vrede en verzoening. Daarnaast wordt ten minste 60 000 000 EUR toegewezen aan het Peace-Plus-programma uit de toewijzing voor Ierland in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) voor de voortzetting van de grensoverschrijdende samenwerking tussen Noord en Zuid.

De toepassing van de punten 1 tot en met 16 zal resulteren in de volgende toewijzingen aan de lidstaten:

 

Prijzen van 2018

Lopende prijzen

BE

2 443 732 247

2 754 198 305

BG

8 929 511 492

10 081 635 710

CZ

17 848 116 938

20 115 646 252

DK

573 517 899

646 380 972

DE

15 688 212 843

17 681 335 291

EE

2 914 906 456

3 285 233 245

IE

1 087 980 532

1 226 203 951

EL

19 239 335 692

21 696 841 512

ES

34 004 950 482

38 325 138 562

FR

16 022 440 880

18 058 025 615

HR

8 767 737 011

9 888 093 817

IT

38 564 071 866

43 463 477 430

CY

877 368 784

988 834 854

LV

4 262 268 627

4 812 229 539

LT

5 642 442 504

6 359 291 448

LU

64 879 682

73 122 377

HU

17 933 628 471

20 247 570 927

MT

596 961 418

672 802 893

NL

1 441 843 260

1 625 023 473

AT

1 279 708 248

1 442 289 880

PL

64 396 905 118

72 724 130 923

PT

21 171 877 482

23 861 676 803

RO

27 203 590 880

30 765 592 532

SI

3 073 103 392

3 463 528 447

SK

11 779 580 537

13 304 565 383

FI

1 604 638 379

1 808 501 037

SE

2 141 077 508

2 413 092 535


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/875


P8_TA(2019)0311

Fonds voor asiel, migratie en integratie

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over de Gedelegeerde Verordening van de Commissie van 14 december 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (C(2018)08466 — 2018/2996(DEA))

(2021/C 108/48)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)08466),

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (1), en met name artikel 16, lid 2, en artikel 26, lid 5,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

gezien artikel 105, lid 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in artikel 1 van de gedelegeerde verordening van de Commissie wordt voorgesteld bijlage II bij Verordening (EU) nr. 516/2014 te wijzigen en daarin een specifieke actie op te nemen met betrekking tot “de oprichting, ontwikkeling en inwerkingstelling van adequate voorzieningen voor opvang, huisvesting en bewaring, en van vergelijkbare voorzieningen voor aanvragers van internationale bescherming of voor onderdanen van derde landen die zich in een lidstaat ophouden en die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot en/of verblijf in een lidstaat”;

B.

overwegende dat in de gedelegeerde verordening van de Commissie wordt voorgesteld in deze nieuwe specifieke actie het concept “gecontroleerde centra” op te nemen en daarmee te voorzien in financiering van de lidstaten, zodat zij deze “gecontroleerde centra” kunnen oprichten en ontwikkelen en in werking kunnen stellen;

C.

overwegende dat het concept “gecontroleerde centra” controversieel is en dat de wettigheid ervan betwijfeld kan worden; overwegende dat dit concept niet voorkomt in de Uniewetgeving en evenmin is goedgekeurd door de medewetgevers;

D.

overwegende dat het Parlement van mening is dat een dergelijk concept niet gefinancierd moet worden tenzij en totdat het binnen het juiste, door de medewetgevers vastgestelde wetgevingsinstrument naar behoren is gedefinieerd, waarbij een specifieke omschrijving wordt gegeven van de rechtsgrond, de aard en de doelstelling van een dergelijk concept;

1.

maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/876


P8_TA(2019)0312

Instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid

Resolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 14 december 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa (C(2018)08465 — 2018/2994(DEA))

(2021/C 108/49)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)08465),

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (1), en met name artikel 7, lid 2, en artikel 17, lid 5,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

gezien artikel 105, lid 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in artikel 1 van de gedelegeerde verordening van de Commissie wordt voorgesteld bijlage II van Verordening (EU) nr. 515/2014 te wijzigen door toevoeging van een specifieke actie met betrekking tot “oprichting, ontwikkeling en inwerkingstelling (met inbegrip van de levering van diensten zoals identificatie, registratie en eerste opvang) van hotspotgebieden…”;

B.

overwegende dat in de gedelegeerde verordening van de Commissie wordt voorgesteld in deze nieuwe specifieke actie het concept “gecontroleerde centra” op te nemen en daarmee te voorzien in financiering van de lidstaten, zodat zij in deze “gecontroleerde centra” diensten kunnen leveren;

C.

overwegende dat het concept “gecontroleerde centra” controversieel is en dat de wettigheid ervan betwijfeld kan worden; overwegende dat dit concept niet voorkomt in de Uniewetgeving en evenmin is goedgekeurd door de medewetgevers;

D.

overwegende dat het Parlement van mening is dat een dergelijk concept niet gefinancierd moet worden tenzij en totdat het binnen het juiste, door de medewetgevers vastgestelde wetgevingsinstrument naar behoren is gedefinieerd, waarbij een specifieke omschrijving wordt gegeven van de rechtsgrond, de aard en de doelstelling van een dergelijk concept;

1.

maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 143.


Donderdag 28 maart 2019

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/877


P8_TA(2019)0319

Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo (*1)) (COM(2016)0277 — C8-0177/2016 — 2016/0139(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/50)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0277),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0177/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0261/2016),

1.

stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(*1)  Deze verwijzing laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/878


P8_TA(2019)0320

Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017)0753 — C8-0019/2018 — 2017/0332(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2021/C 108/51)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0753),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0019/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, het Ierse parlement, de Oostenrijkse Bondsraad en het Britse Lagerhuis, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, van 12 juli 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 16 mei 2018 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (3),

gezien de brief van 18 mei 2018 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0288/2018),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (4), rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 367 van 10.10.2018, blz. 107.

(2)  PB C 361 van 5.10.2018, blz. 46.

(3)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(4)  Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 23 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0397).


P8_TC1-COD(2017)0332

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192 , lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 98/83/EG van de Raad (4) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (5). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Bij Richtlijn 98/83/EG is het rechtskader vastgesteld voor de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is. Met deze richtlijn moet hetzelfde doel worden nagestreefd en moet de universele toegang tot zulk water voor iedereen in de Unie worden verzekerd . Daartoe moeten op het niveau van de Unie minimumvereisten worden vastgesteld waaraan voor dit doel bestemd water moet voldoen. De lidstaten moeten de alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water vrij is van micro-organismen, parasieten en stoffen die, in bepaalde gevallen, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormen, en dat het aan deze minimumvereisten voldoet. [Ams. 161, 187, 206 en 213]

(2 bis)

In overeenstemming met de mededeling van 2 december 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld “Maak de cirkel rond — Een EU-actieplan voor de circulaire economie”, moet in deze richtlijn worden gestreefd naar het bevorderen van waterbronnenefficiëntie en duurzaamheid, waarmee wordt aangesloten bij de doelstellingen van de circulaire economie. [Am. 2]

(2 ter)

Het recht van de mens op water en sanitaire voorzieningen is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 28 juli 2010 als mensenrecht erkend, en de toegang tot schoon drinkbaar water mag dus niet beperkt zijn als gevolg van de onbetaalbaarheid ervan voor de eindgebruiker. [Am. 3]

(2 quater)

Het is noodzakelijk samenhang tot stand te brengen tussen Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad  (6) en onderhavige richtlijn. [Am. 4]

(2 quinquies)

De in deze richtlijn opgenomen vereisten moeten een afspiegeling vormen van de nationale situatie en de positie van waterleveranciers in de lidstaten. [Am. 5]

(3)

Het is noodzakelijk, natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water van deze richtlijn uit te sluiten, aangezien deze soorten water respectievelijk vallen onder Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (8). Richtlijn 2009/54/EG heeft echter zowel betrekking op natuurlijk mineraalwater als op bronwater, en alleen de eerstgenoemde categorie moet van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. Overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2009/54/EG, moet bronwater aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen. Deze verplichting mag echter niet worden uitgebreid naar de microbiologische parameters die worden vermeld in deel A van bijlage I bij deze richtlijn. In het geval van voor menselijke consumptie bestemd water afkomstig uit het openbaar waterleidingnet of particuliere bronnen en dat bestemd is voor verkoop in flessen of verpakkingen, of voor gebruik bij de commerciële vervaardiging, de bereiding of de behandeling van levensmiddelen, moet het water in beginsel aan de bepalingen van deze richtlijn blijven voldoen tot aan de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan (d.w.z. de kraan), en moet het vervolgens als een levensmiddel worden beschouwd overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (9). De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten de bevoegdheid hebben om hergebruik van water in de voedingsmiddelenindustrie toe te staan, mits aan de toepasselijke voedselveiligheidseisen wordt voldaan. [Am. 6]

(4)

Na de afsluiting van het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water (Right2Water) (10), waarin de Unie werd opgeroepen meer te doen om universele toegang tot water te bewerkstelligen, is een openbare raadpleging en een evaluatie in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van Richtlijn 98/83/EG uitgevoerd (11). Uit die exercitie is gebleken dat het nodig was sommige bepalingen van Richtlijn 98/83/EG bij te werken. Er zijn vier gebieden aangewezen waar er ruimte voor verbetering is, te weten de lijst met parameterwaarden op kwaliteitsbasis, het beperkte gebruik van een op risico’s gebaseerde benadering, de vage bepalingen over consumentenvoorlichting en de verschillen tussen de goedkeuringssystemen voor materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en de gevolgen hiervan voor de volksgezondheid . Daarnaast heeft het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water nog op het bijkomende probleem gewezen dat een deel van de bevolking, met name onder kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, beperkte of geen toegang heeft tot voor betaalbaar menselijke consumptie bestemd water, terwijl het waarborgen van die toegang ook een verplichting in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Agenda 2030 van de VN vormt. In dit verband heeft het Europees Parlement erkend dat de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie een recht is. Tot slot is nog het probleem geconstateerd dat er sprake is van een algemeen gebrek aan bewustzijn omtrent waterlekken, die gerelateerd zijn aan een gebrek aan investeringen in onderhoud en vernieuwing van de waterinfrastructuur, zoals ook wordt opgemerkt in het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de waterinfrastructuur (12) , en aan de soms gebrekkige kennis van watersystemen . [Am. 7]

(4 bis)

Om de ambitieuze doelstellingen te kunnen verwezenlijken die zijn vastgesteld in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Verenigde Naties, moeten de lidstaten worden verplicht actieplannen ten uitvoer te leggen om uiterlijk in 2030 een universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te waarborgen. [Am. 8]

(4 ter)

Het Europees Parlement heeft op 8 september 2015 een resolutie aangenomen over de follow-up van het Europees burgerinitiatief “Right2Water”. [Am. 9]

(5)

Het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een uitvoerige evaluatie van de in Richtlijn 98/83/EG vastgestelde lijst met parameters en parameterwaarden uitgevoerd, teneinde vast te stellen of er behoefte is deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. In het licht van de resultaten van die evaluatie (13) moet op maag-darmpathogenen en Legionella worden gecontroleerd, en moeten zes chemische parameters of parametergroepen worden toegevoegd en drie representatieve hormoonontregelende stoffen in aanmerking worden genomen met als voorzorgsmaatregel bedoelde benchmarkwaarden. Voor drie van de nieuwe parameters moeten op grond van het voorzorgsbeginsel parameterwaarden worden vastgesteld die strenger zijn dan door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voorgesteld, maar wel nog steeds haalbaar zijn. Voor lood heeft de WHO opgemerkt dat de concentraties zo laag als redelijkerwijs haalbaar moeten zijn, en de waarde voor chroom wordt momenteel nog door de WHO onderzocht; daarom moet voor beide parameters een overgangsperiode van tien jaar in acht worden genomen voordat de waarden worden verstrengd.

(5 bis)

Voor menselijke consumptie bestemd water speelt een essentiële rol bij de lopende inspanningen van de Unie ter versterking van de bescherming van de volksgezondheid en het milieu tegen hormoonontregelende chemische stoffen. De regulering van hormoonontregelende verbindingen in deze richtlijn vormt een veelbelovende stap in de richting van een geactualiseerde Unie-strategie inzake hormoonontregelaars, die door de Commissie zonder verdere vertraging moet worden voorgelegd. [Am. 11]

(6)

De WHO heeft tevens aangeraden drie parameterwaarden te versoepelen en vijf parameters van de lijst te schrappen. Deze wijzigingen worden echter niet noodzakelijk geacht aangezien de bij Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie (14) ingevoerde op risico’s gebaseerde benadering onder bepaalde voorwaarden toelaat dat de waterleveranciers een parameter uit de lijst van te controleren parameters schrappen. Behandelingstechnieken om aan die parameterwaarden te voldoen, zijn reeds beschikbaar.

(6 bis)

Indien de wetenschappelijke kennis ontoereikend is om het al dan niet aanwezige risico voor de volksgezondheid of de toelaatbare waarde van een stof in voor menselijke consumptie bestemd water vast te stellen, moet deze stof op grond van het voorzorgsbeginsel en in afwachting van duidelijkere wetenschappelijke gegevens op een lijst van te monitoren stoffen worden geplaatst. Daarom dienen de lidstaten dergelijke nieuwe parameters afzonderlijk te controleren. [Am. 13]

(6 ter)

Indicatorparameters hebben geen rechtstreeks effect op de volksgezondheid. Zij zijn evenwel belangrijk als middel om vast te stellen hoe de waterproductie- en waterdistributievoorzieningen functioneren en om de waterkwaliteit te beoordelen. Zij kunnen van nut zijn om tekortkomingen in de waterbehandeling op te sporen en dragen er tevens in belangrijke mate toe bij het vertrouwen van de consument in de waterkwaliteit te behouden en te vergroten. Daarom moeten zij door de lidstaten worden gecontroleerd. [Am. 14]

(7)

Wanneer dit voor de volle toepassing van het voorzorgsbeginsel en ter bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied noodzakelijk is, moeten de lidstaten ertoe worden verplicht waarden voor aanvullende, niet in bijlage I opgenomen parameters vaststellen vast te stellen . [Am. 15]

(8)

Preventieve veiligheidsplanning en op risico’s gebaseerde elementen zijn slechts in beperkte mate in Richtlijn 98/83/EG aan bod gekomen. De eerste elementen van een op risico’s gebaseerde benadering zijn reeds in 2015 ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2015/1787, waarbij Richtlijn 98/83/EG werd gewijzigd om het de lidstaten toe te staan af te wijken van de controleprogramma’s die zij hebben vastgesteld, mits geloofwaardige risicobeoordelingen worden uitgevoerd, die gebaseerd kunnen zijn op de Richtsnoeren voor de kwaliteit van drinkwater van de WHO (15). Die richtsnoeren, waarin het zogenaamde “waterveiligheidsplan” wordt vastgesteld, vormen, samen met norm EN 15975-2 inzake het veiligstellen van de drinkwatervoorziening, internationaal erkende beginselen waarop de productie, de distributie, de controle en de analyse van de parameters van voor menselijke consumptie bestemd water zijn gebaseerd. Zij moeten in deze richtlijn worden gehandhaafd. Om ervoor te zorgen dat die beginselen niet tot controleaspecten beperkt blijven, om tijd en middelen vooral te richten op belangrijke risico’s en kosteneffectieve maatregelen aan de bron, en om te voorkomen dat analyses en inspanningen worden verspild aan irrelevante kwesties, is het passend een complete, op risico’s gebaseerde benadering in te voeren in de hele toeleveringsketen, van het onttrekkingsgebied via de distributie tot aan de kraan. Die benadering moet berusten op de reeds verworven kennis en op de maatregelen die zijn uitgevoerd in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en moet beter rekening houden met de gevolgen van de klimaatverandering voor de watervoorraden. Een op risico's gebaseerde benadering moet uit drie onderdelen bestaan: in de eerste plaats een beoordeling door de lidstaat van de gevaren in verband met het onttrekkingsgebied (“gevarenbeoordeling”), overeenkomstig de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO (16); in de tweede plaats een mogelijkheid voor de waterleverancier om de controle aan te passen aan de belangrijkste risico’s (“leveringsrisicobeoordeling”); en op de derde plaats een beoordeling door de lidstaat van de mogelijke risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet (bv. Legionella of lood)) , met bijzondere aandacht voor prioritaire percelen (“risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet”). Die beoordelingen moeten op gezette tijden worden herzien, onder meer naar aanleiding van bedreigingen ten gevolge van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden, bekende veranderingen in de menselijke activiteit in het onttrekkingsgebied, of brongerelateerde incidenten. Bij d e op risico’s gebaseerde benadering zorgt voor vindt een voortdurende uitwisseling van informatie plaats tussen de bevoegde autoriteiten , waterleveranciers en de waterleveranciers andere belanghebbenden, met inbegrip van degenen die verantwoordelijk zijn voor de bron van verontreiniging of het risico op verontreiniging. Bij wijze van uitzondering moet de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering worden aangepast aan de specifieke eisen voor zeeschepen die water ontzilten en passagiers aan boord hebben. Zeeschepen die onder Europese vlag varen, volgen namelijk het internationale regelgevende kader wanneer ze in internationale wateren varen. Bovendien zijn er specifieke eisen voor het vervoer en de productie van voor menselijke consumptie bestemd drinkwater aan boord die een aanpassing van de bepalingen van deze richtlijn vereisen. [Am. 16]

(8 bis)

Inefficiënt watergebruik, met name lekken in de watervoorzieningsinfrastructuur, leidt tot overexploitatie van de schaarse voorraden van voor menselijke consumptie bestemd water. Dit vormt een ernstige belemmering voor de verwezenlijking door de lidstaten van de in Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde doelstellingen. [Am. 17]

(9)

De gevarenbeoordeling moet zijn gebaseerd op een holistische risicobeoordelingsaanpak en uitdrukkelijk zijn gericht op vermindering van het vereiste niveau van de behandeling voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water, bijvoorbeeld door het terugdringen van belastende factoren die zorgen voor de verontreiniging of een risico op verontreiniging van waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt. Daartoe moeten de lidstaten gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging identificeren die van belang zijn voor die waterlichamen en controleren op verontreinigende stoffen die zij als relevant aanmerken, bijvoorbeeld op grond van de geïdentificeerde gevaren (bv. microplastics, nitraten, bestrijdingsmiddelen of geneesmiddelen die krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (17) zijn geïdentificeerd), op grond van hun natuurlijke aanwezigheid in het onttrekkingsgebied (bv. arseen) of op grond van informatie van de waterleveranciers (bv. plotselinge toename van een specifieke parameter in ruw water). Die parameters moeten overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG als markers worden gebruikt die de bevoegde autoriteiten ertoe zetten maatregelen te nemen om de druk op de waterlichamen te verminderen, bijvoorbeeld preventieve of verzachtende maatregelen (waar nodig met inbegrip van onderzoek naar de effecten op de gezondheid), en om die waterlichamen te beschermen en de verontreinigingsbron of het verontreinigingsrisico aan te pakken, in samenwerking met alle belanghebbenden, met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor (mogelijke) verontreinigingsbronnen. Indien een lidstaat door middel van de gevarenbeoordeling constateert dat een bepaalde parameter niet van toepassing is in een bepaald onttrekkingsgebied, bijvoorbeeld doordat een stof niet voorkomt in het grond- of oppervlaktewater, dient de lidstaat de desbetreffende waterleveranciers hiervan in kennis te stellen en belanghebenden moet hij kunnen toestaan dat die waterleveranciers de controlefrequentie voor die parameter verlagen of die parameter van de lijst van te controleren parameters schrappen zonder dat zij een leveringsrisicobeoordeling hoeven uit te voeren .. [Am. 18]

(10)

Wat betreft de gevarenbeoordeling schrijft Richtlijn 2000/60/EG voor dat de lidstaten de waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt, aanwijzen, deze controleren en de nodige maatregelen nemen teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie geschikt water vereist is, te verlagen. Om overlap van verplichtingen te voorkomen, moeten de lidstaten bij de uitvoering van de gevarenbeoordeling gebruikmaken van de uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage V bij die richtlijn uitgevoerde monitoring en van de maatregelen die in hun maatregelenprogramma’s zoals bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG zijn opgenomen.

(11)

Aan de parameterwaarden die worden gebruik om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te beoordelen, moet worden voldaan op de plaats waar voor menselijke consumptie bestemd water voor de verbruiker beschikbaar is. De kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water kan echter door het huishoudelijk leidingnet worden beïnvloed. De WHO stelt vast dat Legionella in de Unie het grootste probleem voor de gezondheid vormt waar het watergedragen ziekteverwekkers betreft , met name de bacterie Legionella pneumophila, die verantwoordelijk is voor de meeste gevallen van veteranenziekte in de Unie . Legionella wordt door warmwatersystemen via inademing overgedragen, bijvoorbeeld tijdens het douchen. Er is derhalve een duidelijk verband met het huishoudelijk leidingnet. Aangezien het opleggen van een eenzijdige verplichting om alle particuliere en openbare percelen op deze ziekteverwekker te controleren, tot onredelijk hoge kosten zou leiden en tegen het subsidiariteitsbeginsel zou indruisen , is een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet , waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan prioritaire percelen, derhalve beter geschikt om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast moeten ook de mogelijke risico’s van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, in aanmerking worden genomen in de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet. De risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet moet daarom onder meer bestaan uit gerichte controle van prioritaire percelen, beoordeling van de risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet en de daarmee samenhangende producten en materialen, en controle van de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, op basis van de prestatieverklaring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad (18) . Samen met de prestatieverklaring moet ook de in de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (19) bedoelde informatie worden verstrekt. Op basis van deze beoordeling moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om er onder meer voor te zorgen dat er geschikte controle- en beheersmaatregelen (bv. in het geval van uitbraken) van kracht zijn, in lijn met de richtsnoeren van de WHO (20), en dat de migratie uit bouwproducten geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt. Onverminderd Verordening (EU) nr. 305/2011 moeten, wanneer deze maatregelen zouden leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van producten en materialen in de Unie, deze beperkingen echter naar behoren worden gemotiveerd en strikt evenredig zijn, en mogen zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt [Am. 19]

(12)

De bepalingen van Richtlijn 98/83/EG inzake de waarborging van de kwaliteit van behandeling, installatie en materialen zijn er niet in geslaagd belemmeringen voor de interne markt aan te pakken waar het vrije verkeer van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water of een toereikende bescherming van de volksgezondheid betreft. Er zijn nog steeds nationale goedkeuringsregelingen voor producten van kracht, met regels die van de ene lidstaat tot de andere verschillen. Hierdoor is het moeilijk en duur voor de fabrikanten om hun producten in de hele EU op de markt te brengen. De opheffing van technische belemmeringen kan alleen doeltreffend worden verwezenlijkt door geharmoniseerde technische specificaties voor bouwproducten Deze situatie is toe te schrijven aan het feit dat er geen Europese minimumnormen op het gebied van hygiëne bestaan voor alle producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water , terwijl dit toch een absolute voorwaarde is om te komen tot volledige wederzijdse erkenning tussen de lidstaten. De opheffing van technische belemmeringen en de conformiteit van alle vast te stellen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011. Die verordening voorziet in de ontwikkeling van Europese normen voor het harmoniseren van beoordelingsmethoden voor bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en in het vaststellen van drempelniveaus en klassen met betrekking tot het prestatieniveau van een essentieel kenmerk. Daartoe is in het werkprogramma 2017 voor normalisatie (21) een normalisatieverzoek opgenomen waarin specifiek wordt verzocht om normalisatiewerkzaamheden op het gebied van hygiëne en veiligheid voor producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011, en uiterlijk in 2018 moet een norm hieromtrent zijn uitgevaardigd. De bekendmaking van deze geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie zal zorgen voor rationele besluitvorming bij het in de handel brengen of op de markt aanbieden van veilige bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water. Bijgevolg moeten de bepalingen inzake installaties en materiaal die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden geschrapt, deels worden vervangen door bepalingen inzake de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, en worden aangevuld met de desbetreffende geharmoniseerde normen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011 op het niveau van de Unie kunnen dus alleen maar doeltreffend worden verwezenlijkt door op het niveau van de Unie minimumkwaliteitsvereisten vast te stellen. Bijgevolg moeten deze bepalingen worden versterkt aan de hand van een harmonisatieprocedure voor dergelijke producten en materialen. Deze werkzaamheden dienen voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan en de vooruitgang die is geboekt door verschillende lidstaten die hun inspanningen sinds een aantal jaren bundelen om voor convergentie van de regelgeving te zorgen . [Am. 20]

(13)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat programma’s worden vastgesteld om te controleren of voor menselijke consumptie bestemd water aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. Het grootste deel van de krachtens deze richtlijn uitgevoerde controles wordt door de waterleveranciers verricht , maar waar nodig dienen de lidstaten te verduidelijken bij welke bevoegde autoriteiten de uit de omzetting van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen berusten . De waterleveranciers moet een zekere soepelheid worden gegund wat betreft de parameters waarop zij voor de leveringsrisicobeoordeling controleren. Indien een parameter niet wordt aangetroffen, moeten de waterleveranciers de mogelijkheid hebben de controlefrequentie te verlagen of de controles op die parameter helemaal stop te zetten. De leveringsrisicobeoordeling moet op de meeste parameters worden toegepast. Er moet echter een lijst met kernparameters zijn waarop met een bepaalde minimumfrequentie wordt gecontroleerd. Deze richtlijn bevat vooral bepalingen over de controlefrequentie ten behoeve van nalevingscontroles en slechts beperkte bepalingen inzake controle voor operationele doeleinden. Aanvullende controle voor operationele doeleinden kan noodzakelijk zijn om de correcte werking van de waterbehandeling te waarborgen, naar goeddunken van de waterleveranciers. In dat verband kunnen waterleveranciers de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO raadplegen. [Am. 21]

(14)

De op risico’s gebaseerde benadering moet geleidelijk worden toegepast door alle waterleveranciers, waaronder zeer kleine , kleine en middelgrote waterleveranciers, aangezien uit de evaluatie van Richtlijn 98/83/EG is gebleken dat de uitvoering ervan door die leveranciers tekortschiet, in sommige gevallen vanwege de kosten voor het uitvoeren van onnodige controlewerkzaamheden ; voor zeer kleine leveranciers kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan . Bij het toepassen van de op risico’s gebaseerde benadering moet rekening worden gehouden met beveilingskwesties beveiligingskwesties en met het beginsel dat de vervuiler betaalt. In het geval van kleinere waterleveranciers moet de bevoegde autoriteit middels deskundige hulp ondersteuning bieden bij de controlewerkzaamheden . [Am. 188]

(14 bis)

Om een zo groot mogelijke bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, moeten de lidstaten in overeenstemming met hun nationale institutionele en wettelijke kader zorgen voor een duidelijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheid voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering. [Am. 24]

(15)

De betrokken lidstaten moeten in geval van niet-naleving van de normen van deze richtlijn onmiddellijk een onderzoek naar de oorzaak instellen en ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen worden getroffen om de waterkwaliteit te herstellen. In gevallen waarin de watervoorziening een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt, moet de levering van dergelijk water worden verboden of het gebruik ervan worden ingeperkt. Daarnaast is het belangrijk om te verduidelijken dat en moet tijdig passende informatie worden verstrekt aan mogelijk getroffen burgers. Daarnaast moet bij niet-naleving van de minimumvereisten voor de waarden die betrekking hebben op microbiologische en chemische parameters, door de lidstaten automatisch als worden vastgesteld of overschrijding van de waarden een potentieel gevaar voor de volksgezondheid moet worden beschouwd. vormt. Daartoe moeten de lidstaten rekening houden met de mate waarin de minimumvereisten zijn overschreden en met het type parameter dat bij de overschrijding betrokken is. In gevallen waarin maatregelen voor het herstel van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water noodzakelijk zijn, moet overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag voorrang worden gegeven aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen. [Am. 25]

(15 bis)

Het is van belang om potentieel gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van verontreinigd water te voorkomen. De levering van dergelijk water moet daarom worden verboden of het gebruik ervan ingeperkt. [Am. 26]

(16)

De lidstaten mogen niet langer moeten het recht hebben afwijkingen van deze richtlijn toe te staan. Oorspronkelijk werd gebruikgemaakt van afwijkingen om de lidstaten maximaal negen jaar de tijd te geven om een niet-naleving van een parameterwaarde te verhelpen. Deze procedure is voor zowel de lidstaten als de Commissie belastend gebleken. Daarnaast leidde zij nuttig gebleken gezien het ambitieniveau van de richtlijn . Er zij echter opgemerkt dat deze procedure in sommige gevallen heeft geleid tot vertragingen bij het nemen van herstelmaatregelen, aangezien de mogelijkheid tot afwijking soms als een overgangsperiode werd opgevat. De bepaling inzake afwijkingen moet derhalve worden geschrapt. Wanneer er parameterwaarden worden overschreden, moeten, omwille van de bescherming van de volksgezondheid, de bepalingen inzake herstelmaatregelen onmiddellijk van toepassing zijn, zonder dat het mogelijk is om een afwijking van de parameterwaarde toe te staan. In het licht van de versterking van de kwaliteitsparameters die in deze richtlijn zijn vervat, enerzijds, en de toenemende opsporing van nieuwe verontreinigende stoffen die beoordelings-, toezicht- en beheersmaatregelen vereisen, anderzijds, blijft het evenwel nodig om een daaraan aangepaste afwijkingsprocedure te behouden, op voorwaarde dat de afwijking geen mogelijk gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. De bepaling in Richtlijn 98/83/EG inzake afwijkingen moet derhalve worden gewijzigd opdat de lidstaten de naleving van de vereisten van deze richtlijn sneller en doeltreffender kunnen garanderen. Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn nog steeds van toepassing zijn, moeten echter van toepassing blijven tot volgens de afloop van hun termijn, maar mogen niet worden verlengd regelingen die zijn vastgesteld in de bepalingen die golden bij de opstart van de afwijkingsprocedure . [Am. 27]

(17)

In haar antwoord op het Europees burgerinitiatief “Right2Water” van 2014 (22) heeft de Commissie de lidstaten verzocht de toegang tot een minimale watervoorziening te waarborgen voor alle burgers, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO. De Commissie verplichtte zich er ook toe te blijven werken aan “verbetering van de toegang tot veilig drinkwater […] voor iedereen via het milieubeleid” (23). Dit is in lijn met de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit is eveneens in lijn met duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de VN en de daarmee samenhangende doelstelling om universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te verwezenlijken. Het begrip billijke toegang omvat een breed scala van aspecten zoals de beschikbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van geografische omstandigheden, gebrek aan infrastructuur of de specifieke situatie van bepaalde delen van de bevolking), kwaliteit, aanvaardbaarheid, of financiële haalbaarheid. Met betrekking tot de betaalbaarheid van water is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten bij het bepalen van watertarieven volgens het beginsel van kostenterugwinning zoals beschreven in Richtlijn 2000/60/EG , onverminderd artikel 9, lid 4, van die richtlijn, rekening kunnen houden met verschillen in de economische en sociale omstandigheden van de bevolking en derhalve sociale tarieven kunnen vaststellen of maatregelen kunnen nemen ter bescherming van sociaaleconomische sociaaleconomisch achtergestelde bevolkingsgroepen. Deze richtlijn heeft met name betrekking op die aspecten van de toegang tot water die te maken hebben met kwaliteit en beschikbaarheid. Om die aspecten aan te pakken, als gedeeltelijk antwoord op het Europees burgerinitiatief, en om bij te dragen tot het in praktijk brengen van beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten (24) (“Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water […]”) moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de kwestie van de toegang tot betaalbaar water op nationaal niveau aan te pakken, waarbij zij wel moeten beschikken over enige vrijheid een zekere beoordelingsvrijheid ten aanzien van het exacte soort te nemen maatregelen. Dit kan gebeuren door middel van acties die onder meer gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen, bijvoorbeeld door de kwaliteitseisen voor water niet onrechtmatig te verscherpen uit het oogpunt van de volksgezondheid, waardoor de waterprijs voor de burgers zou stijgen, met vrij toegankelijke drinkwaterfonteinen in steden, en door het gebruik van dat water te bevorderen door de gratis verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water aan te moedigen in openbare gebouwen , restaurants, winkelcentra en restaurants aan te moedigen recreatiecentra alsook op plaatsen met veel voetgangersverkeer en grote bezoekersaantallen, zoals treinstations en luchthavens. De lidstaten moeten de juiste mix van dergelijke instrumenten, rekening houdend met hun specifieke nationale omstandigheden, vrij kunnen bepalen . [Am. 28]

(18)

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie over de follow-up van het Europees burgerinitiatief “Right2Water” (25) opgemerkt “dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving” (26). De specifieke situatie van minderheidsculturen, zoals Roma, Sinti, en Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven — met name hun gebrek aan toegang tot drinkwater — is ook bevestigd in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma (27) en van de aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (28). In het licht van deze algemene context is het passend dat de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze groepen toegang hebben tot water. Met inachtneming van het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten dat is vastgesteld in Richtlijn 2000/60/EG verbeteren de lidstaten de toegang tot water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen zonder dat de levering van betaalbaar water van goede kwaliteit aan iedereen in het gedrang komt. Onverminderd het recht van de lidstaten die groepen te omschrijven, moeten daartoe ten minste vluchtelingen, nomadische gemeenschappen, dak- en thuislozen en minderheidsculturen zoals de Roma, Sinti, en Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven, worden gerekend. Dergelijke maatregelen om de toegang tot water te waarborgen, de keuze waarvoor aan de beoordeling van de lidstaten wordt overgelaten, zouden bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het beschikbaar stellen van alternatieve watervoorzieningssystemen (individuele waterbehandelingssystemen), levering van water via tankers (vrachtwagens en cisternes) en te zorgen voor de nodige infrastructuur voor kampen. Wanneer de verantwoordelijkheid voor de naleving van deze verplichtingen wordt toegewezen aan lokale overheden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij beschikken over toereikende financiële middelen en voldoende technische en materiële capaciteit, en moeten zij hen ondersteunen, bijvoorbeeld door deskundige hulp te bieden. In het bijzonder mag de waterdistributie aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen voor lokale overheden geen onevenredige kosten met zich meebrengen. [Am. 29]

(19)

In het zevende milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (29), is bepaald dat het publiek toegang moet hebben tot duidelijke informatie over het milieu op nationaal niveau. Richtlijn 98/83/EG voorzag enkel in passieve toegang tot informatie, hetgeen betekent dat de lidstaten er enkel voor hoefden te zorgen dat er informatie beschikbaar was. Die bepalingen moeten derhalve worden vervangen om ervoor te zorgen dat actuele informatie begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is voor de consument , bijvoorbeeld op in een website waarvan de link actief moet worden verspreid folder, op een website of via een slimme applicatie . De actuele informatie moet niet alleen bestaan uit de resultaten van de controleprogramma’s, maar ook aanvullende informatie omvatten die nuttig zou kunnen zijn voor het publiek, zoals informatie over indicatoren (ijzer, hardheid, mineralen enz.), die vaak van invloed zijn op de perceptie die de consument van het kraanwater heeft. Daartoe moeten de indicatorparameters van Richtlijn 98/83/EG die geen gezondheidsgerelateerde informatie leverden, worden vervangen door online informatie over die parameters de resultaten van genomen maatregelen om waterleveranciers te controleren wat betreft de kwaliteitsparameters van het water en informatie over de in bijlage I , deel B bis opgenomen indicatorparameters . Voor zeer grote waterleveranciers moet ook aanvullende informatie over onder meer energie-efficiëntie, beheer, bestuur, kostenstructuur de tariefstructuur en de toegepaste behandeling online beschikbaar zijn. Er wordt van uitgegaan dat een betere kennis van de consumenten en meer transparantie zullen bijdragen tot een groter vertrouwen van de burgers in het aan hen geleverde water. De verwachting is dat dit er vervolgens weer toe zal leiden dat meer gebruik wordt gemaakt van kraanwater, hetgeen bijdraagt Betere kennis van de consumenten van relevante informatie en meer transparantie moeten ertoe leiden dat de burger meer vertrouwen krijgt in het geleverde water alsook in de waterdiensten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot een groter gebruik van kraanwater als drinkwater, wat zou bijdragen tot vermindering van de hoeveelheid kunststofzwerfvuil en broeikasgasemissies en positieve effecten heeft op de mitigatie van klimaatverandering en op het milieu als geheel. [Am. 30]

(20)

Om dezelfde redenen, en om consumenten bewuster te maken van de gevolgen van hun waterverbruik, moeten zij ook informatie ontvangen , die begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is, (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van via een slimme applicaties) applicatie, over de jaarlijks verbruikte hoeveelheid, de kostenstructuur veranderingen in de consumptie, een vergelijking met het gemiddelde verbruik voor huishoudens, indien de waterleverancier over deze informatie beschikt, de structuur van het door de waterleverancier in rekening gebrachte tarief, met inbegrip van de verdeling van de vaste en variabele kosten bestanddelen ervan , alsook over de literprijs van het voor menselijke consumptie bestemde water, waardoor het mogelijk wordt deze te vergelijken met de prijs van water in flessen. [Am. 31]

(21)

De fundamentele beginselen waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van watertarieven, namelijk het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn neergelegd in Richtlijn onverminderd artikel 9, lid 4, van Richtlijn  2000/60/EG , neergelegd in diezelfde richtlijn . De financiële houdbaarheid van de levering van waterdiensten is echter niet altijd gewaarborgd, wat soms leidt tot achterblijvende investeringen in het onderhoud van de waterinfrastructuur. Dankzij verbeterde controletechnieken worden de lekkagepercentages — die vooral te wijten zijn aan dergelijke achterblijvende investeringen — steeds duidelijker zichtbaar, en op het niveau van de Unie moet het terugdringen van waterverliezen worden gestimuleerd om de doelmatigheid van de waterinfrastructuur te verbeteren. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet dat vraagstuk worden aangepakt door de transparantie te vergroten en meer informatie aan de consument te verstrekken over lekkagepercentages en energie-efficiëntie desbetreffende informatie op transparantere wijze met de consument worden gedeeld om de bewustwording over dit probleem te vergroten . [Am. 32]

(22)

Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (30) heeft tot doel het recht op toegang tot milieu-informatie in de lidstaten te waarborgen, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus. Zij omvat ruime verplichtingen met betrekking tot zowel de terbeschikkingstelling van milieu-informatie op verzoek als de actieve verspreiding van dergelijke informatie. Ook Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (31) heeft een ruim toepassingsgebied, en heeft betrekking op uitwisseling van ruimtelijke informatie, met inbegrip van gegevensverzamelingen over verschillende milieugerelateerde onderwerpen. Het is van belang dat de bepalingen van deze richtlijn inzake toegang tot informatie en afspraken voor gegevensdeling een aanvulling vormen op die richtlijnen, en geen afzonderlijke wettelijke regeling in het leven roepen. Daarom moeten de bepalingen van deze richtlijn inzake de voorlichting van het publiek en informatie over het toezicht op de implementatie de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG onverlet laten.

(23)

Bij Richtlijn 98/83/EG waren geen rapportageverplichtingen voor kleine leveranciers vastgesteld. Om dit probleem te verhelpen en tegemoet te komen aan de behoefte aan informatie over implementatie en handhaving, moet een nieuw systeem worden ingevoerd op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn gegevensverzamelingen samen te stellen, bij te houden en beschikbaar te stellen aan de Commissie en het Europees Milieuagentschap, die uitsluitend relevante gegevens bevatten, zoals overschrijdingen van de parameterwaarden en incidenten van een bepaalde orde van grootte. Dit moet ervoor zorgen dat de administratieve lasten voor alle entiteiten zo beperkt mogelijk blijven. Om te zorgen voor een passende infrastructuur voor publieke toegang, rapportage en uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties, moeten de lidstaten de gegevensspecificaties baseren op Richtlijn 2007/2/EG en de uitvoeringsbesluiten daarvan.

(24)

Door de lidstaten gerapporteerde gegevens zijn niet alleen nodig voor controle op de naleving, maar zijn ook onontbeerlijk om de Commissie in staat te stellen de werking van de wetgeving te controleren en beoordelen ten opzichte van de doelstellingen ervan, ter onderbouwing van toekomstige evaluaties van de wetgeving overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016 (32). In dat verband bestaat er behoefte aan relevante gegevens die een betere beoordeling van de doeltreffendheid, doelmatigheid, relevantie en meerwaarde op Unieniveau van de richtlijn mogelijk maken; om die reden moet worden gezorgd voor geschikte rapportagemechanismen die ook kunnen dienen als indicatoren voor toekomstige evaluaties van deze richtlijn.

(25)

Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord “Beter wetgeven” moet de Commissie een evaluatie uitvoeren van deze richtlijn binnen een bepaalde termijn na de uiterste datum voor de omzetting ervan. Die evaluatie moet zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan en de gegevens die zijn verkregen tijdens de implementatie van de richtlijn, op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens, alsmede op eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO alsmede op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens . [Am. 34]

(26)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met name wordt met deze richtlijn beoogd de beginselen inzake gezondheidszorg, toegang tot diensten van algemeen economisch belang, milieubescherming en consumentenbescherming te bevorderen.

(27)

Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, zou het onverenigbaar zijn met de dwingende werking die in artikel 288, derde alinea, van het Verdrag aan een richtlijn wordt toegekend, om principieel uit te sluiten dat een daarbij opgelegde verplichting door de betrokkenen kan worden ingeroepen. Deze overweging geldt met name voor een richtlijn waarvan het doel is gelegen in de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water. Derhalve dienen de leden van het betrokken publiek, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (33), toegang te hebben tot de rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon. Daarnaast moeten, indien een groot aantal personen zich in een “situatie van massaschade” bevinden als gevolg van dezelfde illegale praktijken die betrekking hebben op de schending van aan deze richtlijn ontleende rechten, die personen de mogelijkheid hebben gebruik te maken van mechanismen voor collectief verhaal, waar dergelijke mechanismen overeenkomstig Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie (34) door de lidstaten zijn opgezet.

(28)

Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, of teneinde controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn te wijzigen en de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de bij artikel 10 bis ingevoerde wijzigingen . Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Daarnaast is de machtiging in bijlage I, deel C, opmerking 10, bij Richtlijn 98/83/EG om de controlefrequentie en -methoden voor radioactieve stoffen aan te nemen, overbodig geworden door de vaststelling van Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad (35) en moet zij derhalve worden geschrapt. De machtiging in bijlage III, deel A, tweede alinea, bij Richtlijn 98/83/EG betreffende wijzigingen van de richtlijn is niet langer nodig en moet worden geschrapt. [Am. 35]

(29)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de informatie over voor menselijke consumptie bestemd water die aan alle personen aan wie dat water wordt geleverd, moet worden verstrekt, alsmede voor het vaststellen van het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de door de lidstaten te verstrekken en door het Europees Milieuagentschap samen te brengen informatie over de implementatie van deze richtlijn. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (36).

(30)

Onverminderd de voorschriften van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (37) moeten de lidstaten voorschriften vaststellen ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze richtlijn en ervoor zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(31)

Richtlijn 2013/51/Euratom voorziet in specifieke regels voor het toezicht op radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water. In de onderhavige richtlijn moeten daarom geen parameterwaarden voor radioactiviteit worden vastgesteld.

(32)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, te weten de bescherming van de volksgezondheid, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(34)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie . [Am. 36]

2.   De richtlijn heeft ten doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is , en de universele toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te bevorderen . [Ams. 163, 189, 207 en 215]

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

“voor menselijke consumptie bestemd water”: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of -productie, of andere huishoudelijke doeleinden voedingsdoeleinden , zowel in openbare als in particuliere percelen , met inbegrip van levensmiddelenbedrijven , ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, wordt geleverd uit een tankschip of tankauto, of, voor bronwater, in flessen of verpakkingen wordt gedaan; [Am. 38]

2.

“huishoudelijk leidingnet”: de leidingen, fittingen en toestellen die geïnstalleerd worden tussen de kranen die normaliter, zowel in openbare als in particuliere percelen, worden gebruikt voor menselijke consumptie en het distributienet, maar slechts indien die volgens de desbetreffende nationale wetgeving niet onder de verantwoordelijkheid van de waterleverancier in zijn hoedanigheid van waterleverancier vallen. [Am. 39. Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

3.

“waterleverancier”: een juridische entiteit die gemiddeld per dag ten minste 10 m3 voor menselijke consumptie bestemd water levert; [Am. 40]

3bis.

“zeer kleine waterleverancier”: een waterleverancier die per dag minder dan 50 m3 levert of die minder dan 250 mensen bedient; [Am. 41]

4.

“kleine waterleverancier”: een waterleverancier die per dag minder dan 500 m3 levert of die minder dan 5 000 2 500 mensen bedient; [Am. 42]

4 bis.

“middelgrote waterleverancier”: een waterleverancier die per dag ten minste 500 m 3 levert of die ten minste 2 500 mensen bedient; [Am. 43]

5.

“grote waterleverancier”: een waterleverancier die per dag ten minste 500 5 000  m3 levert of die ten minste 5 000 25 000 mensen bedient; [Am. 44]

6.

“zeer grote waterleverancier”: een waterleverancier die per dag ten minste 5 000  20 000  m3 levert of die ten minste 50 000 100 000 mensen bedient; [Am. 45]

7.

“prioritaire percelen”: grote , niet-huishoudelijke percelen met veel gebruikers mensen, met name gevoelige doelgroepen, die aan watergerelateerde risico's blootgesteld zouden kunnen worden, waaronder ziekenhuizen, zorginstellingen , bejaardentehuizen, scholen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen, crèches en kinderdagverblijven, sport-, recreatie-, ontspannings-, en tentoonstellingsfaciliteiten , gebouwen met overnachtingsfaciliteiten, strafinrichtingen en kampeerterreinen, zoals door de lidstaten aangewezen; [Am. 46]

8.

“kwetsbare en gemarginaliseerde groepen”: mensen die ten gevolge van discriminatie of een gebrek aan toegang tot rechten, hulpbronnen of kansen zijn uitgesloten uit de samenleving, en die vergeleken met de rest van de samenleving sterker zijn blootgesteld aan een reeks potentiële risico’s, waaronder risico’s die betrekking hebben op hun gezondheid, veiligheid, gebrek aan opleiding en betrokkenheid bij schadelijke praktijken.;

8 bis.

“levensmiddelenbedrijf”: een levensmiddelenbedrijf als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EG) nr. 178/2002. [Am. 47]

Artikel 3

Uitzonderingen

1.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

natuurlijk mineraalwater dat door de verantwoordelijke autoriteit als zodanig is erkend, zoals bedoeld in Richtlijn 2009/54/EG;

b)

water dat een geneesmiddel is in de zin van Richtlijn 2001/83/EG Richtlijn 2001/83/EG.

1 bis.     Op water dat in levensmiddelenbedrijven wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, zijn alleen de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn van toepassing. Geen van de artikelen van deze richtlijn zijn evenwel van toepassing wanneer een exploitant van een levensmiddelenbedrijf bij de bevoegde nationale autoriteit naar tevredenheid kan aantonen dat de kwaliteit van het water dat hij gebruikt de hygiënische kwaliteit van de uit zijn activiteiten voortkomende producten of stoffen niet nadelig beïnvloedt, en dat deze producten of stoffen voldoen aan Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad  (38) . [Am. 48]

1 ter.     Een producent van voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, wordt niet als een waterleverancier beschouwd.

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water voor zover zij niet onder verplichtingen uit hoofde van andere Uniewetgeving vallen. [Am. 49]

1 quater.     Zeeschepen die water ontzilten, passagiers aan boord hebben en optreden als waterleveranciers zijn uitsluitend onderworpen aan de artikelen 1 tot en met 7 en 9 tot en met 12 van deze richtlijn en de bijlagen erbij. [Am. 50]

2.   De lidstaten mogen van toepassing van deze richtlijn uitzonderen:

a)

water dat uitsluitend bestemd is voor doeleinden waarvoor de kwaliteit van het water naar de overtuiging van de bevoegde autoriteiten direct noch indirect van invloed is op de gezondheid van de betrokken verbruikers;

b)

voor menselijke consumptie bestemd water dat afkomstig is van een afzonderlijke voorziening die gemiddeld minder dan 10 m3 per dag levert of waarvan minder dan 50 personen gebruik maken, tenzij het water wordt geleverd in het kader van een commerciële of openbare activiteit.

3.   Lidstaten die gebruik maken van de in lid 2, onder b), genoemde uitzonderingen zorgen ervoor dat de betrokken bevolking daarvan op de hoogte wordt gebracht en ook van de maatregelen die kunnen worden getroffen om de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water. Bovendien wordt de betrokken bevolking zo spoedig mogelijk passend advies verstrekt, wanneer blijkt dat de kwaliteit van dit water gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren.

Artikel 4

Algemene verplichtingen

1.   Onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van andere bepalingen van de Unie, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water gezond en schoon is. Overeenkomstig de minimumvereisten van deze richtlijn is voor menselijke consumptie bestemd water gezond en schoon, als het aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)

het bevat geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen in hoeveelheden of concentraties die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren,

b)

het voldoet aan de in bijlage I, delen A en B, gespecificeerde minimumvereisten;

c)

de lidstaten hebben alle andere nodige maatregelen genomen om aan de vereisten van de artikelen 5 tot en met 12 van deze richtlijn te voldoen in: .

i)

de artikelen 4 tot en met 12 van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bestemd water dat aan de eindverbruiker wordt geleverd via een distributienet of uit een tankschip of tankauto;

ii)

de artikelen 4, 5 en 6 en artikel 11, lid 4, van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bedoeld water dat in een levensmiddelenbedrijf in flessen of verpakkingen wordt gedaan

iii)

de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn voor water dat in een levensmiddelenbedrijf wordt geproduceerd en gebruikt voor de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen; [Am. 51]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn volledig in overeenstemming zijn met het voorzorgsbeginsel en er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat, of dat de verontreiniging van water dat wordt gebruikt voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water toeneemt. [Am. 52]

2 bis.     De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een evaluatie van het aantal waterlekken op hun grondgebied uitvoeren, en de mogelijkheden bekijken om het aantal waterlekken in de drinkwatersector terug te dringen. In deze evaluatie wordt rekening gehouden met de relevante volksgezondheids-, milieu-, technische en economische aspecten. Uiterlijk op 31 december 2022 stellen de lidstaten nationale streefdoelen vast om de lekkagepercentages van waterleveranciers op hun grondgebied voor 31 december 2030 te beperken. De lidstaten kunnen voorzien in zinvolle stimulansen om te waarborgen dat de waterleveranciers op hun grondgebied aan de nagestreefde nationale doelstellingen voldoen. [Am. 53]

2 ter.     Indien een bevoegde autoriteit die is belast met de productie en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water het beheer van de waterproductie of de leveringsactiviteiten volledig of gedeeltelijk overdraagt aan een waterleverancier, worden de verantwoordelijkheden van de beide partijen uit hoofde van deze richtlijn gespecificeerd in het contract tussen beide partijen. [Am. 54]

Artikel 5

Kwaliteitseisen

1.   De lidstaten stellen voor de in bijlage I vermelde parameters de waarden vast die van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water , die niet minder streng zijn dan de in die bijlage vermelde waarden . [Am. 55]

1 bis.     De overeenkomstig lid 1 vastgestelde waarden mogen niet minder streng zijn dan de in de delen A, B en B bis van bijlage I vermelde waarden. Voor de in bijlage I, deel B bis vermelde parameters worden de waarden uitsluitend vastgesteld voor controledoeleinden en met het oog op de door artikel 12 opgelegde verplichtingen. [Am. 56]

2.   Indien de bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied of een deel daarvan dit vereist, stellen de lidstaten waarden vast voor aanvullende parameters die niet in bijlage I zijn opgenomen. De vastgestelde waarden voldoen ten minste aan de eisen van artikel 4, lid 1, onder a).

De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat de in het watervoorzieningssysteem met het oog op ontsmetting toegepaste behandelingsmiddelen, materialen en desinfectieprocedures geen nadelig effect hebben op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Eventuele verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het gebruik van dergelijke middelen, materialen en procedures wordt beperkt, zonder evenwel de doeltreffendheid van de ontsmetting te ondermijnen. [Am. 57]

Artikel 6

Plaats waaraan waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan

1.   Aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voor de in de lijsten in bijlage I, delen A , B en B C , opgenomen parameters moet worden voldaan: [Am. 58]

a)

voor water dat via een distributienet wordt geleverd, op het punt binnen een perceel of gebouw waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie; of

b)

voor water dat geleverd wordt uit een tankschip of tankauto, op het punt waar het uit het tankschip of de tankauto komt; of

c)

voor bronwater voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan , op het punt waarop het water in de flessen of verpakkingen wordt gedaan . ; [Am. 59]

c bis)

voor water dat wordt gebruikt in een levensmiddelenbedrijf waar water door een waterleverancier wordt geleverd, op het punt waar het in het bedrijf wordt gebruikt. [Am. 60]

1 bis.     Voor water zoals omschreven in lid 1, onder a), worden de lidstaten geacht aan hun verplichtingen krachtens dit artikel, te hebben voldaan wanneer kan worden vastgesteld dat de overschrijding van de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameter wordt veroorzaakt door een privaat leidingnet of het onderhoud daarvan, behalve op prioritaire percelen. [Am. 61]

Artikel 7

Op risico’s gebaseerde benadering van waterveiligheid

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat op de levering, behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water een op risico’s gebaseerde benadering wordt toegepast, die uit de volgende elementen bestaat:

a)

een door de lidstaten verrichte gevarenbeoordeling van waterlichamen of delen van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water, overeenkomstig artikel 8; [Am. 62]

b)

een door de waterleveranciers in elk watervoorzieningssysteem uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling met het oog op de controle het waarborgen en controleren van de kwaliteit van het door hen geleverde water, overeenkomstig artikel 9 en bijlage II, deel C; [Am. 63]

c)

een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, overeenkomstig artikel 10.

1 bis.     De lidstaten mogen de tenuitvoerlegging van de op risico's gebaseerde benadering aanpassen, zonder dat de doelstelling van deze richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water en de gezondheid van consumenten hierbij in het geding komt, wanneer er sprake is van bijzondere beperkingen als gevolg van geografische omstandigheden zoals een afgelegen ligging of de toegankelijkheid van waterleveringsgebieden. [Am. 64]

1 ter.     Lidstaten zorgen voor een duidelijke en passende verdeling van de verantwoordelijkheden tussen belanghebbenden, als gedefinieerd door de lidstaten, voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering met betrekking tot de waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en de huishoudelijke leidingnetten. Een dergelijke verdeling van verantwoordelijkheden wordt afgestemd op hun institutioneel en juridisch kader. [Am. 65]

2.   De gevarenbeoordelingen worden uiterlijk op … [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, met inachtneming van het in artikel 7 van Richtlijn 2000/60/EG opgenomen voorschrift dat lidstaten waterlichamen aanwijzen, en waar nodig bijgewerkt. [Am. 66]

3.   De leveringsrisicobeoordelingen worden door zeer grote waterleveranciers en grote waterleveranciers uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive], en door kleine waterleveranciers uiterlijk op [6 years after the end-date for transposition of this Directive] … [zes jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn], uitgevoerd. Zij worden met regelmatige tussenpozen van niet langer dan zes jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt. [Am. 67]

3 bis.     Overeenkomstig artikelen 8 en 9 van deze richtlijn nemen de lidstaten de nodige corrigerende maatregelen in het kader van de maatregelenprogramma's en stroomgebiedsbeheersplannen als bepaald in de respectieve artikelen 11 en 13 van Richtlijn 2000/60/EG. [Am. 68]

4.   De risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet op de in artikel 10, lid 1 bedoelde percelen worden uiterlijk op … [3 years after the end-date for transposition of this Directive] [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt. [Am. 69]

Artikel 8

Gevarenbeoordeling Beoordeling, controle en beheer van gevaren betreffende waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water [Am. 70]

1.   Onverminderd Richtlijn 2000/60/EG, en met name de artikelen 6 4 tot en 7 van Richtlijn 2000/60/EG met 8 ervan, zorgen de lidstaten ervoor er, samen met hun voor watervoorziening bevoegde autoriteiten, voor dat een gevarenbeoordeling wordt uitgevoerd met betrekking tot alle voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water gebruikte waterlichamen die gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren. De gevarenbeoordeling omvat de volgende elementen: [Am. 71]

a)

identificatie van en georeferenties voor alle onttrekkingspunten in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen of delen van waterlichamen. Aangezien de in dit punt genoemde gegevens mogelijk gevoelig zijn, met name betreffende de bescherming van de volksgezondheid, waarborgen de lidstaten dat dergelijke gegevens worden beschermd en uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden meegedeeld ; [Am. 72]

b)

kaarten van de beschermingszones, voor zover die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG zijn vastgesteld, en de beschermde gebieden zoals bedoeld in artikel 6 van die richtlijn; [Am. 73]

c)

identificatie van gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging met gevolgen voor de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen. De methoden voor het onderzoek naar en de vaststelling van bronnen van verontreiniging worden regelmatig geactualiseerd zodat de nieuwe stoffen met invloed op microplastics, met name PFAS, kunnen worden gedetecteerd. De lidstaten kunnen hiervoor de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten gebruiken, alsmede de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen; [Am. 216]

d)

regelmatige controle in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen op relevante of delen van waterlichamen op verontreinigende stoffen die relevant zijn voor de waterlevering en die uit de volgende lijsten worden geselecteerd: [Am. 75]

i)

de in bijlage I, delen A en B, bij deze richtlijn opgenomen lijsten van parameters;

ii)

de in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad (39) opgenomen lijst van verontreinigende stoffen in het grondwater, alsmede verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging waarvoor overeenkomstig bijlage II bij die richtlijn door de lidstaten drempelwaarden zijn vastgesteld;

iii)

de lijst van prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad (40);

iv)

lijsten parameters voor controledoeleinden uitsluitend in deel C bis van bijlage I, of overige relevante verontreinigende stoffen, zoals microplastics , mits er een methodologie is ingesteld voor het meten van microplastics als omschreven in artikel 11, lid 5 ter , of stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, zoals door de lidstaten opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten en de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen. [Am. 76]

De lidstaten maken een selectie uit de punten i) tot en met iv) voor de controle van parameters, stoffen of verontreinigende stoffen die in het licht van de overeenkomstig dit lid, onder c), geïdentificeerde gevaren of van de overeenkomstig lid 2 door de waterleveranciers verstrekte informatie relevant worden geacht.

Voor de regelmatige controle en voor de detectie van nieuwe schadelijke stoffen dankzij nieuw onderzoek, kunnen de lidstaten ook gebruikmaken van de overeenkomstig andere wetgeving van de Unie uitgevoerde controles en ingevoerde onderzoekscapaciteit . [Am. 217]

Zeer kleine waterleveranciers kunnen worden vrijgesteld van de onder a), b) en c) van dit lid vermelde verplichtingen, mits de bevoegde autoriteit van tevoren over geactualiseerde, gedocumenteerde kennis beschikt over de relevante in deze punten genoemde parameters. Deze uitzondering wordt ten minste elke drie jaar door de bevoegde autoriteit herzien en indien nodig geactualiseerd. [Am. 77]

2.   Waterleveranciers die hun onbehandelde water controleren in het kader van operationele monitoring worden ertoe verplicht de bevoegde autoriteiten op de hoogte te stellen van tendensen en ongebruikelijke concentraties van parameters, stoffen of verontreinigende stoffen waarop wordt gecontroleerd.

3.   De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten:

a)

voorschrijven dat de waterleveranciers aanvullende controles of behandeling uitvoeren voor bepaalde parameters;

b)

toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan. [Am. 78]

4.   In gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld in lid 3, onder b), blijven de lidstaten regelmatig controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam. [Am. 79]

5.   Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verzamelde informatie en de krachtens Richtlijn 2000/60/EG vergaarde informatie nemen de lidstaten in samenwerking met de waterleveranciers en andere belanghebbenden de volgende maatregelen, of zorgen zij ervoor dat die maatregelen door de waterleveranciers worden genomen: [Am. 80]

a)

preventiemaatregelen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen; [Am. 178]

a bis)

maatregelen om te waarborgen dat vervuilers, in samenwerking met waterleveranciers en andere relevante belanghebbenden, preventiemaatregelen nemen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen of behandeling te vermijden en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen, evenals aanvullende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht; [Am. 82]

b)

verzachtende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht om de bron van de verontreiniging te identificeren en aan te pakken en aanvullende behandeling te vermijden, wanneer preventiemaatregelen worden verondersteld niet haalbaar of niet voldoende effectief te zijn om de bron van verontreiniging tijdig aan te pakken . [Am. 83]

b bis)

indien de onder a bis) en b)genoemde maatregelen niet toereikend worden geacht om de volksgezondheid adequaat te beschermen, van waterleveranciers eisen dat zij voor bepaalde parameters aanvullende controles uitvoeren op het onttrekkingspunt of, indien dit strikt noodzakelijk is om gezondheidsrisico's te voorkomen, behandeling uitvoeren; [Am. 84]

De lidstaten herzien dergelijke maatregelen regelmatig.

5 bis.     De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam of delen van het waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten en de op grond van de leden 1 en 2 en krachtens Richtlijn 2000/60/EG verzamelde informatie:

a)

toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters of het aantal parameters dat wordt gecontroleerd verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan;

b)

in gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld onder a), regelmatig blijven controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam. [Am. 85]

Artikel 9

Leveringsrisicobeoordeling , -controle en -beheer [Am. 86]

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat waterleveranciers een leveringsrisicobeoordeling uitvoeren in overeenstemming met bijlage II, deel C , waarbij zij de mogelijkheid bieden de controlefrequentie voor elk van de in de lijsten in bijlage I, delen A , B en B  bis , opgenomen parameters, voor zover het geen kernparameters overeenkomstig bijlage II, deel B, betreft, aan te passen, afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water. [Am. 87]

Voor die parameters zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers overeenkomstig de specificaties in bijlage II, deel C, en afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water en de behandelopzet, af mogen wijken van de in bijlage II, deel B, vastgestelde bemonsteringsfrequenties. [Am. 88]

Met het oog daarop worden houden de waterleveranciers ertoe verplicht rekening te houden met de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde gevarenbeoordeling en van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde monitoring. [Am. 89]

1 bis.     De lidstaten kunnen zeer kleine waterleveranciers vrijstelling verlenen van lid 1, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit beschikt over eerdere, gedocumenteerde en actuele kennis over de relevante parameters en van mening is dat deze vrijstellingen geen risico voor de volksgezondheid zullen opleveren, onverminderd de verplichtingen van de autoriteit uit hoofde van artikel 4.

Deze vrijstellingen worden ten minste om de 3 jaar of wanneer een nieuw verontreinigingsrisico in het stroomgebied is vastgesteld door de bevoegde autoriteit beoordeeld, en worden waar nodig bijgewerkt. [Am. 90]

2.   Leveringsrisicobeoordelingen worden door zijn de verantwoordelijkheid van de waterleveranciers die waarborgen dat deze beoordelingen voldoen aan deze richtlijn. Hiertoe kunnen waterleveranciers ondersteuning van de bevoegde autoriteiten vragen.

De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten goedgekeurd ertoe verplichten de leveringsrisicobeoordelingen van de waterleveranciers goed te keuren of te controleren. [Am. 91]

2 bis.     Op basis van de resultaten van de krachtens lid 1 uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers een waterveiligheidsplan opstellen dat geschikt is voor de geïdentificeerde risico's en in verhouding staat tot de omvang van de waterleverancier. Dit waterveiligheidsplan kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de gebruikte materialen die in contact komen met water, waterbehandelingsproducten, mogelijke risico's als gevolg van lekkende leidingen of maatregelen voor aanpassingen aan huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de klimaatverandering, en wordt nader gespecificeerd door de lidstaten. [Am. 92]

Artikel 10

Risicobeoordeling Beoordeling, controle en beheer van de risico’s betreffende het huishoudelijk leidingnet [Am. 93]

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet in prioritaire percelen wordt uitgevoerd, die de volgende elementen omvat: [Am. 94]

a)

een beoordeling van de potentiële risico’s in verband met de huishoudelijke leidingnetten en de daarmee samenhangende producten en materialen, en van de vraag of deze risico’s van invloed zijn op de kwaliteit van het water op de plaatsen waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie, met name waar het publiek van water wordt voorzien in prioritaire percelen; [Am. 95]

b)

regelmatige controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters in prioritaire percelen waar het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid het grootst wordt geacht. Relevante parameters en percelen voor de controle worden geselecteerd op basis van de onder a) bedoelde beoordeling tijdens de onder a) bedoelde beoordeling specifieke risico's voor de waterkwaliteit zijn vastgesteld . [Am. 96]

Met betrekking tot de regelmatige controle zoals bedoeld waarborgen de lidstaten toegang tot de installaties in de eerste alinea, kunnen prioritaire percelen voor de lidstaten bemonstering en kunnen zij een controlestrategie opstellen die op prioritaire percelen is toegespitst , met name betreffende Legionella pneumophila ; [Am. 97]

c)

verificatie of de prestaties van bouwproducten producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water adequaat zijn ten opzichte van de essentiële kenmerken in verband met de in bijlage I, punt 3, onder e), bij Verordening (EU) nr. 305/2011 gespecificeerde fundamentele eis voor bouwwerken bescherming van de volksgezondheid . [Am. 98]

c bis)

verificatie of de gebruikte materialen geschikt zijn om in contact te komen met voor menselijke consumptie bedoeld water en of wordt voldaan aan de in artikel 11 genoemde vereisten. [Am. 99]

2.   Indien de lidstaten op basis van de beoordeling overeenkomstig lid 1, onder a), van mening zijn dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid dat voortvloeit uit het huishoudelijk leidingnet van prioritaire percelen of uit de daarmee samenhangende producten en materialen, of indien uit de controle overeenkomstig lid 1, onder b), blijkt dat niet aan de parameterwaarden van bijlage I, deel C, wordt voldaan , waarborgen de lidstaten dat passende maatregelen worden genomen om het risico op niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te beperken.

a)

nemen zij passende maatregelen om het risico op de niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te verkleinen;

b)

nemen zij alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de migratie van stoffen of chemicaliën uit bouwproducten die worden gebruikt bij de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, geen direct of indirect gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert;

c)

nemen zij, in samenwerking met de waterleveranciers, andere maatregelen, zoals de toepassing van adequate conditioneringstechnieken, om de aard of de eigenschappen van het water voor de levering zodanig te veranderen dat het risico op niet-naleving van de parameterwaarden na de levering, wordt weggenomen of verkleind;

d)

informeren en adviseren zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;

e)

organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten;

f)

zorgen zij er wat betreft Legionella voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn om mogelijke ziekte-uitbraken te voorkomen en aan te pakken. [Am. 100]

2 bis.     Om de met het huishoudelijke leidingnet samenhangende risico's te beperken in alle huishoudelijke leidingnetten:

a)

moedigen de lidstaten eigenaren van openbare en particuliere percelen aan een risicobeoordeling van het huishoudelijke leidingnet uit te voeren;

b)

informeren de lidstaten de consumenten en eigenaren van openbare en particuliere percelen over de maatregelen om het risico op de niet-naleving van de kwaliteitseisen van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het huishoudelijk leidingnet weg te nemen of te beperken;

c)

informeren en adviseren de zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;

d)

organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten en materialen die in contact komen met water; en

e)

zorgen de lidstaten er wat betreft Legionella, en in het bijzonder Legionella pneumophila, voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn die evenredig zijn met het risico om mogelijke uitbraken van de ziekte te voorkomen en aan te pakken. [Am. 101]

Artikel 10 bis

Minimumvereisten inzake hygiënecriteria voor producten, stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water

1.     De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat de stoffen en materialen voor de vervaardiging van nieuwe producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en die in de handel worden gebracht en gebruikt voor de onttrekking, behandeling of distributie of dat de onzuiverheden die uit die stoffen voortkomen:

a)

de bescherming van de volksgezondheid zoals bedoeld in deze richtlijn niet direct of indirect verminderen;

b)

de geur en de smaak van voor menselijke consumptie bestemd water niet aantasten;

c)

niet in een zodanige concentratie in voor menselijke consumptie bestemd water aanwezig zijn dat het niveau dat nodig is om het doel te bereiken waarvoor ze worden gebruikt, wordt overschreden; en

d)

de microbiologische ontwikkeling niet bevorderen.

2.     Om de geharmoniseerde toepassing van lid 1 te waarborgen, stelt de Commissie uiterlijk … [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 19 om deze richtlijn aan te vullen, waarbij de minimumvereisten inzake hygiënecriteria en de lijst van binnen de Unie toegelaten stoffen die worden gebruikt voor de productie van materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden vastgesteld, met inbegrip van, in voorkomend geval, specifieke migratielimieten en bijzondere gebruiksvoorwaarden. De Commissie herziet en actualiseert deze lijst regelmatig op basis van de laatste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

3.     Om de Commissie te ondersteunen bij het vaststellen en wijzigen van de gedelegeerde handelingen uit hoofde van lid 2, wordt een permanent comité opgezet dat bestaat uit vertegenwoordigers die door de lidstaten worden aangewezen, waarbij een beroep kan worden gedaan op deskundigen of adviseurs.

4.     De materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water die onder andere rechtshandelingen van de Unie vallen, zoals Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad  (41) , beantwoorden aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel gestelde eisen. [Am. 102]

Artikel 11

Controle

1.   Om na te gaan of het voor de verbruikers beschikbare menselijke consumptie bestemd water aan de vereisten van deze richtlijn en in het bijzonder aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, treffen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ervan regelmatig wordt gecontroleerd. Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water. Ingeval voor menselijke consumptie bestemd water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, treffen de lidstaten voorts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid van de toegepaste desinfectiebehandeling wordt gecontroleerd. [Am. 103]

2.   Om te voldoen aan de bij lid 1 opgelegde verplichtingen worden overeenkomstig bijlage II, deel A, passende controleprogramma’s opgesteld voor al het voor menselijke consumptie bestemde water. Deze controleprogramma’s bestaan uit de volgende elementen:

a)

controle, overeenkomstig bijlage II, van de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters, alsmede van de overeenkomstig artikel 5, lid 2, en, indien een leveringsrisicobeoordeling wordt uitgevoerd, overeenkomstig artikel 9 vastgestelde parameters;

b)

controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters, voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet zoals bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b);

c)

controle voor de gevarenbeoordeling, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d).

3.   De plaatsen van monsterneming worden bepaald door de bevoegde autoriteiten en voldoen aan de desbetreffende vereisten van bijlage II, deel D.

4.   De lidstaten houden zich aan de specificaties voor de analyses van parameters als omschreven in bijlage III, overeenkomstig de volgende beginselen:

a)

andere dan in bijlage III, deel A, vermelde analysemethoden mogen worden gebruikt, mits kan worden aangetoond dat de verkregen resultaten minstens even betrouwbaar zijn als die van de gespecificeerde methoden door aan de Commissie alle relevante inlichtingen over deze methode en de gelijkwaardigheid ervan te verstrekken.

b)

voor de in bijlage III, deel B, genoemde parameters mag elke analysemethode worden gebruikt, mits deze aan de aldaar gestelde eisen voldoet.

5.   Voor stoffen of micro-organismen waarvoor geen parameterwaarden zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, zorgen de lidstaten per geval voor aanvullende controle indien er reden is om aan te nemen dat deze stoffen of organismen aanwezig zijn in hoeveelheden of aantallen die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.

5 bis.     De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk… [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens ieder jaar in kennis van de resultaten van de uitgevoerde controle van de in de lijsten in bijlage I, deel C bis, opgenomen parameters.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het wijzigen van deze richtlijn, door de lijst van “onder toezicht” geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I te actualiseren. De Commissie kan besluiten stoffen toe te voegen indien het risico bestaat dat deze in voor menselijke consumptie bestemd water voorkomen en een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, maar waarvoor wetenschappelijke gegevens niet hebben aangetoond dat er een risico voor de gezondheid van de mens aan verbonden is. Daartoe baseert de Commissie zich met name op het wetenschappelijk onderzoek van de WHO. De toevoeging van elke nieuwe stof moet naar behoren worden gemotiveerd op grond van artikel 1 van deze richtlijn. [Am. 104]

5 ter.     Uiterlijk … [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast teneinde deze richtlijn aan te vullen door een methodologie vast te stellen om de in de lijst van “onder toezicht” geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I opgenomen microplastics te meten. [Am. 105]

Artikel 12

Herstelmaatregelen en beperkingen van het gebruik

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin op de plaats waar overeenkomstig artikel 6 aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen. [Am. 106]

2.   Wanneer voor menselijke consumptie bestemd water, ondanks de met het oog op naleving van de verplichtingen van artikel 4, lid 1, genomen maatregelen, niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, zorgen de betrokken lidstaten ervoor dat zo spoedig mogelijk de nodige herstelmaatregelen worden getroffen om de kwaliteit weer op peil te brengen, waarbij onder meer wordt gelet op de mate waarin de parameterwaarde in kwestie is overschreden en op het mogelijke gevaar voor de volksgezondheid.

In geval van niet-naleving van de parameterwaarden in bijlage I, deel C, omvatten de herstelmaatregelen de in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met f) bis , bedoelde maatregelen. [Am. 107]

3.   Ongeacht of al dan niet aan de parameterwaarden wordt voldaan, zorgen de lidstaten ervoor dat de levering van voor menselijke consumptie bestemd water dat gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid, wordt verboden of dat het gebruik ervan wordt ingeperkt en dat alle andere herstelmaatregelen worden genomen die nodig zijn om de volksgezondheid te beschermen.

De lidstaten beschouwen elk een geval van niet-naleving van de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde minimumvereisten voor de parameterwaarden als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid , behalve wanneer de bevoegde autoriteiten de niet-naleving van parameterwaarden onbeduidend achten . [Am. 108]

4.   In de in de leden 2 en 3 beschreven gevallen nemen de lidstaten , zodra de niet-naleving van de parameterwaarden wordt beschouwd als een potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid, zo spoedig mogelijk alle volgende maatregelen: [Am. 109]

a)

alle getroffen verbruikers in kennis stellen van het potentiële gevaar voor de volksgezondheid en de oorzaak daarvan, van de overschrijding van een parameterwaarde en de genomen herstelmaatregelen, met inbegrip van verboden, inperkingen en andere maatregelen;

b)

de nodige adviezen aan de verbruikers geven, en die adviezen regelmatig bijwerken, over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water, waarbij met name rekening wordt gehouden met potentieel kwetsbare groepen;

c)

de verbruikers op de hoogte stellen zodra is vastgesteld dat er geen potentieel gevaar voor de volksgezondheid meer is, en hen ervan op de hoogte stellen dat de dienstverlening weer normaal verloopt.

De onder a), b) en c) vermelde maatregelen worden genomen in samenwerking met de betrokken waterleverancier. [Am. 110]

5.   De Wanneer de niet-conformiteit wordt vastgesteld op de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, besluiten de bevoegde autoriteiten of andere betrokken instanties besluiten welke maatregelen krachtens lid 3 worden genomen en houden daarbij tevens rekening met de risico’s die onderbreking van de levering of inperking van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water zouden opleveren voor de volksgezondheid. [Am. 111]

Artikel 12 bis

Afwijkingen

1.     De lidstaten kunnen tot een door hen vast te stellen maximumwaarde voorzien in afwijkingen van de parameterwaarden van bijlage I, deel B, of die welke zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, indien de afwijking geen gevaar vormt voor de volksgezondheid en de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. Deze afwijkingen worden beperkt tot de volgende gevallen:

a)

een nieuw waterleveringsgebied;

b)

een nieuwe bron van verontreiniging in een waterleveringsgebied of nieuw opgespoorde of vastgestelde parameters.

Afwijkingen worden gebonden aan een zo kort mogelijke termijn die niet langer mag zijn dan drie jaar. Aan het einde van deze termijn voeren de lidstaten een evaluatie uit om na te gaan of de situatie voldoende is verbeterd.

Onder uitzonderlijke omstandigheden kan een lidstaat een tweede afwijking ten aanzien van de punten a) en b) van de eerste alinea toestaan. Lidstaten die een tweede maal een afwijking willen toestaan, zenden de evaluatie en de redenen waarop hun besluit omtrent die tweede afwijking is gebaseerd, toe aan de Commissie. Een dergelijke tweede afwijking geldt voor maximaal drie jaar.

2.     Elke toegekende afwijking overeenkomstig lid 1 omvat de volgende informatie:

a)

de redenen van de afwijking;

b)

de parameter waarop het besluit omtrent de afwijking betrekking heeft, voorgaande relevante controleresultaten die met deze parameter verband houden en de maximaal toelaatbare waarde ingevolge het besluit omtrent de afwijking;

c)

het geografisch gebied, de hoeveelheid geleverd water per dag, de betrokken bevolkingsgroep en of de afwijking al dan niet gevolgen heeft voor enig betrokken levensmiddelenbedrijf;

d)

een passend controleschema met, zo nodig, een verhoogde controlefrequentie;

e)

een samenvatting van het plan voor de noodzakelijke herstelmaatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor het werk, een raming van de kosten en voorzieningen voor de evaluatie; en

f)

de vereiste duur van de afwijking.

3.     Indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de overschrijding van de parameterwaarde onbeduidend is en indien herstelmaatregelen overeenkomstig artikel 12, lid 2, het probleem binnen maximaal 30 dagen kunnen oplossen, moeten de inlichtingen van lid 2 van dit artikel niet worden vermeld in de afwijking.

In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten of andere bij de afwijking betrokken instanties alleen de maximaal toelaatbare parameterwaarde vast en de tijd waarin het probleem moet worden opgelost.

4.     Lid 3 kan niet langer worden toegepast wanneer dezelfde parameterwaarde voor een bepaalde waterlevering in de voorafgaande twaalf maanden in totaal meer dan 30 dagen is overschreden.

5.     De lidstaten die van de in dit artikel bedoelde afwijkingsmogelijkheden gebruik hebben gemaakt, zorgen ervoor dat de betrokken bevolking zo spoedig mogelijk naar behoren over het besluit omtrent de afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden wordt geïnformeerd. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat specifieke bevolkingsgroepen waarvoor de afwijking een speciaal risico kan opleveren zo nodig advies wordt verstrekt.

Behoudens andersluidend besluit van de bevoegde autoriteiten, zijn de in de eerste alinea genoemde verplichtingen niet van toepassing in de in lid 3 vermelde omstandigheden.

6.     Met uitzondering van afwijkingen krachtens lid 3, stellen de lidstaten de Commissie binnen twee maanden in kennis van afwijkingen die betrekking hebben op een waterlevering van gemiddeld meer dan 1 000 m3 per dag of aan meer dan 5 000 personen; daarbij verstrekken zij de in lid 2 genoemde gegevens.

7.     De bepalingen van dit artikel hebben geen betrekking op voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen te koop wordt aangeboden. [Am. 112]

Artikel 13

Toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water

1.   Onverminderd artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid nemen de lidstaten , hierbij rekening houdend met de lokale en regionale perspectieven en omstandigheden met betrekking tot de distributie van water, alle nodige maatregelen ter verbetering van de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water en ter bevordering van het gebruik ervan op hun grondgebied. Deze omvatten alle hieronder genoemde maatregelen:

a)

de identificatie van personen die geen of beperkte toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water , met inbegrip van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en de redenen waarom zij geen toegang hebben (zoals het behoren tot een kwetsbare en gemarginaliseerde groep), het beoordelen van de mogelijkheden en het treffen van maatregelen om de toegang voor deze mensen te verbeteren en de informatieverstrekking aan deze mensen over de mogelijkheden om te worden aangesloten op het distributienet of over alternatieve manieren om toegang tot dat water te krijgen;

a bis)

het waarborgen van de openbare voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water;

b)

het opzetten en onderhouden van apparatuur buiten en binnen , met inbegrip van bijvulpunten, voor vrije toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water in openbare ruimten , met name in gebieden waar veel mensen komen ; dit wordt gedaan voor zover technisch haalbaar, op een wijze die in verhouding staat tot de behoefte aan dergelijke maatregelen en waarbij specifieke plaatselijke omstandigheden in aanmerking worden genomen, zoals klimaat en geografie;

c)

het stimuleren van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water door:

i)

campagnes te lanceren om burgers te informeren over de hoge kwaliteit van dat water kraanwater en om de bekendheid te vergroten van het dichtstbijzijnde aangewezen bijvulpunt ;

i bis)

campagnes te lanceren om het grote publiek aan te moedigen herbruikbare waterflessen te gebruiken en initiatieven op te starten om mensen op de hoogte te brengen van de locatie van bijvulpunten;

ii)

de gratis verstrekking van dat water in openbare en overheidsgebouwen aan te verzekeren en het gebruik van water in plastic flessen of verpakkingen voor eenmalig gebruik in dergelijke openbare en overheidsgebouwen te moedigen ontmoedigen ;

iii)

het gratis of tegen een lage dienstvergoeding verstrekken aan klanten van dat water door restaurants, kantines en cateringdiensten aan te moedigen. [Ams. 113, 165, 191, 208, 166, 192, 169, 195, 170, 196, 197, 220]

2.   Op basis van de uit hoofde van lid 1, onder a), verzamelde informatie nemen de lidstaten alle nodige maatregelen maatregelen die zij nodig en passend achten om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen. [Am. 114]

Indien die groepen geen toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water, informeren de lidstaten hen onverwijld over de kwaliteit van het water dat zij gebruiken en over alle maatregelen die genomen kunnen worden om schadelijke effecten voor de volksgezondheid ten gevolge van eventuele verontreiniging van dat water te voorkomen.

2 bis.     Wanneer er krachtens dit artikel verplichtingen rusten op lokale overheidsinstanties uit hoofde van het nationaal recht, zorgen de lidstaten ervoor dat deze autoriteiten de financiële en andere middelen hebben om toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te waarborgen en dat eventuele maatregelen in dit verband in verhouding staan tot de capaciteit en de omvang van het betreffende distributienet. [Ams. 173, 199 en 209]

2 ter.     Op basis van de gegevens die worden verzameld uit hoofde van de bepalingen in artikel 15, lid 1, onder a), werkt de Commissie met de lidstaten en de Europese Investeringsbank samen om gemeenten in de Unie die onvoldoende kapitaal hebben te helpen toegang te krijgen tot technische ondersteuning, beschikbare Unie-fondsen en langetermijnleningen tegen een preferentieel rentetarief, met name om waterinfrastructuur te onderhouden en vernieuwen om de levering van kwalitatief hoogwaardig water te garanderen en de water- en sanitaire diensten uit te breiden zodat deze ook beschikbaar zijn voor kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. [Ams. 174, 200 en 210]

Artikel 14

Voorlichting van het publiek

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat passende , actuele en actuele toegankelijke informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water online , of op een andere gebruikersvriendelijke wijze, ter beschikking staat van alle personen aan wie dat water wordt geleverd, overeenkomstig bijlage IV , met inachtneming van alle toepasselijke gegevensbeschermingsregels . [Am. 116]

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle personen aan wie dat water wordt geleverd, regelmatig en ten minste eenmaal per jaar en in de meest geschikte en makkelijk toegankelijke vorm (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties), zonder dat zij daarom hoeven te vragen als bepaald door de bevoegde autoriteiten , de volgende informatie ontvangen: [Am. 117]

a)

informatie indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel informatie over de kostenstructuur van het berekende tarief per kubieke meter voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van de kosten in verband met de volgende elementen: de verdeling van de vaste en variabele kosten; [Am. 118]

i)

de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 5; [Am. 119]

ii)

de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water; [Am. 120]

iii)

de verzameling en behandeling van afvalwater; [Am. 121]

iv)

maatregelen genomen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen; [Am. 122]

a bis)

informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, inclusief de indicatorparameters; [Am. 123]

b)

indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de prijs per liter en per kubieke meter van de levering van het voor menselijke consumptie bestemde water; indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de totale jaarlijkse kosten die ten laste komen van het watersysteem om te zorgen voor naleving van deze richtlijn, vergezeld van relevante en achtergrondinformatie over hoe voor menselijke consumptie bestemd water aan het gebied wordt geleverd ; [Am. 124]

b bis)

de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water; [Am. 125]

c)

de door het huishouden verbruikte hoeveelheid, ten minste per jaar of per factureringsperiode, samen met de jaarlijkse tendens in het huishoudelijke verbruik , voor zover dit technisch mogelijk is en uitsluitend indien de waterleverancier over deze gegevens beschikt ; [Am. 126]

d)

vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met een gemiddeld verbruik voor een huishouden in dezelfde categorie , voor zover van toepassing ingevolge letter c ; [Am. 127]

e)

een link naar de website die de in bijlage IV vermelde informatie bevat.

De lidstaten stellen een duidelijke verdeling vast van de verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatieverstrekking uit hoofde van de eerste alinea, tussen waterleveranciers, belanghebbenden en bevoegde lokale instanties. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de uit hoofde van de eerste alinea te verstrekken informatie wordt worden gespecificeerd. Die uitvoeringsmaatregelen worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 128]

3.   De leden 1 en 2 laten de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG onverlet.

Artikel 15

Informatie over het toezicht op de implementatie

1.   Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG en Richtlijn 2007/2/EG stellen de lidstaten, met ondersteuning van het Europees Milieuagentschap

a)

uiterlijk op … [6 jaar na de einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens om de zes jaar bijwerken, en die informatie bevat over de uit hoofde van artikel 13 genomen maatregelen en over het deel van bevolking dat toegang heeft tot voor menselijke consumptie bestemd water;

b)

uiterlijk op … [3 jaar na de einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens om de drie jaar bijwerken, en die de overeenkomstig artikel 8 respectievelijk artikel 10 uitgevoerde gevarenbeoordelingen en risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet bevat, met inbegrip van de volgende elementen:

i)

de uit hoofde van artikel 8, lid 1, onder a), geïdentificeerde onttrekkingspunten;

ii)

de overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder d), en artikel 10, lid 1, onder b), verzamelde controleresultaten; en

iii)

beknopte informatie over uit hoofde van artikel 8, lid 5, en artikel 10, lid 2, genomen maatregelen;

c)

een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die overeenkomstig de artikelen 9 en 11 verzamelde controleresultaten bevat voor gevallen waarin de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde parameterwaarden worden overschreden, alsmede informatie over de overeenkomstig artikel 12 genomen herstelmaatregelen;

d)

een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die informatie bevat over incidenten met het drinkwater die een potentieel gevaar risico voor de volksgezondheid hebben veroorzaakt, ongeacht of zich een geval van niet-naleving van de parameterwaarden heeft voorgedaan, die langer dan tien dagen achter elkaar heeft geduurd en ten minste 1 000 mensen heeft getroffen, met inbegrip van de oorzaken van die incidenten en de overeenkomstig artikel 12 genomen maatregelen. [Am. 129]

Waar mogelijk worden diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens, zoals omschreven in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2007/2/EG, gebruikt voor de presentatie van die gegevensverzamelingen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de Commissie, het Europees Milieuagentschap en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding toegang hebben tot de gegevensverzamelingen als bedoeld in punt 1.

3.   Het Europees Milieuagentschap publiceert en actualiseert, met regelmatige tussenpozen of na ontvangst van een verzoek daartoe van de Commissie, een overzicht voor de hele Unie op basis van de door de lidstaten verzamelde gegevens.

Dit overzicht voor de hele Unie omvat in voorkomend geval indicatoren voor de outputs, resultaten en effecten van deze richtlijn, overzichtskaarten voor de hele Unie en overzichtsverslagen over de lidstaten.

4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de overeenkomstig de leden 1 en 3 te verstrekken informatie wordt gespecificeerd, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften voor de indicatoren, de overzichtskaarten voor de hele Unie en de overzichtsverslagen over de lidstaten, zoals bedoeld in lid 3. [Am. 130]

De in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 131]

Artikel 16

Toegang tot de rechter

1.   De lidstaten zorgen ervan dat natuurlijke of rechtspersonen of hun verenigingen, organisaties of groepen, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten met betrekking tot de implementatie van de artikelen 4, 5, 12, 13 en 14 aan te vechten, indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

zij hebben een voldoende belang;

b)

zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, voor zover het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt.

2.   De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.

3.   Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.

Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming en die voldoet aan alle vereisten krachtens de nationale wetgeving, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a).

Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

4.   De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 sluiten de mogelijkheid van een voorafgaande toetsingsprocedure voor een bestuursorgaan niet uit en laten het vereiste onverlet dat de administratieve toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, voor zover een dergelijk vereiste geldt naar nationaal recht.

5.   Een dergelijke procedure zoals bedoeld in de leden 1 en 4 moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.

De lidstaten dragen er zorg voor dat het publiek wordt voorgelicht over toegang tot administratieve en rechterlijke toetsingsprocedures.

Artikel 17

Evaluatie

1.   Uiterlijk … [12 jaar na de einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] voert de Commissie een evaluatie uit van deze richtlijn. De evaluatie wordt onder meer op de volgende elementen gebaseerd:

a)

de ervaring die is opgedaan bij de implementatie van deze richtlijn;

b)

de overeenkomstig artikel 15, lid 1, samengestelde gegevensverzamelingen van de lidstaten en de overeenkomstig artikel 15, lid 3, door het Europees Milieuagentschap opgestelde overzichten voor de hele Unie;

c)

relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens;

d)

aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie, voor zover beschikbaar.

2.   In het kader van de evaluatie besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de werking van deze richtlijn wat betreft de volgende aspecten:

a)

de op risico’s gebaseerde benadering zoals in artikel 7 vastgesteld;

b)

de bepalingen inzake de toegang tot water van artikel 13 en het aandeel van de bevolking dat geen toegang tot water heeft ; [Am. 132]

c)

de bepalingen met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie van artikel 14 en bijlage IV , met inbegrip van een gebruikersvriendelijk overzicht op Unieniveau van de in punt 7 van bijlage IV genoemde gegevens . [Am. 133]

2 bis.     De Commissie doet aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk … [vijf jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] en daarna wanneer passend een verslag toekomen over het potentiële gevaar van microplastics, geneesmiddelen en eventueel andere opkomende verontreinigende stoffen voor bronnen van voor menselijke consumptie bestemd water, en over de daarmee verbonden potentiële gezondheidsrisico's. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 indien nodig gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn door de specificatie van de maximumwaarden voor microplastics, geneesmiddelen en andere opkomende verontreinigende stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water. [Am. 134]

Artikel 18

Herziening en wijziging van de bijlagen

1.   Ten minste om de vijf jaar beziet de Commissie bijlage I opnieuw in het licht van de vooruitgang van wetenschap en techniek.

Op basis van de in de overeenkomstig artikel 15 samengestelde gegevensverzamelingen opgenomen gevarenbeoordelingen en risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet van de lidstaten herziet de Commissie bijlage II en beoordeelt zij of het nodig is die bijlage aan te passen of voert zij nieuwe controlespecificaties in voor die risicobeoordelingen.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I tot en met IV, om ze waar nodig aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen of om controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en artikel 10, lid 1, onder b).

2 bis.     De Commissie beoordeelt uiterlijk … [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] of artikel 10 bis heeft geleid tot een toereikend niveau van harmonisatie van de hygiënevereisten voor materialen en producten die in contact komen met drinkwater, en neemt indien noodzakelijk aanvullende passende maatregelen. [Am. 135]

Artikel 19

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 18, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 18, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 18, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 20

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 21

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen daarvan mede.

Artikel 22

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk … [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de artikelen 2 en 5 tot en met 21 en de bijlagen I tot en met IV te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 23

Intrekking

1.   Richtlijn 98/83/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage V, deel A, genoemde handelingen, wordt met ingang van [dag na de datum van de eerste alinea van artikel 22, lid 1] ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht .

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

2.   Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op … [einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] nog steeds van toepassing zijn, blijven van toepassing tot de afloop van hun termijn. Zij mogen iet verder worden verlengd. [Am. 136]

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 25

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 367 van 10.10.2018, blz. 107.

(2)  PB C 361 van 5.10.2018, blz. 46.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.

(4)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).

(5)  Zie bijlage V.

(6)   Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).

(8)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(9)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(10)  COM(2014)0177.

(11)  COM(2016)0428.

(12)  Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer SR 12/2017: “Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig”.

(13)  Samenwerkingsproject inzake drinkwaterparameters van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) “Support to the revision of Annex I Council Directive 98/83/EC on the quality of water intended for human consumption (Drinking Water Directive) Recommendation”, 11 september 2017.

(14)  Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie van 6 oktober 2015 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 260 van 7.10.2015, blz. 6).

(15)  Richtsnoeren voor de drinkwaterkwaliteit, vierde editie, Wereldgezondheidsorganisatie, 2011 http://www.who.int/water_sanitation_health/publications/2011/dwq_guidelines/en/index.html.

(16)  Handboek voor het waterveiligheidsplan: stapsgewijs risicobeheer voor drinkwaterleveranciers, Wereldgezondheidsorganisatie, 2009, http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/75141/1/9789241562638_eng.pdf.

(17)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).

(19)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(20)  “Legionella and the prevention of Legionellosis”, Wereldgezondheidsorganisatie, 2007, http://www.who.int/water_sanitation_health/emerging/legionella.pdf

(21)  COM(2016)0185.

(22)  COM(2014)0177.

(23)  COM(2014)0177, blz. 12.

(24)  Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09) van 17 november 2017 (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).

(25)  P8_TA(2015)0294.

(26)  P8_TA(2015)0294, punt 62.

(27)  COM(2014)0209.

(28)  Aanbeveling (2013/C 378/01) van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1).

(29)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(30)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(31)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

(32)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(33)  PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.

(34)  Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60).

(35)  Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).

(36)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(37)  Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28).

(38)   Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).

(39)  Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).

(40)  Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).

(41)   Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).

BIJLAGE I

MINIMUMVEREISTEN VOOR PARAMETERWAARDEN DIE WORDEN GEBRUIKT OM DE KWALITEIT VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER TE BEOORDELEN

DEEL A

Microbiologische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Clostridium perfringens-sporen

0

Aantal/100 ml

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

Enterokokken

0

Aantal/100 ml

Escherichia coli (E. coli)

0

Aantal/100 ml

Heterotroof kiemgetal (HPC) bij 22 o

Geen abnormale verandering

 

Somatische colifagen

0

Aantal/100 ml

Troebelingsgraad

< 1

NTE

Noot:

De in dit deel vermelde parameters gelden niet voor bronwater en mineraalwater overeenkomstig Richtlijn 2009/54/EG.

[Am. 179]

DEEL B

Chemische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Acrylamide

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Antimoon

5,0

μg/l

 

Arseen

10

μg/l

 

Benzeen

1,0

μg/l

 

Benzo[a]pyreen

0,010

μg/l

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

0,001

μg/l

 

Bisfenol A

0,01 0,1

μg/l

 

Boor

1,0 1,5

mg/l

 

Bromaat

10

μg/l

 

Cadmium

5,0

μg/l

 

Chloraat

0,25

mg/l

 

Chloriet

0,25

mg/l

 

Chroom

25

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor chroom 50 μg/l.

Koper

2,0

mg/l

 

Cyanide

50

μg/l

 

1,2-Dichloorethaan

3,0

μg/l

 

Epichloorhydrine

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Fluoride

1,5

mg/l

 

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA’s)

80

μg/l

Som van de volgende negen representatieve stoffen: monochloor-, dichloor- en tricholoorazijnzuur, mono- en dibroomazijnzuur, broomchloorazijnzuur, broomdichloorazijnzuur, dibroomchloorazijnzuur en tribroomazijnzuur.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Kwik

1,0

μg/l

 

Microcystine-LR

1,0

μg/l

 

Nikkel

20

μg/l

 

Nitraat

50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10  mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nitriet

0,50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10  mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nonylfenol

0,3

μg/l

 

Pesticiden

0,10

μg/l

Onder pesticiden worden verstaan:

organische insecticiden;

organische herbiciden;

organische fungiciden;

organische nematociden;

organische acariciden;

organische algiciden;

organische rodenticiden;

organische slimiciden;

soortgelijke producten (onder meer groeiregulators)

en de relevante metabolieten daarvan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (1) .

De parameterwaarde geldt voor elk afzonderlijk pesticide.

In het geval van aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide is de parameterwaarde 0,030  μg/l.

Pesticiden — totaal

0,50

μg/l

“Pesticiden — totaal” is de som voor alle afzonderlijke pesticiden, als gedefinieerd in de vorige rij, die bij de controleprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

PFAS

0,10

μg/l

Onder “PFAS” wordt elke afzonderlijke per- en polyfluoralkylverbinding verstaan (chemische formule: CnF2n+1–R).

In de formule wordt een onderscheid gemaakt tussen “lange-keten” en “korte-keten” PFAS’en. Deze richtlijn geldt alleen voor “lange-keten” PFAS’en.

Deze parameterwaarde voor afzonderlijke PFAS-verbindingen geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

PFAS’en — totaal

0,50

μg/l

“PFAS’en — totaal” is de som voor alle per- en polyfluoralkylverbindingen (chemische formule: CnF2n+1–R).

Deze parameterwaarde voor PFAS’en — totaal geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

0,10

μg/l

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[ghi]peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen .

Seleen

10

μg/l

 

Tetrachlooretheen en trichlooretheen

10

μg/l

Som van de concentraties van de gespecificeerde parameters

Trihalomethanen — totaal

100

μg/l

Waar mogelijk streven de lidstaten, zonder dat evenwel de desinfectie in gevaar mag komen, naar een lagere waarde.

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: chloroform, bromoform, dibroomchloormethaan, broomdichloormethaan.

Uraan

30

μg/l

 

Vinylchloride

0,50

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Ams. 138 en 180]

DEEL B bis

Indicatorparameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Aluminium

200

μg/l

 

Ammonium

0,50

mg/l

 

Chloriden

250

mg/l

Opmerking 1

Kleur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Conductiviteit

2 500

μS cm-1 bij 20 oC

Opmerking 1

Waterstofionenconcentratie

≥ 6,5 en ≤ 9,5

pH-eenheden

Opmerkingen 1 en 3

IJzer

200

μg/l

 

Mangaan

50

μg/l

 

Geur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Sulfaten

250

mg/l

Opmerking 1

Natrium

200

mg/l

 

Smaak

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Kiemgetal bij 22 oC

Geen abnormale verandering

 

 

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

 

Totaal aan organische koolstof (TOC)

Geen abnormale verandering

 

 

Troebelingsgraad

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Opmerking 1:

Het water mag niet agressief zijn.

Opmerking 2:

Deze parameter behoeft enkel te worden gemeten als het water afkomstig is van of beïnvloed wordt door oppervlaktewater. Indien niet aan deze parameterwaarde wordt voldaan, onderzoeken de betrokken lidstaten de waterlevering om zich ervan te vergewissen dat er geen potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid bestaat ten gevolge van de aanwezigheid van pathogene micro-organismen, bijvoorbeeld cryptosporidium.

Opmerking 3:

Voor niet-bruisend water in flessen of verpakkingen kan de minimumwaarde verlaagd worden tot 4,5  pH-eenheden.

Voor water in flessen of verpakkingen dat van nature rijk is aan kooldioxide of kunstmatig verrijkt is met kooldioxide kan de minimumwaarde lager zijn.

[Am. 139]

DEEL C

Relevante parameters voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Legionella pneumophila

< 1 000

Aantal/l

Indien de parameterwaarde < 1 000 /l voor Legionella niet wordt gehaald, wordt herbemonstering voor Legionella pneumophila verricht. Indien Legionella pneumophila niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella <10 000 /l.

Legionella

< 10 000

Aantal/l

Indien Legionella pneumophila, waarvoor de parameterwaarde < 1 000 /l bedraagt, niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella < 10 000 /l.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

[Am. 140]

DEEL C bis

Nieuwe parameters onder toezicht

Microplastics

Het toezicht vindt plaats overeenkomstig de methodologie voor het meten van microplastics die is vastgelegd in de overeenkomstig artikel 11, lid 5 ter, vermelde gedelegeerde handeling.

[Am. 141]


(1)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

BIJLAGE II

CONTROLE

DEEL A

Algemene doelstellingen en controleprogramma’s voor het voor menselijke consumptie bestemde water

1.

Met de overeenkomstig artikel 11, lid 2, vastgestelde programma’s voor de controle van voor menselijke consumptie bestemd water:

a)

wordt nagegaan of de geldende maatregelen om risico’s voor de gezondheid van de mens te beheersen in de volledige watertoeleveringsketen vanaf het onttrekkingsgebied, over de behandeling en de opslag tot en met de distributie doeltreffend zijn en of het water op het punt waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan, gezond en schoon is;

b)

wordt informatie verstrekt over de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water om aan te tonen dat wordt voldaan aan de verplichtingen die zijn vastgesteld in artikel 4 en de parameterwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5;

c)

worden de geschiktste middelen vastgesteld om het risico voor de gezondheid van de mens te beperken.

2.

Overeenkomstig artikel 11, lid 2 vastgestelde controleprogramma’s omvatten een van de volgende elementen:

a)

het nemen en het analyseren van verschillende watermonsters;

b)

metingen die in het kader van een doorlopend proces van controle worden geregistreerd.

De controleprogramma’s omvatten tevens een programma voor operationele monitoring dat complementair is aan de verificatiecontrole, snel inzicht biedt in de operationele prestaties en in problemen met de waterkwaliteit, en snelle corrigerende maatregelen volgens een vooraf opgesteld plan mogelijk maakt. Dergelijke programma’s voor operationele monitoring zijn leveringsspecifiek, waarbij de resultaten van de gevaren- en leveringsrisicobeoordelingen in aanmerking worden genomen, en bedoeld ter bevestiging van de doeltreffendheid van alle beheersingsmaatregelen tijdens de onttrekking, behandeling, distributie en opslag. Het programma voor operationele monitoring omvat controle van de parameter “troebelingsgraad”, teneinde regelmatig de doeltreffendheid van de fysieke verwijdering door middel van filtratieprocessen te controleren, overeenkomstig de in de volgende tabel vermelde parameterwaarden en frequenties:

Parameter

Parameterwaarde

Troebelingsgraad

0,3 NTE (95 %) en niet > 0,5  NTE gedurende een aaneengesloten periode van 15 minuten


Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid (m3) water

Minimumfrequentie

≤ 10 000

Dagelijks

> 10 000

Online

Daarnaast kunnen de controleprogramma’s bestaan uit:

a)

inspectie van bescheiden met betrekking tot de functionaliteit en de staat van onderhoud van de installatie;

b)

inspectie van het onttrekkingsgebied en de infrastructuren voor de behandeling, de opslag en de distributie, onverminderd de controlevoorschriften van artikel 8, lid 1, onder c), en artikel 10, lid 1, onder b) .

3.

De lidstaten zorgen ervoor dat de controleprogramma’s voortdurend worden geëvalueerd en ten minste om de zes jaar worden bijgewerkt of herbevestigd.

DEEL B

Kernparameters en bemonsteringsfrequenties

1.   Kernparameters

Escherichia coli (E. coli), Clostridium perfringens -sporen en somatische colifagen enterokokken worden als “kernparameters” beschouwd en mogen geen voorwerp vormen van een leveringsrisicobeoordeling overeenkomstig deel C van deze bijlage. Zij worden altijd gecontroleerd volgens de in tabel 1 van punt 2 vermelde frequenties. [Am. 142]

2.   Bemonsteringsfrequenties

Alle overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameters worden ten minste volgens de in de volgende tabel vermelde frequentie gecontroleerd, tenzij op basis van een overeenkomstig artikel 9 en deel C van deze bijlage uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling een andere bemonsteringsfrequentie is bepaald:

Tabel 1

Minimumfrequentie voor monsterneming en analyse voor nalevingscontrole

 

Minimumaantal monsternemingen per jaar

≤ 100

10a

> 100

≤ 1 000

10a

> 1 000

≤ 10 000

50b

> 10 000

≤ 100 000

365

> 100 000

365

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid (m3) water

(zie opmerkingen 1 en 2) m3

Microbiologische parameters (groep A) -aantal monsternemingen per jaar (zie opmerking 3)

Chemische parameters (groep B) -aantal monsternemingen per jaar

 

≤ 100

> 0

(zie opmerking 4)

> 0

(zie opmerking 4)

> 100

≤ 1 000

4

1

> 1 000

≤ 10 000

4

+3

voor elke 1 000  m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

1

+1

voor elke 1 000  m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 10 000

≤ 100 000

 

3

+ 1

voor elke 10 000  m3/dag en

fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 100 000

 

 

12

+ 1

voor elke 25 000  m3/dag en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

a: alle monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

b: ten minste 10 monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

Opmerking 1: Een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: De hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. Het vaststellen van de minimumfrequentie mag worden gebaseerd op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/(dag*hoofd van de bevolking).

Opmerking 3: De vermelde frequentie wordt als volgt berekend: bijv. 4 300 m3/dag = 16 monsters (vier voor de eerste 1 000 m3/dag + 12 voor een bijkomende 3 300 m3/dag).

Opmerking 4: Lidstaten die hebben besloten afzonderlijke voorzieningen uit te zonderen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van deze richtlijn, passen deze frequenties enkel toe voor leveringsgebieden die tussen 10 en 100 m3 per dag distribueren. [Am. 186]

DEEL C

Leveringsrisicobeoordeling

1.

De in artikel 9 bedoelde leveringsrisicobeoordeling gebeurt op basis van de algemene beginselen van risicobeoordeling zoals vastgesteld in internationale normen zoals norm EN 15975-2 inzake het “veiligstellen van de drinkwatervoorziening, richtsnoeren betreffende risico- en crisisbeheer”.

2.

Na een leveringsrisicobeoordeling wordt de lijst van bij de controle in aanmerking genomen parameters uitgebreid en worden de in deel B bedoelde bemonsteringsfrequenties verhoogd, wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de in deze bijlage vermelde lijst van parameters of frequenties volstaat niet om te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgelegd overeenkomstig artikel 11, lid 1;

b)

bijkomende controle is vereist voor de toepassing van artikel 11, lid 6;

c)

de waarborgen moeten worden geleverd zoals bedoeld in deel A, punt 1, onder a);

d)

op grond van artikel 8, lid 3, onder a), is het nodig de bemonsteringsfrequenties te verhogen.

3.

Na een leveringsrisicobeoordeling mag de lijst van bij de controle in aanmerking genomen parameters worden beperkt en mogen de bemonsteringsfrequenties van deel B worden verlaagd, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

rekening houdend met artikel 6 wordt de plaats en bemonsteringsfrequentie bepaald met inachtneming van de herkomst van de parameter en van de variatie en langetermijnontwikkeling van diens concentratie;

b)

voor het verlagen van de minimumfrequentie voor monsterneming van een parameter, bedragen alle resultaten van de monsters die in een periode van ten minste drie jaar met regelmatige tussenpozen zijn genomen op plaatsen die representatief zijn voor het volledige leveringsgebied, minder dan 60 % van de parameterwaarde;

c)

voor het schrappen van een parameter van de lijst van te controleren parameters, bedragen alle resultaten van de monsters die in een periode van ten minste drie jaar met regelmatige tussenpozen zijn genomen op plaatsen die representatief zijn voor het volledige leveringsgebied, minder dan 30 % van de parameterwaarde;

d)

voor het schrappen van een parameter van de lijst van te controleren parameters wordt het besluit gebaseerd op het resultaat van de risicobeoordeling, waarbij kennis wordt genomen van de controleresultaten van de bronnen van voor menselijke consumptie bestemd water en waarbij wordt bevestigd dat de volksgezondheid beschermd is tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water, zoals vastgesteld in artikel 1;

e)

voor het verlagen van de bemonsteringsfrequentie van een parameter of het schrappen van een parameter, wordt in de risicobeoordeling bevestigd dat geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water achteruit zou kunnen gaan.

4.

Indien er uiterlijk op … [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] al controleresultaten beschikbaar zijn die aantonen dat aan de in punt 3, onder b) tot en met e), bedoelde voorwaarden is voldaan, mogen die controleresultaten met ingang van die datum worden gebruikt om de controle na uitvoering van de leveringsrisicobeoordeling aan te passen.

DEEL D

Steekproefmethoden en plaatsen van monsterneming

1.

De plaatsen van monsterneming worden zo bepaald dat wordt voldaan aan de in artikel 6 omschreven punten waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan. In geval van een distributienet kunnen de lidstaten voor specifieke parameters echter monsters nemen in het leveringsgebied of in de behandelingsinstallatie indien kan worden aangetoond dat er geen negatieve verandering zou zijn in de gemeten waarde van de betrokken parameters. Voor zover mogelijk wordt het aantal monsters gelijkelijk over tijd en plaats verdeeld.

2.

Monsterneming op het punt waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan, moet aan de volgende vereisten voldoen:

a)

monsters voor bepaalde chemische parameters (in het bijzonder koper, lood , Legionella en nikkel) worden genomen aan de kraan van de consument zonder er voorafgaand water uit te laten stromen. Een monster moet worden genomen met een hoeveelheid van een liter op een willekeurig tijdstip gedurende de dag. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten methoden gebruiken met een vaste tijd van stilstand die hun nationale situatie beter weerspiegelen, op voorwaarde dat dit op het niveau van het leveringsgebied niet leidt tot minder gevallen van niet-naleving dan het gebruik van de methode op een willekeurig tijdstip gedurende de dag;

b)

monsters voor microbiologische parameters op het punt waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan, worden genomen en behandeld overeenkomstig EN ISO 19458, steekproefdoel B.

2 bis.

Monsternemingen voor Legionella worden in huishoudelijke leidingnetten op risicoplaatsen verricht in het kader van de verspreiding van en/of de blootstelling aan Legionella pneumophila. De lidstaten stellen richtsnoeren op voor bemonsteringsmethoden voor Legionella. [Am. 144]

3.

Monsterneming in het distributienet, met uitzondering van monsterneming aan de kraan van de consument, gebeurt overeenkomstig ISO 5667-5. Monsters voor microbiologische parameters in het distributienet worden genomen en behandeld overeenkomstig EN ISO 19458, steekproefdoel A.

BIJLAGE II bis

Minimumvereisten inzake hygiëne voor stoffen en materialen voor het vervaardigen van nieuwe producten die in aanraking komen met voor menselijke consumptie bestemd water:

a)

een lijst van stoffen die zijn goedgekeurd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van die materialen, waaronder onder meer organische materialen, elastomeren, siliconen, metalen, cement, ionenwisselende harsen en samengestelde materialen, alsmede de daaruit vervaardigde producten;

b)

specifieke voorschriften voor het gebruik van stoffen in die materialen en de daaruit vervaardigde producten;

c)

specifieke beperkingen voor de migratie van bepaalde stoffen in het voor menselijke consumptie bestemde water;

d)

regels voor hygiëne met betrekking tot andere eigenschappen die nodig zijn om aan de voorschriften te voldoen;

e)

basisregels om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren;

f)

regels met betrekking tot bemonsterings- en analysemethoden om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren. [Am. 145]

BIJLAGE III

SPECIFICATIES VOOR DE ANALYSE VAN PARAMETERS

De lidstaten zorgen ervoor dat de analysemethoden die gebruikt worden voor controle en om aan te tonen dat wordt voldaan aan deze richtlijn, worden gevalideerd en gedocumenteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen. De lidstaten zorgen ervoor dat laboratoria of door laboratoria gecontracteerde partijen methoden voor kwaliteitszorgsystemen hanteren die in overeenstemming zijn met EN ISO/IEC 17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen.

Indien geen analysemethode bestaat die voldoet aan de minimale prestatiekenmerken van deel B, zorgen de lidstaten ervoor dat de controle wordt uitgevoerd met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten meebrengen.

DEEL A

Microbiologische parameters waarvoor analysemethoden gespecificeerd zijn

De methoden voor microbiologische parameters zijn:

a)

Escherichia coli (E. coli) en colibacteriën (EN ISO 9308-1 of EN ISO 9308-2),

b)

enterokokken (EN ISO 7899-2),

c)

Pseudomonas aeruginosa (EN ISO 16266),

d)

telling kolonies of heterotroof kiemgetal bij 22 oC (EN ISO 6222),

e)

Clostridium perfringens met inbegrip van sporen (EN ISO 14189),

f)

troebelingsgraad (EN ISO 7027),

g)

Legionella (EN ISO 11731),

h)

somatische colifagen (EN ISO 10705-2).

DEEL B

Chemische parameters waarvoor prestatiekenmerken gespecificeerd zijn

1.   Chemische parameters

Voor de parameters van tabel 1 kunnen met de gebruikte analysemethode ten minste concentraties worden gemeten die gelijk zijn aan de parameterwaarde, met een bepalingsgrens, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie (1), van 30 % of minder van de desbetreffende parameterwaarde en een meetonzekerheid als aangegeven in tabel 1. Het resultaat wordt met ten minste evenveel significante cijfers uitgedrukt als de parameterwaarde genoemd in bijlage I, deel B.

De in tabel 1 vermelde meetonzekerheid wordt niet gebruikt als bijkomende tolerantie voor de in bijlage I vermelde parameterwaarden.

Tabel 1

Minimumprestatiekenmerk “meetonzekerheid”

Parameters

Meetonzekerheid

(Zie opmerking 1)

% van de parameterwaarde

Opmerkingen

Acrylamide

30

 

Antimoon

40

 

Arseen

30

 

Benzo[a]pyreen

50

Zie opmerking 2

Benzeen

40

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

50

 

Bisfenol A

50

 

Boor

25

 

Bromaat

40

 

Cadmium

25

 

Chloraat

30

 

Chloriet

30

 

Chroom

30

 

Koper

25

 

Cyanide

30

Zie opmerking 3

1,2-Dichloorethaan

40

 

Epichloorhydrine

30

 

Fluoride

20

 

HAA’s

50

 

Lood

25

 

Kwik

30

 

Microcystine-LR

30

 

Nikkel

25

 

Nitraat

15

 

Nitriet

20

 

Nonylfenol

50

 

Pesticiden

30

Zie opmerking 4

PFAS’en

50 20

 

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

30

Zie opmerking 5

Seleen

40

 

Tetrachlooretheen

30

Zie opmerking 6

Trichlooretheen

40

Zie opmerking 6

Trihalomethanen — totaal

40

Zie opmerking 5

Uraan

30

 

Vinylchloride

50

 

[Ams. 177 en 224]

2.   Opmerkingen bij tabel 1

Opmerking 1

Onder “meetonzekerheid” wordt verstaan een niet-negatieve parameter die de spreiding karakteriseert van de kwantitatieve waarden die aan een te meten grootheid worden toegekend, gebaseerd op de gebruikte informatie. Het prestatiekenmerk voor meetonzekerheid (k = 2) is het in de tabel vermelde percentage van de parameterwaarde of een strengere waarde . De meetonzekerheid wordt geschat op het niveau van de parameterwaarde, tenzij anders vermeld.

Opmerking 2

Als niet aan de waarde van de meetonzekerheid kan worden voldaan, moet de beste beschikbare techniek worden toegepast (tot 60 %).

Opmerking 3

Met deze methode wordt het totaal aan cyanide in elke vorm bepaald.

Opmerking 4

De prestatiekenmerken voor afzonderlijke pesticiden zijn indicatief. Lage waarden voor meetonzekerheid van 30 % zijn haalbaar voor meerdere pesticiden, hogere waarden tot 80 % kunnen worden toegelaten voor een aantal pesticiden.

Opmerking 5

De prestatiekenmerken gelden voor de afzonderlijke stoffen, gespecificeerd op 25 % van de parameterwaarde in bijlage I, deel B.

Opmerking 6

De prestatiekenmerken gelden voor de afzonderlijke stoffen, gespecificeerd op 50 % van de parameterwaarde in bijlage I, deel B.


(1)  Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36).

BIJLAGE IV

INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK DIE ONLINE MOET WORDEN AANGEBODEN [Am. 146]

De volgende informatie wordt online ter beschikking gesteld van consumenten, op een evenzo gebruikersvriendelijke en op consumenten toegesneden wijze wijzen : [Am. 147]

1)

identificatie van de desbetreffende waterleverancier , het gebied waaraan en het aantal mensen aan wie het water wordt geleverd, en de waterproductiemethode ; [Am. 148]

2)

de een herziening van de recentste controleresultaten per waterleverancier voor de in de lijsten in bijlage I, delen A , B en B, bis opgenomen parameters, met inbegrip van de frequentie en locatie van bemonsteringspunten, voor zover relevant voor het gebied dat van belang is voor de persoon aan wie het water wordt geleverd, samen met de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden. De controleresultaten mogen niet ouder zijn dan: [Am. 149]

a)

één maand, voor zeer grote waterleveranciers;

b)

zes maanden, voor middelgrote en grote waterleveranciers; [Am. 202]

c)

één jaar, voor kleine en zeer kleine waterleveranciers; [Am. 203]

3)

indien sprake is van mogelijk gevaar voor de menselijke gezondheid, als vastgesteld door de bevoegde autoriteiten nadat de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden worden werden overschreden, informatie over het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid en het daarmee verbonden gezondheids- en consumptieadvies of een hyperlink waarmee dergelijke informatie te vinden is; [Am. 150]

4)

een samenvatting van de desbetreffende leveringsrisicobeoordeling; [Am. 151]

5)

informatie over de volgende in bijlage I, deel B bis, opgenomen indicatorparameters en de bijbehorende parameterwaarden:;

a)

kleur;

b)

pH (waterstofionenconcentratie);

c)

geleidingsvermogen voor elektriciteit;

d)

ijzer;

e)

mangaan;

f)

geur;

g)

smaak;

h)

hardheid;

i)

in water opgeloste mineralen, anionen/kationen:

boraat BO3-

carbonaat CO3 2-

chloride Cl-

fluoride F-

waterstofcarbonaat HCO3-

nitraat NO3-

nitriet NO2-

fosfaat PO4 3-

silicaat SiO2

sulfaat SO4 2-

sulfide S2-

aluminium Al

ammonium NH4 +

calcium Ca

magnesium Mg

kalium K

natrium Na

Die parameterwaarden en andere niet-geïoniseerde verbindingen en sporenelementen kunnen samen met een referentiewaarde en/of een uitleg worden getoond; [Am. 152]

6)

consumentenadvies over manieren om het waterverbruik waar nodig terug te dringen en water naargelang de plaatselijke omstandigheden op een verantwoorde wijze te gebruiken ; [Am. 153]

7)

voor grote en zeer grote waterleveranciers, jaarlijkse gegevens over: [Am. 154]

a)

de algemene prestaties van het watersysteem in termen van efficiëntie, met inbegrip van lekkagepercentages en energieverbruik per kubieke meter geleverd water door de lidstaten vastgestelde lekkagepercentages ; [Am. 155]

b)

informatie over het beheer model en bestuur van de waterleveranciers, met inbegrip eigendomsstructuur van de samenstelling van waterlevering door de raad van bestuur waterleveranciers ; [Am. 156]

c)

de op jaarbasis geleverde hoeveelheid water en de tendenzen daarin;

d)

informatie over de kostenstructuur van het aan consumenten berekende tarief indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, informatie over de tariefstructuur per kubieke meter water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van evenals de kosten in verband met het energieverbruik per kubieke meter geleverd water, de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 4, de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, de verzameling en behandeling van afvalwater, en de kosten in verband met maatregelen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen; [Am. 157]

e)

het bedrag aan investeringen dat de leverancier nodig acht om de financiële duurzaamheid van de levering van waterdiensten (met inbegrip van het onderhoud van de infrastructuur) te waarborgen, alsmede het daadwerkelijk ontvangen of terugverdiende bedrag aan investeringen verrichte, lopende en geplande investeringen , evenals het financieringsplan ; [Am. 158]

f)

de toegepaste soorten waterbehandeling en desinfectie;

g)

samenvatting en statistieken over consumentenklachten en over de mate waarin tijdig en adequaat op problemen wordt gereageerd oplossing ervan ; [Am. 159]

8)

toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2) en 3) genoemde informatie, tot 10 jaar terug, en niet eerder dan de datum van omzetting van deze richtlijn, en op verzoek. [Am. 160]

BIJLAGE V

Deel A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(zoals bedoeld in artikel 23)

Richtlijn 98/83/EG van de Raad

(PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32)

 

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Uitsluitend punt 29 van bijlage II

Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14)

Uitsluitend punt 2.2 van de bijlage

Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie

(PB L 260 van 7.10.2015, blz. 6)

 

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(zoals bedoeld in artikel 23)

Richtlijn

Termijn voor omzetting

 

98/83/EG

25 december 2000

 

(EU) 2015/1787

27 oktober 2017

 

BIJLAGE VI

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 98/83/EG

Onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, punten 1 en 2

Artikel 2, punten 1 en 2

Artikel 2, punten 3 tot en met 8

Artikel 3, lid 1, aanhef

Artikel 3, lid 1, aanhef

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, leden 2 en 3

Artikel 3, leden 2 en 3

Artikel 4, lid 1, aanhef

Artikel 4, lid 1, aanhef

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 1, onder c)

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 5, leden 1 en 2

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c)

Artikel 6, onder a) tot en met c)

Artikel 6, lid 1, onder d)

Artikel 6, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 7

Artikel 8

 

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 7, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 11, lid 2, aanhef

Artikel 11, lid 2, onder a) tot en met c)

Artikel 7, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 7, lid 4

Artikel 7, lid 5, onder a)

Artikel 11, lid 4, aanhef

Artikel 7, lid 5, onder b)

Artikel 11, lid 4, onder a)

Artikel 7, lid 5, onder c)

Artikel 11, lid 4, onder b)

Artikel 7, lid 6

Artikel 11, lid 5

Artikel 8, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 12, lid 2, eerste alinea

Artikel 12, lid 2, tweede alinea

Artikel 8, lid 3

Artikel 12, lid 3, eerste alinea

Artikel 12, lid 3, tweede alinea

Artikel 12, lid 4, onder a) tot en met c)

Artikel 8, lid 4

Artikel 12, lid 5

Artikel 8, leden 5 en 7

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 11, lid 1

Artikel 18, lid 1, eerste alinea

Artikel 18, lid 1, tweede alinea

Artikel 11, lid 2

Artikel 18, lid 2

Artikel 19

Artikel 12, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 12, lid 2, eerste alinea

Artikel 20, lid 1

Artikel 12, lid 2, tweede alinea

Artikel 12, lid 3

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 21

Artikel 17, leden 1 en 2

Artikel 22, leden 1 en 2

Artikel 16, lid 1

Artikel 23, lid 1

Artikel 16, lid 2

 

Artikel 23, lid 2

Artikel 18

Artikel 24

Artikel 19

Artikel 25

Bijlage I, deel A

Bijlage I, deel A

Bijlage I, deel B

Bijlage I, deel B

Bijlage I, deel C

Bijlage I, deel C

Bijlage II, deel A, punt 1, onder a) tot en met c)

Bijlage II, deel A, punt 1, onder a) tot en met c)

Bijlage II, deel A, punt 2, eerste alinea

Bijlage II, deel A, punt 2, eerste alinea

Bijlage II, deel A, punt 2, tweede alinea en tabel

Bijlage II, deel A, punt 2, tweede alinea

Bijlage II, deel A, punt 2, derde alinea

Bijlage II, deel A, punt 3

Bijlage II, deel A, punt 4

Bijlage II, deel A, punt 3

Bijlage II, deel B, punt 1

Bijlage II, deel B, punt 2

Bijlage II, deel B, punt 1

Bijlage II, deel B, punt 3

Bijlage II, deel B, punt 2

Bijlage II, deel C, punt 1

Bijlage II, deel C, punt 2

Bijlage II, deel C, punt 1

Bijlage II, deel C, punt 3

Bijlage II, deel C, punt 4

Bijlage II, deel C, punt 2

Bijlage II, deel C, punt 5

Bijlage II, deel C, punt 3

Bijlage II, deel C, punt 4

Bijlage II, deel C, punt 6

Bijlage II, deel D, punten 1 tot en met 3

Bijlage II, deel D, punten 1 tot en met 3

Bijlage III, eerste en tweede alinea

Bijlage III, eerste en tweede alinea

Bijlage III, deel A, eerste en tweede alinea

Bijlage III, deel A, derde alinea, punten a) tot en met f)

Bijlage III, deel A, derde alinea, punten a) tot en met h)

Bijlage III, deel B, punt 1, eerste alinea

Bijlage III, deel B, punt 1, eerste alinea

Bijlage III, deel B, punt 1, tweede alinea

Bijlage III, deel B, punt 1, derde alinea en tabel 1

Bijlage III, deel B, punt 1, tweede alinea en tabel 1

Bijlage III, deel B, punt 1, tabel 2

Bijlage III, deel B, punt 2

Bijlage III, deel B, punt 2

Bijlage IV

Bijlage V

Bijlage IV

Bijlage V

Bijlage VI


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/930


P8_TA(2019)0321

Verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU (COM(2016)0723 — C8-0475/2016 — 2016/0359(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/52)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0723),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0475/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de IE Dáil Éireann en de IE Seanad Éireann, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 12 juli 2017 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0269/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 209 van 30.6.2017, blz. 21.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 43.


P8_TC1-COD(2016)0359

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/1023.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/932


P8_TA(2019)0322

Voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen en doorgifte van televisie- en radioprogramma's ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s (COM(2016)0594 — C8-0384/2016 — 2016/0284(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/53)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0594),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0384/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, artikel 53, lid 1, en artikel 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 januari 2017 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikelen 59 en 39van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0378/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 27.


P8_TC1-COD(2016)0284

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/789.)


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/934


P8_TA(2019)0323

Vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013 (COM(2018)0366 — C8-0237/2018 — 2018/0190(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/54)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0366),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 167, lid 5, en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0237/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 6 februari 2019 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0156/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 87.

(2)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


P8_TC1-COD(2018)0190

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 167, lid 5, en artikel 173, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Vanuit cultureel , educatief, democratisch, ecologisch, sociaal en economisch en mensenrechten standpunt hebben cultuur, kunst, cultureel erfgoed en culturele verscheidenheid een grote waarde voor de Europese samenleving, en zij moeten worden bevorderd en ondersteund. Volgens de verklaring van Rome van 25 maart 2017 en de Europese Raad in december 2017 vervullen onderwijs en cultuur een sleutelrol bij het opbouwen van inclusieve, hechte samenlevingen voor iedereen en bij het behoud van het Europese concurrentievermogen. [Am. 1]

(2)

Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. Die waarden zijn verder bevestigd en uitgesproken in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) , dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, zoals vermeld in artikel 6 van het VEU. In het bijzonder zijn in artikel 11 van het Handvest de vrijheid van meningsuiting en van informatie en in artikel 13 van het Handvest de vrijheid van kunsten en wetenschappen verankerd. [Am. 2]

(3)

Volgens artikel 3 van het VEU heeft de Unie als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen en zij eerbiedigt haar rijke verscheidenheid aan cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed.

(4)

In de mededeling van de Commissie betreffende een nieuwe agenda voor cultuur (4) zijn de doelstellingen van de Unie voor de culturele en creatieve sectoren verder uiteen gezet. Het doel is om de mogelijkheden van cultuur en culturele verscheidenheid te benutten ten behoeve van sociale cohesie en welzijn, de grensoverschrijdende dimensie van culturele en creatieve sectoren te stimuleren, de groeicapaciteiten te ondersteunen, op cultuur gebaseerde creativiteit in onderwijs en innovatie aan te moedigen, werkgelegenheid en groei mogelijk te maken en internationale culturele betrekkingen te versterken. Creatief Europa moet samen met andere programma's van de Unie steun bieden aan de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur, Dit rekening houdend met het feit dat de intrinsieke waarde van cultuur en van artistieke expressie altijd moet worden beschermd en bevorderd, en dat de artistieke creatie de kern van samenwerkingsprojecten vormt . Het ondersteunen van de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur is eveneens in overeenstemming met het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 18 maart 2007 in werking is getreden en waarbij de Unie partij is. [Am. 3]

(4 bis)

De beleidsmaatregelen van de Unie vormen een aanvulling op en bieden een toegevoegde waarde aan de maatregelen van de lidstaten op cultureel en creatief gebied. Het effect van het beleid van de Unie moet regelmatig worden beoordeeld met inachtneming van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, zoals de voordelen voor de burgers, de actieve deelname van burgers, de voordelen voor de economie van de Unie op het stuk van groei en werkgelegenheid en de overloopeffecten in andere sectoren van de economie, alsmede de vaardigheden en bekwaamheden van de mensen die werkzaam zijn in de culturele en creatieve sectoren. [Am. 4]

(4 ter)

De instandhouding en ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed zijn doelstellingen van dit programma. Deze doelstellingen zijn ook erkend als zijnde inherent aan het recht op kennis van het cultureel erfgoed en deelname aan het culturele leven, zoals verankerd in het Kaderverdrag van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Verdrag van Faro), dat op 1 juni 2011 in werking trad. In dit verdrag wordt de rol van cultureel erfgoed onderstreept in de opbouw van een vreedzame en democratische samenleving, en in de processen van duurzame ontwikkeling en de bevordering van de culturele diversiteit. [Am. 5]

(5)

Bevordering van de Europese culturele verscheidenheid hangt af van en van het bewustzijn van gemeenschappelijke wortels is gebaseerd op de vrijheid van artistieke expressie, de capaciteiten en bekwaamheden van artiesten en culturele actoren en het bestaan van bloeiende en veerkrachtige culturele en creatieve sectoren in het openbare en particuliere domein en hun vermogen hun ,werken kunnen te creëren , te innoveren en te produceren en deze te verspreiden naar een groot en divers Europees publiek. Zodoende wordt bedrijfspotentieel uitgebreid , worden de toegang tot en de bevordering van creatieve inhoud, kunstonderzoek en creativiteit vergroot en wordt bijgedragen aan duurzame groei en nieuwe werkgelegenheid. Daarnaast draagt dragen de bevordering van creativiteit en nieuwe kennis bij aan een sterker concurrentievermogen en de stimulering van innovatie in de industriële waardeketens. Er moet worden gekozen voor een ruimere benadering van onderwijs in kunst en cultuur en kunstonderzoek waarbij wordt overgegaan van een STEM-benadering (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) naar een STEAM-benadering (wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde). Ondanks de recentelijk geboekte vooruitgang inzake steun voor de vertaling en ondertiteling, blijft de Europese culturele en creatieve markt versnipperd langs nationale en taalkundige lijnen. waardoor Hoewel het specifieke karakter van elke markt wordt geëerbiedigd, kan meer worden gedaan om de culturele en creatieve sectoren niet in staat te stellen ten volle kunnen te profiteren van de Europese eengemaakte markt, en in het bijzonder van de digitale eengemaakte markt , mede door rekening te houden met de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten . [Am. 6]

(5 bis)

De digitale omwenteling vormt een paradigmawisseling en is een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren. Digitale innovaties hebben gewoonten, relaties en productie- en consumptiemodellen veranderd, op zowel persoonlijk als sociaal vlak, en zij moeten de culturele en creatieve expressie en het culturele en creatieve verhaal bevorderen, waarbij de specifieke waarde van de culturele en creatieve sectoren binnen de digitale omgeving wordt geëerbiedigd. [Am. 7]

(6)

Het programma moet rekening houden met het duale karakter van de culturele en creatieve sectoren en derhalve oog hebben voor enerzijds de intrinsieke en artistieke waarde van cultuur, en anderzijds de economische waarde van die sectoren, waaronder de bredere bijdrage ervan aan concurrentievermogen, creativiteit, en innovatie , interculturele dialoog, sociale samenhang en het genereren van kennis . Daarvoor zijn sterke Europese culturele en creatieve sectoren nodig , zowel in domeinen met of zonder winstoogmerk , met name een levendige Europese audiovisuele industrie, gezien het vermogen ervan om een groot publiek op lokaal, nationaal en Unieniveau te bereiken en het economische belang ervan, ook voor andere creatieve sectoren en voor cultureel toerisme en voor de regionale, lokale en stedelijke ontwikkeling . De concurrentie op de mondiale audiovisuele markten is echter nog groter geworden door de toenemende digitale verstoring, waaronder veranderingen in de mediaproductie en -consumptie en het groeiende aandeel van mondiale platforms in de verspreiding van inhoud. Daarom is het nodig de steun aan de Europese industrie te intensiveren. [Am. 8]

(6 bis)

Actief burgerschap, gedeelde waarden, creativiteit en innovatie vergen een solide basis waarop zij zich kunnen ontwikkelen. Het programma moet audiovisueel en filmonderwijs ondersteunen, met name onder minderjarigen en jongeren. [Am. 9]

(7)

Om effectief te zijn, moet het programma middels op maat gemaakte maatregelen binnen een onderdeel dat is gewijd aan de audiovisuele sector, een onderdeel dat is gewijd aan de andere culturele en creatieve sectoren en een sectoroverschrijdend onderdeel, rekening houden met de specifieke aard en uitdagingen van de verschillende sectoren en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften. Het programma moet gelijke steun verlenen aan alle culturele en creatieve sectoren middels horizontale programma's die op gemeenschappelijke behoeften zijn gericht. Het programma moet, op basis van proefprojecten, voorbereidende maatregelen en studies, tevens de in de bijlage bij deze verordening genoemde sectorale acties uitvoeren. [Am. 10]

(7 bis)

Muziek in al haar vormen en uitdrukkingen, vooral eigentijdse en live muziek, vormt een belangrijk onderdeel van het culturele, artistieke en economische erfgoed van de Unie. Muziek is een element van sociale samenhang, multiculturele integratie en socialisering van de jeugd, en zij vervult een sleutelrol bij het bevorderen van de cultuur, inclusief het cultuurtoerisme. Derhalve moet aan de muzieksector speciale aandacht worden besteed in het kader van de specifieke acties die worden ontplooid als deel van het onderdeel CULTUUR van deze verordening ten aanzien van de financiële bijdrage en gerichte acties. Op maat gesneden oproepen en instrumenten moeten het concurrentievermogen van de muzieksector helpen aanzwengelen en inspelen op een aantal specifieke uitdagingen waarmee deze sector te maken krijgt. [Am. 11]

(7 ter)

Op het gebied van de internationale culturele betrekkingen moet de steun van de Unie worden versterkt. Het programma moet trachten bij te dragen tot de derde strategische doelstelling van de nieuwe Europese agenda voor cultuur door de cultuur en de interculturele dialoog als stuwende krachten voor de sociale en economische ontwikkeling in te zetten. In de Unie en de gehele wereld zijn steden de drijvende krachten voor nieuw cultuurbeleid. Een groot aantal creatieve gemeenschappen hebben zich wereldwijd verenigd in hubs, incubatoren en speciale ruimtes. De Unie moet een essentiële rol vervullen bij het in netwerken bundelen van deze gemeenschappen in de Unie en derde landen, en bij het bevorderen van multidisciplinaire samenwerking tussen artistieke, creatieve en digitale vaardigheden. [Am. 12]

(8)

Het sectoroverschrijdende onderdeel is gericht op de aanpak van de gemeenschappelijke uitdagingen voor en de benutting van het samenwerkingspotentieel tussen verschillende culturele en creatieve sectoren. Een gezamenlijke transversale aanpak kan voordelen opleveren op het gebied van kennisoverdracht en administratieve efficiëntie. [Am. 13]

(9)

In de audiovisuele sector zijn maatregelen van de Unie nodig als aanvulling op haar beleid inzake de digitale eengemaakte markt. Dit heeft met name betrekking op de modernisering van het kader voor auteursrechten , alsmede het voorstel tot wijziging van door Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad  (5) en Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad  (7). Het doel ervan is de versterking van het vermogen van Europese audiovisuele spelers tot creatie, financiering, productie en verspreiding van werken die voldoende zichtbaar kunnen zijn van diverse formaten op de verschillende communicatiemedia die beschikbaar zijn (bv. televisie, bioscoop of video-on-demand), en die aantrekkelijk zijn voor kijkers in een toegankelijkere en meer concurrerende markt, binnen en buiten Europa. De steun moet worden geïntensiveerd om te kunnen inspelen op recente marktontwikkelingen, met name de sterkere positie van globale distributieplatforms ten opzichte van de nationale omroepen die traditioneel investeerden in de productie van Europese werken. [Am. 14]

(10)

De speciale acties in het kader van Creatief Europa, zoals het Europees erfgoedlabel, de Europese erfgoeddagen, Europese prijzen op het gebied van hedendaagse muziek, rock en popmuziek, literatuur, erfgoed en architectuur en de Culturele Hoofdsteden van Europa, hebben miljoenen Europese burgers direct bereikt, hebben aangetoond welke sociale en economische voordelen Europees cultuurbeleid kan bieden, en moeten daarom worden voortgezet en waar mogelijk worden uitgebreid. Het programma moet de netwerkactiviteiten van de websites van het Europees erfgoedlabel ondersteunen. [Am. 15]

(10 bis)

Het programma Creatief Europa uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1295/2013 heeft de impuls gegeven tot het creëren van innoverende en succesvolle projecten die hebben geleid tot goede praktijken op het stuk van transnationale Europese samenwerking in de creatieve en culturele sectoren. Hierdoor werd op zijn beurt de Europese culturele diversiteit voor het publiek vergroot en werden de sociale en economische voordelen van het Europees cultureel beleid benut. Om efficiënter te zijn moeten dergelijke succesverhalen extra worden belicht en waar mogelijk uitgebreid. [Am. 16]

(10 ter)

Actoren op alle niveaus van de culturele en creatieve sectoren moeten actief worden betrokken bij het behalen van de doelstellingen van het programma en de verdere ontwikkeling hiervan. Aangezien het formeel betrekken van belanghebbenden bij het participatieve governancemodel van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed, zoals vastgesteld bij Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad  (8) , doeltreffend is gebleken wat het integreren van cultuur betreft, is het verstandig om dit model ook voor het programma toe te passen. Dit participatieve governancemodel moet een transversale aanpak omvatten teneinde synergieën te creëren tussen de diverse Unieprogramma's en -initiatieven op het gebied van cultuur en creativiteit. [Am. 17]

(10 quater)

Een sectoroverschrijdende vlaggenschipactie die is gericht op het presenteren van de Europese creativiteit en culturele verscheidenheid aan lidstaten en derde landen moet deel uitmaken van de speciale acties uit hoofde van het programma. Deze actie moet de uitmuntendheid van de Europese, op cultuur gebaseerde creativiteit onderstrepen bij het op gang brengen van cross-innovation in de bredere economie door het toekennen van een speciale prijs. [Am. 18]

(11)

Cultuur is van cruciaal belang voor het versterken van inclusieve, hechte en bedachtzame samenlevingen, het geven van nieuwe impulsen aan gebiedsdelen en het bevorderen van de sociale integratie van mensen met een kansarme achtergrond . Tegen de achtergrond van de vraagstukken inzake migratiedruk en uitdagingen inzake integratie speelt cultuur een belangrijke fundamentele rol bij het creëren van inclusieve ruimten voor interculturele dialoog en de integratie van migranten, om ze te helpen en vluchtelingen, waarbij ze worden geholpen het gevoel te hebben dat ze tot de gastgemeenschap behoren , en bij het ontwikkelen van en om goede banden tussen migranten en nieuwe gemeenschappen te ontwikkelen. [Am. 19]

(11 bis)

Cultuur zorgt voor en bevordert de economische, sociale en ecologische duurzaamheid. Derhalve moet zij de kern van politieke ontwikkelingsstrategieën vormen. De bijdrage van de cultuur aan het welzijn van de gehele samenleving moet worden belicht. Overeenkomstig de Verklaring van Davos van 22 januari 2018 getiteld “Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa” moeten bijgevolg stappen worden genomen om een nieuwe geïntegreerde benadering van het vormgeven van een kwalitatief hoogstaande gebouwde omgeving te bevorderen die is verankerd in de cultuur, de sociale samenhang versterkt, zorgt voor een duurzaam milieu en bijdraagt tot de gezondheid en het welzijn van de gehele bevolking. Bij deze benadering mag niet alleen de nadruk worden gelegd op stedelijke gebieden, maar moet vooral worden gelet op de internconnectiviteit van de perifere, afgelegen en plattelandsgebieden. Het concept van Baukultur omvat alle factoren die rechtstreeks van invloed zijn op de leefkwaliteit van burgers en gemeenschappen en aldus op zeer concrete wijze de inclusiviteit, samenhang en duurzaamheid bevorderen. [Am. 20]

(11 ter)

Het is een kwestie van prioriteit dat cultuur, met inbegrip van culturele en audiovisuele goederen en diensten, toegankelijker wordt voor personen met een handicap als middel om hun volledige zelfontplooiing en actieve deelneming te bevorderen en aldus bij te dragen tot een waarlijk inclusieve samenleving op basis van solidariteit. Het programma dient derhalve de culturele participatie in de gehele Unie te bevorderen en te vergroten, met name voor mensen met een handicap en mensen met een kansarme achtergrond, alsmede mensen die in afgelegen en plattelandsgebieden wonen. [Am. 21]

(12)

De vrijheid van artistieke en culturele expressie, de vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media zijn kernelementen vrijheid is een kernelement van bloeiende culturele en creatieve industrieën, waaronder sectoren en de nieuws mediasector. Het programma moet cross-overs en samenwerking tussen de audiovisuele sector en de uitgeverijsector stimuleren om een pluralistisch en onafhankelijk medialandschap te bevorderen , overeenkomstig Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad  (9). Het programma moet steun bieden aan nieuwe mediaprofessionals en de ontwikkeling van kritisch denken onder de burgers stimuleren middels het bevorderen van mediageletterdheid, vooral onder jongeren. [Am. 22]

(12 bis)

De mobiliteit van artiesten en cultuurwerkers voor wat betreft de ontwikkeling van vaardigheden, leren, intercultureel bewustzijn, cocreatie, coproductie, de circulatie en verspreiding van kunstwerken en de deelneming aan internationale manifestaties, zoals beurzen en festivals, is een absolute voorwaarde voor beter verbonden, sterkere en duurzamere culturele en creatieve sectoren in de Unie. Een dergelijke mobiliteit wordt vaak belemmerd door het gebrek aan een juridische status, problemen bij het verkrijgen van visa en de duur van vergunningen, het risico op dubbele belastingheffing en onzekere en instabiele omstandigheden ten aanzien van de sociale zekerheid. [Am. 23]

(13)

Conform de artikelen 8 en 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma en moeten, waar dat van toepassing is, passende criteria voor genderevenwicht en diversiteit worden vastgesteld. Met het programma moet ernaar worden gestreefd dat de deelneming aan het programma en aan de in het kader hiervan uitgevoerde projecten leidt tot en een afspiegeling vormt van de diversiteit van de Europese samenleving. De in het kader van het programma uitgevoerde activiteiten moeten worden gemonitord en er moet verslag over worden uitgebracht, zodat kan worden nagegaan hoe het programma op dit punt heeft gepresteerd en zodat beleidsmakers beter geïnformeerde beslissingen over toekomstige programma's kunnen nemen. [Am. 24]

(13 bis)

Vrouwen zijn zeer aanwezig op artistiek en cultureel gebied in de Unie als auteurs, beroepsbeoefenaren, leraren en als publiek met een toenemende toegang tot het cultuuraanbod. Zoals echter blijkt uit onderzoek en studies, zoals die van het European Women’s Audiovisual Network en het We Must-project op muziekgebied, bestaan er loonverschillen tussen mannen en vrouwen, en is het minder waarschijnlijk dat vrouwen hun werk realiseren en in culturele, artistieke en creatieve instellingen besluitvormingsposities bekleden. Derhalve is het noodzakelijk talenten van vrouwen te bevorderen en hun werk te verspreiden om de artistieke carrières van vrouwen te ondersteunen. [Am. 25]

(14)

In overeenstemming met de gezamenlijke mededeling “Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen” (10), onderschreven door de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017, moeten Europese financieringsinstrumenten, en in het bijzonder dit programma, de relevantie van cultuur bij internationale betrekkingen en de rol ervan bij de bevordering van Europese waarden erkennen door middel van specifieke, gerichte acties die duidelijke effecten voor de Unie opleveren op mondiale schaal.

(14 bis)

Overeenkomstig de conclusies naar aanleiding van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 moet het programma de samenwerking en de overtuigingskracht van de sector vergroten door steun voor activiteiten die verband houden met de erfenis van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 en door hiervan de balans op te maken. In dit verband zij gewezen op de verklaring van de Raad van de ministers van Cultuur van november 2018 en de verklaringen tijdens de slotceremonie van de Raad op 7 december 2018. Het programma moet bijdragen tot het duurzame behoud op de lange termijn van het Europees cultureel erfgoed middels acties ter ondersteuning van ambachts- en handwerkslieden die bedreven zijn in traditionele ambachten in verband met de restauratie van het cultureel erfgoed. [Am. 26]

(15)

In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie “Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa” van 22 juli 2014 (11) moeten relevant(e) beleid en instrumenten de duurzaamheidswaarde van het oude, huidige, materiële, immateriële en digitale Europese erfgoed op de lang termijn tot zijn recht laten komen en moet een beter geïntegreerde aanpak worden ontwikkeld voor de instandhouding, het behoud, het adaptief hergebruik, de verspreiding, benutting en ondersteuning ervan , middels de ondersteuning van een kwalitatief hoogwaardige en gecoördineerde uitwisseling van professionele kennis en de ontwikkeling van gemeenschappelijke hoge kwaliteitsnormen voor de sector en de mobiliteit van de beroepsbeoefenaren in de sector . Cultureel erfgoed is een integraal onderdeel van de Europese cohesie en ondersteunt de koppeling tussen traditie en innovatie. Het programma moet voorrang geven aan het behoud van het cultureel erfgoed en de ondersteuning van artiesten, makers en ambachtslieden. [Am. 27]

(15 bis)

Het programma moet bijdragen tot het engagement en de betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties bij de cultuur en de samenleving, alsmede tot de bevordering van cultureel onderwijs en het toegankelijk maken van culturele kennis en cultureel erfgoed voor het publiek. Het programma moet ook de kwaliteit en innovatie op het vlak van creatie en behoud bevorderen, onder meer door middel van synergieën tussen cultuur, kunst, wetenschap, onderzoek en technologie. [Am. 28]

(16)

In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie “Investeren in een slimme, innovatieve en duurzame industrie — Een hernieuwde strategie voor het industriebeleid van de EU” van 13 september 2017 (12) moeten toekomstige acties bijdragen tot de integratie van creativiteit, ontwerp en geavanceerde technologie om nieuwe industriële waardeketens te genereren en traditionele industrieën nieuw leven in te blazen.

(16 bis)

Overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector moet steun aan de culturele en creatieve sectoren overkoepelend zijn. Projecten moeten in het gehele programma geïntegreerd zijn om nieuwe bedrijfsmodellen en competenties, traditionele knowhow te steunen en creatieve en interdisciplinaire oplossingen in economische en sociale waarde om te zetten. Bovendien moeten de potentiële synergieën tussen de beleidsmaatregelen van de Unie ten volle worden benut om efficiënt gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn in het kader van programma's van de Unie, zoals Horizon Europa, de Connecting Europe Facility, Erasmus+, EaSI en InvestEU. [Am. 29]

(17)

Het programma moet, onder bepaalde voorwaarden, open staan voor deelname van leden van de Europese Vrijhandelsassociatie, toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen alsmede landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen en de strategische partners van de Unie.

(18)

Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) mogen deelnemen aan Unie-programma's in krachtens de EER-overeenkomst vastgestelde samenwerkingskader, dat voorziet in de uitvoering van de programma's door een besluit in het kader van die overeenkomst. Derde landen mogen eveneens deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. De bijdragen van derde landen aan het programma moeten jaarlijks aan de begrotingsautoriteit worden gemeld. [Am. 30]

(19)

Het programma moet de samenwerking stimuleren tussen de Unie en internationale organisaties, zoals de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (UNESCO), de Raad van Europa, Eurimages, het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector (het Waarnemingscentrum), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom. Ook moet het programma steun bieden aan de verbintenissen van de Unie met betrekking tot de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, met name de culturele dimensie ervan (13). Wat de audiovisuele sector betreft, moet het programma zorgen voor de bijdrage van de Unie aan het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector.

(20)

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zal het programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma zullen de relevante acties worden geïdentificeerd, en vervolgens in het kader van de desbetreffende evaluaties en herzieningsprocessen worden herbeoordeeld.

(21)

Door het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het VWEU vastgestelde financiële voorschriften zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (14) (het “Financieel Reglement”) en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(22)

De Europese Filmacademie heeft sinds haar oprichting unieke dankzij haar speciale deskundigheid opgebouwd en is in de unieke positie om bijgedragen tot de ontwikkeling van een pan-Europese gemeenschap van filmmakers en beroepsbeoefenaars, op te richten, voor de promotie en verspreiding van waarbij zij Europese films over de nationale grenzen heen en de ontwikkeling van een waar Europees heeft gepromoot en verspreid en de opkomst van een internationaal publiek van alle leeftijden heeft bevorderd . De academie moet derhalve uitzonderlijkerwijze voor directe steun van de Unie in aanmerking komen in het kader van haar samenwerking met het Europees Parlement bij de organisatie van de LUX-filmprijs . De rechtstreekse steun moet echter worden gekoppeld aan de onderhandeling over een samenwerkingsovereenkomst, met specifieke taken en doelstellingen, tussen beide partijen en het mag enkel mogelijk zijn directe steun te verlenen nadat de overeenkomst gesloten is. De verhindert niet dat de Europese filmacademie middelen aanvraagt voor andere initiatieven en projecten in het kader van de diverse onderdelen van het programma. [Am. 31]

(23)

Het Jeugdorkest van de Europese Unie heeft sinds zijn oprichting unieke deskundigheid opgebouwd wat de bevordering van van de rijke Europese muziektraditie, de toegang tot muziek en de interculturele dialoog, wederzijds respect en begrip door cultuur betreft , alsmede de versterking van het professionalisme van jonge musici door hen de vaardigheden bij te brengen die nodig zijn voor een carrière in de culturele en creatieve sector . De lidstaten en de instellingen van de Unie, inclusief de opeenvolgende voorzitters van de Commissie en van het Europees Parlement, hebben de bijdrage van het Jeugdorkest van de Europese Unie erkend. Bijzonder aan het Jeugdorkest van de Europese Unie is het feit dat het een Europees orkest is dat de culturele grenzen overschrijdt en dat bestaat uit jonge musici die volgens veeleisende artistieke criteria jaarlijks door middel van strenge en transparante audities in alle lidstaten worden geselecteerd. Het jeugdorkest moet derhalve uitzonderlijkerwijze voor directe steun van de Unie in aanmerking komen , op basis van specifieke taken en doelstellingen die door de Commissie worden vastgesteld en regelmatig worden geëvalueerd . Om deze steun te waarborgen moet het Jeugdorkest van de Europese Unie zijn zichtbaarheid vergroten, streven naar een evenwichtigere vertegenwoordiging van musici uit alle lidstaten in het orkest en zijn inkomsten diversifiëren door actief trachten financiële steun te verkrijgen uit andere bronnen dan de bijdragen van de Unie. [Am. 32]

(24)

Organisaties uit de culturele en creatieve sectoren met een grote geografische dekking in Europa en waarvan de activiteiten culturele diensten omvatten die rechtstreeks aan de burgers in de Unie worden geleverd en derhalve het potentieel hebben om een direct effect te hebben op de Europese identiteit, moeten voor steun van de Unie in aanmerking komen.

(25)

Met het oog op een doeltreffende toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat alle acties en activiteiten die in het kader van het programma worden uitgevoerd, een Europese meerwaarde hebben en dat zij complementair zijn met de activiteiten van de lidstaten, en er moet worden gestreefd naar samenhang, complementariteit en synergie met financieringsprogramma's ter ondersteuning van sterk met elkaar verbonden beleidsterreinen en met horizontaal beleid zoals het concurrentiebeleid van de Unie.

(26)

Financiële steun moet worden gebruikt om marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, op evenredige wijze, en de acties mogen particuliere financiering niet overlappen of verdringen, of de concurrentie op de interne markt verstoren. De acties moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor Europa hebben en geschikt zijn voor de specifieke projecten die zij ondersteunen . Het programma moet niet alleen rekening houden met de economische waarde van de projecten, maar ook met hun culturele en creatieve dimensie en het specifieke karakter van de betrokken sectoren. [Am. 33]

(26 bis)

Ook middelen uit de bij Verordening …/…[instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking]  (15) en Verordening …/…[IPA III]  (16) opgerichte programma's moeten worden gebruikt om acties uit hoofde van de internationale dimensie van het programma te financieren. Deze acties moeten overeenkomstig deze verordening ten uitvoer worden gelegd. [Am. 34]

(27)

De culturele en creatieve sectoren zijn innoverende, veerkrachtige en groeiende sectoren van de economie van de Unie, die economische en culturele waarde genereren uit intellectuele eigendom en individuele creativiteit . Hun fragmentering en de immateriële aard van hun activa beperken echter hun toegang tot particuliere financiering. Een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren is de de uitbreiding van hun toegang tot financiële middelen , die essentieel is om hun activiteiten te financieren, te groeien, en hun concurrentievermogen op internationaal niveau in stand te houden, en te vergroten of om hun activiteiten te internationaliseren en op te schalen . De beleidsdoelstellingen van dit programma moeten worden gerealiseerd via financiële instrumenten en begrotingsgaranties , met name voor kmo's, in het kader van de beleidscomponent(en) van het InvestEU-fonds , in overeenstemming met de praktijken die werden ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die werd opgezet bij Verordening (EU) nr. 1295/2013 . [Am. 35]

(28)

Impact, kwaliteit en efficiëntie bij de tenuitvoerlegging van het project moeten de belangrijkste evaluatiecriteria van het project in kwestie zijn. Rekening houdend met de technische deskundigheid die vereist is om voorstellen in het kader van specifieke acties van het programma te kunnen beoordelen, moet worden bepaald dat evaluatiecomités in voorkomend geval mogen bestaan uit externe deskundigen die beschikken over een professionele en managementachtergrond die verband houdt met het terrein van de aanvraag dat wordt geëvalueerd . In voorkomend geval moet rekening worden gehouden met de noodzaak om te zorgen voor de algehele samenhang met de doelstellingen inzake inclusie en diversiteit van het publiek. [Am. 36]

(29)

Het programma moet een realistisch bestuurbaar systeem van kwantitatieve en kwalitatieve prestatie-indicatoren omvatten dat de acties vergezelt en de prestatie ervan doorlopend monitort , rekening houdend met de intrinsieke waarde van de artistieke, culturele en creatieve sectoren . Dergelijke prestatie-indicatoren moeten met de belanghebbenden worden ontwikkeld . Die monitoring alsmede de informatie- en communicatie-acties in verband met het programma en de acties ervan moeten voortbouwen op de drie onderdelen van het programma. In de onderdelen moet rekening worden gehouden met een of meer kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren. Deze indicatoren moeten worden geëvalueerd in overeenstemming met deze verordening. [Am. 37]

(29 bis)

Aangezien het vinden, analyseren en aanpassen van data en het meten van de impact van cultureel beleid en het afbakenen van indicatoren complex en moeilijk is, moet de Commissie de samenwerking binnen haar diensten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en Eurostat, met het oog op de verzameling van bruikbare statistische gegevens versterken. De Commissie moet handelen in samenwerking met kenniscentra in de Unie, nationale instellingen voor de statistiek en organisaties die van belang zijn voor de culturele en creatieve sectoren in Europa en in samenwerking met de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Unesco. [Am. 38]

(30)

In deze verordening worden voor het programma Creatief Europa de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (17).

(31)

Verordening (EU, Euratom) […] (het “Financieel Reglement”) is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies met inbegrip van die voor derden, prijzen, aanbestedingen, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.

(32)

De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op grond van hun het vermogen van de uitvoerder van het project om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de omvang van de uitvoerder en het project, de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten en financiering worden overwogen, alsook niet aan financiering gekoppelde kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. [Am. 39]

(33)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (18), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (19), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (20) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (21) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken verrichten, daaronder begrepen administratieve controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (22). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(33 bis)

Om de synergieën tussen de middelen van de Unie en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, moet het verstrekken van steun voor acties die reeds een excellentiekeurmerk hebben ontvangen, worden bevorderd. [Am. 40]

(34)

Volgens artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad (23) komen in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de grote afstand tot deze landen en gebieden, en hun efficiënte deelname aan het programma moet worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd. [Am. 41]

(34 bis)

In overeenstemming met artikel 349 VWEU moeten maatregelen worden genomen om de deelname van de ultraperifere gebieden aan alle acties te vergroten. Mobiliteitsuitwisselingen voor hun artiesten en hun werken, en samenwerking tussen mensen en organisaties uit die gebieden en hun buren en derde landen moeten worden bevorderd. Aldus wordt het mogelijk dat mensen in dezelfde mate profiteren van de concurrentievoordelen die de culturele en creatieve industrieën kunnen bieden, met name economische groei en ontwikkeling. Dergelijke maatregelen moeten regelmatig worden gemonitord en geëvalueerd. [Am. 42]

(35)

Om niet-essentiële elementen van deze verordening te kunnen wijzigen, moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de in artikel 15 en in bijlage II vastgestelde indicatoren. Bij haar voorbereidende werkzaamheden moet de Commissie passend overleg plegen, onder meer op het niveau van de deskundigen. Dergelijke raadplegingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(36)

Om een vlotte uitvoering de continuïteit van de financiële steun in het kader van het programma te waarborgen, kunnen en de groeiende financieringstekorten waarmee de begunstigden worden geconfronteerd, te dekken, moeten de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend, met name kosten in verband met de intellectuele-eigendomsrechten, als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de ondersteunde acties. [Am. 43]

(37)

Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 is het nodig dit programma te evalueren op basis van door specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van het programma op het terrein worden verzameld.

(38)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend ter vaststelling van de werkprogramma's. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (24). Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van werkprogramma's. Er dient voor te worden gezorgd dat het voorafgaande programma correct wordt afgesloten, met name wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer, zoals de financiering van technische en administratieve ondersteuning. Met ingang van [1 januari 2021] moet in het kader van de technische en administratieve ondersteuning waar nodig worden gezorgd voor het beheer van acties in het kader van het voorafgaande programma die tegen [31 december 2020] nog niet zijn afgerond. [Am. 44]

(38 bis)

Met het oog op een doelmatige en efficiënte uitvoering van het programma moet de Commissie ervoor zorgen dat er tijdens het aanvraagstadium of tijdens de behandelingsfase van de aanvragen voor de aanvragers geen onnodige bureaucratische rompslomp ontstaat. [Am. 45]

(38 ter)

Er moet met name aandacht worden besteed aan kleinschalige projecten en hun toegevoegde waarde, gezien de specifieke kenmerken van de culturele en creatieve sectoren. [Am. 46]

(39)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze verordening moet in het bijzonder zorgen voor volledige eerbiediging van het recht op gelijkheid van mannen en vrouwen en het recht op non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, en voor de bevordering van de toepassing van de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij strookt eveneens met Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van de Verenigde Naties.

(40)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege het transnationale karakter ervan, het hoge aantal gefinancierde mobiliteits- en samenwerkingsactiviteiten en het brede geografische toepassingsgebied ervan, de gevolgen ervan voor toegang tot leermobiliteit en meer in het algemeen voor Unie-integratie, en de verstrekte internationale dimensie ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(41)

Derhalve moet Verordening (EU) nr. 1295/2013 met ingang van [1 januari 2021] worden ingetrokken.

(42)

Om te zorgen voor de continuïteit in de door het programma te bestrijken financieringssteun, dient deze Verordening van toepassing te zijn met ingang van [1 januari 2021],

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt het programma Creatief Europa vastgesteld (“het programma”).

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

“blendingverrichtingen”: door de EU-begroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

2.

“culturele en creatieve sectoren”: alle sectoren waarin de activiteiten gebaseerd zijn op culturele waarden of artistieke en andere individuele of collectieve creatieve uitingen en praktijken, ongeacht de vraag of deze activiteiten marktgericht of niet-marktgericht zijn . Tot die activiteiten behoren onder meer het ontwikkelen, creëren, produceren, verspreiden en in stand houden van praktijken, goederen en diensten die culturele, artistieke of andere creatieve uitingen belichamen, evenals aanverwante functies zoals educatie of beheer. Vele van die activiteiten hebben het potentieel om innovatie en werkgelegenheid te genereren, met name uit intellectuele eigendom. De sectoren omvatten architectuur, archieven, bibliotheken en musea, artistieke ambachten, audiovisuele werken (zoals film, tv-producties, videogames en multimediale uitingen), materieel en immaterieel cultureel erfgoed, design (ook van mode), festivals, muziek, literatuur, uitvoerende kunsten, boeken en uitgeverijen, radioproducties en beeldende kunsten, festivals en design, ook van modeontwerp ; [Am. 47]

3.

“kleine en middelgrote ondernemingen”: micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, als gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (25);

4.

“juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 197, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement;

5.

“excellentiekeur”: het kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan voor Creatief Europa ingediende projecten die goed genoeg worden beoordeeld voor financiering, maar dat omwille van begrotingsbeperkingen niet krijgen. De keur erkent de waarde van het voorstel en ondersteunt de zoektocht naar alternatieve financiering.

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.

De algemene doelstellingen van het programma zijn:

-a)

bijdragen tot de erkenning en bevordering van de intrinsieke waarde van cultuur, en het veiligstellen en bevorderen van de kwaliteit van de Europese cultuur als bijzondere dimensie van de persoonlijke ontwikkeling, het onderwijs, de sociale samenhang, de vrijheid van mening en meningsuiting en van kunsten, en zo de democratie, kritisch denken, het gevoel erbij te horen en het burgerschap versterken en vergroten als bronnen voor pluralistisch media- en cultuurlandschap; [Am. 48]

a)

bevordering van Europese samenwerking op het gebied van culturele , artistieke en taalkundige diversiteit , mede door het vergroten van de rol van artiesten en culturele actoren, de kwaliteit van de Europese culturele en artistieke productie en van het gemeenschappelijke materiële en immateriële en erfgoed; [Am. 49]

b)

verbetering bevordering van het concurrentievermogen van de alle culturele en creatieve sectoren en verhoging van hun economische gewicht , in het bijzonder de audiovisuele sector door middel van het creëren van banen en het vergroten van de innovatie en creativiteit in deze sectoren . [Am. 50]

2.

De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)

versterking van de economische, artistieke, culturele, sociale en externe dimensies van samenwerking op Europees niveau om de culturele verscheidenheid in en het culturele materiële en immateriële erfgoed van Europa te ontwikkelen en bevorderen, het concurrentievermogen en innovatie van de Europese culturele en creatieve sectoren te verbeteren en de internationale culturele betrekkingen te verstevigen; [Am. 51]

a bis)

bevordering van de culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van de audiovisuele sector, ondersteuning van artiesten, actoren, ambachtslieden en betrokkenheid van het publiek, met speciale aandacht voor gendergelijkheid en ondervertegenwoordigde groepen; [Am. 52]

b)

bevordering van het concurrentievermogen , de innovatie en de schaalbaarheid van de Europese audiovisuele industrie sector, met name van kmo's, onafhankelijke productiebedrijven en organisaties in de culturele en creatieve sectoren, en bevordering van de kwaliteit van de activiteiten van de Europese audiovisuele sector op duurzame wijze waarbij gestreefd wordt naar een evenwichtige sectorale en geografische aanpak ; [Am. 53]

c)

bevordering van beleidssamenwerking en innovatieve acties , inclusief nieuwe bedrijfs- en beheersmodellen en creatieve oplossingen, ter ondersteuning van alle programmaonderdelen en alle culturele en creatieve sectoren , waaronder het waarborgen van de vrijheid van artistieke expressie en de bevordering van een divers , onafhankelijk en pluralistisch , cultureel en medialandschap, mediageletterdheid , digitale vaardigheden, cultureel en artistiek onderwijs, gendergelijkheid, actief burgerschap, interculturele dialoog, weerstandsvermogen en sociale inclusie , met name van personen met een handicap, mede middels de grotere toegankelijkheid van cultuurgoederen en -diensten . [Am. 54]

c bis)

bevordering van de mobiliteit van artiesten en de actoren in de culturele en creatieve sectoren en het circuleren van hun werken; [Am. 55]

c ter)

de culturele en creatieve sectoren voorzien van data, analyses en een passende reeks kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, en de ontwikkeling van een samenhangend systeem voor evaluaties en effectbeoordelingen, met inbegrip van die welke een sectoroverschrijdende dimensie hebben. [Am. 56]

3.

Het programma omvat de volgende onderdelen:

a)

het onderdeel “CULTUUR” bestrijkt de culturele en creatieve sectoren met uitzondering van de audiovisuele sector;

b)

het onderdeel “MEDIA” bestrijkt de audiovisuele sector;

c)

het “SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel” bestrijkt activiteiten in alle culturele en creatieve sectoren , met inbegrip van de nieuwsmediasector . [Am. 57]

Artikel 3 bis

Europese toegevoegde waarde

Erkenning van de intrinsieke en economische waarde van de cultuur en creativiteit, en eerbiediging van de kwaliteit en pluriformiteit van de waarden en het beleid van de Unie.

Het programma ondersteunt alleen die acties en activiteiten die een potentiële Europese toegevoegde waarde opleveren en bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 3.

De Europese toegevoegde waarde van de acties en activiteiten van het programma wordt gegarandeerd door bijvoorbeeld:

a)

het transnationale karakter van de acties en activiteiten die een aanvulling vormen op regionale, nationale, internationale en andere programma's en beleidsmaatregelen van de Unie en de impact van die acties en activiteiten op de toegang van burgers tot cultuur en hun actieve betrokkenheid, onderwijs, sociale inclusie en de interculturele dialoog;

b)

de ontwikkeling en bevordering van de transnationale en internationale samenwerking tussen actoren op cultureel en creatief gebied, waaronder artiesten, audiovisuele beroepsbeoefenaars, culturele en creatieve organisaties en kmo's en audiovisuele actoren, met de nadruk op het stimuleren van uitgebreidere, snellere, doeltreffendere en duurzamere antwoorden op globale uitdagingen, met name ten aanzien van de digitale omwenteling;

c)

de schaalvoordelen, groei en banen die door de steun van de Unie worden bevorderd, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd dat aanvullende middelen kan genereren;

d)

waarborging van eerlijkere concurrentievoorwaarden in de culturele en creatieve sectoren door rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende landen, ook van landen of regio's in een bijzondere geografische of taalkundige situatie, zoals de ultraperifere regio's die zijn erkend in artikel 349 VWEU, en de overzeese landen en gebiedsdelen die onder het gezag van een in Bijlage II bij het VWEU genoemde lidstaat staan;

e)

de bevordering van een verhaal over Europese gemeenschappelijke wortels en diversiteit. [Am. 58]

Artikel 4

Onderdeel CULTUUR

In overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen heeft het onderdeel CULTUUR de volgende prioriteiten:

-a)

bevorderen van artistieke expressie en creatie; [Am. 59]

-a bis)

koesteren van talent, competenties en vaardigheden en stimuleren van samenwerking en innovatie in de gehele keten van culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van erfgoed; [Am. 60]

a)

versterken van de grensoverschrijdende dimensie, en circulatie en zichtbaarheid van Europese culturele en creatieve actoren en hun werken , onder meer door middel van residentieprogramma's, tournees, evenementen, workshops, tentoonstellingen en festivals, alsook door de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen en de professionele capaciteiten te vergroten ; [Am. 61]

b)

vergroten van culturele toegang, culturele deelname , cultureel bewustzijn en betrokkenheid van het publiek in heel Europa , met name wat personen met een handicap of personen uit een kansarme omgeving betreft ; [Am. 62]

c)

bevorderen van maatschappelijke veerkracht en verbeteren van sociale inclusie , interculturele en democratische dialoog en culturele uitwisseling via kunst, cultuur en cultureel erfgoed; [Am. 63]

d)

vergroten van het vermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren om tot bloei te komen en te innoveren, artistiek werk te creëren, cruciale competenties, kennis, vaardigheden, nieuwe artistieke praktijken en duurzame werkgelegenheid en groei te genereren en te ontwikkelen, alsook bij te dragen aan lokale en regionale ontwikkeling ; [Am. 64]

d bis)

stimuleren van de professionele capaciteit van personen in de culturele en creatieve sectoren, door hun positie te versterken via passende maatregelen; [Am. 65]

e)

versterken van de Europese identiteit , actief burgerschap, gemeenschapszin en gevoel voor democratische waarden door middel van cultureel bewustzijn, kunstonderwijs cultureel erfgoed, expressie, kritisch denken, artistieke expressie, zichtbaarheid en erkenning voor de makers, kunst, onderwijs en cultuurgebaseerde creativiteit in het onderwijs formele, niet-formele en informele onderwijsvormen voor een leven lang leren ; [Am. 66]

f)

bevorderen van internationale capaciteitsopbouw van Europese culturele en creatieve sectoren , met inbegrip van grassroots- en micro-organisaties, om op internationaal niveau actief te kunnen zijn; [Am. 67]

g)

bijdragen aan de mondiale strategie van de Unie voor internationale culturele betrekkingen door de langetermijneffecten van de strategie te proberen verzekeren door middel van een interpersoonlijke benadering waarin een rol is weggelegd voor culturele diplomatie netwerken, het maatschappelijk middenveld en grassrootsorganisaties . [Am. 68]

De prioriteiten worden nader uiteengezet in bijlage I.

In het kader van specifieke acties binnen het onderdeel CULTUUR is er bijzondere aandacht voor de muzieksector wat financiële verdeling en gerichte acties betreft. Op maat gesneden oproepen en instrumenten moeten het concurrentievermogen van de muzieksector helpen aanzwengelen en inspelen op een aantal specifieke uitdagingen waar deze sector mee te kampen heeft. [Am. 69]

Artikel 5

Onderdeel MEDIA

In overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen heeft het onderdeel MEDIA de volgende prioriteiten:

a)

koesteren van talent, en competenties, vaardigheden en het gebruik van digitale technologieën, en stimuleren van samenwerking , mobiliteit en innovatie bij het creëren en produceren van Europese audiovisuele werken , ook over de grenzen heen ; [Am. 70]

b)

uitbreiden van distributie online en in bioscopen en verschaffen van bredere grensoverschrijdende toegang tot Europese audiovisuele werken, waaronder via innovatieve bedrijfsmodellen en het gebruik van nieuwe technologieën de transnationale en internationale circulatie en van online en offline distributie, met name distributie in bioscopen, van Europese audiovisuele werken in de nieuwe digitale omgeving ; [Am. 71]

b bis)

het internationaal publiek bredere toegang geven tot audiovisuele werken van de Unie, met name door middel van promotie, evenementen, het stimuleren van filmgeletterdheid en festivals; [Am. 72]

b ter)

verbeteren van het audiovisueel erfgoed en vergemakkelijken van de toegang tot en ondersteunen en bevorderen van audiovisuele archieven en bibliotheken als bronnen van herinnering, onderwijs, hergebruik en nieuwe activiteiten, onder meer door middel van de meest recente digitale technologieën; [Am. 73]

c)

bevorderen van Europese audiovisuele werken en ondersteunen van publieksontwikkeling maatregelen om een publiek van alle leeftijden te betrekken, met name jongeren en personen met een handicap, met het oog op een proactief en legaal gebruik van audiovisuele werken binnen en buiten Europa , alsook met het oog op het delen van door gebruikers gegenereerde inhoud, onder meer door het stimuleren van audiovisueel en filmonderwijs . [Am. 74]

Deze prioriteiten worden gerealiseerd door steun voor de creatie, bevordering, toegang en verspreiding van Europese werken , waarbij de Europese waarden en gemeenschappelijke identiteit worden uitgedragen, met het potentieel hebben om grote publieken van alle leeftijden binnen en buiten Europa te bereiken, en waarbij wordt ingespeeld op nieuwe marktontwikkelingen, als aanvulling op de richtlijn audiovisuele mediadiensten.. [Am. 75]

De prioriteiten worden nader uiteengezet in bijlage I.

Artikel 6

SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel

In overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen van het programma heeft het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel de volgende prioriteiten:

a)

ondersteunen van sectoroverschrijdende transnationale beleidssamenwerking, waaronder met betrekking tot de bevordering van de rol van cultuur bij sociale inclusie, met name wat personen met een handicap betreft, en bij het stimuleren van democratie, en bevorderen van kennis van het programma en ondersteunen van de overdraagbaarheid van resultaten , teneinde de zichtbaarheid van het programma te vergroten ; [Am. 76]

b)

bevorderen van innovatieve aanpakswijzen voor de schepping, toegang van artistieke inhoud , alsook artistiek onderzoek , toegang tot kunst en de distributie en bevordering ervan, met inachtneming van inhoud auteursrechtelijke bescherming, in de verschillende culturele en creatieve sectoren , zowel wat marktgerelateerde als niet-marktgerelateerde aspecten betreft ; [Am. 77]

c)

bevorderen van horizontale activiteiten die meerdere sectoren bestrijken en zijn gericht op de aanpassing aan de structurele en technologische veranderingen die de mediasector ondergaat, waaronder het versterken van een vrij, divers en pluralistisch medialandschap, kwaliteitsjournalistiek media-, artistiek en cultureel landschap, beroepsethiek in de journalistiek , kritisch denken en mediageletterdheid , met name onder jongeren, door te helpen bij de aanpassing aan nieuwe instrumenten en formats in de media en de verspreiding van desinformatie tegen te gaan ; [Am. 78]

d)

oprichten en de actieve betrokkenheid ondersteunen van programmadesks in deelnemende landen, met het oog op het bevorderen van het programma in de desbetreffende landen , op billijke en evenwichtige wijze, onder meer via netwerkactiviteiten op het terrein, alsook om de aanvragers te ondersteunen met betrekking tot het programma en basisinformatie te verstrekken over andere relevante ondersteuningsmogelijkheden in het kader van door de Unie gefinancierde programma's, en om grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken binnen de culturele en creatieve sectoren te stimuleren. [Am. 79]

De prioriteiten worden nader uiteengezet in bijlage I.

Artikel 7

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma over de periode 2021-2027 bedragen 1 850 000 000 2 806 000 000  EUR in lopende constante prijzen. [Am. 80]

De indicatieve financiële verdeling voor de uitvoering van het programma is als volgt:

tot 609 000 000 EUR ten minste 33 % voor de in artikel 3, lid 2, onder a), vermelde doelstelling (onderdeel CULTUUR); [Am. 81]

tot 1 081 000 000 EUR ten minste 58 % voor de in artikel 3, lid 2, onder b), vermelde doelstelling (onderdeel MEDIA); [Am. 82]

tot 160 000 000 EUR 9 % voor de in artikel 3, lid 2, onder c), vermelde doelstelling (SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel) , waarbij wordt gewaarborgd dat de financiële toewijzing voor elke nationale Creatief Europa-desk ten minste even hoog is als de financiële toewijzing waarin is voorzien uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1295/2013 . [Am. 83]

2.   Het in lid 1 genoemde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de uitvoering van het programma, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van bedrijfsinformatietechnologiesystemen.

3.   In aanvulling op de financiële middelen zoals vermeld in lid 1, en ter bevordering van de internationale dimensie van het programma, kunnen aanvullende financiële bijdragen ter beschikking worden gesteld uit de externe financieringsinstrumenten [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)] om overeenkomstig deze verordening uitgevoerde en beheerde acties te ondersteunen. Die bijdrage wordt gefinancierd overeenkomstig de verordeningen waarbij die instrumenten zijn vastgesteld , en wordt elk jaar aan de begrotingsautoriteit gemeld, samen met de bijdragen van derde landen aan het programma . [Am. 84]

4.   Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a)], van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c)], van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Artikel 8

Met het programma geassocieerde derde landen

1.   Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)

landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)

toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)

landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)

andere landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst

a)

een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

b)

de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5], van [het nieuwe Financieel Reglement].

c)

het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

d)

de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

Derde landen kunnen deelnemen aan de governancestructuren van het programma en aan fora van belanghebbenden met het oog op de bevordering van informatie-uitwisseling. [Am. 85]

2.   Voor deelname aan het onderdeel MEDIA en het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel moeten de in lid 1, onder a), b) tot en met c  d ), bedoelde landen voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2010/13/EU. [Am. 151]

3.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de overeenkomsten die worden gesloten met de in lid 1, onder c, bedoelde landen afwijken van de in lid 2 vastgestelde verplichtingen.

3 bis.     Overeenkomsten met de derde landen die uit hoofde van deze verordening met het programma geassocieerd zijn, worden gefaciliteerd door middel van procedures die sneller zijn dan de procedures van Verordening (EU) nr. 1295/2013. Overeenkomsten met nieuwe landen worden op proactieve wijze bevorderd. [Am. 86]

Artikel 8 bis

Overige derde landen

Het programma kan steun verlenen aan samenwerking met andere derde landen dan die als bedoeld in artikel 8 met betrekking tot acties die zijn gefinancierd door aanvullende bijdragen uit de externe financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 7, lid 3, indien dat in het belang van de Unie is.

Artikel 9

Samenwerking met internationale organisaties en het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector

1.   Het programma staat open voor deelname van internationale organisaties die actief zijn in de door het programma bestreken gebieden , zoals de Unesco, de Raad van Europa via een meer gestructureerde samenwerking in het kader van de culturele routes en Eurimages, het EUIPO-waarnemingscentrum, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom en de OESO, op basis van gezamenlijke bijdragen, met het oog op het behalen van de doelstellingen van het programma en overeenkomstig het Financieel Reglement. [Am. 87]

2.   De Unie zal voor de duur van het programma lid zijn van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector. De deelname van de Unie aan het Waarnemingscentrum draagt bij tot de verwezenlijking van de prioriteiten van het onderdeel MEDIA. De Unie wordt in haar betrekkingen met het Waarnemingscentrum vertegenwoordigd door de Commissie. Het onderdeel MEDIA ondersteunt de betaling van de financiële bijdrage voor het Unie-lidmaatschap van het Waarnemingscentrum, om en het verzamelen en analyseren van gegevens in de audiovisuele sector te bevorderen. [Am. 152]

Artikel 9 bis

Gegevensverzameling met betrekking tot de culturele en creatieve sectoren

De Commissie versterkt de samenwerking binnen haar diensten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en Eurostat, met het oog op de verzameling van bruikbare statistische gegevens om de effecten van cultuurbeleid te meten en te analyseren. Voor het uitvoeren van die taak werkt de Commissie samen met kenniscentra in Europa en nationale bureaus voor de statistiek, alsook met de Raad van Europa, de OESO en de Unesco. Op die manier draagt ze bij aan het behalen van de doelstellingen van het onderdeel CULTUUR en ziet ze nauwgezet toe op verdere ontwikkelingen in het cultuurbeleid, onder meer door belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken bij de denkoefening over en de aanpassing van gemeenschappelijke indicatoren voor de verschillende sectoren of specifieke indicatoren per activiteitendomein. De Commissie brengt regelmatig over deze activiteiten verslag uit aan het Europees Parlement. [Am. 88]

Artikel 10

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.   Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.   In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.

3.   Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met titel X van het Financieel Reglement en de procedures die zijn vastgelegd in de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement. . De uit hoofde van het programma Creatief Europa tot stand gebrachte specifieke garantiefaciliteit wordt voortgezet in het kader van de [InvestEU-verordening] en houdt rekening met de uitvoeringspraktijken die zijn ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren als vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1295/2013. en titel X [Am. 89]

4.   Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van verschuldigde financiering door ontvangers en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] , die gebaseerd zijn op en in overeenstemming zijn met de reeds ontwikkelde uitvoeringspraktijken, zijn van toepassing. [Am. 90]

4 bis.     Om de internationale dimensie van het programma te bevorderen, leveren de programma's die tot stand zijn gebracht uit hoofde van Verordening …/… [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking] en Verordening …/… [IPA III] een financiële bijdrage aan de in het kader van onderhavige verordening tot stand gebrachte acties. Deze verordening is van toepassing op het gebruik van die programma's, waarbij de naleving van de verordeningen waaronder de programma's respectievelijk vallen, wordt gewaarborgd. [Am. 91]

Artikel 11

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Een derde land dat aan het programma deelneemt door middel van een in het kader van een internationale overeenkomst vastgesteld besluit of op grond van een ander rechtsinstrument verleent de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

Artikel 12

Werkprogramma's

1.   Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. Voordat de werkprogramma's worden vastgesteld, vindt er een raadpleging van de verschillende belanghebbenden plaats om te waarborgen dat de geplande acties de diverse betrokken sectoren zo goed mogelijk ondersteunen. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen , waarbij blendingverrichtingen niet in de plaats komen van rechtstreekse financiering in de vorm van subsidies .

De algemene en specifieke doelstellingen en de bijbehorende beleidsprioriteiten en -acties van het programma, evenals de toegewezen begroting per actie, worden in detail gespecificeerd in de jaarlijkse werkprogramma's. Het jaarlijkse werkprogramma bevat ook een indicatief tijdschema voor de uitvoering. [Am. 92]

2.    De Commissie stelt overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening door middel de vaststelling van jaarlijkse werkprogramma's [Am. 93]

Hoofdstuk II

Subsidies en in aanmerking komende entiteiten

Artikel 13

Subsidies

1.   De toekenning en het beheer van subsidies uit hoofde van het programma geschieden overeenkomstig titel VIII van het Financieel Reglement.

1 bis.     In de oproepen tot het indienen van voorstellen kan rekening worden gehouden met de noodzaak om te voorzien in passende steun voor kleinschalige projecten in het kader van het onderdeel CULTUUR door middel van maatregelen die hogere medefinancieringspercentages kunnen inhouden. [Am. 94]

1 ter.     Bij de toekenning van subsidies wordt rekening gehouden met de volgende kenmerken van het desbetreffende project:

a)

de kwaliteit van het project;

b)

de effecten ervan;

c)

de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering ervan. [Am. 95]

2.   Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan. Tijdens de vergaderingen van het comité zijn de leden fysiek dan wel op afstand aanwezig.

De deskundigen hebben een beroepsachtergrond die aansluit bij het beoordeelde gebied. Het evaluatiecomité kan het advies inwinnen van deskundigen uit het land van aanvraag. [Am. 96]

3.   In afwijking van artikel 193, lid 2, van het Financieel Reglement, en in naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen worden de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde acties en activiteiten. [Am. 97]

4.   Waar van toepassing stellen de acties van het programma passende criteria voor non-discriminatie vast, waaronder voor het evenwicht tussen vrouwen en mannen.

Artikel 14

In aanmerking komende entiteiten

1.   Naast de in [artikel 197] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de in de leden 2 tot en met 4 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen van toepassing:

2.   De volgende entiteiten komen in aanmerking:

a)

juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen:

1)

een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;

2)

een met het programma geassocieerd derde land;

3)

een in het werkprogramma opgenomen derde land, onder de in de leden 3 en 4 vermelde voorwaarden;

b)

elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie of elke internationale organisatie;

3.   Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie.

4.   Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land dragen in beginsel de kosten van hun deelname. Aanvullende bijdragen uit de externe financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 7, lid 3, kunnen de kosten van deelname dekken als dat in het belang van de Unie is.

5.   Aan de volgende entiteiten mogen bij wijze van uitzondering subsidies worden toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen , op basis van specifieke taken en doelstellingen die door de Commissie worden vastgesteld en regelmatig worden beoordeeld aan de hand van de doelstellingen van het programma : [Am. 98]

a)

de Europese filmacademie in de context van samenwerking met het Europees Parlement in verband met de LUX-filmprijs, op basis van een samenwerkingsovereenkomst waarover beide partijen onderhandelen en die door hen beiden wordt ondertekend, en in samenwerking met Europa Cinemas; in afwachting van de sluiting van de samenwerkingsovereenkomst worden de desbetreffende kredieten in de reserve geplaatst ; [Am. 99]

b)

het Jeugdorkest van de Europese Unie voor zijn activiteiten, waaronder de regelmatige selectie van en het aanbieden van opleiding aan jonge muzikanten uit alle lidstaten via residentieprogramma's bestaande uit mobiliteitskansen en de kans om op festivals op te treden en op tournee te gaan binnen de Unie en op internationaal niveau, waardoor wordt bijgedragen aan de verspreiding van Europese cultuur over de grenzen heen en aan de internationalisering van de loopbaan van jonge muzikanten en waarbij wordt gestreefd naar een geografisch evenwicht onder de deelnemers; het Jeugdorkest van de Europese Unie diversifieert zijn inkomsten voortdurend door actief op zoek te gaan naar financiële steun uit andere bronnen en zo zijn afhankelijkheid van financiering door de Unie te verminderen; de activiteiten van het Jeugdorkest van de Europese Unie zijn in overeenstemming met het programma en met de doelstellingen en prioriteiten van het onderdeel CULTUUR, met name wat betrokkenheid van het publiek betreft. [Am. 100]

Hoofdstuk III

Synergieën en complementariteit

Artikel 15

Complementariteit

De Commissie draagt in samenwerking met de lidstaten zorg voor de algemene consistentie en complementariteit van het programma met het relevante beleid en de relevante programma's, met name op het gebied van evenwicht tussen vrouwen en mannen, onderwijs – met bijzondere aandacht voor digitaal onderwijs en mediageletterdheid – jeugd en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie – met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde groepen en minderheden – onderzoek en innovatie – met inbegrip van sociale innovatie – industrie en ondernemingen, landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en klimaatactie, cohesie, regionaal beleid en stadsontwikkeling, duurzaam toerisme, staatssteun , mobiliteit en internationale samenwerking en ontwikkeling , onder meer met het oog op een efficiënter gebruik van overheidsmiddelen ;

de Commissie zorgt ervoor dat bij de toepassing van de in [het InvestEU-programma] vastgelegde procedures in het kader van het programma rekening wordt gehouden met de praktijken die zijn ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die is opgezet bij Verordening (EU) nr. 1295/2013. [Am. 101]

Artikel 16

Cumulatieve en gecombineerde financiering

1.   Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, waaronder financiering in het kader van Verordening (EU) XXX/XXX (VGB), op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De cumulatieve financiering mag niet meer bedragen dan de totale subsidiabele kosten van de actie en voor de steun uit verschillende programma's van de Unie kan naar rato worden berekend.

2.   Een voorstel dat in het kader van het programma voor subsidie in aanmerking komt, kan een excellentiekeur worden toegekend, mits het voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

a)

het is beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;

b)

het voldoet aan de minimumeisen inzake kwaliteit hoge kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen; [Am. 102]

c)

het kan omwille van budgetbeperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd.

2 bis.     Een voorstel waaraan een excellentiekeur is toegekend kan rechtstreeks financiering ontvangen uit andere programma's en andere fondsen die onder [de verordening gemeenschappelijke bepalingen, COM(2018)0375] vallen, in overeenstemming met artikel 67, lid 5, daarvan, op voorwaarde dat het voorstel in samenhang is met de doelstellingen van het programma. De Commissie zorgt ervoor dat de selectie- en gunningscriteria voor de projecten waaraan de excellentiekeur wordt toegekend coherent, duidelijk en transparant zijn voor de potentiële begunstigden. [Am. 103]

Artikel 16 bis

Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren in het kader van InvestEU

1.     Financiële steun in het kader van het nieuwe InvestEU-programma bouwt voort op de doelstellingen en criteria van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, met inachtneming van de specifieke aard van de sector.

2.     Het InvestEU-programma biedt:

a)

toegang tot financiering voor kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties in de culturele en creatieve sectoren;

b)

garanties voor deelnemende financiële intermediairs uit landen die deelnemen aan de garantiefaciliteit;

c)

aanvullende deskundigheid voor deelnemende financiële intermediairs om de risico's die verband houden met kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties en culturele en creatieve projecten te kunnen evalueren;

d)

het volume aan schuldfinanciering dat ter beschikking van kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties is gesteld;

e)

de mogelijkheid voor kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties in alle regio's en sectoren om een gediversifieerde leningenportefeuille op te bouwen en een marketing- en promotieplan voor te stellen;

f)

de volgende soorten leningen: investeringen in materiële en immateriële activa, met uitzondering van persoonlijk onderpand; bedrijfsoverdrachten; bedrijfskapitaal, zoals interimkrediet, overbruggingskrediet, kasstroom en kredietlijnen. [Am. 104]

Hoofdstuk IV

Monitoring, evaluatie en controle

Artikel 17

Monitoring en verslaglegging

1.   Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.

1 bis.     Voor de verschillende onderdelen wordt een gemeenschappelijke reeks kwalitatieve indicatoren vastgesteld. Voor elk onderdeel afzonderlijk wordt er tevens een specifieke reeks indicatoren vastgesteld. [Am. 105]

2.   Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang van het programma op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te waarborgen, is de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bepalingen voor een monitoring- en evaluatiekader te ontwikkelen, inclusief door middel van wijzigingen in bijlage II om de indicatoren te herzien en aan te vullen indien dit nodig is voor evaluatiedoeleinden . De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2022 een gedelegeerde handeling betreffende de indicatoren vast . [Am. 106]

3.   Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en (in voorkomend geval) de lidstaten.

Artikel 18

Evaluatie

1.   Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

1 bis.     De beschikbare cijfers betreffende het bedrag aan vastleggings- en betalingskredieten dat nodig zou zijn geweest voor de financiering van de projecten met het excellentiekeur worden elk jaar aan de twee takken van de begrotingsautoriteit meegedeeld, ten minste drie maanden vóór de datum van publicatie van hun respectieve standpunten inzake de begroting van de Unie voor het volgende jaar, overeenkomstig het gezamenlijk overeengekomen tijdschema voor de jaarlijkse begrotingsprocedure. [Am. 107]

2.   De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen op 30 juni 2024 .

De Commissie dient het tussentijds evaluatieverslag uiterlijk op 31 december 2024 in bij het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie dient in voorkomend geval en op basis van de tussentijdse evaluatie een wetgevingsvoorstel tot herziening van deze verordening in. [Am. 108]

3.   Aan het einde van de uitvoering van het programma, maar uiterlijk twee jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert dient de Commissie een eindevaluatie van het programma in uit. [Am. 109]

4.   De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

5.   Het evaluatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld met een gepaste mate van granulariteit. Die gegevens en informatie worden aan de Commissie medegedeeld op een wijze die strookt met de andere juridische bepalingen; zo worden persoonsgegevens waar nodig anoniem gemaakt. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.

Artikel 19

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in de artikelen 12, lid 2, en 17, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 12, lid 2, en 17, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig de artikelen 12, lid 2, en 17 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Hoofdstuk V

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

Informatie, communicatie en publiciteit

1.   De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren , waarbij zij in het bijzonder de naam van het programma en, voor acties die uit hoofde van het onderdeel MEDIA worden gefinancierd, het MEDIA-logo gebruiken. De Commissie ontwerpt een CULTUUR-logo dat wordt gebruikt voor acties die uit hoofde van het onderdeel CULTUUR worden gefinancierd. [Am. 110]

2.   De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan die via de onderdelen van het programma worden ondersteund. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 21

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1295/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 22

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1295/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft tot zij worden afgesloten.

2.   De financiële middelen voor het programma kunnen ook de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve uitgaven om de overgang tussen het programma en de maatregelen op grond van Verordening (EU) nr. 1295/2013 te bewerkstelligen.

3.   Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 7, lid 4, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 87.

(2)  PB C […] van […], blz. […].

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.

(4)  COM(2018)0267 final.

(5)   Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma's en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad (PB L 130 van 17.5.2019, blz. 82) .

(6)  COM(2016)0287.

(7)   Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie (PB L 303 van 28.11.2018, blz. 69).

(8)   Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 over het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 (PB L 131 van 20.5.2017, blz. 1).

(9)   Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

(10)  JOIN/2016/0029.

(11)  COM(2014)0477.

(12)  COM(2017)0479.

(13)  VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in september 2015 aangenomen door de Verenigde Naties, A/RES70/1.

(14)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(15)   2018/0243(COD).

(16)   2018/0247(COD).

(17)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(18)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(19)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(20)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(21)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(22)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(23)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

(24)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(25)  PB L 124 van 20.5.2003.

BIJLAGE I

Aanvullende informatie over de te financieren activiteiten

1.   ONDERDEEL CULTUUR

De prioriteiten van het programmaonderdeel CULTUUR als bedoeld in artikel 4 worden uitgevoerd door middel van de volgende acties:

 

Horizontale acties:

a)

transnationale samenwerkingsprojecten , waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen kleinschalige, middelgrote en grootschalige projecten, met bijzondere aandacht voor kleine culturele organisaties en culturele micro-organisaties ; [Am. 111]

b)

Europese netwerken van culturele en creatieve organisaties uit verschillende landen;

c)

culturele en creatieve pan-Europese platforms;

d)

mobiliteit van artiesten , ambachtslieden en culturele en creatieve actoren bij hun transnationale activiteiten, onder meer door hun kosten te dekken die verband houden met artistieke activiteiten en de verspreiding van artistieke en culturele werken ; [Am. 112]

e)

ondersteuning van culturele en creatieve organisaties om internationaal te opereren en hun capaciteitsopbouw te ondersteunen ; [Am. 113]

f)

beleidsontwikkeling, -samenwerking en -uitvoering op het gebied van cultuur, waaronder door gegevensverstrekking en de uitwisseling van beste praktijken of proefprojecten.

 

Sectorale acties:

a)

ondersteuning van de muzieksector; bevorderen van verscheidenheid, creativiteit en innovatie op het gebied van muziek, met name de livemuzieksector, onder meer door netwerkactiviteiten, de verspreiding en promotie van muzikaal werk diverse Europese muzikale werken en repertoires in Europa en erbuiten, opleidingen, en deelname aan muziek, toegang tot muziek, publieksontwikkeling, voor Europese muzikanten zichtbaarheid en erkenning van (voornamelijk jonge en opkomende) makers, organisatoren en artiesten, en ondersteuning voor gegevensverzameling en -analyse; [Am. 114]

b)

ondersteuning van de boeken- en uitgeverijsector; gerichte acties ter bevordering van verscheidenheid, creativiteit en, innovatie, met name de vertaling , de aanpassing naar voor personen met een handicap toegankelijke formaten en het aanprijzen van Europese literatuur over de grenzen heen binnen en buiten Europa, onder meer via bibliotheken, opleidingen en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars in de sector, auteurs en vertalers, alsook transnationale projecten voor samenwerking, innovatie en ontwikkeling in de sector; [Am. 115]

c)

ondersteuning van de architectuursector en de sector cultureel erfgoed en van architectuur ; gerichte acties voor de mobiliteit van actoren, capaciteitsopbouw, publieksontwikkeling en internationalisering van de sector cultureel erfgoed en de architectuursector, bevordering van Baukultur, onderzoek , totstandbrenging van hoogwaardige normen, capaciteitsopbouw, het delen van professionele kennis en vaardigheden voor ambachtslieden, betrokkenheid van het publiek , ondersteuning van het veiligstellen, bewaren , regenereren van leefruimte, adaptief hergebruik, bevordering van Baukultur, duurzaamheid, verspreiding, versterking en internationalisering versterken van cultureel erfgoed en de waarden ervan door bewustmaking, netwerken en intercollegiaal leren; [Am. 116]

d)

ondersteuning van andere sectoren; gerichte acties promotieacties ter bevordering van de ontwikkeling van de creatieve aspecten van andere sectoren, waaronder de ontwerp- en modesectoren en duurzaam cultureel toerisme en de aanprijzing en vertegenwoordiging ervan buiten de Europese Unie. [Am. 117]

Ondersteuning van alle culturele en creatieve sectoren op gebieden van gemeenschappelijke behoefte, aangezien de ontwikkeling van een sectorale actie een geschikte methode kan zijn in gevallen waar een gerichte benadering gerechtvaardigd is door de specifieke kenmerken van een deelsector. Er wordt een horizontale benadering gehanteerd voor transnationale projecten met het oog op samenwerking, mobiliteit en internationalisering, onder meer via residentieprogramma's, tournees, evenementen, liveoptredens, tentoonstellingen en festivals, alsook met het oog op de bevordering van diversiteit, creativiteit en innovatie, opleiding en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars uit de sector, capaciteitsopbouw, netwerkactiviteiten, vaardigheden, publieksontwikkeling en gegevensverzameling en -analyse. Sectorale acties krijgen een begroting toegewezen die in verhouding staat tot de als prioriteit aangewezen sectoren. Sectorale acties moeten helpen inspelen op de specifieke uitdagingen waar de verschillende prioritaire sectoren als vastgesteld in deze bijlage mee worden geconfronteerd, voortbouwend op bestaande proefprojecten en voorbereidende acties. [Am. 118]

Speciale acties gericht op het zichtbaar en tastbaar maken van de Europese identiteit en culturele verscheidenheid en het cultureel erfgoed en het koesteren van de interculturele dialoog: [Am. 119]

a)

Culturele hoofdsteden van Europa, waarborgen van financiële steun aan Verordening (EU) nr. 445/2014 van het Europees Parlement en de Raad (1);

b)

Europees erfgoedlabel, waarborgen van financiële steun aan Verordening (EU) nr. 1194/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) en een netwerk van sites met het Europees erfgoedlabel ; [Am. 120]

c)

EU-cultuurprijzen , met inbegrip van de Europese theaterprijs ; [Am. 121]

d)

Europese erfgoeddagen;

d bis)

acties gericht op interdisciplinaire producties in verband met Europa en de Europese waarden; [Am. 122]

e)

ondersteuning van Europese culturele instellingen die op grote geografische schaal directe culturele diensten verlenen aan de Europese burgers.

2.   ONDERDEEL MEDIA

Voor de prioriteiten van het programmaonderdeel MEDIA als bedoeld in artikel 5 wordt rekening gehouden met de vereisten van Richtlijn 2010/13/EU en de verschillen tussen de landen wat de productie, verspreiding en toegankelijkheid van audiovisuele inhoud betreft, alsook wat de omvang en specifieke kenmerken van de respectieve markten betreft, en worden uitgevoerd door middel van, onder meer: [Am. 123]

a)

de ontwikkeling van Europese audiovisuele werken , met name films en televisiewerken zoals fictie, kortfilms, documentaires, kinderfilms en animatiefilms, alsook interactieve werken zoals kwalitatief hoogwaardige en narratieve videogames en multimedia met een versterkt grensoverschrijdend verspreidingspotentieel van Europese onafhankelijke productiebedrijven ; [Am. 124]

b)

de productie van innovatieve en kwalitatief hoogwaardige inhoud voor televisie en seriële verteltechnieken voor alle leeftijden, door ondersteuning van Europese onafhankelijke productiebedrijven ; [Am. 125]

b bis)

ondersteuning van initiatieven gericht op de creatie en promotie van werken die verband houden met de geschiedenis van de Europese integratie en Europese verhalen. [Am. 126]

c)

promotie-, reclame- en marketinginstrumenten, waaronder online en met gebruikmaking van gegevensanalyse, om de prominentie, de zichtbaarheid, de toegang over de grenzen heen en het bereiken van publiek van Europese werken te vergroten; [Am. 127]

d)

ondersteuning van de internationale verkoop en verspreiding van niet-nationale Europese werken op alle platforms die zich richten op zowel kleine als grote producties , waaronder door gecoördineerde verspreidingsstrategieën in verschillende landen en ondertiteling, nasynchronisatie en audiodescriptie ; [Am. 128]

d bis)

acties ter ondersteuning van landen met een lage capaciteit om hun respectieve vastgestelde tekortkomingen te verbeteren; [Am. 129]

e)

ondersteuning van business-to-business-uitwisselingen en netwerkactiviteiten ter bevordering van Europese en internationale coproducties en de verspreiding van Europese werken ; [Am. 130]

e bis)

ondersteuning van Europese netwerken van makers van audiovisueel werk uit verschillende landen met het oog op het koesteren van creatief talent in de audiovisuele sector; [Am. 131]

e ter)

specifieke maatregelen om bij te dragen aan een rechtvaardige behandeling van creatief talent in de audiovisuele sector; [Am. 132]

f)

aanprijzen van Europese werken in evenementen en tentoonstellingen in de sector, binnen en buiten Europa;

g)

initiatieven ter bevordering van publieksontwikkeling en filmonderwijs, publieksbinding, met name in bioscopen en in film- en audiovisueel onderwijs, met name gericht op jong publiek; [Am. 133]

h)

activiteiten in het kader van opleiding en mentoring ter versterking van het vermogen van audiovisuele actoren , met inbegrip van ambachtslieden, om zich aan te passen aan nieuwe marktontwikkelingen en digitale technologieën; [Am. 134]

i)

een Europees netwerk of meer Europese netwerken voor actoren op het gebied van video-on-demand met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese werken; [Am. 135]

j)

netwerken Europese festivals en netwerken van Europese festivals met het oog op vertoning en bevordering van een waaier aan Europese audiovisuele werken, met een significant aandeel van niet-nationale Europese films; [Am. 136]

k)

een Europees netwerk van bioscoopexploitanten met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese films , het helpen versterken van de rol van bioscopen in de waardeketen en het benadrukken van openbare vertoningen als een sociale ervaring ; [Am. 137]

l)

specifieke maatregelen , waaronder mentoring- en netwerkactiviteiten, om bij te dragen aan een evenwichtigere participatie van mannen en vrouwen in de culturele en creatieve industrieën audiovisuele sector ; [Am. 138]

m)

ondersteuning van beleidsdialoog, innovatieve beleidsacties en de uitwisseling van beste praktijken, waaronder door analysewerkzaamheden en de levering van betrouwbare gegevens;

n)

transnationale uitwisseling van kennis en ervaringen, peer learning en netwerken tussen de audiovisuele sector en beleidsvormers.

n bis)

ondersteuning van de verspreiding van en meertalige toegang tot online en offline televisie-inhoud van culturele aard, onder meer door middel van ondertiteling, om de rijkdom en diversiteit van het cultureel erfgoed, de hedendaagse creaties en de talen van Europa te bevorderen. [Am. 139]

3.   SECTOROVERSCHRIJDEND ONDERDEEL

De prioriteiten van het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel als bedoeld in artikel 6 worden uitgevoerd door middel van de volgende acties:

 

Beleidssamenwerking en bereik:

a)

beleidsontwikkeling, transnationale uitwisseling van kennis en ervaringen, peer learning (waaronder peer mentoring voor nieuwkomers in het programma), bewustmaking en netwerken tussen de culturele en creatieve organisaties en beleidsvormers van sectoroverschrijdende aard , tevens door middel van een permanente structurele dialoog met belanghebbenden en met een forum voor de culturele en creatieve sectoren ter versterking van de dialoog en de oriëntatie van het beleid in de sector ; [Am. 140]

b)

sectoroverschrijdende analysewerkzaamheden;

c)

ondersteuning van acties die zijn gericht op de bevordering van grensoverschrijdende beleidssamenwerking en beleidsontwikkeling met betrekking tot de rol van sociale inclusie door cultuur;

d)

verdieping van kennis over het programma en de daarin behandelde onderwerpen, bevordering van het bereik van de burgers, en ondersteuning van een grotere overdraagbaarheid van resultaten dan op niveau van de lidstaten;

 

Lab voor creatieve innovatie:

a)

aanmoedigen van nieuwe vormen van het creëren van inhoud op het kruispunt tussen verschillende culturele en creatieve sectoren en samen met actoren uit andere sectoren , bijvoorbeeld door het gebruik van en mentoring bij het gebruik van innovatieve technologieën binnen culturele organisaties en samenwerking via digitale hubs ; [Am. 141]

b)

bevorderen van innovatieve sectoroverschrijdende aanpakswijzen en instrumenten voor gemakkelijkere toegang, verspreiding, promotie en monetarisering van cultuur en creativiteit, waaronder cultureel erfgoed.

b bis)

acties gericht op interdisciplinaire producties in verband met Europa en zijn waarden; [Am. 142]

 

Programmadesks:

a)

promotie van het programma op nationaal niveau en verstrekking van relevante informatie over de verschillende soorten financiële steun die in het kader van Uniebeleid beschikbaar zijn , alsook over de evaluatiecriteria, -procedure en -resultaten ; [Am. 143]

b)

ondersteuning van potentiële begunstigden bij het indienen van een aanvraag, aanmoediging van grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken tussen beroepsbeoefenaars, instellingen, platforms en netwerken binnen en tussen beleidsgebieden en sectoren die onder het programma vallen; [Am. 144]

c)

ondersteuning van de Commissie door te zorgen voor passende communicatie bottom-up- en top-downcommunicatie en -verspreiding van de resultaten van het programma naar de burgers en naar de actoren . [Am. 145]

 

Horizontale activiteiten ter ondersteuning van de mediasector:

a)

reageren op de structurele en technologische veranderingen waar de mediasector nieuwsmediasector mee wordt geconfronteerd, door de bevordering en monitoring van een divers onafhankelijk en pluralistisch medialandschap en door de ondersteuning van onafhankelijke monitoring om de risico's en uitdagingen voor mediapluralisme en mediavrijheid te beoordelen ; [Am. 146]

b)

ondersteuning van een hoge standaard van mediaproductie door bevordering van samenwerking, digitale vaardigheden, journalistieke samenwerking over grenzen heen en, inhoud van hoge kwaliteit en duurzame economische modellen voor de media om de beroepsethiek in de journalistiek te waarborgen ; [Am. 147]

c)

bevordering van mediageletterdheid zodat burgers , met name jongeren, een kritisch inzicht in de media kunnen ontwikkelen , ondersteuning van de oprichting van een platform van de Unie om praktijken en beleid op het gebied van mediageletterdheid te delen onder alle lidstaten, onder meer via universitaire radio- en medianetwerken die zich met Europa bezighouden, en het aanbieden van opleidingsprogramma's voor nieuwsmediaprofessionals om desinformatie te leren herkennen en tegen te gaan . [Am. 148]

c bis)

bevordering en bescherming van de politieke dialoog en de dialoog met het maatschappelijk middenveld over bedreigingen voor mediavrijheid en mediapluralisme in Europa; [Am. 149]


(1)  Besluit nr. 445/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement “Culturele hoofdsteden van Europa” voor de periode 2020 tot 2033 en tot intrekking van Besluit nr. 1622/2006/EG (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 1).

(2)  Besluit nr. 1194/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot instelling van een actie van de Europese Unie voor het Europees erfgoedlabel (PB L 303 van 22.11.2011, blz. 1).

BIJLAGE II

GEMEENSCHAPPELIJKE KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE IMPACTINDICATOREN VAN HET PROGRAMMA

(1)

Voordeel voor burgers en gemeenschappen

(2)

Voordeel voor het versterken van Europese culturele diversiteit en Europees cultureel erfgoed

(3)

Voordeel voor de economie en werkgelegenheid in de Unie, met name voor de culturele en creatieve sectoren en kmo's

(4)

Mainstreaming van het Uniebeleid, met inbegrip van internationale culturele betrekkingen

(5)

Europese meerwaarde van projecten

(6)

Kwaliteit van partnerschappen en culturele projecten

(7)

Aantal mensen dat toegang heeft tot de Europese culturele en creatieve werken die door het programma worden ondersteund

(8)

Aantal arbeidsplaatsen in het kader van de gesteunde projecten

(9)

Genderevenwicht, indien nodig, mobiliteit en een sterkere positie voor de operatoren in de culturele en creatieve sectoren. [Am. 150]

Indicatoren

ONDERDEEL CULTUUR:

Aantal en schaal van met financiering uit het programma tot stand gebrachte transnationale partnerschappen

Aantal artiesten & culturele en/of creatieve actoren (geografisch) die dankzij steun uit het programma over de nationale grenzen heen actief zijn, per land van herkomst

Aantal mensen dat in aanraking komt met Europese culturele en creatieve werken die dankzij het programma tot stand zijn gebracht, inclusief werken van buiten hun eigen land

Aantal door het programma ondersteunde projecten die zijn gericht op benadeelde groepen, met name werkloze jongeren en migranten

Aantal door het programma ondersteunde projecten waar organisaties uit derde landen bij zijn betrokken


ONDERDEEL MEDIA:

Aantal mensen dat in aanraking komt met Europese audiovisuele werken van buiten hun eigen land die dankzij het programma tot stand zijn gebracht

Aantal deelnemers aan door het programma ondersteunde leeractiviteiten die van mening zijn dat zij hun competenties hebben verbeterd en hun inzetbaarheid hebben vergroot

Aantal en budget van met financiering uit het programma tot stand gebrachte coproducties

Aantal mensen dat door business-to-business-promotieactiveiten op de voornaamste markten is bereikt


SECTOROVERSCHRIJDEND ONDERDEEL:

Aantal en schaal van tot stand gebrachte transnationale partnerschappen (samengestelde indicator voor labs voor creatieve innovatie en acties van nieuwsmedia)

Aantal door programmadesks georganiseerde evenementen waarbij het programma wordt aangeprezen


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/965


P8_TA(2019)0324

“Erasmus”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (COM(2018)0367 — C8-0233/2018 — 2018/0191(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/55)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2018)0367),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0233/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 6 februari 2019 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0111/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

hecht zijn goedkeuring aan zijn verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 194.

(2)  PB C 168 van 16.5.2019, blz. 49.


P8_TC1-COD(2018)0191

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 [Am. 1. Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst.]

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In een context van snelle en ingrijpende veranderingen als gevolg van de technologische revolutie en de mondialisering, zijn I nvesteringen in leermobiliteit voor iedereen, ongeacht sociale of culturele achtergrond en middelen , evenals in , samenwerking en innovatieve beleidsontwikkeling op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport zijn cruciaal voor de opbouw van inclusieve, democratische, hechte en weerbare samenlevingen en voor het behoud van het concurrentievermogen van de Unie, en dragen zij tegelijkertijd bij tot de versterking van de Europese identiteit , beginselen en waarden en tot een democratischer Unie. [Am. 2]

(2)

In haar mededeling van 14 november 2017 (“De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur”) heeft de Commissie haar visie uiteengezet om tegen 2025 te werken aan een Europese onderwijsruimte waarin leren niet zou worden gehinderd door grenzen; een Unie waar tijd doorbrengen in een andere lidstaat om in enige vorm of omgeving te studeren en te leren normaal is geworden en waar twee andere talen dan je moedertaal spreken de norm zou zijn; een Unie waar de mensen een sterk gevoel zouden hebben van hun identiteit als Europeanen en van het cultureel erfgoed en de verscheidenheid van Europa. In dat verband benadrukte de Commissie de noodzaak om het beproefde Erasmus+-programma in alle categorieën van lerenden die het reeds bereikt een impuls te geven en de hand te reiken aan kansarme lerenden.

(3)

Het belang van onderwijs, opleiding en de jeugd voor de toekomst van de Unie komt tot uiting in de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 met de titel “Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020” (4), waarin wordt benadrukt dat de verplichtingen moeten worden nagekomen die de lidstaten op de Sociale Top van Göteborg zijn aangegaan, onder andere door de volledige uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten (5) en het eerste beginsel daarvan op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren. In de mededeling wordt beklemtoond dat mobiliteit en uitwisselingen moeten worden bevorderd, onder meer door een aanzienlijk versterkt, inclusief en uitgebreid programma, zoals de Europese Raad in zijn conclusies van 14 december 2017 had gevraagd.

(4)

De Europese pijler van sociale rechten, die het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017 plechtig hebben afgekondigd en ondertekend, stelt als eerste beginsel dat iedereen recht heeft op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren om de vaardigheden te verwerven en te onderhouden die nodig zijn om ten volle aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen en overgangen op de arbeidsmarkt met succes te kunnen opvangen. De Europese pijler van sociale rechten maakt ook het belang duidelijk van kwalitatief hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en van het waarborgen van gelijke mogelijkheden voor iedereen. [Am. 3]

(5)

Op 16 september 2016 hebben de leiders van zevenentwintig lidstaten in Bratislava benadrukt dat zij vastbesloten zijn om jongeren betere kansen te bieden. In de op 25 maart 2017 ondertekende verklaring van Rome hebben de leiders van 27 lidstaten en van de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie zich ertoe verbonden te werken aan een Unie waarin jongeren het beste onderwijs en de beste opleiding krijgen en kunnen studeren en een baan kunnen vinden in de op het hele Unie continent ; een Unie die ons culturele erfgoed bewaart en culturele diversiteit bevordert ; een Unie die de strijd aanbindt met werkloosheid, discriminatie, sociale uitsluiting en armoede . [Am. 4]

(6)

Het verslag van de tussentijdse evaluatie van het Erasmus+-programma voor de periode 2014-2020 heeft bevestigd dat de creatie van één programma op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport heeft geresulteerd in een aanzienlijke vereenvoudiging en rationalisering en in synergieën bij het beheer van het programma, maar dat verdere verbeteringen noodzakelijk zijn om de efficiëntiewinst van het programma 2014-2020 verder te consolideren. Tijdens de raadplegingen in verband met de tussentijdse evaluatie en het toekomstige programma deden de lidstaten en de belanghebbenden een krachtige oproep voor continuïteit in de reikwijdte, de structuur en de uitvoeringsmechanismen van het programma en pleitten zij voor een aantal verbeteringen, zoals het inclusiever , eenvoudiger en hanteerbaarder maken van het programma voor kleinere begunstigden en projecten met een geringere omvang . Voorts spraken zij hun volledige steun uit om het programma geïntegreerd te houden en het te schragen door het paradigma van een leven lang leren. In zijn resolutie van 2 februari 2017 over de uitvoering van Erasmus+ toonde het Europees Parlement zich verheugd over de geïntegreerde structuur van het programma en verzocht het de Commissie ten volle gebruik te maken van de dimensie van het programma gericht op een leven lang leren, door de sectoroverstijgende samenwerking in het toekomstige programma te bevorderen en aan te moedigen. De effectbeoordeling van de Commissie, d e lidstaten en de belanghebbenden wezen ook op de noodzaak van een sterke verdere versterking van de internationale dimensie in het programma en van een uitbreiding tot andere onderwijs- en opleidingssectoren en tot jeugd en sport . [Am. 5]

(7)

In de openbare raadpleging over de financiering van de Unie op het gebied van waarden en mobiliteit zijn deze bevindingen bevestigd en is benadrukt dat het toekomstige programma meer inclusief moet zijn en dat blijvend prioriteit moet worden gegeven aan de modernisering van de onderwijs- en opleidingsstelsels en de versterking van de Europese identiteit, het bevorderen van actief burgerschap en de participatie aan het democratische leven.

(7 bis)

De Europese Rekenkamer onderstreepte in haar Speciaal verslag nr. 22/2018 van 3 juli 2018 over Erasmus+  (6)  dat het programma aantoonbare Europese meerwaarde heeft geleverd, maar dat niet alle dimensies van die meerwaarde, zoals een sterker gevoel van Europese identiteit of een grotere mate van meertaligheid, voldoende in acht worden genomen of gemeten. De Rekenkamer was van mening dat in het volgende programma moet worden gewaarborgd dat de indicatoren beter zijn afgestemd op de doelstellingen van het programma om een goede prestatiebeoordeling te kunnen uitvoeren. In het verslag van de Rekenkamer werd ook geconstateerd dat er, ondanks pogingen tot vereenvoudiging in het programma voor 2014-2020, nog steeds sprake is van te veel administratieve rompslomp, en deed dan ook de aanbeveling aan de Commissie om de programmaprocedures verder te vereenvoudigen, met name toepassingsprocedures en verslagleggingseisen, en IT-instrumenten te verbeteren. [Am. 6]

(8)

In haar mededeling van 2 mei 2018 (“Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt — Het meerjarig financieel kader 2021-2027”) (7) vroeg de Commissie in het volgende financieel kader meer om meer investeringen in mensen en aandacht voor de jeugd, met name door de middelen voor en onderkende zij dat het Erasmus+-programma voor de periode 2014-2020, een van de meest opvallende succesverhalen van de Unie, ruim te verdubbelen. De focus van het nieuwe programma zou moeten liggen op inclusie en deelname van kansarme jongeren. Hierdoor zouden nog meer jongeren naar een ander land kunnen voor onderwijs of om werkervaring op te doen is. Ondanks het algehele succes was het programma voor 2014-2020 niet in staat te voldoen aan de grote vraag naar financiering en kampten de projecten met lage slagingspercentages. Om deze tekortkomingen te verhelpen, moet de meerjarenbegroting voor het vervolgprogramma 2014-2020 worden verhoogd. Bovendien is het doel van het vervolgprogramma om meer kansarme personen te bereiken, en worden daarin een aantal nieuwe en ambitieuze initiatieven opgenomen. Het is daarom noodzakelijk, zoals ook door het Europees Parlement werd benadrukt in zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende meerjarig financieel kader, om de begroting voor het vervolgprogramma in constante prijzen te verdrievoudigen, ten opzichte van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 . [Am. 7]

(9)

In deze context moet een programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport (“het programma”) worden vastgesteld als opvolger van het Erasmus+-programma voor de periode 2014-2020 dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8). Het geïntegreerde karakter van het programma 2014-2020, dat leren in alle contexten — formeel, niet-formeel en informeel leren — en in alle levensfasen bestrijkt, moet worden gehandhaafd teneinde versterkt om te zorgen voor een “leven lang leren”-aanpak en om flexibele leertrajecten te bevorderen die mensen in staat stellen de kennis, vaardigheden en competenties te ontwikkelen verwerven en te verbeteren die nodig zijn om zich als individu te ontwikkelen en de uitdagingen en kansen van de eenentwintigste eeuw aan te gaan resp. te benutten . Met een dergelijke aanpak moeten ook de waarde van niet-formele en informele onderwijsactiviteiten en de verbanden daartussen worden erkend . [Am. 8]

(10)

Het programma moet aldus zijn toegerust dat het nog meer kan bijdragen aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen en prioriteiten van de Unie op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport. Een coherente aanpak van een leven lang leren is cruciaal om de overgangen op te vangen waaraan mensen , met name ouderen die nieuwe levensvaardigheden of vaardigheden voor een veranderende arbeidsmarkt moeten aanleren, tijdens hun leven het hoofd moeten bieden. Een dergelijke aanpak moet worden aangemoedigd door middel van doeltreffende sectoroverschrijdende samenwerking en meer interactie tussen verschillende onderwijsvormen . In het licht van deze aanpak moet het volgende programma nauw aansluiten bij het algemene strategische kader voor Europese beleidssamenwerking op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd, met inbegrip van de beleidsagenda's voor scholen, hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs, en nieuwe synergieën met andere gerelateerde programma's en beleidsterreinen van de Unie ontwikkelen en versterken.. [Am. 9]

(10 bis)

Organisaties die actief zijn in een grensoverschrijdende context leveren een belangrijke bijdrage aan de transnationale en internationale dimensie van het programma. Daarom moet het programma in voorkomend geval steun bieden aan relevante netwerken op het niveau van de Unie en aan Europese en internationale organisaties waarvan de activiteiten verband houden met en bijdragen aan de doelstellingen van het programma. [Am. 10]

(11)

Het programma is een centrale component van de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte en van de ontwikkeling van de sleutelcompetenties voor een leven lang leren, als uiteengezet in de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren  (9) , uiterlijk in 2025 . Het moet bijdragen aan de opvolger van het strategisch kader voor samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, en de agenda voor vaardigheden voor Europa (10) met een gezamenlijke inzet voor het strategische belang van vaardigheden, en competenties en kennis voor het behoud en scheppen van banen, groei, en concurrentievermogen , innovatie en cohesie . Het moet de lidstaten ondersteunen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (11). [Am. 11]

(12)

Het programma dient in overeenstemming te zijn met de nieuwe EU-strategie voor jongeren (12), het kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2019-2027), dat gebaseerd is op de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018 (“Jongeren betrekken, verbinden en versterken: een nieuwe EU-strategie voor jongeren”) (13) , waaronder het doel van de strategie om jeugdbanen van hoog niveau en niet-formeel leren te ondersteunen . [Am. 12]

(13)

Het programma moet rekening houden met het werkplan van de Unie voor sport, het kader voor samenwerking op het niveau van de Unie op het gebied van de sport voor de jaren […] (14). Er moet worden gezorgd voor samenhang en complementariteit tussen het werkplan van de Unie en de door het programma ondersteunde acties op het gebied van sport. Met name moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de breedtesport, gezien de belangrijke rol die sport speelt bij de bevordering van lichaamsbeweging en een gezonde levensstijl, interpersoonlijke relaties, sociale integratie en gelijkheid. Het programma moet alleen mobiliteitsactiviteiten ondersteunen in het kader van amateursport, zowel voor jongeren die regelmatig een georganiseerde sport beoefenen als voor sportpersoneel. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat sportpersoneel ook professionals in zijn gelederen kan hebben, d.w.z. personen die hun brood verdienen met sport, maar zich ook bezighouden met amateursport. Mobiliteitsactiviteiten moeten daarom ook openstaan voor deze groep. Het programma moet bijdragen tot het bevorderen van de gemeenschappelijke Europese waarden via de sport, goed bestuur en integriteit in de sport, duurzaamheid en goede milieupraktijken in de sport, en duurzame ontwikkeling, alsmede onderwijs, opleiding en vaardigheden in en door de sport. Het moet mogelijk zijn voor alle belanghebbenden, waaronder onderwijs- en opleidingsinstellingen, om deel te nemen aan partnerschappen, samenwerkingsverbanden en beleidsdialogen op het vlak van sport . [Am. 13]

(14)

Het programma moet bijdragen aan de versterking van de innovatiecapaciteit van de Unie, met name door de ondersteuning van mobiliteit en samenwerkingsactiviteiten die een stimulans geven aan de ontwikkeling van vaardigheden en competenties in toekomstgerichte studierichtingen of vakgebieden zoals wetenschap, technologie, kunst, engineering en wiskunde (STEAM) , klimaatverandering, milieu milieubescherming , duurzame ontwikkeling , schone energie, kunstmatige intelligentie, robotica, gegevensanalyse en kunst/design , design en architectuur, en digitale en mediageletterdheid , om mensen te helpen de kennis, vaardigheden en competenties te ontwikkelen die nodig zijn voor de toekomst. [Am. 14]

(14 bis)

Aansluitend bij de missie van het programma om innovatie in onderwijs en opleiding aan te wakkeren, moet het ondersteuning bieden aan de ontwikkeling van onderwijs- en leerstrategieën die gericht zijn op begaafde en getalenteerde kinderen, ongeacht hun nationaliteit, sociaal-economische status of geslacht. [Am. 15]

(14 ter)

Het programma moet bijdragen tot de follow-up van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed door activiteiten te ondersteunen voor de ontwikkeling van vaardigheden die nodig zijn om het Europees cultureel erfgoed te beschermen en in stand te houden en om de onderwijsmogelijkheden die de culturele en creatieve sectoren bieden volledig te benutten. [Am. 16]

(15)

Synergieën met Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat de gecombineerde middelen van het programma en van het programma Horizon Europa (15) worden gebruikt om activiteiten te ondersteunen die de Europese instellingen voor hoger onderwijs versterken en moderniseren. Horizon Europa zal in voorkomend geval de steun van het programma voor acties en initiatieven met een onderzoeksdimensie, zoals het initiatief “Europese universiteiten” aanvullen, inzonderheid de onderzoeksdimensie daarvan als onderdeel van de ontwikkeling van nieuwe gezamenlijke en geïntegreerde duurzame en langetermijnstrategieën inzake onderwijs, onderzoek en innovatie. Synergieën met Horizon Europa zullen bijdragen aan de integratie van onderwijs en onderzoek , met name in instellingen voor hoger onderwijs. [Am. 17]

(16)

Het programma moet inclusiever worden door een beter contact met de participatiepercentages van kansarmen kansarmen te verbeteren. Het is belangrijk in te zien dat een laag participatieniveau van kansarmen verschillende oorzaken kan hebben en mogelijk afhankelijk is van de nationale context. Daarom moeten nationale agentschappen binnen een kader dat voor de hele Unie geldt, inclusiestrategieën ontwikkelingen met maatregelen om de doelgroep beter te bereiken, procedures te vereenvoudigen, trainingen aan te bieden en doeltreffendheid te ondersteunen en te meten. Voor de verbetering van de inclusie moeten andere mechanismen worden gebruikt , onder meer door flexibeler vormen van leermobiliteit aan te bieden die aansluiten bij de behoeften van kansarmen, en door het stimuleren de deelname van de deelneming van kleine en lokale organisaties, met name nieuwkomers en lokale grassrootsorganisaties die direct werken met minder kansrijke lerenden van alle leeftijden. Virtuele modellen, zoals virtuele samenwerking, gemengde en virtuele mobiliteit, moeten worden bevorderd om meer deelnemers te bereiken, in het bijzonder kansarmen en personen voor wie een fysieke verplaatsing naar een ander land dan het land van hun woonplaats een belemmering zou zijn. [Am. 18]

(16 bis)

Als kansarmen om financiële redenen niet in staat zijn deel te nemen aan het programma, hetzij vanwege hun economische situatie, hetzij vanwege de hogere kosten van deelname aan het programma als gevolg van hun specifieke situatie, zoals vaak het geval is voor mensen met een beperking, moeten de Commissie en de lidstaten erop toezien dat er passende financiële steunmaatregelen worden genomen. Dergelijke maatregelen kunnen andere instrumenten van de Unie omvatten, zoals het Europees Sociaal Fonds+, nationale regelingen en aanpassingen of aanvullingen van subsidies via het programma. Om te kunnen beoordelen of kansarmen om financiële redenen niet in staat zijn deel te nemen aan het programma en om te kunnen bepalen hoeveel steun zij nodig hebben, moeten objectieve criteria worden gebruikt. De extra kosten van maatregelen om inclusie te bevorderen, mogen nooit een reden zijn voor de weigering van een aanvraag. [Am. 19]

(16 ter)

De steun van het programma moet gericht blijven op fysieke leermobiliteit en moet meer mogelijkheden bieden voor kansarmen om te profiteren van acties op het vlak van fysieke leermobiliteit. Tegelijkertijd moet onder ogen worden gezien dat virtuele modellen, zoals virtuele samenwerking, gemengd en virtueel leren, een doeltreffende aanvulling kunnen vormen op fysieke leermobiliteit en de doeltreffendheid daarvan kunnen optimaliseren. In uitzonderlijke gevallen waarin mensen niet kunnen deelnemen aan mobiliteitsacties en -activiteiten, kunnen virtuele formats hen in staat stellen op een kostenefficiënte en innovatieve manier te genieten van veel van de voordelen die het programma te bieden heeft. Daarom moet met het programma ook steun worden geboden voor dergelijke virtuele formats en hulpmiddelen. Deze formats en hulpmiddelen, met name als ze worden gebruikt voor het leren van talen, moeten in zo breed mogelijke kring beschikbaar worden gesteld. [Am. 20]

(16 quater)

In overeenstemming met de verplichtingen van de Unie en de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en met name artikel 9 over toegankelijkheid en artikel 24 over onderwijs, moet speciale aandacht worden besteed aan de garantie dat mensen met een handicap niet-discriminerende en ongehinderde toegang hebben tot het programma. Daartoe moet indien nodig aanvullende steun, waaronder financiële steun, worden verstrekt. [Am. 21]

(16 quinquies)

Juridische en administratieve belemmeringen, zoals moeilijkheden bij het verkrijgen van een visum of verblijfsvergunning en bij de toegang tot ondersteunende diensten, met name gezondheidsdiensten, kunnen de toegang tot het programma in de weg staan. Daarom moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om dergelijke obstakels uit de weg te ruimen, in volledige overeenstemming met het recht van de Unie, en grensoverschrijdende uitwisselingen mogelijk te maken, bijvoorbeeld door de uitgifte van een Europese ziekteverzekeringskaart. [Am. 22]

(17)

In haar mededeling over de versterking van de Europese identiteit via onderwijs en cultuur heeft de Commissie gewezen op de cruciale rol die onderwijs, cultuur en sport spelen bij het bevorderen van actief burgerschap, en gemeenschappelijke waarden en een gevoel van solidariteit bij de jongere generaties. De versterking van de Europese identiteit en de bevordering van de actieve participatie van de burgers en het maatschappelijk middenveld in het democratisch proces is van cruciaal belang voor de toekomst van Europa en onze democratische samenlevingen. In het buitenland gaan studeren, leren, vakkennis opdoen en werken, of deelnemen aan jeugd- of sportactiviteiten draagt bij tot de versterking van die Europese identiteit in al haar diversiteit en van het gevoel deel uit te maken van een culturele gemeenschap, en tot de bevordering van actief burgerschap , sociale cohesie en een kritische houding bij mensen van alle leeftijden. De deelnemers aan mobiliteitsactiviteiten zouden zich moeten inzetten voor hun lokale gemeenschappen en de lokale gemeenschappen in hun gastland, en er hun ervaringen delen. Activiteiten die alle aspecten van creativiteit op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd versterken en de individuele kerncompetenties vergroten, moeten worden ondersteund. [Am. 23]

(17 bis)

Het is belangrijk dat het programma Europese meerwaarde biedt. Acties en activiteiten mogen daarom alleen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van het programma als zij een aantoonbare potentiële Europese meerwaarde hebben. De Europese meerwaarde kan op diverse manieren worden aangetoond, bijvoorbeeld door het transnationale karakter van de acties, hun complementariteit en synergieën met andere programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, hun bijdrage aan een doeltreffend gebruik van instrumenten van de Unie voor transparantie en erkenning, hun bijdrage aan de ontwikkeling van in de hele Unie geldende normen voor kwaliteitsborging, hun bijdrage aan de ontwikkeling van in de hele Unie geldende gemeenschappelijke normen voor onderwijs- en opleidingsprogramma's, de bevordering van meertaligheid en een interculturele en interreligieuze dialoog, het stimuleren van een Europees gevoel van verbondenheid en de versterking van het Europese burgerschap. [Am. 24]

(18)

De internationale dimensie van het programma moet worden versterkt, zodat door zowel personen als organisaties meer kansen kunnen worden geboden te bieden voor mobiliteit, samenwerking en beleidsdialoog met niet met het programma geassocieerde derde landen , met name ontwikkelingslanden . De internationale dimensie moet de ontwikkeling van vaardigheden en uitwisselingen tussen personen ondersteunen, en met name voor mensen uit ontwikkelingslanden de kennisoverdracht naar hun land van herkomst aan het eind van hun studieperiode ondersteunen. De internationale dimensie moet ook de capaciteitsopbouw van onderwijssystemen in ontwikkelingslanden versterken . Voortbouwend op de geslaagde uitvoering van de internationale activiteiten inzake hoger onderwijs en jeugd in het kader van de vorige programma's op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd, moeten de internationalemobiliteitsactiviteiten worden uitgebreid naar andere sectoren, zoals beroepsonderwijs en -opleiding , en sport . [Am. 25]

(18 bis)

Teneinde de impact van activiteiten in ontwikkelingslanden te vergroten, is het van belang om de synergieën tussen Erasmus+ en instrumenten voor het externe optreden van de Unie, zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking en het instrument voor pretoetredingssteun aan te wakkeren. [Am. 26]

(19)

De basisstructuur van het programma 2014-2020, met drie hoofdstukken — onderwijs en opleiding, jeugd en sport — gestructureerd rond drie kernacties, is succesvol gebleken en moet worden gehandhaafd. Verbeteringen moeten worden aangebracht om de door het programma ondersteunde acties te stroomlijnen en te rationaliseren.

(20)

Het programma moet de bestaande mogelijkheden voor leermobiliteit verbeteren, met name in de sectoren waar het programma de grootste efficiëntiewinst zou kunnen boeken, teneinde het bereik ervan te verbreden en aan de grote onvervulde vraag te voldoen. Dit moet met name gebeuren door het vergroten en bevorderen van mobiliteit voor studenten en medewerkers in het hoger onderwijs, scholieren en leerkrachten, onder wie leerkrachten in het kleuteronderwijs en medewerkers in voor- en vroegschoolse educatie en opvang en studenten en medewerkers in het beroepsonderwijs, met gerichte maatregelen waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke onderwijsbehoeften van de beoogde begunstigden . Mobiliteitsmogelijkheden voor deelnemers aan beroepsonderwijs en -opleiding in grensregio's . De mobiliteit van laaggeschoolde volwassen lerenden moet worden ingebed in partnerschappen voor samenwerking . moeten verder worden bevorderd om ze voor te bereiden op de specifieke context van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt. Met het programma moeten ook mobiliteitsmogelijkheden worden geboden voor studenten en personeel in het volwassenenonderwijs. De belangrijkste doelstellingen van volwassenonderwijs zijn de overdracht van kennis, competenties en vaardigheden en de bevordering van sociale inclusie, actief burgerschap, persoonlijke ontwikkeling en welzijn. Ook de mogelijkheden voor mobiliteit voor jongeren die deelnemen aan niet-formele leeractiviteiten zouden moeten worden uitgebreid om meer jongeren te bereiken , vooral nieuwkomers, kansarmen en moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen . Wegens het hefboomeffect moet ook de mobiliteit van personeel in het onderwijs, de beroepsopleiding, het jeugdwerk en de sport worden verbeterd , met bijzondere aandacht voor bijscholing en omscholing en het bevorderen van de ontwikkeling van vaardigheden voor de arbeidsmarkt . Overeenkomstig de visie van een echte Europese onderwijsruimte moet het programma ook een impuls geven aan de mobiliteit en de uitwisseling van studenten en hun deelname aan educatieve, en culturele en sportieve activiteiten bevorderen door de digitalisering van processen waarmee de aanvraagprocedures en deelname aan het programma gemakkelijker worden gemaakt, door gebruikersvriendelijke onlinesystemen te ontwikkelen op basis van beste praktijken, en door nieuwe hulpmiddelen te creëren , zoals de Europese studentenpas, te ondersteunen. Dit initiatief kan een belangrijke stap zijn om mobiliteit voor iedereen in de praktijk te brengen, in de eerste plaats door instellingen voor hoger onderwijs in staat te stellen meer uitwisselingsstudenten uit te sturen en te ontvangen en toch de kwaliteit van de mobiliteit van studenten te verbeteren, en door de studenten vóór hun aankomst bij de buitenlandse instelling betere toegang te geven tot verschillende diensten (bibliotheken, vervoer, accommodatie). [Am. 27]

(20 bis)

Het programma moet zorgen voor kwalitatief hoogwaardige mobiliteitservaringen op basis van de beginselen die zijn neergelegd in de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit  (16) , waarin duidelijk wordt gemaakt dat de kwaliteit van informatie, voorbereiding, ondersteuning en erkenning van ervaring en kwalificaties, alsook duidelijke leerplannen en vooraf opgestelde leerresultaten, een aantoonbaar effect hebben op de baten van mobiliteit. Mobiliteitsactiviteiten vereisen een grondige voorbereiding. Deze voorbereiding kan vaak efficiënt worden uitgevoerd met gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie. In voorkomend geval moet het programma ook ondersteuning kunnen bieden bij voorbereidende bezoeken voor mobiliteitsactiviteiten. [Am. 28]

(20 ter)

Met het programma moet de mobiliteit van leerkrachten en onderwijzend personeel worden ondersteund en aangemoedigd op alle niveaus om hun werkpraktijken te verbeteren en bij te dragen aan hun professionele ontwikkeling. Gezien de cruciale rol die het kleuteronderwijs en voor- en vroegschoolse educatie en opvang spelen bij het voorkomen van sociale en economische ongelijkheid, is het belangrijk dat leerkrachten en medewerkers op dit niveau binnen het programma kunnen deelnemen aan leermobiliteit. Met betrekking tot het geven van onderwijs moet het programma ook proefprojecten voor beleidsinnovaties aanmoedigen om een aantal van de gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken waarmee onderwijsstelsels in de Unie kampen, zoals het aantrekken van nieuw talent voor het onderwijs aan de meest gemarginaliseerde kinderen en het ontwikkelen van opleidingen voor leerkrachten om ze te helpen bij het onderwijzen van minder kansrijke leerlingen. Teneinde de voordelen van deelname van leerkrachten en onderwijzend personeel aan het programma optimaal te benutten, moet alles in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat zij kunnen rekenen op een omgeving die positief tegenover mobiliteit staat en waarbij mobiliteit deel uitmaakt van hun werkprogramma en reguliere werklast, dat zij gebruik kunnen maken van passende opleidingsmogelijkheden en dat zij toereikende financiële ondersteuning ontvangen op basis van het land en, in voorkomend geval, de regio waar de leermobiliteit zal plaatsvinden. [Am. 29]

(20 quater)

In het programma moet worden onderkend hoe cruciaal de rol is die beroepsonderwijs en -opleiding spelen om de vooruitzichten op een baan te verbeteren en sociale inclusie te bevorderen, en daarom moet het programma bijdragen aan de versterking van het inclusieve karakter, de kwaliteit en de relevantie van beroepsonderwijs en -opleiding in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 over een Agenda voor nieuwe vaardigheden voor Europa: samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen  (17) . Met het programma moeten aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding beter worden gekoppeld aan werkgevers, zowel in het particuliere als publieke domein. Tevens moeten met het programma kwesties worden aangepakt die specifiek gelden voor de sector beroepsonderwijs en -opleiding, zoals taallessen, het bevorderen van kwalitatief hoogwaardige partnerschappen op het vlak van mobiliteit en de erkenning en certificering van competenties, en moeten aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding worden aangespoord om zich aan te melden voor het Mobiliteitshandvest voor beroepsonderwijs en -opleiding bij wijze van kwaliteitskeurmerk. [Am. 30]

(21)

Het programma moet de deelname van jongeren aan het democratische leven in Europa aanmoedigen, onder meer door de ondersteuning van participatieprojecten waarbij jongeren zich inzetten voor en deelnemen aan het maatschappelijk middenveld, en aldus het bewustzijn van de gemeenschappelijke Europese waarden, waaronder mensenrechten, Europese geschiedenis en cultuur en Europees burgerschap vergroten, jongeren en besluitvormers op lokaal, nationaal en Europees niveau samenbrengen, en bijdragen aan het Europese integratieproces. Met het programma moet het bewustzijn over instrumenten voor e-democratie worden aangewakkerd, waaronder het Europees burgerinitiatief. Ook moet de intergenerationele uitwisseling tussen jonge en oudere mensen worden bevorderd. Gezien de cruciale rol die jeugdorganisaties en jeugdwerk spelen bij de verwezenlijking van die doelstellingen, moet het programma de ontwikkeling van de jeugdsector in de Unie ondersteunen . [Am. 31]

(22)

Het programma moet jongeren meer kansen bieden om Europa te ontdekken door middel van leerervaringen in het buitenland. Achttienjarigen in het kader van het nieuwe initiatief DiscoverEU . Jongeren tussen de 18 en 20 jaar , en met name zij die minder kansen hebben, moeten de gelegenheid krijgen om een eerste, korte individuele of collectieve ervaring op te doen door Europa door te reizen in het kader als onderdeel van een niet-formele of informele educatieve activiteit die gericht is op het bevorderen van hun gevoel van verbondenheid met de Europese Unie en het ontdekken van haar culturele en taalkundige diversiteit. Het initiatief moet bestaan uit een stevige en verifieerbare leercomponent en moet garanderen dat ervaringen op de juiste manier verspreid worden en dat de opgedane ervaringen worden gedeeld om het initiatief voortdurend te evalueren en te verbeteren . Het programma moet organen in kaart brengen die belast zijn met het aanspreken en de selectie van de deelnemers , met de nodige aandacht voor geografisch evenwicht, en moet activiteiten ondersteunen die de leerdimensie van de ervaring vergroten. Die organen moeten in voorkomend geval ook worden betrokken bij het aanbieden van opleidingen en ondersteuning voorafgaand aan en na afloop van de mobiliteit, onder andere met betrekking tot taal- en interculturele vaardigheden. Het initiatief DiscoverEU moet worden gekoppeld aan de Culturele Hoofdsteden van Europa, de Jongerenhoofdsteden van Europa, de Vrijwilligershoofdsteden van Europa en de Groene Hoofdsteden van Europa. . [Am. 32]

(23)

Het leren van talen draagt bij aan het wederzijds begrip en de mobiliteit binnen en buiten de Unie. Tegelijkertijd is taalvaardigheid belangrijk in het dagelijks leven en op het werk. Het programma moet daarom ook het leren van talen stimuleren, met name via ter plaatse aangeboden taalcursussen en door een groter gebruik van toegankelijke online-instrumenten, aangezien e-leren, wat toegang en flexibiliteit betreft, extra voordelen biedt kan bieden voor het leren van talen. Bij de door het programma geboden ondersteuning van het leren van talen moet aandacht worden besteed aan de behoeften van de gebruikers, waarbij de nadruk ligt op de talen die worden gesproken in het gastland en in het geval van grensregio's op de talen van de buurlanden. De ondersteuning bij het leren van talen moet ook gelden voor nationale gebarentalen. Het instrument voor online taalkundige ondersteuning van Erasmus+ moet worden afgestemd op de specifieke behoeften van deelnemers aan het programma en moet beschikbaar zijn voor iedereen. [Am. 33]

(23 bis)

Het programma moet gebruikmaken van taaltechnologie, zoals voor automatische vertaling, om uitwisselingen tussen overheidsinstanties te vergemakkelijken en de interculturele dialoog te bevorderen. [Am. 34]

(24)

Het programma moet maatregelen ondersteunen die de samenwerking tussen instellingen en organisaties die actief zijn op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport bevorderen, met erkenning van hun fundamentele rol bij het toerusten van mensen met de kennis, vaardigheden en competenties die nodig zijn in een veranderende wereld, en bij de adequate verwezenlijking van het potentieel voor innovatie, creativiteit en ondernemerschap, met name in de digitale economie. Daartoe moet de doeltreffende samenwerking tussen alle belanghebbenden op alle uitvoeringsniveaus van het programma worden gewaarborgd. [Am. 35]

(25)

In zijn conclusies van 14 december 2017 heeft de Europese Raad de lidstaten, de Raad en de Commissie verzocht verder te werken aan een aantal initiatieven om de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding naar een nieuw niveau te brengen, onder meer door het bevorderen van de ontwikkeling, uiterlijk in 2024, van “Europese universiteiten”, bestaande uit van onderop opgezette netwerken van universiteiten in de hele Unie. Het programma moet deze Europese universiteiten ondersteunen die op excellentie gericht moeten zijn en bedoeld zijn om de aantrekkelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs in de Unie te vergroten en de samenwerking tussen onderzoek, innovatie en onderwijs te verbeteren . Het begrip “excellentie” moet worden opgevat in brede zin, bijvoorbeeld ook in verband met het vermogen om de inclusie te verbeteren. Met de steun in het kader van het programma wordt een uitgebreide geografische dekking van “Europese universiteiten” beoogd. . [Am. 36]

(26)

Het communiqué van Brugge van 2010 bevatte een oproep ter ondersteuning van excellente vakbekwaamheid voor slimme en duurzame groei. In de mededeling van 2017 over versterking van innovatie in de Europese regio's wordt beroepsonderwijs en -opleiding gekoppeld aan innovatiesystemen, als onderdeel van strategieën voor slimme specialisatie op regionaal niveau. Het programma moet voorzien in de middelen om deze oproepen te beantwoorden en steun bieden voor de ontwikkeling van transnationale netwerken van kenniscentra voor beroepsopleiding die nauw aansluiten bij de lokale en regionale strategieën voor groei, innovatie, en concurrentievermogen , duurzame ontwikkeling en sociale inclusie . Die kenniscentra moeten fungeren als motor van kwalitatief hoogstaande beroepsvaardigheden in een context van sectorale uitdagingen, en tegelijkertijd de algemene structurele veranderingen en het sociaaleconomisch beleid in de Unie ondersteunen. [Am. 37]

(27)

Om het gebruik van virtuele samenwerkingsactiviteiten te vergroten, moet het programma steun geven voor een meer systematisch gebruik van bestaande online platforms als eTwinning, de School Education Gateway, het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa, de Europese Jongerensite en het online platform voor hoger onderwijs. . Het programma moet in voorkomend geval ook de ontwikkeling van nieuwe online platforms stimuleren om de uitvoering van het beleid op het vlak van onderwijs, opleidingen, sport en jeugd te versterken en te moderniseren. Deze platforms moeten gebruiksvriendelijk en toegankelijk zijn in de zin van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad  (18) . [Am. 38]

(28)

Het programma moet bijdragen aan het vergemakkelijken van de transparantie en en automatische wederzijdse erkenning van vaardigheden en , competenties, kwalificaties en diploma's , en aan de overdracht van studiepunten of eenheden ander bewijs van leerresultaten, aan kwaliteitsborging en aan de validering van niet-formeel en informeel leren, het beheer van vaardigheden en begeleiding. In dit verband moet het programma ook steun verlenen aan contactpunten en netwerken op nationaal en Unieniveau die informatie en assistentie bieden aan beoogde deelnemers, waarmee trans-Europese uitwisselingen en de ontwikkeling van flexibele leertrajecten tussen verschillende gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdwerk in formele en niet-formele contexten bevorderen bevorderd worden . [Am. 39]

(29)

Het programma moet het potentieel van voormalige Erasmus+-deelnemers aanboren en activiteiten, met name van netwerken van alumni, ambassadeurs en EuroPeers, ondersteunen door hen aan te moedigen om als multiplicatoren van het programma op te treden.

(29 bis)

In het programma moet speciale nadruk worden gelegd op de validatie en erkenning van onderwijs- en opleidingsperiodes in het buitenland, ook in het middelbaar onderwijs. In dat verband moet de verstrekking van subsidies worden gekoppeld aan procedures voor kwaliteitsbeoordeling, aan een beschrijving van de leerresultaten en aan de volledige toepassing van de aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 inzake een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen  (19) , de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren  (20) en Europese instrumenten die bijdragen aan de erkenning van in het buitenland genoten onderwijs en die de kwaliteit van dit onderwijs garanderen, zoals het Europees kwalificatiekader (EQF), het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR), het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET) en het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (EQAVET). [Am. 40]

(30)

Als een manier om te zorgen voor samenwerking met andere instrumenten van de Unie en voor ondersteuning van andere beleidsmaatregelen van de Unie, moeten mobiliteitskansen worden geboden aan mensen in verschillende sectoren, zoals de overheid en de particuliere sector , de landbouw en het bedrijfsleven, zodat zij een opleiding of stage in het buitenland kunnen volgen of leerervaring in het buitenland kunnen opdoen waardoor zij in elke fase van hun leven kunnen groeien en zich niet alleen professioneel maar ook persoonlijk kunnen ontwikkelen, met name door het ontwikkelen van een besef van hun Europese identiteit en een begrip van de Europese culturele diversiteit , maar ook professioneel, met name door voor de arbeidsmarkt relevante vaardigheden te ontwikkelen . Het programma moet toegang bieden tot transnationale mobiliteitsregelingen van de Unie met een sterke leerdimensie, en aldus het aanbod van zulke regelingen voor begunstigden en deelnemers aan deze activiteiten vereenvoudigen. De schaalvergroting van Erasmus+ -projecten moet worden vergemakkelijkt; er moeten specifieke maatregelen worden genomen om de initiatiefnemers van Erasmus+ -projecten te helpen om subsidies aan te vragen of om synergieën tot stand te brengen door middel van ondersteuning van de Europese structuur- en investeringsfondsen en de programma's op het gebied van migratie, veiligheid, justitie en burgerschap, gezondheid , media en cultuur , en het Europees Solidariteitskorps . [Am. 41]

(31)

Het is belangrijk om onderwijs, leren en onderzoek op het gebied van de Europese integratie en de toekomstige uitdagingen en mogelijkheden van de Unie en de discussie daarover te bevorderen door steun van de Jean Monnet-acties op het gebied van het hoger onderwijs, maar ook op andere alle gebieden van onderwijs en opleiding. De bevordering van een Europees gevoel van Europese identiteit verbondenheid en Europees engagement is van bijzonder belang wanneer gezien de uitdagingen voor de gemeenschappelijke waarden waarop de Unie is gegrondvest en die deel uitmaken van onze een gemeenschappelijke Europese identiteit op de proef worden gesteld, en wanneer de gezien het feit dat burgers weinig betrokkenheid vertonen. Het programma moet een bijdrage blijven leveren tot de ontwikkeling van excellentie op het gebied van Europese-integratiestudies en tegelijkertijd de betrokkenheid van de hele leergemeenschap en het grote publiek bij de Europese integratie versterken . [Am. 42]

(32)

Wegens het belang van de strijd tegen Het programma moet aansluiten bij de centrale doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde reactie op de klimaatverandering te versterken. Overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en tot verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal dit programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie en duurzame ontwikkeling in het beleid van de Unie en aan het algemene streven dat gedurende de periode 2021-2027 van het meerjarig financieel kader 25 % van de uitgaven op de begroting van de Unie klimaatdoelstellingen ondersteunen , en dat er zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in 2027, een jaarlijks streefcijfer van 30 % wordt ingevoerd . De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma en zullen opnieuw worden bekeken in het kader van de desbetreffende processen van evaluatie en beoordeling. [Am. 43]

(32 bis)

Gezien de rol van de Unie als mondiale speler en in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de verbintenissen die door de lidstaten zijn aangegaan op de Rio+20-conferentie, moeten in het programma inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief hoogwaardig onderwijs en een leven lang leren worden opgenomen, waarbij onder wordt onderkend hoe cruciaal de rol van onderwijs bij armoedebestrijding is. Het programma moet tevens bijdragen aan de agenda voor duurzame ontwikkeling door inspanningen te ondersteunen om de nodige vaardigheden op het vlak van duurzame ontwikkeling te ontwikkelen en mensen via formeel, niet-formeel en informeel onderwijs voor te lichten over duurzaamheid, milieubescherming en klimaatverandering. [Am. 44]

(33)

In deze verordening worden de financiële middelen voor de gehele looptijd van het programma vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van [referentie in voorkomend geval bijwerken punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (21)]. Er moet vanaf 2021 worden gezorgd voor een aanzienlijke stijging van de jaarlijkse begroting van het programma in vergelijking met het laatste jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020, gevolgd door een lineaire en geleidelijke stijging van de jaarlijkse middelen. Een dergelijk begrotingsprofiel kan ertoe bijdragen dat er direct vanaf het begin van de looptijd van het meerjarig financieel kader 2021-2027 een ruimere toegang kan worden gewaarborgd en in de laatste jaren bovenmatige verhogingen kunnen worden voorkomen die moeilijk te absorberen zijn. [Am. 45]

(34)

Binnen het basisbedrag voor acties die worden beheerd door de nationale agentschappen op het gebied van onderwijs en opleiding, moet per sector (hoger onderwijs, schoolonderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs) een minimumbedrag worden toegewezen om te zorgen voor een kritische massa aan middelen om in elk van die sectoren de beoogde output en resultaten te realiseren. De exacte toewijzingen van begrotingsmiddelen per actie en initiatief moeten worden vastgelegd in het werkprogramma. [Am. 46]

(35)

Verordening (EU, Euratom) [nieuw Financieel Reglement] (het “Financieel Reglement”) (22) is op dit programma van toepassing. Deze bevat regels betreffende de uitvoering van de begroting van de Unie, met inbegrip van de regels inzake subsidies, prijzen, aanbestedingen en indirecte uitvoering.

(36)

De in deze verordening bedoelde financieringsvormen en uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit moet mede omvatten dat het gebruik wordt overwogen van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten, en van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, zoals bedoeld in artikel [125, lid 1,] van het Financieel Reglement. De beginselen van transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie, zoals vervat in het Financieel Reglement, moeten bij de uitvoering van het programma in acht worden genomen. [Am. 47]

(37)

Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan het programma deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Deze verordening moet de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang verlenen om hun bevoegdheden ten volle te kunnen uitoefenen. De volledige deelneming van derde landen aan het programma moet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarden in specifieke overeenkomsten betreffende de deelneming van het betrokken derde land aan het programma. Volledige deelname brengt bovendien de verplichting mee om een nationaal agentschap op te richten en sommige acties van het programma decentraal te beheren. Particulieren en entiteiten uit niet met het programma geassocieerde derde landen moeten kunnen deelnemen aan sommige acties van het programma, zoals omschreven in het werkprogramma en de door de Commissie gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen. Voor de uitvoering van het programma kunnen specifieke regelingen worden getroffen met betrekking tot particulieren en entiteiten uit de Europese microstaten. [Am. 48]

(38)

Overeenkomstig artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de mededeling van de Commissie “Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU” (23) (“mededeling over het strategische partnerschap”) moet het programma rekening houden met de specifieke situatie van die gebieden. Er zullen maatregelen worden genomen om de deelname van de ultraperifere gebieden aan alle acties te vergroten. Mobiliteitsuitwisselingen en samenwerking tussen mensen en organisaties uit die gebieden en derde landen, met name hun buren, moeten worden bevorderd. Dergelijke maatregelen zullen worden gemonitord en zullen regelmatig worden geëvalueerd. [Am. 49]

(38 bis)

In de mededeling over het strategische partnerschap onderkende de Commissie dat een grotere mobiliteit van leerlingen en personeel in onderwijs en opleiding, met name in het kader van het Erasmus+-programma, de ultraperifere gebieden zeer ten goede zou komen, en beijverde zij zich ervoor de financiële steun voor deelnemers die van en naar de ultraperifere gebieden reizen verder aan te passen door voor die gebieden specifieke financieringsregels te hanteren in het kader van Erasmus+, en de mogelijkheden van uitbreiding van de regionale samenwerking in het kader van Erasmus+ te onderzoeken en aldus de mobiliteit tussen de ultraperifere gebieden en naburige derde landen verder te stimuleren, en het Europees Sociaal Fonds te gebruiken als aanvulling op Erasmus+. [Am. 50]

(39)

Krachtens [referentie in voorkomend geval bijwerken overeenkomstig een nieuw LGO-besluit artikel 94 van Besluit 2013/755/EG van de Raad (24)] komen particulieren en entiteiten die zijn gevestigd in landen en gebieden overzee in aanmerking voor financiering overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het betrokken land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de grote afstand tot deze landen of gebieden, en hun deelname aan het programma moet worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd.

(40)

De doelstellingen en prioriteiten van het programma moeten continuïteit vertonen. Desalniettemin, aangezien het programma moet worden uitgevoerd over een periode van zeven jaar, is het noodzakelijk om over een zekere mate van flexibiliteit te beschikken om in te spelen op veranderende omstandigheden en politieke prioriteiten op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport. Daarom bepaalt deze verordening niet in detail hoe specifieke initiatieven moeten worden vormgegeven, noch loopt zij vooruit op de politieke of de overeenkomstige budgettaire prioriteiten voor de komende zeven jaar. In plaats daarvan moeten de nadere beleidskeuzes en -prioriteiten, waaronder de details van specifieke nieuwe initiatieven, worden vastgesteld door middel van werkprogramma's o vereenkomstig het Financieel Reglement . Met het ontwerp van de nieuwe initiatieven moet lering worden getrokken uit eerdere en lopende proefinitiatieven op dit vlak en moet terdege rekening worden gehouden met Europese meerwaarde, zowel wat betreft de inhoud als de structuur van het initiatief moet de Commissie werkprogramma's vaststellen en het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis stellen. Het werkprogramma moet tevens de nodige maatregelen bevatten voor de uitvoering ervan in overeenstemming met de algemene en specifieke doelstellingen van het programma, de selectie- en gunningscriteria voor subsidies en alle andere noodzakelijke elementen. De werkprogramma's en de wijzigingen daarvan moeten door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de onderzoeksprocedure gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Het is van groot belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau en in overleg met nationale agentschappen en belanghebbenden, en dat die raadpleging plaatsvindt overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 51]

(40 bis)

De Commissie moet samen met de nationale agentschappen toezicht houden op en verslag uitbrengen over de uitvoering van het programma, zowel tijdens de looptijd als na de beëindiging daarvan. De eindevaluatie van het programma moet tijdig worden uitgevoerd zodat die in voorkomend geval kan worden meegenomen in de tussentijdse evaluatie van het vervolgprogramma. De Commissie moet met name een tussentijdse evaluatie van het programma uitvoeren, die in voorkomend geval vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening. [Am. 52]

(41)

Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (25) moet het programma worden geëvalueerd op basis van gegevens die zijn verzameld op grond van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten begunstigden , worden vermeden. Die voorschriften moeten specifieke, meetbare en realistische indicatoren omvatten die gedurende langere tijd kunnen worden gemeten als een basis voor de evaluatie van het effect van het programma op het terrein. [Am. 53]

(42)

Er moet worden gezorgd voor een passende outreach, en passende bekendmaking en verspreiding van de mogelijkheden en resultaten van de door het programma ondersteunde acties op Europees, nationaal en lokaal niveau. De activiteiten inzake outreach, bekendmaking en verspreiding moeten uitgaan van de uitvoeringsorganen van het programma, in voorkomend geval indien van toepassing met de steun van andere centrale relevante belanghebbenden. [Am. 54]

(43)

Om te zorgen voor een efficiëntere communicatie met het grote publiek en sterkere synergieën tussen de op initiatief van de Commissie ondernomen communicatieactiviteiten, moeten de bij deze verordening voor communicatie toegewezen middelen ook worden gebruikt voor institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die verband houden met de algemene doelstelling van deze verordening. [Am. 55]

(44)

Om te zorgen voor een efficiënte en effectieve uitvoering van deze verordening zal het programma maximaal gebruikmaken van de al bestaande uitvoeringsmechanismen. De uitvoering van het programma dient derhalve te worden toevertrouwd aan de Commissie en aan nationale agentschappen , die een consistente en rechtlijnige toepassing van de programmaregels in de hele Unie en in de hele periode moeten garanderen . Daartoe en teneinde een doeltreffende uitvoering van het programma te waarborgen, moeten de Commissie en de nationale agentschappen samenwerken, in overleg met de belanghebbenden consistente, eenvoudige en kwalitatief hoogwaardige procedures ontwikkelen en de uitwisseling van goede werkmethoden vergemakkelijken waarmee de kwaliteit van projecten in het kader van het programma kan worden verbeterd . Waar mogelijk en om de efficiëntie te vergroten, zouden de nationale agentschappen dezelfde moeten zijn als die welke waren aangewezen voor het beheer van het vorige programma. Het toepassingsgebied van de evaluatie vooraf van de naleving moet worden beperkt tot de voorschriften die nieuw en specifiek voor het programma zijn, tenzij dit gerechtvaardigd is, zoals in geval van ernstige tekortkomingen of ondermaats presteren van het betrokken nationale agentschap. [Am. 56]

(44 bis)

Teneinde projectmanagers zonder ervaring met financieringsprogramma's van de Unie aan te sporen om een financieringsaanvraag in te dienen, moeten de Commissie en de nationale agentschappen advies en ondersteuning bieden en erop toezien dat de aanvraagprocedures zo duidelijk en eenvoudig mogelijk zijn. De programmagids moet verder worden verbeterd om hem gebruiksvriendelijk en duidelijk te maken, en aanvraagformulieren moeten eenvoudig zijn en tijdig beschikbaar worden gesteld. Teneinde de aanvraagprocedure verder te moderniseren en te harmoniseren, moet er een gemeenschappelijk, meertalig, all-in-instrument worden ontwikkeld voor de begunstigden van het programma en degenen die betrokken zijn bij het beheer van het programma. [Am. 57]

(44 ter)

Als vuistregel geldt dat subsidie- en projectaanvragen moeten worden ingediend bij en worden beheerd door het nationale agentschap van het land waar de aanvrager gevestigd is. Bij wijze van afwijking moeten subsidieverzoeken en projectaanvragen voor activiteiten die worden georganiseerd door netwerken die de hele Unie bestrijken of door Europese en internationale organisaties worden ingediend bij de Commissie waar ze rechtstreeks in behandeling worden genomen. [Am. 58]

(45)

Om te zorgen voor een gezond financieel beheer en rechtszekerheid in elk deelnemend land, moet elke nationale autoriteit een onafhankelijk auditorgaan aanwijzen. Waar mogelijk en om de efficiëntie te vergroten, zou het onafhankelijk auditorgaan hetzelfde moeten zijn als het orgaan dat is aangewezen voor de in het vorige programma bedoelde acties.

(46)

De lidstaten dienen ernaar te streven alle nodige maatregelen te treffen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de toegang tot het programma of de goede werking van het programma ervan weg te nemen. Dat houdt in dat, waar mogelijk en onverminderd het Unierecht inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen, kwesties die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa en verblijfsvergunningen moeten worden opgelost. Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad (26) worden de lidstaten aangemoedigd verkorte toelatingsprocedures in te voeren. [Am. 59]

(47)

Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en voor de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig en op het juiste niveau van verfijning worden verzameld. Die gegevens moeten aan de Commissie worden meegedeeld op een wijze die strookt met de desbetreffende voorschriften inzake gegevensbescherming.

(48)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (27). [Am. 60]

(49)

Om de vereisten waaraan de begunstigden moeten voldoen te vereenvoudigen, moet zo veel mogelijk worden gebruikgemaakt van vereenvoudigde subsidies in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage. In overeenstemming met het beginsel van deugdelijk financieel beheer en teneinde de administratie van het programma te vereenvoudigen, moeten forfaitaire betalingen op basis van het relevante project worden gebruikt voor mobiliteitsactiviteiten in alle sectoren. De vereenvoudigde subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties van het programma, zoals door de Commissie gedefinieerd, moeten rekening houden met regelmatig worden geëvalueerd en worden aangepast aan de kosten van levensonderhoud in het gastland en de gastregio . De Commissie en de nationale agentschappen in de uitzendende landen moeten deze vereenvoudigde subsidies kunnen aanpassen op basis van objectieve criteria, met name om de toegang van kansarme personen te garanderen. De lidstaten moeten voorts worden aangespoord die subsidies vrij te stellen van belasting en sociale premies, overeenkomstig het nationale recht. Die vrijstelling moet eveneens gelden voor publieke of particuliere entiteiten die dergelijke financiële steun toekennen aan de individuele begunstigden. [Am. 61]

(50)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (28), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (29) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (30) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, in voorkomend geval, het opleggen van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken uitvoeren, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (31), opsporen en vervolgen. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding, het Europees Openbaar Ministerie en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(51)

Er moet worden gezorgd voor de complementariteit van alle acties die in het kader van het programma worden uitgevoerd met de activiteiten van de lidstaten en andere activiteiten van de Unie, met name op het gebied van onderwijs, cultuur en media, jongeren en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie, onderzoek en innovatie, industrie en bedrijfsleven, landbouw en plattelandsontwikkeling met de nadruk op jonge landbouwers, cohesie, regionaal beleid, en internationale samenwerking en ontwikkeling.

(52)

Hoewel het regelgevingskader het de lidstaten en regio's in de vorige programmeringsperiode al mogelijk maakte om synergieën te creëren tussen Erasmus+ en andere instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, die ook bijdragen tot de kwalitatieve ontwikkeling van de onderwijs-, opleidings- en jeugdwerkstelsels in de Unie, is dat potentieel tot dusver te weinig benut, waardoor de systemische effecten van projecten en het effect op het beleid beperkt zijn gebleven. Op nationaal niveau moet doeltreffend worden gecommuniceerd en samengewerkt tussen de nationale instanties die belast zijn met het beheer van deze instrumenten, teneinde de impact ervan te maximaliseren. Het programma moet actieve samenwerking met deze instrumenten mogelijk maken , met name door ervoor te zorgen dat aanvragen van hoge kwaliteit die wegens een gebrek aan middelen niet uit hoofde van het programma kunnen worden gefinancierd, via een vereenvoudigde procedure in aanmerking kunnen komen voor financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen . Teneinde de procedure voor dergelijke acties te vereenvoudigen, moet aan deze acties een “Excellentiekeur” kunnen worden toegekend ter erkenning van de hoge kwaliteit ervan. Deze complementariteit van de programma's moet het mogelijk maken om de slagingspercentages van projecten over de hele linie te verhogen . [Am. 62]

(52 bis)

Teneinde de doeltreffendheid van financiering en beleidsondersteuning van de Unie te optimaliseren, is het van belang om synergieën en complementariteit bij alle relevante programma's op coherente wijze te stimuleren. Dergelijke synergieën en complementariteit mogen niet leiden tot middelen die worden toegewezen aan het Erasmus+-programma maar buiten de programmastructuur worden beheerd, noch tot middelen die worden ingezet om andere dan de in deze verordening vervatte doelstellingen na te streven. Synergieën en complementariteit moeten resulteren in vereenvoudigde aanvraagprocedures op uitvoeringsniveau. [Am. 63]

(53)

Teneinde de prestatie-indicatoren van het programma te wijzigen of aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de bijlage. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadpleging plaatsvindt overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(54)

Er dient voor te worden gezorgd dat het vorige programma correct wordt afgesloten, met name wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer, zoals de financiering van technische en administratieve ondersteuning. Met ingang van 1 januari 2021 moet in het kader van de technische en administratieve ondersteuning waar nodig worden gezorgd voor het beheer van acties in het kader van het vorige programma die op 31 december 2020 nog niet zijn afgerond.

(55)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verordening beoogt met name de volledige eerbiediging te waarborgen van het recht op gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het recht op non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, en de toepassing van de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te bevorderen. Daarom moeten met het programma actief initiatieven worden ondersteund die bedoeld zijn om het bewustzijn aan te wakkeren, een positief beeld te geven van de groepen die mogelijk gediscrimineerd worden en gendergelijkheid te stimuleren. Ook moeten inspanningen worden ondersteund om de onderwijskloof van de Roma te dichten en andere specifieke problemen waarmee zij kampen aan te pakken door voor hen volledige en actieve deelname aan het programma mogelijk te maken. De eerbiediging van de rechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten worden erkend, moeten worden geïntegreerd in de planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van het programma. [Am. 64]

(56)

Door het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde horizontale financiële voorschriften zijn op deze verordening van toepassing. Die voorschriften staan in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en de uitvoering van de begroting door subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controles van de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde voorschriften betreffen ook de bescherming van de begroting van de Unie ingeval van algemene lacunes op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien het respect voor de rechtsstaat een wezenlijke voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende financiering door de Unie.

(57)

Aangezien de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, vanwege het transnationale karakter, de grote omvang en de ruime geografische werkingssfeer van de gefinancierde mobiliteits- en samenwerkingsactiviteiten, de gevolgen ervan voor de toegang tot leermobiliteit en meer in het algemeen voor de integratie van de Unie, alsmede de versterkte internationale dimensie ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(58)

Verordening (EU) nr. 1288/2013 moet met ingang van 1 januari 2021 worden ingetrokken.

(59)

Om te zorgen voor de continuïteit in de door het programma te bestrijken financieringssteun, moet deze Verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt Erasmus+ , het programma voor actie van de Unie op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport, vastgesteld (“programma”).

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“een leven lang leren”: alle vormen van leren (formeel, niet-formeel en informeel leren) in alle levensfasen, inclusief onderwijs en opvang voor jonge kinderen, algemeen vormend onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, hoger onderwijs en volwassenenonderwijs, die leiden tot een verbetering of het bijhouden van de kennis, vaardigheden , competenties en attitudes of die op persoonlijk vlak, voor het leven als burger, cultureel of sociaal gezien en/of vanuit het oogpunt van de arbeidsmarkt tot meer maatschappelijke participatie leiden, inclusief de verlening van begeleiding en advies; [Am. 65]

2)

“leermobiliteit” het zich fysiek naar een ander land dan het land van verblijf begeven om er te studeren, een opleiding te volgen , waaronder met het oog op omscholing of bijscholing, of niet-formeel of informeel te leren; dit kan de vorm aannemen van een stage, leerlingplaats, jongerenuitwisseling, lesgeven of deelname aan een activiteit op het gebied van beroepsontwikkeling; dit kan vergezeld gaan van maatregelen zoals taalcursussen en taalkundige ondersteuning , met inbegrip van nationale gebarentalen, en/of worden aangevuld met toegankelijk online leren en virtuele samenwerking; In sommige specifieke gevallen kan dit de vorm aannemen van leren met behulp van informatie- en communicatietechnologie; [Am. 66]

2 bis)

“virtueel leren”: de verwerving van vaardigheden en kennis met behulp van toegankelijke informatie- en communicatiehulpmiddelen; [Am. 67]

2 ter)

“gemengd leren”: de verwerving van vaardigheden en kennis met behulp van een combinatie van virtuele onderwijs- en opleidingsmiddelen en traditionele onderwijs- en opleidingsmethoden; [Am. 68]

3)

“niet-formeel leren”: vrijwillig leren dat buiten het formele onderwijs en buiten de formele opleiding plaatsvindt door middel van doelgerichte activiteiten (in termen van doelstellingen, methoden en tijd) met een bepaalde vorm van leerondersteuning;

4)

“informeel leren”: leren dat voortvloeit uit dagelijkse bezigheden en ervaringen en dat niet georganiseerd of gestructureerd is in termen van doelen, tijd of leerondersteuning. Het kan vanuit het gezichtspunt van de leerling onbedoeld zijn;

5)

“jongeren”: personen met een leeftijd tussen dertien en dertig jaar;

6)

“breedtesport”: georganiseerde sport die op lokaal niveau regelmatig door amateursporters van alle leeftijden wordt beoefend, en sport voor iedereen om gezondheids-, educatieve of sociale redenen ; [Am. 69]

7)

“student”: iedere persoon die is ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs, inclusief voor een korte cyclus of op bachelor-, master- of doctoraatsniveau of gelijkwaardig. Het omvat tevens pas afgestudeerden , alsook iedere persoon die in de afgelopen 24 maanden is afgestudeerd aan een dergelijke instelling ; [Am. 70]

8)

“personeel”: personen die beroepsmatig of op vrijwillige basis betrokken zijn bij onderwijs op alle niveaus , opleiding of niet-formeel leren; hieronder kan worden verstaan professoren, leerkrachten, opleiders, onderzoekers, schoolleiders, jeugdwerkers, sportcoaches, niet-onderwijzend personeel en anderen die beroepshalve leren bevorderen; [Am. 71]

8 bis)

“sportpersoneel”: personen betrokken bij het managen, opleiden of trainen van een sportteam of verschillende individuele sporters, tegen betaling of op vrijwillige basis; [Am. 72]

9)

“lerende in beroepsonderwijs en -opleiding”: iedere persoon die is ingeschreven in een aanvankelijk of vervolgprogramma voor beroepsonderwijs of -opleiding op eender welk niveau van secundair tot postsecundair , alsook iedere persoon die . Dit omvat mede de deelname van particulieren die recentelijk een dergelijk programma in de afgelopen 24 maanden met succes hebben heeft beëindigd; [Am. 73]

10)

“scholier”: iedere persoon die als lerende is ingeschreven bij een instelling die algemeen vormend onderwijs op elk niveau verstrekt, vanaf het onderwijs en de opvang voor jonge kinderen tot het hoger secundair onderwijs, alsook iedere persoon die buiten een instelling onderwijs volgt en die door de nationale bevoegde autoriteiten wordt geacht in aanmerking te komen voor deelname aan het programma op hun respectieve grondgebied; [Am. 74]

11)

“volwassenenonderwijs”: alle vormen van niet-beroepsgericht onderwijs voor volwassenen na het initieel onderwijs, ongeacht of deze van formele, niet-formele of informele aard is;

12)

“niet met het programma geassocieerd derde land”: derde land dat niet ten volle deelneemt aan het programma maar waarvan de juridische entiteiten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen die in het belang van de Unie zijn, bij wijze van uitzondering voor het programma in aanmerking kunnen komen; [Am. 75]

13)

“derde land”: een land dat geen lidstaat is;

14)

“partnerschap”: een overeenkomst tussen een groep instellingen en/of organisaties om gezamenlijk activiteiten te ontplooien en projecten op te zetten;

15)

“gezamenlijke mastergraad master- of doctorsgraad ”: een geïntegreerd studieprogramma aangeboden door ten minste twee instellingen voor hoger onderwijs dat wordt bekroond met één enkel diploma, dat gezamenlijk wordt afgegeven en ondertekend door alle deelnemende instellingen en officieel wordt erkend in de landen waar de deelnemende instellingen gevestigd zijn; [Am. 76]

16)

“internationaal”: betrekking hebbend op een actie waarbij ten minste één niet met het programma geassocieerd derde land betrokken is;

17)

“virtuele samenwerking”: elke vorm van samenwerking met behulp van informatie- en communicatietechnologie;

18)

“instelling voor hoger onderwijs”: elke soort instelling voor hoger onderwijs entiteit die, overeenkomstig het nationale recht of de nationale praktijk, opleidt voor erkende graden of andere erkende kwalificaties op tertiair niveau, ongeacht de naam die dergelijke instellingen dragen, alsmede elke andere soort instelling voor hoger onderwijs vergelijkbare entiteit die door de nationale autoriteiten wordt geacht in aanmerking te komen voor deelname aan het programma op hun respectieve grondgebied; [Am. 77]

19)

“transnationaal”: betrekking hebbend op een actie waarbij ten minste twee landen betrokken zijn die lidstaten zijn of met het programma geassocieerde derde landen;

20)

“jongerenparticipatie”: een buitenschoolse activiteit die wordt uitgeoefend door informele groepen jongeren en/of jeugdorganisaties, en gekenmerkt is door een niet-formele of informele leerbenadering en door ondersteuning voor toegankelijkheid en inclusie ; [Am. 78]

21)

“jeugdwerker”: een persoon die beroepsmatig of op vrijwillige basis betrokken is bij niet-formeel of informeel leren en jongeren begeleidt bij hun persoonlijke ontwikkeling, onder meer hun leer- en beroepsontwikkeling en de ontwikkeling van hun competenties ; [Am. 79]

22)

“EU-jongerendialoog”: de dialoog met tussen beleidsmakers, besluitvormers, deskundigen, onderzoekers of belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, al naar gelang, en jongeren en jeugdorganisaties ; deze dialoog biedt , die een forum biedt voor permanent gezamenlijk overleg over de prioriteiten, de uitvoering en de follow- up van de Europese samenwerking in jeugdzaken op alle gebieden die voor jongeren van belang zijn ; [Am. 80]

23)

“met het programma geassocieerd derde land”: een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie op grond waarvan het kan deelnemen aan het programma en dat voldoet aan alle bij deze verordening aan de lidstaten opgelegde verplichtingen; [Am. 81]

24)

“juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel [197, lid 2, onder c),] van het Financieel Reglement;

25)

“kansarme personen”: personen die kampen met achtergesteld zijn bij de toegang tot het programma als gevolg van uiteenlopende belemmeringen die hen om economische, sociale, culturele, geografische of gezondheidsredenen, wegens hun migratieachtergrond of om redenen zoals voortkomen uit bijvoorbeeld een handicap , gezondheidsproblemen, en leerproblemen ervan weerhouden daadwerkelijk toegang te hebben tot de mogelijkheden in het kader van het programma , een migratieachtergrond, culturele verschillen, hun economische, sociale en geografische situatie, bijvoorbeeld personen uit gemarginaliseerde gemeenschappen of personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd op grond van een van de redenen als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ; [Am. 82]

26)

“nationale autoriteit”: de autoriteit die op nationaal niveau is belast met de monitoring van en het toezicht op het beheer van het programma in een lidstaat of in een met het programma geassocieerd derde land;

27)

“nationaal agentschap”: een of meer organen die in een bepaalde lidstaat of met het programma geassocieerd derde land belast is of zijn met het beheer van de uitvoering van het programma op nationaal niveau. In een bepaalde lidstaat of met het programma geassocieerd derde land kan er meer dan een nationaal agentschap zijn;

27 bis)

“excellentiekeur”: het kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan voor het programma ingediende projecten die zijn voorgedragen voor financiering, maar die omwille van begrotingsbeperkingen niet ontvangen; met de keur wordt de waarde van het voorstel onderkend en wordt de zoektocht naar alternatieve financiering ondersteund. [Am. 83]

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.   De algemene doelstelling van het programma is de educatieve, beroeps- en persoonlijke ontwikkeling van personen in onderwijs, opleiding, jeugd jeugdactiviteiten en sport via een leven lang leren , zowel in Europa als daarbuiten, te ondersteunen en zo bij te dragen tot duurzame groei, werkgelegenheid en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, sociale samenhang en inclusie, de bevordering van actief burgerschap en de versterking van de Europese identiteit. Als zodanig wordt het programma een belangrijk instrument voor de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte, het aanjagen van innovatie in onderwijs en opleiding, de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Europese strategische samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, met haar onderliggende sectorale agenda's, de bevordering van de samenwerking inzake jeugdbeleid in het kader van de strategie van de Unie voor jongeren 2019-2027 en de ontwikkeling van een Europese dimensie in de sport. [Am. 84]

2.   De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)

de bevordering van de leermobiliteit van particulieren, en van samenwerking, inclusie, gelijkwaardigheid, excellentie, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op het gebied van onderwijs en opleiding; [Am. 85]

b)

de bevordering van de mobiliteit voor niet-formeel en informeel leren , intercultureel leren, kritisch denkvermogen en de actieve participatie van jongeren, en van samenwerking, inclusie, kwaliteit, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op jeugdgebied; [Am. 86]

c)

de bevordering van de leermobiliteit binnen de breedtesport van sportcoaches en personeel sportpersoneel en jongeren die regelmatig een sport beoefenen in georganiseerd verband , en van samenwerking, inclusie, creativiteit en innovatie op het niveau van de sportorganisaties en het sportbeleid; [Am. 87]

c bis)

de bevordering van een leven lang leren door een sectoroverschrijdende benadering van formele, niet-formele en informele leeromgevingen en door de ondersteuning van flexibele leertrajecten. [Am. 88]

2 bis.     Het programma omvat ook een versterkte internationale dimensie die gericht is op ondersteuning van het externe optreden en de ontwikkelingsdoelstellingen van de Unie, via samenwerking tussen de Unie en derde landen. [Am. 89]

3.   De doelstellingen van het programma worden nagestreefd door middel van de volgende drie kernacties:

a)

leermobiliteit (“kernactie 1”);

b)

samenwerking tussen organisaties en instellingen (“kernactie 2”); en

c)

ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking (“kernactie 3”).

De doelstellingen worden ook nagestreefd door middel van de in artikel 7 omschreven Jean Monnet-acties.

Alle programma-acties behelzen een sterke leercomponent die bijdraagt aan de verwezenlijking van de in dit artikel neergelegde doelstellingen van het programma. De beschrijving van de in het kader van elke kernactie ondersteunde acties is te vinden in hoofdstuk II (Onderwijs en opleiding), hoofdstuk III (Jeugd) en hoofdstuk IV (Sport). De operationele doelstellingen en de overeenkomstige beleidsprioriteiten voor elke actie worden nauwkeurig gespecificeerd in het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 19. [Am. 90]

Artikel 3 bis

Europese toegevoegde waarde

1.     Het programma ondersteunt alleen de acties en activiteiten die een potentiële Europese meerwaarde met zich meebrengen en bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 3.

2.     De Europese meerwaarde van de acties en activiteiten van het programma wordt bijvoorbeeld gegarandeerd door hun:

a)

transnationale karakter, met name wat betreft mobiliteit en samenwerking, gericht op het bereiken van een duurzaam systeemeffect;

b)

complementariteit en synergieën met andere programma's en beleid op nationaal, internationaal en Unieniveau;

c)

bijdrage aan een doeltreffend gebruik van instrumenten van de Unie voor transparantie en erkenning;

d)

bijdrage aan de ontwikkeling van Uniebrede normen voor kwaliteitsborging, waaronder handvesten;

e)

bijdrage aan de ontwikkeling van Uniebrede gemeenschappelijke normen voor onderwijs- en opleidingsprogramma's;

f)

bevordering van de interculturele en interreligieuze dialoog in de Unie;

g)

bijdrage aan de bevordering van meertaligheid in de Unie; of

h)

bevordering van een Europees gevoel van verbondenheid en de versterking van een gemeenschappelijk Europees burgerschap. [Am. 91]

HOOFDSTUK II

ONDERWIJS EN OPLEIDING

Artikel 4

Kernactie 1

Leermobiliteit

Op het gebied van onderwijs en opleiding ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 1:

a)

de mobiliteit van studenten en personeel in het hoger onderwijs;

b)

de mobiliteit van lerenden en personeel in beroepsonderwijs en -opleiding;

c)

de mobiliteit van scholieren en schoolpersoneel , waaronder leerkrachten in het kleuteronderwijs en medewerkers in voor- en vroegschoolse educatie en opvang ; [Am. 92]

d)

de mobiliteit van van studenten en personeel in het volwassenenonderwijs; [Am. 93]

e)

mogelijkheden voor het leren van talen, inclusief die welke mobiliteitsactiviteiten ondersteunen.

Het programma ondersteunt maatregelen voor virtueel leren en gemengd leren om de in lid 1 genoemde mobiliteitsactiviteiten te vergezellen. Ook steunt het dergelijke maatregelen voor personen die niet in staat zijn deel te nemen aan deze mobiliteitsactiviteiten.

De Commissie ziet er in voorkomend geval op toe dat hulpmiddelen voor virtueel en gemengd leren die zijn ontwikkeld in het kader van het programma beschikbaar worden gesteld aan het grote publiek. [Am. 94]

Er kan ondersteuning worden geboden voor de voorbereiding van de in dit artikel bedoelde mobiliteitsactiviteiten, waaronder in voorkomend geval voor voorbereidende bezoeken. [Am. 95]

Artikel 5

Kernactie 2

Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Op het gebied van onderwijs en opleiding ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 2:

a)

strategische partnerschappen voor samenwerking en uitwisseling van goede praktijken, inclusief kleinschalige partnerschappen ter bevordering van een bredere en meer inclusieve toegang tot het programma; [Am. 96]

b)

partnerschappen voor excellentie, met name Europese universiteiten, kenniscentra voor beroepsopleiding en gezamenlijke mastergraden master- of doctorsgraden in het kader van Erasmus Mundus ; Europese universiteiten en kenniscentra voor beroepsopleiding omvatten ten minste één in een lidstaat gevestigde entiteit ; [Am. 97]

c)

partnerschappen voor innovatie , zoals allianties voor volwassenenonderwijs, ter versterking van de Europese innovatiecapaciteit; [Am. 98]

d)

toegankelijke en gebruiksvriendelijke online platforms en hulpmiddelen voor virtuele samenwerking, inclusief de ondersteunende diensten voor eTwinning en voor het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa , hulpmiddelen om het gebruik van het “Universele ontwerp voor leermethoden” te bevorderen, alsook hulpmiddelen die de mobiliteit vergemakkelijken, zoals de Europese studentenpas als bedoeld in artikel 25, lid 7 quater; [Am. 99]

d bis)

gerichte capaciteitsopbouw op het vlak van hoger onderwijs in derde landen die niet zijn verbonden aan het programma. [Am. 100]

Artikel 6

Kernactie 3

Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Op het gebied van onderwijs en opleiding ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 3:

a)

de voorbereiding en uitvoering van de algemene en sectorale beleidsagenda's op het gebied van onderwijs en opleiding, mede met de steun van het Eurydice-netwerk of activiteiten van andere relevante organisaties;

b)

de ondersteuning van instrumenten en maatregelen van de Unie ter bevordering van de kwaliteit, de transparantie, en de erkenning en het bijhouden van competenties, vaardigheden en kwalificaties (32); [Am. 101]

c)

de beleidsdialoog, en de samenwerking met belangrijke en de ondersteuning van relevante belanghebbenden, inclusief Uniewijde netwerken, Europese niet-gouvernementele organisaties en internationale organisaties op het gebied van onderwijs en opleiding; [Am. 102]

d)

maatregelen die bijdragen tot de kwalitatieve kwalitatief hoogwaardige en inclusieve uitvoering van het programma; [Am. 103]

e)

samenwerking met andere instrumenten van de Unie en ondersteuning van ander beleid van de Unie;

f)

verspreidings- en bewustmakingsactiviteiten over Europese beleidsresultaten en -prioriteiten en over het programma.

Artikel 7

Jean Monnet-acties

Het programma ondersteunt onderwijs, leren, onderzoek en discussie over de Europese integratie en over de toekomstige uitdagingen en mogelijkheden van de Unie door middel van de volgende acties: [Am. 104]

a)

Jean Monnet-actie op het gebied van het hoger onderwijs; [Am. 105]

b)

Jean Monnet-actie op andere alle onderwijs- en opleidingsgebieden; [Am. 106]

c)

steun aan de volgende instellingen met een doelstelling van Europees belang: het Europees Universitair Instituut in Florence, inclusief zijn school voor transnationale governance; het Europacollege (campussen Brugge en Natolin); het Europees Instituut voor Bestuurskunde in Maastricht; de Academie voor Europees Recht in Trier; het Europees Agentschap voor bijzondere onderwijsbehoeften en inclusief onderwijs in Odense en het Internationaal Centrum voor Europese vorming in Nice.

HOOFDSTUK III

JEUGD

Artikel 8

Kernactie 1

Leermobiliteit

Op het gebied van jeugd ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 1:

a)

de mobiliteit van jongeren;

b)

de participatie van jongeren;

c)

DiscoverEU-activiteiten;

d)

de mobiliteit van jeugdwerkers.

Artikel 9

Kernactie 2

Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Op het gebied van jeugd ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 2:

a)

strategische partnerschappen voor samenwerking en uitwisseling van goede praktijken, inclusief kleinschalige partnerschappen ter bevordering van een bredere en meer inclusieve toegang tot het programma; [Am. 107]

b)

partnerschappen voor innovatie ter versterking van de Europese innovatiecapaciteit;

c)

toegankelijke en gebruikersvriendelijke online platforms en hulpmiddelen voor virtuele samenwerking. [Am. 108]

Artikel 10

Kernactie 3

Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Op het gebied van jeugd ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 3:

a)

de voorbereiding en de uitvoering van de beleidsagenda van de Unie op het gebied van jeugd, in voorkomend geval met ondersteuning van het Youth Wiki-netwerk; [Am. 109]

b)

instrumenten en maatregelen van de Unie ter bevordering van de kwaliteit, de transparantie en de erkenning van competenties en vaardigheden, in het bijzonder door middel van de jongerenpas (Youthpass);

c)

de beleidsdialoog, en de samenwerking met en de ondersteuning van relevante belangrijke belanghebbenden, inclusief Uniewijde netwerken, Europese niet-gouvernementele organisaties en internationale organisaties op het gebied van jeugd, de EU-jongerendialoog, en de ondersteuning van het Europees Jeugdforum; [Am. 110]

d)

maatregelen die bijdragen tot de kwalitatieve kwalitatief hoogwaardige en inclusieve uitvoering van het programma; [Am. 111]

e)

samenwerking met andere instrumenten van de Unie en ondersteuning van ander beleid van de Unie;

f)

verspreidings- en bewustmakingsactiviteiten over Europese beleidsresultaten en -prioriteiten en over het programma.

HOOFDSTUK IV

SPORT

Artikel 11

Kernactie 1

Leermobiliteit

Op het gebied van sport ondersteunt het programma in het kader van kernactie 1 de mobiliteit van jongeren die breedtesport beoefenen en sportcoaches en personeel sportpersoneel dat zich bezighoudt met breedtesport . [Am. 112]

Artikel 12

Kernactie 2

Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Op het gebied van sport ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 2:

a)

partnerschappen voor samenwerking en uitwisseling van goede praktijken, inclusief kleinschalige partnerschappen ter bevordering van een bredere en meer inclusieve toegang tot het programma;

b)

sportevenementen zonder winstoogmerk , waaronder kleinschalige evenementen, die gericht zijn op de verdere ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport beogen. [Am. 113]

Artikel 13

Kernactie 3

Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Op het gebied van sport ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 3:

a)

de voorbereiding en de uitvoering van de beleidsagenda van de Unie op het gebied van sport en lichaamsbeweging;

b)

de beleidsdialoog en de samenwerking met relevante belangrijke belanghebbenden, inclusief Europese niet-gouvernementele organisaties en internationale organisaties op het gebied van sport; [Am. 114]

b bis)

maatregelen die bijdragen tot de kwalitatief hoogwaardige en inclusieve uitvoering van het programma; [Am. 115]

b ter)

samenwerking met andere instrumenten van de Unie en ondersteuning van ander beleid van de Unie; [Am. 116]

c)

verspreidings- en bewustmakingsactiviteiten over Europese beleidsresultaten en prioriteiten en over het programma, inclusief sportprijzen en -onderscheidingen.

Hoofdstuk IV bis

INCLUSIE [Am. 117]

Artikel 13 bis

Inclusiestrategie [Am. 118]

1.     De Commissie ontwikkelt uiterlijk 31 maart 2021 een kader van inclusiemaatregelen, en richtsnoeren voor de uitvoering daarvan. Op basis van dat kader en met speciale aandacht voor de specifieke problemen met de toegankelijkheid van het programma in de nationale context, ontwikkelen de nationale agentschappen een meerjarige nationale inclusiestrategie. Die strategie wordt uiterlijk 30 juni 2021 bekendgemaakt en de uitvoering wordt regelmatig gemonitord.

2.     In het kader en de strategie als bedoeld in lid 1 wordt bijzondere aandacht geschonken aan de volgende aspecten:

a)

samenwerking met sociale partners, nationale en lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld;

b)

steun aan lokale, gemeenschapsgerichte organisaties die rechtstreeks met de doelgroepen samenwerken;

c)

contact met en communicatie aan de doelgroepen, onder andere via de verspreiding van gebruikersvriendelijke informatie;

d)

vereenvoudiging van aanvraagprocedures;

e)

verlening van specifieke adviezen, trainingen en ondersteunende diensten aan de doelgroepen, voorafgaand aan hun aanvraag maar ook als voorbereiding op hun daadwerkelijke deelname aan het programma;

f)

optimale werkmethoden op het vlak van toegankelijkheid en ondersteunende diensten voor mensen met een handicap;

g)

verzameling van de juiste kwalitatieve en kwantitatieve gegevens om de doeltreffendheid van de strategie te evalueren;

h)

toepassing van financiële steunmaatregelen in overeenstemming met artikel 13 ter. [Am. 118]

Artikel 13 ter

Financiële steunmaatregelen voor inclusie

1.     De Commissie en de lidstaten werken samen om te garanderen dat er passende financiële steunmaatregelen, waaronder in voorkomend geval voorfinanciering, worden genomen om kansarmen te ondersteunen die om financiële redenen niet in staat zijn deel te nemen aan het programma, hetzij vanwege economische moeilijkheden, hetzij omdat de extra kosten van deelname aan het programma vanwege hun specifieke situatie een obstakel vormt. De beoordeling van de financiële redenen en de hoogte van de steun is gebaseerd op objectieve criteria.

2.     De financiële steunmaatregelen bedoeld in lid 1 kunnen betrekking hebben op:

a)

steun die beschikbaar is uit andere instrumenten van de Unie, zoals het Europees Sociaal Fonds+;

b)

steun die beschikbaar is uit nationale regelingen;

c)

aanpassing en aanvulling van steun voor mobiliteitsacties die beschikbaar zijn in het kader van het programma.

3.     Teneinde te voldoen aan lid 2, onder c), van dit artikel, wijzigt de Commissie indien nodig de subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties in het kader van het programma of staat zij de nationale agentschappen toe dat te doen. De Commissie stelt tevens, in overeenstemming met de bepalingen in artikel 14 bis, een speciale begroting op voor de financiering van aanvullende financiële steunmaatregelen in het kader van het programma.

4.     De kosten van maatregelen ter bevordering of ondersteuning van inclusie vormen onder geen beding een rechtvaardiging voor de weigering van een aanvraag. [Am. 119]

HOOFDSTUK V

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 14

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 30 000 000 000 EUR 41 097 000 000  EUR , uitgedrukt in constante prijzen van 2018 (46 758 000 000 EUR in lopende prijzen). [Am. 120]

De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurd binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader. [Am. 121]

2.   Het programma wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de volgende indicatieve verdeling:

a)

24 940 000 000 EUR 83 % van het in lid 1 vermelde bedrag voor acties op het gebied van onderwijs en opleiding, waarvan [Am. 122]

1)

ten minste 8 640 000 000 EUR voor 34,66 % wordt toegewezen aan acties inzake gedecentraliseerd hoger onderwijs als bedoeld in artikel 4, punt a), en artikel 5, punt a); [Am. 123]

2)

ten minste 5 230 000 000 EUR voor 23 % wordt toegewezen aan acties inzake beroepsonderwijs en -opleiding als bedoeld in artikel 4, punt b), en artikel 5, punt a); [Am. 124]

3)

ten minste 3 790 000 000 EUR voor 15,63 % wordt toegewezen aan acties inzake schoolonderwijs , met inbegrip van voor- en vroegschoolse educatie, als bedoeld in artikel 4, punt c), en artikel 5, punt a); [Am. 125]

4)

ten minste 1 190 000 000 EUR voor 6 % wordt toegewezen aan acties inzake volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 4, punt d), en artikel 5, punt a); [Am. 126]

5)

450 000 000 EUR voor 1,8 % wordt toegewezen aan Jean Monnet-acties als bedoeld in artikel 7; [Am. 127]

5 bis)

13,91 % van het in punt a) van dit lid bedoelde bedrag wordt toegewezen aan acties die hoofdzakelijk rechtstreeks beheerd worden, waaronder de acties als bedoeld in artikel 4, punt e), artikel 5, punten b) tot en met d), en artikel 6, punten a) tot en met f); [Am. 128]

5 ter)

de resterende 5 % kan worden gebruikt voor de financiering van acties uit hoofdstuk II; [Am. 129]

b)

3 100 000 000 EUR 10,3 % van het in lid 1 vermelde bedrag voor acties op het gebied van jeugd als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10; [Am. 130]

c)

550 000 000 EUR 2 % van het in lid 1 vermelde bedrag voor acties op het gebied van sport als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 13; en [Am. 131]

d)

ten minste 960 000 000 EUR ten minste 3,2 % van het in lid 1 vermelde bedrag als bijdrage in de operationele kosten van de nationale agentschappen. [Am. 132]

De resterende 1,5 % die niet wordt toegewezen op grond van de indicatieve verdeling als voorzien in de eerste alinea kan worden gebruikt voor programmaondersteuning. [Am. 133]

3.   In aanvulling op de in lid 1 vermelde financiële middelen, en teneinde de internationale dimensie van het programma te bevorderen, wordt worden ter ondersteuning van acties die worden opgezet en uitgevoerd en beheerd overeenkomstig uit hoofde van deze verordening een aanvullende financiële bijdrage beschikbaar gesteld op grond van financiële bijdragen verstrekt krachtens Verordening …/… [Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking] (33) en Verordening …/… [IPA III] (34). Die bijdrage wordt gefinancierd overeenkomstig de verordeningen tot vaststelling van die instrumenten Deze verordening is van toepassing op het gebruik van die middelen, waarbij de naleving van de verordeningen over het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking resp. IPA III wordt gewaarborgd . [Am. 134]

4.   Het in lid 1 bedoelde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen en advies en training over toegankelijkheid . [Am. 135]

5.   Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties in het kader van projecten die zijn opgenomen in het eerste werkprogramma vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen.

6.   Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a),] van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

6 bis.     De in lid 2 genoemde prioriteiten voor de begrotingstoewijzing per actie worden bepaald in het werkprogramma als bedoeld in artikel 19. [Am. 136]

Artikel 15

Vormen van EU-financiering en wijze van uitvoering

1.   Het programma wordt op consistente wijze uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement.

2.   In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen.

3.   Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen dienen ter dekking van het risico in verband met de terugvordering van door de begunstigden verschuldigde middelen en worden beschouwd als een toereikende garantie in de zin van het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening X [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

HOOFDSTUK VI

DEELNAME AAN HET PROGRAMMA

Artikel 16

Met het programma geassocieerde derde landen

1.   Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)

landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)

toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)

landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)

andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;

het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

2.   De in lid 1 bedoelde landen nemen slechts volledig aan het programma deel voor zover zij voldoen aan alle verplichtingen die deze verordening oplegt aan de lidstaten.

Artikel 17

Niet met het programma geassocieerde derde landen

Met betrekking tot de acties waarvan sprake is in de artikelen 4 tot en met 6, artikel 7, punten a) en b), en de artikelen 8 tot en met 10, 12 en 13, kan het programma in terdege gemotiveerde gevallen, in het belang van de Unie openstaan voor deelname van de volgende juridische entiteiten uit een derde landen: land.

a)

in artikel 16 bedoelde derde landen die niet voldoen aan de voorwaarde van lid 2 van dat artikel;

b)

elk ander derde land. [Am. 137]

Artikel 18

Regels inzake direct en indirect beheer

1.   Het programma staat open voor deelname van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke juridische entiteiten die actief zijn op het gebeid van onderwijs, opleiding, jeugd en sport.

2.   Bij de uitvoering van het programma, onder meer bij de selectie van de deelnemers en de toekenning van beurzen, zorgen de Commissie en de lidstaten ervoor dat inspanningen worden verricht om sociale inclusie te bevorderen en om kansarme personen beter te bereiken. [Am. 138]

3.   Voor selecties in het kader van zowel direct als indirect beheer kan het in artikel [145, lid 3, derde streepje,] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité bestaan uit externe deskundigen.

4.   Overheidsinstanties, alsmede instellingen en organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport die in de afgelopen twee jaar meer dan vijftig procent van hun jaarlijkse inkomsten hebben betrokken uit publieke bronnen, worden geacht te beschikken over de nodige financiële, professionele en administratieve capaciteit voor het uitvoeren van activiteiten in het kader van het programma. Zij hoeven geen verdere documentatie ter staving van die capaciteit in te dienen.

4 bis.     De hoogte van de financiële steun, zoals subsidies, vaste vergoedingen, vaste percentages en eenheidskosten, wordt regelmatig herzien en aangepast aan de levens- en verblijfkosten in het gastland of de gastregio, op basis van cijfers van Eurostat. Bij de aanpassing van de levens- en verblijfkosten wordt terdege rekening gehouden met de reiskosten van en naar het gastland of de gastregio. [Am. 139]

5.   Teneinde de toegang van kansarme personen te verbeteren en te zorgen voor een vlotte uitvoering van het programma, kan de Commissie op basis van objectieve criteria de subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties van het programma wijzigen of toestaan dat de in artikel 23 bedoelde nationale agentschappen dat doen. [Am. 140]

6.   De Commissie kan met niet met het programma geassocieerde derde landen of organisaties en instellingen uit die landen gezamenlijke oproepen doen voor financiering van projecten op basis van overeenstemmende financiële steun. De projecten kunnen worden geëvalueerd en geselecteerd overeenkomstig gezamenlijke evaluatie- en selectieprocedures die door de betrokken financierende instellingen worden overeengekomen, overeenkomstig de beginselen die vastgelegd zijn in het Financieel Reglement.

HOOFDSTUK VII

PROGRAMMERING, MONITORING EN EVALUATIE

Artikel 19

Werkprogramma

Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's De nadere beleidsmaatregelen en prioriteiten, waaronder de details van de specifieke initiatieven als beschreven in de artikelen 4 tot en met 13, worden vastgesteld door middel van een werkprogramma als bedoeld in artikel [108] 110 van het Financieel Reglement. In het werkprogramma wordt ook vastgelegd hoe het programma moet worden uitgevoerd . Bovendien bevat het werkprogramma een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en van de verdeling van middelen tussen de lidstaten en met het programma geassocieerde derde landen voor de acties die worden beheerd door het nationale agentschap. Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure is bevoegd ter aanvulling op deze verordening overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de goedkeuring van het werkprogramma . [Am. 141]

Artikel 20

Monitoring en verslaglegging

1.   Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in de bijlage.

2.   Teneinde te zorgen voor een effectieve beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage om indien nodig de indicatoren te herzien of aan te vullen en tot aanvulling van deze verordening met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor monitoring en evaluatie.

3.   Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig en voldoende gedetailleerd worden verzameld door begunstigden van middelen van de Unie in de zin van artikel [2, punt 5,] van het Financieel Reglement. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten.

Artikel 21

Evaluatie Evaluaties, tussentijdse evaluatie en herziening [Am. 142]

1.    Alle e valuaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen. [Am. 143]

2.   De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen in geen geval later dan 31 december 2024 . Deze gaat vergezeld van een eindevaluatie van het vorige programma , die wordt meegenomen in de tussentijdse evaluatie . Naast een beoordeling van de algehele doeltreffendheid en resultaten van het programma worden in de tussentijdse evaluatie met name de invoering van de in hoofdstuk IV bis vastgelegde inclusiemaatregelen, de stappen die zijn genomen om het programma voor de begunstigden te vereenvoudigen en de uitvoering van de nieuwe initiatieven als genoemd in artikel 5, onder b), en artikel 8, onder c), geëvalueerd. Tevens wordt de uitsplitsing van de deelname aan het programma onderzocht, met name van kansarmen . [Am. 144]

3.   Onverminderd de vereisten van hoofdstuk IX en de in artikel 24 bedoelde verplichtingen van de nationale agentschappen, dienen de lidstaten uiterlijk op 30 april 2024 bij de Commissie een verslag in over de uitvoering en de impact van het programma op hun respectieve grondgebied. De EDEO dient een vergelijkbaar verslag in over de uitvoering en de impact van het programma in de deelnemende ontwikkelingslanden. [Am. 145]

3 bis.     De Commissie dient waar nodig op grond van de tussentijdse evaluatie wetgevingsvoorstellen in tot wijziging van deze verordening. De Commissie verschijnt voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement en het bevoegde orgaan van de Raad om verslag uit te brengen over de tussentijdse evaluatie, met inbegrip van haar standpunt over de vraag of wijziging van deze verordening noodzakelijk is. [Am. 146]

4.   Aan het einde van de uitvoeringsperiode, doch uiterlijk vier drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit. [Am. 147]

5.   De Commissie deelt de conclusies van de zendt alle evaluaties , inclusief de tussentijdse evaluatie, tezamen met haar opmerkingen mee toe aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 148]

HOOFDSTUK VIII

INFORMATIE, COMMUNICATIE EN VERSPREIDING

Artikel 22

Informatie, communicatie en verspreiding

1.    In samenwerking met de Commissie en op basis van een kader dat voor de hele Unie geldt, ontwikkelen d e in artikel 24 bedoelde nationale agentschappen ontwikkelen een consistente strategie voor een doeltreffende outreach en voor de verspreiding en benutting van de resultaten van activiteiten die worden gesteund in verband met de door hen in het kader van het programma beheerde acties, en staan de Commissie bij in de uitvoering van haar algemene taak van voorlichting over het programma, met inbegrip van informatie over de op nationaal en Unieniveau beheerde acties en activiteiten, en de resultaten ervan. Nationale agentschappen informeren relevante doelgroepen over de acties die in hun land zijn ondernomen , om de samenwerking tussen belanghebbenden te verbeteren en een sectoroverschrijdende benadering van de uitvoering van het programma te ondersteunen. Bij de uitvoering van hun communicatie- en voorlichtingsactiviteiten en bij de verspreiding van informatie besteden de Commissie en nationale agentschappen overeenkomstig hoofdstuk IV bis specifieke aandacht aan kansarmen om hun deelname aan het programma te stimuleren . [Am. 149]

1 bis.     Alle essentiële programmadocumenten voor begunstigden, waaronder aanvraagformulieren, instructies en belangrijke informatie, worden tenminste in alle officiële talen van de Unie beschikbaar gesteld. [Am. 150]

2.   De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

3.   De juridische entiteiten in de sectoren die onder het programma vallen, gebruiken het merk “Erasmus+” voor communicatie- en voorlichtingsdoeleinden in verband met het programma.

4.   De Commissie voert op toegankelijke wijze informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen. [Am. 151]

4 bis.     Nationale agentschappen verspreiden ook informatie over het programma aan diensten voor loopbaanbegeleiding in onderwijs- en opleidingsinstellingen en aan diensten voor arbeidsvoorziening. [Am. 152]

HOOFDSTUK IX

Beheers- en auditsysteem

Artikel 23

Nationale autoriteit

1.   Uiterlijk […] maken de lidstaten door middel van een formele kennisgeving door hun permanente vertegenwoordiging aan de Commissie de persoon of personen bekend die wettelijk gemachtigd is of zijn om namens de lidstaat voor de toepassing van deze verordening als nationale autoriteit te handelen. Indien de nationale autoriteit gedurende de looptijd van het programma wordt vervangen, stelt de betrokken lidstaat de Commissie hiervan volgens dezelfde procedure onverwijld in kennis.

2.   De lidstaten treffen alle nodige en passende maatregelen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de goede werking van het programma weg te nemen, waar mogelijk ook maatregelen gericht op het vermijden van belastingen op subsidies, het waarborgen van de meeneembaarheid van rechten tussen de sociale stelsels van de Unie en het oplossen van problemen die het verkrijgen van een visum of een verblijfsvergunning bemoeilijken. [Am. 153]

3.   Uiterlijk […] wijst de nationale autoriteit een nationaal agentschap of nationale agentschappen aan. Wanneer er meer dan één nationaal agentschap is, stellen de lidstaten een passende regeling vast om het beheer van de uitvoering van het programma op nationaal niveau te coördineren, in het bijzonder met het doel te zorgen voor een coherente en kostenefficiënte uitvoering van het programma en voor effectieve contacten met de Commissie in dit verband en het doel de mogelijke overdracht van middelen tussen agentschappen te faciliteren, en aldus voor flexibiliteit en een beter gebruik van aan de lidstaten toegewezen middelen te zorgen. Elke lidstaat bepaalt hoe de betrekkingen tussen zijn nationale autoriteit en het nationaal agentschap worden georganiseerd, onder meer wat taken als de opstelling van het werkprogramma van het nationaal agentschap betreft.

De nationale autoriteit verschaft de Commissie een passende evaluatie vooraf van de naleving, waarbij wordt verklaard dat het nationale agentschap voldoet aan artikel [58, lid 1,] onder c), v) en vi), en artikel [60, leden 1, 2 en 3,] van het Financieel Reglement en aan de vereisten van de Unie betreffende interne toezichtsnormen voor nationale agentschappen en voorschriften voor het beheer van middelen van het programma die bestemd zijn voor de verlening van subsidies.

4.   De nationale autoriteit wijst een onafhankelijk auditorgaan zoals bedoeld in artikel 26 aan.

5.   De nationale autoriteit baseert haar evaluatie vooraf van de naleving op haar eigen controles en audits, en/of op controles en audits die zijn verricht door het in artikel 26 bedoelde onafhankelijke auditorgaan. Indien het voor het programma aangewezen nationale agentschap hetzelfde is als het nationale agentschap dat voor het vorige programma was aangewezen, wordt de reikwijdte van de evaluatie vooraf van de naleving beperkt tot de voorschriften die nieuw en specifiek voor het programma zijn.

6.   Indien de Commissie de aanwijzing van het nationale agentschap afwijst op basis van haar beoordeling van de evaluatie vooraf van de naleving, of indien het nationale agentschap niet voldoet aan de door de Commissie vastgestelde minimumeisen, zorgt de nationale autoriteit ervoor dat de noodzakelijke corrigerende maatregelen worden genomen opdat het nationale agentschap aan de minimumeisen voldoet of wijst zij een ander orgaan als nationaal agentschap aan.

7.   De nationale autoriteit houdt toezicht op en superviseert het beheer van de programma op nationaal niveau. Zij informeert en raadpleegt de Commissie tijdig over elk voorgenomen besluit dat aanzienlijke gevolgen zou kunnen hebben voor het beheer van het programma, met name wat het nationale agentschap betreft.

8.   De nationale autoriteit zorgt voor een passende medefinanciering van de werkzaamheden van haar nationale agentschap om te waarborgen dat het programma met naleving van de toepasselijke voorschriften van de Unie wordt beheerd.

9.   Op basis van de jaarlijkse beheersverklaring van het nationale agentschap, de onafhankelijke auditverklaring erover en de analyse door de Commissie van de naleving en de prestaties van het nationale agentschap, verstrekt de nationale autoriteit de Commissie elk jaar informatie over zijn toezichts- en supervisieactiviteiten betreffende het programma. Indien mogelijk wordt deze informatie openbaar gemaakt. [Am. 154]

10.   De nationale autoriteit is er verantwoordelijk voor dat de door de Commissie in het kader van het programma aan het nationale agentschap overgemaakte financiële middelen van de Unie naar behoren worden beheerd.

11.   Indien het nationale agentschap verantwoordelijk is voor onregelmatigheden, nalatigheden of fraude, of bij de uitoefening van zijn taken ernstig tekort schiet, of niet volledig aan zijn plichten voldoet, en dit aanleiding geeft tot vorderingen van de zijde van de Commissie jegens het nationale agentschap, dan is de betrokken nationale autoriteit aansprakelijk voor de terugbetaling aan de Commissie van eventueel niet teruggevorderde middelen.

12.   In de in lid 11 bedoelde omstandigheden mag de nationale autoriteit het mandaat van het nationale agentschap intrekken op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie. Indien de nationale autoriteit het mandaat van het nationale agentschap om andere gerechtvaardigde redenen wil intrekken, stelt zij de Commissie hiervan ten minste zes maanden voor de beoogde datum van de beëindiging van het mandaat op de hoogte. In dat geval voorzien de nationale autoriteit en de Commissie formeel in gezamenlijk overeengekomen specifieke overgangsmaatregelen en -termijnen.

13.   In geval van intrekking voert de nationale autoriteit de noodzakelijke controles uit met betrekking tot de middelen van de Unie die zijn toevertrouwd aan het van zijn mandaat ontheven nationale agentschap, en draagt zij zorg voor een soepele overdracht van die middelen en van voor het beheer van het programma vereiste documenten en beheersinstrumenten aan het nieuwe nationale agentschap. De nationale autoriteit verschaft het van zijn mandaat ontheven nationale agentschap de noodzakelijke financiële ondersteuning zodat het zijn contractuele verplichtingen jegens de begunstigden van het programma en de Commissie kan blijven vervullen tijdens de overdracht van die verplichtingen aan een nieuw nationaal agentschap.

14.   Indien de Commissie daarom verzoekt, wijst de nationale autoriteit de instellingen of organisaties of de categorieën van dergelijke instellingen of organisaties aan die op haar grondgebied in aanmerking zouden kunnen komen voor deelname aan programma-acties.

Artikel 24

Nationaal agentschap

1.   Het nationaal agentschap:

a)

heeft rechtspersoonlijkheid of maakt deel uit van een instantie die rechtspersoonlijkheid heeft, en valt onder het recht van de betrokken lidstaat; ministeries mogen niet als nationale agentschappen worden aangewezen;

b)

beschikt over passende beheerscapaciteiten, voldoende personeel en adequate infrastructuur om zijn taken naar tevredenheid uit te oefenen en te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend beheer van het programma en een goed financieel beheer van de middelen van de Unie;

b bis)

beschikt over de vereiste deskundigheid met betrekking tot alle sectoren van het programma; [Am. 155]

c)

beschikt over de nodige operationele en juridische middelen om de op Unieniveau vastgestelde administratieve, contractuele en financiële beheersvoorschriften toe te passen;

d)

biedt passende financiële garanties, bij voorkeur afgegeven door een overheidsinstantie, die overeenkomen met het bedrag aan middelen van de Unie die het moet gaan beheren;

e)

wordt aangewezen voor de duur van het programma.

2.   Het nationaal agentschap is verantwoordelijk voor het beheer van alle fasen van de projectcyclus van de acties die worden beschreven in het werkprogramma bedoeld in artikel [19], in overeenstemming met [artikel 58, lid 1, onder c), v) en vi),] van het Financieel Reglement.

3.   Het nationale agentschap verstrekt de subsidies aan begunstigden in de zin van artikel [2, punt 5,] van het Financieel Reglement in de vorm van een subsidieovereenkomst zoals die door de Commissie voor de betrokken actie van het programma wordt gespecificeerd.

4.   Het nationaal agentschap brengt jaarlijks verslag uit aan de Commissie en aan zijn nationale autoriteit overeenkomstig artikel [60, lid 5,] van het Financieel Reglement. Het nationaal agentschap is belast met de uitvoering van de opmerkingen die de Commissie maakt naar aanleiding van zijn jaarlijkse beheersverklaring, alsmede de onafhankelijke auditverklaring daarover.

5.   Het nationaal agentschap mag geen enkele taak met betrekking tot de uitvoering van het programma of de besteding van middelen delegeren aan een derde zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de nationale autoriteit en de Commissie. Het nationaal agentschap blijft als enige verantwoordelijk voor de taken die aan een derde gedelegeerd zijn.

6.   Wanneer het mandaat van het nationaal agentschap ingetrokken wordt, blijft het nationaal agentschap juridisch verantwoordelijk voor het vervullen van zijn contractuele verplichtingen jegens de begunstigden van het programma en de Commissie in afwachting van de overdracht van die verplichtingen aan een nieuw nationaal agentschap.

7.   Het nationaal agentschap is verantwoordelijk voor het beheer en de afwikkeling van de financiële overeenkomsten betreffende het vorige programma die bij het begin van het programma nog lopen.

7 bis.     In samenwerking met de Commissie zien de nationale agentschappen erop toe dat de procedures die voor de uitvoering van de verordening worden gehanteerd consistent en eenvoudig zijn en dat de informatie van hoge kwaliteit is, onder andere door gemeenschappelijke normen voor projectaanvragen en evaluatie te ontwikkelen. De nationale agentschappen raadplegen regelmatig begunstigden van het programma om naleving van deze vereiste te waarborgen. [Am. 156]

Artikel 25

Europese Commissie

1.   Op basis van de in artikel 23, lid 3, bedoelde nalevingsvoorschriften voor nationale agentschappen beoordeelt de Commissie de nationale beheers- en controlesystemen, met name aan de hand van de evaluatie vooraf van de naleving van de nationale autoriteit, de jaarlijkse beheersverklaring van het nationaal agentschap en de verklaring van het onafhankelijke auditorgaan daarover, naar behoren rekening houdend met de jaarlijkse informatie verstrekt door de nationale autoriteit over haar toezichts- en supervisieactiviteiten betreffende het programma.

2.   Binnen twee maanden na ontvangst van de in artikel 23, lid 3, bedoelde evaluatie vooraf van de naleving van de nationale autoriteit hecht de Commissie haar goedkeuring aan de aanwijzing van het nationaal agentschap, keurt zij die aanwijzing goed onder bepaalde voorwaarden of wijst zij deze af. De Commissie gaat geen contractuele betrekkingen met het nationaal agentschap aan voordat zij de evaluatie vooraf heeft goedgekeurd. Ingeval de Commissie de aanwijzing van het agentschap onder bepaalde voorwaarden goedkeurt, kan de Commissie in het kader van de contractuele betrekkingen met het nationaal agentschap aanvullende voorzorgsmaatregelen treffen.

3.   De Commissie stelt jaarlijks de volgende programmamiddelen beschikbaar aan het nationaal agentschap:

a)

middelen voor subsidieverlening in de betrokken lidstaat voor acties van het programma en waarvan het beheer is opgedragen aan het nationaal agentschap;

b)

een financiële bijdrage ter ondersteuning van de beheerstaken die het nationaal agentschap in verband met het programma uitoefent, die wordt vastgesteld op basis van het bedrag aan middelen van de Unie dat het nationaal agentschap met het oog op het verlenen van subsidies wordt toevertrouwd;

c)

in voorkomend geval, aanvullende middelen voor maatregelen in het kader van artikel 6, punt d), en artikel 10, punt d) , en artikel 13, punt b bis) . [Am. 157]

3 bis.     De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van acties die zij rechtstreeks beheert. Zij beheert dan ook alle stadia van de subsidie- en projectaanvragen voor programma-acties die zijn opgesomd in de hoofdstukken II, III en IV als ze zijn ingediend door netwerken die in de hele Unie actief zijn, of door Europese of internationale organisaties. [Am. 158]

4.   De Commissie stelt de vereisten voor het werkprogramma van het nationaal agentschap vast. De Commissie stelt geen programmamiddelen aan het nationaal agentschap beschikbaar tot na formele goedkeuring van het werkprogramma van het nationaal agentschap door de Commissie.

5.   Na de beoordeling van de jaarlijkse beheersverklaring en de verklaring van het onafhankelijke auditorgaan hierover, verstrekt de Commissie haar advies en opmerkingen hierover aan het nationaal agentschap en de nationale autoriteit.

6.   Indien de Commissie de jaarlijkse beheersverklaring of de onafhankelijke auditverklaring daarover niet kan aanvaarden of indien het nationaal agentschap geen bevredigend gevolg geeft aan de opmerkingen van de Commissie, kan de Commissie voorzorgs- of correctieve maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de financiële belangen van de Unie te waarborgen overeenkomstig artikel [60, lid 4,] van het Financieel Reglement.

7.   De Commissie organiseert regelmatige bijeenkomsten met het netwerk van nationale agentschappen om zorg te dragen voor een coherente consistente tenuitvoerlegging van het programma in alle lidstaten en alle in artikel 17 bedoelde derde landen en om te zorgen voor de uitwisseling van optimale werkmethoden . Externe deskundigen, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, sociale partners en met het programma geassocieerde derde landen, worden uitgenodigd om aan die bijeenkomsten deel te nemen. Het Europees Parlement wordt uitgenodigd om als waarnemer aan die bijeenkomsten deel te nemen . [Am. 159]

7 bis.     Om de aanvraagprocedure te vereenvoudigen en te harmoniseren, stelt de Commissie vóór 30 juni 2024 een gemeenschappelijk, meertalig, all-in-hulpmiddel voor het programma beschikbaar. Dit hulpmiddel wordt zowel online als op mobiele apparaten beschikbaar gemaakt voor alle entiteiten die door het programma begunstigd worden of bij het beheer van het programma betrokken zijn. Het hulpmiddel verschaft tevens informatie over mogelijke partners voor beoogde begunstigden. [Am. 160]

7 ter.     De Commissie ziet erop toe dat de projectresultaten openbaar worden gemaakt en in brede kring worden verspreid om de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen nationale agentschappen, belanghebbenden en begunstigden van het programma te bevorderen. [Am. 161]

7 quater.     De Commissie ontwikkelt vóór 31 december 2021 een Europese studentenpas voor alle studenten die aan het programma deelnemen. De Commissie stelt de Europese studentenpas vóór 31 december 2025 beschikbaar aan alle studenten in de Unie. [Am. 162]

Artikel 26

Onafhankelijk auditorgaan

1.   Het onafhankelijk auditorgaan geeft een auditverklaring af over de in artikel [60, lid 5,] van het Financieel Reglement bedoelde jaarlijkse beheersverklaring. Die verklaring vormt de basis van de algemene zekerheid uit hoofde van artikel [123] van het Financieel Reglement.

2.   Het onafhankelijk auditorgaan:

a)

beschikt over de noodzakelijke beroepsbekwaamheid om audits in de publieke sector te verrichten;

b)

zorgt ervoor dat bij de auditwerkzaamheden internationaal aanvaarde auditnormen in acht worden genomen;

c)

verkeert niet in een belangenconflict met de juridische entiteit waarvan het nationaal agentschap deel uitmaakt. Met name is het functioneel onafhankelijk van de juridische entiteit waarvan het nationaal agentschap deel uitmaakt.

3.   Het onafhankelijk auditorgaan verschaft de Commissie en haar vertegenwoordigers alsmede de Rekenkamer volledige toegang tot alle documenten en rapporten ter staving van de auditverklaring die het afgeeft over de jaarlijkse beheersverklaring van het nationaal agentschap.

HOOFDSTUK X

CONTROLESYSTEEM

Artikel 27

Beginselen van het controlesysteem

1.   De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties, de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van maatregelen ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door middel van terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door middel van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

2.   De Commissie is verantwoordelijk voor de uitoefening van toezichthoudende controles met betrekking tot de programma-acties en -activiteiten die door de nationale agentschappen worden beheerd. Zij stelt minimumeisen vast voor de controles door het nationaal agentschap en het onafhankelijk auditorgaan , en houdt hierbij rekening met de systemen voor interne controle van de nationale overheidsfinanciën . [Am. 163]

3.   Het nationaal agentschap is verantwoordelijk voor de primaire controle van de begunstigden voor de in artikel 24, lid 2, bedoelde programma-acties. Die controles bieden een redelijke garantie dat de verleende subsidies worden besteed voor de doeleinden waarvoor zij bestemd zijn en in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van de Unie.

4.   Met betrekking tot de middelen van het programma die aan de nationale agentschappen worden overgemaakt, zorgt de Commissie voor een goede coördinatie van haar controles met de nationale autoriteiten en de nationale agentschappen, op basis van het beginsel van één enkele audit en volgens een op risico gebaseerde analyse. Deze bepaling is niet van toepassing op onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

Artikel 28

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van het Europees Bureau voor fraudebestrijding omvatten die rechten het recht onderzoeken uit te voeren, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

HOOFDSTUK XI

COMPLEMENTARITEIT

Artikel 29

Complementariteit met andere beleidsmaatregelen, programma's en fondsen van de Unie

1.   Het programma wordt zodanig uitgevoerd dat de algehele samenhang ervan en de complementariteit met andere relevante beleidsmaatregelen, programma's en fondsen van de Unie wordt gewaarborgd, met name die welke verband houden met onderwijs en opleiding, cultuur en media, jeugd en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie, onderzoek en innovatie, industrie en bedrijfsleven, digitaal beleid, landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en klimaat, cohesie, regionaal beleid, migratie, veiligheid en internationale samenwerking en ontwikkeling.

2.   Aan een actie waaraan door het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De cumulatieve financiering mag niet meer bedragen dan de totale subsidiabele kosten van de actie . [Am. 164]

3.   Wanneer het programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EU)XX [GB-verordening] gezamenlijk financiële steun verlenen voor een enkele actie, wordt die actie uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften inzake de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

4.   Acties die in aanmerking komen voor steun in het kader van het programma, die moeten voldoen aan de volgende, cumulatieve, vergelijkbare voorwaarden:

zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van dit programma; en die

zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep, maar die;

zij kunnen in het kader van die oproep niet worden gefinancierd vanwege budgettaire beperkingen,;

zij kunnen worden geselecteerd een Excellentiekeur krijgen als erkenning voor hun hoge kwaliteit, waarmee het gemakkelijker wordt een aanvraag in te dienen voor financiering uit andere bronnen of een selectie te maken voor financiering door de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) zonder een nieuwe aanvraagprocedure te hoeven starten . In dat geval zijn de medefinancieringspercentages en de subsidiabiliteitsregels op basis van deze verordening van toepassing. Die acties worden door de in artikel [65] van Verordening (EU)XX [GB-verordening] bedoelde beheersautoriteit uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van die verordening en de fondsspecifieke verordeningen, met inbegrip van de voorschriften inzake financiële correcties. [Am. 165]

HOOFDSTUK XII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 30

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel  de artikelen 19 en  20 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028. [Am. 166]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel de artikelen 19 en  20 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 167]

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 20 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 31

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Het comité kan in specifieke samenstelling bijeenkomen teneinde sectorale vraagstukken te behandelen. In voorkomend geval kunnen, overeenkomstig zijn reglement van orde en per geval, externe deskundigen, zoals vertegenwoordigers van de sociale partners, als waarnemer voor een vergadering worden uitgenodigd.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 168]

Artikel 32

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1288/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 33

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de acties die zijn geïnitieerd op grond van Verordening (EU) nr. 1288/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

2.   De financiële middelen voor het programma kunnen ook de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve uitgaven om de overgang tussen het programma en de maatregelen op grond van Verordening (EU) nr. 1288/2013 te bewerkstelligen.

3.   In afwijking van artikel [130, lid 2,] van het Financieel Reglement, en in naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde activiteiten en die gedurende de eerste zes maanden van 2021 zijn gemaakt als subsidiabel beschouwen met ingang van 1 januari 2021, zelfs als de begunstigde deze kosten maakte voordat hij een subsidieaanvraag had ingediend.

4.   Zo nodig kunnen voor het beheer van acties en activiteiten die op [31 december 2027] nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 14, lid 5, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

5.   De lidstaten zorgen op nationaal niveau voor een soepele overgang tussen de acties die zijn uitgevoerd in het kader van het programma Erasmus+ (2014-2020) en die welke uit hoofde van dit programma ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 34

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de […] [twintigste] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C van, blz. .

(2)  PB C van, blz. .

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.

(4)  COM(2018)0098.

(5)  PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.

(6)   Speciaal verslag nr. 22/2018 van de Europese Rekenkamer van 3 juli 2018, getiteld “Mobiliteit in het kader van Erasmus+: miljoenen deelnemers en Europese meerwaarde in veel opzichten, maar de prestatiemeting moet verder worden verbeterd”.

(7)  COM(2018)0321.

(8)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(9)   PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1.

(10)  COM(2016)0381.

(11)  [Referentie].

(12)  [Referentie - door de Raad vast te stellen tegen eind 2018]

(13)  COM(2018)0269.

(14)  [Referentie].

(15)  COM(2018) [].

(16)   PB L 394 van 30.12.2006, blz. 5.

(17)   COM(2016)0381.

(18)   Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).

(19)   PB C 153 van 2.5.2018, blz. 1.

(20)   PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(21)  PB L […] van […], blz. […].

(22)  PB L […] van […], blz. […].

(23)  COM(2017)0623.

(24)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (“LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

(25)  Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).

(26)  Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).

(27)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(28)  Verordening (EG) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(29)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(30)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(31)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(32)  Met name Europass – het enkele Uniekader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties; het Europees kwalificatiekader; het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding; het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding; het Europees systeem voor het overdragen en verzamelen van studiepunten; het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs; de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs; het Europees netwerk van informatiecentra in de Europese regio en de nationale informatiecentra voor academische erkenning in de Europese Unie; en de Euroguidance-netwerken.

(33)  [Referentie].

(34)  [Referentie].

BIJLAGE

Indicatoren

1)

Leermobiliteit van hoge kwaliteit voor mensen met uiteenlopende achtergronden

2)

Europeanisering en internationalisering van organisaties en instellingen

Wat te meten?

3)

Aantal deelnemers aan mobiliteitsactiviteiten in het kader van het programma

4)

Aantal kansarme deelnemers aan leermobiliteitsactiviteiten in het kader van het programma

5)

Percentage deelnemers die menen dat zij voordeel hebben gehaald uit hun deelname aan leermobiliteitsactiviteiten in het kader van het programma

6)

Aantal instellingen en organisaties die door het programma worden ondersteund in het kader van kernactie 1 (leermobiliteit) en kernactie 2 (samenwerking)

7)

Aantal nieuwkomer-organisaties die door het programma worden ondersteund in het kader van kernactie 1 (leermobiliteit) en kernactie 2 (samenwerking)

8)

Percentage instellingen en organisaties die door het programma worden ondersteund en die als gevolg van hun deelname aan het programma kwalitatief hoogstaande praktijken hebben ontwikkeld [Am. 169]

BIJLAGE I bis

Alle kwalitatieve indicatoren worden ten minste uitgesplitst naar lidstaat en geslacht.

Te meten doelstelling: Kernactie 1 — Leermobiliteit

Indicatoren:

 

Aantal deelnemers aan mobiliteitsacties en -activiteiten in het kader van het programma;

 

Aantal personen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren ter ondersteuning van de mobiliteit in het kader van het programma;

 

Aantal personen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren omdat zij niet in staat zijn deel te nemen aan mobiliteitsactiviteiten;

 

Aantal organisaties/instellingen dat deelneemt aan mobiliteitsacties en -activiteiten in het kader van het programma;

 

Aantal organisaties/instellingen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren ter ondersteuning van de mobiliteit in het kader van het programma;

 

Aantal organisaties/instellingen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren omdat zij niet in staat zijn deel te nemen aan mobiliteitsactiviteiten;

 

Percentage deelnemers dat van mening is dat zij baat hebben gehad bij hun deelname aan de activiteiten van kernactie 1;

 

Percentage deelnemers dat van mening is dat zij een sterker Europees gevoel van verbondenheid hebben na deelname aan het programma;

 

Percentage deelnemers dat van mening is dat zij een betere beheersing van een vreemde taal hebben na deelname aan het programma;

Te meten doelstelling: Kernactie 2 — Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Indicatoren:

 

Aantal door het programma gesteunde organisaties/instellingen in het kader van kernactie 2;

 

Percentage organisaties/instellingen dat van mening is dat zij baat hebben gehad bij hun deelname aan de activiteiten van kernactie 2;

 

Aantal organisaties/instellingen dat gebruikmaakt van de hulpmiddelen en platforms van de Unie voor samenwerking;

Te meten doelstelling: Kernactie 3 — Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Indicatoren:

 

Aantal personen en organisaties/instellingen dat baat heeft gehad bij acties in het kader van kernactie 3;

Te meten doelstelling: Inclusie

Indicatoren:

 

Aantal kansarme deelnemers aan mobiliteitsacties en -activiteiten;

 

Aantal kansarmen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren ter ondersteuning van de mobiliteit in het kader van het programma;

 

Aantal kansarmen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren omdat zij niet in staat zijn deel te nemen aan mobiliteitsactiviteiten;

 

Aantal nieuwkomer-organisaties dat door het programma wordt ondersteund in het kader van kernactie 1 en kernactie 2;

 

Percentage kansarmen dat van mening is dat zij baat hebben gehad bij deelname aan het programma;

Te meten doelstelling: Vereenvoudiging

Indicatoren:

 

Aantal kleinschalige partnerschappen dat gesteund wordt in het kader van kernactie 2;

 

Percentage deelnemers dat van mening is dat de aanvraag-, deelname- en evaluatieprocedures evenredig en eenvoudig zijn;

 

Gemiddelde tijd die gemoeid is met de afhandeling van een aanvraag, per actie, vergeleken met het vorige programma. [Am. 170]


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Het standpunt van het Europees Parlement dat werd aangenomen in eerste lezing, moet worden gezien als een pakket. Mochten de financiële middelen voor het programma voor de periode 2021-2027 lager uitvallen dan het bedrag dat is genoemd in artikel 14, lid 1, van het standpunt van het Parlement, dan behoudt het Europees Parlement zich het recht voor om zijn steun voor een actie in het programma te heroverwegen zodat de kernactiviteiten van het programma en de aanvullende steun voor inclusiemaatregelen doeltreffend kunnen worden uitgevoerd.

Verder maakt het Europees Parlement duidelijk dat zijn steun voor de nieuwe initiatieven die in zijn standpunt naar voren komen — met name Europese universiteiten, kenniscentra voor beroepsopleiding en DiscoverEU — afhangt van a) de evaluatie van de proeffases die momenteel lopen, en b) de verdere definiëring van elk initiatief. Als een van beide voorwaarden ontbreekt, zal het Europees Parlement gebruikmaken van zijn prerogatieven in de jaarlijkse begrotingsprocedure om de desbetreffende middelen in de reserve te plaatsen totdat er aan deze voorwaarden is voldaan.


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/1005


P8_TA(2019)0325

Totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen (COM(2018)0353 — C8-0207/2018 — 2018/0178(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2021/C 108/56)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0353),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0207/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018 (2),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0175/2019),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.


P8_TC1-COD(2018)0178

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2)

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie wordt beoogd een interne markt tot stand te brengen die zich inzet voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van onder meer een evenwichtige economische groei en een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.

(2)

Op 25 september 2015 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een nieuw mondiaal raamwerk voor duurzame ontwikkeling vastgesteld: de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling (4), waarin de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (hierna “SDG's” genoemd) centraal staan die drie duurzaamheidspijlers bestrijken: milieu, sociaal en economie/governance. In de mededeling van de Commissie van 2016 over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst (5) worden de SDG's gekoppeld aan het beleidsraamwerk van de Unie, zodat die doelstellingen van meet af aan worden geïntegreerd in alle acties en beleidsinitiatieven van de Unie, zowel binnen de Unie als mondiaal. In zijn conclusies van 20 juni 2017 heeft de Europese Raad (6) bevestigd dat de Unie en de lidstaten vastbesloten zijn de Agenda 2030 uit te voeren op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze en in nauwe samenwerking met partners en andere stakeholders.

(3)

In 2016 heeft de Raad, namens de Unie, de Klimaatovereenkomst van Parijs ondertekend (7). In artikel 2, lid 1, onder c), van de Klimaatovereenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(4)

Duurzaamheid en de transitie naar een koolstofarme en klimaatbestendige, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie zijn cruciale elementen om het concurrentievermogen van de Unie op lange termijn te waarborgen. Duurzaamheid vormt sinds lang de kern van het project van de Europese Unie en de Verdragen erkennen de sociale en ecologische dimensies van de Unie.

(5)

In december 2016 heeft de Commissie een deskundigengroep op hoog niveau opgericht om een overkoepelende en alomvattende Uniestrategie inzake duurzame financiering te ontwikkelen. In het verslag van deze deskundigengroep dat op 31 januari 2018 is gepubliceerd (8), wordt opgeroepen tot de oprichting van een technisch robuust classificatiesysteem op Unieniveau om duidelijkheid te bieden over de vraag welke activiteiten “groen” of “duurzaam” zijn, te beginnen met mitigatie van klimaatverandering.

(6)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan duurzame groei financieren gekomen (9), waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor duurzame financiering uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De totstandbrenging van een eengemaakt classificatiesysteem voor duurzame en van indicatoren ter bepaling van de mate van duurzaamheid van activiteiten is de belangrijkste en dringendste maatregel die in het actieplan wordt overwogen. In het actieplan wordt erkend dat de verschuiving van kapitaalstromen naar duurzamere activiteiten moet stoelen op een alomvattende consensus over wat “duurzaam” inhoudt de impact van economische activiteiten en beleggingen op ecologische duurzaamheid en hulpbronnenefficiëntie . In een eerste stap dienen duidelijke handvatten met betrekking tot activiteiten die kwalificeren als bijdragend aan milieudoelstellingen, beleggers te helpen informeren over de beleggingen die ecologisch duurzame economische activiteiten financieren In een latere fase kunnen misschien naargelang van hun mate van duurzaamheid . In het licht van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2017 moeten ook verdere handvatten worden ontwikkeld over de activiteiten die bijdragen tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals sociale en governance doelstellingen , opdat de Agenda 2030 op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze wordt uitgevoerd . [Am. 80]

(6 bis)

Hoewel wordt erkend dat de klimaatverandering dringend moet worden aangepakt, kan een eenzijdige nadruk op blootstelling aan koolstof negatieve overloopeffecten hebben doordat beleggingsstromen worden gericht op andere doelen, die andere milieurisico's inhouden. Daarom moeten voldoende waarborgen worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de economische activiteiten niet nadelig zijn voor andere milieudoelstellingen, zoals biodiversiteit en energie-efficiëntie. Beleggers hebben vergelijkbare en alomvattende informatie over milieurisico's en de effecten ervan nodig om bij het beoordelen van hun portefeuilles met meer elementen rekening te kunnen houden dan uitsluitend blootstelling aan koolstof. [Am. 2]

(6 ter)

Gezien de urgentie van de met elkaar samenhangende problemen van de achteruitgang van het milieu en de overconsumptie van hulpbronnen moet een systemische benadering worden gevolgd om exponentieel groeiende negatieve trends aan te pakken, zoals het verlies van biodiversiteit, de wereldwijde overconsumptie van hulpbronnen, het ontstaan van nieuwe bedreigingen, waaronder gevaarlijke chemische producten en mengsels daarvan, voedselschaarste, klimaatverandering, aantasting van de ozonlaag, verzuring van de oceanen, uitputting van drinkwaterbronnen en verandering van landgebruik. Daarom moeten de te ondernemen acties toekomstgericht zijn en geschikt zijn het hoofd te bieden aan de komende uitdagingen. Door de omvang van die uitdagingen zijn een alomvattende en ambitieuze benadering en de toepassing van een streng voorzorgsbeginsel vereist. [Am. 3]

(7)

In Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (10) is opgeroepen tot een uitbreiding van de financiering door de private sector voor milieu- en klimaatgerelateerde uitgaven, met name door het invoeren van stimulansen en methodologieën die bedrijven aanzetten tot meting van de milieukosten van hun activiteiten en van de winst als gevolg van het gebruik van milieudiensten.

(7 bis)

In het initiatiefverslag van het Europees Parlement van 29 mei 2018 betreffende duurzame financiering zijn de essentiële elementen voor de duurzaamheidsindicatoren en de taxonomie als prikkels voor duurzame beleggingen vastgelegd. De desbetreffende wetgeving moet voorzien in een afdoende mate van samenhang. [Am. 4]

(8)

Om de SDG's in de Unie te verwezenlijken, moeten kapitaalstromen naar duurzame investeringen worden geleid. Het is van belang het potentieel van de interne markt ten volle te benutten om die doelstellingen te verwezenlijken. Daarnaast is het van belang om ervoor te zorgen dat kapitaalstromen die naar duurzame investeringen worden geleid, niet worden verstoord op de interne markt.

(8 bis)

De omvang van die uitdagingen vereist een geleidelijke verschuiving van het financiële stelsel als geheel teneinde ervoor te zorgen dat de economie op een duurzame basis kan functioneren. Hiertoe moet duurzame financiering de standaard worden en moet rekening worden gehouden met het duurzaamheidseffect ten aanzien van financiële producten en diensten. [Am. 5]

(9)

Financiële producten aanbieden waarmee ecologisch duurzame doelstellingen worden nagestreefd, is een doeltreffende manier om particuliere beleggingen geleidelijk te kanaliseren verschuiven van activiteiten met een negatief milieueffect naar duurzame duurzamere activiteiten. Nationale vereisten om financiële producten , diensten en bedrijfsobligaties als duurzame beleggingen in de zin van deze verordening in de markt te zetten, met name vereisten waarmee de betrokken marktspelers een nationaal label kunnen gebruiken, zetten in op het vergroten van het beleggersvertrouwen en de bewustwording van risico's , het creëren van zichtbaarheid en het aanpakken van zorgen over “greenwashing”. Met “greenwashing” wordt de praktijk bedoeld waarbij een oneerlijk concurrentievoordeel wordt verkregen door een financieel product als milieuvriendelijk in de markt te zetten, terwijl dat in feite niet aan elementaire milieunormen voldoet. Momenteel zijn er slechts in een paar lidstaten regelingen voor het toekennen van labels. Deze berusten op uiteenlopende taxonomieën voor de classificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten. Gezien de politieke toezeggingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs en op Unieniveau, valt te verwachten dat meer en meer lidstaten zullen overwegen regelingen voor de toekenning van labels op te zetten of andere eisen aan marktspelers te stellen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam in de markt worden gezet. Daarbij zouden lidstaten dan hun eigen nationale taxonomieën gebruiken om te bepalen welke beleggingen als duurzaam kwalificeren. Indien dergelijke nationale vereisten zijn gebaseerd op uiteenlopende criteria en indicatoren voor het beantwoorden van de vraag welke economische activiteiten als ecologisch duurzaam kwalificeren, zullen beleggers ontmoedigd worden om over de grenzen heen te investeren door de problemen die zij hebben om de verschillende beleggingskansen te vergelijken. Daarnaast zouden economische spelers die beleggingen van over de hele Unie willen aantrekken, in de verschillende lidstaten aan uiteenlopende criteria moeten voldoen, willen hun activiteiten voor de verschillende labels als ecologisch duurzaam kwalificeren. Het ontbreken van eenvormige criteria en indicatoren zal beleggingen op een in milieuopzicht ondoeltreffende, en in sommige gevallen contraproductieve, wijze kanaliseren en ertoe leiden dat de milieu- en duurzaamheidsdoelstellingen niet worden verwezenlijkt. Dit ontbreken drijft dus de kosten opdrijven op en zal doet een sterk negatieve prikkel doen ontstaan voor economische spelers, die zou neerkomen neerkomt op een belemmering van de toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten voor duurzame beleggingen. De barrières voor toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten met het oog op het aantrekken van middelen voor duurzame projecten, zullen naar verwachting nog verder toenemen. De criteria en indicatoren om te bepalen wanneer de mate van duurzaamheid van een economische activiteit ecologisch duurzaam is te bepalen , dienen dus op Unieniveau te worden geharmoniseerd, om de hinderpalen voor het functioneren van de interne markt op te ruimen en te voorkomen dat verdere hinderpalen ontstaan. Met dit soort harmonisatie van informatie, cijfers en criteria zullen economische spelers het eenvoudiger vinden om over de grenzen heen financiering aan te trekken voor hun groene ecologisch duurzame activiteiten, omdat hun economische activiteiten kunnen worden afgetoetst aan eenvormige criteria en indicatoren om te worden geselecteerd als onderliggende activa voor ecologisch duurzame beleggingen. Een en ander zal dus ertoe bijdragen om in de Unie beleggingen over grenzen heen aan te trekken. [Am. 6]

(9 bis)

Om het mogelijk te maken dat de Unie haar milieu- en klimaatverbintenissen kan nakomen, is het van belang particuliere beleggingen te mobiliseren. Dit vereist langetermijnplanning, stabiele regelgeving en voorspelbaarheid voor investeerders. Teneinde een coherent beleidskader voor duurzame beleggingen te waarborgen, is het dan ook van belang dat de bepalingen van deze verordening voortbouwen op bestaande Uniewetgeving. [Am. 7]

(10)

Bovendien is het zo dat, indien marktdeelnemers geen toelichting informatie verschaffen over de vraag hoe de activiteiten waarin zij beleggen op negatieve of positieve wijze aan milieudoelstellingen bijdragen of indien zij in hun toelichting uiteenlopende concepten hanteren over wat over de mate van ecologische duurzaamheid van een “duurzame” economische activiteit is uiteenlopende cijfers en criteria voor het bepalen van het effect hanteren , beleggers het onevenredig lastig zullen vinden om deze verschillende financiële producten te controleren en te vergelijken. Gebleken is dat beleggers hierdoor worden ontmoedigd om in groene duurzame financiële producten te beleggen. Bovendien heeft het gebrek aan beleggersvertrouwen belangrijke schadelijke effecten op de markt voor duurzame beleggingen. Voorts is aangetoond dat nationale regels of marktgebaseerde initiatieven om binnen nationale grenzen iets te doen aan deze kwestie, zullen leiden tot compartimentering van de interne markt. Indien financiëlemarktdeelnemers informatie verschaffen over de vraag hoe financiële producten die volgens hen milieuvriendelijk zijn, aan milieudoelstellingen voldoen en indien zij voor die informatieverschaffing gebruikmaken van in de hele Unie gemeenschappelijke criteria voor wat een ecologisch duurzame economische activiteit is, zal dit beleggers helpen om milieuvriendelijke de milieu-impact van beleggingskansen over de grenzen heen te vergelijken en zal dit ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd aansporen duurzamere bedrijfsmodellen te ontwikkelen . Beleggers zullen in de hele Unie met meer vertrouwen in groene financiële producten beleggen, hetgeen het functioneren van de interne markt ten goede zal komen. [Am. 8]

(10 bis)

Teneinde een zinvol milieu- en breder duurzaamheidseffect te bewerkstelligen, onnodige administratieve lasten voor financiëlemarktdeelnemers en andere stakeholders te verminderen en de groei van Europese financiële markten die duurzame economische activiteiten financieren te bevorderen, moet de taxonomie worden gebaseerd op geharmoniseerde, vergelijkbare en uniforme criteria en indicatoren, met inbegrip van ten minste de indicatoren voor de circulaire economie. Die indicatoren moeten met de uniforme methode voor de beoordeling van levenscycli in overeenstemming worden gebracht en in regelgevingsinitiatieven van de Unie worden toegepast. Zij dienen de grondslag te vormen voor de beoordeling van het risico en milieueffect van economische activiteiten en beleggingen. Overlappingen op het gebied van regelgeving moeten worden voorkomen, omdat dit niet in overeenstemming is met de beginselen inzake betere regelgeving en evenredigheid en de doelstelling om een consistente terminologie en een helder regelgevingskader te creëren. Ook onnodige lasten voor zowel overheden als financiële instellingen moeten worden voorkomen. In dat licht moeten ook het toepassingsgebied en het gebruik van de technische screeningcriteria, alsook de koppeling met andere initiatieven, duidelijk worden vastgelegd voordat de taxonomie en de desbetreffende criteria van kracht worden. Bij het vaststellen van geharmoniseerde criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten moeten de bevoegdheden van de lidstaten in de verschillende beleidsterreinen in acht genomen worden. De vereisten van deze verordening moeten op een evenredige manier van toepassing zijn om kleine en niet-complexe instellingen in de zin van deze verordening [Am. 9]

(10 ter)

De indicatoren moeten worden geharmoniseerd op basis van reeds geleverde inspanningen, zoals de werkzaamheden van de Commissie, het Europees Milieuagentschap en de OESO, en moeten het milieueffect vaststellen van CO2- en andere emissies, biodiversiteit, de productie van afvalstoffen, het gebruik van energie en hernieuwbare energie, grondstoffen, water en direct en indirect landgebruik, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029), het EU-actieplan voor de circulaire economie (COM(2015)0614) en de resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie (2014/2208(INI)). Voorts moet bij de ontwikkeling van de indicatoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau “Support to Circular Economy Financing” van de Europese Commissie. De Commissie moet beoordelen op welke wijze de werkzaamheden van deze deskundigengroep en die van de technische deskundigengroep geïntegreerd moeten worden. De indicatoren moeten in overeenstemming zijn met de internationaal erkende duurzaamheidsnormen. [Am. 10]

(11)

Om de bestaande hinderpalen voor het functioneren van de interne markt aan te pakken en om te vermijden dat in de toekomst dergelijke obstakels ontstaan, dient van de lidstaten en de Unie te worden verlangd dat zij, wanneer zij op nationaal niveau eisen aan marktspelers uitwerken om financiële producten , diensten of overheidsobligaties een label ecologisch duurzaam toe te kennen, een gemeenschappelijk concept hanteren ten aanzien van wat een ecologisch duurzame belegging is de mate van ecologische duurzaamheid van beleggingen . Om diezelfde redenen dienen fondsbeheerders en institutionele beleggers die afficheren dat zijzelf milieudoelstellingen nastreven, van hetzelfde concept van ecologisch duurzame belegging en dezelfde indicatoren, cijfers en criteria voor het berekenen van het milieueffect gebruik te maken wanneer zij informatie verschaffen over de vraag hoe zij die doelstellingen nastreven. [Am. 11]

(12)

De vaststelling van criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten kan bedrijven ertoe aanzetten om op hun websites, op vrijwillige basis, informatie te verschaffen over de ecologisch duurzame economische het milieueffect van activiteiten die zij verrichten. Die informatie zal niet alleen de betrokken spelers op de financiële markten helpen om gemakkelijk uit te maken welke bedrijven ecologisch duurzame wat de mate van ecologische duurzaamheid van de door bedrijven verrichte economische activiteiten verrichten is , maar ook zal zij die bedrijven helpen om financiering voor hun groene activiteiten aan te trekken. [Am. 12]

(13)

Een Unieclassificatie Uniebrede indicatoren voor het bepalen van ecologisch duurzame economische activiteiten zou zouden de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid faciliteren, met inbegrip van Uniebrede normen en strategieën voor ecologisch duurzame financiële producten, en uiteindelijk de vaststelling van labels die formele erkenning bieden van de inachtneming van die normen in de hele Unie en de grondslag vormen voor andere economische, regelgevings- en prudentiële maatregelen . Eenvormige juridische vereisten om voor het vaststellen van de mate van ecologische duurzaamheid van beleggingen, op basis van eenvormige criteria voor ecologisch duurzame de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten en gemeenschappelijke indicatoren voor beoordeling van het milieueffect van beleggingen , als economisch duurzame beleggingen te beschouwen, zijn noodzakelijk als ijkpunt voor toekomstige Uniewetgeving die inzet op het faciliteren van die de verschuiving van beleggingen met een negatieve milieu-impact naar beleggingen met een positief effect . [Am. 13]

(14)

In het kader van het bereiken van SDG's in de Unie, zijn kunnen beleidskeuzes zoals de oprichting van een Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) doeltreffend gebleken zijn om particuliere beleggingen — samen met overheidsuitgaven — te mobiliseren en naar duurzame beleggingen te leiden. Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad (11) geeft 40 % klimaatinvesteringen als horizontaal streefcijfer voor infrastructuur- en innovatieprojecten in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen. Gemeenschappelijke criteria voor de duurzaamheid van economische activiteiten en gemeenschappelijke indicatoren voor milieueffectbeoordeling kunnen nieuwe vergelijkbare initiatieven van de Unie schragen die investeringen ondersteunen waarmee klimaatgerelateerde of andere milieudoelstellingen worden nagestreefd gemobiliseerd . [Am. 14]

(15)

Om te vermijden dat de markt wordt gecompartimenteerd, maar ook dat consumentenbelangen worden geschaad door een uiteenlopende invulling ideeën ten aanzien van de mate van ecologische duurzaamheid van het begrip ecologisch duurzame economische activiteiten, dienen nationale vereisten die marktspelers in acht dienen te nemen wanneer zij hun financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzaam in de zin van deze verordening in de markt willen zetten, voort te bouwen op de eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Bij die marktspelers gaat het om financiëlemarktdeelnemers die “groene” duurzame financiële producten of diensten aanbieden, en om niet-financiële vennootschappen die “groene” duurzame bedrijfsobligaties uitgeven. [Am. 15]

(16)

Om te vermijden dat consumentenbelangen worden geschaad, dienen fondsbeheerders en institutionele beleggers die financiële producten als zijnde ecologisch duurzaam aanbieden, informatie te verschaffen over de vraag hoe en in welke mate de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten zijn gebruikt om de ecologische duurzaamheid van de beleggingen te bepalen. De verschafte informatie dient beleggers in staat te stellen inzicht te krijgen in het gedeelte van de belegging waarmee ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, uitgedrukt als percentage van alle economische activiteiten — en dus in de mate van ecologische duurzaamheid van de belegging. De Commissie dient nader aan te geven welke informatie daarvoor dient te worden verschaft. Die informatie dient nationale bevoegde autoriteiten in staat te stellen om de inachtneming van de informatieverschaffingsverplichting eenvoudig na te gaan en om die verplichting af te dwingen in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht.

(17)

Om te vermijden dat de informatieverschaffingsverplichting wordt omzeild, dient die verplichting ook te gelden bij het aanbieden van voor alle financiële producten met kenmerken die vergelijkbaar zijn met ecologisch duurzame beleggingen, met inbegrip van die beleggingen die milieubescherming in ruime zin als doelstelling hebben. Van financiëlemarktdeelnemers dient niet te worden verlangd dat zij uitsluitend beleggen in ecologisch duurzame economische activiteiten die zijn vastgesteld in overeenstemming met de in deze verordening beschreven technische screeningcriteria. Zij Financiëlemarktdeelnemers en andere actoren dienen te worden aangemoedigd om de Commissie te informeren indien zij van mening zijn dat een economische activiteit die niet aan de technische screeningcriteria voldoet of waarvoor dergelijke criteria voor de activiteiten die zij financieren nog niet zijn vastgesteld, of dat hun financiële producten als ecologisch duurzaam dient dienen te worden beschouwd, ten einde teneinde de Commissie te helpen na te gaan of de technische screeningcriteria dienen te worden aangevuld of bijgewerkt. [Am. 16]

(18)

Om uit te maken of in welke mate een economische activiteit ecologisch duurzaam is, dient een uitputtende lijst van milieudoelstelling milieudoelstellingen te worden vastgesteld op basis van indicatoren die de milieu-impact meten, met inachtneming van de impact op de volledige industriële waardeketen en de samenhang met de bestaande Uniewetgeving, zoals het pakket schone energie . [Am. 17]

(19)

De milieudoelstelling van bescherming van gezonde ecosystemen dient te worden uitgelegd rekening houdende met de desbetreffende wetgevings- en niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (12), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (13), Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (14), de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (15), de EU-strategie voor groene infrastructuur, Richtlijn 91/676/EEG van de Raad (16), Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad (17), Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad (18), het actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) (19) en het actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (20).

(20)

Voor elk van de milieudoelstellingen dienen eenvormige criteria op grond van middels geharmoniseerde indicatoren verstrekte informatie te worden vastgesteld om economische activiteiten te beschouwen als substantieel bijdragend aan die doelstelling. Een onderdeel van de eenvormige criteria dient te zijn dat aanzienlijke schade aan in deze verordening beschreven milieudoelstellingen wordt vermeden. Zo moet worden vermeden dat beleggingen als ecologisch duurzaam worden beschouwd ook al berokkenen de economische activiteiten die van deze beleggingen profiteren, meer schade aan het milieu dan de bijdrage die zij leveren aan een milieudoelstelling. De voorwaarden voor een substantiële bijdrage en voor het niet berokkenen van aanzienlijke schade dienen het mogelijk te maken dat beleggingen in ecologisch duurzame economische activiteiten een reële bijdrage leveren aan de milieudoelstellingen. [Am. 18]

(21)

Indachtig de gezamenlijke toezegging van het Europese Parlement, de Raad en de Commissie om de beginselen die in de Europese pijler van sociale rechten zijn vastgelegd ter ondersteuning van duurzame en inclusieve groei en bewust van de relevantie van internationale minimumnormen inzake mensen- en arbeidsrechten, dient inachtneming van minimumgaranties een voorwaarde te zijn, willen economische activiteiten als ecologisch duurzaam kwalificeren. Om die reden dienen economische activiteiten uitsluitend als ecologisch duurzaam te kwalificeren wanneer zij worden verricht met inachtneming van de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna “IAO” genoemd) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk en de acht IAO-basisverdragen. In de IAO-basisverdragen worden mensenrechten en arbeidsrechten vastgesteld die bedrijven in acht moeten nemen. Diverse van deze internationale normen zijn ook vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name het verbod van slavernij en dwangarbeid en het non-discriminatiebeginsel. Die minimumgaranties laten in voorkomend geval de toepassing onverlet van strengere eisen inzake milieu, gezondheid, veiligheid en sociale duurzaamheid die in het Unierecht zijn vastgesteld.

(22)

Gezien de specifieke technische details die nodig zijn om de milieu-impact van een economische activiteit te beoordelen, en gezien het snel veranderende karakter van wetenschap en technologie, dienen de criteria ter bepaling van ecologisch duurzame de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten op regelmatige tijdstippen aan die veranderingen te worden aangepast. Willen de criteria en indicatoren actueel zijn en gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs en input van deskundigen en betrokken stakeholders, dan dienen de voorwaarden voor wat een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade is voor de verschillende economische activiteiten, meer in detail te worden uitgewerkt en dienen zij op regelmatige tijdstippen te worden bijgewerkt. Met het oog daarop dient de Commissie voor de verschillende economische activiteiten gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria en een reeks geharmoniseerde indicatoren vast te stellen, op basis van de technische input van een multistakeholderplatform voor duurzame financiering. [Am. 19]

(23)

Sommige economische activiteiten hebben een negatieve impact op het milieu en een substantiële bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kan worden bereikt door die negatieve impact te verminderen. Voor die economische activiteiten dienen technische screeningcriteria te worden vastgesteld die een substantiële verbetering van de milieuprestaties ten opzichte van (onder meer) het sectorale gemiddelde vergen teneinde te bepalen of de activiteiten een aanzienlijke bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kunnen leveren . Die criteria dienen ook rekening te houden met de impact op lange termijn (namelijk meer dan drie jaar) van een bepaalde economische activiteit , met name de milieuvoordelen van producten en diensten tijdens het gebruik ervan, alsook de bijdrage van tussenproducten, zodat de productie- en gebruiksfasen in hun totaliteit voor de volledige gegenereerde meerwaarde, in de volledige waardeketen en gedurende de hele levenscyclus, worden beoordeeld . [Am. 20]

(24)

Een economische activiteit mag niet als ecologisch duurzaam worden beschouwd indien deze het milieu meer schade berokkent dan de voordelen die zij onder de streep geen winst voor het milieu oplevert. De technische screeningcriteria dienen de minimumeisen in kaart te brengen die nodig zijn om aanzienlijke schade aan andere doelstellingen te vermijden. Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria dient de Commissie erop toe te zien dat die criteria redelijk en evenredig zijn en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en dat zij op geregelde tijdstippen worden bijgewerkt, met inachtneming van de volledige waardeketen en de levenscyclus van technologieën. Zij dient er ook op toe te zien dat de criteria op regelmatige wijze worden bijgewerkt. Wanneer het risico op basis van wetenschappelijke evaluatie met onvoldoende zekerheid kan worden bepaald, dient het voorzorgsbeginsel te gelden, overeenkomstig artikel 191 VWEU. [Am. 21]

(25)

Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria en een reeks geharmoniseerde indicatoren dient de Commissie rekening te houden met het desbetreffende Unierecht, alsmede met reeds bestaande niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad (21), het EU-milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) (22), de EU-criteria voor groene overheidsopdrachten (23) , het platform voor circulaire economie van de Commissie, het Europees Platform voor de beoordeling van levenscycli en de lopende werkzaamheden met betrekking tot regels voor de ecologische voetafdruk van producten en organisaties (24). Om onnodige incoherenties te vermijden met classificaties van economische activiteiten die reeds voor andere doeleinden bestaan, dient de Commissie ook rekening te houden met de statistische classificaties met betrekking tot de sector milieugoederen en -diensten, met name de classificatie van activiteiten voor de bescherming van het milieu (CEPA) en de classificatie van activiteiten voor het beheer van hulpbronnen (CReMA) (25). [Am. 22]

(26)

Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria en de geharmoniseerde indicatoren dient de Commissie ook rekening te houden met de specifieke kenmerken van de infrastructuursector verschillende sectoren en dient zij ook ecologische, sociale en economische externaliteiten in een kosten-batenanalyse mee te nemen. Op dat punt dient de Commissie rekening te houden met de werkzaamheden van internationale organisaties, zoals de OESO, de desbetreffende Uniewetgeving en -normen, met inbegrip van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (26), Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (27), Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (28), Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (29), Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (30), en de bestaande methodiek. In dat verband dienen de technische screeningcriteria en indicatoren passende governanceraamwerken te bevorderen waarin ecologische, sociale en governancefactoren zijn geïntegreerd, als bedoeld in de door de Verenigde Naties gesteunde Principles for Responsible Investment (UN PRI) (31), tijdens alle fasen van de levenscyclus van een project. [Am. 23]

(26 bis)

Bij het vaststellen van de technische screeningcriteria dient de Commissie ook rekening te houden met maatregelen ten behoeve van de transitie naar een duurzamere koolstofarme economie. Voor ondernemingen die momenteel economische activiteiten verrichten die uiterst schadelijk zijn voor het milieu, moeten er stimulansen zijn voor een snelle transitie naar een ecologisch duurzame of ten minste ecologisch onproblematische status. De technische screeningcriteria moeten dergelijke reeds lopende transitieprocessen aanmoedigen. Als het merendeel van de ondernemingen die een bepaalde schadelijke activiteit verrichten aantoonbaar betrokken is bij een dergelijke transitie, kan daar in de screeningcriteria rekening mee worden gehouden. Onder meer aanhoudende inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling, grote projecten waarbij geïnvesteerd wordt in nieuwe en ecologisch duurzamere technologieën, of concrete transitieplannen vanaf het moment dat zij zich in een vroege uitvoeringsfase bevinden, kunnen het bewijs vormen dat ernstige inspanningen voor transitie worden geleverd. [Am. 24]

(27)

Om ecologisch duurzame innovatie te bevorderen en te vermijden dat bij het aantrekken van financiering voor ecologisch duurzame economische activiteiten de mededinging wordt verstoord, dienen de technische screeningcriteria ervoor te zorgen dat alle betrokken economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak de macrosectoren (d.w.z. NACE-sectoren als landbouw, bosbouw en visserij, productie, elektriciteit, gas, stoom en airconditioning, bouw, vervoer en opslag) als ecologisch duurzaam kunnen kwalificeren en gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan één of meer van de in deze verordening bepaalde milieudoelstellingen bijdragen en geen aanzienlijke schade berokkenen aan één van de andere in de artikelen 3 en 12 bedoelde milieudoelstellingen . Hun potentiële vermogen om aan die milieudoelstellingen bij te dragen, kan echter verschillen tussen bedrijfstakken, hetgeen in de criteria screeningcriteria tot uiting dient te komen. Binnen elke bedrijfstak economische macrosector mogen deze criteria echter niet bepaalde economische activiteiten oneerlijk benadelen tegenover andere indien die eerste groep in dezelfde mate aan de milieudoelstellingen bijdraagt als de tweede groep en geen aanzienlijke schade berokkent aan één van de andere in de artikelen 3 en 12 bedoelde milieudoelstellingen . [Am. 25]

(27 bis)

Ecologisch duurzame activiteiten zijn het resultaat van technologieën en producten die binnen alle onderdelen van de waardeketen worden ontwikkeld. Het is dan ook zaak dat de technische screeningcriteria de rol van de gehele waardeketen beslaan, uiteenlopend van de verwerking van grondstoffen, het eindproduct en de afvalfase, tot de daadwerkelijke verrichting van ecologisch duurzame activiteiten. [Am. 26]

(27 ter)

Teneinde te voorkomen dat goed werkende waardeketens worden verstoord, moet bij het vaststellen van de screeningcriteria rekening worden gehouden met het feit dat ecologisch duurzame activiteiten het resultaat zijn van technologieën en producten die door verschillende economische actoren zijn ontwikkeld. [Am. 27]

(28)

Bij het vaststellen van technische screeningcriteria dient de Commissie na te gaan of de vaststelling van die criteria voor ecologisch duurzame activiteiten aanleiding kan geven tot gestrande activa of incoherente prikkels kan afgeven., en of een en ander een negatief effect op liquiditeit van financiële markten kan hebben. [Am. 28]

(29)

Om te vermijden dat compliancekosten een te grote belasting zijn voor economische spelers, dient de Commissie technische screeningcriteria vast te stellen die voldoende rechtszekerheid bieden, werkbaar zijn, eenvoudig zijn toe te passen en waarvan de naleving binnen redelijke marges inzake compliancekosten na te gaan zijn.

(30)

Om ervoor te zorgen dat beleggingen worden gekanaliseerd naar economische activiteiten die de grootste positieve impact op de milieudoelstellingen hebben, dient de Commissie prioriteit te geven aan de vaststelling van technische screeningcriteria voor de economische activiteiten die potentieel het meeste aan de milieudoelstellingen bijdragen. Ten behoeve van het identificeren en ontwikkelen van nieuwe technologieën moeten de screeningcriteria rekening houden met de resultaten van projecten en de schaalbaarheid van deze technologieën. [Am. 29]

(31)

Passende technische screeningcriteria dienen te worden vastgesteld voor de vervoersector, onder meer voor mobiele activa, die rekening dienen te houden met de gehele levenscyclus van technologieën en met het feit dat de vervoersector, met inbegrip van de internationale scheepvaart, voor bijna 26 % bijdraagt aan de totale broeikasgasemissies in de Unie. Zoals bleek uit het actieplan duurzame groei financieren (32), vertegenwoordigt de vervoersector rond 30 % van de extra jaarlijkse investeringsbehoeften voor duurzame ontwikkeling in de Unie, onder meer door meer te elektrificeren of een sterkere transitie naar schonere vervoersvormen door het bevorderen van de modal shift en van verkeersbeheer. [Am. 30]

(32)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie, wanneer zij de uitwerking van technische screeningcriteria voorbereidt, de nodige consultaties houdt in lijn met de vereisten inzake betere regelgeving. Bij het proces voor de vaststelling en bijwerking van technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren dienen ook de desbetreffende stakeholders te worden betrokken en dient te worden voortgebouwd op wetenschappelijk bewijs, sociaal-economische impact, beste praktijken, bestaande werkzaamheden en entiteiten, met name van het platform voor circulaire economie van de Commissie, en het advies van deskundigen met bewezen kennis en ervaring voor de betrokken gebieden. Daartoe dient de Commissie een platform voor duurzame financiering op te zetten. Dit platform dient te bestaan uit een breed spectrum van deskundigen die zowel de publieke als de particuliere sector vertegenwoordigen teneinde te waarborgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van alle betrokken sectoren . Bij de vertegenwoordigers van de publieke sector dient het te gaan om deskundigen van het Europees Milieuagentschap (EEA) en nationale milieubeschermingsautoriteiten , de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA's) , de European Financial Reporting Advisory Group en de Europese Investeringsbank (EIB). Bij de deskundigen uit de particuliere sector dient gaat het te gaan om vertegenwoordigers van de betrokken stakeholders, zoals spelers op financiële en niet-financiële markten, vertegenwoordigers van de reële economie die een breed spectrum van industrieën vertegenwoordigen, en universiteiten, onderzoeksinstellingen, verenigingen en organisaties. In voorkomend geval moet het het platform vrij staan advies in te winnen bij niet-leden. Het platform dient de Commissie te adviseren over de uitwerking, analyse en herziening van technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren , onder meer wat betreft de potentiële impact ervan op de waardering van de activa die tot aan de vaststelling van de technische screeningcriteria volgens bestaande marktpraktijken als “groene” activa duurzaam werden beschouwd. Ook dient het platform de Commissie te adviseren over de vraag of de technische screeningcriteria en indicatoren geschikt zijn voor verder gebruik in toekomstige beleidsinitiatieven van de Unie die gericht zijn op het bevorderen van duurzame investeringen. Het platform moet de Commissie adviseren over de ontwikkeling van normen met betrekking tot de boekhouding en geïntegreerde verslaglegging inzake duurzame investeringen voor ondernemingen en financiëlemarktdeelnemers, onder meer in de vorm van de herziening van Richtlijn 2013/34/EU. [Am. 31]

(33)

Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze verordening uiteengezette vereisten, en met name met het oog op de vaststelling en uitwerking van gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria en indicatoren van wat voor verschillende economische activiteiten een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade aan de milieudoelstellingen is, dient ten aanzien van de informatie die vereist is om aan de in artikel 4, lid 3, uiteengezette informatieverschaffingsverplichting en de in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vermelde technische screeningcriteria te voldoen, aan de Commissie de bevoegdheid te worden overgedragen om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende publieke consultaties overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die consultaties plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen de deskundigen van het Europees Parlement en de Raad stelselmatig toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen. [Am. 32]

(34)

Om de betrokken spelers voldoende tijd te geven om zich vertrouwd te maken met de in deze verordening uiteengezette criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten en de toepassing ervan voor te bereiden, dienen de in deze verordening beschreven verplichtingen, voor elk van de milieudoelstellingen, van toepassing te worden zes maanden nadat de desbetreffende technische screeningcriteria zijn vastgesteld.

(35)

De toepassing van deze verordening dient op regelmatige tijdstippen en ten minste na twee jaar te worden bezien om na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de uitwerking van de technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren voor ecologisch duurzame en ecologisch schadelijke activiteiten, het gebruik van de definitie van ecologisch duurzame beleggingen ofwel beleggingen met een negatief milieueffect, en de vraag of inachtneming van de verplichtingen het opzetten van een verificatiemechanisme verdere verificatiemechanismes rechtvaardigt. Bij deze evaluatie dient dienen ook de bepalingen te worden nagegaan of beoordeeld die nodig zijn voor het uitbreiden van het toepassingsgebied van deze verordening moet worden uitgebreid tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen. In voorkomend geval maakt de Commissie uiterlijk op 31 maart 2020 wetgevingsvoorstellen bekend betreffende de inrichting van een op naleving gericht verificatiemechanisme. [Am. 33]

(36)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden gerealiseerd, omdat op Unieniveau eenvormige criteria en indicatoren moeten worden ingevoerd voor ecologisch duurzame economische activiteiten, kan de Unie maatregelen nemen in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken, [Am. 34]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden de criteria vastgesteld om uit te maken of hoe groot het milieueffect en de mate van duurzaamheid van een economische activiteit ecologisch duurzaam is, zijn met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging.

2.   Deze verordening is van toepassing op:

a)

door lidstaten of de Unie genomen maatregelen waarin voor marktspelers financiëlemarktdeelnemers vereisten worden uiteengezet ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die binnen de Unie als ecologisch duurzaam op de markt worden gebracht;

b)

financiëlemarktdeelnemers die binnen de Unie financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzame beleggingen of als beleggingen die vergelijkbare kenmerken hebben , en .

(b bis)

financiëlemarktdeelnemers die andere financiële producten aanbieden, behalve wanneer:

i

zij verklaringen bieden, die door redelijke bewijzen worden geschraagd tot tevredenheid van de bevoegde autoriteiten, dat de economische activiteiten die door hun financiële producten gefinancierd worden geen grote impact op de duurzaamheid hebben volgens de in artikel 3 en artikel 3 bis bedoelde technische screeningcriteria, in welk geval de bepalingen van hoofdstuk II en III niet van toepassing zijn. Deze informatie wordt in hun prospectus opgenomen, of

ii)

de financiëlemarktdeelnemer in zijn prospectus verklaart dat het financiële product in kwestie geen duurzaamheidsdoelstellingen nastreeft en een verhoogd risico met zich meebrengt om economische activiteiten te ondersteunen die overeenkomstig deze verordening niet als duurzaam beschouwd worden.

2 bis.     De in artikel 1, lid 1, bedoelde criteria worden op een evenredige wijze toegepast waarbij buitensporige administratieve rompslomp wordt vermeden en rekening wordt gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de financiëlemarktdeelnemer en kredietinstellingen door middel van vereenvoudigde bepalingen voor kleine en niet-complexe eenheden overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, lid 2 quinquies.

2 ter.     De in artikel 1, lid 1, bedoelde criteria kunnen op vrijwillige basis worden gebruikt voor het in dat lid genoemde doel door ondernemingen die niet onder artikel 1, lid 2, vallen, alsook voor andere financiële instrumenten dan bedoeld in artikel 2.

2 quater.     De Commissie stelt een gedelegeerde handeling vast om te specificeren welke informatie financiëlemarktdeelnemers bij de bevoegde autoriteiten moeten indienen voor de toepassing van artikel 1, lid 2, onder a). [Ams. 35, 55, 59, 87 en 96]

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“ecologisch duurzame belegging”: een investering waarmee één of meerdere economische activiteiten worden gefinancierd die op grond van deze verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren;

b)

“financiëlemarktdeelnemers”: financiëlemarktdeelnemers elk van de volgende categorieën, in de zin van artikel 2, onder a), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341];

i)

een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de zin van [PB: verwijzing invoegen naar het desbetreffende artikel van Verordening (EU) nr. 575/2013];

(b bis)

“uitgevende instelling”: een beursgenoteerde uitgevende instelling in de zin van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad  (33) , en van artikel 2, onder h), van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad  (34);

c)

“financiële producten”: financiële producten vermogensbeheer, een abi-beheerder, een IBIP, een pensioenproduct, een pensioenregeling of een icbe, of een bedrijfsobligatie, in de zin van artikel 2, onder j), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341] , evenals de uitgifte van effecten als bedoeld in Richtlijn 2003/71/EG en Verordening (EU)2017/1129 ;

(c bis)

“milieu-indicatoren”: ten minste de meting van het verbruik van hulpbronnen, zoals grondstoffen, energie, hernieuwbare energie, water, effect op ecosysteemdiensten, emissies van onder meer CO2, effect op biodiversiteit en landgebruik en productie van afvalstoffen, gebaseerd op wetenschappelijk bewijs en de methode van de Commissie voor de beoordeling van levenscycli en overeenkomstig de mededeling van de Commissie over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029);

(c ter)

“relevante nationale bevoegde autoriteit”: de bevoegde of toezichthoudende autoriteit of autoriteiten in de lidstaat als bedoeld in de Uniewetgeving vermeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010, Verordening (EU) nr. 1093/2010 en Verordening (EU) nr. 1094/2010, waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op de categorie financiëlemarktdeelnemers die onder de in artikel 4 van deze verordening bedoelde informatieverschaffingsverplichting vallen;

(c quater)

“betrokken ESA”: de Europese toezichthoudende autoriteit of toezichthoudende autoriteit of autoriteiten als bedoeld in de Uniewetgeving vermeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en/of Verordening (EU) nr. 1095/2010, waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op de categorie financiëlemarktdeelnemers die onder de in artikel 4 van deze verordening bedoelde informatieverschaffingsverplichting vallen;

d)

“mitigatie van klimaatverandering”: het proces de processen, met inbegrip van overgangsmaatregelen, vereist om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 oC, ten aanzien van het pre-industriële niveau en waarbij ernaar wordt gestreefd de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 oC boven het pre-industriële niveau , zoals bepaald in de Overeenkomst van Parijs ;

e)

“adaptatie aan klimaatverandering”: het proces van aanpassing aan het de daadwerkelijke en verwachte klimaat klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

f)

“broeikasgas”: een broeikasgas genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (35);

g)

“circulaire economie”: het zolang mogelijk gebruiken en behouden van de waarde van producten, materialen en alle andere hulpbronnen in de economie op hun piekniveau om zo de milieueffecten terug te dringen en het de afvalproductie tot een minimum beperken van de afvalproductie te beperken , onder meer door toepassing van de afvalhiërarchie vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (36) , alsook het tot een minimum beperken van het gebruik van hulpbronnen op basis van essentiële indicatoren voor de circulaire economie zoals uiteengezet in het monitoringkader voor voortgang naar een circulaire economie, met betrekking tot verschillende productiestadia, consumptie en afvalbeheer ;

h)

“verontreiniging”:

i)

de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte, of geluid , licht of andere verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;

ii)

in het kader van mariene verontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (37);

ii bis)

in het kader van waterverontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad;

(i)

“gezond ecosysteem”: een ecosysteem dat in goede fysische, chemische en biologische toestand verkeert of dat van een goede fysische, chemische en biologische kwaliteit is en dat in staat is tot zelfreproductie of zelfherstel tot evenwicht en dat biodiversiteit in stand houdt ;

j)

“energie-efficiëntie”: een efficiënter energiegebruik in alle stadia van de energieketen — van opwekking tot eindverbruik;

k)

“goede milieutoestand”: een goede milieutoestand in de zin van artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

l)

“mariene wateren”: mariene wateren in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;

m)

“oppervlaktewater”, “binnenwateren”, “overgangswater” en “kustwateren” hebben dezelfde betekenis als in artikel 2, punten 1, 3, 6 en 7, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (38);

n)

“duurzaam bosbeheer”: het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, alsook het vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving . [Ams. 36, 88 en 89]

Hoofdstuk II

Ecologisch duurzame economische activiteiten

Artikel 3

Criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten

Met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging is een economische activiteit ecologisch duurzaam wanneer die activiteit aan elk van de volgende criteria voldoet:

a)

de economische activiteit draagt, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, substantieel bij aan één of meer van de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;

b)

de economische activiteit berokkent, overeenkomstig artikel 12, geen aanzienlijke schade aan de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;

c)

de economische activiteit wordt verricht met inachtneming van de in artikel 13 vastgestelde minimumgaranties;

d)

de economische activiteit voldoet aan de technische screeningcriteria wanneer de Commissie die nader heeft uitgewerkt op basis van geharmoniseerde indicatoren die de duurzaamheidsimpact van de economische activiteit op ondernemings- of planniveau meten, in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2. [Am. 37]

Artikel 3 bis

Criteria voor economische activiteiten met een aanzienlijk negatief milieueffect

Tegen 31 december 2021 voert de Commissie een effectbeoordeling uit van de gevolgen van de herziening van deze verordening, teneinde het kader voor duurzame investeringen uit te breiden met een kader om criteria te definiëren voor wanneer, en hoe, een economische activiteit een significante impact heeft op de duurzaamheid. [Am. 38]

Artikel 4

Gebruik van de Toepassing en naleving van criteria voor het bepalen van de mate van ecologisch duurzame ecologische duurzaamheid van economische activiteiten

1.   De lidstaten en de Unie passen de in artikel 3 voor het bepalen van de mate van ecologisch ecologische duurzame duurzaamheid van economische activiteiten vastgelegde criteria toe met het oog op maatregelen tot vaststelling van vereisten duurzaamheidsvereisten voor marktspelers ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties. die als “ecologisch duurzaam” in de markt worden gezet.

2.   Financiëlemarktdeelnemers die financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzaam of als beleggingen met vergelijkbare kenmerken, verschaffen informatie over de vraag hoe en in welke mate de in artikel 3 voor ecologisch duurzame economische activiteiten vastgelegde criteria worden gebruikt om de ecologische duurzaamheid van de belegging te bepalen. of bedrijfsobligaties aanbieden, verschaffen de relevante informatie waardoor vastgesteld kan worden of de producten die zij aanbieden gekwalificeerd kunnen worden als duurzame investeringen overeenkomstig de criteria van artikel 3. Wanneer financiëlemarktdeelnemers van oordeel zijn dat een economische activiteit die niet voldoet aan de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria of waarvoor die technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, kunnen zij de Commissie daarvan in kennis stellen. waarvoor technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. In voorkomend geval stelt de Commissie het in artikel 15 bedoelde platform voor duurzame financiering in kennis van dergelijke verzoeken door financiëlemarktdeelnemers. Financiëlemarktdeelnemers bieden geen financiële producten aan als zijnde ecologisch duurzaam of als beleggingen met vergelijkbare kenmerken indien die producten niet als ecologisch duurzaam kunnen worden gekwalificeerd.

2 bis.     De lidstaten houden in nauwe samenwerking met de betrokken ESA toezicht op de informatie als bedoeld in lid 2. De financiëlemarktdeelnemers geven de informatie door aan de relevante nationale bevoegde autoriteit die de informatie vervolgens onverwijld aan de betrokken ESA doorgeeft. Wanneer de relevante nationale bevoegde autoriteit of de betrokken ESA het niet eens is met de gerapporteerde informatie als bedoeld in de leden 2 en 2 bis, evalueren en corrigeren de financiëlemarktdeelnemers de verstrekte informatie.

2 ter.     De verschaffing van informatie als bedoeld in artikel 4 voldoet aan de beginselen van eerlijke, heldere en niet-misleidende informatie die zijn opgenomen in Richtlijn (EU) 2014/65/EU en Richtlijn (EU) 2016/97 en de bevoegdheden voor interventie als bedoeld in artikel 4, lid 2 ter, in overeenstemming met degene die zijn opgenomen in Verordening nr. 600/2014.

2 quater.     De informatieverschaffingsverplichtingen die zijn vereist uit hoofde van [PB: Verwijzing invoegen naar de verordening betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341], maken geen deel uit van deze verordening.

2 quinquies.     Voor de in artikel 2, lid 2 ter en 2 quater, bedoelde kleine en niet-complexe ondernemingen gelden vereenvoudigde bepalingen.

3.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van lid 2 om nader aan te geven welke informatie vereist is om aan dat lid te voldoen, rekening houdende met de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria. de leden 2, 2 bis en 2 ter, om nader aan te geven welke informatie vereist is om aan deze leden te voldoen, met een lijst van investeringen die soortgelijke kenmerken hebben als duurzame investeringen en de relevante kwalificatiedrempels voor de toepassing van lid 2, rekening houdende met de beschikbaarheid van relevante informatie en de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria. Die informatie stelt beleggers in staat om het volgende te bepalen:

a)

het percentage van deelnemingen in verschillende ondernemingen die ecologisch duurzame economische activiteiten verrichten;

b)

het aandeel van de belegging waarmee ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, uitgedrukt als percentage van alle economische activiteiten.

(b bis)

de relevante definities van de in artikel 2 ter bedoelde kleine en niet-complexe ondernemingen evenals de vereenvoudigde bepalingen die op deze entiteiten van toepassing zijn.

3 bis.     Financiëlemarktdeelnemers maken de informatie als bedoeld in lid 3, onder a) en b), bekend.

4.   De Commissie stelt de gedelegeerde handeling overeenkomstig lid 3 uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. De Commissie kan die gedelegeerde handeling wijzigen, met name in het licht van wijzigingen van de gedelegeerde handelingen die in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, zijn vastgesteld. [Am. 39]

Artikel 4 bis

Markttoezicht

1.     Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, monitort de betrokken ESA de in artikel 1 van deze verordening bedoelde markt voor financiële producten die in de Unie op de markt worden gebracht, worden gedistribueerd of worden verkocht.

2.     De bevoegde autoriteiten houden toezicht op markt voor financiële producten die in of vanuit hun lidstaat op de markt worden gebracht, worden verspreid of worden verkocht.

3.     Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, kan de betrokken ESA wanneer deze verordening wordt geschonden door de in artikel 1 bedoelde entiteiten, het op de markt brengen, distribueren of verkopen van de in artikel 1 bedoelde financiële producten in de Unie tijdelijk verbieden of beperken.

Een verbod of beperking in de zin van artikel 3 kan gelden in omstandigheden of onderworpen zijn aan uitzonderingen die door de betrokken ESA worden gespecificeerd.

4.     Wanneer de betrokken ESA op grond van dit artikel maatregelen neemt, zorgt zij ervoor dat de maatregel:

a)

geen nadelig effect heeft op de efficiëntie van de financiële markten of op de beleggers dat onevenredig is in vergelijking met de voordelen van de maatregel; en

b)

niet een risico op regelgevingsarbitrage (regulatory arbitrage) veroorzaakt.

Indien een bevoegde autoriteit of bevoegde autoriteiten een maatregel heeft of hebben genomen op grond van dit artikel, kan de betrokken ESA elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen nemen.

5.     Voordat de betrokken ESA besluit een maatregel te nemen op grond van dit artikel, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de voorgenomen maatregel in kennis.

6.     De betrokken ESA heroverweegt een verbod of beperking op grond van lid 1 na passende termijnen en ten minste elke drie maanden. Als het verbod of de beperking na die periode van drie maanden niet wordt verlengd, loopt het verbod of de beperking af.

7.     Maatregelen die door de betrokken ESA worden genomen op grond van dit artikel krijgen voorrang boven eerdere maatregelen van een bevoegde autoriteit. [Am. 40]

Artikel 5

Milieudoelstellingen Duurzaamheidsdoelstellingen

1.    Voor de toepassing van deze verordening is het volgende een milieudoelstelling:

(1)

mitigatie van klimaatverandering;

(2)

adaptatie aan klimaatverandering;

(3)

duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen;

(4)

transitie naar een circulaire economie, met inbegrip van afvalpreventie en recycling toegenomen gebruik van secundaire grondstoffen ;

(5)

preventie en beheersing van verontreiniging;

(6)

bescherming van biodiversiteit en gezonde ecosystemen , en herstel van aangetaste ecosystemen .

1 bis.     De in de eerste alinea genoemde doelstellingen worden bepaald op basis van geharmoniseerde indicatoren, levenscyclusbeoordeling en wetenschappelijke criteria en worden verwezenlijkt met dien verstande dat zij zijn afgestemd op de komende milieu-uitdagingen. [Am. 41]

Artikel 6

Substantiële bijdrage aan mitigatie van klimaatverandering

1.   Een economische activiteit wordt geacht substantieel aan mitigatie van klimaatverandering bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, door het vermijden of verminderen van broeikasgasemissies of het versterken van broeikasverwijderingen door middel van een van de volgende methoden, onder meer door proces- of productinnovatie:

a)

opwekking, opslag , distributie of gebruik van hernieuwbare energie of klimaatneutrale energie ( in lijn met inbegrip van koolstofneutrale de richtlijn hernieuwbare energie), onder meer door gebruikmaking van innovatieve technologie met een potentieel voor aanzienlijke toekomstige besparingen of door de noodzakelijke versterking van het net;

b)

verbetering van de energie-efficiëntie in alle sectoren, behalve de energieopwekking met vaste fossiele brandstoffen, en in alle stadia van de energieketen, teneinde het primaire en eindenergieverbruik te verminderen;

c)

uitbreiding van schone of klimaatneutrale mobiliteit;

d)

overschakeling op uitbreiding van het gebruik van ecologisch duurzame hernieuwbare materialen op basis van een beoordeling van de volledige levenscyclus en de vervanging van met name fossiele grondstoffen met reducties van broeikasgasemissies op korte termijn als resultaat ;

e)

uitbreiding van het gebruik van technologieën voor ecologisch veilige koolstofafvang , -benutting en -opslag ( CCU en CCS) die een nettoreductie van emissies verzekeren ;

f)

uitfasering van antropogene emissies van broeikasgassen, met inbegrip van fossiele brandstoffen;

(f bis)

uitbreiding van de verwijdering van CO2 uit de atmosfeer en de opslag ervan in natuurlijke ecosystemen, bijvoorbeeld middels bebossing, het herstel van bossen en regeneratieve landbouw;

g)

totstandbrenging van energie-infrastructuur die nodig is om energiesystemen koolstofvrij te maken;

h)

productie van schone en efficiënte brandstoffen uit hernieuwbare of koolstofneutrale bronnen.

2.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot:

a)

aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan mitigatie van klimaatverandering . Deze technische screeningcriteria omvatten drempels voor mitigatie-activiteiten overeenkomstig de doelstelling om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 oC, waarbij ernaar wordt gestreefd de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 oC boven het pre-industriële niveau, zoals bepaald in de Overeenkomst van Parijs;

b)

aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. [Ams. 42, 66 en 99]

Artikel 7

Substantiële bijdrage aan adaptatie aan klimaatverandering

1.   Een economische activiteit wordt geacht substantieel aan adaptatie aan klimaatverandering bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan het verminderen van de negatieve effecten van het huidige en verwachte toekomstige klimaat of een toename of verschuiving van negatieve effecten van klimaatverandering voorkomt, door middel van een van de volgende methoden:

a)

voorkomen of verminderen van de locatie- of contextspecifieke negatieve effecten van klimaatverandering op de economische activiteit, die worden beoordeeld en geprioriteerd aan de hand van beschikbare klimaatprognoses;

b)

voorkomen of verminderen van de negatieve effecten die klimaatverandering kan hebben voor de natuurlijke en gebouwde omgeving waarbinnen de economische activiteit plaatsvindt, hetgeen wordt beoordeeld en geprioriteerd aan de hand van beschikbare klimaatprognoses en onderzoeken naar de menselijke invloed op de klimaatverandering .

2.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)

aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan adaptatie aan mitigatie van klimaatverandering;

b)

aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria op basis van indicatoren tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. [Am. 43]

Artikel 8

Substantiële bijdrage aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen

1.   Een economische activiteit wordt geacht substantieel aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water waterlichamen en mariene hulpbronnen wateren bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan de goede toestand van wateren, met inbegrip van zoet water, overgangswater oppervlaktewateren in het binnenland , riviermondingen en kustwateren, of de goede milieutoestand van mariene wateren wanneer voor die activiteit toepasselijke maatregelen worden getroffen om de biologische diversiteit, productiviteit, weerbaarheid, waarde en algemene gezondheid van het mariene ecosysteem te herstellen, beschermen of behouden, evenals de bestaansmiddelen van de gemeenschappen die ervan afhankelijk zijn, door middel van een van de volgende methoden:

a)

bescherming van het aquatische milieu , met inbegrip van zwemwater (in rivieren en zeeën) tegen de nadelige gevolgen van lozingen van stedelijk en industrieel afvalwater , met inbegrip van plastics, door, overeenkomstig de artikelen 3, 4, 5 en 11 van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (39) of overeenkomstig de beste beschikbare technieken zoals vastgesteld in Richtlijn 2010/75/EU , een afdoende opvang en behandeling van stedelijk en industrieel afvalwater te verzekeren;

(a bis)

bescherming van het aquatische milieu tegen de nadelige gevolgen van emissies en lozingen in zee overeenkomstig IMO-verdragen zoals het Marpol-Verdrag, evenals verdragen die niet onder Marpol vallen, zoals het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen en de regionale zeeverdragen;

b)

bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen bevat die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren, en te controleren dat het voldoet aan de minimumeisen bepaald in bijlage I, delen A en B, bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad (40), en uitbreiding van de toegang van burgers tot schoon drinkwater;

c)

onttrekking van water met inachtneming van de doelstelling van goede kwantitatieve toestand als omschreven in tabel 2.1.2 in bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG;

d)

verbetering van waterefficiëntie waterhuishouding en -efficiëntie , bevordering van hergebruik van water, systemen voor regenwaterbeheer of iedere andere activiteit die de kwaliteit en kwantiteit van Uniewaterlichamen beschermt of verbetert in overeenstemming met Richtlijn 2000/60/EG;

e)

borgen van het duurzame gebruik van mariene ecosysteemdiensten of bijdragen tot een goede milieutoestand van mariene wateren, als bepaald op grond van de kwalitatief beschrijvende elementen uiteengezet in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG en zoals nader ingevuld in Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie (41).

2.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)

aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen;

b)

aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, aanzienlijke schade te berokkenen aan één of meer van die doelstellingen.

3.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2022 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2022 van toepassing wordt. [Am. 44]

Artikel 9

Substantiële bijdrage aan de circulaire economie, en aan met inbegrip van afvalpreventie en recycling het uitbreiden van het gebruik van secundaire grondstoffen

1.   Een economische activiteit wordt geacht substantieel bij te dragen aan de transitie naar een circulaire economie, en aan met inbegrip van afvalpreventie , hergebruik en recycling , gedurende de volledige levenscyclus van een product of economische activiteit in verschillende stadia van productie, consumptie en eindgebruik, wanneer die activiteit , in overeenstemming met het EU-acquis, substantieel aan die milieudoelstelling bijdraagt door middel van een van de volgende methoden:

a)

verbeteren van het efficiënte gebruik van grondstoffen en hulpbronnen bij de productie, onder meer door het terugdringen van het gebruik van primaire grondstoffen en het opvoeren van het gebruik van bijproducten en afvalstoffen secundaire grondstoffen, ter ondersteuning van einde-afvalverwerking ;

b)

vergroten van de duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid en herbruikbaarheid van producten; ontwerp, fabricage en uitbreiding van het gebruik van producten die hulpbronnenefficiënt , duurzaam (ook wat betreft levensduur en het ontbreken van geplande veroudering), repareerbaar, herbruikbaar en opwaardeerbaar zijn ;

c)

vergroten wegwerken van afvalproducten en vergroten van de herbruikbaarheid en recycleerbaarheid van producten, met inbegrip van individuele materialen in producten, onder meer door substitutie of verminderd gebruik van producten en materialen die niet recycleerbaar zijn;

d)

vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen en vervanging van zeer zorgwekkende stoffen in materialen en producten , overeenkomstig de op Unieniveau vastgestelde geharmoniseerde wettelijke vereisten, met name de in de EU-wetgeving vastgestelde bepalingen ter waarborging van het veilige beheer van stoffen, materialen, producten en afval ;

e)

verlenging van het gebruik van producten onder meer door het uitbreiden van hergebruik, remanufacturing, upgrading, reparatie en delen van producten door consumenten;

f)

verhogen van het gebruik van secundaire grondstoffen en de kwaliteit ervan, onder meer door hoogkwalitatieve afvalrecycling;

g)

terugdringen van de afvalproductie , met inbegrip van de afvalproductie in processen in verband met de industriële productie, de winning van mineralen, de verwerkende industrie en bouw- en sloopwerkzaamheden ;

h)

uitbreiden van voorbereiding voor hergebruik en recycling van afval volgens de afvalhiërarchie ;

(h bis)

opdrijven van de ontwikkeling van de nodige afvalverwerkingsinfrastructuur met het oog op preventie, hergebruik en recycling;

i)

vermijden van afvalverbranding , verwijdering en -verwijdering het storten van afval, overeenkomstig de afvalhiërarchie ;

j)

vermijden , verminderen en opruimen van zwerfvuil en andere verontreiniging , met inbegrip van preventie en terugdringing van zwerfvuil op zee, veroorzaakt door onoordeelkundig afvalbeheer;

(j bis)

verminderen van de productie van levensmiddelenafval in de primaire productie, de verwerkende industrie, de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants, in de catering en in huishoudens;

k)

efficiënt gebruik van natuurlijke energiebronnen , grondstoffen, water en land;

(k bis)

bevorderen van de bio-economie aan de hand van het duurzame gebruik van hernieuwbare bronnen voor de productie van materialen en goederen.

2.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)

aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van de indicatoren van de Commissie voor de circulaire economie vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan de circulaire economie en aan afvalpreventie en recycling;

b)

aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van de indicatoren van de Commissie voor de circulaire economie vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria op basis van de indicatoren van de Commissie voor de circulaire economie tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2021 van toepassing wordt. [Am. 45]

Artikel 10

Substantiële bijdrage aan preventie en beheersing van verontreiniging

1.   Een economische activiteit wordt geacht substantieel bij te dragen aan preventie en beheersing van verontreiniging wanneer die activiteit aan een hoog niveau van substantieel aan bescherming van het milieu tegen verontreiniging bijdraagt door middel van een van de volgende methoden:

a)

vermindering van lucht-, water- en bodemverontreinigende emissies niet zijnde broeikasgassen;

b)

verbetering van het niveau van lucht-, water- of bodemkwaliteit in gebieden waar de economische activiteit plaatsvindt, terwijl de negatieve effecten op en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu tot een minimum worden beperkt;

c)

significant schadelijke effecten van de productie en het gebruik van chemische stoffen op de menselijke gezondheid of het milieu tot een minimum beperken.

2.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)

aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan preventie en beheersing van verontreiniging;

b)

aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2021 van toepassing wordt. [Am. 46]

Artikel 11

Substantiële bijdrage aan de bescherming van biodiversiteit en gezonde ecosystemen of aan het herstel van aangetaste ecosystemen

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt een economische activiteit geacht substantieel aan biodiversiteit en gezonde ecosystemen of het herstel van aangetaste ecosystemen bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan het beschermen, behouden en versterken of herstellen van biodiversiteit en ecosysteemdiensten overeenkomstig de desbetreffende wetgevings- en niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, door middel van een van de volgende methoden:

a)

natuurbescherming (; maatregelen voor natuurbescherming voor het in stand houden of herstellen van natuurlijke habitats en soorten) wilde fauna en flora in een gunstige staat van instandhouding voor het bereiken van voldoende populaties van natuurlijk voorkomende soorten en maatregelen voor het beschermen, herstellen en versterken van de toestand van ecosystemen en hun vermogen om diensten te leveren;

b)

duurzaam bodembeheer, met inbegrip van afdoende bescherming van de bodembiodiversiteit; neutraliteit qua bodemdegradatie, en sanering van verontreinigde terreinen;

c)

duurzame landbouwpraktijken, met inbegrip van praktijken die bijdragen tot het tot staan brengen of voorkomen van ontbossing en habitatverlies;

d)

duurzaam bosbeheer , met inachtneming van de EU-houtverordening, de LULUCF-verordening, de EU-richtlijn hernieuwbare energie, de toepasselijke nationale wetgeving in overeenstemming hiermee en de conclusies van de ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE) .

2.   De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)

aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan de bescherming van biodiversiteit en gezonde ecosystemen of het herstel van aangetaste ecosystemen ;

b)

aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, aanzienlijke schade te berokkenen aan één of meer van die doelstellingen.

3.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.   De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2022 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2022 van toepassing wordt. [Am. 47]

Artikel 12

Aanzienlijke schade aan milieudoelstellingen

1.    Voor de toepassing van artikel 3, punt b), wordt een economische activiteit , rekening houdende met de gehele levenscyclus ervan geacht aanzienlijke schade te berokkenen aan:

a)

mitigatie van klimaatverandering: wanneer die activiteit leidt tot aanzienlijke broeikasgasemissies;

b)

adaptatie aan klimaatverandering: wanneer die activiteit leidt tot een toegenomen negatief effect van het huidige en toekomstige klimaat op en verder dan de natuurlijke en gebouwde omgeving waarbinnen die activiteit plaatsvindt;

c)

duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen: wanneer die activiteit in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede toestand van Uniewateren, met inbegrip van zoetwater, overgangswateren en kustwateren, of aan de goede milieutoestand van mariene wateren van de Unie , overeenkomstig Richtlijnen 2000/60/EG en 2008/56/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid ;

d)

circulaire economie, afvalpreventie en recycling: wanneer die activiteit leidt tot aanzienlijke inefficiënties bij het gebruik van materialen in één en hulpbronnen, zoals niet-hernieuwbare energie, grondstoffen, water en land, direct of meer indirect in verschillende stadia van de levenscyclus van producten, waaronder inefficiënties met betrekking tot elementen ter beperking van de levensduur van producten en onder meer in termen van duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid, herbruikbaarheid of recycleerbaarheid van producten, of wanneer die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van de productie, verbranding of verwijdering van afval;

e)

voorkoming en beheersing van verontreiniging: wanneer die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van emissies van verontreinigende stoffen in de lucht, het water of de bodem, vergeleken met de situatie voordat die activiteit van start ging;

f)

gezonde ecosystemen: wanneer die activiteit in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede toestand en veerkracht van ecosystemen , met inbegrip van biodiversiteit en landgebruik .

1 bis.     Bij de beoordeling van een economische activiteit met betrekking tot de onder a) tot f) bepaalde criteria, wordt rekening gehouden met de ecologische impact van de activiteit zelf en van de producten en diensten die dankzij die activiteit geleverd worden, gedurende de volledige levenscyclus en, indien nodig, in de hele waardeketen. [Ams. 48 en 101]

Artikel 13

Minimumgaranties

De in artikel 3, punt c), bedoelde minimumgaranties zijn procedures die ten uitvoer worden gelegd door de onderneming die een economische activiteit verricht, om te garanderen dat de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, met inbegrip van de principes en rechten die worden genoemd in de acht in de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk genoemde fundamentele verdragen, en het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens in acht worden genomen: het recht niet te worden onderworpen aan dwangarbeid of verplichte arbeid, de vrijheid van vereniging, het recht van werknemers om zich te organiseren, het recht om collectief te onderhandelen, gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, niet-discriminatie in kansen en behandeling in beroep en beroepsuitoefening, en het recht niet te worden onderworpen aan kinderarbeid.

Tegen 31 december 2021 voert de Commissie een effectbeoordeling uit van de gevolgen en de geschiktheid van de herziening van deze verordening, teneinde rekening te houden met de naleving van andere minimumgaranties waaraan ondernemingen die een economische activiteit verrichten zich moeten houden om die economische activiteit als ecologisch duurzaam vast te leggen.

De Commissie is bevoegd om dit artikel aan te vullen door middel van een gedelegeerde handeling tot specificatie van de criteria om te bepalen of aan de vereisten van dit artikel wordt voldaan. Bij het opstellen van de in dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de in lid 1 en 2 genoemde beginselen. De Commissie stelt deze gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2020 vast. [Ams. 49, 70, 72 en 93]

Artikel 14

Vereisten voor technische screeningcriteria

1.   De in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vastgestelde technische screeningcriteria:

(-a)

zijn gebaseerd op geharmoniseerde indicatoren die het milieueffect meten op grond van de berekening met behulp van de geharmoniseerde beoordeling van levenscycli;

a)

identificeren de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling, waarbij niet alleen naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte termijn wordt gekeken, maar ook naar die op langere termijn;

b)

bepalen nader de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan om aanzienlijke schade aan de betrokken milieudoelstellingen te vermijden;

c)

zijn kwalitatief of kwantitatief, of beide, en bevatten zo mogelijk drempelwaarden;

d)

bouwen, in voorkomend geval, voort op Unieregelingen voor labels en certificering, Uniemethodieken voor het beoordelen van de ecologische voetafdruk en Uniesystemen voor statistische classificatie, en houden rekening met de desbetreffende bestaande Uniewetgeving , met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten;

e)

zijn gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs en houden, in voorkomend geval, rekening met leven het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel na ;

f)

houden rekening met de milieu-effecten van de economische activiteit zelf, alsmede die van de producten en diensten welke die economische activiteit oplevert, met name gedurende de gehele levenscyclus, en, waar nodig, in de volledige waardeketen, door rekening te houden met de productie vanaf de verwerking van grondstoffen tot het eindproduct , het gebruik en end-of-life ervan alsook recycling ;

(f bis)

houden rekening met de kosten van non-actie, op grond van het VN-kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030;

g)

houden rekening met de aard en de schaal van de economische activiteit , en houden er rekening mee dat een activiteit die met behulp van onderzoeks- en innovatieprojecten een transitie doormaakt naar een duurzamere configuratie en/of uitvoering daarvoor specifieke tijdschema's en trajecten moet doorlopen ;

h)

houden rekening met het potentiële effect op de liquiditeit van de markt, het risico dat bepaalde activa gestrande activa worden vanwege wetswijzigingen en doordat zij aan waarde verliezen als gevolg van de transitie naar een duurzamere economie, alsmede het risico dat incoherente prikkels ontstaan;

(h bis)

zijn gemakkelijk toe te passen en vermijden nodeloze administratieve lasten vanuit het oogpunt van naleving;

i)

bestrijken alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak economische macrosector en zorgen ervoor dat die activiteiten wat duurzaamheidsrisico's betreft gelijk worden behandeld indien op voorwaarde dat zij in gelijke mate bijdragen aan één of meer milieudoelstellingen en ze geen aanzienlijke schade berokkenen aan de andere in de artikelen 3 en 12 vermelde milieudoelstellingen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te vermijden;

j)

worden vastgesteld om zo mogelijk de controle op de naleving van die criteria te bevorderen.

2.   De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria omvatten ook op indicatoren gebaseerde criteria voor activiteiten die verband houden met de transitie naar schone energie en broeikasgasneutraliteit , met name energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor zover die activiteiten substantieel bijdragen aan een van de milieudoelstellingen.

2 bis.     De technische screeningcriteria zorgen ervoor dat de opwekking van elektriciteit middels vaste fossiele brandstoffen niet wordt beschouwd als een duurzame economische activiteit.

2 ter.     De technische screeningcriteria zorgen ervoor dat economische activiteiten die bijdragen aan koolstofintensieve lock-in-effecten niet worden beschouwd als een duurzame economische activiteit.

2 quater.     De technische screeningcriteria zorgen ervoor dat de opwekking van elektriciteit waarbij niet-hernieuwbare afvalstoffen worden geproduceerd niet wordt beschouwd als een duurzame economische activiteit.

3.   De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria omvatten ook criteria voor activiteiten die verband houden met de overschakeling naar schone of klimaatneutrale mobiliteit, onder meer via modal shift, efficiëntiemaatregelen en alternatieve brandstoffen, voor zover die activiteiten substantieel bijdragen aan een van de milieudoelstellingen.

3 bis.     Als het merendeel van de ondernemingen die een bepaalde economische activiteit verrichten aantoonbaar betrokken is bij een traject om die activiteit duurzaam te maken, kan daar in de screeningcriteria rekening mee worden gehouden. Aanhoudende inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling, grote projecten waarbij geïnvesteerd wordt in nieuwe en ecologisch duurzamere technologieën, of concrete transitieplannen vanaf het moment dat zij zich in een vroege uitvoeringsfase bevinden, kunnen het bewijs van een dergelijk traject vormen.

4.   De Commissie evalueert op gezette tijdstippen de in lid 1 bedoelde screeningcriteria en wijzigt, in voorkomend geval, de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in het licht van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. [Ams. 50, 73, 74, 75 en 104]

Artikel 15

Platform voor duurzame financiering

1.   De Commissie richt een platform voor duurzame financiering op, dat en zorgt bij de samenstelling daarvan voor een goed evenwicht, uiteenlopende standpunten en gendergelijkheid. Het platform bestaat , op een evenwichtige wijze, uit vertegenwoordigers van de volgende groepen :

a)

vertegenwoordigers van de volgende organisaties :

i)

het Europees Milieuagentschap;

ii)

de Europese toezichthoudende autoriteiten;

iii)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;

iii bis)

het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

iii ter)

de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG);

b)

deskundigen die relevante particuliere stakeholders vertegenwoordigen , met inbegrip van de spelers op financiële en niet-financiële markten en bedrijfssectoren, met vertegenwoordiging van de relevante bedrijfstakken ;

(b bis)

deskundigen die maatschappelijke organisaties vertegenwoordigen, met inbegrip van expertise op het gebied van ecologische, maatschappelijke, arbeids- en governancekwesties;

c)

deskundigen die op persoonlijke titel zijn aangesteld, de academische wereld vertegenwoordigen , met bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken terreinen inbegrip van universiteiten, onderzoeksinstellingen en denktanks, met inbegrip van mondiale expertise .

1 bis.     De onder b) en c) bedoelde deskundigen worden benoemd in overeenstemming met artikel 237 van het Financieel Reglement, en bezitten bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken terreinen, met name duurzaamheid in de financiële sector.

1 ter.     Het Europees Parlement en de Raad worden naar behoren en tijdig op de hoogte gehouden van de selectieprocedure voor deskundigen voor het platform.

2.   Het platform voor duurzame financiering:

(-a)

adviseert de Commissie over de vaststelling van de in artikel 14, lid 1 (-a), bedoelde indicatoren en de eventuele noodzaak om deze bij te werken, en bouwt daarbij verder op de inspanningen van relevante EU-entiteiten en -initiatieven, met name het monitoringkader voor de circulaire economie;

a)

adviseert de Commissie over de in artikel 14 bedoelde technische screeningcriteria en de eventuele noodzaak om die criteria bij te werken;

b)

analyseert het effect van de technische screeningcriteria op basis van gegevens en wetenschappelijk onderzoek, wanneer dit beschikbaar is, in termen van potentiële kosten en baten van de toepassing ervan;

c)

staat de Commissie bij in het onderzoek van verzoeken van stakeholders om technische screeningcriteria voor een bepaalde economische activiteit te ontwikkelen of te herzien op basis van gegevens en wetenschappelijk onderzoek, wanneer dit beschikbaar is; de conclusies van deze analyses moeten tijdig op de website van de Commissie gepubliceerd worden ;

d)

adviseert de Commissie of het Europees Parlement, op hun verzoek, over de vraag of de technische screeningcriteria geschikt zijn voor mogelijk ander gebruik;

(d bis)

adviseert de Commissie, in samenwerking met de EFRAG, over de ontwikkeling van duurzaamheidsnormen voor de boekhouding en geïntegreerde verslagleggingsnormen voor ondernemingen en financiëlemarktdeelnemers, onder meer aan de hand van de revisie van Richtlijn 2013/34/EU;

e)

monitort tendensen op EU- en op lidstaatniveau met betrekking tot kapitaalstromen van economische activiteiten met een negatieve impact op ecologische duurzaamheid richting duurzame beleggingen , op basis van gegevens en wetenschappelijk onderzoek, wanneer dit beschikbaar is, en doet de Commissie daarover op gezette tijdstippen tijden verslag;

f)

adviseert de Commissie over de eventuele noodzaak om deze verordening te wijzigen , met name ten aanzien van de relevantie en kwaliteit van gegevens, en manieren om de administratieve lasten te verminderen;

(f bis)

draagt bij tot de evaluatie en ontwikkeling van reglementering en beleid inzake duurzame financiering, met inbegrip van consistentieproblemen in beleidsmaatregelen;

(f ter)

ondersteunt de Commissie bij het definiëren van mogelijke maatschappelijke doelstellingen.

2 bis.     Het platform houdt terdege rekening met toepasselijke gegevens en relevant wetenschappelijk onderzoek bij de uitvoering van deze taken. Het kan publieke raadplegingen organiseren om de standpunten van stakeholders met betrekking tot specifieke kwesties binnen zijn mandaat te verzamelen.

3.   Het platform voor duurzame financiering wordt door de Commissie voorgezeten en is samengesteld overeenkomstig de horizontale regels van de Commissie voor deskundigengroepen. De Commissie publiceert de analyses, vergaderingen, verslagen en notulen van het platform op haar website. [Am. 51]

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend op de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om de in artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze verordening].

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in lid 2 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. De Commissie verricht in het kader van de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen passende consultaties en beoordelingen van de voorgestelde beleidsopties uit.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2 , artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 3 ,vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of wanneer zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 52]

Hoofdstuk III

Slotbepalingen

Artikel 17

Evaluatieclausule

1.   Uiterlijk 31 december 2021, en daarna om de drie jaar, maakt de Commissie een verslag over de toepassing en effecten van deze verordening bekend. In dat verslag wordt een beoordeling gemaakt van de volgende punten:

a)

de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van deze verordening ten aanzien van de uitwerking van technische screeningcriteria op basis van indicatoren voor ecologisch duurzame economische activiteiten;

b)

de eventuele noodzaak van een herziening van de in deze verordening beschreven criteria en de lijst van indicatoren om een economische activiteit als ecologisch duurzaam te beschouwen om innovatie en de transitie naar duurzaamheid te faciliteren ;

c)

de vraag of het passend is het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, met name sociale duurzaamheidsdoelstellingen;

d)

het gebruik van de definitie van “ecologisch duurzame belegging” en “belegging met een negatief milieueffect” in het Unierecht en op lidstaatniveau, met inbegrip van de vraag of het passend is een het controlemechanisme te herzien of aanvullende mechanismen op te zetten voor de inachtneming van de in deze verordening uiteengezette criteria op basis van indicatoren;

(d bis)

de doeltreffendheid van de taxonomie voor het kanaliseren van particuliere beleggingen naar duurzame activiteiten.

1 bis.     Uiterlijk 31 december 2021, en daarna om de drie jaar, herziet de Commissie het toepassingsgebied van deze verordening indien deze buitensporige administratieve lasten met zich meebrengt of indien er te weinig gegevens beschikbaar zijn voor financiële marktdeelnemers.

2.   Dit verslag wordt Deze verslagen worden naar het Europees Parlement en de Raad gezonden. Indien nodig werkt de Commissie begeleidende wetgevings voorstellen uit. [Ams. 53 en 105]

Artikel 18

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   De artikelen 3 tot en met 13 van deze verordening zijn van toepassing:

a)

ten aanzien van de in artikel 5, punten 1) en 2), genoemde milieudoelstellingen: vanaf 1 juli 2020;

b)

ten aanzien van de in artikel 5, punten 4) en 5), genoemde milieudoelstellingen: vanaf 31 december 2021;

c)

ten aanzien van de in artikel 6, punten 3) en 6), genoemde milieudoelstellingen: vanaf 31 december 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.

(4)  Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development (VN 2015), beschikbaar op: https://sustainabledevelopment.un.org/post2015/transformingourworld

(5)  COM(2016)0739.

(6)  CO EUR 17, CONCL 5.

(7)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4).

(8)  Eindverslag EU High-Level Expert Group on Sustainable Finance, Financing a Sustainable European Economy, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/180131-sustainable-finance-final-report_en.pdf.

(9)  COM(2018)0097.

(10)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(11)  Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34).

(12)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(13)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(14)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).

(15)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (COM(2011)0244).

(16)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 59).

(18)  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23).

(19)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) — Voorstel voor een EU-actieplan (COM(2003)0251).

(20)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (COM(2016)0087).

(21)  Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).

(22)  Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).

(23)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Overheidsopdrachten voor een beter milieu {SEC(2008)2124} {SEC(2008)2125} {SEC(2008)2126} (COM(2008)0400).

(24)  Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 124 van 4.5.2013, blz. 1).

(25)  Bijlagen 4 en 5 bij Verordening (EU) nr. 538/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 113).

(26)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).

(27)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(28)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

(29)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(30)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(31)  https://www.unpri.org/pri/what-are-the-principles-for-responsible-investment.

(32)  COM(2018)0097.

(33)   Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).

(34)   Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).

(35)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(36)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(37)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(38)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(39)  Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).

(40)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).

(41)  Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU (PB L 125 van 18.5.2017, p. 43).


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 108/1032


P8_TA(2019)0326

Raming van de ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2020 — Afdeling I — Europees Parlement

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2020 (2019/2003(BUD))

(2021/C 108/57)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (1),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (3) (IIA van 2 december 2013),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (4),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU (5),

gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2019 (6),

gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie op het werk, in de openbare ruimte en in het politieke leven in de EU (7),

gezien zijn resolutie van 24 oktober 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 (8),

gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het standpunt van de Raad inzake het tweede ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 (9),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over gendermainstreaming in het Europees Parlement (10),

gezien het verslag van de secretaris-generaal aan het Bureau met het oog op de opstelling van het voorontwerp van raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2020,

gezien het voorontwerp van raming, opgesteld door het Bureau op 25 maart 2019 overeenkomstig artikel 25, lid 7, en artikel 96, lid 1, van het Reglement van het Parlement,

gezien de ontwerpraming, opgesteld door de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 96, lid 2, van het Reglement van het Parlement,

gezien artikel 96 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0182/2019),

A.

overwegende dat deze procedure de vijfde volledige begrotingsprocedure is tijdens de nieuwe zittingsperiode en het zevende jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020;

B.

overwegende dat de begroting 2020, zoals voorgesteld in het verslag van de secretaris-generaal, wordt voorbereid tegen de achtergrond van een jaarlijkse stijging (inflatie en reële stijging) van het plafond voor rubriek V, zodat er meer ruimte komt voor groei en investeringen alsook voor verdere beleidsmaatregelen gericht op bezuinigingen en meer efficiëntie;

C.

overwegende dat de secretaris-generaal voor de begroting 2020 o.a. de volgende prioritaire doelstellingen heeft voorgesteld: het ter beschikking stellen van de nodige middelen voor het eerste volledige jaar na de verkiezing van een nieuw Parlement en een nieuwe Commissie en het verstrekken van de middelen voor prioritaire projecten in verband met het in gesprek gaan met burgers, meerjarige bouwprojecten, veiligheid en IT-ontwikkelingen;

D.

overwegende dat de secretaris-generaal voor het voorontwerp van raming van het Parlement voor 2020 een begroting van 2 068 530 000 EUR heeft voorgesteld, wat een totale stijging van 3,58 % betekent ten opzichte van de begroting voor 2019, en neerkomt op een aandeel van 18,38 % van rubriek V van het meerjarig financieel kader 2014-2020;

E.

overwegende dat bijna twee derde van de begroting bestaat uit aan de index gekoppelde uitgaven die voornamelijk betrekking hebben op de bezoldiging, pensioenen, medische kosten en vergoedingen voor huidige en voormalige leden (21 %) en personeel (35 %), alsmede op gebouwen (13 %), en die worden aangepast overeenkomstig het ambtenaren- en ledenstatuut, sectorspecifieke indexeringen of het inflatiepercentage;

F.

overwegende dat het Parlement al in zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016 (11) heeft beklemtoond dat zijn begroting op een realistische leest geschoeid moest worden en in overeenstemming met de beginselen van begrotingsdiscipline en goed financieel beheer moest zijn; overwegende dat forfaitaire bedragen een nuttig en in brede kringen erkend instrument zijn voor meer flexibiliteit en transparantie;

G.

overwegende dat de begroting van het Parlement de volledige wetgevingsbevoegdheid van het Europees Parlement moet garanderen en de correcte werking ervan mogelijk moet maken;

H.

overwegende dat de geloofwaardigheid van het Parlement als tak van de begrotingsautoriteit afhangt van zijn vermogen om de eigen uitgaven te beheren en de democratie op Unieniveau te ontwikkelen;

I.

overwegende dat 2020 het eerste volledige jaar na de verkiezingen wordt, waarin het normale tempo van de politieke en ondersteunende kernactiviteiten weer zal worden opgepakt;

J.

overwegende dat het vrijwillig pensioenfonds in 1990 is opgezet op basis van de regeling van het Bureau inzake het (vrijwillig) aanvullend pensioenstelsel (12);

K.

overwegende dat de Rekenkamer op 16 juni 1999 advies nr. 5/1999 heeft uitgebracht over de regeling betreffende het vrijwillig aanvullend pensioenfonds voor de leden van het Europees Parlement;

Algemeen kader

1.

benadrukt dat de begroting van het Parlement voor 2020 gehandhaafd moet blijven op minder dan 20 % van het maximum van rubriek V; merkt op dat de raming voor 2020 overeenkomt met 18,22 %, hetgeen minder is dan het percentage dat gerealiseerd is in 2019 (18,51 %) en het geringste aandeel van rubriek V in meer dan vijftien jaar;

2.

benadrukt dat het grootste deel van de begroting van het Parlement vastligt op grond van wettelijke of contractuele verplichtingen en onderworpen is aan een jaarlijkse indexering;

3.

eist dat de secretaris-generaal en het Bureau bij wijze van principe de volgende keer een raming voor het EP bij de Begrotingscommissie indienen die dichter ligt bij, of zelfs overeenkomt met het door de Commissie verwachte inflatiecijfer;

4.

steunt het akkoord dat in het overleg tussen het Bureau en de Begrotingscommissie van 19 maart 2019 is gesloten om de verhoging van de begroting 2019 vast te stellen op 2,68 %, hetgeen overeenkomt met een totaalbedrag van zijn ramingen voor 2020 van 2 050 430 000 EUR, om het op 11 maart 2019 door het Bureau goedgekeurde uitgavenniveau van het voorontwerp van raming te verlagen met 18,1 miljoen EUR en om bijgevolg de voor de volgende begrotingsonderdelen voorgestelde kredieten te verlagen: 1004 — Normale reiskosten; 1200 — Salaris en vergoedingen; 1402 — Andere personeelsleden — Chauffeurs in het secretariaat-generaal; 2007 — Inrichting van dienstruimten; 2022 — Onderhoud en schoonmaak van en toezicht op de gebouwen; 2024 — Energieverbruik; 2101 — Informatica en telecommunicatie — Terugkerende operationele activiteiten in verband met de infrastructuur; 212 — Meubilair; 214 — Technisch materieel en technische installaties; 300 — Dienstreizen van het personeel en reizen tussen de drie vergaderplaatsen; 302 — Onthaal en representatie; 3040 — Interne vergaderingen; 3042 — Vergaderingen, congressen, conferenties en delegaties; 422 — Assistentie aan de leden; besluit post 1650 — Medische dienst van kredieten ten belope van 140 000 EUR, artikel 320 — Verwerving van expertise van kredieten ten belope van 160 000 EUR en post 3211 — Uitgaven voor het Europees wetenschaps- en mediaknooppunt met kredieten te voorzien ten belope van 400 000 EUR; is ingenomen met het feit dat die wijzigingen door het Bureau op 25 maart 2019 zijn goedgekeurd;

5.

verzoekt de diensten van het Parlement te zorgen voor de wijziging van de toelichting bij post 1650 — Medische dienst, als gevolg van de bijkomende kredieten ten belope van 140 000 EUR die bedoeld zijn om de uitgaven te dekken in verband met een bemiddelaar en een psycholoog voor het voorkomen en bestrijden van psychologische en seksuele intimidatie, en voor de wijzing van de toelichting bij artikel 320 — Verwerving van expertise, als gevolg van de bijkomende kredieten ten belope van 160 000 EUR die bedoeld zijn om de uitgaven te dekken in verband met expertise en experts op het gebied van voorkoming, onderzoek en bestrijding van psychologische en seksuele intimidatie;

6.

merkt op dat de situatie met betrekking tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie gebaseerd is op een ordelijke terugtrekking met een akkoord, op basis van de goedkeuring van de terugtrekkingsovereenkomst (Brexit), en de goedkeuring van de politieke verklaring van de Europese Raad van 25 november 2018, volgens welke het VK zou bijdragen aan de begroting van de Unie tot 2020; merkt op dat de meeste besparingen als gevolg van de terugtrekking al zijn opgenomen in de begroting 2019 en dat er voor 2020 slechts een lichte daling zou zijn van bepaalde uitgaven als gevolg van het feit dat er 46 leden minder zijn;

7.

merkt op dat, indien het Verenigd Koninkrijk zich niet uit de Unie terugtrekt of zich terugtrekt zonder akkoord, de voorgestelde kredieten gedurende de gehele begrotingsprocedure kunnen worden aangepast door het Bureau, de Begrotingscommissie of de plenaire vergadering;

8.

benadrukt dat de kerntaken van het Parlement zijn: het samen met de Raad vaststellen van wetgeving en het al dan niet goedkeuren van de begroting, het vertegenwoordigen van de burgers en het uitoefenen van toezicht op de werkzaamheden van andere instellingen van de Unie;

9.

beklemtoont de rol van het Parlement bij het bevorderen van het Europees politiek bewustzijn en de waarden van de Unie;

10.

benadrukt dat besparingen ten opzichte van het voorstel van de secretaris-generaal nodig zijn om de stijging waarin in dit voorstel is voorzien, dichter te brengen bij het verwachte algemene inflatiecijfer voor 2020 en dat alle inspanningen voor een efficiënter en transparanter gebruik van overheidsmiddelen sterk worden aangemoedigd;

Transparantie en accuratesse

11.

neemmerkt de grotere transparantie op bij de opstelling van het verslag van de secretaris-generaal, zoals het verstrekken van aanvullende informatie over planning, investeringen, statutaire verplichtingen, administratieve uitgaven en methoden op middellange en lange termijn, overeenkomstig het verzoek van het Parlement en de Raad;

12.

eist dat de begroting van het Parlement voor 2020 realistisch en accuraat zal zijn wat betreft het vinden van een goed evenwicht tussen behoeften en kosten, teneinde overbudgettering te vermijden;

13.

onderstreept dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat de budgettaire en personele middelen die het Parlement ter beschikking staan in hun totaliteit op een zo kosteneffectief mogelijke manier worden benut, zodat de instelling en haar leden hun uiteindelijke taak, wetgeving, met succes kunnen vervullen; wijst er eens te meer op dat dit een zorgvuldige planning en organisatie van zijn werkmethoden impliceert en, waar mogelijk, het bundelen van taken en structuren teneinde onnodige bureaucratie, functionele overlapping, dubbel werk en verdubbeling van middelen te voorkomen;

In gesprek met burgers

14.

is verheugd over de inwijding van de “Europa Experience”-centra namelijk tentoonstellingsruimten die het succesvolle concept van het Brusselse Parlamentarium reproduceren op kleinere schaal; merkt op dat de installatie van vijf nieuwe “Europa Experience”-centra gepland is in de liaisonbureaus voor 2020;

15.

merkt op dat het bedrag dat in de begroting wordt opgenomen voor de installatie van vijf nieuwe “Europa Experience” -centra gepland is in de liaisonbureaus betrekking heeft op de expositie-infrastructuur zelf, die wordt beheerd door DG COMM, maar niet de tentoonstellingsruimten; vraagt nadere details over een orde van grootte van de totale verwachte kosten vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2019;

16.

neemt kennis van de creatie van een reeks mobiele installaties, die de lidstaten zouden aandoen om de Unie dichter bij de burger te brengen;

17.

eist dat de secretaris-generaal een gedetailleerd, feitelijk en grondig rapport over de meerwaarde van de 51 posten in DG COMM verstrekt; eist dat dit rapport in het openbaar wordt gepresenteerd in de Begrotingscommissie vóór eind juli 2019;

Vastgoed- en vervoersbeleid

18.

herhaalt zijn verzoek om een transparant besluitvormingsproces wat het vastgoedbeleid betreft, op basis van vroegtijdige informatie en met behoorlijke inachtneming van artikel 266 van het Financieel Reglement;

19.

gaat niet akkoord met de nog steeds gangbare praktijk van een collectieve overschrijving aan het eind van het jaar (“ramassage”) om bij te dragen aan de lopende bouwprojecten; onderstreept dat dergelijke “ramassage” stelselmatig wordt toegepast op dezelfde hoofdstukken, titels en, vaak, precies dezelfde begrotingsonderdelen en vraagt zich af of er sprake is van een geprogrammeerde overwaardering hiervan om het vastgoedbeleid van het Parlement van middelen te voorzien; is van mening dat het vastgoedbeleid op een transparante wijze moet worden gefinancierd aan de hand van de specifiek daarvoor bedoelde begrotingsonderdelen;

20.

beveelt aan om in de jaarlijkse begrotingsplanning voor alle gebouwen een toewijzing te reserveren voor onderhouds- en renovatiekosten die overeenstemt met 3 % van de totale kosten voor een nieuw gebouw, als onderdeel van een regelmatig en proactief vastgoedbeleid; onderstreept dat er een vastgoedstrategie nodig is die zorgt voor kosteneffectiviteit en wijst op de mogelijke voordelen die voortvloeien uit de nabijheid van gebouwen, zoals synergieën via het delen van backoffice-taken en de toewijzing van kantoor- en andere ruimten;

21.

merkt op dat de oplevering en de ingebruikname van de gehele nieuwe oostelijke vleugel van het Konrad Adenauer-gebouw gepland zijn voor 2020 en merkt op dat de werkzaamheden aan de nieuwe westelijke vleugel van start zullen gaan onmiddellijk daarna; merkt op dat moet worden voorzien in uitgaven voor het projectbeheer in de laatste fasen van de bouw, zoals significante verhuisoperaties, een eerste bemeubeling en veiligheidstoezicht op de bouwplaats;

22.

neemt kennis van het feit dat de huur en het onderhoud van alle bestaande gebouwen in Luxemburg nog steeds voor het hele jaar in de begroting zijn opgenomen, aangezien de verhuizing uit bestaande gebouwen slechts geleidelijk kan plaatsvinden; verzoekt de secretaris-generaal gedetailleerde gegevens te verstrekken over de geleidelijke verhuizing en uit te leggen waarom in 2020 nog geen besparingen mogelijk zijn;

23.

vraagt nadere details over de voorbereidende technische werkzaamheden, met inbegrip van de verplaatsing van functies, zoals degene die zich bevinden in het PHS-gebouw, naar andere gebouwen; verzoekt een gedetailleerde raming en uitsplitsing van de kosten te verstrekken aan de Begrotingscommissie vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2019;

24.

plaatst vraagtekens bij de zeer hoge kosten van enkele van de voorgestelde projecten, in het bijzonder: de inrichting van de vergaderruimten voor bezoekers in het Atriumgebouw (8,720 miljoen EUR), de multifunctionele ruimte in de Esplanade (2,610 miljoen EUR), de inrichting van een zelfbedieningskantine in het SDM-gebouw in Straatsburg (1,9 miljoen EUR); verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie volledig te informeren over deze besluiten vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2019;

25.

is van mening dat bijkomende besparingen moeten worden gerealiseerd met betrekking tot de uitgaven voor meubilair voor de kantoren van de leden en hun medewerkers, gezien de volledige renovatie van deze kantoren aan het begin van het mandaat in 2019;

26.

maakt zich zorgen over het voornemen van het Parlement om zijn activiteiten en diplomatieke aanwezigheid in Indonesië (Jakarta), Ethiopië (Addis Abeba) en de Verenigde Staten (New York) uit te breiden; betreurt dat het Bureau het voorstel heeft goedgekeurd, ondanks het ontbreken van een alomvattende kosten-batenanalyse en een verdere uitwerking van de onderliggende argumenten voor de keuze van deze specifieke locaties, en dat het Bureau eveneens akkoord is gegaan met de aanstelling van het huidige hoofd van het bureau van het Parlement in Washington D.C. als het nieuwe hoofd van het bureau in Jakarta; dringt er daarom bij de secretaris-generaal op aan de hierbij betrokken begrotingsonderdelen aan te wijzen en deze niet-transparante stand van zaken te verduidelijken aan de hand van een toelichting van het besluitvormingsproces betreffende deze verschillende locaties en de aanstelling van het nieuwe hoofd van het bureau in Jakarta; is van mening dat dit besluit ondertussen moet worden opgeschort;

27.

is van mening dat besparingen op de begroting van het Parlement kunnen worden gerealiseerd door middel van één zetel; herinnert aan de analyse die de Rekenkamer in 2014 heeft verricht, waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement werden geraamd op 114 miljoen EUR per jaar; herinnert er voorts aan dat deze geografische spreiding de oorzaak is van 78 % van alle missies van het personeel van het Parlement en dat de milieu-impact 11 000 tot 19 000 ton CO2-emissies bedraagt; dringt derhalve aan op een routekaart naar één zetel;

Veiligheid

28.

merkt op dat in de begroting 2020 de laatste termijnen zullen worden opgenomen van de substantiële investeringen waarmee in 2016 een begin is gemaakt om de veiligheid in het Parlement aanzienlijk te verhogen; wijst erop dat deze projecten verschillende terreinen betreffen, vooral in verband met gebouwen, uitrusting en personeel, maar ook verbeteringen inzake cyberveiligheid en communicatieveiligheid;

29.

onderstreept dat het iPACS-project het Parlement zal voorzien van een moderne en geïntegreerde beveiligingstechnologie om de resterende zwakke punten in de beveiliging van gebouwen weg te werken, en dat het project zich in 2020 in het vijfde en laatste jaar van uitvoering zal bevinden; verzoekt de secretaris-generaal een uitvoerige samenvatting te geven van alle uitgaven in verband met de beveiliging van gebouwen vanaf 2016;

30.

is van mening dat IT-tools voor de leden en het personeel belangrijke instrumenten zijn bij het verrichten van hun werkzaamheden, maar dat zij ook kwetsbaar kunnen zijn voor cyberaanvallen; is daarom ingenomen met de opwaardering in de laatste twee jaar van het team voor activiteiten op het gebied van cyberveiligheid, en met name met het feit dat, nu de kruissnelheid bereikt is en de uitvoering van zijn actieplan inzake cyberbeveiliging wordt voortgezet, de begroting hiervoor slechts zal stijgen om de inflatie te dekken;

31.

is ingenomen met de inspanningen om de diensten voor de leden te verbeteren door voortdurend te investeren in de ontwikkeling van IT-toepassingen en door het e-Parlement-programma, het onderzoek en de ontwikkeling op het gebied van machinaal leren met vertaalgeheugens en het meerjarenproject inzake technisch beheer voor conferentieruimten voort te zetten; vraagt meer informatie over het totale bedrag dat de afgelopen jaren aan deze programma's is besteed; merkt op dat deze projecten geleidelijk worden uitgevoerd over de lange termijn om de kosten over verschillende begrotingsjaren te spreiden;

Aan de leden en geaccrediteerde parlementaire medewerkers gerelateerde kwesties

32.

vraagt het Bureau te werken aan een technische oplossing die de leden de mogelijkheid biedt hun stemrecht uit te oefenen terwijl ze met moederschaps-, vaderschaps- of ziekteverlof zijn;

33.

is van mening dat de sociale en pensioenrechten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM's) moeten worden geëerbiedigd; herhaalt in dit verband zijn verzoek om een voorstel te presenteren voor een werkbare oplossing voor die GPM's die, hoewel ze aan het eind van de huidige zittingsperiode ononderbroken gedurende twee zittingsperiode gewerkt zullen hebben, wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken geen recht hebben op een pensioen van het Europees pensioenstelsel omdat ze als gevolg van de vervroegde verkiezingen in 2014 en de vertragingen bij de validering van de arbeidsovereenkomsten van de nieuwe GPM's, die toe te schrijven waren aan de enorme werkdruk in de periode na de verkiezingen van 2009 en 2014, de in het personeelsstatuut vastgelegde tien daarvoor benodigde jaren niet helemaal volgemaakt zullen hebben; verzoekt de secretaris-generaal derhalve nieuwe praktische en geloofwaardige voorstellen in te dienen om dit probleem definitief op te lossen;

34.

neemt kennis van de herziening van de bedragen van de vergoedingen voor GPM's voor de reizen die zij maken tussen de drie werklocaties van het Parlement; herinnert echter aan zijn herhaaldelijke vraag aan het Bureau om de bedragen van de vergoedingen voor reizen tussen de drie werklocaties van het Parlement voor ambtenaren, andere personeelsleden en GPM's vanaf de volgende legislatuur volledig gelijk te trekken;

35.

is ingenomen met het besluit van het Bureau van 10 december 2018 over de stagiairs van de leden, dat op 2 juli 2019 in werking zal treden; benadrukt dat een bindende minimumvergoeding van stagiairs hun een behoorlijk inkomen moet garanderen, zoals het geval is voor stagiairs bij de diensten van de EU-instellingen;

36.

verwacht dat de vertaaldiensten van het Parlement voldoen aan hun kerntaak, namelijk steun verlenen aan de Uniewetgever en de leden door hen te voorzien van vertaalde documenten van hoge kwaliteit in het kader van een duurzame strategie voor de toekomst;

37.

herhaalt zijn bezorgdheid over de extra uitgaven voor de vertolking van de mondelinge stemverklaringen tijdens de plenaire vergaderingen; verzoekt de secretaris-generaal een gedetailleerde uitsplitsing te verstrekken van de kosten die verband houden met de mondelinge stemverklaringen; herinnert eraan dat alternatieven, zoals schriftelijke stemverklaringen en diverse openbare communicatiefaciliteiten, beschikbaar zijn voor leden die hun stemgedrag wensen toe te lichten of die vraagstukken wensen te bespreken waarover hun achterban zich zorgen maakt; is in verband hiermee van mening dat, om aanzienlijke besparingen te realiseren, de mondelinge stemverklaringen kunnen worden afgeschaft;

38.

herinnert aan artikel 27, leden 1 en 2, van het Statuut van de leden waarin het volgende is bepaald: “Na inwerkingtreding van dit Statuut, blijft het door het Europees Parlement ingestelde vrijwillig pensioenfonds gehandhaafd voor leden of voormalige leden die in dit fonds reeds rechten of aanspraken hebben verworven” en “De verworven rechten en aanspraken blijven in volle omvang bestaan”; verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau om volledige naleving van het Statuut van de leden en vraagt om met het pensioenfonds dringend een duidelijk plan op te stellen waarbij het Parlement de verplichtingen en verantwoordelijkheden voor het vrijwillig pensioenfonds van de leden overneemt; herhaalt zijn verzoek om een onderzoek van het vrijwillig pensioenfonds van de leden door de Rekenkamer en vraagt de manieren te onderzoeken om een duurzame financiering van het vrijwillig pensioenfonds te garanderen, in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de leden, waarbij moet worden gezorgd voor volledige transparantie;

39.

herhaalt het verzoek om transparantie rond de algemene kostenvergoeding van de leden; betreurt het feit dat het Bureau er niet in geslaagd is op dit gebied grotere transparantie en verantwoordingsplicht in te voeren; vraagt dat de leden verplicht worden volledige verantwoording voor hun uitgaven in het kader van deze vergoeding af te leggen;

Aan het personeel gerelateerde kwesties

40.

is van mening dat, in een periode waarin de financiële middelen en het personeel waarover de instellingen van de Unie beschikken, wellicht verder worden beperkt, het belangrijk is vast te stellen op welke gebieden, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, IT-diensten en veiligheid, vertolkings- en vertaaldiensten of chauffeursdiensten, meer synergieën tussen de backoffice-taken kunnen worden gecreëerd, door gebruik te maken van de ervaring van het Parlement en de andere instellingen van de Unie, waarbij ten volle rekening moet worden gehouden met de bestuurlijke moeilijkheden en de verschillen in omvang om eerlijke samenwerkingsovereenkomsten op te stellen;

41.

verzoekt om de invoering van een verplichting voor de leden om hun rekeningen in verband met de algemene kostenvergoeding te laten controleren door een externe accountant, ten minste aan het einde van het mandaat van een lid; verzoekt voorts om de uitgaven openbaar te maken door op de persoonlijke pagina's van de leden op de website van het Europees Parlement een link naar deze gegevens te plaatsen;

42.

is ingenomen met de bestaande samenwerkingsovereenkomsten tussen het Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, teneinde vast te stellen op welke andere terreinen de backoffice-taken kunnen worden gedeeld; verzoekt de secretaris-generaal de bestaande samenwerking tussen de instellingen van de Unie te evalueren om mogelijke bijkomende synergieën en besparingen te identificeren;

43.

blijft bij het principe van toegankelijkheid voor alle burgers; overeenkomstig de door de plenaire vergadering geformuleerde verzoeken om de vertolking in te voeren van alle debatten in internationale gebarentaal, verzoekt de secretaris-generaal de haalbaarheid hiervan te onderzoeken;

44.

herinnert aan de aanbevelingen in de resoluties van het Parlement van 26 oktober 2017, 11 september 2018 en 15 januari 2019 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de Unie, alsmede maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie; vraagt ondersteuning ter dekking van de kosten van de nodige externe deskundigheid om de externe audit uit te breiden naar het adviescomité voor personeel van het Parlement inzake intimidatie; vraagt kredieten ter dekking van de volledige uitvoering van de hervormingen voor het Parlement die zijn vermeld in de resolutie ter bestrijding van intimidatie, inclusief regelmatige verplichte opleidingen ter zake voor alle personeelsleden, GPM's en leden; is voorts van mening dat kredieten nodig zijn ter dekking van de kosten van bemiddelaars en andere deskundigen die bevoegd zijn om gevallen van intimidatie binnen het Parlement te voorkomen en te beheren, samen met het netwerk van vertrouwenspersonen en met de bestaande structuren;

45.

beveelt aan dat intensiever gebruik wordt gemaakt van videoconferenties en andere technologieën om het milieu te beschermen en middelen te besparen, met name door de verplichte verplaatsingen van het personeel tussen de drie werklocaties te beperken;

Overige kwesties

46.

is van mening dat de procedure voor de vaststelling van de raming van het Parlement moet worden herzien, rekening houdend met het door de werkgroep interne begrotingsprocedure van het Parlement uitgewerkte document over werk in uitvoering, met het oog op het eerbiedigen van de wens van de fracties om de huidige procedure te vereenvoudigen, deze efficiënter te maken door de werkdruk voor de leden en het personeel te verminderen, de transparantie ervan te vergroten en de verantwoordelijkheden van de diverse betrokken actoren te verduidelijken; herinnert eraan dat in de huidige procedure de Begrotingscommissie tweemaal dezelfde taken verricht, eenmaal in het voorjaar (overleg met het Bureau voor de goedkeuring van de ramingen van het Parlement) en eenmaal in het najaar (indiening van begrotingsamendementen), hetgeen leidt tot een groter aantal vergaderingen, de opstelling van meer documenten en hogere hiermee verband houdende uitgaven (vertalingen, tolken enz.);

47.

verzoekt om passende financiering van het Europese mediaknooppunt te handhaven, voor samenwerking met televisieomroepen, sociale media en andere partners om aankomende journalisten opleidingsmogelijkheden te bieden, met name met betrekking tot nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en nieuwsberichten die op feiten berusten en door collega's zijn getoetst;

48.

verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau voor een cultuur van prestatiegericht begroten en ecologische duurzaamheid te zorgen in de hele administratie van het Parlement, alsook voor een benadering te kiezen die berust op “lean management” om de efficiëntie te vergroten en de bureaucratische rompslomp in het interne werk van de instelling terug te dringen; beklemtoont dat de ervaring van “lean management” neerkomt op de permanente verbetering van de werkprocedure dankzij vereenvoudiging en de ervaring van het administratief personeel;

49.

verzoekt om volledige transparantie betreffende het gebruik en beheer van de middelen die beschikbaar worden gesteld aan Europese politieke partijen en Europese stichtingen; vraagt een grondige evaluatie van en controle op de uitgaven die de Europese politieke partijen en stichtingen met deze begrotingsmiddelen verrichten; vestigt de aandacht op belangenverstrengeling ten gevolge van de sponsoring van de activiteiten van Europese politieke partijen door particuliere bedrijven; vraagt daarom een verbod op schenkingen en sponsoring van welke aard ook door particuliere bedrijven ten gunste van Europese politieke partijen en Europese stichtingen;

o

o o

50.

stelt de raming voor het begrotingsjaar 2020 vast;

51.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de raming te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0417.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0182.

(7)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0331.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0404.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0503.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0010.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.

(12)  Door het Bureau goedgekeurde teksten, PE 113.116/BUR./rev. XXVI/01-04-2009.