ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 193

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

63e jaargang
9 juni 2020


Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2020/C 193/01

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.9814 — Firmenich/Les Dérivés Résiniques et Terpéniques) ( 1 )

1

2020/C 193/02

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.9413 — Lactalis/Nuova Castelli) ( 1 )

2


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2020/C 193/03

Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over meer kansen voor jongeren in landelijke en afgelegen gebieden

3

2020/C 193/04

Conclusies van de Raad over Europese leraren en opleiders voor de toekomst

11

2020/C 193/05

Conclusies van de Raad tot wijziging van het werkplan voor cultuur 2019‐2022

20

2020/C 193/06

Conclusies van de Raad over mediawijsheid in een voortdurend veranderende wereld

23

2020/C 193/07

Kennisgeving aan bepaalde personen en entiteiten die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen van Besluit 2014/145/GBVB van de Raad en van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

29

 

Europese Commissie

2020/C 193/08

Wisselkoersen van de euro — 8 juni 2020

30

 

Rekenkamer

2020/C 193/09

Speciaal verslag nr. 13/2020 Biodiversiteit op landbouwgrond: met de bijdrage van het GLB is de achteruitgang niet tot staan gebracht

31


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2020/C 193/10

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.9843 — Colony Capital/PSP/NGD) ( 1 )

32

 

ANDERE HANDELINGEN

 

Europese Commissie

2020/C 193/11

Bekendmaking van een aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van een productdossier overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

34

2020/C 193/12

Aankondiging van een verzoek betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU Verlenging van de termijn voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen

49


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/1


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.9814 — Firmenich/Les Dérivés Résiniques et Terpéniques)

(Voor de EER relevante tekst)

(2020/C 193/01)

Op 26 mei 2020 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector,

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32020M9814. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/2


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.9413 — Lactalis/Nuova Castelli)

(Voor de EER relevante tekst)

(2020/C 193/02)

Op 9 december 2019 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR‐Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32019M9413. EUR‐Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/3


Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over meer kansen voor jongeren in landelijke en afgelegen gebieden

(2020/C 193/03)

DE RAAD EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,

CONSTATEREND HETGEEN VOLGT:

1.

Alle jongeren moeten gelijke kansen krijgen in het kader van hun persoonlijke en professionele ontwikkeling, ongeacht belemmeringen, waaronder geografische uitdagingen. Deze uitdagingen worden groter tijdens mondiale crises zoals die van het nieuwe coronavirus (COVID‐19), die maatschappelijke verstoringen en economische gevolgen met zich meebrengen, en die jongeren extra kunnen verzwakken en isoleren.

2.

In de strategische agenda 2019-2024 voor de EU (1) wordt onderkend dat ongelijkheden, waarmee met name jongeren worden geconfronteerd, een groot politiek, sociaal en economisch risico vormen; dat er zich generatie-, territoriale en onderwijskloven vormen en dat er nieuwe vormen van uitsluiting ontstaan.

3.

Tot voor kort woonde bijna een derde van de EU-bevolking in een plattelandsgebied, waaronder een aanzienlijk aantal jongeren (2). Het is duidelijk dat er verschillen tussen de lidstaten zijn wat betreft bevolkingsdichtheid en de demografische structuur, zowel in landelijke als in afgelegen gebieden. Daarnaast wordt verstedelijking, als een van de belangrijkste aanjagers van verandering, geacht een aanzienlijk effect te hebben op toekomstig EU-beleid (3).

4.

De bevolking van de Europese Unie vergrijst. Dit proces is meer uitgesproken in landelijke en afgelegen gebieden, en bijgevolg is het aandeel ouderen in deze gebieden groter in verschillende lidstaten (4). Deze intergenerationele en geografische onevenwichtigheden, vooral in combinatie met slechtere sociaal-economische omstandigheden, vormen uitdagingen voor het opzetten en handhaven van omvattende ondersteunende diensten en duurzame diensteninfrastructuren waarmee op ieders behoefte kan worden ingespeeld en die vervolgens een langetermijneffect kunnen hebben op de sociale cohesie en solidariteit in landelijke en afgelegen gebieden.

5.

Gelijkheid en non-discriminatie, inclusie en de participatie van jongeren zijn leidende beginselen van de EU-strategie voor jongeren voor 2019-2027, waarin rekening wordt gehouden met de standpunten van jongeren die tot uitdrukking zijn gebracht in de Europese jeugddoelstellingen en de EU-jongerendialoog. Met name Europese jeugddoelstelling nr. 6 (Plattelandsjongeren vooruithelpen) is bedoeld om voorwaarden te scheppen die jongeren in staat stellen hun rechten uit te oefenen en zich te ontplooien in plattelandsgebieden.

6.

Milieu- en klimaatvraagstukken vormen volgens jongeren een van de gebieden die de EU als topprioriteit moet aanpakken (5). Het bestrijden van klimaatverandering is een van de belangrijkste factoren bij het uitstippelen van toekomstig beleid (6). Aangezien plattelandsontwikkeling en de structuurfondsen van de EU een belangrijke rol spelen bij de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van de EU en bij de bestrijding van klimaatverandering, moet worden nagedacht over extra kansen in verband met sectoren als landbouw, bosbouw, visserij of toerisme voor jongeren in landelijke en afgelegen gebieden.

REKENING HOUDEND MET:

7.

de opportuniteiten van landelijke en afgelegen gebieden (7), zoals de nabijheid tot de natuur, lagere huisvestingskosten (8) en een groter gevoel van verbondenheid met een gemeenschap (9);

8.

de beperkingen als gevolg van de moeilijke bereikbaarheid van de meeste landelijke en afgelegen gebieden, waaronder een aantal eilanden (10) in de hele EU, evenals de ultraperifere gebieden van de Unie (11) en de landen en gebieden overzee (LGO’s) (12);

9.

het verstedelijkingsproces en de mogelijke effecten daarvan op landelijke en afgelegen gebieden, vooral met betrekking tot de bevolkingsratio (jongeren/ouderen, vrouwen/mannen (13), jongeren met een diploma/jongeren zonder diploma) en de noodzaak om te zorgen voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van openbare en commerciële diensten, vrijetijdsbesteding, kwaliteitsvolle banen en opleidingen, digitale en fysieke infrastructuren, openbaar vervoer, huisvesting, sociale voorzieningen en gezondheidszorg en de duurzaamheid van natuurlijke hulpbronnen;

10.

het belang om de ideeën, opinies en creativiteit van jongeren ook in de lidstaten in aanmerking te nemen, onder meer de ideeën en opinies die werden verzameld tijdens de 7e cyclus van de EU-jongerendialoog, evenals bijdragen aan de EU-jongerenconferentie van Zagreb van maart 2020 (14) in het kader van het specifieke subthema “Kansen voor jongeren in landelijke gebieden”;

11.

jongeren zonder scholing, werk of stage (NEET (15)-jongeren) in landelijke en afgelegen gebieden en de noodzaak om bijzondere aandacht te besteden aan hun vooruitzichten inzake opleiding, scholing en werk, omdat zij een groter gevaar lopen minder kansen (16) te krijgen en meer te lijden te hebben van de economische situatie (17) dan NEET-jongeren in stedelijke gebieden;

12.

het engagement van de Europese Unie en haar lidstaten om de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, met name wat betreft menselijke nederzettingen en jongerengerelateerde doelstellingen;

13.

jeugdwerk als waardevol instrument voor het aanpakken van ongelijkheden tussen landelijke en stedelijke omgevingen, vanwege het potentieel ervan om jongeren (uit een brede leeftijdsgroep en met diverse achtergronden), ook degene die het risico lopen aan hun lot te worden overgelaten, binnen hun respectieve lokale gemeenschappen bij verschillende soorten activiteiten te betrekken;

14.

arbeidskansen via ondernemersactiviteiten, waaronder tewerkstelling in sociale ondernemingen (18). Dit laatste instrument stelt jongeren in staat maatschappelijke en werkgelegenheidsgerelateerde uitdagingen terdege aan te gaan en biedt de gelegenheid om daadwerkelijk duurzaam gebruik te maken van bestaande natuurlijke en menselijke hulpbronnen;

15.

in dit verband, activiteiten in de sociale en solidaire economie (SSE) (19), die kunnen bijdragen tot de verbetering van de economische en sociale situatie van landelijke en afgelegen gebieden, en het bijgevolg mogelijk kunnen maken in te spelen op de behoeften en aspiraties van jongeren die in landelijke en afgelegen gebieden wonen;

16.

vrijwilligerswerk, als een van de uitingen van actief burgerschap die kunnen helpen de sociale inclusie van jongeren in landelijke en afgelegen gebieden te waarborgen en solidariteit tussen de generaties in landelijke en afgelegen gebieden te bevorderen, met name om bij te dragen tot de veerkracht van gemeenschappen om het hoofd te bieden aan tegenspoed en crises zoals COVID‐19;

17.

grensoverschrijdende samenwerking tussen afgelegen en landelijke gebieden in grensgebieden van de lidstaten die de ontwikkeling ervan zouden kunnen ondersteunen, waardoor jongeren extra kansen zouden worden geboden op het gebied van opleiding en scholing, werk, gezondheid, sociale activiteiten en vrijetijdsbesteding,

VERZOEKEN DE LIDSTATEN, OVEREENKOMSTIG HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL, OM OP DE PASSENDE NIVEAUS:

18.

sectoroverschrijdende benaderingen te bevorderen bij de ontwikkeling van jeugdbeleid en de daarmee verband houdende strategieën die erop gericht zijn de ongelijkheid tussen stedelijke en landelijke/afgelegen gebieden te verminderen;

19.

In relevante strategieën en beleidslijnen zo nodig actieplannen of maatregelen op te nemen die het perspectief en de standpunten van jongeren in landelijke en afgelegen gebieden weerspiegelen. Die actieplannen en maatregelen moeten worden ontwikkeld op basis van kennis, bewijzen, beste praktijken, overleg met jongeren zelf evenals verzamelde en uitgesplitste gegevens — onder meer naar geslacht, handicap en andere relevante kenmerken — met name wanneer relevante diensten en/of infrastructuur niet voorhanden zijn of voor verbetering vatbaar;

20.

doeltreffende modellen voor intergemeentelijke samenwerking betreffende jeugdzaken in landelijke en afgelegen gebieden te bevorderen, teneinde het bewustzijn te vergroten en beste praktijken en bewijzen uit te wisselen tussen verschillende dienstverleners;

21.

actief burgerschap en zinvolle participatie van jongeren met diverse achtergronden in landelijke en afgelegen gebieden te stimuleren en faciliteren in besluitvorming betreffende kwesties die voor hen van belang zijn, via passende instrumenten zoals lokale jeugdraden en innovatieve/alternatieve participatie; samenwerking tussen de betrokken instanties op alle niveaus waar nodig te bevorderen en tegelijkertijd openbare raadplegingen (analoog of digitaal) te houden als instrument om met jongeren in dialoog te gaan; overheidsdiensten aan te moedigen het werk van door jongeren geleide organisaties te faciliteren; actoren te ondersteunen die jeugdwerk op alle niveaus aanbieden, waaronder ambulant jongerenwerk;

22.

intergenerationeel begrip, dialoog en solidariteit verder te bevorderen en verbeteren om wederzijds voordelige uitwisselingen tussen de generaties te ondersteunen en jongeren aan te moedigen actief deel te nemen aan en betrokken te blijven bij het lokale gemeenschapsleven in landelijke en afgelegen gebieden, onder meer in agrarische familiebedrijven;

23.

toegankelijke vrijwilligers- en solidariteitsactiviteiten verder te bevorderen als instrument voor de sociale inclusie van alle jongeren, met name die in landelijke en afgelegen gebieden;

24.

inspanningen op te voeren om te zorgen voor regelmatige, duurzame en betaalbare vormen van openbaar vervoer teneinde de stedelijke gebieden en de landelijke en afgelegen gebieden beter met elkaar te verbinden;

25.

waar nodig, de infrastructuur voor informatietechnologie (IT) te verbeteren, onder meer de hogesnelheidsbreedbandconnectiviteit, met het oog op vlottere toegang tot digitale technologieën en diensten;

26.

waar passend, de totstandbrenging van ruimten voor jongeren (20) te bevorderen of, in voorkomend geval, de bestaande ruimten te moderniseren, evenals de toegang op afstand voor jongeren die in landelijke en afgelegen gebieden wonen tot verschillende soorten diensten, waaronder jeugdwerk, zoals digitaal en slim jeugdwerk; tevens de totstandbrenging van verschillende mobiele diensten aan te moedigen, zoals diensten voor vrije tijd en counseling, alsmede van multifunctionele dienstencentra;

VERZOEKEN DE LIDSTATEN EN DE EUROPESE COMMISSIE OM BINNEN HUN RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN:

27.

de synergie te bevorderen tussen verschillende EU-initiatieven en ‐instrumenten op het gebied van jeugdzaken en daarbuiten, zoals Erasmus+, de Jongerengarantie, het Europees Solidariteitskorps, het Europees Sociaal Fonds en EU-Interreg (21), met als doel meer outreach naar jongeren in landelijke en afgelegen gebieden, vlottere toegang tot deze programma’s en administratieve vereenvoudiging, als middelen voor het aanpakken van de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd;

28.

de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen bij het benutten van de mogelijkheden die worden geboden door programma’s en beleidsmaatregelen voor de jeugd, zoals Erasmus+, de Jongerengarantie en het Europees Solidariteitskorps, evenals andere relevante EU-instrumenten zoals het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met het oog op betere inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, mobiliteit en participatie en de bevordering van de EU-waarden (22); praktijken op het gebied van solidariteit en gemeenschapsontwikkeling uit te wisselen, met name in tijden van crisis; de sociale cohesie in landelijke en afgelegen gemeenschappen te vergroten;

29.

activiteiten inzake wederzijds leren te organiseren, zoals seminars, peer-learningactiviteiten en andere relevante vormen van formele en niet-formele samenwerking waarbij belanghebbenden uit verschillende beleidsgebieden kunnen worden betrokken, waaronder jongeren met verschillende geografische en culturele achtergronden, teneinde sectoroverschrijdende en intraregionale samenwerking bij de toegang tot diensten te onderzoeken;

30.

de aantrekkelijkheid van landelijke en afgelegen gebieden verder te bevorderen, met bijzondere nadruk op de voordelen en mogelijkheden ervan wat betreft beschikbare natuurlijke rijkdommen, in voorkomend geval, en het duurzame gebruik daarvan, voor een groter bewustzijn van het potentieel voor activiteiten van ondernemers en van de sociale en solidaire economie (SSE) (23), er rekening mee houdend dat bestaande landbouwactiviteiten waar nodig zo veel mogelijk moeten worden behouden en gepromoot;

31.

meer inspanningen te leveren voor het bevorderen van de kennis, de vaardigheden, de competenties en het vertrouwen van jongeren wat betreft zakendoen, zo nodig met de nadruk op jonge vrouwen (24), met betrekking tot het potentieel voor ondernemerschap en SSE-activiteiten in landelijke en afgelegen gebieden;

32.

rekening te houden met het milieu en de klimaatverandering — en met name de meest recente wetenschappelijke verslagen hierover — bij het formuleren van toekomstig beleid en maatregelen betreffende jeugdzaken voor landelijke en afgelegen gebieden, en zo nodig te voorzien in passend(e) opleiding, scholing en toegang tot informatie met het oog op een groter bewustzijn omtrent en een grotere deelname aan milieu- en klimaatvraagstukken bij jongeren die in landelijke en afgelegen gebieden wonen;

33.

waar nodig, meer moeite te doen om jongeren aan te moedigen tot het ondernemen van landbouwactiviteiten (25) en andere economische activiteiten in landelijke en afgelegen gebieden, via verschillende middelen zoals starterspremies, stimuleringsmaatregelen voor inkomen, eigen initiatieven van jongeren, en gerichte opleiding en scholing;

34.

samenwerking tussen relevante belanghebbenden aan te moedigen met als algemeen doel de verwezenlijking van het recht op kwaliteitsvolle en inclusieve vormen van opleiding alsmede scholing en een leven lang leren voor jongeren in landelijke en afgelegen gebieden, met bijzondere nadruk op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het vergroten van de kansen op gelijke toegang tot onderwijs en werk;

35.

digitaal onderwijs en digitale opleiding te bevorderen, alsmede niet-formeel leren en arbeidsmogelijkheden voor jongeren, om het algemene niveau van digitale vaardigheden en competenties te verhogen, en tevens om isolement van jongeren in landelijke en afgelegen gebieden tegen te gaan en de effecten van crises zoals COVID‐19 te beperken, bijvoorbeeld via vlottere toegang tot het internet en ICT (26)-apparatuur waar nodig, in landelijke en afgelegen gebieden;

36.

de samenwerking te stimuleren tussen landelijke en afgelegen grensgebieden in de EU, waarbij relevante programma’s zoals EU-Interreg worden benut, teneinde de mogelijkheden voor de lokale jeugd te bevorderen;

37.

verder te gaan met het overwegen van en nadenken over kwesties die van belang zijn voor jongeren in landelijke en afgelegen gebieden bij het uitvoeren van de huidige — en het ontwikkelen van nieuwe — initiatieven, zoals een langetermijnvisie voor plattelandsgebieden, en zo nodig in het kader van activiteiten in verband met de conferentie over de toekomst van Europa; de Europese onderwijsruimte tegen 2025, het bijgewerkte actieplan voor digitaal onderwijs, het klimaatpact, en een versterkte jongerengarantie,

VERZOEKEN DE EUROPESE COMMISSIE OM:

38.

onderzoek en analyse te overwegen, met gebruikmaking van bestaande instrumenten zoals Youth Wiki, en het verzamelen van uitgesplitste gegevens (onder meer naar geslacht, handicap en andere relevante kenmerken) met betrekking tot kwesties in verband met jongeren en hun welzijn in landelijke en afgelegen gebieden, teneinde bij te dragen tot betere kennis, bewijzen en gegevens als input voor beleid op alle niveaus, er tevens rekening mee houdend dat monitoringmechanismen nodig kunnen zijn;

39.

de synergie te bevorderen tussen EU-jeugdbeleid en ander relevante EU-beleidsmaatregelen en ‐programma’s, bijvoorbeeld op het gebied van plattelandsontwikkeling, landbouw en sociale cohesie, onder meer door te stimuleren dat de resultaten van de EU-jongerendialoog in dit verband worden benut;

40.

ervoor te zorgen, bij de activiteiten in het kader van het jeugdpartnerschap tussen de Europese Unie en de Raad van Europa (27), dat de nodige aandacht uitgaat naar de uitdagingen waarmee jongeren in landelijke en afgelegen gebieden worden geconfronteerd,

VERZOEKT DE EU-JONGERENSECTOR (28) OM:

41.

te helpen jongeren en de algemene bevolking in landelijke en afgelegen gebieden bewuster te maken van de mogelijkheden binnen hun lokale gemeenschappen, om enerzijds arbeids- en professionele kansen te promoten, en anderzijds de beschikbare maatregelen in de sector te benutten om stereotypen over plattelandsjongeren te ontkrachten en op proactieve wijze een positief beeld van jongeren in landelijke en afgelegen gebieden te bevorderen;

42.

maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden van Erasmus+, het Europees Solidariteitskorps en andere relevante EU-programma’s om het potentieel van jonge mannen en vrouwen in landelijke en afgelegen gebieden te benutten.

(1)  Op 20 juni 2019 aangenomen door de Europese Raad.

(2)  Volgens de databank van Eurostat woonde in 2018 49,2 % van de jongeren in de leeftijdscategorie 15‐24 jaar in plattelandsgebieden (EU‐28-bevolking volgens opleidingsniveau, geslacht, leeftijd en verstedelijkingsgraad (%)).

(3)  https://espas.secure.europarl.europa.eu/orbis/sites/default/files/generated/document/en/ESPAS_Report2019.pdf

(Global trends to 2030 — Challenges and Choices for Europe (Mondiale tendenzen tot 2030 — Uitdagingen en keuzes voor Europa), ESPAS, april 2019).

(4)  https://www.unece.org/fileadmin/DAM/pau/age/Policy_briefs/ECE-WG1-25.pdf (UNECE Policy Brief on Ageing No. 18 (2017)).

(5)  https://ec.europa.eu/commfrontoffice/publicopinion/index.cfm/Survey/getSurveyDetail/instruments/FLASH/surveyKy/2224 (Eurobarometer 478).

(6)  Ibidem, voetnoot 3.

(7)  Zie de definities van “landelijke gebieden/plattelandsgebieden” en “afgelegen gebieden” in de bijlage.

(8)  Het aandeel van de bevolking dat gebukt gaat onder huisvestingskosten is kleiner in de plattelandsgebieden van de EU (Europese statistieken over regio’s en steden, 2018).

(9)  Eurofound (2019), Is rural Europe being left behind?, European Quality of Life Survey 2016 (Wordt landelijk Europa aan zijn lot overgelaten? Europese enquête naar de kwaliteit van het bestaan 2016), Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg.

(10)  Bewoonde kleine eilanden die geen ultraperifere gebieden of LGO’s zijn, maar die moeilijk bereikbaar zijn door het ontbreken van verbindingsbruggen, schaars vervoer door de lucht of over zee of andere vergelijkbare factoren (zie de definitie van “afgelegen gebieden” in de bijlage).

(11)  Als genoemd in artikel 349 VWEU.

(12)  Als genoemd in bijlage II bij het VWEU.

(13)  Vrouwen in plattelandsgebieden van de EU maken minder dan 50 % uit van de totale plattelandsbevolking en vertegenwoordigen 45 % van de actieve bevolking. Volgens de analyse is de werkgelegenheid van vrouwen in de plattelandsgebieden van de EU (leeftijdsgroep 15‐64 jaar) in de periode 2013‐2017 met bijna 2 % toegenomen (The professional status of rural women in the EU (De arbeidssituatie van plattelandsvrouwen in de EU), Europees Parlement, 2019).

(14)  https://mdomsp.gov.hr/UserDocsImages/Vijesti2020/Creating%20Opportunities%20for%20Youth%20-%20outcomes%20report%2027%20mar%202020.pdf

(15)  Not in Education, Employment or Training.

(16)  https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Statistics_on_young_people_neither_in_employment_nor_in_education_or_training#NEETs:_analysis_by_degree_of_urbanisation

(17)  https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Archive:Impact_of_the_economic_crisis_on_unemployment

(18)  Zie de definitie in de bijlage.

(19)  Zie de definitie in de bijlage.

(20)  Zie de definitie in de bijlage.

(21)  https://interreg.eu/

(22)  Zoals vervat in artikel 2 van het VEU.

(23)  Zie de definitie in de bijlage.

(24)  Ibidem, voetnoot 13.

(25)  Zo wordt slechts 6 % van alle landbouwbedrijven in de Europese Unie gerund door landbouwers jonger dan 35 jaar en het is niet gemakkelijk om meer jongeren te overtuigen om in het landbouwvak te stappen (https://ec.europa.eu/info/food-farming-fisheries/key-policies/common-agricultural-policy/income-support/young-farmers_nl).

(26)  Informatie- en communicatietechnologie.

(27)  https://pjp-eu.coe.int/en/web/youth-partnership

(28)  Zie de definitie in de bijlage.


BIJLAGE

A.   Referenties

Bij de aanneming van deze conclusies nemen de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, nota van de volgende documenten:

Strategische agenda 2019-2024 voor de EU (1)

Resolutie van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over een kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken: De EU-strategie voor jongeren 2019-2027 (2018/C 456/01) (2)

Aanbeveling van het Comité van ministers aan de lidstaten over de toegang van jongeren uit achterstandswijken tot sociale rechten (CM/Rec(2015)3) — Raad van Europa (3)

Conclusies van de Raad over digitaal jeugdwerk (4)

Conclusies van de Raad over jongeren en de toekomst van werk (5)

Conclusies van de Raad over onderwijs en opleiding aan jeugdwerkers (6)

Conclusies van de Raad over de rol van de jeugd bij het aanpakken van de demografische uitdagingen in de Europese Unie (7)

Conclusies van de Raad over het stimuleren van ondernemerschap bij jongeren om de sociale inclusie van jongeren te bevorderen (8)

Conclusies van de Raad over slim jeugdwerk (9)

De 7e cyclus van de EU-jongerendialoog: Bevindingen van de activiteiten in het kader van de EU-jongerendialoog in de lidstaten en in heel Europa — Kansen creëren voor jongeren (10)

Europees Handvest over lokaal jeugdwerk (EGL) (11)

Inclusie- en diversiteitsstrategie op het gebied van jeugd (2014) in het kader van Erasmus+ (12)

Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (13)

Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (14)

Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (15)

B.   Definities

Ten behoeve van deze conclusies wordt verstaan onder

“landelijke gebieden/plattelandsgebieden”:

lokale administratieve gemeenschappen buiten stedelijke clusters, die meestal worden gekenmerkt door een vrij lage bevolkingsdichtheid, een specifiek sociaal-geografisch en cultureel imago, de nabijheid tot natuurlijke hulpbronnen en bijgevolg verschillende economische vooruitzichten, en die tegelijkertijd vastgestelde behoeften vertonen aan verdere verbetering van specifieke diensten voor de jeugd en voor de bevolking in het algemeen;

“afgelegen gebieden”:

lokale en regionale administratieve gemeenschappen, waarvan de meeste zich buiten stedelijke clusters bevinden en worden gekenmerkt door een moeilijke fysieke toegang, die vooral te wijten is aan een geografische/natuurlijke scheiding (waaronder bijvoorbeeld eilanden en/of bergen) in combinatie met beperkt of minder frequent openbaar vervoer en/of een moeilijke digitale connectiviteit. Deze gebieden kunnen dezelfde kenmerken hebben als die welke hierboven zijn genoemd voor “landelijke gebieden/plattelandsgebieden”. De ultraperifere gebieden van de EU die worden genoemd in artikel 349 VWEU, worden ook als afgelegen gebieden beschouwd;

“sociale onderneming”:

een marktdeelnemer in de sociale economie die als hoofddoel heeft een sociaal, maatschappelijk of milieu-effect te sorteren ten behoeve van het algemeen belang, eerder dan winst te maken voor zijn eigenaren of aandeelhouders. Een sociale onderneming produceert goederen en diensten voor de markt op een bedrijfsmatige en innoverende wijze en gebruikt haar winsten hoofdzakelijk voor het verwezenlijken van maatschappelijke doelen. De onderneming wordt gerund op een open en verantwoordelijke wijze waarbij name de werknemers, consumenten en stakeholders bij de zakelijke activiteiten worden betrokken (16).

“sociale en solidaire economie (SSE)”:

ondernemingen en organisaties (coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen, stichtingen en sociale ondernemingen) die goederen, diensten en kennis produceren welke beantwoorden aan de behoeften van de gemeenschap die zij dienen, door het nastreven van specifieke sociale en milieudoelstellingen en het bevorderen van solidariteit (17);

“ruimte voor jongeren”:

door jongeren geleide fysieke faciliteiten en infrastructuur die autonoom, open en veilig, en toegankelijk voor iedereen zijn en professionele ondersteuning bieden voor de ontwikkeling en het waarborgen van kansen voor jongerenparticipatie (18);

“EU-jongerensector”:

Deze term slaat doorgaans op het geheel van organisaties, jongerenwerkers, wetenschappers, het maatschappelijk middenveld in de jeugdsector of andere deskundigen die bij de ontwikkeling van jeugdbeleid betrokken zijn en die voor jongeren relevante activiteiten en projecten in de EU verwezenlijken (19).


(1)  https://www.consilium.europa.eu/media/39933/a-new-strategic-agenda-2019-2024-nl.pdf

(2)  PB C 456 van 18.12.2018, blz. 1.

(3)  https://www.coe.int/en/web/youth/-/recommendation-on-the-access-of-young-people-from-disadvantaged-neighbourhoods-to-social-rights

(4)  PB C 414 van 10.12.2019, blz. 2.

(5)  PB C 189 van 5.6.2019, blz. 28.

(6)  PB C 412 van 9.12.2019, blz. 12.

(7)  PB C 196 van 8.6.2018, blz. 16.

(8)  PB C 183 van 14.6.2014, blz. 18.

(9)  PB C 418 van 7.12.2017, blz. 2

(10)  https://europa.eu/youth/sites/default/files/euyd_youth_dialogue_findings_-_version_for_general_release_24th_feb_2020_1.pdf

(11)  https://www.europegoeslocal.eu/wp-content/uploads/2019/10/20191002-egl-charter_ENG_online.pdf

(12)  https://ec.europa.eu/assets/eac/youth/library/reports/inclusion-diversity-strategy_en.pdf

(13)  Resolutie A/RES/70 van de AVVN van 25 september 2015.

(14)  PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.

(15)  PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1.

(16)  Social Business Initiative — SEC(2011) 1278 final.

(17)  Definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

(18)  De EU-strategie voor jongeren 2019-2027, bijlage 3 over Europese jeugddoelstellingen, doelstelling 9, streefdoel 4 (PB C 456 van 18.12.2018, blz. 16).

(19)  Conclusies van de Raad over jongeren en de toekomst van werk (zie voetnoot 33).


9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/11


Conclusies van de Raad over Europese leraren en opleiders voor de toekomst

(2020/C 193/04)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

ONDER VERWIJZING NAAR de politieke achtergrond van dit vraagstuk (zie de bijlage bij deze conclusies);

ERKENNEND HETGEEN VOLGT:

1.

Onderwijs en opleiding hebben een vormende rol voor de mensheid en hebben een transformerende rol voor zowel individuen als de samenleving. Zij zijn belangrijk voor de maatschappelijke, economische, democratische en culturele betrokkenheid van de burgers, en voor groei, duurzame ontwikkeling, sociale cohesie en welvaart binnen de Unie. Kwaliteitsvol onderwijs en opleiding die relevant en inclusief zijn en gelijke kansen bieden, bieden de burgers niet alleen kennis, vaardigheden en competenties die aansluiten bij de huidige en toekomstige ontwikkelingen, maar geven ook vorm aan hun attitudes, waarden en gedragingen, waardoor zij zich professioneel en op persoonlijk vlak kunnen ontwikkelen en actieve en verantwoordelijke deelnemers aan de samenleving kunnen zijn.

2.

Leraren en opleiders (1), op alle niveaus en in alle soorten onderwijs en opleiding, zijn een onmisbare drijvende kracht achter onderwijs en opleiding. Zij spelen een cruciale rol bij het voorbereiden van mensen van alle achtergronden en leeftijden op het leven, leren en werken in de wereld van vandaag, en bij het tot stand brengen en leiden van toekomstige veranderingen.

3.

Door de voortdurende sociale, demografische, culturele, economische, wetenschappelijke, ecologische en technologische veranderingen wordt de wereld van onderwijs en opleiding anders, en verandert ook het beroep van leraren en opleiders, met steeds hogere eisen, verantwoordelijkheden en verwachtingen. Continue innovaties en uitdagingen zijn niet alleen van invloed op de vereiste competenties, maar ook op het welbevinden van leraren en opleiders en de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar.

4.

Europese leraren en opleiders vormen de hoekstenen van de Europese onderwijsruimte, en spelen een centrale rol bij het bevorderen van de Europese dimensie van onderwijs (2), het ondersteunen van lerenden bij het begrijpen en ervaren van het gevoel van Europese identiteit en het gevoel erbij te horen.

INDACHTIG HETGEEN VOLGT:

5.

Door de huidige crisis die wordt veroorzaakt door COVID-19 staan leraren en opleiders op alle niveaus en in alle vormen van onderwijs en opleiding voor een ongekende uitdaging. Zij dienden snel over te schakelen van fysiek naar overwegend afstands-, en in grote mate virtueel onderwijs. In zulke uitzonderlijke omstandigheden hebben leraren en opleiders indrukwekkende inzet, creativiteit, onderlinge samenwerking aan de dag gelegd en aanzienlijke inspanningen geleverd om ervoor te zorgen dat zowel het leren als de lerenden verdere vooruitgang blijven maken, onder meer door hun welbevinden te ondersteunen.

IS ZICH BEWUST VAN HET VOLGENDE:

6.

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, dat ook betrekking heeft op het lerarenberoep, ligt de verantwoordelijkheid voor de organisatie en de inhoud van de onderwijs- en opleidingsstelsels bij de lidstaten. In dit verband hebben de lidstaten verschillende eisen wat betreft de soorten en niveaus van kwalificatie die nodig zijn voor de toegang tot en de progressie in het onderwijsberoep (3).

7.

Door hogere onderwijs- en opleidingsniveaus te bereiken kunnen toekomstige leraren en opleiders een breder scala aan competenties verwerven, waaronder die welke nodig zijn om in hun onderwijspraktijk een professionele autonomie te ontwikkelen. Dit kan op zijn beurt bijdragen tot meer arbeidsvoldoening en tot het gevoel van waarde van en respect voor het beroep (4).

8.

Leraren en opleiders hebben de verantwoordelijkheid om het verwerven van sleutelcompetenties (5) en beroepsvaardigheden door lerenden te faciliteren, niet alleen om hen voor te bereiden om succesvol te zijn in toekomstige, soms nog onbekende banen, maar ook om hun sociale verantwoordelijkheid en maatschappelijke betrokkenheid te bevorderen, menselijke waarden uit te dragen en hun persoonlijke groei en welbevinden te ondersteunen.

9.

Hun vak- en pedagogische expertise, en hun inzet, enthousiasme, arbeidsvoldoening en zelfvertrouwen, hebben een impact op de leerresultaten, de vooruitgang en het welbevinden van lerenden. Door rolmodellen te zijn voor een leven lang leren kunnen leraren en opleiders lerenden motiveren om zich zelf in te zetten en verantwoordelijkheid te nemen voor een leven lang leren, hun interesse stimuleren en nieuwsgierigheid en creativiteit aanmoedigen.

10.

Omdat aan leraren en opleiders, door hun rol en verantwoordelijkheden, en vanwege de verwachtingen van lerenden, instellingshoofden, beleidsmakers, ouders en gemeenschappen, in voorkomend geval en in overeenstemming met de nationale omstandigheden, steeds hogere eisen worden gesteld, moeten zij zich blijven inzetten en ondersteuning blijven genieten om effectief in te spelen op veranderingen en uitdagingen. Deze uitdagingen kunnen zich in verschillende lidstaten in verschillende mate voordoen en betreffen met name, maar niet uitsluitend:

a)

het in balans brengen van verschillende aspecten van hun takenpakket, waarbij zij vaak tal van administratieve taken moeten aankunnen, het mee leiding geven aan de instellingen, het ondersteunen en begeleiden van hun lerenden, het plannen van en tijd inruimen voor wederzijdse samenwerking en professionele ontwikkeling, en daarmee gepaard gaand het voortdurend op peil houden en ontwikkelen van de kwaliteit van hun onderwijs en van de leerresultaten;

b)

het holistisch stimuleren van de ontwikkeling van het intellectueel, emotioneel, sociaal en creatief potentieel van de lerenden en er tegelijkertijd voor zorgen dat zij progressie maken;

c)

het gebruik van diverse op onderzoek gebaseerde onderwijsmethoden en -praktijken, het mainstreamen van innovatieve en digitale methoden en benaderingen, met de nadruk op leerling- en competentiegerichte benaderingen, conform de veranderende en individuele behoeften van de lerenden, teneinde het leerproces te vergemakkelijken en de cocreatie bij leren en onderwijs ondersteunen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat die praktijken inclusief en sociaal rechtvaardig zijn en gelijke kansen bieden;

d)

het werken in omgevingen die door technologie, digitalisering en kunstmatige intelligentie een transformatie hebben ondergaan, met aandacht voor hun pedagogisch potentieel en een ethische, veilige en verantwoorde benutting;

e)

het werken in klaslokalen en leeromgevingen waar verschillende talen en culturen vertegenwoordigd zijn, met lerenden uit uiteenlopende sociaaleconomische achtergronden en met verschillende behoeften, waaronder specifieke onderwijsbehoeften (6), onder waarborging van de inclusiviteit;

f)

het meewerken aan beleidsvorming, met name op het gebied van het ontwikkelen, doorvoeren en evalueren van hervormingen op het gebied van onderwijs en opleiding, met inbegrip van de permanente herziening van de leerplannen;

g)

in voorkomend geval, het scheppen van een ondersteunend en constructief klimaat in leeromgevingen, inclusief positieve, elkaar versterkende relaties binnen hun teams en ander onderwijzend personeel, lerenden, gezinnen en werkgevers;

h)

het omgaan met gedrag in de klas en de eventuele preventie van verschillende soorten geweld, waaronder cybergeweld, die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de resultaten en de gezondheid van de lerenden; voorts eventueel het omgaan met gewelddadig gedrag gericht op de eigen persoon;

i)

het kiezen van geschikte beoordelingsinstrumenten, -criteria en -methoden, afgestemd op de beoogde leerresultaten, teneinde elke lerende tijdig feedback van goede kwaliteit te geven die zijn verdere leerproces kan sturen en verbeteren;

j)

het les geven met vaak beperkte middelen, zoals schaarse of ontoereikende onderwijsinfrastructuur, leerruimten, apparatuur en instrumenten, inclusief tools voor online leren.

11.

Deze uitdagingen spelen nog sterker voor beginnende (pas gekwalificeerde) leraren en opleiders, aangezien zij vanaf de eerste jaren dat zij lesgeven of opleiden dezelfde verantwoordelijkheden hebben als hun meer ervaren collega’s. Bovendien werken zij vaak in moeilijke omgevingen, zoals onderwijs- en opleidingsinstellingen met een hoger percentage lerenden uit sociaaleconomisch achtergestelde milieus of met een migrantenachtergrond (7). Ervaren leraren en opleiders kunnen andere problemen ondervinden, bijvoorbeeld een generatiekloof op het werk.

12.

Bovendien staan leraren en opleiders die werkzaam zijn in plattelandsgebieden, afgelegen of achterstandsgebieden soms voor extra uitdagingen, bijvoorbeeld in verband met professioneel isolement, beperkte (digitale) infrastructuur, beperkte toegang tot ondersteuning en kansen voor professionele ontwikkeling, of lesgeven in klassen met verschillende leeftijden en niveaus. Voorts worden leraren en opleiders die in dichtbevolkte stedelijke gebieden werken, soms geconfronteerd met grotere uitdagingen die te maken hebben met het lesgeven aan lerenden die verschillende talen spreken en een verschillende culturele en sociaaleconomische achtergrond hebben.

13.

Hoewel veel leraren en opleiders voor dezelfde uitdagingen staan, doen zich in verschillende lidstaten in meerdere of mindere mate ook specifieke uitdagingen voor doordat er verschillende soorten onderwijs en opleiding van verschillend niveau zijn, waaronder:

a)

in de voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang:

moeilijkheden om gekwalificeerd en goed opgeleid personeel voor voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang aan te trekken en te behouden;

vergrijzing van het personeel en een scheve man-vrouwverhouding, met overwegend vrouwelijke werknemers;

onaantrekkelijke arbeidsomstandigheden, onder meer een hoog aantal kinderen per werknemer, en een gebrek aan aantrekkelijke carrièremogelijkheden en aan mogelijkheden voor continue professionele ontwikkeling;

b)

in het schoolonderwijs:

problemen met het aantrekken en behouden van getalenteerde studenten in de initiële lerarenopleiding (8), en met het aantrekken van afgestudeerden en het behouden van leraren in het beroep;

het lerarenbestand vergrijst; er is ook een scheve man-vrouwverhouding, met voornamelijk vrouwelijke leraren, met name in sommige vakken en op bepaalde onderwijsniveaus; bovendien is het beroep misschien niet cultureel representatief voor de betrokken gemeenschap;

het resultaat van dit alles is een tekort aan leraren in veel lidstaten: een algemeen tekort, alleen in specifieke geografische gebieden of voor bepaalde vakken, zoals STEM-vakken, of een tekort aan leraren met competenties voor lesgeven aan leerlingen met speciale behoeften, in een multiculturele of meertalige omgeving of aan studenten uit sociaaleconomisch achtergestelde milieus (9);

c)

in beroepsonderwijs en -opleiding:

leraren en opleiders moeten bedreven zijn in het bevorderen en ontwikkelen van basisvaardigheden en sleutelcompetenties, en in het aanleren van actuele beroeps- of technische vaardigheden en kennis;

er kan een toenemende behoefte zijn aan hybride leraren en opleiders die in instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding en bedrijven werkzaam zijn;

ook is samenwerking tussen leraren en opleiders nodig, met name de eigen opleiders van bedrijven, gezien hun complementaire taken en verantwoordelijkheden, met name bij het aanbieden van leerlingplaatsen en leren op de werkplek;

aangezien het betere stimulansen kan bieden, kan werk in de particuliere sector aantrekkelijker zijn dan in instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding;

in veel lidstaten is de vergrijzing van leraren en opleiders een uitdaging;

d)

in het volwassenenonderwijs:

leraren in het volwassenenonderwijs spelen een belangrijke rol bij het bevorderen en ontwikkelen van basis- en beroepskennis, -vaardigheden en -competenties;

het kan zijn dat zij het hoofd moeten bieden aan de uitdaging van de geletterdheid en gecijferdheid en de taalmoeilijkheden of de slechte onderwijs- en opleidingservaringen van lerenden;

aangezien leraren in het volwassenenonderwijs vaak met verschillende groepen lerenden werken, moeten zij bereid zijn uiteenlopende en effectieve onderwijsstrategieën en -methoden toe te passen, om aan de behoeften tegemoet te komen, de motivatie te stimuleren en hun lerenden individuele leertrajecten te bieden;

om personen in staat te stellen om te leren voor bijscholing en omscholing, is het mogelijk dat de rol van leraren en opleiders moet worden herzien in het licht van hun potentiële bijdrage aan begeleiding voor en validering van vaardigheden die door niet-formeel en informeel leren zijn verworven;

van leraren in het volwassenenonderwijs kan worden verlangd dat zij met werkgevers samenwerken op het gebied van werkplekleren;

leraren in het volwassenenonderwijs missen vaak de specifieke voorbereiding om volwassenen te onderwijzen of werken deeltijds of als freelancer en hun professionalisering vormt dan ook een belangrijke uitdaging om de kwaliteit van het volwassenenonderwijs te waarborgen;

e)

in het hoger onderwijs:

om toe te treden tot de academische beroepsgroep is de belangrijkste eis niet dat kandidaten goede onderwijsvaardigheden hebben;

ruime, systemische mogelijkheden voor continue professionele ontwikkeling gericht op het verbeteren van de pedagogische vaardigheden van academisch personeel zijn er niet in alle lidstaten;

te weinig aandacht wordt besteed aan de ondersteuning voor interinstitutionele personeelsontwikkeling, inclusief internationale onderwijsmobiliteit, maar ook aan het opbouwen van praktijkgemeenschappen en professionele netwerken;

door de diversiteit van de studentenpopulatie zijn verschillende onderwijsmethoden nodig, vanuit een studentgerichte benadering die voor de instellingen voor hoger onderwijs een uitdaging kan zijn;

in sommige academische disciplines is er sprake van een scheve man-vrouwverhouding, en het vrouwelijke personeel is met name ondervertegenwoordigd in de hogere echelons;

hoewel lesgeven een van de drie missies van het hoger onderwijs is, wordt onderzoek vaak hoger gewaardeerd dan onderwijs in de evaluaties met betrekking tot loopbaanontwikkeling; van de personeelsleden van het lagere en middenkader wordt vaak verlangd dat ze meer gaan lesgeven, want zodra ze carrière maken wordt er vaak minder lesgegeven en gaat er meer tijd naar onderzoek (10).

14.

Hoewel de vereisten complexer worden en het beroep veeleisender, voelen veel leraren en opleiders zich niet gerespecteerd of gewaardeerd door de samenleving (11) en verliest het beroep in veel lidstaten aan aantrekkelijkheid.

BENADRUKT HET VOLGENDE:

15.

Het is van essentieel belang de competenties van leraren en opleiders verder te ontwikkelen en te actualiseren, hun expertise te waarborgen en hun autonomie en betrokkenheid te stimuleren, en hun persoonlijke en professionele welbevinden, motivatie en gevoel van waarde te bevorderen, hen voor te bereiden om adequaat te reageren op veranderingen, maar hen ook aan te moedigen om proactief en innovatief te zijn in hun beroep.

16.

Daartoe is het noodzakelijk dat het nationale beleid ter ondersteuning van het werk van leraren en opleiders verder wordt ontwikkeld, op een gerichte en integrale manier, rekening houdend met de vereisten en opleidingsbehoeften die door leraren en opleiders zelf zijn vastgesteld, en met de behoeften van de bredere leergemeenschappen, de relevante resultaten van het onderwijsonderzoek en de algemene nationale doelstellingen op het gebied van onderwijs en opleiding. Bovendien is het nuttig verschillende opleidingsmodellen aan te bieden, daaronder begrepen face-to-face, virtueel en blended leren, en leren op de werkplek.

17.

Op alle niveaus en in alle onderdelen van het onderwijs en de opleiding van leraren en opleiders is een complementaire en integrale aanpak nodig. Dit omvat de werving en selectie van studenten, initiële lerarenopleiding (met inbegrip van stages), inductie en goed mentoraat, alsook het bevorderen en ondersteunen van continue professionele ontwikkeling gedurende hun onderwijsloopbaan en, indien van toepassing, beoordelingsmechanismen. Aan beginnende leraren moet bijzondere aandacht worden besteed door hun extra begeleiding en mentoraat te bieden, om hun carrièrestart te vergemakkelijken en hen te helpen tegemoet te komen aan de specifieke behoeften waarmee zij te maken krijgen.

18.

In overeenstemming met de nationale omstandigheden kan dit worden ondersteund met geactualiseerde en relevante nationale allesomvattende competentiekaders voor leraren en opleiders (12), die zijn ontwikkeld via een gestructureerde en systematische dialoog met de betrokken belanghebbenden, uitgaande van hedendaagse en innovatieve onderwijsbenaderingen, -strategieën en -methoden, en waarin wordt ingespeeld op nieuwe omstandigheden in de samenleving als geheel. In die zin is het belangrijk dat bij onderwijs en opleiding voor leraren en opleiders tijdens het beroepscontinuüm systematischer aandacht uitgaat naar de onderwerpen en leermogelijkheden in verband met het werken in meertalige en multiculturele omgevingen, werken met lerenden met bijzondere behoeften en uit achterstandsgroepen, digitale onderwijsmethoden, duurzame ontwikkeling en een gezonde levensstijl. In dit verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan de eisen en behoeften die leraren en opleiders zelf te kennen hebben gegeven (13).

19.

De continue professionele ontwikkeling van leraren en opleiders moet als voorwaarde worden beschouwd voor het kunnen aanbieden van onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit; leraren en opleiders moeten daarom worden aangemoedigd om na te denken over hun praktijken en opleidingsbehoeften, en worden gemotiveerd en ondersteund door opleidingsmogelijkheden van goede kwaliteit te bieden, en door hun tijd te geven om daaraan deel te nemen en hun stimulansen te bieden.

20.

Het versterken van de band van leraren en opleiders met onderzoekers kan een positief effect hebben op hun professionele ontwikkeling en een stimulans vormen voor onderzoeksgedreven, innovatieve en verbeterde onderwijspraktijken.

21.

Grensoverschrijdende mobiliteit, op korte of langere termijn, fysiek, virtueel of blended, is een krachtige leerervaring en een waardevolle kans om de sociale, interculturele, meertalige en interpersoonlijke competenties van de deelnemers te ontwikkelen, zowel voor studenten in de initiële lerarenopleiding als voor praktiserende leraren en opleiders in hun continue professionele ontwikkeling. Er zijn echter obstakels die de mobiliteit van zowel studenten als docenten belemmeren, zoals een gebrek aan taalcompetenties of het vinden van vervangers voor praktiserende leraren. Bovendien hebben de initiële onderwijsprogramma’s voor leraren vaak een geringe internationale dimensie en kennen zij een lage studie- en stagemobiliteit, in vergelijking met studieprogramma’s op andere gebieden (14), en er zijn uitdagingen in verband met de erkenning van mobiliteitsperioden in het buitenland en van leerresultaten.

22.

Kansen verbonden aan verschillende loopbaankeuzes binnen het beroep van leraar, waarbij meerdere trajecten voor loopbaanontwikkeling worden geboden, kunnen de motivatie verhogen om toe te treden tot het beroep en in het beroep te blijven, en voor een leven lang leren. Zij kunnen voor leraren en opleiders een aansporing zijn om toegewijd te blijven aan het beroep en zich tijdens hun beroepsleven te blijven inzetten voor het leerproces van lerenden en hun eigen leerproces. Anderzijds is het ook van belang dat leraren en opleiders niet overmatig worden belast met administratieve taken, zodanig dat het voor hen moeilijk wordt zich op lesgeven te concentreren.

23.

Leraren en opleiders, en instellingshoofden, kunnen bijdragen aan beleidsvorming met hun kennis, expertise en praktische inzichten. Tegelijkertijd kunnen zij door hun betrokkenheid bij de beleidsvorming meer ownership krijgen en kunnen de resultaten van de uitvoering van de verschillende beleidsinitiatieven en hervormingen daardoor positief worden beïnvloed.

24.

Het welbevinden van leraren en opleiders heeft een invloed op hun arbeidsvoldoening en enthousiasme voor hun werk, en op de aantrekkelijkheid van hun beroep, en kan er mede voor zorgen dat zij in het beroep blijven. Het is een belangrijke factor voor kwaliteit en prestaties, die gecorreleerd is met hun eigen motivatie en de motivatie en resultaten van hun lerenden.

25.

Belangrijke aspecten van het welbevinden kunnen verband houden met, onder meer, het begrijpen van en omgaan met verwachtingen; werklast, werkomgevingen, inclusief veiligheid van lesgeven en leren, en arbeidsomstandigheden; beschikbare intercollegiale en institutionele steun; relaties met lerenden, ouders, collega’s en instellingshoofden; en respect en waardering van de bredere gemeenschap. Als deze factoren ontbreken of niet als positief worden ervaren, kan dit leiden tot fysieke en emotionele uitputting, stress en burn-out, met gevolgen voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid.

26.

Om zowel de prestaties als het welbevinden van leraren en opleiders, en van de lerenden, te ondersteunen, is het nuttig om samenwerkende leergemeenschappen op te bouwen en te bevorderen, evenals een teamcultuur van samenwerking tussen leraren en opleiders, hun collega’s en instellingshoofden, lerenden, ouders en andere belanghebbenden, zoals werkgevers. Ervaren leraren en opleiders kunnen een belangrijke rol spelen als mentor voor hun jongere collega’s, terwijl zij ook profiteren van intergenerationele uitwisseling. Bovendien is het van belang bottom-up-, intercollegiaal professioneel leren te stimuleren en educatief en participatief leiderschap te bevorderen dat vertrouwen creëert en het onderwijzend personeel inspireert en stimuleert. Voorts kan, in voorkomend geval, beoordeling worden gebruikt om verbeteringen in hun werk te ondersteunen, door constructieve evaluatie en feedback te geven in verband met prestaties, en door criteria vast te stellen voor de bevordering en erkenning van degenen die aanzienlijke resultaten boeken.

27.

Voldoende, effectieve en duurzame investeringen in leraren en opleiders zijn investeringen in de kwaliteit van onderwijs en opleiding. Dit omvat verschillende aspecten, zoals investeringen in onderwijs- en opleidingsmogelijkheden voor leraren en opleiders, adequate infrastructuur en leerruimten, instrumenten en middelen, en lonen (15).

28.

Al het bovenstaande kan in aanmerking worden genomen bij het ontwikkelen van stimulansen om het probleem van de tekorten aan leraren en opleiders aan te pakken. Hierbij valt ook te denken aan studiebeurzen om studenten aan te trekken voor de betreffende studieprogramma’s of de werving van professionals met andere kwalificaties dan lesgeven, en tegelijkertijd een hoogwaardige leervoorziening te bevorderen en te ondersteunen.

VERZOEKT DE LIDSTATEN, INDACHTIG DE INSTITUTIONELE AUTONOMIE, EN IN OVEREENSTEMMING MET DE NATIONALE OMSTANDIGHEDEN:

29.

zich verder in te spannen om leraren en opleiders te betrekken bij de ontwikkeling van het onderwijs- en opleidingsbeleid op alle niveaus van de beleidsvorming, de samenwerking te intensiveren, en hun ownership van het proces en hun autonomie bij het in praktijk brengen van dit beleid te stimuleren;

30.

rekening te houden met de noodzaak van een integrale aanpak van de initiële opleiding, de inductie en de continue professionele ontwikkeling van leraren en opleiders bij het treffen van beleidsmaatregelen op het gebied van onderwijs en opleiding van leraren en opleiders;

31.

een grotere deelname van leraren en opleiders aan continue professionele ontwikkeling te bevorderen en te ondersteunen, met name via nadere maatregelen om obstakels voor participatie en kansen weg te nemen, en te streven naar gedegen beoordelingen en erkenning van de waarde van continue professionele ontwikkeling als element voor loopbaanprogressie;

32.

onderwijs- en opleidingsinstellingen aan te moedigen om impactvolle en op onderzoek gebaseerde bijscholingsmogelijkheden voor leraren en opleiders te bieden, op basis van samenwerking, intercollegiale observatie en intercollegiaal leren, begeleiding, mentoraat en netwerkvorming. Bij het ontwikkelen van deze mogelijkheden, zo nodig, onderwijs- en opleidingsinstellingen aan te moedigen hun leeraanbod uit te breiden, inclusief kleinere leereenheden, zoals die welke tot microcredentials kunnen leiden, rekening houdend met de kwaliteitsborgingsregelingen;

33.

de instellingen voor hoger onderwijs te blijven ondersteunen, met volledige inachtneming van hun autonomie, bij het vergroten van de competenties van het academisch personeel in het toepassen van op onderzoek gebaseerde en studentgerichte leer-, onderwijs- en beoordelingsbenaderingen, en duidelijke, transparante en eerlijke processen voor de werving van personeel op te zetten en te volgen, waarbij de waarde van onderwijsactiviteiten (16) wordt erkend, en waarmee ook rekening moet worden gehouden in het beleid en de praktijken op het gebied van promotie;

34.

mogelijkheden te onderzoeken om loopbanen van leraren en opleiders te diversifiëren en nationale loopbaankaders te ontwikkelen om hun carrièreambities en -motivatie en hun leerbehoeften te helpen vervullen;

35.

onderwijs- en opleidingsinstellingen te motiveren om de mobiliteit van leraren en opleiders — fysiek, virtueel of blended — in hun strategieën op het gebied van leren, ontwikkeling en internationalisering te integreren, onder meer door gebruik te maken van het potentieel van Europese instrumenten zoals e-Twinning en EPALE als integraal onderdeel van de leervoorziening. Waar mogelijk en in overeenstemming met de nationale regelgeving en de nationale omstandigheden, de door middel van Europese instrumenten en mobiliteit verworven vaardigheden en competenties te valideren als onderdeel van de continue professionele ontwikkeling van leraren en opleiders;

36.

zich verder in te spannen om de mobiliteit van zowel studenten als praktiserende leraren en opleiders te bevorderen en hardnekkige obstakels weg te nemen met het oog op een verhoging van de participatiepercentages. In dit verband, de instellingen voor hoger onderwijs die met de initiële lerarenopleiding zijn belast, aan te moedigen om het potentieel van mobiliteit volledig te benutten als onderdeel van hun leeraanbod, met eventueel ook mobiliteitsvensters in studieprogramma’s. Voorts de deelname aan verschillende vormen van mobiliteit in de professionele ontwikkeling van praktiserende leraren en opleiders te faciliteren, onder meer door te werken aan duurzame oplossingen voor vervangingsbehoeften;

37.

om de aantrekkelijkheid en de status van het beroep te verhogen, te investeren in maatregelen om hun initiële opleiding en continue professionele opleiding te verbeteren, de arbeidsomstandigheden en loopbaanperspectieven te verbeteren en maatregelen te nemen om hun weerbaarheid en welbevinden verder te vergroten, teneinde hen te ondersteunen bij het omgaan met de stresserende aspecten van hun werk. Om iets te doen aan deze aspecten, is het van belang dat de sociale partners effectief worden betrokken;

38.

samen te werken en ervaringen en informatie uit te wisselen over beleidsontwikkelingen met betrekking tot leraren en opleiders, met inbegrip van de ontwikkeling en herziening van de nationale competentiekaders voor leraren en opleiders.

VERZOEKT DE COMMISSIE OM, CONFORM HAAR BEVOEGDHEDEN EN MET INACHTNEMING VAN HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL:

39.

teneinde de mobiliteit van studenten en praktiserende leraren en opleiders te faciliteren, in samenwerking met de lidstaten een dialoog aan te moedigen en obstakels te onderzoeken, waaronder structurele aspecten, erkenning van de resultaten van leerperioden in het buitenland en academische kwalificaties, en begeleiding te bieden aan onderwijs- en opleidingsinstellingen om de mobiliteit te verbeteren en het internationaal perspectief van leraren en opleiders in opleiding te verbreden;

40.

in aanvulling op de bestaande nationale inspanningen, na te gaan of een voorstel voor een desbetreffend Europees competentiekader (17) kan worden opgesteld ter bevordering van de ontwikkeling en beoordeling van kennis, vaardigheden en attitudes in verband met duurzame ontwikkeling, dat op vrijwillige basis zal worden gebruikt;

41.

nauwere samenwerking tussen onderwijs- en opleidingsinstellingen in de Unie te ondersteunen, teneinde de op onderzoek gebaseerde lerarenopleiding te versterken, grensoverschrijdende mobiliteit en gezamenlijke leermogelijkheden binnen een continuüm van professionele ontwikkeling van leraren te ondersteunen, bijvoorbeeld door vrijwillige samenwerking en de vorming van netwerken van nationale onderwijs- en opleidingsinstellingen op Unieniveau aan te moedigen, in de vorm van Europese academies voor lerarenopleiding;

42.

in aanvulling op de bestaande nationale inspanningen, te onderzoeken of Europese richtsnoeren kunnen worden ontwikkeld als steun die op vrijwillige basis kan worden gebruikt bij het opzetten van nationale loopbaankaders, op basis van de resultaten van de Education and Training 2020 Working Group Schools, om de vooruitgang van leraren en opleiders in een breder perspectief te benaderen en te reageren op hun doelen, motivatie en ambities;

43.

in samenwerking met de lidstaten het gebruik van bestaande onlineplatforms, zoals e-Twinning, School Education Gateway en EPALE, te bevorderen en te overwegen deze verder te ontwikkelen, en na te gaan hoe er meer gebruik van kan worden gemaakt bij het faciliteren van de mobiliteit van zowel studenten als praktiserende leraren en opleiders, zoals bij het vinden van partners voor mobiliteitsprojecten en het bieden van een platform voor de voorbereiding en opvolging van mobiliteit;

44.

om de waardering te bevorderen, het belang van het beroep van leraar te promoten en onderwijs van hoge kwaliteit zichtbaar te maken, de haalbaarheid en de meerwaarde te onderzoeken van de invoering van een jaarlijkse Europese beloning voor uitzonderlijke leraren of opleiders, bijvoorbeeld voor de bevordering van innovatie, inclusiviteit of de Europese dimensie in het onderwijs;

45.

de ontwikkeling van onderwijs- en opleidingsmogelijkheden voor toekomstige en praktiserende leraren en opleiders en hun mobiliteit te blijven ondersteunen, met name via het Erasmus+-programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds, en hun opvolgers;

46.

volledig rekening te houden met deze conclusies bij het opstellen van voorstellen voor de Europese onderwijsruimte en het nieuwe strategische kader voor samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, inclusief het voortzetten van de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten.


(1)  In deze conclusies wordt onder leraar verstaan een persoon die volgens de nationale wetgeving en praktijk de status van leerkracht (of gelijkwaardig) heeft, terwijl een opleider een persoon is die één of meer activiteiten vervult die verband houden met de (theoretische of praktische) opleidingsfunctie, hetzij in een instelling voor onderwijs of opleiding, hetzij op de werkplek. Zij omvatten leraren in het algemeen onderwijs en het hoger onderwijs, leraren en opleiders in het initiële en voortgezette beroepsonderwijs en -opleiding, en tevens professionals in de voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang en leerkrachten in het volwassenenonderwijs.

(2)  Zoals gedefinieerd in de Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie in lesgeven.

(3)  In de EU is voor lesgeven in het algemeen een tertiaire kwalificatie nodig. De meest voorkomende minimumeis voor onderwijs op basisniveau is een bachelorgraad. Voor het lesgeven in het lager middelbaar onderwijs kent de helft van de systemen van de EU als minimumeis het masterniveau. Om les te geven in het hoger middelbaar onderwijs moeten leraren in de meeste EU-landen een opleiding op minimaal masterniveau hebben afgerond (ET monitor 2019, blz. 24). Bij voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang gelden echter in heel Europa verschillende eisen voor minimumkwalificaties. In sommige landen gelden voor alle personeelsleden dezelfde minimale kwalificatie-eisen, terwijl in andere landen voor verschillende functies en profielen verschillende kwalificaties vereist zijn. Tertiaire kwalificaties zijn vaak niet vereist voor alle leden van een team voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang. (Key data on early childhood education and care in Europe, rapport Eurydice, 2019, blz. 71-72).

(4)  ET monitor 2019, blz. 24.

(5)  Zoals omschreven in de Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren.

(6)  Op basis van TALIS 2018-gegevens meldt 21 % van de leraren dat meer opleiding nodig is in het lesgeven aan leerlingen met speciale behoeften, 16 % in het gebruik van ICT voor onderwijs en ongeveer 13 % in het lesgeven in meertalige en multiculturele omgevingen (ET Monitor 2019, blz. 10). Uit de gegevens blijkt dat de Europese studentenpopulatie in het hoger onderwijs ook diverser wordt (Eurostudent VI (2016-2018)).

(7)  ET Monitor 2019, blz. 21.

(8)  Te weinig studenten schrijven zich in voor de initiële lerarenopleiding, en de uitval is hoog (Teaching Careers in Europe, Access, Progression and Support, Eurydice, 2018, blz. 10).

(9)  ET Monitor 2019, blz. 9, 10 en 21.

(10)  Modernisation of Higher Education in Europe: Academic Staff — 2017, Eurydice, 2017.

(11)  Op basis van TALIS 2018-gegevens beschouwt 18 % van de leraren uit het lager middelbaar onderwijs in de EU hun beroep als gewaardeerd door de samenleving, en dat aandeel wordt minder naarmate men het beroep langer uitoefent, en dat geldt ook (in verschillende EU-landen) voor het aandeel leraren dat nog steeds als leraar zou willen werken (ET Monitor 2019, blz. 9).

(12)  De meeste Europese landen stellen kaders vast waarin een aantal competenties wordt beschreven die leraren gedurende hun loopbaan moeten bezitten of ontwikkelen. In de praktijk verschillen deze kaders echter qua model, detailniveau, waarde en gebruik (ET Monitor 2019, blz. 34).

(13)  Op basis van TALIS 2018-gegevens meldt 21 % van de leraren dat meer opleiding nodig is in het lesgeven aan leerlingen met speciale behoeften, 16 % in het gebruik van ICT voor onderwijs en ongeveer 13 % in het lesgeven in meertalige en multiculturele omgevingen (ET Monitor 2019, blz. 10).

(14)  Internationale mobiliteit van leraren tijdens de initiële lerarenopleiding (berekend als het aandeel docenten die een studieperiode in het buitenland hebben doorgebracht als onderdeel van hun initiële lerarenopleiding) is niet erg gangbaar en varieert aanzienlijk per lidstaat (ET Monitor, blz. 26).

(15)  Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de lonen van invloed zijn op de werving en het in het beroep blijven van leraren en opleiders, en op de leerresultaten. De lonen van leraren liggen vaak onder het gemiddelde van andere hooggeschoolde werknemers. (ET Monitor 2019, blz. 39-40).

(16)  Standards 1.3 and 1.5, Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area, 2015.

(17)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. De mededeling van de Europese Commissie: de Europese Green Deal, 11 december 2019 (blz. 19).


BIJLAGE

Politieke achtergrond

1.   

Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over het verbeteren van de kwaliteit van de lerarenopleiding (15 november 2007)

2.   

Conclusies van de Raad over de professionele ontwikkeling van leerkrachten en schoolleiders (26 november 2009)

3.   

Conclusies van de Raad over doeltreffend leiderschap in het onderwijs (25 en 26 november 2013).

4.   

Conclusies van de Raad over een doeltreffende lerarenopleiding (20 mei 2014).

5.   

Conclusies van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over inclusie in verscheidenheid met het oog op hoogwaardig onderwijs voor iedereen (17 februari 2017).

6.   

Conclusies van de Raad over ontwikkeling van scholen en uitstekend onderwijs (20 november 2017)

7.   

Europees kader voor de digitale competenties van onderwijsgevenden (2017)

8.   

Aanbeveling van de Raad inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie in lesgeven (22 mei 2018)

9.   

Aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (22 mei 2018)

10.   

Aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang (22 mei 2019)

11.   

Aanbeveling van de Raad inzake een alomvattende benadering van het onderwijzen en leren van talen (22 mei 2019)

12.   

TALIS — The OECD Teaching and Learning International Survey 2018

13.   

Education and Training Monitor 2019


9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/20


Conclusies van de Raad tot wijziging van het werkplan voor cultuur 2019‐2022

(2020/C 193/05)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

HERINNEREND AAN de conclusies van de Raad over het werkplan voor cultuur 2019‐2022 (1),

HERHALEND dat in de strategische agenda 2019‐2024 (2) het bevorderen van duurzame ontwikkeling wordt aangemerkt als een belangrijke actie voor de toekomst van de Europese Unie en OPNIEUW WIJZEND op de rol van cultuur als motor voor duurzame sociale en economische ontwikkeling, als onderstreept in de nieuwe Europese agenda voor cultuur (3),

IN HET LICHT VAN de resolutie van de Raad van de Europese Unie en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling (4), waarvan het doel is cultuur meer te laten bijdragen aan duurzame ontwikkeling via een proces dat een OCM-groep zal omvatten en zal resulteren in een door de Europese Commissie in coördinatie met de lidstaten op te stellen actieplan voor de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling op EU‐niveau,

KOMEN OVEREEN, in het kader van dit proces, dat erop is gericht de bijdrage van cultuur aan de duurzaamheid te optimaliseren, het werkplan voor cultuur 2019‐2022 te wijzigen door prioriteit F betreffende cultuur als motor voor duurzame ontwikkeling toe te voegen, als volgt:

In II. PRIORITEITEN wordt het volgende punt toegevoegd:

“F. Cultuur als motor voor duurzame ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling is een belangrijke politieke prioriteit van de Europese Unie en er is dringend behoefte aan meer actie op dit gebied. Cultuur is intrinsiek verbonden met de drie dimensies van duurzame ontwikkeling (de economische, de sociale en de ecologische dimensie), en verscheidene fundamentele doelstellingen van culturele beleidslijnen en maatregelen op EU-niveau vallen samen met de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s) en hun subdoelstellingen, die de basis vormen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling: deze omvatten onder meer het bevorderen van inclusie, diversiteit, identiteit, participatie, creativiteit en innovatie. Het effect van deze beleidslijnen en maatregelen vormt ook volledig een aanvulling op de resultaten van duurzame ontwikkeling: verbetering van gezondheid en welzijn, groei, innovatie en werkgelegenheid, en stadsvernieuwing.

In de resolutie over de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling, die de Raad van de Europese Unie en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in november 2019 hebben aangenomen, wordt verklaard dat cultuurbeleid en ‐maatregelen systematisch moeten worden ingezet als aanvulling op de instrumenten die momenteel worden gebruikt om duurzaamheid te realiseren.”.

In IV. ACTIES wordt het volgende punt toegevoegd:

“F. Cultuur als motor voor duurzame ontwikkeling

Thema:

De culturele dimensie van duurzame ontwikkeling

Werkmethoden:

OCM-groep en een actieplan*

Motivering:

In zijn resolutie over de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling bevestigt de Raad zijn engagement voor de uitvoering van de Agenda 2030 en stemt hij ermee in om de inspanningen op te voeren door een proces in gang te zetten dat zal leiden tot een actieplan inzake de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling op EU-niveau. De Europese Commissie werd verzocht dit actieplan in overleg met de lidstaten op te stellen en het op te nemen in de strategie van de EU voor de uitvoering van de Agenda 2030.

De snelle oprichting van een OCM-groep inzake de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling werd in de resolutie genoemd als onderdeel van dit proces.

Verwachte resultaten:

Maatregelen op EU-niveau ter ondersteuning, coördinatie of aanvulling van het cultuurbeleid en de maatregelen van de lidstaten zullen de bijdrage daarvan aan duurzame ontwikkeling optimaliseren. De opneming van het actieplan in de strategie van de EU voor de uitvoering van de Agenda 2030 zou de samenhang van het beleid versterken en het volledige potentieel van cultuur voor duurzaamheid ontsluiten.

* De datum van de afronding van het actieplan is afhankelijk van de middelen die op het niveau van de Commissie beschikbaar zijn voor de uitvoering van het werkplan voor cultuur 2019-2022; dit mag echter niet van invloed zijn op de opneming ervan in de strategie van de EU voor de uitvoering van de Agenda 2030.”.

In bijlage A wordt de volgende tekst toegevoegd:

Indicatief tijdschema van het werkplan voor cultuur 20192022

Prioriteit

Thema’s

2019

2020

2021

2022

1e halfjaar

2e halfjaar

1e halfjaar

2e halfjaar

1e halfjaar

2e halfjaar

1e halfjaar

2e halfjaar

F. Cultuur als motor voor duurzame ontwikkeling

De culturele dimensie van duurzame ontwikkeling

 

 

OCM-groep

 

bespr. OCM-verslag

 

actieplan  (5)


(1)  PB C 460 van 21.12.2018, blz. 12.

(2)  Op 20 juni 2019 door de Europese Raad aangenomen.

(3)  COM(2018) 267 final.

(4)  PB C 410 van 6.12.2019, blz. 1.

(5)  De datum van de afronding van het actieplan is afhankelijk van de middelen die op het niveau van de Commissie beschikbaar zijn voor de uitvoering van het werkplan voor cultuur 2019-2022; dit mag echter niet van invloed zijn op de opneming ervan in de strategie van de EU voor de uitvoering van de Agenda 2030.”.


9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/23


Conclusies van de Raad over mediawijsheid in een voortdurend veranderende wereld

(2020/C 193/06)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

OVERWEGENDE:

1.

de politieke achtergrond als uiteengezet in de bijlage;

ONDERKENNENDE DAT:

2.

de technologische en digitale vooruitgang ieders leven ingrijpend heeft veranderd. Nieuwe media- en communicatieplatforms hebben sociale en communicatierelaties veranderd, de culturele en de creatieve sector beïnvloed en veranderingen teweeggebracht in het medialandschap en in de wijze waarop inhoud wordt geproduceerd, verspreid en tot zich genomen wordt. Deze veranderingen hebben voor de Europese burgers aanzienlijke nieuwe mogelijkheden gecreëerd om met elkaar te communiceren en om verschillende soorten inhoud te vinden, te creëren en te verspreiden;

3.

digitale en technologische veranderingen zich continu voordoen en onvoorspelbaar zijn, en zowel van de burger als van de samenleving voortdurende aanpassing vergen. De gevolgen van innovaties die de wereld beter maken, waaronder digitalisering en de ontwikkeling van media- en communicatieplatforms, moeten aandacht krijgen;

4.

het nieuwe media-ecosysteem niet alleen talrijke voordelen en positieve effecten heeft, maar ook steeds meer desinformatie, manipulatie en haatuitingen de wereld inbrengt;

5.

de burger in het nieuwe media-ecosysteem met informatie wordt overstelpt en moeite kan hebben om het nieuws te begrijpen en accurate informatie en betrouwbare nieuwsbronnen te vinden, alsook hoogwaardige inhoud in het algemeen;

6.

de blootstelling van de burger aan grote hoeveelheden desinformatie, met name tijdens ernstige, wereldwijde crises, zoals de COVID-19-pandemie, aangeeft hoe belangrijk het is dat er voor de ontwikkeling van mediawijsheid een systematische aanpak wordt gehanteerd, dat onlineplatforms, deskundigen en bevoegde autoriteiten samenwerken, en dat er een onafhankelijke procedure wordt ontwikkeld voor feitenonderzoek om de verspreiding van online desinformatiecampagnes tegen te gaan, waarbij de vrijheid van meningsuiting in acht wordt genomen;

7.

in de huidige wereld wordt van burgers van alle leeftijden geëist dat zij veel nieuwe individuele en maatschappelijke kennis en vaardigheden verwerven om daarmee toegang te krijgen tot, een keuze te maken uit, inzicht te verwerven in en slim en verantwoord gebruik te maken van informatie en verschillende soorten media, zowel professionele als door gebruikers gegenereerde media, op alle soorten kanalen en distributie- of communicatieplatforms;

8.

al deze vaardigheden samen “mediawijsheid” uitmaken, een overkoepelende uitdrukking die alle technische, cognitieve, sociale, burgerlijke, ethische en creatieve capaciteiten omvat die een burger in staat stellen effectief toegang te krijgen tot en gebruik te maken van informatie en media, en om op een veilige en verantwoorde manier media-inhoud te creëren en te delen via verschillende platforms. Mediawijsheid mag niet beperkt blijven tot leren over tools en technologieën, maar moet ook beogen burgers de nodige kritische denkvaardigheden aan te reiken om een oordeel te vellen, complexe werkelijkheden te analyseren en meningen van feiten te onderscheiden. Al deze capaciteiten stellen de burger in staat om deel te nemen aan de economische, sociale en culturele aspecten van de samenleving en om een actieve rol te spelen in het democratische proces (1);

ONDERKENNEND HETGEEN VOLGT:

9.

net als bij andere uitdagingen waar de wereld van vandaag mee wordt geconfronteerd, is bij de COVID-19-pandemie gebleken dat er betrouwbare informatiebronnen en transparantie bij onlineplatforms nodig zijn; burgers toerusten met de vaardigheden om met desinformatie te kunnen omgaan, is van essentieel belang geworden;

10.

gezien de enorme hoeveelheid beschikbare informatie op het internet zijn algoritmen essentieel voor het ordenen van die informatie omdat er gericht mee naar inhoud gezocht kan worden en gebruikers een relevante en persoonlijke ervaring geboden kan worden;

11.

tegelijk kunnen ondoorzichtige algoritmen en het gebruik van algoritmen zonder goede risico- en effectbeoordeling het probleem van desinformatie verergeren en sensatiezucht, extreme inhoud en clickbait-journalistiek stimuleren;

12.

de invloed van algoritmen op verspreidingskanalen en bij de selectie van ontvangers kan een aanzienlijk effect hebben op de publieke opinie, het sociaal-politieke discours bepalen en tot sociale polarisatie leiden;

13.

de toename van online-inhoud waarin haatuitingen worden gedaan of tot geweld of haat wordt aangezet, en van cyberpesten en andere illegale en/of schadelijke inhoud, vormt een uitdaging voor de samenleving;

14.

in een datagestuurde mondiale digitale media-economie kunnen de dominante marktpositie van verschillende mondiale spelers en de door onlineplatforms gebruikte algoritmemodellen een bedreiging vormen voor de pluriformiteit van de media en de diversiteit van inhoud;

15.

snelle groei en voortdurende veranderingen in het media-ecosysteem hebben hun weerslag op het vertrouwen in de media, wat ook de normen van de professionele media en de journalistiek onder druk kan zetten.

NOTA NEMEND VAN HET VOLGENDE:

16.

mediawijsheid en ons vermogen om kritisch inzicht te hebben in en verantwoord om te gaan met media zijn nooit zo belangrijk geweest als in de door de COVID-19-pandemie getroffen wereld van vandaag, niet alleen om de volksgezondheid te beschermen, maar ook om de democratische samenlevingen weerbaarder te maken en de democratische participatie te vergroten;

17.

er moet intensiever worden gewerkt aan het mondiger maken van burgers van alle leeftijden, door mediawijsheid en kritisch denken te bevorderen, rekening houdend met de culturele diversiteit en de aanzienlijke verschillen in mediawijsheid en digitale competentie in het algemeen in de EU-lidstaten;

18.

door de constante ontwikkeling van nieuwe media- en communicatietechnologieën neemt de vraag naar nieuwe benaderingen van mediawijsheid toe, vooral in het kader van niet-formeel en informeel leren;

19.

er moeten nieuwe modellen voor een leven lang leren op het gebied van mediawijsheid worden ontwikkeld, en mensen van alle leeftijden moet de praktische mogelijkheden worden geboden om de vaardigheden op te doen die nodig zijn om inzicht te krijgen en werkzaam te zijn in het uiterst complexe medialandschap, via programma’s op maat van verschillende doelgroepen, die leeftijds- en/of contextgebonden kunnen zijn;

20.

ook belanghebbenden die burgers van alle leeftijden kunnen bereiken, moeten bij mediawijsheid worden betrokken; het gaat dan onder andere om culturele instellingen (bijv. bibliotheken, musea en bioscopen), die toegang hebben tot de nodige infrastructuur, in de samenleving een grote mate van vertrouwen genieten en daarom meer zouden moeten worden aangemoedigd om via hun diensten en activiteiten de mediawijsheid te vergroten;

21.

mediakanalen, met name publieke media, en journalistieke organisaties hebben een invloedrijke positie in de samenleving en zouden een grotere rol kunnen spelen bij het bevorderen van mediawijsheid, het verstrekken van informatie erover en de bewustmaking van het publiek van het belang ervan;

22.

bevoegde nationale agentschappen en instanties, met name voor de regulering van nationale media, hebben naast de gezamenlijke activiteiten die zij via de Europese Groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) ondernemen, kunnen een belangrijke rol spelen, voor zover zij de bevoegdheden en de positie hebben om initiatieven ten behoeve van mediawijsheid actief te bevorderen, te organiseren en te coördineren, belanghebbenden samen te brengen en om aanzienlijk bij te dragen aan het aanpakken van desinformatie;

23.

door beroepsjournalistiek, onafhankelijke media, onderzoeksjournalistiek en mediapluriformiteit te versterken, de toegang van burgers tot hoogwaardige, geloofwaardige en gediversifieerde informatiebronnen te vergemakkelijken, en het vertrouwen van het publiek te vergroten, wordt bijgedragen tot de bescherming van de democratie;

24.

het is belangrijk dat de Europese media-industrie wordt aangemoedigd in het gebruik van nieuwe technologieën op het gebied van de ontwikkeling van inhoud, distributiekanalen, dataverzameling en -analyse, om een breder publiek aan te trekken en te helpen toegang te krijgen tot gevarieerde hoogwaardige inhoud, en om mediapluriformiteit te bevorderen;

25.

het is belangrijk voortdurend te benadrukken dat de onlineplatforms aan hogere normen inzake verantwoordelijkheid en transparantie moeten voldoen en in dat verband meer inspanningen moeten worden geleverd om gebruikers tegen illegale en schadelijke inhoud en tegen desinformatie te beschermen, met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting;

26.

het belang van samenwerking met de overheid door onlineplatforms geldt voor diverse soorten informatie, zoals informatie over algoritmen en datasets, hetgeen het gemakkelijker zou kunnen maken platforms effectief te monitoren om de problemen van desinformatie aan te pakken;

27.

een sectoroverschrijdende aanpak ter bevordering van de mediawijsheid van de burger zal, naast de digitale en technologische vooruitgang van de media en van de culturele en de creatieve sector, zowel de gebruikers als de makers van inhoud sterker kunnen maken en een meer creatieve en concurrerende media-industrie tot stand brengen;

28.

het vergroten van mediawijsheid en het aanpakken van desinformatie vergen een systematische, strategische en alomvattende aanpak van alle lidstaten, alsook intersectorale samenwerking tussen de verschillende belanghebbenden.

VERZOEKT DE LIDSTATEN IN HET KADER VAN HUN BEVOEGDHEIDSGEBIEDEN EN CONFORM HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL:

29.

het belang van mediawijsheid op systematische wijze onder de aandacht van het publiek te brengen, en ondersteuning te bieden voor de consequente ontwikkeling van beleid inzake mediawijsheid en de uitvoering daarvan;

30.

de oprichting en ontwikkeling van netwerken voor mediawijsheid (nationaal, regionaal, lokaal, thematisch) te ondersteunen teneinde de betrokken belanghebbenden bijeen te brengen zodat ze kunnen samenwerken en duurzame en langdurige projecten en initiatieven op het gebied van mediawijsheid kunnen ontwikkelen;

31.

een leven lang leren-aanpak te ontwikkelen voor mediawijsheid voor alle leeftijden en in dat verband steun te verlenen voor proef- en onderzoeksprojecten, teneinde nieuwe methoden, acties en inhoud op maat van de specifieke behoeften van de doelgroepen te creëren of te ontwikkelen en te beoordelen;

32.

ondersteuning te verlenen voor de ontwikkeling en het delen van les- en opleidingsmateriaal op het gebied van mediawijsheid alsook voor de ontwikkeling van een systematische benadering voor het vergroten van de competenties van professionals op verschillende gebieden (bijv. bibliothecarissen, museumpersoneel, jongerenwerkers, leerkrachten, professionals inzake mediawijsheid, journalisten) zodat zij hun belangrijke rol bij de ontwikkeling van de mediawijsheid van burgers nog beter kunnen vervullen;

33.

culturele instellingen, maatschappelijke organisaties en journalistieke organisaties aan te moedigen om programma’s voor een leven lang leren op het gebied van mediawijsheid in hun werking op te nemen; alle soorten mediaorganisaties, met name publieke media, te bevorderen; initiatieven op het gebied van mediawijsheid te ontwikkelen en te promoten; en deel te nemen aan initiatieven en projecten van andere belanghebbenden;

34.

te blijven zoeken naar mogelijkheden om beroepsjournalistiek te promoten en bevorderen als een duurzaam element van de mondiale digitale mediaomgeving;

35.

bestaande opleidingsmodellen voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden in de Europese culturele en creatieve sector te verbeteren en zo nodig nieuwe modellen op te stellen om doeltreffend gebruik van innovatieve technologieën te bevorderen en bij te blijven met de technologische ontwikkelingen.

VERZOEKT DE COMMISSIE:

36.

samen met de lidstaten het concept van de Europese week van de mediageletterdheid verder te versterken en te ontwikkelen, en de deelname aan dat evenement te stimuleren;

37.

in het kader van het komende Europees Waarnemingscentrum voor digitale media, mechanismen te ontwikkelen ter bevordering van de samenwerking en de vrijwillige uitwisseling van ideeën en praktijken op het gebied van mediawijsheid tussen diverse belanghebbenden;

38.

mogelijke verdere stappen voor te stellen om langdurige, systematische en efficiënte oplossingen te vinden voor het aanpakken van desinformatie, op basis van de resultaten van bestaand en toekomstig uitgebreid onderzoek naar de reeds genomen maatregelen en van de analyse van die maatregelen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de werkzaamheden die op dat gebied door de ERGA zijn verricht en met de noodzakelijke samenwerking tussen de nationale regulerende instanties;

39.

in het kader van het onlangs gepubliceerde EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024 en met het oog op de voorbereiding van de nieuwe wet digitale diensten, het actieplan voor democratie en het audiovisuele en audiovisuele actieplan van de EU, na te denken over de noodzaak van effectievere methoden om de problemen van desinformatie aan te pakken zonder de bescherming van de grondrechten te belemmeren, waarbij de transparantie en verantwoordelijkheid van platforms een kernbeginsel vormen;

40.

ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de specifieke lokale kenmerken en lokale capaciteiten van de verschillende lidstaten, alsook met de behoefte aan uitgebreide samenwerking tussen alle relevante belanghebbenden in de lidstaten, zodat de mogelijke maatregelen toepasbaar en effectief zijn, en doeltreffend en onafhankelijk kunnen worden geverifieerd;

41.

in samenwerking met de lidstaten systematische criteria en evaluatieprocessen voor door de EU gefinancierde projecten en initiatieven op het gebied van mediawijsheid te ontwikkelen en een uniforme vergelijkende methode op te stellen voor de rapportage door de lidstaten over de ontwikkeling van mediawijsheid, in het kader van de toekomstige richtsnoeren van de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten, die door de Commissie na raadpleging van het contactcomité zullen worden uitgevaardigd.

VERZOEKT DE COMMISSIE EN DE LIDSTATEN IN HET KADER VAN HUN BEVOEGDHEIDSGEBIEDEN EN CONFORM HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL:

42.

verdere inspanningen te blijven leveren met het oog op een systematische, alomvattende en sectoroverstijgende benadering voor de ontwikkeling van mediawijsheid en voor de bewustmaking inzake het belang van mediawijsheid. Nationale inspanningen die in dit verband worden ondernomen, met inbegrip van financieringsinitiatieven, moeten op EU-niveau begeleid worden;

43.

een betere benutting te bevorderen van de mogelijkheden die de EU-fondsen en de EU-programma’s bieden voor de ondersteuning van mediaonderwijs en diverse projecten en initiatieven op het gebied van mediawijsheid (bijvoorbeeld steun voor de media via het programma Creatief Europa, met name de nieuwe actie ter ondersteuning van de media), voor de ontwikkeling van aanvullende financieringsbronnen en voor de totstandbrenging van synergie tussen de betrokken EU-programma’s;

44.

ervoor te zorgen dat op minderjarigen gerichte mediawijsheidsmaatregelen in het kader van de Strategie voor een beter internet voor kinderen gelijke tred houden met de voortdurend veranderende digitale omgeving;

45.

systematisch en regelmatig onderzoek naar mediawijsheid en de impact van de media en digitale platforms te financieren en te bevorderen (bijv. systematisch onderzoek naar maatregelen en initiatieven op het gebied van mediawijsheid, onderzoek naar de invloed van nieuwe media- en communicatieplatforms op het welzijn van burgers, onderzoek naar de werking van algoritmen en AI en hun invloed op de publieke opinie, het leven van mensen en de mediaconsumptie, en op de Europese media en de audiovisuele sector);

46.

de audiovisuele industrie te ondersteunen bij de ontwikkeling van hoogwaardige Europese platforms voor inhoud en distributie, rekening houdend met de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de audiovisuele sector in het algemeen;

47.

platforms en media aan te moedigen om samen te werken aan de ontwikkeling van tools en processen die de zichtbaarheid en de vindbaarheid van hoogwaardige nieuwsbronnen en van hoogwaardige Europese audiovisuele inhoud ten goede komen.


(1)  Gebaseerd op de definities die zijn opgenomen in de taakomschrijving van de deskundigengroep inzake mediawijsheid en in de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten.


BIJLAGE

Relevante beleidsdocumenten

Europese Raad

Conclusies van de Europese Raad van 18 oktober 2018 (EUCO 13/18)

Conclusies van de Europese Raad van 13 en 14 december 2018 (EUCO 17/18)

Conclusies van de Europese Raad van 21 en 22 maart 2019 (EUCO 1/19)

Conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2019 (EUCO 9/19)

Een nieuwe strategische agenda 2019-2024 (op 20 juni 2019 goedgekeurd door de Europese Raad)

Raad

Conclusies van de Raad over een Europese aanpak van mediageletterdheid in de digitale omgeving (PB C 140 van 6.6.2008, blz. 8)

Conclusies van de Raad over mediageletterdheid in de digitale omgeving (PB C 301 van 11.12.2009, blz. 12)

Conclusies van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over de vrijheid en de pluriformiteit van de media in een digitale omgeving (PB C 32 van 4.2.2014, blz. 6)

Conclusies van de Raad over het Europese audiovisuele beleid in het digitale tijdperk (PB C 433 van 3.12.2014, blz. 2)

Conclusies van de Raad over culturele en creatieve kruisbestuiving ter stimulering van innovatie, economische duurzaamheid en sociale inclusie (PB C 172 van 27.5.2015, blz. 13)

Conclusies van de Raad over het ontwikkelen van mediageletterdheid en kritisch denken door onderwijs en opleiding (PB C 212 van 14.6.2016, blz. 5)

Conclusies van de Raad over het bevorderen van de toegang tot cultuur langs digitale weg, met de nadruk op publieksontwikkeling (PB C 425 van 12.12.2017, blz. 4)

Aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1)

Conclusies van de Raad over het versterken van Europese inhoud in de digitale economie (PB C 457 van 19.12.2018, blz. 2)

Conclusies van de Raad en de lidstaten over het garanderen van vrije en eerlijke Europese verkiezingen (6573/1/19 REV 1, aangenomen door de Raad Algemene Zaken in februari 2019)

Conclusies van de Raad over democratie (12836/19, aangenomen door de Raad Buitenlandse Zaken in oktober 2019)

Conclusies van de Raad over extra inspanningen ter versterking van de weerbaarheid en bestrijding van hybride dreigingen (14972/19, aangenomen door de Raad Algemene Zaken in december 2019)

Commissie

Mededelingen

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld: “Europese Strategie voor een beter internet voor kinderen” (COM(2012) 196 final)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” (COM(2015) 192 final)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Online platforms en de digitale eengemaakte markt: kansen en uitdagingen voor Europa, COM(2016) 288 final

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — “De bestrijding van illegale online-inhoud — Naar een grotere verantwoordelijkheid voor onlineplatforms”, (COM(2017) 555 final)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” (COM(2018) 236 final)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Kunstmatige intelligentie voor Europa” (COM(2018) 237 final)

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de tenuitvoerlegging van de Mededeling Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” (COM(2018) 794 final)

Gezamenlijke mededelingen van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Actieplan tegen desinformatie” (JOIN(2018) 36 final)

Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Verslag over de uitvoering van het actieplan tegen desinformatie” (JOIN(2019) 12 final)

Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad getiteld “Het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024” (JOIN(2020) 5 final)

Andere studies en verslagen

Mapping of media literacy practices and actions in EU-28 (Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, 2016)

Towards European Media Sovereignty. An Industrial Media Strategy to Leverage Data, Algorithms and Artificial Intelligence (Guillaume Klossa, 2019)

Report of the activities carried out to assist the European Commission in the intermediate monitoring of the Code of Practice on Disinformation (Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten, 2019)

Implementation of the revised AVMS Directive (Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten, 2019)

Falling behind: How social media companies are failing to combat inauthentic behaviour online (NATO Strategic Communications Centre of Excellence, 2019)

Study on media literacy and online empowerment issues raised by algorithm-driven media services (SMART 2017/0081) (RAND Europe en Open Evidence, 2019)

ERGA Report on disinformation: Assessment of the implementation of the Code of Practice (2020)


9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/29


Kennisgeving aan bepaalde personen en entiteiten die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen van Besluit 2014/145/GBVB van de Raad en van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

(2020/C 193/07)

De volgende informatie wordt ter kennis gebracht van de heer Denis Valentinovich BEREZOVSKIY (nr. 4), de heer Aleksandr Viktorovich VITKO (nr. 19), de heer Vladislav Yurievich SURKOV (nr. 29), de heer Dmitry Nikolayevich KOZAK (nr. 34), de heer Sergei Ivanovich NEVEROV (nr. 40), de heer Sergey Gennadevich TSYPLAKOV (nr. 47), de heer Rashid Gumarovich NURGALIEV (nr. 76), de heer Vladimir ANTYUFEYEV (nr. 87), de heer Andrey Yurevich PINCHUK (nr. 100), de heer Viktor Petrovich VODOLATSKY (nr. 109), de heer Yevgeniy Vyacheslavovich ORLOV (nr. 131), mevrouw Ekaterina Vladimirovna GOGIASHVILI (nr. 141), de heer Zaur Raufovich ISMAILOV (nr. 146), de heer Konstantin Mikhailovich BAKHAREV (nr. 153), de heer Dmitry Anatolievich BELIK (nr. 154), de heer Andrey Vladimirovich CHEREZOV (nr. 158), de heer Evgeniy Petrovich GRABCHAK (nr. 159), en de Crimean Republican Enterprise “Azov distillery plant” (nr. 17) en het Instituut voor het federaal staatsbudget voor wetenschap en onderzoek “All-Russia national scientific research institute for wine growing and wine making “Magarach” Russian Academy of Sciences” (nr. 19), zijnde personen en entiteiten vermeld in de bijlage bij Besluit 2014/145/GBVB van de Raad (1) en in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad (2) betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

De Raad overweegt vast te houden aan de beperkende maatregelen tegen bovengenoemde personen en entiteiten, met vermelding van nieuwe motiveringen. Deze personen en entiteiten worden hierbij op de hoogte gebracht van het feit dat zij bij de Raad een verzoek kunnen indienen om kennis te nemen van de beoogde motivering betreffende hun aanwijzing. Het verzoek dient vóór 16 juni 2020 naar het volgende adres te worden gestuurd:

Raad van de Europese Unie

Secretariaat-generaal

RELEX.1.C

Wetstraat 175

1048 Brussel

BELGIË

E-mail: sanctions@consilium.europa.eu


(1)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 16.

(2)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 6.


Europese Commissie

9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/30


Wisselkoersen van de euro (1)

8 juni 2020

(2020/C 193/08)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1285

JPY

Japanse yen

123,41

DKK

Deense kroon

7,4555

GBP

Pond sterling

0,89173

SEK

Zweedse kroon

10,3978

CHF

Zwitserse frank

1,0861

ISK

IJslandse kroon

149,50

NOK

Noorse kroon

10,4603

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

26,585

HUF

Hongaarse forint

344,16

PLN

Poolse zloty

4,4333

RON

Roemeense leu

4,8359

TRY

Turkse lira

7,6574

AUD

Australische dollar

1,6156

CAD

Canadese dollar

1,5126

HKD

Hongkongse dollar

8,7460

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,7291

SGD

Singaporese dollar

1,5700

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 353,20

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

18,9799

CNY

Chinese yuan renminbi

7,9836

HRK

Kroatische kuna

7,5650

IDR

Indonesische roepia

15 815,42

MYR

Maleisische ringgit

4,8159

PHP

Filipijnse peso

56,301

RUB

Russische roebel

77,0563

THB

Thaise baht

35,474

BRL

Braziliaanse real

5,5702

MXN

Mexicaanse peso

24,3220

INR

Indiase roepie

85,2410


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


Rekenkamer

9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/31


Speciaal verslag nr. 13/2020

Biodiversiteit op landbouwgrond: met de bijdrage van het GLB is de achteruitgang niet tot staan gebracht

(2020/C 193/09)

De Europese Rekenkamer deelt u mee dat Speciaal verslag nr. 13/2020 “Biodiversiteit op landbouwgrond: met de bijdrage van het GLB is de achteruitgang niet tot staan gebracht” zojuist is gepubliceerd.

Het verslag kan worden ingezien op of gedownload van de website van de Europese Rekenkamer: http://eca.europa.eu


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/32


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.9843 — Colony Capital/PSP/NGD)

(Voor de EER relevante tekst)

(2020/C 193/10)

1.   

Op 2 juni 2020 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

Colony Capital, Inc. (“Colony Capital”, Verenigde Staten);

Public Sector Pension Investment Board (“PSP”, Canada);

Next Generation Data Ltd (“NGD”, Verenigd Koninkrijk).

Colony Capital en PSP verkrijgen gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 3, lid 4, van de concentratieverordening over het geheel van NGD.

2.   

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

Colony Capital: beheer van een wereldwijde portefeuille bestaande uit onder andere investeringen in digitale infrastructuur, waaronder macro-celtorens, datacenters, kleine celnetwerken en glasvezelnetwerken;

PSP: beheer van de pensioenfondsen van de Canadian Federal Public Service, de Canadian Forces, de Royal Canadian Mounted Police en de Reserve Force;

NGD: ontwerp, bouw, exploitatie en doorlopend beheer van datacenteroplossingen in het Verenigd Koninkrijk.

3.   

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.   

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.9843 — Colony Capital/PSP/NGD

Opmerkingen kunnen per e-mail, per fax of per post aan de Commissie worden toegezonden. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail: COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax +32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (“de concentratieverordening”).


ANDERE HANDELINGEN

Europese Commissie

9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/34


Bekendmaking van een aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van een productdossier overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

(2020/C 193/11)

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de wijzigingsaanvraag binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van deze bekendmaking

AANVRAAG TOT GOEDKEURING VAN EEN NIET-MINIMALE WIJZIGING VAN HET PRODUCTDOSSIER INZAKE BESCHERMDE OORSPRONGSBENAMINGEN/BESCHERMDE GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Aanvraag tot goedkeuring van een wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012

“POULIGNY-SAINT-PIERRE”

EU-nr.: PDO-FR-0128-AM03 – 24.12.2018

BOB (X) BGA ()

1.   Aanvragende groepering en rechtmatig belang

Syndicat des producteurs de Pouligny-Saint-Pierre

Adres: Maison de l’agriculture, 65 avenue Gambetta, 36300 Le Blanc, Frankrijk

Tel. +33 254375213

Fax +33 254370421

E-mail: syndicataocpouligny@sfr.fr

De groepering bestaat uit producenten en verwerkers en heeft een rechtmatig belang bij de indiening van de aanvraag.

2.   Lidstaat of derde land

Frankrijk

3.   Rubriek van het productdossier waarop de wijziging(en) betrekking heeft/hebben

Naam van het product

Beschrijving van het product

Geografisch gebied

Bewijs van oorsprong

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Verband

Etikettering

Overige: nationale eisen, controle, contactgegevens van de groepering en van de bevoegde dienst van de lidstaat.

4.   Aard van de wijziging(en)

Wijziging van het productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

Wijziging van het productdossier van een geregistreerde BOB of BGA waarvoor geen enig document (of gelijkwaardig document) is bekendgemaakt, die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

5.   Wijziging(en)

5.1.   Beschrijving van het product

De volgende zin:

“De “Pouligny-Saint-Pierre” is een kaas die uitsluitend is bereid uit geitenmelk en de vorm heeft van een afgeknotte piramide met een vierkante voet en waarvan de afmetingen van de vorm als volgt zijn: onderkant van 6,5 cm, bovenkant van 2,5 cm.”

wordt vervangen door:

“De “Pouligny-Saint-Pierre” is een kaas die uitsluitend is bereid uit volle rauwe geitenmelk, en heeft de vorm van een smalle, afgeknotte piramide met regelmatige ribben en een vierkante voet.”.

De verplichting om rauwe volle melk te gebruiken, versterkt het verband met het geografisch gebied door de instandhouding van de inheemse melkflora. De kenmerken van de piramide worden aangevuld om te voldoen aan de beschrijving van het product. De informatie over de afmetingen van de vorm wordt verplaatst naar hoofdstuk 5.3.4.

De volgende zin:

“De kaas wordt hoofdzakelijk verkregen uit melkzuurwrongel.”

wordt als volgt aangevuld:

“De kaas wordt door trage stremming en spontaan uitlekken verkregen uit melkzuurwrongel.”.

Het woord “hoofdzakelijk” wordt geschrapt omdat dit niet passend is, aangezien het altijd om melkzuurwrongel gaat. De verwijzing naar de trage stremming wordt verplaatst uit het hoofdstuk “Werkwijze voor het verkrijgen van het product”, omdat deze niet bijdraagt aan de beschrijving van het product. De verwijzing naar het spontaan uitlekken komt overeen met de huidige praktijken waardoor de structuur van de melkzuurwrongel behouden blijft.

De volgende zin:

“Het is een zachte, licht gezouten, ongekookte kaas met een oppervlakkige schimmelvorming.”

wordt als volgt gewijzigd:

“Het is een zachte, licht gezouten kaas. Aan de buitenzijde heeft de kaas oppervlakkige schimmelvorming. De korst is gegroefd en gemarmerd ivoorwit, maar kan ook blauwachtig zijn.”.

De beschrijving van de buitenkant van het product is verbeterd met het oog op een betere karakterisering. Deze nieuwe formulering geeft een duidelijker beeld van de kenmerken van de kaas.

De volgende zin wordt toegevoegd:

“Het is een stevige kaas. Het snijvlak is glad, homogeen en egaal, en wit van kleur, mogelijk met ivoorwitte nuances. De smaak is evenwichtig en niet te zout of te zuur.

Deze bevat aromatische toetsen die worden gedomineerd door een melkachtig, gistachtig karakter, met noten van geit, paddenstoelen en hazelnoot.

De textuur is romig en smelt in de mond.”.

De beschrijving van het uiterlijk van de kaas en de smaak van het product is verbeterd met het oog op een betere karakterisering. Deze nieuwe formulering geeft een duidelijker beeld van de kenmerken van de kaas.

De volgende zin:

“De kaas heeft een vetgehalte van minimaal 45 percent in de droge stof; per kaas bedraagt de droge stof minimaal 90 g.”

wordt vervangen door:

“De kaas is verkrijgbaar in twee vormen:

de “Pouligny-Saint-Pierre”: waarvan het gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode ten minste 250 g is en waarvan de totale droge stof minimaal 90 g per kaas bedraagt;

de kleine “Pouligny-Saint-Pierre”: waarvan het gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode ten minste 150 g is en waarvan de totale droge stof 55 tot 85 g per kaas bedraagt.

De kaas heeft een vetgehalte van minimaal 45 procent in de droge stof.

De “Pouligny Saint-Pierre”-kazen worden per stuk aan de eindverbruiker aangeboden en verkocht.”

In overeenstemming met de nationale tekst behorend bij Verordening (EG) nr. 1107/96 en Verordening (EG) nr. 1019/2009 bestaat er een kleiner formaat: de kleine “Pouligny-Saint-Pierre”.

Daarom zijn er twee mogelijke formaten voor de “Pouligny-Saint-Pierre” en wordt hun totale gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode toegevoegd.

Dankzij de vermelding van het gewicht van de kaas in droge stof en de minimale droge stof van de kaas kunnen te kleine kazen (vanwege een fout bij het in de vorm gieten) of te vochtige kazen (wegens te kort drogen en/of het gebruik van een te vochtige wrongel) worden uitgesloten van de verkoop.

Er wordt toegevoegd dat de kazen per stuk, dus in hun geheel, worden verkocht, omdat de groepering de verkoop van gesneden kaas niet wenst toe te staan, daar het versnijden van de kaas slecht is voor het behoud van de organoleptische kenmerken ervan (ranzig worden, uitdrogen van de massa in het bijzonder), met name vanwege het kleine formaat van de kaas.

In het enig document worden de zinnen:

“Licht gezouten, ongekookte, zachte kaas van volle geitenmelk, met oppervlakkige schimmelvorming die wordt aangeboden in een verpakking die de vorm heeft van een afgeknotte piramide met een vierkante voet.

De kaas heeft een vetgehalte van minimaal 45 percent in de droge stof; per kaas bedraagt de droge stof minimaal 90 g.”

vervangen door:

“De “Pouligny-Saint-Pierre” is een kaas die uitsluitend is bereid uit volle rauwe geitenmelk, en heeft de vorm van een smalle, afgeknotte piramide met regelmatige ribben en een vierkante voet.

De kaas wordt door trage stremming en spontaan uitlekken verkregen uit melkzuurwrongel.

Het is een zachte, licht gezouten kaas. Aan de buitenzijde heeft de kaas oppervlakkige schimmelvorming. De korst is gegroefd en gemarmerd ivoorwit, maar kan ook blauwachtig zijn.

Het is een stevige kaas. Het snijvlak is glad, homogeen en egaal, en wit van kleur, mogelijk met ivoorwitte nuances. De smaak is evenwichtig en niet te zout of te zuur.

Deze bevat aromatische toetsen die worden gedomineerd door een melkachtig, gistachtig karakter, met noten van geit, paddenstoelen en hazelnoot.

De textuur is romig en smelt in de mond.

De kaas is verkrijgbaar in twee vormen:

de “Pouligny-Saint-Pierre”: waarvan het gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode ten minste 250 g is en waarvan de totale droge stof minimaal 90 g per kaas bedraagt;

de kleine “Pouligny-Saint-Pierre”: waarvan het gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode ten minste 150 g is en waarvan de totale droge stof 55 tot 85 g per kaas bedraagt.

De kaas heeft een vetgehalte van minimaal 45 percent in de droge stof.

De “Pouligny Saint-Pierre”-kazen worden per stuk aan de eindverbruiker aangeboden en verkocht.”.

5.2.   Geografisch gebied

In het productdossier wordt de volgende alinea:

“Het productiegebied omvat een aantal gemeenten van het departement Indre (arrondissement Le Blanc), zie lijst van gemeenten, artikel 1 van het besluit van 29 december 1986.

Het kanton Bélâbre: gemeenten Mauvières en Saint-Hilaire-sur-Benaize

Het kanton Le Blanc: alle gemeenten

Het kanton Mézières-en-Brenne: gemeente Azay-le-Ferron

Het kanton Tournon-Saint-Martin: alle gemeenten.”

vervangen door:

“De melkproductie en de bereiding en rijping van de kazen moeten plaatsvinden in het geografische gebied dat bestaat uit de volgende gemeenten van het departement Indre (36):

Azay-le-Ferron, Le Blanc, Ciron, Concremiers, Douadic, Fontgombault, Ingrandes, Lingé, Lurais, Lureuil, Martizay, Mauvières, Mérigny, Néons-sur-Creuse, Pouligny-Saint-Pierre, Preuilly-la-Ville, Rosnay, Ruffec, Saint-Aigny, Saint-Hilaire-sur-Benaize, Sauzelles, Tournon-Saint-Martin.”.

In het enig document wordt de volgende alinea:

“22 gemeenten van het departement Indre:

De kantons Le Blanc en Tournon-Saint-Martin: alle gemeenten

Het kanton Bélâbre: gemeenten Mauvières en Saint-Hilaire-sur-Benaize

Het kanton Mézières-en-Brenne: gemeente Azay-le-Ferron.”

vervangen door:

“De melkproductie en de bereiding en rijping van de kazen moeten plaatsvinden in het geografische gebied dat bestaat uit de volgende gemeenten van het departement Indre (36):

Azay-le-Ferron, Le Blanc, Ciron, Concremiers, Douadic, Fontgombault, Ingrandes, Lingé, Lurais, Lureuil, Martizay, Mauvières, Mérigny, Néons-sur-Creuse, Pouligny-Saint-Pierre, Preuilly-la-Ville, Rosnay, Ruffec, Saint-Aigny, Saint-Hilaire-sur-Benaize, Sauzelles, Tournon-Saint-Martin.”

In vergelijking met het voorgaande productdossier, waarin het geografische gebied met behulp van een lijst kantons werd beschreven, wordt het geografische gebied beschreven aan de hand van een lijst gemeenten, wat een nauwkeurigere beschrijving mogelijk maakt. Dit brengt geen wijziging in het geografische gebied met zich mee. Hetzelfde geldt voor het enig document.

5.3.   Elementen waaruit blijkt dat het product uit het geografische gebied afkomstig is

De volgende alinea’s:

“Iedere melkproducent, iedere kaasmakerij en ieder rijpingslokaal vult een “bekwaamheidsverklaring” in die wordt geregistreerd door de diensten van het INAO. Aan de hand daarvan kunnen alle ondernemers door het INAO worden geïdentificeerd. Iedere onderneming moet het INAO te allen tijde inzage verlenen in de registers evenals in alle benodigde documenten voor de controle van de oorsprong, de kwaliteit en de productieomstandigheden van de melk en kaas.

De kwaliteit en de typische kenmerken van het product met de beschermde oorsprongsbenaming worden gecontroleerd aan de hand van een analytisch en organoleptisch onderzoek.”

worden vervangen door:

“4.1   Identificatie van de ondernemers

Elke ondernemer die bij de productie van de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre” betrokken is, moet, aan de hand van het door de directeur van het Institut national de l’origine et de la qualité (INAO) goedgekeurde model, een identificatieverklaring invullen, die uiterlijk twee maanden voor het begin van de desbetreffende activiteit aan de groepering wordt gezonden.

4.2   Aangifteverplichtingen

Aangifteverplichtingen die nodig zijn voor de kennis en de monitoring van de producten die bestemd zijn voor verkoop onder de oorsprongsbenaming:

Elk jaar, vóór 15 februari en volgens een door de directeur van het INAO gevalideerd model:

verstrekt elke landbouwer-producent, elke verwerker en elk rijpingsbedrijf de groepering een per maand gespecificeerde jaarlijkse productieopgave waarin de productie van de “Pouligny-Saint-Pierre” in het voorgaande jaar wordt samengevat;

verstrekken producenten die voor andere veebestanden dan geiten kuilvoer gebruiken, de groepering een jaarlijkse opgave van het aanwezige kuilvoer;

verstrekt elke verwerker en elk rijpingsbedrijf de groepering een opgave van al zijn geitenmelkproducenten en van al zijn landbouwers-producenten, onder vermelding van hun naam en adres en de opgehaalde hoeveelheden.

4.3   Bijhouden van registers

4.3.1   Traceerbaarheid

De volgende gegevens worden op bedrijfsspecifieke documenten geregistreerd:

 

Melkproducent:

de wekelijkse hoeveelheden melk bestemd voor verwerking tot “Pouligny-Saint-Pierre”.

 

Verwerker:

de bij elke ronde opgehaalde hoeveelheid melk;

de hoeveelheden melk die tot “Pouligny Saint-Pierre” zijn verwerkt, per productiedag;

het aantal voor verkoop onder de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre” bestemde kazen dat is geproduceerd, per productiedag;

het aantal gedeclasseerde kazen;

het aantal kazen dat onder de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre” is verkocht.

 

Rijpingsbedrijf:

de hoeveelheden en de herkomst van de voor rijping gekochte kazen die bestemd zijn voor verkoop onder de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre”;

het aantal gerijpte en verpakte “Pouligny-Saint-Pierre”-kazen;

het aantal gedeclasseerde kazen;

het aantal kazen dat onder de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre” is verkocht.

Deze gegevens bevatten de partijnummers die worden gebruikt voor de identificatie en de tracering van de melk en de kazen die bestemd zijn voor verkoop onder de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre”.

4.3.2   Toezicht op de naleving van de productieomstandigheden

De melkproducenten stellen de controlestructuren met name documenten ter beschikking aan de hand waarvan het volgende kan worden geverifieerd:

de geografische ligging van het bedrijf en zijn percelen;

het areaal van natuurlijk of tijdelijk grasland dat bestemd is als voeder voor de geitenkudde, en dat van de graangewassen, eiwitrijke gewassen en oliehoudende gewassen voor die kudde;

het areaal van natuurlijk of tijdelijk grasland, graangewassen, oliehoudende gewassen en eiwitrijke gewassen voor alle kuddes op het bedrijf;

de jaarlijkse bezettingsgraad van de geitenhouderij van het bedrijf of de totale bezettingsgraad van het bedrijf indien dit meerdere kuddes heeft;

de oorsprong, de aard en de hoeveelheden van de voor de geitenkudde aangekochte diervoeders;

de verzorging van de geitenkudde;

de hoeveelheid diervoeder die jaarlijks aan de geitenkudde wordt gegeven.

De verwerkers en/of rijpingsbedrijven stellen de controlestructuren documenten ter beschikking aan de hand waarvan het volgende kan worden geverifieerd:

de naleving van de in hoofdstuk 5 gedefinieerde productieparameters;

het bijhouden van het kaasmakerijregister.

Deze documenten worden ten minste dagelijks bijgewerkt.

De landbouwers-producenten die rechtstreeks verkopen en de landbouwers-producenten die aan het rijpingsbedrijf leveren, beschrijven hun verwerkingstraject en registreren de afwijkingen.

4.4   Controle van de producten

“De kwaliteit en de typische kenmerken van het product met de beschermde oorsprongsbenaming worden gecontroleerd aan de hand van een steekproefsgewijs analytisch en organoleptisch onderzoek.”

De bekwaamheidsverklaring wordt vervangen door de identificatieverklaring, waarmee de producenten die tot deze stap willen overgaan kunnen worden geïdentificeerd.

De aangifteverplichtingen van de ondernemers worden toegevoegd. Deze wijzigingen hangen samen met veranderingen in de nationale wet- en regelgeving. Er wordt met name voorzien in een identificatie van de ondernemers met het oog op een autorisatie waarmee wordt erkend dat zij voldoen aan de eisen van het productdossier, en in verklaringen die nodig zijn voor de kennis van, het toezicht op en de controle van de te verkopen producten met een oorsprongsbenaming.

5.4.   Beschrijving van de werkwijze voor het verkrijgen van het product

Daar het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/96 en Verordening (EG) nr. 1019/2009 geregistreerde productdossier geen regels voor de melkproductie bevat, zijn deze gedefinieerd volgens de huidige werkwijzen van de producenten.

De volgende alinea’s worden toegevoegd:

“5.1   Verzorging van de geitenkudde

Onder de geitenkudde wordt verstaan alle geiten ten minste één keer hebben gelammerd.

De melk die wordt gebruikt voor de productie is afkomstig van kuddes die bestaan uit Alpine-, Saanen- en Poitevine-geiten of uit kruisingen van deze rassen.

De maximale bezettingsgraad bedraagt:

voor gespecialiseerde geitenbedrijven: 10 geiten per hectare die daadwerkelijk wordt gebruikt voor begrazing en/of de productie van voedergewassen, graangewassen, eiwitrijke gewassen en oliehoudende gewassen voor het voederen van de geiten;

voor andere bedrijven met meerdere kuddes herkauwers: 1,5 GVE per hectare die daadwerkelijk wordt gebruikt voor begrazing en/of de productie van voedergewassen, graangewassen, eiwitrijke gewassen en oliehoudende gewassen voor het voederen van de kuddes.

Een geit beschikt over een ligruimte van ten minste 1,5 m2 en er geldt een maximum van drie geiten per strekkende meter trog.

Spreiding van het lammerseizoen is toegestaan.”.

Er worden bepalingen toegevoegd betreffende de gebruikte geitenrassen en de verzorging van de geiten (maximale bezettingsgraad, minimumoppervlakte per geit, mogelijkheid tot spreiding van het lammerseizoen).

De volgende alinea’s worden toegevoegd:

“5.2   Diervoeder

Een voedersysteem dat uitsluitend uit stro en concentraten bestaat, is niet toegestaan.

5.2.1   Voedergewassen

Voedergewassen vormen het basisvoer van de kudde. Het totale jaarlijkse rantsoen bestaat uit ten minste 660 kg droge stof uit voedergewassen per melkgeit.

De voedergewassen worden door de geiten afgegraasd of worden toegediend als groenvoer, in de vorm van hooi of droogvoer.

De toegestane voedergewassen zijn:

gras, hooi, hooibalen en hooi met conserveringsmiddelen afkomstig van natuurlijk of tijdelijk grasland;

eenjarige voedergewassen;

stro van graan- en peulgewassen of van eiwithoudende gewassen;

naar behoren geoogst, snel gedistribueerd en binnen 24 uur gegeten gras dat wordt toegediend als groenvoer. Alles wat na 24 uur is blijven liggen, wordt uit de troggen gehaald;

wortels en knollen;

gedehydrateerde voedergewassen: luzerne,

volledige maïsplant.

De hoeveelheid gedroogde luzerne die wordt gedistribueerd, mag niet meer dan 12 % van het totale jaarlijkse rantsoen bedragen, d.w.z. 132 kg droge stof per melkgeit.

Het ligstro maakt geen deel uit van het rantsoen.

Het is toegestaan maximaal 1 kg droge stof aan baalgras per geit per dag te gebruiken in het voer, op voorwaarde dat dit baalgras ten minste 60 % droge stof bevat en afkomstig is van een eerste maaibeurt van de voederarealen.

Kuilgras en kuilmaïs zijn niet toegestaan in het voer van de geitenkudde. In het geval van bedrijven die gebruikmaken van kuilvoer voor andere veebestanden dan geiten, bewaren de producenten het kuilvoer buiten de gebruikelijke graasroute van de geiten en apart van het voeder dat bestemd is voor de geitenkudde.

5.2.2   Aanvullende diervoeders

Aanvullende diervoeders vertegenwoordigen ten hoogste 40 % van het voeder van de melkgeit, dat wil zeggen niet meer dan 440 kg droge stof per melkgeit per jaar.

Tot de aanvullende diervoeders worden gerekend: granen, eiwitrijke gewassen, oliehoudende gewassen, commerciële concentraten en perskoeken.

De aanvullende diervoeders bestaan uit:

onbewerkte, geplette of gebroken graankorrels;

onbewerkte, geplette of gebroken oliehoudende zaden of zaden waaruit de oliehoudende stoffen zijn geëxtrudeerd;

onbewerkte, geplette of gebroken eiwithoudende zaden;

van de graanverwerking afkomstige korrels en producten;

van de verwerking van oliehoudende zaden afkomstige korrels en producten die verkregen zijn door fysische looiing met etherische oliën en plantenextracten: sojaperskoeken en sojaolie, erwten, veldbonen, lupine, vlas, koolzaad, zonnebloem, wikken;

producten van de suikerproductie: gedroogde bietenpulp, vloeibare melasse van suikerriet of bieten;

fruit;

mineralen, sporenelementen, vitaminen, smaakstoffen en eetlustopwekkende stoffen.

Het gebruik van wei voor het voederen van de kudde is toegestaan in het productiegebied, maar wordt niet opgenomen in de berekening van het rantsoen.”.

Er worden lijsten met toegestane voedergewassen en aanvullende diervoeders vastgesteld om de aard van het toegediende voeder beter te omschrijven en de controle te vergemakkelijken, maar ook om de distributie van voeder dat een nadelig effect heeft op de organoleptische kenmerken van de kaas, te verbieden. De verscheidenheid van de aan de geiten verstrekte diervoeders, het verbod op kuilvoer, de richtsnoeren aangaande baalvoer en droogvoer dragen bij aan de organoleptische kenmerken van de “Pouligny-Saint-Pierre”.

De volgende alinea wordt toegevoegd:

“5.2.3.   Herkomst van het rantsoen

Alle door de kudde gegeten voedergewassen zijn afkomstig uit het geografische gebied, met uitzondering van gedroogde luzerne.

De in het geografische gebied geproduceerde aanvullende diervoeders vertegenwoordigen ten minste 15 % van het jaarlijkse rantsoen van de melkgeit, d.w.z. ten minste 165 kg droge stof of 195 kg ruwvoer.

Het in het geografische gebied geproduceerde voeder (voedergewassen + aanvullende diervoeders) vertegenwoordigt ten minste 75 % van het totale jaarlijkse rantsoen van de kudde.”.

Er worden regels over de herkomst van het voer opgenomen in het productdossier ter versterking van het verband tussen het product en het geografische gebied. Aangezien het geografische gebied niet over voldoende agrarische hulpbronnen beschikt om de geitenkuddes van al het nodige voer te voorzien, vertegenwoordigt het in het geografische gebied geproduceerde voeder (voedergewassen + concentraten) ten minste 75 % van de droge stof van het totale jaarlijkse voederrantsoen van de kudde.

De volgende alinea wordt toegevoegd:

“5.2.4.   Overige bepalingen met betrekking tot het voeder

Het voeder van de dieren mag uitsluitend bestaan uit planten, nevenproducten en aanvullende diervoeders afkomstig van niet-transgene producten. Het is verboden transgene gewassen te telen op alle percelen van een bedrijf waar melk wordt geproduceerd die bestemd is om te worden verwerkt tot het product met de oorsprongsbenaming Pouligny-Saint-Pierre. Dit verbod geldt voor alle plantensoorten die mogelijk als voer kunnen worden gegeven aan de dieren van het bedrijf en voor elke teelt van rassen die deze soorten kunnen verontreinigen.”.

Diervoeders die met GGO’s zijn geproduceerd, zijn niet toegestaan om het traditionele karakter van het product in stand te houden.

De volgende alinea wordt toegevoegd:

“5.2.5.   Bemesting van de voederarealen

De enige toegestane organische meststoffen zijn: mest, gecomposteerde mest, drijfmest, gier van agrarische oorsprong afkomstig van runderen, schapen, geiten, paarden, pluimvee en varkens, en afvalwater van kaasmakerijen en zuivelbedrijven.”.

Het gebruik van organische mest kan de samenstelling van de flora van graslanden veranderen. Door het gebruik hiervan te beperken, blijven het gevarieerde karakter van de natuurlijke flora en het verband met het geografische gebied behouden.

Er worden lijsten met toegestane voedergewassen en aanvullende diervoeders vastgesteld om de aard van het toegediende voeder beter te omschrijven en de controle te vergemakkelijken, maar ook om de distributie van voeder dat een nadelig effect heeft op de organoleptische kenmerken van de kaas, te verbieden.

In het enig document worden de volgende zinnen toegevoegd:

“Om een nauwe band tussen het gebied en het product te waarborgen, wordt ten minste 75 % van de droge stof van het totale jaarlijkse rantsoen van de melkgeiten in het geografische gebied geproduceerd. Het geografische gebied beschikt immers niet over voldoende agrarische hulpbronnen om de geitenkuddes van al het nodige voer te voorzien.

Het totale jaarlijkse rantsoen van een melkgeit bestaat uit ten minste 660 kg droge stof uit voedergewassen die door de geiten kunnen worden afgegraasd of kunnen worden toegediend als groenvoer, in de vorm van hooi of droogvoer (uitsluitend voor luzerne is de distributie beperkt tot 132 kg droge stof per jaar) of in de vorm van baalgras (maximaal 1 kg droge stof per melkgeit per dag), op voorwaarde dat dit baalgras ten minste 60 % droge stof bevat en afkomstig is van een eerste maaibeurt van de voederarealen. De toegestane voedergewassen zijn opgenomen in een positieve lijst.

Kuilgras en kuilmaïs zijn niet toegestaan in het voer van de melkgeiten.

De aanvullende diervoeders vertegenwoordigen ten hoogste 40 % van het voeder van de melkgeit, dat wil zeggen maximaal 440 kg droge stof per melkgeit per jaar.

De in het geografische gebied geproduceerde aanvullende diervoeders vertegenwoordigen ten minste 15 % van het jaarlijkse rantsoen van de melkgeit, d.w.z. ten minste 165 kg droge stof.

De toegestane aanvullende diervoeders zijn opgenomen in een positieve lijst.

Het voeder van de melkgeit mag uitsluitend bestaan uit planten, nevenproducten en aanvullende diervoeders afkomstig van niet-transgene producten. Het is verboden transgene gewassen te planten op alle percelen van een bedrijf waar melk wordt geproduceerd die bestemd is om te worden verwerkt tot het product met de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre”.”.

De volgende alinea wordt toegevoegd:

“5.3   Verwerking tot kaas:

5.3.1   Ophalen van de melk

De melk die wordt gebruikt bij de vervaardiging van de Pouligny-Saint-Pierre, is niet-gestandaardiseerde en niet-gehomogeniseerde volle geitenmelk.

De geitenmelk ondergaat geen enkele andere behandeling, toevoeging of onttrekking dan:

een afkoelbehandeling tot een positieve temperatuur om de melk te kunnen bewaren;

filtering om macroscopische onzuiverheden te verwijderen;

De gebruikte geitenmelk is:

in het geval van de Pouligny-Saint-Pierre en de kleine Pouligny-Saint-Pierre fermier: afkomstig van maximaal twee opeenvolgende melkbeurten van één productiedag;

in het geval van de Pouligny-Saint-Pierre en de kleine Pouligny-Saint-Pierre laitier: afkomstig van maximaal vier opeenvolgende melkbeurten van twee productiedagen.

Gedurende de laatste drie maanden van de lactatieperiode is het toegestaan één keer per dag te melken.”.

De voorwaarden voor de opslag van de melk op de boerderij worden toegevoegd om de kwaliteit van de melk te behouden en de ontwikkeling van psychrotrofe micro-organismen te beperken, die zelf de ontwikkeling van de natuurlijke melkflora beperken. Het gebruik van fysische behandelingen is strikt beperkt tot de behandelingen die geen gevolgen hebben voor de kwaliteit van de melk.

De productie op basis van rauwe melk wordt verplicht gesteld om de kwaliteit van melk, en dan met name de organoleptische kenmerken ervan en de originele flora te behouden en zo het verband met het geografische gebied te versterken.

De volgende alinea wordt toegevoegd:

“5.3.2.   Bereiding van de melk:

De melk wordt rauw verwerkt. Deze mag zo nodig worden “verhit” bij een temperatuur van ten hoogste 22 °C vóór het toevoegen van het stremsel.

Om het rijpingsproces te bevorderen, wordt de melk vermengd met zuursel of wei van een eerdere stremming.

De voor de stremming vereiste bereiding en rijping van de melk vinden maximaal 24 uur na de laatste melkbeurt plaats.”.

Er worden parameters voor de bereiding van de melk toegevoegd om te voorkomen dat zich een flora vormt die in het licht van de rijping en de nagestreefde visuele kenmerken ongewenst is.

De volgende zin:

“Nadat het stremsel is toegevoegd, wordt de melk afhankelijk van het seizoen gedurende 20 tot 30 uur gestremd (langzame semi-melkzuurstremming).”

wordt vervangen door de zin:

“5.3.3.   Toevoegen van het stremsel en stremming:

De stremming duurt minimaal 18 uur vanaf de toevoeging van het stremsel.”.

De minimale duur van de stremming wordt met twee uur ingekort (van 20 tot 18 uur) om de beschrijving van het traject van de kaas aan te passen aan de feitelijke productie, die om arbeidsorganisatorische redenen doorgaans op een 24-uursritme is gebaseerd. Om dezelfde reden wordt de maximale duur van 30 uur geschrapt.

De volgende zin wordt toegevoegd:

“De stremming vindt plaats met stremsel bij een melktemperatuur van 18 à 22 °C.”

De parameters voor het toevoegen van het stremsel en de stremming worden toegevoegd om tot overeenstemming te komen met de huidige praktijken.

De volgende zin wordt toegevoegd:

“Vooraf uitlekken is niet toegestaan.”.

Vooraf uitlekken leidt tot een structuurverlies van de wrongel, wat niet verenigbaar is met de beschrijving van het product.

De volgende zin:

“Wanneer de wrongel in kleine blokjes uiteenvalt, wordt deze in de vorm gegoten om een homogene, fijnkorrelige massa te verkrijgen”.

wordt vervangen door de zin:

“Het is toegestaan de wrongel grof en verticaal te snijden (blokken van 100 bij 100 mm).”.

Door de wrongel grof te snijden kan de hydratatie van de wrongel op het moment dat deze in de vorm wordt gegoten, beter worden gecontroleerd.

Beschrijving van de vorm:

De volgende zin:

“De afmetingen van de vorm zijn als volgt: zijkant onderaan: 6,5 cm, bovenaan: 2,5 cm.”

wordt vervangen door:

“Minimumkenmerken van de vormen van de “Pouligny-Saint-Pierre” en de kleine “Pouligny-Saint-Pierre”:

Klein vlak: zijkanten van 30 mm,

De hoek tussen de bodem en de rand van de vorm moet tussen 102° en 107° zijn.”.

De afmetingen van de vormen worden niet gewijzigd, maar nu worden de afmetingen overgenomen van de nationale tekst behorend bij Verordening (EG) nr. 1107/96 en Verordening (EG) nr. 1019/2009. Zij zijn anders geformuleerd om preciezer te zijn in de beschrijving van het piramidale van de gietvorm en dus van de kaas. Deze streefwaarden gelden voor beide formaten van de “Pouligny-Saint-Pierre”.

De volgende alinea wordt toegevoegd:

“5.3.4.   In de vorm gieten, uitlekken, zouten:

Gietlepels of vergelijkbare instrumenten met een inhoud van minder dan 2 liter zijn de enige instrumenten waarmee de vormen mogen worden gevuld.

Gietlepels of vergelijkbare instrumenten met een inhoud van minder dan 2 liter zijn de enige instrumenten waarmee de vormen mogen worden gevuld, om het traditionele karakter van het in vormen gieten en zouten te behouden en de structuur van de wrongel te respecteren.

De volgende zinnen:

“De bovenkant van de piramide mag geen barsten, gaten of ongelijkmatige krimpplaatsen vertonen. De wrongel blijft circa 24 à 36 uur in de vorm voordat zij eruit wordt gehaald en wordt gezouten.

worden vervangen door:

“Enkelvoudige of meervoudige vormen en verhogingen zijn toegestaan.

Nadat de vormen zijn gevuld, wordt de wrongel geëgaliseerd doordat er wrongel van dezelfde productiedag wordt toegevoegd en wordt de onderkant van de kazen gladgestreken met behulp van een schraper of een spatel.

Het uitlekken gebeurt spontaan en duurt 24 tot 48 uur na het begin van het gietproces. De temperatuur in de ruimte wordt tussen 18 en 24 °C gehouden.

Om het traditionele karakter van het in vormen gieten te behouden, wordt deze techniek preciezer beschreven.

Bovendien wordt de duur van het uitlekken vastgelegd op maximaal 48 uur in plaats van 36 uur om de beschrijving van het traject van de kaas aan te passen aan de feitelijke productie, die om arbeidsorganisatorische redenen doorgaans meestal op een 24-uursritme is gebaseerd.

De volgende zin wordt toegevoegd:

“Met uitzondering van de grote onderkant, die direct na het egaliseren kan worden gezouten, wordt de kaas binnen 12 uur na het uit de vorm halen met droog zout gezouten.”.

De door de ondernemers toegepaste techniek voor het zouten wordt toegevoegd.

De volgende zin wordt toegevoegd:

“5.3.5.   Droging:

Na het zouten wordt de kaas 24 tot 96 uur gedroogd in een ruimte waarin de temperatuur tussen 12 en 16 °C wordt gehouden, met een relatieve vochtigheidsgraad van 75 tot 95 %.”.

Aangezien de droogfase niet was beschreven in het overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 1107/96 en nr. 1019/2009 geregistreerde productdossier, wordt toegevoegd dat de kaas na het zouten wordt gedroogd in overeenstemming met de gebruiken en met inachtneming van het belang ervan voor de uiteindelijke organoleptische kenmerken van het product.

Het volgende zinsdeel:

“Op een temperatuur waarop een natuurlijke rijping mogelijk is.”

wordt vervangen door:

“5.3.6.   Rijping:

De rijping vindt plaats in een rijpingscel die is afgescheiden van de droogruimte. De temperatuur in de rijpingscel ligt tussen 9 en 16 °C, met een relatieve vochtigheidsgraad van 75 tot 95 %.

In het geval van kaas die op de boerderij wordt verwerkt en door een rijpingsbedrijf wordt opgehaald, wordt de kaas vóór het zouten bij een temperatuur tussen 7 en 10 °C opgeslagen en vervoerd. De kaas moet na het uitlekken binnen ten hoogste 72 uur worden opgehaald.

Als de kaas uit de rijpingscel komt, heeft deze een korst die is bedekt met oppervlakkige, gemakkelijk met het blote oog waarneembare schimmels.”.

De voorwaarden voor de rijping in rijpingscellen worden toegevoegd om de huidige praktijken te beschrijven.

De volgende zin:

“De rijpingsperiode in het productiegebied bedraagt ten minste tien dagen”

wordt vervangen door:

“De “Pouligny-Saint-Pierre” wordt op zijn vroegst op de tiende dag na het toevoegen van het stremsel uit de rijpingscel gehaald en wordt op zijn vroegst op de elfde dag na het toevoegen van het stremsel in de verkoop gebracht.

De kleine “Pouligny-Saint-Pierre” wordt op zijn vroegst op de negende dag na het toevoegen van het stremsel uit de rijpingscel gehaald en wordt op zijn vroegst op de tiende dag na het toevoegen van het stremsel in de verkoop gebracht.”.

Om de controle te vergemakkelijken wordt toegevoegd dat de rijpingsduur wordt berekend vanaf de dag waarop het stremsel wordt toegevoegd.

In het geval van de kleine “Pouligny-Saint-Pierre” wordt de rijpingsduur met één dag ingekort, omdat deze vanwege het kleinere formaat sneller rijpt.

Er wordt toegevoegd dat de kaas pas één dag na de minimale rijpingsduur in de verkoop mag worden gebracht om aan de visuele beschrijving van de kaas te voldoen.

De volgende zin:

“Het is verboden verse en rijpende kazen onder gemodificeerde atmosfeer te bewaren.”

wordt als volgt aangevuld:

“Het is verboden verse, rijpende en gerijpte kazen onder gemodificeerde atmosfeer te bewaren.”.

Er wordt toegevoegd dat het verbod op bewaren onder gemodificeerde atmosfeer ook betrekking heeft op gerijpte kazen om hun organoleptische kenmerken te behouden.

5.5.   Verband

De rubriek over het verband met het geografische gebied is volledig herschreven om het verband tussen de “Pouligny-Saint-Pierre” en het geografische gebied ervan duidelijker tot uitdrukking te brengen, zonder dat dit verband inhoudelijk is gewijzigd. Bijzondere aandacht gaat hierbij met name naar de productievoorwaarden voor de melk (die maken het mogelijk rauwe melk te gebruiken die geschikt is om tot kaas te worden verwerkt, een activiteit waarvoor specifieke knowhow vereist is) en naar de rijpingsvoorwaarden. In het punt “Specificiteit van het geografische gebied” komen de natuurlijke factoren van het geografische gebied en de menselijke factoren aan bod in een historisch overzicht waarin de specifieke knowhow wordt benadrukt. In het punt “Specificiteit van het product” worden bepaalde elementen naar voren gebracht die zijn opgenomen in de beschrijving van het product. Tot slot wordt in het punt “Causaal verband” de wisselwerking tussen de natuurlijke en menselijke factoren van het product toegelicht. De verwijzing naar de witte kleur van het pekelzout is geschrapt, omdat deze niet in het productdossier is opgenomen.

Deze wijziging wordt ook aangebracht in het enig document.

5.6.   Specifieke onderdelen betreffende de etikettering

De volgende zinnen worden toegevoegd:

“Bovendien mag op de etikettering de naam van de oorsprongsbenaming worden aangebracht, samen met het woord “petit” voor het in punt 2 gedefinieerde kleinere formaat kaas.

Afgezien van de voor alle kazen geldende, bij wet verplichte vermeldingen en het bovenstaande woord, mogen in de etikettering, reclame, facturen of handelsdocumenten geen kwalificaties of vermeldingen worden toegevoegd aan de oorsprongsbenaming, met uitzondering van de fabrieks- of handelsmerken.

Het BOB-logo van de Europese Unie moet verplicht worden aangebracht.”.

De rubriek over etikettering is bijgewerkt om rekening te houden met de ontwikkelingen in de nationale en Europese regelgeving.

In het enig document worden de volgende zinnen toegevoegd:

“Bovendien mag op de etikettering de naam van de oorsprongsbenaming worden aangebracht, samen met het woord “petit” voor het in punt 2 gedefinieerde kleinere formaat kaas.

Afgezien van de voor alle kazen geldende, bij wet verplichte vermeldingen en het bovenstaande woord, mogen in de etikettering, reclame, facturen of handelsdocumenten geen kwalificaties of vermeldingen worden toegevoegd aan de oorsprongsbenaming, met uitzondering van de fabrieks- of handelsmerken.

Het BOB-logo van de Europese Unie moet verplicht worden aangebracht.

5.7.   Overige wijzigingen

Het adres van de bevoegde dienst van de lidstaat wordt bijgewerkt.

Met betrekking tot de rubriek “Gegevens van de controlestructuren” worden de naam en de contactgegevens van de officiële structuren bijgewerkt. In deze rubriek worden de gegevens vermeld van de autoriteiten die bevoegd zijn voor de controle op het niveau van Frankrijk: Institut national de l’origine et de la qualité (INAO) en Direction générale de la concurrence, de la consommation et de la répression des fraudes (DGCCRF). Verder wordt toegevoegd dat de naam en de contactgegevens van de certificeringsinstantie kunnen worden geraadpleegd op de website van het INAO en in de databank van de Europese Commissie.

Met betrekking tot de rubriek “Nationale eisen” wordt een tabel toegevoegd met de belangrijkste te controleren punten en de bijbehorende evaluatiemethoden.

ENIG DOCUMENT

“POULIGNY-SAINT-PIERRE”

EU-nr.: PDO-FR-0128-AM03 – 24.12.2018

BOB (X) BGA ()

1.   Naam

“Pouligny-Saint-Pierre”

2.   Lidstaat of derde land

Frankrijk

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of het levensmiddel

3.1.   Productcategorie [zie bijlage XI]

Categorie 1.3. Kaas

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

De “Pouligny-Saint-Pierre” is een kaas die uitsluitend is bereid uit volle rauwe geitenmelk, en heeft de vorm van een smalle, afgeknotte piramide met regelmatige ribben en een vierkante voet. De kaas wordt door trage stremming en spontaan uitlekken verkregen uit melkzuurwrongel. Het is een zachte, licht gezouten kaas.

Aan de buitenzijde heeft de kaas oppervlakkige schimmelvorming. De korst is gegroefd en gemarmerd ivoorwit, maar kan ook blauwachtig zijn.

Het is een stevige kaas. Het snijvlak is glad, homogeen en egaal, en wit van kleur, mogelijk met ivoorwitte nuances. De textuur is romig en smelt in de mond.

De smaak is evenwichtig en niet te zout of te zuur. Deze bevat aromatische toetsen die worden gedomineerd door een melkachtig, gistachtig karakter, met noten van geit, paddenstoelen en hazelnoot.

De kaas is verkrijgbaar in twee vormen:

de “Pouligny-Saint-Pierre”, waarvan het gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode ten minste 250 g is en waarvan de totale droge stof minimaal 90 g bedraagt;

de kleine “Pouligny-Saint-Pierre”, waarvan het gewicht aan het einde van de minimale rijpingsperiode ten minste 150 g is en waarvan de totale droge stof 55 tot 85 g bedraagt.

De kaas heeft een vetgehalte van minimaal 45 percent in de droge stof.

De “Pouligny-Saint-Pierre” wordt op zijn vroegst op de tiende dag na het toevoegen van het stremsel uit de rijpingscel gehaald en wordt op zijn vroegst op de elfde dag na het toevoegen van het stremsel in de verkoop gebracht.

De kleine “Pouligny-Saint-Pierre” wordt op zijn vroegst op de negende dag na het toevoegen van het stremsel uit de rijpingscel gehaald en wordt op zijn vroegst op de tiende dag na het toevoegen van het stremsel in de verkoop gebracht.

De kazen worden per stuk aan de eindverbruiker aangeboden en verkocht.

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

Om een nauwe band tussen het gebied en het product te waarborgen, wordt ten minste 75 % van de droge stof van het totale jaarlijkse rantsoen van de melkgeiten in het geografische gebied geproduceerd. Het geografische gebied beschikt immers niet over voldoende agrarische hulpbronnen om de geitenkuddes van al het nodige voer te voorzien.

Het totale jaarlijkse rantsoen van een melkgeit bestaat uit ten minste 660 kg droge stof uit voedergewassen die door de geiten kunnen worden afgegraasd of kunnen worden toegediend als groenvoer, in de vorm van hooi of droogvoer (uitsluitend voor luzerne is de distributie beperkt tot 132 kg droge stof per jaar) of in de vorm van baalgras (maximaal 1 kg droge stof per melkgeit per dag), op voorwaarde dat dit baalgras ten minste 60 % droge stof bevat en afkomstig is van een eerste maaibeurt van de voederarealen. De toegestane voedergewassen zijn opgenomen in een positieve lijst.

Kuilgras en kuilmaïs zijn niet toegestaan in het voer van de melkgeiten.

De aanvullende diervoeders zijn goed voor ten hoogste 40 % van het voeder van de melkgeit, dat wil zeggen maximaal 440 kg droge stof per melkgeit per jaar.

De in het geografische gebied geproduceerde aanvullende diervoeders vertegenwoordigen ten minste 15 % van het jaarlijkse rantsoen van de melkgeit, d.w.z. ten minste 165 kg droge stof.

De toegestane aanvullende diervoeders zijn opgenomen in een positieve lijst.

Het voeder van de melkgeit mag uitsluitend bestaan uit planten, nevenproducten en aanvullende diervoeders afkomstig van niet-transgene producten. Het is verboden transgene gewassen te planten op alle percelen van een bedrijf waar melk wordt geproduceerd die bestemd is om te worden verwerkt tot het product met de oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre”.”

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

De productie van de melk en de vervaardiging en de rijping van de kaas vinden plaats in het geografische gebied dat in punt 4 is afgebakend.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

De beschermde oorsprongsbenaming “Pouligny-Saint-Pierre” moet op het etiket van de kaas zijn aangebracht in een vetgedrukt lettertype dat minstens twee derde zo groot is als het grootste op het etiket voorkomende lettertype. Bovendien mag op de etikettering de naam van de oorsprongsbenaming worden aangebracht, samen met het woord “petit” voor het in punt 2 gedefinieerde kleinere formaat kaas.

Afgezien van de voor alle kazen geldende, bij wet verplichte vermeldingen en het bovenstaande woord, mogen in de etikettering, reclame, facturen of handelsdocumenten geen kwalificaties of andere vermeldingen worden toegevoegd aan de oorsprongsbenaming, met uitzondering van de fabrieks- of handelsmerken.

Het BOB-logo van de Europese Unie moet verplicht worden aangebracht.

4.   Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied

De melkproductie en de bereiding en rijping van de kazen moeten plaatsvinden in het geografische gebied dat bestaat uit de volgende gemeenten van het departement Indre (36):

Azay-le-Ferron, Le Blanc, Ciron, Concremiers, Douadic, Fontgombault, Ingrandes, Lingé, Lurais, Lureuil, Martizay, Mauvières, Mérigny, Néons-sur-Creuse, Pouligny-Saint-Pierre, Preuilly-la-Ville, Rosnay, Ruffec, Saint-Aigny, Saint-Hilaire-sur-Benaize, Sauzelles, Tournon-Saint-Martin.

5.   Verband met het geografische gebied

De “Pouligny-Saint-Pierre” is een piramidevormige kaas die uit rauwe geitenmelk wordt bereid, met een gegroefde, ivoorwitte of blauwachtige korst, die door trage stremming wordt verkregen uit melkzuurwrongel op basis van zuursel of van wei van een eerdere stremming. De textuur is romig en smelt in de mond en de aromatische toetsen die worden gedomineerd door een gistachtig karakter, hangen samen met de voorschriften voor het voer van de kuddes, waarin bijzondere voorkeur wordt gegeven aan bepaald voeder uit het gebied, en met de specifieke knowhow van kaasmakers en rijpingsbedrijven.

Het geografische gebied, in het westen van het departement Indre, rond het dorp Pouligny-Saint-Pierre, ligt volledig in het Regionaal Natuurpark van de Brenne. Het is een zeer originele regio, die bestaat uit klei-kalkplateaus uit het jura, in het noorden door de waterrijke gebieden van de Brenne en in het zuidwesten door het dal van de rivier de Creuse wordt begrensd en waarin een warmer en droger microklimaat heerst dan de omliggende gebieden.

Dit originele klimaat en deze originele geologie bevorderden het ontstaan van een gevarieerde flora bestaande uit kersenbomen, heide, geurige en doornige soorten, eikenbomen, esparcette en luzerne.

De zanderige leemgronden van de Brenne herbergen natuurlijke graslanden met een late grasgroei, terwijl de zandgronden in het dal van de Creuse, die in de zomer opdrogen, gunstiger zijn voor graslanden met grasachtigen en peulvruchten.

Al deze natuurlijke factoren verklaren waarom de inwoners van deze regio op een bepaald moment zijn overgegaan op het houden van geiten (“de armeluiskoe”), een sterk en niet-veeleisend dier.

Daar de geitenhouderijen oorspronkelijk zeer klein waren, produceerde elke boer een aantal kazen voor eigen gebruik. Geleidelijk aan zijn rijpingsbedrijven de kazen gaan ophalen om deze te laten drogen en te verkopen op de verschillende markten in Parijs, Limoges, Châteauroux, Blois en Lyon.

De productie kreeg vervolgens meer structuur: de houderijen werden groter en de kazen, die uit rauwe melk en hoofdzakelijk via melkzuurstremming verkregen wrongel werden bereid, werden systematisch opgehaald door rijpingsbedrijven. De “Pouligny-Saint-Pierre” was in 1972 de eerste erkende oorsprongsbenaming voor geitenkaas in Frankrijk.

De geitenhouders maken voor het voeden van de geitenkuddes nog steeds een zo goed mogelijk gebruik van de hulpbronnen van het gebied, dat weinig landbouwpotentieel heeft. Zij hebben een voedersysteem tot stand gebracht dat de diversiteit aan mogelijke natuurlijke hulpbronnen (voederproductie, begrazing, gemaaid gras, productie van granen en peulvruchten) combineert en dat, samen met de huidige houderijpraktijken, een betere controle mogelijk maakt van de kwaliteit van de gebruikte melk (vetgehalte, eiwitgehalte, natuurlijke flora van de melk).

De kaasproducenten gebruiken specifieke knowhow voor de verwerking tot kaas, met als doel de kwaliteit van de gebruikte melk optimaal te benutten, met name door de lokale microbiologische flora in stand te houden. De rijpingsbedrijven beschikken over de knowhow om de ontwikkeling van de oppervlakteflora te beheersen onder duidelijk vastgelegde omstandigheden wat betreft temperatuur, vochtigheid en duur.

Al deze menselijke factoren bestaan dus tot op heden voort in het geografische gebied.

Wat betreft de specificiteit van de “Pouligny-Saint-Pierre”: dit is een kaas die uit volle rauwe geitenmelk is bereid en de vorm heeft van een smalle, afgeknotte piramide met regelmatige ribben. De korst is gegroefd en gemarmerd ivoorwit, maar kan ook licht blauwachtig zijn. De smaak is evenwichtig en niet te zout of te zuur. De textuur is romig en smelt in de mond. Deze bevat aromatische toetsen die worden gedomineerd door een melkachtig, gistachtig karakter, met noten van geit, paddenstoelen en hazelnoot.

Het verband tussen de specificiteit van het product en de natuurlijke en menselijke factoren in het geografische gebied berust in de eerste plaats op het klimaat en de geologie, die het bestaan verklaren van landbouwgronden in dit deel van de Brenne die in de zomer opdrogen. De best mogelijke benutting van die gronden was sinds lang, en is nog steeds, de voederproductie, die nog altijd de basis vormt voor een gevarieerd voeder van de geiten waarvan de melk bijdraagt aan de kenmerken van de “Pouligny-Saint-Pierre”. Door optimaal gebruik te maken van de verschillende bodemsoorten in het geografische gebied konden de veehouders in de Brenne een kwalitatief hoogwaardige geitenmelk produceren, die wordt gebruikt voor de productie van een kaas die oorspronkelijk bestemd was voor eigen gebruik.

Verder verklaren de beperkingen van deze productie, die oorspronkelijk op de boerderij plaatsvond, de keuze voor het gebruik van rauwe volle melk en het gebruik van een melkzuurtechnologie.

Daarnaast hebben de ondernemers een specifieke piramidale gietvorm ontwikkeld die oorspronkelijk geïnspireerd was op de klokkentoren van de kerk van “Pouligny-Saint-Pierre”. Het gebruik van een spitse piramidevorm geeft de kaas zijn originele vorm, die een belangrijk element van zijn visuele identiteit is en een sleutelrol speelt in de ontwikkeling van de textuur. Het gieten van de melkzuurwrongel in deze traditionele vorm, in combinatie met de huidige productietechnieken op basis van de traditionele knowhow die oorspronkelijk door de landbouwers-producenten is ontwikkeld en die momenteel door iedereen wordt toegepast (toevoegen van zuursel of wei van een eerdere stremming, het vormen van de wrongel met een gietlepel met een kleine inhoud, spontaan en langzaam uitlekken en droogzouten), resulteert in een gestructureerde en goed uitgelekte wrongel die de kaas een karakteristieke romige textuur geeft die smelt in de mond. Deze textuur, alsmede de evenwichtige smaakkenmerken van de kaas en de aromatische toetsen die worden gedomineerd door een melkachtig, gistachtig karakter, met noten van geit, paddenstoelen en hazelnoot, kunnen tot volledige ontwikkeling komen dankzij de toegewijde verzorging in de rijpingsbedrijven gedurende een rijpingsperiode van ten minste tien dagen (negen dagen voor de kleine “Pouligny-Saint-Pierre”), die bijdraagt aan de vorming van een gegroefde, ivoorwitte of blauwachtige korst.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

https://extranet.inao.gouv.fr/fichier/CDC-PoulStPierre-050919.pdf


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.


9.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 193/49


Aankondiging van een verzoek betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU

Verlenging van de termijn voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen

(2020/C 193/12)

Op 13 december 2019 heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (1).

Dit verzoek van SJ AB betreft activiteiten in verband met het aanbieden van personenvervoer per spoor in Zweden. De desbetreffende aankondiging is bekendgemaakt in PB C 53 van 17 februari 2020, blz. 11. De oorspronkelijke termijn liep af op 3 juli 2020.

Krachtens bijlage IV, punt 1, vierde alinea, van Richtlijn 2014/25/EU kan de termijn door de Commissie worden verlengd met instemming van de indiener van het verzoek om vrijstelling. Gezien het verzoek van SJ AB om aanvullende informatie en met de instemming van de Commissie, wordt de termijn voor de Commissie om een besluit over dit verzoek te nemen, met 19 werkdagen verlengd.

De definitieve termijn loopt dus af op 31 juli 2020.


(1)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).