ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 159

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

62e jaargang
10 mei 2019


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

2019/C 159/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale dialoog voor innovatie in de digitale economie (initiatiefadvies)

1

 

ADVIEZEN

2019/C 159/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over vrouwen in de Westelijke Balkan (initiatiefadvies)

7

2019/C 159/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de hervorming van de WTO met het oog op aanpassing aan de veranderende wereldhandel (initiatiefadvies)

15

2019/C 159/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van interne adviesgroepen bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten (verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement)

28


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

2019/C 159/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van de nadere technische maatregelen voor de werking van het definitieve btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (COM(2018) 329 final — 2018/0164 (CNS))

38

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

2019/C 159/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft de aanpassing van de jaarlijkse voorfinanciering voor de jaren 2021 tot en met 2023 (COM(2018) 614 final — 2018/0322 (COD))

45

2019/C 159/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid in de eurozone (COM(2018) 759 final)

49

2019/C 159/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven — Een bijdrage van de Europese Commissie aan de bijeenkomst van de leiders in Salzburg op 19-20 september 2018(COM(2018) 634 final — 2018/0329 COD)

53

2019/C 159/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van instandhoudings- en controlemaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de Raad (COM(2018) 577 final — 2018/0304 (COD))

60

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

2019/C 159/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en het netwerk van nationale coördinatiecentra (COM(2018) 630 final — 2018/0328 (COD))

63

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

2019/C 159/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie [als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002] en Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad [governance van de energie unie], wegens de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (COM(2018) 744 final — 2018/0385 (COD))

68

2019/C 159/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft bepaalde voorschriften inzake rechtstreekse betalingen en steun voor plattelandsontwikkeling voor de jaren 2019 en 2020 (COM(2018) 817 final — 2018/0414(COD))

71


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale dialoog voor innovatie in de digitale economie

(initiatiefadvies)

(2019/C 159/01)

Rapporteur: Jukka AHTELA

Besluit van de voltallige vergadering

15.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

18.12.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

133/0/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Innovatie is een belangrijke factor voor het concurrentievermogen, de productiviteit en het groeipotentieel van ondernemingen, die bovendien de kwaliteit van het werk kan bevorderen, werkgelegenheid kan scheppen en de levensomstandigheden kan verbeteren. Om het volledige potentieel van innovatie te kunnen benutten, moeten werknemers inspraak krijgen en gemotiveerd worden, onder meer door middel van de sociale dialoog. Dit dient te worden ondersteund door een innovatievriendelijk politiek en regelgevingsklimaat in heel Europa.

1.2.

Digitalisering vormt, samen met andere ontwikkelingen die van invloed zijn op de arbeidsomstandigheden, de economische situatie van werknemers en het arbeidsleven, een uitdaging voor de bestaande bedrijfsstructuren en managementmethoden, het bestaande leiderschap, de arbeidsverhoudingen en de reikwijdte en methoden van de sociale dialoog.

1.3.

Kenniswerk raakt steeds meer ingeburgerd in alle geledingen van de arbeidsmarkt. Informatietechnologie, en meer in het bijzonder digitalisering, maken het mogelijk om werk los te koppelen van plaats en tijd. De ontwikkeling richting werk dat sterker gebaseerd is op vaardigheden en kennis versterkt de autonomie van kenniswerkers, maar tegelijkertijd zien we een toenemende polarisering tussen hoogopgeleid kenniswerk en potentieel minder productief werk. Om de toenemende economische onzekerheid die gedeeltelijk door digitalisering in de hand wordt gewerkt, tegen te gaan, dienen collectieve arbeidsonderhandelingen op alle niveaus te worden bevorderd, zeker ook in sectoren en ondernemingen die met de gevolgen van de digitalisering te maken hebben. Dit kan ertoe bijdragen dat nieuwe vormen van gedigitaliseerde werkorganisatie de kwaliteit van het werk verbeteren in plaats van verslechteren (1).

1.4.

Hoewel de ontwikkeling in de richting van meer autonomie voor bepaalde werknemers een uitdaging vormt voor de bestaande managementstructuren en leiderschapsmethoden, vereist zij ook nieuwe vormen van dialoog, informatieverstrekking en overleg en van inspraak van de werknemers in de managementmethoden. Er zijn nieuwe participatieve benaderingen nodig om zo veel mogelijk personeel bij de innovatie- en ontwikkelingsprocessen te betrekken.

1.5.

Het EESC wijst erop dat de voordelen en uitdagingen van de toepassing van nieuwe benaderingen in de bedrijfscultuur voor werknemers op het gebied van veiligheid, arbeidskwaliteit en arbeidsomstandigheden, met inbegrip van veiligheid en gezondheid en opleiding, zo goed mogelijk bekend moeten worden gemaakt. Werknemers echt aan boord krijgen en inspraak geven, vergt serieuze, gerichte inspanningen op alle niveaus.

1.6.

Sociale dialoog en met name collectieve onderhandelingen tussen sociale partners blijven essentiële instrumenten, voor zover zij van in het begin worden ingezet (zie punten 5.1 en 5.5) bij de invoering van nieuwe technologieën, in een klimaat van vertrouwen tussen het personeel en het management. De sociale partners dienen in het kader van hun autonomie en zonder afbreuk te doen aan de basisbeginselen van de bestaande structuren op zoek te blijven gaan naar nieuwe oplossingen voor de sociale dialoog, in het bijzonder onderhandelingen, om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden, teneinde met evenwichtige oplossingen te komen en ervoor te zorgen dat de sociale partners op alle niveaus een betekenisvolle rol kunnen blijven spelen.

1.7.

De nieuwe vormen van arbeidsdeling en de stijging van het aantal atypische werknemers moeten gepaard gaan met meer zeggenschap voor deze werknemers: dat houdt in dat zij meer informatie moeten krijgen en dat er meer overleg moet komen, en dat er een aanpassing noodzakelijk is van de collectieve rechten en de bepalingen inzake arbeidstijden en sociale rechten (2).

1.8.

Het Comité heeft er eerder al op gewezen dat de vakbondsvertegenwoordiging en collectieve onderhandelingen voor werknemers in bepaalde nieuwe vormen van werkgelegenheid niet vanzelfsprekend zijn (3). Er moet op worden toegezien dat niets de uitoefening van de in het Handvest van de grondrechten van de EU en de IAO-verdragen vastgelegde grondrechten in de weg staat (4).

1.9.

Het EESC is van mening dat de kans op innovatie toeneemt wanneer sterke structuren om het werk te organiseren worden gecombineerd met verschillende vormen van een grotere inspraak van werknemers binnen een solide juridisch en contractueel kader. Daartoe dient collectieve vertegenwoordiging steeds vaker gepaard te gaan met een inclusievere, reflectievere en democratischere dialoog binnen de arbeidsstructuren en -methoden. Het belang van trainingen voor het management op het gebied van de sociale dialoog, om de managementmethoden aan te passen aan de nieuwe context, mag ook niet uit het oog worden verloren. Het EESC wijst voorts op de noodzaak om een ondernemingsvriendelijk klimaat te bevorderen zodat bedrijven kunnen groeien en de concurrentie het hoofd kunnen bieden.

1.10.

Een vertrouwensrelatie tussen de werknemersvertegenwoordigers, vakbonden en het management, in combinatie met rechtstreekse inspraak van werknemers in de besluitvormingsorganen (zie punt 6.7), leidt tot betere prestaties en een hoger niveau van welzijn en schept een positief klimaat voor innovatieve maatregelen. Participatieve verandering komt het vertrouwen tussen management, werknemers en vakbonden ten goede (5). Het is van kapitaal belang dat werknemers (en hun vakbondsorganisaties) vertrouwen hebben en op alle relevante niveaus en in alle relevante organen — hetzij op lokaal niveau, hetzij op het niveau van de raad van toezicht en de raad van bestuur — een bijdrage leveren. Om de digitale transitie in goede banen te leiden en een op innovatie gericht klimaat te creëren, moeten zij meedenken over toekomstige ontwikkelingen en worden betrokken bij de aanpak van deze veranderingen en de besluitvorming ter zake (6).

1.11.

Op het nationale niveau zijn initiatieven van de sociale partners om de productiviteit en het welzijn van werknemers op het werk te verhogen een veelbelovende methode, die in een ruimere Europese context dient te worden bevorderd. In dit verband is het EESC ingenomen met de initiatieven en onderzoeken van Eurofound en het Europees netwerk voor innovatie op de werkplek en stelt het voor dat de EU actie onderneemt om de dialoog tussen de sociale partners en andere belanghebbenden te bevorderen in het kader van een participatieve aanpak ter bevordering van innovatie op de werkplek.

2.   Inleiding

2.1.

Innovatie is een belangrijke factor voor het concurrentievermogen, de productiviteit en het groeipotentieel van ondernemingen. Om het volledige potentieel van innovatie te kunnen benutten, moeten werknemers inspraak krijgen en gemotiveerd worden. Innovatieactiviteiten bevorderen de internationale concurrentiepositie van Europese werkplekken en stellen hen zo beter in staat om een gedegen basis te scheppen voor kwaliteitsvolle werkgelegenheid. Ze zijn dan ook van cruciaal belang voor een hogere levensstandaard. Dit alles dient te worden ondersteund door een innovatievriendelijk politiek en regelgevingsklimaat in Europa.

2.2.

Digitalisering is een van de grote drijvende krachten achter innovatie. Digitalisering van de industrie en de dienstensector biedt enorme mogelijkheden, bijvoorbeeld op het gebied van automatisering, verwerkingstechnologieën, verhoogde productiviteit en tot wederzijds voordeel strekkende flexibiliteit. Op een inclusieve manier investeren in onderwijs en opleiding om ervoor te zorgen dat de vaardigheden voorhanden zijn die nodig zijn in de digitale economie, is eveneens een belangrijk instrument om de ongelijkheid terug te dringen en dit potentieel te benutten ten voordele van iedereen, zowel op het werk als in de gehele samenleving. De publieke sector draagt een cruciale verantwoordelijkheid voor de modernisering van het openbaar onderwijs en het stimuleren van de nodige vaardigheden, en om bij te dragen aan een kwalitatief hoogstaand ondernemingsklimaat. Tegelijkertijd moeten het bedrijfsleven en de industrie ook hun rol spelen en bijdragen tot het vergemakkelijken van de toegang van werknemers tot beroepsopleiding en levenslang leren. Het genderperspectief moet centraal staan in alle digitale initiatieven met het oog op de volledige integratie van vrouwen in de digitale economie, om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen en het evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen.

2.3.

Ondanks de snel dalende prijzen voor ICT, een verschuiving van ICT-investeringen naar ICT-diensten en de steeds grotere knowhow zijn er weinig aanwijzingen dat de nieuwe digitale economie de productiviteitsgroei heeft gestimuleerd. Internationale studies lijken aan te tonen dat de nieuwe digitale economie nog steeds in zijn „installatiefase” zit en dat productiviteitseffecten mogelijk pas zullen optreden zodra de technologie in de „uitrolfase” terechtkomt (7). De verschuiving van productievere vormen van werk naar minder productieve vormen van werk die uit de nationale statistieken blijkt, zou de werkelijke bijdrage van ICT tot de groei bovendien kunnen verhullen, aangezien de bijdrage van ICT aan de productiviteit en de werkgelegenheid van branche tot branche sterk kan verschillen.

2.4.

De arbeidsmarkt staat voor uitdagingen die een verregaande invloed zullen hebben op werkgevers, werknemers en hun contractuele arbeidsverhoudingen. Sommige van die veranderingen, zoals outsourcing, zullen zich afspelen buiten de bedrijven, terwijl veel veranderingen zich in de bedrijven voordoen, zoals de overstap naar flexibelere werktijden en vormen van werk. Deze ontwikkelingen, die plaatsvinden in het kader van wetgeving en collectieve arbeidsovereenkomsten, vormen een uitdaging voor de bestaande bedrijfsstructuren en managementmethoden en het bestaande leiderschap en voor de reikwijdte en methoden van de sociale dialoog, wat ook gevolgen heeft voor de veiligheid en kwaliteit van de werkgelegenheid. Sociale dialoog en onderhandelingen tussen sociale partners kunnen en moeten echter essentiële instrumenten blijven, indien zij worden aangepast aan de veranderingen en van in het begin en in een klimaat van vertrouwen worden ingezet bij de invoering van nieuwe technologieën (zie punt 5.1). De Europese sociale partners hebben in 2016 een gezamenlijke verklaring afgelegd inzake digitalisering (8).

2.5.

Dit advies moet duidelijkheid scheppen over en verbanden leggen tussen vaardigheden en de rol van werknemers in innovatieprocessen, een hogere productiviteit en een hoger welzijn van werknemers, enerzijds, en de noodzaak van goed draaiende werkplekken om die doelstellingen te ondersteunen en te bevorderen, anderzijds.

3.   Wat staat erop het spel? De uitdagingen van innovatiecultuur op het werk

3.1.

Er is dringend behoefte aan aanpassing van de bedrijfsstructuren en werkmethoden aan de digitale economie. Het vinden van nieuwe manieren om de productiviteit in het digitale tijdperk te verhogen is een uitdaging voor alle belanghebbenden. Voortdurende innovatie om het menselijk potentieel aan te boren en tegelijkertijd het welzijn van werknemers te bevorderen is van essentieel belang om een oplossing te vinden voor deze uitdagingen. De sociale dialoog, en meer in het bijzonder onderhandelingen op het lokale niveau, kunnen een essentiële rol spelen in het bevorderen van innovatie- en aanpassingsprocessen.

3.2.

Digitalisering heeft verregaande gevolgen voor zowel bestaande organisaties als opkomende, nieuwe organisaties met betrekking tot hoe de activiteiten en het werk van bedrijven zullen worden georganiseerd. Terwijl de traditionele vormen van werken mogelijk grotendeels zullen worden behouden, zien we nu al welke impact digitalisering heeft op de nieuwe werkmethoden, zoals het snel toenemende gebruik van telewerk in talrijke sectoren, waardoor bepaalde werknemers meer autonomie genieten.

3.3.

Kenniswerk raakt steeds meer ingeburgerd in alle geledingen van de arbeidsmarkt. Informatietechnologie, en meer in het bijzonder digitalisering, maken het mogelijk om werk los te koppelen van plaats en tijd. Deze ontwikkeling in de richting van werk dat sterker gebaseerd is op vaardigheden en kennis versterkt de autonomie van kenniswerkers, maar tegelijkertijd zien we een toenemende polarisering tussen hoogopgeleid kenniswerk en potentieel minder productief werk met inhoudelijk minder uitdagende taken.

3.4.

Het feit dat de digitalisering bepaalde werknemers meer autonomie verschaft, vormt een uitdaging voor ondernemingen, hun organen en bestuur alsook voor de traditionele managementmethoden en hiërarchische structuren van bedrijven. Dit betekent ook een uitdaging op het stuk van de arbeidsomstandigheden, de economische situatie van werknemers en de arbeidsverhoudingen. Deze evolutie vereist meer vormen van sociale dialoog, informatie en overleg en een sterkere betrokkenheid van de werknemers, die zelf een bijdrage kunnen leveren aan innovatieve praktijken en ontwikkelingsprocessen die zowel het bedrijf als de betrokkenen ten goede komen (9). De sociale partners dienen daarom op zoek te gaan naar oplossingen om het samengaan van traditionele vormen van en innovatieve benaderingen van de sociale dialoog te waarborgen.

4.   Hoe kan een cultuur van innovatie worden bevorderd op het werk?

4.1.

Hoewel de ontwikkeling in de richting van meer autonomie voor bepaalde werknemers de bestaande managementstructuren en leiderschapsmethoden ter discussie stelt, vereist zij ook nieuwe vormen van dialoog, informatieverstrekking en overleg en van inspraak van werknemers in de managementmethoden van het bedrijf. Er zijn nieuwe benaderingen nodig om zo veel mogelijk personeel bij de innovatie- en ontwikkelingsprocessen van het bedrijf te betrekken.

4.2.

Werknemers een centrale rol geven in de innovatieprocessen op het werk vergt echter niet altijd grote veranderingen in de organisatie. Er zijn een aantal eenvoudige instrumenten die hiervoor kunnen worden gebruikt, maar de voornaamste zijn toch wel collectieve onderhandelingen en een sociale dialoog die is afgestemd op de behoeften van de specifieke werkplek. Zelfstandige teams, experimentele workshops, suggestiebussen of interdisciplinaire projectgroepen zijn slechts enkele voorbeelden. Een gemeenschappelijk kenmerk is een organisatiecultuur die de inventiviteit van werknemers aanmoedigt, en een dergelijke organisatiecultuur kan alleen gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen tussen management en personeel.

4.3.

Er dient op te worden gewezen dat de voordelen van de toepassing van nieuwe benaderingen in de bedrijfscultuur voor werknemers op het gebied van veiligheid, arbeidskwaliteit en arbeidsomstandigheden zo goed mogelijk bekend moeten worden gemaakt. Ook de risico’s voor de werknemers, bijv. op het gebied van arbeidsomstandigheden, bescherming van de gezondheid en veiligheid, economische onzekerheid en toenemende polarisatie, moeten worden aangepakt. Op alle niveaus moet ervoor worden geijverd om werknemers en vakbonden echt aan boord te krijgen en inspraak te geven, wat serieuze, gerichte inspanningen op alle niveaus van de organisatie vergt; er mag dus geen sprake zijn van een „afvinkmentaliteit”.

4.4.

Een innovatiecultuur op het werk houdt in dat de individuele werknemer zich niet alleen concentreert op het uitvoeren van zijn taken, maar ook nagaat of die taken op een steeds betere manier kunnen worden verricht. Een innovatiecultuur houdt bovendien in dat het management actief luistert naar de ideeën van werknemers en hen aanmoedigt om deel te nemen aan innovatieprocessen (10).

4.5.

Werknemers meer autonomie geven in het kader van innovatie- en ontwikkelingsactiviteiten van bedrijven biedt een uitgelezen kans om de vaardigheden van werknemers te benutten. Hetzelfde geldt voor flexibele werktijden en -locaties, die beter functioneren als innovatieve manieren om het werk te organiseren stoelen op lokaal overeengekomen regelingen op basis van wederzijds vertrouwen. Dat alles vergt een moderne leiderschapscultuur binnen een solide juridisch en contractueel kader op basis van een participatieve aanpak, hetgeen eveneens op EU-niveau dient te worden bevorderd.

5.   De rol van verschillende vormen van sociale dialoog

5.1.

Een van de belangrijkste functies van de sociale dialoog, en meer in het bijzonder van collectieve onderhandelingen, bestaat erin het ondernemingsklimaat vorm te helpen geven en veranderingen in het arbeidsleven te helpen aanpakken door middel van informatieverstrekking, anticipatie, participatie en facilitering, om wederzijds vertrouwen op te bouwen tussen sociale partners op alle niveaus als een van de doelstellingen van de Europese Unie, die ten uitvoer wordt gelegd volgens nationale praktijken.

5.2.

Het EESC heeft in tal van adviezen gewezen op de centrale rol van de sociale dialoog in de veranderende werkomgeving (11). De sociale dialoog moet een hoofdrol vervullen op alle relevante niveaus, met volledige inachtneming van de autonomie van de sociale partners.

5.3.

Gezien de uitdagingen en het steeds snellere tempo waarmee ze elkaar opvolgen, moeten de structuren en doelstellingen van de sociale dialoog duidelijk worden aangepast aan de continue stroom van veranderingen, met inachtneming van de wettelijke en contractuele nationale en Europese kaders. Dat vormt een uitdaging voor de sociale partners op alle niveaus. De sociale partners dienen binnen hun autonomie en zonder afbreuk te doen aan de basisbeginselen van de bestaande structuren op zoek te blijven gaan naar nieuwe oplossingen voor de sociale dialoog, in het bijzonder onderhandelingen, om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden, teneinde met evenwichtige oplossingen te komen en ervoor te zorgen dat de sociale partners op alle niveaus een betekenisvolle rol kunnen blijven spelen. Partnerschappen met lokale gemeenschappen kunnen ook een bron van inspiratie zijn voor de sociale partners.

5.4.

Het EESC heeft verklaard dat het „[o]p dit moment […] nog onmogelijk [is] te voorspellen welke uitdagingen en kansen de digitale economie zal meebrengen. De rol van de sociale en maatschappelijke dialoog is niet om zich tegen deze transities te verzetten, maar wel om ervoor te zorgen dat zij zo veel mogelijk worden aangewend ten voordele van groei, innovatie en vaardigheden, kwaliteitsbanen en de houdbare en solidaire financiering van sociale bescherming” (12).

5.5.

Met betrekking tot transitiemanagement in een gedigitaliseerde arbeidswereld is het belangrijk om te kunnen rekenen op soepele besluitvormingsprocessen, zodat bedrijven en werknemers zich snel kunnen aanpassen aan een veranderende omgeving. Het EESC heeft verklaard dat „in verband met de invoering van nieuwe technologieën zoals robots of intelligente machines […] het Comité er in zijn studie aan [herinnert] dat het belangrijk is dat de vertegenwoordigers van de werknemers van tevoren geïnformeerd en geraadpleegd worden en dat collectieve onderhandelingen ter begeleiding van de veranderingen die deze technologieën met zich meebrengen, noodzakelijk zijn. Deze raadpleging is op grond van Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) betreffende de Europese ondernemingsraad bovendien verplicht” (14).

5.6.

Voorts heeft het EESC voorbeelden gegeven van activiteiten van sociale partners die tot oplossingen hebben geleid voor uitdagingen die zich tijdens deze transitieperiode hebben voorgedaan (15). Een ander voorbeeld is de collectieve overeenkomst tussen het digitale platform voor schoonmaakdiensten Hilfr en vakbond 3F in Denemarken (16). De EU dient dergelijke activiteiten aan te moedigen door de sociale dialoog te bevorderen en de capaciteitsopbouw van de sociale partners te ondersteunen.

6.   Belangrijkste bevindingen ter ondersteuning van nieuwe benaderingen om innovatie te stimuleren

6.1.

Zoals vermeld in een recente studie van Eurofound (17), kunnen bedrijven die hun werknemers ertoe aanmoedigen deel te nemen aan de ruimere besluitvorming met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten of de strategische koers, niet alleen de arbeidsvreugde vergroten, maar ook het innovatieniveau. Participatieve verandering komt het vertrouwen tussen management, werknemers en vakbonden ten goede. Het is van kapitaal belang dat werknemers (en hun vakbondsorganisaties) vertrouwen hebben en op alle relevante niveaus en in alle relevante organen — hetzij op lokaal niveau, hetzij op het niveau van de raad van toezicht en de raad van bestuur — een bijdrage leveren. Om de digitale transitie in goede banen te leiden en een op innovatie gericht klimaat te creëren, moeten zij meedenken over toekomstige ontwikkelingen en worden betrokken bij de aanpak van deze veranderingen en de besluitvorming ter zake (18).

6.2.

Volgens Eurofound neemt de kans op innovatie toe wanneer sterke structuren om het werk te organiseren worden gecombineerd met rechtstreekse inspraak van werknemers (bijvoorbeeld door hen te betrekken bij het oplossen van problemen of het verbeteren van de productiekwaliteit) (19). Die vaststelling strookt met de suggestie dat hoewel collectieve vertegenwoordiging een belangrijke rol speelt in het verzekeren van de betrokkenheid van werknemers bij innovatieprocessen, er steeds meer behoefte is aan een inclusievere en democratischere dialoog op basis van medezeggenschap in het bezinningsproces. De methoden van sociale dialoog dienen in die zin de uitwisseling en verwezenlijking van de collectieve deskundigheid van alle leden van de organisatie te bevorderen, ongeacht of het gaat om werknemers, hun vertegenwoordigers of managers (20).

6.3.

Uit de analyse van Eurofound bleek tevens dat er een positief verband bestaat tussen de toegang van werknemers tot opleiding en innovatie. Zoals het EESC reeds heeft aangegeven, moet werk diegenen die het verrichten de voldoening geven hun vaardigheden en verworvenheden ten volle te kunnen inzetten en de grootst mogelijke bijdrage te kunnen leveren aan het algemene welzijn (21).

6.4.

In de studie van Eurofound werd tevens een positief verband opgemerkt tussen motivering, in de vorm van financiële stimulansen zoals een variabele beloning, en innovatie. Voorts werd vastgesteld dat innovatievere organisaties beter presteerden als bedrijf, en een groter welzijn op het werk kenden. Dergelijke innovatieve bedrijven hanteren gewoonlijk goede praktijken met betrekking tot de inspraak van werknemers.

6.5.

Een op vertrouwen gebaseerde sociale dialoog is volgens Eurofound van belang voor de prestaties en het welzijn. In bedrijven waar geschillen en vakbondsacties hadden plaatsgevonden, lagen de prestaties en het welzijn op het werk aanzienlijk onder het gemiddelde. Een vertrouwensrelatie tussen de werknemersvertegenwoordigers en het management, in combinatie met rechtstreekse inspraak van werknemers, leidt tot betere prestaties en een hogere mate van welzijn en schept een positief klimaat voor innovatieve maatregelen (22). Het EESC wijst op het belang van opleiding voor het management om de managementmethoden aan te passen aan de nieuwe context.

6.6.

Een cultuur van vertrouwen is ook een belangrijke factor voor het concurrentievermogen van ondernemingen. Wanneer complexe digitaliseringskwesties worden aangepakt op de werkplek, vormt een vertrouwenscultuur een gedegen basis voor een geslaagde samenwerking, in tegenstelling tot een cultuur van controle en compliance (23).

6.7.

Zoals Eurofound stelt, is er geen recept om vertrouwen te scheppen op het werk, maar zijn er wel bepaalde factoren die vertrouwen tot stand kunnen helpen brengen, zoals wederzijdse erkenning voor de twee partijen die oplossingen moeten vinden voor gemeenschappelijke problemen, tijdig ingrijpen om ruimte te laten voor zinvol overleg, transparantie, het tijdig uitwisselen van kwaliteitsvolle informatie en de betrokkenheid van alle partijen bij strategie en doelstellingen (24). Zoals het EESC opmerkt in zijn advies (25), moeten de werknemers meer zeggenschap krijgen en nauwer worden betrokken bij de besluitvorming. Om de digitale transitie in goede banen te leiden en een op innovatie gericht klimaat te creëren, moeten zij meedenken over toekomstige ontwikkelingen en worden betrokken bij de aanpak van deze veranderingen en de besluitvorming ter zake.

6.8.

Op het nationale niveau zijn initiatieven van de sociale partners om de productiviteit en het welzijn van de werknemers op de werkplek te verhogen een veelbelovende methode, die in een ruimere Europese context dient te worden bevorderd. Het gezamenlijke project van de Finse federatie voor de technologische industrie en de vakvereniging voor de industrie is een uniek project in Finland (26). In Denemarken heeft het Deens verbond van vakverenigingen een bijzondere studie verricht inzake door werknemers aangestuurde innovatie (27). Voorts zijn de sociale partners in Tsjechië, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje betrokken bij nationale debatten en projecten inzake digitale transitie en het effect ervan op het arbeidsleven (28).

6.9.

Op het niveau van de EU is het EESC ingenomen met de initiatieven en onderzoeken van Eurofound en het door de Europese Commissie gelanceerde Europees netwerk voor innovatie op de werkplek en stelt het voor dat de EU actie onderneemt om de dialoog tussen de sociale partners en andere belanghebbenden te bevorderen in het kader van een participatieve aanpak ter bevordering van innovatie op de werkplek.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.

(2)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 36 en zoals erkend door Marianne Thyssen tijdens de gezamenlijke conferentie EVI/EVV van juni 2016 met als titel „De nieuwe arbeidswereld vormgeven”.

(3)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(4)  Artikelen 12 en 28 van het Handvest, en IAO-verdragen nr. 87 en nr. 98; zie ook hierna, punt 3.2 e.v.

(5)  3rd European Company Survey: „Innovative changes in European companies”. Eurofound, 2017.

(6)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(7)  „The Productivity Paradox of the New Digital Economy”, Bart van Ark (The Conference Board and the University of Groningen), International Productivity Monitor, 2016 blz. 3-18.

(8)  Verklaring van de Europese sociale partners inzake digitalisering.

(9)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(10)  „Employee-driven innovation”, Deens verbond van vakverenigingen, 2007.

(11)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 10; PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(12)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(13)  Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (herschikking) (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).

(14)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(15)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(16)  Collectieve overeenkomst Hilfr.

(17)  3rd European Company Survey: „Innovative changes in European companies”. Eurofound, 2017.

(18)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(19)  3rd European Company Survey: „Innovative changes in European companies”. Eurofound, 2017.

(20)  „Workplace Social Dialogue as a Form of „Productive Reflection””. Peter Cressey, Peter Totterdill, Rosemary Exton; International Journal of Action Research, jaargang 9, nummer 2, 2013.

(21)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 43.

(22)  3rd European Company Survey: „Innovative changes in European companies”. Eurofound, 2017.

(23)  „Vertrauenskultur als Wettbewerbsvorteil in digitalen Zeiten”.

(24)  „Win-win arrangements: Innovative measures through social dialogue at company level”, Eurofound, 2016.

(25)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30

(26)  Project „Productivity together”.

(27)  „Employee-driven innovation”, Deens verbond van vakverenigingen, 2007.

(28)  „Addressing digital and technological change through social dialogue”, Eurofound, 2017.


ADVIEZEN

10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/7


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over vrouwen in de Westelijke Balkan

(initiatiefadvies)

(2019/C 159/02)

Rapporteur: Dilyana SLAVOVA

Besluit van de voltallige vergadering

15/2/2018

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling

Externe betrekkingen

Goedkeuring door de afdeling

19/12/2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23/1/2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

174/1/6

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EU-beleid ten aanzien van de Westelijke Balkan is nieuw leven ingeblazen. Het kreeg een extra impuls door het Bulgaarse voorzitterschap, dat van de regio zijn prioriteit heeft gemaakt, en door de mededeling van de Europese Commissie van 6 februari 2018 getiteld: „Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan”.

1.2.

De top van Sofia en de conclusies van de Raad van juni 2018 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces hebben deze betrokkenheid bevestigd en waren bepalend voor de volgende fasen van de Europese integratie van de regio. Voor de start van de toetredingsonderhandelingen van Albanië en voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werd met name de voorwaardelijke datum van juni 2019 vastgesteld. Deze focus en actiebereidheid zullen waarschijnlijk worden voortgezet en volgehouden door de komende voorzitterschappen, omdat zij worden bekleed door lidstaten die ook een grotere gevoeligheid voor en betrokkenheid bij de Westelijke Balkan aan de dag leggen, namelijk Oostenrijk, Roemenië en Kroatië.

1.3.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is een groot voorstander van uitbreiding, omdat beide partijen — de Westelijke Balkan en de EU — er belang bij hebben. Het succes van dit beleid is een belangrijke factor voor de mondiale positie van de EU en vormt de hoeksteen van stabiliteit en welvaart in Europa. Het EESC is er dan ook van overtuigd dat het toetredingsproces resoluut en strikt als een van de topprioriteiten van de EU moet worden voortgezet, onder de duidelijke en stringente voorwaarden die aan alle uitbreidingsprocessen ten grondslag liggen — niets meer en niets minder.

1.4.

Gendergelijkheid is een grondrecht dat is erkend in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten van de EU. In dit advies wijst het EESC op de rol van vrouwen als belangrijke drijvende kracht achter de consolidering van de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en vrijheden, en de economische en sociale vooruitgang. Doel van dit advies is om de politieke, sociale en economische rechten van vrouwen en gendergelijkheid in de Westelijke Balkan onder de aandacht te brengen en te bevorderen. Gendermainstreaming kan alleen succesvol zijn als deze gepaard gaat met een sterke politieke wil alsook geloof in de voordelen die gelijkheid van vrouwen en mannen voor de samenleving kan opleveren.

1.5.

Vrouwen spelen, net als in het verleden, nog steeds een essentiële rol in verzoeningsprocessen en in de sociale en economische ontwikkeling van de regio, met name in geval van sterk verzwakte economische structuren, armoede en verbroken sociale banden. In die omstandigheden tonen vrouwen meer flexibiliteit en initiatief bij het herstel en de vernieuwing van sociale netwerken en het verkennen van nieuwe arbeidskansen. Ondanks enkele goede praktijken en positieve ontwikkelingen op het gebied van empowerment van vrouwen en de uitvoering van programma’s, bevinden vrouwen zich nog steeds in een achtergestelde positie als het erop aankomt hun politieke, sociale en economische rechten volledig uit te oefenen en ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden voor sociaal-economische ontwikkeling. Vrouwen worden, ten gevolge van de patriarchale cultuur die hun rol marginaliseert, geconfronteerd met vooroordelen en genderstereotypen, segregatie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs, en een veel groter risico op discriminatie en geweld, die hen belemmeren om tot leidinggevende posities op te klimmen.

1.6.

Het EESC pleit niet alleen voor een gelijke vertegenwoordiging en integratie van vrouwen in het sociaal-economische en politieke leven op alle niveaus, maar ook voor de tenuitvoerlegging van doeltreffende wetten en beleidsmaatregelen ter bestrijding van discriminerend gedrag en een diepgewortelde patriarchale houding tegenover vrouwen, waaronder vrouwen uit minderheidsgroepen (met name Roma en LGBTIQ), jonge vrouwen, oudere vrouwen, plattelandsvrouwen en vrouwen met een handicap, alsook vrouwen en meisjes die asiel zoeken in de Westelijke Balkan.

1.7.

Het is belangrijk een stappenplan en maatregelen voor gendergelijkheid te ontwikkelen die kunnen leiden tot een meer gelijke verdeling van macht en middelen in de Westelijke Balkan. Vrouwenrechtenorganisaties, bedrijfsorganisaties en vakbonden hebben zich actief ingezet voor de bevordering van de rol van vrouwen in de regio maar er is behoefte aan meer gerichte en aanhoudende samenwerking met maatschappelijke en sociale partners om doeltreffend te kunnen strijden en pleiten voor de rechten van vrouwen. De EU-instellingen zouden meer moeten doen om deze organisaties en verenigingen financieel te ondersteunen, door te voorzien in specifieke plannen en projecten die gericht zijn op de empowerment van vrouwen op alle niveaus, met inbegrip van programma’s ter ondersteuning van organisaties voor gendergelijkheid, alsook gedetailleerde actieplannen.

1.8.

Het EESC roept de EU en de nationale overheden op intensiever samen te werken om een eind te maken aan stereotypen in het onderwijs, zodat jonge meisjes en vrouwen gedurende hun hele leven toegang hebben tot betaalbaar en kwalitatief goed onderwijs. Zo zullen zij relevante vaardigheden kunnen verwerven, makkelijker een loopbaan kunnen uitbouwen en toegang krijgen tot hoogwaardige banen op de arbeidsmarkt.

1.9.

Aangezien geweld tegen en discriminatie van vrouwen een van de ernstigste schendingen van de mensenrechten is en steeds vaker voorkomt in dit gebied dat door oorlog werd geteisterd, verzoekt het EESC de Commissie om de regionale samenwerking op het gebied van uitwisseling van goede praktijken ter bestrijding van huiselijk geweld aan te moedigen, en de nodige financiële middelen en deskundige steun uit te breiden voor alle inspanningen ter beperking en mogelijk uitbanning van deze wijdverbreide sociale plaag.

1.10.

Het EESC is van mening dat de nationale overheden aanzienlijke inspanningen moeten leveren om de persvrijheid te verbeteren, onder meer door de bestaande wetgeving te versterken en consequent toe te passen. Dit zal onder meer bijdragen tot een groter bewustzijn van gendergelijkheid en een sterker pleidooi voor een veiligere mediaomgeving waarin genderstereotypen via publieke debatten kunnen worden ontkracht, en vrouwen niet het doelwit zijn van seksisme, haatzaaiende uitlatingen en online lastercampagnes.

1.11.

Het EESC wijst er nogmaals op dat de partners uit de Westelijke Balkan het genderperspectief zouden moeten mainstreamen in alle relevante programma’s die door het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) worden gefinancierd, met name in beleidsgebied 3, dat werkgelegenheid, sociaal beleid, onderwijs, bevordering van gendergelijkheid en de ontwikkeling van menselijk potentieel omvat. Er moeten thematische fondsen komen voor de bestrijding van huiselijk geweld en ondersteuning van maatschappelijk en media-activisme van vrouwen.

1.12.

Een duidelijke en duurzame inzet voor gendergelijkheid als basiswaarde van de EU moet worden verzekerd. Het EESC moedigt de Commissie aan om in haar benchmarkingsysteem voor de toetredingsonderhandelingen kritische gendergelijkheidsindicatoren op te nemen, die moeten worden ontwikkeld en gecontroleerd in nauwe samenwerking met sociale en civiele partners die zich inzetten voor de empowerment van vrouwen in de regio en in de hele EU. In het kader van de toetredingsonderhandelingen moet de systematische toepassing van een genderperspectief worden beschouwd als een horizontale benchmark voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid en kwaliteit van het wetgevingsproces.

1.13.

Het EESC zou graag zien dat toekomstige inspanningen in de Westelijke Balkan er niet alleen op gericht zijn om de wetgeving op het gebied van de mensenrechten van vrouwen in overeenstemming te brengen met het EU-acquis en de relevante internationale mechanismen en instrumenten, maar ook en vooral ernaar zullen streven om de kloof tussen de bestaande wetgeving en de correcte toepassing ervan te dichten. De regeringen van de Westelijke Balkanlanden moeten worden aangemoedigd en ondersteund bij de ontwikkeling van levensvatbare publieke financieringsmechanismen die gericht zijn op de bescherming van vrouwen tegen geweld, discriminatie en economische uitbuiting.

1.14.

Het EESC roept de lidstaten en de partners van de Westelijke Balkan die het Verdrag van Istanbul nog niet hebben geratificeerd, op om hier dringend werk van te maken, aangezien dit het meest omvattende beleidskader vormt voor de preventie van huiselijk geweld, de bescherming van slachtoffers en de vervolging van daders. Het roept tevens kerken en andere religieuze instellingen en maatschappelijke organisaties van alle geloofsovertuigingen op om de rechten van vrouwen niet te schenden en zich niet te mengen in hun reproductieve rechten, wat een cruciale voorwaarde is voor de sociale en economische emancipatie en empowerment van vrouwen.

1.15.

Het EESC wijst er nogmaals op dat het belangrijk is om genderbewuste budgettering te koppelen aan algemene maatregelen voor gendergelijkheid. Het dringt erop aan dat in alle beleidsmaatregelen en programma’s een genderperspectief wordt opgenomen door de middelen meer in overeenstemming met de genderspecifieke behoeften toe te wijzen. In het licht hiervan en met het oog op het volgende MFK zou de EU van meer samenhang moeten getuigen bij de aanpak van gendermainstreaming in de Westelijke Balkan en zou zij moeten aandringen op genderbewuste budgettering en het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens om ervoor te zorgen dat op duurzame wijze rekening wordt gehouden met gelijkheid en respect voor de rechten van vrouwen. Met het oog daarop worden de partners van de Westelijke Balkan en de Commissie aangemoedigd om het beleidsoverleg met vrouwenrechtenactivisten en deskundigen op het gebied van gendergelijkheid te intensiveren op verschillende beleidsterreinen die verband houden met de uitbreiding.

1.16.

Het EESC benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan vrouwelijk ondernemerschap, gezien het potentieel ervan om de groeivooruitzichten van de regio aanzienlijk te verbeteren, en verzoekt de EU-instellingen in dit verband een rol te spelen. Maatregelen ter ondersteuning van de oprichting van nieuwe bedrijven zijn onder meer gericht op het waarborgen van de toegang tot financiële en institutionele middelen, het aanbieden van een optimale infrastructuur voor startende ondernemingen, het verstrekken van relevante informatie over de oprichting van een onderneming, het stimuleren van de belangstelling voor vrouwelijk ondernemerschap via mediacampagnes en het verstrekken van leningen voor start-ups en uitbreidingsprojecten. Vrouwelijke ondernemers en hun bedrijfsorganisaties moeten systematisch worden betrokken bij alle beleidsontwikkelingsprocessen die relevant zijn voor de sociale en economische dimensie van de uitbreiding.

2.   Achtergrond

2.1.

Gelijkheid tussen vrouwen en mannen is een grondrecht en een door de EU erkende gemeenschappelijke waarde. Gendergelijkheid is vastgelegd in de EU-Verdragen en internationale mensenrechtenverdragen en maakt deel uit van de toetredingsvoorwaarden waaraan (potentiële) kandidaten uit de Westelijke Balkan (Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo (1), Montenegro en Servië) moeten voldoen. Investeren in gendergelijkheid is essentieel: het is niet alleen een vereiste van de EU, maar het is ook een belangrijke indicator van een democratische samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft.

2.2.

Als onderdeel van hun voorbereiding op de toetreding tot de EU hebben de landen van de Westelijke Balkan de afgelopen jaren maatregelen genomen om de rechten van vrouwen te bevorderen. Zij hebben o.a. desbetreffende wetgeving aangenomen of gewijzigd (bijv. anti-discriminatiewetgeving, strafrecht en arbeidsrecht), nationale strategieën en actieplannen opgesteld en institutionele mechanismen in het leven geroepen voor de uitvoering en follow-up van het beleid op dit gebied. Toch is de bevordering van gendergelijkheid vaak slechts oppervlakkig en getuigen de maatregelen die in dit verband worden genomen, van een gebrek aan echte politieke inzet, bevoegdheden en financiële middelen, met als gevolg een zwakke en sporadische uitvoering.

2.3.

Helaas heeft ook de top van de Westelijke Balkan in juli 2018 in Londen een kans gemist om vooruitgang te boeken op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid in de regio. Het voorstel voor coherente actie, dat tijdens de voorbereidingen van de topconferentie in overweging is genomen, moet daarom snel politieke steun vinden en zo spoedig mogelijk duurzaam ten uitvoer worden gelegd.

2.4.

Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen blijft een probleem in de Westelijke Balkan vanwege de zeer patriarchale structuren die kenmerkend zijn voor de regio en zich uiten in gendergerelateerd geweld, discriminatie en uitbuiting, langdurige dubbele belasting van vrouwen uit hoofde van hun werk en gezinsverantwoordelijkheden, talrijke belemmeringen voor hun opwaartse mobiliteit en gelijke beloning, en onvoldoende toegang tot sociale en reproductieve gezondheidsdiensten en financiële instrumenten. De politieke vertegenwoordiging van vrouwen is op een aantal punten verbeterd, met weinig duurzame gevolgen evenwel voor een eerlijke herverdeling van de politieke macht tussen vrouwen en mannen. Het belangrijkste probleem ligt in de zwakke tenuitvoerlegging van progressief beleid, te wijten aan het gebrek aan echt politiek engagement, financiering en expertise.

2.5.

Het waarborgen van gelijkheid van vrouwen en mannen blijft in de regio „een zaak van lange adem” (2). Met dit advies vestigt het EESC de aandacht op de inspanningen van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld van de EU om de gelijkheid van mannen en vrouwen in het kader van het EU-uitbreidingsbeleid te bevorderen en ze als een horizontale indicator voor alle gebieden van de samenleving te hanteren. In het advies wordt ook ingegaan op enkele van de belangrijkste uitdagingen waarmee vrouwen in de Westelijke Balkan worden geconfronteerd, zoals hun zwakkere rol op sociaal, economisch en politiek gebied en wijdverbreid gendergerelateerd geweld.

3.   Genderspecifiek geweld

3.1.

Genderspecifiek geweld, d.w.z. seksueel, reproductief en huiselijk geweld, blijft een veel voorkomend probleem in de regio. Hoewel dus lang niet altijd aangifte wordt gedaan van huiselijk geweld, is het aantal aangiften nog altijd hoog. Uit de gegevens blijkt dat in Albanië 56 % van de vrouwen wordt blootgesteld aan ten minste één vorm van huiselijk geweld; in Kosovo was bijna 70 % van de vrouwen ooit het slachtoffer van huiselijk geweld, terwijl in Servië in 2017 ten minste 26 gevallen van vrouwenmoord werden geregistreerd en in de meeste van deze gevallen de dader de partner van het slachtoffer was (3). Uit een onderzoek van de diensten m.b.t. huiselijk geweld in de landen van de regio is gebleken dat deze diensten ondergefinancierd, onderbezet en overbelast (4) waren en dat de meldingsmechanismen over het algemeen zeer zwak waren.

3.2.

Elk partnerland op de Westelijke Balkan heeft een nationale strategie voor de bestrijding van huiselijk geweld (5). Vrouwen melden meestal geen incidenten omdat dit volgens de normen niet aanvaardbaar is, wegens wantrouwen in veiligheidsautoriteiten en justitie, en wegens het uitblijven van institutionele respons, zelfs bij gemelde gevallen. Het ontbreken van financieel duurzame steunnetwerken, safehuizen en instellingen voor slachtoffers die de moed hebben om geweld te melden, maakt dat de meest kwetsbare vrouwen verder in het slachtofferschap worden geduwd. Voorts zijn er een aantal tekortkomingen in het verzamelen van vergelijkbare gegevens in de regio die moeten worden aangepakt. Doel is te komen tot een goed doordacht, gefinancierd en gecontroleerd beleid dat voorkomt, beschermt en vervolgt. Dit vereist een goede opleiding van alle actoren die bij het proces betrokken zijn, adequate bewustmaking en een mentaliteitsverandering in de samenleving. Het EESC is van mening dat preventie, net als elders, van primair belang is en minder kost dan interventies in een later stadium.

3.3.

Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) moet in de hele Westelijke Balkan volledig ten uitvoer worden gelegd. De meerderheid van de partners uit de Westelijke Balkan hebben dit verdrag ondertekend en geratificeerd en moeten hun inspanningen intensiveren wat betreft de toewijzing van passende openbare financiering, beleidscoördinatie en de uitvoering van praktische maatregelen om elke vorm van geweldpleging tegen vrouwen tegen te gaan. Daarnaast wordt de Commissie verzocht om in het kader van de pretoetredingsfinanciering, zowel voor het maatschappelijk middenveld als voor activiteiten op het gebied van institutionele capaciteitsopbouw, prioriteit te geven aan de kwestie van huiselijk geweld. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om de regionale samenwerking op het gebied van uitwisseling van goede praktijken m.b.t. huiselijk geweld aan te moedigen, zonder rekening te houden met het onderscheid tussen EU-lidstaten en uitbreidingslanden. In het kader van de uitbreiding is het van belang dat de lidstaten van de EU in dit verband een positief model hanteren.

Meer betrokkenheid en coördinatie tussen alle actoren uit de publieke en particuliere sector en een grotere betrokkenheid van ngo’s, aangezien samenwerking tussen overheidsdiensten en ngo’s van fundamenteel belang is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van wetgeving en beleidsmaatregelen ter bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen.

3.4.

Gezinnen en scholen hebben een cruciale rol te spelen. De opvoeding van kinderen en het onderwijs moeten genderbewust zijn en gericht op de uitbanning van gendergerelateerd geweld tegen met name meisjes en jonge vrouwen. Het opzetten van een kader, aan de hand waarvan op scholen duidelijk beleid wordt ingevoerd om gendergerelateerd geweld aan te pakken, zou helpen om dit verschijnsel terug te dringen en een klimaat te scheppen dat meer gericht is op ondersteuning van slachtoffers en het verbeteren van de gendergelijkheid als een grondbeginsel waarop de samenleving is gestoeld.

4.   Mensenrechten

4.1.

De mensenrechten van vrouwen worden in de Westelijke Balkan systematisch geschonden door nationalistische en kerkelijke actoren die zich vaak beroepen op religieuze dogma’s en nationale belangen, zoals traditionele patriarchale gezinswaarden en demografische vernieuwing, als morele rechtvaardiging om vrouwen vrijheden, gelijkheid en veiligheid te ontzeggen. Ondanks de bestaande alomvattende en algemeen beschermende wetgeving op het gebied van de mensenrechten, vertonen de uitvoerings- en handhavingsmechanismen aanzienlijke tekortkomingen. Het EESC dringt aan op efficiëntere samenwerking en gezamenlijke actie tussen nationale mensenrechtenstructuren, sociale partners, maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties om een mensenrechtenagenda te bevorderen en bijzonder kwetsbare personen te helpen.

4.2.

Traditionele genderrollen en dito opvattingen met betrekking tot de vrouwelijke seksualiteit zijn wijd verspreid. De toegang tot kraamzorg is redelijk, maar verder kiezen vrouwen er nog steeds vaak voor om niet naar een arts te gaan. Werkende vrouwen krijgen vaak te maken met discriminatie op het gebied van moederschapsrechten, bijvoorbeeld in de vorm van vragen tijdens sollicitatiegesprekken over hun burgerlijke staat en een eventuele kinderwens, hoewel er wetten zijn ingevoerd om dit te voorkomen. Regelmatige medische controles moeten worden aangemoedigd en bevorderd. Er is behoefte aan intensieve bewustmakingsactiviteiten op het gebied van reproductieve gezondheidszorg.

4.3.

Het EESC is met name bezorgd over het feit dat de reproductieve gezondheid van vrouwen in de landen van de Westelijke Balkan in gevaar wordt gebracht door de toenemende aanvallen van ultraconservatieve belangengroepen, die nauw verbonden zijn met dominante religieuze gemeenschappen. Er moet een nadere analyse worden gemaakt van de gevolgen van fundamentalistische religieuze opvattingen voor de rechten van vrouwen en met name voor hun reproductieve rechten in de regio.

4.4.

De LGBTIQ-gemeenschap verdient bijzondere aandacht, aangezien hun rechten verre van geconsolideerd zijn. Bovendien staat ze onder constante druk van verschillende conservatieve sociale groepen.

5.   Sociale rechten

5.1.

Er zijn nog steeds tekortkomingen in de landen van de regio wat betreft de waarborging van en het toezicht op economische en sociale rechten, met inbegrip van het recht op non-discriminatie. Dit treft alle vrouwen op de arbeidsmarkt, maar vooral vrouwen en meisjes uit kwetsbare groepen, waaronder etnische minderheden (vooral de Roma), binnenlandse ontheemden, mensen met een handicap, migranten en vluchtelingen.

5.2.

Vrouwen uit deze achtergestelde groepen hebben vaak onvoldoende kennis over sociale rechten, toegang tot sociale diensten, onderwijs, gezondheidszorg of huisvesting. De instellingen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor deze gebieden zijn nog niet in staat om deze mensen adequaat te ondersteunen. Het EESC is van mening dat belanghebbenden, zoals centra voor sociaal werk, lokale overheden en niet-gouvernementele organisaties, voor betere voorwaarden moeten zorgen om kwetsbare groepen gelijke sociale rechten te kunnen waarborgen. De kwaliteit en financiële haalbaarheid van de door de EU gesteunde sociale hervormingsprogramma’s moeten dringend worden herzien, bijvoorbeeld via een gezamenlijk memorandum over sociale integratie, diversificatie, democratisering en decentralisatie van de sociale dienstverlening. In het uitbreidingsproces moeten wegen worden verkend voor een tijdige tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten.

5.3.

Een zorgwekkend sociaal verschijnsel is de radicalisering van vrouwen in sommige moslimgemeenschappen en hun betrokkenheid bij gewelddadig extremisme. Van 2012 tot 2016 waren ongeveer 20 % van de ca. 1 000 personen die de Westelijke Balkanregio verlieten voor de conflictgebieden in Syrië en Irak vrouwen (6). Overheden, instellingen en maatschappelijke organisaties doen niet genoeg om de migratie van vrouwen naar het Midden-Oosten publiekelijk te erkennen en te garanderen dat het genderperspectief wordt meegenomen in de huidige inspanningen om gewelddadig extremisme tegen te gaan. De invoering van wetgeving om deelname en materiële steun aan alsook werving voor buitenlandse paramilitaire groepen strafbaar te stellen, moet gepaard gaan met praktische maatregelen ter ondersteuning van de de-radicalisering en rehabilitatie van vrouwen, die in de eerste plaats moeten worden erkend als slachtoffers van extremistische propaganda en werving.

6.   Vrouwen op de arbeidsmarkt

6.1.

De uitsluiting van vrouwen van de arbeidsmarkt is wijdverbreid in de regio en ligt aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde (7). Bijna twee derde van de vrouwen in de werkende leeftijd in de regio is inactief of werkloos. Voor Roma-vrouwen en vrouwen met een handicap liggen deze percentages nog hoger. Uit de statistieken blijkt dat vrouwen minder actief zijn dan mannen en dat er weinig vooruitgang is geboekt bij het dichten van de kloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt.

6.2.

Hiermee worden niet alleen fundamentele mensenrechten geschonden, maar zijn ook hoge economische en sociale kosten gemoeid en wordt de potentiële economische groei in de regio belemmerd. Elk jaar verliezen de landen in de Westelijke Balkan gemiddeld 18 procent van hun totale bbp als gevolg van de genderkloof op de arbeidsmarkt (8). Een derde van dit verlies moet worden toegeschreven aan distorsies in beroepskeuze tussen mannen en vrouwen. De resterende twee derde is te wijten aan kosten in verband met de verschillen in arbeidsparticipatie. De Westelijke-Balkanlanden moeten worden aangemoedigd om optimaal gebruik te maken van beschikbaar maar onbenut menselijk kapitaal, om de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt te ondersteunen en te vergemakkelijken, en om het probleem van het hoge percentage vrouwen in de informele economie aan te pakken.

6.3.

Deze genderkloof vloeit voort uit het bestaan van diepgewortelde normen inzake gezinsrollen en een ontoereikende institutionele respons om deze problemen aan te pakken. Gezinsverantwoordelijkheden vallen meestal op de schouders van vrouwen, en flexibele werkregelingen zijn uiterst beperkt. Dit dwingt vrouwen tot een keuze tussen gezin en carrière. Vrouwen hebben veel minder vaak formeel werk, verdienen minder en bekleden zelden hoge functies. Het is zaak mannen bij de discussie te betrekken en hen aan te moedigen om een groter deel van de gezinsverantwoordelijkheden op zich te nemen.

6.4.

Toegang tot betaalbare kinderopvang en het aanmoedigen van ouderschapsverlof voor vaders zijn absolute voorwaarden voor een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen. Ook zijn specifieke maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat vrouwelijke werkenden beter kunnen inspelen op de arbeidsmarkt; zo zij bijv. gedacht aan door de overheid gefinancierde kinderopvang en kleuteronderwijs. Stereotypen in de opvoeding en attitudes ten aanzien van onderwijs aan jongens versus meisjes, met name in sommige gemeenschappen, alsook stereotypen bij de keuze van typisch „vrouwelijke” of „mannelijke” beroepen dragen o.m. bij aan de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen.

6.5.

De loonkloof tussen mannen en vrouwen in de regio, die ongeveer 20 % bedraagt (9), vormt een hardnekkig probleem en heeft dan ook gevolgen voor de pensioenkloof en de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de pensioengerechtigde leeftijd. Gezien de mogelijke toename van het aantal werkende armen, van wie velen vrouwen zijn, is er duidelijk behoefte aan meer beleidsaandacht en actie vanwege de overheid, werkgevers en sociale partners, die niet alleen moeten optreden door middel van directe maatregelen die verband houden met zowel het minimumloon als het leefbaar loon, progressieve belastingen, arbeidsgebonden voordelen en sociale bijstand, maar ook, en belangrijker nog, door middel van indirecte maatregelen zoals flexibeler arbeidsregelingen, huisvesting, verbetering van vaardigheden en kinderopvang.

6.6.

De economische situatie en het gebrek aan arbeidskansen hebben negatieve gevolgen voor vrouwen, met name jonge vrouwen, en dwingen hen ertoe hun land te verlaten, waardoor de braindrain in de regio nog verergert. Beleidsmaatregelen moeten zo zijn opgezet dat het talent en de vaardigheden van vrouwen in de dynamisch veranderende economische omgeving ten volle worden benut. In dit verband moet worden overwogen pools van vrouwelijke deskundigen te creëren die hun expertise op verschillende gebieden in het licht stellen. Voorts moet de toegang van vrouwen tot levenslang leren worden verbeterd en gewaarborgd.

6.7.

Om de stereotypen in het onderwijs te doorbreken moeten meisjes en vrouwen consequent worden aangemoedigd om actiever te zijn op STEM-gebieden (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde), in beroepsonderwijs en -opleiding en het leerlingwezen.

7.   Empowerment van vrouwen

7.1.   Economische empowerment van vrouwen

7.1.1.

Vrouwelijke ondernemers vormen nog steeds een te weinig aangeboorde bron voor het bedrijfsleven en de arbeidsmarkt, hoewel ze een belangrijke drijvende kracht achter economische groei zijn. Vrouwelijke ondernemers worden met specifieke uitdagingen en belemmeringen geconfronteerd wanneer ze een bedrijf willen starten of laten groeien, zoals een gebrek aan zakelijke en ondernemersvaardigheden of vooroordelen bij banken betreffende de kredietwaardigheid van door vrouwen geleide ondernemingen. Er is geen uniforme definitie van „vrouwelijk ondernemerschap”, wat leidt tot een gebrek aan gegevens over dit belangrijke fenomeen.

7.1.2.

De roep om verandering op dit gebied is ingegeven door duidelijk bewijs dat er in de Westelijke Balkan ruim voldoende hoogopgeleide vrouwen beschikbaar zijn. Het streven naar gendergelijkheid zou dan ook niet op positieve discriminatie, maar op verdiensten en preferenties moeten zijn gestoeld. Toch zijn er nog steeds factoren die vrouwen ervan weerhouden het voortouw te nemen, zoals te weinig maatregelen die helpen om werk en gezin te combineren, beperkte toegang tot netwerken die belangrijk zijn voor hogere functies, gebrek aan zelfvertrouwen enz. (10)

7.1.3.

Verder beveelt het EESC beleidsmakers en bedrijven aan werk te maken van de volgende punten om ervoor te zorgen dat vrouwen op hoog niveau in de Westelijke Balkan actief worden (11):

betere zichtbaarheid van vrouwen in leidinggevende functies;

meer transparantie bij het zoeken naar talent;

het ter discussie stellen van stereotypen over genderrollen;

planning van leiderschapsopvolging;

het creëren van een talentenpool;

het verspreiden van voorbeelden van goede praktijken;

het opzetten van een gecoördineerde databank van gekwalificeerde vrouwen voor bestuursfuncties.

7.1.4.

Opleiding en toegang tot financiering, met inbegrip van microfinanciering, moeten worden aangeboden als een geïntegreerd pakket voor startende en groeiende ondernemingen van vrouwen (12). Het bevorderen van vrouwelijk ondernemerschap in de regio zou leiden tot meer werkgelegenheid en economische baten voor iedereen. Met het oog daarop moet actiever gebruik worden gemaakt van maatregelen zoals starterscentra, mentorprogramma’s, innovatiecentra, technologielaboratoria en andere vormen van steun voor vrouwen in het bedrijfsleven.

7.1.5.

Verenigingen van zakenvrouwen zouden actief moeten deelnemen aan beleidsvormingsprocessen en aan een openbare dialoog met lokale en regionale overheden en partnerorganisaties. Bij recente projecten op dit gebied is geconcludeerd dat het onderwerp meer erkenning krijgt dan in het verleden en dat de ondersteuning van vrouwelijke ondernemers zich heeft ontwikkeld van een project tot een lopend proces. Om verdere wezenlijke vooruitgang te boeken is een mentaliteitsverandering nodig.

7.1.6.

Sociale ondernemingen spelen een belangrijke rol bij het samenbrengen van vrouwelijke ondernemers en moeten in de hele regio worden aangemoedigd om de maatregelen te coördineren en succesvolle toegang tot financiering te vergemakkelijken.

7.1.7.

Ondernemerschap van jongeren is essentieel voor de regio en met het oog op de overstap naar digitalisering is er behoefte aan een nieuw groeimodel, dat gebaseerd moet zijn op innovatie en de ondernemersgeest van de nieuwe millenniumgeneratie. Het model moet onder meer onderwijs op maat van jonge vrouwen en mannen voor een nieuwe wereld van werk omvatten, met veilige financieringsoplossingen.

7.2.   Politieke empowerment van vrouwen

7.2.1.

Alle partners op de Westelijke Balkan hanteren een genderquotum en voeren redelijk krachtig beleid om de vertegenwoordiging van vrouwen te verbeteren. In de meeste van deze partnerlanden vereist het quotumsysteem dat van de kandidaten op de verkiezingslijsten van politieke partijen ten minste 30 % vrouw is, behalve in Bosnië en Herzegovina en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waar het minimum 40 % bedraagt.

7.2.2.

Hoewel de genderquota zich ontwikkelen en voor positieve veranderingen in de regio zorgen, is er geen consistentie in de uitvoering van dit beleid. Als gevolg daarvan is de positie van vrouwen in de politiek en hun deelname aan het besluitvormingsproces niet wezenlijk verbeterd en nog steeds niet duurzaam.

7.2.3.

In de regio is er sprake van hiërarchische marginalisatie doordat een groter aantal mannen dan vrouwen hoge besluitvormingsposities inneemt. Vrouwen bekleden nog altijd geen invloedrijke topfuncties. Vrouwen hebben vaak zitting in politieke organen die zich bezighouden met onderwijs, gezondheidszorg, sociaal beleid en bestuur, wat kan leiden tot horizontale segregatie in bepaalde sectoren. Zij zijn echter veel minder vertegenwoordigd in andere organen die meer beslissingsbevoegdheid en invloed hebben op de beleidsvorming of de wetgeving.

7.2.4.

In de regio zijn er enkele goede voorbeelden van de politieke empowerment van vrouwen. Lokale organisaties zijn erin geslaagd om vrouwen te activeren voor politieke processen, en in Kosovo heeft de ondersteuning van vrouwen in politieke partijen geleid tot de verkiezing van de eerste vrouwelijke burgemeester. In Albanië hebben de partners de leiding genomen van de coalitie van het maatschappelijk middenveld die eerbiediging van de genderquota in het parlement heeft geëist, waardoor de deelname van vrouwen aan de laatste paar verkiezingen is gestegen. Er zijn tal van lopende plannen, mechanismen en ondersteuningsstructuren om de deelname van vrouwen aan de politiek in de regio te vergroten en er zijn aanzienlijke verbeteringen tot stand gebracht. (13)

8.   De rol van sociale partners en maatschappelijke organisaties

8.1.

Sociale partners en organisaties van het maatschappelijk middenveld op de Westelijke Balkan spelen een belangrijke rol om autoriteiten ertoe aan te sporen zich voor gendergelijkheid in te zetten. Het is gebleken dat zij een katalysatorfunctie vervullen bij het tot stand brengen van positieve veranderingen en tolerante en veerkrachtige samenlevingen. Er is een aantal succesvolle initiatieven, projecten en platforms voor vrouwen opgezet, en het EESC geeft uitdrukkelijk zijn steun aan deze positieve voorbeelden.

8.2.

Vrouwenorganisaties spelen in dit opzicht een grote rol als onderdeel van maatschappelijke organisaties en nemen het voortouw bij het voorkomen van geweld tegen vrouwen en bij verzoeningsprocessen op lokaal en regionaal niveau. Zij vervullen een sleutelfunctie bij de monitoring en het ter verantwoording roepen van regeringen voor doeltreffende beleidsuitvoering.

8.3.

Ondanks de formeel ingevoerde mechanismen voor het betrekken van sociale partners en maatschappelijke organisaties bij de overlegprocedures, laten de communicatie en samenwerking met overheden veel te wensen over. De recente veeleer negatieve houding tegenover middenveldorganisaties maakt het voor deze organisaties moeilijk om gedegen kritiek te leveren en maatregelen voor te stellen om de bestaande tekortkomingen efficiënt aan te pakken. Het EESC benadrukt de noodzaak om rechten en empowerment van vrouwen te ondersteunen en ook in het maatschappelijk middenveld hiervoor ruimte te waarborgen.

8.4.

Het uitbreidingsproces en het proces van Berlijn hebben ertoe bijgedragen dat het maatschappelijk middenveld bij regionale initiatieven en beleidsvorming wordt betrokken. Er zijn tekenen van vooruitgang met betrekking tot de status en positie van de sector als geheel; daarbij zijn diverse wijzigingen aangebracht in wetgeving, beleid en begrotingen, rekening houdend met de wensen van de burgers.

8.5.

Het EESC heeft een tweesporenbeleid ontwikkeld, zowel regionaal als bilateraal, voor zijn betrekkingen met organisaties van het maatschappelijk middenveld op de Westelijke Balkan. Het door het EESC in 2004 ingestelde follow-upcomité Westelijke Balkan is het voornaamste instrument voor het coördineren van de EESC-activiteiten in de regio en het volgen van veranderingen in de politieke, economische en sociale situatie in de partnerlanden van de Westelijke Balkan alsook in de betrekkingen tussen de EU en de Westelijke Balkan, onder meer op het gebied van vrouwenrechten. Het forum voor het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan maakt deel uit van de werkzaamheden van het follow-upcomité Westelijke Balkan. Tijdens het zesde forum, dat in juli 2017 in Sarajevo werd gehouden, werden aanbevelingen inzake rechten en de empowerment van vrouwen besproken en aangenomen.

8.6.

In de mededeling van 2018 over de uitbreiding roept de Europese Commissie de nationale autoriteiten op om, ondersteund door hun samenlevingen, verantwoordelijkheid te nemen voor de alom bekende toetredingsvoorwaarden en daarbij resultaten te boeken. Een inclusieve en effectieve gestructureerde dialoog over hervormingsprioriteiten, met een ten volle betrokken maatschappelijk middenveld, zal in hoge mate bepalend zijn voor het succes van de transformatiemaatregelen. De EU moet dan ook méér doen om deze dialoog aan te moedigen en te vergemakkelijken.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Deze benaming laat het standpunt over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(2)  EPRS. Briefing over vrouwen in de Westelijke Balkan, juli 2018.

(3)  Civil Society forum (CSF) of the Western Balkans Summit, Gender Issues in the Western Balkans (Forum van het maatschappelijk middenveld van de Westelijke-Balkantop, Genderkwesties in de Westelijke Balkan), Policy Brief No. 04, april 2018, http://wb-csf.eu/wp-content/uploads/2018/04/CSF-PB-04-Gender-Issues-in-the-Western-Balkans.pdf

(4)  Hughson, 2014, Gender Country Profile of Bosnia and Herzegovina en Brankovic, 2015.Multisectoral Cooperation: An Obligation or Wishful Thinking. UNDP.

(5)  Petricevic, I. 2012. Vrouwenrechten in de Westelijke Balkan in het kader van de EU-integratie.

(6)  Regionale Samenwerkingsraad, A Waiting Game: Assessing and Responding to the Threat from Returning Foreign Fighters in the Western Balkans (Evaluatie van en reactie op de dreiging van terugkerende buitenlandse strijders in de Westelijke Balkan), november 2017, https://www.rcc.int/pubs/54/a-waiting-game-assessing-and-responding-to-the-threat-from-returning-foreign-fighters-in-the-western-balkans

(7)  EPRS. Briefing over vrouwen in de Westelijke Balkan, juli 2018.

(8)  http://blogs.worldbank.org/europeandcentralasia/key-unlocking-economic-potential-western-balkans-women

(9)  Regionaal VN-project voor vrouwen.

(10)  PB C 133 van 9.5.2013, blz. 68.

(11)  PB C 133 van 9.5.2013, blz. 68.

(12)  Europese Commissie, Index van het kmo-beleid, Westelijke Balkan en Turkije 2016, Evaluatie van de tenuitvoerlegging van de Small Business Act voor Europa.

(13)  UNDP, 2016.


10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de hervorming van de WTO met het oog op aanpassing aan de veranderende wereldhandel

(initiatiefadvies)

(2019/C 159/03)

Rapporteur: Emmanuelle BUTAUD-STUBBS

Besluit van de voltallige vergadering

12/7/2018

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling

REX

Goedgekeurd door de afdeling

19/12/2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23/1/2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

174/2/3

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) herhaalt zijn engagement ten aanzien van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) als hoedster van de internationale handel en gremium voor het uitwerken van regels en disciplines voor de waarborging van eerlijke handel, de liberalisering van de handel in goederen en diensten en de transparantie van handelsgerelateerde beleidsvorming.

1.2.

Het EESC is ervan overtuigd dat er niet alleen zo snel mogelijk hervormingen moeten worden doorgevoerd, met name voor het functioneren van de beroepsinstantie van het Orgaan voor geschillenbeslechting (DSB), maar ook dat de WTO-leden zich moeten inzetten voor ambitieuzere en systemische veranderingen op het gebied van arbeidsnormen, de bestrijding van de klimaatverandering en de mondiale SDG’s om de regels van de internationale handel aan de mondiale vraagstukken aan te passen.

1.3.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité wil de Europese Commissie (EC) aanmoedigen om, met de steun van de lidstaten, een ambitieus handelsbeleid van de EU-27 te voeren dat het bedrijfsleven in de EU betere kansen op toegang tot de markt biedt en dat de waarden van de EU op het gebied van mensenrechten en de fundamentele arbeidsnormen, zoals bestrijding van discriminatie, gelijkheid van mannen en vrouwen, vakbondsvrijheden enz. verspreidt via multilaterale, plurilaterale (inclusief de WTO), bilaterale en unilaterale overeenkomsten (SAP, EBA). Het maatschappelijk middenveld in de EU eist vrije maar eerlijke handel.

1.4.

Na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU (29 maart 2019) wordt het VK een onafhankelijk lid van de WTO. Dit betekent dat de EU-27 en het Verenigd Koninkrijk hun bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen veilig moeten stellen. De EU-27 moet ook terdege aandacht besteden aan een belangrijke kwestie als de tariefcontingenten met haar vrijhandelspartners. Het EESC zou graag zien dat het VK de voorstellen van de EU steunt om de WTO te hervormen teneinde de multilaterale handelsregels te moderniseren.

1.5.

Het EESC steunt het voorstel van de Europese Commissie voor een werkbare oplossing om de beroepsinstantie van het Orgaan voor geschillenbeslechting weer op het goede spoor te krijgen, alsook de recente mededelingen van WTO-leden tot wijziging van een aantal bepalingen van het akkoord over de regels en procedures voor de beslechting van geschillen.

1.6.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is als vertegenwoordiger van het Europees maatschappelijk middenveld nauw betrokken bij het toezicht op de vrijhandelsovereenkomsten, de naleving van de verbintenissen die de partijen in de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling zijn aangegaan en de eis om rekening te houden met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) en de strijd tegen klimaatverandering.

1.7.

De proliferatie van handelsbelemmeringen en de toenemende belasting op invoer (van aluminium, staal enz.) door belangrijke spelers in de wereldhandel (VS, China enz.) vormen een reëel gevaar voor de groei van de wereldhandel, die al sinds 2014 vertraagt. Een en ander kan schadelijk zijn voor de mondiale groei, de inspanningen om de ongelijkheid te verminderen, de ontwikkeling van de meest kwetsbare economieën en het creëren van waarde en banen in mondiale waardeketens.

1.8.

Gezien deze risico’s acht het EESC een ambitieuze hervorming van de WTO noodzakelijk. Deze hervorming moet in twee delen gebeuren: een eerste, meer technisch deel over de meest urgente kwesties vóór eind 2019 om te voorkomen dat de Beroepsinstantie van het Orgaan voor Geschillenbeslechting wordt geblokkeerd en om een aantal definities te verduidelijken; en een tweede, meer systemisch deel dat meer tijd in beslag kan nemen en dat de taken en het functioneren van de WTO zal aanpassen aan de belangrijke ontwikkelingen in de wereldhandel.

1.9.

Wat de eerste fase betreft, is steun geboden voor verschillende voorstellen die de Europese Commissie heeft geformuleerd in een conceptnota van september 2018 nadat zij daarvoor tijdens de Europese Raad van 28 en 29 juni door de lidstaten de opdracht had gekregen.

1.10.

Het gaat om de volgende voorstellen: versterking van de rol van het secretariaat, wijziging van de regels inzake de ambtstermijn van de rechters van het DSB, actualisering van de regels inzake subsidies, staatsbedrijven en technologieoverdracht, en uitbreiding van het gebruik van open plurilaterale onderhandelingen.

1.11.

Het EESC acht het ook dringend noodzakelijk dat de WTO in de eerste fase ambitieuzer wordt met betrekking tot de landbouwsector, teneinde te zorgen voor veilig voedsel van goede kwaliteit en een stabiele aanvoer daarvan. De rol van de WTO bij het verminderen van de onzekerheden in de internationale handel is essentieel voor de toekomst van de landbouw in elk land, evenals het vermogen van de WTO om de voedselveiligheid te waarborgen op grond van strenge milieunormen voor de productie en dierenwelzijn.

1.12.

Het EESC acht het essentieel dat het voorzorgsbeginsel, zoals vastgelegd in de EU-verdragen, ook op multilateraal niveau adequaat beschermd wordt en volledig wettelijk erkend wordt om een hoger niveau van bescherming te waarborgen door preventieve besluitvorming in geval van risico voor de volksgezondheid of het milieu. Gezien het belang ervan moet de EU dit bij al haar handelsbesprekingen tot een offensief belang maken.

1.13.

Een andere prioriteit volgens het EESC is het waarborgen van gegevensbescherming in de internationale handel door middel van multilaterale instrumenten die geïnspireerd zijn op de normen en regels die in de EU en in de OESO, de APEC en de VN zijn vastgesteld. Het bestaande multilaterale instrument op het gebied van gegevensbescherming moet verder worden ontwikkeld en meer derde landen moeten worden aangemoedigd om toe te treden. De EU-aanpak van horizontale bepalingen voor grensoverschrijdende gegevensstromen en -bescherming moet als multilaterale norm worden bevorderd.

1.14.

De aanpassing van deze bestaande regels inzake de landbouwsector en gegevensbescherming is noodzakelijk om rekening te houden met de marktkenmerken en handelspraktijken van een aantal WTO-leden.

1.15.

Ook andere mogelijkheden voor ambitieuzere en meer systemische hervormingen die de Europese Commissie in dat stadium nog niet heeft genoemd, verdienen het om in overweging te worden genomen.

1.16.

Het EESC stelt voor om na te denken over de definitie van ontwikkelingslanden in het kader van de WTO-procedures, die gebaseerd kan worden op een reeks criteria, waaronder bijvoorbeeld het marktaandeel in de wereldeconomie en menselijke-ontwikkelingsindexen, afgestemd op reeds bestaande definities van andere internationale organisaties.

1.17.

De door het EESC gesteunde voorstellen hebben voornamelijk betrekking op drie gebieden: arbeidsnormen en fatsoenlijk werk, doelstellingen op het gebied van klimaatverandering en de verwezenlijking van de SDG’s van de VN in 2030.

1.18.

De formulering van fundamentele arbeidsnormen en multilaterale handelsregels is een al ruim 20 jaar bestaand probleem. Volgens het EESC is met de goedkeuring van ambitieuze en alomvattende SDG’s door de VN de tijd aangebroken dat de WTO, als hoedster van de internationale handel, haar rol dient te spelen bij de actieve bevordering van fundamentele arbeidsnormen. Dit kan worden bereikt door erkenning van de SDG’s en de kernverdragen van de IAO in een algemene preambule en volledige toepassing van artikel XX van de GATT, zowel voor milieuaangelegenheden (XX g) als voor sociale zaken (XX e).

1.19.

Afgezien van de mogelijkheden om de huidige regels te actualiseren en nieuwe regels op te stellen die zijn aangepast aan de handel van de 21e eeuw zou echter vooral de complexe, op unanimiteit gebaseerde governancestructuur van de WTO flexibeler en transparanter moeten worden gemaakt om de organisatie doeltreffender te maken.

1.20.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité verzoekt de Europese Commissie dan ook om samen met haar voornaamste partners na te denken over mogelijke ontwikkelingen in de besluitvormingsprocedures van de WTO, de transparantie van haar werkzaamheden en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.

2.   Een belangrijke speler in de internationale handel

2.1.

De WTO is een hoeksteen van het multilateralisme in de handel, waaraan tal van gunstige ontwikkelingen zijn toe te schrijven: het liberaliseringsproces in de wereldhandel, meer transparantie van de handelspolitieke maatregelen door middel van collegiale toetsing, de jurisprudentie van het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB), dat elk lid van de organisatie in staat stelt zijn rechten ten opzichte van een ander WTO-lid te doen gelden mochten de regels worden geschonden, en de — weliswaar trage en moeizame — opstelling van regels en disciplines voor de ontwikkeling van de internationale handel (handelsbevordering, bestrijding van subsidiëring in de visserijsector enz.).

2.2.

Het EESC beschouwt het als een succes dat de WTO een toenemend aantal leden heeft verwelkomd, geopolitieke „reuzen”(China en Rusland) aan boord gehaald met de beginselen van multilateralisme, en de integratie van kwetsbare economieën in de wereldhandel (Liberia, Cambodja enz.) vergemakkelijkt.

2.3.

Sinds haar oprichting in januari 1995 heeft de WTO dus de drievoudige rol gespeeld van hoedster van de handelsregels, motor van de internationalisering van de economieën van de ontwikkelingslanden en facilitator van de totstandbrenging van mondiale waardeketens.

2.4.

Het kader van haar werkzaamheden steunt voornamelijk op de volgende drie pijlers:

2.4.1.   De opstelling van regels en disciplines voor de internationale handel

2.4.1.1.

Deze regels bestrijken momenteel drie belangrijke gebieden: de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten en de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom. Deze drie pijlers worden aangevuld met een systeem voor geschillenbeslechting en een beginsel van transparantie op basis van een onderzoek van het handelsbeleid van de lidstaten. Dit geheel van regels, dat door het DSB wordt gehandhaafd, geeft internationale handelaars rechtszekerheid en voorspelbaarheid, wat essentieel is voor investeringen op lange termijn.

2.4.2.   Het Orgaan voor Geschillenbeslechting

2.4.2.1.

Dit is een van de belangrijkste stappen voorwaarts die de WTO na de GATT heeft gezet. De tijdschema’s en procedureregels die van toepassing zijn op de beslechting van geschillen tussen lidstaten zijn formeel vastgelegd en strikt aan termijnen gebonden, hetgeen ertoe heeft geleid dat sinds 1995 ruim 500 geschillen bij het DSB aanhangig zijn gemaakt en meer dan 350 uitspraken zijn gedaan.

2.4.2.2.

Ook al heerst er enige bezorgdheid over de uitvoering ervan, het DSB heeft een aantal belangrijke uitspraken gedaan over subsidies: voor vliegtuigen (EU/VS), buitenlandse-verkoopbedrijven (EU/VS), subsidies voor katoen (Brazilië/VS) enz. Het aantal aanhangigmakingen is de laatste tijd gestegen door de toename van het aantal handelspolitieke maatregelen m.b.t. aanvullende of protectionistische douanerechten (VS/China), gedwongen overdracht van technologie en niet-naleving van intellectuele-eigendomsrechten.

2.4.3.   De handelsliberaliseringsrondes

2.4.3.1.

De Uruguay-ronde (1986-1994) is de laatste ronde van multilaterale onderhandelingen die heeft geleid tot een ambitieus programma ter verlaging van de industriële douanerechten, afschaffing van niet-tarifaire maatregelen, met inbegrip van textiel- en kledingcontingenten, alsmede strengere regels en de vaststelling van nieuwe procedureregels voor geschillenbeslechting.

3.   De huidige tekortkomingen van de WTO

3.1.    De aanhoudende crisis in de Beroepsinstantie van het DSB

3.1.1.

De Beroepsinstantie, de hoeksteen van de gerechtelijke functie van de WTO, dreigt momenteel volledig geblokkeerd te raken: in december 2019 zullen er minder dan drie permanente rechters in deze instantie zetelen als de Verenigde Staten blijven weigeren nieuwe rechters te benoemen. Daar er minimaal drie rechters nodig zijn, zal de Beroepsinstantie door deze blokkering geen besluiten meer kunnen nemen, en dit in een tijd waarin het aantal geschillen toeneemt door de stijgende protectionistische druk.

3.1.2.

Het Office of the United States Trade Representative (Bureau van de Handelsvertegenwoordiger van de VS) heeft meerdere malen kritiek geuit op het huidige functioneren van het DSB, met name m.b.t. functioneren buiten de kerntaak om de WTO-leden bij te staan bij het oplossen van handelsgeschillen, het niet in acht nemen van de termijn van 90 dagen, uitspraken over zaken die geen verband houden met het onderwerp van het geschil en het feit dat er een nieuw evenwicht moet worden gevonden tussen de rechten en plichten van de Beroepsinstantie.

3.1.3.

Dit is paradoxaal, daar de VS deel uitmaken van de kleine kring van leden die, naast de EU, Canada, Brazilië en India, het meest gebruikmaken van het DSB.

3.2.    Het onvermogen om nieuwe multilaterale regels of overeenkomsten op te stellen

3.2.1.

Het EESC stelt vast dat de WTO te kampen had met een aantal tegenslagen (zoals het stilvallen van de in 2001 gestarte Doha-ronde, het uitblijven van maatregelen tegen oneerlijke praktijken in verschillende lidstaten en het uitblijven van een ministeriële verklaring na de ministeriële conferentie in Buenos Aires in december 2017, hoewel er enige vooruitgang is geboekt, met name de inwerkingtreding van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie in 2013). Dit heeft verschillende handelspartners (EU, VS, Japan, Canada, China enz.) en ngo’s ertoe aangezet substantiële hervormingen voor te stellen, zowel wat taken als werkmethoden van de WTO betreft.

3.2.2.

In feite weerspiegelen deze mislukkingen de moeilijkheden die de WTO ondervindt om haar werkingsregels aan te passen aan de nieuwe stand van zaken in de internationale handel: het toenemende aantal protectionistische maatregelen, de complexiteit van de wereldhandel, de druk van de publieke opinie op handelsbeleidsmakers vanwege de sociale en milieueffecten van de handel, de bestaande weerstand tegen sommige negatieve gevolgen van de globalisering, de te trage en geografisch beperkte openstelling van overheidsopdrachten en het ontstaan van overcapaciteit in bepaalde industriële sectoren als gevolg van massale subsidies.

3.2.3.

De moeilijkheden om een aantal WTO-leden volledig op te nemen in het multilaterale, op regels gebaseerde handelsstelsel: gezien hun economisch gewicht, de rol van de staat en diverse overheidsorganen bij bedrijfsbeslissingen, heeft het DSB de afgelopen 15 jaar tal van klachten en aanhangigmakingen van verschillende WTO-leden (de Verenigde Staten, de Europese Unie, Japan, Canada enz.) ontvangen m.b.t. inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, gedwongen overdracht van technologieën, beperkte toegang tot investeringen voor buitenlandse ondernemingen in bepaalde sectoren, uitvoercontroles, massale overheidssubsidies in bepaalde industriële sectoren enz.

3.3.    Een algemeen gebrek aan evenwicht van rechten en plichten tussen ontwikkelde landen en grote opkomende economieën

3.3.1.

Sinds haar oprichting heeft de WTO voortdurend nieuwe leden verwelkomd, 36 in totaal, met zowel belangrijke landen die nu lid zijn van de „multilaterale klasse”als kwetsbare ontwikkelingslanden die in de internationale handel willen integreren.

3.3.2.

Opgemerkt zij dat er geen WTO-definities van ontwikkelde en ontwikkelingslanden bestaan, met uitzondering van de minst ontwikkelde landen (MOL), zoals door de VN omschreven: elk land dat het toetredingsproces met succes afrondt, verklaart tot welke categorie het behoort, en dit kan ter discussie worden gesteld. Deze situatie, gebaseerd op zelfverklaring, leidt tot problemen omdat een aantal grote opkomende economieën, die zichzelf tot „ontwikkelingslanden”hebben verklaard, op grond hiervan ontheffingen krijgen, hoewel hun economische prestaties en succesvolle integratie in de internationale handel lijken te suggereren dat zij eerder in de categorie „geïndustrialiseerde landen”moeten worden opgenomen. Het EESC stelt daarom voor om na te denken over de definitie van ontwikkelingslanden in het kader van de WTO-procedures, die gebaseerd kan worden op een reeks criteria, zoals het marktaandeel in de wereldeconomie, en, zoals het Europees Parlement voorstelt, menselijke-ontwikkelingsindexen (1), afgestemd op reeds bestaande definities van andere internationale organisaties.

3.3.3.

Zoals de Europese Commissie in haar mededeling (2) uit 2015 heeft gesteld: „Er heeft een grote verschuiving plaatsgevonden in de economische macht van de belangrijkste handelspartners, maar deze komt nog niet volledig tot uiting in het WTO-stelsel. Als gevolg hiervan is er een toenemende wanverhouding tussen de bijdrage van de grote opkomende landen aan het multilaterale handelsstelsel en de voordelen die dit stelsel hun brengt.”(blz. 30).

3.3.4.

Ondanks de algemene tariefpreferenties van de geïndustrialiseerde landen hebben de minst ontwikkelde landen (MOL’s) tussen 2005 en 2015 echter geen grote sprong voorwaarts gemaakt in de internationale handel: hun aandeel is gestegen van 0,8 % tot 1 % (3). Het EESC erkent dat uit deze stagnatie blijkt dat deze MOL’s dezelfde quota- en belastingvrije markttoegang moeten krijgen, niet alleen van geïndustrialiseerde landen, maar ook van de grote opkomende economieën.

4.   De onderdelen van een dringende hervorming om de huidige crisis te boven te komen

4.1.    Een snelle oplossing om het DSB weer op het goede spoor te krijgen

4.1.1.

Het EESC steunt de voorstellen van de Europese Commissie en het Europees Parlement om de ambtstermijn van de rechters die momenteel in functie zijn, te verlengen tot meer dan drie jaar, om in de toekomst te voorzien in de aanwerving van voltijdse, onafhankelijke beroepsrechters, om het aantal rechters in de Beroepsinstantie uit te breiden van zeven tot negen.

4.1.2.

Het EESC staat achter de twee mededelingen die diverse WTO-leden hebben verspreid, in het licht van de Algemene Raad van 12-13 december 2018, waarin wijzigingen worden voorgesteld van een aantal bepalingen met betrekking tot de interpretatie van regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen: mogelijke uitzondering voor de periode van 90 dagen; uitsluiting van specifieke gemeentelijke wettelijke maatregelen door de partij, uitbreiding van 7 naar 9 leden van de Beroepsinstantie en verlenging van hun ambtstermijn.

4.2.    Frequenter gebruik van open plurilaterale onderhandelingen

4.2.1.

Er is een groot aantal bilaterale en regionale overeenkomsten gesloten (4), een direct gevolg van het ontbreken van multilaterale dynamiek sinds 2001. Het EESC beveelt aan dat plurilaterale overeenkomsten in het kader van de WTO worden gesloten en in ieder geval opener en transparanter worden. In vergelijking met multilaterale onderhandelingen bieden plurilaterale onderhandelingen een aantal voordelen:

zij zijn gebaseerd op een kritische massa van landen die bereid zijn maatregelen te nemen;

zij brengen kortere onderhandelingen met zich mee;

er bestaat geen gevaar van misbruik van het unanimiteitsbeginsel, aangezien één land of een groep minder relevante landen een overeenkomst niet kan blokkeren;

hun reikwijdte is vaak beperkt, wat betekent dat zij het effect van de verbintenissen van de partners kunnen concentreren en investeringen, handel en het scheppen van werkgelegenheid kunnen bevorderen.

4.2.2.

Deze oplossing is al gebruikt en heeft positieve resultaten opgeleverd, maar moet nog verder worden onderzocht (ITA I en II, Overeenkomst inzake overheidsopdrachten).

4.2.3.

Er kan systematischer gebruik worden gemaakt van open, inclusieve en transparante plurilaterale overeenkomsten, terwijl er moet worden voorzien in integratiemechanismen die niet-ondertekenende landen in staat stellen, onder bepaalde voorwaarden ten aanzien van verplichtingen en uitvoering, te profiteren van de voordelen van de overeenkomst.

4.2.4.

Momenteel wordt er onderhandeld over een aantal onderwerpen zoals elektronische handel, investeringsbevordering en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s), liberalisering van milieugoederen en -diensten, en handel in diensten, met het oog op het sluiten van open plurilaterale overeenkomsten.

4.2.5.

De WTO-leden hebben belangrijke stappen gezet om het perspectief van de mkmo’s centraal te stellen in de besprekingen, bijvoorbeeld via het gezamenlijke open initiatief ter ondersteuning van mkmo’s, dat in 2017 in Buenos Aires van start ging. De nadruk ligt op handelsfinanciering en de multilaterale ontwikkelingsbanken hebben hierop gereageerd via hun programma’s voor handelsfinanciering. Door het stroomlijnen, vereenvoudigen en standaardiseren van de douaneprocedures zal de overeenkomst inzake handelsfacilitering bijdragen tot minder handelskosten en geringere administratieve lasten voor de mkmo’s. Het EESC stelt een alomvattende, inclusieve, coherente en doeltreffende multilaterale aanpak voor die rekening houdt met de behoeften van alle verschillende subgroepen en belangen van kmo’s.

4.3.    Actualisering van enkele van de bestaande regels

4.3.1.   De overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen

4.3.1.1.

Gezien de grote programma’s van directe en indirecte subsidies aan de industrie in bepaalde landen („Made in China 2025”bijvoorbeeld) steunt het Comité de voorstellen van de Europese Commissie in haar conceptnota van september 2018 die met de VS, Japan en Canada worden besproken: de invoering van een vermoeden dat alle niet-aangemelde subsidies de markt verstoren, de aanmeldingsprocedure verbeteren en nieuwe categorieën subsidies toevoegen, zoals die aan een insolvente of noodlijdende onderneming zonder geloofwaardig herstructureringsplan. Er moet ook meer aandacht uitgaan naar de kwestie van dubbele prijsstelling, die door sommige lidstaten, zoals Rusland, wordt gebruikt om met name in energie-intensieve industrieën een concurrentievoordeel te behalen.

4.3.1.2.

Er moet een degelijker systeem komen voor het toezicht op kennisgevingen, met inbegrip van sancties, in het licht van de neerwaartse trend in het aantal WTO-leden dat hun subsidies aangeeft, waarbij het percentage is gedaald van 50 % in 1995 (128 lidstaten) tot 38 % nu (164 lidstaten) (5).

4.3.2.   Gedwongen overdrachten van technologie

4.3.2.1.

Het EESC steunt de voorstellen van de Europese Commissie om nieuwe mechanismen in te voeren voor de controle op de verschillende vormen van gedwongen technologieoverdracht (beperkingen op joint ventures, beperkingen op aandelenfinanciering door buitenlandse ondernemingen, verlening van licenties op basis van ondoorzichtige criteria, verlening van licenties met beperkingen) en een betere bescherming van bedrijfsgeheimen. Deze nieuwe mechanismen zouden alleen betrekking moeten hebben op gedwongen technologieoverdracht en niet op technologieoverdracht in het algemeen, die een positief effect heeft in ontwikkelingslanden.

4.3.3.   Staatsbedrijven

4.3.3.1.

De definitie en de regels in verband met staatsbedrijven moeten worden geactualiseerd en verduidelijkt om alle ondernemingen te bestrijken die direct of indirect aan de staat of aan overheidsorganen gerelateerd zijn.

4.3.4.   De discussie over nieuwe regels op het gebied van speciale en gedifferentieerde behandeling (SDT)

4.3.4.1.

De Europese Commissie heeft in haar conceptnota van september 2018 een aantal interessante opties voorgesteld (graduatie en opt-out, objectieve criteria voor de toekenning van SDT aan ontwikkelingslanden, onderzoek per geval van verzoeken om nieuwe flexibiliteit in het kader van SDT), die het EESC steunt.

4.3.5.   Investeringen

4.3.5.1.

Tijdens de ministeriële conferentie in Buenos Aires hebben 45 WTO-leden een gezamenlijke verklaring ondertekend over het vergemakkelijken van investeringen in de handel, waarin wordt gepleit voor het openen van besprekingen over de totstandbrenging van een multilateraal kader voor transparantie en voorspelbaarheid. Het EESC merkt op dat buitenlandse investeringen weliswaar nuttig zijn, maar ook risico’s met zich mee kunnen brengen, en verwijst naar zijn advies waarin het een aantal maatregelen aanbeveelt om mogelijke negatieve gevolgen aan te pakken (6).

4.3.5.2.

Meer transparantie op het gebied van buitenlandse directe investeringen (BDI) is geboden, aangezien sommige enorme stromen naar ontwikkelingslanden ondoorzichtig lijken. In het kader van de oprichting van een Multilateraal Investeringsgerecht (MIC) verwijst het EESC naar zijn advies waarin het een aantal fundamentele vragen behandelt die in aanmerking moeten worden genomen (7).

4.3.6.   Overheidsopdrachten

4.3.6.1.

Op drie gebieden moet vooruitgang worden geboekt:

transparantie: sancties moeten worden opgelegd indien niet aan de rapportageverplichtingen wordt voldaan;

reikwijdte: het aantal landen die de overeenkomst inzake overheidsopdrachten hebben ondertekend en de procedures voor overheidsopdrachten die onder deze overeenkomst vallen, moeten worden uitgebreid. Landen zoals China, Rusland en India aansporen om te ondertekenen is een prioriteit en hun toezeggingen moeten nationale en provinciale niveaus omvatten, evenals ondernemingen met banden met de staat;

behoud van de bevoegdheid voor de aanbestedende diensten om bij aanbestedingen gebruik te maken van milieu-, sociale en arbeidsgerelateerde criteria, zoals de verplichting om collectieve overeenkomsten na te leven (8).

4.3.7.   Elektronische handel

4.3.7.1.

Tijdens de ministeriële conferentie van de WTO in december 2017 in Buenos Aires hebben 71 lidstaten, die 77 % van de e-handel vertegenwoordigen, het idee van een plurilateraal initiatief gesteund om het regelgevingskader te stabiliseren en om vaardigheden en expertise in de meest kwetsbare economieën te mobiliseren. De groep op hoog niveau inzake e-handel in 2030 heeft vervolgens op 4 oktober 2018 verslag uitgebracht aan het openbare forum van de WTO.

4.3.7.2.

Volgens het Europees Economisch en Sociaal Comité moeten de GATS-bijlage betreffende telecommunicatie en het referentiedocument als uitgangspunt worden gebruikt om te komen tot een reeks uniforme en ambitieuze regels voor de e-handel die zijn afgestemd op de vele uitdagingen die voor ons liggen. Deze omvatten: de handhaving van het beginsel van niet-discriminatie tussen binnen- en buitenlandse exploitanten door de barrières voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende stromen op te heffen, bijv. het vereiste dat servers lokaal worden gevestigd, maar met de belangrijke noodzaak om een uitzondering van algemeen belang (veiligheid, openbare orde...) in te voeren, alsook het garanderen van de toegang tot het digitale handelsplatform tegen dezelfde voorwaarden voor nationale en buitenlandse bedrijven; waarborging van de integriteit van de gegevens; waarborging van de rechtszekerheid voor exploitanten met betrekking tot hun investeringen; en bevordering van investeringen in de telecommunicatie-infrastructuur om de digitale kloof te dichten.

4.3.7.3.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité wijst er echter op dat elk initiatief inzake elektronische handel volledig dient te stroken met de onderstaande aanbevelingen inzake gegevensbescherming in de internationale handel en met de horizontale bepalingen inzake grensoverschrijdende gegevensstromen (in handels- en investeringsovereenkomsten van de EU).

4.4.    Gegevensbescherming in de internationale handel

4.4.1.

Het EESC meent dat, gezien de snelle technologische vooruitgang en de voortdurende expansie van ICT-infrastructuur, nauwlettend toezicht en controle door de overheid geboden is. Hoewel adequaatheidsbesluiten om de vier jaar worden geëvalueerd (zie artikel 45, lid 3, van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (9) (algemene verordening gegevensbescherming) pleit het EESC voor voortdurend contact tussen de Commissie, de gegevensbeschermingsautoriteiten en overheidsinstanties uit het derde land om na te gaan welke nieuwe uitdagingen zich in deze zeer dynamische technologische en economische omgeving voordoen (10).

4.4.2.

Volgens het EESC moet de Europese Commissie van de bevordering van de normen voor gegevensbescherming via multilaterale instrumenten een prioriteit maken; dit voornemen zou ondersteund moeten worden met middelen om a priori een echte bescherming van de mensenrechten te bereiken en a posteriori een doeltreffend rechtsmiddel voor vooroordelen (11). Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa van 1981 en het aanvullend protocol van 1999 zijn het enige bindende multilaterale instrument op het gebied van gegevensbescherming. Dit instrument moet verder worden ontwikkeld en meer derde landen moeten worden aangemoedigd om zich hierbij aan te sluiten.

4.4.3.

Binnen de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), de G20 en de APEC (economische samenwerking Azië-Stille Oceaan) moet meer worden gedaan om tot een daadwerkelijk wereldwijd multilateraal systeem voor gegevensbescherming te komen. Met de speciale rapporteur van de VN moet voor het recht op privacy degelijk en functioneel worden samengewerkt.

4.4.4.

Het EESC hoopt dat de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Amerikaanse regering en het Congres de voorstellen zullen steunen in de resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 betreffende de gepastheid van de bescherming die het „EU-VS privacyschild”biedt. Het Europees Parlement spreekt in zijn resolutie ernstige bezorgdheid uit, met name over het feit dat de overeenkomst en het huidige Amerikaanse rechtskader in de praktijk de rechten van EU-burgers niet beschermen (12).

4.4.5.

Het EESC eist dat alle toekomstige multilaterale initiatieven op het gebied van gegevensstromen volledig stroken met de horizontale EU-bepalingen inzake grensoverschrijdende gegevensstromen en gegevensbescherming in de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU, en met name met artikel B, lid 2 (13).

4.5.    Landbouw in handelsbesprekingen

4.5.1.

Met een gecombineerde in- en uitvoer van 242 miljard euro in 2015 is de EU de grootste handelaar in agrovoedingsproducten ter wereld, die producenten en consumenten binnen en buiten de EU ten goede komen (14). Volgens het EESC moet de EU rekening houden met de gevolgen van recente EU-handelsovereenkomsten voor de landbouw in de hele EU en met de ontwikkelingen in de handel wereldwijd (15). De rol van de WTO bij het terugdringen van onzekerheid in de internationale handel zal cruciaal zijn voor de toekomst van de landbouw.

4.5.2.

Een sterke en levensvatbare landbouwsector in elk land dat WTO-lid is, is een conditio sine qua non voor de instandhouding of verbetering van een stabiele, veilige en zekere voedselvoorziening. Handel helpt vanzelfsprekend om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, een efficiënt gebruik van hulpbronnen te bevorderen, de marktkansen te vergroten en de economische groei te versnellen, en zorgt zo voor meer banen, inkomsten en welvaart in plattelandsgebieden (16).

4.5.3.

De SPS-overeenkomst van de WTO uit 1995 heeft betrekking op de toepassing van regelgeving betreffende voedselveiligheid en de gezondheid van planten en dieren. In artikel 5.7 van deze overeenkomst is het voorzorgsbeginsel vastgelegd, dat nu ook is opgenomen in het Verdrag van Lissabon. Pogingen om hierin verandering te brengen buiten het multilaterale niveau om, zouden een serieuze bedreiging vormen voor de wereldhandelsorde en de toekomstige geloofwaardigheid van de overeenkomst zelf (17). Het EESC acht het voorzorgsbeginsel, zoals vastgelegd in de EU-verdragen, echter van vitaal belang en dringt aan op een adequate bescherming en volledige wettelijke erkenning ervan op multilateraal niveau, op strikte voedselveiligheidsnormen en strikte dierenwelzijns- en milieunormen in de landbouwproductie. Het EESC stelt bezorgd vast dat de EU er niet in geslaagd is om haar voorzorgsmaatregelen in het kader van de huidige regels in twee WTO-geschillen te verdedigen. Gezien het belang ervan moet de EU het voorzorgsbeginsel bij al haar handelsbesprekingen tot een offensief belang maken.

4.5.4.

De ervaring in Nairobi — waar tegen alle verwachtingen in toch een belangrijke ministersverklaring werd goedgekeurd — toont aan dat de EU alle troeven in handen heeft om ook bij de volgende onderhandelingen over de handel in landbouwproducten een leidersrol op zich te nemen. De EU heeft immers in het verleden al het voortouw genomen bij het promoten van duurzaamheid en ontwikkeling (zoals in Nairobi), en na de eerdere GLB-hervormingen wordt er niet langer van uitgegaan dat zij zich voornamelijk defensief opstelt (18). In ieder geval moeten de MOL’s en hun bijzondere kwetsbare landbouwsectoren worden beschermd met behulp van alle beschikbare instrumenten, zoals de mechanismen voor speciale en gedifferentieerde behandeling en het speciale vrijwaringsmechanisme.

4.5.5.

In die zin pleit het EESC voor een strategie om de samenhang tussen het GLB en het EU-beleid inzake internationale handel aanzienlijk te verbeteren.

4.6.    Diensten

4.6.1.

Tijdens de ministeriële conferentie in Buenos Aires hebben 34 WTO-leden aangedrongen op intensivering van de werkzaamheden op het gebied van nationale regelgeving (vergunningen, beroepskwalificaties, procedures enz.) om een duidelijk en transparant multilateraal kader tot stand te brengen, aangezien de onderhandelingen over een multilaterale dienstenovereenkomst (TiSA) tot stilstand zijn gekomen. Het maatschappelijk middenveld en de vakbonden hebben diverse zorgen geuit over de effectieve uitvoering van waarborgen voor openbare diensten.

4.6.2.

Deze poging om zo’n multilateraal kader tot stand te brengen is van cruciaal belang, gezien het feit dat de EU, met een gecombineerde in- en uitvoer van 1 809 miljard euro in 2017 de grootste handelaar in agrovoedingsproducten ter wereld is, die producenten en consumenten binnen en buiten de EU ten goede komen (19). Dienstensectoren dragen meer dan 75 % bij aan het bbp van de ontwikkelde landen en 50 % van het bbp van de ontwikkelingslanden, en zij zijn de ruggengraat van de mondiale waardeketens.

4.7.    De gevolgen van de brexit

4.7.1.

Het VK zal vanaf eind maart 2019 als één land lid van de WTO zijn. Het EESC hoopt dat het VK als zodanig de door de EU bepleite ambitieuze en toekomstgerichte hervormingen zal steunen. De recente toezegging om toe te treden tot de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) is positief.

4.7.2.

De EU-27 krijgt de taak om de markttoegang voor de handelspartners van de EU, met name in de landbouwsector, opnieuw vorm te geven met een eerlijke en evenwichtige herverdeling van de quota tussen de lidstaten.

5.   Een discussie op gang brengen over een belangrijke maar systemische hervorming van de WTO

5.1.    Een nieuw bestuurssysteem voor een nieuwe wereld ontwerpen

5.1.1.

De interne organisatie van de WTO, die van 1994 dateert, moet op de schop zodat de WTO kan inspelen op belangrijke ontwikkelingen:

een snelle toename van het aantal leden, waardoor, als het beginsel van consensus niet wordt gewijzigd, de besluitvorming zal vastlopen;

grote veranderingen in de structuur van de internationale handel;

de vaststelling van ambitieuze doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling (de SDG’s van de VN) en de strijd tegen klimaatverandering (de Overeenkomst van Parijs);

de ervaring van de EU met het opnemen van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in al haar recente vrijhandelsovereenkomsten.

5.1.2.   Een creatieve oplossing bedenken om een eind te maken aan de systematische behoefte aan unanimiteit

5.1.2.1.

De besluitvorming binnen de WTO, die is overgenomen van de GATT, is feitelijk gebaseerd op consensus, m.a.w. unanimiteit onder de 164 leden. Voor de goedkeuring van besluiten van de Algemene Raad en ministeriële verklaringen is „positieve”unanimiteit vereist. Bij het beslechten van geschillen is „negatieve”unanimiteit vereist om een eindrapport van een panel te verwerpen. Zo kan een land dat alleen optreedt of kunnen, wat meestal het geval is, coalities van lidstaten die zijn gevormd rond gemeenschappelijke doelstellingen (G3, G20), onderhandelingen blokkeren door een veto uit te spreken.

5.1.2.2.

De meeste internationale organisaties hebben besluitvormingsmechanismen ingevoerd die een debat mogelijk maken en voorkomen dat er een impasse ontstaat, zoals stemmenweging op basis van objectieve criteria (IMF), of de invoering van stemmen met gekwalificeerde meerderheid (Europese Unie). Het EESC stelt voor om na te denken over mogelijke nieuwe regels voor besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, op basis van de dubbele criteria van het marktaandeel in de wereldeconomie en de samengestelde ontwikkelingsindicator.

5.1.2.3.

Het EESC stelt voor om het aantal kwesties waarvoor eenparigheid van stemmen vereist is, te verminderen en te voorkomen dat dit ook wordt toegepast op de normale werkzaamheden van de WTO. Zulke normale werkzaamheden omvatten de overeenstemming over de agenda van de vergaderingen van het comité, voorstellen om een kwestie te bespreken die verband houdt met het handelsbeleid, of voorstellen om onafhankelijke deskundigen uit te nodigen die een bijdrage leveren aan een onderwerp dat rechtstreeks relevant is voor de uitvoering van een WTO-overeenkomst (20).

5.1.3.   De organisatie stroomlijnen om efficiënter te werken

5.1.3.1.

De WTO heeft een complexe organisatiestructuur (21). Haar overkoepelende structuur bestaat uit de Algemene Raad, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten die belast zijn met de goedkeuring van de standpunten van de drie gespecialiseerde organen: de Raad voor de handel in goederen, de Raad voor de handel in diensten en de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom. Deze thematische raden worden aangevuld door andere organen die belast zijn met het beheer van bestaande plurilaterale overeenkomsten en de ontwikkeling van nieuwe plurilaterale initiatieven. De ministeriële conferentie op politiek niveau, die ten minste om de twee jaar bijeenkomt en bestaat uit de ministers van Handel van de lidstaten, werkt op basis van unanieme overeenstemming over de resoluties van de andere organen.

5.1.3.2.

Sommige comités die zijn opgericht voor een specifieke gelegenheid die niet langer relevant is, zoals de werkgroep over de zogeheten „Singapore-kwesties”, zijn tijdelijk. Het aantal comités moet worden beperkt op basis van het aantal vergaderingen en de bereikte resultaten, zodat middelen kunnen worden toegewezen aan onderwerpen die door de leden als prioritair worden beschouwd. Er dient een evaluatiecultuur tot stand te komen.

5.1.4.   Een grotere rol voor het secretariaat dankzij extra middelen

5.1.4.1.

Om ervoor te zorgen dat de WTO efficiënter te werk gaat bij de voorbereiding van ministeriële resoluties en de lancering van nieuwe plurilaterale initiatieven, moet het secretariaat een grotere rol spelen door het initiatiefrecht te verkrijgen om nieuwe onderwerpen voor te stellen voor onderhandelingen, wijzigingen aan te brengen in regels en disciplines en voorstellen aan te dragen voor compromissen over onderwerpen op de agenda.

5.1.5.   Afstappen van de regel van de algemeen geldende verbintenis

5.1.5.1.

Tijdens de ministerconferentie op Bali is de WTO afgestapt van de benadering van de algemeen geldende verbintenis, waarbij „niets is afgerond totdat alles is afgerond”. Dankzij deze nieuwe, flexibelere aanpak kon de multilaterale handelsfacilitatieovereenkomst worden gesloten, die op 22 februari 2017 in werking trad, nadat deze door meer dan twee derde van de WTO-leden (d.w.z. 110) was geratificeerd. Deze overeenkomst heeft tot doel de internationale handel in goederen te vergemakkelijken en te versnellen dankzij efficiëntere en snellere procedures op het gebied van de vrijgave en de in- en uitklaring van goederen (22).

5.1.6.   Sterkere bruggen bouwen met het maatschappelijk middenveld

5.1.6.1.

De Europese Unie heeft veel ervaring met het raadplegen en betrekken van het maatschappelijk middenveld bij het handelsbeleid. Arbeids- en milieuafspraken die bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van de partijen zijn vastgelegd in de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling (TSD) van alle onlangs gesloten vrijhandelsovereenkomsten van de EU, meestal in overeenkomsten met monitoringmechanismen voor het maatschappelijk middenveld, ook wel interne adviesgroepen (DAG’s) genoemd, in de EU en in het partnerland of partnerlanden. Het EESC stelt voor om deze ervaring van actieve deelname van het maatschappelijk middenveld te promoten bij andere WTO-leden om voorstellen voor de geschiktste mechanismen te formuleren die op multilateraal niveau kunnen worden ingevoerd.

5.1.6.2.

Het EESC stelt voor dat het Openbaar WTO-forum, in de vorm van een evenwichtige en representatieve vergadering van sociale en economische actoren uit alle verschillende sectoren en belangengroepen, als mogelijk platform fungeert voor deelname door maatschappelijke organisaties en aanbevelingen kan doen in het kader van de WTO-procedures. Ook kan er gekeken worden naar de manier waarop de OESO de raadpleging van een breed scala van belanghebbenden heeft aangepakt.

5.1.6.3.

Zoals bilateraal voorgesteld door het EESC (23), zou elke multilaterale en plurilaterale overeenkomst een specifieke clausule moeten bevatten die „beide partijen van elk mechanisme voor monitoring door het maatschappelijk middenveld ertoe verplicht samen te werken om de SDG’s te bevorderen en de impact daarvan te meten”.

5.2.    Zorgen voor samenhang tussen een multilateraal handelsstelsel en de internationale arbeids- en sociale normen

5.2.1.

De OESO en de EU hebben de kwestie van mondiale waardeketens in 2010 aan de orde gesteld, in een poging te begrijpen hoe zij werken en oplossingen aan te dragen voor het corrigeren van geconstateerde disfuncties op het gebied van milieu en fundamentele mensenrechten. Er zijn gedetailleerde monografieën opgesteld voor verschillende sectoren, praktische handleidingen geschreven en specifieke MVO-kwesties in kaart gebracht (kinderarbeid, vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, fatsoenlijke levensstandaard, verlies van biodiversiteit en oneerlijke tariefpraktijken).

5.2.2.

In een IAO-verklaring uit 2016 over fatsoenlijk werk in mondiale toeleveringsketens werden verschillende actielijnen vastgesteld: bevordering van internationale arbeidsnormen, wegwerken van bestuurlijke tekortkomingen, bevordering van een inclusieve en effectieve sociale dialoog, versterking van systemen voor arbeidsadministratie, verbetering van kennis en uitbreiding van statistieken.

5.2.3.

Het EESC betreurt het dat het toepassingsgebied van het huidige artikel XX, onder e), beperkt is tot dwangarbeid en stelt voor om het gebied uit te breiden tot fundamentele arbeidsnormen (kinderarbeid, dwangarbeid enz.). Het EESC stelt ook voor dat de ervaring van de EU met de integratie van de bescherming van arbeids- en milieunormen in haar handelsbeleid de WTO ertoe zou kunnen aanzetten om bijvoorbeeld in een preambule te verwijzen naar de acht IAO-verdragen, de Overeenkomst van Parijs en de SDG’s. Elk WTO-lid dat niet overal aan voldoet, moet het ontbrekende IAO-verdrag ratificeren of ten minste een gelijkwaardig beschermingsniveau aantonen en moet daarvoor middelen voor capaciteitsopbouw krijgen.

5.2.4.

De IAO en de WTO werken momenteel samen op technisch vlak en bereiden gezamenlijke studies voor. In 2007 bleek uit de studie Trade and employment, challenges for policy research dat de toenemende ongelijkheid eerder te wijten is aan technologie dan aan handel. In 2017 wees een andere gezamenlijke studie, „Investing in skills for inclusive trade”, uit dat landen kunnen profiteren van handel als zij hun basiscompetenties en technische en managementvaardigheden verbeteren.

5.2.5.

De WTO heeft een databank over mondiale waardeketens ontwikkeld en wetenschappelijke studies (zoals Trade patterns and global value chains in South-East Asia) uitgevoerd die gegevens over hun structuur en werkmethoden bevatten, die gebruikt moeten worden om nieuwe multilaterale richtsnoeren op te stellen, geïnspireerd door die van de OESO, om te zorgen voor een duurzaam beheer van mondiale waardeketens.

5.2.6.

Het EESC steunt de oprichting van een nieuwe werkgroep, Handel en fatsoenlijk werk, binnen de WTO, met twee doelstellingen, in samenhang met de werkzaamheden binnen de VN voor een internationaal juridisch bindend instrument om de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere bedrijven te reguleren en voort te bouwen op initiatieven van meerdere belanghebbenden. (24) Enerzijds beoogt de groep goede praktijken te bevorderen over de wijze waarop de verantwoordelijkheid om de mensenrechten te respecteren en te beschermen, kan worden nagekomen, gezien de complexiteit van verantwoord ondernemen in mondiale waardeketens (lineair of complex, lang of kort) (25). Anderzijds is het de bedoeling in ontwikkelingslanden het besef ten aanzien van verantwoord ondernemen te vergroten, door zich te richten op concrete acties om de huidige en toekomstige uitdagingen op sociaal, milieu- en bestuurlijk gebied aan te pakken en door na te gaan hoe mogelijke negatieve gevolgen kunnen worden verholpen. Het WTO-systeem voor de beoordeling van het handelsbeleid zou systematisch een evaluatie moeten omvatten van de uitvoering van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO door de landen.

5.3.    De bijdrage van internationale handel aan de strijd tegen klimaatverandering

5.3.1.

Aanpassing van de WTO-regels aan de noodzaak om de klimaatverandering tegen te gaan is een van de belangrijkste prioriteiten van de hervorming van de WTO en moet ervoor zorgen dat de internationale handel in industrie- en landbouwproducten in een opwaartse spiraal terechtkomt. Het EESC moedigt ondernemingen aan die investeren in duurzamere productie en meent dat oneerlijke concurrentie moet worden voorkomen. Deze inspanningen zijn broodnodig wat betreft de investeringen die cruciaal zijn voor de verwezenlijking van de SDG’s: volgens de Unctad is een jaarlijks budget van 2 500 miljard dollar nodig, en ook de WTO moet een rol spelen bij het stimuleren van deze verantwoorde investeringen in vervoers-, water- en energie-infrastructuur.

5.3.2.

In dit verband kan een aantal maatregelen in overweging worden genomen:

uitbreiding van de vrijstellingen onder artikel XX van de GATT, waarbij aan de WTO-leden autonomie wordt verleend (met bepaalde beperkingen) om hun eigen milieudoelstellingen vast te stellen (bestrijding van roken, bescherming van dolfijnen, asbest etc.), zodat er ook nationale maatregelen ter ondersteuning van de strijd tegen broeikasgasemissies onder vallen. Dit zou een lidstaat bijvoorbeeld in staat stellen om aan zijn grenzen een mechanisme voor internalisering van koolstofkosten op te zetten met het oog op de bescherming van schone lucht (artikel XX, onder g));

ontwikkeling van een internationale methode voor het meten en modelleren van nieuwe broeikasgasemissies in verband met de ontwikkeling van handelsstromen, bijvoorbeeld tussen twee landen of twee regio’s die een vrijhandelsovereenkomst hebben gesloten;

gezamenlijke reflectiegroepen van de WTO en het secretariaat van het UNFCCC (Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering), dat alle bijdragen van elk afzonderlijk land registreert, zouden voorstellen kunnen uitwerken om deze extra emissies te compenseren (bebossing, herbebossing, CO2-afvang, investeringen in schone technologieën). De geplande 5-jaarlijkse evaluaties in 2023 zouden er ook toe kunnen bijdragen dat „geldstromen in lijn [worden gebracht] met een traject naar een lage broeikasgasemissie en een klimaatbestendige ontwikkeling” (26);

de plurilaterale overeenkomst inzake de liberalisering van milieugoederen en -diensten nieuw leven inblazen, die het verkeer van goederen en diensten met een positief effect op het milieu (energie, water, afval enz.) kan bevorderen.

5.4.    De duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) opnemen in de multilaterale agenda

5.4.1.

De WTO-regels en -disciplines dragen inherent bij tot de verwezenlijking van een aantal van de SDG’s, met name de bevordering van een universele, op regels gebaseerde, open, niet-discriminerende en eerlijke multilaterale handelsregeling in het kader van de WTO (doel 17.10) en beëindigen van honger, bereiken van voedselveiligheid en verbeterde voeding, en bevorderen van duurzame landbouw (doel 2).

5.4.2.

Hiermee is een begin gemaakt met de ministeriële verklaring van Nairobi, waarin werd gepleit voor afschaffing van de exportsubsidies voor landbouwproducten, en de ministeriële verklaring van Buenos Aires over de aanpak van de meest schadelijke visserijsubsidies. Maar ook andere SDG’s, zoals doel 8 (bevorderen van aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen), doel 14 (instandhouding en duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen) en doel 17 (versterken van de implementatiemiddelen en revitalisering van het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling) zijn het zeker waard om door de WTO in haar activiteiten in aanmerking te worden genomen.

5.4.3.

Dit zou betekenen dat alle plurilaterale en multilaterale overeenkomsten die onder auspiciën van de WTO zijn gesloten, zouden moeten bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen, en dat niet-naleving aanleiding zou kunnen geven tot inwerkingstelling van het mechanisme voor geschillenbeslechting.

5.4.4.

De conclusies van de zesde Global Review of Aid for Trade van de WTO, die in juli 2017 in Genève is gehouden, moeten in daden worden omgezet om ontwikkelingslanden te helpen profijt te trekken van e-handel en digitale mogelijkheden en om investeringen in fysieke en digitale infrastructuur aan te moedigen.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Europees Parlement, resolutie over WTO: de weg vooruit, punt 9, 29 november 2018 (2018/2084(INI)).

(2)  „Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid”

(3)  Aandeel van de MOL’s in de wereldhandel (bron: World Trade Statistical Review 2016, WTO, blz. 59).

(4)  Bij de WTO aangemelde regionaal overeenkomsten (bron: www.wto.org).

(5)  Improving disciplines on subsidies notification, TN/RL/GEN/188, WTO, 2017.

(6)  EESC-advies over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie [COM(2017) 487 final — 2017/0224 (COD)], rapporteur: Christian Bäumler, corapporteur: Gintaras Morkis, PB C 262 van 25.7.2018, blz. 94.

(7)  EESC-advies over de aanbeveling voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een verdrag tot oprichting van een multilateraal gerecht voor de beslechting van investeringsgeschillen, rapporteur: Philippe de Buck, corapporteur: Tanja Buzek (PB C 110 van 22.3.2019, blz. 145).

(8)  Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada en de Europese Unie en haar lidstaten (http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-13541-2016-INIT/nl/pdf).

(9)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)  EESC-advies over de uitwisseling en bescherming van persoonsgegevens in een geglobaliseerde wereld, rapporteur: Christian Pîrvulescu (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 209).

(11)  EESC-advies over de uitwisseling en bescherming van persoonsgegevens in een geglobaliseerde wereld, rapporteur: Christian Pîrvulescu (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 209).

(12)  EESC-advies over de uitwisseling en bescherming van persoonsgegevens in een geglobaliseerde wereld, rapporteur: Christian Pîrvulescu (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 209).

(13)  Elke partij kan de waarborgen vaststellen en handhaven die zij passend acht om de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer te waarborgen, onder meer door de vaststelling en toepassing van de regels voor de grensoverschrijdende overdracht van persoonsgegevens. Niets in deze overeenkomst doet afbreuk aan de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer die door de respectieve waarborgen van de partijen wordt geboden. http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/may/tradoc_156884.pdf

(14)  https://ec.europa.eu/agriculture/sites/agriculture/files/trade-analysis/statistics/graphs/eu-agrifood-trade.pdf

(15)  EESC-advies over de rol van de landbouw in de multilaterale, bilaterale en regionale handelsbesprekingen in het licht van de WTO-ministerconferentie van Nairobi, rapporteur: Jonathan Peel, (PB C 173 van 31.5.2017, blz. 20).

(16)  EESC-advies over de rol van de landbouw in de multilaterale, bilaterale en regionale handelsbesprekingen in het licht van de WTO-ministerconferentie van Nairobi, rapporteur: Jonathan Peel, (PB C 173 van 31.5.2017, blz. 20).

(17)  EESC-advies over de rol van de landbouw in de multilaterale, bilaterale en regionale handelsbesprekingen in het licht van de WTO-ministerconferentie van Nairobi, rapporteur: Jonathan Peel, (PB C 173 van 31.5.2017, blz. 20).

(18)  EESC-advies over de rol van de landbouw in de multilaterale, bilaterale en regionale handelsbesprekingen in het licht van de WTO-ministerconferentie van Nairobi, rapporteur: Jonathan Peel, (PB C 173 van 31.5.2017, blz. 20).

(19)  https://www.wto.org/english/res_e/statis_e/wts2018_e/wts2018_e.pdf

(20)  Beleidsnota Revitalizing Multilateral Governance at the World Trade Organization — Report of the High-Level Board of Experts on the Future of Global Trade Governance, Bertelsmann Stiftung, 2018

(21)  Structuur van de WTO (bron: Revitalising Multilateral Governance at the World Trade Organization, Bertelsmann Stiftung, blz. 54).

(22)  Les trois réformes de l’OMC, Zaki Laïdi, Libération, 2003.

(23)  EESC-advies over de sleutelrol van handel en investeringen bij het nastreven en verwezenlijken van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, rapporteur: Jonathan Peel, corapporteur: Christophe Quarez (PB C 129 van 11.4.2018, blz. 27, paragraaf 1.8).

(24)  i.e. de recente Franse wet inzake de zorgplicht van ondernemingen.

(25)  EESC-advies over fatsoenlijk werk in de mondiale voorzieningsketens, rapporteur: Emmanuelle Butaud-Stubbs (PB C 303 van 19.8.2016, blz. 17).

(26)  Artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs (UNFCCC).


10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/28


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van interne adviesgroepen bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten

(verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement)

(2019/C 159/04)

Rapporteur: Alberto MAZZOLA

Raadpleging

Europees Parlement, 11.9.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Externe Betrekkingen

Goedkeuring door de afdeling

15.1.2019

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

152/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) erkent dat handel bijdraagt tot de economische ontwikkeling in ruimere zin en steunt in dit verband de uitbreiding van het aantal handelsovereenkomsten dat de EU heeft gesloten. Vrijhandelsovereenkomsten zijn echter ook voer voor intense debatten over hun bijdrage aan sociale ontwikkeling en milieubescherming, en over hun voor- en nadelen en de verdeling daarvan tussen de landen en de verschillende belanghebbenden. Het EESC wenst dit punt te benadrukken.

1.2.

De EU wordt vandaag de dag geconfronteerd met een toenemende vraag naar een constructieve dialoog met het maatschappelijk middenveld over handel. Een van de belangrijkste resultaten van de betrokkenheid van de belanghebbenden via interne adviesgroepen is de versterking van de processen in het maatschappelijk middenveld.

1.3.

Het EESC acht het absoluut noodzakelijk dat het maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij allerlei soorten overeenkomsten. Enerzijds is deze deelname nodig om toezicht te kunnen uitoefenen, voorstellen te kunnen formuleren en legitieme vraagstukken ter sprake te kunnen brengen die gevolgen hebben voor de gehele samenleving. Anderzijds is de deelname van het maatschappelijk middenveld een cruciaal element voor het waarmaken van de strategische ambities die alle overeenkomsten momenteel hebben en die via de betrekkingen tussen instellingen en overheden alleen niet verder kunnen worden ontwikkeld.

Het EESC is van mening dat de betrokkenheid bij allerlei soorten overeenkomsten via één gezamenlijk orgaan van het maatschappelijk middenveld dient te worden verwezenlijkt, dus één orgaan waarin beide partijen bij de overeenkomst zijn vertegenwoordigd.

Het EESC vindt dat de interne adviesgroepen een adviserende, consultatieve, verantwoordelijke en onafhankelijke rol moeten spelen bij het toezicht op en de beoordeling van EU-overeenkomsten alsmede geïnstitutionaliseerd moeten worden, bevoegd moeten zijn om zich over alle aspecten van de overeenkomst uit te spreken en representatief moeten zijn met een evenwichtige vertegenwoordiging van de drie sectoren. Al deze criteria zijn essentieel voor de empowerment van het maatschappelijk middenveld, zijn zichtbaarheid en zijn vermogen om gestructureerde voorstellen uit te werken die daadwerkelijk de besluitvorming kunnen beïnvloeden.

1.4.

De interne adviesgroepen moeten onder meer bijzondere nadruk leggen op de eerbiediging door de partijen van de fundamentele arbeidsnormen en fundamentele verdragen van de IAO en van multilaterale milieuovereenkomsten.

1.5.

Het EESC zou graag zien dat de interne adviesgroepen worden belast met het toezicht op de gevolgen van alle onderdelen van handelsovereenkomsten voor de mensen-, arbeids- en milieurechten en dat hun werkterrein wordt uitgebreid tot consumentenbelangen (1).

1.6.

Het EESC verwacht dat de uitbreiding van de omvang van het toezicht door de interne adviesgroepen tot de hele overeenkomst en tot alle aspecten daarvan, dus ook andere aspecten dan duurzame ontwikkeling, die wel onverminderd bijzondere aandacht moeten blijven krijgen, een aanvulling kan vormen op de inspanningen van de Europese Commissie om een betere uitvoering van de toekomstige vrijhandelsovereenkomsten van de EU te bevorderen en steunt een dergelijke uitbreiding. Verwacht wordt dat interne adviesgroepen een positief effect zullen hebben op de bewustmaking van bredere lagen van het maatschappelijk middenveld van de voordelen van vrije, op regels gebaseerde, duurzame en inclusieve handel, en tegelijkertijd tekortkomingen zullen aanpakken. Bovendien kunnen interne adviesgroepen feitelijke informatie verstrekken en bijdragen aan een objectieve benadering van handelsovereenkomsten.

1.7.

Door de bevoegdheid uit te breiden tot alle aspecten van de overeenkomst zal het voor de partnerlanden naar alle waarschijnlijkheid gemakkelijker worden om het toezicht door het maatschappelijk middenveld te aanvaarden en de oprichting van de interne adviesgroepen te bespoedigen.

1.8.

Het is bijzonder belangrijk om met derde landen samen te werken op basis van wederzijds respect en begrip. Het EESC is van mening dat gezamenlijke vergaderingen van de interne adviesgroepen met de partnerlanden zeer belangrijk zijn. Voor alle toekomstige relevante overeenkomsten pleit het EESC voor de oprichting van onderlinge interne adviesgroepen (gezamenlijke maatschappelijke organen met de partnerlanden) en niet alleen afzonderlijke interne adviesgroepen voor elke partij (2). In gevallen waarin er echter al andere mechanismen voor het uiten van de mening van het maatschappelijk middenveld bestaan, is het essentieel deze te behouden, aangezien het jaren vergt om vertrouwen en passende werkvoorwaarden te creëren.

1.9.

Wat interne adviesgroepen relevant maakt, is volgens het EESC ook hun samenstelling, en met name de representativiteit en competentie van hun leden, hetgeen, zoals in andere succesvolle gevallen, in overleg met het EESC moet worden gewaarborgd door een beter selectiemechanisme. In de interne adviesgroepen moeten een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen van het maatschappelijk middenveld en de nodige interne deskundigheid worden gegarandeerd. Interne adviesgroepen moeten voorts in staat zijn om externe belanghebbenden bij hun werkzaamheden te betrekken en te raadplegen.

1.10.

Het EESC beveelt aan dat de interne adviesgroepen ten minste tweemaal per jaar op EU-niveau bijeenkomen en dat formele bijeenkomsten van de onderlinge interne adviesgroepen tweemaal per jaar in een geïnstitutionaliseerde vorm plaatsvinden. Tijdens ten minste een van de bijeenkomsten moeten de deelnemers elkaar echt ontmoeten, de tweede kan ook worden gehouden als videoconferentie.

1.11.

Het EESC beveelt aan om elk jaar in Brussel een conferentie van alle leden van de interne adviesgroepen op EU-niveau te organiseren zodat zij hun ervaringen met elkaar kunnen uitwisselen.

1.12.

Interne adviesgroepen moeten ook de mogelijkheid hebben om elk jaar een hoorzitting te organiseren. Samenwerking met de nationale institutionele organen die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen — de nationale tegenhangers van het EESC — zou de uitbreiding van de dialoog buiten Brussel in de hand werken om een breder publiek te bereiken buiten het huidige kader en zodoende de in Brussel gevestigde organisaties te bevoordelen.

1.13.

De oprichting van meerdere organen in het kader van dezelfde overeenkomst leidt tot verwarring bij de handelspartners van de EU (3) en legt een last op de schouders van zowel derde landen als het EESC. Het EESC roept de EU op om ervoor te zorgen dat de gezamenlijke raadplegingsmechanismen bevoegd zijn voor alle pijlers van toekomstige associatieovereenkomsten, te beginnen met de heronderhandelde overeenkomsten met Chili en Mexico, en in de toekomst met Mercosur.

1.14.

Er moet worden voorzien in een rapportagemechanisme waarmee maatschappelijke organisaties die in toekomstige interne adviesgroepen zitting hebben, problemen bij de uitvoering kunnen melden of suggesties voor verbetering kunnen doen. Het EESC beveelt verder aan dat voorzitters van interne adviesgroepen het recht hebben om de standpunten van hun groep aan de handels- en TSD-comités voor te leggen, die binnen een redelijke termijn moeten reageren op kwesties en aanbevelingen die door de interne adviesgroepen naar voren zijn gebracht. Het EESC is ingenomen met de toezegging van de Europese Commissie om in de toekomst een gestructureerd, transparant en tijdsgerelateerd klachtenmechanisme in te voeren voor de tenuitvoerlegging van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling (TSD).

1.15.

Voordat de organen van het maatschappelijk middenveld worden opgezet en ruim vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst stelt het EESC alles in het werk om te komen tot de oprichting van interne adviesgroepen/raadgevende comités. Deze inspanningen van het EESC zouden door het Europees Parlement en de Raad, met name in hun hoedanigheid van begrotingsautoriteit, en de Commissie moeten worden erkend en ondersteund.

1.16.

Om de zichtbaarheid van de interne adviesgroepen te waarborgen, beveelt het EESC aan om een communicatiestrategie uit te stippelen, met inbegrip van het gebruik van websites, een IT-platform voor uitwisselingen en sociale media.

1.17.

Er moet financiële steun worden verstrekt voor de uitvoering van toekomstige overeenkomsten, met name door overheden uit de partnerlanden. Het EESC vindt dat de tekst van de overeenkomsten expliciet moet voorzien in de verbintenis, ook voor de overheden uit de partnerlanden, om de beoogde organen van het maatschappelijk middenveld adequaat te financieren en van politieke en logistieke steun te voorzien.

1.18.

Het EESC vindt zijn deelname van onschatbare waarde en wenst deel te blijven uitmaken van alle interne adviesgroepen.

1.19.

Via zijn regels en werkwijze en via zijn leden zorgt het EESC voor een gestructureerde en georganiseerde werking van de interne adviesgroepen, draagt het bij tot de identificatie van de partners in het partnerland, de vaststelling van de agenda, de organisatie van de vergaderingen en de verslaglegging aan de EU-instellingen en het maatschappelijk middenveld en garandeert het dat verantwoording wordt afgelegd.

1.20.

Aangenomen wordt dat de kosten voor de aanwezigheid van het EESC in de interne adviesgroepen in de komende drie jaar zullen verdubbelen en zullen verdrievoudigen als de vrijhandelsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld, worden meegerekend. De interne adviesgroepen vormen dus een uitdaging voor het EESC in termen van financiële en personele middelen. Het EESC verzoekt de begrotingsautoriteiten om een aanvullend budget dat is afgestemd op de huidige, door de Commissie voorziene uitgaven om interne adviesgroepen te ondersteunen bij het uitvoeren van de verwachte werkzaamheden in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht.

1.21.

Het EESC stelt voor om bij de oprichting van een interne adviesgroep en de vaststelling van het aantal leden daarvan de volgende criteria in aanmerking te nemen: de totale jaarlijkse omvang van de handel met de EU, de investeringen van de EU in het (de) partnerland(en), het belang van de overeenkomst vanuit geopolitiek en strategisch perspectief en de relevantie van duurzaamheidsaspecten.

1.22.

Aan EU-zijde brengen de interne adviesgroepen hoofdzakelijk verslag uit bij de Europese Commissie, en het is belangrijk om in de toekomst ook bij het Europees Parlement en de Raad verslag te kunnen uitbrengen. Het EESC pleit voor een regelmatige en gestructureerde dialoog tussen de interne adviesgroepen van de EU, de Commissie, de EDEO, het Europees Parlement en de EU-lidstaten. Wat het Europees Parlement betreft, kan een gestructureerd en regelmatig raadplegingsmechanisme worden overwogen.

2.   Achtergrond

2.1.

De voorzitter van het Europees Parlement heeft overeenkomstig artikel 304, eerste alinea, tweede zin, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het EESC om een advies verzocht over het functioneren van de interne adviesgroepen (4). Daarbij wees hij erop dat meerdere aspecten nader moeten worden geanalyseerd en besproken, zoals de middelen die nodig zijn om de interne adviesgroepen in staat te stellen hun taken doeltreffend te vervullen, de wijze waarop de organisatorische en logistieke uitdagingen kunnen worden opgelost waarmee de organen van het maatschappelijk middenveld momenteel worden geconfronteerd, de wijze waarop de interactie tussen de interne adviesgroepen en de TSD-comités kan worden verbeterd en andere aspecten die het mogelijk maken de huidige situatie te verbeteren.

2.2.

Interne adviesgroepen zijn een van de belangrijkste resultaten van de opname van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in de vrijhandelsovereenkomsten van de EU. De oprichting ervan is niet alleen gebaseerd op het handelsbeleid van de EU, maar in bredere zin ook op de sterke politieke wil van de EU om duurzame ontwikkeling te integreren in al haar beleidsmaatregelen en strategieën sinds de Rio+20-verklaring van 2012. De strategie „Handel voor iedereen”, die in 2015 door de Europese Commissie is goedgekeurd, was verder gericht op meer transparantie en inclusiviteit in het handelsbeleid van de EU, onder meer door een intensievere dialoog met het maatschappelijk middenveld.

2.3.

De Commissie publiceerde op 26 februari 2018 een non-paper (5) waarin ze een reeks van 15 concrete en uitvoerbare maatregelen voorstelde om de TSD-hoofdstukken te vernieuwen, zoals onder meer de uitbreiding van de inhoudelijke reikwijdte van het advies van de interne adviesgroepen in toekomstige vrijhandelsovereenkomsten tot de tenuitvoerlegging van de hele overeenkomst. Het non-paper zegt dat deze aanpak als eerste zal worden gevolgd in de vrijhandelsovereenkomsten met Mexico en Mercosur en daarna deel gaat uitmaken van de standaardonderhandelingsstrategie van de Commissie.

2.4.

De overeenkomsten tussen de EU en Mexico en de EU en Mercosur zijn associatieovereenkomsten en hebben dus ook politieke en samenwerkingspijlers waarover door de EDEO is onderhandeld. De EU heeft een „geneste”aanpak voorgesteld met interne adviesgroepen en fora van het maatschappelijk middenveld op het niveau van de algemene associatieovereenkomst en ook voor het handelsgedeelte. Daarentegen zouden op zichzelf staande vrijhandelsovereenkomsten, zoals die met Indonesië, Australië of Nieuw-Zeeland, een eenvoudigere aanpak hebben die de hele vrijhandelsovereenkomst bestrijkt. Tijdens gedachtewisselingen met de Commissie werd benadrukt dat de bepalingen voor het maatschappelijk middenveld voor onbepaalde tijd zullen worden opgesteld en de vrijheid met zich zullen meebrengen om input te leveren over elke kwestie die van belang is, ook als het gaat om zaken die geen verband houden met duurzame ontwikkeling.

2.5.

Het EESC heeft reeds verschillende adviezen (6) uitgebracht over handel en duurzame ontwikkeling, waarin het aandringt op versterking van het toezichtsmechanisme en aanbevelingen doet om de werking van interne adviesgroepen te verbeteren. In zijn advies over „Hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU”heeft het specifiek gevraagd om de interne adviesgroepen te belasten met het toezicht op de gevolgen van alle onderdelen van handelsovereenkomsten voor mensen-, arbeids- en milieurechten en om hun werkterrein uit te breiden tot consumentenbelangen en de sociaal-economische impact. Het is verder ingenomen met het feit dat er nu elk jaar een verslag over de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten wordt gepubliceerd.

2.6.

De economische partnerschapsovereenkomst (EPO) tussen de EU en Cariforum en de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Korea, die respectievelijk in 2014 en 2011 in werking zijn getreden, waren de eerste die voorzagen in de oprichting van een adviesorgaan van het maatschappelijk middenveld voor het toezicht op de uitvoering van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling van de overeenkomst. In alle daaropvolgende EU-overeenkomsten, waaronder die met Midden-Amerika, Colombia, Peru en Ecuador, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Canada, is deze aanpak gevolgd. Momenteel zijn er acht interne adviesgroepen, met 27 leden van het EESC, actief, worden er naar verwachting voor eind 2021 nog eens vijf opgericht en zullen er in de toekomst wellicht meer volgen, afhankelijk van de afronding van reeds begonnen onderhandelingen over nieuwe vrijhandelsovereenkomsten, zoals die met Australië en Nieuw-Zeeland, of van de herziening van bestaande overeenkomsten.

2.7.

De interne adviesgroepen maken in het kader van de huidige overeenkomsten een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen van het maatschappelijk middenveld mogelijk via de drie subgroepen waarin dat is georganiseerd: werkgevers, vakbonden en diverse belangengroepen, waaronder milieu- en consumentenorganisaties, alsmede andere relevante belanghebbenden. De leden van de interne adviesgroepen zijn vertegenwoordigers van de belangrijkste Europese sociaal-economische organisaties en van milieuorganisaties, consumenten, landbouwers en andere belangen uit de derde sector. Het EESC is permanent lid van de interne adviesgroepen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC erkent dat handel bijdraagt tot economische groei en economische ontwikkeling in ruimere zin en steunt in dit verband de uitbreiding van het aantal handelsovereenkomsten dat de EU heeft gesloten. Vrijhandelsovereenkomsten zijn echter ook voer voor intense debatten over hun bijdrage aan sociale ontwikkeling en milieubescherming, en over hun voor- en nadelen en de verdeling daarvan tussen de landen en de verschillende belanghebbenden. De EU wordt vandaag de dag geconfronteerd met een toenemende vraag naar een constructieve dialoog met het maatschappelijk middenveld over vrijhandelsovereenkomsten. De huidige EU-mechanismen voor overeenkomsten omvatten interne adviesgroepen, gemengde raadgevende comités, platforms voor het maatschappelijk middenveld en (gezamenlijke) fora voor het maatschappelijk middenveld. Dit complexe geheel van raadplegingsmechanismen maakt het enigszins lastig om ze uit te bouwen tot doeltreffende en goed functionerende structuren (7). Andere vormen van dialoog met het maatschappelijk middenveld over het EU-handelsbeleid zijn onder andere openbare raadplegingen, platforms zoals de dialoog met het maatschappelijk middenveld, en de groep van deskundigen inzake EU-handelsovereenkomsten (bijeengeroepen door het DG Handel).

3.2.

In het Verdrag van Lissabon zijn de functie en samenstelling van het EESC als institutionele vertegenwoordiger van het georganiseerde maatschappelijk middenveld verstevigd en bekrachtigd. Het EESC is opgericht om samen met de andere instellingen te fungeren als het instrument voor participatiedemocratie en civiele dialoog op Europees niveau. Vanuit institutioneel perspectief worden de standpunten van het Europese maatschappelijk middenveld over het EU-handelsbeleid door het EESC in zijn adviezen en tevens op andere manieren naar voren gebracht. In die hoedanigheid verzoekt het EESC om tijdens de onderhandelingen over associatieovereenkomsten, economische partnerschapsovereenkomsten en vrijhandelsovereenkomsten van de EU te worden geraadpleegd.

3.3.

Het EESC, dat permanent lid is van de interne adviesgroepen, voorziet in het secretariaat van alle bestaande interne adviesgroepen en beschikt over uitgebreide kennis uit de eerste hand over de voordelen en de gevolgen van het toezicht door het maatschappelijk middenveld op de tenuitvoerlegging van de TSD-hoofdstukken. Sommige lessen die uit de werkzaamheden van bestaande interne adviesgroepen zijn getrokken, zullen mutatis mutandis van toepassing zijn wanneer de bevoegdheid van de interne adviesgroepen wordt uitgebreid tot de andere hoofdstukken van de overeenkomsten. Tegelijkertijd acht het EESC het van belang om verdere overwegingen te formuleren en wil het aanbevelingen doen over de relevantie, doeltreffendheid en efficiëntie, samenstelling, werkwijze en duur van het mandaat, en administratieve en budgettaire aspecten van de interne adviesgroepen.

Relevantie van interne adviesgroepen

3.4.

Het EESC steunt het concept van duurzame ontwikkeling in zijn drie onderling samenhangende en elkaar versterkende economische, sociale en milieudimensies. Het is duidelijk dat internationale handel alleen kan plaatsvinden als rekening wordt gehouden met duurzame ontwikkeling, milieubescherming, sociale bescherming van werknemers en de rechten van burgers en consumenten. Handelsovereenkomsten moeten bepalingen omvatten voor de totstandbrenging van een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie ten aanzien van al deze aspecten.

3.5.

In het algemeen heeft de deelname van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld bijgedragen tot betere resultaten — in termen van een positief economisch, sociaal en milieueffect van handelsovereenkomsten. De toegevoegde waarde van hun betrokkenheid bij het toezicht op de vrijhandelsovereenkomsten van de EU is van cruciaal belang, zoals concrete vooruitgang in het geval van Korea heeft aangetoond (8). Het is belangrijk om te onthouden dat de geïnstitutionaliseerde dialoog met het maatschappelijk middenveld een onderscheidend kenmerk is van de manier van leven en werken van de EU; we moeten echter erkennen dat deze mening niet altijd volledig wordt gedeeld door onze partners. Het EESC is van mening dat de interne adviesgroepen een adviserende, consultatieve, verantwoordelijke en onafhankelijke rol moeten blijven spelen bij het toezicht op en de beoordeling van EU-overeenkomsten. De deelname van het maatschappelijk middenveld is ook van essentieel belang voor de strategische waarde van deze overeenkomsten, die tegenwoordig meer omvat dan louter handelsvoordelen.

3.6.

Een van de belangrijkste resultaten van de betrokkenheid van de belanghebbenden via structuren zoals interne adviesgroepen is de versterking van de processen in het maatschappelijk middenveld en de versterking van maatschappelijke organisaties die weinig of geen erkenning genieten bij hun eigen regering. Dit geldt met name voor partnerlanden die een ander inzicht hebben in de rol van het maatschappelijk middenveld dan de EU en voor partnerlanden die minder ontwikkelde praktijken hebben op het gebied van raadpleging van het maatschappelijk middenveld. Bij verschillende gelegenheden, met name wanneer de handelspartner een ontwikkelingsland is, heeft het oprichten van een interne adviesgroep het mogelijk gemaakt dat belanghebbenden die over kritische deskundigheid beschikken, meer zeggenschap krijgen en heeft het geleid tot een bottom-upaanpak voor de oplossing van problemen door middel van dialoog, samenwerking en capaciteitsopbouw (9).

3.7.

De „coöperatieve”aanpak van de maatschappelijke organisaties kan een beleidsrelevante bijdrage leveren aan innovatief, doeltreffend en succesvol toezicht op de tenuitvoerlegging van de clausules van de vrijhandelsovereenkomsten, zelfs zonder afdwingbare bepalingen. In dit geval bestaat de rol van het maatschappelijk middenveld in de context van de handel erin een pragmatische en flexibele benadering van duurzame ontwikkeling te ondersteunen, aangepast aan de specifieke omstandigheden van de landen waar de interne adviesgroep zal worden opgericht. De gezamenlijke werkzaamheden van de interne adviesgroepen die in dit verband in de partnerlanden en de EU worden georganiseerd, kunnen een belangrijke rol spelen bij het vaststellen van problemen en het voorstellen van het overheidsbeleid om deze op te lossen.

3.8.

De interne adviesgroepen moeten onder meer bijzondere nadruk leggen op de ratificatie en eerbiediging door de partijen van de fundamentele arbeidsnormen en fundamentele verdragen van de IAO en van multilaterale milieuovereenkomsten. De tenuitvoerlegging en handhaving van concrete, cruciale wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van vrijheid van vereniging, collectieve onderhandelingen, sociale dialoog, sociale bescherming, gezondheid en veiligheid, en arbeidsinspectie, moet een onderwerp van bijzondere aandacht van de interne adviesgroepen zijn.

3.9.

Dankzij de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld via interne adviesgroepen kan de consumentenbescherming in stand gehouden en verbeterd worden, kunnen milieugevolgen in aanmerking worden genomen, kan worden gezorgd voor volledige inachtneming van de duurzaamheidsdoelstellingen en kunnen de kansen voor kleine en middelgrote ondernemingen worden onderzocht. Interne adviesgroepen kunnen ook nagaan of er mogelijk negatieve sociale gevolgen zijn met betrekking tot gelijke kansen voor vrouwen en mannen, de rechten van personen met een handicap en andere minderheden en gelijke toegang tot diensten van algemeen belang. Consumentenorganisaties hebben hun steun uitgesproken voor vrijhandelsovereenkomsten van de EU en hebben geëist dat de bescherming van de consument ook na de liberalisering van de markten gewaarborgd blijft. De consumenten hebben de invoering van een consumentenhoofdstuk in toekomstige EU-overeenkomsten voorgesteld. De uitgebreide omvang van het toezicht door interne adviesgroepen zou consumentenverenigingen in staat stellen om de uitvoering van het specifieke consumentenhoofdstuk nauwlettender te volgen.

3.10.

De interne adviesgroepen zouden kunnen helpen bij het prioriteren van uitvoeringskwesties. Zoals de Europese Commissie in haar verslag over handels- en investeringsbelemmeringen heeft aangetoond, neemt het protectionisme in al zijn verschillende vormen nog steeds toe, met alle negatieve gevolgen van dien voor de betrokkenen in de EU. Indien inbreuken op bepalingen of suboptimale uitvoering worden geconstateerd, zullen de marktdeelnemers via de interne adviesgroepen over een extra kanaal beschikken om het bewustzijn over kwesties in het veld te vergroten. De interne adviesgroepen moeten de mogelijkheid krijgen om aan de bel te trekken over mogelijke verbanden tussen het gebruik van de preferentiële tarieven uit vrijhandelsovereenkomsten en handelsbelemmeringen die in de markttoegangsdatabank zijn opgenomen. Zoals uit een recent verslag blijkt (10), kan het niet-gebruik van preferentiële vrijhandelstarieven op grote schaal voorkomen en moeilijk te meten zijn voor met name het kleine en middelgrote ondernemingen. Ook wil het EESC nogmaals wijzen op het wezenlijke verband tussen de economische dimensie en de wijze waarop tarieven worden toegepast, en de bevordering en bescherming van de werkgelegenheid.

Uitbreiding van het werkterrein van interne adviesgroepen

3.11.

Gezien de voordelen van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld verwacht het EESC dat de uitbreiding van de omvang van het toezicht door de interne adviesgroepen tot de hele overeenkomst en tot alle aspecten daarvan, dus ook andere aspecten dan duurzame ontwikkeling, die wel onverminderd bijzondere aandacht moeten blijven krijgen, een aanvulling kan vormen op de inspanningen van de Europese Commissie om een betere uitvoering van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU te bevorderen. Verwacht wordt dat interne adviesgroepen een positief effect zullen hebben op de bewustmaking van bredere lagen van het maatschappelijk middenveld van de voordelen van vrije, op regels gebaseerde, duurzame en inclusieve handel, en tegelijkertijd tekortkomingen zullen aanpakken. Toezicht op de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten is van cruciaal belang om zowel de voordelen als de negatieve gevolgen van de overeenkomsten voor bedrijven, werknemers, consumenten en burgers in het algemeen aan te tonen. Bovendien kunnen interne adviesgroepen feitelijke informatie verstrekken en bijdragen aan een objectieve benadering van handelsovereenkomsten.

3.12.

Door de bevoegdheid uit te breiden tot de zakelijke aspecten van de overeenkomst zal het voor de partnerlanden naar alle waarschijnlijkheid gemakkelijker worden om het toezicht door het maatschappelijk middenveld te aanvaarden en de oprichting van de interne adviesgroepen te bespoedigen (11). Interne adviesgroepen zullen in staat zijn (samenstelling, manier van werken enz.) om de verscheidenheid aan kwesties die voortvloeien uit alle hoofdstukken van vrijhandelsovereenkomsten naar behoren aan te pakken en daarbij met de juiste delen van het maatschappelijk middenveld samen te werken. Het EESC is van mening dat de uitbreiding van de omvang van het toezicht tot de hele overeenkomst noodzaakt tot het stellen van prioriteiten, zodat inspanningen daar worden geleverd waar dat het meest nodig is, met behoud van een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belangen in het werkprogramma van de interne adviesgroep.

3.13.

Het EESC betreurt echter dat de uitbreiding van de omvang van het toezicht niet gepaard is gegaan met een verdere versterking van het toezichtsmechanisme waar het gaat om de effectieve afdwingbaarheid van de toezeggingen in TSD-hoofdstukken, wat voor het EESC van cruciaal belang is, noch met een verdere versterking van de belangrijke rol van interne adviesgroepen bij het opsporen en doeltreffend aanpakken van schendingen van die toezeggingen.

4.   Specifiek aan te pakken problemen

Interne adviesgroepen in partnerlanden

4.1.

Het is bijzonder belangrijk om met derde landen samen te werken op basis van wederzijds respect en begrip. Verscheidene regeringen zijn zeer terughoudend om te onderhandelen over een TSD-hoofdstuk en het opzetten van een toezichtsmechanisme voor het maatschappelijk middenveld. In veel landen is de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de strategie voor duurzame ontwikkeling vaak georganiseerd volgens andere regelingen dan in de EU. Canada is bijvoorbeeld bezig met de oprichting van twee interne adviesgroepen, één voor milieu en één voor arbeid. De oprichting van interne adviesgroepen is een geleidelijk proces dat een inspanning van de EU vereist om de partnerlanden te ondersteunen bij het betrekken van het maatschappelijk middenveld. Het EESC is van mening dat gezamenlijke interne adviesgroepen met partnerlanden zeer belangrijk zijn. Voor alle toekomstige overeenkomsten pleit het EESC voor de oprichting van onderlinge interne adviesgroepen (gezamenlijke maatschappelijke organen met de partnerlanden) en niet alleen afzonderlijke interne adviesgroepen voor elke partij (12). In gevallen waarin er echter al andere mechanismen voor het uiten van de mening van het maatschappelijk middenveld bestaan, zoals in de associatieovereenkomst tussen de EU en Chili, is het essentieel deze te behouden, aangezien het jaren vergt om vertrouwen en passende werkvoorwaarden te creëren.

4.2.

Belangrijke tekortkomingen, waarvan sommige in eerdere EESC-adviezen ter sprake kwamen, zijn onevenwichtig lidmaatschap, grote vertragingen, gebrek aan politieke en financiële ondersteuning door de overheden uit de partnerlanden en uitsluiting van de meest representatieve organisaties in sommige landen. Dit blijven grote obstakels vormen om te kunnen spreken van volwaardige partners. De keuze voor nationale organisaties in plaats van bestaande, representatieve en evenwichtige regionale maatschappelijke structuren (wat in het geval van Midden-Amerika en Mercosur is gebeurd) is schadelijk voor het regionale samenwerkingsvermogen van het maatschappelijk middenveld en voor de regionale cohesie zelf.

4.3.

De EU moet de partnerlanden er langs diplomatieke weg maar vast van overtuigen dat ze aan de overeenkomsten moeten voldoen en evenwichtige en representatieve interne adviesgroepen moeten creëren. Daartoe dient er coördinatie te worden opgezet tussen de Commissie, de EDEO, het Europees Parlement en zijn diverse organen en het EESC.

Samenstelling en representativiteit

4.4.

Wat interne adviesgroepen relevant maakt, is ook hun samenstelling, en met name de representativiteit en competentie van hun leden, hetgeen belangrijke aspecten zijn die in de toekomst behouden moeten blijven en verder moeten worden gepromoot in derde landen. Dit moet worden gewaarborgd in de selectieprocedure. Het EESC verwacht te worden geraadpleegd over verbetering van de selectieprocedure. In de interne adviesgroepen moet een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen van het maatschappelijk middenveld worden gegarandeerd. Het doel is ervoor te zorgen dat het debat of de agenda niet wordt gedomineerd door één enkele belanghebbende of subgroep van belanghebbenden, want de door alle subgroepen voorgestelde punten moeten aan bod komen.

Doeltreffendheid en efficiëntie/Logistieke en organisatorische uitdagingen

4.5.

Het beperkte aantal leden van de interne adviesgroepen (meestal niet meer dan zes per subgroep) en hun werkwijze garanderen de doeltreffendheid en efficiëntie van de interne adviesgroepen. Het EESC beveelt aan dat de interne adviesgroepen ten minste tweemaal per jaar op EU-niveau bijeenkomen en dat bijeenkomsten van de onderlinge interne adviesgroepen formeel worden vastgelegd in toekomstige overeenkomsten, zodat zij tweemaal per jaar kunnen plaatsvinden (tijdens een van de bijeenkomsten moeten de deelnemers elkaar echt ontmoeten, de tweede kan om logistieke en budgettaire redenen ook worden gehouden als videoconferentie). Het EESC dringt erop aan dat de onderhandelaars lessen trekken uit de opgedane ervaringen met eerdere vrijhandelsovereenkomsten, waarbij beide partijen interne adviesgroepen voor het maatschappelijk middenveld oprichtten zonder dat er in het kader van de overeenkomsten een mogelijkheid bestond om een gemeenschappelijke dialoog aan te gaan. De duidelijke beperkingen van dit model zijn aangetoond. Het EESC roept de partijen bij bestaande overeenkomsten op om de bijeenkomsten van de onderlinge interne adviesgroepen formeel in de overeenkomsten te erkennen. Die bijeenkomsten maken het voor maatschappelijke organisaties die op regelmatige basis betrokken zijn bij hun respectieve nationale toezichtsactiviteiten, mogelijk van gedachten te wisselen over uitvoeringskwesties. Door de te leveren prestaties en een gemeenschappelijk werkprogramma te bepalen worden de leden van de interne adviesgroepen in staat gesteld de geboekte vooruitgang te beoordelen, gezamenlijke aanbevelingen op te stellen en verslag uit te brengen aan de instellingen en het maatschappelijk middenveld in ruimere zin, waarbij transparantie, verantwoordingsplicht en continuïteit worden gewaarborgd.

4.6.

Een betere coördinatie van de interne adviesgroepen zal zorgen voor een beter toezicht door het maatschappelijk middenveld. Gelet op de aanzienlijke kennis die binnen iedere interne adviesgroep wordt opgedaan beveelt het EESC aan om elk jaar in Brussel een conferentie van alle leden van de interne adviesgroepen op EU-niveau te organiseren zodat zij hun ervaringen met elkaar kunnen uitwisselen.

4.7.

De samenstelling van toekomstige interne adviesgroepen moet een afspiegeling zijn van de onderwerpen die in het werkprogramma aan de orde komen. Dit vereist de deelname van organisaties die beschikken over technische expertise ten aanzien van alle aspecten van handelsovereenkomsten en de directe belangen die op het spel staan. Om ervoor te zorgen dat het toezicht door de interne adviesgroepen alle aspecten van vrijhandelsovereenkomsten naar behoren bestrijkt, moeten de interne adviesgroepen intern over de nodige deskundigheid beschikken, maar ook in staat zijn om de deelname te vergroten en externe belanghebbenden te raadplegen. Interne adviesgroepen moeten ook de mogelijkheid hebben om elk jaar een hoorzitting te organiseren. Samenwerking met de nationale institutionele organen die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen — de nationale tegenhangers van het EESC — zal de uitbreiding van de dialoog buiten Brussel in de hand werken om een breder publiek te bereiken buiten het huidige kader en zodoende de in Brussel gevestigde organisaties te bevoordelen.

4.8.

De oprichting van meerdere organen in het kader van dezelfde overeenkomst leidt tot verwarring bij de handelspartners van de EU (13) en legt een last op de schouders van zowel derde landen als het EESC. Het is onnodig en weinig doeltreffend dat het maatschappelijk middenveld dubbel wordt vertegenwoordigd, namelijk in de algemene sfeer van de associatieovereenkomst en in het kader van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling. In het geval van de associatieovereenkomsten met Moldavië, Georgië en Oekraïne worden bijvoorbeeld twee verschillende organen opgericht: de politieke pijler van de overeenkomst voorziet in de oprichting van een platform voor het maatschappelijk middenveld dat bevoegd is voor alle aangelegenheden die onder de overeenkomst vallen, terwijl de handelspijler van de overeenkomst voorziet in de oprichting van een interne adviesgroep. Het EESC roept de EU op om ervoor te zorgen dat de gezamenlijke raadplegingsmechanismen bevoegd zijn voor alle pijlers van toekomstige associatieovereenkomsten, te beginnen met de heronderhandelde overeenkomsten met Chili en Mexico, en in de toekomst met Mercosur.

4.9.

Vastgesteld is dat door een interne adviesgroep in het verleden gemelde overtredingen van sommige bepalingen niet snel zijn aangepakt. Er moet worden voorzien in een rapportagemechanisme waarmee maatschappelijke organisaties die in toekomstige interne adviesgroepen zitting hebben, problemen bij de uitvoering kunnen melden of suggesties voor verbetering kunnen doen. Het EESC beveelt verder aan dat voorzitters van interne adviesgroepen het recht hebben om de standpunten van hun groep aan de handels- en TSD-comités voor te leggen, die binnen een redelijke termijn moeten reageren op kwesties en aanbevelingen die door de interne adviesgroepen naar voren zijn gebracht. Het EESC is ingenomen met de toezegging van de Europese Commissie om in de toekomst een gestructureerd, transparant en tijdsgerelateerd klachtenmechanisme in te voeren voor de tenuitvoerlegging van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling (TSD). Een dergelijke betrokkenheid moet ook de basis vormen voor de toekomstige aanpak.

Meer transparantie en communicatiestrategie

4.10.

Voordat de organen van het maatschappelijk middenveld worden opgezet en ruim vóór de uitvoering van de overeenkomst stelt het EESC alles in het werk om te komen tot de oprichting van interne adviesgroepen/raadgevende comités. Dat is in het bijzonder het geval in Midden-Amerika, Canada, Japan, Chili, Mercosur en Oekraïne, waar EESC-leden contacten hebben aangeknoopt met zusterorganisaties en overheden om hen bewust te maken dat ze zich op de toekomstige gezamenlijke werkzaamheden moeten voorbereiden. Deze inspanningen van het EESC zouden door het Europees Parlement, het DG Handel en de EDEO moeten worden ondersteund teneinde maatschappelijke organisaties in de partnerlanden te informeren over de noodzaak organen van het maatschappelijk middenveld op te richten, zodat die na de inwerkingtreding van de overeenkomst zo snel mogelijk operationeel kunnen worden.

4.11.

Om de zichtbaarheid van de interne adviesgroepen te waarborgen, beveelt het EESC aan om na de oprichting daarvan een communicatiecampagne te voeren en de speciale website regelmatig te actualiseren met vergaderdocumenten zoals agenda’s en notulen. Daartoe zou een IT-platform kunnen worden opgezet om de uitwisseling tussen de interne adviesgroepen van de EU en de partnerlanden te vergemakkelijken. Er moet ook gebruik worden gemaakt van sociale media.

Noodzakelijke middelen

4.12.

Zowel het EESC als de Europese Commissie hebben tot nu toe personele en financiële middelen ter beschikking gesteld om te helpen de interne adviesgroepen te laten functioneren. Sinds 2018 heeft de Commissie een begroting van 3 miljoen EUR voor drie jaar gereserveerd. Een externe contractant zal verantwoordelijk zijn voor de logistieke organisatie van de bijeenkomsten van de interne adviesgroepen.

4.13.

Er moet verdere financiële steun worden verstrekt voor de uitvoering van toekomstige overeenkomsten, met name door overheden uit de partnerlanden. De EU-instellingen zouden dit constant bij die overheden ter sprake moeten brengen en samen met hen naar duurzame langetermijnoplossingen moeten zoeken. Het EESC vindt dat de tekst van de overeenkomsten expliciet moet voorzien in de verbintenis, ook voor de overheden uit de partnerlanden, om de beoogde organen van het maatschappelijk middenveld adequaat te financieren en van politieke en logistieke steun te voorzien.

5.   Het EESC en de interne adviesgroepen

5.1.

Op verzoek van de Commissie steunt het EESC de interne adviesgroepen via zijn leden en secretariaat. Het EESC vindt zijn deelname waardevol en wenst deel te blijven uitmaken van alle interne adviesgroepen. Het beveelt aan om, met het oog op stabiliteit en continuïteit, het lidmaatschap van interne adviesgroepen vijf jaar te laten bedragen. De leden van het voorzitterschap zouden echter om de 2,5 jaar moeten rouleren.

5.2.

Het EESC zorgt voor een gestructureerde en georganiseerde werking van de interne adviesgroepen, draagt bij tot de identificatie van de partners in de partnerlanden, de vaststelling van de agenda, de organisatie van de vergaderingen en de verslaglegging aan de EU-instellingen en het maatschappelijk middenveld en garandeert dat verantwoording wordt afgelegd. Om deze redenen is het EESC de meest aangewezen instantie om de interne adviesgroepen voor te zitten, en daarom stelt het voor om in toekomstige vrijhandelsovereenkomsten bepalingen op te nemen op grond waarvan het EESC het voorzitterschap van de Europese interne adviesgroepen kan bekleden.

5.3.

Aangenomen wordt dat de kosten voor de aanwezigheid van het EESC in de interne adviesgroepen in de komende drie jaar zullen verdubbelen en zullen verdrievoudigen als de vrijhandelsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld, al worden meegerekend. Het EESC verwacht dat zijn lidmaatschap van alle interne adviesgroepen de inzet van nog eens 50 van zijn leden vereist.

5.4.

De interne adviesgroepen vormen dus een uitdaging voor het EESC in termen van financiële en personele middelen. Als alle huidige en toekomstige interne adviesgroepen operationeel zijn, kunnen de jaarlijkse kosten oplopen tot 24 % van het huidige budget van de afdeling Externe Betrekkingen voor leden.

5.5.

Wat de personele middelen betreft, moet ook het secretariaat van de afdeling Externe Betrekkingen worden versterkt en zijn budget voor dienstreizen worden verhoogd. Op basis van een akkoord tussen het EESC en de het DG Handel van de Commissie verzorgt de EESC-afdeling Externe Betrekkingen (REX) de secretariaatswerkzaamheden voor de opgerichte interne adviesgroepen van de EU en onderhoudt zij de contacten met de interne adviesgroepen van de partnerlanden in het kader van de jaarlijkse gezamenlijke bijeenkomsten en tussentijdse samenwerking.

5.6.

Het EESC wil de aandacht vestigen op de door zijn ambtenaren uitgevoerde secretariaatstaken, die ook andere dan alleen de organisatorische werkzaamheden van de interne adviesgroepen faciliteren. De interne adviesgroepen profiteren namelijk van de omvangrijke ervaring van het EESC-personeel met het in goede banen leiden van raadplegingen van het maatschappelijk middenveld in EU-lidstaten en derde landen of regio’s (het REX-secretariaat beheert momenteel 17 gezamenlijke organen met derde landen). Het secretariaat:

geeft leden beleidsadviezen voor hun werkzaamheden;

helpt de voorzitters van de interne adviesgroepen bij het opstellen van de agenda’s voor en notulen van vergaderingen;

adviseert over potentiële sprekers, deskundigen en maatschappelijke organisaties die zouden kunnen worden uitgenodigd;

bereidt vergaderstukken voor en zorgt dat de leden van de interne adviesgroepen voortdurend worden geïnformeerd over voor hen relevante onderwerpen;

benut zijn netwerk van contacten in andere EU-instellingen en internationale organisaties voor uitwisselingen tussen de interne adviesgroepen en die instellingen en organisaties.

Deze werkzaamheden vereisen steeds grotere economische en personele inspanningen.

5.7.

Het EESC is het Europees Parlement dankbaar voor zijn verzoek om een verhoging van de leden- en personeelsbegroting in 2017 en 2018 en hoopt dat het ook in de toekomst op deze steun kan rekenen. Het EESC verzoekt de begrotingsautoriteiten om een aanvullend budget dat is afgestemd op de huidige, door de Commissie voorziene uitgaven om interne adviesgroepen te ondersteunen bij het uitvoeren van de verwachte werkzaamheden in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht.

5.8.

De beperkte middelen nopen, bij de oprichting van een interne adviesgroep, tot een deelname van drie EESC-leden voor een normale interne adviesgroep en staan alleen in uitzonderlijke gevallen een deelname van zes leden toe, zoals:

een interne adviesgroep met een land/gebied waarvan de totale omvang van de EU-handel meer dan 100 miljard EUR per jaar bedraagt,

of waar de EU meer dan 100 miljard EUR investeert,

of waarvan het belang vanuit geopolitiek en strategisch perspectief groot is,

of waar duurzaamheidsaspecten bijzonder relevant zijn.

Soortgelijke criteria zouden bij de oprichting van interne adviesgroepen in aanmerking moeten worden genomen. De EU heeft handelsovereenkomsten met 69 landen en regio’s in de wereld. Niet in alle gevallen is de oprichting van een interne adviesgroep nodig.

Het EESC en de EU-instellingen

5.9.

Interne adviesgroepen spelen een andere rol ten opzichte van de EU en ten opzichte van het partnerland. Aan EU-zijde brengen de interne adviesgroepen hoofdzakelijk verslag uit bij de Europese Commissie, en het is belangrijk om in de toekomst ook bij het Europees Parlement en de Raad verslag te kunnen uitbrengen. Wat het Europees Parlement betreft, wordt momenteel op informele ad-hocbasis verslag uitgebracht op verzoek van de Commissie Internationale Handel (INTA) of van een van de delegaties van het Europees Parlement voor de betrekkingen met derde landen. Een meer gestructureerd, regelmatig raadplegingsmechanisme zou kunnen worden overwogen.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Advies over de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU (PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27).

(2)  Advies „Naar een Associatieovereenkomst EU-Mercosur”, paragraaf 6 (PB C 283 van 10.8.2018, blz. 9).

(3)  Advies over hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU (PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27).

(4)  Brief van Antonio Tajani, voorzitter van het Europees Parlement, aan Luca Jahier, voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité, d.d. 11 oktober 2018.

(5)  In het non-paper van de diensten van de Commissie getiteld „Feedback and way forward on improving the implementation and enforcement of Trade and Sustainable Development chapters in EU Free Trade Agreements”werd de balans opgemaakt van het debat en overleg met de EU-lidstaten, het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld, http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/february/tradoc_156618.pdf

(6)  EESC-advies over hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU (PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27), EESC-advies „Naar een Associatieovereenkomst EU-Mercosur”(PB C 283 van 10.8.2018, blz. 9) en EESC-advies over de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 201).

(7)  Zie voor meer details paragraaf 4.8.

(8)  Bijv. het formele overleg in 2018 van het DG Handel met de Koreaanse regering over de situatie t.a.v. vakbondsrechten in Korea en het niet-ratificeren door Korea van sommige IAO-verdragen, waarom herhaaldelijk door de interne adviesgroep van de EU voor Korea is verzocht.

(9)  Damien Raess, blz. 13.

(10)  Verslag van de Unctad en de Nationale Handelscommissie van Zweden.

(11)  In 2018 bijvoorbeeld omvatten de uitvoeringskwesties in de vrijhandelsovereenkomst met Korea de ratificatie en tenuitvoerlegging van IAO-verdragen, de export van rundvlees naar Korea, de vergoeding van intellectuele-eigendomsrechten, het regelgevingskader, de markttoegang voor elektronica, auto’s en machines, en de verbetering van de douaneprocedures. Andere vrijhandelsovereenkomsten zullen uiteraard hun eigen kwesties hebben.

(12)  Advies „Naar een Associatieovereenkomst EU-Mercosur”, paragraaf 6 (PB C 283 van 10.8.2018, blz. 9).

(13)  Advies over hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU (PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27).


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Europees Economisch en Sociaal Comité

10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/38


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van de nadere technische maatregelen voor de werking van het definitieve btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten

(COM(2018) 329 final — 2018/0164 (CNS))

(2019/C 159/05)

Rapporteur: Krister ANDERSSON

Corapporteur: Giuseppe GUERINI

Raadpleging

Raad van de Europese Unie, 11.7.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

20.12.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

24.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen)

163/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de meer dan 25 jaar geleden ingevoerde en nog steeds van kracht zijnde btw-overgangsregeling voor de belasting van het handelsverkeer tussen de lidstaten te vervangen. Het beëindigen van de overgangsregeling is een cruciale stap in de richting van een definitief btw-stelsel op basis van het bestemmingsbeginsel voor het belasten van goederen in b2b-transacties, en is een belangrijke verwezenlijking die bewijst dat de interne markt van de EU voortdurend wordt geconsolideerd.

1.2.

Het EESC dringt er nogmaals (1) bij de Commissie op aan na te gaan hoe een gemeenschappelijk systeem voor zowel diensten als goederen zo snel mogelijk kan worden ingevoerd, zodat de te verwachten problemen als gevolg van het naast elkaar bestaan van twee verschillende systemen voor goederen en diensten worden verminderd. De Commissie heeft echter herhaaldelijk gepleit voor een geleidelijke overgang in twee stappen naar de nieuwe regeling, waarbij goederen in de eerste stap aan bod komen en diensten in de tweede stap.

1.3.

Het EESC benadrukt dat de werkzaamheden in de richting van de tweede stap moeten worden voorgezet, aangezien een gelijke behandeling van goederen en diensten voor btw-doeleinden bevorderlijker zou zijn voor de groei en doeltreffender tegen fraude.

1.4.

Hoewel het een uitgebreid en goed geformuleerd voorstel van de Commissie is, wijst het EESC erop dat er nog enkele onopgeloste vraagstukken zijn. Het voorgestelde systeem zou inderdaad gebaat zijn bij heldere bepalingen of meer duidelijkheid over de regels voor oninbare vorderingen en het beheer van terugbetalingen binnen het éénloketsysteem. Bovendien zouden aanvullende definities van begrippen als „marktplaats” en „platformen” kunnen worden gegeven en uitgewerkt.

1.5.

Het EESC merkt op dat het voorgestelde systeem kasstroomeffecten als gevolg van de btw op grensoverschrijdende b2b-leveringen van goederen tot gevolg zal hebben, wat leidt tot kasstroominkomsten voor de verkoper en kasstroomkosten voor de koper. De kapitaalkosten zullen over het algemeen echter hoger zijn, aangezien de tijd voor het innen van de btw altijd langer zal zijn dan de tijd dat de btw in het bezit is van de verkoper. Bovendien zal er in het éénloketsysteem een gedifferentieerde aangifteperiode zijn, omdat de rapportagetermijnen van de lidstaten, de betalingstermijnen van de lokale belastingdiensten en de efficiëntie van de belastingdienst bij de teruggave van de btw aan het land van de koper uiteenlopen.

1.6.

Het EESC dringt erop aan dat deze aspecten verder worden onderzocht om negatieve gevolgen voor de interne markt te voorkomen en om de zekerheid en voorspelbaarheid van het nieuwe btw-stelsel in aanbouw te waarborgen, zodat de nalevingskosten en administratieve lasten worden verminderd.

1.7.

Het EESC dringt erop aan dat in alle lidstaten duidelijke en evenredige criteria voor het begrip „gecertificeerd belastingplichtige” worden gehanteerd om een zo ruim mogelijke toegang tot de status van gecertificeerd belastingplichtige mogelijk te maken. Om het doel van de de nieuwe, op de bestemming gebaseerde regeling te bereiken, zou het nuttig zijn het tijdsbestek waarbinnen de lidstaten aanvraag moeten behandelen om de status van gecertificeerd belastingplichtige te verkrijgen, te harmoniseren. De lidstaten moeten een aanvraag voor de status van gecertificeerd belastingplichtige zo snel mogelijk behandelen, zodat bedrijven hun activiteiten kunnen voortzetten zonder onnodige onderbrekingen, vertragingen en administratieve lasten als gevolg van de onzekerheid. Tegelijkertijd moet de Europese Commissie met name tijdens de eerste maanden van toepassing nauwlettend toezien op de werking van deze status, om mogelijk misbruik en een gebrek aan uniformiteit in de regelgeving te voorkomen.

1.8.

Een goed functionerend éénloketsysteem is van cruciaal belang voor de invoering van het nieuwe, op de bestemming gebaseerde systeem. Zonder een goed ontwikkeld éénloketsysteem op basis van controles in het land van oorsprong, schaalbare vereenvoudigingen en de mogelijkheid om voorbelasting uit alle lidstaten te verrekenen, zal het bestemmingsbeginsel de administratieve lasten, met name voor het mkb, dramatisch doen stijgen.

1.9.

Het EESC is bezorgd dat het huidige voorstel zowel voor het mkb als voor startende ondernemingen een onoverkomelijk obstakel kan blijken te zijn. Het EESC is van mening dat de verleggingsregeling moet worden toegepast op alle grensoverschrijdende b2b-leveringen van goederen, totdat de definitieve regeling volledig is ingevoerd en de btw tijdig wordt terugbetaald.

1.10.

Het EESC beveelt aan om voldoende te investeren in IT-hardware/software om een solide en betrouwbaar éénloketsysteem te ontwikkelen dat in staat is een aanzienlijke hoeveelheid gevoelige informatie op efficiënte wijze te beheren en een snelle en veilige werking van het systeem te garanderen, ten voordele van zowel Europese bedrijven als de belastingdiensten. Dergelijke investeringen zijn van strategisch belang om negatieve resultaten tijdens de overgangsperiode van het oude naar het nieuwe systeem te voorkomen. Dit brengt aanzienlijke aanpassingskosten met zich mee, die zo laag mogelijk moeten worden gehouden door middel van een adequate digitalisering.

1.11.

Het EESC benadrukt dat de lidstaten verder moeten samenwerken om fraude te bestrijden, en dat een voortdurende analyse nodig is om ervoor te zorgen dat het voorgestelde systeem niet zal leiden tot nieuwe vormen van fraude en verliezen bij de inning. Belastingheffing op grensoverschrijdende b2b-transacties zal het totale btw-bedrag in het stelsel verhogen. Hierdoor wordt mogelijk de deur opengezet voor andere vormen van fraude en het mislopen en verliezen van belastinginkomsten. Een belastingplichtige in een lidstaat met een grote btw-kloof zal als ontvanger optreden voor lidstaten met een kleinere btw-kloof.

1.12.

Het EESC pleit voor meer samenwerking tussen de nationale belasting- en handhavingsautoriteiten om het nieuwe, op de bestemming gebaseerde btw-stelsel doeltreffender te maken, zowel wat betreft de bestrijding van fraude als wat betreft de betrouwbaarheid ten gunste van Europese ondernemingen. Dergelijke samenwerking zou onder andere moeten bestaan uit een geautomatiseerde uitwisseling van informatie en gegevens, alsook periodieke verslagen en analyses over de werking van de nieuwe regeling, met name tijdens de eerste jaren van de toepassing ervan.

1.13.

Ten slotte is het EESC van mening dat Europese ondernemingen baat zouden hebben bij een uitgebreide communicatiecampagne van de Commissie om de belangrijkste kenmerken van het nieuwe btw-stelsel en de concrete voordelen die de btw-hervorming naar verwachting zal opleveren voor Europese ondernemingen en hun groei, in duidelijke en praktische bewoordingen uit te leggen.

2.   Inleiding en achtergrond

2.1.

In het kader van haar in april 2016 goedgekeurde actieplan inzake de btw (2) heeft de Europese Commissie een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van gedetailleerde technische wijzigingen van de EU-voorschriften inzake de belasting over de toegevoegde waarde („btw”) gepubliceerd (3). De voorgestelde richtlijn wijzigt ongeveer tweehonderd artikelen van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (4), die zullen worden aangepast om nadere technische maatregelen in te voeren voor de werking van het definitieve btw-stelsel voor de belasting van het handelsverkeer tussen de lidstaten (op basis van het bestemmingsbeginsel).

2.2.

Het voorstel van de Commissie vervangt de overgangsregeling die sinds 1 januari 1993 van kracht is en bevat gedetailleerde bepalingen voor de b2b-handel binnen de Unie, op grond waarvan binnenlandse en grensoverschrijdende transacties van goederen op dezelfde manier zullen worden behandeld. Bovendien is het voorstel de eerste van twee regelgevingsmaatregelen — de ene voor goederen, de andere voor diensten — die de Commissie treft om tot een eenvoudiger en fraudebestendiger definitief btw-stelsel voor de handel binnen de Unie te komen.

2.3.

Het voorstel van de Commissie brengt grote wijzigingen in de btw-richtlijn met zich mee die het bedrijfsleven en de nationale begrotingen de volgende voordelen moeten opleveren: 1) vereenvoudiging van de wijze waarop goederen worden belast; 2) ontwikkeling van één onlineportaal (éénloketsysteem) voor ondernemers; 3) terugdringen van de administratieve rompslomp, en 4) vaststelling van de algemene verantwoordelijkheid van de verkoper voor de inning van de btw.

2.4.

De belangrijkste wijzigingen betreffen de schrapping van het begrip „intracommunautaire verwerving van goederen”, waarbij de handel in goederen tussen bedrijven (b2b) voor btw-doeleinden wordt opgesplitst in twee transacties: een van btw vrijgestelde verkoop in de lidstaat van oorsprong en een belaste verwerving in de lidstaat van bestemming. Dit zal worden vervangen door het nieuwe concept van „intra-Unieleveringen van goederen”, waarbij een grensoverschrijdende b2b-levering van goederen binnen de Unie voor btw-doeleinden als één enkele transactie zal worden beschouwd.

2.5.

De door de Commissie voorgestelde wijzigingen omvatten ook: i) een nieuwe uitzondering op de algemene regel die inhoudt dat een intra-Unielevering wordt geacht plaats te vinden daar waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer; ii) een wijziging die één enkele regel vaststelt voor het tijdstip waarop de btw op intra-Unieleveringen verschuldigd wordt, en iii) een nieuw artikel op grond waarvan de btw verschuldigd wordt door de afnemer van de goederen voor zover deze een gecertificeerd belastingplichtige is. De Commissie verwacht dat het voorstel ook de grensoverschrijdende btw-fraude met wel 41 miljard EUR per jaar zal doen dalen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de meer dan 25 jaar geleden ingevoerde en nog steeds van kracht zijnde btw-overgangsregeling voor de belasting van het handelsverkeer tussen de lidstaten te vervangen. Het beëindigen van de overgangsregeling is een cruciale stap in de richting van een definitief btw-stelsel op basis van het bestemmingsbeginsel voor het belasten van goederen in b2b-transacties, en is een belangrijke verwezenlijking die bewijst dat de interne markt van de EU voortdurend wordt geconsolideerd.

3.2.

Het EESC is bezorgd over de kosten voor bedrijven en met name voor het mkb. Zij moeten hun systemen aanpassen aan de regels voor de handel binnen en buiten Europa. Het is van het grootste belang dat de nieuwe rapportageverplichtingen voor de btw niet in het voorstel of de uitvoering ervan worden opgenomen. Dergelijke veranderingen zouden de nalevingskosten alleen maar opdrijven.

3.3.

In eerdere adviezen heeft het EESC er bij de Commissie op aangedrongen om na te gaan hoe een gemeenschappelijk systeem voor zowel diensten als goederen zo snel mogelijk kan worden ingevoerd, zodat de te verwachten problemen als gevolg van het naast elkaar bestaan van twee verschillende systemen voor goederen en diensten worden verminderd (5). De Commissie heeft echter herhaaldelijk gepleit voor een geleidelijke overgang in twee stappen naar de nieuwe regeling.

3.4.

Zo zullen de Commissie en de nationale belastingautoriteiten, alvorens ook de diensten op te nemen, de resultaten van het nieuwe, op de bestemming gebaseerde btw-stelsel beoordelen op het stuk van: i) de doeltreffendheid in de strijd tegen fraude; ii) de nalevingskosten voor Europese bedrijven, en iii) het beheer van het nieuwe kader door de belastingdiensten.

3.5.

Het EESC hoopt dat de keuze voor een geleidelijke en tragere overgang naar het nieuwe btw-stelsel in de nabije toekomst zal leiden tot een uniek en efficiënt definitief systeem voor zowel goederen als diensten. Tijdens de geleidelijke tenuitvoerlegging kan lering worden getrokken uit de eerste operationele resultaten van de nieuwe regeling, die alleen betrekking heeft op goederen.

3.6.

Er zij echter op gewezen dat al meer dan 25 jaar wordt gewacht op het definitieve btw-stelsel, als tweede stap van de overgangsregeling. Het EESC benadrukt dan ook dat de werkzaamheden ter verwezenlijking van de tweede stap moeten worden voortgezet. Als goederen en diensten op dezelfde manier zouden worden behandeld, zou het btw-stelsel meer bevorderlijk zijn voor groei en fraudebestendiger zijn.

3.7.

Hoewel het een uitgebreid voorstel is, wijst het EESC erop dat er nog enkele onopgeloste vraagstukken zijn. Het voorgestelde systeem zou bijvoorbeeld gebaat zijn bij heldere bepalingen of meer duidelijkheid over de regels voor oninbare vorderingen, het beheer van terugbetalingen binnen het éénloketsysteem, vooruitbetalingen en definities van „marktplaats”, „platform” enz. Deze onzekerheden, in combinatie met een negatieve kasstroom, zullen ertoe leiden dat bedrijven maatregelen nemen om de risico’s tot een minimum te beperken. Het EESC wil dat een en ander verder wordt onderzocht om negatieve gevolgen voor de interne markt te voorkomen.

3.8.

Vanuit een ander perspectief is het vermeldenswaardig dat Europese ondernemingen baat zouden hebben bij een uitgebreide communicatiecampagne van de Commissie om de belangrijkste kenmerken van het nieuwe btw-stelsel en de concrete voordelen die de btw-hervorming naar verwachting zal opleveren om Europese ondernemingen en hun groei te ondersteunen, in duidelijke en praktische bewoordingen uit te leggen.

3.9.

Belastingheffing op grensoverschrijdende b2b-transacties zal het totale btw-bedrag in het stelsel verhogen. Hierdoor wordt mogelijk de deur opengezet voor andere vormen van fraude en het mislopen en verliezen van belastinginkomsten. Een belastingplichtige in een lidstaat met een grote btw-kloof zal als ontvanger optreden voor lidstaten met een kleinere btw-kloof. Daarom benadrukt het EESC dat de lidstaten verder moeten samenwerken om fraude te bestrijden, en dat een voortdurende analyse nodig is om ervoor te zorgen dat het voorgestelde systeem niet zal leiden tot nieuwe vormen van fraude en verliezen bij de inning.

4.   Voornaamste wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG

4.1.

De huidige opsplitsing van een goederentransactie in twee delen voor btw-doeleinden — een levering in de lidstaat van vertrek van de goederen, die is vrijgesteld, en een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van bestemming, die is belast — zal worden vervangen door één enkele transactie, genaamd „intra-Unie levering van goederen”, waarbij het woord „communautair” is vervangen door het woord „Unie” (6).

4.1.1.

De overgang naar één enkele transactie is noodzakelijk om het nieuwe btw-stelsel op basis van het bestemmingsbeginsel tot stand te brengen en zal het administratieve beheer van de afzonderlijke transacties waarschijnlijk vereenvoudigen. Anderzijds is de schrapping van de verwijzing naar de „Europese Gemeenschap” in de volledige tekst van Richtlijn 2006/112/EG een noodzakelijke aanpassing van de tekst in het licht van de nieuwe institutionele formulering van het Verdrag van Lissabon, waarin wordt verwezen naar de „Europese Unie”.

4.1.2.

Onder „intra-Unielevering van goederen” wordt verstaan „een levering van goederen door een belastingplichtige aan een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, waarbij de goederen worden verzonden of vervoerd, door of voor rekening van de leverancier of de persoon die de goederen binnen de Unie verwerft, van een lidstaat naar een andere lidstaat” (7).

4.1.3.

Er zij op gewezen dat een dergelijk alomvattend begrip niet van toepassing is op: i) de levering van goederen met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen; ii) leveringen van goederen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 148 of artikel 151 van Richtlijn 2006/112/EG, en iii) goederen die onder de forfaitaire regelingen voor landbouwproducenten vallen (8). Wanneer dergelijke transacties grensoverschrijdend worden verricht, geven zij momenteel geen aanleiding tot intracommunautaire leveringen en verwervingen, en de nieuwe tekst bevestigt deze specifieke regeling.

4.1.4.

Het EESC beschouwt de bovengenoemde vrijstellingen als een nuttige bevestiging van de bepalingen die reeds in Richtlijn 2006/112/EG zijn opgenomen met betrekking tot specifieke in de lijst opgenomen goederen, zodat de samenhang en zekerheid van de btw-regels in de hele interne markt tijdens de initiële tenuitvoerlegging van het nieuwe stelsel kan worden gewaarborgd.

4.2.

Het begrip „intra-Unie levering van goederen” wordt aangevuld met een specifieke toevoeging in Richtlijn 2006/112/EG betreffende de „plaats van levering van goederen”, die bepaalt in welke lidstaat de btw verschuldigd is. De bestaande algemene regels ter zake worden bevestigd, maar met een nieuwe uitzondering (9), die inhoudt dat „een intra-Unielevering wordt geacht plaats te vinden daar waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer (10)”.

4.2.1.

Het EESC steunt het idee achter beide regelgevingskeuzes van de Commissie, aangezien deze duidelijk gericht zijn op de ontwikkeling van het nieuwe, op de bestemming gebaseerde systeem. Het behoud van uitgebreide uitzonderingen op basis van het oorsprongslandbeginsel zou de consistentie van het nieuwe btw-kader kunnen schaden, de voorspelbaarheid van de wetgeving kunnen verminderen en zowel de nalevingskosten voor ondernemingen als de administratieve lasten voor de belastingdiensten kunnen verhogen.

4.2.2.

Wel is het belangrijk om de kasstroomeffecten van het voorgestelde systeem verder te analyseren. Momenteel zijn er geen kasstroomeffecten als gevolg van de btw op grensoverschrijdende b2b-leveringen van goederen. Het voorgestelde systeem zal juist resulteren in kasstroominkomsten voor de verkoper en kasstroomkosten voor de koper (11).

4.2.3.

De kapitaalkosten zullen over het algemeen echter hoger zijn, aangezien de tijd voor het innen van de btw normaal gesproken langer zal zijn dan de tijd dat de btw in het bezit is van de verkoper. Dit is te wijten aan het feit dat veel lidstaten de teruggaaf van de btw uitstellen. De kapitaalkosten zullen variëren naargelang van de rapporteringsperioden van de lidstaten, de betalingstermijn aan de lokale belastingdienst en de efficiëntie van de belastingdienst bij de teruggaaf van de btw aan de koper. De kapitaalkosten zijn vooral een punt van zorg voor kleine lidstaten met hoge exportcijfers.

4.2.4.

De gevolgen voor de kasstroom en liquiditeit van Europese ondernemingen moeten zowel door de Europese als de nationale belastingautoriteiten voldoende in overweging worden genomen en op efficiënte wijze worden aangepakt, om vertragingen bij de teruggave en de daaraan verbonden kosten te vermijden. Veranderingen in de toeleveringsketens als gevolg van kasstroomeffecten kunnen een belemmering vormen voor de intra-Unie handel en de voltooiing van de interne markt in de weg staan.

4.3.

Het beginsel dat de btw verschuldigd is door elke belastingplichtige die een belastbare levering van goederen verricht, blijft een hoeksteen van het btw-stelsel, met uitzondering van enkele van de reeds in artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG opgenomen afwijkingen, die nu worden aangevuld met een nieuwe afwijking uit hoofde van artikel 194, onder a). Deze afwijking houdt in dat, in het geval dat de leverancier niet is gevestigd in de staat waar de btw verschuldigd is, de btw verschuldigd wordt door de afnemer van de goederen, voor zover deze een gecertificeerde belastingplichtige is (12).

4.3.1.

Wat de gecertificeerde belastingplichtige betreft, heeft het EESC begrip voor het idee om bedrijven waarvan de fiscale betrouwbaarheid is aangetoond, te laten profiteren van passende vereenvoudigingsmaatregelen. Maar zoals opgemerkt in advies ECO/442 over het btw-hervormingspakket (I), moet het concept van de gecertificeerde belastingplichtige worden geschraagd door duidelijke en transparante criteria voor de tenuitvoerlegging, die het bedrijfsleven, en met name het mkb, in staat stellen om van de status van gecertificeerd belastingplichtige te profiteren.

4.3.2.

Het Comité onderstreept dat het voor het behalen van de verwachte voordelen van belang is dat een belastingplichtige die samengestelde leveringen verricht, de geboden vereenvoudigingen op alle onderdelen van een transactie kan toepassen. Door een fictieve opsplitsing van de transactie af te dwingen, dreigt de beoogde vereenvoudiging eerder een complicatie te worden.

4.3.3.

In dit verband is het van cruciaal belang dat in alle lidstaten geharmoniseerde, duidelijke en evenredige criteria worden toegepast om een zo ruim mogelijke toegang tot de status van gecertificeerd belastingplichtige mogelijk te maken. Tegelijkertijd moet de Europese Commissie met name tijdens de eerste maanden van toepassing nauwlettend toezien op de werking van deze status, om mogelijk misbruik en een gebrek aan uniformiteit in de regelgeving te voorkomen.

4.3.4.

Om het doel van de regeling te bereiken, zou het nuttig zijn het tijdsbestek waarbinnen de lidstaten een aanvraag moeten behandelen om de status van gecertificeerd belastingplichtige te verkrijgen, te harmoniseren. De lidstaten moeten een aanvraag voor de status van gecertificeerd belastingplichtige zo snel mogelijk behandelen, zodat bedrijven hun activiteiten kunnen voortzetten zonder onnodige onderbrekingen, vertragingen en administratieve lasten als gevolg van de onzekerheid.

4.3.5.

Bovendien is het EESC bezorgd dat het huidige voorstel zowel voor het mkb als voor startende ondernemingen een onoverkomelijk obstakel kan blijken te zijn. Het EESC is van mening dat de verleggingsregeling moet worden toegepast op alle grensoverschrijdende b2b-leveringen van goederen, totdat de definitieve regeling volledig is ingevoerd en de btw tijdig wordt terugbetaald.

4.4.

De door de Commissie voorgestelde afschaffing van de btw-lijsten voor goederen is in overeenstemming met het nieuwe btw-kader, dat het zelfregulerende karakter van de btw opnieuw invoert. Anderzijds is de bevestiging van de lijsten voor diensten in overeenstemming met de keuze van de Commissie om het actieplan in twee verschillende stappen uit te voeren (13).

4.4.1.

Het EESC steunt de door de Commissie voorgestelde wijzigingen om de lidstaten de mogelijkheid te geven om de verplichting tot het indienen van lijsten te vereenvoudigen, aangezien vereenvoudiging de administratieve rompslomp en operationele kosten voor Europese ondernemingen hopelijk zal verminderen. Het benadrukt echter dat dergelijke vereenvoudigingsmaatregelen goed moeten worden uitgewerkt om wanpraktijken van ondernemingen te voorkomen, temeer daar een groter gebruik van elektronische facturen de totstandkoming van een eenvoudiger systeem binnen de nationale belastingstelsels aanzienlijk zou kunnen bevorderen.

4.4.2.

De huidige bijzondere regeling voor intra-Unieafstandsverkopen van goederen en voor diensten verricht door belastingplichtigen binnen de EU, maar niet in de lidstaten van verbruik, is ingrijpend gewijzigd om het beginsel van één registratiesysteem voor de aangifte, betaling en aftrek van de belasting toe te passen.

4.5.

Met ingang van 1 januari 2021 kan een belastingplichtige die in zijn lidstaat van identificatie is geregistreerd, elk kwartaal elektronisch de btw-aangiften met betrekking tot diensten en intra-Unieafstandsverkopen aan niet-belastingplichtigen in een andere lidstaat (lidstaat van verbruik) indienen, samen met de verschuldigde btw (14).

4.5.1.

De lidstaat van identificatie zendt vervolgens de aangiften samen met de betaalde btw door naar de lidstaat van verbruik, waarmee wordt voorkomen dat deze belastingplichtigen in de lidstaat van verbruik moeten worden geregistreerd.

4.5.2.

Het toepassingsgebied van de transacties die onder een dergelijk mechanisme vallen, wordt uitgebreid van b2c-transacties tot b2b-transacties (objectieve uitbreiding) en wordt ook beschikbaar gesteld voor buiten de EU gevestigde belastingplichtigen die een tussenpersoon binnen de EU aanwijzen, die de btw voldoet en de in de regeling vastgestelde verplichtingen vervult (subjectieve uitbreiding).

4.5.3.

Belastingplichtigen die van de regeling gebruikmaken, moeten elke maand via het éénloketsysteem een btw-aangifte indienen wanneer hun jaaromzet in de Unie hoger is dan 2 500 000 EUR.

4.5.4.

Door de mogelijkheid om btw af te trekken en teruggaaf van btw-krediet te verkrijgen van een lidstaat binnen het éénloketsysteem, kunnen verschillende btw-verplichtingen die moeten worden uitgevoerd door zowel belastingplichtigen als belastingdiensten, doeltreffend op één plaats worden geconcentreerd.

4.5.5.

Het is een goede zaak dat de nieuwe regeling, met inbegrip van de aftrek, wordt vereenvoudigd door de belastingplichtige in staat te stellen de som van het nettobedrag van de btw (15) in elk van de lidstaten van belastingheffing te betalen.

4.5.6.

Anderzijds vergroot de aftrekmogelijkheid de behoefte aan rechtszekerheid en de volledigheid van de informatie waarover de belastingautoriteiten beschikken. Dit rechtvaardigt het voorstel van de Commissie om voor btw-aangiften via het éénloketsysteem extra informatie te verlangen, waaronder: i) het totale bedrag aan btw dat verschuldigd is geworden over leveringen van goederen en diensten waarvoor de belastingplichtige als ontvanger tot voldoening van de btw is gehouden, en over de invoer van goederen wanneer de lidstaat de keuzemogelijkheid van artikel 211, tweede alinea, toepast; ii) de btw die in mindering wordt gebracht; iii) wijzigingen betreffende vorige belastingtijdvakken, en iv) het nettobedrag van de te betalen, terug te geven of te verrekenen btw.

4.5.7.

Een goed werkend éénloketsysteem is een essentieel onderdeel van een op het bestemmingsbeginsel gebaseerd stelsel. Zonder een goed ontwikkeld éénloketsysteem op basis van controles in het land van oorsprong, schaalbare vereenvoudigingen en de mogelijkheid om voorbelasting uit alle lidstaten te verrekenen, zal het bestemmingsbeginsel de administratieve lasten, met name voor het mkb dramatisch doen stijgen.

4.5.8.

Er moet aandachtig worden gekeken naar de eerste operationele resultaten van het mini-éénloketsysteem dat sinds 1 januari 2015 van kracht is voor telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten en dat zal worden uitgebreid tot alle b2b-transacties op het gebied van elektronische handel (16), om een solide en volledig functionerend éénloketsysteem te realiseren met een uitgebreid en significant toepassingsgebied op basis van de concrete resultaten die dit instrument tot dusver heeft opgeleverd wanneer het op specifieke sectoren of industrieën wordt toegepast.

4.5.9.

Ten slotte beveelt het EESC aan om voldoende te investeren in IT-hardware/software om een solide en betrouwbaar éénloketsysteem te ontwikkelen dat in staat is een aanzienlijke hoeveelheid gevoelige informatie op efficiënte wijze te beheren en een snelle en veilige werking van het systeem te garanderen, ten voordele van zowel Europese bedrijven als de belastingdiensten. Dergelijke investeringen zijn van strategisch belang om negatieve resultaten tijdens de overgangsperiode van het oude naar het nieuwe systeem te voorkomen. Dit brengt aanzienlijke aanpassingskosten met zich mee, die zo laag mogelijk moeten worden gehouden door middel van een adequate digitalisering.

Brussel, 24 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Zie eerdere EESC-adviezen over een actieplan betreffende de btw (PB C 389 van 21.10.2016, blz. 43); een btw-hervormingspakket (I) (PB C 237 van 6.7.2018, blz. 40), en een btw-hervormingspakket (II) (PB C 283 van 10.8.2018, blz. 35).

(2)  COM(2016) 148 final.

(3)  COM(2018) 329 final.

(4)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(5)  Zie eerdere EESC-adviezen over een actieplan betreffende de btw (PB C 389 van 21.10.2016, blz. 43); een btw-hervormingspakket (I) (PB C 237 van 6.7.2018, blz. 40), en een btw-hervormingspakket (II) (PB C 283 van 10.8.2018, blz. 35).

(6)  Wijziging van de artikelen 2, 3 en 4 van Richtlijn 2006/112/EG.

(7)  COM(2018) 329 final, blz. 6.

(8)  Wijziging van artikel 14 van Richtlijn 2006/112/EG.

(9)  Zoals bepaald in artikel 35 bis van Richtlijn 2006/112/EG.

(10)  COM(2018) 329 final, blz. 7.

(11)  Indien de verkoper de btw moet betalen voordat hij het bedrag van de koper heeft ontvangen, zal de verkoper te maken krijgen met een negatieve kasstroom en dus met kosten.

(12)  Wijziging van de artikelen 193 en 194, onder a), van Richtlijn 2006/112/EG.

(13)  Wijziging van de artikelen 262-271 van Richtlijn 2006/112/EG.

(14)  Wijziging van de artikelen 358-369 van Richtlijn 2006/112/EG.

(15)  De verschuldigde btw, verminderd met de aftrekbare btw.

(16)  Bedrijven die telecommunicatiediensten, televisie- en radio-omroepdiensten en elektronische diensten leveren aan niet-belastingplichtigen in lidstaten waar zij niet over een vestiging beschikken, krijgen de mogelijkheid om via een webportaal in de lidstaat waar zij zijn geïdentificeerd, de btw op dergelijke diensten af te dragen.


EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/45


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft de aanpassing van de jaarlijkse voorfinanciering voor de jaren 2021 tot en met 2023

(COM(2018) 614 final — 2018/0322 (COD))

(2019/C 159/06)

Rapporteur: Javier DOZ ORRIT

Raadpleging

Europees Parlement, 13.9.2018

Europese Raad, 17.9.2018

Rechtsgrondslag

de artikelen 177 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

20.12.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

24.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

121/1/3

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Met het hier behandelde verordeningsvoorstel van de Commissie (1) wordt de huidige verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Europese fondsen (2) gewijzigd; zo wordt de voorfinanciering van de aan de lidstaten verleende steun teruggebracht van 3 % van het steunbedrag binnen het MFK 2014-2020 tot 1 % voor de jaren 2021 tot en met 2023.

1.2.

De verlaging van het voorfinancieringspercentage in de periode waarin de uitvoering van de uit de Europese fondsen binnen het MKF 2014-2020 gefinancierde programma’s haar beslag krijgt, zal bij de aanvang van het MKF 2021-2027 — als de nieuwe verordening gemeenschappelijke bepalingen (3) zoals voorgesteld door de Commissie wordt goedgekeurd — gepaard gaan met een nog ingrijpender verlaging: het voorfinancieringspercentage zal tussen 2021 en 2026 amper 0,5 % bedragen; vanaf 2027 zal de voorfinanciering volledig worden afgeschaft. Tegelijk stelt de Commissie voor het nieuwe MFK het volgende voor: een verlaging van de middelen voor het cohesiebeleid met 10 % en van de middelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met 13 %; een verhoging van het percentage van de medefinanciering ten laste van de lidstaten; en een verkorting van de uitvoeringsperiode van de programma’s (van n+3 naar n+2).

1.3.

Voorfinanciering is vooral bedoeld om ervoor te zorgen dat de lidstaten over voldoende liquiditeit beschikken voor het opstarten van de programma’s die medegefinancierd worden door Europese fondsen en om te vermijden dat de uitvoering ervan al te veel vertraging zou oplopen. Het gaat om een nuttig en noodzakelijk instrument. Om een uit de Europese fondsen gefinancierd programma op te starten moeten de lidstaten immers de middelen voorschieten aan de openbare instellingen en/of de particuliere actoren die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de programma’s.

1.4.

De redenen die de Commissie aanvoert voor de verlaging van de medefinancieringspercentages tegen het einde van de uitvoering van het MFK 2014-2020 vormen in de ogen van het Comité geen afdoende rechtvaardiging.

1.5.

De Commissie beschikt over voldoende instrumenten om na te gaan of de lidstaten de Europese middelen, inclusief de voorfinanciering, correct gebruiken; hervormingen om die capaciteit te verbeteren zouden ook de goedkeuring van het Comité wegdragen.

1.6.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EECS) verzoekt de Commissie haar voorstel om de voorfinancieringspercentages te verlagen opnieuw in overweging te nemen en vast te houden aan de in de huidige verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Europese fondsen in het kader van het MFK 2014-2020 vastgelegde percentages.

1.7.

Ook verzoekt het de Commissie om de in haar voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Europese fondsen in het kader van het MFK 2021-2027 vastgelegde voorfinanciering in het licht van de opmerkingen uit dit advies opnieuw te bekijken.

2.   Achtergrond van het Commissievoorstel

2.1.

In de huidige Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Europese fondsen worden de regels voor de verdeling van de middelen binnen het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 vastgelegd. In artikel 134 staat te lezen welke voorfinancieringsbedragen de lidstaten van de EU kunnen krijgen om de goedgekeurde programma’s die in aanmerking komen voor steun uit bedoelde fondsen op te starten. Zo wordt bepaald dat de voorfinanciering geleidelijk aan zou worden opgetrokken van 1 % van steunbedrag voor het programma uit de Fondsen en het EFMZV in 2014 tot 3 % voor de jaren 2020 tot en met 2023.

2.2.

Artikel 1 van het hier behandelde voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 — het enige van de twee artikelen van de tekst met een normatieve inhoud — behelst een wijziging van artikel 134 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, om zo de voorfinanciering in de periode 2021-2030 terug te brengen van 3 % naar 1 %; alleen in 2020 zou nog worden vastgehouden aan een voorfinanciering van 3 %. Bedoeld wordt steeds de voorfinanciering van de programma’s van het MFK 2014-2020, waarvan de uitvoering nog loopt tot 2023.

2.3.

In de toelichting bij het voorstel voor een verordening wordt aangegeven dat het bedrag van de voorfinanciering zou moeten worden gewijzigd „om de transparantie te vergroten en bij te dragen tot de voorspelbaarheid van de budgettaire planning en een stabieler en voorspelbaarder betalingsprofiel”; er wordt verwezen naar de terugbetalingen door de lidstaten aan de EU, waartoe de regeling in het kader van de goedkeuring van de rekeningen aanleiding geeft. Ook vermeldt de Commissie dat de basis voor de berekening van de voorfinanciering vanaf 2019 al de prestatiereserve bevat, die neerkomt op 6 % van de totale waarde van de vastgelegde steun.

2.4.

Het voorstel voor een verordening heeft betrekking op de voorfinanciering van de programma’s die uit de volgende fondsen worden gefinancierd: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Instrument voor grensbeheer en visa.

2.5.

In artikel 84 van het voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Europese fondsen binnen het meerjarig financieel kader 2021-2027 (4), dat is gewijd aan de voorfinanciering, wordt bepaald dat de voorfinanciering op basis van de totale steun uit de fondsen zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van het programma, 0,5 % zal bedragen en enkel de eerste zes jaar van de looptijd zal worden toegekend, dat wil zeggen van 2021 tot en met 2026. In het Commissievoorstel wordt niet voorzien in voorfinanciering voor 2027, noch voor de daaropvolgende jaren. Voor Interreg-programma’s zullen specifieke regels gelden en zou de voorfinanciering 1 % van de totale steun voor het programma bedragen.

2.6.

Andere in het voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 opgenomen wijzigingen van de geldende regels zijn de vermindering van het medefinancieringspercentage ten laste van de EU-begroting en de verkorting van de tijd die nodig is voor de uitvoering van de programma’s, wat inhoudt dat de n+3-regel wordt vervangen door de n+2-regel.

3.   Algemene en specifieke opmerkingen en voorstellen

3.1.

De procedures voor de steunverlening aan programma’s die worden gefinancierd uit de fondsen waarop Verordening (EU) nr. 1303/2013 betrekking heeft, en de andere regels inzake boekhouding en controle van de middelen die de EU aan de lidstaten verstrekt, vereisen dat deze laatste de middelen voorschieten aan de openbare instellingen en/of de particuliere actoren die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de programma’s. Naarmate de programma’s worden uitgevoerd en de lidstaten daarvan de nodige bewijzen voorleggen, maakt de EU voor de verschillende goedgekeurde programma’s de desbetreffende cofinancieringsbedragen over aan de lidstaten.

3.2.

Voorfinanciering is vooral bedoeld om ervoor te zorgen dat de lidstaten over voldoende liquiditeit beschikken; deze middelen zijn immers meer dan nodig voor het opstarten van de programma’s die medegefinancierd worden door Europese fondsen en om te vermijden dat de uitvoering ervan al te veel vertraging zou oplopen door eventuele liquiditeitsproblemen. Dergelijke liquiditeitsproblemen waren met name een groot probleem tijdens de zwaarste jaren van de recente economische en financiële crisis, waarin extreme bezuinigingsmaatregelen werden genomen, en vormen ook nu nog een probleem, met name voor de lidstaten die hun begrotingstekorten moeten terugdringen.

3.3.

De tijd die de voorbereiding, uitwerking, presentatie, goedkeuring en start van de programma’s in beslag neemt varieert naargelang van de aard van de aard van het programma en de capaciteit van de overheden en particuliere actoren in elk van de lidstaten, maar in veel gevallen gaat het om meer dan twee jaar; gevolg daarvan is dat programma’s meestal tijdens de laatste jaren van het MFK worden uitgevoerd en pas twee of drie jaar na afloop daarvan worden afgerond. In de verordening betreffende de gemeenschappelijke bepalingen van 2013 leek hiermee rekening te worden gehouden: de jaarlijkse voorfinancieringspercentages werden immers opgetrokken van 1 % voor 2014 tot 3 % voor de periode 2020-2023, wat neerkomt op een stijging van 2 % tot 2,875 % in de jaren 2016-2019.

3.4.

De huidige Commissievoorstellen staan daar lijnrecht tegenover. In de voorgestelde wijziging van de verordening van 2013, waarop dit advies betrekking heeft, wordt de jaarlijkse voorfinanciering, die in 2019 2,875 % van het steunbedrag voor elk programma zal bedragen, in de periode 2021-2023 verlaagd tot 1 %. Het voorstel voor een verordening betreffende de gemeenschappelijke bepalingen voor het MFK 2021-2027 ligt in dezelfde lijn maar gaat nog veel verder: de jaarlijkse voorfinanciering wordt bepaald op 0,5 % voor de periode 2021-2026; voor 2027 en de daaropvolgende jaren, waarin de uitvoering van de door de structuurfondsen en het Cohesiefonds gefinancierde programma’s nog zal worden voortgezet, is niet voorzien in voorfinanciering.

3.5.

In de ogen van het Comité vormen de redenen die de Commissie in de toelichting bij haar voorstel aanvoert, geen afdoende rechtvaardiging voor deze wijzigingen. De aangehaalde redenen betreffen de transparantie en voorspelbaarheid van de budgettaire planning en de stabiliteit en voorspelbaarheid van het betalingsprofiel. Hoe wenselijk ook, deze criteria hoeven niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar te zijn met een procedure voor voorschotten en verrekening, als er, zoals het geval zou moeten zijn, sprake is van voldoende controles.

3.6.

Het in de toelichting genoemde bedrag van 6,6 miljard EUR (2017) dat de lidstaten aan de EU hebben terugbetaald, kan gezien de hoogte ervan niet uitsluitend samenhangen met een te hoge voorfinanciering, maar moet te maken hebben met het feit dat programma’s niet of gebrekkig werden uitgevoerd, of met de ondeugdelijke planning van de certificering van de uitgaven. Bovendien klopt het niet dat de verlaging van het voorfinancieringspercentage zal worden gecompenseerd door het feit dat de percentages vanaf 2019 ook betrekking zullen hebben op de prestatiereserve, zoals in de toelichting wordt verklaard. Deze reserve bedraagt slechts 6 % van de middelen voor het programma en het nieuwe voorfinancieringspercentage zou volgens het voorstel slechts een derde van het oorspronkelijke percentage bedragen. Bovendien is deze prestatiereserve al opgenomen in de nationale begrotingen; het enige dat kan gebeuren is dat een lidstaat deze 6 % (gedeeltelijk) verliest als niet naar tevredenheid aan de uitvoeringscriteria wordt voldaan.

3.7.

Als deze wijziging van de regelgeving bedoeld is om een probleem op te lossen dat verband houdt met het beheer van de liquide begrotingsmiddelen, dan zal wat de Commissie voorstelt enkel tot resultaat hebben dat de liquiditeitsproblemen van de EU naar de lidstaten worden overgeheveld. De kwestie is complex. In het huidige MFK 2014-2020 vertegenwoordigen de EU-middelen uit de op het bruto nationaal inkomen (bni) gebaseerde bijdrage van de lidstaten 72 % van de totale EU-ontvangsten (5). Wanneer we het dus hebben over de liquiditeit van de EU, dan hebben we het ook over de liquiditeit van de lidstaten volgens hun welvaartsniveau.

3.8.

Er zij ook op gewezen dat het voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor het MFK 2021-2027 voorziet in een verhoging van het percentage van de medefinanciering ten laste van de lidstaten en dat de regel voor de uitvoeringsperiode met één jaar wordt verlaagd van n+3 naar n+2. Voorts omvat het voorstel inzake de meerjarige begroting 2021-2027 een verlaging van de middelen voor het cohesiebeleid met 10 %, en van de middelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met 13 %. Er wordt kortom voorgesteld om tegelijk de middelen van de fondsen aanzienlijk te verminderen, de periode voor de uitvoering van de programma’s te verkorten, en de lidstaten te verplichten hun medefinanciering op te voeren terwijl zwaar wordt gesnoeid in de voorfinanciering.

3.9.

Er zij aan herinnerd dat het EESC zich in zijn overkoepelend advies over het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 (6) aansluit „bij het Europees Parlement en […] ook (voorstelt) om een percentage van 1,3 % van het bni te hanteren als bovengrens voor de inkomsten en uitgaven”; voorts meent het EESC „dat de financiering van het cohesiebeleid (de som van het EFRO, het CF en het ESF) moet worden gehandhaafd in het MFK 2021-2027, met ten minste dezelfde middelen, tegen constante prijzen, als in het huidige financieel kader”. Datzelfde geldt voor het GLB en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Wat de inkomsten betreft verklaart het EESC in het hier bedoelde advies het volgende: „Daarbij moet worden uitgegaan van de voorstellen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement voor een breed scala van andere bronnen van eigen middelen, zodat in de periode van het volgende MFK veel vaker een beroep kan worden gedaan op eigen middelen.” Het is opvallend hoezeer EESC, EP en CvdR het eens zijn over dit en vele andere aspecten van het volgende MFK.

3.10.

Deze standpunten staan ook te lezen in de sectorale adviezen over het nieuwe financieel kader van de EU, met name het advies over de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Europese fondsen (7), waarin in lijn met het advies over het Meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 (8) nog het volgende wordt opgemerkt: „Wat betreft de vrijmakingsvoorschriften betreurt het EESC dat de huidige regel van N+3 in het voorstel wordt gewijzigd in N+2; het EESC verzoekt de Commissie dit voornemen te heroverwegen”; ook „verzoekt het de Commissie opnieuw te overwegen om de medefinancieringspercentages (ten laste van de lidstaten) te verhogen”.

3.11.

Naar de mening van het Comité beschikt de Commissie over voldoende instrumenten om na te gaan of de lidstaten de Europese middelen, inclusief de voorfinanciering, correct gebruiken. Daarnaast is het ervan overtuigd dat nauwe samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten de planning en het beheer van de programma’s in velerlei opzichten zou kunnen en moeten verbeteren; hervormingen in die zin zouden dan ook de goedkeuring van het Comité wegdragen.

3.12.

In het licht van bovenstaande opmerkingen kant het EESC zich tegen het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 op grond waarvan de jaarlijkse voorfinanciering voor de jaren 2021-2023 aanzienlijk zou worden verminderd.

3.13.

Het Comité verzoekt de Commissie haar voorstel opnieuw in overweging te nemen en rekening te houden met de opmerkingen uit onderhavig advies en de standpunten van de lidstaten, met name de lidstaten die de uit de Europese fondsen medegefinancierde programma’s op de beste en meest efficiënte manier hebben uitgevoerd; mocht toch worden afgeweken van de in de huidige verordening vastgelegde voorfinancieringspercentages, dan zou het Comité graag zien dat deze niet zoals gepland met twee derde worden verlaagd (in percentages) maar dat voor een beperktere vermindering wordt gekozen.

3.14.

Voorts dringt het EESC erop aan dat de drastische verlaging van de voorfinanciering en de stopzetting ervan vanaf 2027, waarin wordt voorzien in het voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke regels voor de Europese fondsen in het kader van het MFK 2021-2027, opnieuw wordt bekeken.

Brussel, 24 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft de aanpassing van de jaarlijkse voorfinanciering voor de jaren 2021 tot en met 2023, COM(2018) 614 final — 2018/0322 (COD).

(2)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(3)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa, COM(2018) 375 final — 2018/0196 (COD) en bijlagen.

(4)  COM(2018) 375 final — 2018/0196 (COD) en bijlagen.

(5)  In het voorstel van de Commissie voor het MFK 2021-2027 wordt uitgegaan van een verhoging van de „eigen middelen” van de EU, maar de bijdragen van de lidstaten op basis van hun bni zouden nog steeds ongeveer 57 % bedragen.

(6)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 106.

(7)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 83.

(8)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 106.


10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/49


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid in de eurozone

(COM(2018) 759 final)

(2019/C 159/07)

Rapporteur: Javier DOZ ORRIT

Raadpleging

Europese Commissie, 24.1.2019

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

20.12.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

24.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen)

162/2/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is van mening dat het opbouwen van economische veerkracht — een doelstelling die ten grondslag ligt aan de aanbevelingen van de Commissie met betrekking tot het economisch beleid van de eurozone — van het grootste belang is voor de economieën van de eurozone, aangezien zich neerwaartse risico’s voor de economische groei aftekenen die binnen afzienbare tijd wel eens zouden kunnen uitgroeien tot een nieuwe crisis. Het Comité wil echter benadrukken dat het streven naar economische veerkracht hand in hand moet gaan met een grotere veerkracht van de arbeidsmarkt, d.w.z. het vermogen van de arbeidsmarkten om schokken zonder al te grote sociale kosten te doorstaan (1).

1.2.

Het Comité waardeert het dat de Commissie een gedifferentieerde begrotingskoers binnen de eurozone aanbeveelt, maar waarschuwt ervoor dat het aanleggen van begrotingsbuffers in meerdere lidstaten met een hoge overheidsschuld en met een outputgap die nul of negatief is, een averechts effect op het streven naar inclusieve en duurzame groei en op de houdbaarheid van de schuld kan hebben.

1.3.

Het Comité herhaalt de uitspraak in zijn advies over het economisch beleid van de eurozone voor 2018 (2) dat het van cruciaal belang is dat het tekort aan particuliere en overheidsinvesteringen in de EU wordt weggewerkt. Daarom verzoekt het de EU-instellingen de nodige richtsnoeren en maatregelen vast te stellen om overheidsinvesteringen te bevorderen en particuliere investeringen te vergemakkelijken.

1.4.

Het EESC is ingenomen met de voorstellen om de belastingdruk van arbeid weg te halen, de onderwijsstelsels te versterken, meer te investeren in vaardigheden en een doeltreffender actief arbeidsmarktbeleid te voeren dat transities in de richting van hoogwaardige arbeidsplaatsen ondersteunt. Ook moet de segmentering van de arbeidsmarkt worden aangepakt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er voldoende financiering is voor sociale investeringen en socialebeschermingsstelsels.

1.5.

Bovendien is het EESC het volledig met de Commissie eens dat belastingfraude, -ontduiking en -ontwijking aangepakt moeten worden met maatregelen tegen agressieve fiscale planning, om de belastingstelsels efficiënter en eerlijker te maken en de kwaliteit van de overheidsfinanciën te verbeteren.

1.6.

Het EESC wijst er nogmaals op dat de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten een belangrijk middel is om de veerkracht te vergroten, opwaartse convergentie te bevorderen en uiteindelijk de Europese integratie te beschermen tegen centrifugale tendensen.

1.7.

Het EESC is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie om de tekorten en overschotten op de lopende rekening binnen de eurozone met elkaar in evenwicht te brengen, en vooral met de oproep om de lonen in de lidstaten met een overschot meer te laten stijgen. Het is van mening dat de reële loonstijging op nationaal niveau op middellange termijn niet achter mag blijven bij, maar gelijke tred moet houden met de productiviteitsgroei op nationaal niveau.

1.8.

Verbetering van het ondernemingsklimaat en bevordering van de voltooiing van de eengemaakte markt, zonder de sociale en arbeidsrechten aan te tasten, zijn volgens het EESC belangrijke manieren om de economische veerkracht van de eurozone te vergroten. Het Comité is het volledig met de Commissie eens dat de invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting een noodzakelijke stap in die richting is.

1.9.

Het economisch beleid moet er ook voor zorgen dat bedrijven gemakkelijker financiering kunnen krijgen. Het EESC wijst er nogmaals op dat de kapitaalmarktenunie van groot belang is voor de financiering van economische activiteiten, en ziet de langzame en door obstakels geplaagde ontwikkeling van de bankenunie, met onder meer de grote hoeveelheid niet-renderende leningen in sommige lidstaten, met lede ogen aan.

1.10.

Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan politiek leiderschap en de nodige inzet aan de dag te leggen om de meningsverschillen over de verdere verdieping van de EMU te overbruggen, met name wat betreft de voltooiing van de bankenunie, de verhoging van de eigen middelen en de totstandbrenging, binnen de EU-begroting, van een macro-economische stabilisatiefunctie die een toename van de economische veerkracht van de eurozone mogelijk zou maken.

2.   Achtergrond

2.1.

Verwacht wordt dat de groei van de productie in de eurozone, die inmiddels zijn zesde jaar ingaat, nu zal gaan vertragen. Tegelijkertijd tekenen zich neerwaartse risico’s af en zijn de littekens van de Grote Recessie, van een lagere potentiële groei tot verschillen tussen de lidstaten en hoge werkloosheidscijfers in sommige gebieden, nog altijd zichtbaar. Convergentie in de richting van veerkrachtigere economische structuren is dus een belangrijke doelstelling, evenals verdere verdieping van de EMU. In dit licht doet de Commissie de volgende belangrijke aanbevelingen voor het economische beleid in de eurozone in 2019:

2.2.

De eengemaakte markt verdiepen, het ondernemingsklimaat verbeteren en hervormingen van de product- en dienstenmarkten uitvoeren die de veerkracht versterken. In de lidstaten van de eurozone met tekorten op de lopende rekening de externe schulden afbouwen en hervormingen uitvoeren om de productiviteit te verbeteren en met inachtneming van de rol van de sociale partners de voorwaarden verbeteren die de loongroei ondersteunen, en maatregelen treffen ter bevordering van investeringen in de lidstaten van de eurozone met grote overschotten op de lopende rekening.

2.3.

De begrotingsbuffers heropbouwen in de landen van de eurozone met een hoge overheidsschuld, publieke en private investeringen ondersteunen en de kwaliteit en de samenstelling van de overheidsfinanciën in alle landen verbeteren. In tegenstelling tot voorgaande jaren beveelt de Commissie voor 2019 geen specifieke begrotingskoers voor de eurozone aan.

2.4.

De belastingen op arbeid verlagen, de onderwijsstelsels versterken en investeren in vaardigheden en in een doeltreffend actief arbeidsmarktbeleid dat transities ondersteunt. De segmentering van de arbeidsmarkt aanpakken en zorgen voor adequate socialezekerheidsstelsels in de gehele eurozone.

2.5.

Het achtervangmechanisme voor het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds operationeel maken, een Europees depositoverzekeringsstelsel oprichten en het Europese regelgevings- en toezichtkader versterken. De ordelijke schuldafbouw van grote volumes particuliere schulden bevorderen. Het aandeel niet-renderende leningen in de eurozone snel afbouwen en voorkomen dat dergelijke leningen worden opgebouwd, onder meer door de bevoordeling van schulden in de belastingheffing weg te werken.

2.6.

Snel vorderingen boeken bij de voltooiing van de economische en monetaire unie, ook met het oog op het versterken van de internationale rol van de euro, rekening houdend met de voorstellen van de Commissie, met inbegrip van de voorstellen inzake de financiële sector alsmede het steunprogramma voor hervormingen en de Europese stabilisatiefunctie voor investeringen in het voorstel voor het meerjarig financieel kader 2021-2027.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC vreest dat de neerwaartse risico’s met betrekking tot de economische vooruitzichten voor de eurozone binnen afzienbare tijd wel eens zouden kunnen uitmonden in een nieuwe sociaaleconomische crisis, met alle enorme aanpassingsproblemen vandien.

3.1.1.

De productiegroei bedroeg in 2017 slechts 1,7 % en is daarmee al over zijn hoogtepunt heen. De potentiële productiegroei ligt nog steeds onder het niveau van 2008, terwijl de overheidsinvesteringen zich nog lang niet hebben hersteld van de grote afname (met meer dan een kwart ten opzichte van het hoogste niveau) die zich sinds het uitbreken van de crisis heeft voorgedaan.

3.1.2.

De verschillen tussen de lidstaten blijven voortduren, vooral wat de werkloosheid betreft. Ondanks verbeteringen in de kernindicatoren blijven het totale aantal gewerkte uren en de omvang van de werkgelegenheid onder het niveau van 2008, terwijl de reële loonstijging bescheiden is gebleven en nog steeds achterblijft bij de productiviteitsgroei, d.w.z. dat winsten zelfs bij een bescheiden groei nog steeds ongelijk verdeeld worden.

3.1.3.

De eurozone heeft nog altijd een aanzienlijk overschot op de lopende rekening, met name doordat sommige lidstaten grote overschotten hebben; dit wijst op een relatief lage binnenlandse vraag en is een van de oorzaken van de internationale spanningen die handelsprotectionisme in de hand werken.

3.1.4.

Hoewel de groeivooruitzichten onlangs naar beneden zijn bijgesteld heeft de Europese Centrale Bank besloten om haar programma voor kwantitatieve versoepeling te beëindigen. Daarmee valt een belangrijke pijler van het beleid ter ondersteuning van de groei in de eurozone weg.

3.1.5.

Terwijl de economie als gevolg van de crisis nog altijd kwetsbaar is, bijv. door de hoge particuliere en overheidsschuld en de omvang van niet-renderende leningen op de balansen van de banken, is er vooralsnog onvoldoende vooruitgang geboekt bij het versterken van het institutionele bestel van de EMU op een manier die de veerkracht van de economie van de eurozone zou vergroten zonder het vermogen van de overheidsfinanciën, de arbeidsmarkten en het sociale beleid om schokken op te vangen al te zeer aan te tasten.

3.1.6.

Grote mondiale neerwaartse risico’s tekenen zich af, van het toenemende handelsprotectionisme tot de volatiliteit op de financiële markten.

3.2.

Gezien de gevolgen van de vorige crisis, waarvan de littekens op met name arbeidsmarkt- en sociaal gebied in verschillende lidstaten nog steeds zichtbaar zijn, is het vergroten van de economische veerkracht van de eurozone door resoluut en op korte termijn werk te maken van de voltooiing en verdieping van de EMU en van de eengemaakte markt overeenkomstig de voorstellen van de Commissie, van essentieel belang om te voorkomen dat een nieuwe economische crisis uitmondt in een sociale en arbeidsmarktcrisis.

3.3.

Naast deze risico’s dient rekening te worden gehouden met het feit dat de technologische vooruitgang niet alleen kansen, maar ook bedreigingen inhoudt. Enerzijds kan de technologische vooruitgang, mits er voldoende in wordt geïnvesteerd, de chronisch zwakke productiviteitsgroei in de eurozone helpen verhogen. Anderzijds zullen sommige bevolkingsgroepen, met name die met hogere en betere vaardigheden, er waarschijnlijk meer voordeel van ondervinden dan andere.

3.4.

Hoewel de gemiddelde outputgap (3) in de eurozone in 2018 naar verwachting licht positief zal uitvallen (0,3 % van het potentiële bbp), is er sprake van aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten, d.w.z. dat de conjunctuurverbetering niet overal even groot is. De omvang van de positieve outputgap van een land geeft aan in hoeverre de begrotingskoers van dat land kan worden aangescherpt zonder dat het begrotingsbeleid procyclisch wordt. Verscheidene lidstaten met een hoge overheidsschuldquote (en vooral een aantal grote lidstaten die de algehele prestaties van de eurozone sterk beïnvloeden) hebben een verwaarloosbare of negatieve outputgap. Hoewel lidstaten hun uiterste best moeten doen om hun overheidsfinanciën op een hoog peil te houden, zullen zij, indien zij worden aangespoord om begrotingsbuffers aan te leggen door een contractieve begrotingskoers aan te houden, waarschijnlijk met een lage groei blijven kampen, zonder dat hun overheidsschuld als percentage van het bbp er lager op wordt.

3.5.

Bovendien is duidelijk aangetoond dat het economische bestuur van de EU tekortschiet in die zin dat men uitsluitend bekijkt of het begrotingsbeleid van de lidstaten voldoet aan de begrotingsregels van de EU en geen aandacht schenkt aan de geaggregeerde begrotingskoers van de eurozone; deze tekortkoming is ook een van de drijfveren achter hervormingen zoals de oprichting van het Europees Begrotingscomité. Het valt dan ook te betreuren dat de Commissie dit jaar geen aanbeveling doet voor de geaggregeerde begrotingskoers van de eurozone; hiermee wordt ook de kans gemist om een dergelijke aanbeveling te combineren met meer specifieke aanbevelingen voor differentiatie tussen de lidstaten.

3.6.

Net als in eerdere adviezen dringt het Comité bij de lidstaten en de Commissie aan op versterking van de overheidsinvesteringen om zo de groei op lange termijn te bevorderen alsook de huidige onzekerheden te verminderen en een soepele overgang naar een duurzamer en rechtvaardiger groeimodel te bevorderen.

3.7.

Het Comité vraagt zich af of in landen met een hoge overheidsschuldquote efficiëntere en doeltreffendere overheidsopdrachten op zichzelf (4) voldoende ruimte kunnen bieden om de overheidsuitgaven voor investeringen — o.a. in onderwijs, vaardigheden en een actief arbeidsmarktbeleid — genoeg op te trekken om een inclusieve groei op lange termijn te bevorderen en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake vermindering van de koolstofemissies te verwezenlijken, en of dergelijke veranderingen, gezien de dringende behoefte aan overheidsinvesteringen, tijdig genoeg kunnen worden doorgevoerd.

3.8.

In het advies van het EESC over het economisch beleid van de eurozone 2018 (5) werd gewezen op de grote tegenstrijdigheid dat sommige landen aanhoudende buitensporige overschotten op hun lopende rekening en begrotingsoverschotten combineren met negatieve netto-overheidsinvesteringen in vaste activa. Het Comité maakt zich zorgen over het feit dat de zeer hoge overschotten op de lopende rekening van deze landen, ondanks de herhaalde aanbevelingen van de Commissie en de Raad, volgens de najaarsprognoses tot 2020 zullen voortduren (6).

3.9.

Het Comité is ingenomen met de nadruk die wordt gelegd op versterking van de onderwijsstelsels en van investeringen in vaardigheden en op vermindering van de segmentering van de arbeidsmarkt, en herhaalt zijn pleidooi voor structurele hervormingen die een hogere geaggregeerde productiviteitsgroei bevorderen en tegelijkertijd kwalitatief hoogwaardige banen scheppen en een eerlijke verdeling van productiviteitswinsten opleveren.

3.10.

Het Comité schaart zich achter de oproep om de lonen in lidstaten met een overschot meer te laten stijgen. Het merkt echter op dat groei van de productiviteit op zichzelf niet noodzakelijkerwijs zal bijdragen tot een stijging van de reële lonen in lidstaten met een negatieve internationale netto-investeringspositie, aangezien in veel landen een stijging van de productiviteit niet langer samengaat met een stijging van de reële lonen. Er moeten ook maatregelen worden genomen om productiviteitswinsten gelijker te verdelen. Collectieve onderhandelingen, gebaseerd op de autonomie van de sociale partners, maken in dit verband het belangrijkste instrument uit. Binnen die onderhandelingen moet wat de loonvorming betreft, rekening worden gehouden met de stijging van de kosten van levensonderhoud en met de stijging van de reële productiviteit. Daarnaast moeten ook andere aspecten aan bod komen die de kwaliteit van het werk verbeteren.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.

De Commissie stelt dat het aanpakken van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning van essentieel belang is om belastingstelsels doelmatiger en rechtvaardiger te maken. Dergelijke maatregelen zijn volgens haar absoluut noodzakelijk om de overheidsinkomsten veilig te stellen, concurrentieverstoringen tussen ondernemingen te voorkomen, de sociale cohesie te behouden en toenemende ongelijkheden te bestrijden. Het EESC kan niet anders dan deze uitspraken, die zij doet in het werkdocument (7) dat bij de onderhavige aanbeveling hoort, onderschrijven. Het dringt er dan ook op aan dat de regels voor de bestrijding van deze misdrijven en wanpraktijken op Europees niveau onverwijld worden toegepast en dat wordt nagegaan of er andere, doeltreffendere maatregelen kunnen worden genomen, waaronder ook instrumenten om een einde te maken aan de illegale activiteiten van belastingparadijzen.

4.2.

Het Comité is van mening dat er resoluter moet worden opgetreden om overheidsuitgaven voor investeringen te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door uitgaven voor overheidsinvesteringen niet te laten meetellen bij de berekening van tekorten volgens de begrotingsregels van de EU (de zogenaamde "gulden regel"), zij het dat de houdbaarheid van bestaande schuldniveaus daarbij terdege in aanmerking wordt genomen.

Brussel, 24 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Deze definitie van veerkracht van de arbeidsmarkt is overgenomen uit het hoofdstuk "What makes labour markets resilient during recesssions?" in het OESO-verslag "OECD Employment Outlook 2012", OECD Publishing, Parijs.

(2)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 312.

(3)  De outputgap is het verschil tussen het werkelijke en het potentiële bbp als percentage van het potentiële bbp.

(4)  Zie Europese Commissie (2018) Analysis of the Euro Area economy, SWD(2018) 467 final, blz. 8.

(5)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 312.

(6)  Statistical Annex, European Economic Forecast — Autumn 2018, tabel 50, blz. 196.

(7)  Zie Europese Commissie (2018) Analysis of the Euro Area economy, SWD(2018) 467 final.


10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/53


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven — Een bijdrage van de Europese Commissie aan de bijeenkomst van de leiders in Salzburg op 19-20 september 2018

(COM(2018) 634 final — 2018/0329 COD)

(2019/C 159/08)

Rapporteur: José Antonio MORENO DÍAZ

Corapporteur: Vladimíra DRBALOVÁ

Raadpleging

Commissie 24.10.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

18.12.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen)

169/2/6

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) neemt kennis van de argumentatie van de Europese Commissie voor een herschikking van de richtlijn inzake terugkeer (1), maar blijft van mening dat het van essentieel belang is dat de EU eerst een gemeenschappelijk beleid en wetgeving inzake legale migratie goedkeurt, en inzake internationale bescherming en asiel (2).

1.2.

Het EESC maakt zich zorgen over de uiteenlopende criteria voor het beheer van de migratiestromen in de lidstaten van de EU, met name wat betreft de behandeling van irreguliere migranten, wat leidt tot rechtsonzekerheid en ongelijke behandeling.

1.3.

Het EESC is van mening dat de Commissie, zoals zij eerder met het groenboek (3) heeft gedaan, een raadplegingsproces had moeten starten om met regeringen en het maatschappelijk middenveld over dit onderwerp te communiceren in het licht van de nieuwe omstandigheden.

1.4.

Het EESC vindt dat de Commissie gegevens of in ieder geval ramingen had moeten verstrekken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad (4) inzake terugkeer en de uitvoerbaarheid daarvan, alsook over de monitoring van de doeltreffendheid van de toepassing ervan, over de belangrijkste problemen die zijn gerezen tijdens de jaren waarin deze richtlijn van kracht was, en over de mate waarin elke lidstaat zich eraan heeft gehouden.

1.5.

De Commissie zou een minimum aan zelfkritiek moeten betrachten, of ten minste een analyse moeten uitvoeren, om de lage terugkeercijfers in de lidstaten te verklaren en duidelijk de redenen en/of verantwoordelijken hiervoor aan te wijzen. Indien de lidstaten noch de richtlijn hebben toegepast, noch Aanbeveling (EU) 2017/432 van de Commissie (5) over het doeltreffender maken van terugkeer hebben nageleefd, moet een effectbeoordeling worden uitgevoerd. Deze studie moet een evaluatie omvatten van de wijze waarop de lidstaten de opstelling van operationele programma’s voor hulp en advies bij terugkeer hebben aangepakt, en een vergelijking van de kosteneffectiviteit van vrijwillige en gedwongen terugkeer.

1.6.

Het EESC is zich ervan bewust dat het extreemrechtse en nationalistische discours over migratie xenofobe en intolerante houdingen heeft aangewakkerd. Het is van mening dat een alomvattend gemeenschappelijk migratiebeleid van de EU het beste argument zou zijn om de ongerustheid van de burgers van Europa weg te nemen.

1.7.

In overeenstemming met de standpunten die het EESC in eerdere adviezen (6) heeft uiteengezet moet een ander verhaal over migratie worden ontwikkeld dat een minder dramatische kijk op migratie bevordert als een normale sociale en economische factor, en het mogelijk maakt om de samenleving op dit gebied voor te lichten.

1.8.

Anderzijds kan het EESC zich vinden in de conclusies van de Europese Raad van juni 2018, waarin staat dat het EU-beleid inzake migratie alleen goed kan functioneren als het gebaseerd is op een alomvattende migratieaanpak die een combinatie is van doeltreffender EU-buitengrenscontroles, meer extern optreden en de interne aspecten, in overeenstemming met de EU-waarden en beginselen, en dat deze inspanningen moeten worden voortgezet om te voorkomen dat opnieuw ongecontroleerde migratiestromen ontstaan (7).

1.9.

Uit gegevens die zijn verstrekt door de Europese Raad van 18 oktober (8) blijkt dat de irreguliere binnenkomsten in de EU met 95 % zijn teruggebracht. Tegelijkertijd wijzen de cijfers van de IOM van september 2018 (9) erop dat tot dan toe 83 067 mensen over zee in de EU waren aangekomen, en dat 1 987 mensen waren overleden.

1.10.

Het EESC beschouwt een efficiënt terugkeerbeleid als integrerend deel van een alomvattend immigratie- en asielbeleid van de EU. Een dergelijk beleid ontbreekt echter en de Commissie zou consequent en weloverwogen te werk moeten gaan, waarbij wordt voorkomen dat migratie als een criminele aangelegenheid wordt gezien en dat er een aanpak wordt gehanteerd die louter op veiligheidsoverwegingen en politieoptreden is gebaseerd.

1.11.

Het EESC is van mening dat een vergelijkende studie — gebaseerd op gegevens en bezoeken — van detentiecentra in de EU, hun situatie en de eer van de mensenrechten in deze centra moet worden uitgevoerd.

1.12.

Het EESC is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om beslissingen over terugkeer te bespoedigen en deze te koppelen aan de beslissing om asiel te weigeren en de beslissing om een legaal verblijf te beëindigen, en om de terugkeerprocedure in het algemeen sneller en efficiënter te maken. Toch moet worden nagegaan hoe realistisch de voorgestelde tijdschema’s zijn en welke belemmeringen dit voornemen kunnen dwarsbomen.

1.13.

Tegelijkertijd is het EESC van mening dat een doeltreffend terugkeerbeleid valt of staat met doeltreffende samenwerking met derde landen en het sluiten en uitvoeren van overnameovereenkomsten; het roept de Commissie op zich verder in te spannen en dringt er bij de lidstaten op aan om optimaal gebruik te maken van deze regelingen.

1.14.

Ook is het EESC van mening dat melding moet worden gemaakt van de beste praktijken die in sommige EU-landen worden toegepast om te voorkomen dat illegaal verblijvende vreemdelingen chronisch in een irreguliere situatie terechtkomen. Dergelijke beste praktijken omvatten bijvoorbeeld de afgifte van verblijfsvergunningen om uitzonderlijke redenen van sterke sociale, arbeids- of familiebanden (arraigo) in Spanje of de Duldung-bepaling in Duitsland.

2.   Achtergrond en het Commissievoorstel

2.1.

Sinds 1999 heeft de EU geprobeerd een alomvattende aanpak van migratie te ontwikkelen, bestaande uit een harmonisatie van de voorwaarden voor overname, het recht van legaal verblijvende onderdanen van derde landen en de ontwikkeling van wettelijke maatregelen en praktische samenwerking om irreguliere migratie te voorkomen. De Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG had tot doel een doeltreffend verwijderings- en repatriëringsbeleid vast te stellen op basis van gemeenschappelijke normen, maar het in 2014 gepubliceerde verslag over de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn liet een zeer trage vooruitgang zien bij de verbetering van het effectieve terugkeerpercentage in de EU: 2014 — 36,3 %, 2015 — 36,8 %, 2016 — 45,8 %, 2017 — 36,6 %. Evenmin is er enige verbetering opgetreden na Aanbeveling (EU) 2017/432 van de Commissie, waarin een reeks van maatregelen stond die de lidstaten moesten nemen om volledig te kunnen profiteren van de door de richtlijn geboden flexibiliteit.

2.2.

Zonder de werkingssfeer van de richtlijn te wijzigen en zonder afbreuk te doen aan de bescherming van de bestaande rechten van migranten, met inbegrip van de belangen van het kind, het gezinsleven en de gezondheidstoestand, en het beginsel van non-refoulement, zou de herschikte richtlijn het terugkeerproces doeltreffender moeten maken door middel van:

meer samenhang en synergieën met asielprocedures;

een nieuwe grensprocedure;

duidelijke procedures en regels om misbruik te voorkomen;

suggesties om vrijwillige terugkeer op doeltreffende wijze te bevorderen;

duidelijke regels inzake inbewaringstelling.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC maakt zich zorgen over de uiteenlopende criteria voor het beheer van de migratiestromen in de lidstaten van de EU, met name wat betreft de behandeling van irreguliere migranten, wat leidt tot rechtsonzekerheid en ongelijke behandeling.

3.2.

Het EESC herhaalt de aanbevelingen uit zijn advies over de mededeling van de Commissie van 2002 over een communautair terugkeerbeleid ten aanzien van personen die illegaal in de Europese Unie verblijven, omdat het van mening is dat deze aanbevelingen niet of niet volledig zijn opgenomen in de verschillende wetgevings- en beleidsmaatregelen die op EU-niveau zijn ingevoerd, met name wat betreft de rechten van irreguliere migranten, regularisatie, gedwongen terugkeer, het recht op beroep, het recht op gezinshereniging, detentie en de noodzaak van een echt gemeenschappelijk beleid inzake legale migratie (10).

3.3.

Het geformuleerde oogmerk van de herschikking — de terugkeerprocedures efficiënter maken, de behandeling versnellen en deze rechtstreeks koppelen aan de beslissing om asiel te weigeren en de beslissing om een legaal verblijf te beëindigen — kan uiteraard worden onderschreven; de lidstaten hebben het recht om irreguliere migranten terug te sturen, op voorwaarde dat er eerlijke en efficiënte asielstelsels bestaan die het beginsel van non-refoulement volledig eerbiedigen. Wat de aangegeven doelstellingen van de voorgestelde wijzigingen betreft, is het EESC echter zeer bezorgd over het effect hiervan. Het EESC zet vraagtekens bij de doeltreffendheid van deze wijzigingen en vreest dat het enige eindresultaat van deze wijzigingen zou kunnen zijn dat de omstandigheden verslechteren en er meer op bestraffing wordt ingezet. Het beginsel dat ten grondslag ligt aan de prioriteit van vrijwillige terugkeer, zoals vastgelegd in de oorspronkelijke Richtlijn 2008/115/EG, mag niet worden geschrapt en worden vervangen door een repressief beleid.

3.4.

Het voorstel moet ook worden beoordeeld op de haalbaarheid van de doelstellingen ervan, vooral als het verenigbaar moet blijven met de mensenrechten. De algemene verwijdering van alle onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de EU verblijven, als enige manier om hen weer een legale status te geven, is onmogelijk uit te voeren, gezien de ervaringen tijdens de afgelopen jaren en vanwege de onevenredige menselijke, economische en andere kosten die dit met zich mee zou brengen.

3.5.

De afgelopen tien jaar is er geen sprake geweest van een doeltreffende uitvoering, monitoring en evaluatie van een terugkeerbeleid dat bovendien nog steeds niet effectief is ingebed in een alomvattend en gemeenschappelijk EU-migratiebeleid.

3.6.

De Commissie had in haar voorstel moeten toelichten waarom Richtlijn 2008/115/EG niet naar behoren ten uitvoer is gelegd door de lidstaten, die bovendien geen gevolg hebben gegeven aan Aanbeveling (EU) 2017/432, waarin richtsnoeren stonden betreffende de tenuitvoerlegging van de richtlijn. Ook had zij de lidstaten moeten oproepen de nodige stappen te nemen om de wettelijke en praktische belemmeringen die terugkeer bemoeilijken, weg te nemen.

3.7.

Tegen de achtergrond van de toenemende sociale verwarring moet ook worden getracht om reële gegevens over illegale migratie naar de EU te publiceren en op verantwoorde wijze uit te leggen, om te voorkomen dat xenofobe en racistische argumenten die tot extreemrechtse standpunten leiden, nog verder worden aangewakkerd.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1.

Gezien de ontwikkelingen sinds 2008, ziet de Commissie de wijziging van de richtlijn als een middel om de legitieme doelstelling van het herstel van de wettigheid te bereiken en om de uitvoering van terugkeeroperaties doeltreffender te maken. Er zijn echter nog veel meer andere methoden die hetzelfde effect bereiken, maar doeltreffender en minder bezwarend zijn (bijv. vrijwillige terugkeer, individuele regulariseringen enz.). Het EESC beschouwt een efficiënt terugkeerbeleid als integrerend deel van een alomvattend immigratie- en asielbeleid van de EU. Het ontbreken van een dergelijk beleid zou de Commissie er echter toe moeten bewegen om met de nodige zelfkritiek, consequent en weloverwogen te werk te gaan en te vermijden dat ze migratie als een criminele aangelegenheid ziet en een aanpak hanteert die louter op veiligheidsoverwegingen en politieoptreden is gebaseerd (11).

4.2.

In ons vorige advies stond het volgende: „Er zij op gewezen dat het EESC in diverse adviezen heeft gepleit voor het op touw zetten van regulariseringsacties” (12). Toch voorziet de Europese wetgeving in maatregelen om op een redelijke en constructieve manier een einde te maken aan de irreguliere status van een persoon.

4.3.

Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn te vinden in de artikelen 6 (Terugkeerbesluit) en 7 (Vrijwillig vertrek) van Richtlijn 2008/115/EG, die door de lidstaten maar zeer weinig zijn uitgeprobeerd en toegepast, met name in gevallen waarin vruchteloos is getracht een persoon tot terugkeer te bewegen. In het licht hiervan schaart het EESC zich achter Aanbeveling (EU) 2017/432 met betrekking tot de oprichting van operationele programma’s voor begeleide vrijwillige terugkeer.

4.4.

Bovendien stelt het EESC vast dat de regels die van toepassing zijn op de verwijdering van Europese burgers en hun familieleden om redenen van openbare orde of openbare veiligheid (13) niet van toepassing zijn op irreguliere migranten. We verwijzen hier naar de mogelijkheid om na verloop van een redelijke termijn te verzoeken om opheffing van een verwijderingsbesluit als gevolg van een wijziging in de omstandigheden en, wanneer er twee jaar zijn verstreken na de uitvaardiging van het besluit, de verplichting om een besluit tot verwijdering niet uit te voeren zonder de omstandigheden te beoordelen. Het lijkt onredelijk dat de benadering die van toepassing is op Europese burgers — namelijk uitsluitend wanneer zij een bedreiging vormen voor de openbare orde of de openbare veiligheid — niet kan worden toegepast op personen wier enige fout is dat zij geen documenten kunnen overleggen nadat er aanzienlijke veranderingen hebben plaatsgevonden in hun omstandigheden.

4.5.

Het is van groot belang dat de terugkeerprocedure mechanismen en doeltreffende beschermingsmaatregelen omvat, die verder gaan dan de eenvoudige mogelijkheid om een bezwaar in te dienen of in beroep te gaan, om de rechten en belangen van onderdanen van derde landen te beschermen die te maken hebben met een dergelijke procedure. Er moet een doeltreffende manier zijn om met passende juridische bijstand gebruik te maken van deze rechten; elke procedure zou automatisch moeten worden toegewezen aan een gespecialiseerde advocaat die specifieke training heeft doorlopen, zodat deze de verdediging kan voeren.

4.6.

Het beleid om mensen die illegaal in de EU verblijven te vervolgen moet gepaard gaan met een alomvattend en strikt verbod om personen te identificeren op basis van hun etniciteit en/of religie. Doordat er thans soepeler met dit verbod wordt omgesprongen, dreigen etnische minderheden in Europa op onaanvaardbare wijze te maken te krijgen met verdenkingen en controles van overheidswege. Het feit dat de Mensenrechtencommissie van de VN Spanje in juli 2009 (14) ter verantwoording riep voor het tegenhouden van een Spaans burger op grond van de verdenking dat ze een illegale immigrant was om de eenvoudige reden dat ze zwart was, spreekt boekdelen.

4.7.

Het EESC is van mening dat er op basis van gegevens en bezoeken een vergelijkende studie moet worden verricht naar detentiecentra in de EU, hun omstandigheden en de eerbiediging van de mensenrechten.

4.8.

Het EESC stelt tevens voor dat de Commissie de manier waarop de lidstaten operationele programma’s invoeren voortdurend beoordeelt om zo beter hulp en advies te kunnen verlenen bij terugkeeroperaties, met inbegrip van steun voor de re-integratie in de derde landen van terugkeer — programma’s waar al in 2017 mee zou moeten zijn begonnen. In het kader van dit onderzoek zou ook een vergelijking moeten worden uitgevoerd van de kosteneffectiviteit van vrijwillige en gedwongen terugkeer.

4.9.

Het EESC wenst melding te maken van de beste praktijken die in sommige EU-landen worden toegepast om te voorkomen dat irreguliere migranten chronisch in een irreguliere situatie terechtkomen. Dergelijke beste praktijken omvatten onder meer de regelingen betreffende arraigo en Duldung in respectievelijk Spanje en Duitsland, waarbij sommige buitenlandse onderdanen die onder irreguliere omstandigheden op hun grondgebied leven, op grond van buitengewone omstandigheden een reguliere status kunnen verkrijgen, mits ze voldoen aan bepaalde eisen. Deze status wordt op individuele en selectieve basis verleend.

5.   Analyse van de voorgestelde wijzigingen

5.1.

De tekst van de richtlijn is zeer duidelijk en introduceert negen specifieke wijzigingen, die in het advies van het EESC worden behandeld.

5.2.

Er is een duidelijke behoefte aan EU-brede objectieve criteria om vast te stellen of er een risico op onderduiken bestaat, met inbegrip van niet-toegestane secundaire bewegingen. Om uiteenlopende of ondoeltreffende interpretaties te voorkomen, bevat artikel 6 van het voorstel een gemeenschappelijke lijst met objectieve criteria om, als onderdeel van een algemene beoordeling van de specifieke omstandigheden van een geval, te bepalen of er een risico op onderduiken bestaat. De lijst met criteria is te ruim en gaat verder dan Aanbeveling (EU) 2017/432. Hoewel de richtlijn voorziet in twee soorten terugkeerprocedures — een procedure voor noodsituaties en uitzonderlijke gevallen, zonder de mogelijkheid van vrijwillig vertrek en met bijkomende belemmeringen, en een procedure met waarborgen en mét de mogelijkheid van vrijwillige terugkeer — zullen de meeste irreguliere migranten in de praktijk onder de eerste procedure vallen die, in theorie, slechts in uitzonderlijke gevallen zou moeten worden gebruikt.

5.2.1.

Slechts een beperkt aantal van de voorgestelde objectieve criteria in artikel 6 — die voortvloeien uit Aanbeveling (EU) 2017/432 en in de gewijzigde tekst overeenkomen met de criteria onder f), h) en k) — dienen om het „risico op onderduiken” strikt te definiëren. Ook het bepaalde onder j) kan worden gezien als geschikt criterium in lijn met de bepalingen van artikel 7 inzake de verplichting tot medewerking.

a)

Het ontbreken van documenten op het moment waarop de procedure wordt gestart kan, in de meeste gevallen, op verzoek worden rechtgezet. Indien hier niet aan wordt voldaan kan dit leiden tot het bepaalde onder f).

b)

Deze doelstelling legt de bewijslast bij de migrant — die zijn effectieve verblijfplaats moet aantonen — waardoor een fundamentele wettelijke waarborg wegvalt. De uiteenlopende moeilijkheden in verband met huisvesting — met name de problemen die veel gemeenten opwerpen voor buitenlanders in het algemeen en voor mensen met een irreguliere status in het bijzonder — zorgen ervoor dat dit punt een onevenredig grote draagwijdte krijgt.

c)

Als we willen voorkomen dat ALLE irreguliere immigranten worden beschuldigd van het risico op onderduiken, wat inhoudt dat procedures met waarborgen volledig terzijde worden geschoven, kan het risico op onderduiken niet worden gedefinieerd aan de hand van dit soort parameters. Immers, iedereen die het recht op werk wordt ontzegd, heeft natuurlijk ook geen financiële middelen, en de meeste irreguliere migranten zullen daarom met een tekort aan geld kampen.

d)

Gezien het beleid van de lidstaten om hun grenzen te sluiten, zullen veel irreguliere (en zelfs legale) migranten het grondgebied van de lidstaten illegaal zijn binnengekomen.

e)

Indien een irreguliere migrant zich van de ene lidstaat naar de andere verplaatst, is dit per definitie niet toegestaan, maar dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat er een risico op onderduiken bestaat.

g)

Tegen de betrokkene is een terugkeerbesluit uitgevaardigd door een andere lidstaat. Als de richtlijn zelf voorziet in de directe handhaving van dat besluit door de tweede lidstaat, heeft het geen nut om deze mogelijkheid uiteen te zetten.

i)

Niet-naleving van de verplichting om naar een andere lidstaat te gaan waar zij legaal verblijven. In dergelijke gevallen is het starten van een uitzettingsprocedure zonder vrijwillig vertrek naar het land van oorsprong volledig disproportioneel. Wat in deze gevallen nodig is, is een soort verplichte maatregel om ze terug te brengen naar de andere lidstaat, maar geen verwijdering naar het land van herkomst en al helemaal niet via een noodprocedure.

5.3.

Voorafgaand aan de analyse van de artikelen 7 en 8 en andere artikelen in het voorstel, moeten wij het volgende benadrukken: uit de gehele tekst van de voorgestelde wijziging blijkt duidelijk dat er onvoldoende oog is voor het juridische karakter van het terugkeerbesluit, dat, na verduidelijking, de basis vormt voor de volledige betwisting van lid 3 (nieuwe artikel 8 van de richtlijn). Een terugkeerbesluit vormt een door een land genomen uitvoerend besluit dat direct van invloed is op de persoonlijke sfeer van rechten en belangen van een persoon. De motivering ervan houdt bovendien vaak direct of indirect verband met de naleving van verplichtingen of een bepaald gedrag waarvan de persoon wordt beschuldigd; deze persoon verdient een passend proces om de waarachtigheid van deze beschuldigingen te controleren, hetgeen in dit geval ongetwijfeld op onafhankelijke wijze kan worden onderbouwd. Het voorgaande komt in feite hierop neer: uitzetting is een sanctie, een boete, een straf van bestuurlijke — niet strafrechtelijke — aard, maar hierop zijn dezelfde grondwettelijke beginselen en grondrechten van toepassing als op het strafrecht.

5.4.

Met betrekking tot artikel 7 (verplichting tot medewerking): het EESC neemt nota van de aanname van de Commissie dat de verplichting van onderdanen uit derde landen om mee te werken met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in alle stadia van de terugkeerprocedures kan helpen bij de soepele uitvoering en doeltreffendheid van deze procedures. Er moet echter worden opgemerkt dat dit rechtstreeks inbreuk maakt op het grondrecht om geen bewijs te hoeven leveren tegen jezelf. De verplichtingen in dit artikel kunnen worden teruggebracht tot slechts één verplichting: om mee te werken aan een procedure die gericht is tegen de betrokkene zelf. Artikel 8 (terugkeerbesluit): in dit artikel worden de lidstaten verplicht een terugkeerbesluit uit te vaardigen onmiddellijk nadat een besluit is uitgevaardigd tot beëindiging van het legale verblijf van een onderdaan van een derde land, met inbegrip van een besluit tot niet-toekenning van de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus. Het EESC is van mening dat artikel 8 moet worden uitgebreid met de mogelijkheid voor onderdanen van een derde land een redelijke kans te krijgen om te voldoen aan de verplichting om het land zelf te verlaten of om alternatieve manieren te zoeken om hun situatie te regulariseren.

5.5.

Artikel 9 (vrijwillig vertrek): in het voorstel wordt nu bepaald dat een passende termijn van dertig dagen moet worden geboden voor een vrijwillig vertrek, waardoor de oorspronkelijke bepaling van zeven tot dertig dagen wordt geschrapt. Hoewel de maximale termijn van dertig dagen een reden was voor kritiek, diende de aanwezigheid van een minimumtermijn als waarborg. De afschaffing van de minimumtermijn maakt het voor de lidstaten mogelijk om helemaal geen vrijwillige vertrektermijn meer toe te staan.

5.6.

De nieuwe maatregel die in artikel 13 wordt ingevoerd biedt lidstaten de mogelijkheid om een inreisverbod op te leggen, dat niet is gekoppeld aan een terugkeerbesluit, aan illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen die worden opgemerkt bij grenscontroles wanneer zij de EU (vrijwillig) verlaten. Het EESC beschouwt deze maatregel als een straf die wordt opgelegd aan een persoon die op dat moment de wetgeving naleeft, namelijk door het grondgebied van de EU te verlaten en een einde te maken aan zijn of haar illegale verblijf. Aan de andere kant kan de maatregel worden gezien als verzekering tegen herhaalde binnenkomst in de betrokken lidstaat.

5.7.

Artikel 14 (terugkeerbeheer) schrijft voor dat alle lidstaten zorgen voor de instelling, de exploitatie, het onderhoud en de verdere ontwikkeling van een nationaal terugkeerbeheersysteem voor het verwerken van alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van deze richtlijn. De technische compatibiliteit met het centrale systeem van de EU moet echter worden verzekerd. Artikel 14 voorziet tevens in de mogelijkheid voor de lidstaten om een operationeel programma in te voeren om steun te verlenen aan de betrokkenen.

5.7.1.

De tekortkomingen van het Schengeninformatiesysteem (SIS) houden in dat er maatregelen nodig zijn om de coördinatie tussen landen te verbeteren. Het is zeer twijfelachtig dat specifieke regels op het niveau van een richtlijn nodig zijn om het hoofd te bieden aan wat in feite beheerproblemen van praktische aard zijn.

5.7.2.

Het voorstel om de lidstaten programma’s op te laten stellen voor het bieden van logistieke, financiële en andere materiële bijstand om vrijwillige terugkeer te ondersteunen, waaronder re-integratieprogramma’s, is afkomstig uit Aanbeveling (EU) 2017/432. De Commissie moet de oprichting daarvan ondersteunen, monitoren en evalueren.

5.8.

Artikel 16 richt zich uitsluitend op „het enige geval waarin op grond van dit voorstel automatisch opschortende werking wordt verleend”, namelijk de onderbouwing van de uitzetting van iemand wiens aanvraag voor internationale bescherming is afgewezen. We hebben geen bezwaar, behalve dat het EESC andere gevallen ziet waar de opschorting van de uitzetting ook automatisch zou moeten zijn, om zo het toepassingsgebied van beschermingsmaatregelen en garanties uit te breiden. Een niet-uitputtende lijst hiervan moet het volgende bevatten:

gevallen waarbij minderjarigen direct of indirect betrokken zijn;

gevallen waarin gezinsleden uit de EU direct of indirect betrokken zijn en die daarom niet vallen onder Richtlijn 2004/38/EG;

gevallen waarin een aantoonbaar risico bestaat voor de gezondheid of fysieke integriteit van de betrokken persoon;

wanneer de terugkeer moet plaatsvinden naar landen die als onveilig zijn aangemerkt, met inbegrip van landen die de mensenrechten niet eerbiedigen.

5.9.

Met betrekking tot inbewaringstelling en de invoering van een maximale detentieperiode van minstens drie maanden, moeten we erop wijzen dat de feiten aantonen dat een periode van minder dan drie maanden voldoende is voor de procedure en de stappen die nodig zijn om een verwijdering naar een derde land af te dwingen, en dat bijna niets wordt bereikt door een verlenging van deze periode, hoe lang die ook mag zijn, en nog minder door iemand die geen enkel misdrijf heeft gepleegd aan een zo extreme maatregel te onderwerpen als het ontnemen van zijn vrijheid.

5.10.

We dringen opnieuw aan op het vinden van andere oplossingen, zoals de hiervoor genoemde Duitse Duldung of de Spaanse arraigo, waarbij veel minder dan drie maanden nodig zijn om vast te stellen of een persoon al dan niet kan worden uitgezet. Preventieve inbewaringstelling is een voorlopige maatregel met als doel het eenvoudiger te maken om een gedwongen terugkeer uit te voeren en onderduiken te voorkomen. Misbruik van deze maatregel als verkapte vorm van opsluiting of straf voor irreguliere immigratie moet echter worden uitgesloten. Een dergelijke vorm van opsluiting is uitdrukkelijk verboden in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (15).

5.11.

Daarom moet de richtlijn voorschrijven dat dergelijke detentiecentra niet vergelijkbaar mogen zijn met, of erger zijn dan, gevangenissen. De richtlijn moet bepalen dat het interne toezicht in dergelijke centra nooit mag worden uitgevoerd door de nationale veiligheidsdiensten. Hun rol moet beperkt zijn tot bewaking van het terrein, terwijl het interne toezicht moet worden toevertrouwd aan andere staatsorganen. Tevens moeten er in elke lidstaat minimumnormen worden ingesteld voor de rechten van de gedetineerden, die in elk opzicht gelijk zijn aan of beter zijn dan de juridische status van personen die zijn vastgezet in een gevangenis.

5.12.

De door artikel 22, lid 7, geïntroduceerde wijziging is volledig overbodig, aangezien dit al wordt geregeld in de verschillende asielprocedures van de lidstaten. In elk geval is het onevenredig dat een persoon die tot maximaal vier maanden in bewaring kan worden gehouden met het oog op zijn terugkeer nadat zijn asielaanvraag is afgewezen, onmiddellijk daarna in een nieuwe, aanvullende periode van zes maanden terechtkomt met hetzelfde doel, namelijk zijn repatriëring.

5.13.

Het EESC is het met de Commissie eens dat de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de EU ook afhangt van de samenwerking met de landen van herkomst. Hoewel de EU al enige vooruitgang heeft geboekt roept het EESC de Commissie op om haar inspanningen op dit gebied voort te zetten en tegelijkertijd een beroep te doen op de lidstaten om deze resultaten te benutten en ten volle gebruik te maken van deze regelingen.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  COM(2018) 634 final.

(2)  PB C 85 van 8.4.2003, blz. 51.

(3)  COM(2002) 175 final.

(4)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98)

(5)  Aanbeveling (EU) 2017/432 van de Commissie van 7 maart 2017 over het doeltreffender maken van terugkeer bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 66 van 11.3.2017, blz. 15).

(6)  Zie het EESC-advies over de kosten van non-immigratie en non-integratie (PB C 110 van 22.3.2019, blz. 1).

(7)  Bijeenkomst van de Europese Raad, 28.6.2018, Conclusies.

(8)  Bijeenkomst van de Europese Raad, 18.10.2018, Conclusies.

(9)  IOM — Migration: Flow Monitoring Europe.

(10)  PB C 85 van 8.4.2003, blz. 51.

(11)  Zie het verslag van het Research Social Platform on Migration and Asylum, „Crackdown on NGO’s assisting refugees and other migrants”.

(12)  PB C 85 van 8.4.2003, blz. 51.

(13)  De artikelen 32 en 33 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).

(14)  FF. Communication No. 1493/2006, Williams Lecraft v. Spain.

(15)  Arresten van het Hof van Justitie van 7 juni 2016, Affum, C-47/15, ECLI:EU:C:2016:408, en 28 april 2011, El Dridi, C-61/11, ECLI:EU:C:2011:268.


10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/60


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van instandhoudings- en controlemaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de Raad

(COM(2018) 577 final — 2018/0304 (COD))

(2019/C 159/09)

Algemeen rapporteur: Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE

Raadpleging

Raad, 3.9.2018

 

Europees Parlement, 10.9.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 43, 2 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

104/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC acht het noodzakelijk om de instandhoudings- en controlemaatregelen die zijn vastgesteld door de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (NAFO), om te zetten in het recht van de Unie om tot een gelijke en efficiënte toepassing van die maatregelen binnen de EU te komen.

1.2.

Niettemin is het Comité van mening dat dit voorstel geen flexibel mechanisme bevat voor de omzetting van de door de NAFO vastgestelde normen en dat het de noodzaak om die normen jaarlijks bij te werken, niet wegneemt.

1.3.

Het Comité is voorstander van een flexibeler en eenvoudiger mechanisme en stelt dus een verordening voor die bestaat uit één enkel artikel waarin is bepaald dat de Europese Unie de door de NAFO vastgestelde normen op de EU-vloot moet toepassen.

1.4.

Het EESC benadrukt het risico dat gepaard gaat met de invoering van het systeem van gedelegeerde handelingen waarmee aan de Commissie de bevoegdheid wordt toegekend om regelgeving op te stellen buiten de gewone procedures om.

2.   Inhoud van het Commissievoorstel

2.1.

Dit voorstel beoogt de maatregelen die de NAFO heeft vastgesteld tussen 2008 en 2017, het jaar waarin het gewijzigde NAFO-verdrag in werking is getreden, om te zetten in het recht van de Unie. Aangezien die maatregelen jaarlijks worden gewijzigd, voorziet het voorstel in de omzetting van de meest recente maatregelen en bevat het een mechanisme om de omzetting van de maatregelen die in de toekomst moeten worden toegepast, te stroomlijnen en te faciliteren.

2.2.

Er wordt dus voorzien in de verlening van gedelegeerde bevoegdheden aan de Commissie zodat die de operationele maatregelen kan reguleren die gelden voor de vaartuigen die hun activiteit in dit gereglementeerde gebied uitoefenen, bijvoorbeeld met betrekking tot de vangstmogelijkheden (beperkingen van quota en visserij-inspanningen), de visserijsluitingen, de bijvangst, de specifieke visserij op rog, Noordse garnaal en Groenlandse heilbot/zwarte heilbot, de instandhouding van de haaienbestanden, het gebruikte vistuig, de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen en de inspectie van en de controle op die activiteit. In totaal worden er dertig verschillende soorten van maatregelen omschreven.

2.3.

Het voorstel strekt tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2115/2005 (1) en (EG) nr. 1386/2007 (2) van de Raad.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC acht het noodzakelijk om de door de NAFO vastgestelde instandhoudings- en controlemaatregelen om te zetten in het recht van de Unie om tot een gelijke en efficiënte toepassing van die maatregelen binnen de EU te komen.

3.2.

Rekening houdend met het feit dat de NAFO haar instandhoudings- en controlemaatregelen elk jaar wijzigt, is het Comité echter van mening dat dit voorstel geen flexibel mechanisme bevat voor de omzetting van de door de NAFO vastgestelde normen noch voor de jaarlijkse bijwerking daarvan.

3.3.

Volgens het Comité zou het meest flexibele mechanisme om die periodieke bijwerkingen van de door de NAFO vastgestelde normen mogelijk te maken, bestaan in de formulering van een eenvoudige verordening, waarin, bepaaldelijk vanuit de argumentatie dat ten minste de normen met betrekking tot de dertig voorgestelde gebieden periodiek moeten worden bijgewerkt, de verbintenis van de Europese Unie inzake de verplichte toepassing op haar vloot van de door de NAFO jaarlijks vastgestelde normen in één enkel artikel wordt verankerd.

3.4.

Anders bestaat het gevaar dat de door de NAFO vastgestelde normen permanent vooruitlopen op de door de EU gepubliceerde wetgeving, met een mogelijke mate van rechtsonzekerheid tot gevolg.

3.5.

Het Comité maakt zich zorgen over de opeenvolgende verkortingen van de gestelde termijnen voor bepaalde formaliteiten, aangezien de Commissie de lidstaten een kortere termijn oplegt voor concrete kennisgevingen en de lidstaten zich op hun beurt genoodzaakt zullen zien om die termijnen te verkorten voor de exploitanten van vissersvaartuigen.

3.6.

Het enige dat door de invoering van het systeem van gedelegeerde handelingen wordt gefaciliteerd, is de mogelijkheid voor de Commissie om normen vast te stellen buiten de gewone procedures om.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.

In artikel 5, lid 1, is bepaald dat de lidstaten waarborgen dat alle vangst- en inspanningsbeperkingen van toepassing zijn op de in de vangstmogelijkheden genoemde bestanden. Het EESC is van mening dat er „[…] alle vangst- en/of inspanningsbeperkingen […]” moet staan.

4.2.

In artikel 28, met betrekking tot de elektronische kennisgeving van het waarnemingsprogramma, is niet alleen lid 3, maar vooral ook lid 1 onduidelijk geformuleerd omdat het zeer de vraag is of er naar de elektronische waarnemer kan worden verwezen zonder die uitdrukkelijk te vermelden. Daarom kan er volgens het Comité verwarring ontstaan bij de interpretatie van de inhoud van dit artikel.

4.3.

Het EESC vindt dat uit artikel 31, lid 1, onder a), met betrekking tot de surveillanceprocedures, ook niet duidelijk blijkt hoe een volumetrische evaluatie of een vangstsamenstellingevaluatie van de inhoud van een trek kan worden gemaakt zonder dat een inspectie is uitgevoerd.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van een herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de visserijorganisatie in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 3).

(2)  Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 318 van 5.12.2007, blz. 1).


Europees Economisch en Sociaal Comité

10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/63


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en het netwerk van nationale coördinatiecentra

(COM(2018) 630 final — 2018/0328 (COD))

(2019/C 159/10)

Rapporteur: Antonio LONGO

Corapporteur: Alberto MAZZOLA

Raadpleging

Europese Raad, 5.10.2018

Europees Parlement, 1.10.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 173(3), 188 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

9.1.2019

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

143/5/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het initiatief van de Commissie en acht dit nuttig voor de ontwikkeling van een industriële strategie voor cyberbeveiliging ter verzekering van een solide en verregaande digitale autonomie. Een en ander is onontbeerlijk voor de versterking van de Europese beschermingsmechanismen in de cyberoorlog die momenteel gaande is en die de politieke, economische en sociale stelsels in gevaar dreigt te brengen.

1.2.

Een strategie voor cyberbeveiliging zal alleen maar vruchten afwerpen als er sprake is van een brede bewustwording en van veilig gedrag van alle gebruikers.

1.3.

Het Comité staat achter de algemene doelstellingen van het voorstel en is er zich van bewust dat specifieke aspecten van de werking ervan verder zullen worden geanalyseerd. Aangezien het een verordening betreft, zouden sommige gevoelige kwesties in verband met governance, financiering en realisering van gestelde doelen niettemin op voorhand moeten worden omschreven. Het is belangrijk dat het toekomstige netwerk en het kenniscentrum zo veel mogelijk voortbouwen op de cybervaardigheden en expertise van de lidstaten en dat de verantwoordelijkheden niet al te zeer worden geconcentreerd in het op te richten kenniscentrum. Ook moet worden voorkomen dat de werkterreinen van het toekomstige netwerk en het kenniscentrum en de bestaande samenwerkingsmechanismen en instellingen elkaar overlappen.

1.4.

Het EESC is er voorstander van om op basis van harde toezeggingen op wetenschappelijk en investeringsgebied, de samenwerking uit te breiden tot de industrie, en deze in de toekomst ook in de raad van bestuur op te nemen. In het geval van een tripartiete samenwerking tussen de Europese Commissie, de lidstaten en de industrie moet de aanwezigheid van ondernemingen van buiten de EU beperkt blijven tot de bedrijven die al langere tijd op Europees grondgebied zijn gevestigd en volledig betrokken zijn bij de technologische en industriële basis van Europa. Voorwaarde hierbij is wel dat deze ondernemingen worden onderworpen aan passende screening- en controlemechanismen, en tevens worden gehouden aan de naleving van het wederkerigheidsbeginsel en de verplichtingen inzake vertrouwelijkheid.

1.5.

Cyberbeveiliging moet een gezamenlijke inspanning zijn van alle lidstaten, die derhalve op nog vast te stellen voorwaarden deel moeten uitmaken van de raad van bestuur. Met betrekking tot de financiële bijdragen van de lidstaten kan gebruik worden gemaakt van de aan elk van hen toegewezen EU-middelen.

1.6.

In het voorstel moet nader worden omschreven op welke wijze het kenniscentrum kan ingrijpen bij het coördineren van de financiering van de programma’s Digitaal Europa en Horizon Europa en met name op basis van welke richtsnoeren mogelijke overheidsopdrachten zullen worden uitgeschreven en gegund. Dit is van cruciaal belang om dubbel werk en overlapping te voorkomen. Om meer begrotingsmiddelen vrij te krijgen wordt bovendien aanbevolen de synergieën met andere financiële instrumenten van de EU uit te breiden (bijvoorbeeld regionale fondsen, structuurfondsen, CEF, EDF en InvestEU).

1.7.

Het EESC acht het van cruciaal belang dat de voorwaarden van de samenwerking en de relaties tussen het Europees centrum en de nationale centra worden vastgesteld. Daarnaast is het van belang dat de nationale centra door de EU worden gefinancierd, ten minste voor wat de administratieve kosten betreft, om zo harmonisering op administratief en bevoegdheidsgebied te bevorderen en de bestaande kloof tussen de Europese landen te verkleinen.

1.8.

Het Comité wijst nogmaals op het belang van menselijk kapitaal en hoopt dat het kenniscentrum, in samenwerking met universiteiten, onderzoekscentra en centra voor hoger onderwijs, excellent onderwijs en opleiding zal bevorderen, onder meer via specifieke universitaire en hogeschoolopleidingen. Ook is het essentieel om te voorzien in specifieke steun voor start-ups en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s).

1.9.

Het EESC acht het van essentieel belang de respectieve bevoegdheden en taken van het kenniscentrum en het European Network and Information Security Agency (Enisa) duidelijker af te bakenen door de wijze van samenwerking en wederzijdse ondersteuning duidelijk te omschrijven en overlapping van bevoegdheden en dubbel werk te voorkomen. Andere instanties die zich bezighouden met cyberbeveiliging, zoals EDA, Europol en CERT-EU, kampen met vergelijkbare problemen. Daarom pleit het EESC voor de vaststelling van soortgelijke mechanismen voor een gestructureerde dialoog tussen de verschillende instanties.

2.   Het bestaande kader voor cyberbeveiliging

2.1.

Cyberbeveiliging is een onderwerp dat hoog op de EU-agenda staat, aangezien het een onmisbare factor is voor de bescherming van de instanties, ondernemingen en burgers, en een noodzakelijk instrument vormt voor de instandhouding van democratieën. Een van de meest verontrustende verschijnselen is de gigantische toename van de hoeveelheid malware die via automatische systemen over het internet wordt verspreidt, met een groei van 130 000 gevallen in 2007 tot 8 miljoen gevallen in 2017. Daarnaast is de Unie een netto-invoerder van producten en oplossingen op het gebied van cyberbeveiliging, hetgeen problemen veroorzaakt met betrekking tot het concurrentievermogen en de burger- en militaire veiligheid.

2.2.

Hoewel de EU over aanzienlijke kennis en ervaring beschikt op het gebied van cyberbeveiliging, lijken de bedrijfstak, de universiteiten en de onderzoekscentra nog altijd versnipperd, onsamenhangend en verstoken van een gezamenlijke ontwikkelingsstrategie. Dit is te wijten aan het feit dat de betreffende sectoren op het gebied van cyberbeveiliging (bijvoorbeeld energie, ruimtelijke ordening, defensie en vervoer) niet voldoende worden ondersteund, net zo min als de synergieën tussen de civiele en defensiecyberbeveiliging op hun juiste waarde worden geschat.

2.3.

Om het hoofd te bieden aan de toenemende uitdagingen heeft de Unie in 2013 een strategie voor cyberbeveiliging vastgesteld ter bevordering van een betrouwbaar, veilig en open cyber-ecosysteem (1). Vervolgens zijn in 2016 de eerste specifieke maatregelen vastgesteld voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen (2). Dit proces heeft geleid tot de oprichting van het publiek-private partnerschap voor cyberbeveiliging („cPPP”).

2.4.

In de mededeling van 2017 met als titel „Weerbaarheid, afschrikking en defensie: bouwen aan sterke cyberbeveiliging voor de EU” (3) wordt benadrukt dat belangrijke technologische capaciteit op het gebied van cyberbeveiliging gehandhaafd en ontwikkeld moet worden om de digitale eengemaakte markt en met name kritieke informatienetwerken en -systemen te beschermen, alsook om in basisvoorzieningen op het gebied van cyberbeveiliging te voorzien.

2.5.

De Unie moet derhalve haar eigen digitale bronnen en processen kunnen beschermen en op de wereldwijde markt voor cyberbeveiliging kunnen concurreren teneinde een sterke en verregaande digitale autonomie tot stand te brengen (4).

3.   De voorstellen van de Commissie

3.1.

Het is de bedoeling dat het kenniscentrum de activiteiten van het netwerk van nationale centra vergemakkelijkt en coördineert, en als referentie dient voor de kennisgemeenschap op het gebied van cyberbeveiliging, waarbij het de technologische agenda opstelt ten aanzien van cyberbeveiliging en de toegang tot verworven kennis vergemakkelijkt.

3.2.

In het bijzonder moet het kenniscentrum de relevante delen van de programma’s Digitaal Europa en Horizon Europa uitvoeren door middelen vrij te maken en zich bezig te houden met aanbestedingsprocedures. Gezien de grote investeringen in cyberbeveiliging die elders ter wereld zijn gedaan en het feit dat de middelen binnen de sector in Europa gecoördineerd en gebundeld moeten worden, wordt voorgesteld om het kenniscentrum op te zetten als een Europees partnerschap met een dubbele rechtsgrondslag, zodat makkelijker gebruik kan worden gemaakt van gezamenlijke investeringen van de Unie, de lidstaten en/of de sector.

3.3.

In het voorstel is bepaald dat de lidstaten een bijdrage leveren met een bedrag dat is afgestemd op de activiteiten van het kenniscentrum en het netwerk. De door de EU toegewezen financiële middelen bedragen circa 2 miljard EUR uit het programma Digitaal Europa, een nader te bepalen bedrag afkomstig uit het programma Horizon Europa en een algemene bijdrage door de lidstaten die ten minste even hoog is als de communautaire bijdrage.

3.4.

Het belangrijkste besluitvormingsorgaan is de raad van bestuur, waarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd, maar alleen de landen die een financiële bijdrage hebben geleverd stemrecht hebben. De stemprocedure verloopt volgens het beginsel van de dubbele meerderheid, waarvoor 75 % van de financiële bijdrage en 75 % van de stemmen vereist zijn. De Commissie bezit 50 % van de stemmen. Het kenniscentrum wordt bijgestaan door een industrieel en wetenschappelijk adviescomité dat de dialoog met bedrijven, consumenten en andere belanghebbenden in stand houdt.

3.5.

Door zijn nauwe samenwerking met het netwerk van nationale coördinatiecentra en de kennisgemeenschap op het gebied van cyberbeveiliging, is het kenniscentrum het belangrijkste uitvoerende orgaan van de door de EU aan cyberbeveiliging toegewezen fondsen in het kader van de voorgestelde programma’s Digitaal Europa en Horizon Europa.

3.6.

De nationale coördinatiecentra worden door de lidstaten geselecteerd. Deze centra moeten beschikken over technologische kennis op het gebied van cyberbeveiliging of moeten daar direct toegang toe krijgen, met name wat betreft encryptie, ICT-beveiligingsdiensten, automatische detectie van indringers, beveiliging van systemen, netwerken, software en applicaties, en de menselijke en sociale aspecten van beveiliging en privacy. Bovendien moeten zij zich doeltreffend kunnen aanpassen aan en samenwerken met de industrie, de publieke sector, waaronder de op grond van Richtlijn 2016/1148 aangewezen autoriteiten.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Commissie en acht dit van strategisch belang voor de ontwikkeling van cyberbeveiliging bij de uitvoering van hetgeen op de top van Tallinn in september 2017 overeengekomen is. Bij deze gelegenheid hebben de staatshoofden en regeringsleiders opgeroepen om van Europa uiterlijk in 2025 een leider in cyberbeveiliging te maken, zodat de burgers, consumenten en bedrijven met vertrouwen online kunnen gaan en bescherming genieten, en een vrij en aan het recht onderworpen internet mogelijk wordt.

4.2.

Het EESC herhaalt dat er momenteel een echte cyberoorlog woedt die de politieke, economische en sociale stelsels in gevaar kan brengen en zowel computersystemen, kritieke infrastructuur (energie, vervoer, banken en financiële instellingen, ...) als ondernemingen aanvalt, en met nepnieuws tevens het electorale en democratische proces in het algemeen beïnvloedt (5). Meer bewustwording en een kordate en tijdige reactie zijn dan ook noodzakelijk. Het opstellen van een duidelijke en goed onderbouwde industriële strategie inzake cyberbeveiliging is dan ook een essentiële voorwaarde voor de verwezenlijking van digitale autonomie. Het EESC is van mening dat in het werkprogramma prioriteit moet worden gegeven aan gebieden die zijn genoemd in Richtlijn (EU) 2016/1148, welke van toepassing is op bedrijven die essentiële diensten leveren, zij het openbaar of particulier, vanwege hun belang voor de samenleving (6).

4.3.

Een strategie voor cyberbeveiliging zal alleen maar vruchten afwerpen als er sprake is van een brede bewustwording en van veilig gedrag van alle gebruikers. Om deze reden moet elk technologie-initiatief vergezeld gaan van passende voorlichtings- en bewustmakingscampagnes om een cultuur van digitale veiligheid te creëren (7).

4.4.

Het Comité staat achter de algemene doelstellingen van het voorstel en is er zich van bewust dat specifieke aspecten van de werking ervan verder zullen worden geanalyseerd. Aangezien het een verordening betreft, zouden sommige gevoelige kwesties in verband met governance, financiering en realisering van gestelde doelen niettemin op voorhand moeten worden omschreven. Het is belangrijk dat het toekomstige netwerk en het kenniscentrum zo veel mogelijk voortbouwen op de cybervaardigheden en expertise van de lidstaten en dat de verantwoordelijkheden niet al te zeer worden geconcentreerd in het op te richten kenniscentrum. Ook moet worden voorkomen dat de werkterreinen van het toekomstige netwerk en het kenniscentrum en de bestaande samenwerkingsmechanismen en instellingen elkaar overlappen.

4.5.

Het Comité wijst erop dat het in zijn advies TEN/646 over de cyberbeveiligingsverordening (8) een voorstel heeft gedaan voor een tripartiet publiek-privaat partnerschap tussen de Europese Commissie, de lidstaten en de industrie, met inbegrip van de kleine en middelgrote ondernemingen, terwijl de huidige structuur, waarvan de rechtsvorm moet worden verstevigd, in wezen voorziet in een publiek-publiek partnerschap tussen de Europese Commissie en de lidstaten.

4.6.

Het EESC is er voorstander van om op basis van harde toezeggingen op wetenschappelijk en investeringsgebied, de samenwerking uit te breiden tot de industrie, en deze in de toekomst ook in de raad van bestuur op te nemen. De oprichting van een industrieel en wetenschappelijk adviescomité zal mogelijk geen garantie bieden voor een permanente dialoog met de bedrijven, consumenten en andere belanghebbenden. Voorts wordt in de nieuwe door de Commissie geschetste context niet duidelijk welke rol is weggelegd voor de European Cyber Security Organisation, die in juni 2016 op initiatief van de Commissie is opgericht als tegenhanger van de Commissie en waarvan het kostbare netwerk en de schat aan kennis niet verloren mogen gaan.

4.6.1.

In het geval van een tripartiete samenwerking is het belangrijk om aandacht te besteden aan de kwestie van bedrijven uit derde landen. Het EESC benadrukt in het bijzonder dat deze samenwerking gebaseerd moet zijn op een rigoureus mechanisme om deelname te voorkomen van bedrijven uit landen van buiten de EU, die de veiligheid en autonomie van de Unie in gevaar kunnen brengen. De betreffende in het EDIDP (9) vastgestelde bepalingen moeten ook in dit kader van toepassing zijn.

4.6.2.

Tegelijkertijd erkent het EESC dat sommige ondernemingen uit niet-EU-landen die evenwel al langere tijd op Europees grondgebied zijn gevestigd en volledig betrokken zijn bij de technologische en industriële basis van Europa, zeer nuttig kunnen zijn voor communautaire projecten en hier toegang toe moeten hebben, mits deze ondernemingen door de lidstaten worden gehouden aan passende screening- en controlemechanismen, evenals aan de naleving van het beginsel van wederkerigheid en de verplichtingen van vertrouwelijkheid.

4.7.

Cyberbeveiliging moet een gezamenlijke inspanning zijn van alle lidstaten, die derhalve op nog vast te stellen voorwaarden deel moeten uitmaken van de raad van bestuur. Voorts is het ook van belang dat alle lidstaten financieel en op passende wijze bijdragen aan het initiatief van de Commissie. Met betrekking tot de financiële bijdragen van de lidstaten kan gebruik worden gemaakt van de aan elk van hen toegewezen EU-middelen.

4.8.

Het EESC is het ermee eens dat elke lidstaat vrij is om een eigen vertegenwoordiger aan te wijzen in de raad van bestuur van het Europees kenniscentrum. De loopbaanprofielen van de nationale vertegenwoordigers moeten duidelijk omschreven zijn en zowel strategische en technologische als beheers-, administratieve en budgettaire vaardigheden vermelden.

4.9.

In het voorstel moet nader worden omschreven op welke wijze het kenniscentrum een rol kan spelen bij het coördineren van de financiering van de programma’s Digitaal Europa en Horizon Europa, waarover tot op heden onderhandelingen worden gevoerd, en met name op basis van welke richtsnoeren mogelijke overheidsopdrachten zullen worden uitgeschreven en gegund. Dit is van cruciaal belang om dubbel werk en overlapping te voorkomen. Om meer begrotingsmiddelen vrij te krijgen wordt bovendien aanbevolen de synergieën met andere financiële instrumenten van de EU uit te breiden (bijvoorbeeld regionale fondsen, structuurfondsen, CEF, EDF en InvestEU). Het Comité hoopt dat het netwerk van nationale centra zal worden betrokken bij het beheer en de coördinatie van de fondsen.

4.10.

Het EESC merkt op dat het adviescomité uit 16 leden zou moeten bestaan maar dat de mechanismen op basis waarvan hiervoor een beroep zou worden gedaan op het bedrijfsleven, de academische wereld, de onderzoekswereld en de consument niet worden gespecificeerd. Het zou een goede zaak zijn als de leden van dit comité over een hoog niveau van kennis ter zake zouden beschikken en de verschillende betrokken sectoren op evenwichtige wijze zouden vertegenwoordigen.

4.11.

Het EESC acht het van belang dat de voorwaarden van de samenwerking en de relaties tussen het Europees centrum en de nationale centra worden vastgesteld. Daarnaast is het van belang dat de nationale centra door de EU worden gefinancierd, ten minste voor wat de administratieve kosten betreft, om zo harmonisering op administratief en bevoegdheidsgebied te bevorderen en de bestaande kloof tussen de Europese landen te verkleinen.

4.12.

In lijn met zijn eerdere adviezen (10) onderstreept het EESC het belang van excellent onderwijs en dito opleidingen van personeel op het gebied van cyberbeveiliging, onder meer door specifieke school-, universitaire en postdoctorale opleidingen. Voorts is het belangrijk om te voorzien in voldoende financiële middelen voor kmo’s en start-ups in de sector (11), die onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van baanbrekend onderzoek.

4.13.

Het EESC acht het van essentieel belang de respectieve bevoegdheden en taken van het kenniscentrum en het Enisa duidelijker af te bakenen door de wijze van samenwerking en wederzijdse ondersteuning duidelijk te omschrijven en overlapping van bevoegdheden en dubbel werk te voorkomen (12). In het voorstel voor een verordening is bepaald dat een vertegenwoordiger van Enisa als permanent waarnemer zetelt in de raad van bestuur, maar dit biedt geen garantie voor een gestructureerde dialoog tussen de twee organen. Andere instanties die zich bezighouden met cyberbeveiliging, zoals EDA, Europol en CERT-EU, kampen met vergelijkbare problemen. In dit verband is de in mei 2018 ondertekende intentieverklaring tussen Enisa, EDA, Europol en CERT-EU van belang.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  JOIN(2013) 1 final.

(2)  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).

(3)  JOIN(2017) 450 final.

(4)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 86.

(5)  Informatief rapport over „Gebruik van de media om sociaalpolitieke processen in de EU en de Oostelijke nabuurlanden te beïnvloeden”, Vareikytė, 2014.

(6)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 86.

(7)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 86.

(8)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 86.

(9)  COM(2017) 294.

(10)  PB C 451 van 26.11.2014, blz. 64.

(11)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 86.

(12)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 86.


EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/68


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie [als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002] en Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad [governance van de energie unie], wegens de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

(COM(2018) 744 final — 2018/0385 (COD))

(2019/C 159/11)

Algemeen rapporteur: Séamus BOLAND

Raadpleging

Europees Parlement, 15.11.2018

Raad van de Europese Unie, 26.11.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 192, lid 1, artikel 194, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Besluit van het bureau

11.12.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

106/0/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel tot wijziging van de EU-wetgeving inzake energie-efficiëntie; het feit dat het Verenigd Koninkrijk de EU verlaat maakt deze wijzigingen immers onontkoombaar.

1.2.

Ook is het positief dat de nieuwe EU van 27 lidstaten dankzij deze wijzigingen — die van technische aard zijn — de plannen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) betreffende energie-efficiëntie en Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (2) inzake de governance van de energie-unie zal kunnen voortzetten.

1.3.

Het is een goede zaak dat de voorgestelde wijzigingen de verwezenlijking van de relevante energierichtlijnen niet in de weg zullen staan, overeenkomstig het politieke akkoord van juni 2018.

1.4.

De EU moet het Verenigd Koninkrijk ertoe aanzetten ook na de brexit vast te houden aan de in het akkoord opgenomen bepalingen inzake de streefcijfers van de richtlijn.

1.5.

Voorts zou het EESC graag zien dat de Commissie een brede communicatiestrategie voor de hele EU uitwerkt, om duidelijk te maken dat met name na de brexit vaart moet worden gezet achter de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn betreffende energie-efficiëntie en de verordening inzake de governance van de energie-unie.

1.6.

Het EESC dringt er met klem op aan dat de EU het maatschappelijk middenveld waar mogelijk steeds betrekt bij de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen, met inbegrip van de wijzigingen die naar aanleiding van de brexit moeten worden aangebracht.

1.7.

De Commissie moet er nauwlettend op toezien dat deze wijzigingen geen onbedoelde gevolgen hebben voor de begroting of de mensenrechten.

2.   Context

2.1.

De EU-richtlijn betreffende energie-efficiëntie en de verordening inzake de governance van de energie-unie zijn van cruciaal belang wil de EU zoals beloofd tegen 2030 de doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie bereiken, en zo haar in diverse internationale overeenkomsten aangegane verbintenissen op milieugebied nakomen.

2.2.

In het kader van de voorbereiding van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie heeft de Commissie voorgesteld de EU-wetgeving inzake energie-efficiëntie en de verordening inzake de governance van de energie-unie te wijzigen.

2.3.

Deze aanpassing is nodig omdat de in de herziene richtlijn betreffende energie-efficiëntie en de verordening inzake de governance van de energie-unie opgenomen cijfers over het energieverbruik gebaseerd zijn op een Unie van 28 staten, terwijl nu rekening moet worden gehouden met de nieuwe situatie van een Unie van 27 lidstaten.

2.4.

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de energie-efficiëntiedoelstellingen van de EU zoals vastgelegd in het politieke akkoord van juni 2018, waarin wordt beklemtoond dat de EU vast voornemens is het energie-efficiëntiestreefcijfer van ten minste 32,5 % in 2030 te halen.

3.   Achtergrond

3.1.

Op 23 juni 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland er na een referendum over het EU-lidmaatschap voor gekozen de EU te verlaten. Dit besluit omvat ook het grondgebied van Gibraltar.

3.2.

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken. Dat betekent dat vanaf 30 maart 2019 („de terugtrekkingsdatum”) alle primaire en secundaire wetgeving van de Unie niet langer van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk, tenzij in een geratificeerd akkoord een andere datum wordt vastgesteld. Het Verenigd Koninkrijk wordt dan een derde land.

3.3.

In de richtlijn energie-efficiëntie is een streefcijfer voor energie-efficiëntie van 32,5 % in 2030 vastgesteld, wat inhoudt dat de lidstaten indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen moeten vaststellen.

3.4.

Het is in dit verband de bedoeling dat de lidstaten rekening houden met de prognoses van de Unie inzake energieverbruik.

3.5.

In het voorstel wordt verwezen naar de verordening inzake de governance van de energie-unie, waarin eveneens wordt bepaald dat de lidstaten bij de vaststelling van hun bijdrage aan de 2030-doelstelling van de Unie rekening moeten houden met het energieverbruik in 2030.

3.6.

Aangezien in de governanceverordening de absolute waarden van de richtlijn betreffende energie-efficiëntie worden overgenomen, moeten deze waarden dienovereenkomstig worden gewijzigd.

3.7.

Uit prognoses van de EU blijkt dat het primaire energieverbruik in 2030 niet meer dan 1 273 miljoen ton olie-equivalent(Mtoe) mag bedragen en dat het eindenergieverbruik niet meer dan 956 Mtoe mag bedragen. Soortgelijke prognoses voor de 27 lidstaten van de EU zullen aantonen dat het primaire energieverbruik niet meer dan 1 128 Mtoe mag bedragen, en het eindenergieverbruik niet meer dan 846 Mtoe.

3.8.

De beginselen van subsidiariteit (artikel 5, lid 3, VEU) en evenredigheid (artikel 5, lid 4, VEU) worden ten volle geëerbiedigd, wat met name te danken is aan het feit dat het voorstel alleen technische wijzigingen behelst, die niet van invloed zijn op reeds aangenomen wetgeving.

3.9.

Alle belanghebbenden zijn het er al over eens dat het hier gaat om noodzakelijke technische wijzigingen, die de nieuwe Europese Unie van 27 lidstaten in staat zullen stellen de doelstellingen van de desbetreffende richtlijnen na te streven.

4.   Opmerkingen van het EESC

4.1.

Het moge duidelijk zijn dat dit voorstel bedoeld is om in de relevante EU-wetgeving inzake energie-efficiëntie en governance van de energie-unie de technische wijzigingen aan te brengen die gezien de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie noodzakelijk zijn.

4.2.

Ook is het evident dat de aanbevelingen van de recente EESC-adviezen over de governance van de energie-unie (3) en de herziening van de richtlijn betreffende energie-efficiëntie (4) (de heer Manoliu) stuk voor stuk overeind blijven en dat het Comité daarop moet blijven hameren.

4.3.

Hoewel het voorstel geen betrekking heeft op bredere kwesties zoals de begroting of de mensenrechten, moet er nauwlettend op worden toegezien dat de bepalingen niet onbedoeld toch een impact hebben op deze vlakken.

4.4.

Het EESC is ingenomen met het feit dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid ten volle in acht worden genomen.

4.5.

Het voorstel is bedoeld is om de bestaande wetgeving op energiegebied te wijzigen en doet geen afbreuk aan de ondubbelzinnige verbintenis om bepaalde streefdoelen te halen; toch is het zo dat de resultaten kunnen worden beïnvloed door de vraag of het Verenigd Koninkrijk dezelfde doelen als de overige 27 lidstaten zal blijven nastreven.

4.6.

Het EESC pleit er in dit verband voor om een sterke communicatiestrategie uit te werken, zodat er bij de belanghebbenden geen verwarring ontstaat over de gevolgen van de brexit voor de verwezenlijking van de afspraken tussen de lidstaten om bepaalde energie-efficiëntiedoelstellingen te halen.

4.7.

De voorgestelde wijzigingen zijn van technische aard en vereisen geen openbare raadpleging. Wel pleit het EESC ervoor om het maatschappelijk middenveld waar mogelijk steeds te betrekken bij de ondersteuning van de uitvoeringsplannen van de regeringen.

4.8.

Het EESC wijst erop dat deze technische veranderingen noodzakelijk zijn en de tenuitvoerlegging van de richtlijn zullen vergemakkelijken.

4.9.

Het is ingenomen met het feit dat dit besluit geen gevolgen zal hebben voor het voorlopige akkoord van juni 2018 over een herziening van de richtlijn betreffende energie-efficiëntie.

4.10.

Er moet nog een communicatiestrategie worden opgesteld zodat geen misverstanden kunnen ontstaan over de verdere tenuitvoerlegging van de richtlijnen, maar verder is het EESC ermee ingenomen dat het voorstel geen wezenlijke gevolgen zal hebben voor de plannen van de lidstaten om de gestelde doelen te bereiken.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11,2012, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(3)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 34.

(4)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 42.


10.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 159/71


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft bepaalde voorschriften inzake rechtstreekse betalingen en steun voor plattelandsontwikkeling voor de jaren 2019 en 2020

(COM(2018) 817 final — 2018/0414(COD))

(2019/C 159/12)

Raadpleging

Europees Parlement, 13.12.2018

Raad van de Europese Unie, 14.12.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.1.2019

Zitting nr.

540

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

175/1/5

Aangezien het EESC instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 23 en 24 januari 2019 gehouden 540e zitting (vergadering van 23 januari 2019) met 175 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 23 januari 2019.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER