ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 443

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

63e jaargang
21 december 2020


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2020/C 443/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2020/C 443/02

Zaak C-759/18: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 3 oktober 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Rădăuţi — Roemenië) — OF / PG [Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Bevoegdheid om kennis te nemen van een echtscheidingsverzoek – Bevoegdheid op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsplicht jegens het minderjarige kind van de echtgenoten – Beroep bij het gerecht van de staat waarvan partijen de nationaliteit bezitten – Artikel 3, lid 1, onder b) – Verblijfplaats van het minderjarige kind en de ouders in een andere lidstaat – Artikel 12, lid 1, onder b) – Prorogatie van rechtsmacht – Artikel 17 – Toetsing van bevoegdheid – Begrip ouderlijke verantwoordelijkheid]

2

2020/C 443/03

Zaak C-251/19 P: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 2 oktober 2019 — Comprojecto-Projectos e Construções, Lda, Paulo Eduardo Matos Gomes de Azevedo, Julião Maria Gomes de Azevedo, Isabel Maria Matos Gomes de Azevedo / Europese Centrale Bank (Hogere voorziening – Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering – Geen conclusies – Onduidelijkheid van het verzoekschrift – Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

3

2020/C 443/04

Zaak C-378/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (Oostenrijk) op 11 augustus 2020 — Stadtapotheke E

3

2020/C 443/05

Zaak C-407/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Wien (Oostenrijk) op 31 augustus 2020 — Österreichische Apothekerkammer / HA

4

2020/C 443/06

Zaak C-422/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Köln (Duitsland) op 8 september 2020 — RK / CR

4

2020/C 443/07

Zaak C-425/20 P: Hogere voorziening ingesteld op 8 september 2020 door Welmax + tegen het arrest van het Gerecht van 8 juli 2020 in zaak T-305/19, Welmax +/EUIPO — Valmex Medical Imaging (welmax)

5

2020/C 443/08

Zaak C-440/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Stuttgart (Duitsland) op 18 september 2020 — S. / AD GmbH

6

2020/C 443/09

Zaak C-447/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 22 september 2020 — Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP) / LM

8

2020/C 443/10

Zaak C-448/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 22 september 2020 — Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP) / BD, Autoridade Tributária e Aduaneira

9

2020/C 443/11

Zaak C-459/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (Nederland) op 15 september 2020 — X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

10

2020/C 443/12

Zaak C-460/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 24 september 2020 — TU, RE / Google LLC

11

2020/C 443/13

Zaak C-466/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 25 september 2020 — HEITEC AG / HEITECH Promotion GmbH en RW

12

2020/C 443/14

Zaak C-498/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Midden-Nederland (Nederland) op 29 september 2020 — ZK, in hoedanigheid van opvolger van JM, curator in het faillissement van BMA Nederland BV tegen BMA Braunschweigische Maschinenbauanstalt AG. Tussenkomende partij: Stichting Belangbehartiging Crediteuren BMA Nederland

13

2020/C 443/15

Zaak C-512/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Noord-Holland (Nederland) op 13 oktober 2020 — P tegen Swiss International Air Lines AG

14

2020/C 443/16

Zaak C-524/2020: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Městský soud v Praze (Tsjechië) op 20 oktober 2020 — VÍTKOVICE STEEL/Ministerstvo životního prostředí

15

2020/C 443/17

Zaak C-530/20: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Satversmes tiesa (Letland) op 20 oktober 2020 — SIA EUROAPTIEKA / Ministru kabinets

16

2020/C 443/18

Zaak C-621/20 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2020 door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer — uitgebreid) van 23 september 2020 in zaak T-411/17, Landesbank Baden-Württemberg / Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

17

2020/C 443/19

Zaak C-190/19: Beschikking van de president van het Hof van 4 oktober 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hamburg — Duitsland) — MG, NH / Germanwings GmbH

18

2020/C 443/20

Zaak C-413/19: Beschikking van de president van het Hof van 2 oktober 2019 — Europese Commissie / Republiek Slovenië

18

2020/C 443/21

Zaak C-671/19: Beschikking van de president van het Hof van 24 oktober 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen — België) — X / Belgische Staat

18

 

Gerecht

2020/C 443/22

Zaak T-151/18: Arrest van het Gerecht van 28 oktober 2020 — Ben Ali/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Vanwege de situatie in Tunesië vastgestelde restrictieve maatregelen – Maatregelen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van overheidsgelden en tegen de met hen geassocieerde personen of entiteiten – Lijst van de personen, entiteiten en lichamen waarop de bevriezing van tegoeden van toepassing is – Handhaving van verzoekers naam op de lijst – Rechten van de verdediging – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Redelijke procestermijn – Toereikende feitelijke basis – Beroepstermijnen – Rechtsbijstand – Schorsende werking – Ontvankelijkheid – Voorwaarden)

19

2020/C 443/23

Zaak T-307/18: Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2020 — Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals / Commissie (Dumping – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal van oorsprong uit China – Instelling van een definitief antidumpingrecht – Rechten van de verdediging – Berekening van de dumpingmarge – Vergelijkbaar land – Schade – Causaal verband)

20

2020/C 443/24

Gevoegde zaken T-389/19 tot en met T-394/19, T-397/19, T-398/19, T-403/19, T-404/19, T-406/19, T-407/19, T-409/19 tot en met T-414/19, T-416/19 tot en met T-418/19, T-420/19 tot en met T-422/19, T-425/19 tot en met T-427/19, T-429/19 tot en met T-432/19, T-435/19, T-436/19, T-438/19 tot en met T-442/19, T-444/19 tot en met T-446/19, T-448/19, T-450/19 tot en met T-454/19, T-463/19 en T-465/19: Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2020 — Coppo Gavazzi e.a. / Parlement [Institutioneel recht – Eén statuut voor leden van het Europees Parlement – Leden van het Europees Parlement die zijn gekozen in Italiaanse kiesdistricten – Vaststelling door het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (Bureau van het Voorzitterschap van de Tweede Kamer, Italië) van besluit nr. 14/2018 inzake pensioenen – Aanpassing van de hoogte van het pensioen van de leden van het Italiaanse parlement – Soortgelijke aanpassing door het Europees Parlement van het pensioenbedrag voor bepaalde voormalige leden van het Europees Parlement die in Italië waren gekozen – Bevoegdheid van de instantie die de handeling heeft vastgesteld – Motiveringsplicht – Verworven rechten – Rechtszekerheid – Gewettigd vertrouwen – Eigendomsrecht – Evenredigheid – Gelijke behandeling]

20

2020/C 443/25

Zaak T-621/20: Beroep ingesteld op 3 oktober 2020 — EMCS / EASO

21

2020/C 443/26

Zaak T-624/20: Beroep ingesteld op 9 oktober 2020 — MV/Commissie

22

2020/C 443/27

Zaak T-627/20: Beroep ingesteld op 12 oktober 2020 — LAICO/Raad

23

2020/C 443/28

Zaak T-634/20: Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — UPTR/Parlement en Raad

24

2020/C 443/29

Zaak T-635/20: Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — Dermavita Company/EUIPO — Allergan Holdings France (JUVÉDERM VYBRANCE)

25

2020/C 443/30

Zaak T-636/20: Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — Dermavita Company/EUIPO — Allergan Holdings France (JUVÉDERM VOLUMA)

26

2020/C 443/31

Zaak T-637/20: Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — Dermavita Company/EUIPO — Allergan Holdings France (JUVÉDERM VOLITE)

26

2020/C 443/32

Zaak T-648/20: Beroep ingesteld op 26 oktober 2020 — NB / Hof van Justitie van de Europese Unie

27

2020/C 443/33

Zaak T-651/20: Beroep ingesteld op 23 oktober 2020 — KL / EIB

28

2020/C 443/34

Zaak T-660/20: Beroep ingesteld op 4 november 2020 — Zhejiang Beyondsun Green Energy Technology/Commissie

29

2020/C 443/35

Zaak T-665/20: Beroep ingesteld op 6 november 2020 — Ryanair / Commissie

30


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2020/C 443/01)

Laatste publicatie

PB C 433 van 14.12.2020

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 423 van 7.12.2020

PB C 414 van 30.11.2020

PB C 399 van 23.11.2020

PB C 390 van 16.11.2020

PB C 378 van 9.11.2020

PB C 371 van 3.11.2020

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/2


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 3 oktober 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Rădăuţi — Roemenië) — OF / PG

(Zaak C-759/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Bevoegdheid om kennis te nemen van een echtscheidingsverzoek - Bevoegdheid op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsplicht jegens het minderjarige kind van de echtgenoten - Beroep bij het gerecht van de staat waarvan partijen de nationaliteit bezitten - Artikel 3, lid 1, onder b) - Verblijfplaats van het minderjarige kind en de ouders in een andere lidstaat - Artikel 12, lid 1, onder b) - Prorogatie van rechtsmacht - Artikel 17 - Toetsing van bevoegdheid - Begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid”)

(2020/C 443/02)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Judecătoria Rădăuţi

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: OF

Verwerende partij: PG

Dictum

1)

Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer in het geval van een verzoek tot echtscheiding de verzoeker de zaak voorlegt aan een gerecht van de lidstaat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, terwijl hun gewone verblijfplaats zich in een andere lidstaat bevindt, dat gerecht op grond van artikel 3, lid 1, onder b), bevoegd is om uitspraak te doen over dat verzoek. Aangezien de instemming van de verweerder niet is vereist, is het niet nodig om te onderzoeken of het feit dat hij geen exceptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen, betekent dat hij stilzwijgend instemt met de bevoegdheid van het geadieerde gerecht.

2)

Artikel 3, lid 1, en artikel 17 van verordening nr. 2201/2003 moeten aldus worden uitgelegd dat in een situatie als in het hoofdgeding, de omstandigheid dat het paar waarvan de ontbinding van het huwelijk wordt gevraagd een minderjarig kind heeft, niet relevant is voor de bepaling van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over het echtscheidingsverzoek. Aangezien het gerecht van de lidstaat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, dat door verzoeker is geadieerd, krachtens artikel 3, lid 1, onder b), van die verordening bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoek, kan het zelfs bij gebreke van instemming van partijen daarover niet een exceptie van internationale onbevoegdheid opwerpen.

3)

Artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een gerecht van de lidstaat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, dat door de verzoeker is geadieerd, krachtens artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een echtscheiding, de in artikel 12, lid 1, onder b), voorziene voorwaarde van aanvaarding van bevoegdheid niet vervuld kan worden geacht, wanneer het voorwerp van de procedure niet de ouderlijke verantwoordelijkheid is en de verweerder niet is verschenen. In een dergelijke situatie is het geadieerde gerecht, dat bevoegd is om uitspraak te doen over de echtscheiding van de echtgenoten, op grond van artikel 12, lid 1, onder b), en artikel 3, onder d), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, niet bevoegd om uitspraak te doen over kwesties betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsplicht voor het betrokken kind.

4)

Het begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op beslissingen over, met name, het gezagsrecht en de woonplaats van het kind, maar niet op de bijdrage van de ouders aan de noodzakelijke kosten van het grootbrengen en opvoeden van het kind, welke onder het begrip “onderhoudsverplichting” en binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4/2009 valt.


(1)  PB C 65 van 18.2.2019.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/3


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 2 oktober 2019 — Comprojecto-Projectos e Construções, Lda, Paulo Eduardo Matos Gomes de Azevedo, Julião Maria Gomes de Azevedo, Isabel Maria Matos Gomes de Azevedo / Europese Centrale Bank

(Zaak C-251/19 P) (1)

(Hogere voorziening - Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering - Geen conclusies - Onduidelijkheid van het verzoekschrift - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

(2020/C 443/03)

Procestaal: Portugees

Partijen

Rekwiranten: Comprojecto-Projectos e Construções, Lda, Paulo Eduardo Matos Gomes de Azevedo, Julião Maria Gomes de Azevedo, Isabel Maria Matos Gomes de Azevedo (vertegenwoordiger: M. Ribeiro, advogado)

Andere partij in de procedure: Europese Centrale Bank (vertegenwoordigers: C. Hernández Saseta en P. Ferreira Jorge, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Comprojecto-Projectos e Construções Lda, Paulo Eduardo Matos Gomes de Azevedo, Julião Maria Gomes de Azevedo en Isabel Maria Matos Gomes de Azevedo worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Centrale Bank (ECB).


(1)  PB C 182 van 27.5.2019.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (Oostenrijk) op 11 augustus 2020 — Stadtapotheke E

(Zaak C-378/20)

(2020/C 443/04)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesverwaltungsgericht Oberösterreich

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Stadtapotheke E

Verwerende instantie: Bezirkshauptmannschaft Linz-Land

Andere partij in de procedure: AW

Prejudiciële vragen

1)

Zijn nationale regels die een gerecht ertoe verplichten om voor het in het kader van een vergunningverleningsprocedure vereiste deskundigenbewijs een deskundigenadvies in te winnen van een autonome beroepsorganisatie waarvan de besluitvormingsorganen feitelijk worden gedomineerd door een beroepsgroep met een meerderheidspositie waarvan de belangen over het algemeen in strijd zijn met die van de vergunningaanvrager, of — voor het geval dat een dergelijke regel in strijd zou zijn met het Unierecht — van een deskundige van een overheidsinstantie, verenigbaar met de door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereiste schijn van onpartijdigheid van dat gerecht?

2)

Strookt een nationale regeling waarin een in het vooruitzicht gesteld gegarandeerd klantenpotentieel — meer specifiek: 5 500 personen — wordt vastgelegd dat door een rechter niet kan worden geverifieerd, met de vereisten van de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest, voor zover daarbij wordt bepaald dat een inmenging in die waarborgen enkel is toegestaan indien het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen?


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Wien (Oostenrijk) op 31 augustus 2020 — Österreichische Apothekerkammer / HA

(Zaak C-407/20)

(2020/C 443/05)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Wien

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Österreichische Apothekerkammer

Verwerende partij: HA

Prejudiciële vraag

Moet artikel 36 VWEU aldus worden uitgelegd dat een nationaal verbod op de postorderverkoop van medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek ter vaststelling van de hiv-status die door de fabrikant zijn bestemd om door leken in een thuissituatie te kunnen worden gebruikt, — dus een maatregel van gelijke werking als bedoeld in artikel 34 VWEU — gerechtvaardigd is ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen?


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Köln (Duitsland) op 8 september 2020 — RK / CR

(Zaak C-422/20)

(2020/C 443/06)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Köln

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: RK

Verwerende partij: CR

Prejudiciële vragen

1)

Is het voor een onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter volgens artikel 7, onder a), van de erfrechtverordening (1) vereist dat deze rechter zich uitdrukkelijk onbevoegd verklaart, of kan ook een niet uitdrukkelijke verklaring volstaan, wanneer daaruit kan worden opgemaakt dat deze rechter zich onbevoegd heeft verklaard?

2)

Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of de eerder aangezochte rechter zijn beslissing heeft gegeven in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van de erfrechtverordening? In hoeverre is de beslissing van de eerder aangezochte rechter bindend? Met name:

a)

Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of de erflater een rechtsgeldige rechtskeuze heeft gemaakt overeenkomstig artikel 22 van de erfrechtverordening?

b)

Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of een van de procespartijen overeenkomstig artikel 6, onder a), van de erfrechtverordening een verzoek tot onbevoegdverklaring bij de eerder aangezochte rechter heeft ingediend?

c)

Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of de eerder aangezochte rechter terecht ervan is uitgegaan dat de rechters van de lidstaat van het gekozen recht beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging?

3)

Zijn artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van de erfrechtverordening, die een rechtskeuze “overeenkomstig artikel 22” vereisen, ook dan van toepassing indien de erflater in een vóór 17 augustus 2015 opgestelde uiterste wilsbeschikking geen uitdrukkelijke of stilzwijgende rechtskeuze heeft gemaakt, maar het op de erfopvolging toepasselijke recht alleen op grond van artikel 83, lid 4, van de erfrechtverordening kan worden bepaald?


(1)  Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/5


Hogere voorziening ingesteld op 8 september 2020 door Welmax + tegen het arrest van het Gerecht van 8 juli 2020 in zaak T-305/19, Welmax +/EUIPO — Valmex Medical Imaging (welmax)

(Zaak C-425/20 P)

(2020/C 443/07)

Procestaal: Pools

Partijen

Rekwirante: Welmax + sp. z o. o. sp.k. (vertegenwoordiger: M. Machyński, radca prawny)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Bij beschikking van 30 oktober 2020 heeft de vicepresident van het Hof de hogere voorziening niet-ontvankelijk verklaard.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Stuttgart (Duitsland) op 18 september 2020 — S. / AD GmbH

(Zaak C-440/20)

(2020/C 443/08)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landgericht Stuttgart

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: S.

Verwerende partij: AD GmbH

Prejudiciële vragen

1.   Uitlegging van het begrip “manipulatie-instrument”

1.1:

Dient artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 (1) aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het begrip “constructieonderdeel” enkel en alleen betrekking heeft op mechanische onderdelen van een fysieke constructie?

Voor het geval dat vraag 1.1 ontkennend wordt beantwoord:

1.2:

Dient artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het emissiecontrolesysteem enkel bestaat uit het achteraf in het motorblok ingebouwde antiverontreinigingssysteem [bijvoorbeeld in de vorm van dieseloxidatiekatalysatoren, dieseldeeltjesvanger(s) of NOx-reductiekatalysatoren]?

1.3:

Dient artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het emissiecontrolesysteem betrekking heeft op emissiebeperkende maatregelen die zowel in als buiten de motor worden uitgevoerd?

2.   Uitlegging van het begrip “normale gebruiksomstandigheden”

2.1:

Dient artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het begrip “normale gebruiksomstandigheden” alleen de rijomstandigheden in het kader van de NEDC (Europese rijcyclus “New European Drive Cycle”) omschrijft?

Voor het geval dat vraag 2.1 ontkennend wordt beantwoord:

2.2:

Dient artikel 4, lid 1, tweede alinea, juncto artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat de fabrikanten moeten aantonen dat ook in het dagelijkse gebruik wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden in bijlage I bij de verordening?

Voor het geval dat vraag 2.2 bevestigend wordt beantwoord:

2.3:

Dient artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het begrip “normale gebruiksomstandigheden” de werkelijke rijomstandigheden in het dagelijkse gebruik omschrijft?

Voor het geval dat vraag 2.3 ontkennend wordt beantwoord:

2.4:

Dient artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het begrip “normale gebruiksomstandigheden” de werkelijke rijomstandigheden in het dagelijkse gebruik bij een gemiddelde snelheid van 33,6 km/u en een maximumsnelheid van 120,00 km/u omschrijft?

3.   Toelaatbaarheid van temperatuurgebonden emissiebeperkingsstrategieën

3.1:

Dient artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het verboden is om een voertuig zo uit te rusten dat de onderdelen die van invloed kunnen zijn op de emissies, zodanig ontworpen zijn dat de uitlaatgasrecirculatieapparatuur zo wordt geregeld dat zij alleen bij een temperatuur tussen 20 en 30 oC een emissiearme modus waarborgt en de werking ervan buiten dit thermovenster geleidelijk wordt verminderd?

Voor het geval dat vraag 3.1 ontkennend wordt beantwoord:

3.2:

Dient artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat een manipulatie-instrument tevens verboden is wanneer het buiten het thermovenster van 20 tot 30 oC blijft functioneren om de motor te beschermen en de uitlaatgasrecirculatie daardoor aanzienlijk wordt verminderd?

4.   Uitlegging van het begrip “nodig” in de zin van het uitzonderingsgeval

4.1:

Dient artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat er alleen sprake is van noodzaak van het gebruik van manipulatie-instrumenten in de zin van de regeling wanneer zelfs door gebruik te maken van de spitstechnologie die ten tijde van de verlening van de typegoedkeuring voor het betrokken type voertuig beschikbaar was, de bescherming van de motor tegen schade of ongevallen en de veilige werking van het voertuig niet konden worden verzekerd?

Voor het geval dat vraag 4.1 ontkennend wordt beantwoord:

4.2:

Dient artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat er geen sprake is van noodzaak van het gebruik van manipulatie-instrumenten in de zin van de bepaling wanneer de in de motorbesturing opgeslagen parameters zo zijn gekozen dat het uitlaatgasreiningssysteem, doordat het temperatuurgebonden is, gedurende een groot deel van het jaar niet of slechts in beperkte mate wordt geactiveerd wegens de te verwachten gangbare temperaturen?

5.   Uitlegging van het begrip “schade” in de zin van het uitzonderingsgeval

5.1:

Dient artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat alleen de motor moet worden beschermd tegen schade?

5.2:

Dient artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het begrip schade niet aan de orde is als het om zogenoemde slijtstukken (zoals bijvoorbeeld de EGR-klep) gaat?

5.3:

Dient artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat ook andere onderdelen van het voertuig, in het bijzonder de achteraf in de uitlaatpijp aangebrachte onderdelen, tegen schade of ongevallen moeten worden beschermd?

6.   Rechtsgevolgen en beteugelende werking van schendingen van het Unierecht

6.1:

Dienen artikel 4, lid 1, tweede alinea, artikel 4, lid 2, tweede alinea, artikel 5, lid 1 en lid 2, alsmede artikel 13 van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat daarbij op zijn minst ook het recht op economische zelfbeschikking wordt beschermd van de koper van een voertuig dat niet aan de eisen van verordening (EG) nr. 715/2007 voldoet?

Voor het geval dat vraag 6.1 ontkennend wordt beantwoord:

6.2:

Dienen artikel 4, lid 1, tweede alinea, artikel 4, lid 2, tweede alinea, artikel 5, lid 1 en lid 2, alsmede artikel 13 van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd en toegepast dat de lidstaten een sanctiemechanisme moeten vaststellen, waarbij omwille van de nuttige werking een recht van beroep aan kopers van voertuigen wordt verleend ter afdwinging van het Unierecht dat voorziet in marktregulering?

6.3:

a)

Moet het begrip “doeltreffende, evenredige en afschrikkende” maatregel in de zin van artikel 13, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus worden uitgelegd dat schade die volgens de geldende regelgeving door de koper van een voertuig wordt geleden, niet kan worden gecompenseerd of verminderd wegens de omstandigheid dat een voertuig dat niet in overeenstemming is met verordening (EG) nr. 715/2007, daadwerkelijk kon worden gebruikt?

b)

Moet krachtens het beginsel van de nuttige werking (effet utile), dat inherent is aan het Unierecht, het begrip “doeltreffende, evenredige en afschrikkende” maatregel in de zin van artikel 13, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 715/2007 verschillend worden opgevat naargelang de overtreding in de zin van artikel 13, lid 2, daarvan opzettelijk was dan wel louter uit nalatigheid is begaan, en is het volgens dat begrip gerechtvaardigd dat alleen in dit laatste geval het daadwerkelijke gebruik dat van het gekochte voertuig is gemaakt, wordt verrekend?

c)

Moet het begrip “doeltreffende, evenredige en afschrikkende” maatregel in de zin van artikel 13, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus worden uitgelegd dat de fabrikant van het voertuig, ook indien het gebruiksvoordeel wordt verrekend, een financiële compensatie voor het overgedragen kapitaal, dat wil zeggen de koopprijs, dient te betalen, en dus rente over dat bedrag verschuldigd is?

d)

Moet het begrip “doeltreffende, evenredige en afschrikkende” maatregel in de zin van artikel 13, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus worden uitgelegd dat de fabrikant van een voertuig dat niet aan de eisen van die verordening voldoet, zich in elk geval vanaf het tijdstip van het eerste serieuze verzoek tot terugname ervan dat de koper hem doet toekomen, niet meer kan beroepen op een verrekening van diens daadwerkelijk gebruik van het voertuig met de koopprijs ervan?

6.4:

Dienen artikel 18, lid 1, en artikel 26, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG (2) aldus te worden uitgelegd en toegepast dat de fabrikant zijn verplichting tot afgifte van een geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 18, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG niet nakomt wanneer hij een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 in het voertuig heeft ingebouwd en het in het verkeer brengen van een dergelijk voertuig schending oplevert van het verbod op verkoop zonder geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 26, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG?

6.5:

Bestaat het doel en de opzet van verordening (EG) nr. 715/2007 en van richtlijn 2007/46/EG erin dat de in bijlage I bij verordening (EG) nr. 715/2007 vermelde grenswaarden en het certificaat van overeenstemming, zoals gedefinieerd in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG juncto verordening (EG) nr. 385/2009 (3), rechten ter bescherming van de koper in het leven roepen die van dien aard zijn dat niet-naleving van de kwaliteitsbevorderende grenswaarden van de verordening respectievelijk schending van de wettelijke vereisten inzake registratie er volgens het Unierecht aan in de weg staat dat bij de teruggave van het voertuig aan de fabrikant gebruiksvoordelen worden verrekend?


(1)  Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB 2007, L 263, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 385/2009 van de Commissie van 7 mei 2009 tot vervanging van bijlage IX bij richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB 2009, L 118, blz. 13).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 22 september 2020 — Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP) / LM

(Zaak C-447/20)

(2020/C 443/09)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Supremo Tribunal Administrativo

Partijen in het hoofdgeding

Appellant: Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP)

Geappelleerde: LM

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 (1) in de weg aan een nationale regeling krachtens welke het de taak van de begunstigde van een subsidie is om bij de bevoegde rechter een bestuursrechtelijk beroep in te stellen tegen het besluit waarbij op grond dat er zich een onregelmatigheid heeft voorgedaan, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen, op straffe dat het besluit definitief wordt […] indien het tardief wordt aangevochten (dat wil zeggen wanneer de begunstigde niet tijdig gebruikmaakt van de verweermiddelen waarin zijn nationale recht voorziet) en dat het ten onrechte uitbetaalde bedrag derhalve kan worden teruggevorderd overeenkomstig de in het nationale recht vastgestelde vereisten en termijnen?

2)

Staat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 in de weg aan een nationale regeling krachtens welke de begunstigde van een subsidie zich niet kan beroepen op het verstrijken van de termijn van vier of acht jaar tijdens de tegen hem ingestelde gerechtelijke procedure van gedwongen tenuitvoerlegging, aangezien hierover alleen kan worden geoordeeld in het kader van het bestuursrechtelijk beroep tegen het besluit waarbij op grond dat er een onregelmatigheid is vastgesteld, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen?

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag negatief zouden worden beantwoord:

3)

Moet de verjaringstermijn van drie jaar waarin artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2988/95 voorziet, worden beschouwd als een verjaringstermijn voor de schuld die ontstaat door het besluit waarbij op grond dat er zich onregelmatigheden in de financiering hebben voorgedaan, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen? Begint die termijn te lopen op de datum waarop dat besluit is vastgesteld?

4)

[Verzet] artikel 3 van verordening nr. 2988/95 zich tegen een nationale regeling volgens welke de termijn van drie jaar voor de verjaring van de schuld die ontstaat door het besluit waarbij op grond dat er zich onregelmatigheden in de financiering hebben voorgedaan, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen, begint te lopen op de datum waarop dat besluit is vastgesteld, moet worden gestuit door de kennisgeving van de inleiding van de executieprocedure met betrekking tot deze bedragen en geschorst blijft tot een definitief of onherroepelijk besluit wordt vastgesteld dat de procedure afsluit in het geval waarin een klacht, een betwisting, een beroep of verzet wordt ingediend, wanneer hierdoor de invordering van de schuld wordt geschorst?


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 22 september 2020 — Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP) / BD, Autoridade Tributária e Aduaneira

(Zaak C-448/20)

(2020/C 443/10)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Supremo Tribunal Administrativo

Partijen in het hoofdgeding

Appellant: Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP)

Geappelleerden: BD, Autoridade Tributária e Aduaneira

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 (1) in de weg aan een nationale regeling krachtens welke het de taak van de begunstigde van een subsidie is om bij de bevoegde rechter een bestuursrechtelijk beroep in te stellen tegen het besluit waarbij op grond dat er zich een onregelmatigheid heeft voorgedaan, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen, op straffe dat het besluit definitief wordt […] indien het tardief wordt ingesteld (dat wil zeggen wanneer de begunstigde niet tijdig gebruik maakt van de verweermiddelen waarin zijn nationale recht voorziet) en dat het ten onrechte uitbetaalde bedrag derhalve kan worden teruggevorderd overeenkomstig de in het nationale recht vastgestelde vereisten en termijnen?

2)

Staat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 in de weg aan een nationale regeling krachtens welke de begunstigde van een subsidie zich niet kan beroepen op het verstrijken van de termijn van vier of acht jaar tijdens de tegen hem ingestelde gerechtelijke procedure van gedwongen tenuitvoerlegging, aangezien hierover alleen kan worden geoordeeld in het kader van het bestuursrechtelijk beroep tegen het besluit waarbij op grond dat er een onregelmatigheid is vastgesteld, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen?

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag negatief zouden worden beantwoord:

3)

Moet de verjaringstermijn van drie jaar waarin artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2988/95 voorziet, worden beschouwd als een verjaringstermijn voor de schuld die ontstaat door het besluit waarbij op grond dat er zich onregelmatigheden in de financiering hebben voorgedaan, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen? Begint die termijn te lopen op de datum waarop dat besluit is vastgesteld?

4)

[Verzet] artikel 3 van verordening nr. 2988/95 zich tegen een nationale regeling volgens welke de termijn van drie jaar voor de verjaring van de schuld die ontstaat door het besluit waarbij op grond dat er zich onregelmatigheden in de financiering hebben voorgedaan, terugbetaling wordt gelast van de aldus ten onrechte ontvangen bedragen, begint te lopen op de datum waarop dat besluit is vastgesteld, moet worden gestuit door de kennisgeving van de inleiding van de executieprocedure met betrekking tot deze bedragen en geschorst blijft tot een definitief of onherroepelijk besluit wordt vastgesteld dat de procedure afsluit in het geval waarin een klacht, een betwisting, een beroep of verzet wordt ingediend, wanneer hierdoor de invordering van de schuld wordt geschorst?


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (Nederland) op 15 september 2020 — X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(Zaak C-459/20)

(2020/C 443/11)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: X

Verweerder: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 20 van het VWEU aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een derdelander, wanneer die zijn minderjarige kind, burger van de Unie, ten laste heeft en wanneer die minderjarige zich ten opzichte van die derdelander in een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bevindt, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar de minderjarige Unieburger de nationaliteit van bezit, terwijl de minderjarige Unieburger zich buiten het grondgebied van die lidstaat dan wel de Unie bevindt en/of zich nooit op het grondgebied van de Unie heeft bevonden, waardoor de minderjarige Unieburger feitelijk de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd?

2)

(a)

Moeten (minderjarige) Unieburgers een belang bij de uitoefening van de rechten die zij hebben op grond van het burgerschap van de Unie stellen of aannemelijk maken?

(b)

Kan in dit verband een rol spelen dat minderjarige Unieburgers in de regel niet zelfstandig hun rechten kunnen doen gelden en zelf geen zeggenschap hebben over hun verblijfplaats, maar daarin afhankelijk zijn van hun ouder(s) en dat dit met zich mee zou kunnen brengen dat namens een minderjarige Unieburger aanspraak wordt gemaakt op de uitoefening van zijn rechten als Unieburger, terwijl dat misschien in strijd zou zijn met zijn andere belangen zoals bedoeld in onder meer het arrest Chavez-Vilchez (1)?

(c)

Zijn die rechten absoluut, in die zin dat daartegen geen belemmeringen mogen worden opgeworpen of dat voor de lidstaat waarvan de (minderjarige) Unieburger de nationaliteit bezit zelfs een positieve verplichting bestaat om de uitoefening van die rechten mogelijk te maken?

3)

(a)

Komt bij de beoordeling of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals in 1) is bedoeld, doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of de ouder, derdelander, vóór de aanvraag of vóór het besluit waarbij hem verblijfsrecht wordt geweigerd dan wel vóór het moment waarop een (nationale) rechterlijke instantie moet beslissen in een vanwege die weigering gevoerde juridische procedure, wel of niet de dagelijkse zorg had voor de minderjarige Unieburger, en of er anderen zijn die deze zorg in het verleden op zich hebben genomen en/of deze op zich kunnen (blijven) nemen?

(b)

Kan in dit verband van de minderjarige Unieburger worden verlangd dat hij, teneinde zijn Unierechten daadwerkelijk uit te kunnen oefenen, zich op het grondgebied van de Unie vestigt bij zijn andere ouder, die burger is van de Unie, die mogelijk niet langer het gezag heeft over de minderjarige?

(c)

Zo ja, maakt het hierbij verschil of die ouder wel of niet het gezag en/of de wettelijke, financiële of affectieve last heeft (gehad) over de minderjarige en wel of niet bereid is deze last(en) en/of de zorg voor de minderjarige op zich te nemen?

(d)

indien zou komen vast te staan dat de ouder, derdelander, het eenhoofdig gezag heeft over de minderjarige Unieburger, betekent dit dan dat minder gewicht toekomt aan de vraag naar de wettelijke, financiële en/of affectieve last?


(1)  C-133/15, EU:C:2017:354.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 24 september 2020 — TU, RE / Google LLC

(Zaak C-460/20)

(2020/C 443/12)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: TU, RE

Verwerende partij: Google LLC

Prejudiciële vragen

1)

Is het verenigbaar met het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven (artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) en op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens (artikel 8 van het Handvest) om bij de afweging, overeenkomstig artikel 17, lid 3, onder a), van verordening (EU) 2016/679 (1), van de tegenstrijdige rechten en belangen die voortvloeien uit de artikelen 7, 8, 11 en 16 van het Handvest — welke afweging nodig is in het kader van de toetsing van het door de betrokkene tegen de verantwoordelijke van een internet-zoekdienst gerichte verzoek om verwijdering — in het geval dat de link waarvan de verwijdering wordt gevraagd, leidt naar inhoud die feitelijke beweringen en op feitelijke beweringen berustende waardeoordelen bevat die volgens de betrokkene onjuist zijn en waarvan de rechtmatigheid afhangt van de vraag of de daarin opgenomen feitelijke beweringen juist zijn, in belangrijke mate tevens rekening te houden met de vraag of van de betrokkene in redelijkheid kan worden gevergd dat deze rechtsbescherming inroept — bijvoorbeeld middels een verzoek om een voorlopige voorziening — tegen de aanbieder van de inhoud en aldus ten minste voorlopig opheldering zou kunnen verkrijgen omtrent de juistheid van de door de verantwoordelijke van de zoekmachine weergegeven inhoud?

2)

Moet in het geval van een verzoek om verwijdering, gericht tegen de verantwoordelijke van een internet-zoekdienst welke zoekdienst bij het zoeken op naam zoekt naar foto’s van natuurlijke personen die door derden in verband met de naam van de persoon op internet zijn gezet, en de gevonden foto’s in de resultatenlijst als miniaturen (“thumbnails”) weergeeft, in het kader van de overeenkomstig artikel 12, onder b), en artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46/EG (2) / artikel 17, lid 3, onder a), AVG, te verrichten afweging van de tegenstrijdige rechten en belangen die voortvloeien uit de artikelen 7, 8, 11 en 16 van het Handvest, in belangrijke mate rekening worden gehouden met de context van de oorspronkelijke publicatie van de derde, ook al verstrekt de zoekmachine bij het weergeven van de miniatuur weliswaar de link naar de website van de derde, maar wordt de website zelf niet genoemd en wordt de hierdoor toegankelijk gemaakte context door de internet-zoekdienst zelf ook niet weergegeven?


(1)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1).

(2)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 25 september 2020 — HEITEC AG / HEITECH Promotion GmbH en RW

(Zaak C-466/20)

(2020/C 443/13)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: HEITEC AG

Verwerende partijen: HEITECH Promotion GmbH, RW

Prejudiciële vragen

1)

Kan gedogen in de zin van artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/95/EG (1) alsmede in de zin van artikel 54, leden 1 en 2, en artikel 111, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 (2) niet alleen worden uitgesloten door een bij een autoriteit of een rechter in te stellen beroep, maar ook door een handelwijze zonder dat daarbij een autoriteit of een rechter wordt ingeschakeld?

2)

Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: vormt een ingebrekestelling waarmee de houder van het oudere teken vóór de inleiding van een gerechtelijke procedure, van de houder van het jongere teken staking van het gebruik van het teken en het overeenkomen van een boetebeding bij overtreding vordert, een handelwijze die gedogen in de zin van artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/95/EG alsmede in de zin van artikel 54, leden 1 en 2, en artikel 111, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 uitsluit?

3)

Is, in geval van een beroep in rechte, voor de berekening van de gedoogtermijn van vijf jaar in de zin van artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/95/EG alsmede in de zin van artikel 54, leden 1 en 2, en artikel 111, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 de instelling van het beroep bij de rechter van belang of de betekening aan de verweerder? Is het in dat verband van belang dat de betekening van het beroep aan de verweerder door toedoen van de houder van het oudere merk is vertraagd tot na de afloop van de termijn van vijf jaar?

4)

Omvat de rechtsverwerking volgens artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/95/EG alsmede volgens artikel 54, leden 1 en 2, en artikel 111, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 naast aanspraken tot staking, bijvoorbeeld ook aanspraken op schadevergoeding, het verstrekken van inlichtingen en de nietigverklaring van van het merkrecht afgeleide rechten?


(1)  Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25).

(2)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (Gecodificeerde versie) (PB 2009, L 78, blz. 1).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Midden-Nederland (Nederland) op 29 september 2020 — ZK, in hoedanigheid van opvolger van JM, curator in het faillissement van BMA Nederland BV tegen BMA Braunschweigische Maschinenbauanstalt AG. Tussenkomende partij: Stichting Belangbehartiging Crediteuren BMA Nederland

(Zaak C-498/20)

(2020/C 443/14)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Midden-Nederland

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: ZK, in hoedanigheid van opvolger van JM, curator in het faillissement van BMA Nederland BV

Verweerster: BMA Braunschweigische Maschinenbauanstalt AG

Tussenkomende partij: Stichting Belangbehartiging Crediteuren BMA Nederland

Prejudiciële vragen

1)

a.

Moet het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in artikel 7, aanhef en onder 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: verordening Brussel I-bis) aldus worden uitgelegd dat “de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis” (Handlungsort) de plaats van vestiging is van de vennootschap die geen verhaal biedt voor de vorderingen van haar schuldeisers, als die onverhaalbaarheid het gevolg is van een schending van de zorgplicht door de grootmoedermaatschappij van deze vennootschap jegens deze schuldeisers?

b.

Moet het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in artikel 7, aanhef en onder 2, van verordening Brussel I-bis aldus worden uitgelegd dat “de plaats van het intreden van de schade” (Erfolgsort) de plaats van vestiging is van de vennootschap die geen verhaal biedt voor de vorderingen van haar schuldeisers, als die onverhaalbaarheid het gevolg is van een schending van de zorgplicht door de grootmoedermaatschappij van deze vennootschap jegens deze schuldeisers?

c.

Zijn bijkomende omstandigheden vereist die rechtvaardigen dat de rechter van de plaats van vestiging van de vennootschap die geen verhaal biedt, bevoegd is en, zo ja, welke omstandigheden zijn dat?

d.

Is de omstandigheid dat de Nederlandse curator van de vennootschap die geen verhaal biedt voor de vorderingen van haar schuldeisers in het kader van zijn wettelijke taak tot afwikkeling van de boedel en ten behoeve van (maar niet namens) de gezamenlijke schuldeisers een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad heeft ingesteld van invloed op de bepaling van de bevoegde rechter op de voet van artikel 7 aanhef en onder 2 van de verordening Brussel I-bis? Een dergelijke vordering brengt mee dat er geen plaats is voor een onderzoek naar de individuele positie van de individuele schuldeisers en dat de aangesproken derde tegenover de curator niet gebruik kan maken van alle verweren die hem wellicht tegenover bepaalde individuele schuldeisers ten dienste zouden hebben gestaan.

e.

Is de omstandigheid dat een deel van de schuldeisers ten behoeve van wie de curator de vordering instelt, woonplaats heeft buiten het grondgebied van de Europese Unie van invloed op de bepaling van het bevoegde rechter op de voet van artikel 7 aanhef en onder 2 van de verordening Brussel I-bis?

2)

Luidt het antwoord op vraag 1 anders, indien het gaat om een vordering die is ingesteld door een stichting die tot doel heeft de collectieve belangen te behartigen van de schuldeisers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1? Een dergelijke collectieve vordering brengt mee dat in de procedure niet wordt vastgesteld a) wat de woonplaatsen van de hiervoor bedoelde schuldeisers zijn, b) wat de bijzondere omstandigheden zijn van de totstandkoming van de vorderingen van de individuele schuldeisers op de vennootschap en c) of er jegens de individuele schuldeisers een zorgplicht als hiervoor bedoeld bestaat en of deze geschonden is.

3)

Moet artikel 8, aanhef en onder 2, van verordening Brussel I-bis aldus worden uitgelegd dat indien het gerecht waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is, terugkomt op zijn beslissing dat hij ter zake van die vordering rechtsmacht heeft, daarmee automatisch ook diens rechtsmacht ontvalt aan de vorderingen die de tussenkomende partij heeft ingesteld?

4)

a.

Moet artikel 4, onder 1, van verordening (EG) nr. 864/2007 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: verordening Rome II) aldus worden uitgelegd dat “de plaats waar de schade zich voordoet”, de plaats is waar de vennootschap is gevestigd die geen verhaal biedt voor de schade die de schuldeisers van de vennootschap hebben geleden door de hiervoor bedoelde schending van de zorgplicht?

b.

Is de omstandigheid dat de vorderingen zijn ingesteld door een curator uit hoofde van zijn wettelijke taak tot afwikkeling van de boedel en een collectieve belangenbehartiger ten behoeve van (maar niet namens) de gezamenlijke schuldeisers van invloed op de bepaling van deze plaats?

c.

Is de omstandigheid dat een deel van de schuldeisers woonplaats heeft buiten het grondgebied van de Europese Unie van invloed op de bepaling van deze plaats?

d.

Is de omstandigheid dat tussen de Nederlandse failliete vennootschap en haar grootmoedermaatschappij financieringsovereenkomsten bestonden waarin een forumkeuze is gemaakt voor de Duitse rechter en Duits recht van toepassing werd verklaard, een omstandigheid die maakt dat de gestelde onrechtmatige daad van BMA AG een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan Nederland als bedoeld in artikel 4, lid 3, Rome II-verordening?


(1)  PB 2012, L 351, blz. 1.

(2)  PB 2007, L 199, blz. 40.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Noord-Holland (Nederland) op 13 oktober 2020 — P tegen Swiss International Air Lines AG

(Zaak C-512/20)

(2020/C 443/15)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Noord-Holland

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: P

Verweerster: Swiss International Air Lines AG

Prejudiciële vraag

Is verordening (EG) nr. 261/2004 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91, gelet op artikel 15 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 21 juni 1999 (2) en besluiten nr. 1/2006 (3) en nr. 1/2017 (4) van het Comité, in het geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, waarbij tussen het vertrek vanuit een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat en de aankomst op een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een derde staat met een geplande tussenlanding in Zwitserland en waarbij van toestel wordt gewisseld, ook van toepassing op de vanuit Zwitserland vertrekkende rechtstreeks aansluitende vlucht naar een derde land?


(1)  PB 2004, L 46, blz. 1.

(2)  PB 2002, L 114, blz. 73.

(3)  2006/727/EG: Besluit nr. 1/2006 van het Comité Luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland van 18 oktober 2006 tot wijziging van de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (PB 2006, L 298, blz. 23).

(4)  Besluit nr. 1/2017 van het Gemengd Comité luchtvervoer Europese Unie/Zwitserland opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 29 november 2017 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (PB 2017, L 348, blz. 46).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Městský soud v Praze (Tsjechië) op 20 oktober 2020 — VÍTKOVICE STEEL/Ministerstvo životního prostředí

(Zaak C-524/2020)

(2020/C 443/16)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Městský soud v Praze

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: VÍTKOVICE STEEL, a.s.

Verwerende partij: Ministerstvo životního prostředí

Prejudiciële vragen

1)

Vereist artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU (1) van de Commissie van 27 april 2011, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, dat voor de periode 2013–2020 kosteloos emissierechten worden toegewezen aan een installatie waarin een procedé wordt uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een oxystaaloven en waarbij als input met koolstof verzadigd vloeibaar ijzer wordt gebruikt dat afkomstig is van een andere installatie van een andere exploitant, indien tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat dubbeltelling of dubbele toewijzing van emissierechten voor vloeibaar ruwijzer wordt voorkomen?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, ongeldig met betrekking tot vloeibaar ruwijzer wegens strijdigheid met artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, in voorkomend ongeldig wegens de onbegrijpelijkheid ervan?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: is, gelet op het wegvallen van de rechtsgrondslag ervan, ook artikel 1, lid 1, van besluit 2013/448/EU (2) van de Commissie van 5 september 2013 ongeldig met betrekking tot de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05?

4)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 1, lid 1, en artikel 1, lid 2, derde alinea, van besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 met betrekking tot de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05 aldus worden uitgelegd dat er emissierechten voor het vloeibare ruwijzer van die installatie kunnen worden toegewezen op basis van een nieuwe aanvraag van de Tsjechische Republiek, indien dubbeltelling en dubbele toewijzing van de rechten worden uitgesloten?

5)

Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: is artikel 1, lid 1, van besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 ongeldig met betrekking tot de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05 wegens strijdigheid met artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij?

6)

Indien de derde, vierde of vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord: hoe moet de autoriteit van de lidstaat in overeenstemming met het Unierecht te werk gaan indien zij in strijd met het Unierecht heeft nagelaten kosteloos emissierechten toe te wijzen aan de exploitant van een installatie waarin een procedé met gebruikmaking van een oxystaaloven wordt uitgevoerd, wanneer de betrokken installatie niet meer in bedrijf is en de periode waarvoor de emissierechten zijn toegewezen reeds is verstreken?


(1)  Besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad [kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2772)] (PB 2011, L 130, blz 1).

(2)  Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad [kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5666] (PB 2013, L 240, blz. 27).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Satversmes tiesa (Letland) op 20 oktober 2020 — SIA “EUROAPTIEKA” / Ministru kabinets

(Zaak C-530/20)

(2020/C 443/17)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Satversmes tiesa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SIA “EUROAPTIEKA”

Verwerende partij: Ministru kabinets

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de activiteiten waarop de litigieuze bepaling betrekking heeft, worden beschouwd als reclame voor geneesmiddelen in de zin van titel VIII van richtlijn 2001/83/EG (1) (“Reclame”)?

2)

Moet artikel 90 van richtlijn 2001/83/EG aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de lijst van verboden reclamemethoden uitbreidt en strengere beperkingen oplegt dan die waarin artikel 90 van deze richtlijn uitdrukkelijk voorziet?

3)

Moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling worden beschouwd als een beperking van de reclame voor geneesmiddelen ten einde het rationele gebruik van geneesmiddelen te bevorderen in de zin van artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83/EG?


(1)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/17


Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2020 door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer — uitgebreid) van 23 september 2020 in zaak T-411/17, Landesbank Baden-Württemberg / Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

(Zaak C-621/20 P)

(2020/C 443/18)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (vertegenwoordigers: K.-Ph. Wojcik, H. Ehlers, P. A. Messina en J. Kerlin, Bevollmächtigte, alsmede H.-G. Kamann, F. Louis, P. Gey, Rechtsanwälte)

Andere partijen in de procedure: Landesbank Baden-Württemberg, Europese Commissie

Conclusies

1.

vernietiging van het arrest van het Gerecht van 23 september 2020 in zaak T-411/17, Landesbank Baden-Württemberg/Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), EU:T:2020:435;

2.

verwerping van het beroep tot nietigverklaring;

3.

verwijzing van Landesbank Baden-Württemberg in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: schending van artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, onjuiste opvatting van bewijsmiddelen en schending van het recht van de GAR op een eerlijk proces

In de eerste plaats betoogt de GAR dat het Gerecht artikel 85, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering onjuist heeft uitgelegd en toegepast door te oordelen dat de GAR zijn besluit betreffende de voor 2017 vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen (SRB/ES/SRF/2017/05) op onregelmatige wijze had geauthentiseerd, aangezien de door de GAR ter terechtzitting overgelegde bewijzen voor de regelmatige authenticatie van dit besluit niet-ontvankelijk zijn verklaard. Dienaangaande betoogt de GAR ten eerste aan dat het gerechtvaardigd was om ter terechtzitting bewijzen voor de regelmatige authenticatie van dat besluit aan te voeren, gelet op het feit dat de kwestie van de gebrekkige authenticatie tevoren niet aan bod was gekomen in de schriftelijke procedure, noch was behandeld in maatregelen tot organisatie van de procesgang of beslissingen van het Gerecht in verband met de bewijsgaring. De GAR voert ten tweede aan dat het Gerecht, door geen rekening te houden met deze bewijzen en door vast te stellen dat zij — gesteld dat zij ontvankelijk waren — niet onderbouwd waren, de aan hem overgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat. Voorts is het Gerecht, door vast te stellen dat uit de bewijzen geenszins bleek dat er sprake was van een onlosmakelijk verband tussen het door de voorzitter van de GAR ondertekende formulier en de bijlage bij het bestreden besluit, voorbijgegaan aan het referentienummer op het formulier, waardoor dat formulier onlosmakelijk is verbonden met het elektronisch document dat het bestreden besluit en de bijlage ervan bevat. De GAR stelt ten derde dat het Gerecht zijn recht op een eerlijk proces heeft geschonden door het punt van de gebrekkige authenticatie niet vóór de terechtzitting aan de orde te stellen, door het voorstel van de GAR om aanvullende bewijzen over te leggen af te wijzen en door de GAR nooit erop te wijzen dat het de bewijzen ontoereikend achtte.

Tweede middel: schending van artikel 296 VWEU en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten

In de tweede plaats voert de GAR aan dat het Gerecht de vereisten van artikel 296 VWEU en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te ver heeft opgerekt door vast te stellen dat de berekeningsmethode als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 7 en artikel 9 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 (1), alsmede in bijlage I bij deze verordening, niet transparant is en het bestreden besluit dus noodzakelijkerwijs niet toereikend gemotiveerd kon zijn, daar de Landesbank Baden-Württemberg niet volledig kon controleren of de berekening juist was. Volgens rekwirant is het Gerecht er niet in geslaagd om deze vereisten af te stemmen op de geheimhoudingsplicht van artikel 339 VWEU, die overigens niet ter sprake is gebracht in het bestreden arrest, en andere Unierechtelijke beginselen. De gedelegeerde verordening heeft gezorgd voor een uitgebalanceerd compromis tussen de transparantiebeginselen, de verplichting tot inachtneming van het beroepsgeheim en de andere doelstellingen van deze verordening, in het bijzonder de doelstelling een bepaald streefbedrag voor de bijdragen ter financiering van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te bereiken en het doel van een billijke en evenredige heffing van de bijdragen bij alle relevante instellingen. De GAR heeft dit rechtskader naar behoren in acht genomen bij de motivering van het bestreden besluit


(1)  Gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/18


Beschikking van de president van het Hof van 4 oktober 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hamburg — Duitsland) — MG, NH / Germanwings GmbH

(Zaak C-190/19) (1)

(2020/C 443/19)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 213 van 24.6.2019.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/18


Beschikking van de president van het Hof van 2 oktober 2019 — Europese Commissie / Republiek Slovenië

(Zaak C-413/19) (1)

(2020/C 443/20)

Procestaal: Sloveens

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 246 van 22.7.2019.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/18


Beschikking van de president van het Hof van 24 oktober 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen — België) — X / Belgische Staat

(Zaak C-671/19) (1)

(2020/C 443/21)

Procestaal: Frans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 372 van 4.11.2019.


Gerecht

21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/19


Arrest van het Gerecht van 28 oktober 2020 — Ben Ali/Raad

(Zaak T-151/18) (1)

(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Vanwege de situatie in Tunesië vastgestelde restrictieve maatregelen - Maatregelen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van overheidsgelden en tegen de met hen geassocieerde personen of entiteiten - Lijst van de personen, entiteiten en lichamen waarop de bevriezing van tegoeden van toepassing is - Handhaving van verzoekers naam op de lijst - Rechten van de verdediging - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Redelijke procestermijn - Toereikende feitelijke basis - Beroepstermijnen - Rechtsbijstand - Schorsende werking - Ontvankelijkheid - Voorwaarden”)

(2020/C 443/22)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Slim Ben Tijani Ben Haj Hamda Ben Ali (Verneuil-l’Étang, Frankrijk) (vertegenwoordiger: K. Lara, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Lejeune, A. Jaume en V. Piessevaux, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (GBVB) van de Raad van 29 januari 2018 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2018, L 25, blz. 38), van besluit (GBVB) 2019/135 van de Raad van 28 januari 2019 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2019, L 25, blz. 23), en van besluit (GBVB) 2020/117 van de Raad van 27 januari 2020 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (JO 2020, L 22, p. 31), voor zover deze handelingen betrekking hebben op verzoeker.

Dictum

1)

Besluit (GBVB) 2018/141 van de Raad van 29 januari 2018 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië, en besluit (GBVB) 2019/135 van de Raad van 28 januari 2019 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië, worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op Slim Ben Tijani Ben Haj Hamda Ben Ali.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Ben Ali.


(1)  PB C 263 van 5.8.2019.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/20


Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2020 — Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals / Commissie

(Zaak T-307/18) (1)

(“Dumping - Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal van oorsprong uit China - Instelling van een definitief antidumpingrecht - Rechten van de verdediging - Berekening van de dumpingmarge - Vergelijkbaar land - Schade - Causaal verband”)

(2020/C 443/23)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals Co. Ltd (Huzhou, China) (vertegenwoordigers: K. Adamantopoulos en P. Billiet, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Demeneix, M. França, N. Kuplewatzky en E. Schmidt, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2018/330 van de Commissie van 5 maart 2018 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2018, L 63, blz. 15), voor zover deze betrekking heeft op verzoekster.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals Co. Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 240 van 9.7.2018.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/20


Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2020 — Coppo Gavazzi e.a. / Parlement

(Gevoegde zaken T-389/19 tot en met T-394/19, T-397/19, T-398/19, T-403/19, T-404/19, T-406/19, T-407/19, T-409/19 tot en met T-414/19, T-416/19 tot en met T-418/19, T-420/19 tot en met T-422/19, T-425/19 tot en met T-427/19, T-429/19 tot en met T-432/19, T-435/19, T-436/19, T-438/19 tot en met T-442/19, T-444/19 tot en met T-446/19, T-448/19, T-450/19 tot en met T-454/19, T-463/19 en T-465/19) (1)

(“Institutioneel recht - Eén statuut voor leden van het Europees Parlement - Leden van het Europees Parlement die zijn gekozen in Italiaanse kiesdistricten - Vaststelling door het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (Bureau van het Voorzitterschap van de Tweede Kamer, Italië) van besluit nr. 14/2018 inzake pensioenen - Aanpassing van de hoogte van het pensioen van de leden van het Italiaanse parlement - Soortgelijke aanpassing door het Europees Parlement van het pensioenbedrag voor bepaalde voormalige leden van het Europees Parlement die in Italië waren gekozen - Bevoegdheid van de instantie die de handeling heeft vastgesteld - Motiveringsplicht - Verworven rechten - Rechtszekerheid - Gewettigd vertrouwen - Eigendomsrecht - Evenredigheid - Gelijke behandeling”)

(2020/C 443/24)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Maria Teresa Coppo Gavazzi (Milaan, Italië) en de 48 andere verzoekers van wie de namen zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest) (vertegenwoordiger: M. Merola, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: S. Seyr en S. Alves, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de nota’s van 11 april 2019 en, wat betreft verzoeker in zaak T-465/19, van de nota van 11 juni 2019, die voor elk van de verzoekers zijn vastgesteld door het Parlement en die betrekking hebben op de aanpassing van verzoekers’ pensioenen na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati

Dictum

1)

Het beroep in zaak T-453/19, Panusa/Parlement, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

De overige beroepen worden verworpen.

3)

Maria Teresa Coppo Gavazzi en de overige verzoekers van wie de namen in de bijlage bij het arrest zijn vermeld, dragen naast hun eigen kosten ook de kosten van het Europees Parlement.


(1)  PB C 270 van 12.8.2019.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/21


Beroep ingesteld op 3 oktober 2020 — EMCS / EASO

(Zaak T-621/20)

(2020/C 443/25)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: EMCS ltd. (Msida, Malta) (vertegenwoordigers: P. Kuypers en N. Groot, advocaten)

Verwerende partij: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)

Conclusies

het besluit van het EASO van 23 juli 2020 met betrekking tot “Aanbestedingsprocedure EASO/2020/789 — Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten voor het EASO in Malta”, dat is vastgesteld in het kader van een in verordening (EU, Euratom) 2018/1046 (1) geregelde aanbestedingsprocedure, nietig verklaren, voor zover daarbij verzoeksters offerte voor de aanbesteding met referentienummer EASO/2020/789 is afgewezen; en/of

de handeling(en) nietig verklaren, waarbij het EASO een andere partij dan verzoekster heeft toegestaan of toestaat om na afloop van de aanbesteding met referentienummer EASO/2020/789 een raamovereenkomst te sluiten;

het EASO gelasten verzoekster te vergoeden voor de schade die het EASO heeft veroorzaakt door haar te beletten de raamovereenkomst uit te voeren, en

het EASO verwijzen in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat het EASO het beginsel van gelijke behandeling en het transparantiebeginsel heeft geschonden, omdat de aanbestedingsdocumenten onvoldoende duidelijk, nauwkeurig en eenduidig waren en het EASO deze documenten had kunnen en moeten verduidelijken. Hoewel verzoekster herhaaldelijk om verduidelijking heeft verzocht, heeft het EASO er bewust voor gekozen om zijn aanbestedingsdocumenten niet nader toe te lichten. Het EASO heeft het transparantiebeginsel dus willens en wetens voortdurend geschonden.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat het EASO onrechtmatig de financiële offerte van verzoekster eenzijdig heeft herberekend, wat in strijd is met zijn eigen bestek en met de rechtspraak van zowel het Gerecht als het Europese Hof van Justitie. Vervolgens heeft het EASO zijn beoordeling van verzoeksters inschrijving gebaseerd op het gewijzigde bedrag. Het EASO heeft dus gehandeld in strijd met de beginselen van gelijke behandeling en van transparantie. Dientengevolge had het EASO niet tot zijn gunningsbesluit kunnen komen.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat het EASO artikel 170, lid 3, van verordening 2018/1046 heeft geschonden door de relatieve voordelen van het consortium ten opzichte van verzoekster niet te vermelden, zelfs niet nadat verzoekster het EASO specifiek daarom had verzocht. Het EASO heeft niet de redenen bekendgemaakt waarom de offerte van het consortium een hogere score heeft behaald dan die van verzoekster, zodat verzoekster de sterke en de zwakke punten van haar inschrijving in vergelijking met die van het consortium niet kon achterhalen.

4.

In het vierde middel, dat betrekking heeft op de vordering tot schadevergoeding, stelt verzoekster schade te hebben geleden ten gevolge van winstderving door de niet-gunning van de raamovereenkomst.


(1)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/22


Beroep ingesteld op 9 oktober 2020 — MV/Commissie

(Zaak T-624/20)

(2020/C 443/26)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: MV (vertegenwoordigers: G. Pandey, D. Rovetta en V. Villante, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

nietig te verklaren het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van 30 juni 2020 tot afwijzing van de klacht die zij op 27 januari 2020 heeft ingediend krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, met inbegrip van de afwijzing van haar schadevordering van 50 000 EUR;

nietig te verklaren het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van 29 oktober 2019 tot afwijzing van haar verzoek om heronderzoek van het besluit van de jury om haar niet toe te laten tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek;

nietig te verklaren het op haar EPSO account bekendgemaakte besluit van 5 juni 2019 om haar niet op te nemen op de ontwerplijst van ambtenaren die zijn geselecteerd voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/364/19 — 3-Security officers;

nietig te verklaren de op 24 januari 2019 bekendgemaakte aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/364/19 — 3-Security officers, alsmede de volledige daaruit volgende ontwerplijst van ambtenaren die waren geselecteerd om deel te nemen aan dat vergelijkend onderzoek;

alsmede:

primair en voor zover nodig, artikel 90 van het Statuut op grond van artikel 270 VWEU ongeldig en niet van toepassing op deze procedure te verklaren;

de in het verzoekschrift gevraagde onderzoeksmaatregelen te gelasten;

de Europese Commissie te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure;

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een bedrag van 50 000 EUR ter vergoeding van de schade die bovengenoemde onrechtmatige besluiten hebben veroorzaakt.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout van EPSO of de jury bij de beoordeling van haar werkervaring, schending van bijlage II bij de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek waarin de vereiste werkervaring nader wordt omschreven.

2.

Tweede middel: schending van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 (1), alsmede van de artikelen 1 quater en 28 van het Statuut en artikel 1, lid 1, onder f), van bijlage III bij het Statuut, schending van het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie, onrechtmatigheid, op grond van artikel 277 VWEU, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

3.

Derde middel: onrechtmatigheid, op grond van artikel 277 VWEU, van de Talent Screener en punt 2.4. van de Algemene regels voor vergelijkende onderzoeken, alsmede van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut en van de artikelen 1 quater, 4, 7 en 29 van het Statuut.

4.

Vierde middel: onrechtmatigheid, op grond van artikel 277 VWEU, van bijlage II bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek en schending van artikel 1 quater van het Statuut.


(1)  Verordening nr. 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 358), zoals gewijzigd.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/23


Beroep ingesteld op 12 oktober 2020 — LAICO/Raad

(Zaak T-627/20)

(2020/C 443/27)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Libyan African Investment Co. (LAICO) (Tripoli, Libië) (vertegenwoordigers: A. Bahrami en N. Korogiannakis, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

uitvoeringsbesluit (GBVB) 2020/1137 van de Raad van 30 juli 2020 tot uitvoering van besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (1) nietig verklaren voor zover dat besluit verzoeksters naam handhaaft op de lijst van entiteiten vermeld in bijlage IV bij besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van besluit 2011/137/GBVB (2);

uitvoeringsverordening (EU) 2020/1130 van de Raad van 30 juli 2020 tot uitvoering van artikel 21, lid 2, van verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (3) en tot wijziging van bijlage III bij verordening (EU) 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 204/2011 (4) nietig verklaren voor zover die verordening verzoeksters naam handhaaft op de lijst van entiteiten vermeld in bijlage III bij verordening (EU) 2016/44; en

de Raad verwijzen in de gerechtskosten en de andere kosten en uitgaven die voor verzoekster zijn opgekomen in het kader van het onderhavige beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van verordening (EU) 2016/44 van de Raad en besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad doordat niet is voldaan aan de in overweging 3 van besluit 2015/1333 neergelegde cumulatieve voorwaarden voor het vermelden van entiteiten.

2.

Tweede middel: schending van de op de Raad rustende verplichting om alle beperkende maatregelen regelmatig te beoordelen teneinde ervoor te zorgen dat deze blijven bijdragen tot de verwezenlijking van de gestelde doelen.

3.

Derde middel: kennelijke beoordelingsfouten. Verzoekster betoogt met name het volgende:

LAICO is een staatsbedrijf dat wordt bestuurd door de algemene vergadering van aandeelhouders en de raad van bestuur;

de raad van bestuur van LAICO bestaat uit hooggekwalificeerde en ervaren deskundigen, en

LAICO’s moedermaatschappijen zijn niet aan hetzelfde soort beperkingen onderworpen.

4.

Vierde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling.

5.

Vijfde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel.

6.

Zesde middel: schending van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht en van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.


(1)  PB 2020, L 247, blz. 40.

(2)  PB 2015, L 206, blz. 34.

(3)  PB 2020, L 247, blz. 14.

(4)  PB 2016, L 12, blz. 1.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/24


Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — UPTR/Parlement en Raad

(Zaak T-634/20)

(2020/C 443/28)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR) (Herstal, België) (vertegenwoordiger: F. Vanden Bogaerde, advocaat)

Verwerende partijen: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie

Conclusies

het verzoek tot nietigverklaring ontvankelijk verklaren;

artikel 2, punt 4), van verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 houdende wijziging van verordeningen (EG) nr. 1071/2009, (EG) nr. 1072/2009 en (EU) nr. 1024/2012 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de wegvervoersector, nietig verklaren;

de beslissing inzake de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel: de bestreden bepaling schendt artikel 3, lid 3, VEU en het beginsel van vrij verkeer van diensten.

Op het gebied van wegvervoer, en meer bepaald cabotage, dient te worden gestreefd naar een geleidelijke liberalisering. Door de bestreden bepaling van verordening 2020/1055 wordt het thans bereikte niveau van liberalisering teruggeschroefd aangezien die bepaling een verregaande beperking inhoudt die vooral in het nadeel is van de vervoerders die lid zijn van verzoekende partij. Het streven om misbruik bij cabotage te voorkomen, dat aan de grondslag ligt van de bestreden bepaling, wordt reeds opgevangen door andere wetgevende maatregelen van de Unie (Mobility Package).

2.

Tweede middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

Voorafgaand aan de vaststelling van de verordening waar de bestreden bepaling deel van uitmaakt, vond geen actualisering plaats van de effectenbeoordeling die eerder werd uitgevoerd betreffende het voorstel van de Commissie voor die verordening. Het Europees Parlement en de Raad brachten echter ingrijpende wijzigingen aan in het voorstel van de Commissie en daarom was het passend en noodzakelijk geweest om een actualisering van die effectenbeoordeling uit te voeren.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/25


Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — Dermavita Company/EUIPO — Allergan Holdings France (JUVÉDERM VYBRANCE)

(Zaak T-635/20)

(2020/C 443/29)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Dermavita Company SARL (Beiroet, Libanon) (vertegenwoordiger: D. Todorov, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Allergan Holdings France SAS (Courbevoie, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk JUVÉDERM VYBRANCE — Uniemerk nr. 13 541 594

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 24 augustus 2020 in zaak R 1014/2020-4

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het EUIPO verzoeken om het beroep als ingediend te beschouwen;

het EUIPO en andere partij in de procedure verwijzen in hun eigen kosten en in die van verzoekster voor het Gerecht.

Aangevoerd middel

schending van de artikelen 101, lid 4, 104, 106 en 107 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/26


Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — Dermavita Company/EUIPO — Allergan Holdings France (JUVÉDERM VOLUMA)

(Zaak T-636/20)

(2020/C 443/30)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Dermavita Company SARL (Beiroet, Libanon) (vertegenwoordiger: D. Todorov, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Allergan Holdings France SAS (Courbevoie, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk JUVÉDERM VOLUMA — Uniemerk nr. 6 547 301

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 24 augustus 2020 in zaak R 1016/2020-4

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het EUIPO verzoeken om het beroep als ingediend te beschouwen;

het EUIPO en andere partij in de procedure verwijzen in hun eigen kosten en in die van verzoekster voor het Gerecht.

Aangevoerd middel

schending van de artikelen 101, lid 4, 104, 106 en 107 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/26


Beroep ingesteld op 21 oktober 2020 — Dermavita Company/EUIPO — Allergan Holdings France (JUVÉDERM VOLITE)

(Zaak T-637/20)

(2020/C 443/31)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Dermavita Company SARL (Beiroet, Libanon) (vertegenwoordiger: D. Todorov, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Allergan Holdings France SAS (Courbevoie, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk JUVÉDERM VOLITE — Uniemerk nr. 13 413 406

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 21 augustus 2020 in zaak R 1015/2020-4

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het EUIPO verzoeken om het beroep als ingediend te beschouwen;

het EUIPO en andere partij in de procedure verwijzen in hun eigen kosten en in die van verzoekster voor het Gerecht.

Aangevoerd middel

schending van de artikelen 101, lid 4, 104, 106 en 107 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/27


Beroep ingesteld op 26 oktober 2020 — NB / Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak T-648/20)

(2020/C 443/32)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: NB (vertegenwoordiger: J.-N. Louis, advocaat)

Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Unie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit om verzoekster met ingang van 1 januari 2019 niet naar de rang AST 10 te bevorderen;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit om [X] met ingang van 1 januari 2019 te “herindelen/bevorderen” naar de rang AST 10;

subsidiair, nietigverklaring van alle besluiten om verzoeksters collega’s met ingang van 1 januari 2019 te “herindelen/bevorderen” naar de rang AST 10;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan het ontbreken van rechtsgrondslag van het bestreden besluit.

2.

Tweede middel, ontleend aan de onrechtmatigheid van de benadering door de administratie van de overgang van de rang AST 9 naar de rang AST 10.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van de draagwijdte van artikel 31, lid 3, van bijlage XIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.

4.

Vierde middel, ontleend aan het ontbreken van informatie van het personeel over de regels voor de overgang van de rang AST 9 naar de rang AST 10.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/28


Beroep ingesteld op 23 oktober 2020 — KL / EIB

(Zaak T-651/20)

(2020/C 443/33)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: KL (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Champetier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank

Conclusies

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

dientengevolge, nietig verklaren het besluit van de EIB van 28 februari 2020 volgens hetwelk verzoekers afwezigheid bij de medische controles van 23 december 2019, en 3 en 28 februari 2020 ongerechtvaardigd zijn in het licht van artikel 3.6 van bijlage X bij de administratieve bepalingen voor het personeel;

voor zover nodig, nietig verklaren het besluit van 15 juli 2020 waarbij verzoekers bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 28 februari 2020 is afgewezen;

de EIB veroordelen tot vergoeding van verzoekers immateriële schade;

de EIB verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 2.3 en 3.6 van bijlage X bij de administratieve bepalingen. Betoogd wordt dat hij wegens overmacht niet naar de medische controles heeft kunnen komen en dat een dergelijke situatie valt onder de in bovengenoemde bepalingen voorziene uitzonderingen.

2.

Tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het evenredigheidsbeginsel. Betoogd wordt dat de systematische medische controles waartoe de verwerende partij heeft besloten na elk medisch attest waarbij hij arbeidsongeschikt was verklaard, zijn gezondheidstoestand heeft verslechterd aangezien hij daardoor verplicht was het aantal bezwaren te verdubbelen. Voorts was het in strijd met bovengenoemde beginselen.

3.

Derde middel, ontleend aan een exceptie van onwettigheid. Artikel 3.4 van bijlage X is in strijd met de artikelen 31 en 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de toepassing van dat artikel er in de praktijk toe leidt dat zijn jaarlijks verlof wordt ingetrokken en hij vanaf het moment waarop hij zijn verlof heeft opgebruikt, geen bezoldiging meer krijgt.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/29


Beroep ingesteld op 4 november 2020 — Zhejiang Beyondsun Green Energy Technology/Commissie

(Zaak T-660/20)

(2020/C 443/34)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Zhejiang Beyondsun Green Energy Technology Co. Ltd (Huzhou, China) (vertegenwoordigers: Y. Melin en B. Vigneron, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

uitvoeringsverordening (EU) 2020/1216 van de Commissie van 24 augustus 2020 tot ongeldigverklaring van de facturen die door Zhejiang Trunsun Solar Co Ltd zijn afgegeven onder schending van de verbintenis die is ingetrokken bij uitvoeringsverordening (EU) 2017/1570, nietig verklaren;

de Commissie en elke partij die in de loop van de procedure tot interventie aan de zijde van de Commissie wordt toegelaten, verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout door de Commissie bij het beoordelen van de feiten van de zaak, en schending van artikel 8 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, en van artikel 13 van verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie en in het bijzonder lid 9 ervan, door te oordelen dat verzoekster de voorwaarden heeft geschonden van de verbintenis die was overeengekomen tussen de Commissie en de CCCME namens onder andere verzoekster. Verzoekster heeft haar verplichtingen in het kader van die verbintenis niet geschonden toen zij handelsfacturen afgaf met een prijs die was herzien in overeenstemming met het variabele recht in de vorm van een minimuminvoerprijs (MIP) voor invoer die in het vrije verkeer werd gebracht na de inwerkingtreding van de verordening tot intrekking van de verbintenis en tot vaststelling van het variabele recht in de vorm van een MIP, na 1 oktober 2017.

2.

Tweede, subsidiair aangevoerde middel: zelfs indien verzoekster de verbintenis zou hebben geschonden, quod non, heeft de Commissie onrechtmatig gehandeld door de betrokken facturen ongeldig te verklaren en douanerechten te heffen op de daarin vermelde bedragen, aangezien de bevoegdheden waarop zij zich beroept, zijn vervallen en/of ingetrokken. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 zijn immers vervallen op 7 december 2015 (volgens artikel 5 van beide verordeningen). Evenzo zijn uitvoeringsverordening (EU) 2017/367 en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2017/366 vervallen, namelijk op 3 september 2018 (overeenkomstig artikel 6 van beide verordeningen). Hoe dan ook waren de artikelen 2 en 3 van uitvoeringsverordening (EU) 2017/367 en de artikelen 2 en 3 van uitvoeringsverordening (EU) 2017/366 reeds ingetrokken bij artikel 1, leden 4 en 5, en artikel 3, leden 3 en 4, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1570 van de Commissie.

3.

Derde, eveneens subsidiair aangevoerde middel: zelfs indien verzoekster de voornoemde verbintenis zou hebben geschonden en het Gerecht niet aanvaardt dat de door de Commissie ingeroepen bevoegdheden waren ingetrokken en herroepen doordat de bestreden verordening is vastgesteld, heeft de Commissie artikel 8, leden 1, 9 en 10, en artikel 10, lid 5, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, en artikel 13, leden 1, 9, en 10, en artikel 16, lid 5, van verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, geschonden door verbintenisfacturen ongeldig te verklaren en vervolgens de douane te gelasten douanerechten te innen met terugwerkende kracht.


21.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/30


Beroep ingesteld op 6 november 2020 — Ryanair / Commissie

(Zaak T-665/20)

(2020/C 443/35)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Ryanair DAC (Swords, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, F. Laprévote, V. Blanc, S. Rating en I. Metaxas-Maranghidis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit (EU) van de Europese Commissie van 26 april 2020 inzake staatssteun SA.56867 COVID 19 – Duitsland – Vergoeding van de door de uitbraak van COVID-19 aan Condor Flugdienst GmbH veroorzaakte schade (1), nietig verklaren; en

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Verzoekster heeft ook verzocht om haar beroep te behandelen volgens de versnelde procedure als bedoeld in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Met het eerste middel wordt betoogd dat de Europese Commissie specifieke bepalingen van het VWEU en de algemene beginselen van het Europees recht met betrekking tot het verbod op discriminatie, het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging, die aan de basis liggen van de liberalisering van de luchtvervoermarkt in de EU, heeft geschonden. De liberalisering van het luchtvervoer heeft de groei van echte pan-Europese goedkope luchtvaartmaatschappijen mogelijk gemaakt. Door Duitsland toe te staan de steun voor te behouden aan Condor, heeft de Europese Commissie geen rekening gehouden met de schade die dergelijke pan-Europese luchtvaartmaatschappijen hebben geleden door de reisbeperkingen als gevolg van de COVID-19-crisis.

2.

Met het tweede middel wordt betoogd dat de Commissie artikel 107, lid 2, onder b), VWEU onjuist heeft toegepast en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij haar onderzoek naar de evenredigheid van de steun met de door de reisbeperkingen als gevolg van de COVID-19-crisis veroorzaakte schade, met name door de verlengde insolventieperiode van Condor te beschouwen als directe schade die door de steun moest worden gedekt en door ervan uit te gaan dat Condor tegen juni 2022 zou worden verkocht en de opbrengst zou kunnen gebruiken om een deel van de steun terug te betalen.

3.

Met het derde middel wordt gesteld dat de Europese Commissie ondanks het bestaan van ernstige moeilijkheden geen formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid en verzoeksters procedurele rechten heeft geschonden.

4.

Met het vierde middel wordt gesteld dat de Commissie haar motiveringsplicht heeft geschonden.


(1)  Besluit (EU) van de Europese Commissie van 26 april 2020 inzake staatssteun SA.56867 COVID 19 –– Duitsland Vergoeding van de door de uitbraak van COVID-19 aan Condor Flugdienst GmbH veroorzaakte schade (PB 2020, C 310, blz. 5).