ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 232

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

63e jaargang
14 juli 2020


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

551e plenaire zitting van het EESC (zitting op afstand), 5.5.2020-7.5.2020

2020/C 232/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over demografische uitdagingen in de EU in het licht van de ongelijkheid op economisch en ontwikkelingsvlak (Verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap)

1

2020/C 232/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over duurzame financiering van levenslang leren en ontwikkeling van vaardigheden, in de context van een tekort aan geschoolde arbeidskrachten (verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap)

8


 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

551e plenaire zitting van het EESC (zitting op afstand), 5.5.2020-7.5.2020

2020/C 232/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2020) 70 final)

18

2020/C 232/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor de steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in 2021, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 229/2013 en (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling ervan voor 2021, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing ervan in 2021 (COM(2019) 581 — 2019/0254 (COD))

29

2020/C 232/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EU) 2017/2107 en (EU) 2019/833 en tot intrekking van Verordening (EU) 2016/1627 (COM(2019) 619 — 2019/0272 (COD))

36


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

551e plenaire zitting van het EESC (zitting op afstand), 5.5.2020-7.5.2020

14.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over demografische uitdagingen in de EU in het licht van de ongelijkheid op economisch en ontwikkelingsvlak

(Verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap)

(2020/C 232/01)

Rapporteur:

Stéphane BUFFETAUT

Corapporteur:

Adam ROGALEWSKI

Verzoek van het Kroatische voorzitterschap van de Raad

Brief d.d. 10.9.2019

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

3.3.2020

Goedkeuring door de voltallige vergadering

7.5.2020

Zitting nr.

551 — Zitting op afstand

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

249/0/12

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Dit advies werd opgesteld vóór de uitbraak van de COVID-19-pandemie. Het EESC is zich er echter van bewust dat de COVID-19-crisis een zware weerslag zal hebben op toekomstige EU-maatregelen om de demografische problemen en de groeiende ongelijkheid tussen de lidstaten aan te pakken. Het verzoekt de EU daarom met klem om de nodige maatregelen uit te werken — en daarvoor ruim voldoende middelen ter beschikking te stellen — om de burgers te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de pandemie, met name de te verwachten economische crisis, en zo de sociale impact ervan binnen de perken te houden. Er moet zo snel mogelijk werk worden gemaakt van dergelijke beleidsmaatregelen, in overleg met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

1.2.

Om de huidige demografische problemen van de EU aan te pakken, is een brede benadering vereist, dat wil zeggen een combinatie van sociaal en economisch beleid, een actief arbeidsmarkt- en cohesiebeleid, gezinsbeleid, met name de mogelijkheid om werk, privé en gezinsleven beter op elkaar af te stemmen, speciale maatregelen voor oudere werknemers, beleid inzake actief en gezond ouder worden, een duurzaam en op integratie gericht immigratiebeleid en beleidsmaatregelen ter voorkoming van kennisvlucht.

1.3.

Aangezien een nieuwe babyboom weinig waarschijnlijk lijkt, is een stijging van de arbeidsmarktparticipatie cruciaal willen we de gevolgen van de demografische situatie in Europa het hoofd kunnen bieden. Te veel lidstaten kampen met een te hoog werkloosheids- en inactiviteitspercentage, terwijl ook te veel mensen onder hun niveau werken. Dat geldt met name voor jongeren: in alle lidstaten ligt de jeugdwerkloosheid tweemaal zo hoog als de gemiddelde werkloosheid. Bestrijding van de werkloosheid moet dan ook bovenaan de EU-agenda komen te staan.

1.4.

Voorts is een dynamische demografische ontwikkeling ondenkbaar zonder vertrouwen in de toekomst; de EU kan met andere woorden niet zonder een sterke economie en een sterk sociaal beleid. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, zullen de Europese vrouwen en mannen, en met name jongeren, hun vertrouwen in de toekomst verliezen, en de daaruit voortvloeiende sociale en economische onzekerheid zal hen ervan weerhouden om kinderen te krijgen. De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten speelt daarom een uiterst belangrijke rol bij de verbetering van de demografische situatie van de EU. Het EESC is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om aan de hand van een brede raadpleging een actieplan voor de uitvoering van de pijler uit te werken.

1.5.

Het mag niet zo zijn dat kinderen een loopbaan in de weg staan of tot koopkrachtverlies of verarming leiden; dit laatste is vooral een risico voor grote gezinnen. Een stabiel en proactief gezinsbeleid en een menselijk arbeidsmarktbeleid zijn broodnodig, met inbegrip van maatregelen ter bevordering van het evenwicht tussen privé en gezinsleven en werk (ouderschapsverlof, kinderopvang en andere zorgtaken, thuiswerk, flexibel werk) en financiële en educatieve ondersteuning. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan eenoudergezinnen en grote gezinnen, die sneller in armoede dreigen te vervallen. Het is al lang en breed bewezen dat een stabiel en divers gezinsbeleid dat is afgestemd op de culturele omgeving, een positieve invloed heeft op het vruchtbaarheidscijfer.

1.6.

Heel wat jongeren, en dan vooral in grootstedelijke gebieden en grote steden, krijgen te maken met onzekere arbeidsomstandigheden en een gebrek aan stabiele arbeidsmarktperspectieven. Ook is het voor hen lastig om een woning te huren of fatsoenlijke huisvesting te vinden. Het is voor deze jongeren dan ook geen sinecure om hun toekomst te plannen, op eigen benen te staan en een gezin te stichten. Hieraan moet zowel in EU- als in nationaal beleid meer aandacht worden besteed.

1.7.

Interne mobiliteit is een fundamentele vrijheid van de EU die het Europese concurrentievermogen versterkt en de burgers kansen biedt. Wat de mobiliteit binnen de EU en de kennisvlucht en het wegtrekken van arbeidskrachten door interne migratie betreft, ligt de beste oplossing in opwaartse sociale en economische convergentie in de lidstaten, maar dit vergt tijd. Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds moeten met name de EU-lidstaten waar de economische prestaties onder de maat blijven, helpen bij de uitwerking van projecten om hun sociale en economische ontwikkeling te verbeteren, wat een onontbeerlijke voorwaarde is willen ze aantrekkelijk zijn of blijven voor hun eigen bevolking. Met het oog op wederzijdse verrijking kan worden overwogen migranten aan te moedigen terug te keren naar hun land van herkomst.

1.8.

Het economische en sociale klimaat is mede doorslaggevend voor de vraag of een land aantrekkelijk is. Investeringen in efficiënte openbare diensten en gezinsgerichte investeringen bepalen de toekomstige ontwikkelingen en moeten dan ook prioriteit krijgen. Een stijging van de overheidsinvesteringen in de lidstaten kan worden gestimuleerd via een “gulden regel” voor sociaal georiënteerde overheidsinvesteringen, zodat het mogelijk wordt flexibel om te springen met de begrotingsregels.

1.9.

Immigratie is misschien geen panacee, maar kan Europa wel helpen de demografische problemen het hoofd te bieden. Immigratie kan op de korte termijn een positieve invloed hebben op de bevolkingsgroei en de toename van de beroepsbevolking, op voorwaarde dat ook een rechtvaardig en houdbaar integratiebeleid wordt gevoerd om nieuwkomers te helpen zich te vestigen en hun integratie zo vlot mogelijk te doen verlopen.

2.   De huidige stand van zaken

2.1.

De bevolkingsomvang hangt samen met het vruchtbaarheids- en sterftecijfer en migratie. Hoewel de situatie per land verschilt, vertonen de vruchtbaarheids- en sterftecijfers overal in de EU een dalende lijn. Ondanks lichte verschillen tussen landen blijft het vruchtbaarheidscijfer in de lidstaten doorgaans ver onder het vervangingsniveau. Zelfs in het licht van de wereldwijde trend van dalende sterfte- en vruchtbaarheidscijfers (demografische transitie) is Europa in dit opzicht een buitenbeentje.

2.2.

Van 1950 tot 1989 nam het aantal inwoners van Europa jaarlijks met meer dan 2 miljoen toe. Sinds 1990 blijft de jaarlijkse groei onder de 1,5 miljoen. Tegelijk lag de gemiddelde bevolkingsgroei in de rest van de wereld duidelijk hoger dan in Europa. Zo leefde in 1950 21,7 % van de wereldbevolking nog in Europa, terwijl dat in 2017 minder dan 10 % was. Het demografische gewicht van Europa is nooit lager geweest (1).

2.3.

Wat het geboortecijfer betreft, tussen 1952 en 1961 werden er elk jaar meer dan 12 miljoen kinderen geboren in Europa. Dit cijfer viel terug tot 7,3 miljoen in 2000. Migratie heeft relatief jonge mensen naar Europa gebracht, waardoor het geboortecijfer in een minderheid van de EU-landen is gestegen. Het aantal geboorten schommelt momenteel tussen 7 en 8 miljoen per jaar.

2.4.

Dit aantal moet worden afgezet tegen het sterftecijfer. Het sterftecijfer gaat beide kanten uit: omhoog omdat mensen nu al weer vele generaties lang een hoge leeftijd bereiken, en omlaag dankzij een betere hygiëne en gezondheidszorg en een gezondere levensstijl, waardoor de levensverwachting in Europa wordt verlengd (78 jaar voor mannen, 83 jaar voor vrouwen in de EU-28). Sinds 1992 telt Europa gemiddeld 8 tot 8,5 miljoen sterfgevallen per jaar.

2.5.

Sinds 1994 neemt de Europese bevolking elk jaar af: er is nu sprake van een negatief natuurlijk evenwicht, doordat het aantal sterfgevallen hoger ligt dan het aantal geboorten. Deze ontvolking treft Duitsland, Bulgarije, Kroatië, Spanje, Estland, Finland, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Litouwen, Portugal, Roemenië en Slovenië.

2.6.

De migratie ten spijt — migranten zijn jonger zijn dan de autochtone bevolking — heeft Europa in de 21e eeuw te maken met een vergrijzende bevolking. Het aandeel 65-plussers in de totale bevolking is gestegen van 12,5 % in 1989 tot 18,8 % in 2019. Het Comité heeft eerder al beklemtoond dat de arbeidsparticipatie van de bevolking in de werkende leeftijd zwaarder weegt dan de afhankelijkheidsratio van ouderen, d.w.z. de verhouding tussen het aantal mensen in de werkende leeftijd en het aantal 65-plussers. Het is dan ook zaak het arbeidspotentieel van werklozen en mensen die onder hun niveau werken, te benutten. De hogere levensverwachting gaat gepaard met demografische uitdagingen. Om een en ander in goede banen te leiden, is het van cruciaal belang dat de arbeidsmarktintegratie van immigranten verbetert en dat werklozen en mensen in een precaire arbeidssituatie toegang krijgen tot opleiding.

2.7.

In sommige lidstaten is de intra-Europese mobiliteit een groot probleem: mensen trekken naar lidstaten met een hogere levensstandaard, wat de problemen in verband met de vergrijzing in de landen van herkomst nog verergert, aangezien het vooral jongeren zijn die wegtrekken. Naast het verdwijnen van de beroepsbevolking — waarbij het gaat om alle vaardigheidsniveaus — is er ook nog eens sprake van kennisvlucht, wat zorgwekkend is voor de betrokken landen; zij hebben namelijk geïnvesteerd in onderwijs- en opleidingsstelsels waarvan vervolgens wordt geprofiteerd door andere landen die betere sociale en arbeidsomstandigheden kunnen bieden. In 2018 was 36 % van de mobiele werknemers in de EU hoog opgeleid, had 40 % een gemiddeld opleidingsniveau en was 23 % laag opgeleid. Toch had slechts 20 % een hooggekwalificeerde baan, terwijl 60 % werkzaam was in een baan waarvoor gemiddelde kwalificaties vereist zijn, en 20 % een laaggekwalificeerde baan had (2).

2.8.

Het feit dat werknemers naar lidstaten trekken die het economisch beter doen, werkt bovendien de vergrijzing en de bevolkingsafname in de oostelijke lidstaten in de hand. Als deze trend zich in hetzelfde tempo doorzet, zal Oost-Europa meer 65-plussers gaan tellen dan de West-Europese landen (3).

2.9.

De trek van werknemers uit Oost-Europese landen naar rijkere lidstaten hangt met name samen met het verschil in lonen, sociale bescherming en sociale normen, die veel lager liggen dan in de oude lidstaten. Hoewel de loonkloof tussen Oost- en West-Europa tot de crisis geleidelijk aan minder diep werd, kwam deze opwaartse convergentie van de Oost-Europese lonen in de nasleep van de crisis tot stilstand (4). In sommige oostelijke lidstaten hebben de hoge emigratiecijfers tot een tekort aan arbeidskrachten geleid.

2.10.

Daarnaast hebben ook de economische crisis (5) en de gevolgen daarvan de migratie van Zuid- naar West-Europa doen toenemen. In dit geval zijn het de weinig rooskleurige vooruitzichten op de arbeidsmarkt en de hoge werkloosheid die meer werknemers ongeacht hun kwalificaties ertoe hebben aangezet Zuid-Europa in te ruilen voor West-Europa.

2.11.

Ook factoren die niet strikt economisch zijn, zoals de wettelijke, culturele en sociale situatie, kunnen migratie in de hand werken. Zo kan het gebeuren dat mensen vertrekken naar meer ontwikkelde welvaartsstaten die een betere sociale bescherming en gezondheidszorg bieden. Ook krijgen sommige mensen te maken met discriminatie op grond van godsdienst, etnische afkomst of seksuele geaardheid, wat hen ertoe aanzet te emigreren naar een lidstaat waar de samenleving en het rechtssysteem toleranter zijn en meer bescherming bieden. Het is over het algemeen moeilijk om de omvang van deze vormen van mobiliteit en de impact ervan op de demografische ontwikkelingen te meten.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC pleit voor een overkoepelende benadering van de demografische problemen waarbij niet alleen wordt gekeken naar het vruchtbaarheidscijfer zelf, maar ook naar het evenwicht tussen werk en privéleven, de werkgelegenheid, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de bestendigheid van het gezinsbeleid, het regionaal en het cohesiebeleid, en de kwaliteit van de openbare infrastructuur en diensten.

3.2.

Demografie gaat niet alleen over cijfers en statistieken, maar over kinderen, moeders en vaders, over mensen die hun leven plannen, hoe hun gezin er ook uitziet. De Europese samenlevingen moeten steun en bescherming bieden aan de meest kwetsbare groepen, in dit geval kinderen, wier rechten en belangen voorrang moeten krijgen.

3.3.

Het EESC heeft al een aantal adviezen over demografie uitgebracht. In sommige daarvan wijst het erop dat de demografische situatie in lidstaten met een sterk en divers gezinsbeleid, dat de verschillende culturen weerspiegelt, beter is dan die in landen zonder of met een krachteloos gezinsbeleid (6). In andere adviezen onderstreept het Comité dan weer dat een solide arbeidsmarktbeleid, dat gebaseerd is op een hoge arbeidsmarktparticipatie en hoogwaardige werkgelegenheid, een efficiënte manier is om de demografische problemen aan te pakken (7).

3.4.

Er bestaat op dit moment al beleid dat kan worden ingezet om de demografische uitdagingen aan te gaan, met name in het licht van de ongelijkheid op economisch en ontwikkelingsvlak. Zo is de Europese pijler van sociale rechten een belangrijk instrument om opwaartse sociale en economische convergentie in de EU te bewerkstelligen, wat meteen ook de sleutel is tot een aantal demografische problemen.

3.5.

Om een positieve demografische ontwikkeling in de EU in gang te zetten, zijn economische en sociale stabiliteit en fatsoenlijke levens- en arbeidsomstandigheden cruciaal; hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de sociale partners. Dit houdt in dat meer moet worden geïnvesteerd in sociale infrastructuur, gezinsbeleid, hoogwaardige openbare diensten en een actief arbeidsmarktbeleid.

3.6.

Analyses van demografisch doeltreffend beleid tonen aan dat het hierbij gaat om een combinatie van verschillende maatregelen waaraan gedurende langere tijd wordt vastgehouden. Dat is belangrijk, omdat ouderschaps- en gezinsprojecten per definitie langetermijnprojecten zijn. Wat het gezinsbeleid betreft, moet bijzondere aandacht worden besteed aan gezinnen die het risico lopen in armoede te vervallen, zoals grote en eenoudergezinnen. In dit verband mag niet worden vergeten dat na werkloosheid het uiteenvallen van het gezin de belangrijkste oorzaak van armoede is, en dat het risico op armoede toeneemt met het aantal kinderen in een gezin. Het EESC heeft in het verleden al gepleit voor een fatsoenlijk minimuminkomen in de EU (8).

3.7.

Openbare diensten zijn een cruciale schakel van het sociaal beleid en gezinsondersteuning. Zonder hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare zorg en bijstand (voor kinderen, gehandicapten en ouderen) is het zo goed als onmogelijk om de demografische problemen aan te pakken en bevolkingsgroei te stimuleren. Het gebrek aan investeringen in openbare diensten heeft geleid tot een tekort aan personeel en passende infrastructuur. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar kinderopvang, onderwijs en beleid dat gericht is op oudere generaties. Het is met name op het gebied van langdurige gezondheidszorg en ouderenzorg dat het gebrek aan investeringen het schrijnendst is (9).

3.8.

Met het oog op de demografische problemen pleit het EESC voor meer investeringen in openbare diensten en sociaal beleid. Het Comité herhaalt dat een stijging van de overheidsinvesteringen in de lidstaten kan worden gestimuleerd via een “gulden regel” voor sociaal georiënteerde overheidsinvesteringen, zodat het mogelijk wordt flexibel om te springen met de begrotingsregels. De huidige en toekomstige EU-middelen, met name het Investeringsplan voor Europa, moeten worden opgetrokken en meer worden toegespitst op sociale investeringen, de ondersteuning van gezinnen en de bevordering van gelijkheid; maatregelen op deze gebieden kunnen immers helpen om de demografische problemen het hoofd te bieden.

3.9.

Het EESC benadrukt de omvang en het belang van het fenomeen onbetaald werk, dat vooral wordt verricht door vrouwen, die begaan zijn met hun familie en daarom het leeuwendeel van de verzorging en hulp op zich nemen, voor ondersteuning zorgen en inspringen waar de openbare infrastructuur tekortschiet. Deze taken worden zelden als echt werk beschouwd, hoewel onbetaalde zorg en huishoudelijk werk naar schatting respectievelijk 10 en 39 % van het mondiale bruto binnenlands product vertegenwoordigen (10). Onbetaalde zorgverleners, meestal familieleden, die ervoor kiezen niet te werken om zieke, gehandicapte en andere hulpbehoevende familieleden te kunnen verzorgen en bijstaan, verdienen erkenning en ondersteuning; dat is niet meer dan rechtvaardig. Dit houdt onder meer in dat voldoende wordt geïnvesteerd in zorginfrastructuur. De lidstaten moeten worden aangemoedigd de economische, sociale en morele waarde van dit werk te erkennen door deze zorgverleners een passende status en financiële steun te verlenen en hun socialezekerheidsrechten te waarborgen.

3.10.

Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de plattelandsbevolking, die nog sneller vergrijst dan de bevolking in het algemeen. Het platteland wordt overal in Europa gekenmerkt door een afname van de bevolking, aangezien jongeren met het oog op opleiding en werk meestal voor de stad kiezen. De bescherming van de levensstandaard, wat onder meer inhoudt dat wordt gezorgd voor fatsoenlijke vooruitzichten op de arbeidsmarkt, alsook investeringen in infrastructuur, openbare diensten en onderwijs, zijn cruciaal om de ontvolking van het platteland en kleine en middelgrote provinciesteden tegen te gaan.

3.11.

Het EESC onderstreept dat maatschappelijke organisaties en de sociale partners een belangrijke rol spelen bij het overleg over het beleid inzake demografische uitdagingen en de uitwerking daarvan.

4.   Het belang van hoogwaardige werkgelegenheid, een proactief arbeidsmarktbeleid en beleid dat het evenwicht tussen werk, privé en gezinsleven ondersteunt

4.1.

Een proactief arbeidsmarktbeleid dat bijdraagt tot stabiele werkgelegenheid en het welbevinden van werknemers, is een belangrijke stap in de richting van een efficiënte oplossing voor de demografische problemen. Europeanen halen hun inkomen immers voornamelijk uit werk, en zonder nieuwe banen, dynamische arbeidsmarktvooruitzichten, zekerheid op de arbeidsmarkt en hoogwaardige werkgelegenheid is het lastig om een gezin behoorlijke levensomstandigheden te bieden. De sociale partners kunnen via collectieve onderhandelingen ijveren voor betere lonen en sociale en arbeidsvoorwaarden.

4.2.

In het rapport Demographic scenarios for the EU (demografische scenario’s voor de EU) (11) staat te lezen dat de meest haalbare en efficiënte remedie tegen de negatieve gevolgen van de vergrijzing een stijging van de arbeidsparticipatie is, en niet een verhoging van het vruchtbaarheidscijfer of meer migratie. Op de middellange en lange termijn is een evenwichtigere demografische ontwikkeling een noodzakelijke voorwaarde om de sociale uitgaven en de economische dynamiek in evenwicht te houden.

4.3.

Maatregelen ter bestrijding van armoede onder werkenden zijn broodnodig om gezinnen fatsoenlijke levensomstandigheden te bieden en ervoor te zorgen dat kinderen en ouders een waardig leven kunnen leiden. Het EESC neemt kennis van het voornemen van de voorzitter van de Commissie “om ervoor te zorgen dat elke werknemer in onze Unie een eerlijk minimumloon ontvangt” (12). Dit indachtig zal het EESC een verkennend advies over “Fatsoenlijke minimumlonen in heel Europa” opstellen.

4.4.

Kwaliteitsbanen, die ten grondslag liggen aan economische stabiliteit, toegang tot opleiding om de vaardigheden en competenties van werknemers te verbeteren en de mogelijkheid om veilige en flexibele werkomstandigheden te combineren, zijn factoren die de demografische groei kunnen stimuleren. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan deeltijdwerk en flexibele arbeidspatronen om het evenwicht tussen werk en privé en gezinsleven te verbeteren. Een van de maatregelen om werk en privéleven beter op elkaar af te stemmen en het gezins- en privéleven te beschermen in deze tijden van voortrazende digitalisering, is het recht om onbereikbaar te zijn, dat in de ogen van het EESC een goede praktijk is (13).

4.5.

Het EESC heeft in vorige adviezen (14) al een lans gebroken voor een proactief gendergelijkheidsbeleid om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en maatregelen te bevorderen om werk en privéleven beter met elkaar te verenigen. Uit studies blijkt dat het niet alleen voor het gezinsleven maar ook voor de Europese economie en het Europese concurrentievermogen gunstig is als mannen zich bezighouden met zorgtaken. Door de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren, kan hun potentieel worden benut in een tijd waarin de beroepsbevolking in de EU afneemt en de bevolking vergrijst.

4.6.

Speciale aandacht moet uitgaan naar jonge werknemers die kinderen hebben of plannen in die richting maken. Gemiddeld ligt de werkloosheid in de EU het hoogst onder jongeren; de jeugdwerkloosheid schommelt van 5 tot wel 40 % in een aantal landen (15). Ook zijn het met name jongeren die te maken krijgen met precaire arbeidsvoorwaarden (16). Bovendien maken het gebrek aan nieuwe banen, dynamische arbeidsmarktvooruitzichten en zekerheid op de arbeidsmarkt, alsook het feit dat het lastig is een woning te huren of woonruimte te vinden, het voor jongeren moeilijk om toekomstplannen te maken, op eigen benen te staan, zich te settelen en een gezin te stichten. Jongeren moeten dan ook vlotter toegang krijgen tot kwaliteitsbanen; dit zou hen de zekerheid geven die zij nodig hebben om een gezin te stichten.

4.7.

De generatie oudere werknemers heeft dan weer behoefte aan ondersteunend beleid, zodat zij kunnen werken tot de wettelijke pensioenleeftijd die in hun land van kracht is (17). Daartoe kan het nuttig zijn de werkgelegenheidskansen en arbeidsomstandigheden te verbeteren, zodat er werk wordt gecreëerd dat beter aansluit bij de behoeften van ouderen. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de bestrijding van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.

4.8.

Ook aan gezondheid en veiligheid op het werk moet de nodige aandacht worden besteed, aangezien ouderen een groter risico lopen op gezondheidsproblemen. Het is dan ook cruciaal dat het werk zo wordt geregeld en de werkplek zo wordt ingericht dat deze ziekten kunnen worden voorkomen en dat meer mensen aan het werk kunnen blijven tot de wettelijke pensioenleeftijd (18).

5.   Het belang van gezinsbeleid voor een dynamische demografische ontwikkeling

5.1.

In lidstaten met een actief gezinsbeleid ligt het geboortecijfer hoger dan in lidstaten die geen of een zwak gezinsbeleid voeren. Het mag niet zo zijn dat mensen die kinderen krijgen — de toekomst van Europa — daarmee een wissel trekken op hun levensstandaard of loopbaanvooruitzichten. Daarom is een combinatie nodig van fiscale maatregelen, sociale wetgeving, directe financiële steun en efficiënte en betaalbare openbare diensten, waaronder kinderopvang. Een dergelijk beleid zal ongetwijfeld vruchten afwerpen (19), maar wil dat ook op termijn het geval zijn, dan moet het gaan om duurzame maatregelen die voor een stabiele wettelijke basis zorgen.

5.2.

Een doeltreffend gezinsbeleid moet evenwel deel uitmaken van een breder kader: voorwaarden zijn banen, een dynamische economische en sociale ontwikkeling, een gezinsvriendelijke cultuur, een aangepast huisvestingsbeleid, een efficiënt onderwijssysteem en milieubeleid. Tot slot willen we er nog op wijzen dat gezin en werk voor Europese mannen en vrouwen van groot belang zijn en dat de Europese samenleving deze thema’s dus boven aan de agenda moet zetten.

5.3.

Demografie is bij uitstek een problematiek van de lange termijn en vereist een gecoördineerd Europees optreden. De EU moet gemeenschappelijke richtsnoeren ontwikkelen, uitgaande van solidariteit tussen de generaties en gendergelijkheid, en daarbij rekening houden met de nationale culturen en de verschillen in sociaal beleid. In de Europese Unie zijn nu maatregelen nodig om het geboortecijfer op te krikken. “Besturen is vooruitdenken”: het is dan ook tijd om actie te ondernemen.

6.   Migratie en mobiliteit binnen de EU

6.1.

Wat de rol van immigratie bij het aanpakken van de demografische problemen aangaat, herhaalt het EESC dat immigratie een positief effect heeft op de groei van de bevolking en de beroepsbevolking. Als de natuurlijke bevolkingsgroei negatief wordt, kan immigratie de totale bevolking en de beroepsbevolking op peil helpen houden. Immigratie is weliswaar geen panacee voor de gevolgen van de vergrijzing in Europa, maar kan wel uitkomst bieden bij tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden die niet gerelateerd zijn aan demografische processen (20).

6.2.

Het is zaak de systematische migratie van hooggekwalificeerde en hoogopgeleide werknemers, waardoor de vaardigheidskloof met de ontwikkelingslanden nog wordt verdiept, niet te stimuleren; dit zou namelijk de economische en sociale ontwikkeling van deze landen in gevaar brengen. Ook moet een actief opvang- en integratiebeleid op poten worden gezet, zodat migranten die zich in een nieuw land willen vestigen en zich een nieuwe cultuur eigen willen maken, niets in de weg wordt gelegd.

6.3.

Het vrije verkeer van EU-burgers is een fundamentele vrijheid van de Unie. De grootschalige migratie binnen de EU kan de lidstaten van herkomst voor bijzondere problemen stellen, zoals een versnelde vergrijzing of het verlies van arbeidskrachten en competenties; dit geldt overigens ook voor de gastlanden.

6.4.

Vraag is of deze mobiliteit binnen de EU onomkeerbaar is of dat het gaat om een tijdelijk fenomeen, wat zou betekenen dat migranten in de regel terugkeren naar hun land van herkomst. In feite gaat het hier om een vorm van circulaire mobiliteit en keert het merendeel van de vertrekkers binnen twee jaar terug naar hun eigen land. Dit soort mobiliteit is voor alle betrokken landen een verrijking. Voorwaarde is dan wel dat er sprake is van opwaartse economische en sociale convergentie tussen oost en west en tussen zuid en west. Het verkleinen van de bestaande kloof is de beste manier om het vertrekken van arbeidskrachten tegen te gaan.

Brussel, 7 mei 2020.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Gérard-François Dumont “Vue de ses frontières, une Europe vieillissante mais attractive pour les migrants” (Vanaf de grens gezien: een verouderend Europa is nog steeds aantrekkelijk voor migranten), Diploweb, La revue géopolitique, 3.11.2019.

(2)  https://www.etui.org/Publications2/Working-Papers/Why-central-and-eastern-Europe-needs-a-pay-rise

(3)  Demographic Scenarios for the EU, 2019, https://ec.europa.eu/jrc/en/publication/eur-scientific-and-technical-research-reports/demographic-scenarios-eu

(4)  https://www.etui.org/Publications2/Working-Papers/Why-central-and-eastern-Europe-needs-a-pay-rise

(5)  Jaarverslag 2018 over de arbeidsmobiliteit binnen de EU, Eindrapport 2018.

(6)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 7 en PB C 161 van 13.7.2007, blz. 66.

(7)  PB C 318 van 29.10.2011, blz. 1 en PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60.

(8)  PB C 190 van 5.6.2019, blz. 1.

(9)  PB C 71 van 24.2.2016, blz. 46.

(10)  https://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=E/CN.6/2017/3

(11)  Demographic Scenarios for the EU, 2019.

(12)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 142

(13)  PB C 14 van 15.1.2020, blz. 52.

(14)  PB C 129 van 11.4.2018, blz. 44 en PB C 110 van 22.3.2019, blz. 26.

(15)  Speech van mevrouw Von der Leyen.

(16)  PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60.

(17)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 142.

(18)  https://osha.europa.eu/sites/default/files/publications/documents/Work-related_MSDs_prevalence_costs_and_demographics_in_the_EU_report.pdf

(19)  PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60.

(20)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 1.


14.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/8


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over duurzame financiering van levenslang leren en ontwikkeling van vaardigheden, in de context van een tekort aan geschoolde arbeidskrachten

(verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap)

(2020/C 232/02)

Rapporteur:

Tatjana BABRAUSKIENĖ

Corapporteur:

Pavel TRANTINA

Verzoek van het Kroatische voorzitterschap van de Raad

Brief van 10.9.2019

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Besluit van het bureau

24.9.2019

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

3.3.2020

Goedkeuring door de voltallige vergadering

7.5.2020

Zitting nr.

551 — Zitting op afstand

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

254/1/6

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de aandacht die in de opdrachtbrief aan EU-commissaris Nicholas Schmit uitgaat (1) naar het uitvoeren en actualiseren van de vaardighedenagenda, waarbij de nadruk ligt op het in kaart brengen en wegwerken van tekorten aan vaardigheden en het ondersteunen van omscholing als onderdeel van de rechtvaardige transitie, alsook het onderzoeken van het idee om individuele leerrekeningen voor te stellen als een van de mogelijke manieren om volwassenen (zowel werkenden als werklozen) in staat te stellen om opleidingsrechten op te bouwen en deze te gebruiken voor scholing waarvan de kwaliteit gegarandeerd is.

1.2.

Het EESC steunt de conclusies van de Raad van 8 november 2019 over de sleutelrol van leven lang leren-beleid om samenlevingen in staat te stellen om te gaan met de technologische en groene transitie ter ondersteuning van inclusieve en duurzame groei (2), waarin de Raad de Commissie oproept om “de efficiëntie, de schaal en de doelgroepen van het huidige leven lang leren-beleid aan te passen om beter te kunnen inspelen op de leerbehoeften die voortvloeien uit veranderingen in de samenleving en de arbeidswereld, onder meer door verdere ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte” (3).

1.3.

Het EESC waardeert dat het Kroatische voorzitterschap van de Raad van de EU (4) o.a. tot prioriteit heeft te investeren in onderzoek en innovatie, de toegankelijkheid van hoogwaardig onderwijs en een leven lang leren te vergroten en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen die zijn afgestemd op de banen van de toekomst.

1.4.

Het EESC is verheugd dat de Commissie in haar mededeling “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” (5) — waarin wordt gesteld dat vaardigheden van cruciaal belang zijn voor de toekomst — de EU-lidstaten aanspoort om mensen van jongs af aan inclusief onderwijs en inclusieve opleiding van hoge kwaliteit aan te bieden en hen gedurende hun hele loopbaan bij hun bijscholing te ondersteunen.

1.5.

Het EESC roept de Commissie en de lidstaten op om concreet werk te maken van de implementatie van het eerste en het vierde beginsel van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) om alle burgers in Europa het recht te geven op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor een leven lang leren (LLL), zowel op het werk als daarbuiten, en om deze beginselen ten uitvoer te leggen met behulp van duurzame overheidsfinanciering, in overeenstemming met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

1.6.

Het EESC zou graag zien dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan de toegang van de meest kwetsbare groepen in de samenleving tot mogelijkheden voor een leven lang leren. Werkenden dienen adequate ondersteuning te krijgen, ongeacht het niveau van hun vaardigheden en kwalificaties, de omvang van het bedrijf of van de organisatie of de regio waar zij werken, terwijl overheden, bedrijven en vakbonden zorg dragen voor een duurzame financiering, bijvoorbeeld via individuele opleidingstegoeden of andere regelingen en instrumenten, naargelang de nationale praktijken.

1.7.

Het EESC stelt voor dat de Commissie zich ambitieuzer opstelt bij het bepalen van indicatoren en benchmarks voor een leven lang leren, met name voor de deelname van volwassenen — met inbegrip van werknemers — aan onderwijs en opleiding, binnen de relevante beleidskaders en het komende strategisch kader ET2030. De Commissie dient ervoor te zorgen dat de financiële instrumenten van de EU, zoals Erasmus+, het Europees Sociaal Fonds (ESF), InvestEU, het investeringsplan voor een duurzaam Europa, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en andere relevante EU-fondsen, de verwezenlijking van deze benchmarks op doeltreffende wijze en in onderlinge synergie ondersteunen.

1.8.

Daarnaast roept het EESC de EU-instellingen op om een gemeenschappelijk inclusief kader voor sleutelcompetenties overeen te komen dat verder gaat dan het onderwijs op school, om zo tegemoet te komen aan de behoefte aan volwasseneneducatie en aan het verwerven van sociale vaardigheden, waarbij met name nadruk wordt gelegd op het leren leren en op de vaardigheden op het vlak van democratisch burgerschap, die van essentieel belang zijn om volwassenen te helpen een actieve rol in de samenleving te vervullen. Het EESC dringt tevens aan op meer investeringen in niet-formele en informele leeromgevingen, die voor de verwerving van deze vaardigheden van bijzonder belang zijn.

1.9.

Het EESC acht het in de context van het Europees Semester noodzakelijk om te zorgen voor samenhang tussen de oproep van de Commissie tot duurzame investeringen in onderwijs en opleiding en de oproep tot optimalisatiemaatregelen, die in sommige gevallen een nadelig effect op dergelijke investeringen kunnen hebben. Overheden in alle lidstaten moeten meer investeren in een leven lang leren, en met name in volwasseneneducatie.

1.10.

Het EESC herhaalt zijn oproep om meer aandacht te besteden aan sociale investeringen, onder meer in onderwijs, opleiding en een leven lang leren. Het EESC stelt voor dat wordt besproken of de “gouden regel”, d.w.z. het uitsluiten van toekomstgerichte overheidsinvesteringen van de berekening van de netto overheidstekorten in het kader van de begrotingsregels van de Europese Monetaire Unie, ook toegepast zou kunnen worden op sociale investeringen met middelen uit de structuurfondsen van de EU.

1.11.

Het EESC roept toekomstige EU-voorzitterschappen en de Commissie op om, in navolging van de gezamenlijke vergadering van de ministers van Financiën en de ministers van Onderwijs, de samenwerking tussen besluitvormers op het hoogste niveau op te voeren om te bespreken hoe duurzame overheidsfinanciering voor onderwijs en opleiding, met name voor het volwassenenonderwijs, gewaarborgd kan worden. Ook samenwerking met de ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken is noodzakelijk. Dergelijke samenwerking zou ook op nationaal niveau moeten plaatsvinden.

1.12.

Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan om werkenden en werklozen die geen goede toegang tot hoogwaardig en inclusief volwassenenonderwijs en -opleiding hebben, een doeltreffende ondersteuning te bieden in de vorm van gerichte financiering voor hulpbehoevenden, zoals werklozen, atypische werknemers, laaggeschoolde mensen, mensen met een handicap, ouderen en mensen uit sociaal-economisch kansarme groepen. Daarbij dient de genderdimensie in acht te worden genomen.

1.13.

Het EESC stelt voor dat maatregelen, zoals de vaststelling van indicatoren voor openbare en particuliere investeringen in beroepsonderwijs en -opleidingen, en de toegang van werknemers tot betaald opleidingsverlof, worden overwogen in overeenstemming met werkgelegenheidsrichtsnoer 6: Stimuleren van het arbeidsaanbod en het kwalificatieniveau (6), waarin lidstaten worden opgeroepen om te trachten ervoor te zorgen dat opleidingsrechten kunnen worden overgedragen wanneer iemand van baan verandert. Dit moet iedereen in staat stellen om te anticiperen op en zich beter aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt.

1.14.

Het EESC is van mening dat de lidstaten de publieke sector, alsook aanbieders van onderwijs zonder winstoogmerk en maatschappelijke organisaties moeten ondersteunen bij de instandhouding van financiering voor het aanbieden van mogelijkheden in het kader van een leven lang leren die van goede kwaliteit, inclusief en gemakkelijker toegankelijk zijn. De hoge kwaliteit van het onderwijs- en opleidingsaanbod moet worden geborgd door middel van passende mechanismen, die door bijvoorbeeld EQAVET of andere instrumenten worden ondersteund.

1.15.

Om ervoor te zorgen dat investeringen in bijscholing en omscholing van werknemers in bedrijven doeltreffend zijn, zijn er volgens het EESC meer gegevens nodig over de desbetreffende investeringen van bedrijven en de financiële steun van overheden. De eigen bijdragen van werknemers, vakbonden en andere belanghebbenden moeten naar behoren worden geanalyseerd en in beleidsdiscussies worden meegenomen, met de nadruk op investeringen in verschillende vaardigheden.

1.16.

Het EESC is van mening dat de democratische governance van de ontwikkeling en uitvoering van het LLL-beleid, met inbegrip van een doeltreffende sociale dialoog en overleg met het georganiseerde maatschappelijk middenveld, de doeltreffendheid van het investeringsbeleid — in de zin van het bereiken van de beleidsdoelstellingen — ten goede komt.

1.17.

Het EESC spoort de lidstaten aan om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door de beschikbare EU-fondsen, die ook door nationale middelen ondersteund zouden moeten worden. Het komende MFK moet in ieder geval een einde maken aan de beperking van de budgettaire mogelijkheden voor een leven lang leren op nationaal en Europees niveau. De programma’s zelf moeten inclusiever, eenvoudiger en beter te beheren zijn voor kleinere begunstigden en kleinere projecten.

1.18.

Het EESC wijst erop dat het belangrijk is dat de doeltreffendheid van financiële en niet-financiële steunmaatregelen regelmatig wordt geëvalueerd wat betreft het bereiken van specifieke groepen volwassenen en de efficiëntie van het gebruik van de middelen. Er moeten solide regelingen voor toezicht en evaluatie komen. De resultaten van de evaluaties moeten worden meegenomen bij de beleidsvorming met betrekking tot een leven lang leren.

1.19.

Het EESC is van mening dat er financieringsmechanismen moeten komen voor het inzetten van nationale middelen waarbij de kosten op passende wijze worden verdeeld tussen overheidsinstanties en private entiteiten, alsook particulieren en andere relevante belanghebbenden (bv. sociale partners, opleidingsverstrekkers, ngo’s).

1.20.

Het EESC pleit ervoor om binnen het beleid op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren een genuanceerder begrip van leeromgevingen te hanteren, aansluitend bij het overkoepelende beginsel dat het individuele en unieke potentieel van de lerende ondersteund moet worden. Dit impliceert erkenning, mede door middel van duurzame investeringen, van de waarde van leeromgevingen buiten het formeel onderwijs als dynamische knooppunten voor de ontwikkeling van vaardigheden — waarbij formele omgevingen ook knowhow van die andere omgevingen kunnen opdoen wat betreft het invoeren van meer inclusieve en innovatieve benaderingen om aan de behoeften van lerenden te voldoen.

1.21.

Om een leven lang leren succesvol te maken roept het EESC alle besluitvormers op nationaal en EU-niveau op om de problemen m.b.t. een leven lang leren aan te pakken en de volgende oplossingen financieel te ondersteunen, voor zover dat in overeenstemming met hun verantwoordelijkheden is:

1.21.1.

ontwerpen en uitvoeren van langetermijnstrategieën voor het bevorderen van samenwerking tussen formele, niet-formele en informele aanbieders van onderwijs waarbij de lerende centraal staat;

1.21.2.

ervoor zorgen dat lerenden een actieve rol kunnen vervullen bij hun leertrajecten door deze vooral op hun behoeften af te stemmen;

1.21.3.

lerenden van alle leeftijden en achtergronden ondersteunen bij de toegang tot, het combineren van en het overstappen tussen verschillende vormen van leren, in overeenstemming met hun persoonlijke behoeften en vaardigheden;

1.21.4.

de validatie van niet-formeel en informeel leren (zoals bepaald in de aanbeveling van de Raad over validatie (7)) als dringende prioriteit behandelen;

1.21.5.

het aanbod van mogelijkheden voor een leven lang leren op lokaal niveau verbeteren door gebruik te maken van de bestaande lokale en onderwijsinfrastructuur.

2.   Algemene achtergrond

2.1.

Zoals omschreven door de Raad (8) omvat een leven lang leren het leren tijdens de voor- en vroegschoolse educatie en opvang tot na de pensionering, met inbegrip van het gehele spectrum van formeel, niet-formeel en informeel leren, met als doel de kennis, vaardigheden en competenties vanuit een persoonlijk, burgerschaps-, sociaal en/of werkgelegenheidsperspectief te verbeteren. Een leven lang leren beschouwt elke persoon als subject van het leerproces en stelt alle personen in staat de nodige kennis te verwerven om als actieve burgers deel te nemen aan de kennismaatschappij en de arbeidsmarkt, en de vrije mobiliteit van Europese burgers te vergemakkelijken. In dit advies ligt de focus op duurzame financiering van levenslang leren en ontwikkeling van vaardigheden, in de context van een tekort aan geschoolde arbeidskrachten.

2.2.

Kennis wordt overal en altijd, actief en passief, in formele, informele en niet-formele omgevingen vergaard. Daarom moet binnen het beleid op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren een genuanceerder begrip van leeromgevingen worden gehanteerd, aansluitend bij het overkoepelende beginsel dat het individuele en unieke potentieel van de lerende ondersteund moet worden. Zowel “levensbreed” als “levenslang” leren moet worden ondersteund met duurzame overheidsfinanciering en er moet ook speciale aandacht uitgaan naar oudere generaties, met middelen om ervoor te zorgen dat zij op hun eigen manier kunnen leren. Het EESC herhaalt (9) dan ook dat de financiering op zowel EU- als nationaal niveau onder meer gericht moet zijn op investeringen in inclusief, hoogwaardig onderwijs en opleiding, die toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen en afgestemd moeten zijn op de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt. Volwasseneneducatie kan een even hoog rendement opleveren als initieel onderwijs en zelfs hoger onderwijs (10).

2.3.

De impact van wereldwijde tendensen, zoals de economische, technologische, ecologische, sociale en industriële verschuivingen die de digitale revolutie met zich meebrengt, is enorm — en betreft gebieden gaande van economie, innovatie, wetenschap en onderwijs tot gezondheid, duurzaamheid en governance — en leidt tot een razendsnelle transformatie van de arbeidswereld en van het vaardigheidsprofiel van veel beroepen. Gezien het tempo van de veranderingen is het noodzakelijk dat alle burgers zich hun hele leven blijven scholen, herscholen en bijscholen. De focus ligt daarbij met name op het bieden van een effectieve ondersteuning aan werkenden en werklozen, terwijl door overheden, bedrijven, individuele opleidingstegoeden e.a. zorg moet worden gedragen voor een duurzame financiering.

2.4.

Tegelijkertijd wordt het door de disruptieve aard van deze veranderingen nog lastiger om te voorspellen aan welke vaardigheden in de toekomst behoefte zal zijn. Het aanbod van vaardigheden ontwikkelt zich ook, maar het kost tijd om zich aan nieuwe behoeften aan vaardigheden aan te passen. Hoewel werkgevers benadrukken hoe belangrijk STEM-vakken, digitale vaardigheden en beroepsonderwijs en -opleiding zijn, komt er ook steeds meer aandacht voor de behoefte aan zachte/transversale vaardigheden (11), die mensen in staat stellen zich aan werkomgevingen en verschillende levenssituaties aan te passen (12). Deze vaardigheden worden meestal opgedaan in organisaties die niet-formeel onderwijs aanbieden (jongerenorganisaties enz.). Duurzame financiële steun aan deze aanbieders is van essentieel belang.

2.5.

Bovendien is het belangrijk om nu te investeren in de strategische ontwikkeling van nieuwe opleidingsprogramma’s. Dit zijn belangrijke beleidsinstrumenten om in te spelen op de behoeften en kloven op het gebied van vaardigheden, en het kan enige tijd duren voordat de investeringen daarin vruchten afwerpen, met name bij programma’s op hogere niveaus en met een langere looptijd. Teneinde het onderwijs- en opleidingsstelsel lang genoeg van tevoren te informeren is het van essentieel belang dat systematisch wordt geanticipeerd op de behoeften aan vaardigheden zodat men strategisch kan reageren en kan voorkomen dat de vraag naar en het aanbod van vaardigheden niet op elkaar aansluiten (13).

2.6.

De recente wereldwijde COVID-19-pandemie heeft gezorgd voor een situatie waaruit blijkt dat leren zich zo nodig snel kan aanpassen aan veranderde omstandigheden. Lerenden ontwikkelen uiteenlopende nieuwe benaderingen, zoals zelfstandig of projectmatig leren, worden nieuwsgieriger en verbeteren hun IT-vaardigheden om op afstand te leren. Er wordt gebruikgemaakt van een aantal digitale platforms, die gratis ter beschikking worden gesteld. Essentiële transversale vaardigheden helpen zowel lerenden als leerkrachten zich aan deze verandering aan te passen. Wanneer het leven weer “normaal” wordt, moet de samenleving lering trekken uit deze ervaring, en deze benaderingen en vaardigheden verder ontwikkelen. Daarbij moet er voldoende in worden geïnvesteerd om ervoor te zorgen dat elke lerende, ongeacht zijn of haar sociale situatie, erbij betrokken wordt en er voordeel uit kan halen.

3.   Politieke context

3.1.

In haar mededeling “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” (14) stelt de Commissie dat vaardigheden van cruciaal belang zijn voor de toekomst. Vaardigheden stellen mensen in staat de voordelen van snelle veranderingen op de werkplek te benutten. De helft van de huidige beroepsbevolking zal zich de komende vijf jaar genoodzaakt zien zijn vaardigheden bij te schaven. De digitale en de groene transitie zullen nieuwe vaardigheden vergen. Beroepsonderwijs en -opleidingen kunnen, samen met het leerlingwezen, de inzetbaarheid van zowel jongeren als volwassenen bevorderen en aan de veranderende behoeften van bedrijven voldoen.

3.2.

Het EESC herinnert eraan dat het recht op onderwijs in het statuut van de Unesco (1945) in het hoofdstuk over onderwijs voor iedereen is verankerd en er in het kader van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) steeds meer aandacht wordt geschonken aan een leven lang leren, dat binnen SDG 4 (onderwijs) een prominente plaats inneemt. SDG4 wordt niet alleen beschouwd als manier om meer vaardigheden op te doen en de economie te bevorderen, maar ook om culturele diversiteit en vrede dichterbij te brengen. De subdoelen van de SDG’s waarin de rol van een leven lang leren wordt omschreven, omvatten echter geen benchmarks op het vlak van financiering (15).

3.3.

Het EESC benadrukt dat het eerste en het vierde beginsel van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) — iedereen in Europa het recht geven op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren — ten uitvoer gelegd moeten worden en dat dit moet gebeuren met behulp van duurzame overheidsfinanciering, in overeenstemming met de sociale partners en het georganiseerde maatschappelijk middenveld. Hier moet werk van worden gemaakt om ervoor te zorgen dat alle volwassenen gelijke toegang tot hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding hebben, zowel op het werk als daarbuiten. Werkenden dienen adequate ondersteuning te krijgen, ongeacht het niveau van hun vaardigheden, de omvang van het bedrijf of de regio waar zij werken.

3.4.

Het EESC beklemtoont dat de uitoefening van de rechten en beginselen van de EPSR, inclusief het recht op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren op nationaal niveau, adequate overheidsinvesteringen vergt (16). Op de begrotingsmiddelen zijn echter in sommige gevallen nog altijd de strenge budgettaire beperkingen van de interne markt en de begrotingsregels van het stabiliteits- en groeipact van toepassing en het blijft voor overheden een hele uitdaging om de publieke middelen te vinden die nodig zijn om een nieuw sociaal evenwicht te bereiken. Het blijft botsen tussen de bindende begrotingsregels en een reeks rechten en beginselen waarvoor geen middelen beschikbaar zijn.

3.5.

In het rapport “Work for a Brighter Future” van de IAO-wereldcommissie voor de toekomst van werk (17) wordt erop gewezen dat iedereen medeverantwoordelijk is voor het creëren van doeltreffende mogelijkheden om een leven lang te leren, en dat dit de actieve inzet en steun van overheden, werkgevers en werknemers en onderwijsinstellingen vereist. In samenwerking met de sociale partners moeten overheden het beleid voor de ontwikkeling van vaardigheden, de diensten voor arbeidsvoorziening en de opleidingsstelsels een nieuwe, bredere opzet geven om werkenden de nodige tijd en financiële steun te bieden om te leren. In het rapport wordt voorgesteld een systeem voor leerrechten op te zetten door middel van een nieuw soort “werkgelegenheidsverzekering” of “sociaal fonds”, en “individuele leerrekeningen” in te voeren die werknemers in staat stellen betaald opleidingsverlof te nemen.

3.6.

Het EESC is verheugd dat het Finse Raadsvoorzitterschap het belangrijke initiatief heeft genomen om voor de allereerste keer een gezamenlijke vergadering van de ministers van Financiën en de ministers van Onderwijs te houden om het belang van overheidsfinanciering voor onderwijs en opleiding te bespreken. Het Comité roept toekomstige EU-voorzitterschappen en de Commissie op om dit initiatief voort te zetten en zo de samenwerking tussen beleidsmakers op het hoogste niveau op te voeren. Ook is samenwerking met de ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken noodzakelijk. Deze vorm van samenwerking zou ook op nationaal niveau gestalte moeten krijgen.

3.7.

Het EESC is het ermee eens dat in de opdrachtbrief aan EU-commissaris Nicholas Schmit (18) nadruk wordt gelegd op het uitvoeren en actualiseren van de vaardighedenagenda, het in kaart brengen en wegwerken van tekorten aan vaardigheden en het ondersteunen van omscholing als onderdeel van de rechtvaardige transitie. Het onderzoeken van het idee om individuele leerrekeningen voor te stellen is een van de mogelijke manieren om mensen in de werkende leeftijd in staat te stellen om opleidingsrechten op te bouwen en deze te gebruiken voor scholing waarvan de kwaliteit gegarandeerd is. Het EESC roept de lidstaten op om te zorgen voor tripartiete samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid bij de toewijzing van beschikbare overheidsmiddelen voor werknemers en andere werkenden.

3.8.

Het EESC stelt tot zijn genoegen vast dat de Raad in zijn conclusies van 8 november 2019 over de sleutelrol van leven lang leren-beleid om samenlevingen in staat te stellen om te gaan met de technologische en groene transitie ter ondersteuning van inclusieve en duurzame groei (19) de Commissie oproept om “de efficiëntie, de schaal en de doelgroepen van het huidige leven lang leren-beleid aan te passen om beter te kunnen inspelen op de leerbehoeften die voortvloeien uit veranderingen in de samenleving en de arbeidswereld, onder meer door verdere ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte (20), en daartoe een leven lang leren te laten doorklinken in het toekomstige strategische kader voor samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding en gebruik te maken van de mogelijkheden van Erasmus+, het Europees Sociaal Fonds en andere relevante Unie-instrumenten”.

4.   Stand van zaken

4.1.

Hoewel gegevens over de totale investeringen in een leven lang leren ontbreken, blijkt uit de beschikbare gegevens (21) dat slechts ongeveer 0,1 tot 0,2 % van het bbp aan overheidsuitgaven voor volwassenenonderwijs wordt besteed. De totale uitgaven voor volwasseneneducatie, met inbegrip van andere middelen zoals financiering door werkgevers, leergeld schommelen tussen 1,1 en minder dan 0,6 % van het bbp. Volgens de jongste ramingen van Cedefop (22) zijn er in de EU-28+ echter 128 miljoen volwassenen (d.w.z. 46 % van het totale aantal volwassenen) die in aanmerking komen voor bij- en omscholing. Slechts 11,1 % van de volwassenen volgt volwassenenonderwijs, terwijl de EU zich ten doel had gesteld om dit percentage tegen 2020 op te krikken tot 15 %, wat niet gelukt is.

4.2.

In de conclusies van de Europese Raad van Lissabon (23) zijn voor alle betrokkenen duidelijke doelstellingen vastgesteld om de jaarlijkse investeringen per hoofd van de bevolking in menselijke hulpbronnen te verhogen, terwijl in de werkgelegenheidsrichtsnoeren (13, 14 en 16) (24) de lidstaten worden opgeroepen overeenkomstige doelstellingen vast te stellen. Het EESC verheugt zich erover dat de Commissie in haar landverslagen van 2019 (25) in het kader van het Europees Semester aandringt op meer investeringen in onderwijs en opleiding in 16 landen (26) en in vaardigheden in 24 landen (27), ter compensatie van het decennium van bezuinigingen en onderfinanciering van onderwijsstelsels, waarvan de nefaste gevolgen voor de onderwijskwaliteit, het onderwijspersoneel en de infrastructuur duidelijk zijn aangetoond (28).

4.3.

Het EESC stelt vast dat er een duidelijk gebrek aan samenhang is tussen de oproep van de Commissie tot duurzame investeringen in groeivriendelijke sectoren, zoals alle onderwijssectoren, en de oproep tot optimalisatiemaatregelen, die nadelig uitpakken voor deze sectoren. In een Commissiemededeling over de belangrijkste bevindingen uit de landverslagen (29) van het Europees Semester 2019 wordt een gunstig economisch scenario geschetst, waarbij de overheidsfinanciën in elke lidstaat erop vooruitgaan. In de mededeling wordt echter ook gewaarschuwd voor de wereldwijde onzekerheid en worden de lidstaten opgeroepen de productiviteit te blijven stimuleren, de veerkracht van hun economieën te verbeteren en ervoor te zorgen dat de economische groei ten goede komt aan alle burgers.

5.   Algemene opmerkingen

5.1.

De lidstaten moeten iedereen — werklozen en loontrekkenden, vrouwen en mannen — opleidingsmogelijkheden bieden. Maatregelen, zoals de vaststelling van indicatoren voor openbare en particuliere investeringen in beroepsonderwijs en -opleidingen, en regelingen voor werknemers om betaald opleidingsverlof op te nemen, moeten daarom worden overwogen en verplicht worden gesteld in werkgelegenheidsrichtsnoer 6: Stimuleren van het arbeidsaanbod en het kwalificatieniveau (30). Het EESC heeft er in dit verband al op gewezen dat fatsoenlijke levensomstandigheden moeten worden gewaarborgd tijdens de opleiding. Er moet worden nagegaan of de EU maatregelen moet nemen — en zo ja, welke — om de instrumenten die in sommige lidstaten met succes worden toegepast, zoals subsidies, leningen, collectieve overeenkomsten inzake betaald opleidingsverlof of andere voorzieningen, tot standaardpraktijk in andere lidstaten te maken (31).

5.2.

De sociale partners en maatschappelijke organisaties komt ook een leidende rol toe bij het bestuur van het onderwijs- en opleidingsstelsel, waarbij zij o.a. moeten anticiperen op de vraag naar vaardigheden en het aanbod van deze vaardigheden moeten waarborgen. De gedeelde verantwoordelijkheid van de sociale partners op bedrijfsniveau is van essentieel belang, niet alleen bij het investeren in toekomstgericht onderwijs en opleiding van de werknemers, maar ook bij het dragen van de nodige omscholingskosten voor werknemers die werkloos worden. Ouderen maken daarbij de kwetsbaarste groep uit.

5.3.

De discussie over een EU-voorstel voor individuele leerrekeningen bevindt zich nog in een pril stadium, maar er zijn wel een aantal overwegingen die verder uitgewerkt moeten worden voordat een dergelijk voorstel ingevoerd kan worden, bijv. of de opleiding van werkenden is vastgelegd bij wet en/of bij collectieve overeenkomst, die moet(en) worden nageleefd om ervoor te zorgen dat werkgevers en werkenden de inhoud, de locatie en het tijdstip/de periode van de opleiding kunnen bepalen. Dit valt dan ook onder de bevoegdheden van de lidstaten en aanbevelingen aan de lidstaten over de wijze waarop de individuele leerrekeningen moeten worden gefinancierd en wie de financiële steun moet ontvangen (bedrijven, opleidingsinstellingen, openbare diensten voor arbeidsvoorziening of werkenden) moeten worden opgesteld via de sociale dialoog, met inachtneming van collectieve overeenkomsten en nationale wetgeving. Het is belangrijk dat bij deze overwegingen aandacht uitgaat naar de diversiteit van de nationale stelsels en benaderingen en dat de sociale partners een belangrijke rol spelen.

5.4.

Het EESC herhaalt zijn oproep om meer aandacht te besteden aan sociale investeringen, onder meer in onderwijs, opleiding en een leven lang leren. Het EESC heeft er reeds voor gepleit om het beginsel van de “gouden regel” in overweging te nemen, d.w.z. het uitsluiten van toekomstgerichte overheidsinvesteringen van de berekening van de netto overheidstekorten in het kader van de begrotingsregels van de EMU (32). Het EESC dringt aan op een discussie over de mogelijkheid om die “gouden” financieringsregel ook toe te passen op sociale investeringen met middelen uit de structuurfondsen van de EU (33).

5.5.

De combinatie van flexibel, aangepast leren en gepersonaliseerde ondersteuning, te beginnen met levenslange loopbaanbegeleiding helpt ook om inactieven en langdurig werklozen aan het werk te krijgen, met sociale en economische voordelen en langdurige besparingen op sociale voorzieningen tot gevolg. Een optimale mix van delen of kenmerken van deze aanpak kan de voorwaarden scheppen om de aanbeveling van de Raad over bijscholingstrajecten (34) op duurzame wijze te consolideren, te ontwikkelen en uit te voeren, ondanks het feit dat doelgroepen, vaardigheidsbehoeften en regeringen in de loop der tijd veranderen. Het opleidingsaanbod moet zodanig zijn opgezet dat mobiliteit tussen en binnen sectoren wordt bevorderd en ondersteund. Het waarborgen van deze transities komt ten goede aan de inzetbaarheid van werknemers en de mogelijkheden voor werkgevers om nieuwe werknemers aan te trekken.

5.6.

Het EESC is van mening dat de lidstaten de publieke sector, alsook aanbieders van onderwijs zonder winstoogmerk en maatschappelijke organisaties moeten ondersteunen bij de instandhouding van financiering voor het aanbieden van mogelijkheden in het kader van een leven lang leren die van goede kwaliteit en gemakkelijker toegankelijk zijn. De hoge kwaliteit van het opleidingsaanbod moet worden geborgd door middel van passende mechanismen.

5.7.

De verbetering van de investeringen in volwasseneneducatie en opleiding van werknemers hangt in hoge mate samen met de juiste input van onderzoek in het ontwerp, de hervorming en de uitvoering van het beleid en de systemen voor een leven lang leren. Om ervoor te zorgen dat investeringen in bijscholing en omscholing van werknemers in bedrijven doeltreffend zijn, zijn meer gegevens over de desbetreffende investeringen van bedrijven en de financiële steun van overheden geboden. De eigen bijdragen van werknemers, vakbonden en andere belanghebbenden moeten naar behoren worden geanalyseerd en in beleidsdiscussies worden meegenomen. De nadruk moet daarbij liggen op investeringen in scholing in verschillende vaardigheden (beroeps- en bedrijfsgerelateerde vaardigheden, kerncompetenties, basisvaardigheden enz.) voor werknemers met verschillende vaardigheidsniveaus (voor zowel vrouwen als mannen, binnen en buiten het bedrijf, verstrekt door andere aanbieders enz.).

5.8.

Door de uiteenlopende aard en het grote aantal verschillende aanbieders wordt volwasseneneducatie noch op nationaal noch op Europees niveau gecoördineerd. Een geïntegreerde aanpak waarbij verschillende beleidssectoren en belanghebbenden samenwerken, met bijzondere aandacht voor de democratische governance van de ontwikkeling en uitvoering van het LLL-beleid, met inbegrip van een doeltreffende sociale dialoog met de sociale partners en overleg met het maatschappelijk middenveld, kan de doeltreffendheid van het investeringsbeleid ten goede komen en zo de kans vergroten dat de zeer diverse potentiële doelgroepen worden bereikt en dat wordt ingespeeld op de behoeften van kwetsbare personen.

5.9.

Om een leven lang leren succesvol te maken roept het EESC alle beleidsmakers op nationaal en EU-niveau op om de problemen m.b.t. een leven lang leren aan te pakken en de volgende oplossingen financieel te ondersteunen, voor zover dat in overeenstemming met hun verantwoordelijkheden is:

5.9.1.

ontwerpen en uitvoeren van langetermijnstrategieën voor het bevorderen van samenwerking tussen formele, niet-formele en informele aanbieders van onderwijs ter ondersteuning van het leerproces en de opleidingsbehoeften van de lerenden; willen dergelijke strategieën duurzaam zijn, dan moeten ze samen met de representatieve organisaties op regionaal, nationaal en Europees niveau worden opgezet en voorzien in steun voor deze organisaties;

5.9.2.

ervoor zorgen dat lerenden een actieve rol kunnen vervullen bij hun leertrajecten door deze vooral op hun behoeften af te stemmen, zodat ze kennis en innovatie actief kunnen creëren in plaats van deze passief te consumeren;

5.9.3.

lerenden van alle leeftijden en achtergronden ondersteunen bij de toegang tot, het combineren van en het overstappen tussen verschillende vormen van leren, in overeenstemming met hun persoonlijke behoeften en vaardigheden, door middel van flexibelere onderwijs- en opleidingsstelsels en door hun een leven lang hoogwaardige begeleiding te bieden;

5.9.4.

de validatie van niet-formeel en informeel leren (zoals bepaald in de aanbeveling van de Raad over validatie (35)) als dringende prioriteit behandelen in het licht van het potentieel ervan om de zichtbaarheid te vergroten van alle vaardigheden, competenties en kennis die een zinvolle participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt kunnen ondersteunen, met name voor kwetsbare groepen (36).

5.9.5.

het aanbod van mogelijkheden voor een leven lang leren op lokaal niveau verbeteren door gebruik te maken van de bestaande lokale en onderwijsinfrastructuur om multifunctionele leerruimten te creëren waar iedereen welkom is; dergelijke lokale centra voor een leven lang leren bestaan al in uiteenlopende vormen in de lidstaten, maar zouden een centraal concept in de beleidsvorming moeten worden.

6.   Specifieke opmerkingen over het Europese en nationale financieringsbronnen en beleidsmaatregelen die nodig zijn om duurzame financiering te waarborgen (37)

6.1.   Financieringsbronnen van de EU

6.1.1.

De Commissie maakt in het meerjarig financieel kader voor 2021-2027 melding van verschillende manieren om het EU-investeringsplan te verbeteren door in het kader van InvestEU ruimte te maken voor sociale investeringen en vaardigheden. Hieruit blijkt dat de Commissie toezegt sociale investeringen te oormerken en de juiste instrumenten te creëren om dit mogelijk te maken.

6.1.2.

De Commissie en de lidstaten moeten de mogelijkheden aangrijpen die worden geboden door de EU-fondsen (zoals het ESF, Erasmus+, EFSI en andere relevante EU-instrumenten) en optimaal gebruikmaken van de beschikbare financiële middelen van de EU. Het komende MFK moet in ieder geval een einde maken aan de beperking van de budgettaire mogelijkheden voor een leven lang leren op nationaal en Europees niveau (38). Hoewel EU-middelen een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van vaardigheden/een leven lang leren, kan een te grote afhankelijkheid van EU-middelen aanleiding geven tot bezorgdheid over de duurzaamheid van de financiering, aangezien EU-financiering wordt toegewezen aan projecten en van nature tijdelijk is.

6.1.3.

Het Europees Semester speelt een cruciale rol bij het benadrukken van de nodige focus op financiering teneinde duurzame nationale investeringen in een leven lang leren en volwasseneneducatie te garanderen. Om effectief uitvoering te geven aan het nationale/regionale LLL-beleid moet een passend financieringsniveau worden gewaarborgd. Meer duurzaamheid en continuïteit van de financiering is essentieel om een duurzaam aanbod van volwasseneneducatie te waarborgen en LLL-verstrekkers in staat te stellen te innoveren en zich ter zake te ontwikkelen.

6.2.   Beleid voor een correcte verdeling van de middelen

6.2.1.

Het is belangrijk dat er een evaluatiecultuur tot stand wordt gebracht. Er zijn verschillende factoren die hiertoe kunnen bijdragen, zoals de politieke bereidheid om empirisch onderbouwde beleidsvorming (en verantwoordingsplicht) te omarmen, wettelijke evaluatievereisten, evaluatievereisten voor Europese financiering, en onderwijs en opleiding voor beoordelaars om voor evaluatie gedurende de hele beleidscyclus te zorgen.

6.2.2.

Het is belangrijk dat de doeltreffendheid van financiële en niet-financiële steunmaatregelen regelmatig wordt geëvalueerd en wordt nagegaan of de doelgroepen van volwassenen werden bereikt en of de middelen efficiënt werden ingezet. Er moeten solide regelingen voor toezicht en evaluatie komen. De resultaten van de evaluaties moeten worden meegenomen bij de beleidsvorming met betrekking tot een leven lang leren. Op basis van solide gegevens in de evaluaties kan worden voorgesteld bestaande maatregelen te wijzigen (of stop te zetten) en/of nieuwe in te voeren. Ook kunnen doeltreffende praktijken in kaart worden gebracht die kunnen worden uitgebreid door middel van verdere of duurzamere financiering. De sociale partners moeten worden betrokken bij het toezicht op en de evaluatie van de systemen.

6.2.3.

Er moeten financieringsmechanismen komen voor het inzetten van nationale middelen waarbij de kosten op passende wijze worden verdeeld tussen overheidsinstanties, werkgevers, particulieren en andere relevante belanghebbenden (bv. sociale partners, opleidingsverstrekkers, ngo’s). Zoals uit de databank van Cedefop over de financiering van volwassenenonderwijs (39) blijkt, bestaan er verschillende financieringsmechanismen die gericht zijn op individuele personen en bedrijven/werkgevers en tot doel hebben de participatie en de particuliere investeringen in onderwijs en opleiding te vergroten. Deze mogelijkheden moeten goed worden gecoördineerd door de overheid. In het geval van opleidingsfondsen op sectorniveau komt deze coördinerende taak vooral toe aan de sociale partners. Tot de financiële instrumenten voor particulieren behoren bijv. individuele leerrekeningen (ILR)/vouchers, (goedkope) leningen en betaald opleidingsverlof. De financiële steun voor bedrijven kan worden verleend via opleidingsfondsen (gefinancierd uit heffingen voor bedrijven), fiscale prikkels of subsidies (gefinancierd uit de algemene belastingen). Deze soorten kostendelingsinstrumenten zijn ook een manier om te zorgen voor gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen/uitvoeren van LLL-beleid en het investeren in vaardigheden.

6.2.4.

De sociale dialoog en de collectieve overeenkomsten, met name op sectoraal niveau, spelen een belangrijke rol in het beheer van opleidingsstelsels, het scheppen van opleidingsmogelijkheden en het verbeteren van de relevantie en het aanbod van opleiding voor werknemers. Dit houdt in dat de sociale partners moeten samenwerken om de overgang naar en de loopbaantrajecten tussen de verschillende sectoren te bevorderen. In verschillende lidstaten zijn opleidingsfondsen opgericht die een belangrijke rol kunnen spelen (40).

6.2.5.

Financieringsinstrumenten kunnen doeltreffender zijn wanneer zij worden gecombineerd met passende niet-financiële steunmaatregelen. De instrumenten moeten zorgvuldig worden ontworpen om doeltreffend te kunnen inspelen op specifieke/prioritaire kwetsbare doelgroepen (zoals laaggeschoolden, oudere werklozen, werknemers van kmo’s). Bij het ontwerpen van een financieringsinstrument is het ook belangrijk om te kijken naar de complementariteit en synergie ervan met andere bestaande instrumenten.

6.2.5.1.

Niet-financiële maatregelen voor particulieren omvatten ook maatregelen die doorgaans worden verleend in het kader van loopbaanbegeleiding of begeleiding gedurende het hele leven en validatiemogelijkheden. Deze diensten moeten lerenden ook informeren over de financiële steun voor volwasseneneducatie die voor hen beschikbaar is en over de manier waarop zij er toegang toe kunnen krijgen.

6.2.5.2.

Voor bedrijven kan niet-financiële steun worden geboden door middel van: informatie en advies met betrekking tot financieringsmogelijkheden, administratieve ondersteuning bij het aanvragen van financiering, het vaststellen van opleidingsbehoeften en het ontwikkelen van opleidingsplannen via adviesdiensten, het bevorderen van partnerschappen of bedrijfsnetwerken (onder kmo’s of met inbegrip van kmo’s) om middelen te bundelen en ontoereikende opleidingscapaciteit te verhelpen.

6.2.6.

Administratieve lasten voor aanvragers, ontvangers van financiering en de instanties die de middelen beheren, moeten tot een minimum worden beperkt, terwijl goede opzet/passende gerichtheid en doeltreffende monitoring van het financieringsinstrument ervoor moeten zorgen dat buitenkans- en/of substitutie-effecten worden vermeden.

Brussel, 7 mei 2020.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/mission-letter-nicolas-schmit_en.pdf

(2)  PB C 389 van 18.11.2019, blz. 12.

(3)  Europese onderwijsruimte.

(4)  https://eu2020.hr/

(5)  COM(2020) 14 final.

(6)  PB C 332 van 8.10.2015, blz. 68.

(7)  Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1) en PB C 13 van 15.1.2016, blz. 49.

(8)  Conclusies van de Raad over De sleutelrol van leven lang leren-beleid om samenlevingen in staat te stellen om te gaan met de technologische en groene transitie ter ondersteuning van inclusieve en duurzame groei.

(9)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 165.

(10)  Rapport over de Europese agenda voor volwasseneneducatie.

(11)  Zo heeft het World Economic Forum een rapport (2015) uitgebracht over het prangende probleem van de vaardigheidskloof in de 21e eeuw en manieren om deze kloof door middel van technologie aan te pakken, waarin het wijst op de behoefte aan vaardigheden (zoals kritisch denken en samenwerken) en bepaalde karaktereigenschappen (zoals nieuwsgierig zijn, graag het initiatief nemen en leiderschap tonen) naast de basisvaardigheden op het gebied van lezen, schrijven en rekenen die altijd al worden genoemd.

(12)  Advies in PB C 14 van 15.1.2020, blz. 46 en PB C 237 van 6.7.2018, blz. 8.

(13)  Rapport “New Vision for Education: Unlocking the Potential of Technology”, World Economic Forum.

(14)  COM(2020) 14 final.

(15)  Achtergronddocument “Adult education and sustainability” van de European association for the education of adults (EAEA).

(16)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1.

(17)  Rapport “Work for a brighter future” van de IAO-commissie voor de toekomst van werk.

(18)  https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/mission-letter-nicolas-schmit_en.pdf

(19)  PB C 389 van 18.11.2019, blz. 12.

(20)  Europese onderwijsruimte.

(21)  Rapport “Developing the adult learning sector” van de Europese Commissie.

(22)  Cedefop.

(23)  Europese Raad te Lissabon van 23 en 24 maart 2000, conclusies van het voorzitterschap.

(24)  Richtsnoeren voor de werkgelegenheid.

(25)  Landverslagen.

(26)  voor BG, HR, CZ, EE, FI, DE, GR, IE, IT, LV, LU, PL, RO, SK, ES, en UK.

(27)  voor AT, BE, BG, HR, CY, CZ, EE, FI, FR, DE, GR, HU, IT, LV, LU, MT, NL, PL, RO, SK, SI, ES, SE, en UK.

(28)  voor BG, EE, GR, IT, PT, RO, en SE.

(29)  COM(2019) 500 final.

(30)  PB C 332 van 8.10.2015, blz. 68.

(31)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, PB C 237 van 6.7.2018, blz. 8, PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60.

(32)  PB C 177 van 18.5.2016, blz. 35, PB C 268, 14.8.2015, blz. 27.

(33)  PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21.

(34)  Aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen (PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1).

(35)  Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1).

(36)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 49.

(37)  Zie ook “Cedefop analytical framework for developing upskilling pathways for adults”.

(38)  In zijn advies (PB C 62 van 15.2.2019, blz. 194) pleitte het EESC voor verdrievoudiging van het budget voor Erasmus+.

(39)  Databank van Cedefop.

(40)  Rapport “Promoting social partnership in employee training” van de Europese sociale partners.


III Voorbereidende handelingen

Europees Economisch en Sociaal Comité

551e plenaire zitting van het EESC (zitting op afstand), 5.5.2020-7.5.2020

14.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/18


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

(COM(2020) 70 final)

(2020/C 232/03)

Algemeen rapporteur:

Ellen NYGREN

Raadpleging

Raad van de Europese Unie, 6.3.2020

Rechtsgrondslag

Artikel 148, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de voltallige vergadering

7.5.2020

Zitting nr.

551 — Zitting op afstand

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

251/03/07

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de voorgestelde herziene werkgelegenheidsrichtsnoeren. Hun rol als langetermijnkompas voor het werkgelegenheidsbeleid van de EU-lidstaten is ook in tijden van crisis belangrijk. Het werkgelegenheidsbeleid is van cruciaal belang voor de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Unie in haar geheel en van haar lidstaten. De tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten is een gemeenschappelijk middel om te streven naar duurzame opwaartse convergentie, en in dit opzicht is de herziening van de werkgelegenheidsrichtsnoeren een goede zaak. De EU en haar lidstaten moeten inspanningen blijven leveren om de ongelijkheden weg te werken. Opwaartse convergentie is een horizontaal beginsel dat in het hele EU-beleid in aanmerking moet worden genomen en moet worden geïntegreerd.

1.2.

Het voorstel voor de herziene werkgelegenheidsrichtsnoeren is gepubliceerd vóór de grootschalige COVID-19-uitbraak. COVID-19 heeft zich sindsdien ontwikkeld tot een pandemie en de gevolgen ervan hebben ertoe geleid dat ook op het gebied van het arbeidsmarktbeleid dringend actie moet worden ondernomen. Om de verspreiding van de ziekte te beperken, zijn in alle EU-lidstaten en daarbuiten op ongekende wijze maatregelen getroffen. Het EESC pleit echter voor meer gecoördineerde actie.

1.3.

Het EESC is ervan overtuigd dat alleen een omvangrijk Europees economisch herstelplan de EU-lidstaten, hun burgers, bedrijven en werknemers kan helpen om de gevolgen van de COVID-19-pandemie zo goed mogelijk op te vangen en samen een meer duurzame en veerkrachtige Europese economie op te bouwen. Hoewel het onzeker is hoe lang de buitengewone situatie als gevolg van de COVID-19-crisis zal duren, is het duidelijk dat de gevolgen voor de arbeidsmarkt gedurende een langere periode merkbaar zullen zijn. De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid 2020 moeten derhalve ook worden aangepast om rekening te houden met deze nieuwe situatie.

1.4.

De economische schok als gevolg van de COVID-19-crisis heeft al geleid tot een werkgelegenheids- en sociale crisis, die ernstige en langdurige gevolgen kan hebben voor de Europese arbeidsmarkten. In dit verband moet worden overwogen om voor dit jaar een aanvullend en buitengewoon noodrichtsnoer voor werkgelegenheid vast te stellen als leidraad voor de noodzakelijke aanpassingen van het werkgelegenheidsbeleid in de EU-lidstaten, teneinde deze ongekende situatie aan te pakken. In een dergelijk noodrichtsnoer voor werkgelegenheid in het kader van COVID-19 zouden verwijzingen kunnen worden opgenomen naar efficiënte tijdelijke maatregelen die nodig zijn om de gevolgen van de crisis te verzachten, zoals werktijdverkortingsregelingen, inkomenssteun, verlenging van betaald ziekteverlof en bevordering van werken op afstand (met inachtneming van de verantwoordelijkheid van werkgevers voor de gezondheid en veiligheid van werknemers).

1.5.

Volgens richtsnoer 5 worden lidstaten nog steeds aangemoedigd om “innovatieve vormen van werk” te bevorderen. Hoewel nieuwe vormen van werk en innovatie kansen bieden voor groei, heeft het EESC al eerder gewezen op de vele uitdagingen die met dit soort werk gepaard gaan. In de werkgelegenheidsrichtsnoeren moet worden getracht de met deze nieuwe arbeidsvormen samenhangende trends om te zetten in eerlijke werkgelegenheidskansen. De oproep om adequate en eerlijke lonen vast te stellen, door middel van de verbetering van de mechanismen voor het wettelijk minimumloon, waar dit bestaat, of door middel van collectieve onderhandelingen moet worden verwelkomd. Het is essentieel dat de sociale partners hierbij worden betrokken en uitermate positief dat de lidstaten in richtsnoer 5 worden verzocht om “de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen met het oog op loonvorming te bevorderen”. Aan het einde van dit richtsnoer moeten in dit verband voorstellen worden opgenomen om de doeltreffendheid van de collectieve overeenkomsten te versterken door het toepassingsgebied ervan te vergroten.

1.6.

Met betrekking tot richtsnoer 6 “Het arbeidsaanbod verbeteren en toegang tot de arbeidsmarkt, vaardigheden en competenties vergroten” waardeert het EESC het dat het richtsnoer verwijst naar een overkoepelende visie op competenties die zijn afgestemd op een duurzaam productiesysteem. Het EESC verheugt zich erover dat de lidstaten in de richtsnoeren worden verzocht hun onderwijs- en opleidingsstelsels aan te passen en hierin te investeren om te voorzien in hoogwaardig en inclusief onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding. Het dringt in dit verband aan op doeltreffendere Europese en nationale strategieën om te zorgen voor duurzame financiering opdat alle volwassenen zich hun hele leven kunnen her- en bijscholen. De focus ligt daarbij met name op het bieden van een effectieve ondersteuning aan werkenden en werklozen.

1.7.

Met betrekking tot richtsnoer 7 “De werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog verbeteren” zij erop gewezen dat het goed functioneren van de sociale dialoog van essentieel belang is voor elk werkgelegenheidsbeleid, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de EU-werkgelegenheidsrichtsnoeren. Daarom moet er meer worden gedaan om de sociale dialoog te vergemakkelijken en te bevorderen, zowel op nationaal als op Europees niveau. Verder heeft de Commissie vooruitgang geboekt met het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij het proces van het Europees Semester, en dit is toe te juichen en moet verder worden ontwikkeld. Een element dat ontbreekt in dit richtsnoer is de noodzaak van betere veiligheid en gezondheid op het werk. In het licht van de COVID-19-uitbraak is een gezonde en veilige werkplek essentieel om het risico op infectie en verspreiding van het virus en andere ziekten te verkleinen. Zoals altijd en met name in de huidige uitzonderlijke omstandigheden moeten werkgevers de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de gezondheid en veiligheid van hun werknemers, hen en hun vertegenwoordigers voorzien van toereikende informatie, risicobeoordelingen uitvoeren en preventieve maatregelen nemen. De overheid, het bedrijfsleven, de werknemers en de sociale partners moeten allemaal een rol spelen bij de bescherming van de werknemers, hun gezinnen en de samenleving in het algemeen.

1.8.

De meeste kleine en middelgrote ondernemingen beschikken over geringe economische en managementmiddelen en zouden daarom concrete financiële ondersteuning op maat moeten krijgen voor programma’s voor gezondheid en veiligheid op het werk, om werkplekken aan te passen en snel nieuwe procedures en praktijken toe te passen teneinde werknemers te beschermen. Arbeidsinspecteurs, EU-OSHA (het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk), het Enterprise Europe Network en de bevoegde autoriteiten op nationaal niveau kunnen praktische ondersteuning bieden, zoals kosteneffectieve en kosteloze gebruiksvriendelijke instrumenten, informatie, begeleiding en advies.

1.9.

Wat betreft richtsnoer 8 “Gelijke kansen voor iedereen bevorderen, sociale inclusie stimuleren en armoede bestrijden” moeten alle vormen van discriminatie worden bestreden. Sociale bescherming en gezondheidszorg moeten voor iedereen toegankelijk zijn. De bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen, alsook van actief ouder worden voor iedereen, moet worden ondersteund door passende maatregelen, zoals toegang tot hoogwaardige openbare diensten en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor iedereen. In de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moeten ook doelstellingen inzake sociale bescherming in aanmerking worden genomen zoals volledige en doeltreffende dekking, toereikendheid en transparantie van socialezekerheidsregelingen.

2.   Achtergrond

2.1.

Volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moeten de lidstaten hun economisch beleid en de bevordering van de werkgelegenheid beschouwen als aangelegenheden van gemeenschappelijk belang en hun maatregelen op deze gebieden in het kader van de Raad coördineren (1). In artikel 148 VWEU is bepaald dat de Raad richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moet opstellen. In de richtsnoeren worden de omvang en de richting geformuleerd voor de beleidscoördinatie van de lidstaten; een en ander dient als basis voor de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester.

2.2.

De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid en de richtsnoeren voor het economisch beleid werden in 2010 voor het eerst gezamenlijk aangenomen in de vorm van een “geïntegreerd pakket” in samenhang met de Europa 2020-strategie. In 2018 werden de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid afgestemd op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten. Het EESC was vanaf het allereerste begin ingenomen met deze afstemming (2), maar eiste toen en in een aantal latere adviezen (3) dat in de praktijk meer wordt gedaan om die pijler waar te maken en uit te voeren.

2.3.

Aangezien het Europees Semester is bijgewerkt om hierin de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN op te nemen, is de jaarlijkse groeianalyse omgevormd tot de jaarlijkse strategie voor duurzame groei en wordt nu voorgesteld om de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid te herzien.

2.4.

Het voorstel van de Europese Commissie voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten werd op 26 februari 2020 aangenomen, vóór de start van de coördinatie van de noodmaatregelen om de uitbraak van COVID-19 het hoofd te bieden. Het onmiddellijke doel van de overheid moet zijn om te zorgen voor het juiste evenwicht tussen de bescherming van de volksgezondheid door de verspreiding van het virus te beperken en het behoud van vitale economische activiteiten.

2.5.

De IAO heeft gewaarschuwd dat de gevolgen van COVID-19 voor de werkgelegenheid diepgaand, vergaand en ongekend zijn (4) en kunnen leiden tot het verlies van miljoenen banen, evenals tot een toename van het gebrek aan werkgelegenheid en werkende armen, wat de gevolgen van de financiële crisis van 2008-2009 ver overstijgt. De vermindering van de omvang van de gevolgen zal afhangen van de snelheid en de vastberadenheid waarmee politieke besluiten worden genomen en uitgevoerd.

2.6.

Het EESC is ervan overtuigd dat alleen een omvangrijk Europees economisch herstelplan de EU-lidstaten, hun burgers, bedrijven en werknemers kan helpen om de gevolgen van de COVID-19-pandemie zo goed mogelijk op te vangen en samen een meer duurzame en veerkrachtige Europese economie op te bouwen (5). De lidstaten moeten snel overeenstemming bereiken over een nieuw meerjarig financieel kader (MFK), waardoor de onzekerheid over de financiering van EU-investeringen vanaf 2021 wordt verminderd.

2.7.

Bedrijven en werknemers in een breed scala aan economische sectoren zijn ernstig getroffen. Veel ondernemingen, en met name micro-, kleine en middelgrote ondernemingen alsook sociale ondernemingen dreigen insolvent te raken en miljoenen werknemers lopen gevaar hun inkomsten te verliezen en te worden ontslagen (6). Gemiddeld ongeveer 90 % van de kleine en middelgrote ondernemingen zegt economisch te zijn getroffen en verwacht een stijging van het werkloosheidscijfer met 3 tot 5 procentpunten (7). Er zijn gerichte maatregelen nodig om bedrijven en banen in belangrijke sectoren die bijzonder zwaar getroffen zijn, te ondersteunen.

2.8.

In Europa en de rest van de wereld wordt medisch personeel terecht toegejuicht als de helden aan de frontlinie, die alles geven om levens te redden en hiervoor te vaak zelf de hoogste prijs betalen. Deze medewerkers, evenals leraren, andere werknemers in de openbare sector, inwonende zorgverleners en mantelzorgers zijn in sommige landen ondergewaardeerd en hadden het sterkst te lijden onder de bezuinigingsmaatregelen die werden genomen naar aanleiding van de crisis van 2008. Het is essentieel dat deze hernieuwde waardering in de toekomst concreet wordt vertaald naar verbeterde arbeidsvoorwaarden en de noodzakelijke investeringen in openbare diensten en met name welzijnswerk.

2.9.

De COVID-19-crisis illustreert ook duidelijk de bestaande structurele problemen op de Europese arbeidsmarkten. Er blijven ongelijkheden bestaan tussen werknemers in stabielere en meer zekere werkomstandigheden en werknemers in meer onzekere vormen van werk. Flexibiliteit voor zowel werkgevers als werknemers is nodig om de snelle veranderingen in de arbeidswereld aan te pakken en dit moet worden ondersteund door het bevorderen van zekerheid en eerlijke arbeidsvoorwaarden in alle vormen van werk.

2.10.

Veel van de werknemers die doorgaans worden gezien als “laagopgeleid” en die dienovereenkomstig laagbetaald worden, zijn in werkelijkheid heel belangrijke werknemers die helpen onze wereld draaiende te houden, waarbij zij zelf en hun naasten vaak gevaar lopen.

2.11.

Deze werknemers, die reeds het kwetsbaarst zijn in termen van toegang tot en deelname aan de arbeidsmarkt, lopen een groter risico op uitsluiting. Hierbij valt onder meer te denken aan vrouwen, jongeren, mensen met een handicap en andere groepen die worden geconfronteerd met discriminatie op het werk, zoals migranten en Roma. Sommige werknemers, met name vrouwen, kunnen zich genoodzaakt zien hun baan op te geven om zich te wijden aan de zorg voor hun kinderen of andere familieleden.

2.12.

Het belangrijkste punt van zorg voor Europese ondernemingen is om hun marktpositie en daarmee werkgelegenheid voor miljoenen werknemers te behouden. Ondernemingen en sociale partners komen tot pragmatische oplossingen, zoals aanpassing van bedrijfsplannen, invoering van werktijdverkortingsregelingen, telewerken of andere flexibele alternatieven, en het scheppen van de voorwaarden voor cursussen op afstand op bedrijfsniveau.

2.13.

In het licht van deze ontwikkelingen moet de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid door de Europese Unie worden aangepast om in te spelen op de nieuwe en ongekende situatie. Het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad betreffende de instelling van een Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE) naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 (8) is een welkom initiatief om onmiddellijke steun te verlenen aan werknemers en bedrijven. Wanneer dit snel wordt uitgevoerd, zal het ertoe bijdragen de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid op te vangen en de voorwaarden voor een snel herstel te bevorderen. Hoewel het onzeker is hoe lang de buitengewone situatie als gevolg van de COVID-19-crisis zal duren, is het duidelijk dat de gevolgen gedurende een langere periode merkbaar zullen zijn. De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid 2020 moeten derhalve ook worden aangepast om rekening te houden met deze nieuwe situatie.

2.14.

De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moeten gedurende een langere periode stabiel zijn en toepasbaar op alle lidstaten, gezien de uiteenlopende nationale omstandigheden. Met het oog op de huidige COVID-19-uitbraak — en er zijn al tekenen dat die zal leiden tot een economische en sociale crisis, met een ernstige en langdurige impact op de Europese arbeidsmarkten tot gevolg — moet echter ook worden overwogen om dit jaar een aanvullend en buitengewoon noodrichtsnoer voor werkgelegenheid vast te stellen teneinde richting te geven aan de noodzakelijke aanpassingen van het werkgelegenheidsbeleid in de EU-lidstaten om de huidige ongekende situatie het hoofd te bieden. De bestaande open coördinatiemethode moet verder worden verbeterd om de lidstaten ondersteuning te bieden bij het benchmarken van de vorderingen op het gebied van hervorming en de verbetering van de prestaties van hun werkgelegenheidsbeleid en de nationale stelsels voor sociale bescherming.

2.15.

In een noodrichtsnoer voor werkgelegenheid in het kader van COVID-19 zouden verwijzingen kunnen worden opgenomen naar efficiënte tijdelijke maatregelen die nodig zijn om de gevolgen van de crisis te verzachten, zoals werktijdverkortingsregelingen, inkomenssteun, verlenging van betaald ziekteverlof, uitstellen van de socialezekerheidsbijdragen van werkgevers, van de voorlopige belastingaanslag op salarissen en van de belasting over de toegevoegde waarde, en bevordering van werken op afstand (met inachtneming van de verantwoordelijkheid van werkgevers voor de gezondheid en veiligheid van werknemers).

2.16.

Tegen de achtergrond van de COVID-19-crisis ziet het EESC dit advies als een kans om opmerkingen en aanbevelingen kenbaar te maken ten aanzien van de manier waarop de ongekende verstoringen van de arbeidsmarkten in steeds meer landen na de gedeeltelijke shutdown van het maatschappelijke en economische leven om de virusinfectie te bestrijden, kunnen worden aangepakt. Als gevolg van deze situatie zullen de EU-lidstaten hun werkgelegenheidsbeleid moeten aanpassen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC verwijst naar eerdere adviezen over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid en herhaalt enkele goede punten uit deze adviezen:

Er zijn meer inspanningen nodig om te investeren in het scheppen van hoogwaardige banen en om onzeker werk aan te pakken, daar dit ook de productiviteit beperkt (9).

De EU en haar lidstaten moeten inspanningen blijven leveren om de ongelijkheden weg te werken. Opwaartse convergentie is een horizontaal beginsel dat in het hele EU-beleid in aanmerking moet worden genomen en moet worden geïntegreerd (10).

Het EESC herhaalt zijn oproep tot een deugdelijk pakket sociale investeringen als onderdeel van een Europees groei- en investeringsprogramma ten belope van 2 % van het bbp (11).

Bepalingen inzake gendergelijkheid moeten deel uitmaken van elk richtsnoer en er moet een sterke focus zijn op kwesties in verband met lage lonen bij het aanpakken van de loonkloof tussen mannen en vrouwen (12).

In verschillende adviezen wordt gepleit voor een strategie voor de sociale inclusie van mensen met een handicap, migranten en Roma.

Een goed functionerende sociale dialoog is essentieel om de opwaartse sociale convergentie en de toegang tot hoogwaardige banen, kwalificaties en vaardigheden te verwezenlijken, alsook voor een betere uitstippeling en tenuitvoerlegging van hervormingen die uit deze doelstellingen voortvloeien (13).

Een rechtvaardigere samenleving kan alleen tot stand worden gebracht door te zorgen voor duurzamere en inclusievere economische groei en werkgelegenheid in combinatie met grotere productiviteit en een betere concurrentiepositie, zodat burgers fatsoenlijke werkomstandigheden, passende lonen en pensioenen worden gegarandeerd, en hun rechten kunnen uitoefenen (14).

Het EESC heeft in een van zijn adviezen over de pijler van sociale rechten bovendien de aandacht gevestigd op de noodzaak om het scorebord te verbeteren en de noodzaak van een zowel economisch als sociaal Europees Semester (15). Het verband tussen het toezicht op macro-economische kwesties en werkgelegenheid en sociaal beleid is essentieel.

Er is volgens het EESC weliswaar vooruitgang geboekt met de pijler van sociale rechten en de integratie van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, maar desondanks heerst er nog steeds een gebrek aan convergentie tussen beide pakketten richtsnoeren. Het EESC is ingenomen met de bijwerking van de richtsnoeren, op basis van de integratie van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen in het Europees Semester.

3.2.

Het EESC wijst er nogmaals op dat bij de vaststelling van het arbeidsmarktreguleringsbeleid en de sociale rechten concurrentievermogen, productiviteit en sociale duurzaamheid, waaronder rechten van werknemers, harmonieus moeten samengaan omdat zij rechtstreeks met elkaar samenhangen. Zowel Europese, nationale als lokale overheden moeten in hun beleid zorgen voor een passend evenwicht tussen economische, sociale en milieuduurzaamheid (16).

3.3.

Het werkgelegenheidsbeleid is van groot belang voor de economische en sociale ontwikkeling van de EU in haar geheel en van haar lidstaten. De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid spelen een belangrijke rol bij het samenbrengen van de Commissie, de nationale regeringen, werkgevers en vakbonden om het werkgelegenheidsbeleid en de stelsels voor sociale bescherming te moderniseren in het licht van de veranderende economische en sociale context in Europa.

3.4.

De Europese pijler van sociale rechten (EPSR) kan een middel zijn om opwaartse convergentie en betere leef- en werkomstandigheden in de hele EU te bevorderen. De toekomst van de arbeidsmarkt moet een centraal thema zijn in de debatten over de pijler van sociale rechten, die betrekking moeten hebben op de grote veranderingen die zich momenteel voltrekken, en er moet een coherente Europese werkgelegenheidsstrategie worden vastgesteld die de volgende thema’s bestrijkt:

investering en innovatie;

werkgelegenheid en het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen;

billijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen;

eerlijke en vlotte transities ondersteund door een actief arbeidsmarktbeleid;

gelijke kansen voor iedereen;

betrokkenheid van alle partijen, met name de sociale partners;

investeringen in onderwijs- en opleidingsstelsels ter bevordering van hoogwaardig en inclusief onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding, programma’s voor een leven lang leren, bijscholing en omscholing, met name om rekening te houden met de vraag naar digitale en groene vaardigheden.

3.5.

De effectieve tenuitvoerlegging van de EPSR in de lidstaten zal alleen mogelijk zijn als er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om te investeren in sociaal beleid dat gericht is op de toepassing van rechten en beginselen via specifieke beleidsinitiatieven. Daartoe moet een beroep worden gedaan op mechanismen zoals het Europees Sociaal Fonds en het Europees fonds voor strategische investeringen (17).

3.6.

Met name de werkloosheid vormt een grote uitdaging voor de meeste landen. De gevolgen van de COVID-19-crisis vereisen meer inspanningen voor een actief arbeidsmarktbeleid dan onder normale omstandigheden. Op zowel EU- als nationaal niveau moet meer worden gedaan.

3.7.

In lijn met de beginselen van de EPSR kunnen de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid een belangrijk instrument zijn voor de lidstaten bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid en maatregelen ter verzachting van de economische en sociale impact van de COVID-19-crisis op de korte termijn en om de crisis te boven te komen zonder de arbeidsrechten te ondermijnen of aan concurrentievermogen in te boeten. Dit kan worden gecoördineerd binnen het kader van het Europees Semester. In de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moet de bevordering van de sociale dialoog een prioriteit zijn. Een sterke sociale dialoog moet op alle niveaus worden gewaarborgd om de effecten van de crisis op duurzame wijze het hoofd te bieden, zowel in economisch als sociaal opzicht.

3.8.

Baanbehoud en naar behoren gecompenseerde werktijdverkorting is in dit opzicht beter voor werkgevers en voor werknemers dan ontslag. De EU-brede bevordering en de financiële ondersteuning van dergelijke arbeidsmarktinstrumenten zouden een belangrijke bijdrage leveren tot de stabilisatie van het economische en sociale leven in de huidige buitengewone omstandigheden.

3.9.

In dit verband is het EESC verheugd over de oprichting van SURE (18), het door de Commissie aangekondigde instrument dat is ontwikkeld om financiële steun te verlenen voor werkverkortingsregelingen, mechanismen voor inkomenscompensatie en andere maatregelen gericht op het voorkomen van werkloosheid als gevolg van de COVID-19-uitbraak.

3.10.

Wat betreft de richtsnoeren voor de lidstaten voor de toepassing van dit instrument, verzoekt het EESC de Commissie er ten minste voor te zorgen dat a) alle lidstaten voorzien in werktijdverkortingsregelingen of vergelijkbare maatregelen, b) alle werknemers, sectoren en bedrijven vallen onder dergelijke maatregelen, c) betalingen bij voorkeur worden gedaan aan bedrijven die meer inspanningen leveren om ontslagen voorkomen, en d) de sociale partners volledig worden betrokken bij het ontwerp, de ontwikkeling en de uitvoering van de regelingen op nationaal, sectoraal en bedrijfsniveau en dat toereikende EU-financiering wordt toegewezen om lidstaten te helpen de noodzakelijke maatregelen uit te voeren.

3.11.

In hun recente gezamenlijke verklaring over COVID-19 (19) dringen de Europese sociale partners erop aan dat alle mogelijke inspanningen worden geleverd om werknemers, ondernemingen, economische sectoren en openbare diensten te helpen de crisis te doorstaan, zodat zij hun activiteiten kunnen hervatten zodra de crisis is beëindigd, om te zorgen dat werknemers hun baan in de tussentijd kunnen behouden, om hen te beschermen tegen werkloosheid en inkomensverliezen en om de financiële verliezen in het algemeen te verzachten.

3.12.

De sociale partners dringen er bij de regeringen op aan in het bijzonder maatregelen goed te keuren met het oog op:

het voorkomen van verstoringen van de eengemaakte markt, met inbegrip van verboden en uitvoerbeperkingen, met name voor de uitvoer van medische apparatuur en medicijnen, en het stoppen van de grenssluitingen voor goederen; het waarborgen van alle wijzen van goederenvervoer is een prioriteit binnen de EU, die ook een essentiële rol speelt bij het coördineren en informeren ten aanzien van maatregelen die in de lidstaten worden genomen;

het aanmoedigen van uitgaven en investeringen van de lidstaten ter versterking van personeel, apparatuur en middelen voor nationale gezondheidsdiensten, stelsels voor sociale bescherming en andere diensten van algemeen belang;

het mobiliseren van ongebruikte middelen en andere EU-middelen ter ondersteuning van de lidstaten bij het waarborgen van financiële en inkomenssteun voor werknemers die werkloos zijn geworden of wier werk is stilgelegd;

het waarborgen van de toegang tot kredieten en financiële steun voor ondernemingen, met name alle soorten kleine en middelgrote ondernemingen, die zijn getroffen door de lockdown en noodmaatregelen, met een gecoördineerd optreden gefinancierd uit de EU-begroting, door de ECB, de EIB en de nationale stimuleringsbanken;

het activeren van het Solidariteitsfonds voor natuurrampen en andere financiering die beschikbaar is op EU-niveau om de momenteel tekortschietende begrotingen aan te vullen;

de inspanningen van de Commissie om ten volle gebruik te maken van de flexibiliteit binnen de staatssteunregels.

3.13.

De lidstaten moeten de nationale sociale partners betrekken bij het ontwerpen en uitvoeren van de nationale maatregelen.

3.14.

De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de financiële steun terechtkomt bij ondernemingen, en met name alle soorten kleine en middelgrote ondernemingen, en alle werknemers, met inbegrip van degenen met onzekere banen, die het meest kwetsbaar zijn.

3.15.

Het voornemen van de Commissie om de begrotings- en staatssteunregels flexibel toe te passen, is essentieel voor de ondersteuning van openbare diensten, waarop nu een zeer zwaar beroep wordt gedaan, en van bedrijven en werknemers die worden getroffen door de crisis.

3.16.

EU-middelen die worden geïnvesteerd om werknemers en ondernemingen te beschermen tegen de ergste gevolgen van de crisis zouden een aanvulling moeten vormen op de uitgaven van de lidstaten.

3.17.

Europa moet verantwoordelijkheid, solidariteit en efficiëntie tonen in de omgang met de huidige noodsituatie, door al zijn getroffen burgers, werknemers en ondernemingen te beschermen.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.

De rol van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid als kompas is ook belangrijk in de COVID-19-crisis, tijdens welke kortetermijnmaatregelen de meeste aandacht krijgen. Het langetermijnperspectief mag niet uit het oog worden verloren, zelfs niet in tijden van nood, teneinde te streven naar duurzame opwaartse convergentie.

4.2.   Richtsnoer 5: De vraag naar arbeid stimuleren

4.2.1.

Vanuit een langetermijnperspectief schiet het richtsnoer tekort wat betreft het voorzien in doeltreffende maatregelen om de vraag naar arbeid te stimuleren. Alle voorgestelde maatregelen verwijzen naar toegangsbelemmeringen voor bedrijven en belastingverschuivingen om de fiscale lasten van arbeid te verlagen. Dit voorstel is voor de korte termijn en houdt geen rekening met de politieke gevolgen van de beperking van de financiële draagkracht van de staat.

4.2.2.

Volgens richtsnoer 5 worden lidstaten nog steeds aangemoedigd om “innovatieve vormen van werk” te bevorderen. Hoewel nieuwe vormen van werk en innovatie kansen bieden voor groei, heeft het EESC al eerder gewezen op de vele uitdagingen die met dit soort werk gepaard gaan. In de werkgelegenheidsrichtsnoeren moet worden getracht de met deze nieuwe arbeidsvormen samenhangende trends om te zetten in eerlijke werkgelegenheidskansen die zijn gebaseerd op evenwicht tussen een flexibele arbeidsmarkt en adequate regels om arbeidskrachten zekerheid te bieden (20).

4.2.3.

De oproep om adequate lonen vast te stellen, door middel van de verbetering van de mechanismen voor het vaststellen van het wettelijk minimumloon, waar dit bestaat, of door middel van collectieve onderhandelingen moet worden verwelkomd. Het is essentieel dat de sociale partners hierbij worden betrokken en uitermate positief dat de lidstaten in de richtsnoeren worden verzocht om de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen met het oog op de vaststelling van lonen te bevorderen. Het EESC bereidt momenteel een advies voor over fatsoenlijke minimumlonen (21).

4.2.4.

De verschuiving van het belasten van arbeid naar andere bronnen in de richtsnoeren wordt, evenals de nieuwe specificatie daarvan, toegejuicht. Er moet echter wel meer duidelijkheid worden verschaft over andere mogelijke bronnen. Het EESC heeft adviezen aangenomen inzake kwesties zoals agressieve fiscale planning, fraude en belastingontwijking (22).

4.2.5.

Aan het einde van dit richtsnoer moeten voorstellen worden opgenomen om de doeltreffendheid van de collectieve overeenkomsten te versterken door het toepassingsgebied ervan te vergroten. Tegelijkertijd is het van het grootste belang en een voorwaarde dat het subsidiariteitsbeginsel en de autonome rol van de sociale partners volledig worden geëerbiedigd (23).

4.3.   Richtsnoer 6: Het arbeidsaanbod vergroten en de toegang tot de arbeidsmarkt, vaardigheden en competenties verbeteren

4.3.1.

Het is goed dat in dit richtsnoer wordt verwezen naar een overkoepelende visie op vaardigheden die zijn afgestemd op een productief systeem dat duurzaam is. Het EESC verheugt zich erover dat de lidstaten in de richtsnoeren worden verzocht hun onderwijs- en opleidingsstelsels aan te passen en hierin te investeren om te voorzien in hoogwaardig en inclusief onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding.

4.3.2.

Het EESC moedigt de lidstaten aan optimaal gebruik te maken van de door de EU-fondsen geboden mogelijkheden, die ook met nationale middelen ondersteund zouden moeten worden. Het dringt aan op doeltreffendere Europese en nationale strategieën om te zorgen voor duurzame financiering opdat alle volwassenen zich kunnen her- en bijscholen. De focus moet daarbij met name liggen op effectieve ondersteuning van werkenden en werklozen via openbare diensten voor arbeidsvoorziening, bedrijven, individuele opleidingstegoeden en andere nationale instrumenten. Gezien de impact van de COVID-19-uitbraak kunnen onmiddellijke maatregelen nodig zijn om het arbeidsaanbod af te stemmen op de huidige behoeften en vraag, bijvoorbeeld om bedrijven in de dienstensector hun personeel tijdelijk te laten uitlenen aan de gezondheidszorgsector.

4.3.3.

Het EESC stelt de Commissie voor ambitieuzer te zijn bij het vaststellen van indicatoren en benchmarks voor de participatie in het volwassenenonderwijs en de toegang tot opleiding voor personeel, evenals van indicatoren in verband met openbare en particuliere investeringen in beroepsonderwijs- en opleidingen. Het recht van werknemers op betaald verlof voor opleidingsdoeleinden moet worden overwogen en worden genoemd in werkgelegenheidsrichtsnoer 6 (24).

4.3.4.

Her- en bijscholing zullen essentieel zijn bij de aanpassing van de arbeidsmarkten tijdens de COVID-19-crisis, maar ook om ervoor te zorgen dat Europa sterker uit die crisis komt, met een verbeterd concurrentievermogen. De lidstaten moeten mechanismen en stelsels opbouwen of versterken voor de overgang naar een nieuwe baan, met ondersteuning uit het Europees Sociaal Fonds. Het doel van dergelijke mechanismen is het creëren van manieren om mensen weer aan het werk te helpen en te voorkomen dat reorganisaties tot langdurige werkloosheid leiden, maar ook te zorgen voor trajecten naar nieuwe banen en diverse processen voor het creëren van werkgelegenheid.

4.3.5.

Een beter inzicht in de veranderende aard van werk en arbeidsverhoudingen in het digitale tijdperk moet de doeltreffendheid van het EU-werkgelegenheidsbeleid kunnen vergroten. De COVID-19-pandemie heeft geleid tot een situatie waarin meer mensen dan ooit telewerken. Telewerken is niet geschikt voor alle omstandigheden en alle soorten functies, maar als het correct wordt toegepast, kan het een belangrijk antwoord vormen op de vraag naar flexibelere arbeidstijden om werknemers te helpen een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bereiken, wat ook in het belang van ondernemingen is. Het is van essentieel belang dat er zowel op de werkplek als bij telewerken goede afspraken worden gemaakt over gezondheid en veiligheid, zoals over maximale werktijden. Er moet ook meer onderzoek worden gedaan naar en meer worden geïnvesteerd in maatregelen om nieuwe en opkomende risico’s aan te pakken, waaronder stress en andere psychosociale risico’s.

4.3.6.

Om ervoor te zorgen dat alle leerkrachten, leerlingen en burgers volledige digitale geletterdheid bereiken — ook in kansarme gebieden — moeten er voldoende overheidsmiddelen en deskundig technisch personeel worden ingezet. Het is van cruciaal belang om de toegang tot internet en trajecten voor digitale geletterdheid te waarborgen voor mensen die in dit verband gevaar lopen, en om hun de mogelijkheid te geven hun rechten uit te oefenen en toegang te krijgen tot sociale diensten.

4.3.7.

Het EESC heeft reeds benadrukt dat tijdens de opleidingstijd een fatsoenlijk inkomen moet worden gewaarborgd. Ook moeten instrumenten die in sommige EU-lidstaten worden gebruikt onder de loep worden genomen. Zulks om goede praktijken op het gebied van minimumnormen voor opleidingsverlof in een lidstaat tot standaardpraktijken in de andere lidstaten te maken.

4.3.8.

Wat betreft de steun voor werklozen en in het licht van het gestegen aantal mensen dat langdurig werkloos is, moet in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid de noodzaak worden behandeld vroegtijdig maatregelen te nemen om te voorkomen dat mensen die buiten de arbeidsmarkt vallen, getraumatiseerd raken. De dekking en de hoogte van werkloosheidsuitkeringen moeten toereikend zijn. Sommige nationale stelsels zijn te rigide wat betreft het in aanmerking komen voor uitkeringen en de betalingen zijn te laag. In dit opzicht heeft het EESC onlangs opgeroepen tot Europese maatregelen om te komen tot minimumnormen voor nationale werkloosheidsregelingen (25).

4.3.9.

Terwijl de kansen om wat voor soort werk dan ook te vinden moeten worden bevorderd, moet het op de agenda plaatsen van hoogwaardige banen de kern vormen van de werkgelegenheidsvisie van de EU voor de lange termijn.

4.4.   Richtsnoer 7: De werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog verbeteren

4.4.1.

De oproep om te streven naar transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, om segmentatie en onzeker werk te voorkomen en de overgang naar arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te bevorderen is een positief teken. Hetzelfde geldt voor de versterking en verbetering van de capaciteit van de sociale partners om collectief te onderhandelen. De werkgelegenheidsrichtsnoeren moeten ook gericht zijn op het vergroten van de reikwijdte van collectieve onderhandelingen en moeten garanderen dat alle werknemers het recht hebben om zich te organiseren en zich ongehinderd kunnen aansluiten bij vakbonden.

4.4.2.

De bepalingen betreffende toegang tot een onpartijdig systeem van geschillenbeslechting in dit richtsnoer moeten verder gaan dan alleen “onrechtmatig ontslag”. Het recht van partijen om zich tot de rechter te wenden indien alternatieve geschillenbeslechting is mislukt, dient daarbij onaangetast te blijven (26).

4.4.3.

Andere positieve elementen van het Commissievoorstel, in vergelijking met de huidige richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid, zijn de nadruk op eerlijke arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers en de verwijzingen naar het bestrijden van discriminatie en het beëindigen van armoede onder werkenden. Het zal belangrijk zijn dat de lidstaten rekening houden met mobiele werknemers, met inbegrip van grensarbeiders, bij het uitvoeren van maatregelen, zoals het sluiten van grenzen, om de impact van de COVID-19-uitbraak te verzachten.

4.4.4.

Een element dat ontbreekt in dit richtsnoer is de noodzaak van betere veiligheid en gezondheid op het werk. In het licht van de COVID-19-uitbraak is een gezonde en veilige werkplek essentieel om het risico op infectie en verspreiding van het virus en andere ziekten te verkleinen. Werkgevers moeten de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de gezondheid en veiligheid van hun werknemers, hen en hun vertegenwoordigers voorzien van toereikende informatie, risicobeoordelingen uitvoeren en preventieve maatregelen nemen. De overheid, het bedrijfsleven, de werknemers en de sociale partners moeten allemaal een rol spelen bij de bescherming van de werknemers, hun gezinnen en de samenleving in het algemeen. Om de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren, moeten de lidstaten investeren in gezondheid en veiligheid op het werk en zorgen voor toereikende middelen en voorschriften voor arbeidsinspecties of gezondheids- en veiligheidsvertegenwoordigers van vakbonden en voor ondersteuning van werkgevers.

4.4.5.

De meeste kleine en middelgrote ondernemingen beschikken over geringe economische en managementmiddelen en zouden daarom concrete financiële ondersteuning op maat moeten krijgen voor programma’s voor gezondheid en veiligheid op het werk, om werkplekken aan te passen en snel nieuwe procedures en praktijken toe te passen teneinde werknemers te beschermen. Arbeidsinspecteurs, EU-OSHA (het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk), het Enterprise Europe Network en de bevoegde autoriteiten op nationaal niveau kunnen praktische ondersteuning bieden, zoals kosteneffectieve en kosteloze gebruiksvriendelijke instrumenten, informatie, begeleiding en advies.

4.4.6.

Het EESC stelt voor meer te doen ter bevordering van capaciteitsopbouw voor sociale partners die deelnemen aan de sociale dialoog, te zorgen voor investeringen in structuren ter ondersteuning van de sociale dialoog en procedures te bevorderen die de sociale dialoog stimuleren. Er zijn immers landen met een minder ontwikkelde sociale dialoog en landen die op dit gebied achteruitgaan als gevolg van de crisis. Het EESC is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de samenwerking met de sociale partners in de context van het Europees Semester te verbeteren. Gezien de centrale rol van de sociale dialoog bij de uitvoering van de pijler van sociale rechten en bij de uitvoering van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid en de landspecifieke aanbevelingen herhaalt het EESC dat die dialoog in alle lidstaten moet meespelen en dringt het er bij alle politieke actoren op nationaal en Europees niveau op aan om de collectieve onderhandelingen op alle niveaus te versterken. Verder heeft de Commissie vooruitgang geboekt met het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de landspecifieke rapportage, en dit is toe te juichen en moet verder worden ontwikkeld.

4.5.   Richtsnoer 8: Gelijke kansen voor iedereen bevorderen, sociale inclusie stimuleren en armoede bestrijden

4.5.1.

De reikwijdte van de sociale bescherming wordt beschouwd in het licht van de demografische uitdagingen en de noodzaak dat werknemers langer blijven werken. In de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moeten ook doelstellingen in aanmerking worden genomen zoals de volledige en doeltreffende dekking, toereikendheid en transparantie van socialezekerheidsregelingen.

4.5.2.

Gendergelijkheid kan alleen worden bereikt door de participatie van vrouwen op alle niveaus van de arbeidsmarkt te verhogen, zowel in termen van deelname aan het arbeidsproces als het aantal door hen gewerkte uren. Er zijn verdere maatregelen nodig om de belemmeringen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen, zoals een gebrek aan betaalbare en toegankelijke kinderopvang, uit de weg te ruimen en de genderloonkloof te dichten. Daartoe moeten op Europees en nationaal niveau diverse structurele problemen worden aangepakt, onder andere door meer te investeren in kwalitatief hoogwaardige openbare diensten en door maatregelen te nemen om de loontransparantie te vergroten. Ondernemerschap kan vrouwen een kans bieden om economisch onafhankelijk te zijn: het creëert hoogwaardige banen, leidt tot succesvolle carrières, bevrijdt vrouwen uit armoede en sociale uitsluiting en draagt bij aan meer gendergelijkheid in de besluitvorming.

4.5.3.

Voor mensen met een handicap is het van bijzonder groot belang dat discriminerende praktijken worden aangepakt en aldus hun toegang tot de arbeidsmarkt wordt vergemakkelijkt. Er moet passende steun worden verleend door diensten voor arbeidsvoorziening en ook moeten voorlichtingscampagnes worden opgezet om de vooroordelen tegen mensen met een handicap te bestrijden en te laten zien hoe ze gelijkwaardig kunnen worden behandeld. Wat de toegang van mensen met een handicap tot diensten betreft, zijn zelfstandig wonen en toegankelijkheid belangrijke aspecten.

4.5.4.

Om de toegang tot gezondheidszorg voor iedereen te waarborgen, moet aandacht worden besteed aan de noodzaak van een houdbaar, efficiënt, betaalbaar en toegankelijk aanbod van kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg en passende financiering voor naar behoren opgeleid medisch personeel.

4.5.5.

Wat betreft actief ouder worden zijn concrete voorstellen nodig om de bevordering van ontoereikend beleid voor oudere werknemers te voorkomen. Zoals overeengekomen door de Europese sociale partners in hun autonome kaderovereenkomst inzake actief ouder worden en een intergenerationele aanpak (27), heeft actief ouder worden betrekking op het bieden van optimale kansen aan werknemers van alle leeftijden om in hoogwaardige, productieve en gezonde omstandigheden te werken tot de wettelijke pensioenleeftijd, op basis van wederzijdse inzet en de motivatie van werkgevers en werknemers.

4.5.6.

Het EESC heeft in dit opzicht ook in een aantal adviezen benadrukt dat de solidariteit tussen generaties moet worden bevorderd, geflankeerd door een doeltreffend groei- en werkgelegenheidsbeleid. We hebben een echt beleid voor “actief ouder worden” nodig met het oog op goede arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid op het werk en een goed arbeidstijdbeleid en om de deelname aan programma’s voor een leven lang leren te vergroten. Voorts is het zaak om de arbeidsparticipatie van ouderen op te voeren, die vaak in een vroeg stadium worden gedwongen te stoppen met werken vanwege gezondheidsproblemen, de intensiteit van het werk, vroegtijdig ontslag of een gebrek aan kansen voor opleiding of re-integratie in de arbeidsmarkt (28).

Brussel, 7 mei 2020.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Artikel 146, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(2)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57.

(3)  PB C 14 van 15.1.2020, blz. 1.

(4)  Zie “ILO Monitor 2nd edition: COVID-19 and the world of work”.

(5)  Zie de Verklaring van het EESC — “De respons van de Europese Unie op de COVID-19-uitbraak en de behoefte aan ongekende solidariteit tussen de lidstaten”.

(6)  SMEunited “A view on the COVID impact on and support measures for SMEs”; BusinessEurope, videoconferentie van de Europese Raad van 23 april 2020, brief van Pierre Gattaz en Markus J. Beyrer aan de voorzitter van de Europese Raad Charles Michel.

(7)  SMEunited “A view on the COVID impact on and support measures for SMEs”.

(8)  COM(2020) 139 final.

(9)  PB C 282 van 20.8.2019, blz. 32, paragraaf 3.1.4.

(10)  PB C 282 van 20.8.2019, blz. 32, paragraaf 1.7.

(11)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, paragrafen 1.3 en 4.3.

(12)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, paragraaf 1.13.

(13)  PB C 282 van 20.8.2019, blz. 32, paragraaf 3.3.1.

(14)  PB C 282 van 20.8.2019, blz. 32, paragraaf 3.4.1.

(15)  PB C 81 van 2.3.2018, blz. 145.

(16)  PB C 282 van 20.8.2019, blz. 32, paragraaf 1.3.

(17)  PB C 282 van 20.8.2019, blz. 32, paragraaf 3.5.5.

(18)  Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE) ten gevolge van de COVID-19-uitbraak.

(19)  Gezamenlijke verklaring over COVID-19 van de Europese sociale partners.

(20)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, paragraaf 5.1.

(21)  EESC-advies over “Fatsoenlijke minimumlonen in heel Europa” (SOC/632) (in voorbereiding).

(22)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57; PB C 129 van 11.4.2018, blz. 1.

(23)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, paragraaf 5.5.

(24)  EESC-advies over “Duurzame financiering van levenslang leren en ontwikkeling van vaardigheden, in de context van een tekort aan geschoolde arbeidskrachten” (verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap) (SOC/629) (zie blz. 8 van dit Publicatieblad).

(25)  PB C 97 van 24.3.2020, blz. 32.

(26)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, paragraaf 5.9.

(27)  European social partners’ autonomous framework agreement on active ageing and an inter-generational approach.

(28)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 57, paragraaf 5.9, en het advies over de veranderende arbeidswereld en de levensduur/vergrijzing — De voorwaarden voor oudere werknemers om actief te blijven in de nieuwe arbeidswereld (PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60).


14.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/29


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor de steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in 2021, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 229/2013 en (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling ervan voor 2021, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing ervan in 2021

(COM(2019) 581 — 2019/0254 (COD))

(2020/C 232/04)

Afdelingsrapporteur:

Arnold PEUCH D’ALISSAC

Raadpleging

Raad, 22.11.2019

Europees Parlement, 25.11.2019

Rechtsgrondslag

Artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

6.3.2020

Goedkeuring door de voltallige vergadering

7.5.2020

Zitting

551 — Zitting op afstand

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

254/0/7

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie voor een overgangsjaar voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB, eerste en tweede pijler) in 2021, want een jaar zonder de directe steun uit de eerste pijler zou bij alle landbouwers tot financiële tekorten hebben geleid en een jaar zonder de steun uit de tweede pijler zou een einde hebben gemaakt aan de verbintenissen voor de realisering van ambitieuze milieu- en klimaatdoelen en zou investeringen in modernisering hebben vertraagd.

1.2.

Volgens het Commissievoorstel zou de overgangsperiode die op 1 januari 2021 begint, één jaar moeten duren. Het EESC beveelt ten zeerste aan een flexibel mechanisme in te voeren om deze periode met nog eens een jaar te verlengen, dat automatisch in werking zou moeten treden tenzij de toekomstige langetermijnbegroting (meerjarig financieel kader, MFK) van de EU en het GLB vóór 30 oktober 2020 overeengekomen en goedgekeurd worden.

1.3.

Het is positief dat de voorwaarden voor het ontvangen van steun in 2020 en 2021 dezelfde blijven, aangezien de landbouwers in de EU die reeds kennen en vertrouwd zijn met vergroening.

1.4.

De uiterste datum van 1 augustus 2020 voor het doorgeven van wijzigingen kan een risico inhouden. Als er namelijk te laat overeenstemming wordt bereikt over het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027, zouden de lidstaten niet meer op tijd de vereiste besluiten kunnen nemen.

1.5.

De Commissie heeft er heel verstandig aan gedaan om zowel het aantal als de waarde van de basisbetalingsrechten te regulariseren.

1.6.

De convergentie van de basisbetalingsrechten blijft een zaak van de lidstaten, overeenkomstig een goede toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.

1.7.

De mogelijkheid om de plattelandsontwikkelingsprogramma’s met één jaar te verlengen, moet vergezeld gaan van de mogelijkheid om alle in de periode 2014-2020 niet benutte middelen uit de tweede pijler te gebruiken na 2020.

1.7.1.

Het EESC benadrukt in het bijzonder dat de middelen uit de tweede pijler snel moeten worden aangewend om ervoor te zorgen dat de economische activiteiten na de COVID-19-crisis kunnen worden hervat. Daarbij gaat het met name om steun voor startende jonge landbouwers, voor de tijdens de crisis zo belangrijke korte ketens, voor collectieve productie- en marketinginitiatieven en voor plattelandstoerisme. In dit verband moet specifiek aandacht worden geschonken aan ultraperifere, insulaire, berg- en geïsoleerde regio’s die sterk van toerisme afhankelijk zijn.

1.8.

Het EESC vindt het een goede zaak dat de meerjarige maatregelen uit de tweede pijler (maatregelen voor biologische landbouw en agromilieuklimaatmaatregelen) met één jaar worden verlengd, maar dringt erop aan om de duur van de verbintenissen op te trekken tot vijf jaar, net als in de periode 2014-2020. Het voorstel om die duur te beperken tot drie jaar, zal zeker leiden tot administratieve rompslomp, maar geen milieuresultaten opleveren.

2.   Achtergrond

2.1.

De begrotingsplanning voor het huidige GLB loopt tot en met 31 december 2020. Weliswaar blijven de bestaande GLB-verordeningen daarna formeel geldig, maar als er geen middelen meer voor worden toegewezen, worden ze onuitvoerbaar. Voorts wordt nog onderhandeld over de wetgevingsvoorstellen voor het GLB in de volgende programmeringsperiode (2021-2027). Die voorstellen zullen waarschijnlijk niet tijdig worden goedgekeurd om het nieuwe GLB vanaf 1 januari 2021 te kunnen uitvoeren. Ook werken de lidstaten nog aan hun strategische plannen voor het GLB, waarvan de uitvoering op zijn vroegst op 1 januari 2022 van start zal gaan. Dit alles maakt een overgangsverordening voor 2021 noodzakelijk.

2.2.

Volgens het Commissievoorstel zou de overgangsperiode die op 1 januari 2021 begint, één jaar moeten duren. Het EESC beveelt ten zeerste aan een flexibel mechanisme in te voeren om deze periode met nog eens een jaar te verlengen, dat automatisch in werking zou moeten treden tenzij de toekomstige langetermijnbegroting (MFK) van de EU en het GLB vóór 30 oktober 2020 overeengekomen en goedgekeurd worden.

2.3.

De Commissie is zo’n verordening momenteel aan het uitwerken. Daaronder vallen niet:

het besluit inzake de convergentie van de basisbetalingsrechten in 2020, waarvan de inwerkingtreding is vastgesteld op 1 januari 2020;

de wijzigingen in het programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen (Posei), die op 1 januari 2021 in werking treden.

2.4.

De overgangsverordening zal de bestaande verordeningen verlengen en op kleine punten wijzigen, met name om te voorzien in de begrotingsmiddelen voor de verlengde maatregelen. De volgende verordeningen worden gewijzigd:

(EU) nr. 1303/2013 (1): gemeenschappelijke bepalingen voor de Europese fondsen (artikelen 1, 2 en 3);

(EU) nr. 1305/2013 (2): steun voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (artikelen 6 en 8);

(EU) nr. 1306/2013 (3): financiering, beheer en monitoring van het GLB (artikelen 6, 7 en 9);

(EU) nr. 1307/2013 (4): voorschriften voor rechtstreekse betalingen (ELGF) (artikel 10);

(EU) nr. 1308/2013 (5): gemeenschappelijke ordening van de markten (GMO) (artikelen 6, 7 en 11);

(EU) nr. 228/2013 (6) (en (EU) nr. 229/2013 (7)): specifieke maatregelen voor ultraperifere gebieden (Posei) (en specifieke maatregelen voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee) (artikelen 12 en 13).

2.5.

De aldus voor 2021 geplande begroting zal in overeenstemming zijn met het bedrag dat ervoor zou worden uitgetrokken in het voorgestelde MFK 2021-2027, maar daarover is in de Raad nog steeds geen overeenstemming bereikt en er is dus ook nog niet door het Europees Parlement over gestemd (geen wijzigingen mogelijk). Dit zijn de voorstellen van de Commissie:

budgetten 2021 voor het ELGF (39,884 miljard EUR) en het Elfpo (12,258 miljard EUR): sluiten aan op wat in de verordeningen voor het toekomstige GLB en het MFK is voorgesteld;

alle in 2021 geldende voorschriften en vereisten: de steun zal een jaar langer aan landbouwers worden toegekend tegen de voorwaarden en vereisten uit de periode 2014-2020;

overdracht van middelen: de lidstaten kunnen na 2020 middelen blijven overhevelen tussen het ELGF en het Elfpo, met een algemeen plafond van 15 %;

toewijzing en waarde van de basisbetalingsrechten: mogelijkheid om fouten te corrigeren die de lidstaten maken bij de toewijzing van betalingsrechten, zowel wat het aantal als de waarde van die rechten betreft;

convergentie van de waarde van de basisbetalingsrechten: de lidstaten kunnen na 2019 het proces van convergentie van die rechten in 2020 en/of 2021 voortzetten;

crisisreserve: wordt in stand gehouden gedurende de overgangsperiode voor een bedrag per jaar dat overeenkomt met de bedragen uit de programmeringsperiode 2014-2020, dat wil zeggen 400 miljoen EUR (prijzen van 2011);

uitvoering van het Elfpo: de plattelandsontwikkelingsprogramma’s kunnen bij wijze van uitzondering met één jaar worden verlengd;

meerjarige maatregelen uit de tweede pijler (maatregelen voor biologische landbouw en agromilieuklimaatmaatregelen): de meerjarige maatregelen uit de programmeringsperiode 2014-2020 kunnen met één jaar worden verlengd. Voor nieuwe verbintenissen moeten de lidstaten een beperkte duur (max. drie jaar) voorstellen;

GMO en Posei: noodzakelijke aanpassingen van de toewijzingen gelet op het totale bedrag voor het ELGF dat is voorzien in het toekomstige MFK.

3.   Te verstrekken kennisgevingen

3.1.

Binnen tien dagen na de inwerkingtreding van de overgangsverordening:

verlenging (of niet) van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s tot en met 31 december 2021:

overzicht van de regionale programma’s die moeten worden verlengd;

corresponderende begrotingstoewijzing binnen de jaarlijkse verdeling voor 2021 (en bijgevolg het deel van het budget voor 2021 dat niet naar de periode 2022-2027 zal worden overgeheveld);

op voorwaarde dat wordt aangetoond dat de middelen dreigen op te raken en geen nieuwe juridische verbintenissen meer kunnen worden aangegaan overeenkomstig de verordening inzake de uitvoering van het Elfpo in de periode 2014-2020.

3.2.

Binnen een maand na de inwerkingtreding van de overgangsverordening:

voortzetting (of niet) in 2020 van het proces van interne convergentie van de waarde van de basisbetalingsrechten naar een gemiddelde waarde.

3.3.

Uiterlijk op 1 augustus 2020:

verlaging (of niet) van de rechtstreekse betalingen van meer dan 150 000 EUR in het kalenderjaar 2021 en de geraamde opbrengsten van die verlagingen:

keuze om al dan niet middelen over te hevelen en zo ja, het overgehevelde percentage (max. 15 %) van het ELGF uit 2021 om te voorzien in aanvullende financiering voor het Elfpo in 2022;

keuze om al dan niet middelen over te hevelen en zo ja, het overgehevelde percentage (max. 15 %) van het Elfpo uit 2022 om te voorzien in aanvullende financiering voor het ELGF in 2021;

voor 2021: toekenning (of niet) van herverdelingsbetalingen;

voor 2021: het percentage van het ELGF-plafond in 2021 voor de volgende steunmaatregelen:

herverdelingsbetalingen;

betalingen voor jonge landbouwers (ter herinnering: gereglementeerd maximum: 2 %);

vrijwillige gekoppelde steun (ter herinnering: gereglementeerd maximum: 15 %);

betalingen voor gebieden met natuurlijke beperkingen in het kader van de eerste pijler;

opmerking: het maximum voor de basisbetalingsregeling wordt berekend door van het jaarlijkse ELGF-plafond de voor de andere steunmaatregelen vastgestelde maxima af te trekken (net als in de periode 2015-2020);

toepassing (of niet) van de basisbetalingsregeling op regionaal niveau in 2021 (waarbij regio’s worden gedefinieerd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals hun agronomische en sociaal-economische kenmerken, regionaal agrarisch potentieel of institutionele of administratieve structuur);

voortzetting (of niet) in 2021 van het proces van interne convergentie van de waarde van de basisbetalingsrechten naar een gemiddelde waarde.

3.4.

Uiterlijk op 31 december 2020:

wijziging van de activiteitenprogramma’s voor de sector olijfolie en tafelolijven.

3.5.

Verdeling van het ELGF-plafond tussen de verschillende steunmaatregelen uit de eerste pijler:

De lidstaten moeten het voor elk van de steunmaatregelen uit de eerste pijler voor 2021 toegewezen budget meedelen, met uitzondering van het budget voor vergroening, dat vastgesteld blijft op 30 % van de eerste pijler. De lidstaten kunnen onder meer elk jaar het voor herverdelingsbetalingen en vrijwillige gekoppelde steun bestemde aandeel van het ELGF herzien.

3.6.

Verlaging van rechtstreekse betalingen:

context: artikel 11 van de bestaande Verordening (EU) nr. 1307/2013 verplicht de lidstaten slechts om voor de jaren 2015-2020 kennis te geven van hun besluiten om de rechtstreekse betalingen van meer dan 150 000 EUR die in één kalenderjaar aan landbouwers worden toegekend, te verlagen;

voorstel in de overgangsverordening: met het oog op continuïteit moeten de lidstaten ook voor het jaar 2021 kennisgeven van hun besluiten om de rechtstreekse betalingen van meer dan 150 000 EUR te verlagen, evenals van de geraamde opbrengsten van die verlagingen. De verordening biedt de lidstaten meer flexibiliteit doordat ze de waarde van de basisbetalingsrechten of van de reserve kunnen aanpassen, eventueel met verschillende percentages. Als uit de kennisgevingen van de lidstaten over de verdeling van het ELGF-plafond tussen de verschillende steunmaatregelen uit de eerste pijler namelijk gevolgen blijken voor het maximum van de basisbetalingsregeling, moeten de lidstaten, afhankelijk van hoe de wijziging van dat maximum eruit ziet:

de waarde van alle basisbetalingsrechten lineair verlagen of verhogen, en/of

de nationale of regionale reserve verlagen of verhogen.

3.7.

Aantal en waarde van de basisbetalingsrechten:

context: mogelijk hebben sommige lidstaten bij de toewijzing van de basisbetalingsrechten in 2015 fouten gemaakt tijdens het vaststellen van het aantal en de waarde daarvan. Veel van die fouten, zelfs als die slechts op één landbouwer betrekking hebben, zijn van invloed op de waarde van de basisbetalingsrechten voor alle landbouwers en alle jaren. Een aantal lidstaten heeft ook na 2015 fouten gemaakt bij de toewijzing van basisbetalingsrechten uit de reserve (bijv. in de berekening van de gemiddelde waarde). Deze niet-nalevingen worden gewoonlijk aan een financiële correctie onderworpen, totdat de betrokken lidstaat corrigerende maatregelen heeft genomen;

voorstel in de overgangsverordening: gelet op de tijd die is verstreken sinds de eerste toewijzing van de basisbetalingsrechten in 2015 en de inspanningen van de lidstaten om in voorkomend geval de juiste rechten vast te stellen alsmede omwille van de rechtszekerheid, moeten het aantal en de waarde van de betalingsrechten vanaf 1 januari 2021 wettig en regelmatig worden geacht. Dit geldt niet voor de basisbetalingsrechten die aan landbouwers zijn toegekend op basis van feitelijk onjuiste aanvragen, behalve als de landbouwer de fout redelijkerwijs niet zelf had kunnen ontdekken.

3.8.

Convergentie van de basisbetalingsrechten:

Met het oog op de continuering van het convergentieproces volgens het “tunnelmodel”, dat moet leiden tot een billijkere verdeling van de rechtstreekse betalingen, mogen de lidstaten na 2019 blijven doorgaan met het convergeren van de waarde van de basisbetalingsrechten naar een nationaal of regionaal gemiddelde in plaats van toe te werken naar een uniforme waarde of de waarde van die rechten op het niveau van 2019 te houden. De overgangsverordening verplicht de lidstaten om elk jaar hun convergentiebesluit voor het volgende jaar mee te delen. Dit geldt voor de jaren 2020 en 2021. Als de interne convergentie in 2020 wordt voortgezet, zullen de basisbetalingsrechten die landbouwers op 31 december 2019 bezitten en waarvan de waarde lager is dan het nationale of regionale gemiddelde in 2020 worden verhoogd. Om deze verhoging te financieren, zullen de basisbetalingsrechten die landbouwers op 31 december 2019 bezitten en waarvan de waarde hoger is dan het nationale of regionale gemiddelde worden verlaagd. Hetzelfde mechanisme kan ook in 2021 worden toegepast.

3.9.

Regeling inzake een enkele areaalbetaling (REAB):

context: sommige lidstaten verstrekken via de REAB basisbetalingen zonder basisbetalingsrechten te hebben toegewezen, dus zonder historische referenties. Dit is slechts tot en met 31 december 2020 mogelijk. Maar krachtens de volgende GLB-verordening mogen lidstaten eveneens basisbetalingen verstrekken op basis van oppervlakte in plaats van historische referenties;

voorstel in de overgangsverordening: de REAB mag tegen de huidige voorwaarden ook na 31 december 2020 worden toegepast.

3.10.

Partnerschapsovereenkomst: de partnerschapsovereenkomst van de lidstaten waarin voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 gemeenschappelijke regels zijn vastgelegd voor de steunverlening uit vier Europese fondsen, waaronder het Elfpo, moet ook het strategische kaderdocument voor het jaar 2021 blijven.

3.11.

Verlenging van de regionale plattelandsontwikkelingsprogramma’s 2014-2020 in 2021:

de lidstaten kunnen besluiten om een of meer van hun regionale plattelandsontwikkelingsprogramma’s te verlengen, waarvan ze de Commissie binnen tien dagen na de inwerkingtreding van de overgangsverordening in kennis moeten stellen, met mededeling van het corresponderende budget binnen de jaarlijkse verdeling voor 2021;

deze kennisgeving staat los van de geldende procedure voor herziening van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s;

in deze kennisgeving moet worden aangetoond dat de middelen dreigen op te raken en geen nieuwe juridische verbintenissen meer kunnen worden aangegaan overeenkomstig de verordening inzake de uitvoering van het Elfpo in de periode 2014-2020;

de verlenging zal worden gefinancierd uit de Elfpo-begroting voor 2021;

de milieu- en klimaatambitie van de verlengde plattelandsontwikkelingsprogramma’s moet ten minste op hetzelfde niveau blijven;

de lidstaten kunnen ook besluiten om hun regionale plattelandsontwikkelingsprogramma’s niet te verlengen als er nog middelen uit voorgaande jaren over zijn. In dat geval mogen zij de Elfpo-middelen voor 2021 overhevelen naar de geplande financiële toewijzingen voor de jaren 2022-2025.

3.12.

Gevolgen van een verlenging van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s: alle termijnen schuiven één jaar op (jaarlijks uitvoeringsverslag en jaarlijkse evaluatievergadering tot in 2024, ex-postevaluatieverslag te voltooien uiterlijk op 31 december 2025) en de periode waarbinnen de uitgaven subsidiabel zijn wordt één jaar langer (vastgelegd en betaald tot en met 31 december 2024).

3.13.

Voorwaarden voor het verlengen en aangaan van meerjarige verbintenissen:

geval 1: agromilieuklimaatmaatregelen, maatregelen voor biologische landbouw (omschakeling en voortzetting) en maatregelen voor dierenwelzijn.

Voor nieuwe verbintenissen die vanaf 2021 worden aangegaan, moeten de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s een duur tussen de één en drie jaar vastleggen;

geval 2: agromilieuklimaatmaatregelen en maatregelen voor de voortzetting van biologische landbouw.

Als een lidstaat verbintenissen na afloop van de initiële periode wil verlengen, mag die verlenging vanaf 2021 niet meer dan één jaar bedragen (opgelet: deze mogelijkheid geldt slechts voor maatregelen voor de voortzetting van en niet voor de omschakeling op biologische landbouw);

geval 3: agromilieuklimaatmaatregelen, maatregelen voor de voortzetting van biologische landbouw en maatregelen voor dierenwelzijn.

Nieuwe verbintenissen die een rechtstreekse voortzetting vormen van in de initiële periode aangegane verbintenissen die in 2021 aflopen, mogen slechts voor één jaar worden aangegaan.

3.14.

Subsidiabiliteit van de uitgaven die onder de nationale strategische plannen vallen en overgang tussen de programmeringsperioden: om de overgang tussen vorige en komende programmeringsperioden te vergemakkelijken, moeten onderstaande uitgaven in aanmerking komen voor steun uit het Elfpo in de periode 2022-2027 en in de nationale strategische plannen worden opgenomen (bedrag en Elfpo-bijdragepercentage):

uitgaven in verband met verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van vorige programmeringsperioden (in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (8) of Verordening (EU) nr. 1305/2013), en die doorlopen tot na 1 januari 2024 of 1 januari 2025 (gevallen waarin vijfjarige verbintenissen zijn aangegaan in 2019 of 2020).

3.15.

Programma’s ter ondersteuning van de sector groenten en fruit:

Producentenorganisaties met een operationeel programma dat doorloopt tot na 31 december 2021, moeten uiterlijk op 15 september 2021 bij hun lidstaat een verzoek indienen om hun operationele programma te wijzigen, teneinde te voldoen aan de voorwaarden van de toekomstige verordening over de strategische plannen, of om hun operationele programma te vervangen door een nieuw, in het kader van die verordening goedgekeurd operationeel programma. Als een producentenorganisatie haar operationeel programma niet wijzigt of vervangt, eindigt dat op 31 december 2021. De activiteitenprogramma’s die zijn opgesteld voor de periode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2021, moeten worden verlengd tot en met 31 december 2021. De producentenorganisaties, de unies van producentenorganisaties en de brancheorganisaties moeten hun activiteitenprogramma’s dienovereenkomstig wijzigen en de Commissie daarvan uiterlijk op 31 december 2020 in kennis stellen.

3.16.

Programma’s ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven:

De activiteitenprogramma’s die zijn opgesteld voor de periode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2021, moeten worden verlengd tot en met 31 december 2021. De producentenorganisaties, de unies van producentenorganisaties en de brancheorganisaties moeten hun activiteitenprogramma’s dienovereenkomstig wijzigen en de Commissie daarvan uiterlijk op 31 december 2020 in kennis stellen.

3.17.

Nationale programma’s voor de bijenteeltsector:

De nationale programma’s moeten op 31 juli 2022 eindigen. De artikelen uit Verordening (EU) nr. 1308/2013 betreffende de programma’s voor de bijenteeltsector blijven na 31 december 2021 van toepassing op uitgaven en betalingen voor acties die vóór 1 augustus 2022 worden uitgevoerd.

3.18.

Programma’s ter ondersteuning van de wijnsector:

context: aan de lidstaten worden EU-middelen toegekend via nationale steunprogramma’s van vijf jaar voor de financiering van specifieke maatregelen ter ondersteuning van de wijnsector;

voorstel in de overgangsverordening: de nationale steunprogramma’s moeten op 15 oktober 2023 eindigen. De artikelen uit Verordening (EU) nr. 1308/2013 betreffende de maatregelen uit de nationale steunprogramma’s blijven na 31 december 2021 van toepassing op uitgaven en betalingen voor acties die vóór 16 oktober 2023 worden uitgevoerd.

Brussel, 7 mei 2020.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(4)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.

(5)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(6)  PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23.

(7)  PB L 78 van 20.3.2013, blz. 41.

(8)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).


14.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/36


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EU) 2017/2107 en (EU) 2019/833 en tot intrekking van Verordening (EU) 2016/1627

(COM(2019) 619 — 2019/0272 (COD))

(2020/C 232/05)

Rapporteur:

Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE

Raadpleging

Raad, 6.12.2019

Europees Parlement, 16.12.2019

Rechtsgrondslag

Artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

6.3.2020

Goedkeuring door de voltallige vergadering

7.5.2020

Zitting nr.

551 — Zitting op afstand

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

251/0/10

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de goedkeuring van een meerjarig beheersplan voor de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, aangezien de huidige toestand van de biomassa van deze populatie een historisch hoogtepunt heeft bereikt, zodat kan worden afgestapt van de in het vorige herstelplan vastgestelde noodmaatregelen.

1.2.

Het EESC is van mening dat de vaststelling van een meerjarig beheersplan in de Europese Unie, dat de toepassing garandeert van de maatregelen die zijn vastgesteld in Aanbeveling 18-02 van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat), goedgekeurd tijdens haar 21e bijzondere vergadering in 2018, de meest geschikte manier is om de populaties van visbestanden boven een biomassaniveau te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de verschillende soorten vistuig en -technieken die in deze visserijtak worden gebruikt.

1.3.

Het EESC stelt voor dat de wetgevers het voorstel voor een verordening actualiseren om de wijzigingen die de Iccat in 2019 heeft doorgevoerd met Aanbeveling 19-04, hierin op te nemen.

1.4.

Het EESC is van mening dat artikel 29, lid 3, van het voorstel moet worden gewijzigd om het in overeenstemming te brengen met Aanbeveling 19-04, zoals uiteengezet in paragraaf 4 van dit advies.

2.   Inhoud van het Commissievoorstel

2.1.

Het hier behandelde voorstel voor een verordening heeft tot doel het door de Iccat goedgekeurde meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee ten uitvoer te leggen in de Europese Unie, om ervoor te zorgen dat het biomassaniveau hoger ligt dan het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.2.

De lidstaten met vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn moeten jaarlijkse visserijplannen opstellen, met daarin de aan elke vistuiggroep toegewezen quota, de voor de toewijzing ervan vastgestelde criteria, de maatregelen om de naleving van individuele quota te waarborgen, de visseizoenen, de aangewezen havens, de regels inzake bijvangsten en de gemachtigde vaartuigen.

2.3.

De lidstaten met vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn moeten ook jaarlijkse beheersplannen voor de vangstcapaciteit vaststellen om hun vloten aan te passen aan de toegewezen vangstmogelijkheden, alsook jaarlijkse inspectieplannen om de naleving van deze verordening te waarborgen en jaarlijkse beheersplannen voor de kweek om de geraamde hoeveelheid blauwvintonijn die beschikbaar is voor de kweek te waarborgen. Al deze plannen moeten uiterlijk op 31 januari van elk jaar aan de Commissie worden toegezonden.

2.4.

De technische maatregelen van deze verordening bestaan uit de beperking van de visseizoenen voor bepaalde vloten, zoals ringzegenvaartuigen en grote pelagische beugvisserijvaartuigen, de vaststelling van een toegestane minimumgrootte van 30 kg of een lengte van meer dan 115 cm en de vaststelling van een toegestane bijvangst, die niet meer mag bedragen dan 20 % van de totale vangst aan boord aan het einde van elke visreis.

2.5.

De door de lidstaten uit te voeren controlemaatregelen omvatten de verplichting om één maand voor het begin van de machtigingsperiode de lijsten in te dienen van alle vaartuigen die gemachtigd zijn om blauwvintonijn te bevissen en commercieel te exploiteren, en van de tonnara’s. Bovendien moet gedetailleerde informatie worden verstrekt aan de Commissie over de visserijactiviteiten die zijn verricht door vaartuigen die in het voorgaande visseizoen zijn gemachtigd, met inbegrip van de door elk vaartuig gedane vangsten, alsmede informatie over de gezamenlijke visacties die hebben plaatsgevonden.

2.6.

Kapiteins van vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter worden verplicht om de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat ten minste vier uur vóór de verwachte tijd van aankomst in de aangewezen haven in kennis te stellen van de hoeveelheid gevangen blauwvintonijn, het geografische gebied waarin de vangsten zijn gedaan en het identificatienummer van het vaartuig (kapiteins van vaartuigen met een lengte van 12 meter of meer zijn hiertoe reeds verplicht op grond van de controleverordening (1)). Bovendien is het vissersvaartuigen van de Unie en vaartuigen van derde landen in wateren van de Unie verboden om blauwvintonijn op zee over te laden.

2.7.

De lidstaten moeten een nationaal waarnemersprogramma uitvoeren dat zorgt voor een minimale dekking van bepaalde percentages die zijn vastgesteld naargelang van de verschillende vlootsegmenten. Ook moeten zij ervoor zorgen dat een regionale Iccat-waarnemer aanwezig is aan boord van alle ringzegenvaartuigen. Elke overhevelingsverrichting moet vooraf ter goedkeuring aan de betrokken lidstaat worden meegedeeld (en kan in voorkomend geval worden geweigerd), en vereist het gebruik van videocamera’s om de hoeveelheid overgehevelde vis te verifiëren. De kooiverrichtingen moeten eveneens van tevoren worden meegedeeld en moeten worden gemonitord met behulp van een videocamera.

2.8.

De monitoring en bewaking door de lidstaten geschieden door middel van een volgsysteem voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van 12 meter of meer, en de inspecties worden verricht in het kader van de Iccat-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie.

2.9.

Het is verboden om blauwvintonijn zonder de in de verordening vastgestelde en gevalideerde documentatie te verhandelen, aan te landen, in te voeren, uit te voeren, te kooien, weder uit te voeren en over te laden.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC is het in grote lijnen eens met dit voorstel voor een verordening, aangezien het een omzetting is van een Iccat-aanbeveling. Ook is het ingenomen met de resultaten van het herstelplan, dat ertoe heeft geleid dat de biomassa van de blauwvintonijn zich op een historisch hoogtepunt bevindt, sinds het begin van de metingen.

3.2.

In 2019 is Iccat-aanbeveling 19-04 aangenomen, die een wijziging inhoudt van de in dit advies behandelde Aanbeveling 18-02. Het EESC stelt daarom voor dat de wetgevers het voorstel voor een verordening aanpassen aan deze aanbeveling.

4.

Bijzondere opmerkingen

4.1.

In artikel 29, lid 3, is bepaald dat ringzegenvaartuigen van de Unie niet mogen deelnemen aan gezamenlijke visserijacties met ringzegenvaartuigen van andere verdragsluitende partijen bij het Iccat-verdrag, hoewel in punt 62 van Aanbeveling 19-04 is bepaald dat een CPC (2) met minder dan vijf gemachtigde ringzegenvaartuigen toestemming kan verlenen voor gezamenlijke visserijactiviteiten met andere CPC’s,

en dat elke CPC die een gezamenlijke visactie uitvoert, verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de vangsten die in het kader van die gezamenlijke visactie worden gedaan.

4.2.

Het EESC is van mening dat in de voorgestelde verordening rekening moet worden gehouden met de hierboven genoemde uitzondering, namelijk dat het mogelijk moet zijn om gezamenlijke visacties met vloten van andere CPC’s uit te voeren. Wel is het van mening dat er vooraf op bilateraal niveau een protocol moet worden overeengekomen over de door de vaartuigen en met name de autoriteiten van elke CPC te verrichten formaliteiten in verband met de krachtens de geldende regelgeving vereiste vangstdocumenten.

Brussel, 7 mei 2020.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(2)  Verdragsluitende partij bij het verdrag (Contracting Party to the Convention, CPC).