ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 363

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

63e jaargang
28 oktober 2020


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2018-2019
Vergaderingen van 12 t/m 15 november 2018
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 346 van 11.10.2019
AANGENOMEN TEKSTEN
Vergaderingen van 28 en 29 november 2018
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 397 van 22.11.2019
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Woensdag 13 november 2018

2020/C 363/01

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs (2018/2081(INI))

2

2020/C 363/02

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië (2018/2844(RSP))

8

2020/C 363/03

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU (2018/2036(INI))

13

2020/C 363/04

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over digitalisering voor ontwikkeling: vermindering van armoede door technologie (2018/2083(INI))

27

 

Dinsdag 14 november 2018

2020/C 363/05

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over wapenuitvoer: uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (2018/2157(INI))

36

2020/C 363/06

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (2018/2886(RSP))

45

2020/C 363/07

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Georgië (2017/2282(INI))

49

2020/C 363/08

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Moldavië (2017/2281(INI))

58

 

Woensdag 15 november 2018

2020/C 363/09

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over Vietnam, met name de situatie van politieke gevangenen (2018/2925(RSP))

66

2020/C 363/10

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de mensenrechtensituatie in Cuba (2018/2926(RSP))

70

2020/C 363/11

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de mensenrechtensituatie in Bangladesh (2018/2927(RSP))

75

2020/C 363/12

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid (2018/2077(INI))

80

2020/C 363/13

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de ziekte van Lyme (borreliose) (2018/2774(RSP))

94

 

Woensdag 29 november 2018

2020/C 363/14

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) (D058762/01 — 2018/2929(RSP))

98

2020/C 363/15

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader (2018/2900(RSP))

102

2020/C 363/16

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen (2018/2856(RSP))

107

2020/C 363/17

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 inzake de WTO: de weg vooruit (2018/2084(INI))

113

2020/C 363/18

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag van de Commissie 2018 over Servië (2018/2146(INI))

119

2020/C 363/19

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het Commissieverslag 2018 over Kosovo (2018/2149(INI))

127

2020/C 363/20

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het Commissieverslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2018/2145(INI))

135

2020/C 363/21

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag van de Commissie 2018 over Albanië (2018/2147(INI))

146

2020/C 363/22

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag 2018 van de Commissie over Montenegro (2018/2144(INI))

155

2020/C 363/23

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap (2018/2685(RSP))

164

 

AANBEVELINGEN

 

Europees Parlement

 

Woensdag 29 november 2018

2020/C 363/24

Aanbeveling van het Europees Parlement van 29 november 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU (2018/2117(INI))

173


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 14 november 2018

2020/C 363/25

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 — Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord (COM(2018)0322 — C8-0000/2018 — 2018/0166R(APP))

179


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES PARLEMENT

 

Woensdag 13 november 2018

2020/C 363/26

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland (COM(2018)0658 — C8-0416/2018 — 2018/2230(BUD))

232

2020/C 363/27

P8_TA(2018)0442
Energie-efficiëntie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (COM(2016)0761 — C8-0498/2016 — 2016/0376(COD))
P8_TC1-COD(2016)0376
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie

235

2020/C 363/28

P8_TA(2018)0443
Governance van de energie-unie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM(2016)0759 — C8-0497/2016 — 2016/0375(COD))
P8_TC1-COD(2016)0375
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013

236

2020/C 363/29

P8_TA(2018)0444
Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (COM(2016)0767 — C8-0500/2016 — 2016/0382(COD))
P8_TC1-COD(2016)0382
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

238

2020/C 363/30

P8_TA(2018)0445
Meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren (COM(2017)0097 — C8-0095/2017 — 2017/0043(COD))
P8_TC1-COD(2017)0043
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren

240

 

Dinsdag 14 november 2018

2020/C 363/31

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (COM(2018)0398 — C8-0316/2018 — 2018/0222(NLE))

257

2020/C 363/32

P8_TA(2018)0452
Toekenning van bevoegdheden aan mededingingsautoriteiten en waarborging van de goede werking van de interne markt ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (COM(2017)0142 — C8-0119/2017 — 2017/0063(COD))
P8_TC1-COD(2017)0063
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

258

2020/C 363/33

P8_TA(2018)0453
Europees wetboek voor elektronische communicatie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) COM(2016)0590 — C8-0379/2016 — 2016/0288(COD))
P8_TC1-COD(2016)0288
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking)

260

2020/C 363/34

P8_TA(2018)0454
Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (COM(2016)0591 — C8-0382/2016 — 2016/0286(COD))
P8_TC1-COD(2016)0286
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau), tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1211/2009

262

2020/C 363/35

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (COM(2018)0284 — C8-0197/2018 — 2018/0143(COD))

264

 

Woensdag 15 november 2018

2020/C 363/36

P8_TA(2018)0462
Rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (herschikking) (COM(2017)0548 — C8-0324/2017 — 2017/0237(COD))
P8_TC1-COD(2017)0237
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)

296

2020/C 363/37

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (herschikking) (COM(2018)0144 — C8-0124/2018 — 2018/0070(COD))

348

 

Woensdag 29 november 2018

2020/C 363/38

P8_TA(2018)0466
Toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft (COM(2018)0137 — C8-0120/2018 — 2018/0065(COD))
P8_TC1-COD(2018)0065
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft

369

2020/C 363/39

P8_TA(2018)0467
Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede behandeling of bestraffing ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (codificatie) (COM(2018)0316 — C8-0210/2018 — 2018/0160(COD))
P8_TC1-COD(2018)0160
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (codificatie)

370

2020/C 363/40

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 29 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de nieuwe vastlegging van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen of de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's (COM(2018)0719 — C8-0448/2018 — 2018/0371(COD))

371

2020/C 363/41

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van Samoa tot de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de staten in de Stille Oceaan, anderzijds (12281/2018 — C8-0434/2018 — 2018/0291(NLE))

379

2020/C 363/42

Besluit van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de voordracht voor de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (N8-0120/2018 — C8-0466/2018 — 2018/0905(NLE))

380

2020/C 363/43

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Griekenland — EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen) (COM(2018)0667 — C8-0430/2018 — 2018/2240(BUD))

381

2020/C 363/44

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 29 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 wat betreft de regels die van toepassing zijn op de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen (COM(2017)0571 — C8-0326/2017 — 2017/0245(COD))

385

2020/C 363/45

P8_TA(2018)0473
Gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (COM(2016)0818 — C8-0531/2016 — 2016/0411(COD))
P8_TC1-COD(2016)0411
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

410


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2018-2019

Vergaderingen van 12 t/m 15 november 2018

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 346 van 11.10.2019

AANGENOMEN TEKSTEN

Vergaderingen van 28 en 29 november 2018

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 397 van 22.11.2019

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Woensdag 13 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/2


P8_TA(2018)0441

EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs (2018/2081(INI))

(2020/C 363/01)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, volgens welke “eenieder […] recht [heeft] op onderwijs. Het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft”,

gezien het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde document getiteld “Transforming Our World: The 2030 Agenda for Sustainable Development”, waarin wordt erkend dat rechtvaardigheid, inclusie en gendergelijkheid onlosmakelijk verbonden zijn met het recht op onderwijs voor iedereen,

gezien de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), en met name doelstelling 4: “Inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs en kansen voor levenslang leren voor iedereen”, en de verklaring van Incheon en het actiekader voor de tenuitvoerlegging van doelstelling 4, waarin wordt verklaard dat gendergelijkheid onlosmakelijk verbonden is met het recht op onderwijs voor iedereen,

gezien de algemene aanbeveling nr. 36 (2017) van de VN-commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen inzake het recht van meisjes en vrouwen op onderwijs,

gezien de op 27 juli 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen actieagenda van Addis Abeba over ontwikkelingsfinanciering,

gezien resolutie 35/L 2 van 22 juni 2017 van de VN-Mensenrechtenraad getiteld “The right to education: follow-up to Human Rights Council resolution 8/4”,

gezien de mededeling van de Commissie uit 2002 inzake de rol van onderwijs en scholing in de armoedebestrijding in ontwikkelingslanden (COM(2002)0116),

gezien het werkdocument van de Commissie uit 2010 over meer en beter onderwijs in ontwikkelingslanden getiteld “More and Better Education in Developing Countries” (SEC(2010)0121),

gezien de mededeling van de Commissie uit 2018 over onderwijs in noodsituaties en aanhoudende crises (COM(2018)0304),

gezien de verklaring van Charlevoix over kwaliteitsvol onderwijs voor meisjes, adolescente meisjes en vrouwen in ontwikkelingslanden, die op 9 juni 2018 door de G7 is aangenomen,

gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling en de EU-gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid (COM(2007)0072),

gezien zijn resolutie van 31 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk werkdocument (SWD(2015)0182) — Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020 (1),

gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over het verbeteren van de schuldhoudbaarheid van de ontwikkelingslanden (2),

gezien het in 2017 gepubliceerde Global Monitoring Report van de Unesco over onderwijs getiteld “Accountability in education: Meeting our commitments”,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0327/2018),

A.

overwegende dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en een spilfunctie vervult bij de verwezenlijking van alle doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat onderwijs voorkomt dat armoede wordt overgedragen van de ene generatie op de andere en een centrale rol speelt bij de verwezenlijking van gendergelijkheid en de emancipatie van vrouwen; overwegende dat onderwijs als ruimte van rechten meer omvat dan alleen gelijkheid uitgedrukt in cijfers en doorgaans bijdraagt tot daadwerkelijke gendergelijkheid in en door het onderwijs;

B.

overwegende dat de laatste mededeling van de Commissie over onderwijs in ontwikkelingslanden uit 2002 dateert en pas in 2010 is herzien door middel van een werkdocument;

C.

overwegende dat in 2009 onderwijssteun 8,3 % vertegenwoordigde van de totale ontwikkelingshulp; overwegende dat dit percentage in 2015 tot 6,2 % was gedaald; overwegende dat voor de Unie en haar lidstaten dit percentage in dezelfde periode van 11 % naar 7,6 % is gedaald;

D.

overwegende dat de steun aan het basisonderwijs van de Unie en haar lidstaten tussen 2009 en 2015 met 33,9 % is gedaald, wat een sterkere daling is dan die van de algemene onderwijssteun (15,2 %);

E.

overwegende dat in 2015, 264 miljoen kinderen en jongeren die de leeftijd hadden om naar de lagere of middelbare school te gaan, geen onderwijs volgden;

F.

overwegende dat er eind 2017 wereldwijd meer dan 25,4 miljoen vluchtelingen waren, waaronder 7,4 miljoen kinderen in de basisschoolleeftijd en waarvan er 4 miljoen geen toegang hadden tot welk soort basisonderwijs ook; overwegende dat in landen die te maken hebben met kwetsbaarheid en conflicten 37 % meer meisjes dan jongens niet naar de basisschool gaan en voor jonge vrouwen de kans dat zij niet naar de middelbare school gaan 90 % groter is dan voor jonge vrouwen in landen die niet door een conflict zijn getroffen;

G.

overwegende dat volgens het VN-rapport van 2017 over de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in 2011 slechts een kwart van de scholen in Afrika ten zuiden van de Sahara elektriciteit had en minder dan de helft ervan toegang tot drinkwater had; overwegende dat Afrika ten zuiden van de Sahara het laagste percentage opgeleide leraren in zowel het basis- als het voortgezet onderwijs heeft;

H.

overwegende dat onderwijssteun in ontwikkelingslanden voorheen te sterk gericht was op het aantal ingeschreven studenten en onvoldoende op de kwaliteit van het onderwijs; overwegende dat de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling erop gericht is tegen 2030 kwalitatief onderwijs voor iedereen te bieden;

I.

overwegende dat bepaalde bedrijven in ontwikkelingslanden moeite hebben personeel te vinden met de kwalificaties waar zij behoefte aan hebben;

J.

overwegende dat de maatregelen die sinds 2016 zijn genomen, die kunnen worden toegejuicht, echter onvoldoende waren om de geaccumuleerde achterstand in te halen en dan ook op langere termijn moeten worden voortgezet en uitgebreid;

K.

overwegende dat volgens de Unesco de onderwijssteun aan landen met een laag of een lager middeninkomen moet worden verzesvoudigd om de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling tegen 2030 te kunnen verwezenlijken; overwegende dat volgens de Internationale Commissie inzake de financiering van onderwijsmogelijkheden in de wereld, de onderwijssteun in 2030 op 89 miljard dollar moet komen, waar deze momenteel 12 miljard dollar bedraagt;

Onderwijs tot de kern van ontwikkeling maken

1.

is ervan overtuigd dat onderwijssteun een prioriteit moet zijn, niet alleen omdat onderwijs een grondrecht is maar ook omdat het een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de andere doelstellingen voor duurzame ontwikkeling: aan economische ontwikkeling en de vermindering van ongelijkheden, aan gendergelijkheid, aan de zelfbeschikking van meisjes en vrouwen, aan de sociale inclusie van personen met een beperking, aan de volksgezondheid, aan democratie en de rechtsstaat, en aan conflictpreventie;

2.

betreurt derhalve dat onderwijssteun geen prioriteit is voor internationale geldschieters; verzoekt met klem dat onderwijs tot de kern wordt gemaakt van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie en haar lidstaten;

3.

erkent dat voor de verwezenlijking van de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling massief in de onderwijsstelsels moet worden geïnvesteerd; stelt dat deze investering in de eerste plaats door de ontwikkelingslanden zelf moet worden gedaan, maar dat internationale steun noodzakelijk zal zijn om in de resterende financiële behoeftes te voorzien;

4.

verzoekt de Commissie haar mededeling uit 2002 over onderwijs en opleiding in het kader van de vermindering van armoede in ontwikkelingslanden aan een herziening te onderwerpen, evenals haar werkdocument uit 2010; stelt dat in de nieuwe mededeling moet worden vermeld met welke middelen de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling tegen 2030 zal worden verwezenlijkt;

5.

verzoekt de Unie en haar lidstaten om 10 % van hun officiële ontwikkelingshulp aan onderwijs te besteden tegen 2024, en 15 % tegen 2030;

6.

herinnert eraan dat de noodzakelijke verhoging van de inspanningen door de ontwikkelingslanden om billijke belastingstelsels te bevorderen en illegale geldstromen te bestrijden en de broodnodige verhoging van de officiële ontwikkelingshulp niet zullen volstaan om het tekort aan financiering te dekken; dringt daarom aan op de invoering van innovatieve financieringsmiddelen, die bestaande financieringsmechanismen en -initiatieven stimuleren en daarop zijn afgestemd, om de nationale onderwijsstelsels te versterken;

7.

volgt met belangstelling het voorstel van de Internationale Commissie inzake de financiering van onderwijsmogelijkheden in de wereld om een internationale financieringsfaciliteit voor onderwijs (IFFEd) tot stand te brengen, mits deze daadwerkelijk ter aanvulling komt van de huidige inspanningen en deze niet vervangt; is van mening dat dit initiatief in samenhang met de actie van het wereldwijde partnerschap voor onderwijs moet worden uitgevoerd; stelt dat voorafgaand aan elke financiering, de leningscapaciteit van de in aanmerking komende landen goed moet worden onderzocht;

8.

merkt op dat de doelstelling om 20 % van de officiële ontwikkelingshulp van de Unie aan sociale inclusie en menselijke ontwikkeling, met inbegrip van sociale basisvoorzieningen waaronder gezondheid en onderwijs te besteden, onnauwkeurig is en het niet mogelijk maakt de uitgaven naar behoren te volgen; dringt erop aan dat de gekwantificeerde doelstellingen in het volgende meerjarig financieel kader worden opgenomen;

De prioriteiten aanpakken

9.

brengt in herinnering dat alleen als de basisvaardigheden, met inbegrip van digitale vaardigheden, beheerst worden verdere vaardigheden kunnen worden ontwikkeld en een vak kan worden uitgeoefend, dat onderwijs voor meisjes een beslissend hefboomeffect heeft op de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, op de volksgezondheid en het algemeen welzijn, evenals op de totstandbrenging van vreedzame samenlevingen, en dat het de minst ontwikkelde landen het vaakst aan financiering ontbreekt terwijl juist in deze landen investeringen het meeste opleveren, voor de mensen zelf, voor de samenleving, voor de economie en voor de volksgezondheid;

10.

brengt in herinnering dat de emancipatie van kwetsbare groepen van cruciaal belang is om een einde te maken aan armoede; dringt erop aan dat alle mensen, ongeacht hun geslacht, leeftijd, etnische afkomst, taal, godsdienst, politieke opvattingen of andere overtuiging, met inbegrip van personen met een handicap, migranten en inheemse mensen, toegang moeten hebben tot inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs en kansen voor levenslang leren;

11.

stelt dan ook dat de onderwijssteun van de Unie allereerst op twee prioriteiten moet zijn gericht: hoogwaardig en inclusief basisonderwijs en meer steun aan de minst ontwikkelde landen;

12.

legt bijzondere nadruk op de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.1, gericht op gratis en kwalitatief lager en middelbaar onderwijs gedurende 12 jaar voor iedereen; herhaalt dat dit een belangrijke pijler van het partnerschap tussen Afrika en de EU moet zijn, overeenkomstig de strategische prioriteiten waarover overeenstemming is bereikt tijdens de top van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie in 2017; wijst erop dat gratis inhoudt dat er niet alleen geen schoolgeld moet worden betaald, maar ook dat er geen verdoken kosten zijn zoals schoolmateriaal, vervoer en voeding; is van mening dat landen moeten overwegen om beurzen in te voeren om ervoor te zorgen dat ook de minst bevoordeelde kinderen naar school kunnen; herinnert eraan dat het belangrijk is pluralisme en de keuzevrijheid van de ouders te waarborgen; beveelt de Europese Unie en de lidstaten niettemin aan om overeenkomstig de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.1 en artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de officiële ontwikkelingshulp niet te gebruiken om steun te verlenen aan commerciële onderwijsinstellingen met een winstgevend doel, die de beginselen en waarden van de Unie niet eerbiedigen;

13.

verzoekt de Unie en haar lidstaten om tegen 2030 ten minste de helft van hun onderwijssteun aan basisonderwijs te besteden;

14.

wenst eveneens dat ten minste 40 % van de onderwijssteun van de Unie en de lidstaten naar de minst ontwikkelde landen gaat;

15.

wenst dat bijzondere aandacht uitgaat naar gelijkheid tussen meisjes en jongens, wat van cruciaal belang is om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken en te voldoen aan het beginsel om niemand uit te sluiten; roept de EU op inclusief en hoogwaardig onderwijs te bevorderen om hindernissen voor de toegang van meisjes tot onderwijs en het volgen en afronden van opleidingen door meisjes weg te nemen; herinnert aan de doelstelling volgens welke 85 % van de nieuwe programma's van de Europese Unie tegen 2020 gendergelijkheid als belangrijkste of wezenlijke doelstelling moeten hebben; dringt verder aan op de ondersteuning van de invoering van onderwijsstelsels die zijn afgestemd op de behoeften van studenten met een handicap en van andere minderheden en kwetsbare groepen, waarbij rekening wordt gehouden met de plaatselijke omstandigheden;

16.

is ingenomen met het feit dat de Commissie haar mededeling over onderwijs in noodsituaties en aanhoudende crises heeft aangenomen en daarin de doelstelling heeft opgenomen om al in 2019, 10 % van de humanitaire steun van de Unie aan onderwijs te besteden;

17.

herinnert eraan dat onderwijs voor vluchtelingenkinderen of ontheemde kinderen van meet af aan als een prioriteit moet worden beschouwd; benadrukt dat het belangrijk is landen waar zich onstabiele situaties en conflicten voordoen te ondersteunen om hun systemen weerbaarder te maken en te zorgen voor toegang tot hoogwaardig onderwijs, met inbegrip van middelbaar onderwijs, voor vluchtelingenkinderen en -jongeren, binnenlands ontheemden en hun gastgemeenschappen;

18.

benadrukt dat een beter geïntegreerde, snellere, meer stelselmatige en doeltreffender aanpak moet worden gevolgd waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken om in te kunnen spelen op de onderwijsbehoeften in noodsituaties overeenkomstig het beginsel volgens welke noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling aan elkaar moeten worden gekoppeld;

19.

wijst erop dat sommige doellanden niet in staat of bereid zijn in de basisbehoeften van de bevolking, onder meer op het gebied van onderwijs, te voorzien; pleit er daarom voor de meest geschikte maatschappelijke partnerorganisatie te kiezen en goede praktijken die in het veld worden uitgevoerd door ngo's en andere actoren uit te breiden en op te schalen;

20.

herinnert aan het belang van middelbaar, technisch en beroepsonderwijs voor de inzetbaarheid van jongeren en duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze laatste twee onderwijsvormen uitzicht moeten bieden op fatsoenlijke banen, afgestemd moeten zijn op de ontwikkelingseisen van het land en de behoeften van het bedrijfsleven, in overleg met hen moeten worden aangeboden en voor zover mogelijk door hen moet worden gefinancierd; vestigt de aandacht op projecten waarbij de particuliere sector en opleidingscentra hun krachten bundelen en verzoekt de Commissie na te gaan hoe de ontwikkeling van dergelijke initiatieven financieel kan worden ondersteund; merkt op dat het plan voor externe investeringen van de Unie kan worden ingezet om deze doelstellingen te verwezenlijken en pleit ervoor organisaties uit het maatschappelijk middenveld op strategische wijze te betrekken bij de programmering en uitvoering op dit gebied;

21.

is bezorgd over de zogeheten “braindrain”; merkt op dat sommige lidstaten meer dan de helft van hun onderwijssteun aan opleidingskosten op hun eigen grondgebied besteden; meent dat de verhoging van de onderwijssteun tot een daling van dit aandeel moet leiden; verzoekt de lidstaten goede praktijken en ervaringen, zoals academische en professionele uitwisselingen, te onderzoeken en toe te passen; is van mening dat meervoudige visa deze studenten de mogelijkheid zouden geven hun kennis bij te spijkeren en circulaire mobiliteit zouden bevorderen; verzoekt in dit verband prikkels of maatregelen in te voeren om studenten aan te moedigen na terugkomst voor een minimale periode in de economische of overheidssector in hun thuisland te werken, zodat de opgedane kennis in eerste instantie ten goede komt aan de partnerlanden;

22.

wijst erop dat goede leraren cruciaal zijn voor het onderwijs; stelt met bezorgdheid vast dat de kwaliteit en beschikbaarheid van de lerarenopleiding een ernstig probleem blijft, met name in Afrika ten zuiden van de Sahara; wijst erop dat inspanningen moeten worden geleverd voor de initiële en voortgezette opleiding van leraren, waarbij de nadruk wordt gelegd op kennis en pedagogische vaardigheden, alsook op hun aanwervings-, loon- en arbeidsvoorwaarden, onder meer om hen aan te moedigen in hun land te blijven en hun kennis aan de toekomstige generaties door te geven; pleit voor meer programma's voor de uitwisseling van leraren tussen ontwikkelingslanden en EU-lidstaten, bijvoorbeeld in het kader van Erasmus+;

23.

wijst erop dat er grote investeringen nodig zijn voor infrastructuur, materieel en uitrusting voor scholen, met name in plattelandsgebieden of dunbevolkte gebieden, om zonder discriminatie een gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen te waarborgen;

24.

wijst erop hoe belangrijk nieuwe technologieën zijn om de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs te verbeteren, in het bijzonder voor de verspreiding van kennis, de opleiding, pedagogische vorming en ontwikkeling van leraren en het beheer van onderwijsinstellingen; benadrukt dat de mogelijkheden die de digitalisering biedt moeten worden aangegrepen om ervoor te zorgen dat moderne kennis- en onderwijsmethoden worden ingevoerd in ontwikkelingslanden; benadrukt dat deze nieuwe technologieën de onderwijsinspanningen moeten ondersteunen, en niet vervangen, wat gepaard zou gaan met een verlaging van de onderwijsnormen; verzoekt om betere effectbeoordelingen bij technologische investeringen in leerresultaten; onderstreept het belang van versterking van digitale vaardigheden voor de bevordering van de emancipatie van vrouwen en meisjes;

25.

roept op tot vergroting van de inspanningen voor de aanpak van de uitdagingen van digitale uitsluiting middels onderwijs en opleiding op het gebied van essentiële digitale vaardigheden en initiatieven ter bevordering van ICT-gebruik; roept er bovendien toe op in ontwikkelingslanden digitale geletterdheid op te nemen in de schoolprogramma's op alle onderwijsniveaus, zodat vaardigheden kunnen worden verworven die nodig zijn voor een betere toegang tot informatie;

26.

benadrukt dat onderwijs de volgende generatie erop moet voorbereiden om een volwaardig leven te kunnen leiden in een door robotisering en automatisering veranderde wereld; is van mening dat, om te voldoen aan de verwachtingen van zowel de werkzoekende bevolking als het bedrijfsleven, beschikbare opleidingen daadwerkelijk beroepsgericht moeten zijn en dat met het oog hierop partnerschappen met de particuliere sector op het gebied van beroepsopleiding niet mogen worden uitgesloten; benadrukt in dit verband het belang van flexibele vaardigheden alsook het belang van levens- en sociale vaardigheden in het onderwijs; is er zeker van dat kinderen, naast het onderwijs in academische kennis op school, denkvaardigheden moeten verwerven om vragen te kunnen stellen en creatieve vaardigheden om ideeën in de praktijk te kunnen brengen, en dat een leven lang leren moet geschieden via een leven lang handelen;

27.

benadrukt het verband tussen onderwijs en gezondheid; wijst erop dat via schoolgeneeskunde en gezondheidsvoorlichting, naast de bevordering van onderwijs, grote delen van de maatschappij kunnen worden bereikt; dringt aan op de ontwikkeling van een omvattende, geïntegreerde aanpak voor seksuele voorlichting voor meisjes en jongens die gezondheidskwesties zoals hiv, gezinsplanning en zwangerschap omvat en waarmee ook wordt bijgedragen aan algemenere ontwikkelingen zoals betere toegang tot onderwijs voor meisjes; wijst op het belang van zorgverleners bij de psychosociale ondersteuning, met name in door een conflict getroffen landen, om de weerbaarheid van jonge kinderen te verbeteren;

28.

moedigt de landen aan overeenkomstig de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.2 ten minste één jaar gratis voorschools onderwijs in te voeren;

29.

herhaalt dat alleen in een gunstige omgeving, waarbij de ouders worden betrokken en waaronder ook voedings- en veiligheidsaspecten vallen, evenals toegang tot elektriciteit, water en behoorlijke sanitaire voorzieningen, kwalitatief hoogstaand onderwijs kan worden gegeven dat de leerlingen werkelijk ten goede komt en dat leidt tot een hoger percentage leerlingen dat de school afmaakt, in het bijzonder de lagere school;

De kwaliteit van de steun verbeteren

30.

is van mening dat enkel indien de onderwijsstelsels, met inbegrip van niet-statelijke onderwijsinstellingen, de kwaliteit van het onderwijs en de leerresultaten worden beoordeeld, de doeltreffendheid van de steun kan worden verbeterd; verzoekt de Commissie en de lidstaten om onderzoek, gegevensaggregatie en betrouwbare, technische, niet-discriminerende en onafhankelijke beoordelingsinstrumenten te financieren;

31.

meent dat het van wezenlijk belang is dat geldschieters binnen plaatselijke onderwijsgroepen hun acties beter op elkaar afstemmen teneinde overlapping en zelfs tegenstrijdige doelen van hulpmaatregelen te voorkomen; verzoekt de lidstaten om systematischer gebruik te maken van gezamenlijke programmering en delegatie; brengt in herinnering dat ontwikkelingshulp niet mag dienen om invloedssferen uit te breiden;

32.

onderstreept dat regeringen verplicht zijn om het recht op onderwijs van hun burgers te waarborgen; wijst dan ook op de noodzaak om capaciteit bij de verantwoordelijke instellingen op alle niveaus te garanderen om diensten voor iedereen te verlenen, en om te zorgen voor eerlijke, toegankelijke en niet-discriminerende instellingen, strategieën en plannen voor het nationaal onderwijs onder reëel beheer, en gebaseerd op een raadpleging van betekenis en een strategische participatie van de belangrijkste spelers, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, met specifieke doelstellingen en follow-upmechanismen, regelmatige evaluaties en inspecties, een duidelijke en transparante afbakening van de verantwoordelijkheden, en een toewijzing van de middelen onder onafhankelijk toezicht; pleit voor de vaststelling van nationale regelgevingskaders betreffende de oprichting en werking van de onderwijsdiensten;

33.

legt de nadruk op het belang van voorspelbaarheid van steun en inbreng van partnerlanden; merkt in dit verband op dat begrotingssteun en hulp van multilaterale organisaties het beste op deze vereisten inspelen;

34.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in eerste instantie, indien mogelijk, te kiezen voor sectorale begrotingssteun, met strikte criteria, waaronder goed bestuur, en verregaande controles, met name om corruptie te voorkomen; herinnert eraan dat de begunstigde derde landen zich ertoe verbinden de betalingen in geval van ernstige onregelmatigheden terug te betalen; beveelt aan het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de opvolging van financieringsovereenkomsten; onderstreept de noodzaak om een monitoringmechanisme op te richten om te onderzoeken of ontwikkelingsmiddelen zijn misbruikt en om naar aanleiding daarvan sancties toe te passen, waaronder de herverdeling van financiële middelen om de steun voor landen met betere praktijken op dit gebied uit te breiden;

35.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de rol van lokale autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te bevorderen bij de voorbereiding en de uitvoering van programma's voor onderwijssteun, ook in het kader van begrotingssteun;

36.

merkt op dat slechts een derde van de onderwijssteun via multilaterale organen wordt verleend, tegen twee derde van de steun op het gebied van volksgezondheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook hun financiële bijdrage aan het wereldwijde partnerschap voor onderwijs en het fonds “Education Cannot Wait” (ECW) te verhogen; is van mening dat het wereldwijde partnerschap in staat moet worden gesteld om in zijn volgende strategisch plan voor na 2020 de programmeringsperiode van drie naar zes jaar te verlengen om financiering stabieler en voorspelbaarder te maken, wat in het bijzonder noodzakelijk is voor de versterking van nationale onderwijsstelsels;

o

o o

37.

verzoekt zijn Voorzitter deze ontwerpresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2018)0239.

(2)  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2018)0104.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/8


P8_TA(2018)0446

De rechtsstaat in Roemenië

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië (2018/2844(RSP))

(2020/C 363/02)

Het Europees Parlement,

gezien de EU-Verdragen, en in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM),

gezien de grondwet van Roemenië,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld “Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat” (COM(2014)0158),

gezien het debat in het Parlement op 2 februari 2017 over democratie en justitie in Roemenië,

gezien het debat in het Parlement op 7 februari 2018 over bedreigingen voor de rechtsstaat naar aanleiding van de hervorming van de Roemeense justitie,

gezien het debat in het Parlement op 3 oktober 2018 over de rechtsstaat in Roemenië,

gezien de gedachtewisseling op 1 oktober 2018 in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken met Frans Timmermans, eerste vicevoorzitter van de Europese Commissie,

gezien de hoorzitting in 22 maart 2017 in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over democratie en justitie in Roemenië,

gezien de gezamenlijke verklaring van 24 januari 2018 van voorzitter Juncker van de Commissie en eerste vicevoorzitter Timmermans over de laatste ontwikkelingen in Roemenië,

gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië van 16 maart 2018 over het Roemeense wetsontwerp nr. 140/2017 houdende wijziging van regeringsdecreet nr. 26/2000 inzake verenigingen en stichtingen,

gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 over wijzigingen aan de Roemeense wetten nr. 303/2004 (houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers), nr. 304/2004 (houdende de rechterlijke organisatie), en nr. 317/2004 (houdende de Hoge Raad voor de magistratuur),

gezien het advies van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 over wijzigingen aan het Roemeense wetboek van strafrecht en het Roemeense wetboek van strafvordering, wetten die ook van invloed zijn op wet nr. 78/2000 houdende de preventie, de opsporing en de bestraffing van corruptie, en wet nr. 304/2004 houdende de rechterlijke organisatie,

gezien het ad-hocverslag over Roemenië van 11 april 2018 van de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO),

gezien het verslag van de Commissie van 15 november 2017, uitgebracht in het kader van het samenwerkings- en verificatiemechanisme, over vooruitgang in Roemenië,

gezien de vaststelling — in december 2017 — door het Roemeense parlement van drie wetten houdende hervorming van justitie, tot wijziging van wet nr. 303/2004 houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers, wet nr. 304/2004 houdende de rechterlijke organisatie, en wet nr. 317/2004 houdende de Hoge Raad voor de magistratuur; gezien de aanneming van wijzigingen aan het wetboek van strafrecht in juni 2018, en aan het wetboek van strafvordering in juli 2018,

gezien resolutie nr. 2226/2018 en aanbeveling nr. 2134/2018 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE),

gezien de uitspraak van het Roemeense grondwettelijke hof van 20 oktober 2018 dat 64 van de 96 wijzigingen aan het wetboek van strafvordering ongrondwettelijk zijn; gezien de verklaring van het grondwettelijke hof van 25 oktober 2018 dat 30 van de wijzigingen aan het wetboek van strafrecht onverenigbaar zijn met de grondwet,

gezien de herhaaldelijke grootschalige demonstraties sinds januari 2017 tegen de corruptie en vóór de rechtsstaat, waaronder het massaprotest 'Diaspora at Home' op 10 augustus 2018 in Boekarest, waar honderden mensen medisch moesten worden behandeld naar aanleiding van het gewelddadige optreden van de politie,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.

overwegende dat in artikel 6, lid 3, VEU wordt bevestigd dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals ze uit de gemeenschappelijke grondwettelijke tradities van de lidstaten voortvloeien, algemene beginselen van het recht van de Unie vormen;

C.

overwegende dat de EU functioneert op grond van de veronderstelling van het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en in het Handvest van de grondrechten;

D.

overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht verankerd is in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het EVRM, en dat zij een essentiële vereiste is van het democratische beginsel van de scheiding der machten;

E.

overwegende dat de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO) in haar verslag over Roemenië van april 2018 ernstige bezorgdheid tot uitdrukking heeft gebracht over bepaalde aspecten van de wetten houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers, de rechterlijke organisatie en de Hoge Raad voor de magistratuur zoals vastgesteld door het Roemeense parlement, alsook over aspecten van de ontwerpamendementen op de strafwetgeving; overwegende dat de GRECO vraagtekens plaatst bij het wetgevingsproces, vreest voor de gevolgen voor de rechterlijke onafhankelijkheid en waarschuwt voor een impliciete schending van de anti-corruptienormen;

F.

overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies nr. 924/2018 van 20 oktober 2018, dat beperkt was tot 'bepaalde, buitengewoon controversiële aspecten van de ontwerpen', concludeert dat 'wordt toegejuicht dat de ontwerpen naar aanleiding van kritiek en een aantal besluiten van het grondwettelijke hof op een aantal punten zijn verbeterd, maar dat ze desalniettemin meerdere belangrijke aspecten hebben die in druk op rechters en openbaar aanklagers zouden kunnen resulteren, en, uiteindelijk, in ondermijning van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en haar leden, waardoor, in combinatie met de regelingen voor vervroegde pensionering, de doeltreffendheid en de kwaliteit ervan zouden kunnen worden aangetast, met negatieve gevolgen voor de bestrijding van corruptie', en stelt dat het aannemelijk is dat die aspecten tot 'ondermijning van het publieke vertrouwen in de rechterlijke macht' zullen leiden (1);

G.

overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies nr. 930/2018 van 20 oktober 2018 concludeert dat het 'noodzakelijk en geëigend was dat het Roemeense parlement de strafwetboeken heeft hervormd om uitvoering te geven aan besluiten van het grondwettelijke hof en ter zaken doende richtlijnen van de EU', en dat veel van de wijzigingen 'een significante negatieve invloed zullen hebben op de doeltreffendheid van het Roemeense strafrechtsysteem wat de aanpak betreft van de zware criminaliteit, waaronder corruptiegerelateerde misdrijven, gewelddadige misdrijven en de georganiseerde criminaliteit' (2);

H.

overwegende dat de Commissie van Venetië in haar gezamenlijk advies nr. 914/2018 van 16 maart 2018 toejuicht dat 'de initiatiefnemers van de ontwerpwet tijdens de bijeenkomsten in Boekarest hebben aangegeven bereid te zijn een aantal aspecten van de ontwerpwet te wijzigen', en de Roemeense autoriteiten oproept rekening te houden met haar voornaamste aanbeveling, namelijk dat 'de nieuwe verslagleggings- en openbaarmakingsvereisten als bedoeld in de ontwerpwet, inclusief de sancties, in concreto het opschorten van activiteiten en ontbinding in het geval van niet-naleving, overduidelijk onnodige en onevenredig zijn, en moeten worden ingetrokken', en aangeeft dat de gedetailleerde publicatie van financiële verslagen elke zes maanden en de vermelding van de inkomstenbron, ongeacht het bedrag, in combinatie met de sanctie van ontbinding een 'ontmoedigend effect op het maatschappelijk middenveld' zal hebben en botst met het beginsel van vrijheid van vereniging en het recht op eerbiediging van het privéleven (3);

I.

overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa Roemenië heeft opgeroepen de onlangs gepresenteerde wetsontwerpen houdende aanvullende financiële verslagleggingsverplichtingen voor ngo's te verwerpen, ze te wijzigen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR), en ze pas vast te stellen na een brede openbare raadpleging (4);

J.

overwegende dat de Commissie Roemenië op 19 juli 2018 naar het Europees Hof van Justitie heeft verwezen vanwege het niet in het nationale recht omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn; overwegende dat het Roemeense parlement op 24 oktober 2018 goedkeuring heeft gehecht aan het 'wetsontwerp ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering';

K.

overwegende dat er al langer een debat wordt gevoerd over de rol van de Roemeense inlichtingendienst (SRI) en de vermeende bemoeienis van deze dienst met de activiteiten van de Roemeense justitie, waarbij onduidelijk is hoe groot deze bemoeienis is en welke vorm deze precies heeft; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 20 oktober 2018 concludeert dat 'een grondige toetsing van de wettelijke regels inzake het toezicht op de inlichtingendiensten nodig lijkt;

L.

overwegende dat in mei 2016 een petitie is gestart voor het herzien van de Roemeense grondwet, met het oog op het beperken van de definitie van gezin tot een huwelijk tussen een man en een vrouw; overwegende dat talrijke mensenrechtengroeperingen de bezorgdheid hebben geuit dat dit voorstel tot aantasting van de internationale mensenrechtennormen en tot meer homofobe discriminatie in Roemenië zou kunnen leiden; overwegende dat de herziening in het parlement met een tweederdemeerderheid is goedgekeurd; overwegende dat aan het desbetreffende referendum niet door de vereiste 30 % van de kiesgerechtigden is deelgenomen;

M.

overwegende dat Roemenië in het rapport “Jaarlijkse Evaluatie van de mensenrechtensituatie van LGBTI-mensen in Europa 2018” van de Europese afdeling van de International Gay and Lesbian Association (ILGA-Europe) 25e is van de 28 lidstaten van de EU wat betreft wetgeving betreffende, haatuitingen tegen en discriminatie van LGBTI-mensen;

N.

overwegende dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden de vrijheid en pluriformiteit van de media te beschermen, alsook het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat “klokkenluiden” een essentieel onderdeel van onderzoeksjournalistiek en persvrijheid vormt, en dat, volgens de mededeling van de Commissie van 23 april 2018 over versterking van de bescherming van klokkenluiders op EU-niveau (COM(2018)0214), in de meeste lidstaten klokkenluiders slechts in zeer eng gedefinieerde situaties bescherming genieten; overwegende dat de openbare rol van de media als waakhond essentieel is voor de handhaving van deze rechten en de bescherming van alle andere grondrechten;

O.

overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen de aandacht heeft gevestigd op de pogingen om de Roemeense media tot politieke propaganda-instrumenten om te vormen, en zijn bezorgdheid heeft geuit over de politieke censuur in de media (5);

P.

overwegende dat in artikel 12 van het Handvest van de grondrechten staat dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied;

Q.

overwegende dat de berichten over het gewelddadige ingrijpen door de Roemeense politie tijdens de demonstraties op 10 augustus 2018 tot grote vraagtekens leiden omtrent de evenredigheid van het gebruikte geweld en de inbreuken op de grondrechten van de demonstranten, resulterend in lopende onderzoeken door de Roemeense wetshandhavingsautoriteiten;

R.

overwegende dat corruptie onverminderd een uitdaging is in de EU; overwegende dat de aard en de omvang van corruptie van lidstaat tot lidstaat mogen verschillen, maar dat de EU als zodanig én haar economieën en samenlevingen er schade door ondervinden, en dat corruptie de economische ontwikkeling belemmert, de democratie ondermijnt en de rechtsstaat aantast;

S.

overwegende dat de hoofdaanklager van het nationale anticorruptiedirectoraat (DNA) op 9 juli 2018 uit zijn functie is ontheven, in weerwil van het advies van de Nationale Raad voor Justitie na een uitspraak van het grondwettelijke hof houdende inperking van de bevoegdheden van de president; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 20 oktober 2018 daarentegen aangeeft dat het juist belangrijk is 'de onafhankelijkheid van aanklagers te versterken en de rol van instituties als de president en de Hoge Raad van de magistratuur in stand te houden en te vergroten, als tegenwicht tegen de invloed van de minister (van Justitie); overwegende dat de minister van Justitie op 24 oktober 2018 om het ontslag van de baas van het Openbaar Ministerie heeft gevraagd op beschuldiging van het overschrijden van zijn bevoegdheden;

1.

benadrukt dat het van fundamenteel belang is te waarborgen dat de in artikel 2 VEU opgesomde gemeenschappelijke Europese waarden volledig worden geëerbiedigd en dat de grondrechten zoals die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden gewaarborgd;

2.

maakt zich grote zorgen over de herziene wetgeving houdende de Roemeense justitiële en strafwetgeving, en met name over het gevaar dat deze de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het vermogen om de corruptie in Roemenië doeltreffend aan te pakken, structureel zou kunnen ondermijnen en de rechtsstaat zou kunnen verzwakken;

3.

veroordeelt het geweld en het onevenredige karakter van het ingrijpen door de politie tijdens de demonstraties in Boekarest in augustus 2018; verzoekt de Roemeense autoriteiten erop toe te zien dat er een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek komt naar het optreden van de oproerpolitie;

4.

verzoekt de Roemeense autoriteiten waarborgen te creëren voor een transparante en legale basis voor institutionele samenwerking, en om inmenging, waarmee het beginsel van de scheiding der machten wordt omzeild, te vermijden; dringt aan op versterking van het parlementaire toezicht op de inlichtingendiensten;

5.

verzoekt de Roemeense autoriteiten met klem geen maatregelen te nemen die corruptie bij officiële contacten decriminaliseren, en de nationale anticorruptiestrategie ten uitvoer te leggen;

6.

beveelt met klem aan de wetgeving inzake de financiering, de organisatie en de werking van ngo's nog eens tegen het licht te houden gezien het in potentie intimiderende effect ervan op het maatschappelijk middenveld en het feit dat deze haaks staat op het beginsel van de vrijheid van vereniging en het recht op privacy; is van oordeel dat deze wetgeving volledig in overeenstemming moet worden gebracht met het EU-kader;

7.

verzoekt het Roemeense parlement en de Roemeense regering met klem alle aanbevelingen van de Commissie, GRECO en de Commissie van Venetië onverkort op te volgen en zich te onthouden van hervormingen die de eerbiediging van de rechtsstaat, waaronder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in gevaar kunnen brengen; dringt aan op een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld, en benadrukt dat de hierboven bedoelde kwesties middels een transparant en inclusief proces moeten worden aangepakt; dringt erop aan de bedoelde wetgevingsmaatregelen voordat ze definitief worden vastgesteld proactief aan de Commissie van Venetië voor te leggen voor beoordeling;

8.

dringt er bij de Roemeense regering op aan samen te werken met de Commissie overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking als vastgelegd in het Verdrag;

9.

betuigt nogmaals zijn spijt dat de Commissie heeft besloten het EU-corruptiebestrijdingsverslag niet te publiceren in 2017 en verzoekt de Commissie met klem haar jaarlijkse toezicht op corruptiebestrijding in alle lidstaten onverwijld te hervatten; verzoekt de Commissie een systeem van strikte indicatoren en gemakkelijk toepasbare, uniforme criteria te ontwikkelen om de omvang van de corruptie in de lidstaten te meten en hun anticorruptiebeleid te evalueren, overeenkomstig de resolutie van het Parlement van 8 maart 2016 over het jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU (6);

10.

dringt met klem aan op een regelmatig, stelselmatig en objectief proces van toezicht op en dialoog met alle lidstaten, teneinde de fundamentele waarden van de EU, namelijk democratie, grondrechten en de rechtstaat, te waarborgen, een proces waarbij de Raad, de Commissie en het Parlement worden betrokken, zoals voorgesteld in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, rechtstaat en grondrechten (het DRF-pact) (7); herhaalt dat dit mechanisme moet bestaan uit een jaarverslag met landenspecifieke aanbevelingen (8);

11.

verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, de follow-up van de aanbevelingen door de Roemeense autoriteiten te monitoren, en Roemenië haar volledige ondersteuning te blijven bieden bij het vinden van adequate oplossingen;

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de president van Roemenië.

(1)  Advies nr. 924/2018 van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 (CDL-AD(2018)017).

(2)  Advies nr. 930/2018 van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 (CDL-AD(2018)021).

(3)  Gezamenlijk advies nr. 914/2018 van de Commissie van Venetië van 16 maart 2018 (CDL-AD(2018)004).

(4)  Resolutie nr. 2226/2018 en aanbeveling nr. 2134/2018 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(5)  https://rsf.org/en/romania

(6)  PB C 50 van 9.2.2018, blz. 2.

(7)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

(8)  Zie: resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over de situatie op het gebied van de grondrechten in de Europese Unie in 2015 (PB C 238 van 6.7.2018, blz. 2).


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/13


P8_TA(2018)0447

Minimumnormen voor minderheden in de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU (2018/2036(INI))

(2020/C 363/03)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 10, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (1) (richtlijn inzake rassengelijkheid),

gezien de criteria van Kopenhagen en het geheel van EU-regels waaraan een kandidaat-lidstaat moet voldoen als hij wil toetreden tot de Unie (het acquis),

gezien de VN-Verklaring inzake de rechten van personen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden en de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

gezien de op 1 november 2005 door de Algemene Vergadering aangenomen VN-resolutie A/RES/60/7 over de herdenking van de Holocaust,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij, in het bijzonder Protocol nr. 12 betreffende non-discriminatie,

gezien het verslag over de grondrechten 2018 en de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II) van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

gezien het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap, en het op 13 december 2006 aangenomen facultatief protocol daarbij (A/RES/61/106),

gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

gezien Resolutie 1985 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de situatie en rechten van nationale minderheden in Europa, aangenomen in 2014,

gezien Resolutie 2153 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bevordering van de inclusie van Roma en Travellers, aangenomen in 2017,

gezien Resolutie 2196 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bescherming en bevordering van regionale of minderheidstalen in Europa, aangenomen in 2018,

gezien Resolutie 424 van het Congres van Lokale en Regionale Overheden van de Raad van Europa over regionale en minderheidstalen in het Europa van vandaag, aangenomen in 2017,

gezien Aanbeveling 1201 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa voor een aanvullend protocol inzake de rechten van minderheden bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vastgesteld in 1993,

gezien de op 1 februari 2012 aangenomen verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de toename van zigeunerhaat en racistisch geweld tegenover Roma in Europa,

gezien richtsnoer nr. 5 over de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld op de derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa in Warschau op 16 en 17 mei 2005,

gezien het document van Kopenhagen uit 1990 van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de vele thematische aanbevelingen en richtsnoeren over minderheidsrechten, uitgegeven door de Hoge Commissaris van de OVSE inzake nationale minderheden en het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten,

gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU-lidstaten (2),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat (3),

gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (4),

gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (5),

gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma — zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II (6),

gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie (7),

gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa (8),

gezien zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU-burgerschap 2017: versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering (9),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (10),

gezien de uitspraken en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), met name zaak T-646/13 (Minority SafePack — one million signatures for diversity in Europe/Europese Commissie) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

gezien de verslagen en onderzoeken van het FRA, zoals het verslag over respect voor en bescherming van personen die tot minderheden behoren 2008-2010, alsook andere relevante verslagen van nationale, Europese en internationale organisaties en ngo's ter zake,

gezien de werkzaamheden en bevindingen van de Intergroep voor traditionele minderheden, nationale gemeenschappen en talen van het Europees Parlement,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0353/2018),

A.

overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren integraal deel uitmaken van de mensenrechten, die universeel, ondeelbaar en onafhankelijk zijn; overwegende dat de bescherming en de bevordering van de rechten van minderheden van essentieel belang zijn voor vrede, veiligheid en stabiliteit, alsook voor het bevorderen van verdraagzaamheid, wederzijds respect, begrip en samenwerking tussen alle personen die op een bepaald grondgebied wonen;

B.

overwegende dat de EU een mozaïek is van culturen, talen, religies, tradities en geschiedenis, waardoor zij een gemeenschap vormt van diverse burgers die door hun gemeenschappelijke kernwaarden worden verenigd; overwegende dat de rijkdom van Europa geen vanzelfsprekendheid is en moet worden beschermd en gekoesterd;

C.

overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat aanhoudende intimidatie, discriminatie — met inbegrip van meervoudige en intersectionele discriminatie — en geweld mensen belemmeren om ten volle hun fundamentele rechten en vrijheden te genieten en hun gelijke participatie in de samenleving ondermijnen;

D.

overwegende dat er door middel van de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren kan worden bijgedragen aan het opbouwen van een duurzame toekomst voor Europa en aan het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen van waardigheid, gelijkheid en non-discriminatie; overwegende dat de voordelen hiervan niet beperkt blijven tot minderheden, omdat deze bescherming en bevordering iedereen stabiliteit, economische ontwikkeling en welvaart zal brengen;

E.

overwegende dat de term “personen die tot minderheden behoren” in het Verdrag van Lissabon in het primaire EU-recht is geïntroduceerd, de eerste expliciete verwijzing ooit in de geschiedenis van het EU-recht; overwegende dat artikel 2 VEU bepaalt dat “[d]e waarden waarop de Unie berust […] eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten [zijn], waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren”, en dat de lidstaten “[d]eze waarden […] gemeen [hebben] in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, nondiscriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen”; terwijl alle lidstaten deze waarden gemeen hebben en dat deze waarden door de EU en door elke lidstaat afzonderlijk in alle interne en externe beleidsmaatregelen consequent moeten worden geëerbiedigd en actief moeten worden bevorderd; overwegende dat deze rechten dezelfde behandeling verdienen als de andere in de Verdragen verankerde rechten;

F.

overwegende dat in de EU-Verdragen, in navolging van het internationaal recht in dit verband, het begrip “minderheden” niet wordt gedefinieerd; overwegende dat in artikel 17 VEU is bepaald dat de Commissie toeziet op de toepassing van de Verdragen;

G.

overwegende dat in artikel 19 VWEU wordt bepaald dat de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na goedkeuring door het Europees Parlement, passende maatregelen kan nemen om discriminatie te bestrijden;

H.

overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het begrip “nationale minderheden” tot een EU-rechtsterm heeft gemaakt; overwegende dat in artikel 21 van het Handvest nadrukkelijk wordt onderstreept dat discriminatie verboden is; overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van de grondrechten van degenen die zich in de kwetsbaarste situaties bevinden;

I.

overwegende dat, bij de omschrijving van het burgerschap van de Unie, artikel 9 VEU uitdrukkelijk vermeldt dat de Unie het beginsel eerbiedigt van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties;

J.

overwegende dat het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden een definitie van minderheden (FCNM) en het taalhandvest grote verwezenlijkingen zijn van het internationale systeem voor de bescherming van minderheden, alsook belangrijke internationale hulpmiddelen voor normering voor de staten die partij zijn; overwegende dat het effect van deze overeenkomsten in wordt verzwakt door een traag ratificatieproces, de door de partijen aangetekende bezwaren en een gebrek aan controlebevoegdheden, waardoor ze zijn overgeleverd aan de goodwill van de staten; merkt op dat de stelselmatige niet-uitvoering van uitspraken, besluiten en aanbevelingen ook tot een normalisering van de niet-naleving van de twee internationale instrumenten leidt;

K.

overwegende dat bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke Europese minimumnormen ter bescherming van de rechten van personen die tot een minderheid behoren rekening moet worden gehouden met beste praktijken die al in de lidstaten worden toegepast, zoals in Italië (Alto Adige/Zuid-Tirol) of Duitsland (Sleeswijk-Holstein);

L.

overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren door multilaterale en bilaterale internationale overeenkomsten worden gewaarborgd en in de grondwettelijke stelsels van tal van lidstaten zijn verankerd, en dat de eerbiediging ervan een belangrijke eerste vereiste is ter beoordeling van de rechtsstaat;

M.

overwegende dat de richtlijn inzake rassengelijkheid een belangrijke wettelijke maatregel vormt voor het bestrijden van discriminatie op grond van etnische afstamming of ras; overwegende dat een aantal lidstaten deze richtlijn nog steeds niet volledig ten uitvoer heeft gelegd; overwegende dat in artikel 5 van de richtlijn is bepaald dat, om volledige gelijkheid te waarborgen, het beginsel van gelijke behandeling niet belet dat een lidstaat specifieke maatregelen handhaaft of aanneemt om nadelen die verband houden met ras of etnische afstamming te voorkomen of te compenseren;

N.

overwegende dat het in 2000 vastgestelde motto van de Europese Unie “In verscheidenheid verenigd” is, waarmee de nadruk wordt gelegd op respect voor verscheidenheid als een van de fundamentele waarden van de Europese Unie;

O.

overwegende dat de criteria van Kopenhagen deel uitmaken van de EU-toetredingscriteria; overwegende dat er in een van de drie criteria van Kopenhagen duidelijk wordt vereist dat landen democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de eerbiediging en bescherming van minderheden garanderen; overwegende dat er geen verdere monitoring van de rechten van minderheden plaatsvindt nadat een kandidaat-lidstaat tot de EU is toegetreden;

P.

overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat kandidaat-lidstaten meer bereid zijn te voldoen aan de criteria van Kopenhagen; overwegende dat, als gevolg van het ontbreken van een passend kader om ervoor te zorgen dat na toetreding aan deze criteria wordt voldaan, lidstaten in grote mate kunnen terugkrabbelen nadat zij tot de EU zijn toegetreden; overwegende dat de EU op het niveau van de Unie nog steeds niet over gemeenschappelijke normen beschikt voor de bescherming van minderheden in de lidstaten;

Q.

overwegende dat de Unie momenteel slechts beperkt doeltreffende hulpmiddelen heeft om te reageren op systematische en institutionele uitingen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat; overwegende dat er, ondanks de vele oproepen aan de Commissie, slechts in beperkte mate stappen zijn gezet om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van personen die tot minderheden behoren;

R.

overwegende dat er krachtige rechtsstatelijkheidsmechanismen en -processen moeten worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de beginselen en waarden van het Verdrag overal in de Unie worden nageleefd; overwegende dat de eerbiediging van de rechten van personen die tot minderheden behoren een wezenlijk onderdeel van deze waarden is; overwegende dat er sprake moet zijn van doeltreffende mechanismen om de resterende lacunes op te vullen; overwegende dat dergelijke mechanismen op feiten gebaseerd, objectief en niet-discriminerend moeten zijn, de beginselen van subsidiariteit, noodzakelijkheid en evenredigheid moeten eerbiedigen, in gelijke mate van toepassing moeten zijn op de lidstaten en de instellingen van de Unie en moeten worden gebaseerd op een trapsgewijze aanpak die zowel een preventief als een corrigerend onderdeel omvat; overwegende dat het Parlement in dit verband zijn steun heeft uitgesproken in zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en dat dit centraal zou kunnen staan in een gecoördineerde Europese benadering op het gebied van governance, iets wat momenteel ontbreekt;

S.

overwegende dat talen integraal deel uitmaken van de Europese identiteit en de meest directe uitdrukking van cultuur zijn; overwegende dat de eerbiediging van taalkundige verscheidenheid een fundamentele waarde van de EU is, zoals vastgelegd in bijvoorbeeld artikel 22 van het Handvest en de preambule van het VEU, waarin het volgende staat vermeld: “geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat”;

T.

overwegende dat taalkundige verscheidenheid een belangrijk onderdeel is van de culturele rijkdom van een regio; overwegende dat veertig tot vijftig miljoen mensen in de EU een van haar zestig regionale en minderheidstalen spreken, waarvan sommige ernstig in het gedrang komen; overwegende dat de achteruitgang van minderheidstalen in heel Europa merkbaar is; overwegende dat door kleine gemeenschappen gesproken talen die geen officiële status hebben nog meer het risico lopen te verdwijnen;

U.

overwegende dat naar schatting een op de duizend personen een nationale gebarentaal als eerste taal gebruikt; overwegende dat deze talen een officiële status moeten krijgen toegekend;

V.

overwegende dat in inclusieve samenlevingen zowel individuele identiteit als nationale identiteit belangrijk zijn en zij elkaar niet uitsluiten; overwegende dat de nationale wetgevingssystemen van de lidstaten belangrijke leemten ten aanzien van minderheden en een geringe mate van harmonisatie en symmetrie bevatten;

W.

overwegende dat het culturele erfgoed van Europa rijk en verscheiden is; overwegende dat cultureel erfgoed de individuele levens van burgers verrijkt; overwegende dat artikel 3 VEU bevestigt dat “de Unie […] haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal [eerbiedigt] en [toeziet] op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed”; overwegende dat personen die behoren tot minderheden die al eeuwenlang in Europa leven, bijdragen aan dit rijke, unieke en diverse erfgoed en integraal onderdeel zijn van de Europese identiteit;

X.

overwegende dat tussen de lidstaten grote verschillen bestaan waar het de erkenning van minderheden en de eerbiediging van hun rechten betreft; overwegende dat minderheden in de EU nog steeds te kampen hebben met geïnstitutionaliseerde discriminatie en denigrerende stereotypen, en dat zelfs hun verworven rechten vaak worden ingeperkt of selectief worden toegepast;

Y.

overwegende dat er een verschil is tussen bescherming van minderheden en antidiscriminatiebeleid; overwegende dat non-discriminatie niet toereikend is om assimilatie een halt toe te roepen; overwegende dat effectieve gelijkheid verder gaat dan afzien van discriminatie en inhoudt dat de uitoefening van de rechten van minderheden wordt gewaarborgd, zoals het recht op identiteit, taalgebruik en onderwijs, culturele en burgerrechten enz. op het niveau van de meerderheid;

Z.

overwegende dat de toename van xenofoob geweld en haatzaaiende uitingen in de Europese Unie, vaak bevorderd door extreemrechtse krachten, tot minderheden behorende personen treft en tot doelwit heeft;

AA.

overwegende dat tot minderheden behorende EU-burgers verwachten dat er op Europees niveau meer wordt gedaan voor de bescherming van hun rechten, zoals blijkt uit het grote aantal bij het Europees Parlement ingediende verzoekschriften ter zake;

AB.

overwegende dat het Europese burgerinitiatief “Minority SafePack”1 215 879 handtekeningen in de hele EU heeft opgebracht, hetgeen de wil aantoont van deze EU-burgers om het wetgevingskader voor minderheidsbeleid op EU-niveau te versterken;

AC.

overwegende dat er veel ruimte voor verbetering is wat betreft de manier waarop effectief uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van de rechten van minderheden in de EU; overwegende dat de legitimiteit van de democratische instellingen is gestoeld op de participatie en vertegenwoordiging van alle groepen in de samenleving, met inbegrip van personen die tot minderheden behoren;

1.

wijst er nogmaals op dat de lidstaten verplicht zijn te waarborgen dat minderheden hun mensenrechten ten volle kunnen uitoefenen, zowel individueel als in gemeenschap;

2.

herinnert eraan dat er, hoewel de bescherming van minderheden een onderdeel vormt van de criteria van Kopenhagen, voor zowel de kandidaat-lidstaten als de lidstaten geen garantie bestaat dat kandidaat-lidstaten zich, zodra zij lidstaten worden, zullen houden aan de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van de criteria van Kopenhagen;

3.

merkt op dat het de EU nog steeds aan doeltreffende hulpmiddelen ontbreekt om de naleving van de rechten van minderheden te monitoren en te handhaven; betreurt dat de EU met betrekking tot de bescherming van minderheden ofwel uitgaat van het standpunt dat de lidstaten de rechten van minderheden eerbiedigen, ofwel vertrouwt op externe monitoringinstrumenten, zoals die van de VN, de Raad van Europa of de OVSE;

4.

merkt op dat de naleving van de criteria van Kopenhagen, waartoe de lidstaten vóór en na hun toetreding tot de EU gehouden zijn, voortdurend gemonitord moet worden en het voorwerp moet zijn van een voortdurende dialoog tussen het Parlement, de Commissie en de Raad; benadrukt de noodzaak van een alomvattend EU-systeem voor de bescherming van minderheden in combinatie met een solide monitoringmechanisme;

5.

herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU als hoedster van de Verdragen gerechtigd en bevoegd is erop toe te zien dat de lidstaten de rechtsstaat en andere waarden van artikel 2 VEU eerbiedigen; is derhalve van oordeel dat de maatregelen die de Commissie neemt om deze taak uit te voeren en om erop toe te zien dat er nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die waren voordat de lidstaten tot de Unie toetraden, geen schending van de soevereiniteit van de lidstaten vormen;

6.

herinnert eraan dat volgens bestaande internationale normen elke lidstaat het recht heeft een definitie te geven van tot een nationale minderheid behorende personen;

7.

herinnert eraan dat er geen gemeenschappelijke EU-norm voor rechten van minderheden in het EU-beleid bestaat, noch een gemeenschappelijke opvatting over wie als persoon behorend tot een minderheid kan worden beschouwd; merkt op dat er noch in de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden, noch in het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (FCNM) een definitie van minderheden staat; onderstreept dat alle nationale of etnische, religieuze en taalkundige minderheden moeten worden beschermd, ongeacht de definitie, en benadrukt dat elke definitie op flexibele wijze moet worden toegepast, aangezien de opneming van begunstigden in de bescherming van de rechten van minderheden vaak de facto deel uitmaakt van een evolutionair proces dat uiteindelijk tot formele erkenning kan leiden; beveelt aan dat, met betrekking tot de beginselen van subsidiariteit, evenredigheid en non-discriminatie, de definitie van een “nationale minderheid” moet worden gebaseerd op de definitie die is neergelegd in Aanbeveling 1201 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (1993) voor een aanvullend protocol inzake de rechten van minderheden bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarin een “nationale minderheid” wordt omschreven als een groep personen in een land die

op het grondgebied van dat land verblijven en burgers daarvan zijn;

al lange tijd een solide, duurzame band met dat land hebben;

specifieke kenmerken vertonen op etnisch, cultureel, religieus of taalgebied;

voldoende representatief zijn, hoewel kleiner in aantal dan de rest van de bevolking van dat land of een regio in daarvan;

en streven naar de instandhouding van hun gemeenschappelijke identiteit, met inbegrip van hun cultuur, tradities, godsdienst of taal;

8.

herinnert aan richtsnoer nr. 5 over de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Raad van Europa in Warschau op 16 en 17 mei 2005, waarin wordt gesteld dat de Europese Unie ernaar streeft om binnen haar bevoegdheid die aspecten van de verdragen van de Raad van Europa om te zetten in recht van de Europese Unie;

9.

merkt op dat delen van de bepalingen van het FCNM en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (het “taalhandvest”) onder de bevoegdheden van de EU vallen en herinnert aan de conclusie van het FRA dat hoewel de Unie geen algemene wetgevende bevoegdheid heeft om te beslissen over de bescherming van nationale minderheden als zodanig, zij uitspraak kan doen over tal van kwesties die van invloed zijn op personen die tot nationale minderheden behoren;

10.

is van mening dat er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel inzake minimumnormen voor de bescherming van minderheden in de EU, na een passende effectbeoordeling en overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid die van toepassing zijn op de lidstaten, om de situatie van minderheden te verbeteren en de reeds bestaande rechten in alle lidstaten te beschermen, waarbij dubbele normen worden vermeden; is van mening dat deze normen, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gebaseerd moeten zijn op de reeds in internationale rechtsinstrumenten neergelegde normen en stevig verankerd moeten zijn in een juridisch kader dat garant staat voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de hele EU en gepaard gaat met een goed functionerend monitoringmechanisme; verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsstelsels waarborgen dat personen die tot een minderheid behoren niet worden gediscrimineerd, en om gerichte beschermingsmaatregelen te nemen en ten uitvoer te leggen;

11.

herinnert eraan dat de bescherming van de rechten van minderheden deel uitmaakt van het voorstel voor de sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG); herinnert in dit verband aan het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU-Pact voor DRG; verzoekt de Commissie de rechten van minderheden op te nemen in alle mogelijke onderdelen van het EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

12.

moedigt de Commissie aan een orgaan op het niveau van de Unie op te richten (binnen de bestaande structuren of als afzonderlijk orgaan) voor de erkenning en bescherming van minderheden in de EU;

13.

is ingenomen met de succesvolle registratie en verzameling van handtekeningen in het kader van het Europees burgerinitiatief getiteld “Minority SafePack”, waarin wordt opgeroepen tot een Europees kader voor de bescherming van minderheden; moedigt de Commissie aan te onderzoeken op welke manieren de belangen en behoeften van minderheden in de toekomst beter kunnen worden vertegenwoordigd op EU-niveau;

14.

moedigt de lidstaten en de Commissie aan het recht van personen die tot minderheden behoren te beschermen met betrekking tot het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van hun eigen identiteit en de nodige stappen te ondernemen om effectieve deelname van minderheden aan het maatschappelijke, economische, culturele en openbare leven te bevorderen;

15.

wijst er nogmaals op dat toegang tot EU-burgerschap wordt verkregen middels de nationaliteit van een lidstaat, hetgeen geregeld is door nationale wetgeving; benadrukt nogmaals dat de lidstaten in verband met de toegang tot nationaal burgerschap moeten uitgaan van de beginselen van het Unierecht, zoals evenredigheid en non-discriminatie, die beide goed zijn uitgewerkt in de jurisprudentie van het HvJ-EU; wijst er nogmaals op dat artikel 20 VWEU bepaalt dat eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, ook burger van de Unie is, met de rechten en plichten die bij de Verdragen en het Handvest zijn bepaald; benadrukt nogmaals dat volgens de Verdragen elke EU-burger gelijke aandacht moet genieten van de EU-instellingen;

16.

geeft nogmaals uiting aan zijn grote bezorgdheid over het aantal staatloze Roma in Europa, een situatie die leidt tot de volledige ontkenning van hun toegang tot sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten en hen drijft naar de marges van de samenleving; verzoekt de lidstaten staatloosheid af te schaffen en ervoor te zorgen dat iedereen de fundamentele mensenrechten kan uitoefenen;

17.

moedigt de lidstaten aan doeltreffende maatregelen te nemen om alle belemmeringen weg te nemen voor de toegang tot het gezondheidszorgstelsel voor personen die tot minderheden behoren; merkt op dat minderheidsgroepen minder toegang hebben tot gezondheidsdiensten en -informatie; moedigt de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat minderheden toegang hebben tot zowel lichamelijke als geestelijke gezondheidszorg, zonder discriminatie;

18.

verzoekt de Europese Unie toe te treden tot het FCNM en het taalhandvest en verzoekt de lidstaten deze documenten te ratificeren; verzoekt hen de beginselen die in deze documenten zijn vastgelegd, te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten en de Commissie af te zien van handelingen die indruisen tegen die beginselen; benadrukt dat de instellingen en de lidstaten minimumnormen voor minderheden in de EU in het leven moeten roepen en zich moeten onthouden van het aannemen van wetten en bestuurlijke maatregelen die de rechten van personen die tot minderheden behoren verzwakken of daaraan afbreuk doen;

19.

bevestigt nogmaals dat inheemse volkeren bij de uitoefening van hun rechten vrij moeten zijn van alle vormen van discriminatie en recht moeten hebben op de waardigheid en verscheidenheid van hun cultuur, tradities, geschiedenis en ambities die naar behoren in onderwijs en publieke voorlichting tot uiting moeten komen; moedigt de lidstaten die dit nog niet gedaan hebben aan om het Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken (Verdrag nr. 169 van de IAO) te ratificeren en te goeder trouw ten uitvoer te leggen;

20.

is van mening dat er gemeenschappelijke en Europese minimumnormen moeten worden ontwikkeld voor de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren en dat dit moet gebeuren volgens de procedurele beginselen van goed nabuurschap en vriendschappelijke betrekkingen, waarbij wordt gezorgd voor samenwerking tussen de lidstaten en tussen lidstaten en landen van het nabuurschap, op basis van de tenuitvoerlegging van internationale standaarden en normen; is van mening dat de vaststelling van gemeenschappelijke Europese minimumnormen de reeds bestaande rechten en normen ter bescherming van personen die tot minderheden behoren, niet mag inperken; herinnert eraan dat de vastgestelde toezeggingen en beginselen die zijn ontwikkeld door de OVSE, met name in het kader van haar thematische aanbevelingen en richtsnoeren, ten uitvoer moeten worden gelegd; herinnert eraan dat de Commissie in het kader van de criteria van Kopenhagen al rekening heeft gehouden met deze normen tijdens de toetredingsonderhandelingen; verzoekt de Commissie in dit verband voor alle EU-lidstaten dezelfde normen te hanteren;

21.

benadrukt dat beleidsmaatregelen ter bestrijding van discriminatie alleen niet voldoende zijn om de problemen op te lossen waarmee minderheden te kampen hebben en hun assimilatie niet voorkomen; merkt op dat personen die tot minderheden behoren zich in een speciale categorie bevinden wat betreft het verhaalsrecht en specifieke behoeften hebben waaraan moet worden voldaan om volledige en daadwerkelijke gelijkheid te bereiken, en dat hun rechten moeten worden geëerbiedigd en bevorderd, met inbegrip van het recht om hun culturele of taalkundige identiteit vrijelijk te uiten, te behouden en te ontwikkelen, met eerbiediging van de identiteit, waarden en beginselen van het land waarin zij verblijven; moedigt de Commissie aan regelmatige monitoring van de taalkundige en culturele diversiteit in de EU te bevorderen;

22.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan in samenspraak met vertegenwoordigers van minderheden de verzameling van betrouwbare en degelijke gegevens inzake gelijkheid te blijven ondersteunen en financieren, teneinde ongelijkheden en discriminatie in kaart te brengen; dringt erop aan op doeltreffende wijze in de hele EU toezicht te houden op de situatie van nationale en etnische minderheden; is van oordeel dat het FRA discriminatie van nationale en etnische minderheden in de lidstaten nauwlettender moet controleren;

23.

erkent de belangrijke rol van maatschappelijke en niet-gouvernementele organisaties bij de bescherming van minderheden, daar zij discriminatie bestrijden en de rechten van minderheden bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan voldoende financiering en steun voor deze organisaties te bevorderen;

24.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de bescherming van minderheden binnen minderheden te waarborgen en ongelijkheden binnen ongelijkheden aan te pakken, aangezien personen die tot minderheden behoren vaak met meerdere en intersectionele discriminatie te kampen hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek te doen naar de complexe kwestie van meervoudige en intersectionele discriminatie;

Bestrijding van discriminatie, haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen

25.

is bezorgd over de alarmerende toename van haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen met motieven die verband houden met racisme, vreemdelingenhaat of religieuze intolerantie jegens minderheden in Europa; roept de EU en de lidstaten op de strijd tegen haatmisdrijven en discriminerende houdingen en gedragingen op te voeren; verzoekt de Commissie en het FRA hun werk op het gebied van monitoring van haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen jegens minderheden in de lidstaten voort te zetten en regelmatig verslag uit te brengen over gevallen en tendensen;

26.

veroordeelt krachtig alle vormen van discriminatie op welke grond dan ook en alle vormen van segregatie, haatzaaiende uitingen, haatmisdrijven en sociale uitsluiting, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontkenning van wreedheden tegen nationale en etnische minderheden duidelijk te veroordelen en te bestraffen; herhaalt zijn in zijn resolutie van 25 oktober 2017 uiteengezette standpunt over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat; herinnert eraan dat alle Europese burgers evenveel bijstand en bescherming moeten krijgen, ongeacht hun etnische of culturele afkomst; verzoekt de Commissie een Europees kader in te stellen en verzoekt de lidstaten specifieke nationale plannen uit te werken om door vreemdelingenhaat ingegeven geweld en haatzaaiende uitingen tegen personen die tot minderheden behoren, aan te pakken;

27.

benadrukt dat de lidstaten vriendschappelijke en stabiele betrekkingen onderling moeten bevorderen en moedigt hen aan een open en ondersteunende dialoog te voeren met buurlanden, met name in grensregio's waar meerdere talen en culturen aanwezig kunnen zijn;

28.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan bewustmakingsactiviteiten in te voeren om de bevolking van de EU bewust te maken van het belang van diversiteit, en alle vreedzame vormen van uitingen van minderheidsculturen te bevorderen; spoort de lidstaten aan de geschiedenis van nationale en etnische minderheden op te nemen in hun onderwijsprogramma's en een cultuur van verdraagzaamheid op hun scholen te bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan culturele dialogen te beginnen, onder andere op scholen, over de verschillende vormen en uitdrukkingen van haat jegens minderheidsgroepen; moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat non-discriminatie, evenals de geschiedenis en rechten van mensen die tot minderheden behoren, deel gaan uitmaken van de reguliere inhoud van hun nationale onderwijsstelsel;

29.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan campagnes tegen haatzaaiende uitingen op te zetten, binnen de politiediensten eenheden ter bestrijding van haatmisdrijven op te richten op basis van de kennis van de problemen waarmee verschillende minderheidsgroepen worden geconfronteerd en bijscholingscursussen te organiseren, ervoor te zorgen dat personen die tot minderheden behoren gelijk zijn voor de wet en te waarborgen dat zij gelijke toegang hebben tot de rechter en procedurele rechten;

30.

is van mening dat de Commissie en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat personen die tot minderheden behoren hun rechten zonder angst kunnen uitoefenen; moedigt de lidstaten in dit verband aan verplicht onderwijs op het gebied van mensenrechten, democratisch burgerschap en politieke geletterdheid op te nemen in hun onderwijsprogramma's op alle niveaus; moedigt de Commissie en de lidstaten aan verplichte trainingen aan te bieden aan gezagsdragers, die een centrale rol spelen bij de correcte tenuitvoerlegging van EU- en nationale wetgeving en die moeten worden uitgerust om alle burgers te dienen vanuit een op mensenrechten gebaseerde benadering; vraagt de Commissie en de lidstaten intersectionele discriminatie aan te pakken, zowel middels hun beleidsmaatregelen als via hun financieringsprogramma's;

31.

moedigt de lidstaten aan om, met het oog op de totstandbrenging van wederzijds vertrouwen, nationale waarheids- en verzoeningscommissies op te richten om de onderdrukking, uitsluiting en verstoting van personen die tot minderheden behoren door de eeuwen heen te erkennen en dit te documenteren; verzoekt de lidstaten de ontkenning van wreedheden tegen personen die tot minderheden behoren, duidelijk te veroordelen en te bestraffen, en moedigt hen aan belangrijke herdenkingsdagen van minderheidsgroepen op nationaal niveau af te kondigen en daaraan eer te betuigen, zoals de herdenkingsdag van de holocaust van de Roma; moedigt hen aan instellingen in het leven te roepen die de geschiedenis en cultuur van minderheidsgroepen tentoonspreiden en hen zowel financieel als administratief te ondersteunen;

32.

acht actieve en betekenisvolle maatschappelijke, economische, politieke en culturele participatie door minderheidsgroepen van cruciaal belang; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom strategieën uit te werken aan de hand van zowel proactieve als reactieve maatregelen die uitgaan van reële, stelselmatige raadpleging van vertegenwoordigers van minderheidsgroepen, en deze te betrekken bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van algemene programma's en projecten die op alle niveaus worden geïnitieerd, ook op lokaal niveau, teneinde ervoor te zorgen dat ze inclusief en niet-discriminerend zijn;

33.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de richtlijn inzake rassengelijkheid volledig en nauwgezet wordt uitgevoerd, toegepast en gehandhaafd, en moedigt hen aan bewustmakingscampagnes op te zetten met betrekking tot antidiscriminatiewetgeving; is van mening dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat sancties voldoende doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, zoals voorgeschreven door de richtlijn; vraagt de Commissie naar behoren toezicht te houden op de uitvoering van de richtlijn;

34.

betreurt het dat het voorstel voor een richtlijn inzake gelijke behandeling uit 2008 (COM(2008)0426) nog altijd door de Raad moet worden goedgekeurd; herhaalt zijn oproep aan de Raad zo snel mogelijk zijn standpunt over dit voorstel te bepalen;

Nationale en etnische minderheden

35.

merkt op dat nationale en etnische minderheden groepen personen zijn die tot minderheden behoren die op hetzelfde grondgebied wonen en een gemeenschappelijke identiteit delen, in sommige gevallen als het gevolg van grenswijzigingen, in andere gevallen als het gevolg van het lang leven in een gebied, waarbij ze erin zijn geslaagd hun identiteit te behouden; roept de Commissie en de lidstaten op de culturele en taalkundige identiteit van nationale en etnische minderheden te beschermen en voorwaarden te scheppen voor de bevordering van die identiteit; wijst op de belangrijke rol die regionale en lokale autoriteiten in de EU kunnen vervullen als het gaat om de bescherming van nationale en etnische minderheden, en is van mening dat bestuurlijke reorganisaties en de herverdeling van grondgebied in districten geen nadelige gevolgen mogen hebben voor die groepen; moedigt de lidstaten aan om vanuit de centrale begroting financiële middelen ter beschikking te stellen voor de tenuitvoerlegging van de rechten van minderheden, teneinde lokale begrotingen te ontlasten;

36.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan te zorgen voor gelijke kansen voor nationale en etnische minderheden om aan het politieke en maatschappelijke leven deel te nemen; moedigt de lidstaten aan verkiezingsstelsels en wetten in te voeren die de vertegenwoordiging van nationale en etnische minderheden eenvoudiger maken; roept de lidstaten op per direct corrigerende maatregelen te treffen om discriminerende geboorteregistratie een halt toe te roepen, de geboorteregistratie van leden van minderheidsgroepen zonder discriminatie te laten verlopen en ervoor te zorgen dat uitgegeven identiteitsbewijzen niet-discriminerend zijn;

37.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan een coherente analyse van hun huidige minderhedenbeleid uit te voeren om op te helderen wat de sterke punten en uitdagingen zijn en de naleving van de rechten van nationale en etnische minderheden te garanderen;

38.

verzoekt het FRA een advies op te stellen over hoe instrumenten kunnen worden gecreëerd om de rechten van personen die tot nationale minderheden behoren te beschermen en te bevorderen, in overeenstemming met de uitspraak in zaak T-646/13 van het HvJ-EU;

Culturele rechten

39.

benadrukt dat culturele activiteiten van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de identiteit van nationale en etnische minderheden en dat de instandhouding van de tradities van minderheden en de uitdrukking van artistieke waarden in de moedertaal van bijzonder belang zijn voor het behoud van de Europese diversiteit; merkt op dat het behoud van het culturele erfgoed van minderheden een gemeenschappelijk belang is van de EU en de lidstaten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de culturele rechten van minderheden te ondersteunen, te verbeteren en te bevorderen;

40.

wijst er nogmaals op dat een goed begrip van wat onder “cultuur” moet worden verstaan, van essentieel belang is om de reikwijdte van de rechten van minderheden in dit verband te bepalen; merkt op dat cultuur in brede zin neerkomt op het geheel van de materiële en niet-materiële activiteiten en verwezenlijkingen van een gemeenschap en op datgene waarin zij zich van andere gemeenschappen onderscheidt; benadrukt dat culturele rechten het recht deel te nemen aan het culturele leven, het recht cultuur te beoefenen, het recht te kunnen kiezen om deel uit te maken van een groep, taalrechten en de bescherming van het cultureel en wetenschappelijk erfgoed moeten omvatten;

41.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan de bijdrage van nationale en etnische minderheden aan het culturele erfgoed van de Unie te erkennen, de dialoog met vertegenwoordigers van minderheden en personen die tot minderheden behoren te versterken en gecoördineerd beleid en gecoördineerde acties voor het duurzame beheer van het behoud en de ontwikkeling van hun cultuur te identificeren en uit te voeren; moedigt de lidstaten aan een passend niveau van institutionalisering van praktijken op nationaal niveau te garanderen om de culturele rechten te beschermen;

42.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan nationale en etnische minderheden en personen die daartoe behoren te betrekken en te ondersteunen bij het bevorderen van kennis en vaardigheden die nodig zijn om cultureel erfgoed te beschermen, duurzaam te beheren en te ontwikkelen en die aan toekomstige generaties moeten worden doorgegeven; moedigt de Commissie en de lidstaten aan substantiële culturele fondsen voor personen die tot minderheden behoren in te stellen en te behouden, zowel op horizontaal als op verticaal niveau, teneinde voor effectieve, transparante en gelijke steun voor het culturele leven van minderheidsgemeenschappen te zorgen;

43.

benadrukt dat de media een centrale rol spelen met betrekking tot culturele en taalrechten; herinnert eraan dat de toegang tot en het kunnen ontvangen en publiceren van informatie en inhoud in een taal die volledig wordt begrepen en waarin kan worden gecommuniceerd een voorwaarde is voor een gelijke en effectieve deelname aan het openbare, economische, maatschappelijke en culturele leven; merkt in dit verband op dat speciale aandacht moet worden besteed aan de behoeften van personen die tot nationale en etnische minderheden behoren die in grens-, afgelegen en plattelandsgebieden wonen; is bezorgd over de onderfinanciering van mediakanalen die in regionale of minderheidstalen publiceren of uitzenden; moedigt de Commissie en de lidstaten aan passende financiering te verstrekken aan organisaties of mediakanalen die minderheden vertegenwoordigen, teneinde bij te dragen tot het behoud van de culturele identiteit van minderheden en hen in staat te stellen hun standpunten, taal en cultuur te delen met de meerderheid;

44.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de media onafhankelijk kunnen functioneren, het gebruik van minderheidstalen in de media te bevorderen en rekening te houden met nationale en etnische minderheden bij het verlenen van licenties voor mediadiensten, waaronder het toewijzen van radio- en televisieomroepen; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor adequate financiering voor organisaties die minderheden vertegenwoordigen, met het oog op het bevorderen van hun gevoel van verbondenheid en identificatie met hun respectieve minderheidsgroepen, en om hun identiteit, talen, geschiedenis en cultuur onder de aandacht van de meerderheid te brengen;

45.

herinnert aan de fundamentele rol van de publieke media bij de bevordering van dergelijke inhoud, in het bijzonder in de context van democratisch toezicht van lokale of regionale autoriteiten; moedigt de Commissie aan de wettelijke en regelgevingsvoorwaarden te scheppen om vrije dienstverlening, doorgifte en ontvangst van audiovisuele inhoud te garanderen in regio's waar minderheden wonen, zodat zij inhoud in hun moedertaal kunnen bekijken en beluisteren die grensoverschrijdend wordt uitgezonden en niet aan geografische beperkingen wordt onderworpen;

46.

roept de Commissie en de lidstaten op er met passende middelen voor te zorgen dat audiovisuele media geen inhoud bevatten die aanzet tot geweld of haat jegens mensen die tot minderheden behoren; beklemtoont dat de media een belangrijke rol spelen bij de berichtgeving over schendingen van rechten van minderheden en dat de dagelijkse realiteit waarmee minderheden worden geconfronteerd onzichtbaar blijft als er geen verslag van wordt gedaan;

47.

moedigt de lidstaten aan zich te onthouden van politieke en wettelijke maatregelen en beleid die erop zijn gericht restrictieve maatregelen voor te schrijven, zoals ondertitelings- en/of vertaalverplichtingen en verplichte quota voor programma's in officiële talen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de aanwezigheid van media met regionale of minderheidstalen toe te staan en te bevorderen, ook op online-interfaces; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor passende financiering of subsidies voor organisaties en media die nationale en etnische minderheden vertegenwoordigen, met het oog op hun specifieke regionale kenmerken en behoeften;

48.

verzoekt de lidstaten in het licht van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed hun minderheidsculturen te versterken en te bevorderen, de verspreiding van hun geschiedenis en tradities te stimuleren en ervoor te zorgen dat de betreffende gemeenschappen niet geïsoleerd blijven;

49.

wijst erop dat de ontwikkeling van beleid op het gebied van cultureel erfgoed inclusief en participatief moet zijn en dat daartoe een op de gemeenschap gebaseerde aanpak moet worden gevolgd, waarbij de betrokken minderheidsgemeenschappen geraadpleegd en bij overleg betrokken moeten worden;

Het recht op onderwijs

50.

merkt op dat onderwijs een sleutelrol speelt bij socialisatie en identiteitsontwikkeling en het belangrijkste instrument blijft om bedreigde minderheidstalen te revitaliseren en in stand te houden; benadrukt dat elke persoon die deel uitmaakt van een nationale minderheidsgroep recht heeft op onderwijs in een minderheidstaal; benadrukt dat de continuïteit van het moedertaalonderwijs essentieel is voor het behoud van de culturele en taalkundige identiteit; merkt op dat er, als het gaat om onderwijs in minderheidstalen, geen enkel model van beste praktijken bestaat dat geschikt is voor alle nationale en etnische minderheden; wijst erop dat er speciale aandacht moet uitgaan naar mensen die zich bedienen van gebarentaal;

51.

wijst er nogmaals op dat in artikel 14 van de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden wordt aanbevolen dat de staten die partij zijn ernaar streven ervoor zorg te dragen, voor zover mogelijk en binnen het kader van hun onderwijsstelsels, dat personen die tot nationale minderheden behoren voldoende mogelijkheden hebben om de betreffende minderheidstaal te leren of om onderwijs in die taal te krijgen, onverminderd het leren van de officiële taal of het onderwijzen in die taal;

52.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan om bij hun verdere acties passende instrumenten te creëren voor de bevordering en ondersteuning van het officiële gebruik van door nationale en ethische minderheden gesproken talen in de gebieden waar zij wonen, op lokaal of regionaal niveau, in overeenstemming met de beginselen van het FCNM en het taalhandvest, waarbij wordt gewaarborgd dat de bescherming en aanmoediging van het gebruik van regionale en minderheidstalen niet ten koste gaat van de officiële talen en de verplichting om deze te leren;

53.

betreurt het dat sommige lidstaten het taalhandvest nog niet hebben geratificeerd en dat sommige van de lidstaten die het wel hebben geratificeerd, het nog niet doelmatig ten uitvoer hebben gelegd; is teleurgesteld door het feit dat in sommige lidstaten de bestaande rechten niet worden uitgevoerd of simpelweg worden genegeerd;

54.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan er overeenkomstig internationale normen voor te zorgen dat de rechten van personen die tot nationale en ethische minderheden behoren, worden gewaarborgd en dat deze personen over adequate mogelijkheden beschikken met betrekking tot het volgen van onderwijs in een minderheidstaal en hun moedertaal, in zowel openbare als particuliere onderwijsinstellingen; moedigt de lidstaten aan passend onderwijsbeleid te formuleren en de beleidsmaatregelen uit te voeren die het best aansluiten bij de behoeften van nationale en etnische minderheden, onder andere in de vorm van specifieke onderwijsprogramma's of speciale lesprogramma's en tekstboeken; moedigt de lidstaten aan te voorzien in financiering voor de opleiding van leerkrachten om doeltreffend onderwijs in minderheidstalen te waarborgen, en de beste praktijken op het gebied van het onderwijzen van vreemde talen op te nemen in de onderwijsmethodiek voor officiële talen als het gaat om onderwijsprogramma's voor scholen die onderwijs in een minderheidstaal verzorgen; benadrukt dat de lidstaten het onderwijs van zowel de regionale taal als de minderheidstalen en de officiële taal met behulp van passende methoden moeten bevorderen;

55.

moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat degenen die een regionale of minderheidstaal als moedertaal hebben, de mogelijkheid krijgen de officiële taal naar behoren te leren, door goede praktijken van het onderwijs in buitenlandse en tweede talen op te nemen in de methodologische benadering voor het onderwijs van de officiële taal van de lidstaat;

56.

benadrukt dat personen die tot minderheden behoren ook de taal moeten leren en over de geschiedenis en cultuur moeten leren van de meerderheidsbevolking, en dat het publiek bekend moet worden gemaakt met de geschiedenis en cultuur van minderheden en de kans moet krijgen om talen van minderheden te leren;

57.

spoort de lidstaten aan de productie van handboeken te bevorderen die voldoen aan de behoeften van sprekers van regionale en minderheidstalen of, als dit onhaalbaar zou blijken, het gebruik te bevorderen van handboeken uit andere landen die in die talen zijn gepubliceerd, zulks in samenwerking met de regelgevende instanties op het gebied van onderwijs van de landen waar de betreffende talen worden gebruikt;

58.

benadrukt het belang van hoger onderwijs in de moedertaal en van de opleiding van specialisten met kennis van specifieke terminologie, met name in regio's met een grote hoeveelheid sprekers van de desbetreffende taal; wijst op de dringende noodzaak om artsen op te leiden in minderheidstalen;

59.

spoort de regeringen van de lidstaten aan vertegenwoordigers van minderheden te betrekken bij besprekingen over de organisatie van hun onderwijsstelsels;

60.

moedigt de lidstaten aan preferentiële drempels vast te stellen voor het leren van regionale of minderheidstalen, teneinde gelijkheid binnen het onderwijs te waarborgen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan het recht van tot nationale of etnische minderheden behorende personen die woonachtig zijn in gebieden met een aanzienlijk aantal tot deze minderheden behorende inwoners, met inbegrip van plattelandsgebieden of gebieden met wijd verspreide nederzettingen, om onderwijs in een minderheidstaal te krijgen, met name in hun moedertaal, te bevorderen als er voldoende vraag naar is; roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat onderwijshervormingen en -beleid het recht op onderwijs in een minderheidstaal niet beperken;

61.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan de beschikbaarheid van geïntegreerde ondersteuning op verticaal niveau voor minderheids- en regionale talen in onderwijsstelsels te bevorderen, met name door het oprichten van eenheden bij de ministeries van Onderwijs van de lidstaten en binnen de Commissie, die verantwoordelijk zijn voor de integratie van het minderheids- en regionaal taalonderwijs in de onderwijsprogramma's van scholen; spoort de lidstaten en de Commissie aan een ononderbroken leerlijn voor minderheidstalen te bevorderen, vanaf de kleuterschool tot en met het hoger onderwijs;

62.

benadrukt dat de opleiding van leerkrachten en de toegang tot tekstboeken en lesmateriaal van goede kwaliteit essentiële voorwaarden zijn voor het waarborgen van kwaliteitsonderwijs voor studenten; is van oordeel dat onderwijsprogramma's en -materiaal en geschiedenistekstboeken een eerlijk, nauwkeurig en informatief beeld moeten schetsen van de samenlevingen en culturen van minderheidsgroepen; merkt op dat het gebrek aan lesmateriaal van hoge kwaliteit en naar behoren opgeleide minderheidstaal-docenten een algemeen erkend probleem voor het minderheidstalenonderwijs is dat moet worden aangepakt; merkt op dat multidimensionaal geschiedenisonderwijs op alle scholen een vereiste zou moeten zijn, ongeacht of het minderheids- of meerderheidsgemeenschappen betreft; wijst op het belang van de ontwikkeling van lerarenopleidingen om te voldoen aan de behoeften van onderwijs op verschillende niveaus en in verschillende schoolvormen;

63.

onderstreept dat het onderwijzen van minderheidstalen bijdraagt tot wederzijds begrip tussen meerderheden en minderheden en gemeenschappen dichter bij elkaar brengt; moedigt de lidstaten aan positieve maatregelen te treffen met als doel te zorgen voor een passende vertegenwoordiging van minderheden in het onderwijs, evenals in het openbaar bestuur en bij uitvoerende agentschappen op nationaal, regionaal en gemeenteniveau;

64.

moedigt de Commissie aan programma's die gericht zijn op de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op het vlak van onderwijs in regionale en minderheidstalen in Europa meer onder de aandacht te brengen; verzoekt de EU en de Commissie meer nadruk te leggen op regionale en minderheidstalen in de volgende generatie van de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK);

65.

betreurt ten zeerste dat leerlingen die tot minderheden behoren in sommige lidstaten geen toegang hebben tot onderwijsinstellingen van de meerderheid maar op speciale scholen worden geplaatst met als argument dat zij de instructietaal onvoldoende beheersen; brengt in herinnering dat onderwijs in een minderheidstaal of het behoren tot een specifieke minderheid niet mag worden gebruikt als excuus om kinderen af te scheiden op basis van identiteit; verzoekt de lidstaten dergelijke segregatie niet toe te passen en toereikende maatregelen te nemen om deze leerlingen in staat te stellen onderwijs te volgen op reguliere scholen; moedigt de lidstaten aan te overwegen in de onderwijsprogramma's van scholen onderwerpen over fundamentele mensenrechten en in het bijzonder minderheidsrechten op te nemen als middel om culturele diversiteit en tolerantie via het onderwijs te bevorderen;

Taalrechten

66.

merkt op dat taal een essentieel aspect van culturele identiteit en de mensenrechten van minderheden is; benadrukt dat het recht op het gebruik van een minderheidstaal, zowel privé als in het openbaar en zonder discriminatie, moet worden bevorderd in gebieden met een aanzienlijk aantal personen dat tot een minderheid behoort, om ervoor te zorgen dat talen van de ene generatie op de andere kunnen worden doorgegeven, en om de taalkundige verscheidenheid in de Unie te beschermen; roept de Commissie op haar plan ter bevordering van het onderwijs in en gebruik van regionale talen te versterken, als mogelijke manier om discriminatie op basis van taal in de EU aan te pakken, en taalkundige verscheidenheid te bevorderen; herinnert eraan dat het bevorderen van kennis van minderheidstalen onder mensen die niet behoren tot de betreffende minderheid, een manier is om wederzijds begrip en wederzijdse erkenning te stimuleren;

67.

benadrukt dat het Parlement in zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie (11) nogmaals heeft benadrukt dat de Commissie aandacht moet besteden aan het feit dat sommige lidstaten en regio's er door hun beleid toe bijdragen dat de overleving van talen binnen hun grenzen in gevaar komt, ook al gaat het om talen die in de bredere Europese context niet in gevaar zijn; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de administratieve en wettelijke obstakels die het gebruik van de betreffende talen in de weg staan;

68.

merkt op dat de EU naast haar 24 officiële talen ook nog 60 andere talen herbergt, die tevens deel uitmaken van haar culturele en taalkundige erfgoed en die door 40 miljoen mensen in specifieke regio's of door specifieke groepen worden gesproken; merkt op dat de meertaligheid van de Europese Unie uniek is op het niveau van internationale organisaties; merkt op dat het beginsel van meertaligheid in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd en dat het de EU ertoe verplicht de taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen en het rijke taalkundige en culturele erfgoed van Europa te ondersteunen door het leren van talen en taalkundige verscheidenheid te bevorderen;

69.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan om, in de context van bestuurlijke autoriteiten en overheidsorganisaties, het gebruik van regionale of minderheidstalen in de praktijk toe te staan en te bevorderen, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, bijvoorbeeld in de betrekkingen tussen particulieren en organisaties enerzijds en overheidsinstanties anderzijds; moedigt de lidstaten aan om informatie en openbare diensten in deze talen beschikbaar te stellen, onder meer op internet, in gebieden met een aanzienlijk aantal tot nationale en etnische minderheden behorende inwoners;

70.

moedigt de lidstaten aan de toegang tot regionale en minderheidstalen te bevorderen door vertaling, nasynchronisatie en ondertiteling te financieren en te ondersteunen en door passende, niet-discriminerende terminologie in de administratieve, commerciële, economische, sociale, technische en juridische registers te codificeren;

71.

moedigt de gemeentelijke autoriteiten aan het gebruik van regionale en minderheidstalen in de betreffende gebieden te waarborgen; moedigt de lidstaten aan reeds op nationaal niveau bestaande goede praktijken als richtsnoeren te gebruiken;

72.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van regionale en minderheidstalen op lokaal en regionaal niveau te bevorderen; moedigt met dit in het achterhoofd de gemeentelijke autoriteiten actief aan ervoor te zorgen dat de betreffende talen in de praktijk ook worden gebezigd;

73.

spoort de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat, in gebieden met een aanzienlijk aantal tot nationale minderheden behorende inwoners, veiligheidsaanduidingen en -etikettering, belangrijke verplichte instructies en openbare aankondigingen die van belang zijn voor burgers, ongeacht of deze door de autoriteiten of de particuliere sector worden verstrekt, evenals plaatsnamen en topografische aanduidingen, in de juiste vorm worden geschreven en beschikbaar zijn in de talen die in een bepaalde regio vaak worden gebruikt, ook op borden die aangeven of men de stedelijke gebieden betreedt of verlaat en op alle andere verkeersborden met informatie;

74.

merkt op dat de visuele weergave van regionale en minderheidstalen — verkeersborden, straatnamen, de namen van bestuurlijke, openbare en commerciële instellingen enz. — van essentieel belang is voor de bevordering en bescherming van de rechten van nationale en etnische minderheden, aangezien die een afspiegeling is van en bijdraagt aan het vitale gebruik van regionale en minderheidstalen, en omdat personen die tot nationale en etnische minderheden behoren hierdoor worden aangemoedigd hun specifieke taalkundige identiteit en taalrechten te gebruiken, te behouden en te ontwikkelen, hun multi-etnische lokale identiteit te uiten en hun gevoel van betrokkenheid als leden van groepen in een lokale of regionale gemeenschap te versterken;

75.

roept de lidstaten op zich te onthouden van wetspraktijken, dan wel deze af te schaffen, die de toetreding van minderheden tot het volledige spectrum van in die lidstaat beoefende beroepen belemmeren; vraagt de lidstaten om te zorgen voor adequate toegang tot gerechtelijke en juridische diensten; benadrukt dat vertegenwoordigers van minderheden uitdrukkelijk moeten worden geïnformeerd over de op grond van het nationaal recht te volgen procedures wanneer hun rechten als tot een minderheid behorende personen zijn geschonden;

76.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan te erkennen dat elke persoon die tot een nationale minderheid behoort, het recht heeft zijn of haar achternaam (vadersnaam) en voornamen in de minderheidstaal te gebruiken, evenals het recht op officiële erkenning daarvan, ook in het kader van het vrij verkeer binnen de EU;

77.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen om de bestuurlijke en financiële obstakels weg te nemen die de taalkundige verscheidenheid op Europees en nationaal niveau alsook de uitoefening en tenuitvoerlegging van taalrechten van personen die tot nationale en etnische minderheden behoren, kunnen belemmeren; dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan alle discriminerende taalpraktijken;

Conclusie

78.

verzoekt de Commissie een gemeenschappelijk kader van EU-minimumnormen voor de bescherming van minderheden uit te werken; beveelt aan dat dit kader meetbare mijlpalen met regelmatige rapportage bevat en ten minste uit het volgende bestaat:

het opstellen van richtsnoeren waarin goede praktijken in de lidstaten worden weerspiegeld, in samenwerking met verschillende belanghebbenden die betrokken zijn bij de bescherming van de rechten van minderheden;

een aanbeveling van de Commissie, waarbij rekening moet worden gehouden met bestaande nationale maatregelen, subsidiariteit en evenredigheid;

een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn, dat moet worden opgesteld na een gedegen effectbeoordeling, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals die van toepassing zijn in de lidstaten en gebaseerd op bovengenoemde punten, over minimumnormen voor minderheden in de EU, met inbegrip van duidelijke ijkpunten en sancties;

79.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het kader gegevensverzameling en op veldwerk gebaseerde, financiële en kwaliteitsgerichte toezichts- en rapportagemethoden omvat, aangezien die elementen effectief, wetenschappelijk onderbouwd beleid versterken en kunnen bijdragen aan verbetering van de effectiviteit van de strategieën, acties en maatregelen;

o

o o

80.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de OVSE, de OESO, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

(1)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0032.

(3)  PB C 346 van 27.9.2018, blz. 171.

(4)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(5)  PB C 238 van 6.7.2018, blz. 2.

(6)  PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.

(7)  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.

(8)  PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 405.

(9)  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.

(10)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

(11)  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/27


P8_TA(2018)0448

Digitalisering voor ontwikkeling: armoede terugdringen via technologie

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over digitalisering voor ontwikkeling: vermindering van armoede door technologie (2018/2083(INI))

(2020/C 363/04)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 208, 209, 210, 211 en 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld “Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”, alsmede de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

gezien de in mei 2017 aangenomen Europese consensus inzake ontwikkeling “Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst” (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld “Handel voor iedereen. Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 mei 2017 getiteld "Digital4Development: mainstreaming digital technologies and services into EU Development Policy’ (SWD(2017)0157),

gezien de in mei 2015 aangenomen Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (DSM),

gezien het Europees plan voor externe investeringen,

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid “Handel voor iedereen. Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden” (COM(2017)0491),

gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld “Naar een digitale handelsstrategie” (2),

gezien zijn resolutie van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp (3),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2014 getiteld “Een sterkere rol voor de particuliere sector bij het streven naar inclusieve en duurzame groei in ontwikkelingslanden” (COM(2014)0263),

gezien de conclusies van de Raad van november 2017 over “Digital for Development”,

gezien de van 10 tot en met 13 december 2017 in Buenos Aires, Argentinië, gehouden elfde ministeriële conferentie van de WTO,

gezien de initiatieven van de Internationale Telecommunicatie-unie van de VN ter ondersteuning van ontwikkelingslanden (ITU-D),

gezien de Informatietechnologieovereenkomst (ITA) van de WTO,

gezien de in 2016 in Cancún afgelegde ministeriële verklaring van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) over de digitale economie,

gezien de tijdens hun bijeenkomst in Takamatsu, Japan, op 29 en 30 april 2016 overeengekomen gezamenlijke verklaring van de ICT-ministers van de G7,

gezien het initiatief “eTrade for All” van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD),

gezien het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap, en het facultatief protocol daarbij (A/RES/61/106),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0338/2018),

A.

overwegende dat in de Europese consensus over ontwikkeling van 2017 wordt benadrukt dat informatie- en communicatietechnologieën en -diensten belangrijke katalysatoren zijn voor inclusieve groei en duurzame ontwikkeling;

B.

overwegende dat de “Digital for Development”-strategie (“D4D”) van de Commissie betrekking heeft op economische groei en mensenrechten, gezondheid, onderwijs, landbouw en voedselzekerheid, basisinfrastructuur, water en sanitaire voorzieningen, bestuur, sociale bescherming en horizontale doelstellingen op het gebied van gender en het milieu;

C.

overwegende dat digitale technologieën het potentieel hebben om duurzaamheid en milieubescherming te waarborgen; overwegende, echter, dat voor de productie van digitale apparatuur gebruik gemaakt wordt van zeldzame metalen die moeilijk te recyclen zijn en waarvan de toegankelijke voorraden beperkt zijn, en dat elektronisch en elektrisch afval een milieu- en gezondheidsuitdaging vormt; overwegende dat volgens een gezamenlijke studie van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en Interpol (4), afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) een belangrijke plaats inneemt binnen de milieucriminaliteit;

D.

overwegende dat volgens de update van 2017 van “Identification for Development Global Dataset” (ID4D), een databank van de Wereldbank, naar schatting 1,1 miljard mensen wereldwijd hun identiteit niet officieel, onder andere via een geboortebewijs, kunnen aantonen, en dat 78 % van deze groep in Sub-Sahara-Afrika of Azië woont; overwegende dat dit een belangrijk obstakel is om doelstelling 16.9 van de SDG's te halen, maar ook om actief deel te nemen aan de digitale wereld en er voordeel uit te halen;

E.

overwegende dat in vijf van de SDG's digitale technologieën uitdrukkelijk worden genoemd (SDG 4 inzake onderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid, SDG 8 inzake fatsoenlijk werk en economische groei, SDG 9 inzake infrastructuur, industrialisering en innovatie, en SDG 17 inzake partnerschap);

F.

overwegende dat in de SDG's wordt onderstreept dat het voor het bevorderen van de ontwikkeling in de minst ontwikkelde landen van cruciaal belang is dat de bevolking vóór 2020 de beschikking krijgt over algemeen toegankelijk en betaalbaar internet, aangezien de ontwikkeling van een digitale economie een aanjager zou kunnen zijn van fatsoenlijke werkgelegenheid en inclusieve groei, exportvolumes en exportdiversificatie;

G.

overwegende dat digitalisering volgens UNCTAD almaar meer leidt tot monopolies en nieuwe uitdagingen creëert voor het antitrust- en mededingingsbeleid van zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden (5);

H.

overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN in haar globale evaluatie van de tenuitvoerlegging van de uitkomsten van de wereldtop over de informatiemaatschappij (6) heeft aangegeven de mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologieën te zullen inzetten voor het bewerkstelligen van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en andere internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen, waarbij ze opmerkte dat ICT bij alle 17 SDG's de vooruitgang zou kunnen versnellen;

I.

overwegende dat connectiviteit nog altijd een uitdaging en zorg is die aan de basis ligt van verschillende digitale kloven, zowel wat toegang tot als het gebruik van ICT betreft;

J.

overwegende dat de snelheid waarmee de digitale economie zich ontwikkelt en de aanzienlijke verschillen die er bestaan in ontwikkelingslanden op het gebied van digitale economie voor wat betreft de voorziening van veilig nationaal beleid, regelgeving en consumentenbescherming, accentueren dat er met spoed meer capaciteit moet worden opgebouwd in, en meer technische bijstand moet worden geboden aan ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen;

K.

overwegende dat voor sociale en persoonlijke verbetering en vooruitgang, alsook voor de bevordering van ondernemerschap en de opbouw van sterke digitale economieën digitale geletterdheid en vaardigheden onontbeerlijk zijn;

L.

overwegende dat middels digitalisering tevens de verstrekking van humanitaire hulp, opbouw van weerbaarheid, rampenrisicovermindering en overgangssteun kan worden verbeterd, door humanitaire hulp en ontwikkelingshulp in kwetsbare en door conflicten getroffen omgevingen met elkaar te verbinden;

M.

overwegende dat meer dan de helft van de wereldbevolking nog altijd geen internettoegang heeft, en er maar langzaam vooruitgang wordt geboekt bij het bereiken van de doelstelling onder SDG 9 om de toegang tot informatie- en communicatietechnologieën aanzienlijk te vergroten en te streven naar universele en betaalbare internettoegang in de minst ontwikkelde landen in 2020;

N.

overwegende dat over de hele wereld het gebruik van mobiele diensten op dit moment enorm toeneemt en het aantal gebruikers van mobiele telefoons nu hoger is dan het aantal mensen dat toegang heeft tot elektriciteit, sanitaire voorzieningen of schoon water;

O.

overwegende dat humanitaire innovatie in overeenstemming moet zijn met de humanitaire beginselen (menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid) en met het waardigheidsbeginsel;

P.

overwegende dat humanitaire innovatie tot doel moet hebben de rechten, waardigheid en capaciteiten van de ontvangende bevolking te bevorderen en dat alle leden van een door crisis getroffen gemeenschap van de innovatie moeten kunnen profiteren zonder enige discriminatoire belemmeringen;

Q.

overwegende dat risicobeoordeling en -beperking ingezet moeten worden om onopzettelijke schade, ook op het gebied van persoonlijke levenssfeer, gegevensbeveiliging en impact op lokale economieën te voorkomen;

R.

overwegende dat experimenten, proefprojecten en beproevingen in overeenstemming met internationaal erkende ethische normen moeten worden uitgevoerd;

De noodzaak om digitalisering in ontwikkelingslanden te ondersteunen

1.

verwelkomt de D4D-strategie van de Commissie, in zoverre deze strategie digitale technologieën integreert in het ontwikkelingsbeleid van de EU teneinde bij te dragen aan het bewerkstelligen van de SDG's; beklemtoont dat digitalisering waarbij de SDG's centraal worden gesteld, moet worden gestimuleerd; wijst erop dat de digitale revolutie samenlevingen voor allerlei nieuwe uitdagingen plaatst en zowel risico's als kansen met zich meebrengt;

2.

wijst nogmaals op het enorme potentieel van digitale technologie en diensten voor het bereiken van de SDG's, op voorwaarde dat maatregelen worden genomen om de ontwrichtende effecten van technologie tegen te gaan, zoals de automatisering van banen en de gevolgen daarvan voor inzetbaarheid, digitale uitsluiting en ongelijkheid, cyberveiligheid, bescherming van persoonsgegevens en regelgevingskwesties; herinnert eraan dat een digitale strategie altijd volledig in lijn moet zijn met en moet bijdragen aan de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot SDG 4 inzake kwaliteitsonderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes, SDG 8 inzake fatsoenlijk werk en economische groei, en SDG 9 inzake industrie, innovatie en infrastructuur; herinnert eraan dat een sterker wereldwijd, nationaal, regionaal en lokaal partnerschap nodig is tussen gouvernementele, wetenschappelijke, economische en maatschappelijke actoren willen we de SDG's voor 2030 bewerkstelligen;

3.

wijst erop dat ondanks de ruimere dekking van het internet vele ontwikkelingslanden en opkomende economieën nog een achterstand hebben in het benutten van de digitalisering, vele mensen nog geen toegang tot ICT hebben, en er grote ongelijkheden bestaan tussen landen en tussen stedelijke en plattelandsgebieden; herinnert eraan dat digitale technologie een instrument blijft en geen doel op zich is; is van oordeel dat, gezien de financiële beperkingen, prioriteit moet worden gegeven aan de meest doeltreffende manieren om de SDG's te verwezenlijken, en dat het in sommige landen, ook al kan digitalisering er nuttig zijn, nog steeds nodig is om de invulling van menselijke basisbehoeften te verzekeren, met name wat betreft toegang tot voedsel, energie, water en sanitaire voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg, als onderstreept in het VN-verslag over de SDG's van 2017; is echter van mening dat in het ontwerp van infrastructuur van meet af aan ruimte moet worden voorzien voor digitale ontwikkeling, ook al wordt deze pas in een latere fase gerealiseerd;

4.

wijst erop dat een strategie voor digitale handel altijd volledig in lijn moet zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), dat van essentieel belang is om de SDG's te bewerkstelligen; onderstreept dat toegang tot internetconnectiviteit en betrouwbare digitale betaalmethoden die voldoen aan de internationale normen, aan de wetgeving inzake consumentenbescherming bij de onlineaankoop van goederen en diensten, aan de intellectuele-eigendomsrechten, aan regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de voor digitale handel geldende douane- en belastingwetgeving, essentieel zijn om digitale handel, duurzame ontwikkeling en inclusieve groei mogelijk te maken; wijst in dit verband op het potentieel van de handelsfacilitatieovereenkomst om digitale initiatieven in ontwikkelingslanden ter bevordering van grensoverschrijdende handel te ondersteunen;

5.

vraagt dat er een actieplan wordt opgezet voor technische innovatie bij humanitaire hulp om overeenstemming te waarborgen met de juridische en ethische beginselen die zijn vastgelegd in documenten zoals de nieuwe Europese consensus over ontwikkeling — “Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst” en “Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”;

6.

benadrukt dat alle aspecten van humanitaire innovatie moeten worden geëvalueerd en gemonitord, met inbegrip van een beoordeling van de primaire en secundaire gevolgen van het innovatieproces; merkt op dat er voor de start van projecten op het gebied van humanitaire innovatie en digitalisering ethische evaluaties en risicobeoordelingen moeten worden uitgevoerd, en dat daarbij waar mogelijk externe deskundigen of deskundigen van derde partijen betrokken moeten worden;

7.

vraagt dat bij het extern optreden van de EU de beginselen uit de Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa worden toegepast door de regelgevingskaders van de EU-partners te ondersteunen;

8.

roept op tot beschikbaarstelling van voldoende middelen in het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 om integratie van digitale technologieën in alle aspecten van ontwikkelingsbeleid mogelijk te maken;

9.

stelt vast dat ontwikkelingslanden er bij nieuwe digitale technologie vaak niet snel genoeg in slagen overheidsinstellingen, regelgeving en andere mechanismen te creëren die de daaraan verbonden nieuwe uitdagingen, met name op het gebied van cyberveiligheid, kunnen helpen beheersen; beklemtoont dat de samenwerking tussen onderzoekers en innovatoren op interregionaal niveau moet worden verdiept en dat onderzoek en ontwikkeling ter bevordering van wetenschappelijke vooruitgang en kennis- en technologieoverdracht moeten worden gestimuleerd; roept ertoe op digitalisering, gezien het belang ervan voor inclusieve en duurzame ontwikkeling, een prominente rol toe te kennen in de toekomstige opvolger van de Overeenkomst van Cotonou overeenkomstig de onderhandelingsrichtsnoeren;

10.

roept op tot verdere gezamenlijke samenwerkingsacties voor digitale infrastructuur, aangezien dit een van de belangrijkste activiteiten binnen de partnerschappen tussen de EU en regionale organisaties, met name de Afrikaanse Unie, moet worden; wijst op het belang van technische bijstand en overdracht van expertise aan instellingen die een digitaal beleid op nationaal, regionaal en continentaal niveau aan het uitwerken zijn;

11.

vraagt dat digitalisering wordt opgenomen in de nationale ontwikkelingsstrategieën van de lidstaten;

12.

roept op tot meer gezamenlijke en holistische horizontale inspanningen van de internationale gemeenschap, met inbegrip van niet-overheidsactoren zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de derde sector, particuliere ondernemingen en academici, om te verzekeren dat bij de verschuiving naar een meer digitale economie niemand wordt buitengesloten, de VN-agenda voor duurzame ontwikkeling verder wordt verwezenlijkt, alle economische actoren en burgers toegang hebben tot digitale technologieën en diensten, en sterk uiteenlopende benaderingen met onverenigbaarheden, overlappingen of lacunes in de wetgevingen tot gevolg te vermijden; roept op tot een betere politieke koppeling tussen de EU, de lidstaten en andere relevante actoren, met het oog op meer coördinatie, complementariteit en synergie;

13.

wijst erop dat technologie, kunstmatige intelligentie en automatisering nu al een groot aantal laag- en middengeschoolde banen overbodig hebben gemaakt; vraagt de Commissie een digitalisering waarbij de SDG's centraal staan aan te moedigen, en benadrukt dat door de overheid gefinancierde socialebeschermingsniveaus essentieel zijn voor de aanpak van enkele van de ontwrichtende gevolgen van nieuwe technologieën, om de grote verschuivingen op de mondiale arbeidsmarkten en in de internationale arbeidsverdeling, waarvan vooral laaggeschoolde arbeiders in ontwikkelingslanden het slachtoffer worden, te ondervangen;

14.

verzoekt de particuliere sector op een verantwoorde manier aan D4D bij te dragen met technologie en innovatie, deskundigheid, investeringen, risicobeheer, duurzame bedrijfsmodellen en groei, en daarbij aandacht te hebben voor de voorkoming en beperking van het gebruik van grondstoffen, alsook hun reparatie, recycling en hergebruik;

15.

betreurt dat minder dan de helft van alle ontwikkelingslanden over gegevensbeschermingswetgeving beschikt; spoort de EU aan om, met name vanuit haar ervaring en eigen wetgeving, die internationaal wordt erkend als een model ter zake, aan de betrokken overheden technische bijstand te verlenen om dergelijke wetgeving op te stellen; benadrukt dat rekening gehouden moet worden met de kosten die met name kmo's kunnen hebben om zich in regel te stellen met deze wetgevingen; wijst erop dat, gezien de grensoverschrijdende aard van digitalisering, moet worden vermeden dat de gegevensbeschermingswetgevingen te veel verschillen vertonen en dus niet compatibel zijn;

16.

roept alle belanghebbenden op tot de verzameling, verwerking, analyse en verspreiding van gegevens en statistieken op lokaal, regionaal, landelijk en mondiaal niveau om een hoog niveau van gegevensbescherming overeenkomstig de relevante internationale normen en instrumenten te verzekeren, teneinde de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling te kunnen uitvoeren; merkt op dat een tijdige en nauwkeurige verzameling van gegevens een goede monitoring van de tenuitvoerlegging mogelijk maakt, alsook aanpassingen van het beleid en interventies waar nodig, en evaluatie van de behaalde resultaten en hun effect; wijst er echter op dat, hoewel het dankzij de “gegevensrevolutie” gemakkelijker, sneller en goedkoper is geworden om gegevens uit uiteenlopende bronnen te produceren en te analyseren, er ook enorme veiligheids- en privacy-uitdagingen zijn ontstaan; beklemtoont daarom dat innovaties inzake gegevensverzameling in de ontwikkelingslanden de officiële statistieken niet kunnen vervangen maar er een aanvulling op vormen;

17.

betreurt het feit dat in alle landen digitale kloven blijven bestaan op basis van gender, locatie, leeftijd, inkomen, etnische afkomst, gezondheid of handicap en andere factoren van discriminatie; dringt er daarom op aan dat in de internationale ontwikkelingssamenwerking gestreefd wordt naar grotere vooruitgang en een betere inclusie van persoon die zich in een benadeelde of kwetsbare situatie bevinden, en dat tegelijk wordt geijverd voor een verantwoord gebruik van digitale middelen en een voldoende groot bewustzijn van de mogelijke risico's; roept op om innovatie op maat van de plaatselijke behoeften en de overgang naar kenniseconomieën te ondersteunen;

18.

roept daarom op tot vergroting van de inspanningen voor de aanpak van de uitdagingen van digitale uitsluiting middels onderwijs en opleiding op het gebied van essentiële digitale vaardigheden, alsook initiatieven ter bevordering van ICT-gebruik en het gebruik van digitale instrumenten in de tenuitvoerlegging van participatieve methodologieën, rekening houdend met leeftijd, persoonlijke situatie en achtergrond, ook voor ouderen en personen met een handicap; merkt op dat de internationale ontwikkelingssamenwerking gebruik zou kunnen maken van digitale technologieën voor een betere inclusie van benadeelde groepen mits zij toegang hebben tot digitale technologieën; is opgetogen over initiatieven zoals de “Africa Code Week”, die de positie van de jonge Afrikanen helpt versterken door in te zetten op digitale geletterdheid; wijst op het belang van e-leren en afstandsonderwijs om afgelegen gebieden en mensen van alle leeftijden te bereiken;

19.

roept ertoe op in ontwikkelingslanden digitale geletterdheid op te nemen in de leerprogramma's op alle onderwijsniveaus, van de lagere school tot de universiteit, zodat vaardigheden kunnen worden verworven die nodig zijn voor een betere toegang tot informatie; is evenwel van oordeel dat ICT-instrumenten en nieuwe technologieën geen vervanging mogen zijn van echte leerkrachten en scholen, maar gebruikt moeten worden als een middel om de toegang tot onderwijs en de kwaliteit ervan te verbeteren; benadrukt dat nieuwe technologieën een belangrijk instrument voor de verspreiding van kennis, de opleiding van leerkrachten en het beheer van onderwijsinstellingen zijn; beklemtoont ook dat er meer lokale centra voor meer gespecialiseerd onderwijs (waaronder programmeerscholen) moeten worden opgericht, om ontwikkelaars op te leiden en de ontwikkeling van informatica-oplossingen en digitale toepassingen die zijn afgestemd op de plaatselijke realiteit en behoeften te stimuleren;

20.

benadrukt dat om de digitale kloof te dichten de aanwezigheid en toegankelijkheid van een betaalbare, betrouwbare en veilige infrastructuur met een adequate dekking van hoge kwaliteit, in het bijzonder in landelijke en afgelegen gebieden, onontbeerlijk is; merkt op dat een beperkte connectiviteit in de meeste gevallen te wijten is aan armoede en een gebrek aan essentiële diensten, samen met onderontwikkelde landlijnnetwerken, gebrek aan faciliterend overheidsbeleid en regelgevingskaders, hoge belastingen op digitale producten en diensten, weinig marktconcurrentie en/of het ontbreken van een energienet;

21.

uit zijn bezorgdheid over de technologische afhankelijkheid van een klein aantal spelers, en vooral van GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon) en vraagt dat alternatieven ontwikkeld worden om concurrentie te bevorderen; merkt op dat de EU en Afrika een partnerschap zouden kunnen aangaan om die ambitie te realiseren;

22.

herinnert eraan dat de ontwikkelingslanden verre van immuun zijn voor cyberaanvallen en onderstreept het risico op verstoring van de economische, politieke en democratische stabiliteit als de digitale veiligheid niet gewaarborgd is; verzoekt alle belanghebbenden in de digitaal verbonden wereld actief verantwoordelijkheid te nemen voor het vergroten van de bewustwording en kennis op het gebied van cyberveiligheid door concrete initiatieven op te zetten; wijst er in dit verband op dat menselijk kapitaal op alle niveaus moet worden ontwikkeld om de gevaren voor de cyberveiligheid door opleiding, onderwijs en bewustmaking te verminderen, dat passende strafrechtelijke en transnationale kaders moeten worden opgezet om cybercriminaliteit te bestrijden, en dat actief moet worden deelgenomen aan internationale fora zoals het wereldforum inzake digitale beveiliging van de OESO;

23.

wijst op de mogelijkheden die digitalisering biedt om het verschil in sociale inclusie, toegang tot informatie en economisch isolement in de perifere regio's te verkleinen;

Digitalisering: instrument voor duurzame ontwikkeling

24.

is ingenomen met het plan voor externe investeringen van de EU waarmee investeringen in innovatieve digitale oplossingen voor lokale behoeften, financiële inclusie en fatsoenlijke werkgelegenheid worden bevorderd; wijst erop dat digitalisering een belangrijke investeringsmogelijkheid vormt en dat blending op basis van samenwerking met Europese en internationale financiële instellingen en de particuliere sector dan ook een belangrijk instrument zou zijn in de ontsluiting van financiële middelen;

25.

verzoekt de Commissie met nieuwe initiatieven te komen met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen van digitale infrastructuur, stimuleren van e-governance en digitale vaardigheden, versterken van de digitale economie en bevorderen van ecosystemen voor startende bedrijven, en met een centrale rol voor de SDG's, met inbegrip van financieringsmogelijkheden voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, waardoor zij in staat worden gesteld op digitale wijze te communiceren met multinationale ondernemingen en toegang te krijgen tot mondiale waardeketens;

26.

roept de Commissie op digitale technologieën en diensten te blijven mainstreamen in het ontwikkelingsbeleid van de EU, zoals beschreven in onder andere de D4D-agenda; benadrukt dat het gebruik van digitale technologieën in specifieke beleidsdomeinen, waaronder e-governance, landbouw, onderwijs, waterbeheer, gezondheid en energie, bevorderd moet worden;

27.

verzoekt de Commissie de investeringen in digitale infrastructuur in ontwikkelingslanden uit te breiden om de aanzienlijke digitale kloof te dichten op een op beginselen gebaseerde en ontwikkelingsbevorderende manier;

28.

herinnert eraan dat in ontwikkelingslanden micro-, kleine en middelgrote ondernemingen het grootste deel van de bedrijven uitmaken en de meeste werknemers in de productie- en de dienstensector bij deze bedrijven in dienst zijn; herinnert eraan dat het vereenvoudigen van goed gereguleerde grensoverschrijdende elektronische handel een directe invloed zal hebben op verbetering van de levensomstandigheden, bevordering van de werkgelegenheid en een hogere levensstandaard en stimulering van de economische ontwikkeling; herhaalt dat dergelijke inspanningen een bijdrage zouden leveren aan gendergelijkheid, aangezien een groot aantal van dergelijke bedrijven eigendom is van vrouwen en door vrouwen wordt gerund; benadrukt dat de juridische, administratieve en sociale belemmeringen voor ondernemerschap moeten worden weggewerkt, in het bijzonder voor vrouwen; dringt erop aan dat digitalisering ook wordt gebruikt om onderwijs en capaciteitsopbouw voor ondernemerschap in ontwikkelingslanden te bevorderen en een gunstig klimaat te scheppen voor startende ondernemingen en innovatieve bedrijven;

29.

benadrukt dat een halt moet worden toegeroepen aan de handel in mineralen waarvan de opbrengst voor gewapende conflicten wordt gebruikt of die door dwangarbeiders worden ontgonnen; herinnert eraan dat coltan een belangrijke grondstof is voor de meeste elektronische apparaten (bijvoorbeeld smartphones) en dat de burgeroorlog die ten gevolge van zijn winning, ontginning en illegale handel in het Grote Merengebied in Afrika en met name in de Democratische Republiek Congo, is uitgebroken, al meer dan 8 miljoen slachtoffers heeft geëist; dringt aan op de beëindiging van de uitbuiting van minderjarigen in de coltanmijnen en van de illegale handel in coltan, ten gunste van een correcte winning waarvan de opbrengsten ten goede komen aan de plaatselijke bevolking;

30.

wijst erop dat digitale technologieën mogelijke voordelen kunnen bieden aan de grootste sector van de economie in Afrika, de landbouw; benadrukt dat digitale platforms in ontwikkelingslanden kunnen worden gebruikt om landbouwers te informeren over marktprijzen en hen in contact te brengen met potentiële kopers, en hun praktische informatie kunnen bieden over groeimethoden en marktontwikkelingen, weergegevens en waarschuwingen en adviezen betreffende planten- en dierenziekten; wijst er echter op dat in een wereld waarin de landbouw almaar kennisintensiever en hightech wordt, digitale landbouw in ontwikkelingslanden ook enorme ontwrichtende gevolgen kan hebben op sociaal en milieugebied, omdat misschien alleen grote en geïndustrialiseerde landbouwbedrijven, die op de exportmarkt en in commerciële teelten actief zijn, toegang zullen hebben tot de meest recente technologie en de kleinschalige landbouw door beperkte kennis en vaardigheden nog verder gemarginaliseerd kan raken;

31.

dringt erop aan de EU-financiering voor landbouw in ontwikkelingslanden af te stemmen op de transformatieve aard van Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, en bijgevolg ook op de conclusies van de internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD) en de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel; benadrukt dat dit inhoudt dat ter bevordering van lokale voedselsystemen en kleinschalige landbouw moet worden ingezien dat de landbouw een multifunctioneel karakter heeft, en dat er snel een overstap moet worden gemaakt van een op het gebruik van chemische middelen gebaseerde monocultuur naar op agro-ecologische landbouwmethoden gebaseerde, gediversifieerde, duurzame landbouw, ter bevordering van lokale voedselsystemen en kleinschalige landbouw;

32.

wijst erop dat ICT-middelen kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van informatie die cruciaal kan zijn in het geval van zowel natuurrampen als door technologie veroorzaakte rampen en noodsituaties, alsook in kwetsbare en door conflicten getroffen gebieden; benadrukt dat digitale technologieën gemeenschappen met lage inkomens en andere kwetsbare gemeenschappen toegang kunnen geven tot basisvoorzieningen van goede kwaliteit (zoals gezondheidszorg, onderwijs, water, sanitaire voorzieningen en elektriciteit), evenals tot humanitaire hulp en andere publieke en particuliere diensten; wijst op het belang van de bestrijding van desinformatie online (fake news) en benadrukt dat er als reactie op deze uitdagingen specifieke programma's voor mediageletterdheid moeten komen;

33.

onderstreept dat technologische innovatie in humanitaire bijstand, vooral in het geval van gedwongen verhuizingen, prioriteit heeft met het oog op duurzame oplossingen die mensen stabiliteit en waardigheid in hun leven brengen, en de koppeling tussen humanitaire hulp en ontwikkeling kan ondersteunen; is ingenomen met wereldwijde initiatieven ter bevordering van humanitaire innovatie, zoals de Global Alliance for Humanitarian Innovation (GAHI), het Humanitarian Innovation Fund (HIF) en Global Pulse van de VN, en roept de EU op het gebruik van open gegevens te stimuleren en ruime ondersteuning te bieden aan de wereldwijde gemeenschappen van softwareontwikkelaars en -programmeurs die praktische opensourcetechnologie bouwen met het oog op oplossingen voor internationale ontwikkelings- en humanitaire problemen;

34.

benadrukt dat arme en geïsoleerde gemeenschappen en personen met een beperking middels digitale technologieën zoals sms en mobieletelefoonapps de beschikking kunnen krijgen over nieuwe instrumenten voor het rondsturen van belangrijke informatie; wijst op het potentieel van mobieletelefoontechnologie, die voordelen kan bieden zoals lagere toegangskosten dankzij een uitgebreidere netwerkdekking, gebruiksvriendelijkheid en lagere kosten voor telefoongesprekken en sms berichten; wijst er echter ook op dat mobiele telefoontoestellen gezondheids- en milieurisico's inhouden, met name door de ontginning van mineralen en de toename van het elektronisch en elektrisch afval; beklemtoont dat digitalisering de democratie zowel kan versterken als ondermijnen, en vraagt de EU om grondig na te denken over deze risico’s om misbruik van digitale technologieën te voorkomen bij de bevordering van het gebruik van technologische innovatie in de ontwikkelingshulp, en om het gebruik van internetgovernance te stimuleren;

35.

onderstreept dat een duurzaam ecosysteem voor de digitale economie gecreëerd moet worden om de ecologische impact van de digitalisering te beperken door een efficiënt gebruik van hulpbronnen te ontwikkelen in zowel de digitale als de energiesector, met name door prioriteit te geven aan de circulaire economie; vraagt om in het plan voor externe investeringen (EIP) producentenverantwoordelijkheid te ondersteunen, met name door kmo's te steunen die activiteiten ontwikkelen op het gebied van hergebruik, reparatie en renovatie, en die terugnameregelingen opnemen in hun zakelijke activiteiten met het oog op de verwijdering van gevaarlijke onderdelen in elektrische en elektronische apparatuur; vraagt om het consumentenbewustzijn over de milieueffecten van elektronische toestellen te versterken en de producentenverantwoordelijkheid in de productie van elektrische en elektronische apparaten effectief aan te pakken; beklemtoont evenzeer dat statistieken over elektronisch afval en nationale beleidsmaatregelen inzake elektronisch en elektrisch afval (“e-afval)” in de ontwikkelingslanden moeten worden ondersteund om de productie van e-afval zo klein mogelijk te houden, illegale dumping en verkeerde verwerking van e-afval te voorkomen, recycling aan te moedigen en banen te creëren in de renovatie- en recyclingsector;

36.

erkent dat digitale technologieën voor de energiesector innovatieve instrumenten zijn om het hulpmiddelengebruik te optimaliseren; wijst er echter op dat digitale technologieën een aanzienlijke ecologische voetafdruk hebben omdat ze gebruikmaken van energie (de CO2-emissies van digitale technologie worden geraamd op 2-5 % van de totale emissies) en metalen (zoals zilver, kobalt, koper en tantaal), wat vragen oproept omtrent hun duurzaamheid op lange termijn; wijst er nogmaals op dat een verschuiving in de productie- en consumptiepatronen noodzakelijk is om de klimaatverandering tegen te gaan;

37.

erkent de rol die digitale technologie kan spelen bij het bevorderen van de democratie en burgerparticipatie bij besluitvorming;

38.

benadrukt dat er informatieve digitale overheidsplatformen moeten worden opgezet en gebruikt die de burgers beter in staat stellen ten volle op de hoogte te zijn van hun rechten, alsook van de diensten die de overheid de burgers biedt;

39.

wijst erop dat elektronische overheidstoepassingen snellere en goedkopere toegang tot openbare diensten mogelijk maken, zorgen voor een hogere consistentie en meer tevredenheid bij burgers, de samenhang en activiteiten van het maatschappelijk middenveld bevorderen, en zorgen voor meer transparantie, waardoor sterk wordt bijgedragen aan de bevordering van democratisering en de bestrijding van corruptie; wijst op het cruciale belang van technologie en digitalisering voor een doeltreffend fiscaal beleid en een effectieve belastingdienst, waardoor binnenlandse middelen beter kunnen worden gemobiliseerd en belastingontduiking en fiscale fraude beter kunnen worden bestreden; benadrukt dat het noodzakelijk is om veilige digitale identiteiten te creëren, zodat eenvoudiger kan worden vastgesteld hoeveel mensen behoefte hebben aan bepaalde basisdiensten;

40.

spoort ertoe aan de mogelijkheden van digitale technologie te benutten om de officiële geboorte-, overlijdens- en huwelijksregistratie te verbeteren; beklemtoont dat er volgens ramingen van UNICEF in Sub-Sahara-Afrika alleen al 95 miljoen zogenaamde “spookkinderen” zijn (7) van wie de geboorte niet is aangegeven en die dus niet over een geboorteakte beschikken, waardoor zij juridisch niet worden erkend en daarmee samenhangend vanaf de geboorte en als volwassene sociaal niet bestaan, waardoor de nationale demografische gegevens niet kloppen, wat aanzienlijke gevolgen heeft bij de beoordeling van de behoeften van de bevolking, met name op het gebied van toegang tot onderwijs of gezondheidszorg;

41.

erkent de centrale rol van digitale technologie in het beheer van gezondheidsvoorzieningen, noodrespons bij epidemieën, de verspreiding van voorlichtingscampagnes over volksgezondheid, de openbare toegang tot gezondheidsvoorzieningen en de opleiding van gezondheidsmedewerkers, de ondersteuning en bevordering van basisonderzoek en de ontwikkeling van gezondheids- en e-gezondheidsinformatiediensten; verzoekt beleidsmakers dan ook beleids- en regelgevingskaders op te stellen waarmee e-gezondheidsprojecten kunnen worden opgeschaald; verzoekt de Commissie te voorzien in de hiervoor vereiste financiële middelen;

42.

is opgetogen over het onlineprogramma “DEVCO Academy” dat onlineopleidingen biedt voor EU-partners; roept op om meer opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor plaatselijke verantwoordelijken en om procedures op te zetten voor het aanvragen voor EU-subsidies zodat deze partners een beter inzicht krijgen in de verwachtingen, doelstellingen en voorwaarden en zo een grotere kans maken dat hun projecten worden aanvaard; beklemtoont dat dergelijke initiatieven, op voorwaarde dat ze gemakkelijk toegankelijk, doeltreffend en ter zake doend zijn, een positieve impact zouden hebben op de opname van steun en op het imago van de EU bij haar partners;

o

o o

43.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor Extern Optreden.

(1)  PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.

(2)  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 22.

(3)  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 106.

(4)  Studie van UNEP en Interpol, “The Rise of Environmental Crime: a growing Threat to Natural Resources, Peace, Development and Security”, 2016.

(5)  UNCTAD, “South-South Digital Cooperation for Industrialisation: A Regional Integration Agenda”, 2017.

(6)  Algemene vergadering van de VN, GA/RES/70/125.

(7)  https://www.unicef.org/reports/state-worlds-children-2016


Dinsdag 14 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/36


P8_TA(2018)0451

Wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over wapenuitvoer: uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (2018/2157(INI))

(2020/C 363/05)

Het Europees Parlement,

gezien de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde beginselen, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, de handhaving van de vrede, de voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale veiligheid,

gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (1) (“het gemeenschappelijk standpunt”),

gezien het negentiende jaarverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt (2),

gezien Besluit nr. 101/2309/GBVB van de Raad van 22 januari 2018 betreffende het bevorderen van doeltreffende controle op de wapenuitvoer (3) en Besluit nr. 915/915/GBVB van de Raad van 29 mei 2017 over activiteiten van de Unie ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag (4),

gezien de bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen die op 26 februari 2018 door de Raad is goedgekeurd (5),

gezien de gids voor de gebruiker bij het Gemeenschappelijk Standpunt tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,

gezien het Wassenaar Arrangement van 12 mei 1996 betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede de in 2017 bijgewerkte lijsten van deze goederen en technologieën en munitie (6),

gezien het strategisch EU-kader en EU-actieplan voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012, en met name resultaat 11, onder e), van het actieplan, en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) van 20 juli 2015, en met name doelstelling 21, onder d),

gezien het Wapenhandelsverdrag (WHV), dat op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangenomen (7) en op 24 december 2014 in werking is getreden,

gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (8),

gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (9), als gewijzigd in Verordening (EU) nr. 599/2014 van 16 april 2014, en de lijst van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik in bijlage I (“verordening tweeërlei gebruik”),

gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, met name doelstelling 16 ter bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,

gezien de agenda voor ontwapening van de Verenigde Naties, getiteld “Securing our common future”,

gezien Verordening (EU) 2016/2134 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (10),

gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN aan de Mensenrechtenraad over het effect van wapenleveringen op het genot van mensenrechten (11),

gezien zijn eerdere resoluties over deze kwestie, met name die van 13 september 2017 (12) en 17 december 2015 (13) over de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijk standpunt,

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de EU (EDIDP) (COM(2017)0294) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds (COM(2018)0476),

gezien zijn resoluties over de humanitaire situatie in Jemen van 25 februari 2016 (14), 15 juni 2017 (15) en 30 november 2017 (16),

gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones (17),

gezien het verslag van de Mensenrechtenraad van 17 augustus 2018 over de mensenrechtensituatie in Jemen, met inbegrip van schendingen en misbruiken sinds september 2014 (A/HRC/39/43),

gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0335/2018),

A.

overwegende dat in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt voorzien in het natuurlijke recht op individuele of collectieve zelfverdediging;

B.

overwegende dat wapenuitvoer en -overdracht ontegenzeggelijk gevolgen hebben voor de mensenrechten, de veiligheid van mensen, de sociaal-economische ontwikkeling en de democratie; overwegende dat wapenuitvoer ook bijdraagt tot omstandigheden die mensen dwingen hun land te ontvluchten; overwegende dat dit redenen zijn om een streng, transparant, doeltreffend en algemeen aanvaard en gedefinieerd wapenbeheersingssysteem op te zetten;

C.

overwegende dat het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad een juridisch bindend kader is waarin acht criteria zijn vastgelegd; overwegende dat indien niet aan deze criteria wordt voldaan, de afgifte van een uitvoervergunning moet worden geweigerd (criteria 1 t/m 4) of op zijn minst moet worden overwogen een uitvoervergunning te weigeren (criteria 5 t/m 8); overwegende dat het besluit om militaire goederen of technologie over te dragen dan wel die overdracht te weigeren, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt tot de nationale bevoegdheid van de lidstaten behoort;

D.

overwegende dat uit de meest recente cijfers (18) blijkt dat de EU-28 in de periode 2013-2017 verantwoordelijk was voor 27 % van de totale wereldwijde wapenuitvoer, wat betekent dat de EU-28 de op een na grootste wapenleverancier ter wereld is, na de Verenigde Staten (34 %) en met Rusland op de derde plaats (22 %); overwegende dat sinds de EU gegevens verzamelt, de meeste wapenuitvoervergunningen (cijfers in waarde) zijn verleend in 2015 en 2016, met een totale waarde van 195,95 miljard EUR in 2015 en, volgens het meest recente verslag van de Groep export van conventionele wapens (Coarm), 191,45 miljard EUR in 2016 (19); overwegende dat de cijfers voor 2015 en 2016 helaas misleidend en onnauwkeurig zijn, aangezien het volume vergunningen deels eerder een uitdrukking van intenties is dan een nauwkeurig cijfer over de werkelijke uitvoer die in de nabije toekomst kan worden verwacht;

E.

overwegende dat de jaarverslagen van de Groep Coarm tot nog toe het enige instrument zijn dat tot doel heeft de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt te evalueren; overwegende dat deze verslagen tot grotere transparantie over de wapenuitvoer van de lidstaten hebben bijgedragen en dat het volume aan richtsnoeren en toelichtingen in de gids voor de gebruiker sterk is toegenomen; overwegende dat de hoeveelheid informatie over de afgifte van wapenuitvoervergunningen dankzij het gemeenschappelijk standpunt is toegenomen;

F.

overwegende dat zowel de mondiale als de regionale veiligheidssituatie ingrijpend is veranderd, met name wat de buurlanden ten zuiden en ten oosten van de Unie betreft, waaruit blijkt dat de methoden voor het produceren van informatie ten behoeve van risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen dringend moeten worden verbeterd en zekerder moeten worden gemaakt;

G.

overwegende dat overeenkomstig artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt in deze acht criteria slechts minimumnormen worden vastgesteld en dat de lidstaten restrictievere wapenbeheersingsmaatregelen mogen treffen; overwegende dat het besluitvormingsproces voor de afgifte of weigering van een wapenuitvoervergunning uitsluitend tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort;

H.

overwegende dat niet alle lidstaten volledige gegevens aan de Groep Coarm doorgeven; overwegende dat de afzonderlijke lidstaten uiteenlopende gegevensverzamelingsregelingen en indieningsprocedures hebben en de acht criteria op uiteenlopende wijze interpreteren, waardoor de gegevenssets onvolledig zijn en variëren, en dat de wapenuitvoerpraktijken sterk uiteenlopen; wijst erop dat bij de uitwisseling van informatie de nationale wetgeving en administratieve procedures van elk land moeten worden nageleefd;

I.

overwegende dat er momenteel geen mechanisme bestaat voor gestandaardiseerde, onafhankelijke verificatie en rapportage van de naleving van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt;

J.

overwegende dat er de laatste jaren maatregelen zijn genomen tegen de handel in handvuurwapens en lichte wapens, met een geactualiseerde lijst van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik in het kader van het Wassenaar Arrangement; overwegende dat kwesties zoals toezicht op de tussenhandel in wapens, productie onder licentie buiten de EU en eindgebruikerscontrole op de agenda zijn gezet en tot op zekere hoogte in het gemeenschappelijk standpunt zelf zijn opgenomen, maar dat veel producten, met name op het gebied van goederen voor tweeërlei gebruik, cybertechnologie en surveillance, nog steeds niet onder het controlesysteem vallen;

K.

overwegende dat uit het negentiende jaarverslag blijkt dat 40,5 % van de wapenuitvoervergunningen is verleend voor landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, voor een waarde van 77,5 miljard EUR, en dat Saudi-Arabië, Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) het grootste deel van deze uitvoer voor hun rekening nemen, voor een waarde van 57,9 miljard EUR;

L.

overwegende dat de wapens die naar bepaalde landen zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld naar Saudi-Arabië, de VAE en leden van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië, in sommige gevallen zijn gebruikt bij conflicten, zoals in Jemen; overwegende dat dergelijke uitvoer duidelijk in strijd is met het gemeenschappelijk standpunt;

M.

overwegende dat het Europees Parlement op 25 februari 2016 de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) in een resolutie over de humanitaire situatie in Jemen heeft verzocht het initiatief te nemen om een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië in te stellen;

N.

overwegende dat wapens met een vergunning voor overdracht door EU-lidstaten die daarna worden gebruikt in het huidige conflict in Jemen een rampzalige invloed hebben gehad op duurzame ontwikkeling in Jemen;

O.

overwegende dat de defensiesector een aandachtspunt van het EU-beleid is geworden, zoals blijkt uit de integrale EU-strategie, waarin staat dat een “duurzame, innovatieve en concurrerende Europese defensie-industrie […] van wezenlijk belang [is] voor de strategische autonomie van Europa en voor een geloofwaardig GDVB” (20); overwegende dat wapenuitvoer van essentieel belang is voor de versterking van de Europese industriële en technologische defensiebasis en dat de defensiesector in de eerste plaats zorgt voor de verdediging en veiligheid van de EU-lidstaten en zo bijdraagt aan de tenuitvoerlegging van het GBVB; overwegende dat de hoofdtaak van het Europees Defensiefonds en, als voorloper, het onlangs opgezette EDIDP “het versterken van het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie” (21) is;

P.

overwegende dat mede dankzij de transparantiemaatregelen zoals de controle op wapenuitvoer, het onderling vertrouwen tussen de lidstaten toeneemt;

Q.

overwegende dat in artikel 10 van het gemeenschappelijk standpunt duidelijk staat dat de naleving van de acht criteria prevaleert boven eventuele economische, sociale, commerciële en industriële belangen van de lidstaten;

Het gemeenschappelijk standpunt schragen en beter ten uitvoer leggen

1.

onderstreept dat landen het legitieme recht hebben om ter zelfverdediging militaire technologie te verwerven; merkt op dat het behoud van de defensiesector bijdraagt tot de zelfverdediging van de lidstaten;

2.

stelt vast dat een Europese defensiemarkt dient als instrument om de veiligheid en defensie van de lidstaten en burgers van de Unie te waarborgen en bijdraagt aan de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en met name het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); verzoekt de lidstaten het huidige gebrek aan doeltreffendheid in de defensie-uitgaven ten gevolge van duplicatie, fragmentatie en een gebrek aan interoperabiliteit te verhelpen en er zorg voor te dragen dat de EU een verschaffer van veiligheid wordt door betere controle over wapenuitvoer uit te oefenen;

3.

erkent dat de EU de enige unie van staten is die beschikt over een juridisch bindend kader om de controle op wapenuitvoer te verbeteren, ook in crisisgebieden en landen met een twijfelachtige staat van dienst op het gebied van de mensenrechten; verheugt zich er in dit verband over dat Europese en niet-Europese derde landen zich hebben aangesloten bij het systeem voor de controle op wapenuitvoer op grond van het gemeenschappelijk standpunt; moedigt ook landen die de procedure doorlopen om de status van kandidaat-lidstaat te verwerven of op enige andere manier toetreding tot de EU nastreven, aan om de bepalingen van het gemeenschappelijk standpunt toe te passen;

4.

benadrukt dat de EU-delegaties dringend een grotere rol moeten gaan spelen door de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) bij te staan bij hun risicobeoordelingen van uitvoervergunningen, hun eindgebruikercontroles, controles na verzending en inspecties ter plaatse;

5.

stelt vast dat de acht criteria op uiteenlopende wijze worden toegepast door de lidstaten; vraagt dat de acht criteria op uniforme, consistente en gecoördineerde wijze worden toegepast en dat het gemeenschappelijk standpunt met al zijn verplichtingen volledig wordt uitgevoerd;

6.

is van mening dat de methoden voor risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen een voorzorgsbeginsel dienen te bevatten en dat lidstaten niet alleen moeten beoordelen of bepaalde militaire technologie wordt gebruikt voor binnenlandse onderdrukking of andere ongewenste doeleinden, maar ook risico's moeten beoordelen op basis van de algehele situatie in het land van bestemming, rekening houden met factoren zoals de staat van de democratie, de rechtsstaat en de sociaaleconomische ontwikkeling;

7.

vraagt de lidstaten en de EDEO, overeenkomstig zijn aanbevelingen van 13 september 2017, de huidige evaluatie aan te grijpen om mechanismen voor informatie-uitwisseling te versterken door kwalitatief en kwantitatief betere informatie uit te wisselen voor risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen, door:

a)

tijdig en systematisch meer informatie ter beschikking te stellen over uitvoervergunningen en daadwerkelijke uitvoer, onder andere over eindgebruikers die een potentieel risico vormen, gevallen van omleiding, vervalste of onbetrouwbare eindgebruikerscertificaten en verdachte makelaars of transportbedrijven, in overeenstemming met het nationaal recht;

b)

een lijst van entiteiten en individuen bij te houden die veroordeeld zijn wegens schending van de wetgeving inzake wapenuitvoer, van gevallen waarbij omleiding is vastgesteld en van personen van wie is vastgesteld of wordt vermoed dat ze betrokken zijn bij illegale wapenhandel of activiteiten die een bedreiging vormen voor de internationale en nationale veiligheid;

c)

de aangenomen best practices met betrekking tot de toepassing van de acht criteria te delen;

d)

de huidige gids voor de gebruiker online beschikbaar te stellen als interactieve gids;

e)

de EU-jaarverslagen vóór eind 2019 om te zetten in een open en openbare onlinedatabank (met daarin de gegevens vanaf 2017);

f)

duidelijke en goed vastgelegde procedures voor samenwerking tussen de rechtshandhavingsinstanties en de grensautoriteiten op basis van informatie-uitwisseling te bevorderen om de samenwerking op het gebied van veiligheid te versterken en illegale wapenhandel, die een bedreiging vormt voor de veiligheid van de EU en haar burgers, uit te bannen;

8.

verzoekt de lidstaten en de EDEO om zowel op nationaal als op EU-niveau het aantal personeelsleden dat zich bezighoudt met kwesties met betrekking tot uitvoer, te verhogen; moedigt het gebruik aan van EU-financiering voor capaciteitsopbouw bij ambtenaren in de lidstaten die instaan voor het uitreiken van vergunningen en voor de handhaving;

9.

herinnert eraan dat het gemeenschappelijk standpunt onder andere is vastgesteld om te voorkomen dat Europese wapens worden gebruikt tegen de strijdkrachten van de lidstaten, dat de mensenrechten worden geschonden en dat gewapende conflicten blijven aanslepen; herhaalt dat in het gemeenschappelijk standpunt minimumvoorschriften zijn vastgelegd die de lidstaten worden geacht toe te passen op het gebied van controle op de wapenuitvoer en dat het de verplichting omvat om een aanvraag voor een uitvoervergunning te toetsen aan alle acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt;

10.

hekelt het feit dat de lidstaten de acht criteria systematisch niet toepassen en dat militaire technologie soms op bestemmingen en bij eindgebruikers terechtkomt die niet aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt voldoen; vraagt nogmaals om een onafhankelijke beoordeling van de naleving van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt door de lidstaten; meent dat er moet worden gestreefd naar een grotere convergentie bij de toepassing van de acht criteria; betreurt dat het ontbreekt aan bepalingen betreffende sancties voor lidstaten die bij de verlening van vergunningen niet vooraf controleren of de acht criteria zijn nageleefd; verzoekt de lidstaten de samenhang van de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt te verbeteren en raadt hen aan te voorzien in regelingen om onafhankelijke controles te verrichten;

11.

is van mening dat uitvoer naar Saudi-Arabië, de VAE en andere leden van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen in strijd is met ten minste criterium 2, aangezien die landen betrokken zijn bij ernstige schendingen van het humanitair recht, zoals is vastgesteld door bevoegde VN-instanties; herhaalt zijn oproep van 13 september 2017 om dringend een wapenembargo tegen Saudi-Arabië in te stellen en vraagt de HV/VV en de Raad een dergelijk embargo ook uit te breiden tot alle andere leden van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen;

12.

is van mening dat er een proces moet worden opgestart om een mechanisme in te voeren dat lidstaten bestraft als ze in strijd met het gemeenschappelijk standpunt handelen;

13.

stelt vast dat een aantal lidstaten niet langer wapens aan Saudi-Arabië en andere leden van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen levert vanwege hun acties, terwijl andere lidstaten militaire technologie zijn blijven leveren; looft eerstgenoemde lidstaten, zoals Duitsland en Nederland, die hun handelwijze ten aanzien van het conflict in Jemen hebben gewijzigd; betreurt evenwel ten zeerste het feit dat andere lidstaten geen rekening lijken te houden met het gedrag van het land van bestemming en het eindgebruik van uitgevoerde wapens en munitie; benadrukt dat deze uiteenlopende handelswijzen het hele wapencontrolesysteem in Europa dreigen te ondergraven;

14.

is verontrust over het feit dat vrijwel alle vergunningsaanvragen voor uitvoer naar specifieke landen zoals Saudi-Arabië zijn ingewilligd, hoewel uitvoer naar die landen ten minste in strijd is met de criteria 1 t/m 6 van het gemeenschappelijk standpunt, en dat terwijl een vergunning moet worden geweigerd als niet aan de criteria 1 t/m 4 wordt voldaan; betreurt dat bijna alle vergunningsaanvragen (95 %) voor uitvoer naar Saudi-Arabië zijn ingewilligd wat betreft categorie ML9 (22) (oorlogsschepen, die worden gebruikt om de zeeblokkade tegen Jemen te handhaven) en de categorieën ML10 (luchtvaartuigen) en ML4 (bommen enz.), die een cruciale rol hebben gespeeld tijdens de luchtcampagne en hebben bijgedragen aan de verslechtering van de humanitaire situatie, de ondermijning van de duurzame ontwikkeling van het hele land en het voortdurende lijden van de Jemenitische bevolking;

15.

is onthutst over het aantal in de EU vervaardigde wapens en munitie die in Syrië en Irak in de handen van Da'esh zijn aangetroffen; stelt vast dat Bulgarije en Roemenië tekortschieten bij de uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, in de zin dat zij heroverdrachten mogelijk maken waarbij de regels inzake eindgebruikerscertificaten niet in acht worden genomen; vraagt alle lidstaten soortgelijke overdrachten in de toekomst te weigeren, met name naar de VS en Saudi-Arabië, en vraagt de EDEO en de lidstaten, met name Bulgarije en Roemenië, in de context van de Groep Coarm maar ook openbaar voor de Subcommissie veiligheid en defensie (SEDE) van het Europees Parlement, uit te leggen welke maatregelen ze ter zake hebben genomen; vraagt de EDEO de vele gevallen aan te pakken die aan het licht zijn gekomen in het recente Conflict Armament Research-verslag, in de Groep Coarm en relevante fora meer doeltreffende methoden te onderzoeken om het risico op omleiding te beoordelen, en de lidstaten in de context van de evaluatie te verplichten een uitvoervergunning te weigeren als er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologieën zouden kunnen worden omgeleid; besluit een onderzoek naar deze kwestie in te stellen;

16.

is bezorgd over het feit dat de levering van wapensystemen in oorlogstijd en in situaties van aanzienlijke politieke spanning burgers onevenredig sterk kan treffen; benadrukt dat conflicten bij voorkeur op diplomatieke wijze moeten worden opgelost; vraagt de EU-lidstaten daarom werk te maken van een echt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;

17.

is van oordeel dat een beter toepassing van criterium 8 een doorslaggevende bijdrage zou leveren aan de EU-doelstellingen inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de VN, in het bijzonder SDG 16.4; vraagt de lidstaten en de EDEO in dit verband gebruik te maken van de lopende evaluatie van de gemeenschappelijk standpunt; beveelt aan om de gebruikersgids in dit verband bij te werken en niet alleen te focussen op het effect van de aankoop van wapens op de ontwikkeling van het ontvangende land, maar ook op de mogelijke schade die aan ontwikkeling wordt toegebracht door het gebruik van wapens, ook in andere landen dan het ontvangende land;

18.

stelt voor om na te gaan hoe de EU de lidstaten kan helpen om de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt na te leven, met name door informatie te verstrekken tijdens de risicobeoordelingen, de eindgebruikerscontroles en de verificaties vooraf van verzendingen, alsook door een geregeld bijgewerkte lijst van derde landen ter beschikking te stellen die de criteria van het gemeenschappelijk standpunt in acht nemen;

19.

neemt er nota van dat de Raad in 2018 een herevaluatie van de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt en de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan verricht; vraagt dat het gemeenschappelijk standpunt wordt geëvalueerd om na te gaan hoe het op nationaal niveau wordt uitgevoerd, en dat daarbij ook wordt gekeken naar de verschillende manieren waarop het in de wet- en regelgeving van de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd, de methoden die worden gehanteerd om vergunningsaanvragen te beoordelen en de betrokken overheidsinstanties en ministeries; benadrukt in dit verband dat projecten die in het kader van het onlangs opgezette EDIDP en het toekomstige Defensiefonds worden gefinancierd, onder nationale en EU-controle- en rapportagemechanismen of -regelingen moeten vallen en aan volledige parlementaire controle moeten worden onderworpen; is van mening dat ook de voorgestelde Europese Vredesfaciliteit aan volledige parlementaire controle moet worden onderworpen;

20.

vraagt de lidstaten het huidige gebrek aan doeltreffendheid in de defensie-uitgaven ten gevolge van duplicatie, fragmentatie en een gebrek aan interoperabiliteit te verhelpen en ervoor te zorgen dat de EU een verschaffer van veiligheid wordt door wapenuitvoer beter te controleren;

21.

meent dat productgerelateerde acties met betrekking tot kleine en lichte wapens en wanneer ze hoofdzakelijk voor uitvoerdoeleinden ontwikkeld werden, zouden moeten worden uitgesloten van financiering door de Unie in de context van de toekomstige verordening tot oprichting van het Europees Defensiefonds (EDF) (COM(2018)0476);

22.

meent dat het in het kader van de brexit van belang is dat het Verenigd Koninkrijk zich ertoe verbindt gebonden te blijven aan het gemeenschappelijk standpunt en, zoals andere Europese derde landen, de uitvoeringsbepalingen daarvan blijft toepassen;

23.

benadrukt dat de ambitie om het concurrentievermogen van de Europese defensiesector te vergroten, de toepassing van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt niet mag ondermijnen, aangezien zij voorrang hebben op economische, commerciële, sociale of industriële belangen van de lidstaten;

24.

meent dat de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/43/EG betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap in overeenstemming moet zijn met het gemeenschappelijk standpunt, ook waar het (reserve)onderdelen betreft; merkt op dat het gemeenschappelijk standpunt een onbeperkt toepassingsgebied heeft en dat de acht criteria dus ook gelden voor wapenoverdracht binnen de EU;

25.

wijst nogmaals op het nadelige effect dat onvoldoende gecontroleerde uitvoer van technologieën voor cybertoezicht door EU-ondernemingen kan hebben op de veiligheid van de digitale infrastructuur van de EU en de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt in dit verband het belang van een spoedige, effectieve en alomvattende actualisering van de verordening tweeërlei gebruik, herinnert aan het standpunt van het Parlement over het voorstel van de Commissie, dat in januari 2018 met een overweldigende meerderheid is aangenomen, en stelt voor dat de Raad een ambitieus standpunt vaststelt zodat de medewetgevers voor het einde van deze zittingsperiode overeenstemming kunnen bereiken; vraagt de lidstaten bij de controle op uitvoer en bij de toepassing van de acht criteria meer aandacht te besteden aan goederen die voor zowel civiele als militaire doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals surveillancetechnologie, en ook aan onderdelen die kunnen worden gebruikt voor cyberoorlogsvoering of om schendingen van de mensenrechten te begaan; vraagt de lidstaten en de Commissie voldoende financiële middelen te investeren in technologie en personeel om mensen op te leiden in specifieke cyberbeveiligingsprogramma's; verzoekt de lidstaten op internationaal niveau te ijveren voor de opname van die goederen in de controlelijsten (met name die van het Wassenaar Arrangement);

26.

moedigt de lidstaten aan om uitvoeriger onderzoek te doen naar productie onder licentie in derde landen en extra vrijwaringsmaatregelen te treffen tegen ongewenst gebruik; eist een strikte toepassing van het gemeenschappelijk standpunt wat betreft productie onder licentie in derde landen; vraagt dat productie onder licentie wordt beperkt tot landen die partij zijn bij of ondertekenaar zijn van het Wapenhandelsverdrag (WHV), en dat deze derde landen worden verplicht alleen uitrusting uit te voeren die onder licentie is geproduceerd en waarvoor uitdrukkelijk toestemming is verleend door de oorspronkelijke uitvoerende lidstaat;

27.

benadrukt dat er een aanpak moet worden uitgewerkt om situaties waarin lidstaten de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt op uiteenlopende wijze interpreteren hoewel ze producten die in wezen dezelfde zijn, naar vergelijkbare bestemmingen en eindgebruikers uitvoeren, te verhelpen, zodat er een gelijk speelveld blijft bestaan en de geloofwaardigheid van de EU in het buitenland niet in het gedrang komt;

28.

verzoekt de lidstaten en de EDEO een specifieke strategie te ontwikkelen om formele bescherming te bieden aan klokkenluiders die melding maken van praktijken van entiteiten en bedrijven in de wapenindustrie die indruisen tegen de criteria en beginselen van het gemeenschappelijk standpunt;

29.

eist bovendien dat de acht criteria ook worden uitgebreid tot en worden toegepast op de overdracht van militair, veiligheids- en politiepersoneel, op aan wapenuitvoer gerelateerde diensten, knowhow en opleiding, veiligheidstechnologie en particuliere militaire en veiligheidsdiensten;

30.

verzoekt de lidstaten en de EDEO nauw samen te werken om risico's die uit de onttrekking en opslag van wapens voortvloeien, zoals illegale wapenhandel en -smokkel, te voorkomen; wijst op het risico dat naar derde landen uitgevoerde wapens via illegale wapenhandel en -smokkel opnieuw in de EU worden binnengebracht;

31.

verzoekt de lidstaten en de EDEO een nieuw criterium aan het gemeenschappelijk standpunt toe te voegen om te waarborgen dat er bij het verlenen van uitvoervergunningen voldoende rekening wordt gehouden met het risico van corruptie in verband met wapenuitvoer;

Jaarverslag van de Groep Coarm

32.

waardeert de inspanningen van de Groep Coarm met betrekking tot samenwerking, coördinatie en convergentie (met name door gebruik te maken van de gids voor de gebruiker van het gemeenschappelijk standpunt) en de versterking en uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt, met name wat betreft bewustmakingscampagnes en onderlinge aanpassing en harmonisering in de EU en met derde landen;

33.

betreurt de zeer late publicatie van het achttiende jaarverslag over 2015 in maart 2017 en van het negentiende jaarverslag over 2016 in februari 2018; vraagt dat er voor een actuelere en meer gestandaardiseerde rapportageprocedure wordt gezorgd, waarin de maand januari volgend op het jaar waarin de uitvoer plaatsvond, wordt vastgesteld als strikte deadline voor het indienen van bijdragen en de maand maart volgend op het jaar waarin de uitvoer plaatsvond als vaste publicatiedeadline;

34.

herinnert eraan dat alle lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt verplicht zijn verslag uit te brengen over hun wapenuitvoer en dringt er bij alle lidstaten op aan volledig te voldoen aan hun verplichtingen zoals die in het gemeenschappelijk standpunt zijn vastgelegd; benadrukt dat kwalitatief hoogwaardige en uitgesplitste gegevens over de reële uitvoer cruciaal zijn om inzicht te krijgen in de toepassing van de acht criteria;

35.

hekelt het feit dat een aantal lidstaten geen volledige bijdrage aan het negentiende jaarverslag op basis van gedetailleerde, landspecifieke gegevens hebben ingediend; is bezorgd over het feit dat daardoor belangrijke informatie ontbreekt in het jaarverslag van Coarm, dat bijgevolg niet actueel is en geen volledig beeld kan geven van de uitvoeractiviteiten van de lidstaten; is van mening dat er een gestandaardiseerd verificatie- en rapportagesysteem moet worden opgezet om gedetailleerdere en volledigere informatie te verstrekken; vraagt nogmaals dat alle lidstaten die geen volledige gegevens hebben ingediend, met het oog op het volgende jaarverslag aanvullende informatie over hun uitvoer in het verleden verstrekken;

36.

merkt op dat de criteria voor weigering volgens het negentiende jaarverslag op uiteenlopende wijze zijn toegepast: criterium 1 is 82 keer aangevoerd, criterium 2 119 keer, criterium 3 103 keer, criterium 4 85 keer, criterium 5 8 keer, criterium 6 12 keer, criterium 7 139 keer en criterium 8 één keer; stelt met bezorgdheid vast dat het aantal geweigerde vergunningen zowel in totaal als relatief gezien is gedaald (in 2016 is slechts 0,76 % van de vergunningsaanvragen afgewezen, tegen bijna 1 % in 2015); is teleurgesteld dat in het verslag nog steeds geen cijfers staan over het resultaat van raadplegingen met betrekking tot kennisgevingen van weigeringen, en vraagt de lidstaten deze gegevens in toekomstige jaarverslagen op te nemen;

37.

stelt voor om aanvullende informatie bij de lidstaten in te winnen en zowel op nationaal niveau als in het Coram-jaarverslag te publiceren; stelt ook voor dat het Coarm-jaarverslag wordt aangevuld met een samenvatting waarin trends ten opzichte van de vorige jaren en geaggregeerde cijfers worden vermeld;

Het Parlement en het maatschappelijk middenveld

38.

stelt vast dat niet alle nationale parlementen in de EU regeringsbesluiten over vergunningen controleren; wijst op het Reglement van het Parlement, waarin de mogelijkheid van regelmatige reacties op de EU-jaarverslagen over wapenuitvoer wordt geboden en roept in dit verband op de huidige situatie te verbeteren en te garanderen dat het Parlement op het jaarverslag van de Groep Coarm zal reageren met zijn eigen jaarverslag, buiten het quotum om; verzoekt de nationale parlementen eventuele bestaande good practices inzake rapportering over en toezicht op wapenuitvoer uit te wisselen;

39.

benadrukt dat voor de nationale parlementen, het Europees Parlement, het maatschappelijk middenveld, de voor wapenuitvoer bevoegde controle-instanties en de sectorale organisaties een belangrijke rol is weggelegd bij het ondersteunen en aanmoedigen van de in het gemeenschappelijk standpunt overeengekomen normen op nationaal en op EU-niveau en bij het opzetten van een transparant controlesysteem waarbij verantwoording wordt afgelegd; dringt daarom aan op een transparant en robuust controlemechanisme dat de rol van de parlementen en het maatschappelijk middenveld versterkt; moedigt de nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld aan om onafhankelijke controle uit te oefenen op wapenhandel en vraagt de lidstaten en de EDEO dergelijke activiteiten, ook financieel, te ondersteunen;

40.

benadrukt het belang en de legitimiteit van parlementair toezicht op gegevens over de controle op wapenuitvoer en de wijze waarop die controle wordt uitgevoerd; vraagt in dit verband dat in de nodige maatregelen, ondersteuning en informatie wordt voorzien om ervoor te zorgen dat de functie van publiek toezicht ten volle kan worden uitgeoefend;

41.

stelt voor om de uitvoer van producten die in het kader van het EDIDP en/of het Europees Defensiefonds (EDF) zijn gefinancierd, afzonderlijk te vermelden in de gegevens die bij de Groep Coarm worden ingediend, om te zorgen voor een nauwlettende monitoring van de producten die met middelen uit de Europese begroting zijn gefinancierd; vraagt de Raad en het Parlement een gedetailleerd interpretatie- en uitvoeringsregime overeen te komen, met inbegrip van een toezichtsinstantie, een sanctie-instantie en een ethische commissie, opdat de criteria van het gemeenschappelijk standpunt ten minste worden toegepast op de producten die in het kader van het EDIDP en/of het EDF worden gefinancierd, teneinde gelijke uitvoerkaders voor de betrokken landen te waarborgen; is van mening dat de gezamenlijke interpretatie en uitvoering moeten van toepassing dienen te zijn op alle wapenuitvoer uit de lidstaten;

Internationale wapenbeheersing en ontwapening

42.

herinnert aan de ambitie van de EU om een wereldspeler ten dienste van de vrede te zijn; is van mening dat de EU recht moet doen aan haar toegenomen verantwoordelijkheid voor vrede en veiligheid in Europa en in de wereld door verdere initiatieven voor betere uitvoercontrolemechanismen en ontwapening te nemen en dat zij, als verantwoordelijke mondiale speler, het voortouw moet nemen, d.w.z. dat de EU een actieve rol moet spelen — en dat de lidstaten hun uiterste best moeten doen om een gemeenschappelijk standpunt in te nemen — op het gebied van non-proliferatie van wapens, wereldwijde ontwapening en controle op wapenoverdracht, alsook door meer onderzoek naar en ontwikkeling van technologieën en processen voor omschakeling van structuren voor militair gebruik naar structuren voor civiel gebruik, en door maatregelen zoals het toekennen van voordelen voor de uitvoer van de goederen in kwestie;

43.

herinnert eraan dat alle lidstaten het WHV hebben ondertekend; dringt aan op de universalisering van het WHV en een sterkere focus op de landen die het verdrag niet hebben ondertekend; prijst ook de bewustmakingsinspanningen met betrekking tot het WHV en steunt de effectieve tenuitvoerlegging ervan;

44.

moedigt de lidstaten aan om derde landen te helpen bij het opzetten, verbeteren en toepassen van systemen voor de controle op wapens die in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk standpunt;

45.

herhaalt nogmaals zijn standpunt over dodelijke autonome wapensystemen; roept op tot een verbod op de uitvoer van producten die worden gebruikt bij de ontwikkeling en productie van dergelijke wapensystemen;

46.

wijst erop dat een doeltreffende internationale overeenkomst inzake wapenbeheersing betrekking moet hebben op alle overdrachten, ook overdrachten tussen staten, overdrachten en leasing tussen staten en niet-statelijke eindgebruikers, alsook leningen, giften, hulp of enigerlei andere vorm van overdracht;

o

o o

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

(2)  PB C 56 van 14.2.2018, blz. 1.

(3)  PB L 17 van 23.1.2018, blz. 40.

(4)  PB L 139 van 30.5.2017, blz. 38.

(5)  PB C 98 van 15.3.2018, blz. 1.

(6)  http://www.wassenaar.org/control-lists/, “lijst van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik en munitie” — Wassenaar Arrangement betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik.

(7)  Wapenhandelsverdrag, VN, 13-27217.

(8)  PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.

(9)  PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.

(10)  PB L 338 van 13.12.2016, blz. 1.

(11)  A/HRC/35/8.

(12)  PB C 337 van 20.9.2018, blz. 63.

(13)  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 178.

(14)  PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.

(15)  PB C 331 van 18.9.2018, blz. 146.

(16)  PB C 356 van 4.10.2018, blz. 104.

(17)  PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.

(18)  “Trends in international arms transfers, 2017”, factsheet van het SIPRI, maart 2018.

(19)  http://enaat.org/eu-export-browser/licence.en.html

(20)  “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa — Een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie”, Brussel, juni 2016.

(21)  Oprichting van het Europees Defensiefonds, COM(2017)0295, Brussel, 7 juni 2017.

(22)  https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52016XG0406(01)&from=NL


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/45


P8_TA(2018)0456

Noodzaak van een allesomvattend mechanisme voor democratie, rechtsstaat en grondrechten

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (2018/2886(RSP))

(2020/C 363/06)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (1) (DRG),

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van ministers, de commissaris voor de rechten van de mens en de Venetiëcommissie van de Raad van Europa,

gezien Advies nr. 1/2018 van de Europese Rekenkamer van 17 juli 2018 over het voorstel van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten,

gezien het verslag over de grondrechten 2018 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld “Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat” (COM(2014)0158),

gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust (2),

gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen (3),

gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over de rechtsstaat in Malta (4),

gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová (5),

gezien zijn debat in de plenaire vergadering op 3 oktober 2018 over de rechtsstaat in Roemenië,

gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de EU in 2016 (6),

gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (COM(2018)0322),

gezien het EU-scorebord voor justitie van 2018,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Europese Unie gestoeld is op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben;

B.

overwegende dat de rechtsstaat, democratie en grondrechten een driehoeksverhouding vormen en elkaar versterken en samen de constitutionele kern van de EU en haar lidstaten beschermen;

C.

overwegende dat de Commissie in 2014 een kader voor de rechtsstaat heeft vastgesteld; overwegende dat dit kader slechts eenmaal is gebruikt en dat dit instrument ontoereikend is gebleken om bedreigingen voor de rechtsstaat te voorkomen of weg te nemen;

D.

overwegende dat de Europese Unie niet over een objectief en permanent mechanisme beschikt om toezicht te houden op de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat in alle lidstaten;

E.

overwegende dat het EU-scorebord voor justitie van 2018 uitwijst dat er nog sprake is van problemen wat betreft de werking van de rechtsstelsels van de lidstaten en de impact van bepaalde hervormingen in de lidstaten;

F.

overwegende dat er een groot aantal inbreukprocedures loopt op het gebied van justitie, grondrechten en burgerschap (7);

G.

overwegende dat het FRA diverse verslagen heeft gepubliceerd waarin wordt gewezen op de uitdagingen voor de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in verschillende lidstaten, zoals de steeds beperktere ruimte voor maatschappelijke organisaties in Europa (8);

H.

overwegende dat er ad-hocreacties op bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten zijn waargenomen, die hebben geleid tot zeer uiteenlopende benaderingen in de verschillende lidstaten;

I.

overwegende dat de Commissie de procedure van artikel 7, lid 1, VEU heeft ingeleid in het licht van de situatie in Polen, en dat het Europees Parlement dezelfde procedure heeft ingeleid in het licht van de situatie in Hongarije;

J.

overwegende dat de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat heeft opgericht, die is aangevangen met haar werkzaamheden inzake de moord op onderzoeksjournalisten en de rechtsstaat;

K.

overwegende dat deze reacties van de EU eerder reactief dan preventief zijn en worden belemmerd door de ongelijke en gepolitiseerde aandacht voor problemen op het gebied van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de verschillende lidstaten;

L.

overwegende dat de Commissie op 2 mei 2018 een voorstel heeft gepubliceerd voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

M.

overwegende dat in Advies nr. 1/2018 van de Europese Rekenkamer over het voorstel voor een verordening werd benadrukt dat de referentiebronnen van richtsnoeren en procedures waarmee fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten kunnen worden vastgesteld, verder moeten worden verduidelijkt;

N.

overwegende dat in eerdere EU-corruptiebestrijdingsverslagen en de landenverslagen van het Europees Semester van 2018 wordt gewezen op ernstige bezorgdheden met betrekking tot corruptie in diverse lidstaten, waardoor het vertrouwen van de burgers in de instellingen en de rechtsstaat wordt aangetast;

O.

overwegende dat de problemen op het gebied van de rechtsstaat en democratie in de lidstaten de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, die berust op het weerlegbare vermoeden (praesumptio iuris tantum) van wederzijds vertrouwen, in gevaar brengen;

P.

overwegende dat de problemen op het gebied van de rechtsstaat en democratie in de lidstaten de legitimiteit van het externe optreden van de Unie in gevaar brengen, met name in verband met haar toetredings- en het nabuurschapsbeleid;

Q.

overwegende dat alle instellingen, organen en instanties van de Unie verplicht zijn de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te eerbiedigen, beschermen en bevorderen;

R.

overwegende dat de Unie nog steeds niet is toegetreden tot het EVRM, ondanks haar verplichting om dit uit hoofde van artikel 6, lid 2, VEU te doen;

S.

overwegende dat de Commissie en de Raad geen gevolg hebben gegeven aan de resolutie van het Parlement over een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en tot dusver hebben geweigerd het interinstitutioneel akkoord inzake het EU-Pact voor DRG goed te keuren;

1.

betreurt het feit dat de Commissie nog geen voorstel voor een omvattend EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten heeft ingediend en verzoekt de Commissie dit te doen, met name door in haar komende initiatief van niet-wetgevende aard voor de versterking van de handhaving van de rechtsstaat in de Europese Unie voor te stellen het interinstitutioneel akkoord inzake het EU-Pact voor DRG goed te keuren;

2.

verzoekt nogmaals om een omvattend, permanent en objectief EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en onderstreept dat een dergelijk mechanisme nu dringender dan ooit nodig is;

3.

wijst nogmaals op de belangrijkste elementen van een dergelijk mechanisme, zoals voorgesteld door het Parlement in de vorm van een interinstitutioneel pact voor DRG, bestaande uit een jaarlijkse, op feiten gebaseerde en niet-discriminerende evaluatie waarin alle EU-lidstaten op voet van gelijkheid worden beoordeeld op de naleving van de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden, met landenspecifieke aanbevelingen (het Europees DRG-verslag) die worden gevolgd door een interparlementair debat, en een permanente DRG-beleidscyclus binnen de EU-instellingen;

4.

wijst er nogmaals op dat het Europees DRG-verslag bestaande instrumenten moet omvatten en aanvullen, waaronder het scorebord voor justitie, de monitor voor mediapluralisme, de corruptiebestrijdingsverslagen en de procedures voor collegiale toetsing op basis van artikel 70 VWEU, en het mechanisme voor samenwerking en toetsing voor Bulgarije en Roemenië moet vervangen; betreurt het dat de Commissie heeft besloten het EU-corruptiebestrijdingsverslag 2017 niet te publiceren;

5.

verzoekt de Commissie te overwegen haar voorstel voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten te koppelen aan een omvattend, permanent en objectief EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

6.

verzoekt de Raad zich te verbinden aan het interinstitutioneel akkoord inzake het Pact voor DRG, en verdere voorstellen van de Commissie ter versterking van democratie, de rechtsstaat en grondrechten te steunen;

7.

is van oordeel dat het Parlement het initiatief mag nemen om een proefverslag over DRG uit te brengen en een interparlementair debat op gang te brengen als de Commissie en de Raad de vaststelling van een pact voor DRG blijven afwijzen;

8.

verzoekt de Raad zijn institutionele rol in de lopende procedures in het kader van artikel 7, lid 1, VEU naar behoren te vervullen en het Parlement onverwijld en volledig in kennis te stellen in alle stadia van de procedure en het Parlement te verzoeken zijn met redenen omkleed voorstel aan de Raad voor te leggen;

9.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten, en aan het Europees Comité van de Regio's voor verspreiding naar subnationale parlementen en raden.

(1)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0340.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0055.

(4)  PB C 356 van 4.10.2018, blz. 29.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0183.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0056.

(7)  http://ec.europa.eu/atwork/applying-eu-law/infringements-proceedings/infringement_decisions/?typeOfSearch=true&active_only=1&noncom=0&r_dossier=&decision_date_from=&decision_date_to=&PressRelease=true&DG=JUST&title=&submit=Search&lang_code=nl

(8)  Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, Challenges facing civil society organisations working on human rights in the EU (Uitdagingen voor maatschappelijke organisaties die strijden voor de mensenrechten in de EU), Wenen, 18 januari 2018


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/49


P8_TA(2018)0457

Uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Georgië

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Georgië (2017/2282(INI))

(2020/C 363/07)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 2, 3 en 8, en gezien Titel V, met name de artikelen 21, 22, 36 en 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), evenals deel vijf van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, die op 1 juli 2016 volledig in werking is getreden,

gezien zijn eerdere resoluties van 18 december 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (1), en van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne (2), zijn aanbeveling van 15 november 2017 over het Oostelijk Partnerschap (3), zijn wetgevingsresolutie van 14 maart 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië (4) en zijn resolutie van 14 juni 2018 over de Georgische bezette gebieden tien jaar na de Russische inval (5),

gezien de jaarlijkse nationale actieplannen voor de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Georgië,

gezien het gezamenlijke werkdocument van de Europese Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 9 november 2017 over het Uitvoeringsverslag inzake de associatieovereenkomst met Georgië (SWD(2017)0371),

gezien de gezamenlijke verklaringen van de topbijeenkomsten van het Oostelijk Partnerschap, waarvan de meest recente op 24 november 2017 in Brussel heeft plaatsgevonden,

gezien het samenwerkingskader “20 mijlpalen voor 2020”, vastgesteld tijdens de topconferentie in Riga in 2015 ter bevordering van een sterkere economie, sterker bestuur, sterkere samenhang en sterkere gemeenschap,

gezien het integraal steunkader voor de steun van de EU aan Georgië voor 2017-2020,

gezien de uitkomst van de vierde vergadering van de Associatieraad tussen de EU en Georgië op 5 februari 2018,

gezien de resultaten van de bijeenkomsten van Euronest, meest recentelijk de bijeenkomst van 25-27 juni 2018, resulterend in 7 resoluties en een oproep aan de EU om de inspanningen ter bemiddeling in vastgelopen conflicten op te schroeven,

gezien de slotverklaring en de aanbevelingen van de zesde bijeenkomst van het Parlementair Associatiecomité EU-Georgië op 26 april 2018,

gezien de gezamenlijke verklaring van de derde bijeenkomst van het platform maatschappelijke organisaties EU-Georgië op 22 maart 2018,

gezien het eerste verslag van de Europese Commissie in het kader van het visumopschortingsmechanisme dat op 20 december 2017 is gepubliceerd (COM(2017)0815),

gezien het definitieve advies van de Commissie van Venetië van 19 maart 2018 over de constitutionele hervorming van Georgië (CDL-AD(2018)005),

gezien het gezamenlijke werkdocument van 21 september 2015 getiteld “Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)” (SWD(2015)0182),

gezien het verslag van Transparency International van 2 juli 2015 met als titel “The State of Corruption: Armenia, Azerbaijan, Georgia, Moldova and Ukraine”,

gezien de deskundigenonderzoeken die voor de Commissie buitenlandse zaken zijn opgesteld, met inbegrip van het onderzoek over herziening van de kiesstelsels van drie associatielanden in het oostelijk nabuurschap — Oekraïne, Georgië en Moldavië — en de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van deze landen, als gepubliceerd op 26 oktober 2017 (6), het onderzoek over de associatieovereenkomsten tussen de EU en Moldavië, Georgië en Oekraïne, als gepubliceerd op 28 juni 2018 (7), en het vergelijkend onderzoek over de ontwikkeling van een institutioneel kader voor de uitvoering van de associatieovereenkomsten in Georgië, Moldavië en Oekraïne, als gepubliceerd in juli 2018 (8),

gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0320/2018),

A.

overwegende dat de relaties tussen de EU en Georgië voortdurend worden verdiept dankzij nieuwe belangrijke ontwikkelingen in lijn met de associatieovereenkomst EU-Georgië, de diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) en de associatieagenda, zoals de inwerkingtreding van een regeling voor visumvrij reizen en de toetreding van Georgië tot de Energiegemeenschap;

B.

overwegende dat volledige eerbiediging van kernwaarden, met inbegrip van democratie, rechtsstaat, goed bestuur, mensenrechten en fundamentele vrijheden, met inbegrip van de rechten van minderheden, een hoeksteen vormt voor verdere Europese integratie;

C.

overwegende dat de humanitaire situatie en de isolatie van de bezette regio's Zuid-Ossetië en Abchazië nog altijd behoren tot de belangrijkste uitdagingen voor Georgië;

D.

overwegende dat uit de corruptieperceptie-index 2017 van Transparency International blijkt dat goede resultaten zijn behaald op het gebied van corruptiebestrijding;

E.

overwegende dat de nieuwe nationale strategie inzake de bestrijding van georganiseerde misdaad voor 2017-2020 en het actieplan dat werd aangenomen in 2017 zijn gericht op bestrijding van criminaliteit binnen het rechtsapparaat, drugssmokkel en cybermisdaad, en de introductie van op analyse gebaseerde gemeenschapsgerichte politiezorg;

F.

overwegende dat het Verdrag van Istanbul, ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, van kracht is geworden op 1 september 2017, en een commissie voor gendergelijkheid en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld is opgericht;

G.

overwegende dat de wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder Grenzen een lichte verbetering voor Georgië laat zien, van de 64e plaats in 2017 naar de 61e plaats;

1.

is zeer verheugd over het voortgezette hervormingstraject en de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de associatieovereenkomst en de DCFTA, die Georgië tot een belangrijke partner van de EU in de regio hebben gemaakt; verzoekt de Georgische overheid te blijven zorgen voor stabiliteit, verdere democratische hervormingen en economische en maatschappelijke verbeteringen voor de inwoners van het land, die getroffen worden door armoede, werkloosheid en een hoog niveau van economische emigratie, omdat dit sleutelfactoren zijn om de bevolking te overtuigen en zo de weg vrij te maken voor soevereiniteit en territoriale integriteit voor Georgië binnen zijn internationaal erkende grenzen, en een versterkte samenwerking tussen de EU en Georgië;

2.

merkt met tevredenheid op dat de Europese agenda van Georgië nog altijd door alle partijen en het merendeel van de Georgische burgers wordt ondersteund; wijst erop dat elke Europese staat krachtens artikel 49 VEU en in overeenstemming met de Verklaring van Rome van 25 maart 2017 kan verzoeken lid te worden van de EU, op voorwaarde dat hij aan de criteria van Kopenhagen voldoet; herinnert tegelijkertijd aan het voorstel voor een “Oostelijk Partnerschap+”-beleid zoals voorgestaan door het Parlement om verdere vooruitzichten mogelijk te maken; is verheugd over het initiatief van de Georgische overheid tot het opstellen van een routekaart gericht op versterking van de bestaande betrekkingen tussen de Europese Unie en Georgië; verwelkomt de actieve betrokkenheid van Georgië bij de activiteiten van de multilaterale platforms van het Oostelijk Partnerschap;

3.

looft de Georgische overheid om zijn regelmatige voorlichtingscampagnes over de voordelen en economische kansen die voortvloeien uit de associatieovereenkomst en de DCFTA en om de steun die is verleend bij het beheer van noodzakelijke aanpassingen;

Het institutionele kader voor de uitvoering van de associatieovereenkomst

4.

merkt op dat de steun van de EU aan Georgië oploopt tot een bedrag tussen 371 en 453 miljoen EUR voor de periode 2017-2020, waarbij aanvullende gelden beschikbaar zijn op grond van het beginsel “meer voor meer” in lijn met de Associatieagenda EU-Georgië; moedigt de Commissie aan om dergelijke bijstand af te stemmen op de absorptiecapaciteit en hervormingsinspanningen van Georgië; neemt kennis van het besluit van Georgië om het totale aantal ministeries te verlagen van veertien tot elf in het kader van functionele optimalisatie en kostenverlaging; verwelkomt het besluit van de Georgische regering om de daaruit voortvloeiende besparingen aan te wenden voor het onderwijs;

5.

roept op tot een sterkere betrokkenheid van de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken voor politiek toezicht op hoog niveau op de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst, met name door stroomlijning van de relevante overheidsstructuren, de coördinatie en synchronisatie van de plannen van vakministeries en de volledige en effectieve tenuitvoerlegging ervan; is verheugd over de opname van het kabinet van de minister van staat voor Europese integratie in het ministerie van Buitenlandse Zaken; raadt echter aan de verantwoordelijkheid voor Europese integratie te verdelen over het volledige ministeriële apparaat;

6.

verneemt met instemming dat een driejarige versie van het tenuitvoerleggingsplan voor de associatieovereenkomst en de DCFTA is aangenomen, en beveelt de Georgische autoriteiten aan een hervormingsstrategie op te stellen die een aanvulling vormt op deze plannen, gericht is op resultaten die verder gaan dan wetgeving en personeelsopleiding, en gebaseerd is op een deskundige impactbeoordeling, die ook de interinstitutionele samenwerking tussen het parlement, de regering en de presidentiële administratie behelst; moedigt in dit verband het Georgische parlement aan om de nalevingscontroles van nationale ontwerphervormingsvoorstellen wat de associatieovereenkomst betreft op te voeren;

7.

benadrukt dat Georgië hoogopgeleid personeel moet inzetten om de Associatieagenda ten uitvoer te leggen; roept de Georgische autoriteiten daarom op te garanderen dat de structurele eenheden die de Europese integratiekwesties behandelen in alle ministeries worden voorzien van een toereikend aantal specifiek gekwalificeerde functionarissen; roept de EDEO en/of de Europese Commissie op hulp te verlenen bij het vergroten van de capaciteit van het trainen van Georgische functionarissen die zijn betrokken bij de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst en de DCFTA;

8.

is verheugd over de oprichting van de interparlementaire assemblee van Georgië, Moldavië en Oekraïne en moedigt deze assemblee aan om ook toezicht uit te oefenen op de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomsten;

9.

spoort de EDEO en/of de Europese Commissie aan de interne capaciteit te vergroten om de controle van de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst te versterken, met name door middel van een uitbreiding van het aangewezen personeel met grondige expertise op het gebied van het Georgische bestuurlijke en juridische bestel, alsmede over te gaan tot een kwalitatieve evaluatie van de vooruitgang, met name door toepassing van screeningprocessen die het mogelijk maken te evalueren in hoeverre de afstemming op het acquis van de EU daadwerkelijk is bereikt, zoals vereist door de associatieovereenkomst;

10.

benadrukt de cruciale rol die maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de sociale partners, spelen in de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst als actoren die toezicht houden op de hervormingen, en is opgezet met hun inspanningen om de tenuitvoerlegging van de overeenkomst te monitoren; verzoekt de Georgische autoriteiten om ervoor te zorgen dat de hervormingen met betrekking tot de invoering van een “Europees” sociaal model in het kader van de associatieovereenkomst en de DCFTA uitgevoerd worden met volledige betrokkenheid van lokale overheden, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, en sociale partners; roept de autoriteiten en de EU op om hun toegang, en die van de bevolking in perifere zones, tot informatie over de uitvoering van de associatieovereenkomst te verzekeren;

11.

benadrukt het belang van proactieve communicatie met de Georgische bevolking over de concrete voordelen en doelstellingen van het Oostelijk Partnerschap, alsmede de noodzaak misinformatie te bestrijden door middel van op feiten gebaseerde, toegankelijke en hoogwaardige informatie in alle talen van het partnerland; vraagt Georgië zijn communicatiestrategie te versterken, met de hulp van de EU en haar lidstaten;

12.

is verheugd over de opening van de Europese school van het Oostelijk Partnerschap met een internationaal bachelorprogramma voor studenten uit alle landen van het Oostelijk Partnerschap in Tbilisi op 4 september 2018; adviseert de Georgische autoriteiten om de rol van Europese studies binnen de normale lesprogramma's van scholen en universiteiten uit te breiden;

13.

ondersteunt de voorlopige bevindingen en conclusies over de eerste ronde van de presidentsverkiezingen 2018 in Georgië, als gepresenteerd door de internationale verkiezingswaarnemingsmissie, ook door de eigen delegatie van het Europees Parlement; is ingenomen met de competitieve aard van de verkiezingen en het uitblijven van geweld; betreurt de bezetting door Rusland van Zuid-Ossetië en Abchazië, alsmede het besluit van de feitelijke machthebbers in Zuid-Ossetië om de administratieve grens met Georgië te sluiten, waardoor vele Georgische burgers werd belet hun stem uit te brengen; verzoekt de autoriteiten en politieke partijen de punten van zorg vóór de tweede ronde aan te pakken, met name het oneigenlijk gebruik van overheidsmiddelen en de excessief hoge plafonds voor de financiering van de campagnes, alsmede de hevige verbale agressie van hoge functionarissen jegens onafhankelijke maatschappelijke organisaties;

Politieke dialoog

14.

herhaalt dat het standpunt van de EU over de constitutionele hervorming van Georgië overeenkomt met de over het algemeen positieve beoordeling van de Commissie van Venetië; betreurt het uitstel van de tenuitvoerlegging van een volledig proportioneel kiesstelsel tot 2024; herhaalt zijn bereidheid om toekomstige verkiezingen in Georgië waar te nemen en om de Georgische overheid bij te staan bij het handelen naar en het uitvoeren van de aanbevelingen die in dat kader zullen worden gedaan; herhaalt dat de samenstelling van de centrale verkiezingscommissie vrij moet zijn van politieke invloeden en dat in de periode voorafgaand aan de verkiezingen geen misbruik mag worden gemaakt van bestuurlijke middelen; vraagt de Georgische autoriteiten een zinvol onderzoek te voeren naar de politiek gemotiveerde gewelddadige incidenten bij de parlementsverkiezingen van 2016;

15.

ondersteunt de versterking van het democratische karakter van de politieke instellingen van Georgië en wil het land hier graag in bijstaan; stelt vast dat Georgië een van de weinige landen is waar alle takken van de macht zijn betrokken bij het Open Bestuurspartnerschap; benadrukt dat een ambitieuze hervormingsagenda nagestreefd moet worden, gericht op de politieke onpartijdigheid van staatsinstellingen en hun personeel; benadrukt de rol van de oppositie in een parlementair systeem en dringt aan op het aanbrengen van meer rigoureuze mechanismen voor het controleren van het bestuur, waaronder de mogelijkheid voor parlementsleden om op regelmatige basis vragen te stellen aan ministers en de minister-president zodat deze publieke verantwoording moeten afleggen;

16.

is verheugd over de effectieve tenuitvoerlegging van de visumvrije regeling voor Georgische burgers sinds 27 maart 2017; neemt kennis van de naleving door Georgië van benchmarks voor visumliberalisering en pleit voor een regelmatig toezicht hierop om ervoor te zorgen dat het land deze blijft naleven; stelt vast dat de introductie van visumvrije regelingen positieve resultaten met zich meebrengt voor de ontwikkeling van contacten tussen mensen; prijst Georgië voor de maatregelen die zijn genomen om de schendingen van het visumstelsel kordaat aan te pakken, en roept de EU-lidstaten op Georgië te erkennen als een veilig land van herkomst; benadrukt het belang van uitbreiding van de samenwerking tussen de rechterlijke en rechtshandhavingsinstanties van Georgië en de EU-lidstaten;

17.

is verheugd over de voortdurende uitvoering van de migratiestrategie en het actieplan van Georgië en het versterkte herstel van grensgebieden met Turkije en Azerbeidzjan;

18.

staat achter het Georgische beleid dat gericht is op vreedzame oplossing van het conflict, verzoening en betrokkenheid, en de constructieve deelname van het land aan het internationaal overleg van Genève; verneemt met instemming dat Georgië inspanningen levert om de dialoog met Rusland in stand te houden; prijst het initiatief “Een stap naar een betere toekomst”, gepresenteerd op 4 april 2018, dat bedoeld is om de humanitaire en sociaal-economische omstandigheden van de bevolking in de bezette regio's te verbeteren en om het contact tussen mensen te stimuleren en het vertrouwen tussen verdeelde gemeenschappen op te bouwen;

19.

herinnert er met spijt aan dat de Russische Federatie al meer dan 10 jaar Georgisch grondgebied illegaal bezet, en herhaalt zijn ondubbelzinnige steun voor de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Georgië; neemt kennis van de rechtszaak die Georgië bij het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) tegen Rusland heeft ingesteld over het gebruik van dwangmaatregelen tegen de bevolking van Abchazië en Zuid-Ossetië en van de resolutie die het Georgische parlement heeft aangenomen over de vaststelling van een zwarte lijst (de Otkhozoria-Tatunashvili-lijst) van personen die veroordeeld zijn of naar wie een onderzoek loopt voor moord, ontvoering, foltering of onmenselijke behandeling; benadrukt dat de internationale gemeenschap een consistent, gecoördineerd, verenigd en vastberaden standpunt moet innemen tegen het bezettings- en annexatiebeleid van Rusland;

20.

roept de Georgische autoriteiten op verdere inspanningen te verrichten om de bestaande obstakels uit de weg te ruimen en te proberen de voordelen van de associatieovereenkomst en de DCFTA ook ten goede te laten komen aan de bevolking van Abchazië en de Tschinvali-regio/Zuid-Ossetië door de communicatie over de nieuwe mogelijkheden die voortvloeien uit de overeenkomst te verbeteren en ad-hoc projecten voor handel en economische samenwerking op te zetten op lokaal niveau;

21.

prijst de aanhoudende Georgische deelname aan civiele en militaire crisisoperaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); benadrukt de noodzaak van verdere ontwikkeling van een dialoog op hoog niveau tussen de EU en Georgië over veiligheidszaken, met name de bestrijding van radicalisering, gewelddadig extremisme, propaganda en hybride dreigingen;

Rechtsstaat, goed bestuur en vrijheid van media

22.

erkent de resultaten die Georgië boekt in de strijd tegen corruptie in de lage en middelhoge regionen, wat voor de goede regionale positie in de perceptie-indexen heeft gezorgd; benadrukt niettemin dat corruptie onder de elite op hoog niveau nog steeds een ernstig probleem is; prijst de uitvoering door de Georgische overheid van de anticorruptiestrategie en het actieplan; verzoekt de Georgische overheid ervoor te zorgen dat het agentschap voor corruptiebestrijding onafhankelijk, vrij van politieke inmenging en gescheiden van de staatsveiligheidsdienst functioneert; herinnert aan het belang van een effectieve scheiding van de machten en een duidelijk onderscheid tussen politieke en economische belangen; benadrukt dat om corruptie te bestrijden een onafhankelijke rechterlijke macht nodig is evenals degelijke resultaten bij onderzoeken naar gevallen van corruptie op hoog niveau, wat tot nu toe niet het geval is; beschouwt Georgië als een belangrijke partner van de EU op verschillende terreinen van samenwerking, zoals de strijd tegen terrorisme en georganiseerde misdaad;

23.

spoort de Georgische autoriteiten aan een ten volle ontwikkeld onafhankelijk en doeltreffend mechanisme op te richten, dat niet onder de bevoegdheid van de openbare aanklager valt, voor onderzoek naar en veroordeling van gevallen van misbruik door rechtshandhavers, om het aanhoudende gebrek aan verantwoordingsplicht aan te pakken; verneemt dus met instemming dat een inspectiedienst van de staat is opgericht voor onderzoek naar mensenrechtenschendingen door rechtshandhavingsambtenaren;

24.

is uitermate bezorgd over de druk die door Turkije wordt uitgeoefend op Turkse inwoners van Georgië, alsmede op de onderwijsinstellingen vanwege hun vermeende banden met de Gülenbeweging; dringt erop aan bij de Georgische autoriteiten deze kwestie nauwgezet te volgen om ervoor te zorgen dat gerechtelijke procedures en stappen die in gang worden gezet volledig in lijn zijn met Europese beginselen en normen; roept de EU op de landen van het Oostelijk Partnerschap te steunen en te helpen om de in de afgelopen maanden uitgeoefende druk, met name van de kant van Turkije, te weerstaan;

25.

neemt kennis van de lopende hervorming van het judiciële stelsel en van de tekenen van een grotere onpartijdigheid en transparantie van de rechterlijke macht, maar herinnert eraan dat de Commissie van Venetië bezorgdheid heeft geuit over de voorgestelde wetswijzigingen, die niet voor de onpartijdigheid van de raad voor rechtsvervolging van Georgië zullen zorgen; vraagt dat alle nodige maatregelen ter versterking van het rechtssysteem, met inbegrip van een uitbreiding van de administratieve capaciteit, genomen worden, en dat de volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de openbare aanklager gewaarborgd worden; roept op tot democratisch toezicht op het ministerie van Binnenlandse Zaken, met inbegrip van de politie- en veiligheidsdiensten, die herzien en hervormd moeten worden, onder meer met het oog op transparantie, met name bij de selectie, aanwijzing en bevordering van rechters, alsook in tuchtprocedures die betrekking op hen hebben;

26.

benadrukt het belang van de huidige overheidshervormingen; is verheugd over de nieuwe wet inzake de overheidsdienst en gaat ervan uit dat deze in het belang van een duurzame toename van het vertrouwen onder de burgers snel wordt omgezet;

27.

verneemt met bezorgdheid dat de Georgische regering geen nieuwe wetgeving heeft aangenomen om de toegang van de bevolking tot informatie te verbeteren; betreurt het feit dat de voorgenomen hervorming de toegang op dit gebied nog verder beperkt; roept de Georgische regering op te zorgen voor effectieve toegang tot openbare informatie; herinnert eraan dat dit een essentiële afspraak is binnen het kader van de associatieovereenkomst;

28.

spoort de regering van Georgië aan om de uitvoering van de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën voort te zetten;

29.

is verheugd over de aanneming van de nationale strategie ter bestrijding van georganiseerde misdaad;

30.

verzoekt het Georgische parlement te overwegen amendementen in te dienen voor de wijziging van de wetgeving op het gebied van drugsbeleid in overeenstemming met het besluit van het Georgische grondwettelijk hof van 30 november 2017;

31.

verneemt met instemming dat het Georgische parlement een wetgevingspakket heeft aangenomen dat gericht is op de verbetering van de situatie van gevangenen;

Eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

32.

roept de Georgische overheid op het nationale coördinatiemechanisme voor de mensenrechten verder operationeel te maken en het meer te laten samenwerken in multilaterale fora; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan vooruitgang in het onderzoek naar de ontvoering van de Azerbeidzjaanse journalist Afgan Mukhtarli uit Tbilisi, waaruit veel tekortkomingen bleken met betrekking tot de werking van de veiligheidsdiensten, waaronder partijpolitieke inmenging; vraagt de Georgische regering het onderzoek op een snelle en geloofwaardige manier af te ronden; benadrukt dat Georgië een veilig en stabiel klimaat voor mensenrechtenactivisten op zijn grondgebied moet verzekeren om ervoor te zorgen dat dergelijke voorvallen niet opnieuw gebeuren;

33.

neemt kennis van de uitspraak van het EHRM van 28 november 2017 met betrekking tot voormalig premier Vano Merabishvili, waarin een schending van artikel 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens werd vastgesteld wegens het nastreven van een “verborgen agenda” en “bijbedoelingen” bij de arrestatie van de voormalige premier;

34.

benadrukt het belang van een uitgebreid, duidelijk, transparant en op mensenrechten gebaseerd beleid en mechanisme voor het onderzoeken, vervolgen en compenseren van schendingen van de mensenrechten die zijn begaan door eerdere regeringen met de verzekering dat de beginselen van de rechtsstaat en eerlijke rechtsbedeling hierbij volledig worden geëerbiedigd;

35.

verzoekt de Georgische overheid om verdere maatregelen te treffen om de fundamentele vrijheden en mensenrechten te handhaven, met name voor kwetsbare groepen, door haatzaaiende taal en discriminatie te bestrijden, ook op de werkvloer door middel van een wijziging van de arbeidswetgeving, tegen LGBTQI, leden van de Roma-gemeenschap, mensen met hiv/aids, personen met een beperking en andere minderheden; vraagt Georgië in het bijzonder om de wetgeving inzake de rechten van personen met een handicap in overeenstemming te brengen met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat in 2014 door het land geratificeerd is; verneemt met instemming dat Georgië het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) heeft geratificeerd en een wet over staatstaal en een nationale strategie voor gelijkheid en integratie heeft aangenomen; roept op tot een snelle tenuitvoerlegging daarvan en de oprichting van een efficiënt monitoringmechanisme;

36.

verzoekt de Georgische overheid om verdere maatregelen te treffen om vrouwen te beschermen tegen alle vormen van geweld, seksueel misbruik en intimidatie op het werk en in openbare ruimten, en om het nog steeds te lage aantal vrouwen in de politiek en op de arbeidsmarkt te verhogen;

37.

vraagt een betere bescherming van de rechten van kinderen, met inbegrip van de preventie van geweld tegen kinderen, en toegang tot onderwijs voor alle kinderen, ook kinderen met een handicap; wijst nogmaals op de verantwoordelijkheid van de Georgische regering om grondig toezicht te houden op de situatie van kinderen in weeshuizen en religieuze wooninstellingen;

38.

herhaalt het belang van vrije en onafhankelijke massamedia, persvrijheid, pluralisme en transparantie van de eigendomssituatie in de media als belangrijke democratische beginselen; stelt met tevredenheid de verbeteringen in Georgië vast die naar voren komen in de door Verslaggevers zonder Grenzen gepubliceerde wereldindex voor persvrijheid 2018; onderstreept de politisering van de media-inhoud; herinnert aan de zaak met betrekking tot de televisiezender Rustavi 2;

Handel en economische samenwerking

39.

is verheugd over de nadruk die gelegd is op het scheppen van banen en op arbeidsrechten met name door de aanneming van de wet over veiligheid op het werk om de dramatische aantallen menselijke slachtoffers van incidenten op het werk effectief aan te pakken; roept het parlement van Georgië op de reikwijdte van de wet te verbreden om uitzonderingen te vermijden; herinnert de Georgische autoriteiten aan de verplichting om de internationale normen voor het arbeidsrecht te eerbiedigen, en benadrukt de behoefte aan een transformatie van het departement voor inspectie van werkomstandigheden tot een volwaardig stelsel voor arbeidsinspectie in te voeren in lijn met IAO-verdragen om de veiligheid op het werk te verbeteren en zwart werk te verminderen; vraagt dat een einde gemaakt wordt aan discriminatie door werkgevers wegens uitoefening van vakbondsrechten; maakt zich zorgen over kinderarbeid en onvoldoende vrijheid van vereniging voor vakbonden; herinnert eraan dat veiligheid op het werk volgens de vereisten van de associatieovereenkomst van cruciaal belang is;

40.

stelt vast dat de EU de grootste handelspartner van Georgië is, bijna een derde van de totale handel vertegenwoordigt, en de belangrijkste donor en grootste bron van buitenlandse directe investeringen is; is verheugd over de tenuitvoerlegging van belangrijke structurele hervormingen gericht op de verbetering van economische en zakelijke omstandigheden, en het maximaliseren van de voordelen die worden geboden door de DCFTA; stelt met tevredenheid vast dat Georgië vooruitgang heeft geboekt bij de aanpassing van zijn wetgeving in handelsgerelateerde gebieden, met inbegrip van sanitaire en fytosanitaire maatregelen, maar vraagt om meer vooruitgang met betrekking tot de voedselveiligheid; beklemtoont het belang van de lopende structurele hervormingen ter verbetering van het investeringsklimaat in Georgië; benadrukt dat de Georgische autoriteiten de gelijkmatige verdeling van de resultaten van de groei van de Georgische economie onder de bevolking moeten waarborgen en de associatieovereenkomst ten uitvoer moeten leggen op een manier die de kmo's ten goede komt;

41.

stelt tevreden vast dat sommige nieuwe producten naar de EU uitgevoerd beginnen te worden, hoewel Georgië nog voornamelijk landbouwproducten en grondstoffen uitvoert; moedigt de Commissie aan om Georgië erbij te helpen vast te stellen welke gebieden voor verdere economische diversificatie kunnen zorgen, en daaraan prioriteit toe te kennen bij de uitvoering van de DCFTA; beveelt echter aan dat Georgië een diversificatiestrategie overweegt ten aanzien van de producten die naar EU-markten worden uitgevoerd;

42.

stelt verheugd vast dat vooruitgang is geboekt op het gebied van openbare aanbestedingen met als plan om tegen 2022 de wetgeving te hebben aangepast; benadrukt het belang van een onafhankelijk en onpartijdig beoordelingsorgaan; dringt erop aan dat de regering van Georgië de transparantie van het openbare aanbestedingsstelsel verbetert, met name door het aantal vrijstellingen van open aanbesteding in de aanbestedingswet te verlagen om het totale volume van directe uitbestedingen zonder concurrentie te verlagen;

43.

is ingenomen met de toetreding van Georgië tot de pan-Euro-mediterrane conventie betreffende oorsprongsregels, waardoor de cumulatie van oorsprong in het kader van de DCFTA mogelijk wordt; spoort Georgië ertoe aan eveneens toe te treden tot de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer;

Energie en andere samenwerkingsgebieden

44.

is verheugd over het lidmaatschap van Georgië van de Energiegemeenschap en de vooruitgang met het oog op de integratie van de energiemarkt van Georgië met die van de EU door middel van convergentie van de regelgeving, in overeenstemming met de associatieovereenkomst en het Energiegemeenschapsverdrag; is ervan overtuigd dat daarmee ook de voorwaarden van een gemeenschappelijke Europese energiemix ter verwezenlijking van de verplichtingen van het Protocol van Parijs inzake de strijd tegen de klimaatverandering, alsook de tiende doelstelling van de agenda voor duurzaamheid 2030 van de Verenigde Naties ter bestrijding van energiearmoede worden ondersteund; dringt er bij de Georgische autoriteiten op aan alle noodzakelijke inspanningen te verrichten om de aanneming van het EU-acquis op energiegebied, alsmede de wetenschappelijke samenwerking en ontwikkeling van vernieuwingen op het gebied van efficiënt energiegebruik en hernieuwbare energie te stimuleren; merkt op dat maatregelen zoals de opname van het Ministerie van Energie in het Ministerie van Economie en Duurzame ontwikkeling genomen moeten worden in nauw overleg met het Georgische parlement;

45.

beveelt aan dat de Georgische overheid een robuuste nationale energiestrategie ontwikkelt, het niveau van de energiesubsidies verlaagt, de energievoorzieningszekerheid en de energieonafhankelijkheid versterkt; moedigt de ontwikkeling van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie aan, evenals de aanneming van de noodzakelijke wetgeving, alsmede een aanpassing van het institutionele kader; beveelt versterking van de functies voor energiedoorvoer aan;

46.

benadrukt de noodzaak van verdere tenuitvoerleggingsinspanningen op het gebied van transport en milieu; dringt erop aan dat de Georgische regering een strategie opstelt voor bestrijding van de luchtvervuiling; roept de Georgische autoriteiten op de betrokkenheid van het publiek bij het besluitvormingsproces rond milieuzaken te verhogen en meer informatie over het milieu te delen om de belangstelling onder het publiek te bevorderen;

47.

herinnert eraan dat milieubeheer een belangrijk deel uitmaakt van de vereisten van de associatieovereenkomst; is verheugd over de inwerkingtreding van de nieuwe regels voor milieueffectbeoordeling in overeenstemming met de EU-wetgeving, evenals over de aanneming van het stappenplan voor het klimaatactieplan; verzoekt om verdere aanpassing van het nationaal milieubeleid aan de EU-doelstellingen ter bestrijding van klimaatverandering, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs van 2015 en, in het bijzonder, om de voltooiing en aanneming van de strategie voor emissiearme ontwikkeling;

48.

merkt op dat Georgië heeft toegezegd multilaterale milieuovereenkomsten in het kader van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, dat verder moet worden verbeterd, doeltreffend ten uitvoer te leggen;

49.

neemt kennis van het plan van de Georgische overheid om meer waterkrachtcentrales te ontwikkelen; roept de Georgische autoriteiten in verband hiermee op de EU-normen aan te nemen en na te leven bij alle projecten, en met name in de belangrijkste stadia van het besluitvormingsproces een open en transparante procedure te hanteren voor het beoordelen van de impact op het milieu waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken;

Institutionele bepalingen

50.

is van mening dat het nuttig zou zijn de Georgische autoriteiten te betrekken vanaf het moment van het opstellen van de relevante wetgeving om het proces inclusiever te maken en om de omzettingskosten voor Georgië te verminderen, en verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van mechanismen voor voorafgaande informatie-uitwisseling;

51.

wijst nogmaals op het voornemen de controle van de tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten met de oostelijke partners van de EU te versterken; dringt er nogmaals bij de Commissie en de EDEO op aan vaker en gedetailleerder schriftelijk verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad over de uitvoering van deze overeenkomsten;

52.

merkt op dat de evaluatie van de uitvoering van de DCFTA sterk gericht is op handelsstromen en handelsbelemmeringen; verzoekt de Commissie om op passende wijze toe te zien op de tenuitvoerlegging van de DCFTA en deze te beoordelen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de omzetting en tenuitvoerlegging van het acquis, alsmede aan de gevolgen voor de Georgische samenleving, en een openbaar en volledig jaarverslag op te stellen, onder meer over de door de EU verstrekte technische en financiële steun;

53.

vraagt de Raad en de Commissie alle mogelijke hefboomeffecten te blijven benutten om Georgië aan te moedigen en bij te staan in zijn inspanningen om de DCFTA doeltreffend uit te voeren, en brengt in herinnering dat een duurzame tenuitvoerlegging van de DCFTA niet alleen afhankelijk kan zijn van EU-bijstand, maar ook vraagt om een onafhankelijk bestuur aan de Georgische kant, met het oog op een bevordering van de toename van de handelsstromen, een beperking van de bureaucratische lasten en de vereenvoudiging van administratieve procedures; vraagt beide zijden micro-, kleine en middelgrote ondernemingen meer steun te verlenen en technische bijstand te verstrekken. spoort de Commissie ertoe aan na te denken over de oprichting van een steungroep voor Georgië, zoals de steungroep die is opgericht voor Oekraïne;

54.

vraagt de EDEO en de Commissie alle jaarlijkse uitvoeringsverslagen over de associatie op hetzelfde moment te publiceren en tegelijkertijd een vergelijkende evaluatie te publiceren van de voortgang bij de uitvoering van de AO/DCFTA door elk van de associatiepartners ten opzichte van specifieke benchmarks;

55.

is voornemens jaarlijkse verslagen op te stellen over de uitvoering van de associatieovereenkomsten;

o

o o

56.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Georgië.

(1)  PB C 294 van 12.8.2016, blz. 31.

(2)  PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.

(3)  PB C 356 van 4.10.2018, blz. 130.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0073.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0266.

(6)  “The electoral reforms in three association countries of the Eastern Neighbourhood — Ukraine, Georgia and Moldova”, Europees Parlement, 26 oktober 2017.

(7)  “Association agreements between the EU and Moldova, Georgia and Ukraine”, Europees Parlement, 28 juni 2018.

(8)  “The Development of an Institutional Framework for the Implementation of the Association Agreements in Georgia, Moldova and Ukraine: a comparative perspective”, Europees Parlement, september 2018.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/58


P8_TA(2018)0458

Uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Moldavië

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Moldavië (2017/2281(INI))

(2020/C 363/08)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 8 en titel V, met name de artikelen 21, 22, 36 en 37, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), alsook het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, die op 1 juli 2016 in werking is getreden,

gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 5 juli 2018 over de politieke crisis in Moldavië naar aanleiding van de ongeldigverklaring van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău (1), van 15 november 2017 over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017 (2), van 4 juli 2017 over toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië (3), en van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten/diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne (4),

gezien de ondertekening in november 2017 van een memorandum van overeenstemming, een leningsovereenkomst en een subsidieovereenkomst inzake microfinanciële bijstand ter waarde van 100 miljoen EUR voor de periode 2017-2018,

gezien het Moldavische nationale actieplan voor de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen Moldavië en de Europese Unie in de periode 2017-2019,

gezien het gezamenlijke werkdocument van de Europese Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over het uitvoeringsverslag van de associatieovereenkomst met Moldavië van 3 april 2018 (SWD(2018)0094),

gezien de gezamenlijke verklaringen van de toppen van het Oostelijk Partnerschap, waarvan de meest recente op 24 november 2017 in Brussel heeft plaatsgevonden,

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Moldavië van 26 februari 2018,

gezien het verslag van Transparency International met als titel “The State of Corruption: Armenia, Azerbaijan, Georgia, Moldova and Ukraine”, gepubliceerd op 2 juli 2015,

gezien de adviezen en aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (ODIHR) en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, met name dat van 15 maart 2018 over de herziening van het kiesstelsel in Moldavië,

gezien de aanbevelingen en werkzaamheden van de Parlementaire Vergadering Euronest, het forum voor het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in Moldavië,

gezien de resultaten van het bezoek van de Commissie Buitenlandse zaken aan Moldavië op 3 en 4 april 2018,

gezien de deskundigenstudies die in opdracht van de Commissie buitenlandse zaken zijn opgesteld, waaronder de studie over de herziening van de kiesstelsels van drie associatielanden in het oostelijk nabuurschap — Oekraïne, Georgië en Moldavië — en de gevolgen daarvan voor de politieke ontwikkelingen in deze landen, gepubliceerd op 26 oktober 2017 (5), de Europese uitvoeringsbeoordeling van de associatieovereenkomsten tussen de EU en Moldavië, Georgië en Oekraïne, gepubliceerd op 28 juni 2018 (6), en de vergelijkende studie over de ontwikkeling van een institutioneel kader voor de uitvoering van de associatieovereenkomsten in Georgië, Moldavië en Oekraïne, gepubliceerd in juli 2018 (7),

gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0322/2018),

A.

overwegende dat de politieke en economische betrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië zijn verdiept in het kader van het Oostelijk Partnerschap en met name met de ondertekening, op 27 juni 2014, en de inwerkingtreding, op 1 juli 2016, van de associatieovereenkomst (AO) EU-Moldavië, die een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) omvat;

B.

overwegende dat de AO is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden, waaronder “[e]erbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden zoals deze zijn vastgesteld in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en gedefinieerd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa van 1990”;

C.

overwegende dat Moldavië zich middels deze overeenkomst heeft verbonden tot ingrijpende binnenlandse hervormingen, op basis van het EU-recht en de EU-praktijk, op uiteenlopende terreinen, ter bevordering van goed bestuur, economische ontwikkeling en nauwere samenwerking met de EU; overwegende dat de EU ter ondersteuning van deze inspanningen heeft toegezegd om Moldavië substantiële financiële en begrotingsbijstand te verlenen, ten belope van 1,14 miljard EUR aan toegewezen middelen sinds 2007, plus financiering voor regionale programma's;

D.

overwegende dat de DCFTA goederen en diensten uit Moldavië geprivilegieerde toegang biedt tot de EU-markt; overwegende dat de handel tussen de EU en Moldavië dankzij de DCFTA in 2017 met 20 % is toegenomen, tot 4 miljard EUR; overwegende dat de EU momenteel de grootste handelspartner van Moldavië is, goed voor 55 % van de totale handel; overwegende dat de EU ook de grootste investeerder in Moldavië is; overwegende dat de eerste cijfers met betrekking tot 2018 deze positieve trend bevestigen; overwegende dat het preferentiebenuttingspercentage van 90 % laat zien hoe profijtelijk de diepe en brede vrijhandelszone is voor Moldavische ondernemingen, werknemers en burgers; overwegende dat er vooruitgang is geboekt op uiterst belangrijke gebieden zoals sanitaire en fytosanitaire maatregelen, technische handelsbelemmeringen, douane en openbare aanbestedingen; overwegende dat er interne adviesgroepen zijn opgericht overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk inzake handel en duurzame ontwikkeling en dat deze tot nu toe drie keer zijn samengekomen;

E.

overwegende dat de EU bovendien, in ruil voor hervormingen in Moldavië op het gebied van justitie en veiligheid, onder meer met betrekking tot corruptiebestrijding, in 2014 heeft ingestemd met visumvrij reizen naar het Schengengebied voor Moldavische burgers die een biometrisch paspoort bezitten; overwegende dat tijdens de eerste twee jaar dat deze regeling ten uitvoer werd gelegd, meer dan 1,5 miljoen Moldavische burgers gebruik hebben gemaakt van visumvrij reizen;

F.

overwegende dat de EU herhaaldelijk haar bezorgdheid heeft geuit over de achteruitgang van de democratische normen ten gevolge van recente besluiten van de Moldavische overheid, zoals de ongeldigverklaring van de lokale verkiezingen in Chișinău in juni 2018, om dubieuze redenen en op niet-transparante wijze, de herziening van het kiesstelsel die in juli 2017 is aangenomen ondanks het negatieve advies het ODIHR en de Commissie van Venetië, het gebrek aan vooruitgang bij de vervolging van de verantwoordelijken voor de bankfraude ten belope van 1 miljard USD die in 2014 aan het licht is gebracht, en het toenemende aantal mensenrechtenschendingen, die met name gericht zijn tegen onafhankelijke rechters, journalisten en politieke tegenstanders;

G.

overwegende dat de EU vanwege die ontwikkelingen in 2017 de laatste twee tranches van het begrotingssteunprogramma voor hervormingen van de justitiële sector niet heeft betaald omdat de Moldavische overheid zich onvoldoende heeft ingespannen voor de hervorming van deze sector, en in 2018 de betaling van de eerste tranche van de macrofinanciële bijstand heeft opgeschort wegens niet-naleving van de politieke voorwaarden bij het besluit van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017, waarin staat dat “als randvoorwaarde voor de toekenning van macrofinanciële bijstand geldt dat het begunstigde land doeltreffende democratische mechanismen eerbiedigt, waaronder een parlementair meerpartijenstelsel en de rechtsstaat, en de eerbiediging van de mensenrechten waarborgt”;

H.

overwegende dat sinds deze besluiten ook recentere ontwikkelingen zorgwekkend waren, met name het in juli 2018 aangenomen pakket belastinghervormingen, dat een belastingamnestieregeling omvat die het risico op witwassen vergroot, en de toegenomen druk die wordt uitgeoefend op de oppositie en haar vreedzame demonstraties en op kleine, onafhankelijke mediakanalen, die moeite hebben om hun werkzaamheden nog te verrichten ondanks de aanneming van de nieuwe wet inzake audiovisuele media in juli 2018;

I.

overwegende dat Transparency International Moldavië in zijn corruptieperceptie-index 2017 op de 122e plaats heeft gezet van 180 landen, samen met Azerbeidzjan en Mali; overwegende dat Moldavië op de wereldindex voor persvrijheid van Reporters Without Borders de 81e plaats inneemt van 180 landen, een daling ten opzichte van plaats 56 in 2014;

Algemene beginselen en gemeenschappelijke waarden

1.

benadrukt het belang van de AO/DCFTA en neemt nota van de beperkte vooruitgang die Moldavië tot op heden heeft geboekt; benadrukt echter dat een volledige uitvoering van de AO/DCFTA, met name wat betreft politieke hervormingen, een topprioriteit moet zijn, waarmee een verdere verdieping van de betrekkingen tussen de EU en het land mogelijk wordt gemaakt, hetgeen alle Moldavische burgers ten goede komt, en waarmee meer perspectief wordt geboden met betrekking tot het Oostelijk Partnerschap-plus-beleid (EaP+-beleid) als voorgestaan door het Parlement;

2.

prijst de moedige actoren voor positieve veranderingen in Moldavië, met name degenen die naar aanleiding van de bankfraude ten belope van 1 miljard USD (12 % van het bbp) in 2014 het voortouw nemen bij de inspanningen om de bankensector te hervormen, die volgens de EU en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) moeten worden voortgezet; is verheugd dat het IMF in juli 2018 een positieve evaluatie heeft gemaakt van de uitvoering van het door het IMF ondersteunde programma; roept Moldavische politici en de Moldavische rechterlijke macht in zijn geheel op om zich bij deze inspanningen aan te sluiten om, in overeenstemming met de toezeggingen in de AO, het land te hervormen en corruptie te bestrijden, aangezien een gebrek aan politieke wil een van de voornaamste knelpunten voor geloofwaardige hervormingen is; roept alle politieke krachten op om een constructieve dialoog te voeren in het belang van het land;

3.

drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechterende houding ten opzichte van democratische normen in Moldavië, waarbij de kernwaarden die Moldavië met name in het kader van de AO heeft onderschreven, zoals democratie — met inbegrip van eerlijke en transparante verkiezingen waarbij de wil van de burgers wordt gerespecteerd en een democratisch meerpartijenstelsel — en de rechtsstaat — met inbegrip van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht — worden ondermijnd doordat de regerende politieke leiders in geheime verstandhouding staan met de zakenwereld en geen tegenstand krijgen van een groot deel van de wetgevende en rechterlijke macht, waardoor de Republiek Moldavië wordt gegijzeld door oligarchische belangen en de economische en politieke macht in handen is van een kleine groep mensen die invloed uitoefenen op het parlement, de regering, politieke partijen, de overheidsdiensten, de politie, de rechterlijke macht en de media, wat er toe leidt dat de wetgeving op zeer onbevredigende wijze ten uitvoer wordt gelegd en nauwelijks ten goede komt aan de burgers; herhaalt dat het vastberaden is te focussen op de nakoming van de toezeggingen om de gemeenschappelijke waarden te respecteren en niet te zwichten voor ongeloofwaardige zogenaamde geopolitieke argumenten;

4.

betreurt de opzettelijke schending van de politieke voorwaarden met betrekking tot democratische normen in Moldavië, met name de recente wijzigingen in de nationale kieswetgeving, waarbij geen gevolg is gegeven aan een aantal van de voornaamste aanbevelingen in het gezamenlijk advies van het ODHIR en de Commissie van Venetië, alsook de schorsing van Dorin Chirtoacă als burgemeester van Chișinău en de ongeldigverklaring van de verkiezing van Andrei Năstase, die de EU ertoe hebben gebracht de uitbetaling van macrofinanciële bijstand en openstaande betalingen van begrotingssteun op te schorten;

5.

blijft op zijn standpunt dat er pas over de toekomstige uitbetaling van macrofinanciële bijstand mag worden beslist na de voor februari 2019 geplande parlementsverkiezingen en op voorwaarde dat deze plaatsvinden in overeenstemming met internationaal erkende normen en worden beoordeeld door gespecialiseerde internationale instanties, en dat de uitbetaling uit alle begrotingsteunprogramma's moet worden opgeschort totdat er daadwerkelijk vooruitgang wordt geboekt op het vlak van democratische normen, met inbegrip van de hervorming van het rechtswezen en gerechtelijke stappen tegen de verantwoordelijken voor de bankfraude, in overeenstemming met de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018; vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden ondertussen verder middelen te herbestemmen voor steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media in Moldavië, alsook aan de particuliere sector en lokale overheden, onder meer in het kader van nieuwe partnerschaps- en ontwikkelingsprojecten, bij voorkeur in coördinatie met bijstand van andere EU-landen, en de inspanningen te coördineren met andere organisaties zoals het IMF om meer samenhang te brengen in de voorwaardelijkheid van de financiële bijstand; wacht met terughoudendheid op de uitkomst van de herziening van de kieswet door de Juridische Commissie voor benoemingen en immuniteiten van het Moldavische parlement; vraagt de Europese Commissie een mechanisme te ontwikkelen om de hervormingen te monitoren, met duidelijke benchmarks;

6.

herinnert aan de inhoud van de artikelen 2 en 455 van de AO, waarin wordt bepaald dat de eerbiediging van democratische beginselen een essentieel onderdeel van de AO vormt, hetgeen in geval deze worden geschonden ook kan leiden tot opschorting van de met deze overeenkomst samenhangende rechten; herhaalt dat er veel inspanningen nodig zijn om te blijven voldoen aan de benchmarks inzake corruptiebestrijding en witwassen; vraagt dat toekomstige overeenkomsten ook afhankelijk worden gemaakt van een hervorming van het rechtswezen en een grondig onderzoek naar en vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn voor de fraude ten belope van 1 miljard USD; herinnert tevens aan de anticorruptie- en antiwitwasbenchmarks die aan het beleid van visumliberalisering verbonden zijn;

Het institutionele kader voor de uitvoering van de overeenkomst

7.

is ingenomen met de aanneming van tal van wetten in overeenstemming met de toezeggingen die Moldavië in het kader van de AO heeft gedaan; onderstreept evenwel hoe belangrijk het is dat die wetten spoedig volledig ten uitvoer worden gelegd om het uiteindelijke doel te bereiken, namelijk dat de AO leidt tot een tastbare en duurzame verbetering van de levensomstandigheden van de gewone burgers in Moldavië;

8.

dringt aan op een grotere betrokkenheid van het parlement, de premier en de minister van Buitenlandse Zaken en Europese Integratie bij de politieke monitoring en controle op hoog niveau van de uitvoering van de AO, met name door een verdere stroomlijning van de desbetreffende parlementaire en overheidsstructuren en een versterking van hun administratieve capaciteit en de coördinatie en synchronisatie van de plannen van de vakministeries en de volledige en doeltreffende uitvoering ervan;

9.

is ingenomen met de oprichting van de interparlementaire assemblee van Georgië, Moldavië en Oekraïne en met de eerste bijeenkomst, die op 8-9 juni 2018 in Kiev is gehouden; spoort deze assemblee aan om ook toe te zien op de uitvoering van de associatieovereenkomsten;

10.

dringt er bij de Moldavische overheid op aan zich meer in te spannen voor de uitvoering van de AO en haar maatregelen — met name via het nationale actieplan voor de uitvoering van de AO zelf — te organiseren per specifieke sector en te behalen resultaten in plaats van per artikel van de AO, teneinde gedetailleerde prioriteiten en een volgorde voor de maatregelen vast te laten stellen door ter zake deskundige afdelingen op basis van effectbeoordelingen;

11.

verzoekt de EDEO en de Commissie om, mits er vooruitgang wordt geboekt met democratische normen, een speciale EU-steungroep voor Moldavië op te zetten teneinde meer expertise te verstrekken, met name wat betreft de aanpassing van de Moldavische wetgeving aan de EU-wetgeving, en, als aan de voorwaarden is voldaan, de verlening van financiële bijstand aan Moldavië ter ondersteuning van de uitvoering van de AO te coördineren;

12.

dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan de interne capaciteit te vergroten om het toezicht op de uitvoering van de AO te verscherpen, met name door de desbetreffende personele middelen aanzienlijk uit te breiden en over te gaan tot een kwalitatieve beoordeling van de vooruitgang, met name door screeningprocessen in te voeren om te beoordelen in hoeverre de door de AO vereiste afstemming op het EU-acquis daadwerkelijk is gerealiseerd;

13.

is ingenomen met de versterkte dialoog op ministersniveau met Moldavië en met andere geassocieerde partners over associatiegerelateerde hervormingen op handelsgebied, en steunt, mits er vooruitgang wordt geboekt met democratische normen, het opzetten van dergelijke dialogen op andere gebieden waarop de AO betrekking heeft, zoals politieke kwesties, justitie, vrijheid en veiligheid en sectorale samenwerking;

14.

herinnert aan en steunt het advies van de Commissie van Venetië over de herziening van het kiesstelsel in Moldavië, dat luidt dat er (afgezien van de steun van de Democratische Partij en de Socialistische Partij) geen consensus bestaat over de overgang naar een gemengd kiesstelsel voor de parlementsverkiezingen en dat deze overgang zou kunnen leiden tot ongewenste beïnvloeding van kandidaten door zakelijke belangen; herhaalt daarom zijn oproep aan de Moldavische overheid om het kiesstelsel te verbeteren teneinde ervoor te zorgen dat toekomstige verkiezingen een afspiegeling zijn van de wil van de Moldavische burgers en niet slechts van een select gezelschap; verzoekt de Moldavische overheid de aanbevelingen van het ODIHR volledig ten uitvoer te leggen, met name wat partijfinanciering en vrije en pluriforme media betreft; herhaalt dat het bereid is waarnemer te zijn bij de volgende parlementsverkiezingen in Moldavië;

Politieke dialoog en hervorming, samenwerking op het gebied van gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

15.

is bezorgd over het feit dat de in juli 2018 aangenomen wet inzake audiovisuele mediadiensten nog op het laatste moment is gewijzigd zonder dat het maatschappelijk middenveld daarover is geraadpleegd; dringt er bij de Moldavische overheid op aan deze wet inzake volledig ten uitvoer te leggen overeenkomstig de Europese normen inzake vrije en pluriforme media, zoals als aanbevolen door de Europese Commissie en de Commissie van Venetië; benadrukt dat het belangrijk is dat het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media daarbij echt worden geraadpleegd en dat er een nieuwe reclamewet wordt aangenomen; benadrukt dat alle pogingen om de pluriformiteit van de media te ondermijnen, en met name om verdere kartelvorming in de mediawereld en de aanverwante reclamemarkt te stimuleren, moeten worden voorkomen; dringt er bij de Moldavische overheid op aan de nieuwe reclamewet aan te nemen na een echte raadpleging van het maatschappelijk middenveld; merkt met bezorgdheid op dat de media momenteel sterk gemonopoliseerd zijn en onderworpen zijn aan politieke en zakelijke belangen in Moldavië; vraagt dat media-eigendom transparant wordt gemaakt en dat onafhankelijke media, met name lokale kanalen, speciale steun krijgen zodat ze kunnen voldoen aan de bepalingen van de mediawet inzake verplichte lokale berichtgeving; benadrukt hoe belangrijk het is dat de regelgevende instantie op mediagebied echt onafhankelijk is;

16.

is ingenomen met de inspanningen om het openbaar bestuur en het beheer van de overheidsfinanciën te hervormen en spoort aan tot verdere stappen om de transparantie te vergroten;

17.

is verheugd over de goede samenwerking op het gebied van het GBVB en met name de hoge mate van afstemming op de GBVB-verklaringen, over de deelname aan missies en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en over de samenwerking tussen Moldavië en de NAVO; stelt vast dat na de intrekking van de nationale veiligheidsstrategie door de president van Moldavië vooruitgang is geboekt met de vaststelling van een nieuwe nationale defensiestrategie en het nieuwe actieplan voor de uitvoering daarvan in de periode 2017-2021; is ingenomen met de inwerkingtreding van de overeenkomst tussen de EU en Moldavië inzake de uitwisseling van gerubriceerde informatie;

18.

prijst de Moldavische overheid voor de toenemende verbetering van de betrekkingen met Tiraspol, met name door de uitvoering van vertrouwenwekkende maatregelen zoals het openen van de brug tussen Gura Bîcului en Bîcioc en het ondertekenen van zes extra protocollen, waardoor het leven van burgers aan beide kanten van de Dnjestr wordt vergemakkelijkt; herhaalt dat de EU resoluut opkomt voor en haar steun toezegt aan de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Moldavië en de inspanningen om de kwestie Transnistrië op vreedzame wijze op te lossen; steunt onvoorwaardelijke de inspanningen van de OVSE, de EU en andere stakeholders en moedigt de autoriteiten aan om met name samen te werken met kmo's uit Transnistrië, deze mate van betrokkenheid verder te verhogen en extra inspanningen te leveren om de mensenrechten te bevorderen en alle uitspraken van het EHRM na te leven; vraagt de Moldavische overheid meer inspanningen te leveren voor de tenuitvoerlegging van een gewijzigde wet inzake de speciale wettelijke status van Gagaoezië;

Rechtsstaat en goed bestuur

19.

dringt er bij de autoriteiten op aan de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en doeltreffendheid te waarborgen van de rechterlijke macht en gespecialiseerde anticorruptie-instellingen, waaronder de hoge raad van aanklagers, het nationale anticorruptiecentrum, het anticorruptiebureau van het openbaar ministerie, de nationale integriteitsinstantie en het agentschap voor terugvordering van criminele vermogensbestanddelen, met name door voldoende middelen te blijven toewijzen om te zorgen voor transparante aanstellingsprocedures met deelname van onafhankelijke en deskundige recruiters, en grondwetswijzigingen aan te nemen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, met name om de initiële benoemingstermijn voor rechters van vijf jaar af te schaffen, de samenstelling van de hoge raad voor de magistratuur te veranderen en de rol ervan te versterken en het Moldavische parlement de bevoegdheid te ontnemen om rechters van het hooggerechtshof te benoemen; is ernstig bezorgd over de selectieve justitiële praktijk van de Moldavische rechterlijke macht en wijst erop dat zij volgens het recentste verslag van Transparency International slechts in beperkte mate onafhankelijk is van de uitvoerende macht en wordt gebruikt als instrument tegen politieke tegenstanders en zakelijke belangen; merkt op hoe belangrijk het is een goede staat van dienst op te bouwen wat betreft onderzoeken naar corruptiezaken, onder meer met betrekking tot hooggeplaatste personen;

20.

is ingenomen met de in juli 2018 aangenomen wetswijzigingen met als doel rechters meer op basis van verdienste te selecteren en te bevorderen en meer verantwoording te laten afleggen;

21.

herhaalt zijn oproepen naar aanleiding van het eerste en tweede rapport-Kroll — die volledig openbaar moeten worden gemaakt — om alle verantwoordelijken voor de in 2014 aan het licht gekomen bankfraude ten belope van 1 miljard USD spoedig en op transparante wijze te vervolgen en de gestolen vermogensbestanddelen terug te vorderen; neemt er nota van dat de Moldavische autoriteiten een strategie voor de terugvordering van vermogensbestanddelen hebben vastgesteld, maar stelt met bezorgdheid vast dat het onderzoek naar deze zaak op weinig doeltreffende wijze is gevoerd; benadrukt dat de rechtbanken concreet bewijsmateriaal niet meer mogen veronachtzamen en de hangende zaken en de zaken waarnaar onderzoek wordt gedaan, met name de zaak-Ilhan Shor, spoedig moeten behandelen in openbare hoorzittingen; benadrukt dat de politieke keuze om de banken met overheidsgeld te redden, het zware verlies aan vertrouwen in de Moldavische politiek nog heeft verergerd; vraagt de Raad persoonlijke sancties te overwegen en vraagt de desbetreffende EU-lidstaten bijstand te verlenen bij het onderzoek;

22.

is bezorgd over het verhoogde risico op witwassen na de overhaaste aanneming in juli 2018 van het zogenoemde “pakket belastinghervormingen”, dat een belastingamnestieregeling omvat waardoor illegaal verkregen vermogensbestanddelen kunnen worden gelegaliseerd; vraagt dat het pakket wordt gewijzigd om dergelijke achterdeurtjes te dichten en is intussen van plan nauwlettend toe te zien op de uitvoering ervan, in coördinatie met de Commissie, de EDEO en andere internationale organisaties;

23.

benadrukt dat ook andere soorten georganiseerde misdaad moeten worden aangepakt en ontmoedigd, zoals wapensmokkel, mensenhandel en grootschalige witwaspraktijken, met name vanuit Rusland; wijst op de verantwoordelijkheid van rechters bij het handhaven van de rechtsstaat en benadrukt dat rechtmatig veroordeelde rechters hun straf moeten uitzitten;

24.

vraagt om, naar het voorbeeld van Oekraïne, directe onlineraadpleging van de elektronische vermogensdeclaraties van belangrijke politici en bestuurders mogelijk te maken;

25.

verzoekt de Moldavische autoriteiten internationale beginselen en best practices in acht te nemen om te zorgen voor een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld; onderstreept de essentiële rol van het maatschappelijk middenveld bij het monitoren van de uitvoering van hervormingen en bij het bevorderen van de transparantie en verantwoordingsplicht van openbare instellingen; verwacht met name dat er in de toekomst geen wetgeving wordt aangenomen die binnen- of buitenlandse financiering van Moldavische ngo's en maatschappelijke organisaties belemmert of die hun administratieve en rapportagelast onnodig verhoogt; betreurt dat de participatie van burgers in een aantal gevallen is beperkt, bijvoorbeeld toen de centrale kiesraad in maart 2018 het verzoek om een referendum te houden over wijzigingen in het kiesstelsel, verwierp;

Eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

26.

is bezorgd over tekenen die wijzen op een verdere inperking van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in Moldavië, en vraagt de autoriteiten onverwijld een eind te maken aan onrechtmatige of onevenredige strafrechtelijke vervolging — soms op basis van valse beschuldigingen — van en selectieve rechtspleging tegen politieke tegenstanders, hun advocaten en/of hun families; hekelt het feit dat monitoring van processen door EU-lidstaten of door de EDEO-delegatie steeds meer wordt bemoeilijkt doordat rechtszaken achter gesloten deuren plaatsvinden; is met name bezorgd over rechtszaken tegen mensenrechtenactivisten, onafhankelijke rechters zoals Domnica Manole en Gheorghe Bălan, journalisten en mensen die kritiek hebben op de regering of de voorzitter van de Democratische Partij van Moldavië, Vladimir Plahotniuc; dringt er bij de autoriteiten op aan het recht op een eerlijk proces en de eerbiediging van de mensenrechten in gevangenissen te garanderen; benadrukt dat er een effectief onderzoek moet worden gevoerd naar vermeende foltering in gevangenissen en psychiatrische instellingen; vraagt de autoriteiten ook de vrijheid van vergadering en meningsuiting te waarborgen, en met name het recht om vreedzame demonstraties te houden, en dit grondrecht strikt te eerbiedigen in overeenstemming met de internationale normen;

27.

is verheugd dat er in 2017 een nieuwe nationale strategie voor gendergelijkheid is aangenomen en vraagt de autoriteiten deze volledig ten uitvoer te leggen;

28.

vraagt de autoriteiten de inspanningen om de mensenrechten en fundamentele vrijheden te beschermen, met name waar het kwetsbare groepen betreft, te intensiveren door haatzaaien, geweld, sociale uitsluiting en discriminatie — die nog steeds zeer zorgwekkend zijn — jegens LGBTQI-personen, personen met een handicap en minderheden zoals de Roma-bevolking, alsook haatzaaien en discriminatie op basis van geslacht of politieke overtuiging, te bestrijden;

29.

veroordeelt ten stelligste de recente uitlevering/ontvoering van Turkse staatsburgers aan Turkije wegens hun vermeende banden met de Gülen-beweging, in strijd met de rechtsstaat en de fundamentele mensenrechten; dringt er bij de Moldavische overheid op aan ervoor te zorgen dat alle uitleveringsverzoeken van derde landen op transparante wijze worden behandeld volgens gerechtelijke procedures die volledig stroken met de Europese beginselen en normen;

Handel en economische samenwerking

30.

is verheugd dat de Moldavische uitvoer naar de EU aanzienlijk is toegenomen als gevolg van de inwerkingtreding van de DCFTA en dat de EU de grootste investeerder in Moldavië is, maar betreurt dat dit niet heeft geleid tot een verbetering van de sociale en economische situatie van de burgers; waarschuwt dat het gebrek aan vooruitgang bij het verbeteren van de levensstandaard van de bevolking de acceptatie door de bevolking van een pro-Europese richting voor het land in gevaar brengt;

31.

benadrukt het belang van een onafhankelijke rechterlijke macht en van corruptiebestrijding, alsook van een vermindering van de administratieve en bureaucratische last om het investerings- en ondernemingsklimaat te verbeteren;

32.

spoort aan tot verdere vooruitgang op het gebied van sanitaire en fytosanitaire normen en bescherming van geografische aanduidingen;

33.

vraagt om een doeltreffende naleving van bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling en internationale verbintenissen, en in het bijzonder om een correcte tenuitvoerlegging van de voornaamste IAO-verdragen.

34.

beschouwt de afstemming van de regelgeving op het EU-acquis als de belangrijkste dimensie van de DCFTA, omdat daadwerkelijke toegang tot de EU-markt en hervormingen sterk afhangen van de correcte tenuitvoerlegging en handhaving van de betreffende wetgeving; is er zich van bewust dat dit een aanzienlijke uitdaging vormt voor het bestuur, de instellingen en de overheidsdiensten in Moldavië, en moedigt de Commissie aan om adequate technische en financiële steun te verlenen;

Energie en andere samenwerkingsgebieden

35.

is ingenomen met de uitvaardiging van de energiewet in 2017 als verdere stap in de omzetting van het derde energiepakket, en spoort ertoe aan concrete stappen te nemen om de onafhankelijkheid van de regelgevende instantie voor energie ANRE te waarborgen; stelt vast dat Moldavië inspanningen heeft geleverd om hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie te bevorderen, en acht het van cruciaal belang dat agro-ecologische landbouwmethoden in het kader van duurzame plattelandsontwikkeling worden bevorderd;

36.

vraagt om meer vastberaden maatregelen op het gebied van milieubescherming, met name met betrekking tot het beheer van water uit de Dnjestr, afvalbeheer en klimaatverandering, vooral wat betreft de tenuitvoerlegging en coördinatie van de wetgeving;

Institutionele bepalingen

37.

vraagt de EU, de lidstaten en Moldavië nog meer aan voorlichting te doen over de uitvoering van de AO en de verwachte voordelen van de betreffende hervormingen en nauwe integratie met de EU voor de burgers van Moldavië; wijst erop dat Russische desinformatie moet worden bestreden door middel van op feiten gebaseerde, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige informatie in de voornaamste talen die in Moldavië worden gebruikt;

38.

herhaalt zijn voornemen om het toezicht op de uitvoering van internationale overeenkomsten met de oostelijke partners van de EU op te schroeven; dringt er nogmaals bij de Commissie en de EDEO op aan vaker en gedetailleerder schriftelijk verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad over de uitvoering van deze overeenkomsten;

39.

is van mening dat het nuttig is om de Moldavische autoriteiten al in de fase van de opstelling van de betreffende wetgeving te betrekken, aangezien het proces daardoor inclusiever wordt en de omzettingskosten voor Moldavië worden verminderd, en vraagt de Commissie ten volle gebruik te maken van de voorafgaande raadplegingen;

40.

merkt op dat in de evaluatie van de uitvoering van de DCFTA sterk wordt gefocust op handelsstromen en handelsbelemmeringen; verzoekt de Commissie de uitvoering van de diepe en brede vrijhandelszone op passende wijze te monitoren en te beoordelen en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de omzetting en tenuitvoerlegging van het acquis, alsook aan het effect op de Moldavische samenleving, en een openbaar en volledig jaarverslag op te stellen, onder meer over de door de EU verstrekte technische en financiële steun;

41.

vraagt de EDEO en de Commissie alle jaarlijkse uitvoeringsverslagen over de associatie op hetzelfde moment te publiceren en tegelijkertijd een vergelijkende evaluatie te publiceren van de voortgang bij de uitvoering van de AO/DCFTA door elk van de associatiepartners ten opzichte van specifieke benchmarks;

42.

is voornemens jaarlijkse verslagen op te stellen over de uitvoering van de associatieovereenkomsten;

o

o o

43.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Moldavië.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0303.

(2)  PB C 356 van 4.10.2018, blz. 130.

(3)  PB C 334 van 19.9.2018, blz. 199.

(4)  PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.

(5)  Studie getiteld “The electoral reforms in three association countries of the Eastern Neighbourhood — Ukraine, Georgia and Moldova”, Europees Parlement, 26 oktober 2017.

(6)  Europese uitvoeringsbeoordeling getiteld “Association agreements between the EU and Moldova, Georgia and Ukraine”, Europees Parlement, 28 juni 2018.

(7)  Studie getiteld “The Development of an Institutional Framework for the Implementation of the Association Agreements in Georgia, Moldova and Ukraine”, Europees Parlement, juli 2018.


Woensdag 15 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/66


P8_TA(2018)0459

Vietnam, met name de situatie van politieke vluchtelingen

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over Vietnam, met name de situatie van politieke gevangenen (2018/2925(RSP))

(2020/C 363/09)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties, met name de resolutie van 14 december 2017 over de vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name de zaak van Nguyen Van Hoa (1), en de resolutie van 9 juni 2016 over Vietnam (2), met name wat betreft de vrijheid van meningsuiting,

gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, die op 27 juni 2012 is ondertekend,

gezien de zevende mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam, die op 1 december 2017 plaatsvond,

gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 9 februari 2018 over de veroordeling van mensenrechtenverdedigers in Vietnam en de verklaring van 5 april 2018 over de veroordeling van mensenrechtenactivisten in Vietnam,

gezien de plaatselijke verklaring van de EU van 20 augustus 2018 over de recente veroordeling van de heer Le Dinh Luong,

gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

gezien de verklaring van deskundigen van de VN van 23 februari 2018, die aandrongen op vrijlating van activisten die gevangen zijn genomen vanwege het feit dat zij protesteerden tegen lozingen van giftige stoffen, en de verklaring van 12 april 2018 van deskundigen van de VN, die na de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers opriepen tot verandering,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) waarbij Vietnam sinds 1982 partij is,

gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2016 in zaak 1409/2014/MHZ betreffende de niet-nakoming door de Europese Commissie van de verplichting om vóór de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam een effectbeoordeling uit te voeren,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat er volgens de Vietnamese databank inzake politieke gevangenen, samengesteld door Project 88, in Vietnam naar schatting 160 activisten een gevangenisstraf uitzitten en ongeveer 16 activisten in voorlopige hechtenis worden gehouden;

B.

overwegende dat de Vietnamese autoriteiten stelselmatig mensenrechtenverdedigers, journalisten, bloggers, mensenrechtenadvocaten en medewerkers van maatschappelijke organisaties in het land arresteren, opsluiten, mishandelen en intimideren; overwegende dat mensenrechtenverdedigers lange gevangenisstraffen hebben gekregen vanwege hun activiteiten op het gebied van de mensenrechten en vanwege het feit dat zij, online of offline, hun recht op vrijheid van meningsuiting hebben uitgeoefend, en dat deze handelwijze van de Vietnamese autoriteiten in strijd is met de op het land rustende verplichtingen uit hoofde van het internationale recht;

C.

overwegende dat politieke activisten en mensenrechtenverdedigers in gevangenschap onder zeer slechte omstandigheden leven, geen toegang hebben tot medische zorg of rechtshulp en evenmin contact mogen hebben met hun familie;

D.

overwegende dat de vrijheid van godsdienst en overtuiging in Vietnam wordt onderdrukt en dat de katholieke kerk en niet-erkende godsdiensten, zoals de verenigde boeddhistische kerk van Vietnam, diverse protestante kerken en andere groeperingen, waaronder de etnische minderheidsgroep de Montagnards, nog altijd lijden onder religieuze vervolging;

E.

overwegende dat Hoang Duc Binh is veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf vanwege zijn blogs over protesten naar aanleiding van de Formosa-ramp; overwegende dat Nguyen Nam Phong veroordeeld is tot twee jaar gevangenisstraf vanwege het negeren van bevelen van overheidsfunctionarissen terwijl hij onderweg was naar een demonstratie; overwegende dat hun inspanningen zeer belangrijk zijn geweest om de aandacht te vestigen op de lozingen van de staalfabriek Formosa en het ter verantwoording roepen van de personen die schuldig zijn aan de ramp;

F.

overwegende dat leden van de Vietnamese broederschap voor democratie in april 2018 in het kader van een operatie gericht op strikte handhaving van de bepalingen van het wetboek van strafrecht inzake nationale veiligheid veroordeeld zijn tot gevangenisstraffen tussen de zeven en vijftien jaar; overwegende dat in september 2018 een ander lid van deze groep, Nguyen Trung Truc, werd veroordeeld tot twaalf jaar cel omdat hij schuldig werd bevonden aan pogingen tot ondermijning van de staat;

G.

overwegende dat de heer Le Dinh Luong, een mensenrechtenverdediger die zich op vreedzame wijze inzet voor de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, op 16 augustus 2018 op grond van de bepalingen van het wetboek van strafrecht inzake nationale veiligheid is veroordeeld tot twintig jaar cel en vijf jaar huisarrest; overwegende dat vertegenwoordigers van de EU-delegatie en de ambassades van de EU-lidstaten geen toestemming kregen om dit proces bij te wonen; overwegende dat er in Vietnam veel meer mensenrechtenverdedigers en andere gewetensgevangenen zijn die in dezelfde omstandigheden verkeren;

H.

overwegende dat een groep deskundigen van de VN, de speciale rapporteur voor de situatie van mensenrechtenverdedigers, de voorzitter-rapporteur van de werkgroep van de VN inzake willekeurige detentie en de speciale rapporteur inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting er op 12 april 2018 bij Vietnam op hebben aangedrongen niet hardhandig op te treden tegen maatschappelijke organisaties, en dissidenten niet het zwijgen op te leggen;

I.

overwegende dat het wetboek van strafrecht van Vietnam repressieve bepalingen bevat die worden misbruikt om mensenrechtenactivisten, dissidenten, advocaten, vakbonden, religieuze groeperingen en ngo’s, met name als zij zich kritisch opstellen ten opzichte van de Vietnamese regering, het zwijgen op te leggen, te arresteren, gevangen te zetten, te veroordelen of te beperken in hun activiteiten;

J.

overwegende dat de Vietnamese regering onafhankelijke en particuliere media verbiedt om actief te zijn en zeer strenge controle uitoefent op radio- en televisiestations en de gedrukte pers; overwegende dat de Nationale Assemblee in april 2016 een wet heeft aangenomen die de persvrijheid in Vietnam sterk beperkt;

K.

overwegende dat de Nationale Assemblee van Vietnam op 12 juni 2018 een wet inzake cyberveiligheid heeft aangenomen die ten doel heeft het onlinetoezicht aan te scherpen, en op grond waarvan providers posts die als een bedreiging voor de nationale veiligheid worden beschouwd moeten verwijderen; overwegende dat deze wet de vrijheid van meningsuiting via internet in ernstige mate beperkt en ten doel heeft het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te beperken;

L.

overwegende dat op 1 januari 2018 een volledig nieuwe wet inzake geloof en godsdienst in werking is getreden, waarin is bepaald dat alle religieuze groeperingen in Vietnam zich moeten laten registreren en de autoriteiten in kennis moeten stellen van hun activiteiten; overwegende dat de autoriteiten verzoeken om registratie kunnen belemmeren en afwijzen en religieuze activiteiten die zij in strijd achten met het nationaal belang, de openbare orde of de nationale eenheid op arbitraire wijze kunnen verbieden; overwegende dat de inmenging van de regering in religieuze aangelegenheden en het staatstoezicht op religieuze organisaties door middel van deze wet nu zijn geïnstitutionaliseerd;

M.

overwegende dat Vietnam op de index voor persvrijheid 2018 van verslaggevers zonder grenzen op de 175e plaats staat van in totaal 180 landen;

N.

overwegende dat Vietnam nog altijd de doodstraf uitvoert, maar dat het aantal executies onbekend is, omdat de Vietnamese autoriteiten de statistieken met betrekking tot de doodstraf als staatsgeheim bestempelen; overwegende dat het aantal misdrijven waarop de doodstraf staat in januari 2018 werd teruggebracht van 22 naar 18;

O.

overwegende dat Vietnam een aantal belangrijke verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie nog niet heeft geratificeerd, met name verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, verdrag nr. 105 betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid en verdrag nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht;

P.

overwegende dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam een belangrijk platform is voor een permanente omvattende dialoog over onderwerpen die de EU aan het hart gaan, zoals de volledige eerbiediging van het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vrijheid van vreedzame vergadering; overwegende dat de betrekkingen tussen de Europese Unie en Vietnam gebaseerd moeten zijn op eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat en op de naleving van de internationale normen ter zake;

Q.

overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, in het kader waarvan beide partijen hebben toegezegd hun verplichtingen op het gebied van de mensenrechten na te leven;

1.

veroordeelt de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in Vietnam, onder meer door het politiek intimideren, onder gericht toezicht stellen, lastigvallen, mishandelen en op oneerlijke wijze voor de rechter brengen en veroordelen van politieke activisten, journalisten, bloggers, dissidenten en mensenrechtenverdedigers wegens de uitoefening van hun recht op vrije meningsuiting online dan wel offline, waarmee Vietnam zijn internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten overduidelijk niet nakomt;

2.

roept de Vietnamese autoriteiten op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenverdedigers en gewetensgevangenen die gevangen zitten of veroordeeld zijn omdat zij slechts hun recht op vrije meningsuiting hebben uitgeoefend, waaronder Hoang Duc Binh, Nguyen Nam Phong, Nguyen Trung Truc en Le Dinh Luong, en om alle aanklachten tegen hen te laten vallen;

3.

roept de Vietnamese autoriteiten nogmaals op om alle beperkingen voor en intimidatie van mensenrechtenverdedigers te beëindigen en in alle omstandigheden te garanderen dat zij hun legitieme activiteiten op het gebied van de mensenrechten kunnen uitvoeren zonder angst voor represailles en zonder enige beperking, met inbegrip van gerechtelijke intimidatie; roept de regering van Vietnam op om alle beperkingen voor de vrijheid van godsdienst op te heffen en een einde te maken aan de intimidatie van religieuze gemeenschappen;

4.

dringt er bij de Vietnamese regering op aan ervoor te zorgen dat alle gevangenen worden behandeld overeenkomstig de internationale normen op dit gebied; benadrukt dat het recht op toegang tot advocaten, medische beroepsbeoefenaren en familieleden een belangrijke waarborg is tegen foltering en mishandeling, en van cruciaal belang is voor het recht op een eerlijk proces;

5.

veroordeelt het misbruik van repressieve wettelijke bepalingen die de fundamentele rechten en vrijheden beperken; roept de Vietnamese autoriteiten op alle repressieve wetten in te trekken, te herzien of te wijzigen, met name het wetboek van strafrecht, de wet inzake cyberveiligheid en de wet inzake geloof en godsdienst, en ervoor te zorgen dat alle wetgeving in overeenstemming is met de internationale normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, met inbegrip van het ICCPR, waarbij Vietnam partij is; roept de regering op om de wetgeving betreffende openbare bijeenkomsten en demonstraties in overeenstemming te brengen met het recht van vrije vergadering en vereniging;

6.

roept Vietnam op alle relevante mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, alsmede de IAO-verdragen nr. 87, nr. 98 en nr. 105 te ondertekenen en te ratificeren;

7.

dringt er bij Vietnam op aan een permanente uitnodiging te richten tot de speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, met name de speciale rapporteur voor de vrijheid van mening en meningsuiting en de speciale rapporteur voor mensenrechtenactivisten;

8.

roept de autoriteiten van Vietnam op om onafhankelijke vakbonden te erkennen;

9.

dringt er bij de EU op aan toezicht te houden op en samen te werken met de autoriteiten en alle relevante belanghebbenden om de mensenrechtensituatie in Vietnam te verbeteren;

10.

herhaalt dat het onder alle omstandigheden tegenstander van de doodstraf blijft; verzoekt de Vietnamese autoriteiten op om een onmiddellijk moratorium in te stellen op de toepassing van de doodstraf, en dit te beschouwen als een stap in de richting van volledige afschaffing; roept de Vietnamese autoriteiten op om alle doodvonnissen te herzien om ervoor te zorgen dat de desbetreffende processen in overeenstemming zijn met de internationale normen;

11.

roept de EDEO en de Commissie op steun te verlenen aan groepen en individuen uit het maatschappelijk middenveld die zich actief inzetten voor de mensenrechten in Vietnam, onder meer door in alle contacten die zij met de Vietnamese autoriteiten onderhouden aan te dringen op de vrijlating van mensenrechtenactivisten en gewetensgevangenen; dringt er bij de EU-delegatie in Hanoi op aan passende steun te verlenen aan de gevangen gezette mensenrechtenverdedigers en gewetensgevangenen, onder meer door het organiseren van gevangenisbezoeken, het volgen van processen en het verlenen van juridische bijstand;

12.

roept de lidstaten van de EU op tot het opvoeren van hun inspanningen om aan te dringen op concrete verbeteringen van de mensenrechten in Vietnam, onder meer tijdens de komende universele periodieke doorlichting van Vietnam in de VN-Mensenrechtenraad;

13.

herhaalt zijn oproep tot een verbod in de hele EU op de uitvoer, de verkoop, het up-to-date houden en het onderhoud van elke vorm van veiligheidsapparatuur die kan worden of wordt gebruikt voor binnenlandse repressie, met inbegrip van internet-bewakingstechnologie, naar landen met een zorgwekkende mensenrechtenstatus;

14.

is ingenomen met het versterkte partnerschap en de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam en herinnert aan het belang van de mensenrechtendialoog als een belangrijk instrument dat op efficiënte wijze kan worden gebruikt om Vietnam te begeleiden en aan te moedigen bij de uitvoering van de noodzakelijke hervormingen; dringt er bij de Commissie sterk op aan de vooruitgang in het kader van de mensenrechtendialoog te volgen door de invoering van benchmarks en toezichtmechanismen;

15.

verzoekt de Vietnamese regering en de EU, als belangrijke partners, om zich ertoe te verbinden de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Vietnam te verbeteren, omdat dit een belangrijk element is in de bilaterale betrekkingen tussen Vietnam en de Unie, met name in het licht van de ratificatie van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam en de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam;

16.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische state (ASEAN), de regering en de Nationale Assemblee van Vietnam, de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 73.

(2)  PB C 86 van 6.3.2018, blz. 122.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/70


P8_TA(2018)0460

De mensenrechtensituatie in Cuba

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de mensenrechtensituatie in Cuba (2018/2926(RSP))

(2020/C 363/10)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Cuba, met name die van 17 november 2004 over Cuba (1), van 2 februari 2006 over het EU-standpunt ten aanzien van de Cubaanse regering (2), van 21 juni 2007 over Cuba (3), van 11 maart 2010 over gewetensgevangenen in Cuba (4) en van 5 juli 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van een overeenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba (5), anderzijds en de goedkeuring daarvan door het Parlement,

gezien de verkiezing van Miguel Díaz-Canel als nieuwe president door de Cubaanse Nationale Volksmachtvergadering op 19 april 2018,

gezien de op 17 maart 2017 uitgebrachte bevindingen van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen over Cuba,

gezien Advies 59/2018 van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie over Ariel Ruiz Urquiola, die door Amnesty International als gewetensgevangene wordt beschouwd, aangenomen tijdens de 82e zitting van 20 t/m 24 augustus 2018,

gezien de universele periodieke doorlichtingen (UPR's) van Cuba die de VN-Mensenrechtenraad in mei 2013 en mei 2018 heeft uitgevoerd,

gezien het verslag van Human Rights Watch 2017 over Cuba en de verklaring van Erika Guevara-Rosas, directeur Amerika's bij Amnesty International, van 27 juli 2018 over de eerste 100 dagen van de nieuwe Cubaanse regering,

gezien de maandelijkse verklaringen van de Cubaanse Commissie voor mensenrechten en nationale verzoening (CCDHRN),

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en andere internationale mensenrechtenverdragen en -instrumenten,

gezien de Cubaanse grondwet,

gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die Cuba heeft ondertekend,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de mensenrechten deel uitmaken van de politieke dialogen en de samenwerkings- en handelsovereenkomsten van de EU; overwegende dat de ondeelbaarheid van de mensenrechten, met inbegrip van burgerrechten, politieke, economische, sociale en culturele rechten, een van de belangrijkste doelstellingen van de EU in haar betrekkingen met Cuba moet zijn;

B.

overwegende dat het Parlement op 5 juli 2017 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba (PDCA); overwegende dat in de PDCA duidelijk uiting wordt gegeven aan de grote bezorgdheid van het Parlement over de mensenrechtensituatie in Cuba en dat de overeenkomst een schorsingsclausule bevat in geval van schending van de bepalingen over mensenrechten;

C.

overwegende dat de mensrechtendialoog tussen de EU en Cuba, onder leiding van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, in 2015 van start is gegaan; overwegende dat de partijen bij de vierde mensenrechtendialoog tussen de EU en Cuba op 9 oktober 2018 onder meer aandacht hebben besteed aan burgerparticipatie in openbare aangelegenheden, onder meer in het kader van recente verkiezingsprocessen, alsook aan de vrijheid van vereniging en meningsuiting en de mogelijkheid voor mensenrechtenverdedigers en andere maatschappelijke organisaties om zich vrijelijk te verenigen, hun mening te uiten en deel te nemen aan het openbare leven; overwegende dat het voor het Parlement niet duidelijk is of deze bijeenkomst iets heeft opgeleverd; overwegende dat er, ondanks het opzetten van de mensenrechtendialoog en de herverkiezing van Cuba in de VN-Mensenrechtenraad voor de periode 2017-2019, geen tastbare resultaten zijn bereikt wat de mensenrechten in Cuba betreft; overwegende dat de politieke dialoog ook een rechtstreekse, intensieve dialoog met het maatschappelijk middenveld en met de oppositie moet omvatten, zonder beperkingen;

D.

overwegende dat de Cubaanse regering nog steeds weigert het toezicht op de mensenrechten als een legitieme activiteit te erkennen en lokale mensenrechtengroeperingen een juridische status ontzegt;

E.

overwegende dat er op 24 februari 2019 een grondwettelijk referendum is gepland; overwegende dat er het bij de opstelling van de nieuwe grondwet geen echt nationaal overleg wordt gepleegd, zodat de Communistische Partij haar machtige rol behoudt in een samenleving zonder meerpartijenstelsel, fundamentele vrijheden en politieke en burgerrechten, waardoor de gecentraliseerde staatseigendom en de gecontroleerde economie nog worden versterkt; overwegende dat het eenpartijstelsel in artikel 3 “onherroepelijk” wordt verklaard en dat artikel 224 bepaalt dat het de huidige en toekomstige generaties verboden is de onomkeerbaarheid van het socialisme en het huidige politieke en sociale systeem te veranderen; overwegende dat ook andere bepalingen in het ontwerp zeer zorgwekkend lijken;

F.

overwegende dat onafhankelijke journalisten, vreedzame dissidenten en mensenrechtenactivisten die mensenrechtenschendingen documenteren — en die meestal leden van de democratische oppositie zijn — in Cuba worden vervolgd, willekeurig worden vastgehouden of in de gevangenis zitten; overwegende dat volgens de CCDHRN in oktober 2018 ten minste 202 willekeurige kortstondige arrestaties zijn verricht van vreedzame opposanten en activisten van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, ongetwijfeld om politieke redenen, omdat zij hun fundamentele recht van meningsuiting, vergadering en politieke vereniging hadden uitgeoefend;

G.

overwegende dat een van hen dr. Eduardo Cardet is, een nationale coördinator van de Christelijke Bevrijdingsbeweging (MCL), die tot drie jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens vreedzame uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat hij in november 2016 is gearresteerd toen hij terugkwam van een reis naar Miami; overwegende dat dr. Cardet, die als gewetensgevangene wordt beschouwd, momenteel wordt vastgehouden in de Cuba Sí-gevangenis in Holguín, waar hij in eenzame opsluiting zit, zonder recht op familiebezoek of telefoontjes;

H.

overwegende dat Tomas Núñez Magdariaga, lid van de officieuze politieke oppositiegroepering Patriottische Unie van Cuba (UNPACU) 62 dagen lang in hongerstaking is gegaan en dankzij internationale druk op 15 oktober 2018 is vrijgelaten; overwegende dat de heer Magdariaga schuldig is bevonden aan bedreiging van een staatsambtenaar, die uiteindelijk heeft toegegeven de aanklacht tegen hem te hebben verzonnen; overwegende dat zijn zaak weer een duidelijk voorbeeld is van pogingen om mensen met afwijkende ideeën het zwijgen op te leggen;

I.

overwegende dat de Dames in het Wit in oktober 2018 opnieuw de voornaamste slachtoffers van politieke onderdrukking waren en dat een aantal leden van het Verenigde Antitotalitaire Forum (FANTU) in verschillende provincies van het land werden onderdrukt;

J.

overwegende dat alle gevangen in Cuba humaan moeten worden behandeld; overwegende dat de Cubaanse regering onafhankelijke mensenrechtengroeperingen de toegang tot gevangenissen ontzegt; overwegende dat Cubaanse burgers geen recht hebben op een eerlijk proces, zoals het recht op een eerlijke en openbare behandeling van hun zaak door een bevoegde en onpartijdige rechtbank; overwegende dat gevangenen die voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld, vaak het slachtoffer zijn van voortdurende intimidatie door de autoriteiten;

K.

overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie duidelijk heeft verklaard dat Cubaanse slachtoffers van willekeurige detentie het recht hebben om verhaal te zoeken bij de regering, met inbegrip van restitutie, compensatie, rehabilitatie, genoegdoening en garanties dat het niet opnieuw zal gebeuren;

L.

overwegende dat er tekenen zijn van meer respect voor de vrijheid van godsdienst in Cuba; overwegende dat de Cubaanse autoriteiten tegelijkertijd nog steeds zeer restrictief zijn ten aanzien van de bouw of wederopbouw van christelijke kerken; overwegende dat de Kerk geleidelijk aan is uitgegroeid tot de grootste speler van het maatschappelijk middenveld en de belangrijkste niet-gouvernementele sociale dienstverlener in Cuba, maar dat haar activiteiten nog steeds onder strenge controle van de autoriteiten staan;

M.

overwegende dat nauwere politieke en economische betrekkingen met Cuba de politieke hervormingen in het land vooruit zouden kunnen helpen, overeenkomstig de aspiraties van al zijn burgers; overwegende dat liberalisering van de economie en de handel het land in staat zou moeten stellen om geleidelijk aan werk te maken van de sociale vrijplaatsen, co-existentie, technologie en communicatie die de Cubaanse bevolking waardeert en wenst;

N.

overwegende dat het Parlement zijn Sacharovprijs voor de vrijheid van denken drie keer aan Cubaanse activisten heeft uitgereikt, namelijk aan Oswaldo Payá in 2002, de Dames in het Wit in 2005 en Guillermo Fariñas in 2010; overwegende dat het nog steeds regelmatig gebeurt dat laureaten van de Sacharovprijs wordt belet het land te verlaten en deel te nemen aan internationale events;

O.

overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft gevraagd of het officiële delegaties naar Cuba mocht sturen; overwegende dat de Cubaanse autoriteiten telkens weer de toegang tot het land hebben geweigerd, zelfs na de sluiting van de PDCA;

1.

veroordeelt ten stelligste de willekeurige opsluitingen, vervolgingen, pesterijen en aanvallen op vreedzame dissidenten, onafhankelijke journalisten, mensenrechtenactivisten en de politieke oppositie in Cuba; vraagt dat er onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan deze daden en dat alle politieke gevangenen, met inbegrip van Eduardo Cardet, en degenen die willekeurig worden vastgehouden louter omdat ze hun vrijheid van meningsuiting en vergadering hebben uitgeoefend, onmiddellijk worden vrijgelaten;

2.

vraagt de EU-lidstaten, de EDEO en zijn delegatie in Cuba om ten aanzien Cuba stevig vast te houden aan hun grondbeginselen en beleid en de nodige maatregelen te nemen om bovengenoemde personen vrij te krijgen, ervoor te zorgen dat er onmiddellijk een einde komt aan de intimidatie van politieke tegenstanders en mensenrechtenactivisten, en hen te helpen en te beschermen;

3.

vraagt de Cubaanse autoriteiten de omstandigheden in de gevangenissen en de behandeling van gevangenen te verbeteren, en internationale mensenrechtengroeperingen en onafhankelijke Cubaanse organisaties toegang tot de Cubaanse gevangenissen te verlenen; benadrukt dat de vervolging en opsluiting van dissidenten wegens hun idealen en hun vreedzame politieke activiteiten in strijd is met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens;

4.

betreurt dat de situatie van de mensenrechten en de democratie ondanks de aangenomen PDCA niet is verbeterd; dringt erop aan dat de bindende verplichtingen die in de PDCA tussen de EU en Cuba zijn vastgesteld, worden nageleefd, met name wat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden betreft; benadrukt dat het welslagen van deze overeenkomst afhangt van de tenuitvoerlegging en inachtneming ervan;

5.

herinnert eraan dat de PDCA een bepaling betreffende de schorsing van de overeenkomst bevat die moet worden toegepast bij schending van de bepalingen over mensenrechten; dringt er daarom op aan dat de Europese Unie de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Cuba nauwlettend volgt en monitort bij de tenuitvoerlegging van de PDCA en dat er regelmatig verslag wordt uitgebracht aan het Parlement; verzoekt hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter Federica Mogherini het Parlement in de plenaire vergadering gedetailleerd te informeren over de concrete maatregelen die worden genomen om aan bovengenoemde eis te voldoen;

6.

dringt er bij de Cubaanse regering op aan haar mensenrechtenbeleid te herdefiniëren door het in overeenstemming te brengen met het internationaal recht inzake de mensenrechten, en actieve deelname van alle maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen aan het politieke en maatschappelijke leven mogelijk te maken, zonder beperkingen op te leggen; vraagt Cuba zijn voornemen om “zich te houden aan de hoogste normen met betrekking tot de bevordering en bescherming van de mensenrechten” te bevestigen door het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en de facultatieve protocollen daarbij te ratificeren;

7.

herinnert de Cubaanse autoriteiten eraan dat de vrijheid van beweging en vergadering wordt gewaarborgd door het internationaal recht inzake de mensenrechten en dat die vrijheid ook geldt voor activisten en leden van de democratische oppositie;

8.

veroordeelt ten stelligste de aanneming van decreet 349, dat het recht op artistieke vrijheid in Cuba ondergraaft; vraagt de Cubaanse autoriteiten de nodige wetgevende maatregelen te nemen om decreet 349 in te trekken voordat het in december 2018 in werking treedt; benadrukt dat vrijheid van artistieke expressie essentieel is voor een levensvatbare en levendige culturele sector die banen kan scheppen, culturele sectoren kan ontwikkelen en cultureel erfgoed nieuw leven kan inblazen;

9.

vraagt de Cubaanse regering op te houden met het opleggen van internetcensuur en het blokkeren van internetsites louter om politieke kritiek in te perken en de toegang tot informatie te beperken;

10.

staat volledig achter de op 17 maart 2017 uitgebrachte bevindingen van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen over Cuba, waarin Cuba wordt opgeroepen de nodige maatregelen te nemen om de volledige onafhankelijkheid van zijn rechtsstelsel te waarborgen en een onafhankelijk nationaal instituut voor de mensenrechten op te richten overeenkomstig de beginselen van Parijs;

11.

is zeer bezorgd over de nieuwe ontwerpgrondwet en het voor februari 2019 geplande referendum; benadrukt dat er in het hele proces geen sprake is van opname van of verdraagzaamheid en respect voor fundamentele burgerrechten en politieke rechten die een democratisch constitutioneel proces zouden kunnen waarborgen; herhaalt in dit verband dat het vastbesloten is om een proces van overgang naar een pluralistische democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden aan te moedigen, met deelname van alle actoren, zonder enige uitsluiting, zoals vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, alsook een duurzaam economisch herstel dat tot doel heeft de levensstandaard van de Cubaanse bevolking te verbeteren, overeenkomstig de aspiraties van het Cubaanse volk; verzoekt de bevoegde Cubaanse autoriteiten in de nieuwe grondwet te bepalen dat er vrije en pluralistische verkiezingen worden gehouden;

12.

dringt er bij de Europese instellingen en de lidstaten op aan om de economische en politieke transitie in Cuba naar een volledig democratisch staatsbestel dat de grondrechten van alle burgers eerbiedigt, te ondersteunen; steunt het gebruik van de verschillende EU-instrumenten voor buitenlands beleid, met name het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), om de dialoog van de EU met het maatschappelijk middenveld in Cuba en met degenen die een vreedzame transitie in Cuba steunen, te versterken;

13.

roept de Cubaanse autoriteiten op om de doodstraf voor alle misdrijven af te schaffen; vraagt dat er een moratorium op de doodstraf komt totdat deze wetswijziging formeel is aangenomen; vraagt dat alle doodvonnissen worden herzien om ervoor te zorgen dat de betreffende rechtszaken aan de internationale normen voldoen en dat in de toekomst geen enkele executie meer plaatsvindt;

14.

vraagt de Cubaanse regering kerken toe te staan hun sociale activiteiten in de Cubaanse samenleving vrijelijk uit te oefenen; vraagt dat de vrijheid van godsdienst en geweten volledig wordt gewaarborgd;

15.

vraagt hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter Federica Mogherini het bestaan van een politieke oppositie tegen de Cubaanse regering te erkennen en de opname daarvan in de politieke dialoog tussen de EU en Cuba te steunen; herinnert de Europese instellingen eraan dat het maatschappelijk middenveld en mensen die de Sacharovprijs hebben gekregen, belangrijke actoren zijn voor de democratisering van Cuba en dat hun stem moet worden gehoord en in aanmerking moet worden genomen in het kader van de bilaterale betrekkingen; vraagt in dit verband alle vertegenwoordigers van de EU-lidstaten om problemen met de mensenrechten aan de orde te stellen bij bezoeken aan de Cubaanse autoriteiten, en de laureaten van de Sacharovprijs te ontmoeten wanneer zij Cuba bezoeken, teneinde de interne en externe samenhang van het mensenrechtenbeleid van de EU te waarborgen;

16.

betreurt ten zeerste dat de Cubaanse autoriteiten weigeren om commissies, delegaties en sommige fracties van het Europees Parlement toe te staan Cuba te bezoeken, ondanks het feit dat het Parlement zijn goedkeuring heeft gehecht aan de PDCA; vraagt de autoriteiten onmiddellijk toegang tot het land te verlenen, met inbegrip van de mogelijkheid om het land te bezoeken wanneer het voor 24 februari 2019 geplande grondwettelijk referendum wordt gehouden;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en de Nationale Volksmachtvergadering van Cuba, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de regeringen van de lidstaten van de Celac-landen.

(1)  PB C 201 E van 18.8.2005, blz. 83.

(2)  PB C 288 E van 24.11.2006, blz. 81.

(3)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 377.

(4)  PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 82.

(5)  PB C 334 van 19.9.2018, blz. 99.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/75


P8_TA(2018)0461

De mensenrechtensituatie in Bangladesh

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de mensenrechtensituatie in Bangladesh (2018/2927(RSP))

(2020/C 363/11)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh van 6 april 2017 (1) en 26 november 2015 (2),

gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh (3), en gezien het technische statusrapport van de Commissie van 28 september 2018,

gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector (4),

gezien de samenwerkingsovereenkomst van 2001 tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling (5),

gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,

gezien het Duurzaamheidspact ter continue verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

gezien het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen in Bangladesh van 2013, en de verlenging ervan in 2018,

gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring die de missiehoofden van de EU-lidstaten, de delegatie van de Europese Unie en de missiehoofden van Noorwegen en Zwitserland op 27 september 2018 hebben afgelegd over de Bengalese wet inzake digitale beveiliging,

gezien het nationale verslag van 26 februari 2018 dat is voorgelegd voor de universele periodieke doorlichting (UPR) van Bangladesh door de VN-Mensenrechtenraad,

gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen dat de Algemene Vergadering van de VN op 20 december 2006 heeft aangenomen en dat op 23 december 2010 in werking is getreden,

gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, die de VN-Mensenrechtenraad op 16 juni 2011 heeft goedgekeurd,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

gezien het nationale actieplan voor de uitbanning van kinderhuwelijken 2015-2021 van Bangladesh,

gezien de aanbevelingen van de 17e zitting van het Permanente VN-Forum voor inheemse zaken (UNPFII),

gezien de wereldindex voor persvrijheid 2018,

gezien de Bengalese wet inzake digitale beveiliging van 2018,

gezien de Bengalese wet inzake informatie- en communicatietechnologie (ICT), en met name deel 57 daarvan,

gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren van 12 mei 2014 inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de EU en Bangladesh reeds lang betrekkingen onderhouden, onder andere in de vorm van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling; overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten en democratische beginselen ten grondslag liggen aan het binnenlandse en buitenlandse beleid van beide partijen en een essentieel onderdeel van het extern EU-optreden moeten uitmaken;

B.

overwegende dat de onderdrukking van leden van het maatschappelijk middenveld, waaronder politieke activisten, vakbondslui, journalisten, studenten, mensenrechtenverdedigers en minderheden, de afgelopen jaren is toegenomen in Bangladesh; overwegende dat mensenrechtendeskundigen van de VN en internationale mensenrechtenorganisaties hebben bericht dat in Bangladesh een duidelijk patroon waarneembaar is van buitengerechtelijke executies, massale willekeurige arrestaties en gedwongen verdwijningen, zoals in de gevallen van Maroof Zaman en Mir Ahmad Bin Quasem;

C.

overwegende dat Bangladesh de 146e plaats inneemt van de 180 plaatsen op de wereldindex voor persvrijheid; overwegende dat schendingen van fundamentele vrijheden en mensenrechten, en met name geweld, pesterijen, intimidatie en censuur jegens journalisten en bloggers, nog steeds schering en inslag zijn in Bangladesh; overwegende dat de Bengalese ICT-wet, en met name deel 57 daarvan, de afgelopen jaren is aangewend voor het arresteren en vervolgen van activisten en journalisten die kritiek uitten op de regering;

D.

overwegende dat de wet inzake digitale beveiliging die het parlement van Bangladesh op 19 september 2018 heeft aangenomen, deel 57 van de ICT-wet ongewijzigd heeft gelaten, ondanks de vele kritiek van Bengalese journalisten, mensenrechtenactivisten en de internationale gemeenschap;

E.

overwegende dat de internationaal erkende en bekroonde Bengalese persfotograaf Shahidul Alam, tevens leraar en activist, op 5 augustus 2018 uit zijn huis is ontvoerd en op grond van de ICT-wet is opgesloten nadat hij zich over recente studentenprotesten in Bangladesh had uitgelaten en kritiek had gespuid op het gebruik van geweld door de autoriteiten; overwegende dat hij nog altijd vastzit en dat zijn vrijlating op borgtocht meermaals werd geweigerd; overwegende dat hij geen passende medische verzorging zou krijgen en zou zijn gefolterd;

F.

overwegende dat de overheid als gevolg van terroristische aanslagen een strenge nultolerantie hanteert; overwegende dat de mobiele netwerken in Bangladesh zijn stilgelegd en dat de Bengalese veiligheidstroepen naar verluidt elektronisch bewakingsmaterieel trachten aan te schaffen op de internationale markt; overwegende dat de regering van Bangladesh is begonnen met een campagne van intensief en indringend toezicht op en observatie van de sociale media;

G.

overwegende dat er op 30 december 2018 verkiezingen zullen plaatsvinden in Bangladesh; overwegende dat oppositieleidster en voormalig premier Khaleda Zia momenteel 10 jaar gevangenisstraf uitzit wegens corruptie en bijgevolg niet aan de verkiezingen kan deelnemen; overwegende dat zij de beschuldigingen ontkent, die volgens haar aanhangers politiek gemotiveerd waren;

H.

overwegende dat vrouwen en meisjes in Bangladesh met veel geweld te maken krijgen; overwegende dat Bangladesh het hoogste percentage kinderhuwelijken in Azië kent en wereldwijd een van de hoogste; overwegende dat de regering van Bangladesh in 2017 de wet ter beperking van kinderhuwelijken heeft aangenomen, maar dat die in “speciale gevallen” in uitzonderingen voorziet en geen criteria noch een minimumleeftijd voor dergelijke huwelijken bevat;

I.

overwegende dat in Bangladesh voor tal van misdrijven de doodstraf kan worden toegepast; overwegende dat in 2017 zes mensen werden terechtgesteld;

J.

overwegende dat er dit jaar een toename is gemeld van gevallen van geweld, met name tegen inheemse vrouwen, alsook van intimidatie en arrestatie van verdedigers van de rechten van inheemse volken in de regio Chittagong Hill Tracts;

K.

overwegende dat de EU de belangrijkste handelspartner van Bangladesh is en dat Bangladesh als een van de minst ontwikkelde landen (MOL) profiteert van de gunstigste regeling binnen het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP), namelijk de “alles behalve wapens”-regeling;

L.

overwegende dat Bangladesh naar verwachting in 2024 de status van minst ontwikkeld land ontgroeid zal zijn; overwegende dat in de tussenliggende jaren versnelde hervormingen inzake mensenrechten en arbeidsrechten, met inbegrip van de uitbanning van kinderarbeid, nodig zijn; overwegende dat er bezorgdheid blijft bestaan over bepalingen in de Bengalese arbeidswetgeving en het wetsontwerp inzake exportproductiezones;

M.

overwegende dat in het kader van het duurzaamheidspact het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen in Bangladesh is gesloten tussen mondiale kledingmerken, detailhandelaren en vakbonden; overwegende dat tot dusver minder dan de helft van de fabrieken waarop het akkoord van toepassing is, passende veiligheidsmaatregelen hebben getroffen; overwegende dat het akkoord in oktober 2018 is afgelopen, hoewel er nog veel werk moet worden verzet; overwegende dat het akkoord is opgevolgd door een overgangsakkoord dat drie jaar zal gelden;

N.

overwegende dat het akkoord moet worden ondersteund en dat alle partijen de mogelijkheid moeten krijgen hun werk vlot voort te zetten, ook na november 2018; overwegende dat de regering van Bangladesh en haar Coördinatiecel Sanering slechts eenmaal met woord en daad hebben aangetoond dat ze aan de voorwaarden inzake paraatheid voldoen en dat dit soort initiatieven op het gebied van verantwoord ondernemen misschien niet langer nodig is;

O.

overwegende dat Bangladesh in 2018 een massale instroom van meer dan 700 000 Rohingya te verwerken kreeg die op de vlucht waren voor een etnische zuiveringscampagne door de Birmese strijdkrachten en nog steeds ernstig behoefte hebben aan humanitaire bijstand; overwegende dat Bangladesh en Myanmar op 30 oktober 2018 overeenstemming hebben bereikt om medio november te beginnen met de repatriëring van Rohingya naar Myanmar, zonder raadpleging of betrokkenheid van het VN-Vluchtelingenbureau (UNHCR);

1.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechterende mensenrechtensituatie in Bangladesh en met name de voortdurende beknotting van de vrijheid van meningsuiting en vergadering jegens de media, studenten, activisten en de oppositie; veroordeelt dat mensen worden gearresteerd en het slachtoffer zijn van geweld omdat zij hun recht op vrije meningsuiting gebruiken om kritiek te uiten op de regering; is uiterst bezorgd over meldingen dat het gebruik van foltering schering en inslag wordt;

2.

merkt op dat Bangladesh in de universele periodieke doorlichting door de VN van mei 2018 wordt geprezen voor zijn “aanzienlijke vooruitgang” inzake verbetering van de mensenrechten in de afgelopen jaren; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan de aanbevelingen van de universele periodieke doorlichting uit te voeren, met name op het vlak van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, burgerrechten en politieke rechten, mediavrijheid, economische, sociale en culturele rechten, en de rechten van vrouwen en meisjes;

3.

vraagt de Bengalese autoriteiten onafhankelijke onderzoeken in te stellen naar meldingen van buitengerechtelijke executies, gedwongen verdwijningen en het gebruik van buitensporig geweld, met inbegrip van de zaken van Maroof Zaman en Mir Ahmad Bin Quasem, en de verantwoordelijken overeenkomstig de internationale normen voor de rechter te brengen; verzoekt Bangladesh voorts het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen te ratificeren en de bepalingen ervan in het nationale recht op te nemen;

4.

vraagt de Bengalese autoriteiten Shahidul Alam onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, alle aanklachten tegen hem te laten vallen en hem de mogelijkheid te geven zijn legitieme mensenrechtenwerk voort te zetten; benadrukt dat de Bengalese autoriteiten alle nodige maatregelen moeten treffen om de lichamelijke en geestelijke integriteit en veiligheid van Shahidul Alam en zijn gezin te waarborgen en ervoor te zorgen dat Shahidul Alam tijdens zijn gevangenschap wordt behandeld op een wijze die strookt met de internationale beginselen en normen; roept de Bengalese autoriteiten ertoe op onmiddellijk een openbaar onderzoek in te stellen naar de beweringen dat Shahidul Alam is gefolterd, en de daders voor de rechter te brengen;

5.

spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de ICT-wet, niet alleen omdat die al ernstige gevolgen heeft gehad voor het werk van journalisten, bloggers en commentatoren, maar ook omdat de rechtmatige uitoefening van de vrijheid van meningsuiting door personen, ook op de sociale media, ermee wordt bestraft; is van mening dat deel 57 van de ICT-wet onverenigbaar is met de grondrechten van vrije meningsuiting en het recht op een eerlijk proces;

6.

betreurt ten zeerste de beslissing van de regering om de wet inzake digitale beveiliging vast te stellen omdat de politie hierdoor meer macht krijgt om met harde hand op te treden tegen vrije meningsuitingen, ook op de sociale media, in de aanloop naar de nationale verkiezingen in 2018; verzoekt de Bengalese autoriteiten de wet inzake digitale beveiliging en de ICT-wet dringend te herzien en ze in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtenverdragen waarbij Bangladesh partij is;

7.

hoopt dat de volgende algemene verkiezingen vreedzaam en transparant verlopen en een hoge opkomst kennen zodat de burgers een werkelijke politieke keuze kunnen maken; verzoekt de politieke krachten zich tijdens de verkiezingsperiode te onthouden van iedere vorm van geweld of aanzetting tot geweld;

8.

is erkentelijk voor de constructieve rol die Bangladesh onder moeilijke omstandigheden heeft gespeeld door Rohingya-vluchtelingen te willen opvangen; dringt er bij de autoriteiten op aan meer land ter beschikking te stellen om de overbevolking en de erbarmelijke omstandigheden in de kampen tegen te gaan; dringt er bij de autoriteiten op aan de bureaucratische beperkingen die zij aan humanitaire organisaties opleggen, te versoepelen; dringt er bij de regeringen van Bangladesh en Myanmar op aan onmiddellijk terug te komen op het besluit om te beginnen met de repatriëring van Rohingya-vluchtelingen, daar de voorwaarden voor een veilige, waardige en vrijwillige terugkeer nog niet vervuld zijn;

9.

verzoekt de EU en andere internationale donoren zich meer in te spannen om de nodige financiële en materiële hulp te verlenen voor de Rohingya-vluchtelingenkampen in Bangladesh;

10.

dringt erop aan dat Bangladesh voldoet aan zijn verplichtingen in het kader van de “alles behalve wapens”-regeling met betrekking tot democratie, mensenrechten en de rechtsstaat;

11.

roept nogmaals op tot afschaffing van de doodstraf in Bangladesh;

12.

uit zijn ernstige bezorgdheid over de nietigverklaring van het overgangsakkoord dat op 30 november 2018 in werking zou moeten treden; merkt op dat de Coördinatiecel Sanering nog niet de capaciteit heeft om toe te zien op voorschriften inzake gezondheid en veiligheid en deze af te dwingen, wat ernstige gevolgen heeft voor de veiligheid en de rechten van fabrieksarbeiders; verzoekt de regering van Bangladesh met klem het overgangsakkoord onmiddellijk te erkennen en ten uitvoer te leggen en een grotere bereidheid te tonen om alle functies van het akkoord over te nemen; verzoekt de donoren de regering van Bangladesh te steunen om dit mogelijk te maken; verzoekt voorts de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om met de Coördinatiecel Sanering verder te werken aan capaciteitsopbouw;

13.

vraagt de regering van Bangladesh wijzigingen door te voeren in de Bengalese arbeidswetgeving en de uitvoeringsvoorschriften daarvan om ze in overeenstemming te brengen met de internationale arbeidsnormen van de IAO, en de volledige vrijheid van vereniging mogelijk te maken; verzoekt de regering van Bangladesh de nodige maatregelen te nemen om alle gevallen van vakbondsdiscriminatie, met inbegrip van geweld en intimidatie, doeltreffend aan te pakken;

14.

spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat de wet ter beperking van kindhuwelijken uit 2017 weliswaar bepalingen over een betere preventie en over de vervolging van de daders bevat, maar ook een bepaling die in bijzondere omstandigheden een huwelijk onder de leeftijd van 18 jaar mogelijk maakt met ouderlijke toestemming en toestemming van de rechter; vraagt om met het oog op kinderbescherming deze lacune dringend te dichten;

15.

dringt er bij de Bengalese autoriteiten op aan mensenrechtenvraagstukken te blijven aanpakken; merkt op dat mensenrechtenkwesties verder zullen worden besproken tijdens de bijeenkomst van de gemengde commissie EU-Bangladesh, in de eerste helft van 2019 in Dhaka;

16.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, en de regering en het parlement van Bangladesh.

(1)  Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over Bangladesh, met inbegrip van kinderhuwelijken (PB C 298 van 23.8.2018, blz. 65).

(2)  Resolutie van het Europees Parlement van 26 november 2015 over de vrijheid van meningsuiting in Bangladesh (PB C 366 van 27.10.2017, blz. 135).

(3)  PB C 331 van 18.9.2018, blz. 100.

(4)  PB C 298 van 23.8.2018, blz. 100.

(5)  PB L 118 van 27.4.2001, blz. 48.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/80


P8_TA(2018)0464

Zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid (2018/2077(INI))

(2020/C 363/12)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld “Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen” (COM(2017)0252),

gezien het voorstel van de Commissie van 26 april 2017 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (COM(2017)0253),

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (1),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 1, 3, 5, 27, 31, 32, 33 en 47,

gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat op 18 december 1979 in New York is aangenomen,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), dat door de Europese Unie en al haar lidstaten is geratificeerd,

gezien duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) nr. 5: het bereiken van gendergelijkheid en het versterken van de positie van alle vrouwen en meisjes, en met name subdoelstelling 5.4: het erkennen en naar waarde schatten van onbetaalde zorg en thuiswerk door middel van de verstrekking van openbare diensten, het creëren van infrastructuur en het vaststellen van beleid inzake sociale bescherming en het bevorderen van gedeelde verantwoordelijkheden binnen het gezin en de familie, zoals passend is voor elk land,

gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 10 mei 2018 over de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen,

gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2017 over het versterken van gemeenschapsgebaseerde ondersteuning en zorg voor zelfstandig leven,

gezien de conclusies van de Raad over opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen (2),

gezien de conclusies van het voorzitterschap na de Europese Raad in Barcelona op 15 en 16 maart 2002,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2017 getiteld “EU-actieplan 2017-2019 — De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken” (COM(2017)0678),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld “The Strategic engagement for gender equality 2016-2019”, en met name hoofdstuk 3.1 getiteld “Increasing female labour-market participation and the equal economic independence of women and men” (SWD(2015)0278),

gezien het verslag van de Commissie van 8 mei 2018 over de ontwikkeling van kinderopvangfaciliteiten voor jonge kinderen met het oog op een verbetering van de arbeidsparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en het ontstaan van duurzame en inclusieve groei in Europa (de “doelstellingen van Barcelona”) (COM(2018)0273),

gezien het verslag van de Commissie van 29 mei 2013 over de doelstellingen van Barcelona: “Ontwikkeling van opvangdiensten voor jonge kinderen in Europa met het oog op een duurzame en inclusieve groei” (COM(2013)0322),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 februari 2011 getiteld “Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen” (COM(2011)0066),

gezien de routekaart van de Commissie over Quality in Early Childhood Education and Care (Ares(2018)1505951),

gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 met als titel “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (3),

gezien de mededelingen van de Commissie van of 3 maart 2010 getiteld “Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020), van 20 februari 2013 getiteld “Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020” (COM(2013)0083) en van 26 april 2017 getiteld “De oprichting van een Europese pijler van sociale rechten” (COM(2017)0250),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2014 inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (COM(2014)0332),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU (4),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof (5),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven (6),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (7),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU (8),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement (9),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving (10),

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2010 over atypische arbeidsovereenkomsten, verzekerde beroepstrajecten, flexizekerheid en nieuwe vormen van sociale dialoog (11),

gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020),

gezien het voorstel van de Commissie van 22 mei 2018 voor een aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit voor jonge kinderen (COM(2018)0271) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie van dezelfde datum (SWD(2018)0173),

gezien de index voor gendergelijkheid van het Europees instituut voor gendergelijkheid voor 2015 en het verslag uit 2015 van dit instituut getiteld “Reconciliation of work, family and private life in the European Union: Policy review”,

gezien het verslag van Eurofound van 7 december 2011 getiteld “Company initiatives for workers with care responsibilities for disabled children or adults”,

gezien het achtergronddocument van Eurofound van 14 juli 2013 getiteld “Caring for children and dependants: effect on careers of young workers”,

gezien het verslag van Eurofound van 17 juni 2014 getiteld “Residential care sector: Working conditions and job quality”,

gezien het verslag van Eurofound van 22 oktober 2015 getiteld “Working and caring: Reconciliation measures in times of demographic change”,

gezien het overzichtsverslag van Eurofound van 17 november 2016 over de zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden,

gezien de studie van Eurofound van 28 november 2017 getiteld “Care homes for older Europeans: Public, for-profit and non-profit providers”,

gezien de enquête van Eurofound van 23 januari 2018 getiteld “Europese enquête over de kwaliteit van het bestaan 2016: Kwaliteit van het bestaan, kwaliteit van openbare diensten en kwaliteit van de samenleving”,

gezien het gezamenlijk verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Europese Commissie van 10 oktober 2014 getiteld: “Adequate social protection for long-term care needs in an ageing society”,

gezien het gezamenlijk verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Europese Commissie van 7 oktober 2016 over stelsels van gezondheidszorg en langdurige zorg en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016 over de rechten van inwonende zorgverleners (12),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 oktober 2014 over de ontwikkeling van gezinsondersteunende diensten ter verhoging van de arbeidsparticipatie en bevordering van gendergelijkheid op het werk (13),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 mei 2010 over professionalisering van huishoudelijk werk (14),

gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid over de gendergelijkheidsindex 2017: “Measuring gender equality in the European Union 2005-2015”,

gezien de studies van zijn directoraat-generaal Intern Beleid van maart 2016 getiteld “Differences in men's and women's work, care and leisure time” en november 2016 getiteld “The use of funds for gender equality in selected Member States”,

gezien de publicatie van het WeDo-project uit 2012 getiteld “European Quality Framework for Long-term Care Services: Principles and guidelines for the wellbeing and dignity of older people in need of care and assistance”,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0352/2018),

A.

overwegende dat overeenkomstig artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten gelijkheid van mannen en vrouwen een van de kernwaarden is waarop de Unie berust; overwegende dat de Unie er overeenkomstig artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen; overwegende dat er op het gebied van gendergelijkheid desondanks slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt;

B.

overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten, gezamenlijk afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017, belangrijke beginselen omvat en ten doel heeft nieuwe rechten voor de burgers van de Unie te waarborgen, waaronder gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen, ondersteuning van kinderen en inclusie van personen met een handicap, en dat de EU-instellingen en de lidstaten deze rechten unaniem steunen; overwegende dat het negende beginsel van de pijler van sociale rechten inzake het evenwicht tussen werk en privéleven als volgt luidt: “ouders en mensen met zorgtaken hebben recht op geschikte vormen van verlof, flexibele werkregelingen en toegang tot zorgvoorzieningen”;

C.

overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de hele Europese Unie bijna 12 % lager ligt dan die van mannen en dat 31,5 % van de werkende vrouwen in deeltijd werkt, terwijl dat bij mannen slechts 8,2 % is; overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen nog altijd op 12 % ligt; overwegende dat er bewijs is dat een van de belangrijkste redenen hiervoor is dat vrouwen onevenredig veel zorgtaken hebben; overwegende dat het cumulatieve effect van de verschillende loopbaanonderbrekingen bij vrouwen ten gevolge van zorgtaken er in belangrijke mate toe bijdraagt dat vrouwen lagere lonen en een kortere loopbaan hebben en dat de genderloonkloof op 16 % ligt en de genderpensioenkloof op 37 %; overwegende dat vrouwen hierdoor meer risico lopen op armoede en sociale uitsluiting en dat de negatieve gevolgen daarvan zich uitstrekken tot hun kinderen en familieleden; overwegende dat het belangrijk is dat de arbeidsparticipatiekloof, de genderloonkloof en de genderpensioenkloof gedicht worden, omdat de economische verliezen die daaruit voortvloeien oplopen tot 370 miljard euro per jaar; overwegende dat de verstrekking van zorgdiensten ook een oplossing kan bieden voor tekorten aan arbeidskrachten;

D.

overwegende dat de term “zorg” opgevat moet worden als werkzaamheden die door een persoon binnen een openbare of particuliere instelling of in een huishouden of huishoudens worden uitgevoerd ten behoeve van kinderen, ouderen, zieken of personen met een handicap; overwegende dat zorgtaken in ideale omstandigheden worden verricht door professionele zorgverleners die in dienst zijn bij openbare of particuliere entiteiten of gezinnen, of die als zelfstandige werken, maar ook vaak informeel en zonder betaling worden verricht door niet-professionele zorgverleners, meestal familieleden;

E.

overwegende dat vrouwen meer dan drie keer zoveel tijd besteden aan onbetaald huishoudelijk werk en zorgtaken dan mannen, en dat dit met name het geval is bij stellen waarvan het jongste kind jonger is dan zeven jaar, en dat vrouwen gemiddeld 32 uur per week betaald werk verrichten en 39 uur onbetaald werk, terwijl mannen gemiddeld 41 uur per week betaald werk en 19 uur per week onbetaald werk verrichten;

F.

overwegende dat volgens cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in 2010 wereldwijd ongeveer 52 miljoen mensen werkzaam waren in de sector huishoudelijk werk en zorgverlening, en dat nog eens 7,4 miljoen kinderen onder de 15 jaar werkzaam waren als huishoudelijk personeel, hetgeen neerkomt op 5 à 9 % van alle banen in de geïndustrialiseerde landen;

G.

overwegende dat banen in de zorgsector in veel lidstaten slecht betaald worden, dat deze vorm van werk vaak verricht wordt zonder formele arbeidsovereenkomst en dat andere fundamentele arbeidsrechten vaak niet gewaarborgd worden, en dat deze banen vaak weinig aantrekkelijk zijn vanwege het verhoogde risico op fysieke en emotionele stress, het gevaar van een burn-out, en het gebrek aan carrièremogelijkheden; overwegende dat de sector weinig opleidingskansen biedt en dat er in deze sector overwegend ouderen, vrouwen en migranten werkzaam zijn;

H.

overwegende dat ondersteunende maatregelen, zoals het Zweedse systeem van belastingaftrek voor huishoudelijke diensten of de Franse en Belgische “dienstencheques” voor huishoudelijk en verzorgend personeel, hun doeltreffendheid bewezen hebben als het gaat om het verminderen van zwartwerk, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het waarborgen van de reguliere arbeidsrechten van huishoudelijk personeel en mensen die werkzaam zijn in de zorg;

I.

overwegende dat uit gegevens blijkt dat 80 % van de zorg in de EU wordt verstrekt door onbetaalde mantelzorgers, en dat 75 % daarvan vrouwen zijn; overwegende dat 27,4 % van de vrouwen die deeltijdwerk verrichten, daartoe hebben besloten omdat zij moesten zorgen voor kinderen of hulpbehoevende ouderen, tegenover 4,6 % van de mannen (15); overwegende dat het niet zo moet zijn dat mantelzorgers moeten kiezen tussen hun zorgtaken en ontspanning, omdat mensen die werken sowieso een evenwicht moeten zien te vinden tussen hun verschillende verantwoordelijkheden en de manier waarop zij hun tijd invullen;

J.

overwegende dat uit bepaalde nationale statistieken blijkt dat 6 à 7 % van de zorgverleners in de EU-lidstaten jonger is dan 17 jaar en dat er in de leeftijdsgroep 15 tot 24 jaar vijf keer zoveel vrouwen als mannen zijn met zorgtaken; overwegende dat jonge verzorgers soms enorme verantwoordelijkheden dragen omdat zij zorg, bijstand en steun verlenen aan een ouder, broer/zus of grootouder of ander familielid met een handicap, een chronische ziekte of geestelijke gezondheidsproblemen; overwegende dat jonge verzorgers vaak op belemmeringen stuiten bij de toegang tot onderwijs en scholing en moeite hebben om school en zorgtaken te combineren, hetgeen ook gevolgen heeft voor hun gezondheid en de mogelijkheden die zij hebben om in hun levensonderhoud te voorzien;

K.

overwegende dat er in een aantal lidstaten van de EU een gebrek is aan professionele zorgdiensten van goede kwaliteit die voor iedereen, ongeacht inkomen, toegankelijk zijn;

L.

overwegende dat veel hulpbehoevende familieleden wonen in gebieden waar diensten ontbreken, en door hun isolement of andere omstandigheden moeilijk toegang krijgen tot professionele zorgdiensten; overwegende dat er voor deze personen vaak alleen maar niet-professionele verzorgers, veelal vrouwelijke familieleden, beschikbaar zijn;

M.

overwegende dat Europa te maken heeft met demografische veranderingen die leiden tot een steeds groter aantal gevallen van leeftijdsgerelateerde ziekten en vergrijzing, en dat daardoor de zorgbehoeften toenemen; overwegende dat de verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen in tijden van toenemende zorgbehoeften veelal ongelijk is, en dat vrouwen vanwege de stereotype genderrollen die nog altijd in de Europese samenleving verankerd zijn, de zwaarste lasten dragen; overwegende dat het toenemende aantal ouderen, het dalende aantal personen in de werkende leeftijd en de besparingen op overheidsbegrotingen grote gevolgen hebben voor de sociale dienstverlening, en dus ook voor personen die, vaak onder moeilijke omstandigheden, hun werk moeten combineren met zorgtaken;

N.

overwegende dat de bevolking van de EU volgens prognoses verder zal vergrijzen en dat het percentage personen van 65 jaar of ouder zal stijgen van 17,1 % in 2008 naar 30 % in 2060 en dat in dezelfde periode het percentage personen van 80 jaar of ouder zal stijgen van 4,4 % naar 12,1 %;

O.

overwegende dat ouderen een meer dan gemiddeld risico lopen op armoede en dat in 2008 ongeveer 19 % van alle personen van 65 jaar of ouder risico liepen op armoede, terwijl dat in 2000 nog op 17 % lag; overwegende dat dit aantal bij vrouwen 5 % hoger ligt dan bij mannen;

P.

overwegende dat ouderen soms te maken krijgen met leeftijdsdiscriminatie en seksisme en dat mishandeling van ouderen, in diverse zorgsettings, een sociaal probleem is dat voorkomt in alle lidstaten;

Q.

overwegende dat de meeste nationale beleidsmodellen voor zorgvoorzieningen op dit moment onvoldoende zijn om tegemoet te komen aan de behoeften van de vergrijzende samenleving van de Unie, en dat de meeste lidstaten met hun beleid en hun initiatieven op het gebied van zorg tot op heden niet voldoende inspelen op demografische veranderingen;

R.

overwegende dat het aantal opvangvoorzieningen voor ouderen de afgelopen tien jaar weliswaar in bijna alle lidstaten is gestegen, maar dat er nog altijd onvoldoende mogelijkheden voor zelfstandig wonen zijn, en onvoldoende zorgondersteunende diensten; herinnert eraan dat er een dringende behoefte is aan meer investeringen in voorzieningen voor langdurige zorg, hetzij gemeenschapsgebaseerde zorg, hetzij in de vorm van thuiszorg, omdat eenieder het recht heeft op zelfstandig leven, ondersteunende diensten en maatschappelijke integratie; overwegende dat dit belangrijke onderdeel van de zorginfrastructuur moeilijk te controleren en te beoordelen is door een gebrek aan uitgesplitste gegevens op nationaal niveau, waaronder gegevens over financiële investeringen, en door een gebrek aan kwaliteitsindicatoren, en het dus tevens moeilijk is om aanbevelingen te doen voor de besluitvorming;

S.

overwegende dat de doelstellingen van Barcelona, te weten het waarborgen van kinderopvang voor ten minste 33 % van de kinderen jonger dan drie jaar (streefcijfer 1) en voor ten minste 90 % van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd (streefcijfer 2), sinds 2002 in slechts twaalf lidstaten zijn bereikt, en dat de percentages in een aantal lidstaten verontrustend laag liggen;

T.

overwegende dat de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt een grotere behoefte doet ontstaan aan betaalbare kinderzorg van hoge kwaliteit en dat de vraag naar plaatsen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen in Europa groter is dan het aanbod; overwegende dat uit gegevens blijkt dat de opvang van kinderen van nul tot drie jaar in meer dan de helft van alle lidstaten voornamelijk op deeltijdbasis plaatsvindt (minder dan dertig uur per week); overwegende dat het met het oog op volledige arbeidsmarktparticipatie van vrouwen noodzakelijk is dat er ook voltijdse kinderopvang beschikbaar is, zodat tegemoetgekomen wordt aan de behoefte aan kinderopvang tijdens de werkuren van ouders;

U.

overwegende dat er een gebrek is aan toereikende voorzieningen voor hoogwaardige, voor alle inkomensgroepen toegankelijke kinderopvang, hetgeen blijkt uit het feit dat er in de EU ruim 32 miljoen kinderen onder de leerplichtige leeftijd zijn, waarvan slechts 15 miljoen toegang hebben tot onderwijs en opvang voor jonge kinderen (16), en dat de overheidsuitgaven voor kinderopvang in de lidstaten voornamelijk bedoeld zijn voor de opvang van kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd; overwegende dat de investeringen uit alle sectoren moeten worden verhoogd, omdat uit gegevens over de OESO-landen blijkt dat door een hoger percentage van het bbp in de gezondheidszorg te investeren, de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt; overwegende dat investeren in kinderopvang een win-winsituatie oplevert en extra belastinginkomsten genereert vanwege de verhoogde participatie van ouders op de arbeidsmarkt; overwegende dat goed onderwijs voor en goede opvang van jonge kinderen niet alleen een aanvulling vormen op de centrale rol van het gezin, maar ook veel korte- en langetermijnvoordelen hebben voor afzonderlijke personen en voor de samenleving in haar geheel, bijvoorbeeld voor personen uit een sociaaleconomisch kansarme omgeving of personen met speciale onderwijsbehoeften, en een doeltreffende bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van ongelijkheden waar kinderen al vanaf jonge leeftijd mee te maken kunnen krijgen, en aan de voorkoming van vroegtijdig schoolverlaten;

V.

overwegende dat het bieden van onderwijs aan jonge kinderen een doeltreffende investering is waarmee de basis wordt gelegd voor een succesvol proces van levenslang leren en waarmee de ongelijkheden en de problemen waarmee kansarme kinderen worden geconfronteerd, worden aangepakt;

W.

overwegende dat er in de EU meer dan 80 miljoen personen met een handicap zijn en dat dit aantal oploopt en dat een op de vier Europeanen een familielid heeft met een handicap; overwegende dat de Unie in 2011 partij is geworden bij het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en zich er aldus toe heeft verbonden de rechten van personen met een handicap te bevorderen en te beschermen; overwegende dat er de laatste tijd, in het licht van deze rechten en gelet op de behoeften van personen met een handicap van welke leeftijd dan ook, een verschuiving heeft plaatsgevonden van institutionele naar gemeenschapsgebaseerde zorg voor personen met een handicap;

X.

overwegende dat uit hoofde van artikel 19 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap elke persoon met een handicap het recht heeft om zelfstandig te wonen en deel uit te maken van de maatschappij, hetgeen inhoudt dat personen met een handicap recht hebben op zelfstandige huisvesting en op ondersteunende diensten die tegemoetkomen aan de behoeften van personen met een handicap;

Y.

overwegende dat het voor kinderen en volwassenen met laagfunctionerend autisme vaak zeer moeilijk is om hun dagelijkse taken zelfstandig uit te voeren en dat deze groep dus in het algemeen bij de meeste activiteiten hulp nodig heeft;

Z.

overwegende dat langdurige zorg en kinderopvang vaak niet serieus worden genomen en dat beroepen in deze sector in veel lidstaten weinig zichtbaar zijn en laag staan aangeschreven, hetgeen ook tot uiting komt in lage lonen, een onevenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen en slechte arbeidsomstandigheden;

AA.

overwegende dat voor banen in de formele opvang en in de thuiszorg geschoold personeel nodig is, dat naar behoren wordt betaald (17); overwegende dat gewaarborgd moet worden dat er voldoende gekwalificeerde zorgverleners zijn, omdat de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige formele zorgdiensten voor kinderen, ouderen en personen met een handicap onmogelijk is zonder goede arbeidsverhoudingen, behoorlijke lonen en investeringen in de personen die deze diensten verrichten, bijvoorbeeld investeringen in scholing voor personen die werkzaam zijn in de kinderopvang; overwegende dat professionele arbeidsverhoudingen voor zorgverleners een positief effect hebben op het vermogen van deze zorgverleners om een evenwicht te vinden tussen hun werk en hun privéleven;

AB.

overwegende dat degenen die gebruikmaken van langdurige zorg zich soms geen particuliere zorg kunnen veroorloven, omdat particuliere zorg vaak duurder is dan door de overheid verstrekte zorg; overwegende dat vrouwen vanwege de genderloonkloof en de genderpensioenkloof altijd zwaarder getroffen worden dan mannen, omdat de kosten voor langdurige zorg een groter deel van hun inkomsten beslaan;

AC.

overwegende dat er berichten zijn dat met name personen uit een kansarme omgeving, zoals personen uit gezinnen met een laag inkomen, personen uit plattelandsgebieden of kinderen van etnische minderheden of met een migrantenachtergrond, problemen ondervinden als de beschikbaarheid van goede zorgdiensten slechts beperkt is;

Context op het gebied van het evenwicht tussen werk en privéleven

1.

merkt op dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen veel groter wordt als er kinderen komen, waaruit blijkt dat het voor vrouwen moeilijk is om de opvoeding van en de zorg voor kinderen te combineren met hun werk, en dat dit te wijten is aan een ontoereikende infrastructuur voor openbare zorg en aan het feit dat de taakverdeling plaatsvindt op basis van geslacht, hetgeen ertoe leidt dat vrouwen veel meer zorgtaken verrichten dan mannen en wel twee tot tien keer zoveel tijd besteden aan onbetaalde zorgtaken dan mannen (18);

2.

merkt op dat een kwart van de vrouwen nog altijd tot de categorie van niet-betaalde meewerkende gezinsleden behoort, dat wil zeggen dat ze geen directe beloning ontvangen voor hun inspanningen, en dat er veel vrouwen werkzaam zijn in sectoren die doorgaans worden gekenmerkt door lage lonen, lange werktijden en vaak informele arbeidsregelingen, waardoor deze vrouwen minder financiële, sociale en structurele voordelen genieten;

3.

benadrukt dat armoede onder vrouwen wordt veroorzaakt door meerdere factoren, waaronder de genderloonkloof, de genderpensioenkloof, zorgtaken en daarmee samenhangende loopbaanonderbrekingen; benadrukt dat vrouwen vaak te maken hebben met meervoudige discriminatie op grond van, onder meer, hun genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken, en dat dit armoede onder vrouwen in de hand werkt;

4.

is ingenomen met de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten, en herinnert aan de daarin vervatte beginselen, zoals:

gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen wat betreft de participatie op de arbeidsmarkt,

recht op gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt ongeacht leeftijd of handicap,

recht op gepast verlof, flexibele arbeidsvoorwaarden en toegang tot zorg voor ouders en mensen met zorgverantwoordelijkheden,

recht op betaalbare langdurige zorg van goede kwaliteit;

5.

uit zijn ongerustheid over de ongunstige ontwikkelingen op het gebied van ouderschapsverlof en de met ouderschap verband houdende rechten, zoals de intrekking van de ontwerprichtlijn betreffende de verlenging van de duur van zwangerschaps- en bevallingsverlof en het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin werd geoordeeld dat het ontslag van een zwangere werkneemster in het kader van collectieve ontslagen niet in strijd is met de wet, en verzoekt de Commissie om de leemtes die in de Uniewetgeving ontstaan snel aan te vullen;

6.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor werknemers en verzorgers en wijst in dit verband op het belang van individuele verlofdagen en flexibele werkregelingen om werknemers te helpen hun privéleven en hun beroepsleven te combineren; herinnert eraan dat beleidsmaatregelen ter bevordering van een passend evenwicht tussen werk en privéleven mannen ertoe moeten bewegen om op voet van gelijkheid met vrouwen zorgtaken op zich te nemen; is van mening dat er met het oog op de toekomstige ontwikkeling naar moet worden gestreefd om het vaderschaps- en zorgverlof geleidelijk uit te breiden (19) en het niveau van betaling tijdens dit verlof te verhogen tot een passend niveau, en te zorgen voor niet-overdraagbaar ouderschapsverlof, ontslaggaranties, terugkeer naar dezelfde of een gelijkwaardige functie, bescherming tegen discriminatie op grond van beslissingen om verlof op te nemen, en uitbreiding van deze rechten tot zelfstandigen en personen die verlof moeten opnemen om voor andere personen dan kinderen ten laste te zorgen;

7.

verzoekt alle lidstaten om vaders stimulansen te bieden om ervoor te zorgen dat zij gebruikmaken van vaderschapsverlof, dat een nuttig instrument is om vaders verantwoordelijkheid te laten dragen voor de zorg voor hun kinderen en het gezin en bovendien een nuttig instrument is om daadwerkelijke gelijkheid van vrouwen en mannen te realiseren;

8.

is van mening dat de verlening van zorgdiensten de hoogte van het loon of de sociale of pensioenuitkeringen van de zorgverlener niet negatief mag beïnvloeden; pleit er in dit verband voor om gendergelijkheid te garanderen bij de uitvoering van het beleid inzake evenwicht tussen werk en privéleven;

9.

wijst op de moeilijke situatie van gezinnen die voor een kind of familielid met een handicap zorgen, aangezien het in deze gevallen om levenslange zorg gaat;

10.

wijst op het gebrek aan diensten voor respijtzorg voor ouders van kinderen met een handicap; wijst erop dat door dit gebrek aan ondersteuning het voor de ouders vaak volkomen onmogelijk is om te werken; stelt in dit verband vast dat het gebrek aan voorzieningen voor personen met een ernstige vorm van autisme zorgwekkend is;

11.

is van mening dat iedere zorgbehoevende persoon het subjectieve recht zou moeten hebben om die hoogwaardige zorg te kiezen die het beste tegemoetkomt aan zijn of haar behoefte aan zorg en die toegankelijk is en passend voor zowel de persoon zelf als voor de zorgverleners; is van oordeel dat zorgdiensten, ongeacht de verschillen tussen de diverse gebruikers en hun behoeften, ontwikkeld moeten worden op een persoonsgerichte en alomvattende manier, waarbij de mens centraal staat; merkt op dat families niet homogeen zijn en dat het beleid en de programmering dus aangepast moeten worden aan deze diversiteit;

12.

is van oordeel dat, naarmate de keuzes met betrekking tot zorgdiensten verder worden ontwikkeld, deze de veranderende aard van het werk moeten weerspiegelen;

13.

is van mening dat langdurige zorg, in overeenstemming met het recht op langdurige zorg zoals dat is vastgelegd in de Europese pijler van sociale rechten, beschouwd moet worden als vorm van sociale bescherming, waarbij het recht op hoogwaardige en op het individu gerichte zorg voor eenieder gewaarborgd moet worden; is voorts van mening dat er dringend meer geïnvesteerd moet worden in betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg, en met name in thuiszorg en gemeenschapsgebaseerde zorgdiensten, een en ander in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; roept de lidstaten in dit verband op om in het kader van kinderopvang, ouderenzorg en zorg voor personen met een handicap en/of een chronische ziekte die langdurige zorgbehoeften hebben, te zorgen voor gelijke toegang en een eerlijke behandeling, en daarbij met name aandacht te besteden aan personen uit kansarme milieus;

14.

benadrukt dat de beschikbaarheid van een gediversifieerde, kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare openbare en particuliere zorginfrastructuur, diensten en ondersteuning van kinderen, ouderen, personen met een handicap en personen die chronisch ziek zijn of langdurige zorg nodig hebben, hetzij thuis, hetzij op gemeenschapsniveau in een huiselijke setting, een cruciaal aspect is gebleken van beleidsmaatregelen ter bevordering van een passend evenwicht tussen werk en privéleven en tevens een belangrijke factor is die ouders en andere informele zorgverleners in de gelegenheid stelt om verlof op te nemen, in het kader van de inspanningen die erop gericht zijn om vrouwen ertoe te bewegen om snel weer aan het werk te gaan en aan het werk te blijven; is verheugd over het feit dat steeds vaker gekozen wordt voor gemeenschapsgebaseerde diensten, in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en wijst erop dat het noodzakelijk is dat deze diensten gemonitord worden, om de goede kwaliteit ervan te waarborgen; is van oordeel dat de kwaliteit van de zorg afhangt van de kwaliteit van de verleende diensten, van de mate waarin de waardigheid en de mensenrechten van degenen die deze zorg ontvangen geëerbiedigd worden en van de mate waarin de inclusie van de personen die zorg ontvangen in de gemeenschap gewaarborgd wordt;

15.

herinnert eraan dat een gebrek aan zorgdiensten een factor is die in belangrijke mate bijdraagt aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt, aangezien een dergelijk gebrek ertoe leidt dat het moeilijker is om werk en gezinstaken te combineren, met als gevolg dat sommige vrouwen de arbeidsmarkt helemaal verlaten, minder uren betaald werk verrichten en meer tijd besteden aan het verrichten van onbetaalde zorgtaken, met schadelijke gevolgen voor hun socialezekerheidsrechten, met name pensioenrechten, en een groter risico op armoede en sociale uitsluiting, met name op latere leeftijd;

Soorten zorg

16.

stelt vast dat er een grote diversiteit aan zorgdiensten is, zoals kinderopvang en voorschoolse educatie, ouderenzorg en zorg voor of ondersteuning van personen met een handicap of chronische ziekten die langdurige zorgbehoeften hebben, en dat er daarom verschillende beleidsbenaderingen zijn ontwikkeld; is van mening dat zorg kan worden verleend door zowel professionele zorgverleners als mantelzorgers;

17.

is van mening dat bij de ontwikkeling van zorgdiensten rekening moet worden gehouden met alle categorieën gebruikers, onder wie mensen uit kansarme milieus, zoals etnische minderheden, migrantengezinnen, mensen die in afgelegen en plattelandsgebieden wonen en gezinnen met lage inkomens, en met hun verschillen en uiteenlopende voorkeuren voor de soorten zorgdiensten die zij nodig hebben; merkt op dat het concept gezin, zoals dat in wetgeving en beleid wordt gehanteerd, in ruime zin moet worden uitgelegd;

18.

beseft dat een lage sociaaleconomische status en een laag opleidingsniveau voor veel mensen hindernissen vormen voor de toegang tot zorgdiensten, waardoor de uitdagingen die gepaard gaan met het vinden van een juist evenwicht tussen werk en privéleven nog groter worden; is van oordeel dat dit probleem noopt tot specifieke programmering en beleidsontwikkeling;

19.

merkt op dat de particuliere sector een belangrijke rol speelt bij de verlening van diensten voor langdurige zorg voor gehandicapten en ouderen, en dat er zorgen bestaan over de toegankelijkheid en de kwaliteit van deze diensten in de hele EU; verzoekt de Commissie om de situatie op de markt voor zorgdiensten te beoordelen en de nodige regelgevingsinitiatieven te nemen om de kwaliteit van de op dit gebied aangeboden diensten te controleren en te monitoren;

Kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg

20.

is van mening dat zorgdiensten zodanig moeten worden opgezet dat alle gebruikers, hun gezinsleden en hun verzorgers echte keuzemogelijkheden hebben, ongeacht of zij fulltime of parttime werken, zelfstandig of werkloos zijn;

21.

is van mening dat degenen die zorgdiensten plannen, programmeren en verlenen, de verantwoordelijkheid hebben om rekening te houden met de behoeften van de gebruikers en dat bij de planning en ontwikkeling van zorgdiensten voor ouderen en gehandicapten actief en op zinvolle wijze moet worden samengewerkt met de gebruikers en dat deze diensten ontworpen en uitgevoerd moeten worden op basis van een op rechten gebaseerde aanpak; wijst erop dat personen met geestelijke of verstandelijke handicaps die hebben deelgenomen aan de ontwikkeling van infrastructuur en diensten die hun mogelijkheden om zelfstandig te leven vergroten en de kwaliteit van hun leven verbeteren hun deelname daaraan als een positieve ervaring aanmerken;

22.

wijst erop dat er wat betreft de verstrekking van goede zorgdiensten in de EU in de lidstaten en tussen de lidstaten onderling grote verschillen bestaan, evenals tussen private en publieke structuren, stedelijke en plattelandsgebieden en de verschillende leeftijdsgroepen; neemt nota van het feit dat familieleden een groot deel van de kinderopvang en langdurige zorg op zich nemen, en dat, met name in Zuid- en Oost-Europa, de kinderopvang voornamelijk wordt verzorgd door de grootouders (20);

23.

roept de lidstaten op om een goede dekking van zorgvoorzieningen te waarborgen, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, teneinde de toegankelijkheid en beschikbaarheid van zorgdiensten voor mensen uit kansarme milieus, met inbegrip van personen die in plattelands- en afgelegen gebieden wonen, te verbeteren;

24.

is van mening dat toegankelijkheid het resultaat is van een combinatie van kosten en flexibiliteit en dat er daarom een scala aan zorgdiensten moet zijn, zowel openbare als particuliere, voor thuiszorg en zorg in een thuisomgeving; is voorts van mening dat gezinsleden hetzij vrijwillig zorg moeten kunnen verlenen, hetzij in aanmerking moeten komen voor financiële ondersteuning zodat zij zorgdiensten kunnen aankopen;

25.

benadrukt dat er bij het beoordelen van de kwaliteit van zorgdiensten gekeken moet worden naar allerlei aspecten, onder meer naar de kwaliteit van faciliteiten en diensten, de kwaliteit van onderwijsprogramma's voor kinderen, de vakkundigheid van de zorgverleners, de kwaliteit van de gebouwen waarin zorginstellingen gehuisvest zijn en de omgeving waarin zij liggen, en het opleidingsniveau van de zorgverleners en hun arbeidsomstandigheden;

26.

wijst erop dat de zorgverlening verder moet worden ontwikkeld om de continuïteit van de zorg, preventieve gezondheidsdiensten en sociale zorg, en de integratie en zelfstandigheid van zorgbehoevenden te verbeteren; is van mening dat thuiszorgvoorzieningen moeten worden bevorderd, zodat personen met een zorgbehoefte in hun eigen huis zorg kunnen ontvangen van gekwalificeerde vakmensen en, zo mogelijk, zelfstandig kunnen blijven wonen; is van mening dat zorgvoorzieningen, in voorkomend geval, het hele gezin moeten ondersteunen, bijvoorbeeld door middel van hulp in het huishouden, huiswerkbegeleiding en kinderopvang;

27.

onderstreept dat informatie over beschikbare zorgdiensten en zorgverleners toegankelijk moet zijn voor ouders, ouderen, personen met een handicap en/of met een chronische ziekte die langdurige zorg nodig hebben en mantelzorgers;

28.

onderstreept dat een gebrek aan diensten en de hoge kosten van kinderopvang negatieve gevolgen hebben voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, waardoor deze kinderen van jongs af aan een achterstand hebben; benadrukt dat elk kind recht heeft op goede zorg en ontwikkeling in de vroege kinderjaren, met inbegrip van een breed scala aan sociale prikkels; wijst erop dat de buitensporige kosten van de zorgvoorzieningen ook nadelige gevolgen hebben voor zorgbehoevende personen in families met lage inkomens, die hierdoor worden achtergesteld;

29.

is van mening dat het gebrek aan investeringen in hoogwaardige kinderopvang voor kinderen jonger dan drie jaar ertoe leidt dat vrouwen hun loopbaan langer onderbreken en moeilijkheden ondervinden wanneer zij weer aan het werk gaan;

30.

is van mening dat nationale programma's moeten worden versterkt om de levenskwaliteit van oudere vrouwen te verbeteren, met name oudere vrouwen met vormen van dementie en hun zorgverleners, die zelf ook vaak oudere vrouwen zijn; is van mening dat Alzheimerverenigingen moeten worden geraadpleegd bij het ontwikkelen en uitvoeren van deze maatregelen;

31.

verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met de in dit document gedane voorstellen, richtsnoeren voor de lidstaten op te stellen voor de ontwikkeling van omvattende, werkgelegenheidsvriendelijke, persoonsgerichte, gemeenschapsgebaseerde en toegankelijke zorgdiensten, met inbegrip van kinderopvang, ouderenzorg, gehandicaptenzorg en zorg voor personen met een chronische ziekte, in samenwerking met en na raadpleging van de beoogde gebruikers van de diensten, om ervoor te zorgen dat deze diensten toegankelijk zijn en tegemoetkomen aan de behoeften van de beoogde gebruikers;

32.

neemt kennis van de uiteenlopende praktijken in de lidstaten en benadrukt dat samenwerking en uitwisseling van beste praktijken op Europees niveau peer learning en peer counselling tussen de lidstaten onderling kunnen bevorderen en niet alleen de lidstaten kunnen helpen om algemene problemen aan te pakken, maar ook een bijdrage kunnen leveren aan de totstandbrenging van hoogwaardige zorgdiensten, doordat de maatregelen die op regionaal niveau en nationaal niveau worden genomen, worden ondersteund en aangevuld; roept de Commissie op als platform te fungeren en een stimulerende rol op zich te nemen als het gaat om de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken met betrekking tot de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorgdiensten en de diverse modellen voor de verstrekking van zorgdiensten die afgestemd zijn op de individuele omstandigheden en financiële draagkracht van de zorgbehoeftigen, om oplossingen te vinden voor problemen in de zorg;

33.

is bezorgd over de arbeidsomstandigheden op het gebied van de verlening van zorgdiensten, zoals lange werktijden, te lage lonen, gebrek aan opleiding en een tekortschietend beleid inzake gezondheid en veiligheid op het werk; maakt zich zorgen over het feit dat banen in de zorg als onaantrekkelijk worden beschouwd en dat er in deze sector hoofdzakelijk vrouwen en migranten werkzaam zijn; benadrukt dat dit ook gevolgen heeft voor de kwaliteit van de zorgverlening; roept de lidstaten daarom op om banen in de zorg aantrekkelijker te maken en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de sociale partners een wettelijk kader met minimumnormen voor werknemers in de zorgsector vast te stellen en een initiatief te starten ter bevordering van de kwaliteit van langdurige zorg en daarbij voort te bouwen op reeds bestaande, door het maatschappelijk middenveld opgezette instrumenten en initiatieven, zoals het Europees kwaliteitskader voor langdurige zorgverlening en het recente voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit voor jonge kinderen;

34.

roept de lidstaten op om erop toe te zien en te waarborgen dat instellingen en andere centra die zorg verlenen, veilige en stimulerende werkomgevingen zijn en dat er voldoende wordt geïnvesteerd in het welzijn en de gezondheid op het werk van de zorgverleners; is van mening dat het welzijn van zorgverleners gewaarborgd moet worden om misbruik van zorgontvangers te voorkomen; steunt in dit verband wetgevingsinitiatieven die zich richten op certificering en erkenning van professionele zorgverleners en verzoekt de lidstaten om maatregelen te nemen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van zorgverleners, bijvoorbeeld door te bepalen dat zij recht hebben op een formeel arbeidscontract en betaald verlof; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de burgers te informeren over de waarde van zorgdiensten om op die manier de status van zorgberoepen te verbeteren, en om de betrokkenheid van mannen bij zorgtaken te bevorderen;

35.

dringt er bij de Commissie op aan om een Europees programma inzake zorgverleners ter goedkeuring voor te leggen aan de Raad, teneinde de verschillende vormen van zorg in Europa in kaart te brengen en te erkennen, financiële steun voor zorgverleners te garanderen en het evenwicht tussen werk en privéleven geleidelijk aan te verbeteren;

36.

herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen (21) de Commissie uitdrukkelijk verzoekt om een richtlijn inzake zorgverlof; merkt op dat gezinsleden die ervoor kiezen informele zorg aan hun familieleden te verlenen een passende vergoeding moeten ontvangen en op gelijke voet met andere zorgverleners toegang tot sociale rechten moeten hebben; dringt daarom voorts aan op een omvattende aanpak met betrekking tot mantelzorgers, die niet alleen arbeidswetgeving omvat, maar ook onderwerpen als voortzetting van inkomenssteun, toegang tot gezondheidszorg, mogelijkheden om verlof op te nemen en opbouw van pensioenrechten, zodat zorgverleners over voldoende bestaansmiddelen beschikken, ook als zij, vanwege activiteiten in het kader van mantelzorg, tijdelijk minder inkomsten hebben, een situatie die vooral vrouwen treft; is van mening dat de verlening van zorgdiensten de gezondheid en het welzijn van de mantelzorger niet negatief mag beïnvloeden; verzoekt de lidstaten in dit verband om te voorzien in passende diensten voor respijtzorg, advisering, peer counselling, psychologische ondersteuning, dagopvang en faciliteiten voor respijtzorg voor mantelzorgers, waarmee de arbeidsparticipatie van deze groep kan verbeteren;

37.

verzoekt de lidstaten om via hun arbeids- en socialezekerheidswetgeving voor zowel mannen als vrouwen “zorgkredieten” in te voeren, in die zin dat zorgverleners in de periode dat zij zorg verlenen ook pensioenrechten opbouwen, ter bescherming van personen die een bepaalde periode niet werken om informele, onbetaalde zorg te kunnen verlenen aan een persoon te hunnen laste of een familielid, en om de bijdrage die deze mantelzorgers leveren aan de samenleving te erkennen;

38.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om te waarborgen dat binnen de verstrekking van zorgdiensten mantelzorgers als gelijkwaardige actoren worden erkend, en om bovendien in het kader van programma's voor een leven lang leren opleidingen te ontwikkelen en de verworven vaardigheden van mantelzorgers te erkennen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met ngo's en onderwijsinstellingen jonge zorgverleners te steunen; verzoekt de Commissie om te komen met een actieplan ter zake en met andere maatregelen om de kwaliteit van de zorg en de kwaliteit van leven van zorgverleners te waarborgen;

39.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om te onderzoeken hoeveel jonge zorgverleners er zijn en hoe hun zorgtaak van invloed is op hun welzijn en bestaansmiddelen, en om deze groep op basis van dit onderzoek te ondersteunen, een en ander in samenwerking met ngo's en onderwijsinstellingen;

40.

verzoekt de Commissie om bij de ontwikkeling van onderzoek en beleid, met name in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF), de Europese strategie inzake handicaps en het gezondheidsprogramma, meer rekening te houden met zorgdiensten en zorgverleners;

Zorgdoelstellingen

41.

benadrukt dat het bieden van meer kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van drie tot vier jaar momenteel het knelpunt is bij het behalen van de doelstellingen van Barcelona; is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie om in de onderwijs- en opleidingsstrategie 2020 het streefcijfer voor kinderopvangplaatsen te verhogen, in die zin dat kinderopvangplaatsen geboden moeten worden aan ten minste 95 % van de kinderen in de leeftijd van drie jaar tot de schoolplichtige leeftijd; verzoekt de Commissie om in overleg met de relevante actoren, waaronder de lidstaten, de doelstellingen van Barcelona en de doelstellingen inzake onderwijs aan jonge kinderen aan te scherpen; verzoekt te lidstaten om zich meer in te spannen om de doelstellingen te behalen en de verstrekking van zorg hoog op hun politieke agenda te plaatsen; verzoekt de lidstaten om de nationale kwaliteitskaders voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen te verbeteren, rekening houdend met het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit voor jonge kinderen, en spoort de lidstaten aan zich opnieuw te buigen over de in de aanbeveling genoemde vijf cruciale dimensies van voorzieningen voor onderwijs en opvang voor jonge kinderen: toegankelijkheid, personeel, leerprogramma, toezicht en evaluatie, en beheer en financiering; verzoekt de lidstaten om bij het bieden van opvang voor jonge kinderen de aandacht niet alleen te leggen op toegankelijkheid, maar ook op de kwaliteit van de zorg, in het bijzonder voor kinderen uit kansarme milieus en kinderen met een handicap;

42.

verzoekt de Commissie om indicatoren en bijbehorende kwaliteitsdoelstellingen vast te stellen voor zorgdiensten voor ouderen en personen met een handicap en/of een chronische ziekte die behoefte hebben aan zorg, vergelijkbaar met de doelstellingen van Barcelona, inclusief monitoringinstrumenten waarmee de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van deze diensten kan worden beoordeeld;

43.

verzoekt de Commissie om bij haar monitoring en evaluatie van gegevens in het kader van het Europees Semester en in haar jaarverslag over gendergelijkheid ook aandacht te besteden aan de zorg voor ouderen en personen met een handicap en/of een chronische ziekte; verzoekt de lidstaten te overwegen om in hun landenverslagen ook evaluaties op te nemen van de zorgvoorzieningen voor ouderen en personen met een handicap en/of een chronische ziekte, rekening houdend met de terugkoppeling van zorgverleners en zorgontvangers; verzoekt de Commissie om de gegevens over deze zorg te verwerken in een reeks indicatoren voor het meten van sociale vooruitgang en deze in het kader van het Europees Semester te monitoren; verzoekt de Commissie en de Raad om deze sociale indicatoren op te nemen in de regels van het Europees Semester; spoort de lidstaten aan om, in het geval van trage vooruitgang, corrigerende maatregelen vast te stellen en toe te passen;

44.

verzoekt de Commissie voorts om de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens te verbeteren en sectorspecifieke statistieken, geharmoniseerde definities en indicatoren te ontwikkelen om de genderdimensie van de toegankelijkheid, kwaliteit, beschikbaarheid en doeltreffendheid van zorgdiensten voor kinderen, personen met een handicap en/of een chronische ziekte en ouderen op EU-niveau te beoordelen, en tevens manieren te vinden om te voorkomen dat de met monitoring verband houdende lasten voor zorgverleners toenemen; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling van zorgdiensten te volgen en aanbevelingen op te stellen voor correctieve maatregelen indien dat nodig is;

45.

verzoekt de lidstaten om hoogwaardige gegevens te verzamelen over zorgvoorzieningen die via publieke of particuliere financiering beschikbaar worden gesteld voor kinderen, ouderen en personen met een handicap, om de algemene situatie te monitoren en zorgvoorzieningen te kunnen verbeteren, door niet alleen rekening te houden met de behoeften van de gebruikers, maar ook met het evenwicht tussen werk en privéleven en de arbeidsomstandigheden van de enorme hoeveelheid zorgverleners; verzoekt de lidstaten doeltreffende beleidsinstrumenten vast te stellen en corrigerende maatregelen te nemen wanneer dat nodig is;

Financiering van zorg

46.

verzoekt de lidstaten om, onder meer met het oog op de aanpak van bestaande investeringstekorten, meer te investeren in opvangvoorzieningen en zorginfrastructuur voor kinderen, met name jonge kinderen, en in zorgvoorzieningen voor andere personen ten laste, om te zorgen voor universele toegang tot deze voorzieningen, de kwaliteit van de zorg te verbeteren, en meer te investeren in speciale maatregelen die zorgverleners in staat stellen een actief beroepsleven te blijven leiden;

47.

wijst op de onevenredig grote gevolgen die tekortschietende investeringen in zorgvoorzieningen en -diensten hebben voor alleenstaande ouders, in overgrote meerderheid vrouwen, en voor gezinnen die in armoede leven en met sociale uitsluiting worden bedreigd;

48.

onderstreept het belang van gendermainstreaming in alle fasen van de uitvoering van de diverse beleidsmaatregelen en met name in de programmeringsfase; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de genderdimensie volledig geïntegreerd wordt in de nationale hervormingsprogramma's, met steun van het ESF, maar ook van andere EU-fondsen die middelen ter beschikking stellen voor sociale infrastructuur die door de lidstaten moet worden gebruikt voor de ontwikkeling van zorgdiensten;

49.

verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat het Europees Semester bijdraagt aan de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, en dat de lidstaten genoeg ruimte hebben om zorgvoorzieningen te financieren, ook op lange termijn;

50.

pleit ervoor dat in de landspecifieke aanbevelingen van de Commissie maatregelen worden opgenomen die gericht zijn op investeringen in kinderopvangvoorzieningen en op het opheffen van negatieve fiscale prikkels die ertoe leiden dat tweede verdieners, met name vrouwen, niet meer uren gaan werken of zelfs helemaal niet gaan werken, en op andere maatregelen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;

51.

verzoekt de Commissie om, via het ESF+ en andere financiële instrumenten die tot doel hebben de sociale infrastructuur te financieren, meer middelen uit te trekken voor alle soorten zorgdiensten, met bijzondere aandacht, waar nodig, voor de overgang van institutionele naar gemeenschapsgebaseerde zorgdiensten; roept de Commissie op om, in dezelfde geest, via het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) meer middelen beschikbaar te stellen voor de ondersteuning van kinderopvangvoorzieningen in plattelandsgebieden, en meer gebruik te maken van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) voor de financiering van projecten op het gebied van opvang en onderwijs voor jonge kinderen; verzoekt de Commissie voorts om de besteding van EU-middelen nauwgezet te bewaken, met name de uitgaven van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het gebied van sociale zorgdiensten en langdurige zorg, en ervoor te zorgen dat de investeringen in overeenstemming zijn met de verplichtingen op het gebied van de mensenrechten uit hoofde van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

52.

verzoekt de Commissie om te overwegen socialezekerheidsuitkeringen een grensoverschrijdend karakter te geven, zodat het mogelijk wordt dat de lidstaat van herkomst van een persoon de plaatsing van die burger in een sociale voorziening in een andere lidstaat financiert (in gevallen waarbij dergelijke voorziening niet aanwezig is in de lidstaat van herkomst);

53.

benadrukt dat het potentieel van publiek-private investeringen in het kader van de verlening van zorgdiensten beter moet worden geanalyseerd, rekening houdend met de bestaande initiatieven van ondernemingen ten behoeve van werknemers die zorgtaken vervullen met betrekking tot personen met een handicap en volwassenen;

54.

verzoekt de lidstaten om een alomvattende benadering te hanteren met betrekking tot alle soorten zorgdiensten, en de bepalingen ter bevordering van doeltreffend en op synergieën gebaseerd gebruik van de relevante financiële instrumenten van de EU op het gebied van levenslang leren, onderzoek en infrastructurele ontwikkeling aan te scherpen; spoort de lidstaten aan voorrang te verlenen aan de financiering van de zorg voor kinderen en langdurige zorg en daarbij gebruik te maken van de financiële middelen die daarvoor in het kader van het volgende meerjarig financieel kader beschikbaar zijn, met name middelen uit het EFSI, de Europese structuur- en investeringsfondsen, zoals het ESF en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; spoort de lidstaten voorts aan om hun middelen doeltreffender te verdelen, om de toegang tot en de betaalbaarheid van zorgdiensten voor kansarme en kwetsbare groepen te verbeteren, en om doeltreffende financieringsmodellen te ontwerpen, met inbegrip van gerichte financiering, waarmee een juist evenwicht wordt gevonden tussen overheids- en particuliere investeringen, een en ander rekening houdend met de nationale en lokale omstandigheden;

55.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) over voldoende middelen beschikt om de ontwikkeling van zorginfrastructuur en de uitvoering van beleidsmaatregelen inzake het combineren van werk en privéleven te monitoren, en te beoordelen of en hoe de beleidsmaatregelen leiden tot de beoogde verbeteringen op het gebied van gendergelijkheid;

56.

is ingenomen met het besluit van een aantal lidstaten om fiscale prikkels in te voeren voor bedrijven die hun werknemers kinderopvang bieden opdat zij hun werk en privéleven beter kunnen combineren;

o

o o

57.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(2)  PB C 175 van 15.6.2011, blz. 8.

(3)  PB L 59 van 2.3.2013, blz. 59.

(4)  PB C 346 van 27.9.2018, blz. 6.

(5)  PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.

(6)  PB C 204 van 13.6.2018, blz. 76.

(7)  PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.

(8)  PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.

(9)  PB C 50 van 9.2.2018, blz. 15.

(10)  PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 49.

(11)  PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 39.

(12)  PB C 487 van 28.12.2016, blz. 7.

(13)  PB C 12 van 15.1.2015, blz. 16.

(14)  PB C 21 van 21.1.2011, blz. 39.

(15)  Europese Commissie, verslag uit 2018 over gelijkheid van mannen en vrouwen.

(16)  Routekaart van de Europese Commissie 2018, Europees Centrum voor politieke strategie (2017), “10 Trends Transforming Education as We Know It”.

(17)  Eurofound, “Caring for children and dependants: effect on careers of young workers”.

(18)  Gegevens van Eurostat over 2010; verslag van de Commissie van 2015 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie (2016),

(19)  Zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn wetgevingsresolutie van 20 oktober 2010 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 162).

(20)  Eurofound, European Quality of Life Survey 2016: overview report.

(21)  PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/94


P8_TA(2018)0465

Ziekte van Lyme (borreliose)

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de ziekte van Lyme (borreliose) (2018/2774(RSP))

(2020/C 363/13)

Het Europees Parlement,

gezien de vraag aan de Commissie over de ziekte van Lyme (borreliose) (O-000088/2018 — B8-0417/2018),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien het verslag van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) betreffende een stelselmatig literatuuronderzoek over de accurate diagnose van serologische tests voor de ziekte van Lyme (borreliose),

gezien de overlegvergadering van het deskundigennetwerk inzake toezicht op de ziekte van Lyme in de Europese Unie, in januari 2016 in Stockholm,

gezien Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Gemeenschap (1),

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het recht op gezondheid een grondrecht is, dat wordt erkend door de Europese Verdragen, en met name in artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

B.

overwegende dat de ziekte van Lyme (of borreliose) een bacterieziekte is die wordt veroorzaakt door de bacterie Borrelia burgdorferi, en dat de ziekte op de mens wordt overgedragen door een beet van een teek die zelf met de bacterie besmet is; overwegende dat de ziekte van Lyme een infectieziekte bij mensen en bij verschillende soorten huisdieren en wilde dieren is;

C.

overwegende dat de ziekte van Lyme de vaakst voorkomende zoönose in Europa is, dat naar schatting 650 000 à 850 000 mensen eraan lijden en dat de ziekte vaker voorkomt in Midden-Europa; overwegende dat infectie in de lente en de zomer (van april tot oktober) plaatsvindt en dat de ziekte van Lyme wordt erkend als beroepsziekte bij landbouwers, bosbouwers en wetenschappers die in het veld onderzoek uitvoeren;

D.

overwegende dat besmette teken en de ziekte zich in geografische zin uitbreiden, en dat er nu ook gevallen worden gerapporteerd in hoger gelegen regio's en op hogere geografische breedten, alsmede in steden; overwegende dat wordt vermoed dat deze uitbreiding het gevolg is van onder meer veranderingen in het landgebruik, onder andere door de bebossing van armere gronden of de verspreiding van invasieve planten, klimaatverandering, broeikaseffect, extreme vochtigheid en andere activiteiten die verband houden met het menselijk gedrag;

E.

overwegende dat er geen Europese consensus bestaat over behandeling, diagnose en screening van de ziekte van Lyme, en dat de nationale praktijken uiteenlopen;

F.

overwegende dat de beet van een besmette teek en de symptomen van de ziekte van Lyme onopgemerkt kunnen blijven en dat zich in sommige gevallen zelfs geen symptomen voordoen, hetgeen soms leidt tot ernstige complicaties en permanente schade zoals bij chronische ziekten, met name wanneer de patiënt de diagnose niet meteen krijgt;

G.

overwegende dat een betrouwbaardere vroegtijdige diagnose van de ziekte van Lyme het aantal ziektegevallen in vergevorderde stadia significant zal terugdringen, waardoor de kwaliteit van leven van de patiënten wordt verbeterd; overwegende dat hierdoor ook de financiële lasten van de ziekte zullen worden beperkt, wat in de eerste 5 jaar besparingen op de ziektekosten zou kunnen opleveren van ca. 330 miljoen EUR, volgens managers van het DualDur EU-onderzoeksproject;

H.

overwegende dat veel patiënten niet meteen worden gediagnosticeerd en evenmin toegang hebben tot een adequate behandeling; overwegende dat zij zich achtergesteld en genegeerd voelen door de autoriteiten en overwegende dat sommigen van hen persisterende symptomen blijven vertonen die tot een chronische ziekte kunnen leiden;

I.

overwegende dat momenteel geen vaccin tegen de ziekte van Lyme beschikbaar is;

J.

overwegende dat de werkelijke lasten van de ziekte van Lyme in de EU niet bekend zijn vanwege het gebrek aan statistische gegevens met betrekking tot deze ziekte en de zeer grote variëteit aan toegepaste gevalsdefinities, gebruikte laboratoriummethoden en surveillancesystemen;

K.

overwegende dat er geen afzonderlijke ICD-code is voor de ziekte van Lyme in het vroege stadium en in het late stadium; overwegende dat er geen afzonderlijke ICD-codes zijn voor de verschillende symptomen van de ziekte van Lyme in het late stadium;

L.

overwegende dat de richtsnoeren inzake behandelpraktijken van de ILADS (International Lyme and Associated Diseases Society) en de IDSA (Infectious Diseases Society of America) onderling verschillen en dat de verschillen tussen beide benaderingen van de ziekte ook gevolgen hebben voor de behandelpraktijken in de EU;

M.

overwegende dat het ontbreekt aan grondig inzicht in het mechanisme waardoor de ziekte van Lyme een chronische ziekte wordt;

N.

overwegende dat zorgverleners net als patiëntenverenigingen en klokkenluiders al bijna tien jaar aandacht vragen voor dit gezondheidsprobleem;

O.

overwegende dat de ziekte van Lyme, die wel goed bekend is in de geneeskunde, nog te vaak niet als zodanig wordt onderkend, met name door de moeilijkheden die worden ondervonden bij de opsporing van symptomen en het ontbreken van gepaste diagnostische tests;

P.

overwegende dat de screeningtests die voor de ziekte van Lyme gebruikt worden, niet altijd nauwkeurige resultaten kunnen opleveren, zoals in het geval van de Elisa-test waarmee slechts één infectie tegelijk kan worden opgespoord;

Q.

overwegende dat veel Europeanen wegens hun beroep continu worden blootgesteld aan het risico van de ziekte van Lyme (landbouwers, bosbouwers, onderzoekers en studenten die in het veld onderzoek uitvoeren, zoals biologen, geologen, landmeters of archeologen);

R.

overwegende dat in de geneeskunde vaak achterhaalde aanbevelingen over de ziekte van Lyme worden gevolgd, waarin onvoldoende rekening wordt gehouden met de onderzoeksontwikkelingen;

1.

uit zijn bezorgdheid over de alarmerende verspreiding van de ziekte van Lyme onder de Europese bevolking, aangezien op grond van de gebruikte methoden voor telling ongeveer een miljoen burgers aan de ziekte lijdt;

2.

herinnert eraan dat in alle lidstaten, zij het in verschillende mate, een plotse toename van de ziekte van Lyme plaatsvindt, zodat hier sprake is van een bijzonder Europees gezondheidsprobleem;

3.

is verheugd over de tot dusver door de Unie toegewezen middelen voor onderzoek naar vroegtijdige opsporing en de behandeling in de toekomst van de ziekte van Lyme (tot 16 miljoen EUR in het kader van projecten zoals ANTIDotE, ID-LYME en LYMEDIADEX);

4.

dringt aan op extra financiering voor methoden voor diagnose en behandeling van de ziekte van Lyme; pleit er daarom voor de onderzoeksinspanningen te stimuleren, zowel door de toegewezen financiering te verhogen als door epidemiologische gegevens uit te wisselen, onder meer over de verspreiding en de prevalentie van pathogene en niet-pathogene genospecies;

5.

dringt aan op aanvullende internationale samenwerking op het gebied van onderzoek naar de ziekte van Lyme;

6.

spoort de Commissie aan zo veel mogelijk gegevens te verzamelen over de screeningsmethoden en toegepaste behandelingen in verband met de ziekte van Lyme in de lidstaten;

7.

verzoekt om meldingsplicht in alle lidstaten die door de ziekte van Lyme worden getroffen;

8.

verzoekt de Commissie de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen inzake de monitoring, diagnose en behandeling van de ziekte van Lyme;

9.

is ingenomen met het feit dat bepaalde lidstaten de ziekte van Lyme hebben opgenomen in hun nationale surveillancesysteem op basis van een specifieke methodologie;

10.

verzoekt de Commissie uniforme programma's voor toezicht op te zetten en samen te werken met de lidstaten om de normalisatie van diagnostische tests en behandelingen te vereenvoudigen; dringt er bij de Commissie op aan de ziekte van Lyme te erkennen als beroepsziekte voor werknemers in de landbouw- en de bosbouwsector en voor onderzoekers die in het veld onderzoek uitvoeren (zoals biologen, geologen, landmeters of archeologen);

11.

verzoekt om individuele tekenpreventie- en controlemaatregelen in de lidstaten om de verspreiding van de Borrelia-bacterie in te perken;

12.

dringt aan op de ontwikkeling van op feitenmateriaal gebaseerde richtsnoeren inzake klinische en laboratoriumdiagnose van de ziekte van Lyme; dringt aan op afzonderlijke ICD-codes voor de ziekte van Lyme in het vroege stadium en in het late stadium; dringt tevens aan op individuele ICD-codes voor de verschillende symptomen van de ziekte van Lyme in het late stadium;

13.

verzoekt de Commissie richtsnoeren op basis van de beste praktijken in de EU bekend te maken met betrekking tot de opleiding van huisartsen om de diagnose en screening van de ziekte van Lyme te bevorderen;

14.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat vaker klinisch onderzoek wordt verricht, zodat artsen de diagnose van de ziekte van Lyme ook kunnen stellen wanneer de serologische tests negatief zijn, om patiënten te helpen bij het doorbreken van een “therapeutische impasse”;

15.

verzoekt de Commissie de omvang te beoordelen van het fenomeen waarbij sommige patiënten lang moeten wachten op een adequate diagnose en behandeling en met name patiënten die grensoverschrijdende verplaatsingen moeten maken om zich te laten behandelen en de financiële gevolgen daarvan;

16.

dringt aan op de planning en ontwikkeling van innovatieve projecten die tot een betere gegevensverzameling en een grotere doeltreffendheid van informatie- en bewustmakingsactiviteiten kunnen bijdragen;

17.

is ingenomen met Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/945 van 22 juni 2018 van de Commissie over overdraagbare ziekten en gerelateerde bijzondere gezondheidsvraagstukken waarop epidemiologische surveillance van toepassing is, alsook relevante gevalsdefinities (2), die Lyme neuroborreliosis in de lijst van overdraagbare ziekten opnemen;

18.

benadrukt dat patiënten, wanneer het Europees netwerk voor epidemiologische surveillance zijn toezicht uitbreidt tot de ziekte van Lyme, de voordelen kunnen genieten van een sterke en goed gestructureerde gezondheidszorg waardoor er permanente communicatie mogelijk is tussen de bevoegde nationale autoriteiten, snelle en betrouwbare identificatie van gevallen van Lyme borreliosis in de Unie, wederzijdse bijstand bij de analyse en de interpretatie van de verzamelde surveillancegegevens en het inzetten van de vereiste hulpmiddelen om de verspreiding bij mensen tegen te houden;

19.

verzoekt de lidstaten, die op logistieke steun van de Commissie zullen kunnen rekenen, een informatie- en bewustmakingscampagne te organiseren om de bevolking en alle belanghebbenden te waarschuwen voor het bestaan van de ziekte van Lyme, vooral in de gebieden die het meest door de verspreiding van de ziekte zijn getroffen;

20.

dringt er bij de Commissie op aan een Europees plan op te stellen om de ziekte van Lyme te bestrijden dat in verhouding staat tot de ernst van deze stille epidemie; bepleit dat er een Europees netwerk voor de ziekte van Lyme wordt opgezet waar de relevante belanghebbenden bij betrokken worden;

21.

verzoekt de Commissie en de lidstaten gemeenschappelijke preventierichtsnoeren bekend te maken voor wie een hoog risico loopt om de ziekte van Lyme te krijgen, zoals buitenshuis werkende personen, evenals genormaliseerde richtsnoeren inzake diagnose en behandeling;

22.

verzoekt de Commissie om medische controles, een traject voor snelle zorg en controle van de ontwikkeling van de besmetting met de ziekte van Lyme bij de werknemers in de land- en bosbouw en onderzoekers die in het veld onderzoek uitvoeren;

23.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1)  PB L 268 van 3.10.1998, blz. 1.

(2)  PB L 170 van 6.7.2018, blz. 1.


Woensdag 29 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/98


P8_TA(2018)0474

Autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) (D058762/01 — 2018/2929(RSP))

(2020/C 363/14)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) (D058762/01,

gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1) (“de Reach-verordening”), en met name artikel 64, lid 8,

gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) (2), overeenkomstig artikel 64, lid 5, derde alinea, van de Reach-verordening,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (3),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat natriumdichromaat in bijlage XIV bij de Reach-verordening is opgenomen wegens drie intrinsieke eigenschappen: kankerverwekkendheid, mutageniteit en voortplantingstoxiciteit (categorie 1B); overwegende dat natriumdichromaat in 2008 aan de kandidatenlijst van de Reach-verordening is toegevoegd (4) omdat het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5) is ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting (categorie 1B);

B.

overwegende dat de moleculaire entiteit die natriumdichromaat kankerverwekkend maakt, het chroom (VI) bevattende ion is dat vrijkomt wanneer natriumdichromaat oplost en ontbindt; overwegende dat chroom (VI) bij inademing longtumoren bij mens en dier veroorzaakt en bij orale inname tumoren van het maagdarmkanaal bij dieren veroorzaakt;

C.

overwegende dat natriumdichromaat reeds in 1997 in het kader van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad (6) is aangemerkt als prioriteitsstof voor beoordeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 143/97 van de Commissie (7); overwegende dat de Commissie in 2008 een aanbeveling (8) heeft gedaan om het risico van blootstelling aan natriumdichromaat te beperken;

D.

overwegende dat Ilario Ormezzano Sai S.R.L. (de aanvrager) een aanvraag heeft ingediend voor een autorisatie voor het gebruik van natriumdichromaat bij het verven van wol; overwegende dat de aanvraag in de adviezen van het RAC en het SEAC wordt beschreven als een “upstream”-aanvraag; overwegende dat de aanvrager natriumdichromaat levert aan elf downstreamgebruikers die hetzij de verf produceren, hetzij zelf ververijen zijn;

E.

overwegende dat de Reach-verordening tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten; overwegende dat in het licht van overweging (16) in de preambule van de verordening, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie (9), de eerste van die drie doelstellingen het hoofddoel van de Reach-verordening is;

F.

overwegende dat de Reach-verordening niet voorziet in een speciale autorisatieregeling voor zogenaamde “upstream”-aanvragen; overwegende dat elke aanvrager van een autorisatie, ongeacht zijn rol of niveau in de toeleveringsketen, de in artikel 62 van de Reach-verordening genoemde informatie moet verstrekken;

G.

overwegende dat het RAC heeft bevestigd dat het niet mogelijk is een afgeleide dosis zonder effect voor de carcinogene eigenschappen van natriumdichromaat te bepalen, en dat natriumdichromaat daarom voor de toepassing van artikel 60, lid 3, onder a), van de Reach-verordening als “stof zonder drempelwaarde” wordt beschouwd; overwegende dat dit betekent dat er voor deze stof geen theoretisch “veilig niveau van blootstelling” kan worden bepaald of worden gebruikt als benchmark om te beoordelen of het risico van het gebruik ervan afdoende wordt beheerst;

H.

overwegende dat overweging (70) van de Reach-verordening luidt: “voor elke andere stof waarvoor het niet mogelijk is een veilig blootstellingsniveau vast te stellen, moeten altijd maatregelen worden genomen om, voor zover technisch en praktisch mogelijk, de blootstelling en de emissies tot een minimum te beperken om de kans op nadelige effecten te minimaliseren”;

I.

overwegende dat het RAC tot de conclusie is gekomen dat de in de aanvraag beschreven operationele omstandigheden en risicobeheersmaatregelen niet passend en niet doeltreffend zijn om het risico te beperken (10);

J.

overwegende dat artikel 55 van de Reach-verordening bepaalt dat de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen door veiliger alternatieve stoffen of technieken een centrale doelstelling van het hoofdstuk over autorisatie is;

K.

overwegende dat artikel 64, lid 4, van de Reach-verordening bepaalt dat het SEAC tot taak heeft “de beschikbaarheid, geschiktheid en technische haalbaarheid van alternatieven, in verband met de in de aanvraag beschreven vormen van gebruik van de stof” en “de bijdragen van elke derde partij, conform lid 2 van dit artikel” te beoordelen;

L.

overwegende dat artikel 62, lid 4, onder e), van de Reach-verordening bepaalt dat de aanvrager van een autorisatie “een analyse van de alternatieven waarin de risico's van die alternatieven en de technische en economische haalbaarheid van vervanging worden beoordeeld” moet verstrekken;

M.

overwegende dat artikel 60, lid 4, van de Reach-verordening bepaalt dat een autorisatie voor het gebruik van een stof waarvan de risico's niet afdoende worden beheerst, alleen kan worden verleend als er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn;

N.

overwegende dat het SEAC veel tekortkomingen in de autorisatieaanvraag heeft vastgesteld met betrekking tot de analyse van alternatieven; overwegende dat de aanvrager volgens het SEAC belangrijke kwesties zodanig heeft veronachtzaamd dat dit “de beoordeling van de technische haalbaarheid door het comité in de weg stond”, en dat de aanvrager een aantal belangrijke aspecten, zoals de economische haalbaarheid van alternatieven, slechts “kort heeft behandeld” (11);

O.

overwegende dat het voornaamste argument dat de aanvrager gebruikte om te concluderen dat er geen geschikte alternatieven waren, was dat de klanten (d.w.z. fabrikanten van of detailhandelaren in kleding) de kwaliteit van de kleur van het textiel niet zouden accepteren als dat met een alternatief werd geverfd;

P.

overwegende dat de vermeende eisen van de klanten echter niet met enig bewijs zijn gestaafd en dat het onduidelijk is of de “voorkeur van de klanten” is aangevoerd in het volle besef van de risico's van natriumdichromaat (12);

Q.

overwegende dat het SEAC bovendien, ondanks verdere navraag bij de aanvrager, opmerkt dat het nog steeds enigszins subjectief en onzeker blijft of een alternatief product uiteindelijk door de klanten van de downstreamgebruikers zal worden aanvaard" (13), en dat het SEAC in zijn conclusie stelt dat “het comité na de welkome verduidelijkingen van de aanvrager nog steeds een aantal onzekerheden in de analyse aantreft”;

R.

overwegende dat het SEAC, ondanks deze lacunes en onzekerheden in de aanvraag, tot de conclusie is gekomen dat er geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn en louter stelt dat deze onzekerheden “inherent zijn aan dit soort gebruik (discussies over productkwaliteit kunnen worden vertroebeld door de subjectiviteit van modetrends en de esthetische smaak van de consument)” (14);

S.

overwegende dat in dit verband uit het advies van het SEAC blijkt dat de aanvrager geen uitgebreide analyse heeft verstrekt van de alternatieven die op de markt beschikbaar zijn om natriumdichromaat te vervangen voor de soorten gebruik waarvoor de aanvraag is ingediend, maar dat daar niet de juiste conclusies uit zijn getrokken;

T.

overwegende dat dit resultaat niet te rijmen valt met het feit dat er al vele jaren alternatieven beschikbaar zijn (15), dat toonaangevende modemerken een bijdrage leveren aan de “roadmap to zero” van het ZDHC-programma, die het gebruik van chroom (VI) in de textielproductie niet toestaat (16), en dat sommige textielbedrijven een uitdrukkelijk beleid hebben dat het gebruik van chroom (VI) niet toestaat, bv. H&M (17) alsook exclusieve modebedrijven zoals Armani (18) en Lanificio Ermenegildo Zegna (19);

U.

overwegende dat alleen Gruppo Colle en Ormezzano een autorisatie voor chroomkleurstoffen in het kader van de Reach-verordening hebben aangevraagd;

V.

overwegende dat de Reach-verordening de bewijslast legt bij de aanvrager van de autorisatie, die moet aantonen dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een autorisatie is voldaan; overwegende dat het SEAC tot taak heeft “wetenschappelijke adviezen, gebaseerd op de beginselen van deskundigheid, transparantie en onafhankelijkheid” te verstrekken, hetgeen “een belangrijke procedurele waarborg is om de wetenschappelijke objectiviteit van de maatregelen te garanderen en te vermijden dat arbitraire maatregelen worden genomen” (20);

W.

overwegende dat het niet duidelijk is waarom het SEAC, ondanks de geconstateerde tekortkomingen of onzekerheden met betrekking tot de analyse van alternatieven, heeft geconcludeerd dat er voldoende informatie beschikbaar was om tot een conclusie te komen over de geschiktheid van de alternatieven; overwegende dat het evenmin duidelijk is waarom beweringen over subjectieve voorkeuren niet zijn verworpen, hoewel daar geen gedetailleerd, objectief en controleerbaar bewijs voor was, en waarom deze beweringen niet zijn getoetst aan de beste marktpraktijk;

X.

overwegende dat het onaanvaardbaar is om, hoewel er alternatieven voor natriumchromaat beschikbaar zijn, potentieel talrijke gevallen van onvruchtbaarheid, kanker en mutagene effecten te tolereren op basis van de veronderstelling dat kledingfabrikanten wegens hun subjectieve “smaak” geen alternatieven accepteren;

Y.

overwegende dat een dergelijke interpretatie van het begrip alternatieven en het van de aanvrager verlangde bewijsniveau niet stroken met de doelstelling om zeer zorgwekkende stoffen door alternatieven te vervangen, noch met de hoofddoelstelling van de Reach-verordening om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te waarborgen;

Z.

overwegende dat de Commissie weet dat er geschikte alternatieven beschikbaar zijn, met name dankzij de informatie die is verstrekt tijdens de openbare raadpleging en de trialoog (21) die het Europees Agentschap voor chemische stoffen in de context van de zaak Gruppo Colle (22) heeft georganiseerd;

AA.

overwegende dat de Commissie cruciale informatie uit dit parallelle geval, waaruit blijkt dat er geschikte alternatieven beschikbaar zijn, niet mag negeren;

AB.

overwegende dat artikel 61, lid 2, onder b), van de Reach-verordening de Commissie de bevoegdheid geeft om een autorisatie op elk moment opnieuw te beoordelen indien er “nieuwe informatie over mogelijke vervangingsmiddelen beschikbaar komt”;

AC.

overwegende dat het verlenen van een autorisatie voor het gebruik van een stof zonder drempelwaarde voor aanvragen waarbij duidelijk geweten is dat er alternatieven beschikbaar zijn, niet strookt met de voorwaarden die in de bepalingen van de Reach-verordening zijn vastgesteld, en dat dit achterblijvers ten onrechte zou belonen en een gevaarlijk precedent zou scheppen voor toekomstige autorisatiebesluiten in het kader van de Reach-verordening;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1907/2006 omdat niet wordt voldaan aan de in die verordening gestelde voorwaarden voor het verlenen van een autorisatie;

2.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen waarin de autorisatieaanvraag voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) wordt verworpen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3); Advies over Repackaging of sodium dichromate to be supplied as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3).

(3)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(4)  Europees Agentschap voor chemische stoffen, Besluit van de uitvoerend directeur van 28 oktober 2008 betreffende de opname van zeer zorgwekkende stoffen in de lijst van kandidaatstoffen.

(5)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(6)  Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen (PB L 84 van 5.4.1993, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 143/97 van de Commissie van 27 januari 1997 betreffende de derde lijst van prioriteitsstoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad (PB L 25 van 28.1.1997, blz. 13).

(8)  Aanbeveling van de Commissie van 30 mei 2008 betreffende risicoreductiemaatregelen voor de stoffen natriumchromaat, natriumdichromaat en 2,2′,6,6′-tetrabroom- 4,4′-isopropylideendifenol (tetrabroombisfenol A) (PB L 158 van 18.6.2008, blz. 62).

(9)  Zaak C-558/07, S.P.C.M. SA e.a. tegen Secretary of State for the Environment, Food and Rural Affairs, ECLI:EU:C:2009:430, § 45.

(10)  Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 19, vraag 6.

(11)  Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 24-25.

(12)  De analyse van alternatieven door de aanvrager is beschikbaar op: https://echa.europa.eu/documents/10162/88b2f393-17cf-465e-95eb-ba07282ba400

(13)  Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 24.

(14)  Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 26.

(15)  Zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/LANASOL-CE-pioneering-replacement-of-chrome-dyes-since-20-years-44

(16)  Zie https://www.roadmaptozero.com/mrsl_online/

(17)  Zie H&M Group Chemical Restrictions 2018 Manufacturing Restricted Substances List (MRSL).

(18)  Zie Armani's Restricted Substances List Version 9 — Effective as of the Season SS 18.

(19)  Zie presentatie van Huntsman getiteld “Turning risks into opportunities — How to dye wool sustainably” (blz. 18).

(20)  Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 11 september 2002, Pfizer Animal Health SA tegen Raad van de Europese Unie, Zaak T-13/99, ECLI:EU:T:2002:209.

(21)  Zoals uitgelegd in het advies van het RAC en het SEAC in de zaak Gruppo Colle: Use of sodium dichromate as mordant in wool dyeing (EG-nr. 234-190-3) (op blz. 21 worden twee alternatieven genoemd: Lanasol en Realan).

(22)  ECHA, goedgekeurde adviezen en eerdere raadplegingen over aanvragen voor autorisatie — Gruppo Colle. S.r.l. — Use of sodium dichromate as mordant in wool dyeing (EG-nr. 234-190-3).


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/102


P8_TA(2018)0475

Het Cum Ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader (2018/2900(RSP))

(2020/C 363/15)

Het Europees Parlement,

gezien de onthullingen over cum-ex die op 18 oktober 2018 zijn gedaan door een consortium van onderzoeksjournalisten onder leiding van de Duitse non-profitmediaorganisatie Correctiv,

gezien Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (1) (de “ESMA-verordening”),

gezien Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit nr. 2009/78/EG van de Commissie (2) (de “EBA-verordening”),

gezien Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (DAC2) (3),

gezien Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (DAC6) (4),

gezien de vierde onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag met betrekking tot het schandaal, die in juni 2017 met een verslag (5) is gekomen,

gezien zijn resoluties van 25 november 2015 (6) en 6 juli 2016 (7) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie (8),

gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (9),

gezien zijn besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3) (10),

gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 23 oktober 2018 over het cum-ex-schandaal,

gezien de gezamenlijke vergadering van de Commissie ECON en de Commissie TAX3 op 26 november 2018,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat “cum-ex” en “cum-cum” — of constructies voor handel in dividendarbitrage — staat voor handel in aandelen met als doel de identiteit van de eigenaar van de aandelen te verhullen en beide of meerdere partijen in staat stellen restitutie van (een deel van) de bronbelasting op vermogenswinstbelasting te vragen terwijl deze slechts één keer is betaald;

B.

overwegende dat het cum-ex-schandaal aan het licht is gebracht door een collaboratief onderzoek in 12 landen door in totaal 38 journalisten van 19 Europese media;

C.

overwegende dat volgens de berichtgeving 11 lidstaten door de cum-ex- en cum-cum-constructies in totaal wel 55,2 miljard EUR aan belastinginkomsten zijn misgelopen;

D.

overwegende dat het evenwel moeilijk is om de maximale schade te berekenen omdat veel praktijken al aan het einde van de jaren negentig zijn begonnen en al lang verjaard zijn;

E.

overwegende dat het onderzoek van het consortium van Europese journalisten Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië en Frankrijk als vermeende belangrijkste doelmarkten voor cum-ex-handelspraktijken aanwijst, gevolgd door Noorwegen, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië, en overwegende dat een onbekend aantal EU-lidstaten mogelijk bij deze praktijken betrokken is, evenals landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (zoals Zwitserland);

F.

overwegende dat het onderzoek in de zwaarst getroffen EU-lidstaten nog steeds loopt;

G.

overwegende dat cum-ex- en cum-cum-constructies een aantal kenmerken hebben van belastingfraude, en dat moet worden nagegaan of er inbreuk is gepleegd op de nationale of de EU-wetgeving;

H.

overwegende dat bij deze criminele activiteiten volgens de berichtgeving financiële instellingen uit EU-lidstaten zijn betrokken, waaronder enkele bekende grote commerciële banken;

I.

overwegende dat de bevoegde autoriteiten in sommige gevallen geen grondig onderzoek hebben gevoerd naar aanleiding van de informatie over de cum-ex-onthullingen die vanuit andere lidstaten is gedeeld;

J.

overwegende dat het feit dat buitenlandse beleggers om restitutie van de ingehouden bronbelasting op dividend mogen verzoeken, een belangrijke rol speelt in de onthullingen;

K.

overwegende dat de EU-lidstaten uit hoofde van de tweede richtlijn inzake administratieve samenwerking (DAC2) sinds september 2017 verplicht zijn jaarlijks inlichtingen op te vragen bij hun financiële instellingen en deze inlichtingen te delen met de lidstaat waar de belastingbetaler woont;

L.

overwegende dat elke persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de van tevoren vastgestelde wezenskenmerken bezit, ontwikkelt, in de handel brengt, organiseert of voor implementatie beschikbaar stelt, of de implementatie daarvan beheert, uit hoofde van de zesde richtlijn inzake administratieve samenwerking (DAC6) verplicht is die constructie aan de nationale belastingautoriteiten te melden;

M.

overwegende dat het mandaat van de Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3) uitdrukkelijk betrekking heeft op relevante ontwikkelingen die zich tijdens haar mandaatsperiode voordoen;

N.

overwegende dat klokkenluiders de afgelopen 25 jaar een belangrijke rol hebben gespeeld bij het aan het licht brengen van gevoelige informatie die essentieel is voor het algemeen belang, hetgeen ook is gebleken bij de cum-ex-onthullingen (11);

1.

veroordeelt met klem de aan het licht gebrachte belastingfraude en belastingontwijking, waardoor de lidstaten volgens berichten in een aantal media in totaal naar schatting wel 55,2 miljard EUR aan belastinginkomsten zijn misgelopen, hetgeen een klap voor de Europese sociale markteconomie betekent;

2.

wijst erop dat volgens de antiwitwasrichtlijn van de EU (12)“fiscale misdrijven” met betrekking tot directe en indirecte belastingen onder de brede definitie van “criminele activiteiten” vallen en worden beschouwd als basisdelicten voor het witwassen van geld; herinnert eraan dat zowel kredietinstellingen en financiële instellingen als belastingadviseurs, accountants en advocaten in het kader van de antiwitwasrichtlijn als “meldingsplichtige entiteiten” worden beschouwd en dat zij derhalve een reeks verplichtingen moeten nakomen om witwasactiviteiten te voorkomen, op te sporen en te melden;

3.

wijst erop dat het cum-ex-schandaal het vertrouwen van de burger in de belastingstelsels heeft geschaad, en benadrukt hoe belangrijk het is om het publieke vertrouwen te herstellen en ervoor te zorgen dat de aangerichte schade niet nogmaals wordt berokkend;

4.

betreurt dat de voor belastingheffing verantwoordelijke commissaris niet onderkent dat het noodzakelijk is om het bestaande systeem voor de informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten uit te breiden;

5.

verzoekt de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Bankautoriteit (EBA) een onderzoek in te stellen naar constructies voor handel in dividendarbitrage zoals cum-ex of cum-cum, teneinde mogelijke bedreigingen voor de integriteit van de financiële markten en voor nationale begrotingen te beoordelen, de aard en de omvang van de actoren in deze constructies vast te stellen, na te gaan of er inbreuk is gepleegd op de nationale of de EU-wetgeving, de maatregelen van de financiële toezichthouders in de lidstaten te beoordelen, en de bevoegde autoriteiten passende aanbevelingen voor hervormingen en maatregelen te doen;

6.

onderstreept dat de gedane onthullingen niet van invloed zijn op de stabiliteit van het financiële systeem van de Unie;

7.

beveelt aan dat in dit onderzoek wordt vastgesteld wat er fout is gelopen bij de coördinatie- en toezichtstaken van de financiële toezichthouders en de beurs- en belastingautoriteiten in de lidstaten, waardoor deze regelingen waarmee belastinggeld werd gestolen jaren konden worden voortgezet, ondanks het feit dat ze waren geïdentificeerd;

8.

verlangt dat nationale en Europese toezichthoudende autoriteiten een mandaat krijgen om belastingontwijkingspraktijken onder de loep te nemen, aangezien deze praktijken een risico voor de financiële stabiliteit en de integriteit van de interne markt kunnen vormen;

9.

onderstreept dat deze nieuwe onthullingen lijken te wijzen op mogelijke tekortkomingen in nationale belastingwetgeving en in de huidige systemen voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten; vraagt de lidstaten effectief uitvoering te geven aan de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied;

10.

dringt erop aan de informatie-uitwisseling tussen belastingautoriteiten te versterken om kwesties met fiscale geheimhoudingsplicht die we in sommige lidstaten hebben gezien, te voorkomen;

11.

dringt er bij de belastingautoriteiten van alle lidstaten op aan om, in overeenstemming met de Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration van de OESO, centrale contactpunten aan te wijzen, en verzoekt de Commissie samenwerking tussen de lidstaten te garanderen en te vergemakkelijken om ervoor te zorgen dat informatie over gevallen met grensoverschrijdende relevantie snel en efficiënt tussen de lidstaten wordt gedeeld;

12.

dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan om, indien nodig, vervolging in te stellen, rechtsmiddelen in te zetten om verdachte activa te bevriezen, onderzoeken in te stellen naar raden van bestuur die mogelijk bij het schandaal betrokken waren, en passende en afschrikkende sancties op te leggen aan de betrokkenen; is van mening dat zowel de daders van deze misdrijven als degenen die deze misdrijven mee mogelijk hebben gemaakt, onder wie niet alleen belastingadviseurs, maar ook advocaten, accountants en banken, voor de rechter moeten worden gebracht; benadrukt dat er dringend een einde moet worden gemaakt aan de straffeloosheid ten aanzien van witteboordencriminaliteit en dat de financiële regelgeving dringend beter moet worden gehandhaafd;

13.

dringt er bij de EU en de autoriteiten van de lidstaten op aan om de rol die verzekeringsfondsen en toezichthouders op verzekeringsfondsen in het schandaal hebben gespeeld, te onderzoeken;

14.

verzoekt de nationale belastingautoriteiten het potentieel van de DAC6 wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, met inbegrip van het gebruik van gegroepeerde aanvragen, ten volle te benutten; vraagt voorts dat de DAC6 wordt aangescherpt zodat dividendarbitrageconstructies en alle informatie over kapitaalwinsten, met inbegrip van restitutie van belastingen op dividenden en kapitaalwinsten, verplicht openbaar moeten worden gemaakt;

15.

vraagt alle lidstaten die naar verluidt de voornaamste doelmarkten voor handel in dividendarbitrage zijn, de praktijk rond dividendbetalingen in hun rechtsgebied grondig te onderzoeken en te analyseren, in kaart te brengen welke mazen in hun belastingwetgeving mogelijkheden creëren voor misbruik door belastingfraudeurs en belastingontwijkers, mogelijke grensoverschrijdende aspecten van deze praktijken te analyseren en een einde te maken aan al deze schadelijke belastingpraktijken;

16.

benadrukt dat een gecoördineerd optreden van de nationale autoriteiten nodig is om te waarborgen dat alle middelen die op onwettige wijze uit de staatskassen zijn verkregen, worden teruggevorderd;

17.

vraagt de Commissie bilaterale overeenkomsten inzake belastingheffing tussen lidstaten en met derde landen te beoordelen en vraagt de lidstaten deze overeenkomsten te herzien en te actualiseren om mazen te dichten die aanzetten tot fiscaal geïnspireerde handelspraktijken met het oog op belastingontwijking;

18.

dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk werk te maken van een voorstel voor een Europese financiële politie binnen het kader van Europol met eigen opsporingscapaciteiten, alsook van een Europees kader voor grensoverschrijdend belastingonderzoek;

19.

vraagt de Commissie de richtlijn betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten te herzien om dividendarbitragepraktijken aan te pakken;

20.

vraagt de Commissie de rol van de in de cum-ex-papers aan het licht gebrachte special purpose vehicles (SPV's) en special purpose entities (SPE's) te beoordelen en zo nodig voor te stellen om het gebruik van deze instrumenten aan banden te leggen;

21.

verzoekt de Commissie met klem na te denken over de noodzaak van een Europees kader voor de belasting op kapitaalinkomsten, dat de stimuli wegneemt die grensoverschrijdende financiële stromen destabiliseren, die leiden tot fiscale concurrentie tussen de lidstaten en de belastinggrondslagen ondermijnen die de houdbaarheid van de Europese welzijnsstaten waarborgen;

22.

dringt er bij de Commissie op aan te overwegen een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een financiële-inlichtingeneenheid van de EU, een Europese hub voor gezamenlijke onderzoekswerkzaamheden en een systeem van vroegtijdige waarschuwing;

23.

betreurt het dat de crisis van 2008 heeft geresulteerd in stelselmatige bezuinigingen op middelen en personeel bij de belastingdiensten; verzoekt de lidstaten te investeren in de instrumenten waarover de belastingautoriteiten beschikken, deze instrumenten te moderniseren en de nodige personele middelen toe te wijzen om het toezicht te verbeteren en de tijds- en informatiekloof te verkleinen; dringt er bij de lidstaten op aan de capaciteiten en vaardigheden van hun financiële autoriteiten te verbeteren om ervoor te zorgen dat zij volledig toegerust zijn om belastingfraude op te sporen;

24.

benadrukt dat klokkenluiders, die informatie over bijvoorbeeld belastingfraude en belastingontduiking op nationaal en EU-niveau openbaar maken, moeten worden beschermd; roept iedereen die over informatie beschikt die waardevol is voor het publieke belang, op dit te melden — intern, extern bij de nationale autoriteiten of, indien nodig, rechtstreeks aan het publiek; dringt erop aan dat het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden snel wordt goedgekeurd, met inachtneming van de adviezen van de verschillende commissies van het Europees Parlement;

25.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie van 12 september 2018 om, samen met andere verordeningen, de verordening tot oprichting van de EBA te wijzigen, teneinde de EBA een grotere rol te geven bij het antiwitwastoezicht op de financiële sector (COM(2018)0646); benadrukt dat de ECB overeenkomstig het gemeenschappelijk toezichtmechanisme tot taak heeft vroegtijdige-interventiemaatregelen zoals vastgesteld in het betreffende Unierecht ten uitvoer te leggen; is van mening dat de ECB een rol moet spelen bij het waarschuwen van de bevoegde nationale autoriteiten en eventuele maatregelen moet coördineren als er vermoedens zijn dat gecontroleerde banken of groepen de antiwitwasregels niet naleven;

26.

is van mening dat de werkzaamheden van de Commissies TAXE, TAX2, PANA en TAX3 tijdens de volgende zittingsperiode moeten worden voortgezet in een permanente structuur binnen het Parlement, bijvoorbeeld een subcommissie van de Commissie economische en monetaire zaken (ECON);

27.

verzoekt de Bijzondere Commissie TAX3 de cum-ex-onthullingen aan een eigen beoordeling te onderwerpen en de resultaten daarvan, alsook eventuele aanbevelingen ter zake, in haar eindverslag op te nemen;

28.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten.

(1)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

(2)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

(3)  PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1.

(4)  PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1.

(5)  Deutscher Bundestag, Drucksache 18/12700, 20.6.2017

(6)  PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.

(7)  PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.

(8)  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 74.

(9)  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0048.

(11)  Hoorzitting van de Commissie ECON en de Commissie TAX3 van het Europees Parlement van 26 november 2018 over het cum-ex-schandaal: vermogenscriminaliteit en achterpoortjes in het bestaande wettelijke kader.

(12)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/107


P8_TA(2018)0476

De rol van de Duitse dienst voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen (2018/2856(RSP))

(2020/C 363/16)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 81, lid 3, van het VWEU,

gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 24,

gezien de artikelen 8 en 20 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, waarin regeringen gewezen worden op hun verplichting de identiteit van een kind te beschermen, met inbegrip van de familiebetrekkingen,

gelet op het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963, met name artikel 37, onder b,

gezien het gezien het Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

gezien Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II bis) (1), en met name de artikelen 8, 10, 15, 16, 21, 41, 55 en 57,

gezien Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (“de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 februari 2011 over een EU-agenda voor de rechten van het kind (COM(2011)0060),

gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), met name zijn arrest van 22 december 2010 in zaak C-497/10 PPU, Mercredi/Chaffe (3), en van 2 april 2009 in zaak C-523/07, rechtsgeding aangespannen door A (4),

gezien de door het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie in kaart gebrachte kinderbeschermingsstelsels,

gezien het zeer grote aantal verzoekschriften dat is ontvangen over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen,

gezien de aanbevelingen in het verslag van het informatiebezoek aan Duitsland (23-24 november 2011) in verband met het onderzoek van verzoekschriften over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt),

gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over het veiligstellen van de belangen van het kind in de gehele EU op basis van verzoekschriften die gericht zijn aan het Europees Parlement (5),

gezien de aanbevelingen van de Werkgroep over kwesties in verband met kinderwelzijn van de Commissie verzoekschriften van 3 mei 2017,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften van het Parlement al meer dan tien jaar lang verzoekschriften ontvangt waarin een zeer groot aantal niet-Duitse ouders klaagt over systematische discriminatie en willekeurige maatregelen door het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij kinderen betrokken zijn, waaronder kwesties in verband met ouderlijke macht en voogdij;

B.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften zich voornamelijk baseert op het subjectieve verslag van de indiener en gewoonlijk geen toegang heeft tot rechterlijke beslissingen, die een volledige en objectieve beschrijving van de situatie geven, met getuigenissen zowel van de ouders als van de kinderen en van getuigen;

C.

overwegende dat het Jugendamt een belangrijke rol speelt in het Duitse familierechtstelsel, daar het een van de partijen is bij alle familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

D.

overwegende dat het Jugendamt in familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn, een aanbeveling aan de rechter doet die in de praktijk van bindende aard is, en dat het voorlopige maatregelen kan treffen, zoals “Beistandschaft” (rechtsbijstand), waartegen geen beroep kan worden aangetekend;

E.

overwegende dat het Jugendamt verantwoordelijk is voor de uitvoering van de beslissingen die de Duitse rechter heeft genomen; overwegende dat de ruime interpretatie van deze beslissingen door het Jugendamt volgens indieners vaak schadelijk is gebleken wat de doeltreffende bescherming van de rechten van niet-Duitse ouders betreft;

F.

overwegende dat het niet erkennen of ten uitvoer leggen door de bevoegde Duitse autoriteiten van beslissingen en uitspraken van gerechtelijke autoriteiten van andere EU-lidstaten in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij kinderen betrokken zijn, een inbreuk kan betekenen op het beginsel van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen tussen lidstaten, waardoor de doeltreffende bescherming van de belangen van het kind in gevaar komt;

G.

overwegende dat indieners klagen over het feit dat de bescherming van de belangen van het kind in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen door de bevoegde Duitse autoriteiten systematisch zo wordt geïnterpreteerd dat kinderen hoe dan ook op Duits grondgebied moeten blijven, ook in gevallen waarin sprake is van mishandeling van en huiselijk geweld tegen de niet-Duitse ouder;

H.

overwegende dat niet-Duitse ouders in hun verzoekschriften klagen over het feit dat zij onvoldoende of geen advies en rechtsbijstand van de nationale autoriteiten van hun land van herkomst hebben gekregen in gevallen waarin de Duitse autoriteiten, waaronder het Jugendamt, bij familiegeschillen waarbij kinderen zijn betrokken, juridische en administratieve procedures tegen hen aanspanden die discriminerend of ongunstig zouden zijn;

I.

overwegende dat volgens de informatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, bij het Hof 17 zaken door niet-Duitse indieners van verzoekschriften tegen Duitsland aanhangig zijn gemaakt over ouderlijke verantwoordelijkheid of voogdij bij grensoverschrijdende familiegeschillen, die alle niet-ontvankelijk zijn verklaard;

J.

overwegende dat alle EU-instellingen en lidstaten de bescherming van de rechten van het kind zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten volledig moeten waarborgen; overwegende dat de belangen van het kind, die in de eerste plaats en het best binnen het eigen gezin zijn gediend, een fundamenteel beginsel vormen dat bij alle beslissingen in verband met jeugdzorg op alle niveaus in acht moet worden genomen;

K.

overwegende dat de toegenomen mobiliteit binnen de EU geleid heeft tot een groeiend aantal grensoverschrijdende geschillen over ouderlijke macht en voogdij over kinderen; overwegende dat de Commissie zich meer moet inspannen voor een consequente en concrete toepassing in alle lidstaten, met inbegrip van Duitsland, van de beginselen die zijn neergelegd in het VN-Verdrag over de rechten van het kind, dat door alle EU-lidstaten is geratificeerd;

L.

overwegende dat het toepassingsgebied en de doelstellingen van de Brussel II bis-verordening zijn gebaseerd op het beginsel van niet-discriminatie op grond van nationaliteit tussen burgers van de Unie en op het beginsel van wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsels;

M.

overwegende dat de bepalingen van de Brussel II bis-verordening op geen enkele manier ruimte mogen bieden voor misbruik van de onderliggende doelstellingen ervan, namelijk wederzijdse eerbiediging en erkenning, voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit en — in de allereerste plaats — werkelijke bescherming van de belangen van het kind op een objectieve manier;

N.

overwegende dat het ontbreken van nauwlettend en uitvoerig toezicht op de niet-discriminerende aard van de procedures en methodes die worden toegepast door de bevoegde Duitse autoriteiten bij familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij kinderen betrokken zijn, een desastreuze impact kan hebben op het welzijn van kinderen en kan leiden tot meer schendingen van de rechten van niet-Duitse ouders;

O.

overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is in alle kwesties in verband met het materiële familierecht;

P.

overwegende dat het Duitse federale constitutionele hof (Bundesverfassungsgericht) heeft bepaald dat een rechtbank kan verzoeken een kind dat op het moment van de beslissing nog geen drie jaar oud is, te horen; overwegende dat kinderen van deze leeftijd in andere EU-lidstaten te jong worden geacht en niet in staat om te worden geraadpleegd over aangelegenheden waarbij hun ouders betrokken zijn;

Q.

overwegende dat het recht van het kind op een gezinsleven niet in het gedrang mag komen door de uitoefening van een grondrecht, zoals de vrijheid van verkeer en van verblijf;

R.

overwegende dat de jurisprudentie van het HvJ-EU het autonome begrip van de “gewone verblijfplaats” van het kind in de EU-wetgeving heeft ingevoerd, evenals de reeks criteria die door de nationale rechter moet worden toegepast om de gewone verblijfplaats te bepalen;

S.

overwegende dat kinderen uit hoofde van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de EU, tenzij dit tegen hun belangen indruist, het recht hebben regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met hun beide ouders te onderhouden wanneer hun ouders gebruik maken van hun recht van vrij verkeer;

1.

merkt met grote bezorgdheid op dat de problemen in verband met het Duitse familierechtstelsel, met inbegrip van de controversiële rol van het Jugendamt, die in verzoekschriften van niet-Duitse ouders aan de kaak worden gesteld, nog steeds niet zijn opgelost; benadrukt dat de Commissie verzoekschriften voortdurend verzoekschriften van niet-Duitse ouders ontvangt waarin melding wordt gedaan van ernstige discriminatie als gevolg van de procedures en methodes die de bevoegde Duitse autoriteiten toepassen in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

2.

neemt met bezorgdheid kennis van alle gevallen waar discriminatie zou hebben plaatsgehad van niet-Duitse ouders door het Jugendamt;

3.

wijst erop dat de Commissie verzoekschriften zich sinds jaar en dag buigt over verzoekschriften betreffende de rol van het Jugendamt; neemt nota van de antwoorden van het bevoegde Duitse ministerie over de werking van het Duitse familierechtstelsel, maar benadrukt dat de Commissie verzoekschriften voortdurend verzoekschriften ontvangt over veronderstelde discriminatie van de niet-Duitse ouder;

4.

onderstreept dat de nationale autoriteiten ingevolge de Brussel II bis-verordening verplicht zijn tot erkenning en uitvoering van rechterlijke beslissingen die in een andere lidstaat worden genomen in zaken waarbij kinderen betrokken zijn; maakt er zich zorgen over dat de Duitse autoriteiten in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen systematisch zouden kunnen weigeren rechterlijke beslissingen te erkennen die in een andere lidstaat zijn genomen met betrekking tot zaken waarin kinderen van nog geen drie jaar oud niet zijn gehoord; onderstreept dat dit aspect het beginsel van wederzijds vertrouwen ondermijnt ten aanzien van lidstaten wier rechtsstelsel een andere leeftijdsgrens voor het horen van kinderen kent;

5.

betreurt dat de Commissie al jarenlang geen nauwlettende controles uitvoert van de procedures en methodes die in het Duitse familierechtstelsel, met inbegrip van het Jugendamt, worden toegepast in het kader van familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen, en aldus tekort schiet waar het gaat om doeltreffende bescherming van de belangen van het kind en alle aanverwante rechten;

6.

herinnert aan het antwoord van de Commissie met betrekking tot de verzoekschriften over de rol van het Jugendamt in grensoverschrijdende familiegeschillen; herhaalt dat de EU geen algemene bevoegdheid heeft om op te treden op het gebied van het familierecht, dat het materiële familierecht de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten blijft en dat de Commissie er geen toezicht op kan houden, dat er in geval van bezorgdheid over de werking van het Jugendamt verhaal moet worden gehaald op nationaal niveau en dat, als ouders van mening zijn dat welke van hun grondrechten ook geschonden zijn, zij een klacht kunnen indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, zodra de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput;

7.

wijst nadrukkelijk op het belang van de vergaring door de lidstaten van statistieken over de administratieve en juridische procedures betreffende voogdij en buitenlandse ouders, met name over de uitkomst van rechterlijke beslissingen, teneinde een gedetailleerde analyse te kunnen verrichten van de trends in de loop der tijd en benchmarks te kunnen vaststellen;

8.

onderstreept, overeenkomstig de jurisprudentie van het HvJ-EU, het autonome begrip van de “gewone verblijfplaats” van het kind in de EU-wetgeving, evenals de reeks criteria die door de nationale rechter moet worden toegepast om de gewone verblijfplaats te bepalen;

9.

spoort de Commissie aan te waarborgen dat de gewone verblijfplaats van het kind door de Duitse rechter naar behoren is vastgesteld in de gevallen waarnaar in de door de Commissie verzoekschriften ontvangen verzoekschriften wordt verwezen;

10.

bekritiseert met nadruk het ontbreken van statistieken over het aantal gevallen in Duitsland waarin rechterlijke beslissingen niet aansloten bij de aanbevelingen van het Jugendamt en over de uitkomst van familiegeschillen waarbij kinderen van ouders met twee verschillende nationaliteiten betrokken waren, ondanks de jarenlange verzoeken om dergelijke gegevens te verzamelen en beschikbaar te maken voor het publiek;

11.

verzoekt de Commissie ten aanzien van de verzoekschriften in kwestie na te gaan of de Duitse rechters de bepalingen van de Brussel II bis-verordening naar behoren hebben nageleefd bij het vaststellen van hun bevoegdheid en of zij rekening hebben gehouden met uitspraken of beslissingen van rechters uit andere lidstaten;

12.

veroordeelt het feit dat, indien niet-Duitse ouders zich in het geval van omgang onder toezicht niet houden aan de methode van ambtenaren van het Jugendamt dat er in gesprekken met hun kinderen Duits moet worden gesproken, het gesprek onderbroken wordt en het contact tussen de niet-Duitse ouder en het kind wordt verboden; is van mening dat deze methode van de ambtenaren van het Jugendamt een duidelijk geval van discriminatie van niet-Duitse ouders op basis van herkomst en taal vormt;

13.

benadrukt het feit dat het Jugendamt over het algemeen het gebruik van een gemeenschappelijke moedertaal toestaat en dat het, als dit nodig is voor het welzijn en de veiligheid van het kind, bijvoorbeeld in mogelijke ontvoeringszaken, een tolk ter beschikking tracht te stellen om ervoor te zorgen dat de Jugendamt-functionarissen de inhoud van de discussie begrijpen;

14.

is er strikt van overtuigd dat de Duitse autoriteiten in het geval van omgang onder toezicht elke taal van ouders moeten toestaan in gesprekken tussen ouders en hun kinderen; verzoekt om invoering van mechanismen om te waarborgen dat niet-Duitse ouders en hun kinderen in hun onderling gebruikelijke taal kunnen communiceren, daar het gebruik van deze taal een essentiële rol speelt bij het behoud van krachtige emotionele banden tussen ouders en hun kinderen en voor doeltreffende bescherming van het culturele erfgoed en het welzijn van kinderen zorgt;

15.

is van oordeel dat er een consequente en doeltreffende follow-up moet komen van de aanbevelingen van het eindverslag van de Werkgroep over kwesties in verband met kinderwelzijn van de Commissie verzoekschriften van 3 mei 2017, met name van de aanbevelingen die rechtstreeks of indirect verband houden met de rol van het Jugendamt en het Duitse familierechtstelsel;

16.

herinnert Duitsland aan zijn internationale verplichtingen krachtens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, met inbegrip van artikel 8; is van mening dat alle bevoegde Duitse autoriteiten aanzienlijke verbeteringen moeten aanbrengen ter bescherming van het recht van kinderen van ouders met twee verschillende nationaliteiten, teneinde hun identiteit, met inbegrip van de familiebetrekkingen, te behouden, zoals erkend door de wet, zonder onwettige ingrepen;

17.

is van mening dat de Commissie in het licht van artikel 81 VWEU een actieve rol kan en moet spelen bij het waarborgen van eerlijke en consequente niet-discriminerende methodes ten aanzien van ouders bij de behandeling van grensoverschrijdende gevallen van voogdij in de hele Unie;

18.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er nauwkeurig op wordt toegezien dat de in het Duitse familierechtstelsel gebruikte procedures en praktijken, ook die van het Jugendamt, in het kader van familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen, niet discriminerend zijn;

19.

herhaalt dat het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is in kwesties in verband met het materiële familierecht;

20.

vraagt de Commissie om meer opleidingscursussen en internationale uitwisselingen van ambtenaren in de sociale diensten te verzorgen, teneinde de kennis te vergroten over de werking van dezelfde diensten in andere lidstaten en optimale werkwijzen uit te wisselen;

21.

benadrukt het belang van nauwe samenwerking en efficiënte communicatie tussen de verschillende nationale en lokale autoriteiten die betrokken zijn bij procedures inzake jeugdzorg, van de sociale diensten tot de rechterlijke en centrale autoriteiten;

22.

wijst op de noodzaak om de justitiële en administratieve samenwerking en grensoverschrijdende dialoog tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van andere lidstaten te verbeteren, teneinde te zorgen voor wederzijds vertrouwen betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en uitspraken van autoriteiten van andere lidstaten in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

23.

herinnert eraan dat niet-Duitse ouders vanaf het begin en in elke fase van procedures met betrekking tot een kind onverwijld voorzien moeten worden van volledige en duidelijke informatie over de procedures en de eventuele consequenties daarvan, in een taal die de ouders in kwestie volledig begrijpen, om te voorkomen dat ouders hun instemming geven zonder ten volle te begrijpen wat de gevolgen van hun toezeggingen zijn; roept de lidstaten op gerichte maatregelen toe te passen ter verbetering van rechtsbijstand, hulp, begeleiding en informatie voor hun onderdanen als deze melding maken van discriminerende of ongunstige juridische en administratieve procedures die door de Duitse autoriteiten tegen hen zijn ingesteld in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

24.

benadrukt dat er in de genoemde gevallen waarin het niet-Duitse ouders belet werd om tijdens bezoeken met hun kinderen de onderling gebruikelijke taal te spreken, sprake is van discriminatie op grond van taal, en dat dit ook in strijd is met het streven naar stimulering van meertaligheid en diversiteit van culturele achtergronden in de Unie, en haaks staat op de grondrechten van vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;

25.

verzoekt Duitsland zijn inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat ouders een gemeenschappelijke moedertaal met hun kinderen mogen gebruiken tijdens begeleid bezoek;

26.

spreekt zijn bezorgdheid uit over door indieners genoemde gevallen waarin door de bevoegde Duitse autoriteiten zeer korte termijnen werden vastgesteld en waarin door de bevoegde Duitse autoriteiten documenten werden toegezonden die niet in de taal van de indiener van het verzoek werden verstrekt; benadrukt het recht van burgers om documenten te weigeren die niet zijn geschreven of vertaald in een voor hen begrijpelijke taal, zoals bepaald is in artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1393/2007 over de betekening en de kennisgeving van stukken; verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze verordening in Duitsland grondig te onderzoeken, teneinde alle eventuele schendingen naar behoren aan te pakken;

27.

verzoekt de Commissie de naleving van taalvereisten in procedures voor de Duitse rechter te verifiëren in de gevallen die in de aan het Europees Parlement toegezonden verzoekschriften worden vermeld;

28.

roept de lidstaten op gerichte maatregelen toe te passen ter verbetering van rechtsbijstand, hulp, begeleiding en informatie voor hun onderdanen in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn; wijst er in dit verband op dat de bevoegde Duitse ministeries op federaal niveau het Duitse centrale contactpunt voor grensoverschrijdende familiegeschillen in het leven hebben geroepen om advies en informatie te verstrekken in grensoverschrijdende familiegeschillen die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen;

29.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om de totstandkoming van een platform voor de verlening van bijstand aan onderdanen van derde landen in familieprocedures te cofinancieren en te bevorderen;

30.

herinnert de lidstaten eraan hoe belangrijk het is dat de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1963 stelselmatig worden toegepast en dat ervoor wordt gezorgd dat ambassades en consulaten vanaf het begin geïnformeerd worden over alle jeugdzorgprocedures waarbij hun onderdanen betrokken zijn en dat zij volledige toegang krijgen tot de relevante documenten; benadrukt het belang van betrouwbare consulaire samenwerking op dit terrein en doet voorts de suggestie dat consulaire instanties wordt toegestaan elke fase van die procedures bij te wonen;

31.

herinnert de lidstaten aan de noodzaak om voor kinderen te voorzien in alle noodzakelijke en gerechtvaardigde opvang overeenkomstig de formulering van de artikelen 8 en 20 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en met name voortdurende jeugdzorg mogelijk te maken waarbij rekening wordt gehouden met de etnische, godsdienstige, culturele en taalidentiteit van het kind;

32.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.

(2)  PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79.

(3)  Arrest van het Hof van Justitie (eerste kamer) van 22 december 2010, Barbara Mercredi/Richard Chaffe, C-497/10 PPU, ECLI:EU:C:2010:829.

(4)  Arrest van het Hof van Justitie (derde kamer) van 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:EU:C:2009:225.

(5)  PB C 66 van 21.2.2018, blz. 2.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/113


P8_TA(2018)0477

WTO: de weg vooruit

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 inzake de WTO: de weg vooruit (2018/2084(INI))

(2020/C 363/17)

Het Europees Parlement,

gezien de overeenkomst van Marrakesh van 15 april 1994 tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

gezien de door de WTO geformuleerde ministersverklaring van Doha van 14 november 2001 (1),

gezien zijn vorige resoluties over de WTO, in het bijzonder die van 24 april 2008 over een routekaart voor hervorming van de Wereldhandelsorganisatie (2) en van 15 november 2017 over multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO (3),

gezien het slotdocument dat op 10 december 2017 bij consensus werd goedgekeurd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Parlementaire Conferentie over de WTO in Buenos Aires (4),

gezien de resultaten, waaronder een reeks ministeriële besluiten, van de elfde Ministeriële Conferentie in Buenos Aires in december 2017, waar echter geen ministeriële verklaring kon worden goedgekeurd (5),

gezien de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade (“hulp voor handel”), die van 11 t/m 13 juli 2017 plaatsvond in Genève (6),

gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (7),

gezien de Overeenkomst van Parijs binnen het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die sinds november 2016 van kracht is,

gezien het laatste verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van 8 oktober 2018, waaruit blijkt dat beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5o C nog steeds mogelijk is, indien landen hun nationaal bepaalde bijdragen voor 2020 verhogen,

gezien punt 16 van de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018 (8),

gezien de op 31 mei 2018 aangenomen gezamenlijke verklaring over de trilaterale vergadering van de ministers van Handel van de Verenigde Staten, Japan en de Europese Unie (9),

gezien de gezamenlijke verklaring tijdens de 20e EU-China-top, waarbij een gezamenlijke werkgroep betreffende de hervorming van de WTO werd opgericht die zal worden voorgezeten op het niveau van viceministers (10),

gezien de conceptnota van de Commissie van 18 september 2018 over modernisering van de WTO (11),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0379/2018),

A.

overwegende dat de WTO, sinds haar oprichting een cruciale rol speelt bij het versterken van het multilaterale kader, het bevorderen van een inclusieve economische wereldorde en het stimuleren van een open, op regels gebaseerd, niet-discriminerend multilateraal handelsstelsel; overwegende dat de ontwikkelingslanden momenteel goed zijn voor ongeveer de helft van de wereldhandel, terwijl dit in 2000 nog 33 % was, en dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, sinds 1990 is gehalveerd en net onder de één miljard ligt; overwegende dat de WTO is gegrondvest op een systeem van rechten en plichten, uit hoofde waarvan leden hun eigen markten moeten openstellen zonder te discrimineren;

B.

overwegende dat de WTO voor regeringen en bedrijven het belangrijkste referentiepunt moet blijven om regels te bepalen en handelsgeschillen op te lossen;

C.

overwegende dat de EU voortdurend heeft gepleit voor een sterke, op multilaterale regels gebaseerde benadering van handel, omdat de EU-economie, en werknemers en consumenten in de EU en haar partnerlanden in toenemende mate geïntegreerd zijn in de wereldwijde waardeketens en zowel bij de invoer als de uitvoer afhankelijk zijn van voorspelbare ontwikkelingen op het gebied van internationale handel en op het gebied van sociale en milieuomstandigheden;

D.

overwegende dat de resultaten van de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires in december 2017 teleurstellend waren en duidelijk aantoonden dat de onderhandelingsrol van de organisatie verlamd is;

E.

overwegende dat het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel kampt met de zwaarste crisis sinds de oprichting van de WTO, wat een bedreiging vormt voor de basistaken van de organisatie, te weten het vaststellen van essentiële voorschriften en de structuur voor de internationale handel en het leveren van het doeltreffendste en meest ontwikkelde geschillenbeslechtingsmechanisme van alle multilaterale organisaties;

F.

overwegende dat behoudens enkele uitzonderingen zoals de handelsfacilitatieovereenkomst, de handelshervorming van de WTO sinds het eerste decennium van de 21e eeuw achterblijft;

G.

overwegende dat de beroepsinstantie de parel aan de kroon van de WTO is, vanwege het bindende karakter van haar besluiten en haar status als onafhankelijk en onpartijdig beroepsorgaan; overwegende dat het aantal rechters van de WTO-beroepsinstantie is gedaald tot het minimumaantal dat het nodig heeft om te functioneren, nadat er na afloop van de termijn van rechter Shree Baboo Chekitan Servansing slechts drie benoemde rechters overbleven; overwegende dat deze door de VS-regering veroorzaakte impasse zou kunnen leiden tot de instorting van een stelsel dat cruciaal is voor het beslechten van geschillen tussen alle WTO-leden;

1.

schaart zich andermaal volledig achter het multilaterale handelsstelsel en pleit voor een handelsagenda gebaseerd op eerlijke en op regels gebaseerde handel die eenieder ten goede komt en die bijdraagt tot vrede, veiligheid en de agenda voor duurzame ontwikkeling, door sociale, milieu- en mensenrechten erin op te nemen en te versterken, en ervoor te zorgen dat multilateraal overeengekomen en geharmoniseerde voorschriften zonder onderscheid worden toegepast en effectief worden gehandhaafd; onderstreept dat de WTO eveneens moet bijdragen tot de bevordering van rechtvaardige handel en de bestrijding van oneerlijke praktijken; onderstreept dat handel geen doel op zich is, maar een instrument voor het verwezenlijken van de mondiaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen;

2.

meent dat in het licht van de laatste ontwikkelingen, maar ook gezien het reeds lang uitblijven van vooruitgang ten aanzien van de ontwikkelingsagenda van Doha (DDA), dringend moet worden overgegaan tot de modernisering van de WTO en tot een grondige herziening van verschillende aspecten van de werking van de WTO, met als doel zowel de doeltreffendheid als de legitimiteit ervan te vergroten; is in dit opzicht van mening dat het van essentieel belang is dat het secretariaat van de WTO alle WTO-leden de mogelijkheid biedt om vanaf het begin bij het debat te worden betrokken; dringt er bij de Commissie en de EU-lidstaten in de WTO op aan samen te werken met andere WTO-leden, in het bijzonder onze belangrijkste handelspartners zoals de VS, Japan, China, Canada, Brazilië en India, om tot gezamenlijke standpunten te komen; beschouwt de openingsverklaringen bij de EU-China-top over de hervorming van de WTO als bemoedigend;

3.

verwelkomt in dit opzicht het op 28-29 juni 2018 door de Europese Raad gegeven mandaat aan de Commissie en neemt kennis van de in de conclusies vermelde benadering, alsook van de conceptnota van de Commissie over modernisering van de WTO van 18 september 2018 en de voorstellen van Canada voor de hervorming van de WTO van 25 september 2018; kijkt uit naar de publicatie van meer voorstellen, met name van ontwikkelingslanden en van werkgroepen die reeds door de lidstaten van de WTO zijn opgericht;

4.

toont zich uitermate bezorgd over het feit dat slechts drie posities binnen de beroepsinstantie vervuld zijn, hetgeen de huidige en goede werking van het geschillenbeslechtingsproces ernstig ondermijnt, en doet een krachtig beroep op de Verenigde Staten om deze situatie zodanig op te lossen dat vacante posities binnen de beroepsinstantie snel kunnen worden opgevuld; is ingenomen met de eerste voorstellen die de Commissie in haar conceptnota over modernisering van de WTO heeft geformuleerd om deze impasse te doorbreken, door een oplossing aan te dragen voor een aantal zorgpunten, onder meer via een overgangsregeling voor vertrekkende leden of wijzigingen in de duur van de ambtstermijn binnen de beroepsinstantie of in de maximaal toegestane tijd voor de publicatie van een rapport of de vaststelling van nieuwe jurisprudentie door de beroepsinstantie; wijst erop dat de bezwaren van de VS betreffende de beroepsinstantie verder gaan dan procedurele wijzigingen en dat zij aanzienlijke hervormingen inhouden van de uitspraken van de rechters van de instantie;

5.

is van mening dat het besluit van de VS van 31 mei 2018 om invoerrechten op staal en aluminium te heffen op gronden van “nationale veiligheid” uit hoofde van afdeling 232 van de Trade Expansion Act van 1962 niet gerechtvaardigd is, dat dit geen oplossing vormt voor het probleem van staaloverschot op de mondiale markten en niet strookt met de WTO-regels; spoort de Commissie met klem aan om samen met de VS aan een oplossing voor de handelsgeschillen te werken en obstakels voor handel weg te nemen binnen het op WTO-regels gebaseerde kader voor geschillenbeslechting;

6.

is van mening dat de WTO, als oplossing voor de onderliggende oorzaken van de huidige crisis, moet inspelen op de veranderende omstandigheden en tegelijk bepaalde nog open kwesties van de DDA moet oplossen, met name op het gebied van voedselveiligheid; acht het daarom noodzakelijk:

a)

de huidige hiaten in de regelgeving aan te pakken om aldus te zorgen voor een gelijk speelveld wat betreft marktverstorende subsidies en staatsbedrijven, en de bescherming van de intellectuele eigendom en de markttoegang voor investeerders te handhaven; daarnaast aandacht te besteden aan kwesties zoals de bescherming en de gedwongen openbaarmaking van broncodes en andere overheidsmaatregelen die tot overcapaciteit leiden, alsook wettelijke belemmeringen voor diensten en investeringen, met inbegrip van technologieoverdracht, vereisten voor gemeenschappelijke ondernemingen en vereisten inzake plaatselijke toegevoegde waarde; en toezicht te houden op de uitvoering, het beheer en de werking van bestaande overeenkomsten;

b)

het noodzakelijke regelgevingskader tot stand te brengen om technologische ontwikkelingen het hoofd te bieden, onder meer op het gebied van e-handel, mondiale waardeketens, openbare aanbestedingen en geactualiseerde interne regelgeving voor diensten en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

c)

de meest prangende mondiale problemen op sociaal en milieugebied aan te pakken en te zorgen voor systematische beleidssamenhang tussen handels-, arbeids- en milieuagenda’s;

d)

in dit opzicht de in Buenos Aires aangenomen gezamenlijke verklaringen inzake e-handel, binnenlandse regelingen, investeringsbevordering en meer economische zeggenschap voor vrouwen, evenals het werk dat sindsdien op deze gebieden is verzet, toe te juichen;

7.

wijst op de gelegenheid voor de EU om haar regels op het gebied van gegevens- en privacybescherming naar voren te schuiven en internationaal onder de aandacht te brengen, zodat deze als leidraad kunnen dienen bij het opstellen van internationale en multilaterale normen;

8.

wijst erop dat toegang tot overheidsopdrachten een van de prioriteiten van de Europese Unie is in haar handelsbesprekingen en dat de Unie derhalve verwacht dat de WTO-leden hun toezegging om zich bij de overeenkomst inzake overheidsopdrachten aan te sluiten gestand doen en dat de werking en de eerbiediging van de bepalingen van deze overeenkomst worden verbeterd, in een geest van wederkerigheid en wederzijds voordeel; wijst erop dat de volledige effectiviteit van mogelijke verbeteringen in de staatssteunregels en de rol van overheidsbedrijven deels afhangt van de vorderingen die op dit vlak worden geboekt; dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de leden die bezig zijn tot de overeenkomst inzake overheidsopdrachten toe te treden, teneinde hun inspanningen te bespoedigen zodat meer WTO-leden de vruchten kunnen plukken van liberalisering van overheidsopdrachten;

9.

is ervan overtuigd dat het huidige onderscheid tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden niet de economische realiteit en de feitelijke situatie binnen de WTO weergeeft en dat dit een belemmering is geweest voor de vooruitgang van de Doha-ronde, dit ten nadele van de meest behoeftige landen; dringt er bij de meer gevorderde ontwikkelingslanden op aan om hun deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen en een bijdrage te leveren die in verhouding staat tot hun ontwikkelingsniveau en (sectorale) concurrentiekracht; wijst erop dat in de conceptnota van de Commissie wordt aangedrongen op regels die ontwikkelingslanden in staat stellen hun status van laag-inkomensland geleidelijk achter zich te laten naarmate zij rijker worden; is van mening dat het mechanisme van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling (S&DT) nader moet worden bekeken om beter aan te sluiten op de menselijke ontwikkelingsindex, als een beleidsinstrument dat ontwikkelingslanden in staat stelt om de tenuitvoerlegging van multilaterale overeenkomsten te koppelen aan de ontvangst van bijstand van rijkere landen en donororganisaties;

10.

is zeer verheugd over de ratificatie door twee derde van de WTO-leden van de handelsfacilitatieovereenkomst in februari 2017; is ervan overtuigd dat de handelsfacilitatieovereenkomst een belangrijk voorbeeld stelt en als model voor toekomstige WTO-afspraken kan dienen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende ontwikkelingsstatus en de uiteenlopende behoeften van de WTO-leden; spoort de WTO-leden aan hun verantwoordelijkheid te nemen en zich aan hun afspraken te houden in overeenstemming met hun reële economische gewicht en vermogens; wijst op de volgende uitdagingen, namelijk de volledige ratificatie van de overeenkomst, met name door leden in Afrika die naar verwachting het meeste van de overeenkomst zullen profiteren, de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de kennisgeving van ontwikkelingshulp in het kader van de overeenkomst;

11.

erkent dat de toetreding van China tot de WTO in 2001 over het algemeen de toegang tot de Chinese markt heeft vergroot, hetgeen gunstig is geweest voor de wereldeconomie; is bezorgd dat China de geest en beginselen van de WTO-regels inzake nationale behandeling niet toepast;

12.

is van mening dat het noodzakelijk is om de werking van het onderhandelingsproces te herzien door meer flexibiliteit in te voeren dan tot dusver onder de consensusregel het geval was, maar erkent tegelijkertijd dat de benadering van de algemeen geldende verbintenis de doeltreffendheid van de multilaterale handelsbesprekingen heeft beperkt; spreekt zijn steun uit voor het concept van flexibel multilateralisme, waarbij de WTO-leden die zich wensen bezig te houden met een bepaalde aangelegenheid waarbij nog geen volledige consensus mogelijk is, in staat moeten zijn om multilaterale overeenkomsten te bevorderen en af te sluiten, hetzij via zogenaamde WTO Bijlage 4-overeenkomsten, in overeenstemming met artikel II:3, artikel III:1 en artikel X:9 van de Overeenkomst van Marrakesh, of via “kritische massa”-overeenkomsten waarmee overeengekomen concessies worden gedaan aan de WTO-leden op basis van het beginsel van meest begunstigde natie; roept de Commissie op deze artikelen niet te gebruiken als alternatief voor een constructieve dialoog met de WTO-leden om handelsbelemmeringen en hervorming van de WTO en haar taken aan te pakken; is in dit verband van mening dat de WTO-leden de capaciteitsopbouw van de WTO moeten versterken om ervoor te zorgen dat de organisatie kan beschikken over voldoende financiële en personele middelen, in overeenstemming met de toegenomen behoeften om dezelfde kwaliteit van werk te behouden; meent, in het algemeen, dat de financiële bijdragen van nieuwe leden moeten leiden tot een verhoging van de WTO-begroting en niet tot lagere lidmaatschapsbijdragen voor bestaande leden;

13.

erkent dat, hoewel het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel de kern van de WTO-structuur blijft vormen, er mogelijkheden bestaan voor diepere en flexibelere plurilaterale samenwerking tussen geïnteresseerde staten op gebieden waar moeilijk consensus kan worden bereikt; wijst erop dat dergelijke overeenkomsten een aanvulling moeten vormen op de multilaterale agenda en deze niet mogen ondermijnen, en niet mogen worden gebruikt als alternatieve fora om handelsbelemmeringen aan te pakken, maar eerder een hulpmiddel moeten vormen om voortgang op multilateraal niveau te bevorderen; dringt aan op de hervatting van de multilaterale onderhandelingen over de overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA), en vraagt om in plurilaterale en multilaterale overeenkomsten specifieke bepalingen voor kmo's op te nemen; benadrukt dat het belangrijk is dat de WTO de internationale samenwerking met andere internationale organisaties zoals onder meer de VN, de OESO, de WDO en de IAO voortzet en verdiept;

14.

benadrukt het belang dat handel kan en moet spelen in de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling voor 2030 en de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs in de strijd tegen klimaatverandering; betreurt dat de EGA in 2016 werd geblokkeerd en herinnert eraan dat deze overeenkomst de toegang tot groene technologieën kan vergroten en tot de verwezenlijking van de bovengenoemde verbintenissen kan bijdragen; onderstreept dat naast de onderhandelingen over visserijsubsidies, de WTO nu concretere maatregelen moet vaststellen die in dit opzicht moeten worden genomen om het leven in de zee te beschermen; herinnert eraan dat het WTO-concept van verwerkings- en productiemethoden het mogelijk maakt te differentiëren tussen soortgelijke producten op grond van hun milieueffecten; pleit ervoor de WTO-Commissie voor handel en milieu nieuw leven in te blazen en haar het mandaat te geven criteria op te stellen voor de bestrijding van “freerider”-gedrag op milieugebied alsook nauwere banden aan te knopen met het secretariaat van het UNFCCC;

15.

wijst opnieuw op het verband tussen gendergelijkheid en inclusieve ontwikkeling, zoals ook wordt vermeld in SDG 5, en beklemtoont hierbij dat de versterking van de positie van vrouwen essentieel is voor het uitbannen van armoede en dat het slechten van barrières voor de participatie van vrouwen in het handelsverkeer van cruciaal belang is voor economische ontwikkeling; juicht de toegenomen aandacht van de WTO voor kwesties in verband met handel en gender toe en moedigt alle 121 ondertekenaars van de Verklaring van Buenos Aires inzake handel en de economische emancipatie van vrouwen van 2017 aan om hun beloften na te komen; benadrukt dat er voor alle terreinen waarvoor de WTO regels opstelt een systematische genderaanpak moet komen in de vorm van genderspecifieke effectbeoordelingen; wijst op het belang van een initiatief als SheTrades om de positieve rol van vrouwen in handel over het voetlicht te brengen en de deelname van vrouwen aan internationale handel wereldwijd aan te moedigen;

16.

vestigt de aandacht op de conclusies van de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade (“hulp voor handel”) die in juli 2017 plaatsvond in Genève, getiteld “Promoting trade, Inclusiveness and Connectivity for Sustainable Development” (Het bevorderen van handel, inclusie en connectiviteit in het kader van duurzame ontwikkeling); onderschrijft het standpunt dat dit moet worden vertaald in concrete acties om e-handel te bevorderen en digitale kansen, zoals blockchaintechnologie, in daadwerkelijke handelsvoorwaarden om ze zetten, ook voor ontwikkelingslanden; merkt in dit verband op dat investeringen in fysieke en digitale infrastructuur een belangrijke uitdaging blijven, omdat zij onmisbaar zijn om vooruitgang te boeken op dit gebied; roept de WTO-leden daarom op investeringen in fysieke en digitale infrastructuur te bevorderen en daarbij, naast andere initiatieven, publiek-private partnerschappen te stimuleren;

17.

verzoekt de EU andermaal om ervoor te zorgen dat haar activiteiten met ontwikkelingslanden, zowel op het gebied van ontwikkeling als van handel, zijn gebaseerd op een evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners, dat zij stroken met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en dat zij zijn gericht op de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten;

18.

betreurt het feit dat de elfde ministersconferentie van de WTO voor de minst ontwikkelde landen geen vooruitgang heeft kunnen boeken inzake kwesties die voor de ontwikkelingslanden van cruciaal belang zijn; is evenwel ingenomen met de verbeterde preferentiële behandeling waarin de WTO al eerder had voorzien voor de MOL's, met inbegrip van preferentiële oorsprongsregels en een regeling voor dienstverleners, en onderstreept de noodzaak van maatregelen inzake capaciteitsopbouw die leveranciers uit de MOL's in staat zouden stellen om te profiteren van de ontheffing voor diensten ten behoeve van de MOL's;

19.

benadrukt dat transparantie cruciaal is om een stabiel en voorspelbaar handels- en investeringsklimaat te kunnen garanderen; vindt het belangrijk dat de transparantie van toezichtsprocedures wordt bevorderd door meer stimulansen voor WTO-leden in te voeren om te voldoen aan de vereisten inzake kennisgeving, door de complexiteit en lasten ervan te beperken, en door indien nodig voor capaciteitsopbouw te zorgen, en meent dat opzettelijke niet-naleving moet worden ontmoedigd en tegengegaan;

20.

benadrukt dat de rol van het WTO-secretariaat bij het faciliteren en waarborgen van een bottom-upbenadering voor de actieve deelname van alle leden van cruciaal belang is en dat de daadkracht en flexibiliteit van het WTO-secretariaat verder moeten worden versterkt ter ondersteuning van verschillende onderhandelingsprocessen, alsook op het gebied van uitvoerings- en toezichtstaken; acht het nodig de financiële en menselijke middelen en bronnen van het secretariaat van de WTO te vergroten, en dringt er bij de WTO-leden op aan hun verantwoordelijkheden op dit vlak gezamenlijk te vervullen; is van mening dat de reguliere werkzaamheden van de WTO-commissies eveneens nieuw leven moet worden ingeblazen door de voorzitters een actievere rol te geven bij het ontwikkelen en voorstellen van oplossingen en compromissen, die verder gaat dan het beheer van de bijdragen van de leden, en stelt dat zij bij dit uitgebreide takenpakket moeten worden ondersteund door het Secretariaat;

21.

dringt er bij de WTO-leden op aan de democratische legitimiteit en transparantie te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken en een memorandum van overeenstemming tot vaststelling van een formele werkrelatie met de Parlementaire Conferentie over de WTO te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat parlementsleden volledige toegang moeten krijgen tot handelsbesprekingen en moeten worden betrokken bij de formulering en uitvoering van WTO-besluiten, en dat handelsbeleid naar behoren moet worden getoetst, dit in het belang van de burgers;

22.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de WTO.

(1)  Ministersverklaring van Doha (WT/MIN(01)/DEC/1) van 14 november 2001 — https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/min01_e/mindecl_e.htm

(2)  PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 77.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0439.

(4)  http://www.europarl.europa.eu/pcwto/en/sessions/2017.html

(5)  https://www.wto.org/english/news_e/news17_e/mc11_10dec17_e.htm

(6)  https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/gr17_e/gr17programme_e.htm

(7)  http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/

(8)  http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2018/06/29/20180628-euco-conclusions-final/

(9)  http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/may/tradoc_156906.pdf

(10)  https://www.consilium.europa.eu/media/36165/final-eu-cn-joint-statement-consolidated-text-with-climate-change-clean-energy-annex.pdf

(11)  http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/september/tradoc_157331.pdf


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/119


P8_TA(2018)0478

Verslag 2018 over Servië

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag van de Commissie 2018 over Servië (2018/2146(INI))

(2020/C 363/18)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de bijeenkomst van de Europese Raad in Thessaloniki op 19-20 juni 2003,

gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

gezien Besluit 2008/213/EG van de Raad (1) van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europese partnerschap met Servië en tot intrekking van Besluit 2006/56/EG,

gezien het advies van de Commissie van 12 oktober 2011 over het verzoek van Servië om toetreding tot de Europese Unie (SEC(2011)1208), het besluit van de Europese Raad van 2 maart 2012 om Servië de status van kandidaat-lidstaat te verlenen en het besluit van de Europese Raad van 27-28 juni 2013 om EU-toetredingsonderhandelingen met Servië te openen,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, die op 1 september 2013 in werking is getreden,

gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

gezien het proces van Berlijn dat is gestart op 28 augustus 2014,

gezien de verklaring en de aanbevelingen van de achtste bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-Servië op 13 en 14 juni 2018,

gezien het eindverslag van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) over zijn beperkte verkiezingswaarnemingsmissie voor de vervroegde parlementsverkiezingen in Servië op 29 juli 2016,

gezien het verslag van de verkiezingsevaluatiemissie van het OVSE/ODIHR over de presidentsverkiezingen in Servië op 2 april 2017,

gezien het verslag over Servië voor 2018 (SWD(2018)0152), dat de Commissie op 17 april 2018 heeft gepubliceerd,

gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” van 6 februari 2018 (COM(2018)0065),

gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 23 mei 2017 (9655/17),

gezien de vierde zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Servië, die op 16 november 2017 heeft plaatsgehad,

gezien de achtste bijeenkomst van de toetredingsconferentie met Servië op ministerieel niveau van 25 juni 2018,

gezien het verslag van juli 2015 van het orgaan van de Raad van Europa ter bestrijding van corruptie (Greco) over Servië en het verslag over de vierde evaluatieronde van Greco van 20 oktober 2017 over de voorkoming van corruptie van parlementsleden, rechters en openbaar aanklagers,

gezien de beoordeling van de Commissie van 17 april 2018 van het economische hervormingsprogramma van Servië voor de periode 2018-2020 (SWD(2018)0132) en de op 25 mei 2018 door de Raad aangenomen gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan,

gezien het advies van de Commissie van Venetië over de ontwerpamendementen op de grondwettelijke bepalingen inzake de rechterlijke macht van 25 juni 2018,

gezien de uitkomst van de enquête van 2017 inzake gemarginaliseerde Roma op de Westelijke Balkan, ondersteund door de Commissie en uitgevoerd door de Wereldbank en het VN-Ontwikkelingsprogramma,

gezien het gezamenlijk werkdocument getiteld “Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)”,

gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Servië uit 2016 (2),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0331/2018),

A.

overwegende dat Servië, net als alle landen die het EU-lidmaatschap nastreven, op zijn eigen merites beoordeeld moet worden wat betreft het voldoen aan, en de uitvoering en naleving van dezelfde criteria en overwegende dat de kwaliteit van en de toewijding aan de nodige hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepaalt; overwegende dat toetreding een op merites gebaseerd proces is en zal blijven dat volledig afhangt van de objectieve vooruitgang dat het land in kwestie, en in het onderhavige geval Servië, boekt;

B.

overwegende dat sinds de start van de onderhandelingen met Servië 14 hoofdstukken zijn geopend, waarvan twee voorlopig zijn afgesloten;

C.

overwegende dat Servië voortdurend betrokken is geweest bij de normalisering van de betrekkingen met Kosovo, hetgeen heeft geleid tot de eerste overeenkomst met beginselen voor de normalisatie van de betrekkingen van 19 april 2013 en de overeenkomsten van augustus 2015; overwegende dat Servië nog altijd bij de dialoog betrokken is;

D.

overwegende dat Servië heeft bijgedragen tot de versterking van de regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap, evenals tot vrede en stabiliteit, verzoening en een gunstig klimaat voor het aanpakken van resterende bilaterale kwesties uit het verleden;

E.

overwegende dat Servië zich blijft inzetten voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie en resultaten blijft boeken bij de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

F.

overwegende dat de rechtsstatelijkheid een fundamentele waarde is waarop de EU is gebaseerd en die centraal staat in zowel het uitbreidingsproces als het stabilisatie- en associatieproces; overwegende dat hervormingen nodig zijn om de belangrijke nog bestaande uitdagingen op dit gebied aan te pakken, met name het waarborgen van een onafhankelijke, onpartijdige, verantwoordingsplichtige en efficiënte rechterlijke macht, het bestrijden van corruptie en georganiseerde misdaad en de bescherming van de grondrechten;

G.

overwegende dat Servië alle basisverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft geratificeerd, waaronder in het bijzonder het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht uit 1948 (nr. 87), het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen uit 1949 (nr. 98) en het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid uit 1930 (nr. 29);

H.

overwegende dat de situatie op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media bijzonder ernstige zorgen blijft baren, en hierop prioritair op een vastberaden en doeltreffende manier een antwoord moet worden geboden;

I.

overwegende dat Servië pretoetredingssteun ontvangt in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), met een totale indicatieve toewijzing van 1,5 miljard EUR voor de periode 2014-2020; overwegende dat de herziene indicatieve toewijzing van IPA II voor Servië voor de periode 2018-2020 overeenkomt met 722 miljoen EUR; overwegende dat Servië een tussentijdse prestatiebeloning toegekend heeft gekregen;

1.

is verheugd over de blijvende inzet van Servië op de weg naar integratie in de Europese Unie; verzoekt Servië om, met steun van de Commissie, dit strategische besluit actief uit te dragen naar het Servische publiek en zijn inspanningen voort te zetten voor het verstrekken van tijdige en transparante informatie en het vergroten van de zichtbaarheid van de EU en de door haar gefinancierde projecten en programma's;

2.

benadrukt dat nauwkeurige tenuitvoerlegging van hervormingen en beleidsmaatregelen een belangrijke aanwijzing voor een succesvol integratieproces is; vraagt Servië de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren; is verheugd over de goedkeuring van een derde herziening van het nationale programma voor de overname van het EU-acquis en waarschuwt voor de gevolgen van een onvolledige omzetting van belangrijke EU-wetgeving voor de aanpassing aan het acquis; is verheugd over de beoordeling van de Commissie in haar mededeling getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan”, dat Servië met een sterke politieke wil, de uitvoering van echte en duurzame hervormingen en definitieve oplossingen voor geschillen met buurlanden, een lidstaat van de EU zou kunnen worden; verzoekt de Raad en de Commissie om, indien gerechtvaardigd door noodzakelijke vooruitgang, in het bijzonder op het cruciale gebied van de rechtsstaat, de opening van de technisch voorbereide hoofdstukken te ondersteunen en het algehele proces van toetredingsonderhandelingen te versnellen;

3.

is verheugd over de succesvolle afronding van het programmeringsproces in het kader van IPA 2018 en de ondertekening van de financieringsovereenkomst voor Ipard II; verzoekt de Commissie bij het ontwerpen van het nieuwe instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), te voorzien in passende bepalingen om de eventuele toetreding van Servië tot de EU mogelijk te maken;

4.

is verheugd over de vooruitgang die Servië heeft geboekt bij het ontwikkelen van een functionerende markteconomie, het waarborgen van economische groei en het behouden van macro-economische en monetaire stabiliteit; onderstreept dat Servië goede vooruitgang heeft geboekt bij de aanpak van enkele beleidszwakheden die in het verleden zijn aangekaart, in het bijzonder door middel van begrotingsconsolidatie; onderstreept echter dat de werkloosheid, braindrain en economische inactiviteit nog steeds hoog zijn; verzoekt Servië een duurzaam plan voor de toekomst van staatsbedrijven te ontwikkelen; benadrukt het cruciale belang van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) voor de Servische economie en verzoekt om een transparanter en minder belastend ondernemingsklimaat; steunt de toetreding van Servië tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO);

5.

uit zijn zorgen over de aanhoudende werkloosheid en benadrukt dat het belangrijk is om jongeren ondernemersvaardigheden bij te brengen en deze te ontwikkelen; verzoekt Servië de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren; verzoekt Servië de tripartiete dialoog te versterken; verzoekt om de wijziging van de wet inzake de premies voor de verplichte sociale zekerheid en de wet inzake de ziektekostenverzekering om discriminatie van kleine landbouwers te voorkomen;

6.

neemt nota van de op 2 april 2017 gehouden presidentsverkiezingen; is verheugd over het algemene verloop van deze verkiezingen en verzoekt de autoriteiten ervoor te zorgen dat internationale normen worden toegepast; verzoekt de autoriteiten ten volle uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het ODIHR, in het bijzonder om te zorgen voor een gelijk speelveld tijdens de campagnetijd, en een dialoog te starten met onafhankelijke nationale verkiezingswaarnemingsmissies; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar klachten inzake onregelmatigheden, geweld en intimidatie tijdens verkiezingsprocessen in het verleden; wijst met bezorgdheid op het gebrek aan transparantie met betrekking tot de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; wijst erop dat de financiering van politieke partijen transparant moet zijn en moet beantwoorden aan internationale normen;

7.

verzoekt Servië zijn buitenlands en veiligheidsbeleid verder in overeenstemming te brengen met het EU-beleid, met inbegrip van haar beleid ten aanzien van Rusland, ook binnen de Verenigde Naties; is ingenomen met de aanzienlijke bijdrage en de blijvende deelname van Servië aan verscheidene missies en operaties van de EU uit hoofde van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) (EUTM Mali, EUTM Somalië, EU-NAVFOR-Atalanta, EUTM RCA), met een deelname van Servië aan vier van de zes militaire missies of operaties die momenteel door de Unie worden uitgevoerd; is echter bezorgd over de aanhoudende militaire samenwerking van Servië met Rusland en Belarus;

8.

is verheugd over de constructieve aanpak van Servië bij het beheer van de gevolgen van de migratie- en vluchtelingencrisis, en de aanzienlijke inspanningen van het land om onderdak en humanitaire goederen te verschaffen, hoofdzakelijk met steun van de EU; is verheugd over de goedkeuring door Servië van de nieuwe asielwet, de wet inzake buitenlanders en de wet inzake grenscontroles; spoort Servië aan zijn visumbeleid geleidelijk in overeenstemming te brengen met dat van de EU; stelt met bezorgdheid vast dat het niet-afgestemde visumbeleid van Servië een mogelijkheid heeft geboden voor illegale migratie en smokkel naar EU-landen, evenals naar buurlanden die geen lid van de EU zijn; spoort Servië aan te voorzien in een terugkeermechanisme voor irreguliere migranten die in overeenstemming is met het EU-acquis en zijn capaciteit om te voorzien in de behoeften van niet-begeleide minderjarigen verder te verbeteren; verzoekt Servië een haalbare oplossing te vinden voor vluchtelingen uit buurlanden, ook wat betreft hun behoefte aan huisvesting en toegang tot werk en onderwijs;

Rechtsstaat

9.

spoort Servië aan om zijn hervormingsinspanningen op het gebied van de rechtsstaat op te voeren, en in het bijzonder de onafhankelijkheid en de algehele doeltreffendheid van het rechtsstelsel te waarborgen; onderstreept dat bijzondere nadruk moet worden gelegd op het doorvoeren van doeltreffende hervormingen op dit gebied; merkt op dat weliswaar enige vooruitgang is geboekt bij het inhalen van de achterstand op het gebied van oude handhavingszaken en bij het nemen van maatregelen om de gerechtelijke praktijk te harmoniseren, maar dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Servië niet volledig gewaarborgd is en dat de ruimte voor politieke beïnvloeding van de rechterlijke macht een punt van zorg blijft; roept Servië op om de verantwoordingsplicht, de onpartijdigheid, het professionalisme, en de algehele doeltreffendheid van de rechterlijke macht te versterken, en een systeem voor gratis rechtshulp in te stellen dat een breed scala waarborgt aan verleners van gratis rechtshulp; wenst dat uitvoering wordt gegeven aan alle uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

10.

herhaalt hoe belangrijk het is dat de strijd tegen corruptie wordt opgevoerd en dringt er bij Servië op aan dat het zich duidelijk engageert om dit probleem aan te pakken; is verheugd over de tenuitvoerlegging van de wet inzake de organisatie en rechtsbevoegdheid van overheidsinstanties bij de bestrijding van georganiseerde misdaad, terrorisme en corruptie; is verheugd over de aanneming van de wijzigingen van het hoofdstuk over economische misdrijven in het nationale wetboek van strafrecht en moedigt Servië aan om deze volledig ten uitvoer te leggen, met inbegrip van de wijziging betreffende ambtsmisbruik, om elke vorm van misbruik te voorkomen; verzoekt om de verdere uitvoering van de nationale strategie ter bestrijding van corruptie en het actieplan ter zake; vraagt Servië opnieuw om snel een nieuwe wet over het nationale agentschap voor corruptiebestrijding aan te nemen met het oog op een betere planning, coördinatie en monitoring van de implementatie van nieuwe en bestaande wetgeving en beleidsmaatregelen; benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat het agentschap voldoende financiën en personeel krijgt en behoudt om zijn taken op onafhankelijke wijze uit te voeren; benadrukt dat de leden van het agentschap voor corruptiebestrijding moeten worden gekozen in overeenstemming met de beginselen van transparantie en afwezigheid van belangenconflicten of politieke affiliatie; roept de autoriteiten ertoe op om alle vacatures bij het agentschap op te vullen; roept Servië ertoe op om nog betere resultaten te boeken bij het onderzoek naar en vervolgingen en definitieve veroordelingen in corruptiezaken op hoog niveau en om regelmatig statistieken te publiceren over de resultaten van onderzoeken in alle gevallen van vermeende corruptie van ambtenaren;

11.

verzoekt de Servische autoriteiten om de aanbevelingen van de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) uit te voeren; verzoekt het Servische parlement om in het bijzonder de aanbevelingen met betrekking tot het voorkomen van corruptie en belangenconflicten op te pakken, en om de gedragscode aan te nemen;

12.

erkent dat enige vooruitgang is geboekt bij de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en is verheugd over de actieve rol die Servië speelt op het gebied van de internationale en regionale politiële en justitiële samenwerking; roept Servië ertoe op verdere inzet te tonen en concrete resultaten te boeken in deze strijd, met name door overtuigende resultaten te boeken bij het onderzoek naar en vervolgingen en veroordelingen in georganiseerde-misdaadzaken, met inbegrip van illegale handel en smokkel van migranten van Servië naar de EU en naar landen buiten de EU, aan de georganiseerde misdaad gerelateerde moorden, cybercriminaliteit, financieringsstromen ter ondersteuning van terroristische activiteiten en witwassen; roept Servië op de volledige tenuitvoerlegging voort te zetten van het actieplan waarover overeenstemming is bereikt met de Financiële-actiegroep (FATF); vestigt de aandacht op het toenemende aantal criminele aanvallen en verzoekt om de oplossing hiervan door volledige samenwerking met de rechterlijke instanties;

Democratie en sociale dialoog

13.

benadrukt dat het Servische parlement nog altijd geen effectief toezicht uitoefent op de uitvoerende macht, en dat de transparantie, de inclusiviteit en de kwaliteit van het wetgevingsproces verder moeten worden verbeterd; is verheugd over het feit dat minder vaak gebruik wordt gemaakt van spoedprocedures om wetgeving aan te nemen; benadrukt echter dat het nog altijd frequente gebruik van spoedprocedures het parlementair en openbaar toezicht schaadt; benadrukt dat geen acties moeten worden ondernomen die de mogelijkheid van het Servische parlement om effectief debat te voeren over en toezicht te houden op wetgeving, beperken; benadrukt het belang van het werk van de oppositie in een democratie en onderstreept dat oppositiepolitici niet het slachtoffer moeten worden van laster en smaad; speekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat sommige politici het publieke debat gebruiken om radicalisme aan te wakkeren; verzoekt om aanvullende maatregelen om de partijoverstijgende dialoog en effectieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te waarborgen; roept het Servische parlement op om de praktijk van obstructie te beoordelen en te onderzoeken of deze het democratische debat verstikt; is verheugd over de voortdurende inspanningen van het Servische parlement om de transparantie te verbeteren door middel van debatten over de onderhandelingsposities van Servië over EU-toetredingshoofdstukken, en uitwisselingen met het hoofdonderhandelingsteam en met de Nationale Conventie voor de Europese Unie; benadrukt dat de rol van onafhankelijke toezichthoudende instanties, waaronder de nationale ombudspersoon, het agentschap voor corruptiebestrijding, de nationale rekenkamer en de commissaris voor informatie van openbaar belang en de bescherming van persoonsgegevens, volledig moet worden erkend en ondersteund; verzoekt het Servische parlement deel te nemen aan de uitvoering van bevindingen en aanbevelingen van onafhankelijke toezichthoudende instanties, in het bijzonder die van de ombudspersoon; herinnert eraan dat de sociale dialoog een van de pijlers van het Europese sociale model is en dat regelmatig overleg tussen de regering en de sociale partners uiterst belangrijk is om sociale spanningen en conflicten te voorkomen; benadrukt dat het cruciaal is dat de sociale dialoog verder gaat dan de uitwisseling van informatie en dat belanghebbende partijen moeten worden geraadpleegd over belangrijke wetten voordat de parlementaire procedure hiervoor van start gaat;

14.

is verheugd over de presentatie van het ontwerp van grondwettelijke hervorming van de nationale rechterlijke macht dat voor advies bij de Commissie van Venetië is ingediend; benadrukt het belang van de volledige tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; moedigt de Servische autoriteiten aan om op constructieve wijze een inclusief en betekenisvol publiek debat aan te gaan om het bewustzijn van het proces van de grondwetshervorming in het land te vergroten; roept op tot een brede publieke raadpleging voordat het uiteindelijke ontwerp bij het Servische parlement wordt ingediend;

15.

is verheugd over de vooruitgang die Servië heeft geboekt bij de hervorming van de overheid, met name door de aanneming van een aantal nieuwe wetten over salarissen in de publieke sector en arbeidsverhoudingen, over lokaal bestuur en salarissen in de autonome provincies, en over de nationale opleidingsacademie; benadrukt dat politieke beïnvloeding bij de benoeming van hoger leidinggevend personeel een punt van zorg blijft; verzoekt Servië de wetgeving voor het ambtenarenapparaat te wijzigen om de neutraliteit van het openbaar bestuur te garanderen; merkt op dat de versterking van de administratieve capaciteiten op alle niveaus van belang is voor de succesvolle uitvoering van de belangrijke hervormingen; is verheugd over de oprichting van een ministerie voor Europese Integratie, dat de structuren omvat van het voormalige Servische bureau voor Europese Integratie, dat politieke sturing blijft geven voor Europese integratie;

Mensenrechten

16.

onderstreept dat er een wetgevings- en institutioneel kader bestaat voor de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat een consistente en doeltreffende implementatie in het hele land vereist is; verzoekt Servië de nieuwe wet inzake gegevensbescherming goed te keuren en te waarborgen dat deze volledig in overeenstemming is met de EU-normen en beste praktijken; merkt op dat verdere gestage inspanningen noodzakelijk zijn voor het verbeteren van de situatie van personen die tot kwetsbare groepen behoren, waaronder kinderen, personen met een handicap, personen met hiv/aids en LGBTI-personen; veroordeelt de steeds weer voorkomende haatmisdrijven tegen Roma en LGBTI-personen; roept Servië ertoe op een actieve houding aan te nemen bij onderzoek naar en vervolging en veroordeling bij door haat ingegeven misdaden; roept de Servische autoriteiten op een klimaat van verdraagzaamheid te bevorderen en alle vormen van haatzaaiende taal, de openlijke goedkeuring en ontkenning van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te veroordelen;

17.

verzoekt Servië de rol en capaciteiten van zijn autoriteiten te versterken met het oog op de bescherming van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen, kinderen en personen met een handicap, en een betere samenwerking tot stand te brengen tussen de politie, openbaar aanklagers en sociale diensten in dit verband; is verheugd over de ratificatie van het Verdrag van Istanbul en de recente ontwikkelingen betreffende maatregelen voor de bescherming van kinderen tegen geweld, waaronder de aankondiging van de regering dat zij een ombudspersoon voor kinderen zal instellen, en verzoekt de autoriteiten toezicht te houden op de uitwerking van de wetgeving en andere maatregelen; onderstreept dat er nog altijd tekortkomingen bestaan bij de handhaving van de mensenrechten van personen met een handicap, en dringt er bij de regering op aan een nationale strategie inzake personen met een handicap aan te nemen;

18.

moedigt de Servische autoriteiten sterk aan zich meer in te spannen om de situatie omtrent de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media te verbeteren; is verheugd over de oprichting van de nieuwe werkgroep voor de ontwikkeling van de ontwerpstrategie voor de media; benadrukt dat bedreigingen en geweld tegen en intimidatie van journalisten en in verband met uitingen in de media, onder meer door administratieve pesterijen en intimidatie door rechterlijke procedures, een punt van zorg blijven; verzoekt ambtenaren elke vorm van intimidatie van journalisten consequent openbaar te veroordelen en af te zien van inmenging in de activiteiten van de media en journalisten, ook in het kader van verkiezingen; merkt in dit verband op dat hoewel een aantal zaken is opgelost en in enkele gevallen strafrechtelijke vervolging is ingesteld, verdachten nog altijd zelden worden veroordeeld; is verheugd over de inspanningen van de permanente werkgroep die werd opgericht bij de overeenkomst inzake de samenwerking en maatregelen voor de verbetering van de veiligheid van journalisten en verzoekt de autoriteiten hun volledige inzet te tonen bij het instellen van een onderzoek en vervolging bij elke zaak die verband houdt met aanvallen op journalisten en uitingen in de media; roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van mediawetten en de versterking van de onafhankelijkheid van het nationaal regelgevend orgaan voor Elektronische Media; is verheugd over de hernieuwde inspanningen om een mediastrategie aan te nemen om een pluralistische mediaomgeving tot stand te brengen, en benadrukt in dit verband het belang van een transparante en inclusieve raadpleging van de belanghebbenden; benadrukt dat volledige transparantie over de eigendomsstructuur en financiering van de media noodzakelijk is; verzoekt om de goedkeuring van beleid ter bescherming van de media en programma's in de talen van in Servië woonachtige nationale minderheden;

19.

verzoekt de Servische autoriteiten de samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld te verbeteren, met inbegrip van vrouwenorganisaties en mensenrechtengroepen, wier rol belangrijk is voor een goed functionerende democratie; veroordeelt de negatieve campagnes en beperkingen gericht tegen bepaalde organisaties uit het maatschappelijk middenveld; verzoekt om de goedkeuring van een nationale strategie en hieraan gerelateerd actieplan voor de regulering van het klimaat waarin organisaties uit het maatschappelijk middenveld werkzaam zijn; is van mening dat verdere inspanningen nodig zijn om te zorgen voor een systematische samenwerking tussen de regering en het maatschappelijk middenveld en vraagt om meer aandacht bij het opstellen en uitvoeren van wetgeving op gebieden die gevolgen hebben voor het maatschappelijk middenveld;

20.

merkt enige vooruitgang op wat betreft de onwettige vernieling van particulier eigendom en de ontneming van bewegingsvrijheid in de wijk Savamala in Belgrado in april 2016; dringt aan op een oplossing voor deze zaak en op volledige samenwerking met de rechterlijke instanties in de onderzoeken om de daders voor de rechter te brengen;

Eerbiediging en bescherming van minderheden

21.

is verheugd over de goedkeuring van een actieplan ter verwezenlijking van de rechten van nationale minderheden en de goedkeuring van een decreet inzake de oprichting van een fonds voor nationale minderheden; verzoekt de Servische regering om alle internationale verdragen inzake minderheidsrechten volledig toe te passen; benadrukt dat de vooruitgang ten aanzien van de waarborging van de rechten van nationale minderheden niet bevredigend is en roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van het actieplan en tot betere samenwerking met en deelname van belanghebbenden, met inbegrip van buurlanden voor vervoers- en communicatiebehoeften; merkt op dat het fonds voor nationale minderheden functioneert en dat de financiering ervan is verhoogd; is verheugd over de goedkeuring van cruciale wetten inzake het kader voor de rechten van minderheden; herhaalt zijn oproep aan Servië om ervoor te zorgen dat de wetgeving inzake de bescherming van minderheden consequent wordt toegepast, onder meer met betrekking tot onderwijs en cultuur, het gebruik van minderheidstalen, vertegenwoordiging in het openbaar bestuur en de rechterlijke macht en de continue toegang tot de media en religieuze diensten in minderheidstalen; erkent de actieve deelname van de nationale minderheden van het land aan verkiezingscycli en verzoekt om de aanneming van beleid om een eerlijke politieke vertegenwoordiging van nationale minderheden in de Servische nationale vergadering te waarborgen; verzoekt om de volledige uitvoering van het recht op tijdige geboorteregistratie; benadrukt dat de bevordering en bescherming van de mensenrechten, waaronder de rechten van nationale minderheden, een voorwaarde is voor toetreding tot de EU;

22.

merkt op dat de culturele diversiteit van de provincie Vojvodina bijdraagt aan de Servische identiteit; benadrukt dat de autonomie van Vojvodina moet worden behouden en dat de wet inzake de financiële middelen van Vojvodina onverwijld moet worden aangenomen, zoals de grondwet bepaalt;

23.

is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe strategie voor sociale inclusie van de Roma voor de periode 2016-2025, samen met een actieplan dat betrekking heeft op onderwijs, gezondheid, huisvesting en arbeid; is verheugd over het feit dat in de strategie wordt erkend dat Romavrouwen te maken krijgen met bijzondere discriminatie; dringt er bij Servië op aan duidelijke doelstellingen en indicatoren vast te stellen voor de monitoring van de uitvoering van de nieuwe strategie; is bezorgd over het hoge percentage Romameisjes dat voortijdig stopt met school; merkt op dat de meeste Roma lijden onder sociale uitsluiting en te maken krijgen met systematische schendingen van hun rechten; roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van de nieuwe strategie voor inclusie van de Roma en het actieplan; benadrukt het belang van het opstellen van beleid ter bestrijding van discriminatie van Roma en zigeunerhaat; pleit ervoor dat een betekenisvolle publieke en politieke participatie van Roma mogelijk wordt gemaakt op alle niveaus;

Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap

24.

is erover verheugd dat Servië zich blijft inzetten voor constructieve bilaterale betrekkingen met andere uitbreidingslanden en aangrenzende lidstaten; is verheugd over het feit dat Servië nog altijd betrokken is bij een aantal initiatieven voor regionale samenwerking zoals het Zuidoost-Europese samenwerkingsproces, de Raad voor regionale samenwerking, de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst (CEFTA), het Adriatisch-Ionische initiatief, de macroregionale strategieën van de EU voor de Donauregio (EUSDR), de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (EUSAIR), het proces van Brdo-Brijuni, het initiatief “de Zes van de Westelijke Balkan” en de bijbehorende agenda voor connectiviteit, en het proces van Berlijn; is verheugd over de tot dusver geboekte resultaten van het initiatief “de Zes van de Westelijke Balkan” en verzoekt om de verdere ontwikkeling van de regionale economische ruimte (REA); verzoekt Servië opnieuw om uitvoering te geven aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit die met de agenda voor connectiviteit verbonden zijn; is verheugd over de inspanningen van Servië om prioriteit te verlenen aan investeringen in infrastructuur en onderstreept het belang van een betere connectiviteit in de regio; merkt op dat meer inspanningen moeten worden verricht voor de economische en sociale ontwikkeling van de grensregio's teneinde ontvolking te voorkomen; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen; benadrukt dat onopgeloste bilaterale geschillen geen schadelijke gevolgen mogen hebben voor het toetredingsproces; staat pal achter de toezegging van de partners van de Westelijke Balkan dat zij de goede nabuurschapsbetrekkingen, de regionale stabiliteit en de onderlinge samenwerking zullen versterken; herinnert eraan dat de EU vastbesloten is haar betrokkenheid te versterken en te intensiveren om de omvorming in de regio te ondersteunen;

25.

is ingenomen met de goedkeuring van een nationale strategie voor onderzoek naar en vervolging van oorlogsmisdaden; neemt nota van de goedkeuring van een vervolgingsstrategie voor onderzoek naar en vervolging van oorlogsmisdaden en dringt er bij Servië op aan alle voorziene activiteiten uit te voeren; is verheugd over de benoeming in mei 2017 van een nieuwe openbare aanklager voor oorlogsmisdaden; herhaalt zijn oproep tot de tenuitvoerlegging van deze strategie, in het bijzonder door het indienen van aanklachten, en tot de goedkeuring van een operationele vervolgingsstrategie; verzoekt Servië om doeltreffend onderzoek te doen in alle zaken met betrekking tot oorlogsmisdaden, in het bijzonder de geruchtmakende zaken, en samen te werken met zijn regionale partners in deze zaken; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich verder in te spannen om deze kwesties op te lossen bij de onderhandelingen tussen de EU en Servië; verzoekt de autoriteiten het probleem betreffende personen die tijdens de oorlogen van de jaren 90 vermist raakten, verder aan te pakken; roept Servië op om opnieuw volledig samen te werken met het bestaande mechanisme voor de uitoefening van de residuele functies van de internationale straftribunalen; dringt er bij de Servische autoriteiten op aan zich te blijven inzetten voor de opheldering van het lot van vermiste personen, door onder meer de staatsarchieven die verband houden met de oorlogsperiode te openen; dringt er bij Servië op aan een regeling te ontwikkelen voor herstelbetalingen aan slachtoffers en hun families; spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië; benadrukt het belang van het werk van het Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (RYCO) en de lokale afdelingen ervan voor het bevorderen van verzoening onder jongeren; verzoekt om verdere amendementen op de wet inzake restitutie en benadrukt het belang van een niet-discriminatoire behandeling van aanvragers van restitutie ten opzichte van andere begunstigden, met name op het gebied van de registratie van openbare eigendom;

26.

betreurt de herhaalde ontkenning van de genocide van Srebrenica door sommige Servische autoriteiten; herinnert hen eraan dat volledige medewerking met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië en de opvolger daarvan, het Internationaal Restmechanisme voor Straftribunalen, impliceert dat zij de uitspraken en besluiten ervan ten volle aanvaarden en ten uitvoer leggen; benadrukt dat de erkenning van de genocide van Srebrenica een fundamentele stap is op de weg naar toetreding van Servië tot de Europese Unie;

27.

is verheugd dat Servië betrokken blijft bij het normalisatieproces met Kosovo en dat het zich inzet voor de uitvoering van de overeenkomsten die bereikt zijn in de door de EU gefaciliteerde dialoog; is verheugd over het feit dat Servische president een interne dialoog over Kosovo is gestart; herhaalt zijn verzoek om ernaar te blijven toewerken dat alle reeds bereikte overeenkomsten, waaronder de overeenkomsten over energie, onverkort, te goeder trouw en tijdig worden uitgevoerd, en moedigt beide partijen aan om vastbesloten door te gaan met het normaliseringsproces; benadrukt het belang van de oprichting van een associatie/gemeenschap van gemeenten met een Servische meerderheid; benadrukt dat de werkzaamheden voor een nieuwe fase van de dialoog met het oog op een algehele normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo, die in een juridisch bindende overeenkomst moet worden vastgelegd, moeten worden versneld; herhaalt zijn verzoek aan de EDEO om de prestaties van de partijen bij de naleving van hun verplichtingen te evalueren; veroordeelt ondubbelzinnig de moord op Kosovo-Servisch politicus Oliver Ivanović en benadrukt het feit dat er behoefte is aan echte samenwerking tussen de Kosovaarse en Servische onderzoekers en aan internationale steun, om ervoor te zorgen dat de daders voor de rechter worden gebracht;

28.

neemt nota van het lopende debat en openbare verklaringen over mogelijke aanpassingen van de grens tussen Servië en Kosovo, met inbegrip van de uitwisseling van grondgebied; wijst op de multi-etnische aard van zowel Kosovo als Servië en onderstreept dat etnisch homogene staten niet het doel moeten zijn in de regio; ondersteunt de door de EU gefaciliteerde dialoog als kader om te komen tot een brede normaliseringsovereenkomst tussen Servië en Kosovo; is van mening dat een overeenkomst alleen kan worden geaccepteerd als beide partijen hiermee instemmen, waarbij rekening wordt gehouden met de algehele stabiliteit in de regio en het internationaal recht;

29.

uit zijn zorgen over herhaaldelijke verklaringen van belangrijke politici die vraagtekens plaatsen bij de territoriale integriteit van Bosnië en Herzegovina en veroordeelt alle vormen van nationalistische retoriek die gericht zijn op de aanmoediging van de desintegratie van het land;

Energie en vervoer

30.

vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit in de energiesector; moedigt Servië aan om mededinging op de gasmarkt te ontwikkelen en te voldoen aan de desbetreffende verplichtingen met betrekking tot ontbundelen, waarin is voorzien in het derde energiepakket; verzoekt Servië zijn energiebeleid te ontwikkelen om minder afhankelijk te worden van de invoer van Russisch gas; is verheugd over de inspanningen van het land om investeringen te bevorderen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; herinnert eraan dat de wetgeving inzake het efficiënte gebruik van energie niet volledig in overeenstemming is met de desbetreffende EU-richtlijnen; verzoekt Servië zijn energiebronnen te diversifiëren naar andere hernieuwbare bronnen;

31.

verzoekt de Servische regering de nodige maatregelen te nemen om beschermde gebieden te vrijwaren, met name wat betreft de ontwikkeling van waterkrachtcentrales in ecologisch kwetsbare gebieden zoals het Stara Planina-natuurpark; dringt in dit verband aan op grondige milieueffectbeoordelingen op basis van de EU-normen die zijn vastgesteld in de vogel- en habitatrichtlijnen en in de kaderrichtlijn water; spoort de Servische regering aan de transparantie van geplande projecten te verbeteren door middel van inspraak en raadpleging van alle belanghebbenden;

32.

is verheugd over de gezamenlijke verbintenis die op 17 mei 2018 door Servië en Bulgarije is ondertekend, ter gelegenheid van de Westelijke-Balkantop in Sofia, om de gasinterconnector tussen de twee landen te bouwen en over de goedkeuring van het pakket IPA 2018, dat het strategisch belangrijke infrastructuurproject “Nis-Merdare-Pristina highway of peace” omvat, dat zal zorgen voor een betere vervoersverbinding tussen Centraal-Servië en Kosovo en dat van symbolisch belang is voor de betrekkingen in de regio;

33.

is ernstig bezorgd over het alarmerende niveau van luchtverontreiniging in Servië, waardoor volgens de gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2016 ongeveer 6 500 mensen stierven als gevolg van respiratoire aandoeningen; verzoekt de Servische autoriteiten in dit opzicht de noodzakelijke kortetermijnmaatregelen aan te nemen om deze situatie te verhelpen en het vervoers- en mobiliteitsbeleid in de grote steden op de middellange en lange termijn doeltreffend te hervormen;

o

o o

34.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Servië.

(1)  PB L 80 van 19.3.2008, blz. 46.

(2)  PB C 331 van 18.9.2018, blz. 71.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/127


P8_TA(2018)0479

Verslag 2018 over Kosovo

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het Commissieverslag 2018 over Kosovo (2018/2149(INI))

(2020/C 363/19)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de hieraan gehechte prioriteitenagenda van Sofia,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo, die van kracht is sinds 1 april 2016,

gezien de Europese hervormingsagenda voor Kosovo, die gestart is op 11 november 2016 in Pristina,

gezien de kaderovereenkomst met Kosovo inzake deelname aan programma's van de Unie, die van kracht is sinds 1 augustus 2017,

gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” (COM(2018)0065),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2018)0450) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie, het verslag 2018 over Albanië (SWD(2018)0156),

gezien het eerste akkoord over beginselen betreffende de normalisering van de betrekkingen tussen de regeringen van Servië en Kosovo van 19 april 2013 en andere akkoorden van Brussel in het kader van de door de EU gefaciliteerde dialoog ter normalisering van de betrekkingen, inclusief het protocol inzake geïntegreerd grensbeheer (Integrated Border Management, IBM), het juridisch kader inzake de associatie/gemeenschap van gemeenten met een Servische meerderheid en de akkoorden over de brug van Mitrovica en over energie,

gezien de integratie van Kosovo-Servische rechters, openbaar aanklagers en administratief personeel in het Kosovaarse gerechtelijke apparaat, overeenkomstig de in februari 2015 bereikte overeenkomst inzake justitie,

gezien Besluit (GBVB) 2018/856 van de Raad van 8 juni 2018 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (EULEX KOSOVO) (1), waarin tevens de duur van de missie verlengd is tot 14 juni 2020,

gezien het jaarverslag 2017 over de in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) uitgevoerde missies en operaties en het voortgangsverslag 2017 over het EULEX Compact,

gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN over de lopende activiteiten van de VN-missie voor interim-bestuur in Kosovo (UNMIK), met inbegrip van het meest recente verslag van 1 mei 2018, en het verslag over de activiteiten van de strijdkrachten in Kosovo (KFOR) van 7 februari 2018,

gezien de beoordeling door de Commissie van 17 april 2018 van het economische hervormingsprogramma van Kosovo voor de periode 2018-2020 (SWD(2018)0133) en de op 25 mei 2018 aangenomen gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de Raad (Ecofin) en de landen van de Westelijke Balkan en Turkije,

gezien de eindverslagen van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie van 11 juni 2017 over de parlementsverkiezingen in Kosovo en van 22 oktober 2017 over de burgemeesters- en gemeenteraadsverkiezingen in Kosovo,

gezien de 4e bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité (SAPC) EU-Kosovo, gehouden in Straatsburg op 17-18 januari 2018,

gezien het voorstel van de Commissie van 4 mei 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo)(COM(2016)0277) en het vierde verslag van de Commissie van 4 mei 2016 over de vooruitgang van Kosovo met de uitvoering van de vereisten van het stappenplan voor visumliberalisering (COM(2016)0276),

gezien de ratificatie van de overeenkomst inzake grensafbakening tussen Kosovo en Montenegro door de parlementen van Montenegro en Kosovo,

gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin kennis werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU werd verwelkomd om een dialoog tussen Servië en Kosovo te faciliteren,

gezien het resultaat van het in 2017 door de Commissie, de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties verrichte onderzoek naar gemarginaliseerde Roma in de Westelijke Balkan,

gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 21 september 2015 getiteld “Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)” (SWD(2015)0182),

gezien zijn eerdere resoluties over Kosovo,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0332/2018),

A.

overwegende dat verdere aanzienlijke inspanningen, op basis van een constructieve dialoog tussen de politieke krachten en met de buurlanden, nodig zijn om zich voor te bereiden op de uitdagingen van het EU-lidmaatschap;

B.

overwegende dat elk uitbreidingsland afzonderlijk wordt beoordeeld op zijn eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

C.

overwegende dat 114 landen de onafhankelijkheid van Kosovo hebben erkend, waaronder 23 van de 28 EU-lidstaten;

D.

overwegende dat de EU meermaals haar bereidheid heeft getoond om de economische en politieke ontwikkeling van Kosovo via een duidelijk Europees perspectief te steunen, terwijl Kosovo ambitie heeft getoond op zijn pad naar Europees lidmaatschap;

E.

overwegende dat Kosovo door de aanhoudende polarisatie tussen zijn politieke partijen beperkte vooruitgang laat zien op het gebied van EU-gerelateerde hervormingen, die van essentieel belang zijn om verdere vooruitgang te boeken in het proces van toetreding tot de EU;

F.

overwegende dat de bloeiende informele economie in Kosovo de algemene ontwikkeling van een levensvatbare economie in het land in de weg staat;

G.

overwegende dat de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo in Den Haag volledig gerechtelijk operationeel zijn sinds 5 juli 2017;

H.

overwegende dat de Raad op 8 juni 2018 heeft besloten het mandaat van de EU-rechtsstaatmissie in Kosovo (EULEX) te heroriënteren en te verlengen en een einde te maken aan het gerechtelijke uitvoerende deel van het mandaat van de missie; overwegende dat de nieuwe einddatum van het mandaat is vastgesteld op 14 juni 2020;

I.

overwegende dat Kosovo het enige overblijvende land in de Westelijke Balkan is waarvan de burgers een visum nodig hebben om naar het Schengengebied te reizen;

1.

is ingenomen met de belangrijke stukken wetgeving die zijn aangenomen in het kader van de Europese hervormingsagenda en roept op tot volledige uitvoering ervan; is van mening dat er een partij-overschrijdende consensus moet worden bereikt om belangrijke EU-gerelateerde hervormingen goed te keuren; kijkt uit naar de vaststelling van een nieuwe Europese hervormingsagenda in 2019;

2.

wijst echter op de trage tenuitvoerlegging van fundamentele hervormingen, als gevolg van een gebrek aan consensus tussen alle partijen en een voortdurende politieke polarisatie; merkt op dat dit negatieve gevolgen heeft gehad voor het vermogen van het parlement en de regering om duurzame en blijvende hervormingen te realiseren; veroordeelt het belemmerende gedrag van een aantal parlementsleden; roept alle politieke partijen op een inclusieve politieke dialoog tot stand te brengen; benadrukt het feit dat het effectieve toezicht van het parlement op de uitvoerende macht en de transparantie en kwaliteit van de wetgeving moeten worden verbeterd, mede door te zorgen voor actieve en constructieve participatie en door het gebruik van spoedprocedures voor de goedkeuring van wetten te beperken; moedigt consensus aan over hervormingen in verband met toetreding tot de EU;

3.

is tevreden met het feit dat enige vooruitgang is geboekt met betrekking tot de overheid, maar benadrukt het feit dat verdere hervormingen nodig zijn; dringt er met name op aan dat de overheidsadministratie wordt gedepolitiseerd en geherstructureerd;

4.

is verheugd over de langverwachte ratificering van de overeenkomst van augustus 2015 inzake grensafbakening met Montenegro in maart 2018, die een stap vooruit is in de richting van goede betrekkingen met de buurlanden; onderstreept het feit dat deze stap belangrijk is voor visumliberalisering;

5.

dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan de eerder vastgestelde electorale tekortkomingen, inclusief het gebrek aan transparantie en verantwoording bij de financiering van politieke partijen en campagnes en aantijgingen van wijd verspreide intimidatie van kiezers, met name in veel Kosovo-Servische gemeenschappen, grondig aan te pakken door tijdig wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om tegemoet te komen aan de nog niet opgevolgde aanbevelingen van de door de EU en het Europees Parlement georganiseerde waarnemingsmissies en van de Commissie van Venetië, en zulks ruim vóór de volgende verkiezingsronde, om volledig te voldoen aan de internationale normen; is ingenomen met de vooruitgang die in de organisatie van de verkiezingen is geboekt met betrekking tot gendergelijkheid en roept Kosovo ertoe op zijn inspanningen nog te intensiveren om de politieke participatie van vrouwen te vergroten en het algemene rechtskader te versterken;

6.

spreekt zijn bezorgdheid uit over Kosovo's ondergefinancierde gerechtelijk apparaat, wijdverbreide corruptie, elementen van gijzeling van de overheid, ongepaste politieke beïnvloeding en kwesties in verband met een gebrek aan eerbiediging van eerlijke processen en een behoorlijke rechtsgang, inclusief bij uitlevering; onderstreept het belang van hervormingsprocessen op het gebied van de rechtsstaat, met bijzondere aandacht voor onafhankelijkheid en efficiëntie en het feit dat de bescherming van getuigen verder moet worden versterkt;

7.

benadrukt het feit dat een representatief gerechtelijk apparaat en een uniforme toepassing van de wet van Kosovo noodzakelijke voorwaarden zijn voor het aanpakken van een inconsistente, trage en inefficiënte rechtsbedeling; is tevreden met de integratie van Kosovo-Servische rechters, openbaar aanklagers en administratief personeel in het Kosovaarse gerechtelijk apparaat, overeenkomstig de overeenkomst inzake justitie van 2015 tussen Servië en Kosovo; is van mening dat de rechterlijke macht nog steeds kwetsbaar is voor ongepaste politieke beïnvloeding en dat bijkomende inspanningen nodig zijn om capaciteit op te bouwen en de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van rechters en aanklagers te waarborgen, onder meer door een grondige functionele gerechtelijke doorlichting voor alle rechters, aanklagers, hoge politieambtenaren en strafonderzoekers; is verheugd over de oprichting in november 2017 van de Regeringscommissie voor erkenning en controle van de status van slachtoffers van seksueel geweld tijdens het conflict in Kosovo;

8.

merkt op dat corruptie en georganiseerde misdaad, waaronder drugs- en mensenhandel en cybercriminaliteit, nog steeds zorgwekkend zijn en gecoördineerde inspanningen vereisen; is ingenomen met de eerste vooruitgang die is geboekt bij de verbetering van de prestaties op het gebied van het onderzoek naar en de vervolging van corruptie op hoog niveau en in zaken in verband met georganiseerde misdaad; verwacht beslissende en blijvende inspanningen overeenkomstig de verplichtingen van het toetredingsproces tot de EU; is verheugd over de voortdurende inspanningen van de ombudsman ter versterking van zijn capaciteit om gevallen te onderzoeken;

9.

vraagt de totstandbrenging van een verbeterd juridisch kader en een grotere efficiëntie en capaciteit op het gebied van vervolging, om een alomvattende aanpak mogelijk te maken van onderzoek en vervolging, dat moet worden verwezenlijkt door de bevriezing, confiscatie en ontneming van vermogensbestanddelen en definitieve veroordelingen in zaken van corruptie op hoog niveau, georganiseerde en financiële misdaad, witwassen van geld en financiering van terrorisme; dringt aan op waarborgen om de onafhankelijkheid te garanderen van rechtshandhaving en vervolging en op preventieve maatregelen ter bestrijding van corruptie in diverse sectoren; acht bijkomende maatregelen nodig om te zorgen voor een betere samenwerking en coördinatie tussen wetshandhavingsinstanties en om de onafhankelijkheid en aflegging van verantwoording door de rechterlijke macht te vergroten; roept Kosovo ertoe zich te houden aan de internationale procedures en regels voor de uitlevering van buitenlanders door de nodige maatregelen in te voeren ter voorkoming van gevallen zoals dat van de zes Turkse onderdanen die eind maart 2018 vanuit Kosovo naar Turkije werden gedeporteerd; is in dit verband verheugd over het besluit van het Kosovaarse parlement om een enquêtecommissie op te richten om dit geval te onderzoeken;

10.

dringt aan op werkelijke en constructieve justitiële en politiële samenwerking tussen Kosovo en de Servische autoriteiten; is van mening dat lidmaatschap van Kosovo van Interpol en intensievere samenwerking met Europol de doeltreffendheid van de maatregelen tegen transnationale misdaad zou vergroten; moedigt intussen verdere samenwerking aan in de strijd tegen terrorisme;

11.

acht het van essentieel belang om op tijdige en alomvattende wijze de aanbevelingen ten uitvoer te leggen van de ombudspersoon, de auditeur-generaal, het anti-corruptieagentschap en de regelgevende commissie voor het plaatsen van overheidsopdrachten van Kosovo; benadrukt het feit dat de tekortkomingen in het systeem voor overheidsopdrachten moeten worden geremedieerd en dat de interinstitutionele samenwerking en de uitwisseling van informatie moeten worden verbeterd; beveelt ten stelligste aan de monitoring-, evaluatie- en auditcapaciteiten te vergroten en een strategie voor fraudebestrijding vast te stellen en ten uitvoer te leggen om de financiële belangen van Kosovo en de EU te beschermen;

12.

is ingenomen met de op 18 juli 2018 gepubliceerde bevestiging van de Commissie dat aan de benchmarks voor visumliberalisatie is voldaan; acht het van essentieel belang om Kosovo zonder onnodige vertraging afschaffing van de visumplicht te verlenen; is van mening dat afschaffing van de visumplicht de stabiliteit zal verbeteren en Kosovo dichter bij de EU zal brengen door reizen en zakendoen gemakkelijker te maken, en tegelijk bij te dragen aan de bestrijding van mensensmokkel en corruptie; roept de Raad ertoe op snel zijn mandaat aan te nemen om stappen te zetten in de richting van de goedkeuring van een regeling van visumvrijheid;

13.

merkt op dat naast de vooruitgang die geboekt is om te voldoen aan de vereisten voor visumliberalisering, voort inspanningen moeten worden geleverd in de strijd tegen georganiseerde misdaad, drugshandel, mensensmokkel en corruptie, samen met concrete inspanningen om irreguliere migratiestromen te beheren en het aantal ongegronde asielaanvragen terug te dringen;

14.

neemt met voldoening kennis van de aanzienlijke vermindering van het aantal asielaanvragen en overnamen van burgers van Kosovo, en van het aantal aanvragen voor overnameovereenkomsten; neemt met voldoening kennis van de nieuwe strategie voor re-integratie en vraagt dat deze volledig ten uitvoer wordt gelegd;

15.

prijst de inspanningen van Kosovo om de uitstroom van buitenlandse strijders, die bijna uitsluitend bestaat uit jihadisten, te stelpen en terroristische dreigingen aan te pakken; roept op tot actieve regionale samenwerking bij het bestrijden van potentiële terroristische activiteiten en het onderbreken van financiële stromen die bestemd zijn voor de financiering van terrorisme; dringt er bij Kosovo op aan radicalisering via internet en externe extremistische invloeden aan te pakken; onderstreept het feit dat de preventie van terrorisme en de vervolging van vermoedelijke strijders, samen met rehabilitatie, onderwijs en sociale re-integratie van de strijders en hun familie belangrijk zijn; benadrukt het feit dat met name de radicalisering moet worden voorkomen van gevangenen en kwetsbare jongeren en dat actief moet worden gewerkt aan hun deradicalisering;

16.

veroordeelt ondubbelzinnig de moord op Kosovo-Servisch politicus Oliver Ivanović; beschouwt deze moord als een zware slag voor de constructieve en gematigde stemmen in de Servische gemeenschap in Kosovo; benadrukt het feit dat er dringend behoefte is aan echte samenwerking tussen de Kosovaarse en Servische onderzoekers en aan internationale steun, om ervoor te zorgen dat zowel de daders van de moord als degenen die er opdracht toe hebben gegeven, onverwijld voor het gerecht worden gebracht;

17.

betreurt de terughoudendheid om zaken in verband met oorlogsmisdaden te behandelen en benadrukt het belang van duidelijk politiek engagement om deze zaken te vervolgen; dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan hun sterke en aanhoudende engagement te tonen met betrekking tot hun internationale verplichtingen ten aanzien van de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo in Den Haag; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de pogingen van leden van het Kosovaarse parlement in december 2017 om de wet op de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo op te heffen; betreurt ten zeerste het feit dat deze pogingen ertoe hebben geleid dat geen gezamenlijke aanbevelingen zijn goedgekeurd als gevolg van het uitstel van de vierde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Kosovo (SAPC) op 17-18 januari 2018; roept op tot een constructieve aanpak van het SAPC EU-Kosovo en tot intensievere parlementaire samenwerking op dit gebied;

18.

dringt er bij de autoriteiten op aan de wederzijdse juridische samenwerking tussen de openbare ministeries van Kosovo en Servië te intensiveren en de oprichting te ondersteunen van een regionale commissie voor het vaststellen van de feiten met betrekking tot de oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië tussen 1991 en 2001;

19.

neemt kennis van de belangrijke rol die EULEX speelt bij de versterking van de systemen van de onafhankelijke rechterlijke macht, de politie en de douane; erkent voorts de preventieve en verzoenende rol van EULEX met betrekking tot de vervolging en berechting in zaken in verband met oorlogsmisdaden, corruptie en georganiseerde misdaad, en de aanhoudende inspanningen van de missie voor het identificeren van vermiste personen en het omspitten van begraafplaatsen om zaken volledig op te lossen; beveelt een evaluatie aan van de sterke en zwakke punten van de missie;

20.

herhaalt zijn oproep aan EULEX om zijn doeltreffendheid te vergroten en zich te houden aan de strengste normen inzake transparantie en een nultolerantiebeleid te blijven voeren ten aanzien van corruptie, wanbeheer, wangedrag en politieke druk en inmenging;

21.

onderstreept het feit dat het Kosovaarse parlement onmiddellijk moet worden geïnformeerd over de activiteiten van EULEX en over alle wijzigingen in de juridische status ervan;

22.

neemt kennis van het nieuwe mandaat van EULEX en van de einddatum ervan; benadrukt echter het feit dat het boeken van concrete vooruitgang in Kosovo belangrijker is dan een vast tijdschema;

23.

vraagt dat de handhaving van het kader voor de mensenrechten de hoogste prioriteit krijgt en ondersteund wordt door adequate en toereikende coördinatie en financiering, met name op het gebied van gendergelijkheid, kinder- en arbeidsbescherming, sociale uitsluiting en discriminatie van personen met een handicap en etnische en taalminderheden, alsmede LGBTI's; benadrukt het feit dat het Bureau voor gendergelijkheid en de nationale coördinator voor bescherming tegen huiselijk geweld moeten worden versterkt en dat er meer preventie en handhaving van gerechtigheid tegen verwante misdrijven moet komen; herhaalt het feit dat de ontwerpwet over godsdienstvrijheid moet worden goedgekeurd;

24.

spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de genderongelijkheid en het gendergerelateerde geweld; dringt er bij Kosovo op aan te zorgen voor een volledige en tijdige uitvoering van de wetgeving inzake gendergelijkheid en antidiscriminatie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het gebrek aan vooruitgang bij de uitvoering van de strategie en het actieplan tegen huiselijk geweld en roept de autoriteiten op om meer stringente en doeltreffende maatregelen te nemen om gendergerelateerd geweld te bestrijden, onder meer door een versterking van het Bureau voor gendergelijkheid en de nationale coördinator voor bescherming tegen huiselijk geweld; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies; verzoekt de autoriteiten van Kosovo om de integratie van de genderdimensie als prioriteit aan te pakken, onder meer in de Europese hervormingsagenda en met het maatschappelijk middenveld, inclusief vrouwenorganisaties; moedigt Kosovo ertoe aan voort de kwestie aan te pakken van gerechtigheid en steun voor vrouwen tegen wie seksueel geweld gepleegd is tijdens de oorlog; dringt er bij Kosovo op aan de bepalingen van het Verdrag van Istanbul uit te voeren;

25.

roept het parlement van Kosovo ertoe op rekening te houden met de standpuntnota die gezamenlijk is ondertekend door de EU, UNICEF, de coalitie van ngo's voor de bescherming van kinderen in Kosovo (KOFM) en Save the Children bij de opstelling van de wet op de kinderbescherming;

26.

stelt met bezorgdheid vast dat Kosovo slechts beperkte vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de rechten van mensen met een handicap; roept Kosovo ertoe op om non-discriminatie en gelijke kansen voor mensen met een handicap te waarborgen;

27.

verzoekt de autoriteiten van Kosovo prioriteit te geven aan de behandeling van kwesties in verband met minderheden, met inbegrip van hun rechten, zowel wat cultuur als wat taal betreft, en de mogelijkheden die zij krijgen; betreurt het feit dat minderheden, zoals Roma, Ashkali en Balkan-Egyptenaren, nog steeds problemen ondervinden om persoonlijke documenten te verkrijgen, waardoor zij moeilijker toegang krijgen tot het staatsburgerschap, onderwijs, gezondheidszorg en sociale bijstand, en verzoekt de Kosovaarse autoriteiten deze problemen aan te pakken; is verheugd over de bereidheid van de autoriteiten om de rechten van mensen met historische Bulgaarse etniciteit in de regio's Gora en Zhupa te erkennen; is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe strategie en het nieuwe actieplan voor de integratie van de Roma- en de Ashkali-gemeenschap in de Kosovaarse samenleving 2017-2021 en vraagt Kosovo een actieve rol te spelen in het kader van de regionale samenwerking met betrekking tot het project voor de integratie van Roma 2020 dat door de Raad voor regionale samenwerking ten uitvoer wordt gelegd;

28.

betreurt de aanhoudende discriminatie van LGBTI's en de toename van haatzaaiende uitlatingen op het internet in verband met het Gay Pride-event in Pristina;

29.

onderstreept het feit dat het nieuwe wetsontwerp inzake de vrijheid van vereniging van ngo's moet worden goedgekeurd; vraagt dat aandachtiger te werk wordt gegaan bij het opstellen en ten uitvoer leggen van wetgeving op gebieden die van invloed zijn op de armslag van het maatschappelijk middenveld, teneinde ervoor te zorgen dat die wetgeving maatschappelijke organisaties geen onevenredige lasten oplegt, dat zij hen niet discrimineert en dat zij de manoeuvreerruimte voor het maatschappelijk middenveld niet beperkt; onderstreept het feit dat voor maatschappelijke organisaties publieke financiering beschikbaar moet zijn;

30.

benadrukt het feit dat de redactionele vrijheid, financiële duurzaamheid en onafhankelijkheid moet worden gegarandeerd van de Kosovaarse openbare omroep en dat moet worden gezorgd voor de transparantie van particuliere media-eigendom overeenkomstig de aanbevelingen van het jaarlijkse verslag van de Commissie; dringt aan op de tenuitvoerlegging van alle wetten die hierop betrekking hebben; vraagt een verbetering van de meertalige omroepdiensten en van de kwaliteit van de informatie die wordt verstrekt aan alle gemeenschappen van Kosovo; spreekt zijn bezorgdheid uit over de toename van het aantal bedreigingen en aanvallen tegen journalisten en dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan onmiddellijk een onderzoek te voeren en de verantwoordelijken te vervolgen; is ingenomen met de goedkeuring door de regering van Kosovo van het wetsontwerp inzake de bescherming van klokkenluiders;

31.

dringt aan op voortgezette inspanningen om de betrekkingen tussen Servië en Kosovo volledig te normaliseren; is van mening dat volledige normalisering van de betrekkingen met Servië, overeenkomstig een juridisch bindende overeenkomst en de uitvoeringsregelingen hiervan, niet mogelijk zal zijn zonder een volledige toepassing door beide partijen van de bestaande overeenkomsten en een sleutelelement is van het pad van beide partijen naar Europees lidmaatschap;

32.

neemt kennis van het aan de gang zijnde debat en de publieke verklaringen over mogelijke aanpassingen van de grens tussen Servië en Kosovo, met inbegrip van uitwisselingen van stukken grondgebied; benadrukt de multi-etnische aard van zowel Kosovo als Servië en het feit dat etnisch homogene staten niet het doel mogen zijn in de regio; steunt de door de EU gefaciliteerde dialoog als kader voor een alomvattende normalisatieovereenkomst tussen Servië en Kosovo; is van mening dat een overeenkomst alleen aanvaardbaar kan zijn als beide partijen ermee akkoord gaan en als rekening wordt gehouden met de algemene stabiliteit in de regio en met het internationale recht;

33.

merkt op dat vijf EU-lidstaten Kosovo nog niet hebben erkend en verzoekt hen dit te doen; onderstreept dat erkenning de normalisering van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië ten goede zou komen;

34.

is van mening dat de dialoog tussen Belgrado en Pristina moet worden gevoerd op open en transparante wijze en dat degenen die er verantwoordelijk voor zijn, regelmatig overleg moeten plegen met het Kosovaarse parlement over de ontwikkelingen ervan;

35.

betreurt het feit dat vele van de tot nu toe ondertekende overeenkomsten niet zijn uitgevoerd of vertraging hebben opgelopen, bijvoorbeeld die inzake energie en de vereniging van gemeenten met een Servische meerderheid; dringt er bij beide partijen op aan om alle overeenkomsten volledig en te goeder trouw uit te voeren; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om een evaluatie uit te voeren van de prestaties van beide partijen met betrekking tot de naleving van hun verplichtingen, teneinde alle uitdagingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging aan te pakken; dringt er bij de regeringen van Servië en Kosovo op aan af te zien van maatregelen die het vertrouwen tussen de partijen kunnen ondermijnen en de constructieve voortzetting van de dialoog in gevaar kunnen brengen;

36.

spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het toenemend aantal interetnische incidenten; veroordeelt ten stelligste alle daden van intimidatie en geweld; eist dat de autoriteiten van Kosovo zich onmiddellijk van deze handelingen distantiëren en roept ertoe op de daders te identificeren en voor de rechter te brengen; roept de nationale en lokale autoriteiten ertoe op bijkomende inspanningen te leveren om wetten die zijn goedgekeurd met het oog op de verdere ontwikkeling van een multi-etnische samenleving, ten uitvoer te leggen; betreurt de toename van nationalistische en extreme retoriek in de regio en vraagt dat de Commissie verdere ondersteuning biedt voor verzoening door middel van culturele projecten;

37.

dringt nogmaals aan op de onmiddellijke en onbelemmerde opening van de brug van Mitrovica, die een belangrijke stap vormt op weg naar de hereniging van de stad; dringt aan op volledige tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake vrij verkeer; verzoekt de autoriteiten van Servië en Kosovo om interpersoonlijke contacten tussen lokale gemeenschappen te bevorderen, teneinde de dialoog te versterken, ook op niet-gouvernementeel niveau; is in verband hiermee verheugd over het programma voor wederzijdse samenwerking tussen Peja/Sabac en verzoekt de Commissie soortgelijke initiatieven te ondersteunen; is ingenomen met de ontwikkeling van infrastructuurprojecten die meer contacten mogelijk maken, zoals de snelweg Nis-Merdare-Pristina;

38.

is ingenomen met de inspanningen van Kosovo om constructieve betrekkingen te onderhouden met de buurlanden in de hele regio en om zich proactief aan te sluiten bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (GBVB), en dringt aan op verdere vooruitgang op dit gebied; is van mening dat Kosovo's lidmaatschap van internationale instanties rechten en verplichtingen met zich mee zou brengen die de toepassing veronderstellen van internationale normen en standaarden; pleit voor een positieve benadering inzake de deelname van Kosovo aan internationale organisaties;

39.

wijst erop dat dringend maatregelen moeten worden vastgesteld en ten uitvoer gelegd om te zorgen voor transparante, concurrerende privatiseringsprocedures en dat vermeende onregelmatigheden dringend moeten worden onderzocht; vindt het zorgwekkend dat de overmakingen van migranten in het buitenland een aanzienlijk aandeel hebben in de binnenlandse vraag; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, met name tijdens het aanwervingsproces;

40.

geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de erbarmelijke medische registratieprocedures en de kwaliteit van geneesmiddelen, en over de corruptie in de gezondheidszorg in het algemeen; dringt er bij het Kosovaarse ministerie van Gezondheid op aan sneller inspanningen te leveren om deze misdaden te onderzoeken en de registratie- en kwaliteitsproblemen zo snel mogelijk aan te pakken; pleit voor een alomvattende hervorming van de gezondheidssector, inclusief de tenuitvoerlegging van een universele ziekteverzekering, om te zorgen voor universele toegang tot gezondheidszorg; benadrukt het feit dat het stelsel van openbare gezondheidszorg op adequate wijze moet worden gefinancierd;

41.

verzoekt de Commissie een regionale strategie te ontwikkelen om de aanhoudende jeugdwerkloosheid en braindrain te bestrijden door de discrepantie aan te pakken tussen het onderwijssysteem en de arbeidsmarkt, de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor adequate financiering van actieve arbeidsmarktmaatregelen en beroepsopleidingsprogramma's, samen met adequate voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs; betreurt het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het verbeteren van de onderwijskwaliteit; verzoekt de betrokken actoren personen die deel behoren tot minderheidsgroeperingen, te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen;

42.

dringt er bij Kosovo op aan ten volle gebruik maken van de mogelijkheden die de EU-programma's bieden; is ingenomen met de ondertekening van de overeenkomst over de deelname van Kosovo aan de programma's Erasmus+ en Creatief Europa; verzoekt de autoriteiten van Kosovo en de Commissie om kmo's verder te ondersteunen met het oog op de ontwikkeling van een levensvatbare economie voor Kosovo; steunt het voorstel voor een vermindering van de roamingkosten in de Westelijke Balkan;

43.

vestigt de aandacht op de bijzonder slechte luchtkwaliteit in Pristina en andere zwaar vervuilde steden; dringt aan op doeltreffende systemen voor toezicht op de kwaliteit van lucht en water, een verbetering van de waterzuiveringsinfrastructuur en betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke real-timegegevens over verontreiniging; spreekt zijn bezorgdheid uit over het slechte afvalbeheer, het niet-duurzame storten van afval en de wijdverspreide illegale dumpingpraktijken; dringt er bij de autoriteiten op aan streefcijfers inzake afvalscheiding en recycling vast te stellen, de plaatselijke inzamelings-, verwijderings- en recyclingvoorzieningen te verbeteren en vervuilers aansprakelijk te stellen; verzoekt de VN snel de nodige steun te verlenen aan de slachtoffers van loodvergiftiging in sommige vluchtelingenkampen die in Kosovo zijn opgezet, onder meer via het verwachte trustfonds;

44.

merkt op dat de meeste aanbevelingen met betrekking tot het energiebeleid uit het verslag van vorig jaar niet zijn uitgevoerd; benadrukt het feit dat moet worden afgestapt van het gebruik van bruinkool voor de opwekking van niet-duurzame energie, dat de energiecentrale Kosovo A dringend moet worden ontmanteld en dat dringend moet worden gezorgd voor bijkomende duurzame productie- en invoercapaciteit; merkt gedeeltelijke vooruitgang op met betrekking tot het derde energiepakket en benadrukt het feit dat de onafhankelijkheid moet worden gegarandeerd van de energieregulator van Kosovo; dringt aan op meer inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing, met name in de bouwsector; stelt vast dat de eerste lezing van het wetsontwerp inzake energie-efficiëntie weliswaar is aangenomen, maar dat energie-efficiëntie wordt verhinderd door het gebrek aan vooruitgang met de uitvoering van de energieovereenkomst tussen Kosovo en Servië; verzoekt de autoriteiten het energie-efficiëntiefonds op te richten;

45.

benadrukt het feit dat de geplande waterkrachtcentrales moeten voldoen aan de milieunormen van de EU; is in verband hiermee tevreden met het besluit van de minister van Milieu om de vergunningen die voor waterkrachtprojecten zijn afgegeven, op te schorten en te onderwerpen aan een beoordeling;

46.

betreurt het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het benutten van het potentieel van hernieuwbare energiebronnen; verzoekt de autoriteiten het actieplan voor energiestrategie 2017-2026 aan te nemen voor de realisatie van de verplichte doelstelling voor hernieuwbare energie van 25 % in 2020; dringt er bij de Commissie op aan haar bijstand op dit gebied op te voeren;

47.

dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan geloofwaardige en duurzame beleidsmaatregelen te nemen op het gebied van openbaar vervoer en mobiliteit, met het oog op het aanpakken van reeds lang bestaande infrastructuurgebreken;

48.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de regering en de Assemblee van Kosovo.

(1)  PB L 146 van 11.6.2018, blz. 5.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/135


P8_TA(2018)0480

Verslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het Commissieverslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2018/2145(INI))

(2020/C 363/20)

Het Europees Parlement,

gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om het land de status van kandidaat-land voor EU-lidmaatschap toe te kennen,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds,

gezien de definitieve overeenkomst voor de regeling van geschillen zoals beschreven in resoluties 817 (1993) en 845 (1993) van de VN-Veiligheidsraad, de beëindiging van het interimakkoord van 1995 en de oprichting van een strategisch partnerschap tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 17 juni 2018, de zogenoemde Prespa-overeenkomst,

gezien de kaderovereenkomst die in Ohrid werd gesloten en op 13 augustus 2001 in Skopje werd ondertekend (kaderovereenkomst van Ohrid),

gezien de dringende hervormingsprioriteiten van de Commissie voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van juni 2015,

gezien het politieke akkoord (het zogenoemde “Pržino-akkoord”) dat op 2 juni en 15 juli 2015 in Skopje werd gesloten tussen de vier belangrijkste politieke partijen, evenals het vierpartijenakkoord over de tenuitvoerlegging ervan van 20 juli en 31 augustus 2016,

gezien de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake structurele rechtsstatelijke problemen van 14 september 2017,

gezien het proces van Berlijn dat is gestart op 28 augustus 2014,

gezien de eindrapporten van OVSE/ODIHR betreffende de vervroegde parlementsverkiezingen van 11 december 2016, die eveneens door het Europees Parlement zijn waargenomen, en de gemeenteraadsverkiezingen van 15 oktober en 29 oktober 2017,

gezien de verklaring van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018, die de conclusies over uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces die de Raad op 26 juni 2018 heeft aangenomen, onderschrijven,

gezien het besluit dat de staatshoofden en regeringsleiders namen tijdens de NAVO-vergadering van 11 en 12 juli 2018 om het land uit te nodigen de gesprekken over de toetreding tot de alliantie te openen,

gezien de veertiende bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad tussen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de EU van 13 juli 2018,

gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” (COM(2018)0065),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 getiteld “Mededeling over het EU-uitbreidingsbeleid 2018” (COM(2018)0450) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Verslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië” (SWD(2018)0154), waarin wordt aanbevolen om toetredingsonderhandelingen te beginnen in het licht van de geboekte vooruitgang en gezien de blijvende inzet voor hervormingen,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over haar beoordeling van het economische hervormingsprogramma van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (SWD(2018)0134) en de op 25 mei 2018 aangenomen gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan en Turkije,

gezien de aanbevelingen van de veertiende bijeenkomst van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, die op 7-8 februari 2018 werd gehouden in Straatsburg,

gezien de gestructureerde Jean Monnetdialoog met de parlementaire leiders en de politieke partijen in het parlement (Sobranie), begonnen in Ohrid op 17 en 18 mei 2018,

gezien zijn eerdere resoluties over het land,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0341/2018),

A.

overwegende dat door verregaande en brede democratische hervormingen door te voeren en zich actief in te zetten voor de verbetering van de betrekkingen met de buurlanden, de nieuwe regering laat zien dat het land nog altijd het Europese en Euro-Atlantische pad wil inslaan; overwegende dat de hervormingsinspanningen gepaard moeten gaan met voortdurende EU-steun voor de uitvoering van de dringende hervormingsprioriteiten en meetbare resultaten; overwegende dat het vooruitzicht op EU-lidmaatschap de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië sterk aanmoedigt hervormingen door te voeren, in het bijzonder op het gebied van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de bestrijding van corruptie; overwegende dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt beschouwd als de kandidaat-lidstaat die de meeste vooruitgang heeft geboekt bij de aanpassing van zijn wetgeving aan het EU-acquis;

B.

overwegende dat Prespa-overeenkomst van 17 juni 2018 over de regeling van geschillen en de oprichting van een strategisch partnerschap tussen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Griekenland een hoognodig positief signaal doet uitgaan voor stabiliteit en verzoening in de gehele Westelijke Balkan, de geest van goed nabuurschap en regionale samenwerking verbetert en het pad effent voor de Europese integratie van het land;

C.

overwegende dat Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië 11 vertrouwenwekkende maatregelen zijn overeengekomen, voornamelijk op het gebied van politieke en EU-aangelegenheden, onderwijs en cultuur, handel en economische samenwerking, connectiviteit, justitie en binnenlandse zaken, en samenwerking op gezondheidsgebied; overwegende dat deze vertrouwenwekkende maatregelen al concrete resultaten hebben opgeleverd;

D.

overwegende dat alle politieke partijen en overheidsinstellingen de plicht hebben bij te dragen aan een inclusiever en opener politiek klimaat, dat verdere voortuitgang in het EU-toetredingsproces mogelijk maakt;

E.

overwegende dat het land onder andere de parlementaire wetgevings- en toezichtsbevoegdheden verder moet versterken, evenals de rechterlijke macht, de eerbiediging van de rechtsstaat, de mediavrijheid en de strijd tegen georganiseerde misdaad en corruptie; overwegende dat aanhoudende hervormingsinspanningen nodig zijn op het gebied van de overheid, de economie en werkgelegenheid, en dat een brede herziening van de uitvoering van de kaderovereenkomst van Ohrid eveneens vereist is;

F.

overwegende dat de toetreding tot de NAVO door de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zal bijdragen tot de vrede en stabiliteit van de gehele regio;

G.

overwegende dat de Europese Raad op 28 juni 2018 de conclusies van de Raad van 26 juni 2018 heeft goedgekeurd, waarmee het pad is ingeslagen dat moet leiden tot de opening van toetredingsonderhandelingen in juni 2019;

H.

overwegende dat de Commissie op 18 juli 2018 een statusovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië heeft geparafeerd zodat teams van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) gezamenlijke operaties met en binnen het land kunnen uitvoeren in het kader van migratie- en grensbeheer, als een kernelement van de strategie van de Commissie voor de Westelijke Balkan;

I.

overwegende dat luchtverontreiniging een groot probleem is in Macedonische steden en dat volgens de laatste studie van het Fins Meteorologisch Instituut en het Macedonische Instituut voor Volksgezondheid, Skopje en Tetovo de hoogste concentratie fijnstof in de lucht (PM2,5) hebben van alle Europese steden;

J.

overwegende dat de Balkanregio van strategisch belang is;

K.

overwegende dat elke kandidaat-lidstaat afzonderlijk op zijn eigen verdiensten wordt beoordeeld en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding en het ritme van de onderhandelingen bepalen;

L.

overwegende dat Nikola Gruevski na een grondig en transparant proces door de Macedonische rechtbank wegens machtsmisbruik veroordeeld is tot twee jaar gevangenisstraf; overwegende dat verschillende rechtbanken deze veroordeling hebben gehandhaafd en dat de uitspraak van kracht is geworden toen er geen verder beroep meer mogelijk was; overwegende dat hij ook is aangeklaagd in vier verdere aanhangige strafzaken en betrokken is bij nog eens vijf lopende strafrechtelijke onderzoeken;

Algemene hervormingen en betrekkingen van goed nabuurschap

1.

is verheugd over de sterke politieke wil van de regering om het Pržino-akkoord en de dringende hervormingsprioriteiten volledig ten uitvoer te leggen, hetgeen zal leiden tot hernieuwde inspanningen voor EU-gerelateerde hervormingen, op basis van partijoverschrijdende en interetnische samenwerking en raadpleging van het maatschappelijk middenveld, en benadrukt dat het belangrijk is dat deze inspanningen worden voortgezet voor de Europese toekomst van het land; moedigt de nieuwe regering aan het positieve momentum aan te houden en op een transparante en inclusieve manier de EU-gerelateerde hervormingen te bevorderen, versnellen en volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt om steun voor de toetreding van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië tot de Euro-Atlantische organisaties om de regionale veiligheid te vergroten;

2.

prijst ten sterkste de positieve diplomatie en de actieve inspanningen gericht op het kweken van vertrouwen die moeten leiden tot compromissen, de regeling van lopende bilaterale kwesties en de bevordering van goed nabuurschap; benadrukt dat bilaterale kwesties het toetredingsproces niet mogen belemmeren; is zeer verheugd over de inwerkingtreding op 14 februari 2018 van het vriendschapsverdrag met Bulgarije dat moet zorgen voor duurzaam, verzoenend en goed nabuurschap tussen de twee landen;

3.

is verheugd over de Prespa-overeenkomst van 17 juni 2018 tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en prijst beide landen voor de aanzienlijke inspanningen die ze hebben geleverd om een voor beide landen bevredigende oplossing voor de naamkwestie tot stand te brengen; is verheugd over de ratificatie ervan door het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op 20 juni en 5 juli 2018; is van mening dat het in het belang van de burgers van het land is dat alle politieke actoren en het maatschappelijke middenveld op een constructieve manier handelen en hun historische verantwoordelijkheden nemen; spoort de partijen aan om de belangen van hun land boven de partijpolitieke belangen te stellen, om hun burgers naar behoren op de hoogte te brengen van de inhoud en de gevolgen van de overeenkomst en om alle interne procedures voor de ratificatie en de uitvoering van deze strategisch belangrijke overeenkomst zorgvuldig te doorlopen en zo een einde te maken aan de langdurige geopolitieke onzekerheid en een goed voorbeeld te geven voor vrede en stabiliteit in de regio; benadrukt het belang van het referendum op 30 september 2018 betreffende de integratie van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de EU en de NAVO;

4.

neemt kennis van de uitkomst van het referendum van 30 september 2018; benadrukt de noodzaak van de verdere ondersteuning van de Euro-Atlantische toekomst van het land en de uitvoering van de Prespa-overeenkomst van 17 juni 2018; moedigt de regering in Skopje aan om alle noodzakelijke en mogelijke stappen te nemen voor de naleving van de Prespa-overeenkomst, die het pad vrijmaakt voor de onderhandelingen voor de toetreding tot de EU en de NAVO;

5.

is ingenomen met de stemming van 19 oktober 2018 in het Macedonische parlement (Sobranje) om het proces van grondwetswijziging op te starten met het doel de bepalingen toe te passen die zijn neergelegd in de Prespa-overeenkomst; roept alle politieke partijen op bij de volgende stappen van de wijzigingsprocedure te blijven samenwerken in een geest van gedeelde verantwoordelijkheid; benadrukt zijn krachtige steun aan de Europese en Euro-Atlantische toekomst en spoort de regering en het parlement aan te blijven werken aan hervormingen die de weg naar toetreding tot de EU effenen; spoort de bijzondere openbaar aanklager en de rechtbanken aan hun onafhankelijk onderzoek naar alle aanhangige gevallen van politiek wangedrag en strafbare feiten uit te voeren en degenen die verantwoordelijk zijn, voor de rechter te brengen;

6.

is verheugd over de diplomatieke inspanningen van het land om de bilaterale en regionale samenwerking met Albanië te bevorderen en nieuwe, goede betrekkingen tot stand te brengen op gebieden als handel, wetshandhaving, fraudebestrijding en preventie van terrorisme;

7.

brengt in herinnering dat het land reeds een hoog niveau van aanpassing aan het acquis heeft bereikt; betreurt niettemin dat een deel van deze wetgeving nog niet ten uitvoer is gelegd; neemt nota van de vooruitgang op het gebied van aanpassingen die worden doorgevoerd in overeenstemming met EU-verklaringen en Raadsbesluiten over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en benadrukt dat geleidelijk volledige aanpassing moet worden bereikt, wat een vereiste is voor de Euro-Atlantische toekomst van het land;

8.

erkent de vooruitgang die is geboekt in de overheidssector met de goedkeuring van de hervormingsstrategie voor de overheid en het hervormingsprogramma inzake financieel beheer; roept de regering op te zorgen voor volledige uitvoering van deze hervormingen; moedigt het land aan professioneler te handelen door te zorgen voor meer transparantie, een evenwichtiger vertegenwoordiging en een volledige invulling van functies in overheidsdiensten op basis van verdiensten;

9.

veroordeelt ten sterkste de aanval van 27 april 2017 op het nationale parlement, die een aanval op de democratie vormt en tijdens welke een aantal parlementsleden en journalisten ernstige verwondingen opliepen, en dringt erop aan dat de aanstichters en daders worden berecht; is verheugd over de lopende onderzoeken en rechtszaak in deze zaak; benadrukt dat het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor deze gewelddaden moet worden voortgezet in overeenstemming met de wet en op een transparante, onafhankelijke en evenredige manier; veroordeelt verder elke vorm van belemmering en misbruik van parlementaire procedures of presidentiële bevoegdheden die in strijd zijn met de grondwet;

10.

is het volledig eens met de aanbeveling van de Commissie en het hieruit voortvloeiende besluit van de Raad waarin juni 2019 is vastgesteld als begindatum voor de toetredingsonderhandelingen uit waardering voor de aanmoedigende hervormingsinspanningen; is van mening dat een spoedige start van het doorlichtingsproces en de toetredingsonderhandelingen de hervormingsdynamiek op peil zal houden en zal verdiepen; is van mening dat de opening van de onderhandelingen het democratiseringsproces een extra impuls zal geven en het toezicht en de verantwoordingsplicht zal versterken;

11.

is verheugd over de formele uitnodiging van 11 juli 2018 van de NAVO aan het land om de onderhandelingen te beginnen om tot de organisatie toe te treden;

12.

is van mening dat het lidmaatschap van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van de NAVO zou kunnen bijdragen tot meer veiligheid en politieke stabiliteit in Zuidoost-Europa; dringt er bij alle EU-lidstaten die lid zijn van de NAVO op aan de toetreding van het land tot de NAVO actief te ondersteunen;

13.

is verheugd over het feit dat het land weldra overgaat naar de tweede fase van de stabilisatie- en associatieovereenkomst en over de opname van het land in het Adriatisch-Ionische initiatief, en verzoekt de Raad het land op te nemen in de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio;

Democratisering

14.

is verheugd over de eerste stappen die zijn genomen voor de hernieuwde invoering van “checks and balances” en de bevordering van inclusie door middel van maatregelen om het klimaat waarin onafhankelijke toezichthoudende instellingen, de media en maatschappelijke organisaties handelen, te verbeteren; is verheugd over de constructieve dialoog tussen de regering en maatschappelijke organisaties en over de rol die laatstgenoemden hebben gespeeld bij het waarborgen van meer “checks and balances”; benadrukt dat de lopende fundamentele veranderingen moeten worden doorgevoerd in een inclusieve en open politieke sfeer;

15.

waardeert de inspanningen van de regering om achteruitgang te voorkomen en de laatste vormen van “gijzeling” van de staat uit te bannen, en moedigt de regering aan deze inspanningen op te voeren; brengt in herinnering dat het land een koploper was in het toetredingsproces in de jaren 2000;

16.

is verheugd over de verbeteringen van de kieswetgeving, maar benadrukt dat de kieswet tijdig moet worden herzien door een nauwkeurige uitvoering van de resterende aanbevelingen van de OVSE/ODIHR, de Commissie van Venetië en de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) over campagnefinanciering en over politieke partijen; benadrukt dat er meer inspanningen nodig zijn om elke vorm van intimidatie van kiezers te voorkomen en te onderzoeken; spoort de politieke partijen ertoe aan hun interne besluitvormingsprocessen democratischer te maken;

17.

moedigt de autoriteiten aan de onderbroken volkstelling te voltooien om nauwkeurige statistieken over de bevolking te verkrijgen die als basis kunnen dienen voor ontwikkelingsprogramma's van de overheid en adequate begrotingsplanning, en voor het organiseren van verkiezingen en het berekenen van verkiezingsuitslagen;

18.

is verheugd over de hervatting van de bijeenkomsten van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en moedigt een voortzetting aan van de constructieve werkzaamheden in dit interparlementaire kader;

19.

is verheugd over de aanvang van de gestructureerde Jean Monnetdialoog in Ohrid op 17 en 18 mei 2018 en de hieruit voortvloeiende aanneming, door unanieme steun van alle partijen, van de gedragscode; moedigt de werkgroep hervormingen en werking van het parlement (Sobranie) aan het reglement van het parlement te herzien en wijzigingsvoorstellen en tijdschema's voor de aanneming ervan op de prioritaire gebieden zoals opgenomen in de conclusies van Ohrid, in te dienen; moedigt alle actoren in het politieke proces aan de cultuur van overleg en constructieve politieke dialoog, in het bijzonder tussen parlementsleden, te blijven versterken, en de effectieve werking van het parlement geen strobreed in de weg te leggen;

20.

beveelt aan dat het nationale parlement volledig gebruikmaakt van zijn toezichts- en wetgevingsbevoegdheden en tegelijk het gebruik van spoedprocedures tot een absoluut minimum beperkt omdat ze de parlementaire en publieke controle ondermijnen; roept op tot een geloofwaardige staat van dienst met betrekking tot het toezicht op inlichtingendiensten en de monitoring van mensenrechten en fundamentele vrijheden in het land;

21.

is verheugd over de belangrijke stappen die de regering heeft gezet om een overlegcultuur geleidelijk opnieuw in te voeren door alle belanghebbenden, met inbegrip van de oppositie, bij het werk te betrekken, om de democratie en de rechtsstaat te versterken en de oprechte wens om op een inclusieve en transparante manier te hervormen kracht bij te zetten;

22.

verzoekt om de aanvang van de effectieve tenuitvoerlegging van de hervormingsstrategie voor de overheid en om een duidelijke afbakening van de verantwoordelijkheden; onderstreept het belang van een op verdiensten gebaseerde invulling van functies en open concurrentie voor alle aanwervingsprocedures en roept op tot uitbreiding van de capaciteit op het gebied van personeelsbeheer; dringt aan op versterkte maatregelen om de sectorale en financiële planningscapaciteiten binnen het openbaar bestuur te verbeteren;

23.

is verheugd over de versterking van de decentralisatieprocessen door de regering met de goedkeuring van het actieplan voor decentralisatie en ontwikkeling 2018-2020 als een belangrijke stap om de schaarste aan financiering en diensten in de gemeenten aan te pakken;

24.

is verheugd over de huidige inspanningen om goed bestuur, verantwoordingsplicht en een vrij mediaklimaat te bevorderen, de transparantie te vergroten en de toegang tot openbare informatie te verbeteren, onder meer door de bekendmaking van de uitgaven van overheidsinstellingen; roept op tot verdere maatregelen om het recht van burgers op toegang tot openbare informatie te waarborgen; roept op tot aanhoudende inspanningen om de inclusiviteit van het besluitvormingsproces te versterken, en de coördinatie tussen instellingen te verbeteren;

25.

verzoekt om verdere vooruitgang op het gebied van het digitaliseren van de beschikbaarheid van openbare informatie en moedigt de autoriteiten aan om innovatieve e-oplossingen te vinden om de transparantie verder te vergroten, de toegang tot openbare informatie verder te vergemakkelijken en de hiermee gepaard gaande bureaucratie te verminderen;

Rechtsstaat

26.

herinnert eraan dat een goede werking van het rechtsstelsel en doeltreffende maatregelen ter bestrijding van corruptie van het allergrootste belang zijn om tot de EU te kunnen toetreden;

27.

is verheugd over de strategie voor de hervorming van het justitiële stelsel met als doel de onafhankelijkheid, de verantwoordingsplicht en het professionalisme van de rechterlijke macht te herstellen en een einde te maken aan politieke bemoeienis en selectieve rechtspleging, en verzoekt de regering van het land en andere actoren om meer inspanningen te leveren voor de correcte tenuitvoerlegging van de strategie voor de hervorming van het justitiële stelsel door te voorzien in goede monitoring- en beoordelingsmechanismen; benadrukt dat de aanpassing van de wetgeving moet worden voltooid in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; verzoekt om maatregelen in het kader van de strategie voor de hervorming van het justitiële stelsel te blijven aannemen en uitvoeren; onderstreept dat meer maatregelen nodig zijn om de rechterlijke macht te beschermen tegen politieke bemoeienis;

28.

is verheugd over de oprichting van de Raad voor rechtsbewustzijn in januari 2018 en de organisatie van opleidingen door de academie voor rechters en openbaar aanklagers over ethisch gedrag bij rechters om belangenconflicten te voorkomen en anticorruptiemaatregelen in te voeren;

29.

is nog altijd bezorgd over de wijdverspreide corruptie en is verheugd over de eerste resultaten bij de preventie en vervolging ervan; uit zijn zorgen over het beperkte aantal definitieve rechterlijke beslissingen in zaken van corruptie op hoog niveau, maar neemt nota van de eerste rechterlijke uitspraken in zaken met betrekking tot corruptie en machtsmisbruik, en inzake de gebeurtenissen van 27 april 2017; roept op tot aanhoudende inspanningen om tot goede resultaten te komen op het gebied van onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen in zaken van corruptie op hoog niveau en georganiseerde misdaad; prijst het werk dat de speciale openbaar aanklager in moeilijke omstandigheden heeft verricht en is nog steeds bezorgd over aanvallen op en belemmering van zijn werkzaamheden en het gebrek aan samenwerking vanuit andere instellingen;

30.

roept de autoriteiten ertoe op de strijd tegen witwassen en belangenconflicten op te voeren door eenheden voor corruptiebestrijding, misdaadbestrijding en financiële onderzoeken nieuwe bevoegdheden te geven en hun bestaande bevoegdheden uit te breiden, en door activa te bevriezen, te confisqueren, terug te vorderen en te beheren; dringt er bij de autoriteiten op aan om tot goede resultaten te komen ten aanzien van onderzoeken en vervolgingen en om het aantal veroordelingen te verhogen in zaken met betrekking tot witwassen en financiële misdrijven op hoog niveau; is verheugd over de aanneming van de wet over de bescherming van klokkenluiders die zorgt voor een betere bescherming van klokkenluiders en voor een versterkt overheidsbeleid ter bestrijding van corruptie; roept op tot een spoedige herziening van de wetten op het gebied van corruptiebestrijding, financieel toezicht en openbare aanbestedingen; moedigt een hervorming aan van het algemene wettelijke kader, zodat de Staatscommissie voor de preventie van corruptie beschikt over duidelijke bevoegdheden en volledig onafhankelijk kan werken en zodat de openbaar aanklager voor georganiseerde misdaad en corruptie regelmatig onderzoeken kan uitvoeren;

31.

wijst erop dat corruptie en georganiseerde misdaad wijdverspreid zijn in de regio en ook een obstakel vormen voor de democratische, sociale en economische ontwikkeling van het land; is van mening dat een regionale strategie en een versterkte samenwerking tussen alle landen in de regio essentieel zijn om deze problemen op doeltreffendere wijze aan te pakken;

32.

wenst dat er nauwlettend op toe wordt gezien dat politieke en juridische verantwoording wordt genomen voor begane strafbare feiten, waaronder strafbare feiten in het kader van het afluisterschandaal; spoort het parlement ertoe aan de hervorming van de inlichtingendiensten te voltooien, door te zorgen voor effectief extern toezicht op veiligheids- en inlichtingendiensten;

33.

dringt er bij de autoriteiten op aan krachtig op te treden om criminele netwerken die zich bezighouden met mensenhandel of met de handel in wapens en drugs te ontmantelen, en de institutionele capaciteit en de interinstitutionele samenwerking tussen wetshandhavingsinstanties op te voeren en tot betere resultaten te komen ten aanzien van het aantal onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen;

34.

erkent de inspanningen van het land en de constructieve rol die het land heeft gespeeld om de uitdagingen van de Europese migratie- en vluchtelingencrisis aan te gaan; neemt nota van de aanhoudende inspanningen en dringt aan op verdere verbeteringen van het asielstelsel en het migratiebeheer; moedigt het land aan de voor beide partijen bevredigende regionale samenwerking en het partnerschap met Frontex te versterken en verder te verdiepen op grond van een nieuwe statusovereenkomst met als doel mensenhandelnetwerken te ontmantelen;

35.

benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat migranten en vluchtelingen, en met name vrouwen en kinderen, die in het land asiel aanvragen of via het grondgebied van het land reizen, worden behandeld in overeenstemming met het internationale en EU-recht;

36.

acht het noodzakelijk dat de autoriteiten hun inspanningen voortzetten en intensiveren om islamitische radicalisering en buitenlandse terroristische strijders te bestrijden; vraagt om de uitvoering hiervan door middel van meer samenwerking tussen veiligheidsdiensten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, religieuze leiders, lokale gemeenschappen en andere overheidsinstellingen op het gebied van onderwijs, gezondheid en sociale diensten; dringt aan op de permanente monitoring van terugkerende buitenlandse strijders door de veiligheidsdiensten, hun passende herintegratie in de samenleving en een constante informatie-uitwisseling met de autoriteiten van de EU- en buurlanden;

37.

verzoekt om een verdere verbetering van het stelsel voor de rechtsbedeling voor kinderen; verzoekt de bevoegde autoriteiten te voorzien in voldoende begrotingsmiddelen voor de uitvoering van de wet inzake rechtsbedeling voor kinderen en de ondersteunende diensten te verbeteren voor meisjes en jongens die het slachtoffer zijn geworden van geweld en misbruik en voor kinderen die in aanraking zijn gekomen met de wet;

38.

doet een beroep op de Hongaarse autoriteiten om alle relevante informatie en de nodige uitleg te verschaffen over het geval van de voormalige Macedonische premier Gruevski die zijn land is ontvlucht met de geheime diplomatieke hulp van Hongarije om aan een gevangenisstraf te ontkomen; beschouwt dit als een daad van inmenging in de binnenlandse zaken van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en met name als een daad van minachting voor de rechterlijke macht en de rechtsstaat in dit land; neemt kennis van het uitwijzingsverzoek van de autoriteiten in Skopje en verwacht dat Hongarije handelt met strikte eerbiediging van het desbetreffende nationale en internationale recht door positief op dit verzoek te reageren;

Grondrechten en het maatschappelijk middenveld

39.

is verheugd over maatregelen om het vertrouwen tussen etnische groepen te versterken en roept op tot een inclusieve en transparante herziening van de nog niet uitgevoerde onderdelen van de kaderovereenkomst van Ohrid; acht het van wezenlijk belang dat wordt gewaarborgd dat etnische minderheden volledig deel kunnen nemen aan het openbare leven; roept op tot verdere maatregelen om de onderwijsdeelname van minderheden te bevorderen om de sociale samenhang en de integratie van gemeenschappen nieuw leven in te blazen;

40.

is van mening dat de Macedonische gerechtelijke procedures volgens de procedures van het land moeten worden voortgezet en dat Nikola Gruevski in het kader van het Macedonische rechtsstelsel ter verantwoording moet worden geroepen; verzoekt Hongarije de onafhankelijkheid van het Macedonische rechtsstelsel en de rechtsstaat van het land te respecteren, het aan Nikola Gruevski verleende politiek asiel te heroverwegen en hem aan Skopje uit te leveren; verwacht van alle betrokken partijen dat zij met strikte eerbiediging van het desbetreffende nationale en internationale recht handelen; benadrukt dat deze gerechtelijke procedures niet gepolitiseerd mogen worden;

41.

is verheugd over de hervormingen en de inspanningen die zijn geleverd om het wettelijke kader geleidelijk af te stemmen op de Europese normen, het besluit van het land om waarnemer te worden in het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie en de ratificatie van de meeste internationale mensenrechteninstrumenten; moedigt een volledige uitvoering van de normen en beleidsdocumenten op het vlak van de mensenrechten aan, zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het recht op een onpartijdig gerecht, de vrijheid van vergadering en vereniging, het recht op leven, de vrijheid van meningsuiting en de eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven;

42.

wijst erop dat de aanneming van de wet over het gebruik van talen een belangrijke verwezenlijking vormt en betreurt dat gepoogd is de aanneming ervan in volledige overeenstemming met de standaardprocedures, te belemmeren;

43.

is verheugd over de ratificatie door het land van het Verdrag van Istanbul op 23 maart 2018 en spoort het aan de juridische hervormingen ter bestrijding van discriminatie en geweld tegen vrouwen, meisjes en alle kinderen te voltooien en verder te gaan met de uitroeiing van het nog altijd veel voorkomende huiselijk en gendergerelateerd geweld;

44.

onderstreept de noodzaak om ervoor te zorgen dat onafhankelijke toezichtsorganen autonoom kunnen optreden en over voldoende menselijke en financiële middelen beschikken; prijst de rol van de Ombudsman bij het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten en onderstreept de noodzaak om ervoor te zorgen dat systematisch gevolg wordt gegeven aan de besluiten van deze instelling;

45.

blijft bezorgd over de nijpende situatie van mensen met een handicap en de aanhoudende discriminatie van deze mensen; verzoekt om de doeltreffende uitvoering van de bestaande instrumenten en strategieën;

46.

is verheugd over de eerste stappen om de preventie van discriminatie te verbeteren en spoort de autoriteiten aan om seksuele gerichtheid en genderidentiteit op te nemen als gronden voor discriminatie in de wet inzake de voorkoming van en bescherming tegen discriminatie; verzoekt de autoriteiten passende middelen toe te wijzen voor de uitvoering van de nationale strategie voor gelijkheid en non-discriminatie 2016-2020; spoort de autoriteiten ertoe aan om effectief op te treden tegen haatmisdrijven en haatuitingen tegen minderheden, met inbegrip van kwetsbare groepen zoals de Roma en de LGBTI-gemeenschap, en homofoob en transfoob geweld en aanzetten tot geweld te bestraffen; blijft bezorgd dat maatschappelijke vooroordelen blijven bestaan en dat haatuitingen tegen LGBTI-personen veel voorkomen in de media, op het internet en op de sociale media; verzoekt de autoriteiten te zorgen voor een doeltreffende bescherming en te voorzien in afschrikkende en evenredige sancties voor haatuitingen en homofobe/transfobe acties en geweld; benadrukt dat toegang moet worden geboden tot gezondheidszorg voor transgenders; betreurt de aanhoudende tekortkomingen in het werk van de Commissie inzake bescherming tegen discriminatie; is verheugd over de oprichting van een parlementaire interfractiegroep voor rechten van de LGBTI-gemeenschap en de parlementaire interfractiegroep voor de rechten van Roma;

47.

verzoekt om de volledige uitvoering en ondersteuning door middel van overheidsmiddelen van strategieën en wetgeving inzake de rechten van personen die tot een minderheid behoren en hun bescherming; dringt erop aan dat maatregelen verder moeten gaan om het onderwijs, de werkgelegenheidsgraad, de gezondheid, de huisvesting, de toegang tot goederen en diensten en de levensomstandigheden van Roma te verbeteren en veroordeelt de scheiding op scholen en andere vormen van discriminatie;

48.

is verheugd over de aanzienlijke verbetering van de operationele omgeving voor, en de raadpleging van, maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de oprichting van de raad voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld; benadrukt de noodzaak om het juridische, financiële, administratieve en beleidskader uit te breiden, onder andere met wetten betreffende stichtingen en donaties; benadrukt het belang van structurele betrokkenheid van organisaties uit het maatschappelijk middenveld door middel van een regelmatiger, uitgebreid, niet-discriminerend en voorspelbaar raadplegingsproces;

49.

spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over alle slachtoffers van oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom); dringt er bij de regering op aan het voortouw te nemen bij de oprichting ervan; onderstreept het belang van dit proces en van de actieve betrokkenheid van alle regionale politieke leiders zodat Recom haar werkzaamheden onverwijld kan beginnen; vestigt de aandacht op de coalitie voor het voorstel van Recom voor het actieplan voor Recom, met duidelijke data en benchmarks;

50.

verwelkomt de verhoogde inspanningen van de regering om het proces van de-institutionalisering en hervorming van de sociale sector te intensiveren; prijst de inzet om een einde te maken aan de plaatsing van kinderen in grote overheidsinstanties en om in plaats daarvan te voorzien in zorgvoorzieningen in de familie en de gemeenschap; verzoekt de autoriteiten onverwijld maatregelen te nemen om de toenemende perinatale sterfte terug te dringen en een systeem op te richten voor de analyse van de oorzaken van deze alarmerende trend;

51.

is verheugd over het partnerschap tussen de regering en de nationale jeugdraad van het land bij de uitvoering van de jongerengarantie als goed samenwerkingsmechanisme tussen jongeren en besluitvormers bij het opstellen en uitvoeren van jongerenbeleid; verzoekt de regering de financiële steun voor jongerenorganisaties en jongeren te verhogen om het probleem van de braindrain aan te pakken;

Media

52.

onderstreept de cruciale rol die de onafhankelijke media spelen voor een democratisch en gunstig klimaat; wijst op de bescheiden verbeteringen van het mediaklimaat en de voorwaarden voor onafhankelijke berichtgeving; verzoekt om initiatieven om tot een klimaat te komen dat professioneel gedrag van alle belanghebbenden in de media, vrij van interne en externe beïnvloeding, en onderzoeksjournalisme bevordert; is verheugd over het feit dat de door de staat gesponsorde reclame in de media op basis van politiek favoritisme is afgeschaft en beschouwt dit als een belangrijke maatregel om een gelijk speelveld in de sector te bevorderen en roept op tot aanvullende waarborgen tegen de politisering van de media; herinnert aan de noodzaak van versterking van de onafhankelijkheid en de capaciteit van de toezichthouder van de media en van de publieke omroep; dringt aan op maatregelen om de sociale en arbeidsrechten van journalisten beter te beschermen en om ervoor te zorgen dat geweld tegen en misbruik en bedreigingen van journalisten niet onbestraft blijven, hetgeen ook zou bijdragen tot de beperking van de heersende zelfcensuur onder journalisten;

53.

is verheugd over de verbeteringen om toegang tot informatie te waarborgen; benadrukt de noodzaak om de regelgeving over mediadiensten en toegang tot openbare informatie te herzien; benadrukt de noodzaak om een beleid van nultolerantie te voeren en effectief op te treden tegen bedreiging en intimidatie van en aanvallen tegen journalisten door middel van een adequate registratie van en diepgaande onderzoeken naar dergelijke incidenten; veroordeelt elke vorm van haatzaaiende en opruiende taal; verzoekt om doeltreffende maatregelen ter bestrijding hiervan en van de schending van de ethische gedragscode van journalisten op het internet; wijst bovendien op de noodzaak om de media onverwijld te hervormen met het oog op de versterking van het agentschap voor audio- of audiovisuele mediadiensten en de garantie van objectieve en professionele verslaggeving;

Economie

54.

benadrukt de noodzaak het ondernemingsklimaat te verbeteren door te zorgen voor begrotingsconsolidatie en transparantie en betrouwbaarheid van de regelgeving, en tegelijkertijd aanhoudende tekortkomingen in de rechtsstaat, omslachtige regelgevingsprocedures en willekeurige inspecties aan te pakken;

55.

spoort de autoriteiten ertoe aan de omvangrijke informele economie aan te pakken, evenals de aanhoudende problemen op het gebied van belastingontduiking en gebrekkig toezicht op de naleving van contracten, die nog altijd een afschrikkende werking hebben op buitenlandse directe investeringen; benadrukt de noodzaak om maatregelen uit te voeren op het gebied van openbare aanbestedingen en intern financieel toezicht; wijst op de noodzaak om de transparantie te verbeteren van de gegevens over openbare uitgaven, aanbestedingen, staatssteun en het gebruik van EU-middelen; verzoekt om maatregelen om de plannings-, programmerings- en beheerscapaciteiten van de nationale structuren van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) te verbeteren;

56.

verzoekt de regering de digitalisering tot een van haar sectoroverschrijdende kernprioriteiten te maken; dringt aan op de onverwijlde ontwikkeling van een digitale agenda voor de lange termijn, met inbegrip van onder andere een strategie voor e-bestuur, een ICT-strategie en een nationale strategie voor cyberveiligheid; benadrukt dat een alomvattende digitale agenda het economische klimaat en de economische prestaties zal verbeteren en de transparantie en efficiëntie van het openbaar bestuur en de openbare diensten zal verhogen;

57.

waardeert de inspanningen van de regering om de omstandigheden voor jongeren te verbeteren en de participatie van jongeren in de politiek te versterken, bijvoorbeeld door middel van de nationale jongerenstrategie (2016-2025); moedigt de regering aan om de hoge jeugdwerkloosheid aan te pakken door iets te doen aan de “mismatch” tussen de vaardigheden van jonge afgestudeerden en de behoeften van particuliere bedrijven;

58.

dringt er bij de regering op aan de langdurige werkloosheid, de jeugdwerkloosheid en de lage arbeidsparticipatie van vrouwen op de arbeidsmarkt op alomvattende en innovatieve wijze aan te pakken; verzoekt om dringende hervormingen van het onderwijs om ervoor te zorgen dat de verworven vaardigheden overeenkomen met de behoeften op de arbeidsmarkt, om zo braindrain te voorkomen; moedigt de regering aan een strategie voor digitale vaardigheden te ontwikkelen en de digitale geletterdheid onder de bevolking te doen toenemen;

59.

herinnert eraan dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in 2002 haar laatste volkstelling voltooide; onderstreept dat het houden van een nieuwe volkstelling een steeds dringender noodzaak wordt, waarmee actuele en realistische demografische statistieken in overeenstemming met de EU-normen kunnen worden verkregen;

60.

is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe energiewet door het Macedonische parlement, waarin het derde energiepakket van de EU wordt omgezet en die volledig in overeenstemming is met het Energiegemeenschapsverdrag; verzoekt de autoriteiten zich te richten op hervormingen van de energiemarkt, en toe te zien op voorzieningszekerheid en diversificatie van energiebronnen, in het bijzonder door middel van hernieuwbare energiebronnen;

61.

neemt kennis van een aantal geplande infrastructuurprojecten in beschermde gebieden die waarschijnlijk ingrijpende gevolgen zullen hebben voor toekomstige Natura 2000-gebieden; roept ertoe op om in dit verband de aanbeveling van de vaste commissie van het Verdrag van Bern (nr. 184(2015)) te eerbiedigen door de tenuitvoerlegging van de projecten op het grondgebied van het nationaal park Mavrovo op te schorten totdat een strategische milieubeoordeling met volledige inachtneming van de EU-milieuwetgeving is afgerond; dringt voorts aan op de eerbiediging van het besluit van de Commissie voor het Werelderfgoed van de UNESCO (40 COM 7B.68) inzake het natuurlijk en cultureel erfgoed van de regio Ohrid en op het opstellen van een algemene strategische milieueffectbeoordeling (smb) en een erfgoedeffectbeoordeling voordat verdere werkzaamheden worden verricht; dringt aan op de ontwikkeling van een nationale waterkrachtstrategie in overeenstemming met de milieuwetgeving van de EU;

62.

spoort het land aan te werken aan mededinging op de gas- en energiemarkt om te komen tot een volledige loskoppeling van nutsvoorzieningen overeenkomstig het derde energiepakket; roept op tot forse verbeteringen van de energie-efficiëntie, de productie van hernieuwbare energie en de strijd tegen de klimaatverandering;

63.

prijst de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voor het ratificeren van de Overeenkomst van Parijs op 9 januari 2018, aangezien de klimaatverandering alleen kan worden bestreden door middel van gezamenlijke inspanningen;

64.

is verheugd over de positieve benadering van de regering van regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap en de actieve deelname aan regionale initiatieven, zoals het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces, de Raad voor regionale samenwerking, Cefta, het initiatief van de zes landen van de Westelijke Balkan, het Energiegemeenschapsverdrag, de overeenkomst inzake een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte, het Midden-Europees initiatief, het regionale initiatief voor migratie, asiel en vluchtelingen (Marri) en het proces van Brdo-Brijuni;

65.

is verheugd over de inzet van het land voor connectiviteitsprojecten in het kader van het proces van Berlijn; wijst op de noodzaak om andere vervoersmiddelen dan wegvervoer te bevorderen door de uitvoering van maatregelen voor de hervorming van het spoorverkeer, onder meer door de modernisering of aanleg van spoorverbindingen van Skopje naar de hoofdsteden van de buurlanden; verzoekt om meer vooruitgang ten aanzien van de voltooiing van de spoor- en wegverbindingen in het kader van Corridor VIII en X;

66.

roept op tot verdere handels- en douanefacilitatie en exportdiversificatie, onder andere door het intraregionale handelspotentieel te benutten; verzoekt de Commissie het land vrijstelling te verlenen van de vrijwaringsmaatregelen voor staal en aluminium;

67.

uit zijn bezorgdheid over het alarmerend hoge niveau van luchtverontreiniging in Skopje en andere zwaar vervuilde steden en verzoekt de nationale en lokale autoriteiten dringend passende stappen te nemen om deze noodsituatie op te lossen, door middel van doeltreffende doelgerichte maatregelen voor toezicht op en verbetering van de luchtkwaliteit, onder andere door een verbetering van het openbaar vervoer en doeltreffende mobiliteitsplannen; roept het land op de wetgeving op het gebied van de bescherming van het milieu, de natuur en het klimaat onverwijld te harmoniseren met het acquis; roept op tot de ontwikkeling van afvalbeheersystemen;

o

o o

68.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering en het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/146


P8_TA(2018)0481

Verslag 2018 over Albanië

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag van de Commissie 2018 over Albanië (2018/2147(INI))

(2020/C 363/21)

Het Europees Parlement,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Albanië,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de Agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan,

gezien het besluit van de Europese Raad van 26-27 juni 2014 om de status van kandidaat-land voor EU-lidmaatschap toe te kennen aan Albanië,

gezien het besluit van de Raad Algemene Zaken van 26 juni 2018,

gezien het besluit van de Europese Raad van 28-29 juni 2018,

gezien de aanbevelingen van de Hoge Commissaris inzake de nationale minderheden van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) betreffende het ontwerp van secundaire wetgeving inzake de bescherming van nationale minderheden in Albanië,

gezien de verklaring van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

gezien de negende bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Albanië op 15 november 2017,

gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” (COM(2018)0065),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 getiteld “Mededeling over het EU-uitbreidingsbeleid 2018” (COM(2018)0450) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Verslag 2018 over Albanië” (SWD(2018)0151),

gezien de aanbevelingen van de twaalfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-Albanië, die op 12-13 februari 2018 werd gehouden in Tirana,

gezien het resultaat van het in 2017 door de Commissie ondersteunde en door de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties verrichte onderzoek naar gemarginaliseerde Roma in de Westelijke Balkan,

gezien het gezamenlijke werkdocument getiteld “Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: Het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020”,

gezien zijn eerdere resoluties over Albanië,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0334/2018),

A.

overwegende dat de uitbreiding van de EU een strategische investering is in vrede, democratie, welvaart, veiligheid en stabiliteit in Europa;

B.

overwegende dat Albanië gestaag vooruitgang heeft geboekt bij het vervullen van de politieke criteria en de vijf kernprioriteiten voor het openen van toetredingsonderhandelingen, alsook bij de consolidatie van democratische instellingen en praktijken;

C.

overwegende dat de Commissie heeft aanbevolen de toetredingsonderhandelingen met Albanië te openen, gezien de goede vorderingen van het land bij de uitvoering van de vijf kernprioriteiten; overwegende dat de toetredingsonderhandelingen nader toezicht door de EU mogelijk zullen maken en een krachtige katalysator zijn voor de uitvoering van verdere hervormingen en de consolidatie van democratische instellingen en praktijken;

D.

overwegende dat de Europese Raad op 28 juni 2018 de conclusies van de Raad van 26 juni 2018 heeft goedgekeurd, waarmee het pad is ingeslagen dat moet leiden tot de opening van toetredingsonderhandelingen in juni 2019;

E.

overwegende dat er nog altijd uitdagingen bestaan die spoedig en doeltreffend moeten worden aangepakt in een geest van dialoog en samenwerking;

F.

overwegende dat een constructieve dialoog tussen de regering en de oppositie over EU-gerelateerde hervormingen essentieel blijft om vooruitgang te boeken met de hervormingsagenda in het belang van de burgers en om het land dichter bij de EU te brengen;

G.

overwegende dat er in Albanië een breed draagvlak bestaat voor de toetreding van het land tot de EU;

H.

overwegende dat de rechtsstaat een van de fundamentele waarden is waarop de EU is gegrondvest, en de kern vormt van zowel het uitbreidings- als het stabilisatie- en associatieproces; overwegende dat hervormingen nodig zijn om de belangrijke resterende uitdagingen op dit gebied aan te pakken, met name de zorg voor een onafhankelijke, onpartijdige, controleerbare en doeltreffende justitie, de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad en de bescherming van de grondrechten;

I.

overwegende dat de bescherming van godsdienstvrijheid, cultureel erfgoed en de rechten van minderheden tot de fundamentele waarden van de Europese Unie behoren;

J.

overwegende dat Albanië alle fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft geratificeerd, waaronder met name het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht van 1948 (nr. 87) en het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen van 1949 (nr. 98);

K.

overwegende dat elk uitbreidingsland afzonderlijk wordt beoordeeld op zijn eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

L.

overwegende dat regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen van essentieel belang zijn voor de vorderingen van Albanië in het EU-toetredingsproces;

1.

is ingenomen met de extra inspanningen van Albanië, die leiden tot gestage vooruitgang bij de uitvoering van EU-gerelateerde hervormingen, met name de algemene hervorming van het rechtsstelsel; roept Albanië op om de hervormingen te consolideren en zich verder voor te bereiden op de verplichtingen van het EU-lidmaatschap in alle hoofdstukken;

2.

onderschrijft ten volle de aanbeveling van de Commissie om de toetredingsonderhandelingen te openen en zo de hervormingsinspanningen van Albanië te erkennen; neemt kennis van het besluit van de Raad om de toestand in juni 2019 opnieuw te evalueren; is ingenomen met het duidelijke traject dat is uitgezet naar het openen van toetredingsonderhandelingen in 2019 en wijst op het feit dat het voorbereidende screeningproces van start is gegaan; herinnert eraan dat het besluit om de toetredingsonderhandelingen te openen afhankelijk is van verdere vooruitgang in het hervormingsproces; verzoekt de Raad een objectieve en eerlijke beoordeling te geven van de vooruitgang die het land reeds geboekt heeft en tegen het einde van dat jaar de eerste Intergouvernementele Conferentie samen te roepen en spoort Albanië aan de hervormingsdynamiek gaande te houden; meent dat de opening van de onderhandelingen een positieve bijdrage zal leveren aan de versterking van de democratie en de rechtsstaat door het hervormingsproces een extra impuls te geven en het toezicht erop te verbeteren;

3.

verzoekt de Commissie de versterkte benadering toe te passen voor de onderhandelingen over de hoofdstukken 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid);

4.

herinnert aan de noodzaak om de toezichtscapaciteiten van het Albanese parlement, ook ten aanzien van het EU-toetredingsproces, te versterken; vraagt om efficiënter gebruik te maken van de verschillende controlemechanismen en -instellingen, inclusief enquêtecommissies; is verheugd over de vaststelling van de gedragscode van het Albanese parlement, die de integriteit en transparantie van, alsook het publieke vertrouwen in de instelling zal vergroten; beklemtoont dat een handhavingsmechanisme, inclusief sancties, noodzakelijk is om de doelmatigheid van de code te vergroten; wijst op de centrale rol van de Commissie voor integratie in de EU en op de verantwoordelijkheid van de Nationale Raad voor Europese integratie als forum voor overleg over de toetredingsvoorbereidingen; dringt aan op verdere samenwerking met het Albanese parlement in het kader van het EP-programma voor steun aan de parlementen van de uitbreidingslanden, ter verhoging van de capaciteit van dat parlement om kwalitatieve wetgeving in lijn met het EU-acquis te produceren en zijn controlefunctie uit te oefenen;

5.

benadrukt dat het belangrijk is de brede bevolking bewust te maken van het EU-toetredingsproces en de rol die de betrokken Europese en Albanese instellingen daarbij op zich nemen;

6.

vraagt Albanië wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om gevolg te geven aan de openstaande aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR); onderstreept dat een inclusieve en tijdige hervorming van het kiesstelsel nodig is om het publieke vertrouwen in het verkiezingsproces te vergroten; herhaalt dat de nodige aandacht moet worden geschonken aan beschuldigingen van illegale en niet-aangegeven financiering van politieke partijen; is ingenomen met de werkzaamheden van de ad-hoccommissie voor de hervorming van het kiesstelsel van het Albanese Parlement met betrekking tot de onafhankelijkheid en depolitisering van de verkiezingsadministratie, de transparantie van de campagnefinanciering, de registratie van kiezers, het kopen van stemmen, het gebruik van nieuwe technologieën en het stemmen in het buitenland, en dringt erop aan dat de commissie tijdig voor de lokale verkiezingen van 2019 overeenstemming bereikt en overgaat tot de vaststelling van de nodige hervormingen;

7.

verwelkomt de herziening van de Albanese wet inzake de financiering van politieke partijen; herhaalt zijn oproep aan de politieke partijen in het land om te voldoen aan hun verplichting om plegers van misdrijven uit te sluiten van openbare functies op alle beleidsdomeinen en alle beleidsniveaus;

8.

herhaalt dat constructieve politieke dialoog, bereidheid tot compromis, duurzame samenwerking over de partijgrenzen heen en een standvastige en niet-aflatende inzet voor de tenuitvoerlegging en consolidering van de hervormingen ten aanzien van alle vijf kernprioriteiten van essentieel belang zijn om vooruitgang te boeken in het EU-toetredingsproces en om te komen tot een degelijk werkend democratisch stelsel; verwelkomt de toenemende samenwerking tussen de twee partijen, evenals de brede consensus over de partijgrenzen heen die tijdens de onderhandelingen over bepaalde belangrijke hervormingen werd bereikt; spoort alle politieke partijen aan zich verder in te spannen om een echte politieke dialoog tot stand te brengen en constructief samen te werken en zodoende het hervormingsproces te ondersteunen; wijst opnieuw op zijn sterke overtuiging dat een politieke dialoog moet plaatsvinden binnen democratische instellingen; is ernstig bezorgd over het feit dat het parlementaire proces sinds het zomerreces van 2018 door de oppositie de facto wordt geboycot;

9.

wijst erop dat de hervorming van het rechtsstelsel een belangrijke eis is van de Albanese burgers en een voorwaarde om het vertrouwen in de rechtsstaat, de overheidsinstellingen en de politieke vertegenwoordigers te herstellen; herhaalt dat de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van het gehele hervormingsproces, met name de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en de tenuitvoerlegging van eigendomsrechten, afhangen van het succes van het doorlichtingsproces en de vastberaden voortzetting van de hervorming van het rechtsstelsel;

10.

verwelkomt de vooruitgang die bij de hervorming van justitie is geboekt ten aanzien van een grotere onafhankelijkheid, aansprakelijkheid, professionaliteit en doeltreffendheid van de gerechtelijke instanties van het land, alsook een groter vertrouwen van de bevolking in de gerechtelijke instanties; betreurt dat het justitieel apparaat nog altijd langzaam en inefficiënt is; merkt op dat het re-evaluatieproces voor alle rechters en aanklagers de eerste tastbare resultaten oplevert; is tevreden met het feit dat de meeste prioritaire dossiers reeds zijn verwerkt; verzoekt de Albanese autoriteiten echter het onpartijdige doorlichtingsproces te bespoedigen, zonder de kwaliteit en rechtvaardigheid in het gedrang te brengen; beklemtoont dat het belangrijk is het doorlichtingsproces volgens de hoogste internationale normen uit te voeren en spoort Albanië aan verder nauw te blijven samenwerken met de International Monitoring Operation; neemt kennis van de eerste ontslagen en gevallen van vrijwillig vertrek van kandidaten voor de hoorzittingen; is in dit verband van mening dat de voorbereiding van de volgende generatie rechters en aanklagers zelfs nog belangrijker is en betreurt daarom dat de politieke partijen in Albanië tot dusver nog geen akkoord hebben bereikt over de nodige wijzigingen aan de wet inzake het statuut van rechters en aanklagers ten aanzien van een grotere capaciteit voor aanwerving en opleiding; dringt erop aan dat aan de doorlichtingsinstanties adequate financiële en personele middelen ter beschikking worden gesteld;

11.

verzoekt de Albanese autoriteiten de oprichting van de nieuwe gerechtelijke instanties zo spoedig mogelijk af te ronden en ervoor te zorgen dat het Grondwettelijk Hof en het Hooggerechtshof opnieuw naar behoren kunnen functioneren; onderstreept de noodzaak om de doeltreffende werking van deze instanties met voldoende personele en financiële middelen te ondersteunen;

12.

is verheugd over de gestage vorderingen bij het opzetten van een meer burgervriendelijke, transparante, professionele en gedepolitiseerde openbare administratie, inclusief op lokaal niveau; dringt aan op de volledige toepassing van de aanbevelingen van de controle-instellingen en van de Ombudsman; merkt ook op dat vooruitgang is geboekt bij de territoriale hervorming en de verdere — bestuurlijke en financiële — consolidatie van de nieuw opgerichte gemeenten, alsmede de vaststelling van de adviesraad om de coördinatie tussen centrale en lokale overheden te verbeteren; verwelkomt de oprichting van EU-desks en de aanstelling van EU-coördinatoren op plaatselijk niveau;

13.

pleit voor een verdere versterking van de administratieve capaciteit van de instellingen en organen die verantwoordelijk zijn voor de toetredingsgerelateerde hervormingen, de omzetting van EU-wetgeving in nationaal recht en de voorbereidingen voor de EU-toetredingsonderhandelingen;

14.

prijst de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt in het juridisch en institutioneel kader met het oog op de preventie en uitbanning van corruptie in de openbare instellingen, aangezien corruptie nog altijd een groot punt van zorg is; dringt aan op bijkomende inspanningen om de corruptie waarmee de Albanese burgers in hun dagelijks leven worden geconfronteerd te bestrijden, het investeringsklimaat te verbeteren en de rechtszekerheid van investeringen te garanderen; wijst er uitdrukkelijk op dat hoge ambtenaren, als zij worden aangeklaagd, geen voorkeursbehandeling mogen krijgen in vergelijking met gewone burgers; dringt er bij Albanië op aan vaker gebruik te maken van financiële onderzoeken en goede resultaten voor te leggen met betrekking tot de inbeslagname en confiscatie/terugwinning van criminele goederen uit corruptiegerelateerde misdrijven; vraagt om tastbare resultaten voor te leggen in verband met de strijd tegen drugshandel en het witwassen van geld;

15.

is verheugd over de recente aanpassingen van de anticorruptiewetgeving van Albanië; onderstreept de noodzaak om de oprichting van de nationale recherche, het speciaal tribunaal en het speciale openbaar ministerie tegen corruptie en georganiseerde misdaad af te ronden; pleit voor een verdere verbetering van de interinstitutionele samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen politie en openbaar ministerie; verwelkomt de re-evaluatie van het rechtshandhavingspersoneel in het kader van de wet inzake de doorlichting van de politiediensten;

16.

dringt erop aan dat meer aandacht wordt besteed aan politieke en publiek-private corruptie; vraagt om overtuigender resultaten van proactief onderzoek, vervolgingen en veroordelingen in de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, ook op het hoogste niveau;

17.

is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt in de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, met name de recente arrestaties van leden van de Bajri-bende, en vraagt te blijven streven naar tastbare en duurzame resultaten, onder meer op het specifieke gebied van drugsteelt en -handel, door de uitvoering van actieplannen tegen de cannabisteelt; is verheugd dat de Albanese politie zich actiever inzet in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en is ingenomen met de nauwere internationale samenwerking van de politiediensten in Albanië, onder meer in gezamenlijke werkgroepen met de lidstaten, met als resultaat effectieve acties tegen criminele netwerken; is van mening dat de samenwerking tussen politie, openbaar ministerie en andere relevante agentschappen en instanties moet worden geconsolideerd;

18.

dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan krachtig op te treden om criminele netwerken die zich bezighouden met mensenhandel of met de handel in wapens en drugs te ontmantelen, en het aantal onderzoeken en vervolgingen, maar ook het aantal uiteindelijke veroordelingen op te voeren, vooral van hooggeplaatste leden van georganiseerde misdaadbendes; wijst op de noodzaak om meer te doen op het gebied van het voorkomen van mensensmokkel, met bijzondere aandacht voor niet-begeleide kinderen en kinderen die op straat leven;

19.

herhaalt zijn oproep aan de Albanese autoriteiten om te zorgen voor de effectieve handhaving en verdere vooruitgang in de doeltreffende en transparante bescherming van eigendomsrechten en tegelijkertijd werk te maken van de registratie, restitutie en compensatie van eigendommen; vraagt de nodige vooruitgang te boeken in verband met de digitalisering en het in kaart brengen van eigendommen; verzoekt de Albanese autoriteiten burgers naar behoren te informeren over hun rechten en de mogelijkheden om die rechten te doen gelden; wijst op het belang van een doeltreffende regeling van eigendomsrechten om de rechtsstaat te waarborgen en een aantrekkelijk bedrijfsklimaat te creëren;

20.

is ingenomen met de maatregelen om de mensenrechten en rechten van minderheden beter te beschermen en het antidiscriminatiebeleid, inclusief de gelijke behandeling van alle minderheden, te versterken; is verheugd over de goedkeuring van een kaderwet inzake nationale minderheden, waarin het onderscheid tussen nationale minderheden en etnolinguïstische gemeenschappen wordt afgeschaft en het beginsel van zelfidentificatie wordt ingevoerd, alsook een verbod op discriminatie en het recht om culturen, tradities en de moedertaal te bewaren; pleit voor de volledige toepassing van de kaderwet in de praktijk en moedigt Albanië aan zich te blijven inzetten door de noodzakelijke secundaire wetgeving bij de kaderwet goed te keuren in overeenstemming met de Europese normen en alle relevante belanghebbenden bij het opstellen ervan te betrekken; dringt aan op maatregelen om het onderwijs, de gezondheid, de arbeidsparticipatie en de levensomstandigheden van Roma, Egyptenaren en andere etnische minderheden verder te verbeteren;

21.

neemt nota van de spanningen na een incident dat heeft geleid tot de dood van Konstantinos Katsifas, lid van de Griekse nationale minderheid en in het bezit van de Albanese en Griekse nationaliteit, die door de Albanese speciale politiediensten (RENEA) op 28 oktober 2018 in Bularat is doodgeschoten tijdens een herdenking van Griekse soldaten die tijdens de tweede wereldoorlog zijn gevallen; roept alle zijden op tot terughoudendheid en verwacht van de Albanese autoriteiten dat zij een onderzoek instellen ter verduidelijking van de omstandigheden die een mens het leven hebben gekost;

22.

is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt wat betreft de deelname en vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, met name dankzij de invoering van een genderquotum, en met de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in de nieuwe regering; wijst opnieuw op zijn bezorgdheid over de discriminatie van en het gebrek aan passende maatregelen voor de bescherming van vrouwen en meisjes die tot achtergestelde en gemarginaliseerde groepen behoren, zoals Roma-vrouwen (1) en vrouwen met een beperking, over de nog altijd bestaande seksistische bepalingen in een aantal wetten, de moeilijke toegang tot de rechter voor vrouwen en het percentage vrouwen op de informele arbeidsmarkt, alsook over het grote aantal gevallen van huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen, met name uit kwetsbare groepen; dringt aan op een adequate aanpak van deze problemen en prijst de goedkeuring van de resolutie over de bestrijding van op gender gebaseerd geweld en de oprichting van een parlementaire subcommissie voor gendergelijkheid;

23.

stelt met verontrusting vast dat vrouwen die in plattelands- en afgelegen gebieden wonen, alsook Roma en Egyptische vrouwen nog steeds beperkt toegang hebben tot eerstelijns- en seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en vaak niet op de hoogte zijn van het bestaan van deze diensten; verzoekt daarom de Albanese autoriteiten om de voorlichting over deze diensten te verbeteren en ervoor te zorgen dat ze toegankelijk, betaalbaar en kwaliteitsvol zijn;

24.

is ingenomen met de versterking van het wetgevingskader inzake kinderrechten dankzij de goedkeuring van de wet inzake de bescherming van de kinderrechten, het strafwetboek voor kinderen en de “Kinderagenda 2020”; wijst erop dat institutionele mechanismen ter bescherming van de kinderrechten nog altijd moeten worden verbeterd; dringt er bij de autoriteiten op aan secundaire wetgeving inzake de bescherming van kinderrechten en het jeugdrecht vast te stellen en vraagt de financiële middelen voor de kinderbescherming fors op te trekken, met name voor kinderbeschermingseenheden op lokaal en regionaal niveau;

25.

prijst het klimaat van tolerantie en samenwerking tussen de religieuze gemeenschappen in Albanië; roept de Albanese autoriteiten op om haatzaaiende taal en de uitsluiting en discriminatie van minderheden, inclusief LGBTI's, effectief te bestrijden; is ingenomen met de onlangs door vijf Albanese gemeenten vastgestelde actieplannen inzake gendergelijkheid, in overeenstemming met het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen in het lokale leven;

26.

verzoekt de Albanese autoriteiten nauwer samen te werken met de maatschappelijke organisaties en een daadwerkelijke publieke participatie en raadpleging te verzekeren doorheen het gehele besluitvormingsproces en het lopende EU-toetredingsproces, ook op nationaal en lokaal niveau, en aldus de democratie en de transparantie te versterken; wijst erop dat het noodzakelijk is de wettelijke en belastingregelingen voor maatschappelijke organisaties te hervormen en dat er overheidsfinanciering beschikbaar moet zijn voor maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van activiteiten zoals belangenbehartiging en optreden als waakhond, alsook voor kleine basisorganisaties; wijst erop dat financiële draagkracht immers voor veel van die organisaties een belangrijke uitdaging blijft omdat het huidige registratieproces wordt gekenmerkt door omslachtige procedures en hoge financiële kosten en het huidige belastingstelsel een zware financiële last betekent voor maatschappelijke organisaties en schenkingen van zowel bedrijven als van personen in de weg staat; herinnert eraan dat een mondig maatschappelijk middenveld een belangrijk onderdeel is van een levendige democratie en dat dit van strategisch belang is voor de transformatie van Albanië in een EU-lidstaat;

27.

is ingenomen met de ondertekening van het samenwerkingsakkoord tussen de Albanese regering en de Internationale Commissie voor Vermiste Personen waardoor deze in staat wordt gesteld vermiste personen uit het communistische tijdperk op te sporen en te identificeren;

28.

verzoekt de Albanese autoriteiten op beleidsgebied meer te doen voor personen met een handicap, die nog altijd moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot onderwijs, de arbeidsmarkt, gezondheidszorg en sociale diensten en bij de deelname aan het besluitvormingsproces;

29.

betreurt de vertraging bij het opzetten van het Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (RYCO) in Tirana; vraagt de autoriteiten de activiteiten van het RYCO op een flexibele manier te ondersteunen om zo veel mogelijk jongeren de kans te geven om van het werk van het Bureau te profiteren;

30.

wijst opnieuw op het cruciale belang van professionele en onafhankelijke particuliere en openbare media; merkt op dat gedeeltelijk vooruitgang is geboekt bij het versterken van de onafhankelijkheid van de Autoriteit voor audiovisuele media en de openbare omroep van het land; dringt aan op maatregelen om de financiële transparantie van staatsreclame in de media te verbeteren; dringt tevens aan op maatregelen om de sociale en arbeidsrechten van journalisten beter te beschermen;

31.

verwelkomt de oprichting van de Albanese Mediaraad en onderstreept dat deze een belangrijke rol speelt in de vaststelling van hoge ethische en beroepsnormen voor journalisten en de media, en tegelijkertijd hun onafhankelijkheid en vrijheid moet bevorderen; is ingenomen met de goedkeuring van de herziene Ethische code voor journalisten en de Ethische richtsnoeren voor onlinemedia en vraagt de beginselen daarvan te versterken teneinde het vertrouwen van het publiek te behouden en waarachtigheid, eerlijkheid, integriteit, onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht in stand te houden;

32.

dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan meer werk te maken van hervormingen die het concurrentievermogen versterken en de informele economie aanpakken; wijst erop dat corruptie, het tekortschieten van de rechtsstaat en omslachtige regelgevingsprocedures investeerders blijven afschrikken en de duurzame ontwikkeling van Albanië afremmen; vraagt het bedrijfs- en investeringsklimaat verder te verbeteren door te zorgen voor een voorspelbaar regelgevend en wetgevend kader, rechtszekerheid en de rechtsstaat, de handhaving van eigendomsrechten en strikte naleving van contracten, het krachtig streven naar consolidatie van de overheidsfinanciën en de versterking van de belastingadministratie;

33.

wijst op de noodzaak om tijdens het toetredingsproces een positieve convergentie van de sociale normen te verzekeren; is verheugd over de goedkeuring van de prioriteitenagenda van Sofia, met name de aandacht die hierin uitgaat naar sociaaleconomische ontwikkeling en jongeren; vraagt de Albanese autoriteiten de rol van publiek-private partnerschappen opnieuw te bekijken, evenals de gevolgen daarvan voor algemene hulpbronnen en voor goederen van openbaar belang zoals snelwegen, gezondheid, natuur en cultureel erfgoed in overeenstemming met de Unesco-verplichtingen; vraagt Albanië de criteria voor het verlenen van sociale bijstand bekend te maken;

34.

vreest dat de ontmanteling van het Albanese Ministerie van Sociale Welvaart na een herstructurering van de regering negatieve gevolgen kan hebben voor de beleidsvorming op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken; verzoekt de Albanese autoriteiten om de samenwerking met de vakbonden te bevorderen en de sociale dialoog te versterken; dringt aan op doeltreffende maatregelen om de hoge werkloosheid, vooral bij jongeren en vrouwen, aan te pakken en om kinderarbeid te voorkomen; vraagt om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren en te garanderen dat het onderwijs toegankelijk blijft voor de gehele bevolking;

35.

juicht toe dat de werkloosheid in Albanië volgens het Albanese instituut voor statistiek (Instat) is gedaald; beklemtoont dat de kwaliteit van het onderwijsstelsel moet worden verbeterd, met inbegrip van een grotere capaciteit om mensen meer kennis en vaardigheden aan te leren die inspelen op de behoeften van de arbeidsmarkt; onderstreept de noodzaak om groei voor de lange termijn te ondersteunen door de capaciteit voor de opname van technologieën, voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie uit te bouwen;

36.

dringt er bij de regering op aan het onderwijssysteem te moderniseren teneinde tot een inclusievere samenleving te komen, ongelijkheid en discriminatie te reduceren, en jongeren beter van vaardigheden en kennis te voorzien;

37.

verwelkomt de toezegging van Albanië over de tenuitvoerlegging van de agenda voor connectiviteit in het kader van het proces van Berlijn en de goedkeuring van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) 2018-pakket dat de heropbouw van de haven van Durrës omvat, een strategisch belangrijk infrastructuurproject dat de verbindingen tussen Albanië enerzijds en Kroatië en Italië anderzijds versterkt en dat de door land omsloten buurlanden van Albanië, Kosovo en Macedonië, toegang geeft tot zeeroutes; dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan haast te maken met de planning en aanleg van de Albanese delen van de trans-Europese netwerken en het wettelijk kader verder te harmoniseren met het EU-acquis; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen teneinde een klimaat te bevorderen dat gunstig is voor de markt en voor investeringen met het oog op een digitale economie; merkt op dat 40 % van de bevolking van Albanië in plattelandsgebieden woont, maar dat slechts 1 % hiervan een internetaansluiting heeft;

38.

wijst nogmaals op het belang van betere openbare infrastructuur in de landen van de Westelijke Balkan en in verbinding met de EU-lidstaten; beveelt de autoriteiten aan om vaart te zetten achter de uitvoering van grote infrastructuurprojecten, zoals de spoorwegverbinding en de moderne snelweg tussen Tirana en Skopje, die onderdeel zijn van Corridor VIII;

39.

uit zijn diepe bezorgdheid over bepaalde economische projecten die hebben geleid tot ernstige ecologische schade in beschermde gebieden, zoals grootschalige toeristencentra en waterkrachtcentrales langs de Vjosa- en de Valbona-rivier; geeft Albanië de aanbeveling zijn strategie in verband met hernieuwbare energie opnieuw te bekijken en de afhankelijkheid van waterkracht voor zijn energieopwekking te verminderen; vraagt de autoriteiten onderzoek te doen naar investeringen in hernieuwbare-energieprojecten uit andere bronnen dan waterkracht; dringt er bij de autoriteiten op aan om de kwaliteit van strategische milieubeoordelingen, milieueffectbeoordelingen en openbare raadplegingen voor dergelijke projecten te verbeteren, rekening houdend met de standpunten van de plaatselijke gemeenschap; dringt er bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) en de Europese Investeringsbank (EIB) op aan hun steun aan waterkrachtprojecten te herzien indien vooraf geen degelijke strategische milieubeoordelingen of milieueffectbeoordelingen zijn verricht; wijst op de noodzaak om te verzekeren dat de trans-Adriatische pijpleiding (TAP) in overeenstemming is met de sociale en milieuaspecten van het acquis; herhaalt zijn oproep aan Albanië om relevante maatregelen voor afvalbeheer uit te voeren en zich te conformeren aan het EU-acquis op het gebied van milieu;

40.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat Albanië nog steeds het Westelijke Balkanland is van waaruit het grootste aantal illegale binnenkomsten en verblijven, alsook ongegronde asielaanvragen in de lidstaten afkomstig is; vraagt om versterking van de in de voorbije maanden genomen maatregelen om het verschijnsel van ongegronde asielaanvragen in de EU en het probleem van niet-begeleide minderjarigen, alsook de dieperliggende oorzaken daarvan, doeltreffend aan te pakken; pleit voor concrete maatregelen om de werkgelegenheid, inzonderheid voor jongeren, het onderwijs, de levensomstandigheden en de gezondheid te verbeteren; vraagt de Albanese autoriteiten regelingen vast te stellen ter begeleiding van de doeltreffende re-integratie van families en kinderen bij hun terugkeer in het land;

41.

is ingenomen met de maatregelen die zijn genomen voor de overeenkomst inzake de operationele samenwerking tussen het Europees Grens- en kustwachtagentschap en Albanië, het eerste land in de regio waarmee een dergelijke overeenkomst werd gesloten, en moedigt verdere operationele samenwerking aan;

42.

verzoekt de Albanese regering zich te houden aan de bepalingen van artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, dat door de Raad van Europa is vastgesteld, en artikel 19 van het EU-Handvest van de grondrechten, en geen uitleveringen toe te staan voor politieke delicten, noch wanneer de persoon in kwestie mogelijk foltering of een onmenselijke behandeling te wachten staat in het land dat om uitlevering vraagt;

43.

looft het succesvolle optreden van Albanië bij het indammen van de uitstroom van buitenlandse strijders; is verheugd over de regionale samenwerking bij het bestrijden van mogelijke terreurdreigingen; wijst opnieuw op de noodzaak van verdere maatregelen om de geldstromen voor de financiering van het terrorisme te verstoren, de mechanismen voor preventie en monitoring te versterken door het maatschappelijk middenveld en de religieuze gemeenschappen daarbij te betrekken, en onlineradicalisering effectief aan te pakken; wijst opnieuw op de noodzaak om de re-integratieprogramma's voor teruggekeerde strijders en hun families verder te verbeteren en radicalisering in gevangenissen te voorkomen door ook de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en religieuze gemeenschappen te versterken;

44.

roept op tot meer samenwerking tussen Albanië en de EU op het gebied van cybercriminaliteit en cyberdefensie;

45.

is ingenomen met de actieve deelname van Albanië aan het proces van Berlijn, het initiatief van de zes landen van de Westelijke Balkan en andere regionale initiatieven, alsook met de bijdrage van het land tot een sterkere profilering van de Raad voor regionale samenwerking; is verheugd over de ondertekening van een Gezamenlijke verklaring inzake regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen in het kader van het proces van Berlijn; is verheugd dat Albanië een proactieve rol speelt bij het bevorderen van regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen met andere uitbreidingslanden en naburige lidstaten en onderstreept dat goede betrekkingen een essentieel onderdeel zijn van het toetredingsproces; is verheugd over de officiële start van het Fonds voor de Westelijke Balkan, dat de gemeenschappelijke waarden dient te bevorderen en de regionale samenwerking tussen burgers, maatschappelijke organisaties en instellingen in de regio van de Westelijke Balkan dient te ontwikkelen; is ingenomen met de oprichting van de gezamenlijke kamer van koophandel van Albanië en Servië in Tirana en moedigt de versterking van samenwerking op het gebied van handel en het bedrijfsleven in de regio aan; is verheugd over de voortgezette inspanningen ter verbetering van de regionale samenwerking, voornamelijk op het gebied van milieubescherming, zoals geschetst in het Trilateraal Adriatisch initiatief; wijst erop dat verklaringen en maatregelen die de goede nabuurschapsbetrekkingen negatief kunnen beïnvloeden, moeten worden vermeden;

46.

spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de Regionale Commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom); dringt er bij de Albanese regering op aan het voortouw te nemen bij de oprichting ervan; onderstreept het belang van dit proces en de actieve inzet van alle regionale politieke leiders opdat deze commissie haar werkzaamheden zonder verdere vertraging kan aanvatten; vraagt aandacht voor het voorstel van de Coalitie van Recom voor een actieplan met duidelijke datums en benchmarks;

47.

heeft hoge lof voor het feit dat Albanië zich volledig blijft richten naar de EU-standpunten en verklaringen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; verzoekt Albanië zich aan te passen aan het gemeenschappelijk standpunt van de EU over de integriteit van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en de bilaterale immuniteitsovereenkomst met de Verenigde Staten op te zeggen; looft de actieve deelname van Albanië aan militaire crisisbeheersingsmissies in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de bijdrage van het land aan NAVO-missies die van strategisch belang zijn voor de EU;

48.

verzoekt de Albanese autoriteiten de EU-middelen zo doeltreffend mogelijk te benutten in alle regio's van het land; verzoekt de Commissie de hand te houden aan de strikte voorwaarden voor steun uit het IPA en om in het kader van de landverslagen de doeltreffendheid van de IPA-steun aan Albanië te beoordelen, met name ten aanzien van de kernprioriteiten en de desbetreffende projecten;

49.

neemt nota van de constructieve sfeer op de twaalfde bijeenkomst van het SAPC EU-Albanië, die op 12-13 februari 2018 werd gehouden in Tirana; merkt op dat de samenwerking tussen de vertegenwoordigers van de meerderheid en de oppositie in het SAPC is verbeterd; onderstreept dat het belangrijk is om bij de hervormingen op weg naar toetreding tot de EU te blijven samenwerken over de partijgrenzen heen;

50.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Albanië.

(1)  Het woord “Roma” wordt gebruikt als overkoepelende term voor verschillende verwante, al dan niet sedentaire bevolkingsgroepen, zoals Roma, Ashkali, Egyptenaren enz., die niet noodzakelijk dezelfde cultuur en levensstijl hebben.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/155


P8_TA(2018)0482

Verslag 2018 over Montenegro

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag 2018 van de Commissie over Montenegro (2018/2144(INI))

(2020/C 363/22)

Het Europees Parlement,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Montenegro, die van kracht is sinds 1 mei 2010,

gezien de verklaring van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

gezien de negende zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Montenegro, die op 25 juni 2018 heeft plaatsgehad,

gezien de toetreding van Montenegro tot de NAVO op 5 juni 2017,

gezien de ratificatie van de overeenkomst inzake grensafbakening tussen Kosovo en Montenegro door de parlementen van Montenegro en Kosovo,

gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” (COM(2018)0065),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 over het EU-uitbreidingsbeleid 2018 (COM(2018)0450) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Montenegro 2018 Report” (SWD(2018)0150),

gezien de beoordeling door de Commissie van 17 april 2018 van het economische hervormingsprogramma van Montenegro voor de periode 2018-2020 (SWD(2018)0131) en de op 25 mei 2018 aangenomen gezamenlijke conclusies van de Raad over de economische en financiële dialoog tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan,

gezien de verslagen van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) en de verklaring van de verkiezingswaarnemingsdelegatie van het Europees Parlement, over de presidentsverkiezingen van 15 april 2018,

gezien de verklaring en de aanbevelingen van de vijftiende bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-Montenegro, die op 16-17 juli 2018 werd gehouden in Podgorica,

gezien het resultaat van het in 2017 door de Commissie, de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties verrichte onderzoek naar gemarginaliseerde Roma in de Westelijke Balkan,

gezien het proces van Berlijn dat is gestart op 28 augustus 2014,

gezien zijn eerdere resoluties over Montenegro,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0339/2018),

A.

overwegende dat elk uitbreidingsland afzonderlijk wordt beoordeeld op zijn eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

B.

overwegende dat Montenegro momenteel het verst staat in de onderhandelingsprocedure: het heeft 31 van de 35 hoofdstukken van het acquis communautaire van de EU geopend en drie hoofdstukken voorlopig afgesloten;

C.

overwegende dat een constructieve dialoog tussen interne politieke krachten en met buurlanden over hervormingen van vitaal belang is voor verdere vooruitgang in het toetredingsproces;

D.

overwegende dat Montenegro zich blijft inzetten voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie en resultaten blijft boeken bij de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

E.

overwegende dat Montenegro pretoetredingssteun ontvangt in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II);

F.

overwegende dat Montenegro onder meer de parlementaire, wetgevende en toezichtscapaciteit verder moet versterken, evenals de transparantie van de instellingen, de eerbiediging van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de interne vervolging van oorlogsmisdrijven, de integriteit van het verkiezingsproces, de mediavrijheid, en de strijd tegen corruptie, georganiseerde misdaad en de informele economie;

1.

is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van Montenegro voor het EU-integratieproces en zijn blijvende goede vooruitgang in het algemeen, op basis van het brede draagvlak voor deze strategische beslissing;

2.

benadrukt dat de tenuitvoerlegging en toepassing van hervormingen een belangrijke aanwijzing voor een succesvolle integratie blijft; vraagt Montenegro de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren, en dringt erop aan dat de tussentijdse ijkpunten voor de hoofdstukken 23 en 24 tijdig ten uitvoer worden gelegd;

3.

verwelkomt de verklaring van de Commissie, zoals geformuleerd in haar mededeling van 6 februari 2018 over de strategie voor de Westelijke Balkan, dat Montenegro met een sterke politieke wil, de verwezenlijking van reële en duurzame hervormingen en definitieve oplossingen voor geschillen met buurlanden, tegen 2025 potentieel klaar kan zijn voor lidmaatschap;

4.

verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) in voldoende middelen wordt voorzien voor de mogelijke toetreding van Montenegro tot de Europese Unie, zoals aangegeven in de strategie voor de Westelijke Balkan;

Democratisering

5.

herinnert alle politieke partijen eraan dat een constructieve politieke inzet afhankelijk is van een volledig functionerend parlement waarin alle politici hun verantwoordelijkheid tegenover de kiezers nemen door hun zetels in het parlement op te nemen; is ingenomen met het feit dat de meeste oppositiepartijen zijn teruggekeerd naar het parlement na een langdurige parlementaire boycot; dringt er bij alle politieke partijen op aan terug te keren naar het parlement en meer gecoördineerde inspanningen te leveren om een echte politieke dialoog tot stand te brengen, teneinde te verzekeren dat het parlement over de middelen beschikt om zijn rol als wetgever en toezichthouder ten volle te vervullen, en zodoende een functioneel democratisch proces te herstellen;

6.

dringt aan op de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake de participatie van vrouwen en minderheden, met name de Romagemeenschap (1), aan het openbare en politieke leven, onder meer door een zinvolle deelname van vrouwen uit minderheidsgroepen aan het besluitvormingsproces en hun aanwerving in het openbaar ambt en andere overheidsinstanties;

7.

verzoekt de politieke leiders van Montenegro zich te richten op de resterende uitdagingen bij de aanpak van problemen in verband met de rechtsstaat, mediavrijheid, corruptie, witwassen van geld, georganiseerde misdaad en geweld en hiervan een prioriteit te maken;

8.

stelt vast dat bij de presidentsverkiezingen van april 2018 de fundamentele vrijheden zijn geëerbiedigd; verzoekt de regering samen te werken met de oppositiepartijen en het maatschappelijk middenveld om de door OVSE/ODIHR vastgestelde tekortkomingen grondig aan te pakken en de prioritaire aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van het ODIHR ten uitvoer te leggen door de hangende nationale wetgeving aan te nemen, en de transparantie en professionalisering van de verkiezingsadministratie te versterken, teneinde het vertrouwen van de bevolking in de kiesprocedure te vergroten; vraagt om simultaan in het hele land plaatselijke verkiezingen te houden en om de kwaliteit en transparantie van de verkiezingen te verbeteren; dringt erop aan dat de bepalingen over de transparantie van partijfinanciering worden versterkt;

9.

vraagt om een volledig onderzoek naar alle vermeende onregelmatigheden bij de verkiezingen; dringt opnieuw aan op een zorgvuldige follow-up van de “audio-recording-affaire” 2012; verzoekt het agentschap voor corruptiebestrijding om voor meer toezicht te zorgen op de mogelijk onjuiste aanwending van openbare middelen om partijkassen aan te vullen;

10.

geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het besluit van het Montenegrijnse parlement om Vanja Ćalović Marković te ontslaan als lid van het agentschap voor corruptiebestrijding; dringt aan op volledige transparantie bij de behandeling van deze zaak;

Rechtsstaat

11.

wijst op de belangrijke rol van de auditautoriteit, het agentschap voor corruptiebestrijding, de controlecommissie overheidsopdrachten, de mededingingsautoriteit en de autoriteit inzake staatssteun om georganiseerde misdaad en corruptie te bestrijden; is ingenomen met de voortgezette hervormingen ter verbetering van de capaciteit en de onafhankelijkheid van deze instellingen, maar wijst op de noodzaak van een verbeterde efficiëntie, betere resultaten, inspanningen voor de preventie van corruptie, onder meer door passende sancties, en opheffing van de resterende belemmeringen om de volledige onafhankelijkheid van deze instellingen te bereiken;

12.

merkt op dat vooruitgang is geboekt met betrekking tot de bevoegdheid van het agentschap voor corruptiebestrijding om onderzoek te voeren naar campagnefinanciering; onderstreept evenwel dat het vertrouwen in en de reputatie van het agentschap verbeterd moeten worden, hetgeen kan worden bereikt door de werkzaamheden van het agentschap aan politieke invloed te onttrekken;

13.

is verheugd over de geleverde inspanningen om de transparantie van de openbare administratie en het delen van informatie te verbeteren, maar pleit ervoor om een meer burgervriendelijke, professionele en gedepolitiseerde openbare administratie op te zetten; looft het efficiëntere optreden van de Ombudsman; vraagt om betere effectbeoordelingen, uitgebreide auditverslagen en inclusieve openbare raadplegingen over wetsvoorstellen; wijst op het belang van samenwerking met maatschappelijke organisaties en van open toegang tot informatie om corruptie doeltreffend te kunnen bestrijden, en moedigt een herziening van de in mei 2017 doorgevoerde wetswijzigingen aan; pleit voor een beter gebruik van financiële middelen en menselijk kapitaal in het openbaar bestuur;

14.

is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die Montenegro heeft geboekt op het gebied van e-governance en e-participatie, waardoor het land volgens het VN-onderzoek inzake elektronisch bestuur van 2016 momenteel tot de 25 best presterende landen behoort; verzoekt de Montenegrijnse regering om het tempo van deze hervormingen aan te houden om de doeltreffendheid en toegankelijkheid van het openbaar bestuur verder te verbeteren;

15.

verwelkomt de matige vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de grotere onafhankelijkheid, transparantie, aansprakelijkheid, professionaliteit en doeltreffendheid van de gerechtelijke instanties; dringt aan op waarborgen tegen politieke inmenging en op een coherente toepassing van de gedragscodes en disciplinaire maatregelen; is ingenomen met het feit dat voor de eerste keer nieuwe rechters en openbaar aanklagers zijn benoemd met het nieuwe aanwervingssysteem;

16.

wijst op de noodzaak om vorderingen te maken met betrekking tot de gerechtelijke procedure over de vermeende couppoging van oktober 2016 door volledige justitiële samenwerking met derde landen te verzekeren; is ingenomen met het besluit om het proces openbaar uit te zenden, in het belang van de transparantie;

17.

verwelkomt de aanpassing van de wet op de Raad van Justitie die op 29 juni 2018 is goedgekeurd, waardoor de Raad van Justitie normaal kan blijven functioneren; merkt op dat de aangenomen wijzigingen in overeenstemming zijn met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; wijst erop dat deze wijzigingen met betrekking tot de verkiezing van lekenmagistraten in de Raad slechts een tijdelijke oplossing zijn; dringt er bij de recent gevormde ad-hocwerkgroep van het Parlement op aan spoedig een oplossing voor deze kwestie te vinden;

18.

is bezorgd over de toename van gevallen van geweld en moorden in verband met georganiseerde misdaad, wat een nadelig effect heeft op het dagelijks leven van de gewone burger; verneemt met instemming dat de autoriteiten zich bewust zijn van dit probleem, maar roept op tot krachtigere preventieve maatregelen, inclusief het gebruik van verbeurdverklaring zonder veroordeling; looft het onderzoek, de vervolging en de veroordelingen met betrekking tot corruptie op hoog niveau; wijst er echter op dat deze resultaten nog beter moeten, vooral met betrekking tot witwassing en mensenhandel;

19.

dringt aan op vooruitgang bij het voorkomen van belangenconflicten en ongeoorloofde verrijking van ambtenaren, ook op gemeentelijk niveau; dringt er bij de autoriteiten op aan de confiscatie van criminele vermogensbestanddelen te intensiveren, ter bevordering van onderzoek naar niet-verantwoorde vermogens en andere stappen die leiden tot de ontmanteling van criminele bendes en het verbreken van de banden tussen de georganiseerde criminaliteit, het bedrijfsleven en de politiek; stelt tegelijkertijd de praktijk aan de kaak waarbij lichtere sancties worden opgelegd dan het wettelijke minimum, aangezien dit contraproductief is in de strijd tegen corruptiemisdrijven;

20.

herinnert eraan dat Montenegro bijkomende inspanningen moet leveren om ervoor te zorgen dat het recht op eigendom daadwerkelijk wordt beschermd, in overeenstemming met het EU-acquis en de internationale mensenrechtennormen; vraagt de overheidsinstanties om bij de uitvoering van het bestaande nationale rechtskader binnen een redelijke termijn in eerlijke procedures te voorzien, ook op het gebied van eigendomsrechten en teruggave van eigendom; merkt op dat een deugdelijke, niet-discriminerende en stabiele regeling van eigendomsrechten een noodzakelijke voorwaarde is om het vertrouwen van burgers, ondernemingen en buitenlandse investeerders te verzekeren;

Grensbeheer en migratie

21.

merkt op dat Montenegro tot nu toe bewezen heeft in staat te zijn om asielaanvragen te behandelen, maar wijst erop dat verdere vooruitgang nodig is; moedigt Montenegro aan om nauwer samen te werken met het Europees Grens- en kustwachtagentschap om het grensbeheer te verbeteren in overeenstemming met de Europese normen, irreguliere migratie aan te pakken en netwerken voor migrantensmokkel te verstoren; dringt aan op grotere inspanningen en grensoverschrijdende samenwerking om georganiseerde criminele netwerken in verband met mensenhandel, drugs- en tabaksmokkel te voorkomen en ontmantelen; wijst erop dat er grote problemen blijven bestaan met de illegale handel in tabaksproducten in Montenegro, met name in de vrijhandelszones; verzoekt de Commissie Montenegro verder te helpen bij het controleren van de vrijhandelszones en het bestrijden van de illegale handel;

22.

betreurt het gebrek aan vooruitgang bij het aanpakken van mensenhandel en dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de preventie van georganiseerde gedwongen prostitutie en kinderbedelarij; onderstreept dat extra inspanningen nodig zijn ten aanzien van de identificatie van slachtoffers en hun toegang tot maatregelen voor bijstand, schadeloosstelling en bescherming; verzoekt Montenegro doeltreffende bescherming te bieden aan de slachtoffers van mensenhandel, en in het bijzonder aandacht te schenken aan het herstel van minderjarige slachtoffers van mensenhandel en aan Romameisjes en -vrouwen, wegens de kwetsbare omstandigheden waarin zij zich bevinden als gevolg van armoede en marginalisering;

Media

23.

is in toenemende mate bezorgd over de stand van zaken wat betreft de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, waarover in drie opeenvolgende verslagen van de Commissie “geen vooruitgang” werd gemeld; herinnert eraan dat het desbetreffende hoofdstuk 23 werd geopend in december 2013 en dat de vooruitgang in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 24 het algehele tempo van de onderhandelingen bepalen; veroordeelt met klem de intimidatie, lastercampagnes en verbale en fysieke aanvallen aan het adres van journalisten; merkt op dat er in 2017 zeven gerapporteerde gevallen van aanvallen op journalisten waren; dringt er bij de regering op aan journalisten daadwerkelijk te beschermen; vraagt verdere stappen te zetten om de onafhankelijkheid van de media en van journalisten te verzekeren, en moedigt aan systematisch gegevens te verzamelen over bedreigingen van journalisten; merkt op dat de EU-delegatie in Montenegro de situatie nauwlettend volgt;

24.

is met name bezorgd over de aanslag op Olivera Lakić, journaliste bij Vijesti, op 8 mei 2018, en roept op de zaak grondig te onderzoeken; vindt het onaanvaardbaar dat er geen vooruitgang is geboekt in het onderzoek naar oude zaken van geweld tegen journalisten; verzoekt de autoriteiten alle aanvallen op journalisten krachtig te veroordelen en maatregelen in te voeren om journalisten te beschermen en straffeloosheid uit te bannen;

25.

betreurt de aanhoudende financiële en redactionele druk op de openbare omroep van Montenegro (RTCG) en op het agentschap voor digitale media; dringt erop aan dat waarborgen tegen ongeoorloofde politieke en zakelijke invloeden ingevoerd worden en dat volledige transparantie met betrekking tot staatsreclame in de media wordt verzekerd; herhaalt dat RTCG en alle andere media moeten worden beschermd tegen ongewenste politieke invloeden; dringt er bij de overheidsinstanties op aan te voorzien in voldoende middelen voor zowel de mediatoezichthouders als de openbare omroep om de financiële autonomie en onafhankelijkheid van de RTCG en het agentschap voor digitale media te waarborgen, omdat deze cruciaal zijn voor een degelijk mediaklimaat tijdens verkiezingscampagnes; betreurt de gewijzigde samenstelling van de raad van bestuur van RTCG en het ontslag van de directeur-generaal van RTCG, mevrouw Andrijana Kadija; meent dat ontslag slechts in beperkte omstandigheden mag worden toegestaan;

26.

waarschuwt ervoor dat een gebrek aan financiële autonomie van de media de politieke afhankelijkheid en polarisatie in de hand werkt; meent dat een transparante en niet-discriminerende toewijzing van middelen voor staatsreclame nodig is en verzoekt de autoriteiten alternatieve vormen van indirecte steun te overwegen om de onafhankelijkheid van de media te bevorderen;

27.

benadrukt de rol van het agentschap voor digitale media en van efficiënte zelfregulering om de hoogste ethische normen in de Montenegrijnse media te waarborgen en het aantal gevallen van smaad terug te dringen; merkt op dat de precaire situatie van journalisten de kwaliteit en het professionalisme van de media ondermijnt;

Maatschappelijke organisaties en mensenrechten

28.

onderstreept de cruciale rol van maatschappelijke organisaties bij de verbetering van de werking van overheidsinstellingen en bij de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad; veroordeelt met klem de recente intimidatie- en onaanvaardbare lastercampagnes tegen maatschappelijke organisaties die zich kritisch uitlieten over de trage algemene vooruitgang of zelfs de afwezigheid van vooruitgang, in cruciale domeinen van de rechtsstaat;

29.

vraagt dat aandachtiger te werk wordt gegaan bij het opstellen en ten uitvoer leggen van wetgeving op gebieden die van invloed zijn op de armslag van het maatschappelijk middenveld, teneinde ervoor te zorgen dat die wetgeving maatschappelijke organisaties geen onevenredige lasten oplegt, dat zij hen niet discrimineert en dat zij de manoeuvreerruimte voor het maatschappelijk middenveld niet beperkt; benadrukt dat openbare financiering beschikbaar moet worden gemaakt voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich bezighouden met de mensenrechten, democratie en rechtsstaat, waaronder waakhond-, belangen- en kleine basisorganisaties; meent dat maatschappelijke organisaties het recht moeten hebben om financiering te ontvangen van andere donoren, bijvoorbeeld particulieren en internationale organisaties, organen of agentschappen;

30.

neemt kennis van de wetswijziging inzake ngo's, die erop gericht is de publieke financiering ervan te verbeteren, en pleit ervoor om zo spoedig mogelijk de nodige afgeleide wetgeving vast te stellen; herhaalt zijn oproep voor systematisch, inclusief, tijdig en echt overleg met maatschappelijke organisaties en het grote publiek over belangrijke hervormingen van EU-gerelateerde wetgeving, met inbegrip van hun tenuitvoerlegging op lokaal niveau, om de besluitvorming democratischer en transparanter te maken; beveelt aan de financiële regelgeving voor maatschappelijke organisaties te verbeteren door meer middelen uit te trekken en duidelijke regels vast te stellen met betrekking tot de overheidsmechanismen voor de raadpleging van maatschappelijke organisaties;

31.

is verheugd over de lopende aanpassing van de wetgeving op het gebied van de grondrechten; dringt erop aan dat het institutionele kader dat een doeltreffende bescherming van de rechten mogelijk maakt, wordt versterkt, ook in het geval van mishandeling door wetshandhavingsinstanties, intimidatie en fysiek geweld; vraagt dat de wet over de godsdienstvrijheid wordt gemoderniseerd;

32.

is opgezet met de inspanningen tot dusver voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul, maar dringt aan op de verbetering van de handhavings- en monitoringsmechanismen voor mensenrechtenbescherming, onder meer door geweld tegen vrouwen en kinderen tegen te gaan; dringt bijgevolg aan op de effectieve uitvoering van het grondrechtenbeleid, met name inzake gendergelijkheid, het recht op sociale inclusie van personen met een beperking, kinderrechten en rechten van de Romagemeenschap, door te zorgen voor passende begrotingstoewijzingen en middelen om het beleid uit te voeren en de capaciteit van de bevoegde instanties uit te breiden; verzoekt de autoriteiten de noodzakelijke maatregelen te nemen om gedwongen kinderhuwelijken te voorkomen;

33.

dringt erop aan dat Montenegro de volledige en spoedige tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake gendergelijkheid en non-discriminatie verzekert en toezicht houdt op de gevolgen van dit beleid voor vrouwen uit achtergestelde en gemarginaliseerde maatschappelijke groepen; roept Montenegro op de onbelemmerde toegang van alle vrouwen tot justitie te verzekeren en te voorzien in gratis juridische bijstand voor vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, met bijzondere aandacht voor Romavrouwen, vrouwen met een beperking en vrouwen die leven in landelijke en afgelegen gebieden; vraagt Montenegro de rol en capaciteit van de bevoegde instanties te versterken, zodat zij beter uitgerust zijn met het oog op de bescherming en rehabilitatie van slachtoffers, en om proactief samen te werken met mannen om geen geweld tegen vrouwen te plegen; dringt er bij Montenegro op aan het aantal en de capaciteit van zijn door de overheid beheerde opvangcentra te vergroten;

34.

roept de Montenegrijnse autoriteiten op om het klimaat van maatschappelijke inclusie en tolerantie te verbeteren en effectieve maatregelen tegen haatuitingen, sociale exclusie en de discriminatie van minderheden te nemen; merkt op dat Montenegro het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap nog steeds niet volledig naleeft; moedigt de bevoegde autoriteiten ertoe aan zich meer in te zetten voor de bescherming van de rechten van LGBTI-personen; blijft bezorgd over de moeilijke situatie ten aanzien van de aanvaarding van seksuele diversiteit in de Montenegrijnse samenleving; uit zijn bezorgdheid over de discriminatie van vrouwen en meisjes in de Romagemeenschap, en het feit dat gemarginaliseerde leden van de Romagemeenschap slechts beperkte toegang hebben tot mogelijkheden in elk aspect van menselijke ontwikkeling, zoals bleek uit een onderzoek naar deze kwestie in 2017; benadrukt dat de kmo-sector moet worden versterkt, en dat ondersteuning moet worden geboden door middel van betere wetgeving en de tenuitvoerlegging van een industriebeleid;

35.

stelt vast dat er voortdurend vooruitgang wordt geboekt bij het verbeteren van de situatie van minderheden; pleit voor eerbiediging van de multi-etnische identiteit van de Baai van Kotor en voor extra inspanningen om die identiteit te beschermen;

36.

verzoekt Montenegro met klem publieke bewustmakingscampagnes te organiseren om discriminatie en geweld tegen LGBTI-personen te bestrijden en eerlijk onderzoek en vervolging van misdrijven tegen LGBTI te verzekeren;

37.

verzoekt Montenegro met klem publieke bewustmakingscampagnes te organiseren om de melding van huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes aan te moedigen, het aantal goed opgeleide en genderbewuste rechters uit te breiden, gedegen onderzoek en vervolging van misdrijven te verzekeren, en juridische en psychologische bijstand en re-integratiediensten te bieden aan slachtoffers;

Economie, sociaal beleid, werkgelegenheid en onderwijs

38.

is ingenomen met de vooruitgang die Montenegro heeft geboekt bij het waarborgen van macro-economische stabiliteit en begrotingsconsolidatie, en dringt aan op begrotingstransparantie en een goed werkgelegenheids- en ondernemingsklimaat; wijst erop dat corruptie, de informele economie, het tekortschieten van de rechtsstaat en omslachtige regelgevingsprocedures investeerders blijven afschrikken en groei bemoeilijken; wijst erop dat het Europees sociaal model berust op dialoog met alle economische spelers, met inbegrip van de vakbonden;

39.

dringt erop aan dat alle mogelijkheden van digitale instrumenten op het gebied van het kadaster, facturering en het afgeven van bouwvergunningen worden gebruikt; wijst op de noodzaak om vaart te zetten achter de uitrol van breedbandtoegang voor bedrijven en huishoudens; onderstreept de noodzaak van een regeringsbreed interoperabiliteitskader om de verdere digitalisering en vereenvoudiging van administratieve en bedrijfsprocedures te ondersteunen; toont zich verheugd over de ontwikkeling van een systeem voor elektronische online-registratie van bedrijven;

40.

is ingenomen met de wijzigingen in de onderwijsregelgeving en de inspanningen om de participatie aan voorschools onderwijs, ook door kinderen uit kansarme milieus, te verbeteren; wijst op het belang van een geïntegreerd beleid voor de ontwikkeling van jonge kinderen; dringt er bij de autoriteiten op aan de hoge langdurige werkloosheid onder jongeren en vrouwen aan te pakken, mede door gendereffectbeoordelingen uit te voeren waar passend; neemt kennis van de voorbereiding van een witboek ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, in samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie; onderstreept de noodzaak van actieve arbeidsmarktmaatregelen, in het bijzonder ten behoeve van vrouwen die getroffen zijn door de intrekking van sociale voordelen;

41.

wijst erop dat daadwerkelijk en systematisch overleg moet worden gepleegd met de sociale partners over werkgelegenheidskwesties en sociale zaken; onderstreept de noodzaak om de capaciteiten van de Sociale Raad uit te breiden; is verheugd dat er regelingen zijn vastgesteld op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk maar is bezorgd over de talrijke dodelijke ongevallen op de werkvloer en het beperkte aantal arbeidsinspecteurs;

42.

is ingenomen met de verbeterde deelname van Montenegro aan het programma Erasmus+ en spreekt zijn steun uit voor het voorstel van de Commissie om de begroting van Erasmus+ te verdubbelen; pleit voor een betere coördinatie van horizontale kwesties in verband met jeugdwerkloosheid, inclusie, actief burgerschap, vrijwilligerswerk en onderwijs;

Milieu, energie en vervoer

43.

stelt met tevredenheid vast dat Montenegro volgens artikel 1 van de grondwet een milieuvriendelijke staat is; is verheugd dat de onderhandelingen met Montenegro over hoofdstuk 27 van het acquis mogelijk dit jaar worden geopend; verzoekt de autoriteiten de meest waardevolle gebieden, met name de biodiversiteit, beter te beschermen en beoordelingen te verrichten van bouwprojecten voor hotels en waterkrachtcentrales;

44.

merkt op dat de ontwikkeling van extra waterkracht en toeristische capaciteit, met name in beschermde gebieden, moet voldoen aan de milieunormen van de EU; spreekt zijn bezorgdheid uit over de niet-duurzame ontwikkeling van waterkracht, aangezien een groot deel van de 80 waterkrachtcentrales niet gepland is overeenkomstig internationale verdragen of EU-wetgeving, niettegenstaande de vereisten krachtens hoofdstuk 27; dringt aan op de verdere benutting van potentiële hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntiemaatregelen en de verbetering van water- en afvalbeheer; is verheugd dat de Montenegrijnse wet van 2016 betreffende het grensoverschrijdende vervoer van elektriciteit en aardgas in overeenstemming is met het derde energiepakket; looft Montenegro voor de vorderingen die zijn gemaakt wat betreft de aanpassing van de wetgeving inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, maar dringt er bij de Montenegrijnse autoriteiten op aan de nationale wetgeving volledig in overeenstemming te brengen met de richtlijn hernieuwbare energie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen;

45.

verzoekt de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en de Europese Investeringsbank (EIB) met klem om hun steun aan projecten voor waterkrachtcentrales te herzien en de financiering van alle projecten in beschermde gebieden, alsook projecten waarvoor geen gedegen voorafgaande milieueffectbeoordeling is verricht, stop te zetten;

46.

onderstreept dat het publiek tijdig en correct over de gevolgen van de aanleg van de snelweg voor de rivier de Tara moet worden geïnformeerd en dat een einde moet worden gemaakt aan het afvalstorten en de verlegging van de rivierbedding, in overeenstemming met de toezegging van Montenegro om gebieden die krachtens nationale en internationale wetgeving beschermd zijn, in stand te houden;

47.

geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het ruimtelijk plan voor speciale doeleinden voor het nationaal park van het Meer van Shkodër; benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen grootschalige waterkrachtprojecten meer worden uitgevoerd langs de rivier de Morača, aangezien dergelijke projecten aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor het Meer van Shkodër en de rivier de Tara, die allebei krachtens internationale en nationale wetgeving beschermd zijn;

48.

is ingenomen met de positieve ontwikkelingen in de verdere aanpassing van de nationale wetgeving inzake milieu en klimaatverandering van Montenegro aan het acquis; verzoekt de Montenegrijnse regering om de site van Ulcinj Salina zowel op nationaal als op internationaal niveau te beschermen, in overeenstemming met de aanbevelingen die zijn geformuleerd in de door de EU gefinancierde studie over de bescherming van Ulcinj Salina; onderstreept dat het dringend noodzakelijk is Ulcinj Salina op te nemen in het Natura 2000-netwerk; dringt aan op de identificatie en inrichting van beschermde mariene gebieden;

49.

wijst op de proactieve participatie en de constructieve rol van Montenegro in de regionale en internationale samenwerking, via het proces van Berlijn en het initiatief van de zes landen van de Westelijke Balkan; is verheugd over het resultaat van de in 2018 in Sofia gehouden top tussen de EU en de Westelijke Balkan, en de goedkeuring van het IPA-pakket 2018, dat financiering omvat voor twee belangrijke infrastructuurprojecten: de ringweg rond Budva in de Adriatisch-Ionische corridor en de spoorwegverbinding Vrbnica-Bar in de corridor Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee; onderstreept het belang van verkeersroutes die een directe link vormen tussen de markten van de Balkanlanden en de EU;

50.

toont zich verheugd over het voornemen van Montenegro om de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (EU-ETS) tijdens de komende drie jaar in te voeren en afgeleide wetgeving vast te stellen inzake het brandstofverbruik en de uitstoot van nieuwe voertuigen; wijst op het belang om aspecten van de EU-ETS, de verordening inzake de verdeling van de inspanningen en het toezicht- en verslagleggingsmechanisme op te nemen in de Montenegrijnse nationale wetgeving;

51.

is verheugd over de voortgezette inspanningen ter verbetering van de regionale samenwerking, voornamelijk op het gebied van milieubescherming, zoals geschetst in het Trilateraal Adriatisch initiatief;

Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap

52.

is ingenomen met de langdurige inspanningen van Montenegro voor constructieve regionale samenwerking en goede bilaterale betrekkingen met de buurlanden; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen;

53.

verneemt met instemming dat de overeenkomst inzake grensafbakening tussen Montenegro en Kosovo is geratificeerd; dringt aan op de snelle sluiting van overeenkomsten om onopgeloste grensgeschillen met andere buurlanden op te lossen;

54.

verneemt met instemming dat Montenegro en Albanië een gemeenschappelijke verklaring hebben ondertekend en twaalf overeenkomsten hebben gesloten betreffende wederzijdse bijstand op verschillende gebieden; beschouwt dit als een voorbeeld van positieve samenwerking in de regio;

55.

spoort Montenegro aan tot het opvoeren van zijn inspanningen om oorlogsmisdrijven proactief tot een prioriteit te maken en te bestraffen en het lot van vermiste personen te verduidelijken; is ingenomen met de inspanningen voor de re-integratie van ontheemde personen in het kader van het regionale huisvestingsprogramma; benadrukt dat het openbaar ministerie weliswaar vier documenten heeft aangenomen over een strategie voor het onderzoek naar oorlogsmisdaden, maar geen nieuwe onderzoeken heeft ingesteld, geen nieuwe rechtszaken heeft aangespannen of nieuwe aanklachten heeft ingediend; is bezorgd over het feit dat de speciale openbaar aanklager in 2016 acht nieuwe zaken aanhangig heeft gemaakt, waarvan er zes nog steeds in het stadium van vooronderzoek verkeren; spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië (Recom); benadrukt het belang van dit proces en van de actieve inzet van alle regionale politieke leiders; is ingenomen met de publieke steun van de premier voor Recom;

56.

prijst het feit dat Montenegro zich ook het afgelopen jaar volledig is blijven richten naar de EU-standpunten en verklaringen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en verwelkomt de actieve participatie van het land in missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); waardeert de wijze waarop Montenegro zijn buitenlands beleid voert; verzoekt Montenegro zich aan te passen aan het gemeenschappelijk standpunt van de EU over de integriteit van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en aan de leidende beginselen inzake bilaterale immuniteitsovereenkomsten;

57.

roept op tot meer samenwerking tussen Montenegro en de EU op het gebied van cybercriminaliteit en cyberdefensie;

58.

herinnert aan het strategisch belang van de toetreding van Montenegro tot de NAVO voor het waarborgen van stabiliteit en vrede in de Westelijke Balkan;

o

o o

59.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Montenegro.

(1)  Het woord “Roma” wordt gebruikt als overkoepelende term voor verschillende verwante, al dan niet sedentaire bevolkingsgroepen; niet enkel de Romagemeenschap, maar ook Ashkali, Egyptenaren enz., die niet noodzakelijk dezelfde cultuur en levensstijl hebben.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/164


P8_TA(2018)0484

De situatie van vrouwen met een handicap

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap (2018/2685(RSP))

(2020/C 363/23)

Het Europees Parlement,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en de inwerkingtreding van dit verdrag op 21 januari 2011 volgens Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (1), en met name artikel 6 inzake vrouwen en meisjes met een handicap,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW, 1979) en het daarbij behorende facultatieve protocol (1999),

gezien het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden (2),

gezien de artikelen 10, 19 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (3),

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426) en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 hierover (4),

gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie getiteld “Discrimination Generated by the Intersection of Gender and Disability”,

gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) getiteld “Poverty, gender and intersecting inequalities in the EU”, met bijzondere nadruk op hoofdstuk 8 daarvan over “Gender and disability”,

gezien de gendergelijkheidsindex 2017 van het EIGE,

gezien de vraag aan de Commissie over de bescherming van migrerende kinderen (O-000117/2018 — B8-0418/2018),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in de EU ongeveer 80 miljoen mensen met een handicap leven; overwegende dat een op vier Europeanen een familielid met een handicap heeft; overwegende dat er in de EU ongeveer 46 miljoen vrouwen en meisjes met een handicap leven, wat ongeveer 16 % van de totale vrouwelijke bevolking en 60 % van alle personen met een handicap is;

B.

overwegende dat de term “handicap” verwijst naar een grote verscheidenheid aan tijdelijke, kortdurende of langdurende persoonlijke situaties, met inbegrip van geestelijke gezondheidskwesties, waarvoor op maat gesneden beleidsreacties vereist zijn;

C.

overwegende dat meer mensen later in het leven een handicap krijgen als gevolg van de veranderende demografie en de vergrijzing;

D.

overwegende dat personen met een handicap dagelijks fundamentele rechten worden ontzegd als gevolg van aanhoudende moeilijkheden in verband met de toegang tot een betaalde baan en de daaraan gekoppelde rechten, zowel bij de overheid als in de particuliere sector; overwegende dat de beroepsopleidingen voor personen met een handicap niet beantwoorden aan wat nodig is en wat verwezenlijkt zou kunnen worden om de verwerving van de kennis, vaardigheden en competenties die noodzakelijk zijn voor inclusie in het beroepsleven mogelijk te maken;

E.

overwegende dat slechts 18,8 % van de vrouwen met een handicap in de EU een baan heeft; overwegende dat 45 % van de vrouwen met een handicap in de werkende leeftijd (20-64 jaar) niet actief is op de arbeidsmarkt, terwijl datzelfde cijfer voor mannen 35 % bedraagt;

F.

overwegende dat 75 % van de personen met een ernstige handicap niet de kans krijgt om ten volle deel te nemen aan de Europese arbeidsmarkt, en dat vrouwen met een handicap twee tot vijf keer meer dan vrouwen zonder handicap het slachtoffer van geweld worden;

G.

overwegende dat 34 % van de vrouwen met een gezondheidsprobleem of een handicap ooit slachtoffer is geworden van fysiek of seksueel geweld door een partner;

H.

overwegende dat de sterilisatie van vrouwen met een handicap zonder hun medeweten of toestemming een wijdverspreide vorm van geweld is, en met name leden van etnische minderheden treft, bijvoorbeeld Romavrouwen;

I.

overwegende dat de zichtbaarheid van personen met een handicap in het openbare leven en in de media te klein is;

J.

overwegende dat ongeveer twee derde van de verzorgers in Europa vrouwen zijn; overwegende dat 80 % van de zorg in de EU wordt verstrekt door onbetaalde mantelzorgers, en dat 75 % daarvan vrouwen zijn; overwegende dat de economische waarde van onbetaalde mantelzorg in de Unie, als percentage van de totale kosten van de formele langdurige zorgverlening, wordt geraamd op 50 % tot 90 %;

K.

overwegende dat de maatschappelijke en economische participatie van vrouwen met een handicap essentieel is voor het welslagen van de algemene maatschappelijke en economische strategie van Europa;

L.

overwegende dat vrouwen met een handicap vaak te maken krijgen met verschillende vormen van discriminatie op grond van, onder andere, hun genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken, wat bijdraagt tot de vervrouwelijking van armoede;

M.

overwegende dat personen met een handicap, en in het bijzonder vrouwen met een handicap, een lager inkomen hebben en een hoger risico op armoede en sociale uitsluiting lopen; overwegende dat armoede en uitsluiting blijven bestaan wanneer de sociale bescherming duidelijk ontoereikend is; overwegende dat de situatie van werkende vrouwen met een handicap in de loop der tijd is verslechterd in vergelijking met die van mannen (de armoede onder werkende vrouwen bedroeg in 2007 10 % en in 2014 12 %);

N.

overwegende dat technologische ontwikkelingen zowel kansen als uitdagingen bieden, vooral voor vrouwen met een handicap, nu wereldwijd steeds meer gebruik wordt gemaakt van digitale instrumenten;

O.

overwegende dat er nog steeds moeilijkheden zijn bij de toegang tot gezondheidsdiensten, ziekenhuiszorg, ondersteunende producten, geneesmiddelen en essentiële therapieën voor toezicht en revalidatie; overwegende dat er nog steeds ernstige mobiliteitsproblemen zijn, zowel door bouwkundige belemmeringen die de doorgang in openbare ruimten en straten verhinderen, als door een beperkte toegang tot openbaar en collectief vervoer; overwegende dat er nog steeds communicatiebelemmeringen zijn (zoals het gebrek aan gebarentolken in openbare diensten en een gebrekkige toegankelijkheid van televisie voor doven), die de toegang tot overheidsdiensten beperken en verhinderen; overwegende dat ondersteuning, bescherming, communicatie, zorg- en gezondheidsdiensten, bijvoorbeeld op het gebied van basisgezondheidszorg, geweld tegen vrouwen, kinderopvang en moederschap, volledig toegankelijk dienen te zijn in alle talen, vormen en formaten, voor alle vrouwen, en in het bijzonder voor vrouwen en meisjes met een handicap;

P.

overwegende dat de in artikel 29 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bedoelde volledige deelname van personen met een handicap aan het politieke en openbare leven, waar zij vaak ondervertegenwoordigd zijn, ijdele hoop zal blijven, met name voor vrouwen, als de kwestie niet naar behoren wordt aangepakt;

Q.

overwegende dat personen met een handicap, niettegenstaande de vele internationale verdragen en bepalingen in het Europees recht, en ondanks de huidige Europese strategie inzake handicaps, nog steeds hun sociale en burgerrechten niet ten volle genieten; overwegende dat de gelijke toegang tot cultuur, sport en vrije tijd en de gelijke deelname aan het politieke en gemeenschapsleven niet gewaarborgd zijn; overwegende dat beroepsbeoefenaren op dit gebied ondergewaardeerd zijn; overwegende dat alle bovengenoemde verdragen en bepalingen systematisch worden geschonden, en dat werknemers en personen met een handicap nog steeds fundamentele rechten worden ontzegd; overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap zich nog steeds in de marge van de besluitvorming en vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid bevinden;

R.

overwegende dat gendergelijkheid niet als horizontaal element is opgenomen in de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020;

S.

overwegende dat de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie discriminatie op grond van een handicap uitdrukkelijk verbieden en bepalen dat personen met een handicap recht hebben op gelijke deelname aan het gemeenschapsleven; overwegende dat gelijke behandeling kan worden gewaarborgd door de toepassing van positieve maatregelen en beleidslijnen voor vrouwen met een handicap en moeders van kinderen met een handicap;

T.

overwegende dat het opnemen van een genderdimensie in de Europese strategie inzake handicaps na 2020 zal bijdragen aan een geïntegreerde aanpak voor het uitbannen van discriminatie van vrouwen en meisjes met een handicap;

U.

overwegende dat mannen met een handicap een hoger maandloon krijgen dan vrouwen met een handicap, maar dat beide salarissen in het algemeen lager zijn dan die van andere werknemers, en dat hier dus sprake is van aanhoudende discriminatie;

V.

overwegende dat de huidige arbeidsmarkt onstabiel en precair is, en dat de toenemende werkloosheid betekent dat personen met een handicap minder kansen krijgen op toegang tot werk;

W.

overwegende dat er onvoldoende menselijke, materiële en pedagogische middelen zijn in de nationale schoolsystemen om de behoorlijke begeleiding en de effectieve inclusie van kinderen en jongeren met bijzondere onderwijsbehoeften te verzekeren; overwegende dat volledige integratie in de samenleving vooral wordt bereikt door hoogwaardige werkgelegenheid en toegankelijk onderwijs; overwegende dat het hebben van een baan niet alleen een bron van inkomsten is, maar ook een mechanisme dat banden met de maatschappij, interpersoonlijke relaties en een gevoel van deelname aan het sociale, culturele en economische leven genereert;

X.

overwegende dat vrouwen met een handicap met specifieke vormen van misbruik te maken kunnen krijgen die moeilijk te herkennen zijn, zoals het afnemen of vernietigen van mobiliteitshulpmiddelen of het ontzeggen van de toegang tot handicapgerelateerde maatschappelijke middelen en/of medische afspraken;

Y.

overwegende dat de borstkankerpercentages voor vrouwen met een handicap veel hoger zijn dan voor de vrouwelijke bevolking in het algemeen, wegens een gebrek aan aangepaste apparatuur voor screening en diagnose;

Z.

overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2017 van het EIGE blijkt dat gemiddeld 13 % van de vrouwen met een handicap onvervulde medische behoeften heeft en 12 % onvervulde tandheelkundige behoeften, terwijl onvervulde medische behoeften slechts bij 5 % van de vrouwen zonder handicap voorkomen;

Algemene aanbevelingen

1.

herhaalt dat alle personen met een handicap het recht moeten hebben op het volledige genot van hun rechten op basis van integratie in en volledige deelname aan de samenleving; benadrukt dat dit slechts mogelijk is door een actief overheidsbeleid en de verwijdering van alle belemmeringen voor participatie;

2.

vraagt de lidstaten maatregelen te nemen voor de preventie, behandeling, rehabilitatie en integratie ten behoeve van personen met een handicap, en voor de ondersteuning van hun families, en verzoekt hen de verantwoordelijkheid voor de effectieve verwezenlijking van hun rechten op zich te nemen, onverminderd de rechten en plichten van ouders of voogden; dringt tevens aan op de ontwikkeling van een maatschappelijke sensibiliseringspedagogie over de plicht van respect voor en solidariteit met personen met een handicap, om de sociale discriminatie waaraan zij worden blootgesteld tegen te gaan;

3.

vraagt de lidstaten hun beloften over de ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap na te komen, en alle nodige maatregelen te nemen om de daarin opgenomen rechten en vrijheden alsook verantwoordelijkheden te waarborgen, in het bijzonder op gebieden als werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg, sociale bescherming, huisvesting, mobiliteit, toegang tot onderwijs, cultuur, sport, ontspanning en deelname aan het politieke en gemeenschapsleven, alsook de specifieke in het verdrag gedefinieerde verantwoordelijkheden voor de rechten van vrouwen en kinderen met een handicap;

4.

benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken krijgen met dubbele discriminatie op grond van zowel gender als handicap, en zij vaak zelfs aan meervoudige discriminatie blootgesteld worden op grond van gender, handicap, seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, land van herkomst, klasse, migratiestatus, leeftijd, religie en etniciteit;

5.

herhaalt zijn vraag aan de Commissie en de lidstaten om het perspectief van vrouwen en meisjes met een handicap in hun strategieën, maatregelen en programma's voor gendergelijkheid te integreren, evenals een genderperspectief in hun strategieën inzake handicap, en zowel een gender- als een handicapperspectief in alle overige beleidsmaatregelen;

6.

vraagt de Commissie en de lidstaten steun te bieden aan onderzoek en innovatie met het oog op de ontwikkeling van producten en diensten ter ondersteuning van personen met een handicap bij hun dagelijkse activiteiten;

7.

onderstreept dat het aantal ouderen toeneemt en dat handicaps volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vaker voorkomen bij vrouwen, die als gevolg van hun langere levensverwachting vaker te maken krijgen met handicaps; onderstreept dat er daardoor een proportionele toename te verwachten is van vrouwen met een handicap;

8.

dringt aan op de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens om de vormen van intersectionele meervoudige discriminatie te identificeren waarmee vrouwen en meisjes met een handicap geconfronteerd worden, op alle gebieden die onder het Verdrag van Istanbul vallen, voor zover relevant;

9.

verzoekt het EIGE door te gaan met het verstrekken van analyses en bijdragen op EU- en lidstaatniveau met betrekking tot de specifieke situatie van vrouwen en meisjes met een handicap, met bijzondere nadruk op intersectionele discriminatie;

10.

herhaalt dat vrouwen met een handicap vaak met nog grotere problemen en gevaren te maken hebben in landen waar conflicten spelen en in conflictgebieden; wijst daarom op de noodzaak van bescherming van vrouwen met een handicap in het externe beleid van de EU;

Rechten van vrouwen met een handicap

11.

benadrukt dat vrouwen met een handicap ten volle hun rechten met betrekking tot de toegang tot hoogwaardig, toegankelijk en betaalbaar onderwijs, gezondheidszorg, met inbegrip van transspecifieke gezondheidszorg alsook seksuele en reproductieve gezondheidszorg en seksuele en reproductieve rechten, werkgelegenheid, mobiliteit, gezinsleven, lichamelijke autonomie, seksualiteit en huwelijk moeten kunnen genieten, en dat moet worden voorzien in waarborgen ter bescherming van deze rechten;

12.

herhaalt dat overheden op alle niveaus en relevante belanghebbenden het recht op zelfstandig wonen moeten eerbiedigen en handhaven, en bijgevolg de nodige instrumenten en ondersteuning moeten aanbieden om personen met een handicap, en met name vrouwen, in staat te stellen keuzevrijheid en controle over hun eigen leven en levensstijl te genieten;

13.

benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap geïnformeerd moeten worden over hun rechten en de voor hen beschikbare openbare diensten; onderstreept dat deze informatie op een eenvoudige en veilige manier aangeboden moet worden, met inachtneming van de verschillende communicatiemethoden, media en formaten die door hen zijn gekozen en die aan hun behoeften zijn aangepast; wijst erop dat het recht op informatie niet mag worden verward met de opvatting dat actief toegang tot rechten gezocht moet worden (waardoor de verantwoordelijkheid om rechten te kunnen genieten verschuift naar degenen die hulpbehoevend zijn), aangezien het de lidstaten zijn die de verantwoordelijkheid moeten dragen om alle personen met een handicap te bereiken, en te verzekeren dat zij de rechten genieten die hun bij wet of krachtens internationale verdragen toekomen;

14.

pleit voor de integratie van personen met een handicap in de reguliere maatschappelijke structuren op alle niveaus, met inbegrip van gezondheid, onderwijs en werkgelegenheid, rekening houdend met het feit dat het aanhoudende en gegeneraliseerde gebruik van speciale structuren of diensten leidt tot segregatie en minder gelijke kansen;

15.

erkent dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot veilige plaatsen, bijvoorbeeld in de vorm van clubs en verenigingen;

16.

vraagt de EU de belemmeringen voor het stemrecht van personen met een handicap weg te nemen, vooral met het oog op de Europese verkiezingen van 2019;

17.

dringt bij de lidstaten aan op de toepassing van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk, om loondiscriminatie tegen te gaan en om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te waarborgen, met inbegrip van personen met een handicap;

Toegankelijkheid

18.

vraagt de lidstaten en de Commissie een beleid te voeren dat toegankelijkheid bevordert als een essentiële stap in de richting van inclusie en een onontbeerlijke voorwaarde voor de integratie en participatie van personen met een handicap; benadrukt ook het belang van de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en gelijke kansen in verband met toegankelijkheid en mobiliteit;

19.

benadrukt dat de lidstaten maatregelen moeten nemen, in het bijzonder op het gebied van gezondheid, onderwijs, vervoer, stadsplanning en huisvesting;

20.

vindt het zeer zorgwekkend dat vrouwen en meisjes met een handicap veel te vaak de toegang tot faciliteiten voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten wordt ontzegd; vindt het onrustwekkend dat vrouwen en meisjes met een handicap geen geïnformeerde toestemming kunnen verlenen over het gebruik van anticonceptiemiddelen en dat zij zelfs risico lopen op gedwongen sterilisatie; verzoekt de lidstaten om wetgevende maatregelen te nemen om de fysieke integriteit, de keuzevrijheid en de zelfbeschikking van vrouwen en meisjes met een handicap te waarborgen wat betreft hun seksuele en reproductieve leven;

21.

vindt het zorgwekkend dat slechts weinig landen bepalingen hebben die het recht van personen met een handicap op toegang tot wettelijke geslachtserkenning waarborgen; merkt op dat wettelijke geslachtserkenning, zelfs waar het is toegestaan, ontoegankelijk kan zijn voor vrouwen en meisjes onder wettelijke voogdij; merkt op dat een verplichte psychiatrische beoordeling om toegang te krijgen tot wettelijke geslachtserkenning een belemmering vormt voor vrouwen en meisjes met geestelijke gezondheidsproblemen; vraagt de lidstaten wetgeving voor wettelijke geslachtserkenning op basis van zelfbeschikking aan te nemen, met inachtneming van de toegankelijkheidsbehoeften van personen met een handicap;

22.

vraagt de lidstaten maatregelen voor het openbaar vervoer te ontwikkelen om de mobiliteit van personen met een handicap te faciliteren en bouwkundige belemmeringen weg te nemen; verzoekt de Raad en de Commissie de nodige EU-middelen beschikbaar te stellen om de ontwikkeling van dergelijke maatregelen te ondersteunen;

Arbeidsverhoudingen met het oog op hoogwaardig werk en een billijk evenwicht tussen werk en privéleven

23.

vraagt de lidstaten maatregelen te ontwikkelen om de integratie van personen met een handicap in de arbeidsmarkt te bevorderen; is van oordeel dat dergelijk beleid de toegang tot werk als een voorwaarde voor sociale inclusie moet bevorderen, waardoor gelijke kansen bevorderd worden;

24.

vraagt de lidstaten specifieke vormen van arbeidsregulering te waarborgen en de specifieke behoeften van personen met een handicap te integreren, vooral wat de regulering van werktijden betreft; benadrukt dat specifieke arbeidswetgeving gedefinieerd moet worden waarin rekening gehouden wordt met de behoeften van vrouwen met een handicap met betrekking tot zwangerschap en moederschap, en waarin het permanente karakter van de arbeidsmarkt en arbeidsbescherming gewaarborgd zijn;

25.

vraagt de lidstaten na te gaan of er behoefte is aan regelingen om te waarborgen dat de toepassing van moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof en flexibele werktijden aangepast is aan de uiteenlopende behoeften in verband met meerlingengeboortes, vroeggeboorte, adoptie, co-ouderschap, ouders met een beperking, ouders met geestelijke gezondheidsproblemen, en ouders van kinderen met een handicap, een chronische ziekte of een psychische aandoening;

26.

vraagt het recht op gezondheid en rehabilitatie te bevorderen en maatregelen te nemen om ongevallen op de werkplek en beroepsziekten voor personen met een handicap te voorkomen en tegen te gaan;

27.

verzoekt de Commissie de lidstaten bij te staan met expertise om intersectionele discriminatie tegen te gaan;

28.

vraagt de Commissie de lidstaten te ondersteunen en aan te moedigen om meervoudige discriminatie op grond van genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, geslachtskenmerken en handicap tegen te gaan door middel van opleidingen over diversiteit en samenwerking met werkgevers over arbeidsmaatregelen, bijvoorbeeld de bevordering van anonieme aanwervingsprocedures;

Onderwijs

29.

verzoekt de lidstaten om bij het bieden van opvang voor jonge kinderen de aandacht niet alleen te leggen op toegankelijkheid, maar ook op de kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg, in het bijzonder voor kinderen met een handicap, met inachtneming van de behoeften van ouders met een handicap; vraagt de lidstaten eveneens de overheidsinvesteringen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen voor deze groepen te verbeteren;

30.

benadrukt hoe belangrijk het is om vrouwen met een handicap te integreren in het reguliere onderwijssysteem en het reguliere beroepsleven;

31.

benadrukt dat een hogere kwaliteit van onderwijs en opleidingen zal zorgen voor meer empowerment van vrouwen met een handicap, aangezien onderwijs behoort tot de instrumenten met het grootste effect op maatschappelijke vooruitgang, door de kennis en waarden te verstrekken die noodzakelijk zijn om een hoger niveau van welzijn en economische en persoonlijke groei te verwezenlijken; onderstreept het bijzondere belang van onderwijs en opleidingen van hoge kwaliteit voor personen met een handicap;

32.

vraagt de lidstaten te zorgen voor effectieve gelijke kansen in de toegang tot onderwijs door de effectieve integratie van kinderen en jongeren met een handicap in hun onderwijsstelsels te waarborgen; vraagt om ondersteuning voor bijzondere onderwijsbehoeften en bijzonder onderwijsmateriaal, en voor inclusieve scholen om gelijke toegang tot, maar ook succes in, het onderwijsstelsel te waarborgen;

33.

verzoekt de lidstaten te investeren in hoogwaardig onderwijs voor kinderen en volwassenen met een handicap als onderdeel van het reguliere onderwijs, waardoor de toegang vergemakkelijkt zal worden, vooral voor de meest achtergestelde bevolkingsgroepen;

34.

roept op tot een onderwijsbeleid dat de vele blijvende belemmeringen voor personen met een handicap wegneemt; dringt er bij de lidstaten op aan in hun reguliere onderwijsinstellingen de fysieke en/of pedagogische omstandigheden te realiseren die nodig zijn opdat personen met een handicap naar deze instellingen kunnen gaan; benadrukt daarom dat het aantal docenten dat kinderen met een handicap begeleidt, omhoog moet;

35.

vraagt de lidstaten strategieën te ontwikkelen ter bestrijding van pesten en intimidatie, ook in onderwijssituaties en online, ten aanzien van kinderen en jongeren op grond van handicap, genderidentiteit of genderexpressie, seksuele geaardheid, migratiestatus, klasse, leeftijd, religie of etniciteit;

36.

herinnert eraan dat bij het ontwerp en de toepassing van EU-programma's en initiatieven rekening gehouden moet worden met de behoeften van vrouwen en meisjes met een handicap, met name op het gebied van onderwijs, mobiliteit en jongerenacties, en dat specifieke maatregelen genomen moeten worden om hun deelname aan dergelijke initiatieven te verbeteren;

Gezondheidszorg

37.

is van oordeel dat vrouwen en meisjes met een handicap volledige toegang moeten hebben tot medische en tandheelkundige zorg die beantwoordt aan hun specifieke behoeften, op gebieden als gynaecologische raadpleging, medisch onderzoek, seksuele en reproductieve gezondheid, gezinsplanning en aangepaste ondersteuning tijdens de zwangerschap, en transspecifieke gezondheidszorg; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor overheidsinvesteringen op dit gebied en voor een nationale openbare gezondheidszorg die een goede toegang tot deze diensten omvat;

38.

benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap alle geschikte informatie moeten krijgen om hen in staat te stellen vrijelijk beslissingen te nemen met betrekking tot hun gezondheid; benadrukt dat dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om gedwongen sterilisatie te bestrijden;

39.

verzoekt de Commissie om doelstellingen vast te stellen voor de verzorging van personen met een handicap, die vergelijkbaar zijn met de doelstellingen van Barcelona, met monitoringinstrumenten waarmee de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van deze diensten moeten worden gemeten;

40.

verzoekt de EU en de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat vrouwen en meisjes met een handicap gelijke toegang hebben tot zowel handicapspecifieke gezondheidszorg als reguliere diensten;

41.

verzoekt de Commissie de lidstaten bij te staan met expertise om intersectionele discriminatie tegen te gaan;

Genderspecifiek geweld

42.

is ingenomen met het besluit van de Raad dat de EU het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul) ondertekent, als een verdere stap in de strijd tegen geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes met een handicap; verzoekt de EU het Verdrag van Istanbul onverwijld te ratificeren en spoort de lidstaten die dat nog niet gedaan hebben, aan om dat te doen; moedigt de Raad aan om zo spoedig mogelijk over te gaan tot de voltooiing van de toetreding van de EU;

43.

benadrukt met bezorgdheid dat vrouwen en meisjes met een handicap meer kans hebben het slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld, met name huiselijk geweld en seksuele uitbuiting; wijst erop dat dit ook geldt voor gedwongen sterilisatie en gedwongen abortus; verzoekt de lidstaten toereikende maatregelen te nemen en hoogwaardige, toegankelijke en toegespitste diensten aan te bieden om een einde te maken aan het geweld tegen vrouwen en kinderen en om de slachtoffers van geweld te ondersteunen, en daarbij te zorgen voor personeel dat opgeleid is om deskundig advies te verstrekken en toereikende juridische bescherming en ondersteuning;

44.

moedigt de lidstaten aan om alle gezondheids- en onderwijsprofessionals toereikende opleidingen aan te bieden voor de preventie van discriminatie van en geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap;

45.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie om te komen met een uitgebreide Europese strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen met een voorstel voor een wetgevingshandeling om gendergeweld te voorkomen en te bestrijden, met bijzondere aandacht voor vrouwen en meisjes met een handicap; dringt ook aan op de oprichting van een EU-waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld;

46.

roept op tot specifieke beleidsmaatregelen om geweld tegen en misbruik van personen met een handicap en met leerproblemen, met name vrouwen en meisjes, aan te pakken, met inbegrip van online-intimidatie en -pesten en geweld in formele en informele zorgsituaties;

Digitale en media-inclusie

47.

benadrukt dat er meer moet worden gedaan om stereotypen en vooroordelen over handicaps te bestrijden en dat vrouwen en meisjes met een handicap zichtbaarder moeten worden in de media om de overheersende, tot uitsluiting leidende sociale normen te veranderen; vraagt de Commissie en de lidstaten gendergelijkheid in mediaorganisaties, belangenorganisaties en opleidingsinstellingen, met name in hun raden van bestuur, te bevorderen, en te investeren in bewustmakingsinitiatieven, alsook nauwlettend toe te zien op de geboekte vooruitgang;

48.

verzoekt de Commissie en de lidstaten programma's en diensten te ontwikkelen voor vrouwen met een handicap, gericht op hun digitale inclusie en met nadruk op het enorme potentieel dat digitalisering voor deze vrouwen biedt;

49.

benadrukt dat de toegankelijkheid van mediadiensten verbeterd moet worden, met volledig toegankelijke internetdiensten die voldoen aan de hoogste normen specifiek voor personen met een handicap;

50.

vraagt de lidstaten de omroeporganisaties aan te moedigen om vrouwen met een handicap ten volle te betrekken als deelnemers en presentatoren in alle soorten media-uitzendingen;

Wetgeving en tenuitvoerlegging

51.

betreurt dat de momenteel lopende Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 niet heeft geleid tot stimulansen voor de aanneming van doeltreffende wetgevingshandelingen, maatregelen en beleidslijnen om de segregatie en afwijzing van vrouwen met een handicap op de arbeidsmarkt, in het politieke leven, op scholen en in leeromgevingen aan te pakken;

52.

vraagt de Commissie en de lidstaten beleidsmaatregelen in te voeren om de deelname van vrouwen en meisjes met een handicap aan het openbare, sociale, culturele, economische en politieke leven mogelijk te maken en aan te moedigen, in het bijzonder door belemmeringen voor mobiliteit weg te nemen en door vrouwen met een handicap aan te moedigen om organisaties en netwerken te vormen en zich daarbij aan te sluiten, alsook door opleidings- en mentorprogramma’s;

53.

vraagt de EU en de lidstaten positieve initiatieven te ontwikkelen voor vrouwen met een handicap, teneinde opleidingen, arbeidsbemiddeling, toegang tot de arbeidsmarkt, baanbehoud, gelijke loopbaanmogelijkheden, aanpassing van de werkplek en een goed evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen;

54.

vraagt de Commissie positieve initiatieven te ontwikkelen om de rechten van vrouwen en meisjes met een handicap te bevorderen, een mechanisme op te zetten voor toezicht op de vooruitgang, ondersteuning te bieden voor gegevensverzameling en onderzoek over vrouwen en meisjes met een handicap, in overeenstemming met de beginselen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

55.

verzoekt de Commissie een voorstel voor de Europese strategie inzake handicaps 2020-2030 in te dienen waarmee de bepalingen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap volledig worden opgenomen in toekomstige EU-wetgeving, -beleidsmaatregelen en -programma's en die in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019, om ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes net als iedere andere persoon hun rechten volledig kunnen genieten;

56.

vraagt de EU en haar lidstaten de normen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op te nemen in hun wetgevings- en beleidskaders om te verzekeren dat de op mensenrechten gebaseerde benadering van handicaps ten volle wordt weerspiegeld in de wetgeving en de beleidsvorming;

57.

benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap, via hun belangenorganisaties, uitvoerig moeten worden geraadpleegd over, en actief moeten worden betrokken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van, wetgeving en beleidsmaatregelen om non-discriminatie en gelijke kansen te verzekeren, en de doeltreffendheid ervan te monitoren; spoort aan tot een echte gestructureerde dialoog tussen de EU en belangenorganisaties van personen met een handicap bij de opstelling van de Europese strategie inzake handicaps na 2020;

58.

benadrukt dat organisaties van personen met een handicap betrokken moeten worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie achteraf van projecten die in het kader van het EU-cohesiebeleid plaatsvinden;

Financiering

59.

vraagt de Commissie en de lidstaten om de structuurfondsen van de EU te optimaliseren, met inbegrip van het Europees Sociaal Fonds, teneinde de toegankelijkheid en non-discriminatie van vrouwen met een handicap te bevorderen en te zorgen voor meer zichtbaarheid van financieringsmogelijkheden voor bijvoorbeeld startende ondernemingen of ter ondersteuning van het ondernemerschap in het algemeen;

o

o o

60.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1)  PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.

(2)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(3)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(4)  PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.


AANBEVELINGEN

Europees Parlement

Woensdag 29 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/173


P8_TA(2018)0483

Verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU

Aanbeveling van het Europees Parlement van 29 november 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU (2018/2117(INI))

(2020/C 363/24)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 13,

gezien het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie (11855/2012), die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,

gezien het EU-Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake,

gezien de aanbeveling betreffende het statuut van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs, die door de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) tijdens haar 29e vergadering van 21 oktober tot 12 november 1997 is vastgesteld,

gezien de Verklaring van Lima over de academische vrijheid en de academische onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs, die in september 1988 is aangenomen door de World University Service,

gezien Resolutie 29/7 over het recht op onderwijs, die door de VN-Mensenrechtenraad tijdens zijn 42e vergadering op 2 juli 2015 is aangenomen,

gezien Algemene Opmerking nr. 13 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten gedurende zijn 21e bijeenkomst op 8 december 1999,

gezien Advies 891/2017 van de Commissie van Venetië,

gezien de verslagen van nationale, Europese en internationale niet-gouvernementele organisaties, en met name de beginselen inzake de verantwoordelijkheid van de overheid om het hoger onderwijs tegen aanvallen te beschermen,

gezien zijn eerdere resoluties over grondrechten,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

gezien artikel 113 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0403/2018),

A.

overwegende dat de Unesco academische vrijheid omschrijft als het recht van het onderwijzend personeel om, onbeperkt door enige voorgeschreven doctrine, te onderwijzen en te debatteren, de vrijheid om onderzoek te verrichten en de resultaten daarvan vrij te verspreiden en te publiceren, het recht op vrije meningsuiting over de instelling of het systeem waarin zij werkzaam zijn, de vrijheid om niet te worden onderworpen aan institutionele censuur en de vrijheid om deel uit te maken van beroepsorganisaties of representatieve academische organen;

B.

overwegende dat het recht op onderwijs van fundamenteel belang is voor de uitoefening van alle overige mensenrechten en voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling; overwegende dat dit recht alleen kan worden uitgeoefend in een klimaat van academische vrijheid en onafhankelijkheid van de instellingen voor hoger onderwijs;

C.

overwegende dat de Verklaring van Lima over de academische vrijheid en de academische onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs academische vrijheid definieert als de vrijheid van leden van de academische gemeenschappen — onder wie alle personen die lesgeven, studeren, onderzoek doen en werkzaam zijn aan een instelling voor hoger onderwijs — om individueel dan wel collectief kennis na te streven, te ontwikkelen en over te dragen door middel van onderzoek, studie, debat, documentatie, productie, creatie, onderwijs, colleges en geschriften;

D.

overwegende dat deze definitie moet berusten op fundamentele democratische waarden, waaronder beginselen inzake gelijke toegang en non-discriminatie, aansprakelijkheid, kritisch en onafhankelijk denken, onafhankelijkheid van de instellingen en maatschappelijke verantwoordelijkheid; overwegende dat democratie niet mogelijk is zonder de academische vrijheid die een inhoudelijk debat mogelijk maakt;

E.

overwegende dat de academische vrijheid een belangrijke rol speelt bij de totstandbrenging van duurzame ontwikkeling, en met name bij de verwezenlijking van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen die zijn vastgelegd in de Agenda 2030, waarbij kwaliteitsonderwijs, wetenschappelijk onderzoek en innovatie centraal staan;

F.

overwegende dat onafhankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de goede werking van onderwijsinstellingen; overwegende dat voortdurende waakzaamheid is geboden bij de bescherming van de academische vrijheid tegen ongeoorloofde druk die uitgaat van de staat of het bedrijfsleven;

G.

overwegende dat de academische vrijheid, inclusief de onderliggende vrijheden van denken, mening, meningsuiting, vereniging, reizen en onderwijs, bijdraagt tot het klimaat waarin een open en stabiele pluralistische samenleving de mogelijkheid heeft om vrij te denken, vragen te stellen en kennis te produceren, tot zich te nemen en te verspreiden;

H.

overwegende dat aanvallen op de academische vrijheid het onderzoek, het volgen van een studie, het onderwijs, het publieke debat en het recht op onderwijs bedreigen, en de kwaliteit van het onderwijs en de sociale, politieke, economische en culturele ontwikkeling ondergraven; overwegende dat antwoorden op maatschappelijke vragen moeten worden gevonden op basis van redelijke argumenten, feitelijke bewijzen en overtuiging;

I.

overwegende dat het recht op onderwijs, lesgeven en onderzoek alleen ten volle kan worden uitgeoefend in een klimaat van academische vrijheid;

J.

overwegende dat op zo kort mogelijke termijn adequate actie moet worden ondernomen met betrekking tot de academische vrijheid in het kader van het proces van toetreding tot de EU, teneinde aanvallen in de lidstaten van de EU, zoals de pogingen om de Midden-Europese Universiteit in Boedapest te sluiten, hetgeen vanaf 2019 tot de verplaatsing van studenten naar Wenen zou leiden, alsook tot de beëindiging van genderstudies in Hongarije, te voorkomen; overwegende dat kandidaat-lidstaten zich toegewijd moeten verklaren aan kernwaarden op het gebied van hoger onderwijs, waaronder de academische vrijheid en de institutionele autonomie;

K.

overwegende dat de academische gemeenschap en onderwijsinstellingen steeds kwetsbaarder worden voor inmenging, druk of onderdrukking vanwege de staat, het bedrijfsleven en andere niet-overheidsactoren; overwegende dat jaarlijks melding wordt gemaakt van honderden aanvallen op hogeronderwijsinstellingen en hun leden over de hele wereld, met inbegrip van moord, geweld en verdwijningen, onrechtmatige gevangenneming of gevangenhouding, onrechtmatige vervolging, verlies van functie, ongerechtvaardigd ontslag of ongerechtvaardigde schorsing, reisbeperkingen en beperkingen van de bewegingsvrijheid, en andere extreme of stelselmatige bedreigingen; overwegende dat schendingen van de academische vrijheden ook plaatsvinden in de lidstaten van de EU en haar nauwste partners;

L.

overwegende dat bezuinigingen op de overheidsfinanciering voor onderwijs, waaronder hoger onderwijs, en de daaruit voortvloeiende behoefte aan alternatieve inkomstenbronnen de academische vrijheid in gevaar brengen, in het bijzonder wanneer deze externe financiering afkomstig is van autocratische regimes in het buitenland of van multinationals;

M.

overwegende dat buitenlandse onderwijsinstellingen in de EU kampen met aanvallen van nationale overheden en schendingen van de academische vrijheid;

N.

overwegende dat de pogingen om instellingen voor hoger onderwijs en hun wetenschappers, studenten en personeel te controleren of het zwijgen op te leggen veel verder gaan dan de individuele personen of instellingen waartegen deze aanvallen gericht zijn, en de samenleving aantasten door de ruimte voor een inclusieve democratische participatie, vrije meningsuiting en empowerment van alle burgers te beperken en toekomstige generaties te beroven van academici en onderzoekers van hoge kwaliteit;

O.

overwegende dat de doeltreffende verwezenlijking van het recht op onderwijs en de waarborg van academische vrijheid landen ertoe dwingen te zorgen voor een passend en betrouwbaar financieringsniveau voor het onderwijs; overwegende dat het beleid van financiële en economische bezuinigingen de academische vrijheid ernstig heeft uitgehold en dat de gevolgen hiervan overal ter wereld nog steeds merkbaar zijn, ook in de EU;

P.

overwegende dat schendingen van de academische vrijheid zelden worden aangepakt binnen het mensenrechtenkader, deels omdat mensenrechtenverdedigers onvoldoende vertrouwd zijn met kwesties in verband met academische vrijheid, en deels omdat deze meldingen vaak ook betrekking hebben op schendingen van andere rechten zoals de vrijheid van mening of meningsuiting; overwegende dat daarom de normen inzake academische vrijheid onvoldoende zijn ontwikkeld en schendingen van de academische vrijheid vaak niet worden aangegeven;

Q.

overwegende dat het nodig is om mensen bewust te maken van het belang van academische vrijheid als instrument voor de bevordering van de democratie, de eerbiediging van de rechtsstaat en aansprakelijkheid, maar ook om kansen te creëren zodat deze vrijheid beter kan worden verdedigd en beschermd;

R.

overwegende dat het belangrijk is om aanvallen op de academische vrijheid te zien als deel van een wereldwijd verschijnsel, en aan te moedigen dat getroffen academici en studenten niet alleen worden erkend als individuele personen van wie de rechten zijn geschonden, maar ook als mensenrechtenverdedigers die worden aangevallen; overwegende dat er op internationaal en nationaal niveau krachtig moet worden gereageerd, zowel in het hoger onderwijs zelf als door het maatschappelijk middenveld en het grote publiek;

S.

overwegende dat veel academici en studenten in risicosituaties geen toegang hebben tot de mogelijkheden die EU-programma's bieden inzake academische mobiliteit en ten behoeve van mensenrechtenverdedigers, omdat zij niet voldoen aan de toelatingscriteria of omdat zij ernstige moeilijkheden ondervinden om de aanvraagprocedures, -vereisten en -termijnen na te leven;

T.

overwegende dat financieringsbeperkingen in EU-programma's een belemmering vormen voor de acties van organisaties en universiteiten in de EU die steun verlenen aan studenten en wetenschappers die gevaar lopen of hun land ontvluchten omdat zij dreigen te worden vervolgd voor hun academisch werk; overwegende dat deze organisaties en universiteiten meer bijstand voor hun acties en initiatieven behoeven;

U.

overwegende dat de EU vastbesloten is om de mensenrechten, de democratische instellingen en de rechtsstaat wereldwijd te bevorderen en te beschermen; overwegende dat het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie pleit voor een doeltreffender EU-beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie, onder meer door een grotere doeltreffendheid van de mensenrechtendialogen, een grotere zichtbaarheid en impact van de landenstrategieën inzake mensenrechten, meer aandacht voor de effectieve uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten en een betere publieksdiplomatie en communicatie inzake mensenrechten;

1.

beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

a)

het belang van de academische vrijheid uitdrukkelijk te erkennen in publieke verklaringen, beleidsmaatregelen en acties met betrekking tot het externe optreden van de EU, inclusief het principe dat het uiten van ideeën geen misdrijf is en dat het uiten van kritiek niet gelijkstaat met een gebrek aan loyaliteit, maar dat deze een wezenlijk onderdeel van een democratische samenleving en de ontwikkeling daarvan vormen, dat de onafhankelijkheid van de onderwijsinstellingen te allen tijde moet worden beschermd, en dat academische vrijheid een wezenlijke rol vervult bij de bevordering van het onderwijs en de ontwikkeling van de mens en de moderne samenleving;

b)

te erkennen dat aanspraken op de academische vrijheid onder de bestaande mensenrechtenwetgeving vallen en voortvloeien uit het recht op onderwijs en het recht op een vrije mening en vrijheid van meningsuiting; eraan te herinneren dat de academische vrijheid zich ook uitstrekt tot de vrijheid van academici om informatie te verspreiden en onderzoek te verrichten, alsook zonder beperking kennis en waarheid te verbreiden, de vrijheid om hun meningen en standpunten kenbaar te maken, zelfs als deze controversieel of impopulair zijn, op hun onderzoeksgebied en in hun vakgebied, en dat dit tevens een onderzoek van de werking van de overheidsinstellingen in een bepaald politiek systeem, en kritiek daarop, kan omvatten;

c)

publiek de aandacht te vestigen op het probleem van aanvallen op de academische vrijheid en de negatieve gevolgen daarvan; hun bezorgdheid te uiten over de kwetsbaarheid van de academische gemeenschap voor ongepaste inmenging door de staat, het bedrijfsleven of andere niet-overheidsactoren; te wijzen op de verantwoordelijkheid van de overheid om de academische vrijheid te waarborgen, dienovereenkomstig te handelen en instellingen voor hoger onderwijs, academici en studenten proactief te beschermen tegen aanvallen, ongeacht hun herkomst of aard;

d)

erop toe te zien dat de vertegenwoordigers van de EU-instellingen en de lidstaten tijdens bezoeken aan derde landen op de hoogte worden gesteld van de situatie omtrent de academische vrijheid;

e)

hun steun te betuigen aan de instellingen, personeelsleden en studenten die in een risicosituatie verkeren of het slachtoffer zijn geworden van dwang of gewelddadige aanvallen, en deze aanvallen publiek te veroordelen, door dit probleem op alle niveaus aan de orde te stellen, onder meer door verklaringen, bezoeken, uitnodigingen voor publieke evenementen en toezicht op gerechtelijke procedures en gevangenissen, alsook specifieke verwijzingen naar individuele gevallen waarin leden van hogeronderwijsgemeenschappen gevaar lopen;

f)

gelijke toegang tot de academische gemeenschap, ongeacht etnische achtergrond, sociale klasse, handicap, nationaliteit, geloofsovertuiging, genderidentiteit, seksuele geaardheid of andere status, te steunen; in hun betrekkingen met derde landen bijzondere aandacht te schenken aan het bevorderen van de bestrijding van discriminatie op basis van gender en alle vormen van geweld, alsook het helpen verwezenlijken van gendergelijkheid en het recht op onderwijs voor iedereen;

g)

te benadrukken dat aanvallen op de academische vrijheid ook de vorm kunnen aannemen van cyberaanvallen, aangezien academici tegenwoordig steeds meer gebruikmaken van het internet en de sociale media om hun denkbeelden en meningen kenbaar te maken;

h)

de academische vrijheid tijdens politieke gesprekken op verschillende niveaus, waaronder mensenrechtendialogen en overleg met de partnerlanden, aan de orde te stellen; de diplomatieke inspanningen met partnerlanden op te voeren via bilaterale en multilaterale samenwerking met betrekking tot ernstige incidenten waarbij de academische vrijheid wordt bedreigd of aangevallen, met name gewelddadige aanvallen op instellingen en leden van de hogeronderwijsgemeenschap, alsook discriminerende maatregelen of praktijken, ongerechtvaardigde beperkingen van de vrijheid van onderzoek of meningsuiting, onrechtmatige vervolging of gevangenneming, en beperkingen van het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten; de partnerlanden aan te moedigen een kader voor academische vrijheid en institutionele onafhankelijkheid op te zetten en toezicht te houden op de toepassing van deze grondrechten; ervoor te zorgen dat internationale samenwerkingsovereenkomsten met de partnerlanden deze beginselen in ere houden;

i)

de verdediging en de bescherming van de academische vrijheid en de institutionele autonomie op te nemen in de criteria van Kopenhagen voor het proces van toetreding tot de EU, teneinde aanvallen op de academische vrijheid in de lidstaten, zoals in het geval van de Midden-Europese Universiteit in Hongarije, te voorkomen;

j)

alle landen aan te moedigen om, net als de meeste EU-lidstaten, de Verklaring inzake veilige scholen en de bijbehorende richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten te onderschrijven en uit te voeren, die dient als richtsnoer inzake de verantwoordelijkheid om de kernwaarden, en in het bijzonder de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van de instellingen, te beschermen tegen de achtergrond van gewelddadige aanvallen op en dwangmaatregelen tegen het hoger onderwijs;

k)

met de VN, de Raad van Europa, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en hogeronderwijsgemeenschappen samen te werken om mechanismen voor toezicht en rapportage in het leven te roepen voor aanvallen op, bedreigingen tegen en onredelijke beperkingen van hogeronderwijsinstellingen en individuele academici; en monitoring te versterken en te bevorderen om de bewustwording te vergroten, daders ter verantwoording te roepen en de inspanningen op te voeren om aanvallen op de academische vrijheid te voorkomen en af te weren;

l)

een regelmatige dialoog aan te gaan en aan te moedigen met universiteitsgemeenschappen en organisaties die tot doel hebben hogeronderwijsgemeenschappen te beschermen en de academische vrijheid te bevorderen, om de beste beleidskaders, initiatieven en belangenbehartigingsstrategieën ten behoeve van de academische vrijheid uit te werken;

m)

bij te dragen tot de ontwikkeling van de capaciteit om snel, grondig en transparant onderzoek in te stellen naar schendingen van de academische vrijheid, met name wanneer het gaat om gewelddadige aanvallen; de preventie van en de reactie op aanvallen op de academische vrijheid te verbeteren, en alle mogelijke inspanningen te doen om daders ter verantwoording te roepen;

n)

zich in te zetten voor onderzoek en belangenbehartiging met het oog op de hervorming van wet- en regelgeving waardoor de academische vrijheid of academische onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs ten onrechte wordt beknot, en de onafhankelijkheid van onderwijsinstellingen te bevorderen als een manier om het hoger onderwijsstelsel tegen bemoeienis of aanvallen van de staat, het bedrijfsleven en andere niet-overheidsactoren te beschermen en het hoger onderwijs van politisering en ideologische manipulatie te vrijwaren;

o)

de diplomatieke inspanningen met partnerlanden op te voeren via bilaterale en multilaterale samenwerking met betrekking tot ernstige incidenten waarbij de academische vrijheid wordt bedreigd of aangevallen, met name gewelddadige aanvallen op instellingen en leden van de hogeronderwijsgemeenschap, alsook discriminerende maatregelen of praktijken, ongerechtvaardigde beperkingen van de vrijheid van onderzoek of meningsuiting, en onrechtmatige vervolging of gevangenneming;

p)

bestaande steun- en beschermingsmechanismen voor verdedigers van de mensenrechten te herzien om gevallen waarbij de academische vrijheid wordt aangevallen beter te kunnen identificeren en daarbij beter hulp te kunnen bieden, onder meer bijstand en steun in geval van nood, fysieke bescherming, steun bij juridische en visumkwesties, medische hulp, toezicht op gerechtelijke procedures en gevangenissen, belangenbehartiging en lobbying, en steun op lange termijn in geval van ballingschap; in het Europees instrument voor democratie en mensenrechten mede voorrang te geven aan de bevordering van de academische vrijheid en de ondersteuning van leden van de academische gemeenschappen in risicosituaties;

q)

bestaande programma's en middelen voor academische mobiliteit alsmede andere vormen van samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek, met inbegrip van toelatingscriteria en aanvraagprocedures, -vereisten, -termijnen en -schema's, te herzien, om obstakels uit de weg te ruimen die gekwalificeerde academici of studenten in risicosituaties zouden kunnen beletten om toegang te krijgen tot de mogelijkheden, plaatsen of middelen van deze programma's; bestaande door de EU gefinancierde projecten, zoals “Academic Refuge”, te promoten die beogen het bewustzijn over het belang van de academische vrijheid in het hoger onderwijs en de gevolgen voor de samenleving wanneer deze vrijheid wordt onderdrukt, te vergroten;

r)

te voorkomen dat EU-programma's voor macrofinanciële bijstand aan derde landen en het beleid van Europese financiële instellingen de academische vrijheid uithollen door beleid te steunen waardoor een kleiner deel van het nationaal inkomen aan onderwijs wordt besteed;

s)

nieuwe initiatieven in het leven te roepen binnen bestaande en toekomstige programma's, — mogelijk in de vorm van synergieën, door de Unie ontwikkeld en gefinancierd uit niet voor het onderwijs bedoelde begrotingen en onderzoeksbegrotingen — zoals het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), Horizon 2020, Erasmus+ en de Marie Skłodowska-Curie-acties, voor nieuwe door de EU gefinancierde acties om academici, onderzoekers en doctoraalstudenten die internationale bescherming genieten en zich in risicosituaties bevinden, te helpen plaatsen bij Europese instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek;

t)

de lopende regelgevende inspanningen op regionaal en internationaal niveau te steunen, onder meer door de goedkeuring van een internationale verklaring over de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs; de EU en haar lidstaten aan te moedigen om in de Raad voor de mensenrechten van de VN het voortouw te nemen waar het gaat om de academische vrijheid;

u)

de steun op hoog niveau aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering en de bijbehorende Global Campus als vlaggenschip van de steun van de EU voor mensenrechteneducatie overal ter wereld te waarborgen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Dinsdag 14 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/179


P8_TA(2018)0449

Tussentijds verslag over het meerjarig financieel kader 2021-2027 — Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 — Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord (COM(2018)0322 — C8-0000/2018 — 2018/0166R(APP))

(2020/C 363/25)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2018 met als titel “Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt — Het meerjarig financieel kader 2021-2027” (COM(2018)0321),

gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (COM(2018)0322) en de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0325, COM(2018)0326, COM(2018)0327 en COM(2018)0328),

gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2018)0323),

gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over de voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020, en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (1),

gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen (2),

gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016 (3) en door de Raad op 5 oktober 2016 (4),

gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015 getiteld “Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”, die op 1 januari 2016 in werking trad,

gezien de collectieve verbintenis van de EU om de doelstelling van 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) binnen het tijdschema van de agenda voor de periode na 2015,

gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten (5),

gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

gezien het tussentijds verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0358/2018),

A.

overwegende dat artikel 311 VWEU vereist dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren;

B.

overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 voor de eerste keer minder ambitieus is dan zijn voorganger, zowel waar het vastleggings- als betalingskredieten betreft; overwegende dat de laattijdige vaststelling van het MFK en de sectorale wetgevingshandelingen een zeer negatief effect hebben gehad op de tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's;

C.

overwegende dat al snel is gebleken dat het MFK niet toereikend is om in te spelen op een aantal crises, nieuwe internationale toezeggingen en nieuwe politieke uitdagingen die ten tijde van de vaststelling ervan niet in het MFK waren opgenomen en/of niet waren voorzien; overwegende dat het MFK met het oog op het waarborgen van de vereiste financiering de grenzen van het haalbare heeft bereikt, waarbij de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten in ongekende mate zijn gemobiliseerd nadat de beschikbare marges waren benut; overwegende dat er bezuinigingen ten aanzien van prioritaire EU-programma's inzake onderzoek en infrastructuur zijn doorgevoerd, slechts twee jaar na de vaststelling ervan;

D.

overwegende dat de aan het eind van 2016 uitgevoerde tussentijdse herziening van het MFK van essentieel belang is gebleken voor het verruimen van het potentieel van de bestaande flexibiliteitsbepalingen, maar niet tot een herziening van de MFK-maxima heeft geleid; overwegende dat deze herziening door zowel het Parlement als de Raad positief is beoordeeld;

E.

overwegende dat de totstandbrenging van het nieuwe MFK van doorslaggevend belang zal zijn voor de Unie met 27 lidstaten, aangezien hiermee een gemeenschappelijk langetermijnstandpunt kan worden uitgedragen en het nieuwe MFK de besluitvorming over toekomstige politieke prioriteiten mogelijk maakt en de Unie in staat stelt deze te verwezenlijken; overwegende dat het MFK 2021-2027 de Unie de nodige middelen moet verschaffen om duurzame economische groei, onderzoek en innovatie te stimuleren, jongeren mondiger te maken, de uitdagingen van migratie doeltreffend aan te pakken, werkloosheid, aanhoudende armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, de economische, sociale en territoriale cohesie verder te versterken, duurzaamheid, biodiversiteitsverlies en klimaatverandering aan te pakken, de veiligheid en defensie van de EU te versterken, haar buitengrenzen te beschermen en de buurlanden te ondersteunen;

F.

overwegende dat het, in het licht van de mondiale uitdagingen die de lidstaten niet alleen kunnen aanpakken, mogelijk moet zijn om Europese collectieve goederen te erkennen en gebieden te identificeren waar Europese uitgaven doeltreffender zouden zijn dan nationale uitgaven, teneinde de overeenkomstige financiële middelen naar het niveau van de Unie over te hevelen en aldus het strategische belang van de Unie te versterken zonder noodzakelijkerwijs de totale overheidsuitgaven te verhogen;

G.

overwegende dat de Commissie op 2 mei 2018 een reeks wetgevingsvoorstellen inzake het MFK 2021-2027 en de eigen middelen van de EU heeft ingediend, gevolgd door wetgevingsvoorstellen gericht op het tot stand brengen van nieuwe EU-programma's en -instrumenten;

1.

benadrukt dat het meerjarig financieel kader 2021-2027 de verantwoordelijkheid en het vermogen van de Unie moet garanderen om in te spelen op nieuwe behoeften, bijkomende uitdagingen en nieuwe internationale verbintenissen, en om haar politieke prioriteiten en doelstellingen te verwezenlijken; wijst op de ernstige problemen die samengaan met de onderfinanciering van het MFK 2014-2020 en herhaalt dat een herhaling van in het verleden gemaakte fouten moet worden voorkomen door ten behoeve van alle burgers voor de komende zeven jaar van meet af aan een sterke en geloofwaardige EU-begroting te waarborgen;

2.

is van mening dat de voorstellen van de Commissie inzake het MFK 2021-2027 en het stelsel van eigen middelen van de Unie het uitgangspunt moeten vormen voor de komende onderhandelingen; geeft uiting aan zijn standpunt ten aanzien van deze voorstellen in afwachting van het mandaat van de Raad voor de onderhandelingen, dat nog niet beschikbaar is;

3.

onderstreept dat het voorstel van de Commissie inzake het algemene niveau van het komende MFK, dat is vastgesteld op 1,08 % van het bni van de EU-27 (ofwel 1,11 % na de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds), wat het percentage van het bni betreft, in reële termen lager is dan het niveau van het huidige MFK; is van oordeel dat het voorgestelde MFK-niveau de Unie niet in staat zal stellen aan haar politieke verbintenissen te voldoen en op belangrijke toekomstige uitdagingen in te spelen; is derhalve voornemens te onderhandelen over de noodzakelijke verhoging;

4.

verklaart bovendien gekant te zijn tegen elke vermindering van het niveau van het reeds lang bestaande EU-beleid dat in de Verdragen is verankerd, zoals het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds of voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; verzet zich in dit kader tegen het voorstel het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) te verlagen ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van de vier bestaande sociale programma's, met name het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

5.

benadrukt voorts het belang van de horizontale beginselen die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de opname van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in alle EU-beleidsmaatregelen en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat alle programma's in het kader van het volgende MFK moeten stroken met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, van de uitbanning van discriminatie, ook van LGBTI-personen, en van het creëren van een portefeuille voor minderheden, met inbegrip van de Roma, die alle van vitaal belang zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa; benadrukt dat de bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen in de periode 2021-2027 ten minste 25 % van de uitgaven in het kader van het MFK 2021-2027 en uiterlijk in 2027 ten minste 30 % van de uitgaven moet bedragen om aan haar verplichtingen uit hoofde van het Akkoord van Parijs te voldoen;

6.

betreurt in dit verband dat er ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming in de bijlage bij de MFK-verordening 2014-2020 geen significante vooruitgang op dit gebied is geboekt en dat de Commissie bij de tussentijdse herziening van het MFK geen rekening heeft gehouden met de uitvoering ervan; betreurt ten zeerste dat gendermainstreaming in het MFK-voorstel volledig buiten beschouwing is gelaten en betreurt het gebrek aan duidelijke doelstellingen, vereisten en indicatoren voor gendergelijkheid in de voorstellen voor het relevante EU-beleid; dringt erop aan dat de jaarlijkse begrotingsprocedures de volledige impact van het EU-beleid op gendergelijkheid evalueren en integreren (genderbudgettering); verwacht dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er opnieuw toe verbinden om gendermainstreaming in het volgende MFK op te nemen, en dat er effectief toezicht op wordt uitgeoefend, ook tijdens de tussentijdse herziening van het MFK;

7.

onderstreept dat meer verantwoordingsplicht, vereenvoudiging, zichtbaarheid, transparantie en op prestaties gebaseerde budgettering de basis moeten vormen voor het volgende MFK; herinnert er in dit verband aan dat de toekomstige uitgaven meer gericht moeten zijn op prestaties en resultaten, op basis van ambitieuze en relevante prestatiedoelstellingen en een alomvattende en gedeelde definitie van Europese toegevoegde waarde; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de bovengenoemde horizontale beginselen, de verslaglegging over de prestaties te stroomlijnen, deze uit te breiden tot een kwalitatieve aanpak die ook milieu- en sociale indicatoren omvat, en duidelijk informatie te verstrekken over de belangrijkste uitdagingen die de EU nog moet aanpakken;

o

8. is zich bewust van de grote uitdagingen waar de Unie voor staat en neemt ten volle zijn verantwoordelijkheid voor het tijdig vaststellen van een begroting die tegemoetkomt aan de behoeften, verwachtingen en zorgen van de EU-burgers; is bereid om onmiddellijk onderhandelingen met de Raad aan te gaan teneinde de voorstellen van de Commissie te verbeteren en een realistisch MFK tot stand te brengen;

9.

brengt in herinnering dat het standpunt van het Parlement reeds duidelijk uiteen is gezet in zijn resoluties van 14 maart en 30 mei 2018, die tezamen zijn politiek standpunt voor het MFK 2021-2027 en de eigen middelen vormen; herinnert eraan dat deze resoluties met een zeer grote meerderheid van stemmen zijn aangenomen, een gegeven dat duidelijk aangeeft dat er in het Parlement eenheid en bereidheid bestaat ten aanzien van de komende onderhandelingen;

10.

verwacht derhalve dat het MFK prioriteit op de politieke agenda van de Raad zal krijgen en betreurt het feit dat er nog geen merkelijke vooruitgang is geboekt; is van mening dat de periodieke bijeenkomsten tussen de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad en het onderhandelingsteam van het Parlement, dienen te worden opgeschaald en de weg vrij moeten maken voor officiële onderhandelingen; verwacht dat er vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2019 een solide overeenkomst zal zijn bereikt teneinde te voorkomen dat zich, zoals in het verleden, ernstige vertragingen voordoen met betrekking tot de start van nieuwe programma's als gevolg van de laattijdige vaststelling van het financieel kader; onderstreept dat dit tijdschema het nieuw verkozen Europees Parlement in staat zal stellen het MFK 2021-2027 tijdens de verplichte tussentijdse herziening aan te passen;

11.

herinnert eraan dat ontvangsten en uitgaven bij de komende onderhandelingen als één pakket moeten worden behandeld; benadrukt derhalve dat er geen akkoord over het toekomstige MFK kan worden bereikt als er niet terzelfder tijd vooruitgang wordt geboekt inzake de nieuwe eigen middelen van de Unie;

12.

onderstreept dat alle elementen van het MFK/eigen middelen-pakket, met name de MFK-cijfers, op de onderhandelingstafel moeten blijven tot een definitieve overeenkomst is bereikt; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de huidige MFK-verordening en ten opzichte van de dominante rol die de Europese Raad in dit proces heeft gespeeld door een onherroepelijk besluit te nemen over een aantal punten, waaronder de MFK-plafonds en verscheidene bepalingen in verband met het sectoraal beleid, en die daardoor de geest en de letter van de Verdragen heeft geschonden; is met name bezorgd over het feit dat de eerste elementen van de door het voorzitterschap van de Raad opgestelde “onderhandelingskaders” voor het MFK dezelfde logica volgen en kwesties bevatten waarover de Raad en het Parlement gezamenlijk moeten beslissen bij de goedkeuring van wetgeving tot vaststelling van nieuwe EU-programma's; is derhalve voornemens zijn eigen strategie dienovereenkomstig aan te passen;

13.

is van mening dat het unanimiteitsvereiste voor de vaststelling en herziening van de MFK-verordening het proces daadwerkelijk hindert; verzoekt de Europese Raad de overbruggingsclausule van artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling door de Raad van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken;

o

14. neemt deze resolutie aan teneinde zijn onderhandelingsmandaat toe te lichten met betrekking tot alle aspecten van de voorstellen van de Commissie, met inbegrip van concrete wijzigingen van zowel de voorgestelde MFK-verordening als van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA); presenteert voorts een tabel met cijfers voor ieder EU-beleidsterrein en -programma, in overeenstemming met de eerder in de MFK-resoluties opgenomen standpunten van het Parlement; benadrukt dat deze cijfers ook deel zullen uitmaken van het mandaat van het Parlement voor de komende wetgevingsonderhandelingen met betrekking tot de vaststelling van de EU-programma's voor de periode 2021-2027;

A.   MFK-GERELATEERDE VERZOEKEN

15.

verzoekt de Raad derhalve naar behoren rekening te houden met onderstaande standpunten van het Parlement met het oog op het behalen van een positief resultaat bij de onderhandelingen inzake het MFK 2021-2027 en het verkrijgen van de goedkeuring van het Parlement overeenkomstig artikel 312 VWEU;

Cijfers

16.

bevestigt opnieuw zijn formele standpunt dat het niveau van het MFK 2021-2027 dient te worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, ofwel 1,3 % van het bni van de EU-27, teneinde een financieringsniveau voor essentiële EU-beleidsmaatregelen te waarborgen op basis waarvan de EU-27 haar missie en doelstellingen kan verwezenlijken;

17.

dringt er in dit verband op aan dat het volgende financieringsniveau voor EU-programma's en -beleidsmaatregelen wordt gewaarborgd, in een volgorde die de structuur van het MFK weerspiegelt, zoals voorgesteld door de Commissie, en in de gedetailleerde tabel (bijlagen III en IV bij deze resolutie) wordt overgenomen; dringt er op aan dat de desbetreffende maxima voor vastleggings- en betalingskredieten dienovereenkomstig worden aangepast, zoals bepaald in bijlage I en II van de huidige resolutie:

i.

verhoging van de begroting voor Horizon Europa tot 120 miljard EUR in prijzen van 2018;

ii.

verhoging van de toewijzing voor het InvestEU-fonds zodat het niveau ervan overeenstemt met het niveau 2014-2020 van alle financieringsinstrumenten die in het nieuwe programma zijn opgenomen;

iii.

verhoging van het financieringsniveau voor de vervoersinfrastructuur via de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF-Vervoer);

iv.

verdubbeling van de specifieke financiering voor het MKB (in vergelijking met COSME) in het kader van het programma voor de interne markt, om de toegang van het MKB tot de markt te verbeteren, het ondernemingsklimaat en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven te verbeteren en het ondernemerschap te bevorderen;

v.

verdere verhoging van het programma voor de interne markt om een nieuwe doelstelling inzake markttoezicht te financieren;

vi.

verdubbeling van het voorgestelde financieringsniveau voor de EU-fraudebestrijdingsprogramma en verhoging van het financieringsniveau voor het FISCALIS-programma;

vii.

invoering van een specifieke toewijzing voor duurzaam toerisme;

viii.

verdere versterking van het Europese ruimtevaartprogramma, met name ter versterking van SSA/GOVSATCOM en Copernicus;

ix.

handhaving van de financiering van het cohesiebeleid voor de EU-27 op het niveau van de begroting 2014-2020 in reële termen;

x.

verdubbeling van de middelen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid in het ESF+ (ten opzichte van het huidige jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), waarbij de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de regeling worden gewaarborgd;

xi.

invoering van een specifieke toewijzing (5,9 miljard EUR) voor de kindergarantie om de armoede onder kinderen zowel binnen de EU als via haar externe acties aan te pakken;

xii.

verdrievoudiging van de huidige begroting voor het Erasmus+-programma;

xiii.

voorzien in een toereikend financieringsniveau voor het DiscoverEU-programma (Interrail);

xiv.

verhoging van de huidige financiering van het programma Creatief Europa;

xv.

verhoging van de huidige financiering voor het programma “Rechten en waarden” en invoering van een specifieke toewijzing voor een nieuw onderdeel “waarden van de Unie” (ten minste 500 miljoen euro) ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties die op lokaal en nationaal niveau fundamentele waarden en democratie in de EU bevorderen;

xvi.

handhaving van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor de EU-27 op het niveau van de begroting 2014-2020 in reële termen, en tegelijkertijd het oorspronkelijke bedrag van de landbouwreserve in de begroting opnemen;

xvii.

verhoging van 10 % voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, overeenkomstig de nieuwe missie van het fonds inzake de blauwe economie;

xviii.

verdubbeling van de huidige financiering voor het Life+-programma, met inbegrip van specifieke budgetten voor biodiversiteit en het beheer van het Natura 2000-netwerk;

xix.

invoering van een specifieke toewijzing (4,8 miljard EUR) voor een nieuw fonds voor een rechtvaardige energietransitie om de maatschappelijke, sociaaleconomische en milieueffecten op werknemers en gemeenschappen die worden getroffen door de overgang van steenkool en koolstofafhankelijkheid aan te pakken;

xx.

versterking van het instrument/de instrumenten ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid (3,5 miljard EUR) ter verdere bevordering van de financiering van een investeringsplan voor Afrika;

xxi.

herinvoering van ten minste het niveau van 2020 voor alle agentschappen, waarbij het door de Commissie voorgestelde hogere niveau wordt verdedigd, ook voor de agentschappen, waaraan nieuwe bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn toegekend, en wordt aangedrongen op een alomvattende aanpak van de financiering van vergoedingen;

xxii.

handhaving van het niveau van de financiering voor 2014-2020 voor verschillende EU-programma's (bv. nucleaire ontmanteling, samenwerking met de landen en gebieden overzee (LGO)), met inbegrip van de programma's waarvoor wordt voorgesteld deze samen te voegen tot grotere programma's (bv. bijstand voor de meest behoeftigen, gezondheid, consumentenrechten) en waarvoor het voorstel van de Commissie dus in reële termen een verlaging inhoudt;

xxiii.

vaststelling, onder voorbehoud van bovengenoemde wijzigingen, van de financiële middelen voor alle andere programma's op het door de Commissie voorgestelde niveau, inclusief voor CEF-Energie, CEF-Digital, het programma “Digitaal Europa”, het Europees Defensiefonds en humanitaire hulp;

18.

is voornemens een toereikend niveau van financiering te waarborgen op basis van het voorstel van de Commissie inzake “Migratie en grensbeheer” (rubriek 4) en “Veiligheid en defensie”, met inbegrip van crisisrespons (rubriek 5); herhaalt het standpunt dat het sinds geruime tijd huldigt, namelijk dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen, teneinde de bestaande beleidsmaatregelen en programma's en de financiering ervan in het kader van het MFK niet te ondermijnen;

19.

is voornemens zijn steun te verlenen aan het voorstel van de Commissie inzake het waarborgen van een toereikend niveau van financiering voor een sterk, efficiënt en hoogwaardig Europees openbaar bestuur ten dienste van alle Europeanen; herinnert eraan dat de instellingen, organen en gedecentraliseerde agentschappen van de EU onder het huidige MFK een verlaging van het aantal personeelsleden met 5 % hebben doorgevoerd en is van mening dat een verdere verlaging onwenselijk is nu dit het verwezenlijken van het beleid van de Unie in gevaar zou brengen; herhaalt eens te meer sterk te zijn gekant tegen een herhaling van de zogenaamde herschikkingspool voor agentschappen;

20.

is vastberaden in de eerste jaren van het MFK 2021-2027 een nieuwe betalingscrisis zoals die van de huidige periode te voorkomen; is van mening dat bij de vaststelling van het totale maximum voor betalingen rekening moet worden gehouden met het ongekende niveau van openstaande verplichtingen aan het eind van 2020, dat voortdurend toeneemt door grote vertragingen in de tenuitvoerlegging en dat in het kader van het volgende MFK moet worden weggewerkt; vraagt daarom het algemene betalingsniveau en de jaarlijkse betalingsplafonds, vooral aan het begin van de periode, op een passend niveau vast te stellen en daarbij ook rekening te houden met deze situatie; is voornemens om voor het komende MFK slechts een beperkt en degelijk beargumenteerd verschil tussen vastleggingen en betalingen te aanvaarden;

21.

presenteert in dit kader in de bijlagen III en IV van de huidige resolutie een tabel met de exacte voorgestelde cijfers voor ieder EU-beleidsterrein en -programma; verklaart dat het voor vergelijkingsdoeleinden voornemens is de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU-programma's te handhaven, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's;

Tussentijdse herziening

22.

onderstreept dat het van belang is de tussentijdse herziening van het MFK te handhaven, waarbij wordt voortgebouwd op het positieve precedent dat in het huidige kader is gecreëerd, en dringt aan op het volgende:

i.

een verplichte en juridisch bindende tussentijdse herziening, na een evaluatie van de werking van het MFK en rekening houdend met een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling, de mainstreaming van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid, en het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de begunstigden;

ii.

het betreffende voorstel van de Commissie dient tijdig te worden gepresenteerd zodat het volgende Europees Parlement en de volgende Commissie in staat zijn een betekenisvolle aanpassing van het MFK 2021-2027 uit te voeren, in elk geval vóór 1 juli 2023;

iii.

deze herziening mag geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen;

Flexibiliteit

o

23. verwelkomt de voorstellen van de Commissie inzake flexibiliteit als een goede basis voor de onderhandelingen; gaat akkoord met de globale structuur van de flexibiliteitsmechanismen in het MFK 2021-2027; beklemtoont dat de speciale instrumenten verschillende doelstellingen hebben en tegemoetkomen aan verschillende behoeften en is gekant tegen elke poging om ze samen te voegen; is nadrukkelijk voorstander van de duidelijke bepaling dat zowel de vastleggings- als de betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten, in de begroting moeten worden meegeteld naast en bovenop de desbetreffende MFK-maxima, en dat alle beperkingen voor de overkoepelende marge voor betalingen verwijderd moeten worden; dringt aan op de invoering van een aantal aanvullende verbeteringen, met inbegrip van:

i.

de aanvulling van de reserve van de Unie met een bedrag gelijk aan de ontvangsten uit boetes en dwangsommen;

ii.

het onmiddellijk opnieuw inzetten van vrijmakingen van het jaar n-2, met inbegrip van de vastleggingen in het kader van het huidige MFK;

iii.

het ter beschikking stellen van de vervallen bedragen van de speciale instrumenten ten behoeve van alle speciale instrumenten, en niet alleen het flexibiliteitsinstrument;

iv.

een hogere toewijzing van middelen aan het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de marge voor onvoorziene uitgaven, de laatste zonder verplichte compensatie;

Duur

24.

onderstreept dat de duur van het MFK geleidelijk moet evolueren in de richting van een periode van vijf plus vijf jaar in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening; aanvaardt dat het volgende MFK moet worden vastgesteld voor een periode van zeven jaar als overgangsoplossing die nog één keer toegepast moet worden; verwacht dat de gedetailleerde regelingen voor de uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar bij de tussentijdse herziening van het MFK 2021-2027 zullen worden goedgekeurd;

Structuur

25.

is het eens met de algemene structuur van de door de Commissie voorgestelde zeven MFK-rubrieken, die grotendeels overeenkomt met het voorstel van het Parlement zelf; is van mening dat deze structuur een verhoogde transparantie en beter inzicht in de uitgaven van de EU mogelijk maakt, en tegelijkertijd de vereiste mate van flexibiliteit waarborgt; is het voorts eens met de totstandbrenging van “programmaclusters” die naar verwachting tot aanzienlijke vereenvoudiging en rationalisering van de begrotingsstructuur van de EU zullen leiden alsook tot de duidelijke afstemming van deze structuur met de MFK-rubrieken;

26.

constateert dat de Commissie voorstelt het aantal EU-programma's met meer dan een derde te verminderen; benadrukt dat het standpunt van het Parlement met betrekking tot de structuur en samenstelling van de 37 nieuwe programma's bepaald zal worden in de loop van de behandeling van de desbetreffende sectorale wetgevingshandelingen; verwacht in elk geval dat de voorgestelde begrotingsnomenclatuur alle verschillende bestanddelen van alle programma's zal weerspiegelen, en wel zodanig dat de vereiste transparantie is gewaarborgd, alsook de mate van informatie die de begrotingsautoriteit nodig heeft om de jaarlijkse begroting vast te stellen en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan;

Eenheid van de begroting

27.

is verheugd over de voorgestelde opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting van de Unie waarmee tegemoet wordt gekomen aan een reeds lang bestaande eis van het Parlement inzake niet-budgettaire instrumenten; herinnert eraan dat het beginsel van eenheid, dat bepaalt dat alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen, een in het Verdrag opgenomen eis is alsook een democratische basisvoorwaarde;

28.

plaatst derhalve vraagtekens bij de logica en rechtvaardiging die ten grondslag liggen aan de invoering van instrumenten buiten de Uniebegroting om die de parlementaire controle van overheidsfinanciën onmogelijk maakt en de transparantie van de besluitvormingsprocessen ondermijnt; is van mening dat als gevolg van het instellen van dergelijke instrumenten het Parlement in zijn drievoudige bevoegdheid als wetgevings-, begrotings- en controleautoriteit wordt gepasseerd; is voorts van mening dat wanneer uitzonderingen noodzakelijk worden geacht om specifieke doelstellingen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door middel van financieringsinstrumenten of trustfondsen, deze volledig transparant moeten zijn, ter dege gemotiveerd moeten worden met een aantoonbare additionaliteit en meerwaarde en moeten berusten op krachtige besluitvormingsprocedures en bepalingen inzake de verantwoordingsplicht;

29.

beklemtoont echter dat de opname van deze instrumenten in de begroting van de EU niet mag leiden tot een verlaging van de financiering voor andere beleidsmaatregelen en programma's van de EU; onderstreept daarom dat het algemene niveau van het komende MFK moet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de toewijzing van 0,03 % van het bni van het EU dat overeenstemt met het Europees Ontwikkelingsfonds, die moet worden toegevoegd bovenop de overeengekomen maxima;

30.

benadrukt dat de MFK-maxima geen belemmering mogen vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie; verwacht derhalve dat een opwaartse herziening van de MFK-plafonds zal zijn gewaarborgd wanneer dat dit nodig is voor de financiering van nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele financieringsmethoden;

B.   WETGEVINGSKWESTIES

Rechtsstaat

31.

benadrukt het belang van het nieuwe mechanisme dat eerbiediging van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde waarden waarborgt, waarbij lidstaten die deze waarden niet eerbiedigen hiervan financiële gevolgen ondervinden; benadrukt echter dat de uiteindelijke begunstigden van de begroting van de Unie op geen enkele manier gestraft mogen worden voor door hun overheden begane schendingen van de rechtsstaat en grondrechten; onderstreept derhalve dat dergelijke maatregelen de verplichting van overheidsinstanties of van lidstaten tot het doen van betalingen aan uiteindelijke begunstigden of ontvangers, onverlet laten;

Gewone wetgevingsprocedure en gedelegeerde handelingen

32.

benadrukt dat de programmadoelstellingen en uitgavenprioriteiten, financiële toewijzingen, subsidiabiliteit, selectie- en gunningscriteria, voorwaarden, definities en berekeningsmethoden in de desbetreffende wetgeving moeten worden vastgesteld, met volledige inachtneming van de prerogatieven van het Parlement als medewetgever; benadrukt dat wanneer dergelijke maatregelen, die belangrijke beleidskeuzes kunnen inhouden, niet in de basishandeling zijn opgenomen, deze door middel van gedelegeerde handelingen moeten worden vastgesteld; is in dit opzicht van mening dat meerjarige en/of jaarlijkse werkprogramma's in het algemeen door middel van gedelegeerde handelingen dienen te worden vastgesteld;

33.

verklaart voornemens te zijn om, waar nodig, de bepalingen inzake bestuur, verantwoordingsplicht, transparantie en parlementair toezicht, inzake de versterking van de positie van de lokale en regionale autoriteiten en hun partners, alsook inzake de betrokkenheid van ngo's en het maatschappelijk middenveld bij de volgende generatie programma's, te versterken; is ook van plan om, waar nodig, de samenhang en synergieën tussen en binnen de verschillende fondsen en beleidslijnen te verbeteren en te verduidelijken; erkent de noodzaak van meer flexibiliteit bij de toewijzing van middelen binnen bepaalde programma's, maar benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de oorspronkelijke en langetermijnbeleidsdoelstellingen, van de voorspelbaarheid en van de rechten van het Parlement;

Herzieningsclausules

34.

wijst erop dat gedetailleerde en doeltreffende herzieningsclausules in de individuele MFK-programma's en -instrumenten dienen te worden opgenomen teneinde erop toe te zien dat hier betekenisvolle beoordelingen van worden uitgevoerd en dat het Parlement vervolgens volledig betrokken is bij alle beslissingen inzake de vereiste aanpassingen;

Wetgevingsvoorstellen

35.

roept de Commissie op de desbetreffende wetgevingsvoorstellen in te dienen naast de reeds ingediende voorstellen, en met name een voorstel voor een verordening tot instelling van een fonds voor een rechtvaardige energietransitie en een specifiek programma voor duurzaam toerisme; steunt voorts de invoering van de Europese kindergarantie in het ESF+, de integratie van een specifiek onderdeel “waarden van de Unie” in het programma “Rechten en waarden” en een herziening van de verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie; betreurt dat de desbetreffende voorstellen van de Commissie geen maatregelen bevatten die voldoen aan de vereisten van artikel 174 VWEU met betrekking tot de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid en insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; is van mening dat een voorstel tot herziening van het Financieel Reglement dient te volgen wanneer dit noodzakelijk blijkt als gevolg van de MFK-onderhandelingen;

C.

EIGEN MIDDELEN

36.

benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen uiterst complex, onbillijk en ondoorzichtig en voor de burgers van de EU volledig onbegrijpelijk is; pleit derhalve nogmaals voor een vereenvoudigd stelsel dat voor de EU-burgers beter te begrijpen is;

37.

is in dit opzicht verheugd over de op 2 mei 2018 goedgekeurde reeks voorstellen van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen en ziet dit als een belangrijke stap richting een ambitieuzere hervorming; verzoekt de Commissie rekening te houden met Advies nr. 5/2018 van de Europese Rekenkamer betreffende het voorstel van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, waarin wordt onderstreept dat de berekeningen moeten worden verbeterd en dat het stelsel verder moet worden vereenvoudigd;

38.

herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen een tweeledig doel moet dienen: ten eerste om het aandeel van de bni-bijdragen aanzienlijk te verminderen en ten tweede om een adequate financiering van de EU-uitgaven in het kader van het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 te waarborgen;

39.

is voorstander van de voorgestelde modernisering van de bestaande eigen middelen, onder meer door:

de douanerechten als traditionele eigen middelen voor de EU ongewijzigd te laten, maar het percentage dat de lidstaten als “inningskosten” inhouden te verlagen en opnieuw het aanvankelijke percentage, namelijk 10 %, te hanteren;

de op de belasting over de toegevoegde waarde gebaseerde eigen middelen te vereenvoudigen door de introductie van een uniform afroepingspercentage zonder uitzonderingen;

handhaving van de op het bni gebaseerde eigen middelen teneinde het aandeel hiervan in de EU-financiering geleidelijk de 40 % te laten naderen met behoud van de balancerende werking ervan;

40.

vraagt in dit kader, overeenkomstig het voorstel van de Commissie, om de geprogrammeerde invoering van een pakket van nieuwe eigen middelen dat, zonder de fiscale lasten te verzwaren voor de Europese burgers, zou overeenstemmen met twee essentiële doelstellingen van de EU die een onmiskenbare en onvervangbare Europese meerwaarde bieden:

de goede werking, consolidatie en versterking van de interne markt, met name door toepassing van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) als basis voor nieuwe eigen middelen door de vaststelling van een uniform heffingstarief op de ontvangsten uit de CCCTB, en de belasting van grote ondernemingen in de digitale sector die profiteren van de interne markt;

de strijd tegen de klimaatverandering en de versnelling van de energietransitie door maatregelen die onder meer betrekking hebben op een aandeel van de inkomsten van het emissiehandelssysteem;

de strijd voor de bescherming van het milieu via een bijdrage op basis van de hoeveelheid niet-gerecyclede plastic verpakkingen;

41.

dringt aan op uitbreiding van de lijst van mogelijke nieuwe eigen middelen in de komende jaren, met onder meer:

eigen middelen op basis van een belasting op financiële transacties (FTT), waarbij alle lidstaten worden opgeroepen overeenstemming te bereiken over een efficiënte regeling;

de invoering van een mechanisme voor een koolstofgrenscorrectie als nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU-begroting, wat moet leiden tot een gelijk speelveld in de internationale handel en tot minder productieverplaatsingen doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van ingevoerde goederen;

42.

is groot voorstander van de afschaffing van alle kortingen en andere correctiemechanismen, in voorkomend geval door middel van een beperkte periode van uitfasering;

43.

dringt aan op de invoering van andere ontvangsten die extra inkomsten voor de EU-begroting zouden vormen zonder dat dit een overeenkomstige verlaging van de bni-bijdragen met zich meebrengt:

door ondernemingen te betalen boetes voor het schenden van de regelgeving van de Unie of voor te late betalingen van bijdragen;

de opbrengsten van boetes die voortvloeien uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met inbegrip van forfaitaire bedragen of dwangsommen die aan de lidstaten zijn opgelegd als gevolg van inbreukprocedures;

44.

onderstreept bovendien het belang van de invoering van andere vormen van inkomsten, in overeenstemming met de voorstellen van de Commissie, in het geval van:

vergoedingen die betaald moeten worden voor de toepassing van mechanismen die in rechtstreeks verband met de EU staan, zoals het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias);

seigniorage, in de vorm van bestemmingsontvangsten, voor het financieren van een nieuwe stabilisatiefunctie voor investeringen;

45.

benadrukt dat het van belang is de geloofwaardigheid van de EU-begroting ten opzichte van de financiële markten te waarborgen, hetgeen een verhoging van de maxima van de eigen middelen impliceert;

o

46. verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om de paradoxale situatie op te lossen waarbij bijdragen van het Verenigd Koninkrijk aan de vóór 2021 nog te betalen vastleggingen in de begroting (RAL) zullen worden opgenomen als algemene inkomsten en dus worden meegeteld bij de vaststelling van het plafond voor de eigen middelen, maar dat hetzelfde plafond zal worden berekend op basis van het bni van de EU-27, dus zonder het Verenigd Koninkrijk, zodra dat land uit de EU is getreden; is van mening dat de bijdragen van het Verenigd Koninkrijk daarentegen moeten worden berekend bovenop het plafond voor de eigen middelen;

47.

vestigt de aandacht op het feit dat de douane-unie een belangrijke bron van de financiële capaciteit van de Unie is; benadrukt in dit verband dat de douanecontrole en het douanemanagement in de hele Unie moeten worden geharmoniseerd om fraude en onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schaden, te voorkomen en te bestrijden;

o

48. dringt aan op een werkelijk doeltreffende bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking, met de invoering van afschrikkende sancties, voor offshore-gebieden en voor degenen die dergelijke activiteiten mogelijk maken of bevorderen, met name en als eerste stap, voor degenen die actief zijn op het Europese vasteland; is van mening dat de lidstaten moeten samenwerken door een gecoördineerd systeem van toezicht op het kapitaalverkeer op te zetten om belastingontduiking, belastingontwijking en het witwassen van geld te bestrijden;

o

49. is van oordeel dat een doeltreffende bestrijding van corruptie en belastingfraude door multinationals en de allerrijksten het mogelijk maakt om een door de Commissie geraamd bedrag van 1 biljoen EUR per jaar terug te doen vloeien naar de nationale begrotingen van de lidstaten en dat het optreden van de Europese Unie op dit gebied serieus is tekortgeschoten;

o

50. is groot voorstander van de indiening door de Commissie van een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0327); herinnert eraan dat de goedkeuring van het Parlement voor deze verordening vereist is; herinnert eraan dat deze verordening integraal deel uitmaakt van het pakket eigen middelen dat door de Commissie is voorgesteld en verwacht dat de Raad de vier bijbehorende teksten over de eigen middelen behandelt als één pakket, samen met het MFK;

D.   WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING BETREFFENDE HET MFK 2021-2027

51.

is van mening dat het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 als volgt moet worden gewijzigd:

Wijziging 1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(1)

Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn, dient de looptijd van het meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021.

(1)

Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn en er behoefte is aan democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht , dient de looptijd van dit meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021 , met op termijn een overgang naar een periode van vijf plus vijf jaar in overeenstemming met de politieke cyclus van het Europees Parlement en de Commissie .

Wijziging 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(2)

De jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten die bij het MFK worden vastgesteld, moeten de toepasselijke maxima voor de vastleggingskredieten en de eigen middelen in acht nemen die worden vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU .

(2)

In het MFK dienen jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en jaarlijkse maxima voor betalingskredieten te worden vastgesteld teneinde een geordende ontwikkeling van de uitgaven van de Europese Unie te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen, waarbij tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat de Unie in staat is in de middelen te voorzien die nodig zijn voor het verwezenlijken van haar doelstellingen en beleid overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en zij aan haar verplichtingen tegenover derden uit hoofde van artikel 323 VWEU kan voldoen.

Wijziging 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(2 bis)

De hoogte van de maximumbedragen moet worden bepaald op basis van de bedragen die nodig zijn voor de financiering en uitvoering van de programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, alsook voor de vereiste marges die moeten worden aangehouden voor eventuele aanpassingen aan toekomstige behoeften. Bij vaststelling van de maxima voor de betalingskredieten moet bovendien rekening worden gehouden met de grote hoeveelheid openstaande verplichtingen die eind 2020 verwacht worden. De bedragen die in deze verordening alsook in de basishandelingen voor de programma's voor de periode 2021-2027 worden vastgesteld, moeten worden uitgedrukt in prijzen van 2018 en omwille van de eenvoud en de voorspelbaarheid worden bijgesteld op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar.

Wijziging 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(3)

Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel [208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna “het Financieel Reglement” genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK met inachtneming van het maximum van de eigen middelen.

(3)

Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel [208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna “het Financieel Reglement” genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK en dient dit bedrag derhalve in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van het maximum van de eigen middelen.

Wijziging 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(4)

In het MFK dient geen rekening te worden gehouden met de begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement.

(4)

Begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement moeten niet worden meegeteld bij de vaststelling van de MFK-maxima; het is echter wel zaak erop toe te zien dat tijdens de vaststelling en uitvoering van de jaarlijkse begrotingsprocedure alle beschikbare informatie in volledig transparante vorm bekend wordt gemaakt.

Wijziging 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(6)

Er dient specifiek de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht om de Unie in staat te stellen overeenkomstig artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ( VWEU) aan haar verplichtingen te voldoen.

(6)

In het kader van het MFK dient de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht , met name om te waarborgen dat de Unie in staat is overeenkomstig de artikelen 311 en  323 van het VWEU aan haar verplichtingen te voldoen.

Wijziging 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(7)

De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven . De reserve voor noodhulp is niet bedoeld voor het aanpakken van de gevolgen van marktgerelateerde crises die de landbouwproductie of -distributie treffen. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.

(7)

De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de jaarlijkse begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen ), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.

Wijziging 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(7 bis)

Meer in het bijzonder moeten de Unie en haar lidstaten weliswaar al het mogelijke doen om te waarborgen dat de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde vastleggingen op effectieve wijze voor hun oorspronkelijke doel worden gebruikt, maar moet het ook mogelijk zijn niet-uitgevoerde of vrijgemaakte vastleggingskredieten via de reserve van de Unie voor vastleggingen te mobiliseren, mits dit begunstigden niet de gelegenheid geeft de desbetreffende doorhalingsregels te omzeilen.

Wijziging 9

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(9)

Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen goedgekeurde maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten .

(9)

Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met de schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen.

Wijziging 10

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(10)

Halverwege de uitvoering van het MFK moet de werking ervan worden geëvalueerd . De resultaten van deze evaluatie dienen in iedere herziening van deze verordening voor de resterende jaren van het MFK in aanmerking te worden genomen.

(10)

Teneinde nieuwe beleidsmaatregelen en prioriteiten in aanmerking te kunnen nemen, moeten de werking en uitvoering van het MFK halverwege de uitvoering ervan worden geëvalueerd , met inbegrip van een verslag waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.

Wijziging 11

Voorstel voor een verordening

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(10 bis)

Om te voldoen aan de verbintenis van de Unie om voorop te lopen bij de uitvoering van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van gendergelijkheid, wordt bij de herziening van het MFK rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering ervan in alle beleidsmaatregelen en initiatieven van de EU in het kader van het MFK 2021-2027, gemeten aan de hand van door de Commissie opgestelde prestatie-indicatoren, alsook met de vooruitgang bij de integratie van gendermainstreaming in alle EU-activiteiten. Bij de voorbereiding van de herziening van het MFK wordt ook rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de algemene doelstelling om in de periode 2021-2027 van het MFK 25 % van de EU-uitgaven aan het behalen van de klimaatdoelstellingen te besteden, en met de verwezenlijking van een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 % zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2027, gemeten op basis van hervormde prestatie-indicatoren die een onderscheid maken tussen mitigatie en aanpassing. Bij de herziening moet ook, in overleg met de nationale en lokale belanghebbenden, worden beoordeeld of de goedgekeurde vereenvoudigingsmaatregelen daadwerkelijk hebben geleid tot een vermindering van de bureaucratische rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de programma's.

Wijziging 12

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(12 bis)

Alle uitgaven op het niveau van de Unie die zijn toegewezen aan de tenuitvoerlegging van het Uniebeleid op basis van de Verdragen worden als uitgaven van de Unie beschouwd in de zin van artikel 310, lid 1 VWEU, en dienen derhalve te worden opgenomen in de begroting van de Unie overeenkomstig de in artikel 314 VWEU vastgelegde begrotingsprocedure, waarmee wordt gewaarborgd dat de fundamentele beginselen van democratische vertegenwoordiging van de burgers bij de besluitvormingsprocessen, de parlementaire controle van overheidsfinanciën en de transparantie van de besluitvormingsprocessen worden geëerbiedigd. De MFK-maxima mogen geen belemmering vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie. Het is derhalve noodzakelijk te voorzien in een opwaartse herziening van het MFK op de momenten dat dit nodig is voor de financiering van Uniebeleid, met name voor nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden.

Wijziging 13

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(13)

Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. Er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor de bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan deze projecten om er aldus voor te zorgen dat zij geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd.

(13)

Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. De financiering van deze grootschalige projecten, die van strategisch belang zijn voor de Unie, moet worden gewaarborgd in de algemene begroting van de Unie , maar er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor bijdragen van de Unie aan deze projecten, zodat eventuele kostenoverschrijdingen geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd;

Wijziging 14

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(14)

In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd.

(14)

In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor transparantie en interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd , met inachtneming van de begrotingsbevoegdheden van de instellingen als vastgesteld in de Verdragen, teneinde erop toe te zien dat begrotingsbesluiten zo transparant mogelijk worden genomen met zo min mogelijk afstand tot de burgers, zoals bepaald in artikel 10, lid 3, VWEU, en dat de begrotingsprocedure vlot verloopt, zoals bepaald in artikel 312, lid 3, tweede alinea, VWEU .

Wijziging 15

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(15)

De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen opdat de instellingen dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK kunnen aannemen . Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,

(15)

De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen . Dit tijdschema geeft de nieuwe Commissie voldoende tijd om haar voorstellen te formuleren en stelt het Europees Parlement dat in 2024 verkozen wordt in staat om zijn eigen standpunt te formuleren inzake het MFK na 2027. Dit stelt de instellingen bovendien in staat dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK aan te nemen . Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,

Wijziging 16

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 1 — Artikel 3 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Inachtneming van het maximum van de eigen middelen

Samenhang met de eigen middelen

Wijziging 17

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 1 — Artikel 3 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

4.   Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet tot een hoger afroepingspercentage van de eigen middelen leiden dan het maximum dat is vastgesteld overeenkomstig het geldende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (hierna “het eigenmiddelenbesluit” genoemd), dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.

4.   Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet zodanig zijn dat het afroepingspercentage van de eigen middelen de grenzen van de eigen middelen van de Unie overschrijdt, onverminderd de verplichting van de Unie zich te voorzien van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, VWEU, en de verplichting van de instellingen om te waarborgen dat de Unie de beschikking heeft over de financiële middelen die nodig zijn voor het voldoen aan haar juridische verplichtingen jegens derden in overeenstemming met artikel 323, VWEU.

Wijziging 18

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 1 — Artikel 3 — lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

5.     Indien nodig worden de in het MFK vastgestelde maxima verlaagd om ervoor te zorgen dat het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen in acht wordt genomen.

Schrappen

Wijziging 19

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 2 — Artikel 5 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

4.     Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8 worden er geen andere technische aanpassingen verricht ten aanzien van het betrokken jaar, noch in de loop van het begrotingsjaar, noch bij wijze van correctie achteraf in latere jaren.

Schrappen

Wijziging 20

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 2 — Artikel 7 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Aanpassingen in verband met maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten

Aanpassingen in verband met de schorsing van begrotingsvastleggingen

Wijziging 21

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 2 — Artikel 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen betreffende de fondsen van de Unie overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven in de context van maatregelen in verband met gezond economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten , worden de bedragen van de geschorste vastleggingen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd.

Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven, worden de overeenkomstige bedragen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd. Vanaf jaar n+3 wordt een bedrag gelijk aan de geschorste vastleggingen opgevoerd in de in artikel 12 bedoelde reserve van de Unie voor vastleggingen.

Wijziging 22

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 10 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.   Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie , waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad, mag het jaarlijkse maximumbedrag van 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.

1.   Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie heeft tot doel financiële bijstand mogelijk te maken in het geval van grote rampen op het grondgebied van een van de lidstaten of kandidaat-lidstaten zoals vastgesteld in de desbetreffende basishandeling, en mag het jaarlijkse maximumbedrag van 1 miljard  EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.

Wijziging 23

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 10 — lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

1 bis.     De kredieten voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

Wijziging 24

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 11 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.   Het jaarlijkse bedrag van de reserve wordt vastgesteld op 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het Financieel Reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.

2.   Het jaarlijkse bedrag van de reserve voor noodhulp wordt vastgesteld op 1 miljard  EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het financieel reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste 150 miljoen EUR (prijzen van 2018) van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.

Wijziging 25

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 12 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie)

Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen )

Wijziging 26

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 12 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.   De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2022 tot en met 2027, omvat:

(a)

de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van het jaar n-1 ;

(b)

vanaf 2023, naast de onder a) bedoelde marges, een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement.

1.   De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen ) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2027, omvat:

(a)

de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van voorgaande jaren ;

(a bis)

niet-uitgevoerde vastleggingskredieten van het jaar n-1;

(b )

een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement;

(b bis)

een bedrag gelijk aan het bedrag van de geschorste vastleggingen van het jaar n-3 die niet meer in de begroting opgenomen mogen worden overeenkomstig artikel 7;

(b ter)

een bedrag gelijk aan het bedrag van de ontvangsten uit boetes en dwangsommen.

Wijziging 27

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 12 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.   De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU.

2.   De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen ) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU. De marges van jaar n kunnen via de reserve van de Unie voor vastleggingen voor het jaar n en het jaar n+1 worden gebruikt op voorwaarde dat dit niet strijdig is met hangende of geplande gewijzigde begrotingen.

Wijziging 28

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 12 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

3 bis.     Aan het eind van 2027 worden de bedragen die nog beschikbaar zijn uit hoofde van de reserve van de Unie voor vastleggingen, tot 2030 overgedragen naar het volgende MFK.

Wijziging 29

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 13 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 1 000  miljoen EUR (prijzen van 2018).

Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd , of in het kader van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de reserve voor noodhulp . Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 2 miljard EUR (prijzen van 2018).

Wijziging 30

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 14 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.   Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,03  % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken.

1.   Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,05  % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken. Deze mag voor zowel vastleggings- als betalingskredieten worden gebruikt, dan wel alleen voor betalingskredieten.

Wijziging 31

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 14 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.   De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK , en blijft binnen het plafond van de eigen middelen .

2.   De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK.

Wijziging 32

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 14 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

3.     De uit de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar gestelde middelen worden volledig verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende begrotingjaar of voor toekomstige begrotingsjaren.

Schrappen

Wijziging 33

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 — Artikel 14 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

4.     De overeenkomstig lid 3 verrekende middelen mogen niet verder binnen het MFK worden aangewend. Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven mag niet leiden tot overschrijding van de totale maxima die in het MFK voor de vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en voor toekomstige begrotingsjaren zijn vastgesteld.

Schrappen

Wijziging 34

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Evaluatie en herziening van het MFK

Herzieningen

Wijziging 35

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 — Artikel 15 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.   Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, kan het MFK in geval van onvoorziene omstandigheden worden herzien met inachtneming van het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen.

1.   Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, worden de desbetreffende MFK-maxima opwaarts herzien in het geval dit nodig is om de financiering van het Uniebeleid te vergemakkelijken, met name waar het nieuwe beleidsdoelstellingen betreft, en in omstandigheden waarin anders aanvullende intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden zouden moeten worden ingericht die de in artikel 314 VWEU bedoelde begrotingsprocedure zouden omzeilen.

Wijziging 36

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 — Artikel 15 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

3.     Bij een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 worden de mogelijkheden onderzocht voor een herschikking van uitgaven tussen de programma's die onder de rubriek vallen waarop de herziening betrekking heeft, met name op basis van een verwachte onderbesteding van de kredieten.

Schrappen

Wijziging 37

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 — Artikel 16 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Tussentijdse evaluatie van het MFK

Tussentijdse herziening van het MFK

Wijziging 38

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 — Artikel 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Vóór 1 januari 2024 presenteert de Commissie een evaluatie van de werking van het MFK. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

Vóór 1  juli 2023 presenteert de Commissie een wetgevingsvoorstel inzake de herziening van deze verordening overeenkomstig de in het VWEU bedoelde procedures op basis van een evaluatie van de werking van het MFK. Onverminderd artikel 6 van deze verordening mag deze herziening geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen.

Bij de opstelling van het voorstel wordt rekening gehouden met een beoordeling van:

vooruitgang in de richting van de algemene doelstelling om in de periode 2021-2027 van het meerjarig financieel kader 25 % van de EU-uitgaven aan klimaatdoelstellingen bij te dragen, en zo spoedig mogelijk naar een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 %;

de mainstreaming van de doelstellingen van de VN inzake duurzame ontwikkeling;

de mainstreaming van het genderperspectief in de begroting van de Unie (gender budgettering);

het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de vermindering van de administratieve rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de financiële programma's, uit te voeren in overleg met de belanghebbenden;

Wijziging 39

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 — Artikel 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, dient zij waar nodig tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, of wanneer de betalingsplafonds de Unie mogelijk beletten aan haar juridische verbintenissen te voldoen, dient zij tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.

Wijziging 40

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 5 — Artikel 21 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.    Een maximumbedrag van 14 196  miljoen EUR ( in prijzen van 2018 ) wordt voor de grootschalige projecten in het kader van [Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad — ruimtevaartprogramma] uit de algemene begroting van de Unie ter beschikking gesteld voor de periode 2021-2027 .

1.    Voor de Europese satellietnavigatieprogramma's (EGNOS en Galileo) en Copernicus ( het Europees programma voor aardobservatie ) is voor de periode 2021-2027 een maximumbedrag uit de algemene begroting van de Unie gezamenlijk beschikbaar. Dit maximumbedrag wordt vastgesteld op 15 % boven de indicatieve bedragen vastgesteld voor beide grootschalige projecten in het kader van [Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad — ruimtevaartprogramma] . Een verhoging binnen dit maximumbedrag wordt gefinancierd uit de marges of de speciale instrumenten en mag niet leiden tot bezuinigingen op andere programma's en projecten.

Wijziging 41

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 5 — Artikel 21 — lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

2 bis.     Indien zich aanvullende financieringsbehoeften van de Uniebegroting voordoen voor bovenstaande grootschalige projecten, zal de Commissie een voorstel doen de MFK-maxima dienovereenkomstig te wijzigen.

Wijziging 42

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Wijziging 43

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 — Artikel 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Wijziging 44

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 — Artikel 22 — alinea 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

Zowel het Europees Parlement als de Raad worden door leden van de respectievelijke instellingen vertegenwoordigd bij bijeenkomsten op politiek niveau.

Wijziging 45

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 — Artikel 22 — lid 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.

Wijziging 46

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 — Artikel 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel [7] van het Financieel Reglement , inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.

De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel  310, lid 1, VWEU , inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.

Wijziging 47

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 7 — Artikel 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.

Vóór 1 juli 2023 dient de Commissie samen met haar voorstellen voor de tussentijdse herziening een verslag in waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.

Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.

Indien vóór 31 december 2027 geen verordening van de Raad tot bepaling van een nieuw MFK is vastgesteld, blijven de maxima voor het laatste door het bestaand MFK bestreken jaar en andere bepalingen van deze verordening van toepassing totdat een nieuwe verordening is vastgesteld. Indien na 2020 nieuwe lidstaten tot de Europese Unie toetreden, wordt het verlengd financieel kader zo nodig herzien om rekening te houden met de toetreding.

E.   WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

52.

Benadrukt dat het voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, naar aanleiding van de resultaten van de onderhandeling over en vaststelling van een nieuwe MFK-verordening als volgt moet worden gewijzigd:

Wijziging 48

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling A — punt 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

6 bis

. In afzonderlijke tabellen worden indicatief gegevens verschaft over de operaties die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen en over de vermoedelijke ontwikkeling van de verschillende categorieën eigen middelen van de Unie. Deze gegevens worden jaarlijks bijgewerkt, samen met de documenten die bij de ontwerpbegroting worden gevoegd.

Wijziging 49

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling A — punt 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

7.

De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende marges beschikbaar blijven.

7.

De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende bedragen binnen de marges beschikbaar blijven of binnen de beschikbare speciale instrumenten .

Wijziging 50

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling A — punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten na 2027

8.

De Commissie actualiseert de prognoses voor de betalingskredieten na 2027 in 2024 .

Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.

Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten

8.

Ieder jaar actualiseert de Commissie de prognoses voor de betalingskredieten tot en na 2027 .

Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.

Wijziging 51

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B — punt 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

9.

Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.

9.

Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, stelt de Commissie voor middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.

Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.

Wijziging 52

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B — punt 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

10.

Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel voor het passende begrotingsinstrument overeenkomstig het Financieel Reglement.

10.

Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het solidariteitsfonds beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.

Overschrijvingen voor het Solidariteitsfonds geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Wijziging 53

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B — punt 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

11.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.

11.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.

Wijziging 54

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B — punt 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Flexibiliteitsinstrument

12.

De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij alle mogelijkheden heeft onderzocht om kredieten te herschikken binnen de rubriek die aanvullende uitgaven vergt .

In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld . Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

Flexibiliteitsinstrument

12.

De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij de marges binnen de desbetreffende rubrieken heeft benut .

In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

Wijziging 55

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B — punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

13.

De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

13.

De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

Wijziging 56

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel II

Afdeling A — punt 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

14 bis.

Teneinde de vaststelling of herziening van een nieuw MFK te vergemakkelijken en uitvoering te geven aan artikel 312, lid 5, VWEU, komen de instellingen regelmatig bijeen, en wel in de vorm van:

bijeenkomsten van de voorzitters overeenkomstig artikel 324 van het Verdrag;

voor- en nabesprekingen tussen een delegatie van het Europees Parlement en het voorzitterschap van de Raad, voor en na relevante bijeenkomsten van de Raad;

informele trilaterale bijeenkomsten tijdens de besprekingen van de Raad die tot doel hebben de standpunten van het Parlement in de door het voorzitterschap van de Raad geproduceerde documenten op te nemen;

trialogen zodra zowel het Parlement als de Raad hun onderhandelingsmandaten hebben vastgesteld;

aanwezigheid van het voorzitterschap van de Raad bij bijeenkomsten van de betrokken commissie van het Parlement, en aanwezigheid van het onderhandelingsteam van het Parlement bij bijeenkomsten van de betreffende Raadsformatie.

Het Parlement en de Raad zenden elkaar alle documenten toe die formeel zijn aangenomen in hun respectieve voorbereidende instanties of die formeel namens hen zijn ingediend, zodra deze beschikbaar zijn.

Wijziging 57

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel II

Afdeling B — punt 15 — streepje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen;

de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen , die niet uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, maar in stand worden gehouden ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie uit hoofde van de Verdragen ;

Wijziging 58

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel II

Afdeling B — punt 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

15 bis.

Bij de uitvoering van autonome overschrijvingen overeenkomstig artikel 30, lid 1, van het Financieel Reglement, stelt de Commissie de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte van de gedetailleerde redenen voor dergelijke overschrijvingen. Indien het Parlement of de Raad bedenkingen ten aanzien van een autonome overschrijving uit, zal de Commissie hierop reageren en de overschrijving in voorkomend geval ongedaan maken.

Wijziging 59

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel III

Afdeling A — punt 24 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

24 bis.

Indien de begrotingsautoriteit in het kader van de begrotingsprocedure besluit tot specifieke verhogingen over te gaan, verrekent de Commissie deze niet in de financiële programmering voor de daaropvolgende jaren, tenzij de begrotingsautoriteit hier uitdrukkelijk om verzoekt.

Wijziging 60

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel A — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

1 bis.

De instellingen verbinden zich ertoe elkaar tijdens de recesperiodes geen niet-urgente begrotingsposities, overschrijvingen of andere kennisgevingen te doen toekomen die onderhevig zijn aan een uiterste termijn, teneinde te waarborgen dat de instellingen hun procedurele prerogatieven naar behoren kunnen uitoefenen.

De diensten van de instellingen geven elkaar tijdig de recesdata van hun respectieve instellingen door.

Wijziging 61

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel B — punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.

Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken.

2.

Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken , alsook eventuele vragen naar aanleiding van de uitvoering van de begroting voor het huidige financiële jaar .

Wijziging 62

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel C — punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

8.

Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen en gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.

8.

Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen , met name door elkaar alle procedurele documenten toe te zenden die hun respectieve voorbereidende instanties hebben aangenomen, zodra deze beschikbaar zijn. Zij verbinden zich er eveneens toe gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.

Wijziging 63

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel D — punt 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

12 bis.

Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.

Wijziging 64

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel E — punt 15 — laatste zin

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

15.

Het Europees Parlement en de Raad worden op een passend niveau vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodanig dat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.

15.

Het Europees Parlement en de Raad worden elk door leden van beide instellingen vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.

Wijziging 65

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel E — punt 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

19.

De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen.

19.

De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen. Aanvullende bijeenkomsten, ook op technisch niveau, kunnen gedurende de bemiddelingsprocedure naar wens worden georganiseerd.

Wijziging 66

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel E — punt 21 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

21 bis.

Teneinde de bemiddelingsperiode van 21 dagen voorzien in het Verdrag optimaal te benutten en de instellingen de mogelijkheid te bieden om hun respectieve onderhandelingsposities bij te stellen, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe de stand van zaken van de bemiddelingsprocedure te evalueren bij iedere vergadering van hun relevante voorbereidende instanties die in voornoemde periode plaatsvindt, en om hiermee niet te wachten tot de laatste fase daarvan.

Wijziging 67

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel G — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Deel G. Reste à liquider (RAL)

Deel G. Begrotingsuitvoering, betalingen en reste à liquider (RAL)

Wijziging 68

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel G — punt 36

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

36.

Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.

Om in alle hoofdstukken een houdbaar beheer en profiel van de betalingen te waarborgen, worden in alle rubrieken de doorhalingsregels, en met name de regels inzake automatische doorhalingen, strikt toegepast.

Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021-2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.

36.

Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op de betalingsprognoses en het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.

Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses voor de korte tot lange termijn . Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021-2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.

o

o o

53.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075 en P8_TA(2018)0076.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.

(3)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 249.

(4)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.

(5)  PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.


Bijlage I — MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in prijzen van 2018)

(miljoen EUR — in prijzen van 2018)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I.

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

166 303

31 035

31 006

31 297

30 725

30 615

30 757

30 574

216 010

II.

Cohesie en waarden

391 974

60 026

62 887

64 979

65 785

66 686

69 204

67 974

457 540

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

330 642

52 143

52 707

53 346

53 988

54 632

55 286

55 994

378 097

III.

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

336 623

57 780

57 781

57 789

57 806

57 826

57 854

57 881

404 718

IV.

Migratie en grensbeheer

30 829

3 227

4 389

4 605

4 844

4 926

5 066

5 138

32 194

V.

Veiligheid en defensie

24 323

3 202

3 275

3 223

3 324

3 561

3 789

4 265

24 639

VI.

Nabuurschap en internationaal beleid

108 929

15 368

15 436

15 616

15 915

16 356

16 966

17 729

113 386

VII.

Europees openbaar bestuur

75 602

10 388

10 518

10 705

10 864

10 910

11 052

11 165

75 602

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

58 547

8 128

8 201

8 330

8 432

8 412

8 493

8 551

58 547

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 134 583

181 025

185 293

188 215

189 262

190 880

194 688

194 727

1 324 089

als % van het bni

1,11  %

1,29  %

1,31  %

1,31  %

1,30  %

1,30  %

1,31  %

1,29  %

1,30  %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 104 805

174 088

176 309

186 391

187 490

188 675

189 961

191 398

1 294 311

als % van het bni

1,08  %

1,24  %

1,24  %

1,30  %

1,29  %

1,28  %

1,28  %

1,27  %

1,27  %

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 400

200

200

200

200

200

200

200

1 400

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Flexibiliteitsinstrument

7 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

14 000

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

9 223

753

970

1 177

1 376

1 567

1 707

1 673

9 223

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

26 023

4 953

5 170

5 377

5 576

5 767

5 907

5 873

38 623

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 160 606

185 978

190 463

193 592

194 838

196 647

200 595

200 600

1 362 712

als % van het bni

1,14  %

1,32  %

1,34  %

1,35  %

1,34  %

1,34  %

1,35  %

1,33  %

1,34  %


Bijlage II — MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in lopende prijzen)

(miljoen EUR — lopende prijzen)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I.

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

187 370

32 935

33 562

34 555

34 601

35 167

36 037

36 539

243 395

II.

Cohesie en waarden

442 412

63 700

68 071

71 742

74 084

76 601

81 084

81 235

516 517

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

373 000

55 335

57 052

58 899

60 799

62 756

64 776

66 918

426 534

III.

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

378 920

61 316

62 544

63 804

65 099

66 424

67 785

69 174

456 146

IV.

Migratie en grensbeheer

34 902

3 425

4 751

5 084

5 455

5 658

5 936

6 140

36 448

V.

Veiligheid en defensie

27 515

3 397

3 545

3 559

3 743

4 091

4 439

5 098

27 872

VI.

Nabuurschap en internationaal beleid

123 002

16 308

16 709

17 242

17 923

18 788

19 878

21 188

128 036

VII.

Europees openbaar bestuur

85 287

11 024

11 385

11 819

12 235

12 532

12 949

13 343

85 287

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

66 028

8 625

8 877

9 197

9 496

9 663

9 951

10 219

66 028

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 279 408

192 105

200 567

207 804

213 140

219 261

228 107

232 717

1 493 701

als % van het bni

1,11  %

1,29  %

1,31  %

1,31  %

1,30  %

1,30  %

1,31  %

1,29  %

1,30  %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 246 263

184 743

190 843

205 790

211 144

216 728

222 569

228 739

1 460 556

als % van het bni

1,08  %

1,24  %

1,24  %

1,30  %

1,29  %

1,28  %

1,28  %

1,27  %

1,27  %

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 578

212

216

221

225

230

234

239

1 578

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Flexibiliteitsinstrument

7 889

2 122

2 165

2 208

2 252

2 297

2 343

2 390

15 779

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

10 500

800

1 050

1 300

1 550

1 800

2 000

2 000

10 500

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

29 434

5 256

5 596

5 937

6 279

6 624

6 921

7 019

43 633

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 308 843

197 361

206 163

213 741

219 419

225 885

235 028

239 736

1 537 334

als % van het bni

1,14  %

1,32  %

1,34  %

1,35  %

1,34  %

1,34  %

1,35  %

1,33  %

1,34  %


Bijlage III — MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in prijzen van 2018)

N.B.: voor vergelijkingsdoeleinden houdt de tabel de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU-programma's aan, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's.

(miljoen EUR — in prijzen van 2018)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I.

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

116 361

166 303

216 010

1.

Onderzoek en innovatie

69 787

91 028

127 537

Horizon Europa

64 674

83 491

120 000

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 119

2 129

2 129

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 992

5 406

5 406

Overige

2

2

2

2.

Europese strategische investeringen

31 886

44 375

51 798

InvestEU-fonds

3 968

13 065

14 065

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 579

21 721

28 083

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — vervoer

12 393

11 384

17 746

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — energie

4 185

7 675

7 675

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — digitaal

1 001

2 662

2 662

Programma Digitaal Europa

172

8 192

8 192

Overige

9 097

177

177

Gedecentraliseerde agentschappen

1 069

1 220

1 281

3.

Eengemaakte markt

5 100

5 672

8 423

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 547

3 630

5 823

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

156

161

322

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

226

239

300

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

536

843

843

Duurzaam toerisme

 

 

300

Overige

61

87

87

Gedecentraliseerde agentschappen

575

714

748

4.

Ruimtevaart

11 502

14 404

15 225

Europees ruimtevaartprogramma

11 308

14 196

15 017

Gedecentraliseerde agentschappen

194

208

208

Marge

-1 913

10 824

13 026

II.

Cohesie en waarden

387 250

391 974

457 540

5.

Regionale ontwikkeling en cohesie

272 647

242 209

272 647

EFRO + Cohesiefonds met inbegrip van:

272 411

241 996

272 411

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

196 564

200 622

 

Cohesiefonds

75 848

41 374

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — vervoer

11 487

10 000

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

236

213

236

6.

Economische en monetaire unie

273

22 281

22 281

Steunprogramma voor hervormingen

185

22 181

22 181

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

7

7

Overige

81

93

93

7.

Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

115 729

123 466

157 612

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9  miljard EUR voor een kindergarantie)

96 216

89 688

106 781

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 075

1 042

1 095

Erasmus+

13 699

26 368

41 097

Europees Solidariteitskorps

373

1 113

1 113

Creatief Europa

1 403

1 642

2 806

Justitie

316

271

316

Rechten en waarden , met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR voor een onderdeel waarden van de Unie

594

570

1 627

Overige

1 158

1 185

1 185

Gedecentraliseerde agentschappen

1 971

2 629

2 687

Marge

-1 399

4 018

4 999

III.

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

399 608

336 623

404 718

8.

Landbouw- en maritiem beleid

390 155

330 724

391 198

ELGF + Elfpo met inbegrip van:

382 855

324 284

383 255

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

286 143

254 247

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

96 712

70 037

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 243

5 448

6 867

Overige

962

878

962

Gedecentraliseerde agentschappen

95

113

113

9.

Milieu en klimaatmaatregelen

3 492

5 085

11 520

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 221

4 828

6 442

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

4 800

Gedecentraliseerde agentschappen

272

257

278

Marge

5 960

814

1 999

IV.

Migratie en grensbeheer

10 051

30 829

32 194

10.

Migratie

7 180

9 972

10 314

Fonds voor asiel en migratie

6 745

9 205

9 205

Gedecentraliseerde agentschappen (*1)

435

768

1 109

11.

Grensbeheer

5 492

18 824

19 848

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 773

8 237

8 237

Gedecentraliseerde agentschappen (*1)

2 720

10 587

11 611

Marge

-2 621

2 033

2 033

V.

Veiligheid en defensie

1 964

24 323

24 639

12.

Veiligheid

3 455

4 255

4 571

Fonds voor interne veiligheid

1 200

2 210

2 210

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 359

1 045

1 359

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

459

490

692

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

900

555

667

Gedecentraliseerde agentschappen

896

1 001

1 002

13.

Defensie

575

17 220

17 220

Europees Defensiefonds

575

11 453

11 453

Militaire mobiliteit

0

5 767

5 767

14.

Crisisrespons

1 222

1 242

1 242

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

560

1 242

1 242

Overige

662

p.m.

p.m.

Marge

-3 289

1 606

1 606

VI.

Nabuurschap en internationaal beleid

96 295

108 929

113 386

15.

Extern optreden

85 313

93 150

96 809

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

71 767

79 216

82 716

Humanitaire hulp

8 729

9 760

9 760

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 101

2 649

2 649

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

594

444

594

Overige

801

949

949

Gedecentraliseerde agentschappen

144

132

141

16.

Pretoetredingssteun

13 010

12 865

13 010

Pre-Accession Assistance

13 010

12 865

13 010

Marge

-2 027

2 913

3 567

VII.

Europees openbaar bestuur

70 791

75 602

75 602

Europese scholen en pensioenen

14 047

17 055

17 055

Administratieve uitgaven van de instellingen

56 744

58 547

58 547

TOTAAL

1 082 320

1 134 583

1 324 089

als % van het bni (EU-27)

1,16  %

1,11  %

1,30  %


(*1)  Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.


Bijlage IV — MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in lopende prijzen)

(miljoen EUR — lopende prijzen)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I.

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

114 538

187 370

243 395

1.

Onderzoek en innovatie

68 675

102 573

143 721

Horizon Europa

63 679

94 100

135 248

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 085

2 400

2 400

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 910

6 070

6 070

Overige

1

3

3

2.

Europese strategische investeringen

31 439

49 973

58 340

InvestEU-fonds

3 909

14 725

15 852

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 435

24 480

31 651

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — vervoer

12 281

12 830

20 001

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — energie

4 163

8 650

8 650

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — digitaal

991

3 000

3 000

Programma Digitaal Europa

169

9 194

9 194

Overige

8 872

200

200

Gedecentraliseerde agentschappen

1 053

1 374

1 444

3.

Eengemaakte markt

5 017

6 391

9 494

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 485

4 089

6 563

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

153

181

363

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

222

270

339

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

526

950

950

Duurzaam toerisme

 

 

338

Overige

59

98

98

Gedecentraliseerde agentschappen

572

804

843

4.

Ruimtevaart

11 274

16 235

17 160

Europees ruimtevaartprogramma

11 084

16 000

16 925

Gedecentraliseerde agentschappen

190

235

235

Marge

-1 866

12 198

14 680

II.

Cohesie en waarden

380 738

442 412

516 517

5.

Regionale ontwikkeling en cohesie

268 218

273 240

307 578

EFRO + Cohesiefonds met inbegrip van:

267 987

273 000

307 312

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

193 398

226 308

 

Cohesiefonds

74 589

46 692

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen — vervoer

11 306

11 285

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

231

240

266

6.

Economische en monetaire unie

275

25 113

25 113

Steunprogramma voor hervormingen

188

25 000

25 000

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

8

8

Overige

79

105

105

7.

Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

113 636

139 530

178 192

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9  miljard EUR in prijzen van 2018 voor een kindergarantie)

94 382

101 174

120 457

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 055

1 174

1 234

Erasmus+

13 536

30 000

46 758

Europees Solidariteitskorps

378

1 260

1 260

Creatief Europa

1 381

1 850

3 162

Justitie

 

305

356

Rechten en waarden , met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR in prijzen van 2018 voor een onderdeel waarden van de Unie

 

642

1 834

Overige

1 131

1 334

1 334

Gedecentraliseerde agentschappen

1 936

2 965

3 030

Marge

-1 391

4 528

5 634

III.

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

391 849

378 920

456 146

8.

Landbouw- en maritiem beleid

382 608

372 264

440 898

ELGF + Elfpo met inbegrip van:

375 429

365 006

431 946

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

280 351

286 195

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

95 078

78 811

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 139

6 140

7 739

Overige

946

990

1 085

Gedecentraliseerde agentschappen

94

128

128

9.

Milieu en klimaatmaatregelen

3 437

5 739

12 995

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 170

5 450

7 272

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

5 410

Gedecentraliseerde agentschappen

267

289

313

Marge

5 804

918

2 254

IV.

Migratie en grensbeheer

9 929

34 902

36 448

10.

Migratie

7 085

11 280

11 665

Fonds voor asiel en migratie

6 650

10 415

10 415

Gedecentraliseerde agentschappen (*1)

435

865

1 250

11.

Grensbeheer

5 439

21 331

22 493

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 734

9 318

9 318

Gedecentraliseerde agentschappen (*1)

2 704

12 013

13 175

Marge

-2 595

2 291

2 291

V.

Veiligheid en defensie

1 941

27 515

27 872

12.

Veiligheid

3 394

4 806

5 162

Fonds voor interne veiligheid

1 179

2 500

2 500

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 334

1 178

1 533

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

451

552

780

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

883

626

753

Gedecentraliseerde agentschappen

882

1 128

1 129

13.

Defensie

590

19 500

19 500

Europees Defensiefonds

590

13 000

13 000

Militaire mobiliteit

0

6 500

6 500

14.

Crisisrespons

1 209

1 400

1 400

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

561

1 400

1 400

Overige

648

p.m.

p.m

Marge

-3 253

1 809

1 809

VI.

Nabuurschap en internationaal beleid

93 381

123 002

128 036

15.

Extern optreden

82 569

105 219

109 352

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

70 428

89 500

93 454

Humanitaire hulp

8 561

11 000

11 000

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 066

3 000

3 000

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

582

500

669

Overige

790

1 070

1 070

Gedecentraliseerde agentschappen

141

149

159

16.

Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Marge

-1 987

3 283

4 020

VII.

Europees openbaar bestuur

69 584

85 287

85 287

Europese scholen en pensioenen

13 823

19 259

19 259

Administratieve uitgaven van de instellingen

55 761

66 028

66 028

 

 

 

 

TOTAAL

1 061 960

1 279 408

1 493 701

als % van het bni (EU-27)

1,16  %

1,11  %

1,30  %


(*1)  Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES PARLEMENT

Woensdag 13 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/232


P8_TA(2018)0440

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland (COM(2018)0658 — C8-0416/2018 — 2018/2230(BUD))

(2020/C 363/26)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0658 — C8-0416/2018),

gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (1),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (2), en met name artikel 10,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (3), en met name punt 11,

gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0357/2018),

1.

is ingenomen met het besluit als teken van solidariteit van de Unie met de burgers en regio's van de Unie die door een natuurramp worden getroffen;

2.

benadrukt dat er via het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (“het fonds”) dringend financiële bijstand moet worden verleend aan de regio's die in 2017 door de natuurramp in de Unie zijn getroffen;

3.

steunt de lidstaten die de Europese structuur- en investeringsfondsen aanwenden voor de wederopbouw van de getroffen regio's; verzoekt de Commissie om de financiële herschikking van de partnerschapsovereenkomsten waar de lidstaten om hebben verzocht, te steunen en snel goed te keuren;

4.

dringt er bij de lidstaten op aan de financiële bijdrage uit het fonds op transparante wijze aan te wenden, om een eerlijke verdeling onder de getroffen regio's te garanderen;

5.

hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

6.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/1859.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/235


P8_TA(2018)0442

Energie-efficiëntie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (COM(2016)0761 — C8-0498/2016 — 2016/0376(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/27)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0761),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0498/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0391/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 42.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 119.

(3)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0010).


P8_TC1-COD(2016)0376

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/2002.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/236


P8_TA(2018)0443

Governance van de energie-unie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM(2016)0759 — C8-0497/2016 — 2016/0375(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/28)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0759),

gezien artikel 294, lid 2, alsook artikel 192, lid 1, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0497/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0402/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3);

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 34.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 111.

(3)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0011).


P8_TC1-COD(2016)0375

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1999.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/238


P8_TA(2018)0444

Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (COM(2016)0767 — C8-0500/2016 — 2016/0382(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2020/C 363/29)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0767),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0500/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (2),

gezien de brief van 20 oktober 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 26 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 104, 59 en 39 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie verzoekschriften (A8-0392/2017),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3), rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 55.

(2)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(3)  Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0009).


P8_TC1-COD(2016)0382

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/2001.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/240


P8_TA(2018)0445

Meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren (COM(2017)0097 — C8-0095/2017 — 2017/0043(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/30)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0097),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0095/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 (1),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0337/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 68.


P8_TC1-COD(2017)0043

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) dient bij te dragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand van het mariene milieu overeenkomstig artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) , en een gunstige staat van instandhouding voor soorten en habitats overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad  (4) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad  (5). [Am. 1]

(1 bis)

Tijdens de Top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling in 2015 in New York hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden tegen 2020 het vangen van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, niet-gemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de visbestanden in zo kort mogelijke tijd op zijn minst te herstellen op het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde maximale duurzame opbrengst kan opleveren. [Am. 2]

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) zijn de regels van het GVB vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch , economisch en sociaal oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen. [Am. 3]

(2 bis)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn om de visserij op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies te kunnen beheren, geharmoniseerde, degelijke en accurate datareeksen nodig. [Am. 4]

(3)

Uit wetenschappelijk advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en van het wetenschappelijk adviescomité van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM — SAC) blijkt dat het niveau waarop de ansjovis- en sardinebestanden in de Adriatische Zee worden geëxploiteerd, te hoog ligt om de maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield of MSY) te bereiken.

(3 bis)

De Adriatische Zee is een belangrijk deelgebied van het Middellandse Zeegebied, dat goed is voor ongeveer een derde van de totale aanlandingswaarde. [Am. 5]

(4)

Hoewel de ansjovis- en sardinebestanden in de Adriatische Zee worden beheerd aan de hand van zowel een internationaal beheersplan in het kader van de GFCM als van nationale beheersplannen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad (7), worden zij nog steeds overbevist en worden de bestaande beheersmaatregelen onvoldoende geacht om uiterlijk in 2020 de MSY te halen. De lidstaten en belanghebbende partijen hebben zich uitgesproken voor de opstelling en tenuitvoerlegging van beheersplannen op Unieniveau voor deze twee bestanden.

(4 bis)

De ten uitvoer gelegde beheersplannen en de in 2016 ingevoerde technische maatregelen zullen naar verwachting gevolgen hebben voor de visbestanden en moeten worden geanalyseerd en in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het meerjarenplan voor de pelagische bestanden in de regio. [Am. 6]

(4 ter)

Het introduceren van een benadering met betrekking tot een ondergrens ten aanzien van het ontsnappingsniveau vergt wijzigingen ten aanzien van de biologische bemonsterings- en onderzoeksprotocollen, welke wijzigingen tijd zullen kosten, waardoor er een overgangsperiode moet worden ingelast voordat deze ten uitvoer kan worden gelegd. [Am. 99]

(5)

De huidige beheersmaatregelen voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee hebben betrekking op de toegang tot de wateren, de controle op de visserijinspanning en technische maatregelen om het gebruik van vistuig te regelen. Uit wetenschappelijk advies blijkt dat de controle van de vangsten het meest geschikte middel is om de visserijsterfte aan te passen, en een doeltreffender beheersinstrument is voor kleine pelagische bestanden  (8) . [Am. 7]

(6)

Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing) technische maatregelen , zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld. [Am. 8]

(6 bis)

De kleine pelagische visserij in de Adriatische Zee, met name in de geografische deelgebieden 17 en 18, hebben belangrijke sociaal-economische gevolgen voor het levensonderhoud en de toekomst van de kustgemeenschappen van de lidstaten. [Am. 9]

(6 ter)

Overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van het GVB en overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moet gebruik worden gemaakt van regionalisering om maatregelen vast te stellen en uit te voeren die rekening houden met de specifieke kenmerken van elk visserijgebied en die de milieuomstandigheden in elk van die gebieden beschermen. [Am. 10]

(6 quater)

Vangstmogelijkheden moeten worden toegekend overeenkomstig de beginselen van artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarbij gebruik moet worden gemaakt van transparante en objectieve criteria, onder meer die van ecologische, sociale en economische aard. De vangstmogelijkheden moeten ook eerlijk worden verdeeld over de verschillende takken van de visserij, met inbegrip van de traditionele en kleinschalige visserij. Voorts moeten de lidstaten voorzien in stimuleringsmaatregelen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruik maken van minder milieubelastende visserijtechnieken. [Am. 11]

(7)

Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op de beste op dat moment beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moeten zij doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten , instandhoudingsdoelstellingen, technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting, maatregelen die beogen ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en vrijwaringsmaatregelen bevatten. [Am. 12]

(8)

Het meerjarenplan moet ten doel hebben bij te dragen aan de doelstellingen van het GVB, in het bijzonder het herstellen en behouden van de MSY voor visbestanden boven een biomassaniveau dat de betrokken bestanden bereiken en behouden MSY kan opleveren, de aanlandingsverplichting uitvoeren , zorgen voor een duurzame en winstgevende visserijsector en voorzien in een doeltreffend beheerskader. [Am. 13]

(8 bis)

Tenzij anders bepaald mag deze verordening niet als precedent worden beschouwd voor andere meerjarenplannen met betrekking tot de Middellandse Zee. [Am. 14]

(8 ter)

Een meerjarenplan moet altijd een evenwicht vinden tussen het haalbare resultaat, rekening houdend met het tijdpad, en de sociaal-economische gevolgen. [Am. 15]

(9)

Voorts is bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een aanlandingsverplichting ingevoerd, die ook geldt voor alle vangsten van soorten waarvoor minimummaten in de zin van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 gelden. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 van de Commissie (9) is in afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een driejarig teruggooiplan vastgesteld dat voorziet in een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor ansjovis, sardine, makreel en horsmakreel in de Adriatische Zee. Met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting is het passend de geldigheidsduur van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 vervatte maatregelen te verlengen door de desbetreffende bepalingen op te nemen in het meerjarenplan.

(10)

Overeenkomstig de ecosysteemgerichte benadering en in aanvulling op moet dit plan tevens bijdragen tot het visserijgerelateerde beschrijvende element van bereiken van een goede milieutoestand als bedoeld in Richtlijn 2008/56/EG , en dient in het kader van het visserijbeheer rekening te worden gehouden met de in bijlage I bij die richtlijn opgenomen kwalitatief beschrijvende elementen 1, 4 en 6. Dit plan dient voorts bij te dragen tot de verwezenlijking van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten respectievelijk overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG. [Am. 16]

(11)

Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in de meerjarenplannen bepaalde streefdoelen. [Am. 17]

(12)

Het is passend dat het met de doelstelling inzake het bereiken en behouden van de MSY overeenkomende streefdoel voor de visserijsterfte (target fishing mortality — F) wordt vastgesteld als bandbreedtes van waarden die in samenhang zijn met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijk advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om de flexibiliteit te bieden die nodig is om rekening te houden met ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, om bij te dragen aan de uitvoering van de aanlandingsverplichting en om rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes zijn berekend door het WTECV (10). en Op basis van dit plan zijn zij zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan MSY (11). Bovendien is de bovengrens van de bandbreedte geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. [Am. 18]

(13)

Met het oog op de vaststelling het realiseren van de vangstmogelijkheden moet er een drempel komen voor FMSY-brandbreedtes bij normaal gebruik en, mits doelstellingen van het meerjarenplan moet het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een hogere grens voor bepaalde gevallen. De vangstmogelijkheden mogen streefdoel voor elke soort SSBpa zijn . Er mag alleen op de hogere grens een hoger streefdoel worden vastgesteld indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserijen of noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen, of indien dat tot doel heeft wanneer een van de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken kleine pelagische bestanden onder SSBlim ligt . [Am. 19]

(14)

Wanneer geen streefdoelen in verband met MSY beschikbaar zijn, dient de voorzorgsbenadering te worden toegepast.

(15)

In het licht van de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten, voor bestanden waarvoor zij beschikbaar zijn, instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld, uitgedrukt als MSY Btrigger SSBlim en Blim SSBpa voor ansjovis- en sardinebestanden kleine pelagische bestanden . Indien de bestanden onder MSY Btrigger SSBlim terechtkomen, moet de visserijsterfte moeten passende herstelmaatregelen worden teruggebracht vastgesteld om bij te dragen tot de snelle terugkeer van het betrokken bestand tot onder FMSY een niveau boven SSBpa . [Am. 20]

(16)

Wanneer de bestandsomvang onder het Blim-referentiepunt terechtkomt, dienen verdere vrijwaringsmaatregelen te worden ingevoerd. Vrijwaringsmaatregelen dienen onder meer in te houden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt. Zo nodig moeten die maatregelen worden aangevuld met andere maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 21]

(17)

Voor bestanden waarvoor geen referentiepunten beschikbaar zijn, dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast. In het specifieke geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau van die bestanden, specifieke instandhoudingsmaatregelen te worden vastgesteld wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn. [Am. 22]

(18)

Om de uitvoering van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting mogelijk te maken, dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen , met name maatregelen voor het geleidelijk uitbannen van teruggooi, het tellen van vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte en het beperken, en zo mogelijk uitbannen, van de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene milieu . Dergelijke maatregelen dienen te worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen. [Am. 23]

(18 bis)

Een gezamenlijke aanbeveling van Kroatië, Italië en Slovenië (Adriatica-groep op hoog niveau) en een studie over de technische kenmerken van ringzegens en de impact hiervan op bodempopulaties werden ingediend bij en getoetst door onafhankelijke deskundigen en het WTECV. Daarom is het passend te voorzien in een afwijking van de tweede alinea van artikel 13, lid 3, van en punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006. [Am. 24]

(19)

Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dient een uiterste termijn te worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(19 bis)

Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijke invloed heeft op de visserijsterfte van een bepaald bestand, moet de Raad ook deze vorm van visserij in aanmerking nemen. Hiertoe moet de Raad gemachtigd zijn een totale toegestane vangst (TAC) vast te stellen voor commerciële vangsten waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van de recreatievangsten, en/of andere maatregelen vast te stellen om de recreatievisserij te beperken, met inbegrip van meeneemlimieten en sluitingsperioden. [Am. 25]

(20)

Het plan moet voorts voorzien in de vaststelling, door middel van gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen , alsook gebieds- en tijdsgebonden maatregelen, die op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge vis, moeten bijdragen of de selectiviteit moeten verbeteren. [Am. 26]

(20 bis)

Bij het vaststellen van technische maatregelen die voortvloeien uit het meerjarenplan of overeenkomstig het plan vastgestelde gedelegeerde handelingen moet het gebruik van ambachtelijk vistuig dat gebaseerd is op van oudsher in visserijgemeenschappen toegepaste praktijken, worden gewaarborgd. [Am. 27]

(21)

Om te waarborgen dat de in deze verordening vervatte maatregelen ten volle worden nageleefd, dienen specifieke controlemaatregelen te worden aangenomen ter aanvulling van die waarin Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (12) voorziet.

(21 bis)

Om ervoor te zorgen dat de sector de maatregelen ter vermindering van de visserijinspanning en de daaruit voortvloeiende daling van de inkomsten voor bedrijven en zeevarenden aankan, moeten er regelingen zijn voor prioritaire toegang tot passende steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) overeenkomstig Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad  (13) . [Am. 28]

(21 ter)

Om bij de toepassing rekening te houden met de sociaal-economische effecten is het daarom wenselijk om enerzijds afwijkingen toe te staan van de maximale duur van de tijdelijke stopzetting als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 508/2014, waarbij die stopzetting uitsluitend wordt uitgebreid naar de vaartuigen die vallen onder dit meerjarenplan, en anderzijds mogelijk te maken dat de definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 34 van deze verordening weer wordt opengesteld en dat de bedoelde vissersvaartuigen er toegang toe krijgen. [Am. 29]

(22)

Omdat vaartuigen die in de Adriatische Zee op kleine pelagische bestanden vissen, veelal korte visreizen maken, dient het in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van de voorafgaande kennisgeving te worden aangepast zodat de voorafgaande kennisgeving ten minste anderhalf een half uur voor het geraamde tijdstip van aankomst in de haven wordt gedaan. Echter, rekening houdend met het beperkte effect op de betrokken bestanden van visreizen waarmee zeer kleine hoeveelheden vis zijn gemoeid, is het passend een drempelwaarde voor dergelijke voorafgaande kennisgevingen vast te stellen, namelijk dat vaartuigen ten minste één ton ansjovis of sardine kleine pelagische soorten aan boord hebben. [Am. 30]

(23)

Aangezien elektronische controle-instrumenten zorgen voor een betere en snellere controle van de visserijen, met name wat betreft de ruimtelijke spreiding van de visserijactiviteiten en de exploitatie van de bestanden, moet het respectievelijk in de artikelen 9 en 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van het volgsysteem voor vaartuigen en het elektronische logboek worden uitgebreid tot alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter.

(24)

Overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet worden vastgesteld boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten ansjovis en sardine kleine pelagische soorten in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dicht bij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle gewaarborgd is. [Am. 31]

(25)

Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, moet de bevoegdheid aan de Commissie worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor de instandhouding van makreel en horsmakreel, de uitvoering van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten ontvangen, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 32]

(26)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de periodieke beoordeling door de Commissie van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Voorafgaand aan deze beoordeling dient het plan op basis van wetenschappelijk advies periodiek te worden geëvalueerd. Die evaluatie moet plaatsvinden binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar plaatsvinden. Die periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig uit te voeren, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Een kortere periode zou bovendien onwerkbaar zijn voor de wetenschappelijke instanties. [Am. 33]

(27)

Vóór het opstellen van het plan zijn overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de verwachte economische en sociale effecten ervan beoordeeld (15).

(27 bis)

Om de vissers te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van de bij deze verordening vastgestelde maatregelen moeten de lidstaten zo ruim mogelijk gebruikmaken van de bij Verordening (EU) nr. 508/2014 vastgestelde maatregelen. Er moet worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, in aanmerking kunnen komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 om rekening te houden met de sociaal-economische aspecten van deze verordening. Voorts moet voor de vaartuigen waarop dit meerjarenplan betrekking heeft, een afwijking worden toegestaan met betrekking tot de perioden tijdens welke steun mag worden verleend en met betrekking tot de maximale bijdrage van het EFMZV voor tijdelijke stopzetting als bedoeld in Verordening (EU) nr. 508/2014, [Am. 34]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een meerjarenplan vastgesteld voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee.

2.   Deze verordening is van toepassing op de bestanden ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) in de Adriatische Zee (hierna “de betrokken bestanden” “kleine pelagische soorten” genoemd) en op de visserijen die deze bestanden exploiteren. Zij bevissen. Met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting, zoals vastgesteld in artikel 15 van Verordening (EU) nr . 1380/2013, is deze verordening eveneens van toepassing op de bijvangsten van makreel (Scomber spp.) en horsmakreel (Trachurus spp.) in de Adriatische Zee die bij de visserij op een van de betrokken bestanden of op de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten worden gevangen. [Am. 35]

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1967/2006.

2.   Daarnaast wordt verstaan onder:

a)

“Adriatische Zee”: de geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM;

b)

“geografisch deelgebied van de GFCM”: geografisch deelgebied van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (General Fisheries Commission for the Mediterranean — GFCM) zoals afgebakend in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad (16);

b bis)

“gericht vissen”: een visserijactiviteit waarbij sardine of ansjovis ten minste 50 % van de vangst in levend gewicht uitmaakt; [Am. 37]

c)

“kleine pelagische bestanden” soorten" : de in artikel 1, lid 2, van deze verordening vermelde bestanden of een combinatie van daar vermelde bestanden ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus). [Am. 38]

c bis)

“Beste beschikbare wetenschappelijke advies” verwijst naar openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt geschraagd door de meest recente wetenschappelijke gegevens en methoden en is afgegeven of intercollegiaal getoetst door een op internationaal of EU-niveau erkend onafhankelijk wetenschappelijk orgaan zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en de GFCM, met inachtneming van de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 104]

d)

“FMSY-bandbreedte”: een bandbreedte van waarden waarin alle niveaus van visserijsterfte binnen de wetenschappelijk aangegeven grenswaarden van die bandbreedte bij gemengde visserij volgens wetenschappelijk advies een maximale duurzame opbrengst ( maximum sustainable yield – MSY) op lange termijn opleveren bij bestaande gemiddelde milieuomstandigheden zonder beduidende nadelige gevolgen voor het reproductieproces voor de betrokken bestanden; [Am. 39]

d bis)

“visdag”: elke aaneengesloten periode van 24 uur, of elk deel daarvan, waarin een visserijvaartuig visserijactiviteit verricht, bijvoorbeeld het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, het vetmesten en het aanlanden van vis en visserijproducten, zoals gedefinieerd in artikel 28, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; [Am. 40]

d ter)

“SSBlim”: het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder corrigerende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestanden worden teruggebracht tot een niveau dat boven de biologisch veilige grens ligt; [Am. 41]

d quater)

“SSBpa”: het voorzorgsreferentiepunt voor paaibiomassa waaronder beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestanden worden teruggebracht tot een niveau dat boven de biologisch veilige grens ligt; [Am. 42]

e)

“MSY Btrigger”: het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MSY kan opleveren; [Am. 43]

f)

“vangstmogelijkheid”: een gekwantificeerd legaal recht om te vissen, in termen van vangsten en/of visserijinspanning.

Artikel 3

Doelstellingen

1.   Het meerjarenplan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid., met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat MSY kan opleveren. [Am. 45]

2.   Het meerjarenplan voorziet in een doeltreffend, eenvoudig en stabiel beheerskader voor de exploitatie van de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee.

2 bis.     Bij de ontwikkeling of wijziging van het meerjarenplan wordt overeenkomstig artikel 2, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten. [Am. 47]

3.   Het meerjarenplan draagt bij tot het uitbannen verminderen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de daaronder vallende soorten waarop de onderhavige verordening van toepassing is. [Am. 48]

4.   Het meerjarenplan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem , in het bijzonder voor bedreigde habitats en beschermde soorten, waaronder zeezoogdieren, zeevogels en reptielen, tot een minimum worden beperkt en zo mogelijk uitgebannen . Het is coherent met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken , alsook met de streefdoelen en voorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG . [Am. 49]

5.   Het meerjarenplan heeft met name ten doel:

a)

ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden, en

b)

bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt.

5 bis.     Maatregelen in het kader van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies. [Am. 50]

HOOFDSTUK II

SOCIAAL-ECONOMISCHE STREEFDOELEN, VRIJWARINGSMAATREGELEN EN SPECIFIEKE MAATREGELEN [Am. 51]

Artikel 4

Streefdoelen voor ansjovis en sardine kleine pelagische soorten [Am. 52]

1.   Het streefdoel voor visserijsterfte wordt De nagestreefde referentiepunten voor de betrokken bestanden kleine pelagische soorten worden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 verwezenlijkt en wordt van dan af gehandhaafd binnen boven de in bijlage I vermelde bandbreedtes waarden en overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, neergelegde doelstellingen. [Am. 53]

2.   De vangstmogelijkheden beheersmaatregelen voor kleine pelagische soorten zijn in overeenstemming met de streefbandbreedtes voor de visserijsterfte nagestreefde referentiepunten die zijn opgenomen in kolom A van bijlage I bij deze verordening [Am. 54].

3.   Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld beheersmaatregelen gericht zijn op niveaus die overeenkomen met lagere visserijsterfteniveaus hogere waarden dan die welke in kolom A van bijlage I zijn opgenomen:

a)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

b)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen; of

c)

indien een van de bestanden van kleine pelagische soorten zich onder het in kolom B van bijlage I vermelde referentiepunt bevindt. [Am. 55]

4.   Onverminderd de leden 2 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de bandbreedtes voor de visserijsterfte als opgenomen in kolom B van bijlage I, mits het betrokken bestand zich bevindt boven het in kolom A van bijlage II opgenomen referentiepunt voor minimale paaibiomassa:

a)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen,

b)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c)

om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken. [Am. 56]

4 bis.     Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijke invloed heeft op de visserijsterfte van een bepaald bestand, neemt de Raad ook deze vorm van visserij in aanmerking en kan hij bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden besluiten tot beperking van de recreatievisserij teneinde te voorkomen dat het algehele streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden. [Am. 57]

Artikel 4 bis

Sociaal-economische doelstellingen

Om rekening te houden met de sociaal-economische doelstellingen als bedoeld in artikel 2, lid 5, onder f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, maken de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de technische en instandhoudingsmaatregelen waarin in deze verordening is voorzien, ruim gebruik van de desbetreffende maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 508/2014. [Am. 58]

Artikel 5

Vrijwaringsmaatregelen

1.   De instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt als minimumniveau en grensniveau voor de paaibiomassa van een bestand, die moeten worden toegepast om de volledige reproductiecapaciteit van het betrokken bestand niet aan te tasten. , zijn opgenomen in bijlage II. [Am. 59]

1 bis.     Drie jaar na de datum van toepassing van de in artikel 6, lid 1 bis, bedoelde beheersmaatregelen wordt middels wetenschappelijk onderzoek beoordeeld of de genomen maatregelen doeltreffend zijn, met name voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en de visserijen die deze bestanden exploiteren. [Am. 60]

2.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies de paaibiomassa van een van de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten lager is dan het in kolom A B van bijlage II I vermelde referentiepunt voor minimale paaibiomassa, worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om bij te dragen tot een snelle terugkeer van het betrokken bestand de kleine pelagische soorten boven een niveau dat MSY kan opleveren, te waarborgen het in kolom A van bijlage I vermelde referentiepunt . In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden beheersmaatregelen in afwijking van artikel 4, leden lid  2, en overeenkomstig artikel  4, lid 3, van deze verordening vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die op een waarde onder de in kolom A bijlage I bij vermelde bandbreedte is teruggebracht aangepast , rekening houdend met de afname van de biomassa van dat bestand. [Am. 61]

3.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies de paaibiomassa van een van de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten lager is dan het in kolom B van bijlage II I vermelde referentiepunt voor de grenspaaibiomassa (Blim SSBlim ), worden verdere herstelmaatregelen genomen om bij te dragen tot een snelle terugkeer van het betrokken bestand beide bestanden boven een niveau dat MSY kan opleveren, te waarborgen het in kolom A van bijlage I vermelde referentiepunt . In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden lid 2, en 4, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op dat er andere passende wijze beheersmaatregelen worden verlaagd genomen . [Am. 62]

Artikel 6

Specifieke instandhoudingsmaatregelen

1.    Wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde kleine pelagische bestanden soorten of, in het geval van ansjovis en sardine, wanneer de paaibiomassa van een van die beide bestanden voor een bepaald jaar lager is dan de in kolom A B van bijlage II I bij de onderhavige deze verordening opgenomen instandhoudingsreferentiepunten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van de onderhavige deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen. met betrekking tot:

a)

de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de constructie van het vistuig en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

b)

het gebruik van het vistuig en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

c)

een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

d)

een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere niet-doelvissoorten te beschermen;

e)

minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f)

andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit. [Am. 63]

1 bis.     Niettegenstaande de eerste alinea zijn de volgende maatregelen van toepassing voor de jaren 2019-2022 om de in artikel 4 vastgestelde streefdoelen te bereiken:

a)

in 2019 wordt de vangstbeperking voor kleine pelagische soorten vastgesteld op het niveau van 2014; met ingang van 2020 wordt de vangstbeperking voor kleine pelagische soorten voor de lidstaat in kwestie tot 2022 elk jaar geleidelijk verlaagd met 4 % ten opzichte van het voorgaande jaar; de verlaging is evenwel niet van toepassing wanneer de totale vangst voor elke betrokken lidstaat 2 % lager ligt dan de vangst van 2014;

b)

de visserijinspanning van vissersvaartuigen die gericht vissen op kleine pelagische soorten bedraagt ten hoogste 180 visdagen per jaar en 20 visdagen per maand, met maximaal 144 visdagen per jaar voor gericht vissen op sardines en maximaal 144 visdagen voor gericht vissen op ansjovis;

c)

elk jaar worden gebieds- of tijdsgebonden sluitingen toegepast om broed- en paaiplaatsen te beschermen; deze sluitingen voor diverse soorten vistuig gelden voor het gehele verspreidingsgebied van kleine pelagische soorten in de Adriatische Zee, voor perioden van niet minder dan 15 opeenvolgende dagen en tot 30 opeenvolgende dagen; deze sluitingen vinden plaats in de volgende perioden:

i)

voor sardine, van 1 oktober tot en met 31 maart, en

ii)

voor ansjovis, van 1 april tot en met 30 september;

d)

extra sluitingen voor vaartuigen van meer dan 12 meter lengte over alles, voor elke soort vistuig afzonderlijk, worden toegepast gedurende minimaal zes maanden; deze sluitingen betreffen ten minste 30 % van het gebied dat als broed- en paaigebied is aangemerkt of als gebied dat van belang is voor de bescherming van jonge leeftijdsklassen van vis (in de territoriale en de binnenzee);

e)

de totale vlootcapaciteit van trawlers en ringzegenvaartuigen die actief vissen op kleine pelagische soorten is niet hoger dan de geregistreerde vlootcapaciteit van de actieve vloot in 2014 wat betreft brutotonnage (BT) en/of brutoregisterton (BRT), motorvermogen (kW) en aantal vaartuigen. [Am. 70]

1 ter.     Niettegenstaande lid 1 bis varieert de duur van de onder c) en d) van dat lid bedoelde sluitingen niet meer dan 10 % tussen opeenvolgende jaren, om de stabiliteit te waarborgen en om variaties in beheersmaatregelen te beperken. [Am. 71]

Artikel 6 bis

Technische maatregelen

1.     Voor de toepassing van deze verordening zijn de tweede alinea van artikel 13, lid 3, van en punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 niet van toepassing.

2.     Voor de toepassing van deze verordening wordt de maximale lengte van omsluitingsnetten (ringzegens en zegens zonder sluitlijn) beperkt tot 600 meter met een netdiepte van ten hoogste een derde van de lengte. [Am. 72]

HOOFDSTUK III

BEPALINGEN IN SAMENHANG MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 7

Bepalingen in samenhang met de aanlandingsverplichting voor kleine pelagische bestanden die in de Adriatische Zee zijn gevangen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot: [Am. 73]

a)

vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvan op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren; [Am. 74]

b)

de-minimisvrijstellingen, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting mogelijk te maken; die de-minimisvrijstellingen worden verleend voor in artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde gevallen, overeenkomstig de voorwaarden van dat artikel; en

c)

specifieke bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op de monitoring van de uitvoering van de aanlandingsverplichting.

d)

het vaststellen van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen. [Am. 75]

HOOFDSTUK IV

REGIONALISERING

Artikel 8

Regionale samenwerking

1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 6 en 7 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het meerjarenplan overeenkomstig artikel 14 van deze verordening. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de beide bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juni van het voorgaande jaar ingediend.

3.   De bij de artikelen 6 en 7 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK V

CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 9

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

De in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn van toepassing ter aanvulling van die van Verordening (EG) nr. 1224/2009, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 10

Voorafgaande kennisgeving

1.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 wordt de in dat artikel bedoelde voorafgaande kennisgeving ten minste anderhalf een half uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven gedaan. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming geven om de haven op een vroeger tijdstip binnen te varen. [Am. 76]

2.   De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt voor kapiteins van Unievissersvaartuigen die ten minste één twee ton ansjovis of één twee ton sardine aan boord hebben. Deze hoeveelheden worden berekend na aftrek van de vangsten als bedoeld in artikel 15, lid 11, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 77]

Artikel 11

Volgsysteem voor vaartuigen

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt het toepassingsgebied van de bepalingen van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 uitgebreid tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer die in de Adriatische Zee doelgericht op kleine pelagische soorten vissen.

2.   De in artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op vaartuigen die overeenkomstig deze verordening doelgericht vissen op kleine pelagische soorten in de Adriatische Zee, ongeacht hun lengte.

Artikel 12

Elektronisch invullen en verzenden van visserijlogboeken

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 neergelegde verplichting om een elektronisch visserijlogboek bij te houden en minstens eenmaal per dag elektronisch door te sturen naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat, uitgebreid tot kapiteins van Unievissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer die doelgericht vissen op ansjovis of sardine.

2.   De in artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op kapiteins van vaartuigen die doelgericht vissen op ansjovis of sardine, ongeacht de lengte van het vaartuig.

2 bis.     In afwijking van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 zenden de kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van 12 meter of meer de informatie als bedoeld in artikel 14 van deze verordening door vóór de start van de aanlandingswerkzaamheden. [Am. 78]

Artikel 13

Aangewezen havens

De in levend gewicht uitgedrukte drempel voor de desbetreffende bestanden die onder het meerjarenplan vallen, bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden, bedraagt:

a)

2 000 kg ansjovis;

b)

2 000 kg sardine.

HOOFDSTUK VI

EVALUATIE

Artikel 14

Evaluatie van het meerjarenplan

Vijf Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar ziet de Commissie erop toe dat een evaluatie plaatsvindt van de gevolgen van het meerjarenplan voor de onder deze verordening vallende bestanden en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren. De Commissie deelt de resultaten van die evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad en dient, indien nodig, een voorstel in tot wijziging van deze verordening . [Am. 80]

HOOFDSTUK VII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 15

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde voorwaarden. [Am. 81]

2.   De in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van… [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig de artikelen 6 en 7 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 15 bis

Steun uit het EFMZV

1.     Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het meerjarenplan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 beschouwd als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten.

2.     In afwijking van artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedraagt de maximale duur van de steun tot 31 december 2020 krachtens die verordening negen maanden voor vaartuigen waarop de in deze verordening bedoelde gebieds- en tijdsgebonden sluitingen van toepassing zijn.

3.     Om de uitvoering van lid 2 van dit artikel te garanderen is het in afwijking van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) nr. 508/2014 mogelijk de totale financiële bijdrage uit het EFMZV te verhogen tot boven de in dat artikel vermelde bovengrens van 15 %.

4.     Bij de tenuitvoerlegging van de acties in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 508/2014 wordt prioriteit verleend aan vissers die gevolgen ondervinden van de tenuitvoerlegging van de maatregelen in dit meerjarenplan.

5.     Tot en met 31 december 2020 en in afwijking van de tijdslimiet in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 508/2014, komen vaartuigen die alle visserijactiviteit hebben stopgezet als gevolg van de in deze verordening opgenomen maatregelen om de visserijinspanning te beperken, in aanmerking voor de steun voor definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 508/2014. [Am. 82]

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 68.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 november 2018.

(3)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(4)   Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(5)   Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(6)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(7)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (Middellandse Zeeverordening) (PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6).

(8)  Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) — Beoordeling van bestanden in de Middellandse Zee — deel 2 (STECF-11-14).

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 21).

(10)   Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij — Kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee. Beoordelingen met betrekking tot de Middellandse Zee, deel 1 (STECF-15-14) . 2015. [Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, EUR 27492 EN, JRC 97707, 52 blz.] [The second part of this reference seems to be mistaken. OPOCE, please check.].

(11)  Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij — Kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee. Beoordelingen met betrekking tot de Middellandse Zee, deel 1 (STECF-15-14) . 2015. [Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, EUR 27492 EN, JRC 97707, 52 blz.] [ The second part of this reference seems to be mistaken. OPOCE, please check.].

(12)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(13)   Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(14)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(15)  Effectbeoordeling… [include reference when published].

(16)  Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44).

BIJLAGE I

Streefreferentiepunten

(als bedoeld in de artikelen  4 en 5 ) [Am. 86]

Bestand

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die in samenhang is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY) Streefreferentiepunten voor kleine pelagische soorten

Kolom A

Kolom B

Ansjovis

0,23  — 0,30 SSBpa

0,30  — 0,364 SSBlim

Sardine

0,065  — 0,08

0,08  — 0,11 SSBlim

[Am. 87]

BIJLAGE II

Instandhoudingsreferentiepunten

(als bedoeld in artikel 5)

Bestand

Referentiepunt voor minimale paaibiomassa (ton) (MSY Btrigger)

Referentiepunt voor de grensbiomassa (ton) (Blim)

Kolom A

Kolom B

Ansjovis

139 000

69 500

Sardine

180 000

36 000

[Am. 84]


Dinsdag 14 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/257


P8_TA(2018)0450

Staatssteunregels: nieuwe soorten staatssteun *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (COM(2018)0398 — C8-0316/2018 — 2018/0222(NLE))

(Raadpleging)

(2020/C 363/31)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0398),

gezien artikel 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0316/2018),

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0315/2018),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/258


P8_TA(2018)0452

Toekenning van bevoegdheden aan mededingingsautoriteiten en waarborging van de goede werking van de interne markt ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (COM(2017)0142 — C8-0119/2017 — 2017/0063(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/32)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0142),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 103 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0119/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0057/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P8_TC1-COD(2017)0063

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/1.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

De Commissie neemt kennis van de tekst van artikel 11 over voorlopige maatregelen zoals overeengekomen door het Europees Parlement en de Raad.

Voorlopige maatregelen kunnen voor mededingingsautoriteiten een cruciaal instrument zijn om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt geschaad terwijl een onderzoek gaande is.

Om de mededingingsautoriteiten in staat te stellen doeltreffender te reageren op ontwikkelingen op zich snel evoluerende markten, zegt de Commissie toe dat zij binnen twee jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn zal analyseren of het treffen van voorlopige maatregelen binnen het European Competition Network kan worden vereenvoudigd. De resultaten van deze analyse zullen worden medegedeeld aan het Europees Parlement en de Raad.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/260


P8_TA(2018)0453

Europees wetboek voor elektronische communicatie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) COM(2016)0590 — C8-0379/2016 — 2016/0288(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2020/C 363/33)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0590),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0379/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 januari 2017 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 februari 2017 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (3),

gezien de brief d.d. maandag 17 oktober 2016 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0318/2017),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 65.

(2)  PB C 207 van 30.6.2017, blz. 87.

(3)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P8_TC1-COD(2016)0288

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/1972.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/262


P8_TA(2018)0454

Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (COM(2016)0591 — C8-0382/2016 — 2016/0286(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/34)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0591),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0382/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 januari 2017 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0305/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 65.


P8_TC1-COD(2016)0286

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau), tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1211/2009

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1971.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/264


P8_TA(2018)0455

CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (COM(2018)0284 — C8-0197/2018 — 2018/0143(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/35)

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)

De inzet van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen moet bijdragen aan de oplossing van belangrijke stedelijke mobiliteitsproblemen. De keuze van fabrikanten voor dit soort voertuigen is niet alleen essentieel om de CO2-uitstoot van het wegvervoer te verminderen, maar ook cruciaal voor de doeltreffende vermindering van luchtverontreinigende stoffen en excessieve geluidsniveaus in steden en stedelijke gebieden.

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)

Naar aanleiding van de strategie voor emissiearme mobiliteit heeft de Commissie in mei (19) en november 2017 (20) twee mobiliteitspakketten goedgekeurd. Deze pakketten omvatten een positieve agenda die invulling geeft aan de strategie voor emissiearme mobiliteit en zorgt voor een vlotte transitie naar schone , concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen.

(2)

Naar aanleiding van de strategie voor emissiearme mobiliteit heeft de Commissie in mei (19) en november 2017 (20) twee mobiliteitspakketten goedgekeurd. Deze pakketten omvatten een positieve agenda die invulling geeft aan de strategie voor emissiearme mobiliteit en zorgt voor een vlotte transitie naar emissievrije , concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen.

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)

Deze verordening maakt deel uit van het derde “Europa in beweging”-pakket, dat invulling geeft aan de hernieuwde strategie voor het industriebeleid van september 2017 (21), en beoogt het proces dat de Unie in staat moet stellen ten volle profijt te trekken van de modernisering en het koolstofvrij maken van mobiliteit, af te ronden. Met het pakket wordt beoogd de Europese mobiliteit veiliger en toegankelijker, de Europese industrie concurrerender, Europese banen zekerder, en het mobiliteitssysteem schoner en beter aangepast te maken om het probleem van de klimaatverandering aan te pakken. Dit vergt de volledige inzet van de Unie , de lidstaten en belanghebbenden , vooral voor het opvoeren van de inspanningen om CO2-emissies en luchtverontreiniging te verminderen .

(3)

Deze verordening maakt deel uit van het derde “Europa in beweging”-pakket, dat invulling geeft aan de hernieuwde strategie voor het industriebeleid van september 2017 (21), en beoogt het proces dat de Unie in staat moet stellen ten volle profijt te trekken van de modernisering en het koolstofvrij maken van mobiliteit, af te ronden. Met het pakket wordt beoogd de Europese mobiliteit veiliger en toegankelijker, de Europese industrie concurrerender en Europese banen zekerder te maken , en de sector tegen 2050 duidelijk op het pad naar emissievrij vervoer te brengen, in volledige overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs. Om een goed evenwicht te vinden tussen het versterken van de inspanningen om de CO2-emissies en de luchtvervuiling terug te dringen, de innovatie in de automobielsector van de Unie te stimuleren en het mededingingsvermogen van de Unie te versterken , is de volledige inzet van de Unie, de lidstaten en belanghebbenden vereist .

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

Deze verordening biedt, naast de CO2-emissienormen voor personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen  (22), een duidelijk traject voor CO2-emissiereducties van de wegvervoersector en draagt bij tot de verwezenlijking van de bindende doelstelling om de broeikasgasemissies in de gehele economie van de Unie tegen 2030 met ten minste 40  % te verminderen ten opzichte van 1990, zoals onderschreven in de conclusies van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 en tijdens de zitting van de Raad Milieu op 6 maart 2015 goedgekeurd als de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie krachtens de Overeenkomst van Parijs.

(4)

Deze verordening biedt, met Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad  (22), een duidelijk traject voor CO2-emissiereducties van de wegvervoersector en draagt bij tot de verwezenlijking van de bindende doelstelling om de broeikasgasemissies in de gehele economie van de Unie tegen 2030 met ten minste 55  % te verminderen ten opzichte van 1990, wat noodzakelijk is om in overeenstemming te zijn met de Overeenkomst van Parijs.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)

Derhalve moeten voor 2025 en 2030 CO2-emissiereductieniveaus voor het gehele wagenpark van de Unie van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen worden vastgesteld, gelet op de vervangingstijd van het wagenpark en de noodzaak dat de vervoersector bijdraagt tot de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 en daarna. Een dergelijke stapsgewijze benadering geeft de sector ook een duidelijk en vroegtijdig signaal dat de invoering op de markt van energie-efficiënte technologieën en emissiearme en emissievrije voertuigen niet mag worden uitgesteld.

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)

De Europese Raad schaarde zich in zijn conclusies van oktober 2014 achter een broeikasgasemissiereductie tegen 2030 van 30 % ten opzichte van 2005 voor de sectoren die geen deel uitmaken van het emissiehandelssysteem van de Unie. De emissies van de wegvervoersector vormen een groot deel van de totale emissies van die sectoren en liggen nog steeds ver boven de niveaus van 1990. Mochten de emissies van de wegvervoersector verder toenemen, dan zouden de verminderingen van andere sectoren om de klimaatverandering tegen te gaan, ongedaan worden gemaakt.

(5)

De Europese Raad schaarde zich in zijn conclusies van oktober 2014 achter een broeikasgasemissiereductie tegen 2030 van 30 % ten opzichte van 2005 voor de sectoren die geen deel uitmaken van het emissiehandelssysteem van de Unie. De emissies van de wegvervoersector waren goed voor 25 % van de broeikasgasemissies van de Unie in 2016, waarbij zij voor het derde jaar op rij zijn toegenomen en nog steeds ver boven de niveaus van 1990 liggen . Mochten de emissies van de wegvervoersector verder toenemen, dan zouden de verminderingen van andere sectoren om de klimaatverandering tegen te gaan, ongedaan worden gemaakt.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)

Gezien de verwachte toename tot ongeveer 9 % van het aandeel emissies van zware bedrijfsvoertuigen en het feit dat er op dit ogenblik geen CO2-reductievereisten zijn voor zware bedrijfsvoertuigen, zijn er voor deze categorie voertuigen specifieke maatregelen nodig.

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)

Om ervoor te zorgen dat het energie-efficiëntiepotentieel ten volle wordt benut en dat de wegvervoersector als geheel bijdraagt tot de overeengekomen broeikasgasemissiereducties, is het passend de reeds bestaande CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen aan te vullen door CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Deze normen zullen een drijvende kracht zijn voor innovatie in brandstofefficiënte technologieën, waarmee de technologische voortrekkersrol van de fabrikanten en leveranciers van de Unie wordt versterkt.

(9)

Om ervoor te zorgen dat het energie-efficiëntiepotentieel ten volle wordt benut en dat de wegvervoersector als geheel bijdraagt tot de overeengekomen broeikasgasemissiereducties, is het passend de reeds bestaande CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen aan te vullen door CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Deze normen zullen een drijvende kracht zijn voor innovatie in brandstofefficiënte technologieën, waarmee de technologische voortrekkersrol van de fabrikanten en leveranciers van de Unie wordt versterkt en op lange termijn hooggeschoolde banen worden gecreëerd.

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)

Aangezien klimaatverandering een grensoverschrijdend probleem is, en vanwege de noodzaak een goed functionerende eengemaakte markt voor wegvervoersdiensten en zware bedrijfsvoertuigen te waarborgen, is het passend op het niveau van de Unie CO2-emissienormen voor zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Die normen moeten het mededingingsrecht onverlet laten.

(10)

Aangezien klimaatverandering een grensoverschrijdend probleem is, en vanwege de noodzaak een goed functionerende eengemaakte markt voor wegvervoersdiensten en zware bedrijfsvoertuigen te waarborgen en marktversnippering te vermijden , is het passend op het niveau van de Unie CO2-emissienormen voor zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Die normen moeten het mededingingsrecht onverlet laten.

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)

Een maatschappelijk aanvaardbare en rechtvaardige overgang naar emissievrije mobiliteit tegen 2050 vereist dat in de volledige waardeketen van de automobielsector veranderingen worden doorgevoerd, waarbij mogelijk ongunstige gevolgen voor burgers en regio's in alle lidstaten in aanmerking worden genomen. Het is belangrijk rekening te houden met de maatschappelijke gevolgen van de overgang en proactief te zijn bij de aanpak van de implicaties voor de werkgelegenheid. Het is daarom uiterst belangrijk dat de huidige maatregelen tevens vergezeld gaan van gerichte programma's op Unie-, nationaal en regionaal niveau voor de omscholing, bijscholing en het opnieuw inzetten van werknemers, alsmede opleidingen en initiatieven voor het zoeken naar werk, die worden uitgevoerd in nauwe samenspraak met de sociale partners en de bevoegde autoriteiten.

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 ter)

Er moet met spoed oplaad- en tankinfrastructuur tot stand komen om vertrouwen te wekken bij consumenten ten aanzien van emissievrije en emissiearme voertuigen, en bovendien moeten de verscheidene steuninstrumenten, zowel op het niveau van de Unie als van de lidstaten, effectief samenwerken om grote publieke en private investeringen te mobiliseren.

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 quater)

In de strategie voor emissiearme mobiliteit is benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de voor elektrische voertuigen gegenereerde stroom afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat er zo snel mogelijk op Unieniveau een initiatief voor de lange termijn wordt gestart met betrekking tot de accu's van de volgende generatie. Om ervoor te zorgen dat deze doelstellingen worden gehaald moet de financiering van technologisch onderzoek met betrekking tot de productie, het beheer en de verwijdering van accu's van elektrische motoren worden opgeschroefd om die motoren steeds milieuvriendelijker te maken.

Amendement 15

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 quinquies)

De meeste vrachtvervoerondernemers in de Unie zijn kleine en middelgrote ondernemingen met een beperkte toegang tot financiering. Toekomstige oplossingen moeten derhalve kostenefficiënt en evenwichtig zijn. Een sterke stimulansstructuur en Uniefinancieringsmechanismen zijn van essentieel belang om de introductie van zuinigere voertuigen te ondersteunen.

Amendement 16

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)

In het licht van innovatie en teneinde rekening te houden met de toepassing van nieuwe technologieën ter verbetering van de brandstofefficiëntie van zware bedrijfsvoertuigen, zullen de simulatietool VECTO en Verordening (EU) 2017/2400 voortdurend en tijdig worden geactualiseerd.

(13)

In het licht van innovatie en teneinde rekening te houden met de toepassing van nieuwe technologieën ter verbetering van de brandstofefficiëntie van zware bedrijfsvoertuigen, alsook de ontwikkeling van de werkelijke representativiteit van de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden voor de CO2-emissies, zullen het simulatie-instrument VECTO en Verordening (EU) 2017/2400 voortdurend en tijdig worden geactualiseerd , en moeten voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. Gezien de rol die deze nieuwe technologieën kunnen spelen voor het potentieel om de CO2-emissies in de vervoersector te verminderen, dient de beoordeling in 2022 de ontwikkeling van het simulatie-instrument VECTO volledig in aanmerking te nemen.

Amendement 17

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)

Op grond van Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad (25) moet monitoring plaatsvinden van de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde gegevens betreffende CO2-emissies. Die gegevens moeten de basis vormen voor het bepalen van de reductiedoelstellingen voor de vier meest vervuilende groepen zware bedrijfsvoertuigen in de Unie, alsook voor het bepalen van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant in een bepaald kalenderjaar.

(14)

Op grond van Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad (25) moet monitoring plaatsvinden van de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde gegevens betreffende CO2-emissies. Die gegevens moeten de basis vormen voor het bepalen van de reductiedoelstellingen voor de vier meest vervuilende groepen zware bedrijfsvoertuigen in de Unie, alsook voor het bepalen van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant in een bepaald kalenderjaar.

(Deze wijziging geldt voor de gehele wetstekst. Bij aanneming van dit amendement moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement 18

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)

Voor 2025 moet een reductiedoelstelling worden vastgesteld als een relatieve vermindering ten opzichte van de gemiddelde CO2-emissies van die zware bedrijfsvoertuigen in 2019, die de toepassing van direct beschikbare kostenefficiënte technologieën voor conventionele voertuigen weerspiegelt. De doelstelling voor 2030 moet als streefdoel worden beschouwd en de uiteindelijke doelstelling moet worden bepaald op basis van een in 2022 uit te voeren beoordeling, aangezien er meer onzekerheden zijn over de toepassing van meer geavanceerde technologieën die nog niet direct beschikbaar zijn.

(15)

Voor 2025 moet een reductiedoelstelling worden vastgesteld als een relatieve vermindering ten opzichte van de gemiddelde CO2-emissies van die zware bedrijfsvoertuigen in 2019, die de toepassing van direct beschikbare kostenefficiënte technologieën voor conventionele voertuigen weerspiegelt. Voor 2030 moet ook een reductiedoelstelling worden vastgesteld, op basis van een in 2022 uit te voeren beoordeling, die het ambitieniveau van deze verordening niet mag verlagen en waarbij er rekening mee wordt gehouden dat er meer onzekerheden zijn over de toepassing van meer geavanceerde technologieën die nog niet direct beschikbaar zijn.

Amendement 19

Voorstel voor een verordening

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)

Vloeibaar aardgas (liquified natural gas, lng) is als alternatieve brandstof voor diesel beschikbaar voor zware bedrijfsvoertuigen. De toepassing van de huidige en meer innovatieve toekomstige op lng gebaseerde technologieën, zal bijdragen tot het verwezenlijken van de CO2-emissiedoelstellingen op de korte en de middellange termijn, aangezien het gebruik van lng-technologieën leidt tot lagere CO2-emissies in vergelijking met dieselvoertuigen. Het CO2-emissiereductiepotentieel van lng-voertuigen komt reeds volledig tot uitdrukking in VECTO. De huidige lng-technologieën zorgen ook voor een laag niveau van luchtverontreinigende emissies zoals stikstofoxiden en fijn stof. Er is tevens een adequate minimale tankinfrastructuur opgezet die verder wordt uitgerold als onderdeel van nationale beleidskaders voor de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen .

(16)

Overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening dient als onderdeel van nationale beleidskaders voor de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen te worden voorzien in de verdere uitrol van efficiënte, technologieneutrale en adequate tank- en oplaadinfrastructuur .

Amendement 20

Voorstel voor een verordening

Overweging 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 bis)

Met betrekking tot de werkvoertuigen en de voertuigen van de categorieën M2 en M3 moet de Commissie zo snel mogelijk de technische criteria specificeren voor de definitie van het professionele doel van een voertuig en voor de definitie van onder deze verordening vallende bussen.

Amendement 21

Voorstel voor een verordening

Overweging 17 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 ter)

Er dient een valideringsmechanisme voor de uitgangswaarden van 2019 te worden ontwikkeld om de nauwkeurigheid en voordelen van deze verordening te waarborgen.

Amendement 22

Voorstel voor een verordening

Overweging 20 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(20 bis)

Om te zorgen voor flexibiliteit in het stimuleringsmechanisme voor de ontwikkeling van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen moeten onderling verbonden fabrikanten de mogelijkheid hebben een groep te vormen op een open, transparante en niet-discriminerende basis. De looptijd van een overeenkomst tot groepsvorming mag ten hoogste vijf jaar bedragen, maar kan verlengd worden. De Commissie moet beschikken over de bevoegdheid om specifieke regels en voorwaarden vast te stellen voor onderling verbonden fabrikanten om een groep te vormen op een open, transparante en niet-discriminerende basis, in overeenstemming met het mededingingsrecht van de Unie.

Amendement 23

Voorstel voor een verordening

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)

Er zijn, afgezien van bussen, nog geen emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in de handel verkrijgbaar, zoals wel het geval is voor personen- en bestelauto's. Derhalve moet er, om een soepele overgang naar emissievrije mobiliteit te vergemakkelijken, een specifiek mechanisme in de vorm van superkredieten worden ingevoerd. Dit mechanisme zal voorzien in stimulansen voor de ontwikkeling en inzet op de markt van de Unie van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen, die een aanvulling vormen op instrumenten die gericht zijn op de vraagzijde, zoals Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (26) inzake schone voertuigen.

(21)

Met het oog op de soepele overgang naar emissievrije mobiliteit en het voorzien in stimulansen voor de ontwikkeling en inzet op de markt van de Unie van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen, die een aanvulling vormen op instrumenten die gericht zijn op de vraagzijde, zoals Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake schone voertuigen (26) , moet voor 2025 en 2030 een benchmark vastgesteld worden voor het aandeel van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het wagenpark van fabrikanten .

Amendement 24

Voorstel voor een verordening

Overweging 21 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(21 bis)

Het minimumaandeel van emissievrije en emissiearme voertuigen moet worden bepaald om investeringszekerheid te waarborgen voor aanbieders en fabrikanten van oplaadinfrastructuur teneinde de snelle inzet van emissievrije en emissiearme voertuigen op de markt van de Unie te bevorderen, terwijl wordt voorzien in enige mate van flexibiliteit voor de fabrikanten om over hun investeringstermijn te beslissen. Een mechanisme moet worden ingevoerd om fabrikanten te stimuleren om zo snel mogelijk emissievrije en emissiearme voertuigen op de markt van de Unie te brengen.

Amendement 25

Voorstel voor een verordening

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22)

Voor de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant moeten alle emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen derhalve meerdere keren worden geteld. De hoogte van de stimulansen moet afhankelijk zijn van de feitelijke CO2-emissies van het voertuig. Om te voorkomen dat de milieudoelstellingen hierdoor worden afgezwakt moet voor de daaruit voortvloeiende besparingen een maximumwaarde gelden.

(22)

Voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissiedoelstelling voor een fabrikant moet zijn prestatie ten opzichte van de benchmark voor 2025 en 2030 voor emissievrije en emissiearme voertuigen in aanmerking worden genomen. Om de ontwikkeling en inzet van dergelijke voertuigen te stimuleren en tegelijkertijd te voorkomen dat de milieudoelstellingen en de efficiëntie van conventionele interne verbrandingsmotoren worden afgezwakt, moet voor de daaruit voortvloeiende aanpassingen een maximumwaarde gelden.

Amendement 26

Voorstel voor een verordening

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(24)

Ook kleine vrachtauto's , bussen en touringcars die niet aan de CO2-emissienormen van deze verordening hoeven te voldoen, moeten in het stimuleringsmechanisme voor de inzet van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen, worden opgenomen. Deze voertuigen dragen ook aanzienlijk bij tot de aanpak van luchtverontreinigingsproblemen in de steden. Er moet echter worden opgemerkt dat er al emissievrije bussen in de handel verkrijgbaar zijn en dat deze worden gestimuleerd met maatregelen die gericht zijn op de vraagzijde, bijvoorbeeld in het kader van overheidsopdrachten. Om ervoor te zorgen dat de stimulansen evenwichtig over de verschillende soorten voertuigen worden verdeeld, moet er derhalve ook een maximumwaarde gelden voor de besparingen die behaald worden met emissievrije kleine vrachtauto's, bussen en touringcars.

(24)

Ook kleine vrachtauto's en andere categorieën zware bedrijfsvoertuigen die nog niet aan de CO2-emissienormen van deze verordening hoeven te voldoen, moeten in het stimuleringsmechanisme voor de inzet van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen, worden opgenomen. Deze voertuigen dragen ook aanzienlijk bij tot de aanpak van luchtverontreinigingsproblemen in de steden.

Amendement 28

Voorstel voor een verordening

Overweging 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(29)

Wanneer blijkt dat een fabrikant, rekening houdend met de emissiekredieten en -schulden, overtollige emissies heeft, moet de Commissie een boete opleggen in de vorm van een bijdrage voor overtollige emissies. Om de fabrikanten voldoende te stimuleren om maatregelen te nemen om de specifieke CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen te verlagen, moet de bijdrage hoger zijn dan de gemiddelde marginale kosten van de technologieën die nodig zijn om de doelstellingen te verwezenlijken. De bijdragen worden beschouwd als ontvangsten voor de algemene begroting van de Unie. De methode voor het verzamelen van de bijdragen moet door middel van een uitvoeringshandeling worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de krachtens Verordening (EG) nr. 443/2009 vastgestelde methode.

(29)

Wanneer blijkt dat een fabrikant, rekening houdend met de emissiekredieten en -schulden, overtollige emissies heeft, moet de Commissie een boete opleggen in de vorm van een bijdrage voor overtollige emissies. Om de fabrikanten voldoende te stimuleren om maatregelen te nemen om de specifieke CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen te verlagen, is het van belang dat de bijdrage altijd hoger is dan de gemiddelde marginale kosten van de technologieën die nodig zijn om de doelstellingen te verwezenlijken. De bijdragen voor overtollige emissies worden beschouwd als ontvangsten voor de algemene begroting van de Unie. Die bijdragen moeten, in nauwe samenwerking met de sociale partners en bevoegde autoriteiten, worden gebruikt ter ondersteuning van de rechtvaardige overgang van de automobielsector naar emissievrije mobiliteit alsook innovatieve oplossingen die de snelle inzet van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen stimuleren. De methode voor het verzamelen van de bijdragen moet door middel van een uitvoeringshandeling worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de krachtens Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) vastgestelde methode.

Amendement 29

Voorstel voor een verordening

Overweging 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(30)

Om te garanderen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt, is een degelijk nalevingsmechanisme noodzakelijk. De krachtens Verordening (EU) 2018/ … [monitoring en rapportering van zware bedrijfsvoertuigen] op de fabrikanten rustende verplichting om nauwkeurige gegevens te verstrekken en de administratieve boetes die kunnen worden opgelegd als de verplichting niet wordt nageleefd, draagt bij tot het waarborgen van de robuustheid van de gegevens die voor de naleving van de doelstellingen in het kader van deze verordening worden gebruikt.

(30)

Om te garanderen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt, is een degelijk nalevingsmechanisme noodzakelijk. De krachtens Verordening (EU) 2018/ 956 op de fabrikanten rustende verplichting om nauwkeurige gegevens te verstrekken en de administratieve boetes die kunnen worden opgelegd als de verplichting niet wordt nageleefd, draagt bij tot het waarborgen van de robuustheid van de gegevens die voor de naleving van de doelstellingen in het kader van deze verordening worden gebruikt. Consumenten en het publiek hebben er belang bij te weten welke fabrikanten voldoen aan de nieuwe emissienormen en welke niet.

Amendement 30

Voorstel voor een verordening

Overweging 31

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(31)

Voor het behalen van de CO2-reducties krachtens deze verordening is het essentieel dat de CO2-emissies van de in gebruik zijnde zware bedrijfsvoertuigen in overeenstemming zijn met de krachtens Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening vastgestelde bepaalde waarden. Daarom moet de Commissie bij de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant rekening kunnen houden met door typegoedkeuringsinstanties geconstateerde systematische non-conformiteit met betrekking tot de CO2-emissies van in gebruik zijnde zware bedrijfsvoertuigen.

(31)

Voor het behalen van de CO2-reducties krachtens deze verordening is het essentieel dat de CO2-emissies van de in gebruik zijnde zware bedrijfsvoertuigen op de weg in overeenstemming zijn met de krachtens Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening vastgestelde bepaalde waarden. Daarom moet de Commissie bij de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant rekening kunnen houden met door typegoedkeuringsinstanties geconstateerde systematische non-conformiteit met betrekking tot de CO2-emissies van in gebruik zijnde zware bedrijfsvoertuigen op de weg. Tevens dient onafhankelijk testen door derden van in gebruik zijnde voertuigen op de weg te worden ingevoerd .

Amendement 31

Voorstel voor een verordening

Overweging 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33)

De doeltreffendheid van de in deze verordening vastgestelde doelstellingen voor het verminderen van CO2-emissies is sterk afhankelijk van de representativiteit van de voor het bepalen van de CO2-emissies gebruikte methode. Overeenkomstig het advies van het mechanisme voor wetenschappelijk advies (27) voor lichte bedrijfsvoertuigen is het ook in het geval van zware bedrijfsvoertuigen passend een mechanisme in te stellen om te beoordelen of de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden voor de CO2-emissies en het energieverbruik representatief zijn voor de werkelijkheid. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen de openbare beschikbaarheid van die gegevens te waarborgen en, indien nodig, de procedures vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en verzameling van de voor dergelijke beoordelingen vereiste gegevens.

(33)

De doeltreffendheid van de in deze verordening vastgestelde doelstellingen voor het verminderen van CO2-emissies is sterk afhankelijk van de representativiteit van de voor het bepalen van de CO2-emissies gebruikte methode. Overeenkomstig het advies van het mechanisme voor wetenschappelijk advies (27) voor lichte bedrijfsvoertuigen is het ook in het geval van zware bedrijfsvoertuigen passend een mechanisme in te stellen om te beoordelen of de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden voor de CO2-emissies en het energieverbruik representatief zijn voor de werkelijkheid. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen de openbare beschikbaarheid van die gegevens te waarborgen en, indien nodig, de procedures vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en verzameling van de voor dergelijke beoordelingen vereiste gegevens. Wanneer een significante kloof tussen werkelijke emissiewaarden en de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden wordt vastgesteld, moet de Commissie de bevoegdheid hebben om de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant en, indien nodig, de referentiewaarden van de CO2-emissies voor 2019 die voor de naleving van deze verordening worden gebruikt, dienovereenkomstig aan te passen.

Amendement 32

Voorstel voor een verordening

Overweging 34 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(34 bis)

In haar verslag van 2022 moet de Commissie ook de mogelijkheid beoordelen van de ontwikkeling van een methode voor de evaluatie van de CO2-emissies tijdens de volledige levenscyclus van zware bedrijfsvoertuigen. Op grond van die evaluatie moet de Commissie, indien nodig, rapportageverplichtingen voor fabrikanten voorstellen en de noodzakelijke voorschriften en procedures voor die rapportages specificeren.

Amendement 33

Voorstel voor een verordening

Overweging 36

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(36)

De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot artikel 8 , lid 3 , artikel 9 , lid 3, artikel 11, lid 3, en artikel 12, lid 2, moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (28).

(36)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het bepalen van de middelen voor het innen van de bijdragen voor overtollige emissies , het vaststellen van gedetailleerde voorschriften voor het rapporteren van afwijkingen in de CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen die in gebruik zijn , het publiceren van gegevens , het vaststellen van nadere regels voor de procedures voor het rapporteren van gegevens uit brandstofverbruiksmeters alsook het vaststellen van een methode voor het definiëren van een of meer representatieve voertuigen van een subgroep voertuigen. Deze uitvoeringsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (28).

Amendement 34

Voorstel voor een verordening

Overweging 37

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(37)

Teneinde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanpassing van de referentiewaarden van de CO2-emissies krachtens artikel 12, lid 2, en ten aanzien van de wijziging van de bijlagen I en II wat bepaalde technische parameters betreft, met inbegrip van de weegfactoren van de missieprofielen, de belastingen en de jaarlijks afgelegde afstanden, alsook de aanpassingsfactoren voor de belasting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (29). Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen hun deskundigen stelselmatig toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(37)

Teneinde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen en aan te vullen , moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de vaststelling van de technische criteria voor het definiëren van het professionele doel van een voertuig en voor de definitie van stadsbussen, de vaststelling van nadere regels en voorwaarden die onderling verbonden fabrikanten de mogelijkheid geven om een groep te vormen, de vaststelling van een procedure voor het jaarlijks testen van een representatieve steekproef van onderdelen, eenheden en systemen, de aanpassing van de referentiewaarden van de CO2-emissies , de invoering van een conformiteitstest tijdens het gebruik en op de weg en ten aanzien van de wijziging van de bijlagen I en II wat bepaalde technische parameters betreft, met inbegrip van de weegfactoren van de missieprofielen, de belastingen en de jaarlijks afgelegde afstanden, alsook de aanpassingsfactoren voor de belasting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (29). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

Amendement 35

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Om bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2030 haar broeikasgasemissies in de in artikel 2 van Verordening (EU) 2018/ … [verordening inzake de verdeling van de inspanningen] bedoelde sectoren met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2005, om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en om een goede werking van de interne markt te waarborgen, worden bij deze verordening CO2 -emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen vastgesteld, waardoor de specifieke CO2-emissies van het wagenpark van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de Unie in vergelijking met de referentiewaarden van de CO2-emissies als volgt worden verminderd:

Om bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2030 haar broeikasgasemissies in de in artikel 2 van Verordening (EU) 2018/ 842 bedoelde sectoren met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2005, om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en om een goede werking van de interne markt te waarborgen, worden bij deze verordening CO2 -emissieprestatievoorschriften voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen vastgesteld, waardoor de specifieke CO2-emissies van het wagenpark van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de Unie in vergelijking met de referentiewaarden van de CO2-emissies als volgt worden verminderd:

Amendement 36

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)

van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 met 15  %;

a)

van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 met 20  %;

Amendement 37

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)

vanaf 1 januari 2030 met ten minste 30 % , behoudens de evaluatie uit hoofde van artikel 13.

b)

vanaf 1 januari 2030 met ten minste 35 % , behoudens de evaluatie uit hoofde van artikel 13.

Amendement 38

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Met het oog op de soepele overgang naar emissievrije mobiliteit en het voorzien in stimulansen voor de ontwikkeling en inzet op de markt en in de infrastructuur van de Unie van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen, stelt deze verordening in artikel 5 een benchmark vast voor het aandeel van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het wagenpark van alle fabrikanten voor 2025 en 2030.

 

De specifieke CO2-emissies worden aangepast op basis van de prestaties ten opzichte van de benchmark, overeenkomstig bijlage I, punt 4.

Amendement 40

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — lid 1 — alinea 1 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze verordening is van toepassing op nieuwe voertuigen van de categorieën N2 en N3 met de onderstaande kenmerken:

Deze verordening is als eerste stap van toepassing op nieuwe voertuigen van de categorieën N2 en N3 met de onderstaande kenmerken:

Amendement 41

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — lid 1 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 5 en punt 2.3 van bijlage I zijn tevens van toepassing op voertuigen van de categorieën M2 en M3 en op voertuigen van categorie N die niet binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 vallen en die niet de onder a) tot en met d) beschreven kenmerken hebben.

Artikel 1, lid 2 bis, artikel 5, en bijlage I, punt 4, zijn tevens van toepassing op voertuigen van categorie N die niet binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) vallen en die niet de onder a) tot en met d) beschreven kenmerken hebben. Voorts is artikel 1, lid 2 ter, van toepassing op voertuigen van de categorieën M2 en M3 die aan de in lid 2 bis van dit artikel bedoelde technische criteria voldoen.

Amendement 42

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.     De Commissie stelt overeenkomstig artikel 15 uiterlijk 1 juli 2019 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van de technische criteria voor de definitie van het professionele doel van een voertuig en voor de definitie van onder deze verordening vallende stadsbussen.

Amendement 43

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 — alinea 1 — letter h

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(h)

“werkvoertuig”: een niet voor de levering van goederen bestemd zwaar bedrijfsvoertuig, waarvoor de CO2-emissies en het brandstofverbruik uitsluitend voor andere dan de in punt 2.1 van bijlage I bij deze verordening bedoelde missieprofielen zijn bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening;

(h)

“werkvoertuig”: een niet voor de levering van goederen bestemd zwaar bedrijfsvoertuig, waarvan het professionele doel is vastgesteld op grond van de overeenkomstig artikel 2, lid 2 bis, vastgestelde technische criteria, waarvoor de CO2-emissies en het brandstofverbruik uitsluitend voor andere dan de in punt 2.1 van bijlage I bij deze verordening bedoelde missieprofielen zijn bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening;

Amendement 44

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 — alinea 1 — letter k

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(k)

“emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig”: een zwaar bedrijfsvoertuig dat geen emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig is, met specifieke CO2-emissies die minder dan 350 g  CO2 /km bedragen zoals bepaald overeenkomstig punt  2.1 van bijlage I ;

(k)

“emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig”: een zwaar bedrijfsvoertuig dat geen emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig is, met specifieke CO2-emissies, zoals bepaald overeenkomstig bijlage I, punt 2.1, die lager zijn dan 50 % van de referentiewaarden van de CO2 -emissies van elke subgroep, zoals bepaald overeenkomstig bijlage I, punt  3 ;

Amendement 46

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 — alinea 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)

de overeenkomstig artikel 5 bepaalde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen.

Schrappen

Amendement 47

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 1 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Vanaf 2020 en in elk daaropvolgend kalenderjaar bepaalt de Commissie, door middel van de in artikel 10, lid 1, bedoelde uitvoeringshandelingen, voor elke fabrikant de in artikel 4, onder b), bedoelde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen voor het voorgaande kalenderjaar.

Met ingang van 1 januari 2025 wordt het specifieke aandeel van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het wagenpark van de fabrikant in een kalenderjaar getoetst aan de volgende waarden:

 

vanaf 2025: ten minste 5 %;

 

vanaf 2030: 20 %, behoudens de evaluatie ingevolge artikel 13.

Amendement 48

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 1 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen houdt rekening met het aantal en de CO2-emissies van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het wagenpark van de fabrikant in een kalenderjaar, met inbegrip van emissievrije voertuigen van de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde categorieën, alsook emissievrije en emissiearme werkvoertuigen.

Schrappen

Amendement 49

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 1 — alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen wordt berekend overeenkomstig punt 2.3 van bijlage I.

Schrappen

Amendement 50

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 2 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van lid 1 worden de emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen als volgt geteld:

Om aan de in lid 1 vermelde doelstellingen te voldoen, is deze verordening ook van toepassing op voertuigen van categorie N die niet binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 vallen en die niet de in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), van deze verordening beschreven kenmerken hebben.

a)

een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig telt als twee voertuigen;

 

b)

een emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig telt als maximaal twee voertuigen, al naargelang de specifieke CO2-emissies ervan en de emissiedrempel van 350 g CO2/km.

 

Amendement 51

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.     De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen kan de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant met hoogstens 3 % verlagen. De bijdrage van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen van de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde categorieën tot die factor kan de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant met hoogstens 1,5  % verlagen.

Schrappen

Amendement 52

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Het in lid 1, onder a), bedoelde CO2-reductietraject wordt voor elke fabrikant overeenkomstig punt 5.1 van bijlage I bepaald op basis van een lineair traject tussen de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies en de onder a) van dat artikel vermelde doelstelling voor 2025, en tussen de doelstelling voor 2025 en de onder b) van dat artikel beschreven doelstelling voor 2030.

2.   Het in lid 1, onder a), bedoelde CO2-reductietraject wordt voor elke fabrikant overeenkomstig bijlage I, punt 5.1, bepaald op basis van een lineair traject tussen de in artikel  1, lid  1, tweede alinea, bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies en de onder a) van dat artikel vermelde doelstelling voor 2025, en tussen de doelstelling voor 2025 en de onder b) van dat artikel beschreven doelstelling voor 2030.

Amendement 53

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 7 bis

Groepsvorming

1.     Onderling verbonden fabrikanten kunnen met het oog op de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 5 een groep vormen.

2.     De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van specifieke voorschriften en voorwaarden die onderling verbonden fabrikanten de mogelijkheid bieden een groep te vormen op een open, transparante en niet-discriminerende basis.

Amendementen 74 en 75

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Wanneer overeenkomstig lid 2 blijkt dat een fabrikant overtollige emissies heeft in een bepaald kalenderjaar vanaf 2025, legt de Commissie een bijdrage voor overtollige emissies op, die met onderstaande formule wordt berekend:

1.   Wanneer overeenkomstig lid 2 blijkt dat een fabrikant overtollige emissies heeft in een bepaald kalenderjaar vanaf 2025, legt de Commissie de fabrikant of de groepsbeheerder, naargelang van het geval, een bijdrage voor overtollige emissies op, die met onderstaande formule wordt berekend:

 

voor de periode 2025-2029:

(Bijdrage voor overtollige emissies) = (Overtollige emissies x  6 800  EUR/ gCO 2/tkm)

(Bijdrage voor overtollige emissies) = (Overtollige emissies x  5 000  EUR/ g CO 2/tkm);

 

vanaf 2030:

 

(Bijdrage voor overtollige emissies) = (Overtollige emissies x 6 800  EUR/g CO2/tkm).

 

De Commissie zorgt ervoor dat de bijdrage voor overtollige emissies altijd hoger is dan de gemiddelde marginale kosten van de technologieën die nodig zijn om de doelstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste alinea, te verwezenlijken.

Amendement 55

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   De bijdragen voor overtollige emissies worden beschouwd als ontvangsten voor de algemene begroting van de Unie.

4.   De bijdragen voor overtollige emissies worden beschouwd als ontvangsten voor de algemene begroting van de Unie. Deze bijdragen worden aangewend ter aanvulling van Uniemaatregelen en nationale maatregelen, teneinde, in nauwe samenwerking met de sociale partners en de bevoegde autoriteiten, het ontwikkelen van vaardigheden en het herverdelen van werknemers in de automobielsector in alle getroffen lidstaten te bevorderen, in het bijzonder in de gebieden en de gemeenschappen die het zwaarst worden getroffen door de overgang, en zo bij te dragen aan een rechtvaardige overgang naar emissievrije en emissiearme mobiliteit.

Amendement 56

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De Commissie houdt bij de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant rekening met die afwijkingen .

2.   De Commissie houdt rekening met die afwijkingen bij de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant , en bij de aanpassing, indien nodig, van de referentiewaarden van CO2-emissies van 2019, berekend overeenkomstig bijlage I, punt 3.

Amendement 57

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     Teneinde de nauwkeurigheid van de door fabrikanten overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 en Verordening (EU) 2017/2400 gerapporteerde gegevens te waarborgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van een procedure voor het met ingang van 2019 jaarlijks testen van een representatieve steekproef van de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2400 gespecificeerde onderdelen, afzonderlijke technische eenheden en systemen van de voertuigen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. De resultaten van die tests worden vergeleken met de gegevens die door de fabrikanten krachtens Verordening (EU) 2017/2400 zijn ingevoerd en, indien systematisch onregelmatigheden worden geconstateerd, worden hun overeenkomstig bijlage I, punt 2.7 berekende gemiddelde specifieke emissies, en, indien nodig, de overeenkomstig bijlage I, punt 3, berekende referentiewaarden van de CO2-emissies van 2019, aangepast.

Amendement 58

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 — lid 1 — alinea 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

vanaf 2020: de in artikel 5 bedoelde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen ;

(b)

vanaf 2020: voor elke fabrikant zijn in artikel 5 , lid 1, bedoelde specifieke aandeel emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het voorgaande kalenderjaar ;

Amendement 59

Voorstel voor een verordening

Artikel 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 11

Artikel 11

Werkelijke CO2-emissies en werkelijk energieverbruik

Werkelijke CO2-emissies en werkelijk energieverbruik

1.   De Commissie monitort en beoordeelt in hoeverre de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik representatief zijn voor de werkelijkheid. Zij waarborgt dat het publiek wordt ingelicht over hoe die representativiteit zich in de loop van de tijd ontwikkelt.

1.   De Commissie monitort en beoordeelt in hoeverre de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik representatief zijn voor de werkelijkheid.

2.   Daartoe zorgt de Commissie ervoor dat robuuste niet-persoonsgebonden gegevens van fabrikanten of nationale instanties, naargelang de omstandigheden, beschikbaar zijn over de werkelijke CO2-emissies en het werkelijke energieverbruik van zware bedrijfsvoertuigen.

2.   Daartoe zorgt de Commissie ervoor dat robuuste gegevens van fabrikanten of nationale instanties, naargelang de omstandigheden, beschikbaar zijn , inclusief voor derden ten behoeve van onafhankelijke tests, over de werkelijke CO2-emissies en het werkelijke energieverbruik van zware bedrijfsvoertuigen , gebaseerd op gegevens van genormaliseerde totaalverbruikmeters .

 

2 bis.     De Commissie stelt overeenkomstig artikel 15 uiterlijk 31 december 2019 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening middels de invoering van een conformiteitstest tijdens het gebruik en op de weg die ervoor zorgt dat de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen op de weg de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 en Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde monitoringgegevens met niet meer dan 10 % overschrijden. De Commissie houdt bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant en, indien nodig, bij de aanpassing van de referentiewaarden van de CO2-emissies van 2019 rekening met elke afwijking die deze drempel overschrijdt.

 

2 ter.     De Commissie zorgt ervoor dat het publiek wordt ingelicht over hoe de in lid 1 bedoelde werkelijke representativiteit zich in de loop der tijd ontwikkelt.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde maatregelen vaststellen . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde specifieke voorschriften betreffende de procedures voor het rapporteren van gegevens van totaalverbruikmeters vast . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Amendement 60

Voorstel voor een verordening

Artikel 12 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Om ervoor te zorgen dat de technische parameters die worden gebruikt voor de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant krachtens artikel 4 en de berekening van de specifieke emissiedoelstellingen krachtens artikel 6, worden aangepast aan de technische vooruitgang en de evolutie van goederenlogistiek, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de volgende bepalingen van de bijlagen I en II te wijzigen:

1.   Om ervoor te zorgen dat de technische parameters die worden gebruikt voor de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van een fabrikant krachtens artikel 4 en de berekening van de specifieke emissiedoelstellingen krachtens artikel 6, worden aangepast aan de technische vooruitgang en de evolutie van goederenlogistiek, zorgt de Commissie voor de voortdurende en tijdige actualisering van het simulatie-instrument VECTO, en is zij bevoegd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de volgende bepalingen van de bijlagen I en II te wijzigen:

Amendement 61

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2022 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de doeltreffendheid van deze verordening, de ingevolge artikel 1 vast te stellen CO2-reductiedoelstelling voor 2030 en de vaststelling van CO2-reductiedoelstellingen voor andere soorten zware bedrijfsvoertuigen, waaronder aanhangwagens. Dat verslag bevat tevens een beoordeling van de doeltreffendheid van de bepalingen die in het bijzonder gelden voor emissievrije en emissiearme voertuigen, en met name bussen, rekening houdend met de in Richtlijn 2009/33/EG (30) vastgestelde doelstellingen, en het CO2-kredietsysteem; alsook van de wenselijkheid om de toepassing van die bepalingen in 2030 en daarna te verlengen; het verslag gaat, indien gewenst, vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2022 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de doeltreffendheid van deze verordening, de ingevolge artikel 1 , aan te passen CO2-reductiedoelstelling voor 2030 , indien nodig, de ingevolge artikel 5 aan te passen benchmark voor 2030 voor het aandeel van emissievrije en emissiearme voertuigen, indien nodig, en de vaststelling van CO2-reductiedoelstellingen voor andere soorten zware bedrijfsvoertuigen, waaronder aanhangwagens en werkvoertuigen zoals vuilniswagens . Dat verslag bevat tevens een beoordeling van de doeltreffendheid van de bepalingen die in het bijzonder gelden voor de inzet van emissievrije en emissiearme voertuigen, en met name bussen, rekening houdend met de in Richtlijn 2009/33/EG (30) vastgestelde doelstellingen, en het CO2-kredietsysteem; alsook van de wenselijkheid om de toepassing van die bepalingen in 2030 en daarna te verlengen , de uitrol van de noodzakelijke oplaad- en tankinfrastructuur, de mogelijkheid van de invoering van CO2-normen voor motoren, met name voor werkvoertuigen, de verschillende voertuigcombinaties die de op nationaal vervoer toepasselijke standaardafmetingen overschrijden, zoals modulaire concepten, de werkelijke representativiteit van de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden, alsmede een beoordeling van de actualisering van het VECTO-simulatie-instrument. Het verslag gaat, indien gewenst, vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

Amendement 76

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2020 een specifieke methode om voor cng- en lng-toepassingen bij de berekening van de gemiddelde emissies van het wagenpark ook rekening te houden met het effect van het gebruik van geavanceerde en hernieuwbare gasvormige transportbrandstoffen — in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria als bepaald in RED II. De methode gaat indien nodig vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

Amendement 73

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 — alinea 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De Commissie beoordeelt voorts de mogelijkheid van de ontwikkeling van een methode voor de evaluatie van de CO2-emissies tijdens de volledige levenscyclus van alle op de markt van de Unie aangeboden zware bedrijfsvoertuigen. Op grond van die beoordeling dient de Commissie, indien nodig, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad met het oog op de vaststelling van rapportageverplichtingen van levenscyclusemissies voor fabrikanten en de noodzakelijke specifieke voorschriften en procedures voor die rapportages.

Amendement 62

Voorstel voor een verordening

Artikel 14 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het xxx-comité, ingesteld bij Verordening (EU) 2018 / … [governance] . Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 26 van Verordening (EU) nr. 525 / 2013 van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) ingestelde Comité klimaatverandering . Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Amendement 63

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De in artikel 10, lid 2, en artikel 12, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

2.   De in artikel  2, lid 2 bis, artikel 7 bis, artikel 9, lid 3 bis, artikel  10, lid 2 , artikel 11, lid 2 bis , en artikel 12, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Amendement 64

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10, lid 2, en artikel 12, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handeling onverlet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel  2, lid 2 bis, artikel 7 bis, artikel 9, lid 3 bis, artikel  10, lid 2 , artikel 11, lid 2 bis , en artikel 12, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handeling onverlet.

Amendement 65

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 — lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.   Een overeenkomstig artikel 10, lid 2, en artikel 12, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad tot twee maanden verlengd.

6.   Een overeenkomstig artikel  2, lid 2 bis, artikel 7 bis, artikel 9, lid 3 bis, artikel  10, lid 2, artikel 11, lid 2 bis, en artikel 12, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad tot twee maanden verlengd.

Amendement 66

Voorstel voor een verordening

Artikel 16 — alinea 1

Verordening (EG) nr. 595/2009

Artikel 5 — lid 4 — letter l

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

“1)

een procedure om aan de hand van passende en representatieve voorbeelden na te gaan of voertuigen die zijn geregistreerd en in het verkeer zijn gebracht, in overeenstemming zijn met de overeenkomstig deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan bepaalde waarden voor CO2-emissies en brandstofverbruik.”.

“l)

een procedure om aan de hand van passende en representatieve voorbeelden na te gaan of voertuigen die zijn geregistreerd en in het verkeer zijn gebracht, in overeenstemming zijn met de overeenkomstig deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan bepaalde waarden voor CO2-emissies en brandstofverbruik; die procedure wordt ook uitgevoerd door geaccrediteerde en onafhankelijke derden overeenkomstig artikel 13, lid 10, van Verordening (EU) 2018/858  (1 bis) van het Europees Parlement en de Raad.”

Amendement 77

Voorstel voor een verordening

Artikel 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 16 bis

Wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad

In bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG  (1 bis) worden de volgende punten toegevoegd na punt 2.2.4.2:

“2.2.5.

Het maximaal toegestane gewicht van door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigcombinaties zoals gedefinieerd in artikel 5, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2018/… [Voorstel voor een verordening COM(2018)0284] wordt met het voor de alternatieve brandstoftechnologie vereiste extra gewicht verhoogd met ten hoogste 1 ton.

2.2.6.

Het maximaal toegestane gewicht van emissievrije voertuigcombinaties wordt verhoogd met het voor de emissievrije technologieën vereiste extra gewicht, dat afhankelijk is van het nulemissiebereik van het voertuig, met ten hoogste 2 ton. De Commissie stelt uiterlijk op 1 juli 2019 een formule vast voor de berekening van het vereiste gewicht.”

Amendement 67

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — punt 2 — punt 2.3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.3.

Berekening van de factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen, bedoeld in artikel 5

Schrappen

Voor elke fabrikant en elk kalenderjaar wordt de in artikel 5 bedoelde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen (ZLEV) als volgt berekend:

 

ZLEV = V / (Vconv + Vzlev) met een minimum van 0,97

 

waarbij

 

V = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant, met uitzondering van alle werkvoertuigen overeenkomstig artikel 4, onder a).

 

Vconv = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant, met uitzondering van alle werkvoertuigen overeenkomstig artikel 4, onder a), en met uitzondering van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen;

 

Vzlev = de som van Vin en Vout,

 

waarbij

 

nihil

 

met als de som van alle nieuwe emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen met de in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde kenmerken;

 

nihil

 

CO2v = de specifieke CO2-emissies in g/km van een emissievrij of emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig v, bepaald overeenkomstig punt 2.1;

 

Vout = het totale aantal emissievrije zware bedrijfsvoertuigen van de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde categorieën, vermenigvuldigd met 2, en met een maximum van 1,5  % van Vconv.

 

Amendement 68

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — punt 2 — punt 2.7 — formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

CO2 = ZLEV × Σ sg sharesg × MPWsg × avgCO2sg

CO2 = Σ sg sharesg × MPWsg × avgCO2sg

waarbij

waarbij

Σ sg = de som van alle subgroepen;

Σ sg = de som van alle subgroepen;

ZLEV = zoals bepaald in punt 2.3.

 

share,sg = zoals bepaald in punt 2.4.

share,sg = zoals bepaald in punt 2.4.

MPWsg = zoals bepaald in punt 2.6.

MPWsg = zoals bepaald in punt 2.6.

avgCO2sg = zoals bepaald in punt 2.2.

avgCO2sg = zoals bepaald in punt 2.2.

Amendement 69

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — punt 4 — alinea 1 — formule — regel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

T = Σ sg sharesg × MPWsg × (1 — rf) × rCO2sg

T = ZLEV_benchmark_factor * Σ sg sharesg × MPWsg × (1 — rf) × rCO2sg

Amendement 70

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — punt 4 — alinea 1 — formule — regel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

rf = de CO2-reductiedoelstelling (in %) zoals gespecificeerd in artikel 1, onder a) en b), voor het specifieke kalenderjaar;

rf = de CO2-reductiedoelstelling (in %) zoals gespecificeerd in artikel 1 , eerste alinea , onder a) en b), voor het specifieke kalenderjaar;

Amendement 71

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — punt 4 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Voor de periode tot en met 2029 geldt: ZLEV_benchmark_factor = (1+y-x), tenzij deze som groter is dan 1,03 of kleiner is dan 0,97 ; in dat geval wordt de ZLEV_benchmark_factor afhankelijk van het geval op 1,03 of 0,97 vastgesteld.

 

waarbij

 

x = 5 %;

 

y = het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuw geregistreerde zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant berekend als de som van het totale aantal emissievrije voertuigen van de categorie N dat niet onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 valt en niet voldoet aan de kenmerken vastgelegd in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), en van het totale aantal emissiearme en emissievrije voertuigen die voldoen aan de in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), vastgestelde kenmerken, waarbij elk voertuig wordt geteld als ZLEV_specific in overeenstemming met de onderstaande formule, gedeeld door het totale aantal voertuigen dat in het relevante kalenderjaar is geregistreerd;

 

ZLEV_specific = 1- (CO2v/(0,5 *rCO2sg), waarbij:

 

CO2v = de specifieke CO2-emissies in g/km van een emissievrij of emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig v, bepaald overeenkomstig punt 2.1;

 

rCO2sg = zoals bepaald in sectie 3.

Amendement 72

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — punt 4 — alinea 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Voor 2030 geldt: ZLEV_benchmark_factor = (1+y-x), tenzij deze som groter is dan 1,05 ; in dat geval wordt de ZLEV_benchmark_factor op 1,05 vastgesteld;

 

indien deze som tussen 1,0 en 0,98 ligt, wordt de ZLEV_benchmark_factor op 1,0 vastgesteld;

 

indien deze som lager is dan 0,95 , wordt de ZLEV-factor op 0,95 vastgesteld.

 

waarbij

 

x = 20 %, behoudens de evaluatie ingevolge artikel 13;

 

y = het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuw geregistreerde zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant berekend als de som van het totale aantal emissievrije voertuigen van de categorie N dat niet onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 valt en niet voldoet aan de kenmerken vastgelegd in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), en van het totale aantal emissiearme en emissievrije voertuigen die voldoen aan de in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), vastgestelde kenmerken, waarbij elk voertuig wordt geteld als ZLEV_specific in overeenstemming met de onderstaande formule, gedeeld door het totale aantal voertuigen dat in het relevante kalenderjaar is geregistreerd;

 

ZLEV_specific = 1- (CO2v/(0,5 *rCO2sg), waarbij:

 

CO2v = de specifieke CO2-emissies in g/km van een emissievrij of emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig v, bepaald overeenkomstig punt 2.1;

 

rCO2sg = zoals bepaald in sectie 3.


(1)  De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0354/2018).

(19)  Europa in beweging: Agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen, COM(2017)0 283 .

(20)  Invulling geven aan emissiearme mobiliteit — Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt, COM(2017)0675 .

(19)  Europa in beweging: Agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen, COM(2017) 0283 .

(20)  Invulling geven aan emissiearme mobiliteit — Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt, COM(2017)0675 .

(21)  Investeren in een slimme, innovatieve en duurzame industrie — Een hernieuwde strategie voor het industriebeleid van de EU, COM(2017)0479.

(21)  Investeren in een slimme, innovatieve en duurzame industrie — Een hernieuwde strategie voor het industriebeleid van de EU, COM(2017)0479.

(22)  Verordening (EU) nr. …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 (PB L […] van […], blz. […]).

(22)  Verordening (EU) nr. …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 (PB L […] van […], blz. […]).

(25)  Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen, PB L […] van […], blz. […].

(25)  Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ( PB L 173 van 9.7.2018, blz. 1 ).

(26)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen, gewijzigd bij Richtlijn (EU) …/… [COM(2017) 0653 ] (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).

(26)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen, gewijzigd bij Richtlijn (EU) …/… [COM(2017) 0653 ] (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).

(1 bis)   Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1).

(27)  Groep op hoog niveau van wetenschappelijk adviseurs, wetenschappelijk advies 1/2016, “Closing the gap between light-duty vehicle real-world CO2 emissions and laboratory testing”.

(27)  Groep op hoog niveau van wetenschappelijk adviseurs, wetenschappelijk advies 1/2016, “Closing the gap between light-duty vehicle real-world CO2 emissions and laboratory testing”.

(28)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(28)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(29)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(29)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(1 bis)   Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1).

(30)  Richtlijn 2009/33/EG inzake schone voertuigen, gewijzigd bij Richtlijn …/…/EU

(30)  Richtlijn 2009/33/EG inzake schone voertuigen, gewijzigd bij Richtlijn …/…/EU

(1 bis)   Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(1 bis)   Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).


Woensdag 15 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/296


P8_TA(2018)0462

Rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (herschikking) (COM(2017)0548 — C8-0324/2017 — 2017/0237(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2020/C 363/36)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0548),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0324/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (2),

gezien de brief van 24 juli 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie vervoer en toerisme, conform artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0340/2018),

A.

overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1)  PB C 197 van 8.6.2018, blz. 66.

(2)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P8_TC1-COD(2017)0237

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er dienen een aantal wijzigingen te worden aangebracht in Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad (2) om voor een betere bescherming van reizigers te zorgen en het reizen per trein te bevorderen, met inachtneming van met name de artikelen 11, 12 en 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie . Gezien deze wijzigingen en in het belang van de duidelijkheid moet die verordening Verordening (EG) nr. 1371/2007 bijgevolg worden herschikt. [Am. 1]

(2)

In het kader van het gemeenschappelijke vervoerbeleid is het belangrijk de gebruikersrechten voor reizigers in het treinverkeer te waarborgen en de kwaliteit en effectiviteit van de spoorvervoers diensten voor reizigers te verbeteren, teneinde te helpen bij het vergroten van het aandeel van het spoorwegvervoer in verhouding tot andere vervoerswijzen.

(3)

Ondanks het feit dat al aanzienlijke vooruitgang is geboekt op het gebied van de bescherming van consumenten in de Unie, moet de bescherming van de rechten van reizigers in het treinverkeer nog verder worden verbeterd en moet ervoor worden gezorgd dat zij worden vergoed voor vertraging, annulering of materiële schade . [Am. 2]

(4)

Omdat de treinreiziger de zwakste partij bij het vervoercontract is, dienen de reizigersrechten in dit verband te worden gewaarborgd.

(5)

Door treinreizigers op internationale diensten en binnenlandse diensten dezelfde rechten te verlenen, zal het niveau van consumentenbescherming passagiersrechten in de Unie stijgen, en wordt gezorgd voor een gelijk speelveld met name wat betreft hun recht op informatie en vergoeding voor spoorwegondernemingen en een uniform niveau van passagiersrechten vertraging of annulering. Reizigers moeten zo nauwkeurig mogelijke informatie krijgen over hun rechten . [Am. 3]

(5 bis)

Deze verordening laat de vrijheid van de lidstaten of de bevoegde autoriteiten om sociale tarieven voor door een openbaredienstverplichting geregelde diensten alsook voor commerciële diensten vast te stellen onverlet. [Am. 4]

(6)

Stads-, voorstads- en regionale passagiersdiensten Stadspassagiersdiensten hebben een ander karakter dan langeafstandsdiensten. De lidstaten moeten dan ook toestemming krijgen om stads-, voorstads- en regionale passagiersdiensten die binnen de EU geen grenzen overschrijden, stadspassagiersdiensten vrij te stellen van sommige bepalingen inzake passagiersrechten. [Am. 136]

(7)

Deze verordening heeft ten doel de spoorwegdiensten voor reizigers in de Unie te verbeteren. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om tijdelijk vrijstellingen te verlenen voor diensten in gebieden waar een aanzienlijk deel van de dienst buiten de Unie wordt geëxploiteerd, voor zover, overeenkomstig hun nationale wetgeving, een passend niveau van passagiersrechten wordt gegarandeerd op het deel van deze diensten dat op het grondgebied van die lidstaten wordt verleend.

(8)

De vrijstellingen mogen echter niet van toepassing zijn op de bepalingen van deze verordening die ervoor zorgen dat personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit gemakkelijker gebruik kunnen maken van spoordiensten. Bovendien mogen de vrijstellingen niet van toepassing zijn op de rechten van personen die vervoersbewijzen voor treinreizen willen kopen, om dit zonder nodeloze moeilijkheden te kunnen doen, op de bepalingen inzake de aansprakelijkheid van spoorwegondernemingen voor passagiers en hun bagage, op de eis dat spoorwegondernemingen op passende wijze verzekerd moeten zijn, en op de eis dat zij passende maatregelen moeten nemen om de persoonlijke veiligheid van passagiers in treinstations en op treinen te garanderen en om risico's te beheren. [Am. 6]

(9)

De gebruikersrechten inzake spoorwegdiensten omvatten het ontvangen van informatie betreffende de dienst die diensten en aanverwante aangelegenheden voor , gedurende en gedurende na de reis. Voor zover mogelijk dienen spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen moeten die informatie zo spoedig mogelijk van tevoren, en zo spoedig mogelijk te of uiterlijk bij het begin van de reis verstrekken. Die informatie moet worden verstrekt in een formaat dat toegankelijk is voor personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit en moet openbaar worden gemaakt. Spoorwegondernemingen moeten die informatie verstrekken aan verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen .[Am. 7]

(9 bis)

Door op niet-discriminerende en behoorlijke voorwaarden toegang te verlenen tot alle operationele gegevens en tarieven in real time worden treinreizen toegankelijker voor nieuwe klanten en wordt hun een groter aantal reismogelijkheden en tarieven geboden waaruit zij kunnen kiezen. Spoorwegondernemingen moeten verkopers van vervoersbewijzen de nodige operationele gegevens en tariefinformatie verstrekken om het reizen per trein te vergemakkelijken. Er moet naar worden gestreefd reizigers de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse vervoersbewijzen en één enkele optimale spoorverbinding te boeken. [Am. 8]

(9 ter)

Een doorgedreven multimodaal personenvervoer zal bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen. Daarom moeten spoorwegondernemingen ook combinaties met andere transportmodi afficheren zodat treinreizigers zich hiervan bewust zijn alvorens hun reis te boeken. [Am. 9]

(9 quater)

Een goed ontwikkeld systeem voor multimodaal personenvervoer zal bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen. Daarom moeten spoorwegondernemingen ook combinaties met andere transportmodi afficheren zodat treinreizigers zich hiervan bewust zijn alvorens hun reis te boeken. [Am. 10]

(10)

Nadere vereisten in verband met de verstrekking van reisinformatie worden opgenomen in de technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI) als bedoeld in Verordening (EU) nr. 454/2011 (3).

(11)

De versterking van de rechten van reizigers in het treinverkeer moet gebaseerd zijn op het bestaande internationaal recht dat is opgenomen in aanhangsel A — Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV) bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999 (Protocol 1999). Het is echter wenselijk om het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden en niet alleen internationale maar ook nationale treinreizigers te beschermen. De Unie is op 23 februari 2013 toegetreden tot het COTIF.

(12)

In de context van de verkoop van vervoersbewijzen voor het vervoer van passagiers moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om discriminatie op basis van nationaliteit of verblijfplaats te voorkomen, ongeacht of de betrokken passagier, zich permanent of tijdelijk in een andere lidstaat bevindt. Die maatregelen moeten betrekking hebben op alle verborgen vormen van discriminatie die, door toepassing van andere criteria zoals verblijfplaats, fysieke of digitale locatie, hetzelfde effect kunnen hebben. In het licht van de ontwikkeling van online-platforms voor de verkoop van vervoersbewijzen aan passagiers, moeten de lidstaten er met name op toezien dat discriminatie zich niet voordoet bij de toegang tot online-interfaces of bij de aankoop van vervoersbewijzen. Vervoersregelingen met sociale tarieven mogen niet automatisch worden uitgesloten, voor zover ze evenredig zijn en onafhankelijk zijn van de nationaliteit van de betrokken personen. [Am. 11]

(13)

De toenemende populariteit van fietsen in de hele Unie heeft gevolgen voor de algemene mobiliteit en het toerisme. Het toenemend gebruik van de combinatie trein+fiets maakt het vervoer milieuvriendelijker. Spoorwegondernemingen moeten dan ook de combinatie van trein en fiets zoveel mogelijk aanmoedigen, met name door te voorzien in een voldoende aantal fietsrekken voor het vervoer van geassembleerde fietsen in hiertoe bestemde ruimten aan boord van alle soorten treinen toe te staan , inclusief hogesnelheids-, langeafstands-, grensoverschrijdende en lokale treinen. De reizigers moeten worden geïnformeerd over de beschikbare ruimte voor fietsen. Deze vereisten moeten vanaf … [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] van toepassing zijn op alle spoorwegondernemingen . [Am. 12]

(14)

De spoorwegondernemingen moeten de overstap van reizigers in het treinverkeer van de ene exploitant op de andere vergemakkelijken door, telkens als dit mogelijk is, rechtstreekse vervoersbewijzen aan te bieden. [Am. 13]

(15)

In het licht van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en teneinde personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit de mogelijkheid te bieden zich met de trein te verplaatsen zoals andere burgers, moeten regels inzake non-discriminatie en bijstand tijdens hun reis worden vastgesteld. Personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, ongeacht of deze veroorzaakt wordt door een functiebeperking, leeftijd of enige andere factor, hebben hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, en non-discriminatie. Onder meer moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het verstrekken van toegankelijke informatie aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit over de toegankelijkheid van spoordiensten, de voorwaarden betreffende de toegang tot het rollend materieel en de faciliteiten aan boord. Om reizigers met zintuiglijke beperkingen zo goed mogelijk over vertragingen in te lichten dienen moeten , voor zover passend, visuele en auditieve systemen te worden gebruikt. Personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit moeten zonder extra kosten hun vervoersbewijs in de trein kunnen kopen voor hen geschikte en begrijpelijke visuele en auditieve systemen worden gebruikt . Het personeel moet op passende wijze worden opgeleid om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, met name tijdens het verlenen van bijstand. Om gelijke reisvoorwaarden te garanderen, moeten dergelijke personen, op alle tijdstippen waarop treinen rijden en niet alleen op bepaalde ogenblikken van de dag, bijstand krijgen in stations bij het in- en aan boord van treinen uitstappen . [Am. 14]

(15 bis)

Indien op het station geen toegankelijke voorzieningen voor de verkoop van vervoersbewijzen beschikbaar zijn, moeten personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit hun vervoersbewijs in de trein kunnen kopen. [Am. 15]

(16)

Spoorwegondernemingen en stationbeheerders moeten rekening houden met de behoeften van personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit, door middel naleving van de naleving Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de TSI voor personen met beperkte mobiliteit Commissie (TSI-verordening)  (4) en van Richtlijn XXX waar deze een aanvulling vormt op de TSI . Bovendien moeten , overeenkomstig de bestaande voorschriften inzake overheidsopdrachten van de Unie, met name Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (5), moeten alle gebouwen en al het rollend materieel in geval van aankopen van nieuw materiaal of nieuwe constructies en bij belangrijke verbouwingen toegankelijk worden gemaakt door geleidelijk de fysieke obstakels en functionele belemmeringen uit de weg te ruimen. [Am. 16]

(17)

Het is wenselijk dat met deze verordening een vergoedingenstelsel voor de reizigers wordt ingesteld in het geval van vertragingen die samenhangen met de aansprakelijkheid van de spoorwegonderneming, op dezelfde grondslag als het internationale stelsel waarin het COTIF, en met name de Uniforme Regelen betreffende reizigersrechten (CIV), voorziet. Aangekochte vervoersbewijzen moeten volledig terugbetaalbaar zijn. In het geval van vertraging van een passagiersdienst moeten de spoorwegondernemingen de passagiers een vergoeding betalen op basis van een percentage van de prijs van het vervoersbewijs met een maximum van 100 %. [Am. 17]

(18)

Spoorwegondernemingen moeten zich verplicht verzekeren, of gelijkwaardige voorzieningen treffen, voor hun aansprakelijkheid ten aanzien van treinreizigers bij ongevallen. Wanneer lidstaten een maximumbedrag vaststellen voor de vergoedingen in het geval van overlijden of ernstige letsels van passagiers, dan moet dat bedrag minstens gelijkwaardig zijn aan het bedrag dat is vastgesteld in de uniforme regels van de CIV. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om het bedrag voor de vergoedingen in het geval van overlijden of ernstige letsels van passagiers te allen tijde te verhogen. [Am. 18]

(19)

Betere rechten inzake vergoeding en bijstand in het geval van vertraging, gemiste aansluiting of annulering van een dienst moeten leiden tot krachtiger stimulansen voor de treinreizigersmarkt, ten voordele van de reizigers.

(20)

In het geval van vertragingen moeten passagiers de optie krijgen hun reis voort te zetten, eventueel langs een andere route, onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden. In dat geval moet met name rekening worden gehouden met de behoeften van personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit en moet hen passende informatie worden verstrekt . [Am. 19]

(20 bis)

De interpretatie van een reis of een gecombineerde reis moet alle situaties omvatten met realistische of toepasselijke minimale overstaptijden bij de oorspronkelijke boeking, waarbij rekening wordt gehouden met relevante factoren, zoals de omvang en de locatie van de stations en perrons in kwestie. [Am. 137]

(21)

Een spoorwegonderneming mag echter niet worden verplicht een vergoeding te betalen als zij kan aantonen dat de vertraging te wijten was aan extreme weersomstandigheden of grote natuurrampen die de veilige exploitatie van de dienst in gevaar brachten. Het dient te gaan om uitzonderlijke natuurrampen en niet om normale seizoensgebonden weersomstandigheden, zoals herfststormen of regelmatige overstromingen in stedelijke gebieden ten gevolge van getijdewerking of smeltende sneeuw. Spoorwegondernemingen moeten aantonen dat zij de vertraging niet konden voorspellen of voorkomen, zelfs niet indien alle redelijke maatregelen waren genomen. [Am. 20]

(22)

In samenwerking met infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen moeten stationbeheerders noodplannen opstellen en openbaar maken om de gevolgen van grote verstoringen tot een minimum te beperken door gestrande passagiers passende informatie en zorg te verstrekken. [Am. 21]

(23)

Deze verordening mag de rechten van spoorwegondernemingen om overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving , verkopers van vervoersbewijzen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders om, in voorkomend geval, een vergoeding te vragen van om het even welke persoon, inclusief derden , voor het nakomen van hun verplichtingen ten opzichte van reizigers uit hoofde van deze verordening , niet beperken. [Am. 22]

(24)

Wanneer een lidstaat spoorwegondernemingen een vrijstelling toekent voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening, dient deze lidstaat spoorwegondernemingen aan te moedigen om, in overleg met reizigersorganisaties, regelingen inzake vergoedingen en bijstand in het geval van een ernstige verstoring van een spoorwegdienst voor reizigers vast te stellen.

(25)

Het is ook wenselijk de onmiddellijke financiële problemen van slachtoffers van ongevallen en hun personen ten laste in de periode meteen na een ongeval te verlichten.

(26)

Het is in het belang van treinreizigers dat, met instemming van de overheidsinstanties, passende maatregelen worden genomen om hun persoonlijke veiligheid in de stations en in de trein te waarborgen.

(27)

Treinreizigers moeten bij elke betrokken spoorwegonderneming een klacht kunnen indienen met betrekking , verkoper van vervoersbewijzen, stationbeheerder of infrastructuurbeheerder tot de rechten en verplichtingen waarin deze verordening voorziet, en zij moeten binnen een redelijke termijn hierop een antwoord krijgen. [Am. 23]

(28)

Spoorwegondernemingen en stationbeheerders moeten kwaliteitsnormen voor de passagiersvervoerdiensten per spoor , met inbegrip van desbetreffende normen inzake personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit, uitwerken, openbaar maken, beheren en er toezicht op houden. [Am. 24]

(29)

Om een hoog niveau van consumentenbescherming in het spoorvervoer te behouden, moeten de lidstaten worden verplicht om nationale handhavingsinstanties aan te wijzen om van nabij toezicht te houden op deze verordening en ze op nationaal niveau te handhaven. Die instanties moeten verschillende handhavingsmaatregelen kunnen nemen. Passagiers en moeten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat reizigers zich overeenkomstig Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad  (6) richten tot een orgaan voor bindende alternatieve geschillenbeslechting . Reizigers moeten bij deze instanties een klacht kunnen indienen over vermeende inbreuken tegen de verordening en, voor zover dit is overeengekomen, gebruik kunnen maken van onlinegeschillenbeslechting zoals ingesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad  (7) . Tevens moet worden bepaald dat klachten kunnen worden ingediend door organisaties die groepen reizigers vertegenwoordigen . Om te garanderen dat dergelijke klachten correct worden behandeld, moeten de instanties ook met elkaar samenwerken en moet de vermelding van deze verordening in de bijlage bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad  (8) worden gehandhaafd. De nationale handhavingsinstanties moeten jaarlijks verslagen op hun website publiceren waarin nadere gegevens zijn opgenomen over het aantal en het type klachten dat zij hebben ontvangen, en over de resultaten van hun handhavingsmaatregelen. Deze verslagen moeten bovendien op de website van het Spoorwegbureau van de Europese Unie ter beschikking worden gesteld. [Am. 25]

(30)

De verwerking van persoonsgegevens dient te gebeuren in overeenstemming met de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, en met name met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(31)

De lidstaten dienen sancties vast te stellen voor overtredingen van deze verordening, en ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties, die ook het betalen van een schadevergoeding aan de persoon in kwestie kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en moeten onder meer bestaan in, maar niet beperkt zijn tot, een minimumboete of een percentage van de jaarlijkse omzet van de betrokken onderneming of organisatie, al naargelang welk bedrag het hoogste is . [Am. 26]

(32)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling van de spoorwegen in de Unie en de invoering van reizigersrechten niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegd evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33)

Om een hoog niveau van passagiersbescherming te garanderen, moet de bevoegdheid om, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wetgevingshandelingen vast te stellen om bijlagen I, II en III te wijzigen voor wat betreft de Uniforme regelen van de CIV, de minimuminformatie die spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen moeten verstrekken en de minimumnormen inzake de kwaliteit van de dienstverlening, en om de in de verordening vermelde bedragen aan te passen aan de inflatie, aan de Commissie worden gedelegeerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(33 bis)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van een gestandaardiseerd EU-klachtenformulier dat reizigers kunnen gebruiken om overeenkomstig deze verordening een vergoeding aan te vragen. Die bevoegdheid moet worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad  (11) . [Am. 27]

(34)

Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met name de artikelen 21, 26, 38 en 47 inzake, respectievelijk, het verbod op elke vorm van discriminatie, de integratie van personen met een handicap, een hoog niveau van consumentenbescherming, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen [Am. 28]

Bij deze verordening worden voorschriften voor het spoorvervoer ingesteld met het oog op een doeltreffende reizigersbescherming en de bevordering van het reizen per spoor met betrekking tot het volgende: [Am. 29]

a)

non-discriminatie tussen passagiers met betrekking tot vervoersvoorwaarden voorwaarden voor vervoer en voor de verkoop van vervoersbewijzen ; [Am. 30]

b)

de aansprakelijkheid en de verzekeringsverplichtingen van spoorwegondernemingen voor reizigers en hun bagage;

c)

passagiersrechten in het geval van een ongeval dat voortvloeit uit het gebruik van spoordiensten en dat overlijden of letsel of verlies of beschadiging van bagage tot gevolg heeft;

d)

passagiersrechten en -vergoedingen in het geval van storingen, zoals annulering of vertraging; [Am. 31]

e)

minimum minimale, nauwkeurige en tijdige informatie die in een toegankelijk formaat aan passagiers moet worden verstrekt , met inbegrip van het sluiten van een vervoersovereenkomst en de afgifte van vervoersbewijzen ; [Am. 32]

f)

niet-discriminatie van, en verplichte bijstand door opgeleid personeel aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit; [Am. 33]

g)

de definitie van en het toezicht op dienstkwaliteitsnormen en de beheersing van risico’s voor de persoonlijke veiligheid van de reizigers;

h)

de adequate procedures voor de indiening en behandeling van klachten; [Am. 34]

i)

algemene voorschriften inzake handhaving.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op binnenlandse en internationale treinreizen en -diensten in de hele Unie die worden uitgevoerd door een of meer spoorwegondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) een vergunning is verleend.

2.   Met inachtneming van lid 4 mogen lidstaten de volgende diensten vrijstellen van de toepassing van deze verordening:

(a)

stads-, voorstads- en regionaal passagiersvervoer stadspassagiersvervoer per spoor, zoals bedoeld in Richtlijn 2012/34/EU, met uitzondering van grensoverschrijdende diensten in de Unie; [Am. 138]

(b)

internationaal passagiersvervoer per spoor waarvan een aanzienlijk gedeelte, met inbegrip van minstens één geplande stop in een station, wordt geëxploiteerd buiten de Unie, voor zover de passagiersrechten op het grondgebied van de lidstaat die de vrijstelling toekent op passende wijze zijn gegarandeerd krachtens relevante nationale wetgeving van die lidstaat. ; [Am. 36]

(b bis)

binnenlandse spoorwegdiensten voor reizigers waarvoor lidstaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1371/2007 een vrijstelling hebben verleend voor ten hoogste 12 maanden na … [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 37]

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de vrijstellingen die zijn toegekend krachtens de punten a), en b) van lid 2, en van de geschiktheid van hun nationale wetgeving op hun grondgebied met het oog op punt b) en b bis) van lid 2. [Am. 38]

4.   De artikelen 5, 10 6 , 11, en 25 12 en 17 en Hoofdstuk V zijn van toepassing op alle in lid 1 bedoelde passagiersdiensten per spoor, met inbegrip van diensten die zijn vrijgesteld overeenkomstig de punten punt a) en b) van lid 2. [Am. 39]

4 bis.     Deze verordening is niet van toepassing op diensten die uitsluitend geëxploiteerd worden met het oog op de instandhouding van het historisch erfgoed. [Am. 40]

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

(1)

“spoorwegonderneming”: een spoorwegonderneming als omschreven in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU;

(1 bis)“

vervoerder”: de contractuele spoorwegonderneming waarmee de reiziger de vervoersovereenkomst heeft gesloten, dan wel een reeks van opeenvolgende spoorwegondernemingen die aansprakelijk zijn op basis van die overeenkomst; [Am. 41]

(1 ter)“

ondervervoerder”: een spoorwegonderneming die geen vervoersovereenkomst met de reiziger heeft gesloten, maar waaraan de spoorwegonderneming die partij is bij de overeenkomst, de uitvoering van het vervoer per spoor geheel of gedeeltelijk heeft opgedragen; [Am. 42]

(2)

“infrastructuurbeheerder”: een infrastructuurbeheerder zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2012/34/EU.;

(3)

“stationbeheerder”: een organisatorische entiteit in een lidstaat die verantwoordelijk is gemaakt voor het beheer van spoorwegstations; deze functie kan worden uitgeoefend door de infrastructuurbeheerder;

(4)

“touroperator”: een organisator of doorverkoper anders dan een spoorwegonderneming, in de zin van artikel 3, en punt 8 van Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad (13); [Am. 43]

(5)

“verkoper van vervoersbewijzen”: wederverkoper van spoorwegvervoerdiensten die namens de spoorwegonderneming een of meer spoorwegondernemingen of voor eigen rekening overeenkomsten sluit en vervoersbewijzen, rechtstreekse vervoersbewijzen of gecombineerde vervoersbewijzen verkoopt; [Am. 44]

(5 bis)“

distributeur”: een detailhandelaar van spoorwegvervoerdiensten die namens een spoorwegonderneming vervoersbewijzen verkoopt en die geen verplichtingen heeft uit hoofde van de tussen de reiziger en de spoorwegonderneming gesloten overeenkomst; [Am. 45]

(6)

“vervoersovereenkomst”: een vervoersovereenkomst onder bezwarende titel of om niet tussen een spoorwegonderneming of een verkoper van vervoersbewijzen en de reiziger voor de levering van een of meer vervoersdiensten; [Am. 46]

(6 bis)

“vervoersbewijs”: een geldig bewijs dat de reiziger het recht geeft op spoorvervoer, ongeacht de vorm ervan (papier, elektronisch, smartcard, reiskaart); [Am. 47]

(6 ter)

“gecombineerd vervoersbewijs”: een of meer vervoersbewijzen die meer dan één vervoersovereenkomst vertegenwoordigen die is gesloten met het oog op het gebruik van opeenvolgende spoorwegdiensten die door een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd; [Am. 48]

(7)

“boeking”: een papieren of elektronisch toelatingsbewijs dat recht geeft op vervoer onder voorafgaandelijk bevestigde op naam gestelde vervoersvoorwaarden;

(8)

“rechtstreeks vervoersbewijs”: een vervoersbewijs of aparte vervoersbewijzen die één vervoersovereenkomst vertegenwoordigen die is gesloten met het oog op het gebruik van een of meer vervoersovereenkomsten vertegenwoordigen voor opeenvolgende spoorwegdiensten die door één een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd , dat voor een totale reis is gekocht van dezelfde verkoper van vervoersbewijzen, touroperator of spoorwegonderneming ; [Am. 49]

(9)

“dienst”: een dienst voor passagiersvervoer per spoor die overeenkomstig een dienstregeling wordt geëxploiteerd tussen spoorwegstations of stopplaatsen;

(10)

“reis”: het vervoer van een passagier tussen een station van vertrek en een station van aankomst op basis van één vervoersovereenkomst; [Am. 50]

(11)

“binnenlandse spoorwegdienst”: een spoorwegdienst voor reizigers waarbij geen lidstaatgrens wordt overschreden;

(12)

“internationale passagiersdienst per spoor”: een internationale passagiersdienst per spoor zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2012/34/EU;

(13)

“vertraging”: het tijdverschil tussen het tijdstip waarop de reiziger volgens de openbaar gemaakte dienstregeling had moeten aankomen en het tijdstip van zijn werkelijke of verwachte aankomst op het eindstation van bestemming;

(13 bis)

“aankomst”: het moment waarop, op het perron van bestemming, de deuren van de trein geopend zijn en uitstappen is toegelaten; [Am. 51]

(14)

“reispas” of “abonnement”: een vervoersbewijs voor een onbeperkt aantal reizen, dat de rechtmatige houder toestaat met de trein te reizen op een bepaald traject of net gedurende een bepaalde periode;

(15)

“gemiste aansluiting”: een situatie waarin een passagier , al dan niet op basis van één vervoersovereenkomst, één of meer diensten mist in de loop van een reis of een gecombineerde reis , ten gevolge van een vertraging of annulering van een of meer voorgaande diensten; [Am. 139]

(16)

“persoon met een handicap” en “persoon met beperkte mobiliteit”: personen die een permanente of tijdelijke lichamelijke, mentale, intellectuele of sensoriële stoornis hebben, die hen, samen met diverse belemmeringen, kan belemmeren op voet van gelijkheid met andere passagiers gebruik te maken van vervoer, of wier mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van hun leeftijd; [Am. 53]

(17)

“algemene vervoervoorwaarden”: de voorwaarden van de spoorwegonderneming in de vorm van algemene voorwaarden of van in iedere lidstaat rechtens geldende tarieven die door de sluiting van de vervoersovereenkomst een integraal deel daarvan zijn geworden;

(18)

“voertuig”: motorvoertuig of aanhangwagen die ter gelegenheid van het vervoer van reizigers wordt vervoerd;

(19)

“uniforme CIV-regelen”: de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers en bagage (CIV), zoals uiteengezet in Aanhangsel A bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF).

Hoofdstuk II

Vervoersovereenkomst, informatie en vervoersbewijzen

Artikel 4

Vervoersovereenkomst

Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk zijn op de sluiting en de uitvoering van een vervoersovereenkomst en de verstrekking van informatie en vervoersbewijzen de titels II en III van bijlage I bij toepassing.

Artikel 5

Non-discriminerende voorwaarden van vervoersovereenkomsten

Onverminderd sociale tarieven, bieden spoorwegondernemingen , touroperators of verkopers van vervoersbewijzen contractvoorwaarden vervoersovereenkomst- en vervoersbewijsverkoopvoorwaarden en tarieven aan het grote publiek aan , en verkopen zij vervoersbewijzen en rechtstreekse vervoersbewijzen en verstrekken zij reserveringen aan reizigers overeenkomstig artikel 10 van deze verordening, zonder rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie op basis van de nationaliteit of verblijfplaats van de uiteindelijke klant reiziger , of de plaats van vestiging van de spoorwegonderneming , touroperator of verkoper van vervoersbewijzen in de Unie of de manier waarop reizigers het vervoersbewijs hebben gekocht . [Am. 55]

Artikel 6

Fietsen

Reizigers hebben het recht om, in voorkomend geval tegen een redelijke vergoeding fietsen aan boord van de trein mee te nemen , inclusief hogesnelheids-, langeafstands-, grensoverschrijdende en lokale treinen. Alle nieuwe of opgeknapte reizigerstreinen beschikken uiterlijk … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] over een goed aangeduide ruimte voor Zij houden tijdens de reis toezicht op hun fiets en zorgen ervoor dat de andere passagiers, mobiliteitshulpmiddelen, bagage of spoorwegactiviteiten hier geen ongemak of schade door ondervinden. het vervoer van geassembleerde fietsen kan worden geweigerd of beperkt om veiligheids- of operationele redenen, voor zover met plaats voor ten minste acht fietsen. D e spoorwegondernemingen, verkopers van vervoersbewijzen, touroperators en, voor zover van toepassing, stationbeheerders, brengen de passagiers reizigers uiterlijk bij de aankoop van het vervoersbewijs op de hoogte brengen van de voorwaarden voor een dergelijke weigering of beperking fietsvervoer voor alle diensten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 454/2011. [Am. 56]

Artikel 7

Uitsluiting van verklaring van afstand en beperking

1.   Verplichtingen jegens reizigers ingevolge deze verordening mogen niet worden beperkt of er mag geen afstand van worden gedaan door met name een afwijking of restrictieve clausule in de vervoersovereenkomst. Alle contractuele voorwaarden die direct of indirect voorzien in afstand, afwijking of beperking van de uit deze verordening voortvloeiende rechten zijn niet bindend voor de passagier. [Am. 57]

2.   Spoorwegondernemingen , touroperators of verkopers van vervoersbewijzen mogen contractuele voorwaarden aanbieden die voor de reiziger gunstiger zijn dan de in deze verordening neergelegde voorwaarden. [Am. 58]

Artikel 8

Verplichting tot het verstrekken van informatie over de beëindiging van diensten

De spoorwegondernemingen of in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten die voor een openbaredienstcontract voor een spoorwegdienst verantwoordelijk zijn, maken met passende middelen , onverwijld en tijdig vóór de inwerkingtreding ervan de besluiten voorstellen bekend dat zij diensten permanent of tijdelijk stopzetten of sterk verminderen, en zorgen ervoor dat deze voorstellen worden onderworpen aan zinvol en goed overleg met de belanghebbende partijen vóórdat ze worden uitgevoerd . Zij doen dit in een formaat dat toegankelijk is voor personen met een handicap, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen die zijn vastgesteld in Richtlijn XXX (14) en in Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie . [Am. 59]

Artikel 9

Reisinformatie

1.   Spoorwegondernemingen , touroperators en verkopers van vervoersbewijzen die in eigen naam of namens een of meer spoorwegondernemingen vervoersovereenkomsten aanbieden, verstrekken de reiziger op verzoek ten minste de in bijlage II, deel I, vermelde informatie over de reizen waarvoor door de betrokken spoorwegonderneming een vervoersovereenkomst wordt vervoersovereenkomsten worden aangeboden. Verkopers van vervoersbewijzen die voor eigen rekening vervoersovereenkomsten aanbieden, en touroperators, verstrekken die informatie voor zover deze beschikbaar is . Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd, verstrekken de spoorwegondernemingen deze informatie aan verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen. [Am. 60]

2.   Spoorwegondernemingen en, voor zover mogelijk indien van toepassing , de verkopers van vervoersbewijzen, verstrekken tijdens de reis en in overstapstations tenminste ten minste de in bijlage II, deel II, bedoelde informatie aan de reiziger. Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd, verstrekken de spoorwegondernemingen deze informatie aan verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen. [Am. 61]

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wordt door de spoorwegondernemingen, touroperators en verkopers van vervoersbewijzen aan de reizigers verstrekt in de meest geschikte een gemakkelijk toegankelijke, algemeen gebruikte vorm, onder meer door gebruik te maken en wat lid 2 betreft in realtime, met gebruikmaking van up-to-date communicatietechnologie , en indien mogelijk schriftelijk, teneinde reizigers alle uit hoofde van bijlage II van deze verordening vereiste informatie te verstrekken . Er wordt met name voor gezorgd dat deze informatie toegankelijk is voor personen met een handicap, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX , Verordening (EU) nr. 454/2011 en Verordening 454/2011 (EU) nr. 1300 / 2014 van de Commissie. De beschikbaarheid van formaten die toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit wordt duidelijk vermeld . [Am. 62]

4.    Spoorwegondernemingen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders stellen realtime-informatie informatie over treinen, ook als deze door andere spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd, op niet-discriminerende wijze in realtime ter beschikking van spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen het publiek om elke discriminatie tussen reizigers te voorkomen . [Am. 63]

4 bis.     Spoorwegondernemingen geven in samenwerking met stationbeheerders en infrastructuurbeheerders aan de hand van dienstregelingen informatie over toegankelijke treinverbindingen en treinstations. [Am. 64]

Artikel 10

Beschikbaarheid van vervoersbewijzen, rechtstreekse vervoersbewijzen en boekingen

1.   De spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen bieden vervoersbewijzen en, indien beschikbaar, rechtstreekse vervoersbewijzen en boekingen aan. Zij doen al het mogelijke om rechtstreekse vervoersbewijzen aan te bieden, ook voor grensoverschrijdende reizen of reizen per nachttrein en reizen met meer dan één spoorwegonderneming. [Am. 65]

2.   Onverminderd leden 3 en 4 verstrekken de spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen de vervoersbewijzen aan de reizigers via ten minste een van de volgende verkooppunten:

(a)

loketten of automaten;

(b)

telefoon, internet of enige andere op grote schaal beschikbare informatietechnologie;

(c)

in de treinen.

De lidstaten Bevoegde autoriteiten als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad  (15) kunnen van spoorwegondernemingen verlangen dat zij vervoersbewijzen verstrekken voor diensten in het kader van openbaredienstcontracten via meer dan een één verkoopkanaal. [Am. 66]

3.   De spoorwegondernemingen bieden de mogelijkheid om in de trein vervoersbewijzen voor de gewenste dienst te verkrijgen, tenzij dit om gegronde redenen beperkt of onmogelijk is in het kader van beveiligings- of fraudebestrijdingsbeleid, dan wel wegens verplichte boeking van een treinreis of op redelijke commerciële gronden , met inbegrip van beperkte beschikbaarheid van ruimte of plaats . [Am. 67]

4.   Indien geen loket of automaat in het spoorwegstation van vertrek aanwezig is, worden de reizigers op het spoorwegstation geïnformeerd:

(a)

over de mogelijkheid en de te volgen procedures om een vervoersbewijs te kopen per telefoon, via internet of in de trein; en;

(b)

over het dichtstbijzijnde spoorwegstation of de meest nabije plaats waar loketten en/of automaten beschikbaar zijn.

5.   Als er in het station van vertrek geen loket of toegankelijke automaat is, mogen personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit of geen enkele andere mogelijkheid bestaat om vervoersbewijzen van tevoren te kopen, mogen reizigers zonder extra kosten vervoersbewijzen aan boord van de trein kopen. [Am. 68]

6.   Als een passagier afzonderlijke vervoersbewijzen ontvangt voor één reis of gecombineerde reis die bestaat uit opeenvolgende spoorwegdiensten die door een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd, heeft hij dezelfde rechten op informatie, bijstand, zorg en vergoeding als in het kader van een rechtstreeks vervoersbewijs.; D d eze rechten gelden voor de volledige reis of gecombineerde reis , van vertrek tot eindbestemming, tenzij de passagier er uitdrukkelijk en schriftelijk van in kennis wordt gesteld dat dit niet het geval is. In deze kennisgeving moet met name worden vermeld dat, wanneer de passagier een aansluiting mist, hij of zij geen recht heeft op bijstand of vergoeding op basis van de totale lengte van de reis. Het is aan de spoorwegonderneming, haar agent, touroperator of verkoper van vervoersbewijzen om aan te tonen dat die informatie werd verstrekt. [Am. 140]

Artikel 10 bis

Verstrekking van reisinformatie via applicatieprogramma-interfaces

1.     Spoorwegondernemingen verstrekken niet-discriminerende toegang tot alle reisinformatie, inclusief realtime operationele informatie over dienstregelingen en tarieven, zoals vermeld in artikel 9, via applicatieprogramma-interfaces (API's).

2.     Spoorwegondernemingen verstrekken touroperators, verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen via API's niet-discriminerende toegang tot boekingssystemen, zodat zij vervoersovereenkomsten kunnen sluiten en vervoersbewijzen, rechtstreekse vervoerbewijzen en boekingen kunnen afgeven op een wijze die in de meest optimale en kosteneffectieve reis, met inbegrip van grensoverschrijdende reizen, voorziet.

3.     Spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat de technische specificaties van de API's goed gedocumenteerd, gratis en vrij toegankelijk zijn. De API's maken met het oog op interoperabiliteit gebruik van open standaarden, algemeen gebruikte protocollen en machineleesbare formaten.

4.     Spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat, behalve in noodsituaties, elke wijziging aan de technische specificatie van hun API's van tevoren, zo snel mogelijk en ten minste drie maanden voordat een wijziging wordt doorgevoerd, ter beschikking wordt gesteld van touroperators en verkopers van vervoersbewijzen. Noodsituaties worden gedocumenteerd en de documentatie wordt op verzoek aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar gemaakt.

5.     Spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat de toegang tot de API's op een niet-discriminerende wijze wordt verstrekt, met hetzelfde niveau van beschikbaarheid en prestatie, met inbegrip van ondersteuning, toegang tot alle documentatie, standaarden, protocollen en formaten. Touroperators en verkopers van vervoersbewijzen worden niet benadeeld in vergelijking met de spoorwegondernemingen zelf.

6.     De API's worden vastgesteld overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1926 van de Commissie  (16) . [Am. 70]

HOOFDSTUK III

AANSPRAKELIJKHEID VAN SPOORWEGONDERNEMINGEN VOOR REIZIGERS EN HUN BAGAGE

Artikel 11

Aansprakelijkheid voor reizigers en bagage

Behoudens het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd verdergaande schadevergoeding krachtens toepasselijk het nationaal recht zijn op de aansprakelijkheid van spoorwegondernemingen voor reizigers en hun bagage de hoofdstukken I, III en IV van titel IV, alsmede de titels VI en VII van bijlage I bij toepassing.

Artikel 12

Verzekering en aansprakelijkheidsdekking in geval van overlijden en letsel van passagiers

Een spoorwegonderneming moet zich behoorlijk verzekeren, overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2012/34/EU en op basis van een risicobeoordeling, of gelijkwaardige voorzieningen treffen om haar aansprakelijkheid uit hoofde van deze verordening te dekken.

Artikel 13

Voorschotten

1.   Indien een reiziger wordt gedood of gewond raakt, betaalt de spoorwegonderneming, als bedoeld in artikel 26, lid 5, van bijlage I, onverwijld en in ieder geval uiterlijk vijftien dagen nadat de identiteit van de schadevergoedingsgerechtigde natuurlijke persoon is vastgesteld, een voorschot dat toereikend moet zijn om de onmiddellijke economische noden te lenigen en dat evenredig is aan het geleden nadeel.

2.   Onverminderd lid 1 bedraagt een voorschot ten minste 21 000 EUR per passagier bij overlijden.

3.   Een voorschot impliceert niet dat aansprakelijkheid wordt erkend en mag worden verrekend met elk bedrag dat later op basis van deze verordening wordt uitgekeerd, maar behoeft niet te worden terugbetaald, tenzij de schade werd veroorzaakt door nalatigheid of schuld van de reiziger, of degene die het voorschot ontvangen heeft niet schadevergoedingsgerechtigd was.

Artikel 14

Betwisting van aansprakelijkheid

Zelfs indien de spoorwegonderneming haar aansprakelijkheid voor het door een door haar vervoerde reiziger opgelopen lichamelijk letsel betwist, levert zij alle redelijke inspanningen om een passagier die schadevergoeding lastens derden vordert, bij te staan.

HOOFDSTUK IV

VERTRAGINGEN, GEMISTE AANSLUITINGEN EN ANNULERINGEN

Artikel 15

Aansprakelijkheid voor vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen

Behoudens het bepaalde in dit hoofdstuk is op de aansprakelijkheid van de spoorwegondernemingen ten aanzien van vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen bijlage I, titel IV, hoofdstuk II, van toepassing.

Artikel 16

Terugbetaling of vervoer langs een andere route

1.   Indien bij vertrek of in het geval van een gemiste aansluiting tijdens een reis met een rechtstreeks vervoersbewijs redelijkerwijs verwacht kan worden dat de vertraging bij aankomst op de eindbestemming krachtens de vervoersovereenkomst vervoersovereenkomsten meer dan 60 minuten zal bedragen of dat er sprake is van annulering , krijgt de reiziger onmiddellijk de keuze tussen één van de volgende: [Am. 71]

(a)

terugbetaling van de volledige kostprijs van het vervoersbewijs, onder de voorwaarden waarop het is betaald, voor de niet gemaakte gedeelten van hun reis en voor de reeds gemaakte gedeelten indien de reis niet langer aan enige bedoeling beantwoordt in verband met het oorspronkelijke reisplan van de reiziger, samen met, voor zover relevant, een retourdienst naar het eerste vertrekpunt bij de vroegste gelegenheid. De terugbetaling geschiedt onder dezelfde voorwaarden als de betaling van schadevergoeding bedoeld in artikel 17;

(b)

voortzetting van de reis langs de gebruikelijke of langs een andere route, onder vergelijkbare vervoersomstandigheden en zonder extra kosten , naar de eindbestemming bij de vroegste gelegenheid , ook bij een gemiste aansluiting wegens vertraging of annulering van een trein in een eerder traject van de reis. In dit geval wordt de passagier toegelaten tot de volgende beschikbare dienst naar de eindbestemming, ook al is er geen specifieke boeking of wordt de volgende trein geëxploiteerd door een andere spoorwegonderneming ; [Am. 72]

(c)

voortzetting van de reis langs de gebruikelijke of langs een andere route, onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden, naar de eindbestemming op een latere datum wanneer het de reiziger schikt , weliswaar uiterlijk één maand na de hervatting van de dienst . [Am. 73]

2.   Met het oog op de toepassing van lid 1, onder b), mag het vergelijkbaar vervoer langs een andere route worden geëxploiteerd door om het even welke spoorwegonderneming en mag hierbij gebruik worden gemaakt van vervoer in een hogere klasse en van alternatieve vervoerswijzen over land , zonder dat dit extra kosten met zich meebrengt voor de passagier. Spoorwegondernemingen moeten redelijke inspanningen leveren om extra overstappen te vermijden. De totale reistijd bij gebruik van een alternatieve vervoerswijze voor het gedeelte van de reis dat niet volgens plan is afgelegd, moet vergelijkbaar zijn met de geplande reistijd van de oorspronkelijke reis. Passagiers mogen niet in een lagere vervoersklasse worden vervoerd, tenzij dergelijke faciliteiten de enige beschikbare alternatieve reismogelijkheid vormen. [Am. 74]

3.   Verleners van alternatieve vervoerdiensten zien er met name op toe dat vervoersdiensten bieden personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit een vergelijkbaar niveau van bijstand en toegang tot de aangeboden alternatieve dienst krijgen. Deze alternatieve dienst kan dezelfde zijn voor alle reizigers of kan, bij besluit van de vervoerder, een individuele vervoerswijze zijn die is afgestemd op de specifieke behoeften van bepaalde personen met een handicap of met beperkte mobiliteit. [Am. 75]

Artikel 17

Vergoeding van de prijs van het vervoersbewijs

1.   Zonder Met behoud van het recht op vervoer te verliezen kan een reiziger de spoorwegonderneming om schadevergoeding voor een vertraging verzoeken indien hij tussen de in op het vervoersbewijs of de vervoersovereenkomst vervoersbewijzen die één of meerdere vervoersovereenkomsten vertegenwoordigen vermelde punten van vertrek en van bestemming geconfronteerd wordt met een vertraging waarvoor de kostprijs van het vervoersbewijs niet overeenkomstig artikel 16 is terugbetaald. De minimumvergoedingen voor vertragingen zijn als volgt:

(a)

25 50 % van de prijs van het vervoersbewijs bij een vertraging van 60 tot en met 119 90 minuten;

(b)

50 75 % van de prijs van het vervoersbewijs bij een vertraging van 91 tot en met 120 minuten; of meer

(b bis)

100 % van de prijs van het vervoersbewijs bij een vertraging van 121 minuten of meer. [Am. 76]

2.   Lid 1 is ook van toepassing op reizigers die in het bezit zijn van een reispas of een abonnement. Als zij herhaaldelijk geconfronteerd worden met vertragingen of annuleringen gedurende de looptijd van de reispas , de reductiekaart of het abonnement, kunnen zij om passende schadevergoeding verzoeken overeenkomstig de regelingen inzake schadevergoedingen van de spoorwegonderneming. In deze regelingen worden de criteria inzake vertragingen voor de berekening van de schadevergoeding vastgesteld. Indien gedurende de looptijd van de reispas of het abonnement herhaaldelijk vertragingen van minder dan 60 minuten voorkomen, worden deze vertragingen samengeteld en worden de passagiers vergoed overeenkomstig de regelingen inzake schadevergoedingen van de spoorwegonderneming in lid 1, onder a), b) en b bis), vastgestelde regelingen . [Am. 77]

3.   De schadevergoeding voor annulering of vertraging wordt berekend in verhouding tot de volledige prijs die de reiziger effectief betaalde voor de geannuleerde of vertraagde dienst. In geval van een vervoersovereenkomst voor een heen- en terugreis wordt de schadevergoeding voor annulering of vertraging tijdens hetzij de heen- hetzij de terugreis berekend op basis van de helft van de prijs die voor het vervoersbewijs is betaald. Op dezelfde manier wordt de prijs voor een geannuleerde of vertraagde dienst in het kader van enige andere vorm van vervoersovereenkomst uit hoofde waarvan er over meerdere opeenvolgende deeltrajecten kan worden gereisd, berekend in verhouding tot de volledige prijs. [Am. 78]

4.   Bij het berekenen van de duur van de vertraging wordt geen rekening gehouden met vertraging waarvan de spoorwegonderneming kan aantonen dat ze buiten het grondgebied van de Unie is opgelopen.

5.   De vergoeding van de prijs van het vervoersbewijs wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding. De schadevergoeding kan in bonnen en/of andere diensten worden uitbetaald indien de voorwaarden soepel zijn (met name wat betreft de geldigheidsduur en de bestemming). De schadevergoeding wordt op verzoek van de reiziger uitbetaald in geld.

6.   De vergoeding van de prijs van het vervoersbewijs wordt niet verminderd met financiële transactiekosten zoals vergoedingen, telefoonkosten of zegels. De spoorwegondernemingen kunnen een minimumdrempel invoeren waaronder geen schadevergoeding wordt uitbetaald. Deze drempel bedraagt niet meer dan 5 EUR per vervoersbewijs. [Am. 79]

7.   De reiziger heeft geen recht op schadevergoeding indien hij alvorens het vervoersbewijs te kopen op de hoogte is gesteld van de vertraging, of indien de aankomsttijd door voortzetting met een andere dienst of langs een andere route minder dan 60 minuten werd vertraagd. [Am. 80: Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

8.   Een spoorwegonderneming is niet verplicht een vergoeding te betalen als zij kan aantonen dat de vertraging werd veroorzaakt door extreme weersomstandigheden of ernstige natuurrampen die de veilige exploitatie van de dienst in gevaar brachten en niet konden worden voorzien of voorkomen, zelfs niet indien alle redelijke maatregelen waren genomen. [Am. 81]

Artikel 18

Bijstand

1.   In geval van vertraging bij aankomst of vertrek worden de reizigers overeenkomstig artikel 9 door de spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen of stationbeheerder op de hoogte gehouden van de situatie en van de verwachte vertrektijd en de verwachte aankomsttijd, zodra die informatie beschikbaar is. [Am. 83]

2.   In geval van vertraging als bedoeld in lid 1 van meer dan 60 minuten worden tevens aan de reizigers gratis aangeboden:

(a)

maaltijden en verfrissingen die in een redelijke verhouding staan tot de wachttijd, indien ze in de trein of in het station beschikbaar zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangeleverd, rekening houdende met criteria zoals de afstand tot de leverancier, de benodigde tijd voor de levering en de kostprijs;

(b)

hotel- of ander verblijf en vervoer tussen het spoorwegstation en de plaats van het verblijf in gevallen waarin een verblijf van een of meer nachten noodzakelijk wordt of een bijkomend verblijf noodzakelijk wordt, voor zover en indien zulks fysiek mogelijk is , waarbij rekening wordt gehouden met de toegankelijkheidseisen van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit en met de behoeften van gecertificeerde assistentiedieren ; [Am. 84]

(c)

indien de trein geblokkeerd wordt op het spoor, vervoer van de trein naar het spoorwegstation, naar het alternatieve vertrekpunt of naar de eindbestemming van de dienst, voor zover en indien zulks fysiek mogelijk is.

3.   Indien de spoorwegdienst niet meer kan worden voortgezet, organiseren de spoorwegondernemingen zo spoedig mogelijk alternatieve vervoerdiensten voor de reizigers.

4.   De spoorwegondernemingen certificeren, op verzoek van Ten aanzien van de getroffen reizigers bieden de reiziger, spoorwegondernemingen aan om op het hun vervoersbewijs of met andere middelen te certificeren dat de spoorwegdienst, naar gelang naargelang van het geval, vertraging heeft opgelopen, geleid heeft tot een gemiste aansluiting of is uitgevallen. Deze certificering geldt voor de bepalingen van artikel 17, waarbij de reiziger die in het bezit is van een reispas of een abonnement moet aantonen dat hij onderweg was met de betrokken dienst. [Am. 85]

5.   Bij de toepassing van de leden 1, 2, 3 en 4 besteedt de exploiterende spoorwegonderneming bijzondere aandacht aan de behoeften van personen met een handicap, en personen met beperkte mobiliteit, en begeleidende personen en gecertificeerde assistentiedieren . [Am. 86]

6.   Beheerders van een spoorwegstation met gemiddeld minstens 10 000 passagiers per dag gedurende een jaar moeten niet alleen Naast de naleving van de verplichtingen voor spoorwegondernemingen uit hoofde van artikel 13 bis, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU, naleven, maar moeten er ook op toezien dat de activiteiten van het station lidstaten , de spoorwegondernemingen, en de infrastructuurbeheerder worden gecoördineerd via een passend noodplan, zodat men zich kan voorbereiden op de mogelijkheid van ernstige verstoringen stationbeheerders en langdurige vertragingen met een aanzienlijk aantal gestrande passagiers in het station tot gevolg. Het plan moet de infrastructuurbeheerders samenwerken om ervoor te zorgen dat de gestrande passagiers passende bijstand en informatie krijgen, in een toegankelijk formaat, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen in artikel 13 bis , lid 3, van Richtlijn XXX 2012/34/EU bedoelde noodplannen vereisten bevatten voor . Op verzoek stelt de stationbeheerder het plan en de eventuele wijzigingen ervan ter beschikking van de nationale handhavingsinstantie of van een andere door een lidstaat aangewezen instantie. Beheerders van spoorwegstations met gemiddeld minder dan 10 000 passagiers per dag gedurende een jaar moeten alle redelijke inspanningen leveren om de gebruikers van het station te coördineren en bijstand en informatie te verstrekken aan gestrande passagiers in de hierboven bedoelde situaties de toegankelijkheid van alarm- en informatiesystemen . [Am. 87]

Artikel 19

Recht van regres

Als een spoorwegonderneming een vergoeding betaalt of haar andere verplichtingen nakomt overeenkomstig deze verordening, kan geen enkele bepaling van deze verordening of de nationale wetgeving worden geïnterpreteerd als een beperking van haar recht om een kostenvergoeding te eisen van om het even welke persoon, met inbegrip van derde partijen, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving. Deze verordening beperkt met name op geen enkele wijze het recht van de spoorwegonderneming om terugbetaling te eisen van een derde partij waarmee zij een overeenkomst heeft en die heeft bijgedragen tot de gebeurtenis die aan de basis lag van de vergoeding of andere verplichtingen. Geen enkele bepaling van deze verordening mag worden geïnterpreteerd als een beperking van het recht van een andere derde partij dan een passagier, waarmee de spoorwegonderneming een overeenkomst heeft, om terugbetaling of vergoeding te eisen van de spoorwegonderneming overeenkomstig de toepasselijke relevante wetgeving. [Am. 88]

HOOFDSTUK V

PERSONEN MET EEN HANDICAP EN PERSONEN MET BEPERKTE MOBILITEIT

Artikel 20

Recht op vervoer

1.   Spoorwegondernemingen en stationbeheerders stellen, tenzij zij reeds dergelijke regels hebben vastgesteld, met de actieve betrokkenheid van representatieve organisaties van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, niet-discriminerende toegangsregels voor het vervoer van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van hun persoonlijke assistenten, vast. De regels staan toe dat , indien zelfstandige mobiliteit niet mogelijk is, de passagier gratis wordt vergezeld door een assistentiehond gecertificeerd assistentiedier of een begeleider , overeenkomstig de relevante nationale regels , en zorgen ervoor dat personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit zich zo veel mogelijk onmiddellijk per spoor kunnen verplaatsen . [Am. 89]

2.   Boekingen en vervoersbewijzen worden personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit aangeboden zonder extra kosten. Een spoorwegonderneming, een verkoper van vervoersbewijzen of touroperator weigert niet een boeking te aanvaarden of een vervoersbewijs af te geven aan een persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit en verlangt niet dat deze door een andere persoon wordt begeleid, behalve indien dit strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de in lid 1, vermelde toegangsvoorschriften.

Artikel 20 bis

Spoorwegondernemingen en stationbeheerders zorgen er bij de naleving van de TSI voor personen met beperkte mobiliteit ook voor dat de toegankelijkheid van stations, perrons, rollend materieel en andere voorzieningen voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit gewaarborgd is. [Am. 90]

Artikel 21

Informatie voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit

1.   Op verzoek verstrekken de spoorwegonderneming, de stationbeheerder de verkoper van vervoersbewijzen of de touroperator personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in een toegankelijk formaat, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 454/2011, en Richtlijn XXX en Verordening (EU) nr. 1300/2014 , informatie over de toegankelijkheid van het station en de bijbehorende faciliteiten, en spoorwegdiensten en over de voorwaarden voor de toegang tot het rollend materieel overeenkomstig de toegangsregels in de zin van artikel 20, lid 1 en informeren zij personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit over de faciliteiten aan boord. [Am. 91]

2.   Wanneer een spoorwegonderneming, een verkoper van vervoersbewijzen of touroperator gebruik maakt van de afwijking uit hoofde van artikel 20, lid 2, stelt zij of hij op verzoek de betrokken persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit binnen vijf werkdagen na de weigering van de boeking of het vervoersbewijs, dan wel het opleggen van de voorwaarde van begeleiding, schriftelijk in kennis van de redenen daarvoor. De spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen of touroperator doet redelijke inspanningen om stelt een alternatieve vervoersoptie voor te stellen aan de persoon in kwestie, rekening houdende met zijn of haar behoeften inzake toegankelijkheid. [Am. 92]

Artikel 22

Bijstand in spoorwegstations

1.   Bij vertrek, overstap of aankomst op een bemand spoorwegstation van een persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit verleent de stationbeheerder of de spoorwegonderneming of beide gratis bijstand op zodanige wijze dat de persoon, onverminderd de toegangsregels die zijn vastgelegd in artikel 20, lid 1, kan instappen of uitstappen van de dienst waarvoor hij een vervoersbewijs heeft gekocht. Voor de boeking van bijstand mogen nooit extra kosten worden aangerekend, ongeacht het gebruikte communicatiekanaal. [Am. 93]

2.   Wanneer er geen treinpersoneel aan boord is of er geen personeel in het station is, leveren spoorwegondernemingen en stationbeheerders alle redelijke inspanningen opdat gehandicapte personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit met de trein kunnen reizen , overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX [Europese Toegankelijkheidswet] en Verordening (EU) nr 454/2011 . [Am. 94]

3.   In onbemande station stations zorgen de spoorwegonderneming en de stationbeheerder ervoor dat gemakkelijk beschikbare informatie, in toegankelijke formaten, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX en Verordening (EU) nr. 1300/2014 , met betrekking tot de dichtstbijzijnde bemande stations en direct beschikbare bijstand ten behoeve van personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 1, bedoelde toegangsregels. [Am. 95]

4.   Te allen tijde wanneer spoordiensten worden geëxploiteerd, moet bijstand beschikbaar zijn in stations. [Am. 96]

Artikel 23

Bijstand aan boord

1.   Onverminderd de toegangsvoorschriften bedoeld in artikel 20, lid 1, verleent een spoorwegonderneming personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit gratis bijstand aan boord van een trein en tijdens het in- en uitstappen.

2.   Indien zich geen begeleidend personeel aan boord van een trein bevindt, doen bieden spoorwegondernemingen redelijke inspanningen om personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit niettemin de mogelijkheid te bieden de trein te nemen. [Am. 97]

3.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bijstand aan boord verstaan alle redelijke inspanningen om bijstand te verlenen aan Aan een persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit moet bijstand worden verleend om die persoon in staat te stellen toegang tot dezelfde diensten in de trein te hebben als de andere reizigers, indien de mate van de handicap of de beperkte mobiliteit van de persoon hem belet onafhankelijk en veilig toegang tot die diensten te hebben. [Am. 98]

4.   Te allen tijde wanneer spoordiensten worden geëxploiteerd, moet bijstand beschikbaar zijn aan boord van treinen. [Am. 99]

Artikel 24

Voorwaarden waaronder bijstand wordt verleend

Spoorwegondernemingen, stationbeheerders, verkopers van vervoersbewijzen en touroperators werken samen om kosteloos bijstand te verlenen aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de artikelen 20 en 21 alsmede de volgende punten: [Am. 100]

(a)

de bijstand in stations wordt verleend gedurende de werktijden van de spoorwegdiensten op voorwaarde dat de spoorwegonderneming, de stationbeheerder, de verkoper van vervoersbewijzen of de touroperator waarbij het vervoersbewijs is gekocht, ten minste 48 12 uur voordat de bijstand nodig is, in kennis wordt gesteld van de behoefte van de persoon aan deze bijstand. Voor stations die dagelijks meer dan 10 000 reizigers ontvangen is geen voorafgaande kennisgeving vereist; de persoon die bijstand nodig heeft moet evenwel minstens 30 minuten vóór het vertrek van de trein op het betreffende station aanwezig zijn. Voor stations die dagelijks tussen 2 000 en 10 000 reizigers ontvangen, wordt de termijn voor deze kennisgeving herleid tot maximaal 3 uur. Wanneer een vervoersbewijs of abonnement recht geeft op meerdere reizen is één kennisgeving voldoende, mits er adequate informatie over de tijdstippen van de vervolgreizen wordt verstrekt. Dergelijke kennisgevingen worden doorgestuurd naar alle andere spoorwegondernemingen en stationbeheerders die betrokken zijn bij de reis van de persoon in kwestie; [Am. 101]

(b)

spoorwegondernemingen, stationbeheerders, verkopers van vervoersbewijzen en touroperators treffen alle nodige maatregelen om kennisgevingen te kunnen ontvangen;

(c)

indien geen kennisgeving wordt gedaan overeenkomstig punt a), leveren de spoorwegonderneming en de stationbeheerder alle redelijke inspanningen om op zodanige wijze bijstand te verlenen dat de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit toch kan reizen;

(d)

onverminderd de bevoegdheden van andere entiteiten ten aanzien van gebieden buiten het terrein van het spoorwegstation wijst de stationbeheerder of een andere bevoegde persoon binnen en buiten het station punten aan waar personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit zich bij hun aankomst op het station kunnen aanmelden en, zo nodig, om bijstand kunnen verzoeken;

(e)

er wordt bijstand verleend op voorwaarde dat de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit zich meldt bij het aangewezen punt op een door de dergelijke bijstand verlenende spoorwegonderneming of stationbeheerder meegedeeld tijdstip. Het meegedeelde tijdstip mag niet eerder zijn dan 60 minuten voor de bekendgemaakte vertrektijd dan wel het tijdstip waarop alle reizigers worden verzocht aan boord te gaan. Indien geen tijdstip is meegedeeld waarop de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit zich moet melden, meldt de persoon zich op het aangewezen punt, uiterlijk 30 minuten voor de bekendgemaakte vertrektijd dan wel het tijdstip waarop alle reizigers worden verzocht aan boord te gaan. [Am. 102]

Artikel 25

Schadevergoeding voor mobiliteitshulpmiddelen, andere speciale apparatuur of hulpmiddelen

1.   Wanneer spoorwegondernemingen en stationbeheerders verlies of beschadiging van rolstoelen, andere mobiliteits apparatuur of hulpmiddelen en assistentiehonden gecertificeerde assistentiedieren van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit veroorzaken, zijn zij aansprakelijk voor dat verlies of die beschadiging en moeten zij daar zo spoedig mogelijk een vergoeding voor betalen. [Am. 103]

2.   De in lid 1 vermelde vergoeding wordt spoedig betaald en is gelijk aan de volledige kosten van de vervanging volgens de huidige waarde of de volledige kosten van herstelling van de rolstoel of de verloren of beschadigde apparatuur of hulpmiddelen , of van het verlies of de verwonding van het gecertificeerde assistentiedier . De vergoeding dekt tevens de kosten voor tijdelijke vervanging in geval van herstelling, wanneer die kosten door de reiziger worden gedragen. [Am. 104]

3.   Indien nodig doen spoorwegondernemingen en stationbeheerders alle redelijke inspanningen om snel te zorgen voor een tijdelijke vervanging van specifieke apparatuur of hulpmiddelen, voor zover mogelijk met technische en functionele kenmerken die gelijkwaardig zijn aan die van de verloren of beschadigde apparatuur of hulpmiddelen. De persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit mag de tijdelijke vervangapparatuur of -hulpmiddelen houden tot de in de leden 1 en 2 bedoelde vergoeding is betaald.

Artikel 26

Opleiding van personeel

Spoorwegondernemingen en stationbeheerders moeten:

(a)

ervoor zorgen dat alle personeelsleden, met inbegrip van het personeel dat in dienst is bij een andere dienstverlenende partij die rechtstreeks bijstand verleent aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, een handicapgerelateerde opleiding krijgen zodat zij weten hoe zij moeten voldoen aan de behoeften van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van personen met een mentale of intellectuele beperking; [Am. 105]

(b)

opleiding verstrekken om al hun personeelsleden die in het station werken of rechtstreeks omgaan met reizigers, bewust te maken van de behoeften van personen met een handicap;

(c)

ervoor zorgen dat alle nieuwe werknemers die rechtstreeks met reizigers zullen omgaan, bij de indienstname een introductie krijgen over handicapgerelateerde opleiding krijgen problemen voor reizigers en de spoorwegonderneming, en dat hun personeelsleden de werknemers die rechtstreekse bijstand verlenen aan reizigers met beperkte mobiliteit, een handicapgerelateerde opleiding krijgen en regelmatig opfriscursussen volgen; [Am. 106]

(d)

de verzoeken deelname aan de opleidingen van werknemers met een handicap, kunnen aanvaarden , en de deelname van reizigers met een handicap, en reizigers met beperkte mobiliteit en/of van organisaties die deze personen vertegenwoordigen, om deel te nemen aan de opleidingen, aanvaarden overwegen . [Am. 107]

HOOFDSTUK VI

VEILIGHEID, KLACHTEN EN KWALITEIT VAN DE DIENST

Artikel 27

Persoonlijke veiligheid van de reizigers

In overeenstemming met de openbare autoriteiten nemen spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en stationbeheerders passende maatregelen op hun onderscheiden verantwoordelijkheidsgebieden en stemmen zij deze af op het door de openbare autoriteiten vastgestelde veiligheidsniveau om de persoonlijke veiligheid van de reizigers in de spoorwegstations en de treinen te garanderen, en om de risico’s te beheersen. Ze werken samen en wisselen informatie uit over beste praktijken inzake de preventie van handelingen die het veiligheidsniveau kunnen verslechteren.

Artikel 28

Klachten

1.   Alle spoorwegondernemingen, verkopers van vervoersbewijzen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders van stations met gemiddeld meer dan 10 000 passagiers per dag gedurende een jaar stationbeheerders zetten elk voor hun respectief verantwoordelijkheidsgebied een klachtenbehandelingsmechanisme op voor de onder deze verordening vallende rechten en verplichtingen. Zij maken hun contactgegevens en werktaal/talen op grote schaal bekend aan de reizigers. Reizigers moeten een klacht kunnen indienen in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de betrokken spoorwegonderneming, de verkoper van vervoersbewijzen en de stationbeheerder zijn gevestigd, en in ieder geval in het Engels. [Am. 108]

2.   Reizigers kunnen een klacht indienen bij elke elk van de betrokken spoorwegondernemingen, verkoper verkopers van vervoersbewijzen, stationsbeheerders of infrastructuurbeheerders stationbeheerders . Een klacht moeten moet worden ingediend binnen zes maanden na het incident dat het voorwerp vormt van de klacht. Degene aan wie de klacht is gericht, geeft binnen één maand na ontvangst van de klacht een gemotiveerd antwoord of deelt, in gerechtvaardigde gevallen, de reiziger mee op welke datum dat hij binnen een termijn van minder dan drie maanden na ontvangst van de klacht uiterlijk een antwoord kan worden verwacht zal ontvangen . Spoorwegondernemingen, verkopers van vervoersbewijzen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders houden de gegevens over het incident die nodig zijn om de klacht te beoordelen, twee jaar bij en stellen ze op verzoek ter beschikking van de nationale handhavingsinstanties. [Am. 109]

3.   Nadere informatie over de procedure voor de behandeling van klachten moet gemakkelijk beschikbaar zijn voor de reizigers en toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit. Deze informatie wordt op verzoek beschikbaar gesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de spoorwegonderneming gevestigd is. [Am. 110]

4.   De spoorwegonderneming publiceert in het in artikel 29 bedoelde jaarverslag het aantal en de categorieën van ontvangen klachten, afgehandelde klachten, antwoordtijd en de eventuele corrigerende maatregelen, die zijn getroffen.

4 bis.     De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast voor de opstelling van een gestandaardiseerd EU-klachtenformulier dat reizigers kunnen gebruiken om overeenkomstig deze verordening een vergoeding aan te vragen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 37 bis, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. [Am. 111]

Artikel 29

Dienstkwaliteitsnormen

1.   De spoorwegondernemingen en stationbeheerders stellen dienstkwaliteitsnormen vast en voeren een kwaliteitsbeheerssysteem in om de kwaliteit van de dienst in stand te houden. De kwaliteitsnormen behelzen ten minste de punten in bijlage III.

2.   De spoorwegondernemingen en stationbeheerders toetsen hun eigen prestatie aan de dienstkwaliteitsnormen. De spoorwegondernemingen publiceren elk jaar een verslag over hun kwaliteitsprestatie samen met hun jaarverslag. De spoorwegondernemingen publiceren de verslagen inzake kwaliteitsprestatie worden gepubliceerd op hun website. Zij worden bovendien op de website van het Europees Spoorwegbureau ter beschikking gesteld.

2 bis.     Spoorwegondernemingen en stationbeheerders werken actief samen met organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen om vervoersdiensten toegankelijker te maken. [Am. 112]

HOOFDSTUK VII

INFORMATIE EN HANDHAVING

Artikel 30

Informatie aan de reizigers over hun rechten

1.   Bij de verkoop van vervoersbewijzen voor treinreizen brengen de spoorwegondernemingen, stationbeheerders, verkopers van vervoersbewijzen en touroperators de reizigers op de hoogte van de rechten en verplichtingen die zij hebben krachtens deze verordening. Teneinde aan deze informatievereiste te voldoen kunnen zij gebruikmaken van een door de Commissie in alle officiële talen van de Unie voorbereide samenvatting van deze verordening die hen ter beschikking wordt gesteld. Bovendien vermelden verstrekken zij op het vervoersbewijs informatie , op papier of in elektronisch formaat of aan de hand van andere middelen, met inbegrip van toegankelijke formaten voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de eisen die zijn vastgesteld in Richtlijn XXX. In deze vermelding Verordening (EU) nr. 1300/2014 waarin is aangegeven bepaald waar dergelijke informatie kan worden verkregen in het geval van annulering, gemiste aansluiting of langdurige vertraging. [Am. 113]

2.   Spoorwegondernemingen en stationbeheerders zorgen ervoor dat de reizigers op aangepaste wijze, met inbegrip van toegankelijke formaten overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX Verordening (EU) nr. 1300/2014 , in het station, en in de trein en op hun website informatie krijgen over hun rechten en plichten uit hoofde van deze verordening en over de contactgegevens van de krachtens artikel 31 door de lidstaten aangewezen instantie of instanties. [Am. 114]

Artikel 31

Aanwijzing van nationale handhavingsinstanties

Elke lidstaat wijst een of meer instanties aan die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van deze verordening. Elke instantie neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten van de reizigers worden gerespecteerd.

Elke instantie is in haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsstructuur en besluitvorming onafhankelijk van enige infrastructuurbeheerder, heffingsinstantie, toewijzingsinstantie of spoorwegonderneming.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in overeenstemming met dit artikel aangestelde instantie(s) alsook van haar/hun respectieve verantwoordelijkheden , en publiceren deze informatie op een daarvoor geschikte plaats op hun websites . [Am. 115]

Artikel 32

Handhavingstaken

1.   De nationale handhavingsinstanties houden nauwgezet toezicht op de naleving van deze verordening en nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat de rechten van passagiers worden gerespecteerd. Daartoe verstrekken spoorwegondernemingen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders onverwijld en in elk geval binnen een maand de instanties op verzoek relevante documenten en informatie. Bij het uitvoeren van hun taken houden de instanties rekening met de informatie die bij hen wordt ingediend door het orgaan dat uit hoofde van artikel 33 is aangewezen om klachten te behandelen, als dit een ander orgaan is. Zij kunnen ook beslissen handhavingsmaatregelen te nemen De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale handhavings- en klachtenbehandelingsinstanties over voldoende bevoegdheden en middelen beschikken om op basis van passende en doeltreffende wijze de individuele klachten die door dit orgaan worden doorgestuurd van reizigers uit hoofde van deze verordening te handhaven . [Am. 116]

2.   De nationale handhavingsinstanties publiceren elk jaar, uiterlijk eind april van verslagen met gedetailleerde gegevens op hun website over het volgende kalenderjaar, statistieken over aantal en het type klachten dat zij hebben ontvangen en de resultaten van hun activiteiten handhavingsmaatregelen , met inbegrip van de door hen opgelegde sancties. Dit gebeurt elk jaar uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende jaar. Deze verslagen worden bovendien op de website van het Spoorwegbureau van de Europese Unie ter beschikking gesteld. [Am. 117]

3.   Spoorwegondernemingen delen hun contactgegevens mee aan de nationale handhavingsinstantie(s) van de lidstaten waarin zij actief zijn.

3 bis.     De nationale handhavingsinstanties voeren, in samenwerking met organisaties van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, regelmatig audits uit van de in overeenstemming met deze verordening verleende bijstandsdiensten en publiceren de resultaten in toegankelijke en algemeen gebruikte formaten. [Am. 118]

Artikel 33

Behandeling van klachten door nationale handhavingsinstanties

1.   Onverminderd de rechten van consumenten om een beroep te doen op alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen overeenkomstig Richtlijn 2013/11/EU, kan de passagier, na zonder succes een klacht te hebben ingediend bij de spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen, stationbeheerder of infrastructuurbeheerder overeenkomstig artikel 28, een klacht indienen bij een handhavingsinstantie. De handhavingsinstanties delen de klagers mee dat zij het recht hebben een klacht in te dienen bij een orgaan voor alternatieve geschillenbeslechting, teneinde individueel verhaal te halen. De lidstaten zorgen ervoor dat handhavings- of klachtenbehandelingsinstanties zijn erkend voor alternatieve geschillenbeslechting overeenkomstig Richtlijn 2013/11/EU, en dat wanneer reizigers een beroep wensen te doen op alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, de betrokken spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen, stationbeheerder of infrastructuurbeheerder verplicht moet deelnemen en het resultaat voor hem bindend en daadwerkelijk afdwingbaar is. [Am. 119]

2.   Elke passagier kan bij de nationale handhavingsinstantie of elk ander orgaan dat daartoe door een lidstaat is aangewezen klacht indienen over een vermeende inbreuk tegen deze verordening. Ook organisaties die bepaalde groepen passagiers vertegenwoordigen, kunnen een klacht indienen. [Am. 120]

3.   Het orgaan bevestigt de ontvangst van de klacht binnen twee weken na ontvangst ervan. De procedure voor de behandeling van klachten duurt maximum drie maanden. In complexe gevallen kan het orgaan, naar eigen oordeel, deze periode verlengen tot zes maanden. In dat geval stelt het de passagier of de organisatie die de passagiers vertegenwoordigt, in kennis van de redenen voor de verlenging en van de tijd die naar verwachting nodig zal zijn om de procedure af te ronden. Alleen gevallen die juridische procedures inhouden, mogen langer dan zes maanden duren. Als het orgaan ook een orgaan voor alternatieve geschillenbeslechting is in de zin van Richtlijn 2013/11/EU, gelden de in die richtlijn vastgestelde termijnen en kan, indien alle betrokken partijen akkoord gaan, onlinegeschillenbeslechting in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 524/2013 ter beschikking worden gesteld . [Am. 121]

Het proces voor de behandeling van klachten moet toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.

4.   Klachten van passagiers over een incident waar een spoorwegonderneming bij betrokken was, worden behandeld door de nationale handhavingsinstantie van de lidstaat die de vergunning aan die onderneming heeft afgegeven.

5.   Als een klacht betrekking heeft op vermeende inbreuken door stationbeheerders of infrastructuurbeheerders, is de nationale handhavingsinstantie die van de lidstaat op wiens grondgebied het incident heeft plaatsgevonden.

6.   In het kader van de samenwerking overeenkomstig artikel 34 mogen nationale handhavingsinstanties afwijken van lid 4 of 5 indien dit om gerechtvaardigde redenen, met name taal of verblijfplaats, in het belang is van de passagier.

Artikel 33 bis

Onafhankelijke bemiddelingsorganen

De lidstaten zetten goed uitgeruste onafhankelijke bemiddelingsorganen op die gemakkelijk toegankelijk en betaalbaar zijn voor reizigers in geval van conflicten met spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen over de handhaving van hun rechten. [Am. 122]

Artikel 34

Uitwisseling van informatie en grensoverschrijdende samenwerking tussen nationale handhavingsinstanties

1.   Wanneer verschillende organen zijn aangewezen uit hoofde van de artikelen 31 en 33, worden rapporteringsmechanismen vastgesteld om de uitwisseling van informatie tussen deze organen te garanderen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, teneinde de nationale handhavingsinstantie te helpen haar toezichts- en handhavingstaken uit te voeren en het uit hoofde van artikel 33 aangewezen orgaan voor de behandeling van klachten in staat te stellen de nodige informatie te verzamelen om individuele klachten te onderzoeken.

2.   De nationale handhavingsinstanties wisselen informatie uit over hun werk en besluitvormingsprincipes en -praktijk met het oog op coördinatie. De Commissie helpt hen hierbij.

3.   De nationale handhavingsinstanties volgen de in bijlage IV uiteengezette procedure.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de bepalingen worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en moeten onder meer minstens een minimumboete of een percentage van de jaaromzet van de betreffende onderneming of organisatie omvatten, afhankelijk van wat het hoogste is . De lidstaten doen van deze bepalingen kennisgeving aan de Commissie en stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke daaropvolgende wijziging die op deze bepalingen van invloed is. [Am. 123]

2.   In het kader van de in artikel 34 vermelde samenwerking onderzoekt de nationale handhavingsinstantie die bevoegd is met het oog op de toepassing van artikel 33, lid 4 of 5, op verzoek van de nationale handhavingsinstantie die de klacht behandelt, de door die instantie vastgestelde inbreuk op deze verordening en legt zij, indien nodig, sancties op.

Artikel 36

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie is gemachtigd om, overeenkomstig artikel 37, gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

(i)

de in artikel 13 vermelde bedragen aan te passen aan de inflatie;

(ii)

de bijlagen I, II en III te wijzigen teneinde rekening te houden met wijzigingen van de Uniforme regelen van de CIV en technologische ontwikkelingen op dit gebied.

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt overgedragen aan de Commissie, overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om de in artikel 36 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een periode van vijf jaar vanaf … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van deze periode van vijf jaar een verslag op met betrekking tot deze bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd voor perioden van identieke duur, tenzij het Europees Parlement en de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van een periode tegen een dergelijke verlenging verzetten.

3.   De in artikel 36 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in het besluit gespecificeerde latere datum.

4.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie deskundigen die door elke lidstaat zijn aangewezen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 36 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 37 bis

Comitéprocedure

1.     De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.     Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 124]

Artikel 38

Verslag

De Commissie brengt uiterlijk … [vijf jaar na de vaststelling van deze verordening] verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering en de resultaten van deze verordening.

Het verslag is gebaseerd op informatie die moet worden verstrekt krachtens deze verordening. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen.

Artikel 39

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1371/2007 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de in bijlage V opgenomen concordantietabel.

Artikel 40

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 197 van 8.6.2018, blz. 66.

(2)  Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14).

(3)  Verordening (EU) nr. 454/2011 van de Commissie van 5 mei 2011 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem telematicatoepassingen ten dienste van passagiers van het trans-Europees spoorwegsysteem (PB L 123 van 12.5.2011, blz. 11).

(4)   Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110).

(5)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(6)   Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63).

(7)   Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 1).

(8)   Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(11)   Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(12)  Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).

(13)  Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 1).

(14)  Richtlijn XXX betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (Europese Toegankelijkheidswet) (PB L X van X.X.XXXX, blz. X).

(15)   Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).

(16)   Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten (PB L 272 van 21.10.2017, blz. 1).

BIJLAGEN

 

BIJLAGE I

Uittreksel uit de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers en bagage (CIV)

Aanhangsel A

bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999

TITEL II

SLUITING EN UITVOERING VAN DE VERVOERSOVEREENKOMST

Artikel 6

Vervoersovereenkomst

1.   Op grond van de vervoersovereenkomst is de vervoerder verplicht de reiziger alsmede, in voorkomend geval, bagage en voertuigen te vervoeren naar de plaats van bestemming en de bagage en de voertuigen af te leveren op de plaats van bestemming.

2.   De vervoersovereenkomst moet worden vastgelegd in een of meer vervoersbewijzen die aan de reiziger worden overhandigd. Onverminderd artikel 9 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het vervoersbewijs noch het bestaan, noch de geldigheid van de overeenkomst aan, die onderworpen blijft aan deze Uniforme Regelen.

3.   Het vervoersbewijs levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van het sluiten en de inhoud van de vervoersovereenkomst.

Artikel 7

Vervoersbewijs

1.   De Algemene vervoersvoorwaarden bepalen de vorm en de inhoud van de vervoersbewijzen, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee zij moeten worden gedrukt en ingevuld.

2.   Op het vervoersbewijs moet ten minste worden vermeld:

a)

de vervoerder of de vervoerders;

b)

de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen; zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;

c)

elke andere aanduiding die noodzakelijk is om het sluiten en de inhoud van de vervoersovereenkomst te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, te doen gelden.

3.   De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het vervoersbewijs van vergewissen dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt.

4.   Het vervoersbewijs is overdraagbaar, indien het niet op naam is gesteld en de reis nog niet is aangevangen.

5.   Het vervoersbewijs kan ook worden opgesteld in de vorm van elektronische registratie van gegevens, die kunnen worden omgezet in leesbare lettertekens. De voor de registratie en verwerking van de gegevens gebruikte procedures moeten uit functioneel oogpunt gelijkwaardig zijn, in het bijzonder wat betreft de bewijskracht van het vervoersbewijs, dat door deze elektronische gegevens wordt gevormd.

Artikel 8

Betaling en terugbetaling van de vervoersprijs

1.   Tenzij tussen de reiziger en de vervoerder anders is overeengekomen, moet de vervoerprijs vooraf worden betaald.

2.   De Algemene vervoervoorwaarden bepalen onder welke voorwaarden een terugbetaling van de vervoerprijs plaatsvindt.

Artikel 9

Recht op vervoer — Uitsluiting van vervoer

1.   De reiziger moet vanaf het begin van de reis voorzien zijn van een geldig vervoerbewijs en dit bij een controle van de vervoerbewijzen tonen. De Algemene vervoervoorwaarden kunnen bepalen:

a)

dat een reiziger die geen geldig vervoerbewijs toont, boven de vervoerprijs een toeslag moet betalen;

b)

dat een reiziger die weigert onmiddellijk de vervoerprijs of de toeslag te betalen, van het vervoer kan worden uitgesloten;

c)

of en onder welke voorwaarden een terugbetaling van de toeslag plaatsvindt.

2.   De Algemene vervoervoorwaarden kunnen bepalen dat reizigers die:

a)

een gevaar vormen voor de veiligheid en de goede bedrijfsgang of voor de veiligheid van andere reizigers,

b)

andere reizigers op onaanvaardbare wijze lastig vallen,

van het vervoer zijn uitgesloten of onderweg van het vervoer kunnen worden uitgesloten en dat deze personen geen recht hebben op terugbetaling van de vervoersprijs, noch van de prijs die ze hebben betaald voor het vervoer van hun bagage.

Artikel 10

Naleving van overheidsvoorschriften

De reiziger moet de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties naleven.

Artikel 11

Annulering en vertraging van een trein — Missen van een aansluiting

De vervoerder moet eventueel op het vervoersbewijs vermelden dat de trein is geannuleerd of de aansluiting is gemist.

TITEL III

VERVOER VAN HANDBAGAGE, DIEREN, BAGAGE EN VOERTUIGEN

Hoofdstuk I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 12

Toegelaten voorwerpen en dieren

1.   De reiziger mag, overeenkomstig de Algemene vervoersvoorwaarden, makkelijk draagbare voorwerpen (handbagage) alsook levende dieren meenemen. Bovendien mag de reiziger voorwerpen van grote omvang meenemen, overeenkomstig de bijzondere bepalingen in de Algemene vervoersvoorwaarden. Voorwerpen of dieren die voor de reizigers hinderlijk kunnen zijn of schade kunnen veroorzaken, zijn niet toegestaan als handbagage.

2.   De reiziger kan, overeenkomstig de Algemene vervoervoorwaarden, voorwerpen en dieren als bagage verzenden.

3.   De vervoerder kan, overeenkomstig de bijzondere bepalingen in de Algemene vervoersvoorwaarden, het vervoer van voertuigen toelaten ter gelegenheid van het vervoer van reizigers.

4.   Het vervoer van gevaarlijke goederen als handbagage, ingeschreven bagage, dan wel in of op voertuigen die overeenkomstig deze titel per spoor worden vervoerd, moet in overeenstemming zijn met het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID).

Artikel 13

Onderzoek

1.   De vervoerder heeft bij een ernstig vermoeden van overtreding van de vervoersvoorwaarden het recht te onderzoeken of de vervoerde voorwerpen (handbagage, ingeschreven bagage, voertuigen met inbegrip van hun lading) en dieren voldoen aan de vervoersvoorwaarden, wanneer de wetten en voorschriften van de staat waar het onderzoek moet plaatsvinden zulks niet verbieden. De reiziger moet worden verzocht bij het onderzoek aanwezig te zijn. Indien hij zich niet meldt of niet kan worden bereikt, moet de vervoerder een beroep doen op twee onafhankelijke getuigen.

2.   Wanneer wordt vastgesteld dat de vervoersvoorwaarden niet zijn nageleefd, kan de vervoerder van de reiziger betaling verlangen van de kosten die in verband met het onderzoek zijn gemaakt.

Artikel 14

Naleving van overheidsvoorschriften

De reiziger moet tijdens zijn vervoer de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties met betrekking tot het vervoer van voorwerpen (handbagage, ingeschreven bagage, voertuigen met inbegrip van hun lading) en dieren, ter gelegenheid van zijn vervoer, naleven. Tenzij in de wetten en voorschriften van de desbetreffende staat anders wordt bepaald, moet de reiziger bij het onderzoek van deze voorwerpen aanwezig zijn.

Hoofdstuk II

Handbagage en dieren

Artikel 15

Toezicht

De reiziger moet toezicht uitoefenen op de handbagage en de dieren die hij meeneemt.

Hoofdstuk III

Ingeschreven bagage

Artikel 16

Aanbieding ten vervoer van ingeschreven bagage

1.   De contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van ingeschreven bagage moeten worden vastgelegd in een bagagebewijs dat aan de reiziger wordt overhandigd.

2.   Onverminderd artikel 22 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het bagagebewijs noch het bestaan, noch de geldigheid aan van bedingen met betrekking tot het vervoer van ingeschreven bagage, die onderworpen blijven aan deze Uniforme Regelen.

3.   Het bagagebewijs levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van de inschrijving van de bagage en van de voorwaarden van het vervoer ervan.

4.   Behoudens tegenbewijs wordt vermoed dat bij de inontvangstneming door de vervoerder de ingeschreven bagage in uiterlijk goede staat was en dat het aantal en de massa van de colli overeenkwamen met de vermelding op het bagagebewijs.

Artikel 17

Bagagebewijs

1.   De Algemene vervoervoorwaarden bepalen de vorm en de inhoud van het bagagebewijs, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee het moet worden gedrukt en ingevuld. Artikel 7, § 5, is van overeenkomstige toepassing.

2.   Op het bagagebewijs moet ten minste worden vermeld:

a)

de vervoerder of de vervoerders;

b)

de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen; zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;

c)

elke andere aanduiding die noodzakelijk is om de contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van de ingeschreven bagage te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, te doen gelden.

3.   De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het bagagebewijs van vergewissen dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt.

Artikel 18

Inschrijving en vervoer

1.   Behoudens in de Algemene vervoervoorwaarden bepaalde uitzonderingen, wordt bagage slechts ingeschreven op vertoon van een vervoerbewijs dat ten minste geldig is tot de plaats van bestemming van de bagage. De inschrijving geschiedt overigens volgens de op de plaats van verzending geldende voorschriften.

2.   Wanneer de Algemene vervoervoorwaarden bepalen dat bagage ten vervoer mag worden toegelaten zonder vertoon van een vervoersbewijs, zijn de bepalingen van deze Uniforme Regelen betreffende de rechten en verplichtingen van de reiziger met betrekking tot zijn ingeschreven bagage van overeenkomstige toepassing op de afzender van de bagage.

3.   De vervoerder kan de ingeschreven bagage met een andere trein of met een ander vervoermiddel en over een ander vervoertraject vervoeren dan die welke door de reiziger worden gebruikt.

Artikel 19

Betaling van de prijs voor het vervoer van ingeschreven bagage

Tenzij tussen de reiziger en de vervoerder anders is overeengekomen, moet de prijs voor het vervoer van ingeschreven bagage worden betaald bij de inschrijving.

Artikel 20

Merken van de ingeschreven bagage

De reiziger moet op een goed zichtbare plaats op ieder ingeschreven collo een houdbare en duidelijke aanduiding plaatsen van:

a)

zijn naam en zijn adres;

b)

de plaats van bestemming.

Artikel 21

Recht om over de bagage te beschikken

1.   Indien de omstandigheden dit toestaan en de voorschriften van de douane of van andere overheidsinstanties zich daartegen niet verzetten, kan de reiziger om de teruggave van de bagage verzoeken op de plaats van verzending tegen afgifte van het bagagebewijs en, wanneer de Algemene vervoervoorwaarden zulks bepalen, op vertoon van het vervoersbewijs.

2.   In de Algemene vervoersvoorwaarden kunnen andere bepalingen zijn opgenomen betreffende het recht om over ingeschreven bagage te beschikken, in het bijzonder het wijzigen van de plaats van bestemming en de eventuele hieruit voortvloeiende financiële gevolgen voor de reiziger.

Artikel 22

Aflevering

1.   De aflevering van bagage geschiedt tegen afgifte van het bagagebewijs en eventueel tegen betaling van de verzendingskosten.

De vervoerder heeft het recht doch niet de verplichting te onderzoeken of de houder van het bagagebewijs bevoegd is tot inontvangstneming.

2.   Met de aflevering aan de houder van het bagagebewijs worden, wanneer zulks overeenkomstig de op de plaats van aflevering geldende voorschriften geschiedt, gelijkgesteld:

a)

de afgifte van de bagage aan de douane of belastinginstanties in hun expeditie- of opslagruimten, wanneer die zich niet onder de hoede van de vervoerder bevinden;

b)

het toevertrouwen van levende dieren aan een derde.

3.   De houder van het bagagebewijs kan op de plaats van bestemming om de aflevering van de bagage verzoeken zodra de overeengekomen tijd alsook, eventueel, de benodigde tijd voor de afhandeling door de douane of andere overheidsinstanties is verstreken.

4.   Wordt het bagagebewijs niet afgegeven, dan is de vervoerder slechts gehouden de bagage af te leveren aan degene die zijn recht daarop bewijst; bij onvoldoende bewijs kan de vervoerder een zekerheid verlangen.

5.   De bagage wordt afgeleverd op de plaats van bestemming waarvoor zij is ingeschreven.

6.   De houder van het bagagebewijs aan wie de bagage niet is afgeleverd, kan verlangen dat de dag en het uur waarop hij overeenkomstig § 3 om de aflevering heeft verzocht op het bagagebewijs worden vermeld.

7.   De rechthebbende kan de inontvangstneming van de bagage weigeren, indien de vervoerder geen gevolg geeft aan zijn verzoek over te gaan tot onderzoek van ingeschreven bagage teneinde een beweerde schade vast te stellen.

8.   De aflevering van de bagage vindt plaats overeenkomstig de op de plaats van bestemming geldende voorschriften.

Hoofdstuk IV

Voertuigen

Artikel 23

Vervoervoorwaarden

De bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden regelen met name de voorwaarden voor de toelating tot het vervoer, de inschrijving, de belading en het vervoer, het lossen en de aflevering, alsook de verplichtingen van de reiziger.

Artikel 24

Vervoerbewijs

1.   De contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van voertuigen moeten worden vastgelegd in een vervoersbewijs dat aan de reiziger wordt overhandigd. Dit vervoersbewijs kan deel uitmaken van het vervoersbewijs van de reiziger.

2.   De bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden regelen de vorm en de inhoud van het vervoersbewijs, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee het moet worden gedrukt en ingevuld. Artikel 7, § 5, is van overeenkomstige toepassing.

3.   Op het vervoersbewijs moet ten minste worden vermeld:

a)

de vervoerder of de vervoerders;

b)

de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen; zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;

c)

elke andere aanduiding die noodzakelijk is om de contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van voertuigen te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, te doen gelden.

4.   De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het vervoersbewijs van vergewissen dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt.

Artikel 25

Toepasselijk recht

Behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van Hoofdstuk III betreffende het vervoer van bagage van toepassing op voertuigen.

TITEL IV

AANSPRAKELIJKHEID VAN DE VERVOERDER

Hoofdstuk I

Aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers

Artikel 26

Aansprakelijkheidsgronden

1.   De vervoerder is aansprakelijk voor de schade ten gevolge van dood, verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger, veroorzaakt door een ongeval dat de reiziger in het kader van de spoorwegexploitatie is overkomen tijdens zijn verblijf in de spoorvoertuigen of bij het in- of uitstappen, ongeacht welke spoorweginfrastructuur wordt gebruikt.

2.   De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven:

a)

indien het ongeval is veroorzaakt door omstandigheden die geen verband houden met de spoorwegexploitatie, die de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;

b)

voor zover het ongeval te wijten is aan schuld van de reiziger;

c)

indien het ongeval te wijten is aan het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen; een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast.

3.   Indien het ongeval te wijten is aan het gedrag van een derde en indien desondanks de vervoerder niet geheel van zijn aansprakelijkheid is ontheven overeenkomstig § 2, onder c, is hij voor het geheel aansprakelijk binnen de grenzen van deze Uniforme Regelen onverminderd zijn eventueel regres op de derde.

4.   Deze Uniforme Regelen laten de eventuele aansprakelijkheid van de vervoerder in de niet in § 1 bedoelde gevallen onverlet.

5.   Wanneer een vervoer dat het onderwerp vormt van een en dezelfde vervoersovereenkomst door opeenvolgende vervoerders wordt verricht, is in geval van dood en letsel van reizigers die vervoerder aansprakelijk, die volgens de vervoersovereenkomst verplicht is tot het uitvoeren van het vervoer gedurende welke het ongeval zich heeft voortgedaan. Wanneer het vervoer niet is verricht door de vervoerder maar door een ondervervoerder, zijn beide vervoerders overeenkomstig deze Uniforme Regelen hoofdelijk aansprakelijk.

Artikel 27

Schadevergoeding in geval van dood

1.   In geval van dood van de reiziger omvat de schadevergoeding:

a)

de ten gevolge van het overlijden noodzakelijke kosten, met name die van het vervoer van het stoffelijk overschot en de lijkbezorging;

b)

indien de dood niet onmiddellijk is ingetreden, de in artikel 28 bedoelde schadevergoeding.

2.   Indien door de dood van de reiziger andere personen, jegens wie hij een wettelijke onderhoudsplicht had of in de toekomst gehad zou hebben, hun onderhoud verliezen, moeten ook dezen voor dit verlies schadeloos gesteld worden. De vordering tot schadevergoeding van personen, van wie de reiziger zonder wettelijke verplichting het onderhoud verzorgde, blijft onderworpen aan het nationale recht.

Artikel 28

Schadevergoeding in geval van letsel

In geval van verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger omvat de schadevergoeding:

a)

de noodzakelijk kosten, met name die van behandeling en vervoer;

b)

het vermogensnadeel dat de reiziger lijdt door een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of door een toename van zijn behoeften.

Artikel 29

Vergoeding van andere personenschade

Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan het in de artikelen 27 en 28 bedoelde lichamelijk letsel moet vergoeden.

Artikel 30

Wijze en hoogte van de schadevergoeding in geval van dood of letsel

1.   De in de artikelen 27, § 2, en 28, onder b), bedoelde schadevergoeding moet als gekapitaliseerde som worden uitgekeerd. Indien evenwel het nationale recht de toekenning van een periodieke uitkering toelaat, wordt de vergoeding op deze wijze uitgekeerd, wanneer de gewonde reiziger of de in artikel 27, § 2, bedoelde rechthebbenden zulks verlangen.

2.   De hoogte van de krachtens § 1 toe te kennen schadevergoeding wordt bepaald volgens het nationale recht. Bij de toepassing van deze Uniforme Regelen geldt evenwel per reiziger een maximumbedrag van 175 000 rekeneenheden van een gekapitaliseerde som of van een met deze som overeenstemmende jaarlijkse uitkering, voor zover in het nationale recht een lager maximumbedrag is bepaald.

Artikel 31

Andere vervoersmiddelen

1.   Behoudens § 2 zijn de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers niet van toepassing op schade die is ontstaan tijdens het vervoer dat overeenkomstig de vervoerovereenkomst geen spoorwegvervoer was.

2.   Wanneer evenwel spoorwegvoertuigen per veerboot worden vervoerd, zijn de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers van toepassing op de in artikel 26, § 1, en artikel 33, § 1, bedoelde schade veroorzaakt door een ongeval in het kader van de spoorwegexploitatie dat de reiziger is overkomen tijdens zijn verblijf in die voertuigen of bij het in- of uitstappen.

3.   Wanneer de spoorwegexploitatie ten gevolge van buitengewone omstandigheden tijdelijk wordt onderbroken en de reizigers met een ander vervoermiddel worden vervoerd, is de vervoerder krachtens deze Uniforme Regelen aansprakelijk.

Hoofdstuk II

Aansprakelijkheid in geval van niet-nakoming van de dienstregeling

Artikel 32

Aansprakelijkheid in geval van annulering, vertraging van een trein of gemiste aansluiting

1.   De vervoerder is jegens de reiziger aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het feit dat door annulering, door de vertraging van een trein of door het missen van een aansluiting de reis niet op dezelfde dag kan worden voortgezet, of dat de voortzetting hiervan als gevolg van de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kan worden verlangd. De schadevergoeding omvat de redelijke kosten voor overnachting en voor het waarschuwen van personen die de reiziger verwachten.

2.   De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, wanneer de annulering, de vertraging of het missen van een aansluiting te wijten is aan een van de volgende oorzaken:

a)

omstandigheden buiten de uitoefening van het spoorwegbedrijf, die de vervoerder ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;

b)

schuld van de reiziger of

c)

het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen; een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast.

3.   Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan de in § 1 bedoelde schade moet vergoeden. Deze bepaling laat artikel 44 onverlet.

Hoofdstuk III

Aansprakelijkheid voor handbagage, dieren, ingeschreven bagage en voertuigen

AFDELING 1

Handbagage en dieren

Artikel 33

Handbagage en dieren

1.   In geval van dood en letsel van reizigers is de vervoerder bovendien aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het gehele of gedeeltelijke verlies of van beschadiging van voorwerpen die de reiziger bij zich droeg of als handbagage bij zich had; dit geldt eveneens voor de dieren die de reiziger meegenomen had. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.

2.   Overigens is de vervoerder slechts aansprakelijk voor schade ten gevolge van het gehele of gedeeltelijke verlies van voorwerpen, handbagage of dieren, waarover de reiziger overeenkomstig artikel 15 verplicht is toezicht uit te oefenen, indien deze schade wordt veroorzaakt door schuld van de vervoerder. De overige artikelen van Titel IV, met uitzondering van artikel 51, en titel VI zijn in dit geval niet van toepassing.

Artikel 34

Beperking van schadevergoeding in geval van verlies of beschadiging van voorwerpen

Wanneer de vervoerder krachtens artikel 33, § 1, aansprakelijk is, moet hij de schade vergoeden tot ten hoogste 1 400 rekeneenheden per reiziger.

Artikel 35

Ontheffing van aansprakelijkheid

De vervoerder is jegens de reiziger niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van het feit dat de reiziger de voorschriften van de douane of van andere overheidsinstanties niet heeft nageleefd.

AFDELING 2

Ingeschreven bagage

Artikel 36

Aansprakelijkheidsgronden

1.   De vervoerder is aansprakelijk voor de schade ten gevolge van geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de ingeschreven bagage vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering, alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering.

2.   De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven voor zover het verlies, de beschadiging of de vertraging in de aflevering is veroorzaakt door schuld van de reiziger, door een opdracht van de reiziger die niet het gevolg is van de schuld van de vervoerder, door een inherent gebrek aan de ingeschreven bagage of door omstandigheden die de vervoerder niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen.

3.   De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, voor zover het verlies of de beschadiging een gevolg is van de bijzondere risico’s, verbonden aan een of meer van de volgende feiten:

a)

het ontbreken of de gebrekkigheid van de verpakking;

b)

de bijzondere aard van de bagage;

c)

de inschrijving van voorwerpen die van vervoer zijn uitgesloten als bagage.

Artikel 37

Bewijslast

1.   Het bewijs dat het verlies, de beschadiging of de vertraging in de aflevering door een van de in artikel 36, § 2, genoemde feiten is veroorzaakt, moet worden geleverd door de vervoerder.

2.   Wanneer de vervoerder bewijst dat het verlies of de beschadiging, gelet op de omstandigheden van het geval, kan zijn ontstaan uit een of meer van de in artikel 36, § 3, genoemde bijzondere risico’s, wordt vermoed dat het verlies of de beschadiging daardoor is veroorzaakt. De rechthebbende heeft evenwel het recht te bewijzen dat de schade geheel of gedeeltelijk niet door een van deze risico’s is veroorzaakt.

Artikel 38

Opeenvolgende vervoerders

Wanneer een vervoer dat het onderwerp vormt van één en dezelfde vervoerovereenkomst, door meerdere opeenvolgende vervoerders wordt verricht, treedt iedere vervoerder door het overnemen van de bagage met het bagagebewijs of door het overnemen van het voertuig met het vervoerbewijs, met betrekking tot het vervoer van de bagage of van de voertuigen, toe tot de vervoerovereenkomst overeenkomstig de bepalingen van het bagagebewijs of het vervoerbewijs en neemt hij de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich. In dit geval is iedere vervoerder aansprakelijk voor de uitvoering van het vervoer op het gehele vervoertraject tot aan de aflevering.

Artikel 39

Ondervervoerder

1.   Wanneer de vervoerder de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een ondervervoerder, al dan niet op grond van een aan hem in de vervoerovereenkomst toegekende bevoegdheid, blijft de vervoerder niettemin aansprakelijk voor het volledige vervoer.

2.   Alle bepalingen van deze Uniforme Regelen die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook van toepassing op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met betrekking tot het door hem verrichte vervoer. Wanneer een vordering wordt ingesteld tegen zijn ondergeschikten en andere personen van wier diensten de ondervervoerder gebruikmaakt bij de uitvoering van het vervoer, zijn de artikelen 48 en 52 van toepassing.

3.   Een bijzondere overeenkomst waarin de vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet op hem rusten krachtens deze Uniforme Regelen of waarin hij afziet van rechten die hem ingevolge deze Uniforme Regelen zijn toegekend, is niet bindend voor de ondervervoerder die hier niet uitdrukkelijk en schriftelijk mee heeft ingestemd. Ongeacht of de ondervervoerder deze overeenkomst al dan niet heeft aanvaard, blijft de vervoerder niettemin gebonden aan de uit deze bijzondere overeenkomst voortvloeiende verplichtingen of afstand van rechten.

4.   Wanneer en voor zover de vervoerder en de ondervervoerder aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

5.   Het totale bedrag van de schadevergoeding verschuldigd door de vervoerder, de ondervervoerder alsmede door hun ondergeschikten en andere personen van wier diensten zij gebruikmaken bij de uitvoering van het vervoer is niet hoger dan de in de deze Uniforme Regelen voorgeschreven maximumbedragen.

6.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijke regresrechten tussen de vervoerder en de ondervervoerder.

Artikel 40

Vermoeden van verlies

1.   De rechthebbende kan zonder nader bewijs een collo als verloren beschouwen, wanneer het niet binnen 14 dagen na het overeenkomstig artikel 22, § 3, gedane verzoek tot aflevering aan hem is afgeleverd of te zijner beschikking is gesteld.

2.   Indien een als verloren beschouwd collo binnen een jaar na het verzoek tot aflevering wordt teruggevonden, moet de vervoerder daarvan kennis geven aan de rechthebbende, wanneer zijn adres bekend is of kan worden achterhaald.

3.   Binnen dertig dagen na ontvangst van de in § 2 bedoelde kennisgeving kan de rechthebbende verzoeken dat het collo aan hem wordt afgeleverd. In dit geval moet hij de kosten voor het vervoer van het collo van de plaats van verzending tot de plaats van aflevering betalen en de ontvangen schadevergoeding terugbetalen, onder aftrek, in voorkomend geval, van de kosten die in deze schadevergoeding begrepen zouden zijn geweest. Hij behoudt niettemin zijn in artikel 43 bedoelde rechten op schadevergoeding voor vertraging bij de aflevering.

4.   Indien het teruggevonden collo niet binnen de in § 3 bedoelde termijn is opgeëist of indien het collo meer dan een jaar na het verzoek tot aflevering wordt teruggevonden, beschikt de vervoerder daarover overeenkomstig de wetten en voorschriften die gelden op de plaats waar het collo zich bevindt.

Artikel 41

Schadevergoeding in geval van verlies

1.   In geval van geheel of gedeeltelijk verlies van bagage moet de vervoerder, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, betalen:

a)

indien de omvang van de schade is bewezen, een aan dit bedrag gelijke schadevergoeding, die echter niet meer kan bedragen dan 80 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa of 1 200 rekeneenheden per collo;

b)

indien de omvang van de schade niet is bewezen, een vaste schadevergoeding van 20 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa of 300 rekeneenheden per collo.

De wijze van vergoeding, per ontbrekend kilogram of per collo, wordt in de Algemene vervoervoorwaarden geregeld.

2.   De vervoerder moet bovendien de vervoerprijs van de bagage en de overige in verband met het vervoer van het verloren collo betaalde bedragen, alsook de reeds betaalde douanerechten en accijnzen terugbetalen.

Artikel 42

Schadevergoeding in geval van beschadiging

1.   In geval van beschadiging van bagage moet de vervoerder, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen gelijk aan de waardevermindering van de bagage.

2.   De schadevergoeding bedraagt niet meer dan:

a)

indien de gehele bagage door de beschadiging in waarde is verminderd, het in geval van geheel verlies te betalen bedrag;

b)

indien slechts een gedeelte van de bagage door de beschadiging in waarde is verminderd, het in geval van verlies van het in waarde verminderde gedeelte te betalen bedrag.

Artikel 43

Schadevergoeding in geval van vertraging in de aflevering

1.   In geval van vertraging in de aflevering van de bagage moet de vervoerder voor elk ondeelbaar tijdvak van 24 uur te rekenen vanaf het verzoek tot aflevering, doch met een maximum van 14 dagen, betalen:

a)

indien de rechthebbende bewijst dat daardoor verlies of schade is ontstaan, een aan de omvang van de schade gelijke schadevergoeding tot ten hoogste 0,80 rekeneenheid per kilogram brutomassa of 14 rekeneenheden per collo van de met vertraging afgeleverde bagage;

b)

indien de rechthebbende niet bewijst dat daardoor verlies of schade is ontstaan, een vaste schadevergoeding van 0,14 rekeneenheid per kilogram bruto-massa of 2,80 rekeneenheden per collo van de met vertraging afgeleverde bagage.

De wijze van vergoeding, per kilogram of per collo, wordt in de Algemene vervoervoorwaarden geregeld.

2.   In geval van geheel verlies van de bagage komt de in § 1 bedoelde schadevergoeding niet bovenop die bedoeld in artikel 41.

3.   In geval van gedeeltelijk verlies van de bagage wordt de in § 1 bedoelde schadevergoeding voor het niet verloren gedeelte betaald.

4.   In geval van beschadiging van de bagage die niet het gevolg is van de vertraging in de aflevering, komt, in voorkomend geval, de in § 1 bedoelde schadevergoeding bovenop die bedoeld in artikel 42.

5.   In geen geval kan de som van de in § 1 bedoelde schadevergoeding en die van de artikelen 41 en 42 hoger zijn dan de schadevergoeding die verschuldigd is in geval van geheel verlies van de bagage.

AFDELING 3

Voertuigen

Artikel 44

Schadevergoeding in geval van vertraging

1.   In geval van aan de vervoerder te wijten vertraging bij het laden of in geval van vertraging bij de aflevering van een voertuig moet de vervoerder, wanneer de rechthebbende bewijst dat daardoor een verlies of schade is ontstaan, een schadevergoeding betalen die niet meer kan bedragen dan de vervoerprijs van het voertuig.

2.   Indien de rechthebbende, in geval van aan de vervoerder te wijten vertraging bij het laden, afziet van uitvoering van de vervoerovereenkomst wordt de vervoerprijs aan hem terugbetaald. Bovendien kan hij, wanneer hij bewijst dat door deze vertraging verlies of schade is ontstaan, een schadevergoeding eisen die niet meer kan bedragen dan de vervoerprijs.

Artikel 45

Schadevergoeding in geval van verlies

Bij geheel of gedeeltelijk verlies van een voertuig wordt de aan de rechthebbende voor de bewezen schade of het bewezen verlies te betalen schadevergoeding berekend volgens de gebruikelijke waarde van het voertuig. Deze vergoeding kan niet meer dan 8 000 rekeneenheden bedragen. Een al dan niet beladen aanhangwagen wordt als een afzonderlijk voertuig beschouwd.

Artikel 46

Aansprakelijkheid met betrekking tot andere voorwerpen

1.   Met betrekking tot voorwerpen achtergelaten in het voertuig of in stevig aan het voertuig bevestigde houders (bijvoorbeeld dakkoffers voor bagage of ski’s) is de vervoerder slechts aansprakelijk voor door zijn schuld veroorzaakte schade. De totale schadevergoeding bedraagt niet meer dan 1 400 rekeneenheden.

2.   Met betrekking tot aan de buitenkant van het voertuig bevestigde voorwerpen, met inbegrip van de in § 1 bedoelde houders, is de vervoerder slechts aansprakelijk indien is bewezen dat het verlies of de schade is ontstaan door een handeling of nalaten van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

Artikel 47

Toepasselijk recht

Behoudens de bepalingen van deze afdeling zijn de bepalingen van afdeling 2 met betrekking tot de aansprakelijkheid voor bagage van toepassing op voertuigen.

Hoofdstuk IV

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 48

Verlies van het recht om beperkingen van aansprakelijkheid in te roepen

De in deze Uniforme Regelen bedoelde beperkingen van aansprakelijkheid alsook de bepalingen van het nationale recht die de vergoedingen tot een bepaald bedrag beperken, zijn niet van toepassing, indien is bewezen dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

Artikel 49

Omrekening en rente

1.   Wanneer voor de berekening van de schadevergoeding omrekening van bedragen uitgedrukt in buitenlandse munteenheden vereist is, vindt omrekening plaats volgens de koers die geldt op de dag en de plaats van betaling van de schadevergoeding.

2.   De rechthebbende kan een rente ten bedrage van vijf procent per jaar over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van het indienen van de in artikel 55 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van het instellen van de rechtsvordering.

3.   Voor de krachtens de artikelen 27 en 28 verschuldigde schadevergoeding loopt de rente evenwel vanaf de dag, waarop de voor de vaststelling van het vergoedingsbedrag bepalende feiten zijn voorgevallen, indien deze dag later valt dan die van het indienen van de vordering buiten rechte of van het instellen van de rechtsvordering.

4.   Met betrekking tot bagage is de rente slechts verschuldigd, indien de schadevergoeding meer bedraagt dan 16 rekeneenheden per bagagebewijs.

5.   Met betrekking tot bagage loopt de rente niet, indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de vordering nodige bewijsstukken aan de vervoerder overlegt, tussen de afloop van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken.

Artikel 50

Aansprakelijkheid in geval van een kernongeval

De vervoerder is ontheven van de krachtens deze Uniforme Regelen op hem rustende aansprakelijkheid, wanneer de schade is veroorzaakt door een kernongeval en wanneer de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is krachtens de wetten en voorschriften van een staat die de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie regelen.

Artikel 51

Personen voor wie de vervoerder aansprakelijk is

De vervoerder is aansprakelijk voor zijn ondergeschikten en voor andere personen van wier diensten hij gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer, wanneer deze ondergeschikten of andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden. De beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht, worden beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer.

Artikel 52

Andere vorderingen

1.   In alle gevallen waar deze Uniforme Regelen van toepassing zijn, kan tegen de vervoerder slechts een vordering wegens aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen.

2.   Hetzelfde geldt voor een vordering ingesteld tegen de ondergeschikten en de andere personen voor wie de vervoerder krachtens artikel 51 aansprakelijk is.

TITEL V

AANSPRAKELIJKHEID VAN DE REIZIGER

Artikel 53

Bijzondere aansprakelijkheidsgronden

De reiziger is jegens de vervoerder aansprakelijk voor alle schade:

a)

die het gevolg is van het niet nakomen van zijn verplichtingen krachtens

1.

de artikelen 10, 14 en 20,

2.

de bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden, of

3.

het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), of

b)

veroorzaakt door voorwerpen of dieren die hij meeneemt, tenzij hij bewijst dat de schade een gevolg is van omstandigheden die hij, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen. Deze bepaling laat de aansprakelijkheid die op de vervoerder kan rusten krachtens de artikelen 26 en 33, § 1, onverlet.

TITEL VI

UITOEFENING VAN RECHTEN

Artikel 54

Vaststelling van gedeeltelijk verlies of beschadiging

1.   Wanneer een gedeeltelijk verlies of een beschadiging van een voorwerp dat onder de hoede van de vervoerder wordt vervoerd (bagage, voertuigen), door de vervoerder wordt ontdekt of vermoed of door de rechthebbende wordt beweerd, moet de vervoerder onverwijld en zo mogelijk in aanwezigheid van de rechthebbende een proces-verbaal opmaken dat naargelang de aard van de schade, de toestand van het voorwerp en zo mogelijk de omvang, de oorzaak en het tijdstip waarop de schade is ontstaan vermeldt.

2.   Een afschrift van dit proces-verbaal moet kosteloos aan de rechthebbende worden verstrekt.

3.   Wanneer de rechthebbende niet met de vermeldingen in het proces-verbaal instemt, kan hij verlangen dat de toestand van de bagage of van het voertuig alsmede de oorzaak en het bedrag van de schade worden vastgesteld door een door de partijen bij de vervoerovereenkomst of door de rechter benoemde deskundige. De procedure is onderworpen aan de wetten en voorschriften van de staat waar de vaststelling geschiedt.

Artikel 55

Vorderingen buiten rechte

1.   Vorderingen buiten rechte met betrekking tot de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers moeten schriftelijk worden ingediend bij de vervoerder tegen wie de rechtsvordering kan worden ingesteld. Wanneer het een vervoer betreft dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst en dat wordt verricht door opeenvolgende vervoerders kunnen de vorderingen buiten rechte worden ingediend zowel bij de eerste als bij de laatste vervoerder alsook bij de vervoerder die zijn hoofdzetel of bijkantoor of vestiging waar de vervoerovereenkomst werd gesloten, heeft in de staat waarin de reiziger zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

2.   Andere vorderingen buiten rechte met betrekking tot de vervoerovereenkomst moeten schriftelijk bij de in artikel 56, § § 2 en 3, bedoelde vervoerder worden ingediend.

3.   De stukken die de rechthebbende bij zijn vordering buiten rechte wil voegen, moeten worden overgelegd in origineel of, in voorkomend geval op verzoek van de vervoerder, in een naar behoren gewaarmerkt afschrift. Bij de regeling van de vordering buiten rechte kan de vervoerder de teruggave van het vervoerbewijs, het bagagebewijs en het vervoerbewijs van het voertuig verlangen.

Artikel 56

Vervoerders die in rechte kunnen worden aangesproken

1.   De op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers gegronde rechtsvordering kan slechts worden ingesteld tegen een krachtens artikel 26, § 5, aansprakelijke vervoerder.

2.   Behoudens § 4 kunnen andere op de vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen van reizigers uitsluitend worden ingesteld tegen de eerste of laatste vervoerder of tegen de vervoerder die dat deel van het vervoer verrichtte gedurende welke het feit dat tot de rechtsvordering heeft geleid, zich heeft voorgedaan.

3.   Wanneer in geval het vervoer wordt verricht door opeenvolgende vervoerders, de vervoerder die de bagage of het voertuig moet afleveren met zijn instemming is ingeschreven op het bagagebewijs of het vervoerbewijs, kan overeenkomstig § 2 de rechtsvordering tegen hem worden ingesteld, zelfs als hij de bagage of het voertuig niet heeft ontvangen.

4.   De rechtsvordering tot terugbetaling van een krachtens de vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden ingesteld tegen de vervoerder die dit bedrag heeft geïnd of tegen degene ten voordele van wie dit bedrag is geïnd.

5.   De rechtsvordering kan tegen een andere dan de in de § § 2 en 4 bedoelde vervoerders worden ingesteld als tegeneis of als verweer in een geding over een op dezelfde vervoerovereenkomst gegronde vordering.

6.   Voorzover deze Uniforme Regelen van toepassing zijn op de ondervervoerder, kan tegen hem eveneens een rechtsvordering worden ingesteld.

7.   Indien de eiser de keuze heeft tussen meer vervoerders, vervalt zijn keuzerecht zodra de rechtsvordering tegen een van hen is ingesteld; dit geldt eveneens indien de eiser de keuze heeft tussen een of meer vervoerders en een ondervervoerder.

Artikel 58

Verval van de vordering in geval van dood en letsel

1.   Elke vordering van de rechthebbende, gegrond op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood of letsel van reizigers, vervalt indien hij niet binnen twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat hij kennis heeft van de schade, het aan de reiziger overkomen ongeval heeft meegedeeld aan een van de vervoerders, bij wie een vordering buiten rechte kan worden ingesteld volgens artikel 55, § 1. Wanneer de rechthebbende het ongeval mondeling heeft meegedeeld aan de vervoerder, moet deze aan hem een bevestiging van de mondelinge kennisgeving afgeven.

2.   De vordering vervalt evenwel niet, indien

a)

de rechthebbende binnen de in § 1 bedoelde termijn een vordering buiten rechte bij een van de in artikel 55, § 1, bedoelde vervoerders heeft ingediend;

b)

de aansprakelijke vervoerder binnen de in § 1 bedoelde termijn op een andere wijze kennis heeft gekregen van het ongeval dat de reiziger is overkomen;

c)

van het ongeval niet of te laat kennis is gegeven ten gevolge van aan de rechthebbende niet toe te rekenen omstandigheden;

d)

de rechthebbende bewijst dat het ongeval is veroorzaakt door de schuld van de vervoerder.

Artikel 59

Verval van de vordering uit bagagevervoer

1.   Door de inontvangstneming van de bagage door de rechthebbende vervalt elke vordering uit de vervoerovereenkomst tegen de vervoerder in geval van gedeeltelijk verlies, beschadiging of vertraging bij de aflevering.

2.   De vordering vervalt evenwel niet:

a)

in geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging, indien

1.

het verlies of de beschadiging overeenkomstig artikel 54 is vastgesteld vóór de inontvangstneming van de bagage door de rechthebbende,

2.

de vaststelling, die overeenkomstig artikel 54 had moeten geschieden, slechts door de schuld van de vervoerder achterwege is gebleven;

b)

in geval van uiterlijk niet waarneembare schade, die is vastgesteld na de inontvangstneming van de bagage door de rechthebbende, indien deze

1.

de vaststelling overeenkomstig artikel 54 onmiddellijk na de ontdekking van de schade en uiterlijk binnen drie dagen na de inontvangstneming van de bagage verlangt, en

2.

bovendien bewijst, dat de schade tussen de aanneming ten vervoer door de vervoerder en de aflevering is ontstaan;

c)

in geval van vertraging bij de aflevering, indien de rechthebbende zijn rechten binnen eenentwintig dagen bij een van de in artikel 56, § 3, bedoelde vervoerders heeft doen gelden;

d)

indien de rechthebbende bewijst dat de schade het gevolg is van de schuld van de vervoerder.

Artikel 60

Verjaring

1.   De op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers gegronde rechtsvorderingen tot schadevergoeding verjaren:

a)

voor de reiziger, door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het ongeval;

b)

voor de andere rechthebbenden, door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het overlijden van de reiziger, doch van ten hoogste vijf jaar te rekenen van de dag na het ongeval.

2.   De andere rechtsvorderingen uit de vervoerovereenkomst verjaren door verloop van één jaar. De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar indien de rechtsvordering gegrond is op een schade ontstaan uit een handeling of nalaten geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

3.   De in § 2 bedoelde verjaring neemt een aanvang bij rechtsvorderingen:

a)

tot schadevergoeding wegens geheel verlies: op de veertiende dag na afloop van de in artikel 22, § 3, bedoelde termijn;

b)

tot schadevergoeding wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of vertraging bij de aflevering: op de dag van de aflevering;

c)

in alle overige gevallen betreffende het reizigersvervoer: op de dag van het verstrijken van de geldigheid van het vervoerbewijs.

De als begin van de verjaringstermijn vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.

4.   […]

5.   […]

6.   Overigens geldt voor de schorsing en de stuiting van de verjaring het nationale recht.

TITEL VII

ONDERLINGE BETREKKINGEN TUSSEN DE VERVOERDERS

Artikel 61

Verdeling van de vervoerprijs

1.   Elke vervoerder moet aan de betrokken vervoerders het hun toekomende aandeel betalen van een vervoerprijs, die hij heeft geïnd of had moet innen. De wijze van betaling wordt in een overeenkomst tussen de vervoerders vastgelegd.

2.   Artikel 6, § 3, artikel 16, § 3; en artikel 25 zijn eveneens van toepassing op de betrekkingen tussen opeenvolgende vervoerders.

Artikel 62

Recht van regres

1.   De vervoerder die krachtens deze Uniforme Regelen een schadevergoeding heeft betaald, heeft recht van regres jegens de bij het vervoer betrokken vervoerders overeenkomstig de volgende bepalingen:

a)

de vervoerder die het verlies of de schade heeft veroorzaakt, is daarvoor alleen aansprakelijk;

b)

wanneer het verlies of de schade is veroorzaakt door meer vervoerders, is elk van hen aansprakelijk voor het door hem veroorzaakte verlies of de door hem veroorzaakte schade; is deze toedeling niet mogelijk, dan wordt de schadevergoeding onder hen volgens c) verdeeld;

c)

indien niet kan worden bewezen welke vervoerder het verlies of de schade heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken vervoerders verdeeld, met uitsluiting van hen die bewijzen, dat het verlies of de schade niet door hen is veroorzaakt; de verdeling geschiedt naar evenredigheid van het aandeel in de vervoerprijs dat aan elke vervoerder toekomt.

2.   In geval van onvermogen om te betalen van een van de vervoerders wordt het te zijnen laste komende en door hem niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer betrokken vervoerders verdeeld naar evenredigheid van het aandeel in de vervoerprijs dat aan elk van hen toekomt.

Artikel 63

Regresprocedure

1.   De gegrondheid van de betaling verricht door de vervoerder die krachtens artikel 62 het regres uitoefent, kan niet betwist worden door de vervoerder tegen wie het bedoeld regres wordt uitgeoefend, wanneer de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en wanneer deze laatstgenoemde vervoerder, naar behoren gedagvaard, de mogelijkheid is geboden tot tussenkomst in het geding. De rechter bij wie de hoofdvordering aanhangig is, stelt de termijnen voor de betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst vast.

2.   De vervoerder die het regres uitoefent, moet zijn vordering instellen in één en hetzelfde geding tegen alle vervoerders met wie hij geen schikking heeft getroffen, op straffe van verlies van regres jegens de niet gedagvaarde vervoerders.

3.   De rechter beslist in één uitspraak over alle bij hem aanhangige regresvorderingen.

4.   De vervoerder die zijn recht van regres wil uitoefenen, kan zijn vordering aanhangig maken bij de rechters van de staat op het grondgebied waarvan een van de bij het vervoer betrokken vervoerders zijn hoofdzetel of bijkantoor of vestiging waar de vervoerovereenkomst is gesloten, heeft.

5.   Wanneer de rechtsvordering tegen meer vervoerders moet worden ingesteld, kan de vervoerder die zijn regres uitoefent, kiezen tussen de volgens § 4 bevoegde rechterlijke instanties waarvoor hij zijn regresvordering aanhangig zal maken.

6.   Regresvorderingen kunnen niet aanhangig worden gemaakt door het instellen van een rechtsvordering in het geding dat de rechthebbende heeft ingesteld om schadevergoeding te verlangen op grond van de vervoerovereenkomst.

Artikel 64

Overeenkomsten betreffende regres

De vervoerders kunnen onderling overeenkomsten afsluiten die afwijken van de artikelen 61 en 62.

BIJLAGE II

DOOR SPOORWEGONDERNEMINGEN EN VERKOPERS VAN VERVOERBEWIJZEN TE VERSTREKKEN MINIMUMINFORMATIE

Deel I: Informatie vóór de reis

Algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn

Dienstregelingen en voorwaarden betreffende de snelste reisweg

Dienstregelingen en voorwaarden betreffende alle beschikbare tarieven, inclusief de laagste tarieven [Am. 125]

Toegankelijkheid, toegangsvoorwaarden en beschikbaarheid aan boord van faciliteiten voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig de in Richtlijn XXX vastgestelde eisen inzake toegankelijkheid.

Toegangsvoorwaarden Toegangsregelingen voor fietsen [Am. 126]

Beschikbaarheid van zitplaatsen voor alle toepasselijke tarieven in niet-rokerscoupés rook- (en, niet-rokerscoupés indien van toepassing, rokerscoupés) , eerste en tweede klas en couchettes en slaapwagens [Am. 127]

Activiteiten die de diensten kunnen verstoren of vertragen Storingen en vertragingen (gepland en in realtime [Am. 128]

Beschikbaarheid van diensten aan boord , met inbegrip van wifi en toiletten [Am. 129]

Procedures voor terugvordering bij verlies van bagage

Procedure voor de indiening van klachten

Deel II: Informatie tijdens de reis

Diensten aan boord , met inbegrip van wifi [Am. 130]

Volgend station

Vertragingen Storingen en vertragingen (gepland en in realtime) [Am. 131]

Belangrijkste aansluitende diensten

Beveiligings- en veiligheidskwesties

BIJLAGE III

MINIMUMKWALITEITSNORMEN VOOR DIENSTVERLENING

I.   Eisen voor spoorwegondernemingen

Uiterlijk op 30 juni van elk jaar moeten spoorwegondernemingen het verslag over de kwaliteit van de dienstverlening tijdens het voorgaande boekjaar op hun website publiceren en naar de nationale handhavingsinstantie en het Spoorwegbureau van de Europese Unie sturen voor publicatie op zijn website. De onderneming publiceert het verslag op zijn website in zijn officiële nationale ta(a)l(en) en, indien mogelijk, in andere talen van de Unie, met inbegrip van een samenvatting in het Engels.

Het verslag over de kwaliteit van de dienstverlening bevat minstens informatie over het volgende:

1)

De stiptheid van de diensten en de algemene beginselen die spoorwegondernemingen volgen in het geval van verstoringen van de diensten

(a)

vertragingen

(i)

totale gemiddelde vertraging van de treinen, uitgedrukt als percentage per dienstencategorie (internationaal, binnenlands over lange afstanden, regionaal, en stedelijk/voorstedelijk);

(ii)

percentage van de treinen met vertraging bij vertrek;

(iii)

percentage van de treinen met vertraging bij aankomst:

percentage vertragingen van minder dan 60 minuten;

percentage vertragingen tussen 60 91 en 119 120 minuten; [Am. 132]

percentage vertragingen van 120 minuten of meer;

(b)

annuleringen van diensten

annuleringen van diensten, uitgedrukt als percentage per dienstencategorie (internationaal, binnenlands over lange afstanden, regionaal, en stedelijk/voorstedelijk);

(c)

toepassing van de verordening met betrekking tot vertragingen en annuleringen van diensten:

(i)

aantal passagiers aan wie zorg en bijstand werd verleend;

(ii)

kosten van de verlening van deze zorg en bijstand;

(iii)

aantal passagiers aan wie een vergoeding werd toegekend;

(iv)

kosten van de toegekende vergoeding;

(2)

Klanttevredenheidsenquête

Categorieën die minstens in de enquête moeten worden opgenomen:

(i)

stiptheid van de treinen;

(ii)

informatie aan passagiers in geval van vertraging;

(iii)

nauwkeurigheid en beschikbaarheid van informatie op treinen;

(iv)

kwaliteit van het onderhoud/staat van de treinen;

(v)

niveau van de beveiliging op de treinen;

(vi)

netheid in de treinen;

(vii)

verstrekking van nuttige informatie tijdens de volledige reis , met inbegrip van informatie over wifi en andere diensten aan boord ; [Am. 133]

(viii)

beschikbaarheid van toiletten van goede kwaliteit op elke trein;

(ix)

netheid en onderhoud van stations volgens hoge normen;

(x)

toegankelijkheid van treinen en faciliteiten aan boord, met inbegrip van toegankelijke toiletten;

(xi)

aantal incidenten en kwaliteit van de bijstand die effectief aan boord wordt verleend aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig artikel 24, ongeacht of vooraf een verzoek om bijstand werd ingediend of niet.

(3)

Behandeling van klachten

(i)

aantal klachten en resultaat;

(ii)

categorieën klachten;

(iii)

aantal verwerkte klachten;

(iv)

gemiddelde responstijd;

(v)

mogelijke verbeteringen, genomen maatregelen.

(4)

Bijstand aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit

aantal gevallen van bijstand per dienstencategorie (internationaal, binnenlands over lange afstanden, regionaal en stedelijk/voorstedelijk).

(5)

Verstoringen

Overzicht en korte beschrijving van noodplannen, plannen voor crisisbeheer.

II.   Eisen voor stationbeheerders en infrastructuurbeheerders

De verslagen over de kwaliteit van de diensten bevat minstens informatie over het volgende:

(1)

Informatie en vervoersbewijzen

(i)

procedure voor de behandeling van verzoeken om informatie in het station;

(ii)

procedure om informatie te verstrekken over dienstregelingen, tarieven en perrons, kwaliteit van de informatie;

(iii)

affichering van informatie over rechten en verplichtingen uit hoofde van de verordening en over contactgegevens van nationale handhavingsinstanties;

(iv)

mogelijkheden om vervoersbewijzen te kopen;

(v)

beschikbaarheid van personeel in het station om informatie te verstrekken en vervoersbewijzen te verkopen;

(vi)

verstrekking van informatie aan personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit;

(2)

Algemene beginselen in het geval van verstoringen van de dienstverlening

(i)

aantal passagiers aan wie zorg en bijstand werden verleend;

(ii)

kosten van de verlening van deze zorg en bijstand;

(3)

Beschrijving van de maatregelen om de netheid van de stationsfaciliteiten (toiletten enz.) te garanderen

(i)

schoonmaakintervals;

(ii)

beschikbaarheid van toiletten;

(4)

Klanttevredenheidsenquête

Categorieën die minstens in de enquête moeten worden opgenomen:

(i)

informatie voor passagiers in geval van vertraging;

(ii)

nauwkeurigheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van informatie over dienstregelingen/perrons;

(iii)

niveau van de beveiliging in het station;

(iv)

benodigde tijd om te antwoorden op verzoeken om informatie in stations;

(v)

beschikbaarheid van toiletten van goede kwaliteit in het station (met inbegrip van toegankelijkheid);

(vi)

netheid en onderhoud van stations;

(vii)

toegankelijkheid van het station en de stationsfaciliteiten , met inbegrip van traploze toegangen voor personen en bagage, roltrappen en liften ; [Am. 134]

(viii)

aantal incidenten en kwaliteit van de dienstverlening aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in het station.

BIJLAGE IV

PROCEDURE VOOR DE BEHANDELING VAN KLACHTEN DOOR NATIONALE HANDHAVINGSINSTANTIES

In complexe gevallen, bijvoorbeeld in het geval van meerdere claims of exploitanten, grensoverschrijdende reizen of ongevallen op het grondgebied van een andere lidstaat dan die welke de vergunning van de onderneming heeft afgegeven, werken de nationale handhavingsinstanties samen om een “leidende” instantie aan te wijzen, die optreedt als enig contactpunt voor de passagiers, met name als het onduidelijk is welke nationale handhavingsinstantie bevoegd is of als dit de oplossing voor de klacht vergemakkelijkt of bespoedigt. Alle betrokken nationale handhavingsinstanties werken samen om een oplossing voor de klacht te faciliteren (ook door informatie uit te wisselen, te helpen met de vertaling van documenten en informatie over de omstandigheden van incidenten te verstrekken). Aan de passagiers wordt meegedeeld welke instantie optreedt als “leidende” instantie. Daarnaast waarborgen de nationale handhavingsinstanties in alle gevallen naleving van Verordening (EU) 2017/2394. [Am. 135]

BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 1371/2007

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 1, onder a)

Artikel 1, onder a)

Artikel 1, onder b)

Artikel 1, onder b)

----

Artikel 1, onder c)

Artikel 1, onder c)

Artikel 1, onder d)

----

Artikel 1, onder e)

Artikel 1, onder d)

Artikel 1, onder f)

Artikel 1, onder e)

Artikel 1, onder g)

----

Artikel 1, onder h)

Artikel 1, onder f)

Artikel, onder i)

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

----

Artikel 2, lid 3

----

Artikel 2, lid 4

----

Artikel 2, lid 5

----

Artikel 2, lid 6

----

Artikel 2, lid 7

----

----

Artikel 2, lid 2

----

Artikel 2, lid 3

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, leden 2 en 3

----

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 6

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 7

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 8

Artikel 3, lid 6

Artikel 3, lid 9

Artikel 3, lid 7

Artikel 3, lid 10

Artikel 3, lid 8

----

Artikel 3, lid 9

----

Artikel 3, lid 10

Artikel 3, lid 11

Artikel 3, lid 11

----

Artikel 3, lid 12

Artikel 3, lid 12

Artikel 3, lid 13

Artikel 3, lid 13

Artikel 3, lid 14

Artikel 3, lid 14

----

Artikel 3, lid 15

Artikel 3, lid 16

Artikel 3, lid 16

Artikel 3, lid 17

Artikel 3, lid 17

Artikel 3, lid 18

----

Artikel 3, lid 19

Artikel 4

Artikel 4

----

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

----

Artikel 9, lid 4

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 9, lid 3

----

----

Artikel 10, leden 5 en 6

Artikel 10

----

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 12, lid 2

----

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

----

Artikel 16, leden 2 en 3

Artikel 17

Artikel 17

----

Artikel 17, lid 8

Artikel 18

Artikel 18

----

Artikel 18, lid 6

----

Artikel 19

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 21, lid 1

----

Artikel 21, lid 2

Artikel 22, lid 2, en artikel 23, lid 2

Artikel 22

Artikel 22

Artikel 22, lid 2

----

----

Artikel 22, lid 4

Artikel 23

Artikel 23

----

Artikel 23, lid 4

Artikel 24

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 25, leden 1, 2 en 3

----

Artikel 26

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 27

Artikel 28

----

Artikel 28, lid 3

Artikel 27, lid 3

Artikel 28, lid 4

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 30

Artikel 31

----

Artikel 32, 33

Artikel 31

Artikel 34

----

Artikel 34, leden 1 en 3

Artikel 32

Artikel 35

Artikel 33

----

Artikel 34

Artikel 36

Artikel 35,

----

----

Artikel 37

Artikel 36

Artikel 38

----

Artikel 39

Artikel 37

Artikel 40

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage III

----

Bijlagen IV en V


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/348


P8_TA(2018)0463

Persistente organische verontreinigende stoffen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (herschikking) (COM(2018)0144 — C8-0124/2018 — 2018/0070(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2020/C 363/37)

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)

Bij de uitvoering op Unieniveau van de bepalingen van het verdrag moet worden gezorgd voor coördinatie en samenhang met de bepalingen van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, dat op 19 december 2002 door de Unie is goedgekeurd (17) en  het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, dat op 1 februari 1993 door de Unie is goedgekeurd (18). Deze coördinatie en samenhang moet tevens worden behouden bij de deelname aan de uitvoering en verdere ontwikkeling van de SAICM (Strategic Approach to International Chemicals Management, strategische aanpak van het internationale beheer van chemicaliën), die op 6 februari 2006 is goedgekeurd tijdens de eerste Internationale Conferentie inzake het beheer van chemische stoffen in Dubai in het kader van de Verenigde Naties.

(5)

Bij de uitvoering op Unieniveau van de bepalingen van het verdrag moet worden gezorgd voor coördinatie en samenhang met de bepalingen van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, dat op 19 december 2002 door de Unie is goedgekeurd (17); van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, dat op 1 februari 1993 door de Unie is goedgekeurd (18) ; en van het Verdrag van Minamata inzake kwik, dat op 11 mei 2017 door de Unie is goedgekeurd  (18 bis). Deze coördinatie en samenhang moet tevens worden behouden bij de deelname aan de uitvoering en verdere ontwikkeling van de SAICM (Strategic Approach to International Chemicals Management, strategische aanpak van het internationale beheer van chemicaliën), die op 6 februari 2006 is goedgekeurd tijdens de eerste Internationale Conferentie inzake het beheer van chemische stoffen in Dubai in het kader van de Verenigde Naties.

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)

Verouderde of onzorgvuldig beheerde voorraden POP's kunnen ernstige gevaren voor het milieu en de gezondheid van de mens opleveren, bijvoorbeeld door verontreiniging van de bodem en het grondwater. Daarom moeten regels betreffende het beheer van dergelijke voorraden worden vastgesteld die strenger zijn dan de in het verdrag vastgestelde regels. Voorraden van verboden stoffen moeten als afval worden behandeld, terwijl voorraden van stoffen waarvan de vervaardiging of het gebruik nog wordt toegelaten, bij de instanties moeten worden aangemeld en onder afdoende toezicht moeten staan. Met name aanwezige voorraden van verboden POP's of voorraden die dergelijke stoffen bevatten, moeten zo spoedig mogelijk als afval worden behandeld.

(10)

Verouderde of onzorgvuldig beheerde voorraden POP's kunnen ernstige gevaren voor het milieu en de gezondheid van de mens opleveren, bijvoorbeeld door verontreiniging van de bodem en het grondwater. Daarom moeten regels betreffende het beheer van dergelijke voorraden worden vastgesteld die strenger zijn dan de in het verdrag vastgestelde regels. Voorraden van verboden stoffen moeten als afval worden behandeld, terwijl voorraden van stoffen waarvan de vervaardiging of het gebruik nog wordt toegelaten, bij de instanties moeten worden aangemeld en onder afdoende toezicht moeten staan. Met name aanwezige voorraden van verboden POP's of voorraden die dergelijke stoffen bevatten, moeten zo spoedig mogelijk als afval worden behandeld. Indien in de toekomst andere stoffen worden verboden, moeten de voorraden daarvan eveneens onmiddellijk worden vernietigd en mogen geen voorraden daarvan worden opgebouwd. Gezien de specifieke problemen van bepaalde lidstaten, moet er via de bestaande financiële instrumenten van de Unie voor gepaste financiële en technische ondersteuning worden gezorgd.

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)

Overeenkomstig het protocol en het verdrag moet de vrijkoming van POP's die als onopzettelijk bijproduct van industriële processen ontstaan, zo spoedig mogelijk worden vastgesteld en beperkt met als uiteindelijk doel beëindiging daarvan, waar dit mogelijk is. Er moeten afdoende nationale actieplannen worden uitgevoerd en ontwikkeld voor alle bronnen en maatregelen, ook degene waarvoor al bepalingen in de bestaande wetgeving van de Unie zijn opgenomen, om die vrijkoming continu en op een kosteneffectieve manier terug te dringen. Hiertoe moeten in het kader van het verdrag toereikende instrumenten worden ontwikkeld.

(11)

Overeenkomstig het protocol en het verdrag moet de vrijkoming van POP's die als onopzettelijk bijproduct van industriële processen ontstaan, zo spoedig mogelijk worden vastgesteld en beperkt met als uiteindelijk doel beëindiging daarvan, waar dit mogelijk is. Er moeten zo snel mogelijk afdoende nationale actieplannen worden uitgevoerd en ontwikkeld voor alle bronnen en maatregelen, ook degene waarvoor al bepalingen in de bestaande wetgeving van de Unie zijn opgenomen, om die vrijkoming continu en op een kosteneffectieve manier terug te dringen. Hiertoe moeten in het kader van het verdrag toereikende instrumenten worden ontwikkeld.

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)

De technische en administratieve aspecten van deze verordening moeten op Unieniveau doeltreffend worden gecoördineerd en beheerd. Het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”) heeft de bekwaamheid en ervaring voor het uitvoeren van wetgeving van de Unie inzake chemische stoffen en internationale overeenkomsten inzake chemische stoffen. De lidstaten en het Agentschap moeten daarom taken verrichten met betrekking tot de administratieve, technische en wetenschappelijke aspecten van de uitvoering van deze verordening en de uitwisseling van informatie. De rol van het Agentschap moet onder meer bestaan uit het voorbereiden en onderzoeken van technische dossiers, met inbegrip van de raadpleging van belanghebbenden, evenals uit het opstellen van adviezen die de Commissie kan gebruiken bij de overweging al dan niet een voorstel in te dienen om een stof als een POP in het verdrag of het protocol op te nemen. Daarnaast moeten de Commissie, de lidstaten en het Agentschap samenwerken om de internationale verplichtingen van de Unie uit hoofde van het verdrag effectief uit te voeren.

(15)

De technische en administratieve aspecten van deze verordening moeten op Unieniveau doeltreffend worden gecoördineerd en beheerd. Het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”) heeft de bekwaamheid en ervaring voor het uitvoeren van wetgeving van de Unie inzake chemische stoffen en internationale overeenkomsten inzake chemische stoffen. De lidstaten en het Agentschap moeten daarom taken verrichten met betrekking tot de administratieve, technische en wetenschappelijke aspecten van de uitvoering van deze verordening en de uitwisseling van informatie. De rol van het Agentschap moet bestaan uit het voorbereiden en onderzoeken van technische dossiers, met inbegrip van de raadpleging van belanghebbenden, evenals uit het opstellen van adviezen die de Commissie moet gebruiken bij de overweging al dan niet een voorstel in te dienen om een stof als een POP in het verdrag of het protocol op te nemen. Daarnaast moeten de Commissie, de lidstaten en het Agentschap samenwerken om de internationale verplichtingen van de Unie uit hoofde van het verdrag effectief uit te voeren.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)

In het verdrag is bepaald dat elke partij een plan voor de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van het verdrag moet opstellen en de uitvoering ervan moet nastreven, naargelang het geval. De lidstaten moeten het publiek de gelegenheid bieden deel te nemen aan het opstellen, uitvoeren en actualiseren van hun uitvoeringsplannen. Aangezien de bevoegdheid dienaangaande door de Unie en de lidstaten wordt gedeeld, moeten zowel op nationaal als op Unieniveau uitvoeringsplannen worden opgesteld. Samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de Commissie, het Agentschap en de instanties van de lidstaten moeten worden bevorderd.

(16)

In het verdrag is bepaald dat elke partij een plan voor de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van het verdrag moet opstellen en de uitvoering ervan moet nastreven, naargelang het geval , en dit plan zo snel mogelijk en ten laatste op . .. [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] moet doen toekomen aan Conferentie van de partijen. De lidstaten moeten het publiek de gelegenheid bieden deel te nemen aan het opstellen, uitvoeren en actualiseren van hun uitvoeringsplannen. Aangezien de bevoegdheid dienaangaande door de Unie en de lidstaten wordt gedeeld, moeten zowel op nationaal als op Unieniveau uitvoeringsplannen worden opgesteld. Samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de Commissie, het Agentschap en de instanties van de lidstaten moeten worden bevorderd.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)

De in deel A van bijlage I of deel A van bijlage II bij deze verordening opgenomen stoffen mogen alleen toelating krijgen om als tussenproduct in een tot de locatie beperkt gesloten systeem te worden vervaardigd en gebruikt indien daartoe uitdrukkelijk in die bijlage een aantekening is opgenomen en de fabrikant de betrokken lidstaat bevestigt dat de stof alleen onder strikt gecontroleerde voorwaarden wordt vervaardigd en gebruikt.

(17)

De in deel A van bijlage I of deel A van bijlage II bij deze verordening opgenomen stoffen mogen alleen toelating krijgen om als tussenproduct in een tot de locatie beperkt gesloten systeem te worden vervaardigd en gebruikt indien daartoe uitdrukkelijk in die bijlage een aantekening is opgenomen en de fabrikant de betrokken lidstaat bevestigt dat de stof alleen onder strikt gecontroleerde voorwaarden wordt vervaardigd en gebruikt , met name zonder dat hierdoor wezenlijke risico's ontstaan voor het milieu of voor de menselijke gezondheid, en alleen bij gebrek aan een technisch haalbaar alternatief .

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)

Overeenkomstig het verdrag en het protocol moet informatie over POP's aan de andere partijen bij die overeenkomsten worden verstrekt. Ook de informatie-uitwisseling met derde landen die geen partij bij deze overeenkomsten zijn, moet worden bevorderd.

(18)

Overeenkomstig het verdrag en het protocol moet informatie over POP's aan de andere partijen bij die overeenkomsten worden verstrekt. Ook de informatie-uitwisseling met derde landen die geen partij bij deze overeenkomsten zijn, moet worden bevorderd. Krachtens het verdrag moet elke partij eveneens gepaste strategieën uitwerken om met POP's verontreinigde locaties te identificeren, en uit hoofde van het zevende milieuactieprogramma van de Unie, dat loopt tot 2020, zijn de Unie en haar lidstaten ertoe verplicht hun inspanningen om verontreinigde locaties te saneren, op te drijven.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)

Aangezien het publiek zich vaak niet bewust is van het gevaar dat POP's inhouden voor de gezondheid van deze en komende generaties en voor het milieu, met name in ontwikkelingslanden, is voorlichting op grote schaal nodig om meer voorzichtigheid aan de dag te leggen en het publiek meer inzicht te verschaffen in de redenering achter beperkingen en verboden. In overeenstemming met het verdrag moeten bewustmakingsprogramma's over POP's voor het publiek, met name voor de meest kwetsbare groepen, alsmede scholing voor arbeiders, wetenschappers, onderwijzend, technisch en leidinggevend personeel waar mogelijk worden bevorderd en vergemakkelijkt.

(19)

Aangezien het publiek zich vaak niet bewust is van het gevaar dat POP's inhouden voor de gezondheid van deze en komende generaties en voor het milieu, met name in ontwikkelingslanden, is voorlichting op grote schaal nodig om meer voorzichtigheid aan de dag te leggen en het publiek meer inzicht te verschaffen in de redenering achter beperkingen en verboden. In overeenstemming met het verdrag moeten bewustmakingsprogramma's over  de impact van POP's op de menselijke gezondheid en het milieu voor het publiek, met name voor de meest kwetsbare groepen, alsmede scholing voor arbeiders, wetenschappers, onderwijzend, technisch en leidinggevend personeel waar mogelijk worden bevorderd en vergemakkelijkt. De Unie moet de toegang tot informatie en inspraak bij besluitvorming garanderen, in uitvoering van het Verdrag van de VN/ECE betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus), dat de Unie op 17 februari 2005 heeft goedgekeurd  (1 bis) .

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — alinea 1 — letter j

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

j)

“tussenproduct in een tot de locatie beperkt gesloten systeem”: een stof die wordt vervaardigd in en verbruikt bij of gebruikt voor chemische verwerking om in een of meer stoffen te worden omgezet, waarbij de vervaardiging van het tussenproduct en de omzetting ervan in een of meer andere stoffen op dezelfde locatie plaatsvinden onder strikt gecontroleerde voorwaarden wat inhoudt dat zij gedurende haar hele levenscyclus met technische middelen strikt wordt ingeperkt.

j)

“tussenproduct in een tot de locatie beperkt gesloten systeem”: een stof die wordt vervaardigd in en verbruikt bij of gebruikt voor chemische verwerking om in een andere stof te worden omgezet , hierna “synthese” genoemd, waarbij de vervaardiging van het tussenproduct en de omzetting ervan middels synthese in een of meer andere stoffen op dezelfde locatie , met inbegrip van een door een of meer rechtspersonen geëxploiteerde locatie, plaatsvinden onder strikt gecontroleerde voorwaarden, wat inhoudt dat zij gedurende haar hele levenscyclus met technische middelen strikt wordt ingeperkt.

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 — lid 3 — alinea 2 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)

de fabrikant toont aan dat de stof tijdens het fabricageproces zal worden omgezet in een of meer andere stoffen die niet de kenmerken van een POP vertonen;

b)

de fabrikant toont aan dat de stof tijdens het fabricageproces zal worden omgezet in een of meer andere stoffen die niet de kenmerken van een POP vertonen , dat het niet te verwachten is dat mensen of het milieu gedurende de productie en het gebruik van de stof aan significante hoeveelheden van die stof zullen worden blootgesteld, zoals aangetoond door middel van een beoordeling van het gesloten systeem in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) , en dat er geen technisch haalbare alternatieven bestaan voor het gebruik van een in deel A van bijlage I of in deel A van bijlage II bij deze verordening opgenomen stof ;

Amendement 11

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 2 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De houder beheert de voorraad op een veilige, doeltreffende en milieuverantwoorde wijze.

De houder beheert de voorraad op een veilige, doeltreffende en milieuverantwoorde wijze , overeenkomstig de drempelwaarden en voorschriften die zijn vastgelegd in Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) en Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad  (1 ter) , indien toepasselijk .

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     De in dit artikel bedoelde informatie wordt weergegeven aan de hand van de in Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad bepaalde codes  (1 bis) .

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Bij het bestuderen van voorstellen voor de bouw van nieuwe installaties of ingrijpende wijziging van bestaande installaties waarbij processen worden gebruikt waarbij in bijlage III vermelde chemische stoffen vrijkomen, schenken de lidstaten, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (30), bij voorrang aandacht aan alternatieve processen, technieken of methodes die even nuttig zijn, maar waarbij de in bijlage III vermelde chemische stoffen niet worden gevormd en vrijkomen.

3.   Bij het bestuderen van voorstellen voor de bouw van nieuwe installaties of ingrijpende wijziging van bestaande installaties waarbij processen worden gebruikt waarbij in bijlage III vermelde chemische stoffen vrijkomen, schenken de lidstaten bij voorrang aandacht aan alternatieve processen, technieken of methodes (29 bis) die even nuttig zijn, maar waarbij de in bijlage III vermelde chemische stoffen niet worden gevormd en vrijkomen, dit onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (30).

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 — lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.   De Commissie kan, in voorkomende gevallen en met inachtneming van technische ontwikkelingen en relevante internationale richtlijnen en besluiten en eventuele vergunningen verleend door een lidstaat of  door de door die lidstaat overeenkomstig lid 4 en bijlage V aangewezen instantie,  middels uitvoeringshandelingen aanvullende maatregelen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van dit artikel. De Commissie kan met name de door  de lidstaten overeenkomstig lid  4, onder b), iii), in te dienen informatie specificeren . Dergelijke maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 2, vastgestelde raadplegingsprocedure.

6.   De Commissie kan, in voorkomende gevallen en met inachtneming van technische ontwikkelingen en relevante internationale richtlijnen en besluiten en eventuele vergunningen verleend door een lidstaat of de door die lidstaat overeenkomstig lid 4 en bijlage V aangewezen instantie, uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat wordt bepaald van de door de lidstaten overeenkomstig lid 4, onder b, iii), in te dienen informatie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 2, vastgestelde raadplegingsprocedure.

Amendement 15

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 1 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)

de Commissie op verzoek technische en wetenschappelijke ondersteuning en input verlenen voor stoffen die mogelijk aan de criteria om te worden opgenomen in het verdrag of het protocol voldoen;

c)

de Commissie op verzoek solide technische en wetenschappelijke ondersteuning en input verlenen voor stoffen die mogelijk aan de criteria om te worden opgenomen in het verdrag of het protocol voldoen , onder meer met betrekking tot het verhinderen van de productie en het gebruik van nieuwe POP's en met betrekking tot de beoordeling van pesticiden en industriële chemische stoffen die momenteel in gebruik zijn ;

Amendement 16

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 1 — letter f

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

f)

alle ontvangen of beschikbare informatie overeenkomstig artikel 4, leden 2 en 3, artikel 7, lid 4, onder b), iii), artikel 9, lid 2, en artikel 13, lid 1, verzamelen, registreren en verwerken en beschikbaar stellen aan de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten. Het Agentschap maakt de niet-vertrouwelijke informatie openbaar op zijn website en bevordert de uitwisseling van die informatie met relevante informatieplatformen zoals die welke bedoeld zijn in artikel 13, lid 2;

f)

alle ontvangen of beschikbare informatie overeenkomstig artikel 4, leden 2 en 3, artikel  5, artikel  7, lid 4, onder b), iii), artikel 9, lid 2, en artikel 13, lid 1, verzamelen, registreren en verwerken en beschikbaar stellen aan de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten. Het Agentschap maakt de niet-vertrouwelijke informatie openbaar op zijn website en bevordert de uitwisseling van die informatie met relevante informatieplatformen zoals die welke bedoeld zijn in artikel 13, lid 2;

Amendement 17

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.     Het Agentschap begint uiterlijk met het verstrekken van de in artikel 8, lid 1, onder a), bedoelde bijstand en de technische en wetenschappelijke richtsnoeren vóór … [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Amendement 18

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 — lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.     De Commissie organiseert een uitwisseling van informatie met de lidstaten inzake de maatregelen die op nationaal niveau zijn genomen voor het identificeren en beoordelen van locaties die verontreinigd zijn met POP's en voor de aanpak van de significante risico's die deze verontreiniging kan inhouden voor de volksgezondheid en het milieu.

Amendement 19

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (32) wordt  de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie niet als vertrouwelijk beschouwd. Overeenkomstig de wetgeving van de Unie beschermen de Commissie, het Agentschap en de lidstaten die informatie met een derde land uitwisselen, eventuele vertrouwelijke informatie.

3.   Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (32) wordt  informatie over de gezondheid en veiligheid van mens en milieu niet als vertrouwelijk beschouwd. Overeenkomstig de wetgeving van de Unie beschermen de Commissie, het Agentschap en de lidstaten die andere informatie met een derde land uitwisselen, eventuele vertrouwelijke informatie.

Amendement 20

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 — lid 1 — alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De Unie ziet toe op de tenuitvoerlegging en garandeert hierbij de toegang tot informatie en inspraak bij de besluitvorming.

Amendement 21

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 — lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de minimaal te verstrekken informatie overeenkomstig lid 1, alsook de definitie van de in lid 1, onder f), bedoelde indicatoren, kaarten en overzichten van de lidstaten wordt bepaald. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 2, vastgestelde raadplegingsprocedure.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat van de te verstrekken informatie overeenkomstig lid 1, alsook de definitie van de in lid 1, onder f), bedoelde indicatoren, kaarten en overzichten van de lidstaten wordt bepaald. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 2, vastgestelde raadplegingsprocedure.

Amendement 22

Voorstel voor een verordening

Artikel 18 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De in artikel 4, lid 3, artikel 7, lid 5, en artikel 15 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van […].

2.   De in artikel 4, lid 3, artikel 7, lid 5, en artikel 15 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van deze vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met periodes van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke periode tegen de verlenging verzet.

Amendement 23

Voorstel voor een verordening

Artikel 20 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De Commissie wordt ten aanzien van alle aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, bijgestaan door het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door:

 

 

a)

het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité, voor wat de uitvoering betreft van de in artikel 13, lid 5, genoemde kwesties, tenzij het om uitvoeringshandelingen gaat waarmee het formaat van de in artikel 13, lid 1, onder a), genoemde informatie met betrekking tot de toepassing van artikel 7, en de in artikel 13, lid 1, onder b), genoemde informatie wordt vastgelegd, en tenzij het gaat om informatie die is ontvangen uit hoofde van artikel 5, lid 2, en artikel 7, lid 4, onder b), iii); alsmede

 

 

b)

het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) ingestelde comité, voor wat de uitvoering betreft van de in artikel 7, lid 6, en artikel 13, lid 5, genoemde kwesties, wanneer het om uitvoeringshandelingen gaat waarmee het formaat van de in artikel 13, lid 1, onder a), genoemde informatie met betrekking tot de toepassing van artikel 7, en de in artikel 13, lid 1, onder b), genoemde informatie wordt vastgelegd, en wanneer het gaat om informatie die is ontvangen uit hoofde van artikel 5, lid 2, en artikel 7, lid 4, onder b), punt iii);

Amendement 24

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — Deel A — tabel — rij 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

polychloorbifenylen (pcb's)

1336-36-3 en andere

215-648-1 en andere

Onverminderd Richtlijn 96/59/EG mogen artikelen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening al in gebruik zijn, worden gebruikt.

 

 

 

De lidstaten moeten apparatuur (bijv. transformatoren, condensatoren of andere apparatuur die vloeistoffen bevatten) die meer dan 0,005  % PCB's bevatten en een volume van meer dan 0,05  dm3, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk op 31 december 2025 identificeren en buiten gebruik stellen.

Amendement

polychloorbifenylen (pcb's)

1336-36-3 en andere

215-648-1 en andere

Onverminderd Richtlijn 96/59/EG mogen artikelen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening al in gebruik zijn, worden gebruikt.

De lidstaten moeten ernaar streven om apparatuur (bijv. transformatoren, condensatoren of andere apparatuur die vloeistoffen bevatten) die meer dan 0,005  % PCB's bevatten en een volume van meer dan 0,05  dm3, zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 31 december 2025 te identificeren en buiten gebruik te stellen.

Amendement 25

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel A — tabel — rij 24 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

 

Amendement

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

Specifieke vrijstelling voor gebruik als tussenproduct of andere specificatie

Bis(pentabroomfenyl)ether (decabroomdifenylether; decaBDE)

1163-19-5

214-604-9

1.

In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties decaBDE van ten hoogste 10 mg/kg (0,001  massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen, mengsels, artikelen of als bestanddeel van de brandvertraagde delen van artikelen.

2.

In afwijking hiervan zijn de vervaardiging, het op de markt brengen en het gebruik van decaBDE toegestaan:

a)

bij de productie van een luchtvaartuig vóór 2 maart 2027, waarvoor typegoedkeuring werd aangevraagd vóór de inwerkingtreding en werd verkregen vóór december 2022;

b)

bij de productie van reserveonderdelen voor:

i)

een luchtvaartuig waarvoor typegoedkeuring vóór de inwerkingtreding werd aangevraagd en vóór december 2022 werd verkregen en dat vóór 2 maart 2027 werd geproduceerd, tot het eind van de levensduur van dat luchtvaartuig;

ii)

binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad  (1 bis) vallende motorvoertuigen, die zijn geproduceerd vóór … [datum van inwerkingtreding van deze verordening], hetzij tot 2036, hetzij tot het einde van de levensduur van die motorvoertuigen, indien dat vroeger valt.

3.

De specifieke uitzonderingen voor onderdelen voor gebruik in de onder lid 2, onder b), ii), bedoelde motorvoertuigen zijn van toepassing op de productie en het gebruik van commercieel decaBDE dat valt onder een of meer van de volgende categorieën:

i)

aandrijflijn en voorzieningen onder de motorkap, zoals massakabels van de accu, interconnectiekabels van de accu, buizen van de klimaatregelingsapparatuur, aandrijflijn, bussen van het uitlaatspruitstuk, isolatie onder de motorkap, kabels en kabelboom onder de motorkap (bekabeling van de motor enz.), snelheidssensoren, slangen, ventilatormodules en klopsensoren;

ii)

voorzieningen van het brandstofsysteem zoals brandstofslangen en al dan niet aan de onderzijde van de carrosserie bevestigde brandstoftanks;

iii)

pyrotechnische voorzieningen en voorzieningen die daardoor worden beïnvloed, zoals ontstekingskabels van de airbags, stoelhoezen/-bekleding (alleen voor zover relevant met het oog op de airbags) en airbags (frontaal en lateraal);

iv)

ophanging en interieurtoepassingen zoals sierelementen, akoestisch materiaal en veiligheidsgordels;

v)

versterkte kunststoffen (dashboards en binnenbekleding);

vi)

onder de motorkap of het dashboard (aansluitblokken/zekeringsblokken, bedrading voor hoge stroomsterkte en kabelbekleding (bougiedraden));

vii)

elektrische en elektronische apparatuur (accuhouders en accubakken, elektrische connectoren voor de motorsturing, onderdelen van radiodisks, systemen voor satellietnavigatie, gps- en computersystemen);

viii)

weefsels zoals hoedenplanken, bekleding, hemelbekleding, autozittingen, hoofdsteunen, zonnekleppen, interieurpanelen en vloerbekleding.

3.

Het is toegestaan decaBDE te vervaardigen en te gebruiken bij de productie en het in de handel brengen van de volgende artikelen:

a)

artikelen die in de handel zijn gebracht vóór… [datum van inwerkingtreding van deze verordening];

b)

luchtvaartuigen die overeenkomstig lid 2, onder a), worden geproduceerd;

c)

onderdelen van luchtvaartuigen die overeenkomstig lid 2, onder b), worden geproduceerd;

d)

elektrische en elektronische apparatuur die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad  (1 ter) valt.

4.

Voor de toepassing van deze vermelding wordt onder “luchtvaartuig” verstaan:

a)

een burgerluchtvaartuig dat is geproduceerd overeenkomstig een typecertificaat afgegeven krachtens Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad  (1 quater) , of overeenkomstig de goedkeuring van een ontwerp die is afgegeven krachtens de nationale regelgeving van een verdragsluitende staat van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), of waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven door een verdragsluitende staat van de ICAO krachtens bijlage 8 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;

b)

een militair luchtvaartuig.

Amendement 26

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel A — tabel — rij 24 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

 

Amendement

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

Specifieke vrijstelling voor gebruik als tussenproduct of andere specificatie

Alkanen, C10-C13, chloor (gechloreerde paraffinen met een korte keten) (SCCP's)

85535-84-8

287-476-5

1.

In afwijking hiervan zijn de vervaardiging, het op de markt brengen en het gebruik van stoffen of bereidingen met SCCP's als bestanddeel in concentraties van minder dan 1 gewichtspercent of artikelen in concentraties van minder dan 0,15  gewichtspercent toegestaan.

2.

Het gebruik van:

a)

transportbanden in de mijnbouwindustrie en afdichtingsrubbers van waterkeringen met SCCP's als bestanddeel die vóór of op 4 december 2015 al in gebruik waren; alsmede

b)

andere dan de onder a) bedoelde artikelen met SCCP's als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 al in gebruik waren, wordt toegestaan.

3.

Artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, is van toepassing op de in de lid 2 bedoelde artikelen.

Amendement 27

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — Deel B

Door de Commissie voorgestelde tekst

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

Specifieke vrijstelling voor gebruik als tussenproduct of andere specificatie

4

4

4

4

4

 

 

4

5 Alkanen, C10-C13, chloor (gechloreerde paraffinen met een korte keten) (SCCP's)

5 85535-84-8

5 287-476-5

5 1.

In afwijking hiervan zijn de productie, het op de markt brengen en het gebruik van stoffen of mengsels met SCCP's als bestanddeel in concentraties van minder dan 1 gewichtspercent of artikelen in concentraties van minder dan 0,15 gewichtspercent toegestaan.

2.

Het gebruik van:

a)

transportbanden in de mijnbouwindustrie en afdichtingsrubbers van waterkeringen met SCCP's als bestanddeel die vóór of op 4 december 2015 al in gebruik waren; alsmede

b)

andere dan de onder a) bedoelde artikelen met SCCP's als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 al in gebruik waren, wordt toegestaan.

3.

Artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, is van toepassing op de in de lid 2 bedoelde artikelen.

Amendement

Schrappen

Amendement 28

Voorstel voor een verordening

Bijlage III

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

LIJST VAN STOFFEN WAARVOOR BEPALINGEN INZAKE BEPERKING VAN DE VRIJKOMING GELDEN

LIJST VAN STOFFEN WAARVOOR BEPALINGEN INZAKE BEPERKING VAN DE VRIJKOMING GELDEN

Stof (CAS-nr.)

Stof (CAS-nr.)

Polychloordibenzo-p-dioxinen en –dibenzofuranen (PCDD's/PCDF's)

Polychloordibenzo-p-dioxinen en –dibenzofuranen (PCDD's/PCDF's)

Hexachloorbenzeen (HCB) (CAS-nr.: 118-74-1)

Hexachloorbenzeen (HCB) (CAS-nr.: 118-74-1)

Polychloorbifenylen (pcb's)

Polychloorbifenylen (pcb's)

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) (37)

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) (37)

Pentachloorbenzeen (CAS-nr. 608-93-5)

Pentachloorbenzeen (CAS-nr. 608-93-5)

 

Polychloornaftalenen  (37 bis)

 

Hexachloorbutadieen (CAS-nr. 87-68-3)

Amendement 37

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — regels 5 — 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

In artikel 7, lid 4, onder a), bedoelde concentratiegrenswaarde

 

 

 

Tetrabroomdifenylether EG-nr.

C12H6Br4O

40088-47-9 en andere

254-787-2 en andere

Som van de concentraties van tetrabroomdifenylether, pentabroomdifenylether, hexabroomdifenylether en heptabroomdifenylether: 1 000  mg/kg

Pentabroomdifenylether EG-nr.

C12H5Br5O

32534-81-9 en andere

251-084-2 en andere

Hexabroomdifenylether

C12H4Br6O

36483-60-0 en andere

253-058-6 en andere

 

Heptabroomdifenylether

C12H3Br7O

68928-80-3 en andere

273-031-2 en andere

 

 

 

Amendement

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

In artikel 7, lid 4, onder a), bedoelde concentratiegrenswaarde

 

 

 

Tetrabroomdifenylether EG-nr.

C12H6Br4O

40088-47-9 en andere

254-787-2 en andere

Som van de concentraties van tetrabroomdifenylether, pentabroomdifenylether, hexabroomdifenylether en heptabroomdifenylether en decabroomdifenylether : 500  mg/kg

Pentabroomdifenylether EG-nr.

C12H5Br5O

32534-81-9 en andere

251-084-2 en andere

Hexabroomdifenylether

C12H4Br6O

36483-60-0 en andere

253-058-6 en andere

Heptabroomdifenylether

C12H3Br7O

68928-80-3 en andere

273-031-2 en andere

Decabroomdifenylether

C12Br10O

1163-19-5 en andere

214-604-9 en andere

 

Amendement 29

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — tabel 1 — kolom 4 — rij 10 — voetnoot 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

7.

De grenswaarde wordt berekend als PCDD’s en PCDF’s onder gebruikmaking van de volgende toxische-equivalentiefactoren (TEF’s):

PCDD

TEF

PCDF

TEF

PCDD

TEF

2,3,7,8-TeCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

2,3,7,8-TeCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003

Amendement

7.

De grenswaarde wordt berekend als PCDD’s en PCDF’s onder gebruikmaking van de volgende toxische-equivalentiefactoren (TEF’s):

PCDD

TEF

2,3,7,8-TeCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

PCDF

TEF

2,3,7,8-TeCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

PCDD

TEF

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003


(1)  De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0336/2018).

(17)  PB L 63 van 6.3.2003, blz. 29.

(18)  PB L 39 van 16.2.1993, blz. 3.

(17)  PB L 63 van 6.3.2003, blz. 29.

(18)  PB L 39 van 16.2.1993, blz. 3.

(18 bis)   PB L 142 van 2.6.2017, blz. 4.

(1 bis)   PB L 124 van 17.5.2005, blz. 1.

(1 bis)   Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(1 bis)   Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1),

(1 ter)   Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(1 bis)   Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2002 betreffende afvalstoffenstatistieken (PB L 332 van 9.12.2002, blz. 1).

(30)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(29 bis)   Verdrag van Stockholm over POP's (2008). Guidelines on Best Available Techniques and Provisional Guidance on Best Environmental Practices Relevant to Article 5 and Annex C of the Stockholm Convention on Persistent Organic Pollutants (Richtsnoeren over de beste beschikbare technieken en voorlopige aanwijzingen over de beste milieupraktijken die relevant zijn voor artikel 5 van en bijlage C bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen). Genève, secretariaat van het Verdrag van Stockholm over POP's. http://www.pops.int/Implementation/BATandBEP/BATBEPGuidelinesArticle5/tabid/187/Default.aspx

(30)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(32)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(32)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(1 bis)   Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(1 bis)   Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

(1 ter)   Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88).

(1 quater)   Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en houdende intrekking van Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).

(37)  Ten behoeve van de emissie-inventarissen worden de volgende vier compound-indicators gebruikt: benzo[a]pyreen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen en indeno[1,2,3-cd]pyreen.

(37)  Ten behoeve van de emissie-inventarissen worden de volgende vier compound-indicators gebruikt: benzo[a]pyreen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen en indeno[1,2,3-cd]pyreen.

(37 bis)   Polychloornaftalenen zijn op het naftaleenringsysteem gebaseerde chemische verbindingen, waarbij een of meer waterstofatomen zijn vervangen door chlooratomen.


Woensdag 29 november 2018

28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/369


P8_TA(2018)0466

Toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft (COM(2018)0137 — C8-0120/2018 — 2018/0065(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/38)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0137),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0120/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018 (1),

gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0346/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 367 van 10.10.2018, blz. 32.


P8_TC1-COD(2018)0065

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/129.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/370


P8_TA(2018)0467

Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede behandeling of bestraffing ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (codificatie) (COM(2018)0316 — C8-0210/2018 — 2018/0160(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — codificatie)

(2020/C 363/39)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0316),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0210/2018),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten (1),

gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0387/2018),

A.

overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


P8_TC1-COD(2018)0160

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/125.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/371


P8_TA(2018)0468

Fonds voor asiel, migratie en integratie: nieuwe vastlegging van de resterende bedragen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 29 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de nieuwe vastlegging van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen of de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's (COM(2018)0719 — C8-0448/2018 — 2018/0371(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/40)

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

Deze verordening heeft tot doel de nieuwe vastlegging mogelijk te maken van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8), of/dan wel de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's, overeenkomstig de prioriteiten van de Unie en de behoeften van de lidstaten op het gebied van migratie en asiel.

(1)

Deze verordening heeft tot doel de nieuwe vastlegging mogelijk te maken van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8), of/dan wel de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's, overeenkomstig de prioriteiten van de Unie en de behoeften van de lidstaten op bepaalde gebieden van migratie en asiel. Tevens wordt ervoor gezorgd dat dergelijke vastleggingen of toewijzingen op transparante wijze worden uitgevoerd .

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om de bovenvermelde bedragen te gebruiken om herplaatsing te blijven toepassen door de bedragen opnieuw vast te leggen voor dezelfde actie in hun nationale programma's. Bovendien moet het mogelijk zijn, mits dit naar behoren wordt gemotiveerd in de herziening van de nationale programma's van de lidstaten, om deze financiering ook te gebruiken om het hoofd te bieden aan andere uitdagingen op het gebied van migratie en asiel, overeenkomstig de verordening inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie. De noden/behoeften van de lidstaten op deze gebieden zijn nog steeds aanzienlijk. Nieuwe vastleggingen van de bovenvermelde bedragen voor dezelfde actie, of de overdracht ervan naar andere acties in het kader het nationaal programma, zijn slechts één keer mogelijk en moeten door de Commissie worden goedgekeurd.

(4)

De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om de bovenvermelde bedragen te gebruiken om herplaatsing te blijven toepassen door de bedragen opnieuw vast te leggen voor dezelfde actie in hun nationale programma's. De lidstaten moeten ten minste 20 % van deze bedragen vastleggen voor acties in hun nationale programma's, voor herplaatsing van verzoekers om internationale bescherming of voor herplaatsing van personen die internationale bescherming genieten, of voor hervestiging en andere vormen van ad-hoctoelating op humanitaire gronden. Wat betreft de resterende bedragen moet het mogelijk zijn, indien dit naar behoren wordt gemotiveerd in de herziening van de nationale programma's van de lidstaten, om de in de hoofdstukken II en III voorziene specifieke acties op het gebied van migratie en asiel te financieren , overeenkomstig de verordening inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie, met name voor de ontwikkeling van aspecten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, in het bijzonder gezinshereniging of ondersteuning van legale migratie naar de lidstaten en bevordering van effectieve integratie van onderdanen van derde landen . De noden/behoeften van de lidstaten op deze gebieden zijn nog steeds aanzienlijk. Nieuwe vastleggingen van de bovenvermelde bedragen voor dezelfde actie, of de overdracht ervan naar andere acties in het kader het nationaal programma, zijn slechts één keer mogelijk en moeten door de Commissie worden goedgekeurd. De lidstaten moeten erop toezien dat de in het Financieel Reglement vastgelegde beginselen bij de toewijzing van middelen ten volle geëerbiedigd worden, met name efficiëntie en transparantie.

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)

De doelgroep van personen die in aanmerking komen voor herplaatsing moet worden uitgebreid, zodat de lidstaten over meer flexibiliteit beschikken bij de uitvoering van herplaatsingen.

(5)

De doelgroep van personen die in aanmerking komen voor herplaatsing alsook de groep landen waaruit personen herplaatst worden, moeten worden uitgebreid, zodat de lidstaten over meer flexibiliteit beschikken bij de uitvoering van herplaatsingen. Daarbij moet prioriteit worden gegeven aan de herplaatsing van niet-begeleide minderjarigen, andere kwetsbare personen en familieleden van personen die internationale bescherming genieten.

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)

De lidstaten moeten ook voldoende tijd krijgen om de bedragen te gebruiken die vóór/voorafgaand aan de vrijmaking ervan opnieuw zijn vastgelegd voor dezelfde actie of zijn overgedragen naar andere acties. Wanneer dergelijke nieuwe vastleggingen of overdrachten van bedragen in het kader van het nationale programma worden goedgekeurd door de Commissie, worden de desbetreffende bedragen beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationale programma waarbij de nieuwe vastlegging of de overdracht wordt goedgekeurd.

(7)

De lidstaten moeten ook voldoende tijd krijgen om de bedragen te gebruiken die vóór/voorafgaand aan de vrijmaking ervan opnieuw zijn vastgelegd voor dezelfde actie of zijn overgedragen naar andere specifieke acties. Wanneer dergelijke nieuwe vastleggingen of overdrachten van bedragen in het kader van het nationale programma worden goedgekeurd door de Commissie, worden de desbetreffende bedragen beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationale programma waarbij de nieuwe vastlegging of de overdracht wordt goedgekeurd.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)

De Commissie moet jaarlijks verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de middelen voor de overbrenging van personen die om internationale bescherming verzoeken en/of personen die internationale bescherming genieten, in het bijzonder over overdrachten naar andere acties in het kader van het nationaal programma en over nieuwe vastleggingen.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)

Wanneer Verordening (EU) nr. 516/2014 niet vóór het einde van 2018 gewijzigd wordt, kunnen de lidstaten de betreffende financiering niet meer gebruiken in het kader van de nationale programma's die door het Fonds voor asiel, migratie en integratie worden ondersteund. Aangezien wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 urgent is, dient een uitzondering te worden gemaakt op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt - 1 (nieuw)

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — titel

Bestaande tekst

Amendement

 

(-1)

De titel wordt vervangen door:

Middelen voor het overbrengen van personen die internationale bescherming genieten

“Middelen voor het overbrengen van personen die om internationale bescherming verzoeken of van personen die internationale bescherming genieten”

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

In lid 1 worden de woorden “persoon die internationale bescherming geniet” vervangen door de woorden “verzoeker om internationale bescherming of persoon die internationale bescherming geniet”;

Schrappen

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1 bis (nieuw)

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 1

Bestaande tekst

Amendement

 

(1 bis)

Lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Met het oog op de toepassing van het beginsel van solidariteit en eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheden en in het licht van beleidsontwikkelingen in de Unie gedurende de uitvoeringsperiode van het Fonds, ontvangen de lidstaten, naast de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a), berekende toewijzing een aanvullend bedrag als bedoeld in artikel 15, lid 2, onder b), in de vorm van een vast bedrag van 6 000  EUR per persoon die internationale bescherming geniet en die uit een andere lidstaat is overgebracht.”;

“1.   Met het oog op de toepassing van het beginsel van solidariteit en eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheden en in het licht van beleidsontwikkelingen in de Unie gedurende de uitvoeringsperiode van het Fonds, ontvangen de lidstaten, naast de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a), berekende toewijzing een aanvullend bedrag als bedoeld in artikel 15, lid 2, onder b), in de vorm van een vast bedrag van 10 000 EUR per verzoeker om internationale bescherming en per persoon die internationale bescherming geniet en die uit een andere lidstaat is overgebracht.”;

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende bedragen worden aan de lidstaten voor het eerst toegewezen bij de individuele financieringsbesluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's, volgens de in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 514/2014 vastgelegde procedure, en nadien in een financieringsbesluit dat bij de besluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's wordt gevoegd. Nieuwe vastleggingen van die bedragen voor dezelfde actie in het kader van het nationale programma of overdrachten ervan naar andere acties in het kader van het nationale programma zijn mogelijk als zij naar behoren worden gemotiveerd in de herziening van het respectieve nationale programma. Een bedrag mag slechts één keer opnieuw worden vastgelegd of overgedragen. De Commissie keurt de nieuwe vastlegging of de overdracht vast via de herziening van het nationale programma.

3.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende bedragen worden aan de lidstaten voor het eerst toegewezen bij de individuele financieringsbesluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's, volgens de in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 514/2014 vastgelegde procedure, en nadien in een financieringsbesluit dat bij de besluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's wordt gevoegd. Nieuwe vastleggingen van die bedragen voor dezelfde actie in het kader van het nationale programma of overdrachten ervan naar andere specifieke acties in het kader van het nationale programma in de zin van de hoofdstukken II en III van deze verordening zijn mogelijk als zij naar behoren worden gemotiveerd in de herziening van het respectieve nationale programma. Een bedrag mag slechts één keer opnieuw worden vastgelegd of overgedragen. De Commissie keurt de nieuwe vastlegging of de overdracht vast via de herziening van het nationale programma. De middelen worden transparant en efficiënt toegewezen overeenkomstig de doelstellingen van het nationale programma.

 

Voor bedragen die afkomstig zijn van de bij Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 vastgestelde voorlopige maatregelen geldt dat ten minste 20 % van de opnieuw vast te leggen bedragen wordt vastgelegd voor dezelfde actie in het kader van het nationale programma voor herplaatsing van verzoekers om internationale bescherming of herplaatsing van personen die internationale bescherming genieten, of voor hervestiging en andere ad-hoctoelating op internationale gronden.

Amendement 11

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 3 bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3 bis.   Met het oog op de toepassing van artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 514/2014 worden bedragen die afkomstig zijn van de bij Besluiten (EU) nr. 2015/1523 en (EU) nr. 2015/1601 vastgestelde voorlopige maatregelen en die opnieuw worden vastgelegd voor dezelfde actie in het kader van het nationaal programma of worden overgedragen naar andere acties in het kader van het nationaal programma, overeenkomstig lid 3, beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationaal programma waarbij de nieuwe vastlegging of overdracht in kwestie wordt goedgekeurd.

3 bis.   Met het oog op de toepassing van artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 514/2014 worden bedragen die afkomstig zijn van de bij Besluiten (EU) nr. 2015/1523 en (EU) nr. 2015/1601 vastgestelde voorlopige maatregelen en die opnieuw worden vastgelegd voor dezelfde actie in het kader van het nationaal programma of worden overgedragen naar andere specifieke acties in het kader van het nationaal programma, overeenkomstig lid 3, beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationaal programma waarbij de nieuwe vastlegging of overdracht in kwestie wordt goedgekeurd.

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 3 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 quater.     De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van dit artikel, in het bijzonder over de overdracht van bedragen naar andere acties in het kader van nationale programma's en nieuwe vastleggingen.

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 4

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

In lid 4 worden de woorden “personen die internationale bescherming genieten” vervangen door de woorden “verzoekers om internationale bescherming of personen die internationale bescherming genieten”.

Schrappen

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 4 bis (nieuw)

Verordening (EU) nr. 516/2014

Artikel 18 — lid 4

Bestaande tekst

Amendement

 

4 bis)

Lid 4 wordt vervangen door:

4.   Om gestalte te geven aan de doelstellingen van solidariteit en verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten als bedoeld in artikel 80 VWEU, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 26 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde, binnen de grenzen van de beschikbare middelen, het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste bedrag aan te passen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met actuele inflatiepercentages, relevante ontwikkelingen in het gebied naar waar de begunstigde van internationale bescherming van de ene lidstaat naar de andere is overgebracht en factoren die bijdragen tot een optimaal gebruik van de financiële stimulans die met het vaste bedrag wordt gegeven.

4.   Om gestalte te geven aan de doelstellingen van solidariteit en verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten als bedoeld in artikel 80 VWEU, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 26 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde, binnen de grenzen van de beschikbare middelen, het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste bedrag aan te passen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met actuele inflatiepercentages, relevante ontwikkelingen in het gebied naar waar de verzoeker om nationale bescherming en de begunstigde van internationale bescherming van de ene lidstaat naar de andere zijn overgebracht , hervestiging en andere ad-hoctoelating op humanitaire gronden, en factoren die bijdragen tot een optimaal gebruik van de financiële stimulans die met het vaste bedrag wordt gegeven.


(1)  De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0370/2018).

(8)  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).

(8)  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/379


P8_TA(2018)0469

De toetreding van Samoa tot de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de staten in de Stille Oceaan ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van Samoa tot de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de staten in de Stille Oceaan, anderzijds (12281/2018 — C8-0434/2018 — 2018/0291(NLE))

(Goedkeuring)

(2020/C 363/41)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12281/2018),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0434/2018),

gezien zijn resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020 (1),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2011 over de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de EG en de staten in de Stille Oceaan (2),

gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou) (3),

gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0376/2018),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de toetreding van Samoa tot de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Samoa.

(1)  PB C 215 van 19.6.2018, blz. 2.

(2)  PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 19.

(3)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/380


P8_TA(2018)0470

Benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank

Besluit van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de voordracht voor de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (N8-0120/2018 — C8-0466/2018 — 2018/0905(NLE))

(Goedkeuring)

(2020/C 363/42)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Europese Centrale Bank van 7 november 2018 tot benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (C8-0466/2018),

gezien artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013, waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme aan de Europese Centrale Bank zijn opgedragen (2),

gezien artikel 122 bis van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0380/2018),

A.

overwegende dat in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad is bepaald dat de Europese Centrale Bank haar voorstel tot benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht aan het Europees Parlement voorlegt en dat de voorzitter op basis van een open selectieprocedure wordt gekozen uit een voordracht van personen met een erkende kwalificatie en ervaring in het bankwezen en financiële aangelegenheden, die geen lid zijn van de raad van bestuur;

B.

overwegende dat in artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad is bepaald dat bij benoemingen voor de raad van toezicht overeenkomstig die verordening de beginselen van genderevenwicht, ervaring en kwalificaties moeten worden nageleefd;

C.

overwegende dat de Europese Centrale Bank in een brief d.d. 7 november 2018 aan het Parlement heeft voorgesteld Andrea Enria te benoemen als voorzitter van de raad van toezicht;

D.

overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name tegen de achtergrond van de eisen in artikel 26, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013; overwegende dat de commissie met het oog op dit onderzoek een curriculum vitae van de voorgedragen kandidaat heeft ontvangen;

E.

overwegende dat de commissie de voorgedragen kandidaat op 20 november 2018 heeft gehoord, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.

stemt in met het voorstel van de Europese Centrale Bank om Andrea Enria te benoemen tot voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Centrale Bank, de Raad, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 320 van 30.11.2013, blz. 1.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/381


P8_TA(2018)0471

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Griekenland — EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen) (COM(2018)0667 — C8-0430/2018 — 2018/2240(BUD))

(2020/C 363/43)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0667 — C8-0430/2018),

gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (1) (EFG-verordening),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (2), en met name artikel 12 hiervan,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0377/2018),

A.

overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.

overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.

overwegende dat Griekenland aanvraag EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG naar aanleiding van 550 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 58 (Uitgeverijen), in de regio van NUTS-niveau 2 Attica (EL30) in Griekenland;

D.

overwegende dat de aanvraag is ingediend in het kader van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, dat bepaalt dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gevestigd zijn in een regio of in twee of meer dan twee aan elkaar grenzende regio's van NUTS-niveau 2 in een lidstaat, mits er meer dan 500 werknemers getroffen zijn in twee van de regio's tezamen;

1.

is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening en dat Griekenland recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 2 308 500 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 3 847 500 EUR;

2.

merkt op dat de Griekse autoriteiten de aanvraag op 22 mei 2018 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat Griekenland aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 4 oktober 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis heeft gesteld, waarmee de termijn van twaalf weken werd nageleefd;

3.

merkt op dat Griekenland betoogt dat de ontslagen verband houden met de wereldwijde financiële en economische crisis, meer in het bijzonder met de gevolgen ervan voor de Griekse economie waaronder een daling van het reële bbp per hoofd, stijgende werkloosheid, dalende lonen en lagere besteedbare gezinsinkomens in combinatie met de snelle digitale ontwikkelingen die, tezamen met de bezuinigingen op de reclame-uitgaven van grote adverteerders, de uitgeverijsector transformeren; merkt op dat de sector te maken heeft met een daling van de inkomsten uit zowel reclame als uit verkopen;

4.

herinnert eraan dat de gevallen ontslagen bij drie bedrijven die actief zijn in de Griekse uitgeverijsector naar verwachting aanzienlijke negatieve gevolgen zullen hebben voor de lokale economie, en dat het effect van de ontslagen verband houdt met de problemen om ander werk te vinden vanwege het gebrek aan werkgelegenheid, het gebrek aan beroepsopleidingen die aansluiten op de vastgestelde behoeften van de arbeidsmarkt en het grote aantal werkzoekenden;

5.

benadrukt met bezorgdheid dat de werkloosheid in de regio Attica een groot deel vormt van de werkloosheid en langdurige werkloosheid in Griekenland, waar de werkloopsheid nog steeds hoog is;

6.

herinnert eraan dat dit de tweede Griekse aanvraag is voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van gedwongen ontslagen bij Attica Uitgeverijen, na de eerdere aanvraag EGF/2014/018 in 2014 en een positief besluit daarover (4);

7.

merkt op dat de aanvraag betrekking heeft op 550 ontslagen werknemers, waarvan een groot aantal vrouw is (41,82 %); wijst er verder op dat 14,73 % van de ontslagen werknemers 55 jaar of ouder is en 1,6 % jonger dan 30 jaar is; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen om de kans te vergroten dat deze kwetsbare groepen opnieuw een baan vinden;

8.

is verheugd dat in het geplande opleidingsaanbod de lessen van de aanvraag EGF-2014-018 GR/Attica zijn meegenomen, waarvan de re-integratiepercentages volgens de lopende evaluatie goed zijn;

9.

stelt vast dat geen maatregelen zijn gepland voor jongeren die noch aan de arbeidsmarkt deelnemen, noch onderwijs of een opleiding volgen (NEET), hoewel het aantal NEET's in Griekenland nog steeds hoog is;

10.

onderstreept dat voor financiële toelagen de voorwaarde geldt dat de beoogde begunstigden actief deelnemen en onderstreept dat deze toelagen als echte stimulans kunnen dienen in de specifieke economische context van Griekenland;

11.

stelt vast dat de financiële toelagen en stimulansen, dat wil zeggen aanmoedigingspremies voor het aanwerven van werknemers en toelagen voor opleiding en het zoeken naar werk, zich dicht bij het in de EFG-verordening vastgestelde maximum van 35 % bevinden;

12.

wijst erop dat Griekenland vijf soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) loopbaanbegeleiding en hulp bij het zoeken naar werk; (ii) opleiding, omscholing en beroepsopleiding overeenkomstig de behoeften van de arbeidsmarkt; (iii) bijdrage aan het opstarten van een bedrijf; (iv) toelage voor het zoeken naar werk en opleidingstoelage; (v) aanmoedigingspremie voor het aanwerven van werknemers;

13.

onderkent dat het gecoördineerde pakket individuele dienstverlening is opgesteld in overleg met vertegenwoordigers van de vakbond van journalisten van Atheense dagbladen (ΕΣΗΕΑ), de vakbond van werknemers van Atheense dagbladen (ΕΠΗΕΑ) en het Ministerie van Arbeid;

14.

benadrukt dat de Griekse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen en dat dubbele financiering zal worden voorkomen;

15.

herinnert eraan dat in artikel 7 van de verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet passen in de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

16.

herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren, en is tevreden dat Griekenland dat heeft bevestigd;

17.

verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

18.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

19.

hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)  Besluit (EU) 2015/644 van het Europees Parlement en de Raad van 15 april 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering(aanvraag EGF/2014/018 GR/Attica broadcasting uit Griekenland) (PB L 106 van 24.4.2015, blz. 29).


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ingevolge een aanvraag van Griekenland — EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2019/275.)


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/385


P8_TA(2018)0472

Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 29 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 wat betreft de regels die van toepassing zijn op de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen (COM(2017)0571 — C8-0326/2017 — 2017/0245(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/44)

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Overweging - 1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(-1)

De totstandbrenging van een ruimte waarin het vrije verkeer van personen over binnengrenzen is gegarandeerd, is een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Unie. Het waarborgen van de normale werking en het versterken van die ruimte, die is gebaseerd op vertrouwen en solidariteit, moet een gezamenlijke doelstelling zijn van de Unie en de lidstaten die zich ertoe hebben verbonden eraan deel te nemen. Daarnaast is het noodzakelijk om, wanneer zich een situatie voordoet die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in die ruimte of in delen daarvan, gezamenlijk op te treden, door in uitzonderlijke omstandigheden en als uiterste maatregel tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen toe te staan, en de samenwerking tussen de betrokken lidstaten te versterken.

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

In een ruimte van vrij verkeer van personen moet de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen een uitzondering blijven. Binnengrenstoezicht mag alleen opnieuw worden ingevoerd als uiterste middel, voor een beperkte termijn en voor zover dat toezicht noodzakelijk is en evenredig met de vastgestelde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.

(1)

In een ruimte van vrij verkeer van personen moet de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen een uitzondering blijven. Aangezien de tijdelijke herinvoering van binnengrenstoezicht gevolgen heeft voor het vrije verkeer van personen, mag herinvoering alleen plaatsvinden als uiterste middel, voor een beperkte termijn en voor zover dat toezicht noodzakelijk is en evenredig met de vastgestelde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. Een dergelijke maatregel moet worden ingetrokken zodra de redenen die hebben geleid tot de vaststelling ervan wegvallen.

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)

Migratie en het overschrijden van buitengrenzen door een groot aantal onderdanen van derde landen moet niet per definitie worden gezien als een bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)

De vastgestelde ernstige bedreigingen kunnen met verschillende maatregelen worden aangepakt, naargelang hun aard en omvang. De lidstaten beschikken ook over politiebevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (8), die onder bepaalde voorwaarden in de grensgebieden kan worden uitgeoefend. De aanbeveling van de Commissie inzake evenredige politiecontroles en politiële samenwerking in het Schengengebied (9) biedt de lidstaten richtsnoeren op dat gebied.

(2)

De vastgestelde ernstige bedreigingen kunnen met verschillende maatregelen worden aangepakt, naargelang hun aard en omvang. Hoewel het duidelijk is dat politiebevoegdheid een ander karakter heeft en andere doelstellingen dient dan grenstoezicht, beschikken de lidstaten ook over politiebevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (8), die onder bepaalde voorwaarden in de grensgebieden kan worden uitgeoefend. De aanbeveling van de Commissie inzake evenredige politiecontroles en politiële samenwerking in het Schengengebied (9) biedt de lidstaten richtsnoeren op dat gebied.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)

De lidstaten moeten voorrang geven aan alternatieve maatregelen voordat zij overgaan tot herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen. Met name moet de betrokken lidstaat op basis van een risicobeoordeling, wanneer dit noodzakelijk en gerechtvaardigd is, overwegen om op zijn grondgebied, met inbegrip van grensgebieden en belangrijke vervoersverbindingen, doeltreffender of intensiever politiecontroles uit te voeren, en daarbij ervoor zorgen dat deze politiecontroles geen grenstoezicht tot doel hebben. Moderne technologieën kunnen helpen bij het aanpakken van bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. De lidstaten moeten beoordelen of de situatie op passende wijze kan worden aangepakt door middel van intensievere grensoverschrijdende samenwerking, zowel vanuit operationeel oogpunt als wat betreft de informatie-uitwisseling tussen de politie en inlichtingendiensten.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

De ervaring heeft echter uitgewezen dat bepaalde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, zoals grensoverschrijdende terroristische dreigingen of specifieke gevallen van secundaire bewegingen van irreguliere migranten in de Unie, die de herinvoering van grenstoezicht rechtvaardigden, ook lang na het verstrijken van bovengenoemde termijn kunnen blijven bestaan . Het is derhalve nodig en gerechtvaardigd om de voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht geldende termijnen aan de huidige behoeften aan te passen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat deze maatregel niet wordt misbruikt en een uitzondering blijft, die alleen als uiterste middel kan worden gebruikt. Daartoe moet de algemene termijn die op grond van artikel 25 van de Schengengrenscode van toepassing is, worden verlengd tot een jaar.

(4)

De ervaring heeft echter uitgewezen dat het zelden nodig is opnieuw grenstoezicht aan de binnengrenzen in te voeren voor een periode van meer dan twee maanden. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan het voorkomen dat bepaalde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid blijven bestaan na het verstrijken van de maximumtermijn van zes maanden die momenteel voor herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen is toegestaan . Het is derhalve noodzakelijk om de voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht geldende termijnen aan te passen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat deze maatregel niet wordt misbruikt en een uitzondering blijft, die alleen als uiterste middel kan worden gebruikt.

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)

Elke afwijking van het grondbeginsel van het vrije verkeer van personen moet restrictief worden opgevat en het begrip openbare orde veronderstelt dat er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)

Om te waarborgen dat het binnengrenstoezicht een uitzondering blijft, moeten de lidstaten een risicobeoordeling betreffende de voorgenomen herinvoering van grenstoezicht of de verlenging daarvan overleggen. Bij de risicobeoordeling moet in het bijzonder worden nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welke delen van de binnengrenzen worden getroffen, moet worden aangetoond dat de verlenging van het toezicht een uiterste middel is en moet worden uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging zou helpen aanpakken. Ingeval het grenstoezicht langer dan zes maanden duurt, moet in de risicobeoordeling ook retrospectief de doeltreffendheid van het opnieuw ingevoerde grenstoezicht voor de aanpak van de vastgestelde bedreiging worden aangetoond en in detail worden uitgelegd hoe met elke door dergelijke verlenging getroffen aangrenzende lidstaat werd overlegd en hoe deze lidstaten zijn betrokken bij het bepalen van de minst belastende operationele regelingen.

(5)

Om te waarborgen dat het binnengrenstoezicht alleen als uiterste middel wordt heringevoerd en een uitzondering blijft, moeten de lidstaten een risicobeoordeling betreffende de voorgenomen verlenging van het grenstoezicht voor meer dan twee maanden overleggen. Bij de risicobeoordeling moet in het bijzonder worden nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welke delen van de binnengrenzen worden getroffen, moet worden aangetoond dat de verlenging van het toezicht een uiterste middel is , met name door aan te tonen dat alternatieve maatregelen onvoldoende zijn gebleken of onvoldoende worden geacht, en moet worden uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging zou helpen aanpakken. In de risicobeoordeling moeten ook retrospectief de efficiëntie en de doeltreffendheid van het opnieuw ingevoerde grenstoezicht voor de aanpak van de vastgestelde bedreiging worden aangetoond en in detail worden uitgelegd hoe met elke door dergelijke verlenging getroffen aangrenzende lidstaat werd overlegd en hoe deze lidstaten zijn betrokken bij het bepalen van de minst belastende operationele regelingen. De lidstaten moeten de mogelijkheid houden om waar nodig alle verstrekte informatie of delen daarvan te rubriceren.

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)

Wanneer herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt voorgesteld in verband met specifieke geplande evenementen van uitzonderlijke aard en duur, zoals sportevenementen, moet de periode van herinvoering van dit toezicht zeer nauwkeurig worden omschreven, afgebakend zijn, en gekoppeld zijn aan de werkelijke duur van het evenement.

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)

De kwaliteit van de door de lidstaat overgelegde risicobeoordeling zal van groot belang zijn voor de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de voorgenomen herinvoering of verlenging van het grenstoezicht. Het Europees Grens- en kustwachtagentschap en Europol moeten bij deze beoordeling worden betrokken.

(6)

De kwaliteit van de door de lidstaat overgelegde risicobeoordeling zal van groot belang zijn voor de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de voorgenomen herinvoering of verlenging van het grenstoezicht. Het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol , het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten moeten bij deze beoordeling worden betrokken.

Amendement 11

Voorstel voor een verordening

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)

De bevoegdheid van de Commissie om overeenkomstig artikel 27, lid 4, van de Schengengrenscode advies uit te brengen, moet worden gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe verplichtingen voor de lidstaten in verband met de risicobeoordeling, inclusief de samenwerking met de betrokken lidstaten. Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen langer dan zes maanden duurt, dient de Commissie verplicht advies uit te brengen. Ook de in artikel 27, lid 5, van de Schengengrenscode bedoelde overlegprocedure moet worden gewijzigd om rekening te houden met de rol van de agentschappen (Europees Grens- en kustwachtagentschap en Europol) , met de klemtoon op de praktische uitvoering van diverse aspecten van de samenwerking tussen de lidstaten , met inbegrip van, in voorkomend geval, de coördinatie van verschillende maatregelen aan beide zijden van de grens .

(7)

De in artikel 27, lid 5, van de Schengengrenscode bedoelde overlegprocedure moet worden gewijzigd om rekening te houden met de rol van de agentschappen van de Unie , met de klemtoon op de praktische uitvoering van diverse aspecten van de samenwerking tussen de lidstaten.

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)

Om de herziene regels beter af te stemmen op de uitdagingen in verband met aanhoudende ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, moet een specifieke mogelijkheid worden geboden tot verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor meer dan één jaar . Samen met een dergelijke verlenging moeten ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke nationale maatregelen worden getroffen, zoals de afkondiging van de noodtoestand. In elk geval mag een dergelijke mogelijkheid niet leiden tot een verdere verlenging van het tijdelijke toezicht aan de binnengrenzen tot meer dan twee jaar.

(8)

Om de herziene regels beter af te stemmen op de uitdagingen in verband met aanhoudende ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, moet een specifieke mogelijkheid worden geboden tot verlenging , bij wijze van uitzondering, van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor meer dan zes maanden . Samen met een dergelijke verlenging moeten ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke nationale maatregelen worden getroffen, zoals de afkondiging van de noodtoestand. In elk geval mag een dergelijke mogelijkheid niet leiden tot een verdere verlenging van het tijdelijke toezicht aan de binnengrenzen tot meer dan één jaar.

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)

De noodzaak en evenredigheid van de herinvoering van binnengrenstoezicht dient te worden afgewogen tegen de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die tot deze herinvoering noopt; dit geldt ook voor andere maatregelen die op nationaal of Unieniveau of op beide niveaus zouden kunnen worden getroffen, en de gevolgen van dergelijk toezicht voor het vrije verkeer van personen binnen de ruimte zonder binnengrenstoezicht dienen in de afweging te worden meegewogen.

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)

De verwijzing naar artikel 29 in artikel 25, lid 4, moet worden gewijzigd met het oog op de verduidelijking van de verhouding tussen de termijnen die van toepassing zijn op grond van artikel 29 en artikel 25 van de Schengengrenscode.

Schrappen

Amendement 15

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)

De mogelijkheid om tijdelijk binnengrenstoezicht uit te oefenen als reactie op een specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die langer dan een jaar aanhoudt, moet aan een specifieke procedure worden onderworpen.

(10)

De mogelijkheid om tijdelijk binnengrenstoezicht uit te oefenen als reactie op een specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die langer dan zes maanden aanhoudt, moet aan een specifieke procedure worden onderworpen , waaraan een aanbeveling van de Raad ten grondslag moet liggen .

Amendement 16

Voorstel voor een verordening

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)

Daartoe moet de Commissie advies uitbrengen over de noodzaak en de evenredigheid van een dergelijke verlenging en, in voorkomend geval, over de samenwerking met de aangrenzende lidstaten .

(11)

Daartoe moet de Commissie advies uitbrengen over de noodzaak en de evenredigheid van een dergelijke verlenging . Het Europees Parlement moet onverwijld van de voorgestelde verlenging in kennis worden gesteld. De betrokken lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om bij de Commissie opmerkingen in te dienen, alvorens zij haar advies uitbrengt.

Amendement 17

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)

De Raad kan, rekening houdend met het advies van de Commissie, een dergelijke buitengewone verdere verlenging aanbevelen en, in voorkomend geval, de voorwaarden voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten bepalen , om ervoor te zorgen dat het om een uitzonderlijke maatregel gaat, die slechts zo lang blijft gelden als nodig en gerechtvaardigd is, en consistent is met de maatregelen die ook op het nationale grondgebied zijn getroffen om dezelfde specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid aan te pakken. De aanbeveling van de Raad moet een voorwaarde zijn voor elke verdere verlenging na de periode van een jaar en dus van dezelfde aard zijn als die waarin artikel 29 reeds voorziet.

(13)

De Raad kan, rekening houdend met het advies van de Commissie, een dergelijke buitengewone verdere verlenging aanbevelen en, in voorkomend geval, de voorwaarden voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten vaststellen , om ervoor te zorgen dat het om een uitzonderlijke maatregel gaat, die slechts zo lang blijft gelden als nodig en gerechtvaardigd is, en consistent is met de maatregelen die ook op het nationale grondgebied zijn getroffen om dezelfde specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid aan te pakken. De aanbeveling van de Raad moet een voorwaarde zijn voor elke verdere verlenging na de periode van zes maanden. De aanbeveling van de Raad moet onverwijld aan het Europees Parlement worden toegezonden .

Amendement 18

Voorstel voor een verordening

Overweging 13 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 bis)

Maatregelen die in het kader van de specifieke procedure worden genomen wanneer de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar is als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden, mogen niet worden verlengd op grond van of gecombineerd met maatregelen die worden genomen in het kader van een andere procedure voor de herinvoering of verlenging van binnengrenstoezicht uit hoofde van Verordening (EU) 2016/399.

Amendement 19

Voorstel voor een verordening

Overweging 13 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 ter)

Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, moet de Commissie, als hoedster van de Verdragen toeziend op de toepassing van het Unierecht, overeenkomstig artikel 258 passende maatregelen nemen. Een van de maatregelen die zij kan nemen is de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Amendement 20

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 25 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Indien zich in de ruimte zonder binnengrenstoezicht een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat voordoet, kan die lidstaat bij wijze van uitzondering aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen grenstoezicht herinvoeren , gedurende een beperkte periode van ten hoogste dertig dagen, dan wel voor de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging, indien deze langer is dan dertig dagen, maar niet langer dan zes maanden . De omvang en de duur van het tijdelijk heringevoerde grenstoezicht aan de binnengrenzen blijven beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om op de ernstige bedreiging te kunnen reageren.

1.   Indien zich in de ruimte zonder binnengrenstoezicht een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat voordoet, kan die lidstaat bij wijze van uitzondering aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen grenstoezicht herinvoeren als uiterste middel . De omvang en de duur van het tijdelijk heringevoerde grenstoezicht aan de binnengrenzen blijven beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om op de ernstige bedreiging te kunnen reageren.

Amendement 21

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 25 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.     Het grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt slechts als uiterste middel en in overeenstemming met de artikelen 27, 27 bis, 28 en 29 heringevoerd. Wanneer wordt overwogen het grenstoezicht aan de binnengrenzen krachtens respectievelijk artikel 27, 27 bis, 28 of 29 opnieuw in te voeren, wordt in elk geval rekening gehouden met de in artikel 26, respectievelijk artikel 30 bedoelde criteria.

Schrappen

Amendementen 22 en 52

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 25 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.     Indien de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in de betrokken lidstaat langer duurt dan de in lid 1 bedoelde periode, kan die lidstaat, rekening houdend met de in artikel 26 vermelde criteria en overeenkomstig artikel 27, het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen op de in lid 1 genoemde gronden, en rekening houdend met nieuwe elementen, verlengen met hernieuwbare perioden die overeenstemmen met de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging en niet langer zijn dan zes maanden.

Schrappen

Amendement 23

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 25 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.     De totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wordt ingevoerd, duurt met inbegrip van de verlengingen overeenkomstig lid 3 niet langer dan een jaar.

Schrappen

In de in artikel 27 bis bedoelde uitzonderlijke gevallen kan die totale periode overeenkomstig dat artikel verder worden verlengd met maximaal twee jaar.

 

In de in artikel 29 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden kan de totale periode overeenkomstig lid 1 van dat artikel worden verlengd met maximaal twee jaar."

 

Amendement 24

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 1 bis (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 26

Bestaande tekst

Amendement

 

(1 bis)

Artikel 26 wordt vervangen door:

Artikel 26

“Artikel 26

Criteria voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen

Criteria voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen

Indien een lidstaat besluit tot tijdelijke herinvoering, als uiterste middel, van het grenstoezicht aan een of meer binnengrenzen of delen daarvan, of tot verlenging van dergelijke herinvoering, overeenkomstig artikel 25 of artikel 28, lid 1, beoordeelt de lidstaat in hoeverre een dergelijke maatregel de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kan verhelpen , en of de maatregel tot die bedreiging in verhouding staat. Bij een dergelijke beoordeling houdt de lidstaat in het bijzonder rekening met het volgende :

Voordat een lidstaat besluit tot tijdelijke herinvoering, als uiterste middel, van het grenstoezicht aan een of meer binnengrenzen of delen daarvan, of tot verlenging van een dergelijke tijdelijke herinvoering , beoordeelt de lidstaat:

 

a)

of de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kan verhelpen;

 

b)

of andere maatregelen dan de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen, zoals nauwere grensoverschrijdende politiële samenwerking of intensievere politiecontroles, de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kunnen verhelpen;

 

c)

of de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen tot die bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in verhouding staat, in het bijzonder rekening houdend met:

a)

de verwachte gevolgen van de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, met name in geval van terroristische incidenten of bedreigingen, waaronder die welke uitgaan van georganiseerde criminaliteit;

 

i)

de verwachte gevolgen van de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, met name in geval van terroristische incidenten of bedreigingen, waaronder die welke uitgaan van georganiseerde criminaliteit; en

b)

de verwachte gevolgen van de maatregel op het vrije verkeer van personen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht.

 

ii)

de verwachte gevolgen van de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen op het vrije verkeer van personen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht.

 

Wanneer een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder a), van oordeel is dat de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid niet voldoende kan verhelpen, gaat hij niet over tot herinvoering van binnengrenstoezicht.

 

Wanneer een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder b), van oordeel is dat andere maatregelen dan de tijdelijke herinvoering van binnengrenstoezicht de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kunnen verhelpen, gaat hij niet over tot herinvoering of verlenging van binnengrenstoezicht en neemt hij die andere maatregelen.

 

Wanneer een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder c), van oordeel is dat de voorgenomen herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen niet in verhouding staat tot de bedreiging, gaat hij niet over tot herinvoering of verlenging van binnengrenstoezicht.

Amendement 25

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt -i (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — titel

Bestaande tekst

Amendement

 

-i)

de titel wordt vervangen door:

Procedure voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen op grond van artikel 25

“Procedure voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in geval van een voorzienbare ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid

Amendement 26

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt -i bis (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid - 1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-i bis)

in artikel 27 wordt vóór lid 1 het volgende lid ingevoegd:

-1.     Indien zich in de ruimte zonder binnengrenstoezicht een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat voordoet, kan die lidstaat bij wijze van uiterste middel en overeenkomstig de criteria van artikel 26 aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen grenstoezicht herinvoeren, gedurende een beperkte periode van ten hoogste dertig dagen dan wel, indien de ernstige bedreiging de termijn van dertig dagen overschrijdt, voor de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging, maar in geen geval voor een langere periode dan twee maanden.

Amendement 27

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt -i ter (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 — inleidende formule

Bestaande tekst

Amendement

 

-i ter)

in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:

1.    Een lidstaat die overweegt op grond van artikel 25 het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw in te voeren, stelt uiterlijk vier weken vóór de geplande herinvoering, of eerder, indien de tot herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen nopende omstandigheden minder dan vier weken vóór de geplande herinvoering bekend worden, de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis. Daartoe verstrekt hij de volgende informatie:

“1.    Voor de toepassing van lid - 1 stelt de betrokken lidstaat uiterlijk vier weken vóór de geplande herinvoering, of eerder, indien de tot herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen nopende omstandigheden minder dan vier weken vóór de geplande herinvoering bekend worden, de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis. Daartoe verstrekt hij de volgende informatie:”

Amendementen 28 en 57

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt i

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 — letter a bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(i)

aan lid 1 wordt een nieuwe letter a bis) toegevoegd, die als volgt luidt:

Schrappen

 

“a bis)

een risicobeoordeling waarin wordt nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welke delen van de binnengrenzen worden getroffen, wordt aangetoond dat de verlenging van het toezicht een uiterste middel is en wordt uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging zou helpen aanpakken. Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen reeds voor meer dan zes maanden is heringevoerd, wordt in de risicobeoordeling ook uitgelegd hoe de vorige herinvoering van grenstoezicht heeft bijgedragen tot het verhelpen van de vastgestelde bedreiging.

De risicobeoordeling bevat ook een gedetailleerd verslag van de coördinatie tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat of lidstaten waarmee hij binnengrenzen deelt waaraan grenstoezicht is uitgeoefend. De Commissie deelt de risicobeoordeling met het Europees Grens- en kustwachtagentschap en Europol, naargelang het geval.”

 

Amendement 29

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt i bis (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 — letter a ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

i bis)

In lid 1 wordt het volgende punt a ter) ingevoegd:

“a ter)

elke andere maatregel dan de voorgestelde herinvoering van grenstoezicht die door de lidstaat is genomen of wordt overwogen om de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid het hoofd te bieden, alsmede de onderbouwde redenen waarom alternatieve maatregelen zoals nauwere grensoverschrijdende politiële samenwerking of intensievere politiecontroles ontoereikend werden geacht;”

Amendement 30

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt ii

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 — letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

e)

in voorkomend geval, de maatregelen die de andere lidstaten zouden moeten treffen, zoals overeengekomen vóór de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen.

e)

in voorkomend geval, de maatregelen die de andere lidstaten zouden moeten treffen, zoals overeengekomen vóór de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de desbetreffende binnengrenzen.

Amendement 31

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iii

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 — laatste zin

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indien nodig kan de Commissie de betrokken lidstaat of lidstaten om aanvullende informatie verzoeken, onder meer over de samenwerking met de lidstaten die door de voorgenomen verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen worden getroffen, alsook om aanvullende informatie die nodig is om na te gaan of de maatregel een uiterste middel is.

Indien nodig kan de Commissie de betrokken lidstaat of lidstaten om aanvullende informatie verzoeken, onder meer over de samenwerking met de lidstaten die door de voorgenomen herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen worden getroffen, alsook om aanvullende informatie die nodig is om na te gaan of de maatregel een uiterste middel is.

Amendement 32

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iii bis (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

iii bis)

het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:

“1 bis.     Indien de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in de betrokken lidstaat langer duurt dan twee maanden, kan die lidstaat, rekening houdend met de in artikel 26 vermelde criteria, het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen op de in lid - 1 genoemde gronden, en rekening houdend met nieuwe elementen, verlengen met een periode die overeenstemt met de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging en in geen geval langer is dan vier maanden. De betrokken lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie binnen de in lid 1 genoemde termijn in kennis.”

Amendement 33

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iii ter (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

iii ter)

het volgende lid 1 ter wordt ingevoegd:

“1 ter.     Voor de toepassing van lid 1 bis verstrekt de betrokken lidstaat, naast de uit hoofde van lid 1 verstrekte informatie, een risicobeoordeling waarin:

i)

wordt nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welk deel van zijn binnengrenzen is getroffen;

ii)

de alternatieve acties en maatregelen worden geschetst die eerder zijn getroffen om de vastgestelde bedreiging aan te pakken;

iii)

wordt uitgelegd waarom de onder ii) bedoelde alternatieve acties of maatregelen de bedreiging onvoldoende hebben verholpen;

iv)

wordt aangetoond dat de verlenging van het grenstoezicht een uiterste middel is; en

v)

wordt uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging beter zou helpen aanpakken.

De in de eerste alinea bedoelde risicobeoordeling bevat ook een gedetailleerd verslag van de samenwerking tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat of lidstaten die rechtstreeks door de herinvoering van het grenstoezicht worden geraakt, met inbegrip van de lidstaten waarmee de betrokken lidstaat binnengrenzen deelt waaraan grenstoezicht wordt uitgeoefend.

De Commissie deelt de risicobeoordeling met het agentschap en Europol en kan hen in voorkomend geval verzoeken zich daarover uit te spreken.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 37 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de methode voor de risicobeoordeling vast te stellen.”

Amendement 34

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iii quater (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

 

iii quater)

lid 2 wordt vervangen door:

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad op hetzelfde moment als waarop zij overeenkomstig dat lid ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie wordt gebracht.

2.   De in de leden  1 en 1 ter bedoelde informatie wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad op hetzelfde moment als waarop zij overeenkomstig die leden ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie wordt gebracht.

Amendement 35

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iii quinquies (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 3

Bestaande tekst

Amendement

 

iii quinquies)

lid 3 wordt vervangen door:

3.   Lidstaten die overeenkomstig lid 1 een kennisgeving doen, kunnen, indien nodig en in overeenstemming met het nationale recht, besluiten de informatie gedeeltelijk te rubriceren. Die rubricering van informatie verhindert niet dat de Commissie informatie ter beschikking van het Europees Parlement stelt . De toezending en behandeling van informatie en documenten die uit hoofde van dit artikel aan het Europees Parlement zijn toegezonden, voldoen aan de regels voor het doorsturen en behandelen van gerubriceerde gegevens die tussen het Europees Parlement en de Commissie van toepassing zijn.

“3.   Lidstaten die kennisgeving doen, kunnen, indien nodig en in overeenstemming met het nationale recht, alle in de leden 1 en 1 ter bedoelde informatie of delen daarvan rubriceren. Die rubricering verhindert niet dat andere lidstaten die door de tijdelijke herinvoering van de grenscontroles aan de binnengrenzen worden geraakt, via passende en veilige kanalen voor politiële samenwerking toegang hebben tot informatie , en verhindert niet dat de Commissie informatie ter beschikking stelt aan het Europees Parlement. De toezending en behandeling van informatie en documenten die uit hoofde van dit artikel aan het Europees Parlement zijn toegezonden, voldoen aan de regels voor het doorsturen en behandelen van gerubriceerde gegevens die tussen het Europees Parlement en de Commissie van toepassing zijn.”

Amendement 36

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iv

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 4 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Na de kennisgeving door de betrokken lidstaat op grond van lid 1 en met het oog op het in lid 5 bedoelde overleg, kan de Commissie of een andere lidstaat, onverminderd artikel 72 VWEU, advies uitbrengen.

Na de kennisgeving door de betrokken lidstaat op grond van de leden  1 en 1 bis en met het oog op het in lid 5 bedoelde overleg, kan de Commissie of een andere lidstaat, onverminderd artikel 72 VWEU, advies uitbrengen.

Amendement 37

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iv

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 4 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indien de Commissie betwijfelt of de geplande herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen noodzakelijk dan wel evenredig is, of indien zij overleg over bepaalde aspecten van de kennisgeving wenselijk acht, brengt zij een advies in die zin uit.

Indien de Commissie op basis van de informatie in de kennisgeving of van aanvullende informatie die zij heeft ontvangen, betwijfelt of de geplande herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen noodzakelijk dan wel evenredig is, of indien zij overleg over een bepaald aspect van de kennisgeving wenselijk acht, brengt zij onverwijld een advies in die zin uit.

Amendement 38

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt iv

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 4 — alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen reeds voor zes maanden is heringevoerd, brengt de Commissie advies uit."

Schrappen

Amendement 39

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 2 — punt v

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 — lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Over de in lid 1 bedoelde informatie en over een advies van de Commissie of een lidstaat op grond van lid 4 wordt overleg gepleegd onder leiding van de Commissie. Waar nodig vindt het overleg onder meer plaats tijdens gezamenlijke vergaderingen tussen de lidstaat die het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wil invoeren, de andere lidstaten, in het bijzonder de lidstaten die rechtstreeks door dergelijke maatregelen worden geraakt, en de betrokken agentschappen. De evenredigheid van de voorgenomen maatregelen, de vastgestelde bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, alsook de manieren waarop de uitvoering van de onderlinge samenwerking tussen de lidstaten wordt gewaarborgd, worden onderzocht . De lidstaat die grenstoezicht aan de binnengrenzen wil herinvoeren of verlengen, houdt bij het uitvoeren van het grenstoezicht zoveel mogelijk rekening met de resultaten van dat overleg.

De in de leden 1 en 1 ter bedoelde informatie en de adviezen van de Commissie of lidstaten als bedoeld in lid 4 zijn het onderwerp van een raadpleging . Deze raadpleging omvat:

 

i)

gezamenlijke vergaderingen tussen de lidstaat die het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wil invoeren, de andere lidstaten, in het bijzonder de lidstaten die rechtstreeks door dergelijke maatregelen worden geraakt, en de Commissie, welke worden gehouden teneinde tussen de lidstaten, indien nodig, wederzijdse samenwerking te organiseren, na te gaan of de maatregelen in verhouding staan tot de gebeurtenissen die aanleiding geven tot de herinvoering van het grenstoezicht, eventuele alternatieve maatregelen te beoordelen en de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid te onderzoeken;

 

ii)

waar nodig, onaangekondigde controles ter plaatse door de Commissie aan de desbetreffende binnengrenzen, zo nodig met steun van deskundigen uit de lidstaten en van het Agentschap, Europol of andere bevoegde organen en instanties van de Unie, om na te gaan in hoeverre het grenstoezicht aan die binnengrenzen doeltreffend is en om de naleving van deze verordening te beoordelen; de verslagen van dergelijke onaangekondigde controles ter plaatse worden aan het Europees Parlement toegezonden.

Amendement 40

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 bis — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Specifieke procedure ingeval de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid langer dan een jaar aanhoudt

Specifieke procedure ingeval de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid langer dan zes maanden aanhoudt

Amendement 41

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 bis — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   In uitzonderlijke gevallen , wanneer de lidstaat ook na de in artikel 25 , lid 4, eerste zin , bedoelde periode met dezelfde ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid wordt geconfronteerd, en wanneer ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke maatregelen zijn genomen om die bedreiging aan te pakken, kan het grenstoezicht, dat tijdelijk opnieuw is ingevoerd om op die bedreiging te reageren, overeenkomstig dit artikel verder worden verlengd.

1.   In uitzonderlijke omstandigheden , wanneer de lidstaat ook na de in artikel  27 , lid  1 bis , bedoelde periode met dezelfde ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid wordt geconfronteerd, en wanneer ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke maatregelen zijn genomen om die bedreiging aan te pakken, kan het grenstoezicht, dat tijdelijk opnieuw is ingevoerd om op die bedreiging te reageren, overeenkomstig dit artikel verder worden verlengd.

Amendement 42

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 bis — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Uiterlijk zes weken vóór het verstrijken van de in artikel  25 , lid  4, eerste zin , bedoelde periode stelt de lidstaat de overige lidstaten en de Commissie in kennis van zijn voornemen het toezicht verder te verlengen volgens de in dit artikel vastgestelde specifieke procedure. De kennisgeving bevat de krachtens artikel 27, lid  1 , onder a) tot en met e) , vereiste informatie. Artikel 27, leden 2 en 3, is van toepassing.

2.   Uiterlijk drie weken vóór het verstrijken van de in artikel  27 , lid  1 bis , bedoelde periode stelt de lidstaat de overige lidstaten en de Commissie in kennis van zijn voornemen het toezicht verder te verlengen volgens de in dit artikel vastgestelde specifieke procedure. Deze kennisgeving bevat alle krachtens artikel 27, leden  1 en 1 ter , vereiste informatie. Artikel 27, leden 2 en 3, is van toepassing.

Amendement 43

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 bis — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De Commissie brengt advies uit.

3.   De Commissie brengt advies uit over de vraag of de voorgenomen verlenging aan de in de leden 1 en 2 bepaalde vereisten voldoet en of ze noodzakelijk en evenredig is. De betrokken lidstaten kunnen bij de Commissie opmerkingen indienen, alvorens zij haar advies uitbrengt.

Amendement 44

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 27 bis — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.    De Raad kan, rekening houdend met het advies van de Commissie, aanbevelen dat de lidstaat besluit tot een verdere verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor een periode van maximaal zes maanden. Die periode mag ten hoogste driemaal met een bijkomende periode van ten hoogste zes maanden worden verlengd . De Raad vermeldt in de aanbeveling ten minste de in artikel 27, lid 1 , onder a) tot en met e) , bedoelde informatie . In voorkomend geval bepaalt hij de voorwaarden voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten.

4.    Nadat hij rekening heeft gehouden met het advies van de Commissie, kan de Raad als uiterste middel aanbevelen dat de betrokken lidstaat het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen verder verlengt voor een periode van maximaal zes maanden. De Raad vermeldt in de aanbeveling de in artikel 27, leden  1 en 1 ter , bedoelde informatie en stelt de voorwaarden vast voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten.

Amendementen 45 en 66

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3 bis (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 28 — lid 4

Bestaande tekst

Amendement

 

(3 bis)

Artikel 28, lid 4, wordt vervangen door:

4.    Onverminderd artikel 25, lid 4, duurt de totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen is heringevoerd, uitgaande van de eerste termijn overeenkomstig lid 1 van dit artikel en van verlengingen overeenkomstig lid 3 van dit artikel, niet langer dan twee maanden.

“4.   De totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen is heringevoerd , duurt , uitgaande van de eerste termijn overeenkomstig lid 1 van dit artikel en van verlengingen overeenkomstig lid 3 van dit artikel, niet langer dan twee maanden.”

Amendement 46

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3 ter (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 28 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 ter)

een nieuw artikel 28 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 28 bis

Berekening van de periode gedurende welke het grenstoezicht wordt heringevoerd of verlengd wegens een voorzienbare bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, ingeval de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid langer dan zes maanden aanhoudt, en in gevallen die onmiddellijk optreden vereisen

Bij de berekening van de in de artikelen 27, 27 bis en 28 bedoelde periodes wordt rekening gehouden met elke herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen die heeft plaatsgevonden vóór … [datum van inwerkingtreding van deze verordening].”

Amendement 67

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3 quater (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 29 — lid 1 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 quater)

Aan artikel 29, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De in artikel 30 bedoelde criteria worden in aanmerking genomen in alle gevallen waarin een besluit wordt overwogen om het grenstoezicht aan de binnengrenzen tijdelijk opnieuw in te voeren of te verlengen uit hoofde van dit artikel.”

Amendement 47

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 — punt 3 quinquies (nieuw)

Verordening (EU) 2016/399

Artikel 29 — lid 5

Bestaande tekst

Amendement

 

(3 quinquies)

in artikel 29 wordt lid 5 vervangen door:

5.   Dit artikel geldt onverminderd de maatregelen die de lidstaten op grond van de artikelen 25, 27 en 28 kunnen vaststellen in geval van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.

“5.   Dit artikel geldt onverminderd de maatregelen die de lidstaten op grond van de artikelen 27 , 27 bis en 28 kunnen vaststellen in geval van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. De totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen krachtens dit artikel opnieuw wordt ingevoerd of verlengd, mag echter niet worden verlengd door middel van of gecombineerd met maatregelen die uit hoofde van de artikelen 27, 27 bis of 28 getroffen zijn.

Amendement 69

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 1 bis

Deze verordening is van toepassing op kennisgevingen die overeenkomstig artikel 27 van de Schengengrenscode met ingang van … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] door de lidstaten worden gedaan.

Bij de berekening van de in de artikel 28, lid 4, bedoelde periode wordt rekening gehouden met elke nog lopende periode van kennisgeving inzake herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen die afloopt vóór … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening].


(1)  De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0356/2018).

(8)  PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.

(9)  C(2017)3349 van 12.5.2017.

(8)  PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.

(9)  C(2017)3349 van 12.5.2017.


28.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 363/410


P8_TA(2018)0473

Gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (COM(2016)0818 — C8-0531/2016 — 2016/0411(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2020/C 363/45)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0818),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0531/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 juli 2017 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 oktober 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0150/2018),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 345 van 13.10.2017, blz. 126.


P8_TC1-COD(2016)0411

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2.)