ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 300

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

62e jaargang
5 september 2019


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2019/C 300/01

Wisselkoersen van de euro

1

2019/C 300/02

Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities uitgebracht op zijn bijeenkomst van 9 april 2019 betreffende een ontwerpbesluit in zaak AT.40049 — MasterCard II — Rapporteur: Finland

2

2019/C 300/03

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Zaak AT.40049 — MasterCard II

3

2019/C 300/04

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 29 april 2019 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak AT.40049 — MasterCard II) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3033 final)

6

2019/C 300/05

Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 31 januari 2019 betreffende een voorontwerp van besluit over zaak M.8677 — Siemens/Alstom

10

2019/C 300/06

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (M.8677 — Siemens/Alstom)

12

2019/C 300/07

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 6 februari 2019 waarbij een concentratie onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst (Zaak M.8677 — Siemens/Alstom) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 921)  ( 1 )

14


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2019/C 300/08

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.9490 — VWFS/TÜV SÜD AS/FC/CarMob) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

21


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/1


Wisselkoersen van de euro (1)

4 september 2019

(2019/C 300/01)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1018

JPY

Japanse yen

117,03

DKK

Deense kroon

7,4584

GBP

Pond sterling

0,90255

SEK

Zweedse kroon

10,7530

CHF

Zwitserse frank

1,0848

ISK

IJslandse kroon

139,30

NOK

Noorse kroon

9,9838

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,834

HUF

Hongaarse forint

328,94

PLN

Poolse zloty

4,3395

RON

Roemeense leu

4,7290

TRY

Turkse lira

6,2482

AUD

Australische dollar

1,6225

CAD

Canadese dollar

1,4679

HKD

Hongkongse dollar

8,6389

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,7343

SGD

Singaporese dollar

1,5270

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 327,96

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

16,3729

CNY

Chinese yuan renminbi

7,8808

HRK

Kroatische kuna

7,4045

IDR

Indonesische roepia

15 593,22

MYR

Maleisische ringgit

4,6273

PHP

Filipijnse peso

57,205

RUB

Russische roebel

73,1531

THB

Thaise baht

33,732

BRL

Braziliaanse real

4,5603

MXN

Mexicaanse peso

21,8430

INR

Indiase roepie

79,3890


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/2


Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities uitgebracht op zijn bijeenkomst van 9 april 2019 betreffende een ontwerpbesluit in zaak AT.40049 — MasterCard II

Rapporteur: Finland

(2019/C 300/02)

1.   

Het Adviescomité deelt de bezwaren die de Commissie in haar op 26 maart 2019 aan het Adviescomité meegedeelde ontwerpbesluit heeft geformuleerd op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) en artikel 53 van de EER-overeenkomst.

2.   

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de procedure ten aanzien van Mastercard kan worden beëindigd door middel van een besluit op grond van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003.

3.   

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de toezeggingen van Mastercard passend, noodzakelijk en evenredig zijn en voor Mastercard juridisch verbindend zouden moeten worden gemaakt.

4.   

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat er in het licht van de door Mastercard voorgestelde toezeggingen niet langer gronden voor een optreden van de Commissie tegen Mastercard bestaan, onverminderd artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003.

5.   

Het Adviescomité beveelt aan dat zijn advies wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/3


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

Zaak AT.40049 — MasterCard II

(2019/C 300/03)

Inleiding

(1)

Dit verslag is opgesteld in verband met een ontwerpbesluit over toezeggingen op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (2) (“het ontwerpbesluit”) dat is gericht tot Mastercard Incorporated, Mastercard International Incorporated en Mastercard Europe SA (tezamen “Mastercard”).

(2)

Het ontwerpbesluit betreft een van de twee aspecten van het Mastercard-kaartbetalingssysteem (3) vallende onder zaak AT.40049: de regels van Mastercard inzake “interregionale” multilaterale interbancaire vergoedingen (“MIF’s” (4)) die van toepassing zijn op op kaarten gebaseerde interregionale transacties die bij in de Europese Economische Ruimte (“EER”) gevestigde handelaren worden gesloten met consumentendebet- en kredietkaarten die zijn uitgegeven door een buiten de EER gevestigde uitgever (5).

(3)

Het andere aspect van zaak AT.40049 is voorwerp van Besluit C(2019) 241 final van de Commissie van 22 januari 2019, dat betrekking heeft op de vroeger geldende regels van Mastercard inzake “grensoverschrijdende acceptatie” binnen het Mastercard-systeem (6).

Procedure ten aanzien van interregionale MIF’s

Onderzoeksfase

(4)

Op 9 april 2013 heeft de Commissie de procedure in zaak AT.40049 ingeleid.

(5)

Tussen april 2013 en december 2014 heeft de Commissie Mastercard meerdere verzoeken om informatie gestuurd.

(6)

In april en mei 2014 heeft de Commissie verzoeken om informatie gestuurd naar meer dan veertig accepterende instellingen in verband met hun activiteiten in tien EER-landen (7). De gebruikte vragenlijsten en de antwoorden daarop worden in zaak AT.40049 tezamen de “verwerversenquête” genoemd. In mei 2014 heeft de Commissie 33 accepterende instellingen vragenlijsten toegestuurd teneinde margegegevens te verkrijgen die niet waren verkregen in het kader van de “betalingskostenstudie” van DG Concurrentie (AT.40194 (8)). Deze vragenlijsten en de antwoorden daarop worden in zaak AT.40049 tezamen de “kostenstudie-enquête” genoemd.

(7)

Op 9 juli 2015 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die betrekking heeft op beide aspecten van zaak AT.40049. Mastercard werd op 13 juli 2015 in kennis gesteld van deze mededeling van punten van bezwaar.

Toegang tot het dossier (9)

(8)

Op respectievelijk 24 juli en 3 augustus 2015 kreeg Mastercard toegang tot het niet-vertrouwelijke deel van het onderzoeksdossier in zaak AT.40049 door middel van twee aparte cd-roms.

(9)

Bij brieven van 7 en 17 augustus 2015 verzocht Mastercard om aanvullende toegang tot in het bijzonder de verwerversenquête en de kostenstudie-enquête. Mastercard verzocht ook om toegang tot bepaalde documenten die waren opgesteld door een adviesbureau dat DG Concurrentie had geholpen bij de betalingskostenstudie (“de adviesbureaudocumenten”). In september 2015 bracht Mastercard kwesties ter sprake met betrekking tot de omvang van de aangebrachte aanpassingen in materialen op de eerste twee cd-roms en de organisatie en catalogisering van het deel van het onderzoeksdossier dat via deze cd-roms toegankelijk was.

(10)

DG Concurrentie heeft deze verzoeken van Mastercard behandeld. DG Concurrentie heeft in het bijzonder een dataroomprocedure georganiseerd waardoor bepaalde externe adviseurs van Mastercard in een dataroom (“de dataroom”) toegang konden krijgen tot informatie die was verkregen in het kader van de verwerversenquête, de kostenstudie-enquête en de betalingskostenstudie, zij het in geanonimiseerde vorm waar dat nodig was (“de dataroomprocedure”). DG Concurrentie heeft ook bepaalde catalogiseringskwesties in verband met het materiaal op de eerste twee cd-roms toegelicht en verstrekte op 28 september 2015 een derde cd-rom met bepaalde gegevens, in het originele spreadsheetformaat, van de betalingskostenstudie die op de eerdere cd-roms in gescande vorm waren verstrekt. Nadat DG Concurrentie in eerste instantie toegang tot de adviesbureaudocumenten had geweigerd, stemde het er daarna mee in deze in de dataroomprocedure op te nemen.

(11)

Externe adviseurs van Mastercard hadden gedurende 15 werkdagen in februari en maart 2016 toegang tot de dataroom. Zoals voorzien in de dataroomprocedure, hebben zij een verslag opgesteld ten behoeve van Mastercard (“het dataroomverslag”). DG Concurrentie heeft het concept van dit verslag onderzocht en op 18 maart 2016 een voorlopige, geredigeerde versie van het dataroomverslag uitgebracht. In de bijbehorende begeleidende brief legde DG Concurrentie uit waarom het relatief uitgebreide aanpassingen had aangebracht in de details van een bepaald onderdeel van het dataroomverslag (“de geredigeerde details”). DG Concurrentie verklaarde ook dat het voor opname van bepaalde citaten en andere informatie in het definitieve dataroomverslag toestemming van de betrokken informatieverstrekkers zou moeten vragen (“de openstaande passages”).

(12)

Op 23 maart 2016 maakte Mastercard bij mij bezwaar tegen de weigering van DG Concurrentie om de geredigeerde details in de uitgebrachte versie van het dataroomverslag op te nemen. Mastercard heeft de kwestie van de openstaande passages niet bij mij ter sprake gebracht.

(13)

In mijn besluit van 6 april 2016 was ik het niet eens met de beoordeling van DG Concurrentie dat de geredigeerde details bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie waren. Mastercard bleek niet in staat om op basis van het betreffende onderdeel van het dataroomverslag onderliggende vertrouwelijke informatie te identificeren. Ik was het ook niet eens met het standpunt dat DG Concurrentie in de brief van 18 maart 2016 innam dat de geredigeerde details “andere vertrouwelijke informatie” waren omdat Mastercard de geredigeerde details na beëindiging van de procedure in zaak AT.40049 zou kunnen gebruiken in nationale schadevorderingen, en dus mogelijk op een wijze die indruist tegen de belangen van handelaren die gegevens voor de betalingskostenstudie hebben aangeleverd en bij dergelijke schadevorderingen betrokken zouden kunnen worden. Ik was van mening dat, na beëindiging van de antitrustprocedure van de Commissie, noch Verordening nr. 773/2004 (10) noch de “richtlijn schadevorderingen” (11) zich verzet tegen het gebruik van tijdens de toegang tot het dossier in deze procedure verkregen informatie, zoals de geredigeerde details, voor defensieve doeleinden in nationale rechtszaken voor de toepassing van artikel 101 VWEU.

(14)

Op 7 april 2016 stelde DG Concurrentie de volledige tekst van het onderdeel van het dataroomverslag dat de geredigeerde details bevat, beschikbaar aan Mastercard. DG Concurrentie gaf de openstaande passages in gedeelten vrij, zodat Mastercard tegen 22 april 2016 toegang tot het volledige dataroomverslag had gekregen.

Termijn om te antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar (12)

(15)

In de begeleidende brief bij de mededeling van punten van bezwaar werd Mastercard een termijn van acht weken verleend waarbinnen Mastercard schriftelijk op de mededeling van punten van bezwaar moest antwoorden. In de brief van 7 augustus 2015 waarin Mastercard verzocht om aanvullende toegang tot het dossier, stelde Mastercard zich op het standpunt dat deze termijn nog niet was beginnen te lopen. In de brief van 10 september 2015 waarin DG Concurrentie de dataroomprocedure voorstelde, stelde DG Concurrentie een termijn vast waarbinnen Mastercard schriftelijk moest antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar (“het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar”) die twintig werkdagen na de eerste dag van de toegang tot de dataroom zou verstrijken. Na opmerkingen van Mastercard over de dataroomprocedure, wijzigde DG Concurrentie deze uiterste datum in 25 werkdagen “na het begin van de aanvangsdatum van de dataroom”. Toen DG Concurrentie op 18 maart 2016 de voorlopige, geredigeerde versie van het dataroomverslag vrijgaf, wijzigde DG Concurrentie de uiterste datum voor het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar in 8 april 2016.

(16)

Mastercard verzocht mij bij brief van 23 maart 2016 om verlenging van deze termijn, met als argument dat de op dat moment niet-toegankelijke geredigeerde details niet los konden worden gezien van het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar in zijn geheel.

(17)

Bij besluit van 6 april 2016 heb ik de termijn voor het indienen van het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar verlengd, zodat de uiterste datum twee weken na de dag waarop DG Concurrentie de geredigeerde details aan Mastercard beschikbaar stelde, kwam te liggen. Ik heb toegelicht dat het onjuist zou zijn als ik deze uiterste datum afhankelijk zou maken van het verstrekken van de openstaande passages, gezien de onzekerheid over de vraag of, en zo ja wanneer, deze zouden worden verstrekt.

(18)

Mastercard diende haar schriftelijke antwoord op de mededeling van punten van bezwaar in op 21 april 2016, binnen de door mij gestelde termijn. Nadat DG Concurrentie op 22 april 2016 het laatste gedeelte van de openstaande passages had vrijgegeven, vulde Mastercard het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aan en diende op 6 mei 2016 een bijgewerkte versie van dit antwoord in.

Belanghebbende derden

(19)

Ik heb op 4 augustus 2015 Visa Europe toegelaten als belanghebbende derde in zaak AT.40049.

(20)

Op 29 januari 2016 heb ik Visa Inc. en Visa International Service Association toegelaten als belanghebbende derde. Zij hadden als paar een verzoek ingediend en werden als paar vertegenwoordigd.

(21)

Op 19 mei 2016 heb ik een financiële instelling toegelaten als belanghebbende derde, waarbij ik in mijn toelatingsbesluit heb toegelicht waarom het verzoek van die instelling om deel te nemen aan de hoorzitting te laat was gekomen om het nog te kunnen inwilligen.

Hoorzitting

(22)

Mastercard heeft haar argumenten naar voren gebracht tijdens de hoorzitting op 31 mei 2016. De twee belanghebbende derden die het Visa-kaartbetalingssysteem vertegenwoordigen (13), hebben deelgenomen.

Toezeggingenprocedure

(23)

Op 26 november 2018 heeft Mastercard bij de Commissie toezeggingen ingediend (“de toezeggingen”) overeenkomstig artikel 9 van Verordening nr. 1/2003.

(24)

Op 5 december 2018 heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003, een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt waarin de onderhavige zaak en de toezeggingen werden samengevat en werd verzocht binnen één maand opmerkingen over de toezeggingen in te dienen (14). Op 29 januari 2019 heeft de Commissie Mastercard in kennis gesteld van de opmerkingen die derden bij haar hadden ingediend naar aanleiding van die mededeling.

Afsluitende opmerkingen

(25)

In het ontwerpbesluit wordt vermeld dat in het licht van de toezeggingen “de Commissie van oordeel is dat er niet langer gronden voor een optreden harerzijds bestaan en dat de procedure in deze zaak daarom moet worden beëindigd, onverminderd artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003”.

(26)

Alles in aanmerking genomen ben ik van mening dat de daadwerkelijke uitoefening van de procedurele rechten is geëerbiedigd.

Brussel, 11 april 2019.

Wouter WILS


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29) (“Besluit 2011/695/EU”).

(2)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de tenuitvoerlegging van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1) (“Verordening nr. 1/2003”).

(3)  Bij een betaalsysteem “met vier partijen” zoals dat van Mastercard zijn de volgende partijen betrokken bij iedere aankoop met een betaalkaart (naast de eigenaar/licentiegever van het systeem): 1) de kaarthouder; 2) de financiële instelling die die kaart heeft uitgegeven (hierna “de uitgever” genoemd); 3) de “handelaar”, en 4) de financiële instelling die de handelaar voorziet van diensten waardoor hij de kaart kan aanvaarden voor de afwikkeling van een transactie (hierna “de accepterende instelling” genoemd).

(4)  MIF’s zijn bedragen die, met betrekking tot transacties die worden afgewikkeld met een kaartbetaling in een betalingssysteem zoals het Mastercard-systeem, doorgaans door de accepterende instelling aan de uitgever worden betaald. Dat gebeurt bij gebrek aan een alternatieve “interbancaire overeenkomst” die bilateraal tussen de uitgever en de accepterende instelling wordt gesloten per kaart- en transactietype. MIF’s worden doorgaans uitgedrukt in een percentage van de nominale waarde van de betreffende kaartbetaling.

(5)  Zie de voetnoten 3 en 4 voor een korte uitleg van de begrippen “MIF’s”, “handelaren” en “uitgever”.

(6)  Voor de procedure die tot dit besluit heeft geleid, zie het Eindverslag van de raadadviseur-auditeur van 18 januari 2019 in zaak AT.40049 MasterCard II (PB C 185 van 29.5.2019, blz. 8).

(7)  Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, Polen, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

(8)  Survey of merchants’ costs of processing cash and card payments; de eindresultaten van de enquête werden op 18 maart 2015 door DG Concurrentie gepubliceerd

(http://ec.europa.eu/competition/sectors/financial_services/dgcomp_final_report_en.pdf).

(9)  Punten (8) tot en met (18) van het onderhavige verslag verstrekken meer gegevens dan de overeenkomende punten 6 tot en met 10 van het hierboven in voetnoot 6 genoemde eindverslag. De reden hiervoor is dat de informatie die werd bestreken door de relevante verzoeken van Mastercard aan de raadadviseur-auditeur om aanvullende toegang en tijd, meer betrekking heeft op MIF’s dan op de vroeger geldende regels van Mastercard inzake grensoverschrijdende acceptatie.

(10)  Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18), als gewijzigd.

(11)  Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB L 349 van 5.12.2014, blz. 1).

(12)  Zie voetnoot 9 hierboven.

(13)  Zie de punten (19) en (20) hierboven.

(14)  Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 in zaak AT.40049 — MasterCard II (PB C 438 van 5.12.2018, blz. 11).


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/6


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 29 april 2019

inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst

(Zaak AT.40049 — MasterCard II)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3033 final)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2019/C 300/04)

Op 29 april 2019 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, rekening houdende met het rechtmatige belang van de ondernemingen of ondernemersverenigingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Het besluit verleent de door Mastercard Incorporated, Mastercard International Incorporated en Mastercard Europe SA (tezamen “Mastercard”) gedane toezeggingen een juridisch verbindend karakter op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (“Verordening (EG) nr. 1/2003”) in een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“het Verdrag”) en artikel 53 van de EER-overeenkomst.

(2)

Dit besluit betreft de regels van Mastercard inzake interregionale multilaterale interbancaire vergoedingen (“MIF’s”) die van toepassing zijn op op kaarten gebaseerde interregionale transacties die bij in de EER gevestigde handelaren worden gesloten met debet- en kredietkaarten voor consumenten die zijn uitgegeven door een buiten de EER gevestigde uitgever.

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(3)

Op 9 april 2013 heeft de Commissie een procedure ingeleid met het oog op de vaststelling van een besluit overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1/2003. De Commissie heeft op 9 juli 2015 een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarin zij haar mededingingsbezwaren met betrekking tot de interregionale MIF’s van Mastercard uiteenzette. De mededeling van punten van bezwaar vormt een voorlopige beoordeling in de zin van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(4)

Mastercard heeft op 21 april 2016 schriftelijk op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord. Mastercard heeft op 6 mei 2016 een bijgewerkt antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend. Op 31 mei 2016 vond een hoorzitting plaats.

(5)

Mastercard heeft op 26 november 2018 bij de Commissie toezeggingen (“de toezeggingen”) ingediend.

(6)

Op 5 december 2018 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 een aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (“artikel 27, lid 4, aankondiging van het marktonderzoek”) waarin een samenvatting van de zaak en de toezeggingen werd gegeven en belanghebbende derden werden verzocht binnen één maand na de datum van de bekendmaking hun opmerkingen over de toezeggingen in te dienen.

(7)

Op 29 januari 2019 heeft de Commissie Mastercard in kennis gesteld van de opmerkingen die de belanghebbende derden bij haar hadden ingediend naar aanleiding van de bekendmaking van de aankondiging van het marktonderzoek overeenkomstig artikel 27, lid 4.

2.2.   De mededingingsbezwaren van de Commissie

(8)

Mastercard stelt regels inzake interregionale MIF’s vast die van toepassing zijn op interregionale transacties die bij in de EER gevestigde handelaren worden gesloten met consumentendebet- en kredietkaarten die zijn uitgegeven door een buiten de EER gevestigde uitgever. In geval van interregionale transacties kunnen de uitgever (de bank van de kaarthouder) en de accepterende instelling (de bank van de handelaar) de interbancaire vergoedingen ook in bilaterale overeenkomsten vaststellen (ook wanneer de uitgever buiten de EER en de handelaar in de EER is gevestigd). Mastercard heeft echter verklaard dat bilaterale overeenkomsten slechts een onbeduidend deel van de interregionale transacties bestrijken.

(9)

In de mededeling van punten van bezwaar stelde de Commissie zich op het voorlopige standpunt dat Mastercard, als vertegenwoordiger van een ondernemersvereniging, inbreuk had gemaakt op artikel 101, lid 1, van het Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst door collectief regels inzake MIF’s vast te stellen die van toepassing zijn op interregionale transacties bij een in de EER gevestigde handelaar met consumentendebet- en kredietkaarten die zijn uitgegeven door een buiten de EER gevestigde uitgever. Hieronder vallen “card present”- of “CP”-transacties (in-store transacties waarbij de kaarthouder aanwezig is in een winkel) en “card not present”- of “CNP”-transacties (onlinetransacties waarbij het kaartnummer en de verificatiegegevens via internet, post of telefoon worden doorgegeven).

(10)

In de mededeling van punten van bezwaar stelde de Commissie zich op het voorlopige standpunt dat de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s een besluit door een ondernemersvereniging vormen dat een merkbare beperking van de mededinging op de markt voor de acceptatie van kaartbetalingen binnen de EER ten doel en tot gevolg heeft.

(11)

In de mededeling van punten van bezwaar kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s neerkomen op horizontale prijsafspraken. De interregionale MIF’s leggen een aanzienlijk deel van de prijs vast die via de handelarenvergoedingen (Merchant Service Charges — MSC’s) aan handelaren wordt aangerekend voor acceptatiediensten. De Commissie kwam tot de voorlopige conclusie dat de beperking van de mededinging op het gebied van de prijzen een gevolg is van de inhoud van de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s. De Commissie kwam ook tot de voorlopige conclusie dat de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s ertoe strekten een deel van de prijs die aan handelaren wordt aangerekend, vast te stellen en de mededinging te beperken ten voordele van Mastercard en haar leden/licentiehouders, in de eerste plaats de uitgevers. Dergelijke prijsafspraken hebben naar hun aard een nadelige invloed op de mededinging en brengen op zichzelf een voldoende mate van schade aan de mededinging aan het licht om te worden geacht een mededingingsbeperkende “strekking” te hebben.

(12)

In de mededeling van punten van bezwaar kwam de Commissie ook tot de voorlopige conclusie dat de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s beperking van de mededinging in de markt voor de acceptatie van kaartbetalingen binnen de EER tot gevolg hebben. Volgens de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie zijn de interregionale MIF’s van Mastercard direct van toepassing op bijna alle interregionale transacties die bij handelaren in de EER worden gesloten. Ze bepalen een aanzienlijk deel van de prijs die via de MSC’s aan handelaren wordt aangerekend voor acceptatiediensten en ze beperken daardoor de ruimte die accepterende instellingen hebben om hun MSC’s te verlagen en te differentiëren, en accepterende instellingen geven deze door aan handelaren. Interregionale MIF’s hebben dus een rechtstreekse invloed op de prijzen, doordat ze de MSC’s verhogen.

(13)

In de mededeling van punten van bezwaar kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat de beperkende strekking en het beperkende gevolg van de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s nog verder lijkt te worden versterkt door onder andere de volgende factoren: concurrentie tussen systemen die leidt tot hoge MIF’s (hoe hoger de MIF van Mastercard, hoe aantrekkelijker het voor een uitgever wordt om Mastercard-kaarten uit te geven), het ontbreken van neerwaartse druk door accepterende instellingen op MIF’s, en het ontbreken van compenserende onderhandelingsmacht van handelaren om de hoogte de MIF’s te beheersen. Wat betreft de accepterende instellingen, stelde de Commissie zich op het voorlopige standpunt dat deze onverschillig lijken te staan tegenover de MIF’s, omdat MIF’s op alle accepterende instellingen gelijkelijk van toepassing zijn, waardoor zij de algemene MIF-kosten kunnen doorberekenen aan de handelaren.

(14)

In de mededeling van punten van bezwaar stelde de Commissie zich op het voorlopige standpunt dat de regels van Mastercard inzake interregionale MIF’s objectief gezien niet noodzakelijk zijn.

2.3.   De toezeggingen

(15)

De belangrijkste elementen van de toezeggingen die Mastercard op 26 november 2018 heeft gedaan, zijn de volgende.

(16)

Mastercard zegt toe om zes maanden na de datum waarop Mastercard de formele kennisgeving van dit besluit ontvangt, als volgt een bovengrens voor de MIF’s vast te stellen voor alle op consumentenkaarten gebaseerde betalingstransacties:

a)

voor debet-IIF (2) voor interregionale Card Present-transacties (CP), op 0,2 %, alsmede

b)

voor credit-IIF voor interregionale Card Present-transacties (CP), op 0,3 %, alsmede

c)

voor debet-IIF voor interregionale Card Not Present-transacties (CNP), op 1,15 %, alsmede

d)

voor credit-IIF voor interregionale Card Not Present-transacties (CNP), op 1,50 %.

(17)

Uiterlijk twaalf werkdagen na de kennisgeving van het besluit zal Mastercard aan elke accepterende instelling van interregionale transacties van Mastercard meedelen en elke accepterende instelling verzoeken op haar beurt aan haar respectieve handelaren-cliënten onmiddellijk mee te delen dat i) de toezeggingen zijn aangenomen en dat ii) met betrekking tot de interregionale MIF’s voor alle toekomstige interregionale transacties met consumentendebet- en kredietkaarten bovengrenzen zullen gelden voor de duur van de toezeggingen.

(18)

Uiterlijk twaalf werkdagen na de kennisgeving van dit besluit zal Mastercard op een duidelijk zichtbare en gemakkelijk toegankelijke wijze op de Europese website van Mastercard alle interregionale debet- en credit-MIF’s publiceren die van toepassing zijn op interregionale CP-transacties en interregionale CNP-transacties waarop de toezeggingen van toepassing zijn. Deze verplichting blijft van kracht voor de gehele duur van de toezeggingen.

(19)

Mastercard mag de toezeggingen direct noch indirect door enig handelen of nalaten ontwijken of trachten te ontwijken. Vanaf de kennisgeving van het besluit zal Mastercard zich met name onthouden van alle praktijken die een vergelijkbare strekking of gevolg hebben als dat van interregionale MIF’s. Hiertoe behoren in het bijzonder maar niet uitsluitend uitvoeringsprogramma’s of nieuwe regels waarbij Mastercard systeem- of andere vergoedingen die zij aan accepterende instellingen binnen de EER aanrekent, overdraagt aan niet-EER-uitgevers.

(20)

Op voorwaarde dat geen toezeggingen worden ontweken, kan Mastercard passende maatregelen ter bescherming van consumenten aannemen om ervoor te zorgen dat consumenten geen nadeel ondervinden door de gevolgen van veranderingen in haar interregionale MIF’s, met name inzake fraude, valutaomrekening, terugbetalingen en terugboekingen.

(21)

Mastercard zal een monitoring trustee aanstellen om erop toe te zien dat Mastercard zich aan de toezeggingen houdt. De Commissie zal het recht hebben de voorgestelde trustee te aanvaarden of af te wijzen alvorens die wordt aangesteld.

(22)

De toezeggingen zullen van kracht blijven gedurende een periode van vijf jaar en zes maanden na de kennisgeving van dit besluit aan Mastercard.

3.   CONCLUSIE

(23)

De toezeggingen komen op passende wijze tegemoet aan de bezwaren verwoord in de mededeling van punten van bezwaar.

(24)

Voor elk type interregionale transactie (dat wil zeggen, CP en CNP, debet en credit) lijken de door Mastercard voorgestelde bovengrenzen voor de MIF’s niet duidelijk hoger te zijn dan de eisen van de MIT (3). Voor interregionale CP-transacties blijkt uit de aanwijzingen in het dossier dat handelaren, tezamen genomen, bij een MIF per transactie van 0,2 % voor debetkaarten en van 0,3 % voor kredietkaarten onverschillig zouden kunnen staan ten aanzien van het accepteren van een contante betaling of een kaartbetaling. Voor interregionale CNP-transacties blijkt uit de aanwijzingen in het dossier dat handelaren, tezamen genomen, bij een MIF per transactie van 1,15 % voor debetkaarten en van 1,5 % voor kredietkaarten onverschillig zouden kunnen staan ten aanzien van het accepteren van een niet-SEPA-bankoverschrijving of een e-geldovermaking en een kaartbetaling.

(25)

De toezeggingen nemen daardoor doeltreffend de door de Commissie vastgestelde voorlopige mededingingsbezwaren weg, aangezien ze handelaren en uiteindelijk consumenten een direct en tastbaar voordeel bieden in de vorm van MIF’s die aanzienlijk lager zijn dan die welke momenteel van toepassing zijn.

(26)

De toezeggingen bevatten een verstrekkende anti-ontwijkingsclausule, die Mastercard verbiedt om zich te gedragen op een wijze die direct of indirect, door enig handelen of nalaten, een vergelijkbaar doel of gevolg zou hebben als dat van interregionale MIF’s. Hiertoe behoort in het bijzonder maar niet uitsluitend de invoering van vergoedingen die wettelijk of economisch vergelijkbaar zijn met interregionale MIF’s. Dit is vergelijkbaar met de toezeggingen van Mastercard in 2010 en 2014. Op dezelfde wijze als in deze toezeggingen vallen ook nieuwe vergoedingen of verhoogde vergoedingenregelingen die vergelijkbaar zijn met interregionale MIF’s, onder de antiontwijkingsclausule.

(27)

De definities van “card-based payment instrument” (op kaarten gebaseerd betaalinstrument) en “card present transactions” (“card present”-transacties) in de toezeggingen sluiten manipulaties waardoor het kaartschema CP-transacties kan herdefiniëren als CNP-transacties uit, doordat de definities duidelijk specificeren onder welke voorwaarden CP-transacties plaatsvinden. Als een dergelijke manipulatie toch zou plaatsvinden, zou dit worden beschouwd als een inbreuk op en ontwijking van de toezeggingen.

(28)

De Commissie is van oordeel dat de duur van vijf jaar en zes maanden van de toezeggingen voldoende is om tegemoet te komen aan de bezwaren in de mededeling van punten van bezwaar. Aangezien de toezeggingen voorzien in een uitvoeringsperiode van zes maanden, zal de “nettoduur” van de toezeggingen in feite vijf jaar zijn.

(29)

In het licht van de toezeggingen is de Commissie van oordeel dat er niet langer gronden voor een optreden harerzijds bestaan en dat de procedure in deze zaak daarom moet worden beëindigd, onverminderd artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(30)

De Commissie behoudt ten volle de discretionaire bevoegdheid om een onderzoek in te stellen en een procedure te starten op grond van artikel 101 van het Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst ten aanzien van praktijken die geen voorwerp van dit besluit zijn.

(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(2)  Mastercard definieert interregionale MIF’s als door Mastercard vastgestelde interbancaire vergoedingen die standaard van toepassing zijn op interregionale transacties met krediet- en debetkaarten voor consumenten (“IIF’s”).

(3)  Bij het analyseren van MIF-niveaus moet rekening worden gehouden met de Merchant Indifference Test (“MIT”), een methodologie die oorspronkelijk in de economische literatuur werd ontwikkeld en daarna door de Commissie verder is ontwikkeld om efficiënte interbancaire vergoedingen te beoordelen. De Commissie gebruikt deze methodologie als benchmark of proxy voor het beoordelen van de naleving van artikel 101, lid 3, van het Verdrag om te waarborgen dat handelaren baat hebben bij het accepteren van kaartbetalingen.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/10


Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 31 januari 2019 betreffende een voorontwerp van besluit over zaak M.8677 — Siemens/Alstom

(2019/C 300/05)

Concentratie

1.

Het Adviescomité (14 lidstaten) is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een concentratie vormt in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1).

2.

Het Adviescomité (14 lidstaten) is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een EU-dimensie heeft in de zin van artikel 1, lid 2, van de concentratieverordening.

Bepaling van de markt

3.

Het Adviescomité (14 lidstaten) is het eens met de volgende omschrijvingen van de Commissie van de relevante productmarkten:

a.

rollend materieel van hoge snelheid (met inbegrip van rollend materieel van zeer hoge snelheid) of afzonderlijk rollend materieel van zeer hoge snelheid;

b.

legacy-OBU-projecten;

c.

ETCS-OBU-projecten;

d.

zelfstandige ETCS-ATB-baanprojecten (zogenoemde overlayprojecten);

e.

ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten (bundel van ETCS-ATB-baanprojecten en baanvakbeveiligingsprojecten);

f.

zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten, en

g.

baanvakbeveiligingsapparatuur.

4.

Het Adviescomité (14 lidstaten) is het eens met de volgende omschrijvingen van de Commissie van de relevante geografische markten:

a.

EER-brede of wereldwijde (met uitzondering van China, Zuid-Korea en Japan) markt voor rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid;

b.

nationale markt voor legacy-OBU-projecten;

c.

EER-brede markt voor ETCS-OBU-projecten;

d.

EER-brede markt voor zelfstandige ETCS-ATP-baan(overlay)projecten;

e.

EER-brede markt voor ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten;

f.

nationale markt voor zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten, en

g.

nationale markt voor baanvakbeveiligingsapparatuur;

Beoordeling uit mededingingsoogpunt

5.

Het Adviescomité (14 lidstaten) is het eens met het oordeel van de Commissie dat de aangemelde transactie aanleiding zou geven tot horizontale niet-gecoördineerde effecten die een significante belemmering zouden opleveren voor daadwerkelijke mededinging op de markten voor:

a.

rollend materieel van hoge snelheid (met inbegrip van zeer hoge snelheid) of zeer hoge snelheid in de EER of wereldwijd (met uitzondering van China, Zuid-Korea en Japan);

b.

ETCS-OBU-projecten in de EER;

c.

zelfstandige ETCS-ATB-baanoverlayprojecten in de EER;

d.

ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten in de EER;

e.

Legacy-OBU-projecten in België;

f.

zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in België, Kroatië, Griekenland, Hongarije, Portugal, Roemenië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk;

g.

baanvakbeveiligingsapparatuur in het Verenigd Koninkrijk.

6.

Het Adviescomité (14 lidstaten) is het eens met het oordeel van de Commissie dat de aangemelde transactie aanleiding zou geven tot niet-horizontale effecten die een significante belemmering zouden opleveren voor daadwerkelijke mededinging op de markten voor zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in het Verenigd Koninkrijk.

Corrigerende maatregel

7.

Het Adviescomité is het eens met de Commissie dat de toezeggingen die op 25 januari 2019 door de partijen zijn gedaan, (“de toezeggingen”) de mededingingsbezwaren van de Commissie niet wegnemen op de markten voor:

a.

rollend materieel van hoge snelheid (met inbegrip van zeer hoge snelheid) of zeer hoge snelheid in de EER of wereldwijd (met uitzondering van China, Zuid-Korea en Japan); 13 lidstaten zijn het ermee eens en 1 lidstaat onthoudt zich;

b.

ETCS-OBU-projecten in de EER; 14 lidstaten zijn het ermee eens;

c.

zelfstandige ETCS-ATB-baanoverlayprojecten in de EER; 14 lidstaten zijn het ermee eens;

d.

ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten in de EER; 14 lidstaten zijn het ermee eens;

e.

Legacy-OBU-projecten in België; 14 lidstaten zijn het ermee eens;

f.

zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in België, Kroatië, Griekenland, Hongarije, Portugal, Roemenië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk; 14 lidstaten zijn het ermee eens;

g.

baanvakbeveiligingsapparatuur in het Verenigd Koninkrijk; 14 lidstaten zijn het ermee eens.

8.

Het Adviescomité (13 lidstaten) is het met de conclusie van de Commissie eens dat de aangemelde transactie, mits de toezeggingen worden nageleefd, de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een substantieel deel hiervan op significante wijze zou belemmeren. Eén lidstaat onthoudt zich.

9.

Het Adviescomité (13 lidstaten) is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie dan ook overeenkomstig artikel 2, lid 3, en artikel 8, lid 3, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst onverenigbaar met de interne markt moet worden verklaard. Eén lidstaat onthoudt zich.

(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (“de concentratieverordening”)


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/12


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

(M.8677 — Siemens/Alstom)

(2019/C 300/06)

1.   

Op 8 juni 2018 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) een kennisgeving ontvangen van een voorgenomen concentratie waarbij Siemens AG (“Siemens” of “de aanmeldende partij”) uitsluitende zeggenschap zou verkrijgen over Alstom SA (“Alstom”) door middel van een bijdrage van de mobiliteitsdivisie van Siemens aan Alstom in ruil voor nieuw uitgegeven aandelen van Alstom (“de transactie”). Siemens en Alstom worden hierna gezamenlijk “de partijen” genoemd.

2.   

Op 13 juli 2018 heeft de Commissie een besluit vastgesteld waarbij een procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening (2) is ingeleid (“het besluit overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c)”). In dit besluit heeft de Commissie aangegeven dat de transactie een Uniedimensie heeft die binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening valt, en dat de transactie aanleiding geeft tot ernstige twijfels over de verenigbaarheid ervan met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst.

3.   

Op 16 juli 2018 is een verlenging van de termijn voor het vaststellen van een definitief besluit met twintig werkdagen verleend op grond van artikel 10, lid 3, tweede alinea, eerste zin, van de concentratieverordening.

4.   

Op 6 augustus 2018 dienden de partijen hun schriftelijke opmerkingen bij het besluit in overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), waarin zij de beoordeling van de Commissie in het besluit overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), betwistten.

5.   

Op 8 augustus 2018 stelde de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de concentratieverordening twee besluiten vast naar aanleiding van het verzuim van Siemens en Alstom om volledige informatie te verstrekken in antwoord op afzonderlijke verzoeken om inlichtingen van de Commissie. Bij deze besluiten zijn de in artikel 10, lid 3, eerste alinea, van de concentratieverordening genoemde termijnen per 7 augustus 2018 opgeschort. Siemens en Alstom gaven elk op 4 september 2018 antwoord op het desbetreffende verzoek om inlichtingen, en de opschorting liep aan het eind van die dag af.

6.   

Op 29 oktober 2018 bracht de Commissie overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de uitvoeringsverordening van de concentratieverordening (3) een mededeling van punten van bezwaar uit, waarvan Siemens op dezelfde dag in kennis is gesteld. Alstom ontving een kopie van de mededeling van punten van bezwaar. Volgens de mededeling van punten van bezwaar kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat de transactie waarschijnlijk een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging zou veroorzaken met betrekking tot verschillende markten voor rollend materieel, markten voor signalering op hoofdspoorlijnen en stadsspoorlijnen en bepaalde markten voor stroomvoorziening van spoorwegen, wereldwijd, in de EER en/of op bepaalde nationale markten, afhankelijk van de specifieke productmarkt in kwestie.

7.   

Na de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar kregen de partijen op 29 oktober 2018 voor het eerst toegang tot het dossier. Verdere toegang tot het dossier werd doorlopend verleend tot 31 januari 2019, tevens in antwoord op verschillende verzoeken van de partijen.

8.   

De partijen reageerden op 14 november 2018 op de mededeling van punten van bezwaar. Zij deden geen verzoek om hun argumenten op een formele hoorzitting uiteen te zetten overeenkomstig artikel 14 van de uitvoeringsverordening van de concentratieverordening.

9.   

Tussen 19 juli en 27 november 2018 liet ik, op hun met redenen omkleed verzoek, 24 belanghebbende derden toe overeenkomstig artikel 5 van Besluit 2011/695/EU. Dit betrof concurrenten, afnemers, leveranciers en vakbonden. Veertien onder hen dienden opmerkingen in over de mededeling van punten van bezwaar.

10.   

Op 12 december 2018 diende de aanmeldende partij formeel een eerste reeks toezeggingen in, die op 17 december 2018 door de Commissie aan een marktonderzoek werden onderworpen. De Commissie stelde de partijen op 21 december 2018 op de hoogte van de voorlopige resultaten van het marktonderzoek, alsmede van de verdere resultaten die sindsdien op 4 januari 2019 zijn ontvangen. Op 9 en 25 januari 2019 diende de aanmeldende partij herziene toezeggingen in.

11.   

Op 23 januari 2019 zond de Commissie een brief met een uiteenzetting van de feiten naar de aanmeldende partij (“de letter of facts”). Het antwoord van 28 januari 2019 op de letter of facts omvat algemene opmerkingen waarin wordt gesteld dat de partijen onvoldoende tijd en context hadden gekregen om daadwerkelijk hun standpunt kenbaar te kunnen maken. Ik heb in dit verband geen rechtstreekse verzoeken of klachten van de partijen ontvangen. Bovendien merk ik op dat het antwoord op de letter of facts gedetailleerde argumenten bevat met betrekking tot elk punt in de letter of facts, waarvan ook het Adviescomité naar behoren in kennis is gesteld. Volgens mij is het recht van de partijen om te worden gehoord in dit verband niet geschonden.

12.   

In het ontwerpbesluit concludeert de Commissie dat de toezeggingen niet alle vastgestelde mededingingsbezwaren wegnemen, ook al zijn bezwaren op bepaalde relevante markten niet gehandhaafd. Dientengevolge wordt de transactie in het ontwerpbesluit overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de concentratieverordening onverenigbaar verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst.

13.   

Overeenkomstig artikel 16 van Besluit nr. 2011/695/EU heb ik onderzocht of het ontwerpbesluit uitsluitend punten van bezwaar betreft ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten kenbaar te maken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval is.

14.   

Alles bijeengenomen ben ik van oordeel dat de effectieve uitoefening van de procedurele rechten bij de onderhavige procedure is gerespecteerd.

Brussel, 1 februari 2019.

Joos STRAGIER


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29) (“Besluit 2011/695/EU”).

(2)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1) (“de concentratieverordening”).

(3)  Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1) (“de uitvoeringsverordening van de concentratieverordening”).


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/14


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 6 februari 2019

waarbij een concentratie onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst

(Zaak M.8677 — Siemens/Alstom)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 921)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2019/C 300/07)

Op 6 februari 2019 heeft de Commissie een besluit vastgesteld met betrekking tot een concentratiezaak op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1), en met name artikel 8, lid 3, van die verordening. Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van het besluit, in voorkomend geval in de vorm van een voorlopige versie, is in de authentieke taal van de zaak te vinden op de website van DG Concurrentie op het volgende adres: http://ec.europa.eu/competition/index_en.html

I.   DE PARTIJEN

(1)

Siemens AG (Duitsland, hierna “Siemens” of “de aanmeldende partij”) is een Duitse vennootschap en de uiteindelijke moederonderneming van de Siemens-groep met hoofdkantoor in München, en is genoteerd aan de effectenbeurs van Frankfurt am Main en de effectenbeurs Xetra. Siemens is actief op een aantal industriële gebieden. De mobiliteitsdivisie van Siemens biedt een brede portefeuille van rollend materieel, oplossingen voor automatisering van en signalering op spoorwegen, systemen voor stroomvoorziening van spoorwegen, wegverkeerstechnologie, IT-oplossingen, alsmede andere producten en diensten met betrekking tot het vervoer van personen en goederen over het spoor en over de weg.

(2)

Alstom SA (Frankrijk, hierna “Alstom”) is een Franse vennootschap met hoofdkantoor in de regio Parijs en is genoteerd aan de effectenbeurs Euronext Parijs. Alstom is wereldwijd actief in het spoorwegvervoer en biedt een breed scala van vervoersoplossingen (van hogesnelheidstreinen tot metro’s en trams), gepersonaliseerde diensten (onderhoud en modernisering), alsmede producten voor reizigers en infrastructuur, digitale mobiliteit en signaleringsoplossingen.

II.   DE TRANSACTIE

(3)

Op 8 juni 2018 ontving de Commissie een formele kennisgeving van een voorgenomen concentratie overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (“de concentratieverordening”) waarbij Siemens uitsluitende zeggenschap over Alstom verkrijgt door middel van een bijdrage van de mobiliteitsdivisie van Siemens aan Alstom in ruil voor nieuw uitgegeven aandelen van Alstom (“de transactie”). Siemens en Alstom worden hierna gezamenlijk “de partijen” genoemd.

(4)

De transactie betreft de verkrijging van uitsluitende zeggenschap over Alstom door Siemens. De transactie houdt de samenvoeging van de mobiliteitsdivisies van Alstom en Siemens in, waaronder aandrijfsystemen voor spoorwegtractie en gerelateerde dienstverleningsactiviteiten (hierna “de gefuseerde entiteit”).

III.   UNIEDIMENSIE

(5)

De betrokken ondernemingen behalen samen een wereldwijde omzet van in totaal ruim 5 000 miljoen EUR. Ze hebben elk een Europese omzet van meer dan 250 miljoen EUR, maar behalen niet meer dan twee derde van hun totale Europese omzet in een en dezelfde lidstaat. Bijgevolg heeft de transactie een Uniedimensie.

IV.   PROCEDURE

(6)

Op 26 september 2017 werd de fusie van de divisie mobiliteit (spoor) van Siemens met Alstom aangekondigd.

(7)

Op 8 juni 2018 ontving de Commissie een formele kennisgeving van de transactie.

(8)

Op 13 juli 2018 constateerde de Commissie dat de transactie aanleiding gaf tot ernstige twijfels over de verenigbaarheid van de transactie met de interne markt, en stelde zij een besluit vast om een diepgaand onderzoek te openen. Op 6 augustus 2018 diende de aanmeldende partij haar schriftelijke opmerkingen in over het besluit van de Commissie om een diepgaand onderzoek te openen.

(9)

Op 16 juli 2018 verlengde de Commissie, met instemming van de partijen, de wettelijke termijn met twintig werkdagen op grond van artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de concentratieverordening.

(10)

Op 8 augustus 2018 stelde de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de concentratieverordening een besluit vast waarin de termijn voor de toetsing van de fusie werd opgeschort omdat de partijen hadden nagelaten bepaalde documenten waarom was verzocht, te verstrekken. De opschorting duurde van 7 augustus 2018 tot 4 september 2018, de datum waarop de documenten waarom was verzocht, werden verstrekt.

(11)

Op 29 oktober 2018 nam de Commissie een mededeling van punten van bezwaar aan. De aanmeldende partij antwoordde op 14 november 2018 op de mededeling van punten van bezwaar. De aanmeldende partij verzocht niet om een hoorzitting.

(12)

De aanmeldende partij diende op 12 december 2018 toezeggingen (hierna “de eerste toezeggingen”) in. Op 17 december 2018 startte de Commissie met een marktonderzoek naar de op 12 december 2018 ingediende toezeggingen.

(13)

Op 9 januari 2019 is door de aanmeldende partij een eerste gewijzigde versie van de toezeggingen (hierna “de tweede toezeggingen”) ingediend. Op 25 januari 2019 is door de aanmeldende partij een tweede gewijzigde versie van de toezeggingen (hierna “de definitieve toezeggingen”) ingediend.

(14)

De bijeenkomst met het Adviescomité vond plaats op 31 januari 2019.

V.   DE RELEVANTE MARKTEN

a.   Rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid

(15)

De Commissie is van oordeel dat treinen die snelheden halen van 250 km/u en meer (“rollend materieel van hoge snelheid”), een afzonderlijke productmarkt vormen. Bovendien blijkt uit overwegingen aan vraag- en aanbodzijde, zoals bevestigd door een sectorbrede consensus, verkoop- en technische eisen en de resultaten van het marktonderzoek, dat rollend materieel van hoge snelheid (treinen die snelheden van 250 km/u tot 299 km/u bereiken) niet kan worden vervangen door rollend materieel van zeer hoge snelheid (treinen die op speciale sporen snelheden van 300 km/u of meer bereiken). Bijgevolg vormt rollend materieel van zeer hoge snelheid potentieel een afzonderlijke markt. Aangezien de transactie echter aanleiding geeft tot mededingingsbezwaren ongeacht de precieze omschrijving van de markt, worden de effecten onderzocht op basis van beide mogelijke omschrijvingen van de markt. De Commissie acht onderverdelingen op basis van het type tractiesysteem, de architectuur of het aantal verdiepingen niet relevant.

(16)

De Commissie is van mening dat de relevante geografische markt ten minste de EER en Zwitserland omvat, gezien de gemeenschappelijk geldende regels en de afwezigheid van toegangsbelemmeringen. De Commissie kan niet uitsluiten dat de markt de hele wereld omvat, met uitzondering van China, Japan en Zuid-Korea, als gevolg van onoverkomelijke toegangsbelemmeringen in deze landen, zoals toegelicht door de aanmeldende partij en bevestigd door het marktonderzoek.

(17)

De Commissie is van mening dat de relevante markt de markt voor hogesnelheidstreinen is, met inbegrip van de beperktere markt van zeerhogesnelheidstreinen in de EER (met inbegrip van Zwitserland) en wereldwijd (met uitzondering van China, Japan en Zuid-Korea).

b.   Signalering op hoofdspoorlijnen

(18)

De Commissie is van oordeel dat signalering op hoofdspoorlijnen en signalering op stadsspoorlijnen afzonderlijke markten zijn. Binnen de markt voor signalering op hoofdspoorlijnen vormen signaleringsprojecten en signaleringsproducten afzonderlijke markten. Daarnaast moeten projecten voor signalering op hoofdspoorlijnen als volgt worden onderverdeeld in subsystemen (baanvakbeveiliging, ATB (automatische treinbeveiliging) en besturings- en controlesystemen), tussen legacy en ETCS-projecten (European Train Control System), en tussen oplossingen in de trein en langs de baan/het spoor:

a)

legacy-OBU-projecten;

b)

ETCS-OBU-projecten;

c)

legacy-ATB-baanprojecten;

d)

zelfstandige ETCS-ATB-baanprojecten (zogenoemde overlayprojecten);

e)

zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten;

f)

ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten (bundel van ETCS-ATB-baanprojecten en baanvakbeveiligingsprojecten).

(19)

De Commissie hanteert geen onderverdeling van de markten per projectgrootte of ETCS-niveau (ETCS-niveau 1, ETCS-niveau 2).

(20)

Daarnaast vormt de markt voor signaleringsproducten voor baanvakbeveiligingsuitrusting een afzonderlijke markt.

(21)

De Commissie is van oordeel dat de relevante geografische markt voor ETCS-OBU-projecten, ETCS-ATB-baanoverlayprojecten en ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten de volledige EER omspant.

(22)

De Commissie is van oordeel dat de relevante geografische markt voor legacy-OBU-projecten, zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten en baanvakbeveiligingsuitrusting nationaal is.

VI.   BEOORDELING UIT MEDEDINGINGSOOGPUNT

a.   Rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid

(23)

De partijen vervaardigen en leveren rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid.

(24)

De Commissie verrichtte haar beoordeling op basis van marktaandeel berekend over de periode 2008-2018 (nieuwe orders naar waarde). De gefuseerde entiteit zou een gecombineerd marktaandeel hebben van [70-80] % op de totale markt voor rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid in de EER (met inbegrip van Zwitserland) en [60-70] % wereldwijd (met uitzondering van China, Japan en Zuid-Korea). Op de beperktere markt voor rollend materieel van zeer hoge snelheid zou de gefuseerde entiteit een gecombineerde marktwaarde hebben van [70-80] % in de EER (met inbegrip van Zwitserland) en [60-70] % wereldwijd (met uitzondering van China, Japan en Zuid-Korea).

(25)

Het zeer grote marktaandeel van de partijen op de totale markt voor rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid alsmede op de beperktere markt voor rollend materieel van zeer hoge snelheid vormt een aanwijzing die duidt op de aanwezigheid van een dominante marktpositie. Mededingingsbezwaren zijn des te waarschijnlijker, omdat de transactie een geconcentreerde marktstructuur zal versterken. Bijgevolg zal de HHI na de fusie in alle segmentaties aanzienlijk hoger zijn dan 2 000, met een delta ruim boven 250.

i)   De concurrenten van de partijen

(26)

In tegenstelling tot de partijen hebben de concurrenten geen of slechts een zeer gering aantal verkopen van treinen van hoge of zeer hoge snelheid tot stand gebracht aan afnemers in de EER anders dan aan exploitanten in hun eigen land. Met name waar het rollend materieel van zeer hoge snelheid betreft, is als gevolg van strategieën van gezamenlijke inschrijving en portefeuillebeperkingen het aantal daadwerkelijke concurrenten van de gefuseerde entiteit na de transactie feitelijk beperkt tot twee leveranciers, namelijk Talgo en een consortium van Bombardier en Hitachi-Ansaldo. Door CAF is geen enkele verkoop van treinen van zeer hoge snelheid tot stand gebracht.

(27)

De aanmeldende partij is van mening dat, naast de leveranciers die in de EER zijn gevestigd, CRRC, Hyundai Rotem en Kawasaki op wereldwijde schaal concurrentiedruk uitoefenen. CRRC heeft echter nooit een aanbesteding voor rollend materieel van hoge of zeer hoge snelheid in de EER gewonnen. De positie van CRRC op de wereldmarkt blijft marginaal en vloeit voort uit een enkele verkoop, een Indonesisch spoorwegcontract in 2017 dat niet is verkregen door een inschrijvingsprocedure met concurrenten maar als resultaat van onderhandelingen op overheidsniveau. Dientengevolge is CRRC tot dusver onbeproefd in inschrijvingsprocedures waarin het zou moeten opbieden tegen de belangrijkste leveranciers ter wereld van rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid buiten China. In de EER is CRRC niet uitgenodigd om een bod te doen in de komende aanbesteding van HS2 (VK). Hieruit volgt dat CRRC tot dusver geen rollend materieel van hoge of zeer hoge snelheid heeft verkocht in normale concurrerentieomstandigheden en evenmin hiertoe is uitgenodigd. Bijgevolg kan CRRC niet worden beschouwd als een onderneming die een aanzienlijke concurrentiedruk uitoefent op de wereldmarkt buiten China, Japan en Zuid-Korea.

ii)   Intensiteit van de concurrentie

(28)

De Commissie is van oordeel dat de partijen naaste concurrenten zijn, op basis van: i) het productaanbod en de geografische voetafdruk van de partijen, ii) de analyse van biedingsgegevens en iii) interne documenten van de partijen.

(29)

Wat de geografische voetafdruk betreft, zijn Siemens en Alstom beide actief buiten Duitsland en Frankrijk. Zij hebben afnemers in Italië (NTV/Alstom), België/Frankrijk/Nederland/VK (Eurostar/Siemens) Finland (Karelian/Alstom) en Polen (PKP/Alstom). Buiten de EER zijn de partijen actief in Marokko (ONCF/Alstom), de VS (Amtrak/Alstom), Rusland (RZD/Siemens) en Turkije (TCDD/Siemens).

(30)

De respondenten van het marktonderzoek bevestigden dat de productaanbiedingen van de partijen nauw concurreren. Een aantal afnemers bevestigde dat de productaanbiedingen van de partijen van treinen van zeer hoge snelheid het beste alternatief voor elkaar vormen.

(31)

Uit de analyse van aanbestedingen waarin een van beide partijen een bod heeft geplaatst (2008-2018), blijkt dat de partijen bij aanbestedingen voor rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid het vaakst elkaars concurrent zijn. Bovendien blijkt uit de analyse van de biedingsgegevens dat er de deelname aan aanbestedingen in het algemeen beperkt is: bij de meeste aanbestedingen voor treinen van hoge en zeer hoge snelheid in de EER en wereldwijd zijn er twee of minder deelnemers (d.w.z. leveranciers die een bod plaatsen).

(32)

Uit de analyse van de deelname aan aanbestedingen blijkt dat interactie tussen de partijen vooral plaatsvindt bij aanbestedingen voor treinen van zeer hoge snelheid, en significant minder bij aanbestedingen voor rollend materieel van hoge snelheid.

(33)

Over het geheel genomen blijkt uit de analyse van biedingen, met name bij rollend materieel van zeer hoge snelheid, dat de partijen elkaars naaste concurrent zijn en de grootste concurrentiedruk uitoefenen. Daarnaast blijkt uit de analyse van biedingen dat Talgo en het consortium van Bombardier/Hitachi-Ansaldo als minder naaste concurrenten concurrentiedruk uitoefenen op Alstom en vrijwel geen op Siemens. CAF en Stadler oefenen geen concurrentiedruk op het gebied van rollend materieel van zeer hoge snelheid uit.

(34)

In het algemeen bevestigen de interne documenten van de partijen de concurrentiedruk die de partijen vóór de transactie als naaste concurrenten op elkaar hebben uitgeoefend, evenals de door concurrerende leveranciers als minder naaste concurrenten uitgeoefende concurrentiedruk.

iii)   Belemmeringen voor het betreden van de markt

(35)

In de loop van het marktonderzoek is een aantal belemmeringen voor het betreden van de markt voor rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid vastgesteld. Sommige van die belemmeringen hebben betrekking op activiteiten op het gebied van rollend materieel van hoge of zeer hoge snelheid in het algemeen, ongeacht de locatie. Het betreft de kosten van het ontwikkelen van rollend materieel en het vereiste van een toereikende staat van dienst om geloofwaardig op aanbestedingen te bieden. Andere belemmeringen voor het betreden van de markt zijn specifiek voor de EER en betreffen de Europese vergunningsregeling voor rollend materieel, het vereiste van een EER-specifieke staat van dienst, informele lokalisatievereisten en de bevoorrechte relatie tussen een aantal in de EER gevestigde leveranciers en nationale exploitanten in hun thuisland.

(36)

Deze belemmeringen zijn erkend door CRRC, dat toegeeft dat het momenteel buiten China geen geloofwaardige bieder is. Hetzelfde geldt voor andere Aziatische leveranciers die de partijen beschouwen als potentiële nieuwkomers, maar die momenteel niet actief zijn in de EER en geen concurrentiedruk uitoefenen.

iv)   Conclusie

(37)

Om de hierboven uiteengezette redenen is de Commissie van oordeel dat de transactie daadwerkelijke mededinging significant zal belemmeren als gevolg van horizontale niet-gecoördineerde effecten op de markt voor hogesnelheidstreinen, met inbegrip van de beperktere markt van zeerhogesnelheidstreinen in de EER (met inbegrip van Zwitserland) en wereldwijd (met uitzondering van China, Japan en Zuid-Korea).

b.   Signalering op hoofdspoorlijnen

i)   ETCS-OBU-projecten — horizontale eenzijdige effecten

(38)

De transactie zou een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging veroorzaken vanwege horizontale niet-gecoördineerde effecten met betrekking tot ETCS-OBU-projecten in de EER.

(39)

De Commissie verrichtte haar beoordeling op basis van marktaandeel berekend over de periode 2008-2018 (nieuwe orders naar waarde). De gefuseerde entiteit zou een gecombineerd marktaandeel hebben van [70-80] %; dit is aanzienlijk meer dan haar concurrenten.

(40)

De partijen zijn naaste concurrenten, zoals blijkt uit de analyse van biedingsgegevens voor de periode 2008-2018, de standpunten van de afnemers en de interne documenten van de partijen. De partijen zijn belangrijke innoveerders op het gebied van ETCS-OBU’s, en door de transactie zou een belangrijke innoveerder verdwijnen. De gefuseerde entiteit zou een concurrentievoordeel hebben, dat concurrenten zou verzwakken en de mededinging na de transactie significant zou beperken, omdat de partijen toegang hebben tot legacysignaleringssystemen en een sterkere positie hebben op het gebied van internationale corridors. De Commissie acht toetreding van nieuwkomers tot de EER-markt, inclusief van Chinese leveranciers, in de voorzienbare toekomst onwaarschijnlijk. Tot op heden hebben Chinese leveranciers niet geboden op ETCS-OBU-projecten in de EER.

ii)   Legacy-OBU-projecten in België — horizontale eenzijdige effecten

(41)

De transactie zou een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging veroorzaken vanwege horizontale niet-gecoördineerde effecten met betrekking tot legacy-OBU-projecten in België.

(42)

In de periode 2008-2018 was Alstom de enige leverancier van legacy-OBU-projecten in België. Siemens is de enige andere leverancier die in België een goedgekeurde baanvakbeveiliging heeft. Siemens oefent op basis van haar goedgekeurde baanvakbeveiliging een concurrentiedruk uit die na de transactie verloren zou gaan.

iii)   Baanvakbeveiligingsprojecten (zelfstandig) — horizontale eenzijdige effecten

(43)

De transactie zou een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging veroorzaken vanwege horizontale niet-gecoördineerde effecten met betrekking tot zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in België, Kroatië, Griekenland, Hongarije, Portugal, Roemenië, Spanje en het VK.

(44)

In landen met getroffen markten, namelijk Kroatië, Spanje, het VK en Portugal, zou de gefuseerde entiteit een hoog gecombineerd marktaandeel hebben (op basis van nieuwe orders naar waarde in de periode 2008-2018) van [90-100] % in Kroatië, [40-50] % in Spanje, [70-80] % in het VK en [50-60] % in Portugal. De partijen zijn naaste concurrenten en de potentiële afnemersmacht van de infrastructuurbeheerder zou niet volstaan om het verlies aan mededinging als gevolg van de transactie te compenseren.

(45)

Naast de landen waar in de periode 2008-2018 daadwerkelijke overlappingen op het vlak van de verkoop tussen de partijen hebben plaatsgevonden, zou de transactie ook leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging in landen waar gezien het zeer geringe aantal bieders de partijen een sterke concurrentiedruk uitoefenen door deel te nemen aan biedingen voor zelfstandige baanvakbeveiliging of biedingen betreffende baanvakbeveiliging. Het betreft Griekenland, Roemenië, België en Hongarije. De partijen zijn naaste concurrenten en de potentiële afnemersmacht van de infrastructuurbeheerder zou niet volstaan om het verlies aan mededinging als gevolg van de transactie te compenseren.

iv)   ETCS-ATB-baanoverlayprojecten — horizontale eenzijdige effecten

(46)

De Commissie is van oordeel dat de transactie een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging zou veroorzaken vanwege horizontale niet-gecoördineerde effecten met betrekking tot ETCS-ATB-baanoverlayprojecten in de EER.

(47)

De Commissie verrichtte haar beoordeling op basis van marktaandeel berekend over de periode 2008-2018 (nieuwe orders naar waarde). De gefuseerde entiteit zou marktleider worden met een gecombineerd marktaandeel van [30-40] %; dit is aanzienlijk meer dan haar concurrenten.

(48)

De partijen zijn naaste concurrenten, toetreding van nieuwkomers (met name Chinese leveranciers) is onwaarschijnlijk en de potentiële afnemersmacht van de afnemers zou niet volstaan om het verlies aan mededinging als gevolg van de transactie te compenseren.

v)   ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten — horizontale eenzijdige effecten

(49)

De Commissie is van oordeel dat de transactie een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging zou veroorzaken vanwege horizontale niet-gecoördineerde effecten met betrekking tot ETCS-ATB-hersignaleringsprojecten in de EER.

(50)

De Commissie verrichtte haar beoordeling op basis van marktaandeel berekend over de periode 2008-2018 (nieuwe orders naar waarde). De gefuseerde entiteit zou marktleider worden met een gecombineerd marktaandeel van [50-60] % in de EER; dit is aanzienlijk meer dan haar concurrenten.

(51)

De partijen zijn naaste concurrenten, toetreding van nieuwkomers (met name Chinese leveranciers) is onwaarschijnlijk en de potentiële afnemersmacht van de afnemers zou niet volstaan om het verlies aan mededinging als gevolg van de transactie te compenseren.

vi)   Baanvakbeveiligingsuitrusting — horizontale eenzijdige effecten

(52)

De Commissie is van oordeel dat de transactie een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging zou veroorzaken vanwege horizontale niet-gecoördineerde effecten op de markt voor baanvakbeveiligingsuitrusting in het VK.

(53)

De gefuseerde entiteit zou een gecombineerd marktaandeel hebben van [90-100] % op basis van marktaandeel berekend over de periode 2015-2017 (nieuwe orders naar waarde). Na de transactie zouden er geen levensvatbare alternatieve leveranciers van VK-specifieke baanvakbeveiligingsuitrusting zijn en de potentiële macht van de afnemers zou niet volstaan om het verlies aan mededinging als gevolg van de transactie te compenseren.

vii)   Verticale effecten — afscherming van de markt voor zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in het VK

(54)

De Commissie is van oordeel dat de transactie een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging zou veroorzaken vanwege niet-gecoördineerde verticale effecten op de markt voor zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in het VK.

(55)

Volgens de Commissie zal de gefuseerde entiteit na de transactie in staat zijn en de prikkel hebben om toegang tot baanvakbeveiligingsuitrusting af te schermen voor downstreamrivalen in het VK met wie de gefuseerde entiteit concurreert bij de leverantie van zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten.

(56)

Ten eerste zal de gefuseerde entiteit in staat zijn toegang tot baanvakbeveiligingsuitrusting af te schermen, door de prijzen te verhogen of door anderszins te voorkomen dat concurrenten die actief zijn op de markt voor zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten, concurrerende biedingen kunnen uitbrengen op aanbestedingen waarvoor zij afhankelijk zijn van de baanvakbeveiligingsproducten van de partijen. Dit is het geval, aangezien de baanvakbeveiligingsproducten van de partijen een cruciaal onderdeel zijn van de leverantie van zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in het VK en de gefuseerde entiteit significante marktmacht bezit op de upstreammarkt voor de leverantie van baanvakbeveiligingsuitrusting in het VK.

(57)

Ten tweede zal de gefuseerde entiteit na de transactie een prikkel hebben om toegang tot upstreamsignaleringsproducten af te schermen, omdat dit een winstgevende strategie zou zijn.

(58)

Ten slotte blijkt uit de gedragingen van de partijen in het verleden dat zij al hebben geprobeerd te voorkomen dat concurrenten op hoofdspoorlijnsignaleringsprojecten in het VK zouden kunnen bieden.

viii)   Conclusie

(59)

Om de hierboven vermelde redenen is de Commissie van oordeel dat de transactie een significante belemmering van daadwerkelijke mededinging zou veroorzaken vanwege horizontale en/of niet-horizontale niet-gecoördineerde effecten, met betrekking tot de volgende markten:

a)

rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid, met inbegrip van de beperktere markt van rollend materieel van zeer hoge snelheid in de EER en wereldwijd (met uitzondering van China, Japan en Zuid-Korea);

b)

ETCS-OBU-projecten in de EER;

c)

legacy-OBU-projecten in België;

d)

zelfstandige baanvakbeveiligingsprojecten in België, Kroatië, Griekenland, Hongarije, Portugal, Roemenië, Spanje en het VK;

e)

ETCS-ATB-baanoverlayprojecten in de EER;

f)

ETCS-ATB-baanhersignaleringsprojecten in de EER;

g)

baanvakbeveiligingsapparatuur in het VK.

VII.   CORRIGERENDE MAATREGELEN

(60)

Om de door de Commissie opgeworpen mededingingsbezwaren weg te nemen, dienden de partijen op 12 december 2018 de eerste toezeggingen in, die door de Commissie op 17 december 2018 aan een marktonderzoek zijn onderworpen.

(61)

Op 9 januari 2019 dienden de partijen de tweede toezeggingen in. Op 25 januari 2019 dienden de partijen in de definitieve toezeggingen verdere herzieningen in. De tweede en de definitieve toezeggingen zijn niet aan een marktonderzoek onderworpen.

(62)

De eerste, de tweede en de definitieve toezeggingen behelsden met name maatregelen die waren gericht op het wegnemen van de mededingingsbezwaren van de Commissie met betrekking tot de markten voor i) rollend materieel van hoge en zeer hoge snelheid (“toezeggingen met betrekking tot rollend materieel van zeer hoge snelheid”) en ii) signalering op hoofdspoorlijnen (“toezeggingen met betrekking tot signalering op hoofdspoorlijnen”).

a.   Toezeggingen met betrekking tot rollend materieel van zeer hoge snelheid

i)   Beschrijving

(63)

De toezeggingen met betrekking tot rollend materieel van zeer hoge snelheid bestaan uit twee alternatieve pakketten:

a)

het Velaro-pakket, dat bestaat in i) de overdracht van het recht op het ontwikkelen, verbeteren, vervaardigen en verhandelen van de derde generatie van het Velaro-platform van Siemens (“Velaro 3G”) en ii) een technologische overdracht van de centrale technologische bouwstenen van het Velaro Novo-concept van Siemens (“de Velaro Novo-licentie”), die de koper onder bepaalde voorwaarden ter beschikking worden gesteld, of

b)

het Pendolino-pakket, dat bestaat in de afstoting van het Pendolino-platform van Alstom (“de Pendolino-afstoting”), dat de koper onder bepaalde voorwaarden ter beschikking wordt gesteld.

ii)   Beoordeling

(64)

De Commissie is van oordeel dat beide pakketten niet toereikend zijn om de hierboven beschreven mededingingsbezwaren met betrekking tot treinen van zeer hoge snelheid weg te nemen:

a)

het Velaro-pakket omvat geen activa op het gebied van productie, fabricage en onderzoek en ontwikkeling. Bovendien heeft de Velaro-Novo-licentie ook een te beperkte reikwijdte (exclusief gedurende tien jaar in de EER en niet-exclusief wereldwijd) en omvat ze belangrijke uitzonderingen, waardoor een overnemer niet in staat zou zijn een aanzienlijke concurrentiedruk uit te oefenen;

b)

Het Pendolino-pakket is ontoereikend omdat het een hogesnelheidsplatform is dat de door de Commissie opgeworpen mededingingsbezwaren op het gebied van zeer hoge snelheid niet kan wegnemen. Daarnaast is het beperkt vanwege geplande uitzonderingen, noodzakelijke overeenkomsten met derden en “back license” van bepaalde aspecten.

b.   Toezeggingen met betrekking tot signalering op hoofdspoorlijnen

i)   Beschrijving

(65)

De toezeggingen met betrekking tot signalering op hoofdspoorlijnen bestaan uit de “ETCS-OBU-toezegging” en de “ETCS-baan- en baanvakbeveiligingstoezegging”.

(66)

De ETCS-OBU-toezegging omvat toegang tot de ETCS-OBU-technologie van Siemens via een overdracht van de ETCS-OBU-softwaretoepassing van Siemens, maar slechts een licentie-/leverings- en dienstenovereenkomst voor het onderliggende veiligheidsplatform, in de tijd beperkt tot vier jaar, waarna de overnemer de OBU-toepassing naar zijn eigen veiligheidsplatform zou moeten migreren. Het voorstel omvat een licentie-, leverings- en dienstenovereenkomst die ter beschikking wordt gesteld bij klasse B-STM’s die volledig eigendom van Siemens zijn.

(67)

Tevens omvat het voorstel een overdracht van de Belgische legacy-OBU-toepassing (TBL+) van Siemens zonder het onderliggende platform en een licentie voor de klasse B-STM’s van Siemens. In de definitieve toezeggingen wordt de platformlicentie verlengd van vier tot zes jaar om de migratie naar het eigen platform voor de overnemer gemakkelijker te maken, en is bepaald dat de overnemer in het kader van een leverings- en dienstenovereenkomst recht heeft op de levering van klasse B-STM’s van Alstom tegen commercieel onderhandelde tarieven.

(68)

De ETCS baan- en baanvakbeveiligingstoezegging behelst een combinatie van overdracht van eigendom en licentiëringsregelingen voor Alstom-technologie, in het bijzonder:

a)

voor ETCS-ATB-baan: overdracht van eigendom van ECTS-softwaretoepassingen van niveau 1 en niveau 2 van Alstom, een licentie-, leverings- en dienstenovereenkomst voor de platformen waarop de softwaretoepassingen draaien, en een overdracht van technologie, hetgeen een andere vorm van licentiëring inhoudt, voor een van deze platformen;

b)

voor baanvakbeveiliging: een combinatie van een overdracht van technologie en licentiëring voor toegang tot de belangrijkste baanvakbeveiligingstechnologie van Alstom die momenteel in de EER is geïnstalleerd. De gefuseerde entiteit behoudt zich het recht voor om buiten de EER met dezelfde technologie te concurreren. Voor bepaalde andere baanvakbeveiligingstechnologieën van Alstom behelzen de toezeggingen een combinatie van overdracht van eigendom, overdracht van technologie en licentiëring.

ii)   Beoordeling

(69)

De Commissie is van oordeel dat de toezeggingen met betrekking tot signalering op hoofdspoorlijnen de mededingingsbezwaren ten aanzien van markten voor signalering op hoofdspoorlijnen, onvoldoende wegnemen.

a)

De ETCS-OBU-toezegging omvat een licentie van beperkte duur voor technologie die niet toereikend is om de levensvatbaarheid en het concurrentievermogen van de afstoting te waarborgen. Bovendien is de overnemer voor de leverantie van interfacingtechnologie afhankelijk van de gefuseerde entiteit, wat een ongunstig effect kan hebben op zijn vermogen om daadwerkelijk concurrerend te zijn.

b)

De toezegging met betrekking tot ETCS-baan- en baanvakbeveiliging is ontoereikend omdat ze complex is en een combinatie van activa en licentiëringsregelingen omvat die kan leiden tot uitvoeringsrisico’s die de levensvatbaarheid van de afstoting ondermijnen. Daarnaast is het pakket beperkt voor zover locaties voor fabricage en onderzoek en ontwikkeling, pijpleidingtechnologie en gerelateerd personeel er geen deel van uitmaken.

VIII.   CONCLUSIE

(70)

Op basis van haar analyse en het beschikbare bewijs concludeert de Commissie dat de transactie onverenigbaar is met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst.

(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 300/21


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.9490 — VWFS/TÜV SÜD AS/FC/CarMob)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2019/C 300/08)

1.   

Op 29 augustus 2019 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

Volkswagen Financial Services AG (“VWFS”, Duitsland), die onder zeggenschap staat van Volkswagen AG (“Volkswagen”, Duitsland),

TÜV SÜD Auto Service GmbH (“TUV SÜD AS”, Duitsland), die onder zeggenschap staat van TÜV SÜD AG (Duitsland),

FleetCompany GmbH (“FC”, Duitsland), die onder zeggenschap staat van TÜV SÜD AS,

Carmobility GmbH (“CarMob”, Duitsland), die onder zeggenschap staat van VWFS.

VWFS en TÜV SÜD AS verkrijgen gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening over het geheel van FC en CarMob.

De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.   

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   VWFS: volle directe dochteronderneming van Volkswagen die dealers en klanten financiering, leasing, bank- en verzekeringsdiensten, en mobiliteitsoplossingen aanbiedt. Zij staat in voor het wagenparkbeheer, uitsluitend via haar volle dochteronderneming carmobility GmbH;

—   TÜV SÜD AS: aanbieder van technische diensten, meer bepaald keuring en productcertificering;

—   FC: merkneutrale aanbieder van wagenparkbeheersdiensten voor zakelijke klanten, actief in meer dan 50 landen;

—   CarMob: merkneutrale aanbieder van wagenparkbeheersdiensten voor zakelijke klanten, uitsluitend in Duitsland.

3.   

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.   

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.9490 — VWFS/TÜV SÜD AS/FC/CarMob

Opmerkingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden per e-mail, per fax of per post. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail: COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax +32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (“de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.